Artikel D. I.1.§ 1. Het grondgebied van Wallonië behoort tot het gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners.
Het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in het Frans afgekort tot "CoDT", hier : "het Wetboek", beoogt een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling [1 met inachtneming van ruimteoptimalisatie]1.
[1 Ruimteoptimalisatie beoogt de maximale vrijwaring van de bodems en een efficiënt en samenhangend gebruik van de grond door de bebouwing. Ze omvat ook de strijd tegen stadsuitbreiding.]1
[1 De duuurzame en aantrekkelijke ontwikkeling van het erfgoed]1 komt tegemoet aan en speelt op een evenwichtige manier in op de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, demografisch vlak, op vlak van energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit, rekening houdend, zonder discriminatie, met de ruimtelijke dynamiek en specificiteit, alsook met de sociale cohesie.
§ 2. Het Gewest, de gemeenten en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met het Gewest, de actoren, de beheerders en de vrijwaarders van deze ontwikkeling.
Daarvoor ontwikkelen ze beleidsinstrumenten voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals volgt :
1° het gewestplan;
2° de ontwikkelingsplannen;
3° de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
4° de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
5° de operationele omtrekken;
6° de grondbeleidsinstrumenten.
De inwoners en de publieke en privé-actoren dragen bij tot een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling door hun inspraak bij de uitwerking van die instrumenten, de ontwikkeling van projecten en de adviezen die zij uitbrengen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JULI 2016. - Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (2016) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-11-2016 en tekstbijwerking tot 29-12-2025)
Titre
20 JUILLET 2016. - Code wallon du Développement territorial - Partie décrétale (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-11-2016 et mise à jour au 29-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2016A05561
Datum: 2016-07-20
Info du document
Numac: 2016A05561
Date: 2016-07-20
Inhoud
BOEK I. - Algemene bepalingen
ENIGE TITEL. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen
HOOFDSTUK II. - Delegaties vanwege de Regering
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Dele...
HOOFDSTUK III. - Commissies
Afdeling 1. - " Pôle "Aménagement du territoire...
Afdeling 1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Advies...
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Afdeling 2. - Adviescommissie over de beroepen
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Beroe...
Onderafdeling 1. [1 Oprichting en opdrachten]1
Onderafdeling 2. [1 Samenstelling en werking]1
Afdeling 3. - Gemeentelijke adviescommissie voo...
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
HOOFDSTUK IV. - Erkenningen
HOOFDSTUK V. - Toelagen
HOOFDSTUK V.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Duur...
HOOFDSTUK VI. - Nadere regels voor verzendingen...
HOOFDSTUK VII. - Overgangsrecht
Afdeling 1. - Commissies
Afdeling 2. - Erkenningen
Afdeling 3. - Toelagen
BOEK II. - Planificatie
BOEK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Planning...
TITEL I. - De ontwikkelingsplannen
HOOFDSTUK I. - Het ruimtelijk ontwikkelingsplan
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Herziening
HOOFDSTUK II. - Meergemeentelijk ontwikkelingsplan
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Herziening
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingspla...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud
Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan
Onderafdeling 2. - Lokaal beleidsontwikkelingsplan
Afdeling 3. - Procedure
Afdeling 4. - Herziening
Afdeling 4._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK IV. - Opvolging van de milieueffecten
HOOFDSTUK V. - Opheffing
HOOFDSTUK VI. - Juridische gevolgen en hiërarchie
Afdeling 1. - Rechtsgevolgen
Afdeling 2. - Hiërarchie
TITEL II. - Gewestplannen
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Bestemming en algemene voorschrif...
Afdeling 3. - Tracé van de hoofdinfrastructuren
HOOFDSTUK III. - Procedure
Afdeling 1. - Inhoud van het basisdossier
Afdeling 2. - Op de herziening toepasselijke pr...
Afdeling 3. - Gewone herzieningen
Onderafdeling 1. - Herzieningen op initiatief v...
Onderafdeling 2. - Herzieningen op initiatief v...
Onderafdeling 3. - Herziening op initiatief van...
Onderafdeling 4. - Gemeenrechtelijke procedure
Afdeling 4. - Versnelde herzieningen
Onderafdeling 1. - Procedure voor de herziening...
Onderafdeling 2. - Herziening van een gewestpla...
Afdeling 5. - Opmakingsprocedure
HOOFDSTUK IV. - Gezamenlijke procedure voor gew...
Afdeling I. [1 Toepassingsgebied]1
Afdeling II. [1 Indiening van de gezamenlijke a...
Onderafdeling 1. [1 Indiening van de aanvraag t...
D.II.54/1. [1 Ten minste vijftien dagen voor de...
D.II.54/2. [1 De aanvrager stuurt de Regering z...
D.II.54/3. [1 Wanneer wordt overwogen om een er...
D.II.54/4. [1 Binnen dertig dagen na de indieni...
D.II.54/5. [1 Binnen honderdtwintig dagen na on...
Onderafdeling 2. [1 Gezamenlijke effectenbeoord...
D.II.54/6. [1 De verplichting om een gezamenlij...
Onderafdeling 3. [1 Indiening van de vergunning...
D.II.54/7. [1 § 1. Indien de Regering de aanvra...
Afdeling 3. [1 Onderzoek van de gezamenlijke aa...
D.II.54/8. [1 Zodra de Regering de indiening va...
Afdeling 4. [1 Beslissing]1
D.II.54/9. [1 Binnen vierentwintig maanden na d...
D.II.54/10. [1 Indien het besluit van de Regeri...
D.II.54/11. [1 Binnen de tien dagen na bekendma...
HOOFDSTUK V. - Juridische gevolgen
Afdeling 1. - Algemeen
TITEL II.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - OMTREK...
HOOFDSTUK I.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - ALGEM...
HOOFDSTUK II.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - PROC...
Afdeling 1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Initia...
Afdeling 2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Proced...
HOOFDSTUK III.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - BIJ...
TITEL III. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkel...
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen
Afdeling 1. - Gemeentelijk structuurplan
Afdeling 2. - Stedenbouwkundig en leefmilieuver...
HOOFDSTUK III. - Plannen van aanleg
Afdeling 1. - Gewestplan
Onderafdeling 1. - Bestemming en algemene voors...
Onderafdeling 2. - Procedure
Afdeling 2. - Gemeentelijk plan van aanleg
Onderafdeling 1. - Juridische draagwijdte
Onderafdeling 2. - Procedure
HOOFDSTUK IV. - Andere plannen en schema's
HOOFDSTUK V.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - OMTRE...
BOEK III. - Leidraden voor stedenbouw
TITEL I. - Gewestelijke leidraad voor stedenbouw
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
HOOFDSTUK III. - Procedure
TITEL II. - Gemeentelijke leidraad voor stedenbouw
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
HOOFDSTUK III. - Procedure
TITEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK I. - Herziening en opheffing
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
HOOFDSTUK III. - Hiërarchie
Afdeling 1. - Het verband tussen de gewestelijk...
Afdeling 2. - Het verband tussen de ontwikkelin...
TITEL IV. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Gewestelijke stedenbouwkundige v...
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke stedenbouwkundige...
BOEK IV. - Stedenbouwkundige vergunningen en at...
BOEK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - VERGUNNI...
TITEL I. - Algemeen
HOOFDSTUK I. - Begrippen
HOOFDSTUK II. - Handelingen die onderworpen zij...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - HAN...
HOOFDSTUK III. - Handelingen en werken onderwor...
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen en verschillen
Afdeling 1. - Verschillen
Afdeling 2. - Afwijkingen
TITEL II. - Procedure
HOOFDSTUK I. - Bevoegde autoriteiten
Afdeling 1. - Gemeentecollege
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Vergunning
Onderafdeling 3. - Stedenbouwkundige attesten
Afdeling 2. - Gemachtigd ambtenaar
Afdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Regeri...
Onderafdeling 1. - Vergunning
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundig attest
Afdeling 3. - Regering
Afdeling 3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Beroep...
HOOFDSTUK II. - Aanvraagdossiers
Afdeling 1. - Vergunningsaanvraagdossier
Afdeling 2. - Aanvraagdossier voor een stedenbo...
HOOFDSTUK III. - Projectvergadering
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvraag
Afdeling 1. - Algemeen
HOOFDSTUK V. - Raadplegingen
HOOFDSTUK VI. - Aanvullende formaliteiten
Afdeling 1. - Bijzondere bekendmakingmaatregelen
Afdeling 2. - Opening en wijziging van gemeente...
Afdeling 3. - Wijziging van de vergunningsaanvr...
Afdeling 4.
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Opscho...
Afdeling 5. - Vrijetijdsverblijven
HOOFDSTUK VII. - Beslissing over aanvragen voor...
HOOFDSTUK VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - BE...
Afdeling 1. - Termijn
Onderafdeling 1. - Beslissing van het gemeentec...
Onderafdeling 2. - Beslissing van de gemachtigd...
Onderafdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - B...
Onderafdeling 3. - Aflevering van het stedenbou...
Afdeling 2. - Inhoud van de beslissing
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundige lasten
Onderafdeling 3. - Motieven in verband met het ...
Onderafdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Mot...
Onderafdeling 4. - Motieven in verband met de b...
Onderafdeling 5. - Motieven in verband met de l...
Afdeling 3. - Diverse bepalingen
Onderafdeling 1. - Volgorde van de werken
Onderafdeling 2. - Financiële garanties
Afdeling 4. - Beslissingen over aanvragen van s...
HOOFDSTUK VIII. - Toezicht van de gemachtigd am...
HOOFDSTUK VIII_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - To...
HOOFDSTUK IX. - Beroep
Afdeling 1. - Beroepsgerechtigden
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Beslissing
HOOFDSTUK X. - Formaliteiten ter afronding van ...
Afdeling 1. - Aanplakking van de vergunning
Afdeling 2. - Kennisgeving van de aanvang van d...
Afdeling 3. - Aanwijzing van de plaats van vest...
Afdeling 3.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Vereen...
Afdeling 4. - Aanmelding van voltooiing van de ...
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Docum...
Afdeling 4.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 5. - Vaststelling van de uitvoering va...
Afdeling 6. - Bekendmaking
TITEL III. - Gevolgen van de vergunning
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Vergunningen met beperkte duur
HOOFDSTUK III. [1 Vervallen en verstrijken van ...
Afdeling 1. - Het vervallen van de bebouwingsve...
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Het v...
Afdeling 2. [1 Vervallen en verstrijken van de ...
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK IV. - Opschorting van de vergunning
HOOFDSTUK V. - Intrekking van de vergunning
HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de vergunning
HOOFDSTUK VII. - Afzien van de vergunning
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de bebouwingsve...
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - W...
HOOFDSTUK IX. [1 Wijziging van de stedenbouwkun...
TITEL IV. - Gevolgen van het stedenbouwkundig a...
TITEL V. - Verplichtingen tot informatieverstre...
HOOFDSTUK I. - Vermeldingen in akten van overdr...
HOOFDSTUK II. - Akte voorafgaand aan elke verde...
Afdeling 1. - Verdeling na toekenning van een v...
Afdeling 2. - Niet-vergunningsplichtige verdeling
HOOFDSTUK III. - Akte na de wijziging van de be...
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - AK...
HOOFDSTUK IV. - Informatie over de overdracht v...
TITEL VI. - Te verstrekken inlichtingen
TITEL VII. - Vergunningen in verband met andere...
TITEL VII.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - TOEPAS...
HOOFDSTUK II.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - AFWIJ...
HOOFDSTUK III.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - PROC...
HOOFDSTUK IV.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - VAN T...
TITEL VIII. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Procedure
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
Afdeling 1. - Bebouwingsvergunningen
Onderafdeling 1. - Rechtsgeldigheid
Onderafdeling 2. - Verval
Onderafdeling 3. - Wijziging
Afdeling 2. - Het vervallen van de stedenbouwku...
BOEK V. - Operationele ruimtelijke ordening en ...
BOEK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL I. - Te herontwikkelen locaties
TITEL I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK III. - Onderzoekingen
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK IV. - Vervreemding
HOOFDSTUK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK V. - Instandhouding van de schoonheid...
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK VI. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL II. - Locaties met herstel van landschap ...
TITEL II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Locaties met herstel van landsch...
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL III. - Stedelijke verkavelingsomtrekken
TITEL III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK III. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL IV. - Stadsheropleving
TITEL IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL V. - Stadsvernieuwing
TITEL V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL VI. - Bevoorrechte initiatiefgebieden
TITEL VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL VII. - Gezamenlijke procedure voor omtrek...
TITEL VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. [1 Toepassingsgebied]1
HOOFDSTUK II. [1 Indiening van de gezamenlijke ...
Afdeling I. [1 Indiening van de aanvraag tot om...
Afdeling 2. [1 Gezamenlijke effectbeoordeling]1
Afdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanv...
HOOFDSTUK III. [1 Onderzoek van de gezamenlijke...
HOOFDSTUK IV. [1 Beslissing]1
HOOFDSTUK V. [1 Onderzoekingen]1
TITEL VIII. - Fonds voor operationele inrichtin...
TITEL VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITEL IX. - Financiële bepalingen
TITEL IX. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Beginsel
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
BOEK VI. - Grondbeleid
TITEL I. - Onteigeningen en vergoedingen
HOOFDSTUK I. - Goederen die onteigend zouden ku...
HOOFDSTUK II. - Onteigenende overheden
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI. - Onteigening op verzoek van een ...
HOOFDSTUK VII. - Comité voor de aankoop
HOOFDSTUK VIII. - Verzaak aan de onteigening
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
TITEL II. - Recht van voorkoop
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
Afdeling 1. - De omtrekken van voorkoop
Afdeling 2. - Voorwerp van de voorkoop
Afdeling 3. - Voorkoopgerechtigde overheden
Afdeling 4. - Akten die de voorkoopprocedure do...
Afdeling 5. - Duurtijd
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van...
HOOFDSTUK III. - Voorkoopprocedure
Afdeling 1. - Verklaring van het voornemen tot ...
Afdeling 2. - Overdracht van de verklaring van ...
Afdeling 3. - Beslissing van de voorkoopgerecht...
Afdeling 4. - Verzaking aan de uitoefening van ...
Afdeling 5. - Voorkoop en betaling van de prijs
HOOFDSTUK IV. - Verscheidene bepalingen
HOOFDSTUK V. - Overgangsrecht
TITEL III. - Ruilverkaveling en herverkaveling
TITEL IV. - Het stelsel van de minderwaarden en...
HOOFDSTUK I. - Vergoeding van de minderwaarden
Afdeling 1. - Beginsel
Afdeling 2. - Onverschuldigde vergoeding
Afdeling 3. - Vermindering of weigering van de ...
Afdeling 4. - Ontstaan van het recht op de verg...
Afdeling 5. - Berekening van de vergoeding
Afdeling 6. - Procedure
Afdeling 7. - Uitvoering van de verplichting to...
Afdeling 8. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. - Planwinstenstelsel
Afdeling 1. - Gewestelijke retributie
Onderafdeling 1. - Grondslag, vrijstellingen en...
Onderafdeling 2. - De retributieplichtige
Onderafdeling 3. - Berekening van de retributie
Onderafdeling 4. - Register van de grondwinsten
Onderafdeling 5. - Vestiging, inning, vordering...
Onderafdeling 6. - Evaluatie
Onderafdeling 7. - Overgangsrecht
Afdeling 2. - Gemeentelijke retributies
BOEK VII. - Overtredingen en straffen
HOOFDSTUK I. - Strafbare handelingen
HOOFDSTUK Ibis. [1 - De handelingen en werken d...
HOOFDSTUK Iter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Verk...
HOOFDSTUK II. - Overtreders
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de overtredingen
Afdeling 1. - Vaststellende beambten
Afdeling 2. - Voorafgaande waarschuwing en het ...
Afdeling 3. - Proces-verbaal
Afdeling 4. - Zending van het proces-verbaal va...
Afdeling 5. - Toegang
Afdeling 6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Rechtsg...
HOOFDSTUK IV. - Bevel tot onderbreking van de w...
Afdeling 1. - Mondeling bevel tot onderbreking
Afdeling 2. - Schriftelijke bevestiging
Afdeling 3. - Verzoeken tot opheffen van het bevel
Afdeling 4. - Aanvullende maatregelen
HOOFDSTUK V. - Vervolging voor de correctionele...
HOOFDSTUK VI. - Vergelijk en teruggavemaatregelen
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Buit...
Afdeling 1. - Afwezigheid van vervolgingen
Afdeling 2. - Overleg
Afdeling 3. [1 Regularisatie en vergelijk]1
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Regula...
Onderafdeling 1.
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 ...]1
Afdeling 4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Adminis...
Onderafdeling 2.
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 ...]1
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Compe...
Afdeling 4. - Teruggavemaatregelen
Afdeling 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Admin...
HOOFDSTUK VII. - Vervolging voor de burgerlijke...
HOOFDSTUK VIII. - Rechten van de derden en dive...
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
BOEK VIII. - Inspraak en evaluatie van de gevol...
TITEL I. - Inspraak
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Indeling van de plannen, omtrekke...
Afdeling 2. - Algemene principes van de inspraak
HOOFDSTUK II. - Voorafgaandelijke informatiever...
Afdeling 1. [1 Informatievergadering voorafgaan...
Afdeling 2. [1 Informatievergadering voorafgaan...
Afdeling 3. [1 Informatievergadering voorafgaan...
HOOFDSTUK III. - Aankondiging van een project
HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek
Afdeling 1. - Maatregelen inzake de algemene aa...
Afdeling 2. - Informatievergadering over het ru...
Afdeling 3. - Maatregelen inzake de individuele...
Afdeling 4. - Bijkomende bekendmaking
Afdeling 5. - Duur van het openbaar onderzoek
Afdeling 6. - Modaliteiten van de toegang tot d...
Afdeling 7. - Vervangingsbevoegdheid
HOOFDSTUK V. - Bekendmaking betreffende de besl...
HOOFDSTUK VI.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - INFOR...
TITEL II. [1 Beoordeling van de impact van plan...
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen
HOOFDSTUK II. [1 Systeem voor de beoordeling va...
HOOFDSTUK III. [1 Beoordelingssysteem van effec...
HOOFDSTUK IV. [1 Systeem voor de beoordeling va...
Inhoud
LIVRE Ier. - Dispositions générales
TITRE UNIQUE. - Dispositions générales
CHAPITRE Ier. - Objectifs et moyens
CHAPITRE II. - Délégations par le Gouvernement
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Délé...
CHAPITRE III. - Commissions
Section 1re. - Pôle "Aménagement du territoire"
Section 1re_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Consei...
Sous-section 1re. - Création et missions
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Section 2. - Commission d'avis sur les recours
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Commissio...
Sous-section 1. [1 Création et missions]1
Sous-section 2. [1 Composition et fonctionnement]1
Section 3. - Commission consultative communale ...
Sous-section 1re. - Création et missions
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
CHAPITRE IV. - Agréments
CHAPITRE V. - Subventions
CHAPITRE V.1. _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Fo...
CHAPITRE VI. - Modalités d'envoi et calcul des ...
CHAPITRE VII. - Droit transitoire
Section 1re. - Commissions
Section 2. - Agréments
Section 3. - Subventions
LIVRE II. - Planification
LIVRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Planifi...
TITRE Ier. - Schémas
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement du terr...
Section 1re. - Définition et contenu
Section 2. - Procédure
Section 3. - Révision
CHAPITRE II. - Schéma de développement pluricom...
Section 1re. - Définition et contenu
Section 2. - Procédure
Section 3. - Révision
CHAPITRE III. - Schémas communaux
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Définition et contenu
Sous-section 1re. - Schéma de développement com...
Sous-section 2. - Schéma d'orientation local
Section 3. - Procédure
Section 4. - Révision
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Documents...
CHAPITRE IV. - Suivi des incidences environneme...
CHAPITRE V. - Abrogation
CHAPITRE VI. - Effets juridiques et hiérarchie
Section 1re. - Effets juridiques
Section 2. - Hiérarchie
TITRE II. - Plans de secteur
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Contenu
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Destination et prescriptions génér...
Section 3. - Tracé des principales infrastructures
CHAPITRE III. - Procédure
Section 1re. - Contenu du dossier de base
Section 2. - Principes applicables à la révision
Section 3. - Révisions ordinaires
Sous-section 1re. - Révision à l'initiative du ...
Sous-section 2. - Révision à l'initiative de la...
Sous-section 3. - Révision à l'initiative d'une...
Sous-section 4. - Procédure de droit commun
Section 4. - Révisions accélérées
Sous-section 1re. - Procédure de révision de pl...
Sous-section 2. - Révision de plan de secteur e...
Section 5. - Procédure d'élaboration
CHAPITRE IV. - Procédure conjointe plan-permis
Section 1e. [1 Champ d'application]1
Section 2. [1 Introduction de la demande conjoi...
Sous-section 1ère. [1 Introduction de la demand...
Sous-section 2. [1 Evaluation conjointe des inc...
Sous-section 3. [1 Introduction de la demande d...
Section 3. [1 Instruction de la demande conjoin...
Section 4. [1 Décision]1
CHAPITRE V. - Effets juridiques
Section 1re. - Généralités
TITRE II.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Périmè...
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Géné...
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Proc...
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Droi...
Section 2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédu...
CHAPITRE III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Disp...
TITRE III. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement de l'es...
CHAPITRE II. - Schémas communaux
Section 1re. - Schéma de structure communal
Section 2. - Rapport urbanistique et environnem...
CHAPITRE III. - Plans d'aménagement
Section 1re. - Plan de secteur
Sous-section 1re. - Destination et prescription...
Sous-section 2. - Procédure
Section 2. - Plan communal d'aménagement
Sous-section 1re. - Portée juridique
Sous-section 2. - Procédure
CHAPITRE IV. - Autres plans et schémas
CHAPITRE V.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Périmè...
LIVRE III. - Guides d'urbanisme
TITRE Ier. - Guide régional d'urbanisme
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Contenu
CHAPITRE III. - Procédure
TITRE II. - Guide communal d'urbanisme
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Contenu
CHAPITRE III. - Procédure
TITRE III. - Dispositions communes
CHAPITRE Ier. - Révision et abrogation
CHAPITRE II. - Effets juridiques
CHAPITRE III. - Hiérarchie
Section 1re. - Lien entre le guide régional et ...
Section 2. - Lien entre les schémas et les guides
TITRE IV. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. - Règlements régionaux d'urbanisme
CHAPITRE II. - Règlements communaux d'urbanisme
LIVRE IV. - Permis et certificats d'urbanisme
LIVRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Permis ...
TITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE Ier. - Notions
CHAPITRE II. - Actes soumis à permis d'urbanisa...
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Acte...
CHAPITRE III. - Actes et travaux soumis à permi...
CHAPITRE IV. - Dérogations et écarts
Section 1re. - Ecarts
Section 2. - Dérogations
TITRE II. - Procédure
CHAPITRE Ier. - Autorités compétentes
Section 1re. - Collège communal
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Permis
Sous-section 3. - Certificats d'urbanisme
Section 2. - Fonctionnaire délégué
Section 2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Gouvern...
Sous-section 1re. - Permis
Sous-section 2. -- Certificat d'urbanisme
Section 3. - Gouvernement
Section 3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Instanc...
CHAPITRE II. - Dossiers de demande
Section 1re. - Dossier de demande de permis
Section 2. - Dossier de demande de certificat d...
CHAPITRE III. - Réunion de projet
CHAPITRE IV. - Dépôt de la demande
Section 1re. - Généralités
CHAPITRE V. - Consultations
CHAPITRE VI. - Formalités complémentaires
Section 1re. - Mesures particulières de publicité
Section 2. - Ouverture et modification de la vo...
Section 3. - Modification de la demande de perm...
Section 4.
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Suspens...
Section 5. - Hébergement de loisirs
CHAPITRE VII. - Décision sur les demandes de pe...
CHAPITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Déc...
Section 1re. - Délai
Sous-section 1re. - Décision du collège communal
Sous-section 2. - Décision du fonctionnaire dél...
Sous-section 2_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Déci...
Sous-section 3. - Délivrance du certificat d'ur...
Section 2. - Contenu de la décision
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Charges d'urbanisme
Sous-section 3. - Motifs liés à la viabilisatio...
Sous-section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Moti...
Sous-section 4. - Motifs liés à la protection d...
Sous-section 5. - Motifs liés à la planologie e...
Section 3. - Dispositions diverses
Sous-section 1re. - Ordre des travaux
Sous-section 2. - Garanties financières
Section 4. - Décision sur la demande de certifi...
CHAPITRE VIII. - Tutelle du fonctionnaire délég...
CHAPITRE VIII_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Tutel...
CHAPITRE IX. - Recours
Section 1re. - Titulaires du droit de recours
Section 2. - Procédure
Section 3. - Décision
CHAPITRE X. - Formalités post-décisoires
Section 1re. - Affichage du permis
Section 2. - Notification du début des travaux
Section 3. - Indication de l'implantation des c...
Section 3.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Demand...
Section 4. - Déclaration d'achèvement des travaux
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Plans ...
Section 4.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 5. - Constat de l'exécution des conditi...
Section 6. - Publicité
TITRE III. - Effets du permis
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Permis à durée limitée
CHAPITRE III. [1 Péremption et caducité des per...
Section 1re. - Péremption du permis d'urbanisation
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Pére...
Section 2. [1 Péremption et caducité des permis...
Section 3. - Dispositions communes
CHAPITRE IV. - Suspension du permis
CHAPITRE V. - Retrait de permis
CHAPITRE VI. - Cession du permis
CHAPITRE VII. - Renonciation au permis
CHAPITRE VIII. - Modification du permis d'urban...
CHAPITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Mo...
CHAPITRE IX [1 Modification du permis d'urbanis...
TITRE IV. - Effets du certificat d'urbanisme
TITRE V. - Obligations d'information sur le sta...
CHAPITRE Ier. - Mentions dans les actes de cession
CHAPITRE II. - Acte préalable à toute division
Section 1re. - Division postérieure à l'octroi ...
Section 2. - Division non soumise à permis
CHAPITRE III. - Acte postérieur à la modificati...
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Act...
CHAPITRE IV. - Information sur la cession des p...
TITRE VI. - Renseignements à fournir
TITRE VII. - Des permis en relation avec d'autr...
TITRE VII.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Champ...
CHAPITRE II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Except...
CHAPITRE III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Proc...
CHAPITRE IV.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispos...
TITRE VIII. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. - Procédure
CHAPITRE II. - Effets juridiques
Section 1re. - Permis d'urbanisation
Sous-section 1re. - Valeur juridique
Sous-section 2. - Péremption
Sous-section 3. - Modification
Section 2. - Permis d'urbanisme - péremption
LIVRE V. - Aménagement du territoire et urbanis...
LIVRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE Ier. - Sites à réaménager
TITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE III. - Investigations
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE IV. - Aliénation
CHAPITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE V. - Conservation de la beauté des pay...
CHAPITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE VI. - Droit transitoire
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE II. - Sites de réhabilitation paysagère e...
TITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. - Sites de réhabilitation paysagè...
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE II. - Droit transitoire
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE III. - Périmètres de remembrement urbain
TITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE III. - Droit transitoire
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE IV. - Revitalisation urbaine
TITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE V. - Rénovation urbaine
TITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE VI. - Zones d'initiatives privilégiées
TITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE VII. - Procédure conjointe périmètre - pe...
TITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE Ier . [1 Champ d'application]1
CHAPITRE II. [1 Introduction de la demande conj...
Section 1e. [1 Introduction de la demande de pé...
Section 2. [1 Evaluation conjointe des incidenc...
Section 3. [1 Introduction de la demande de per...
CHAPITRE III. [1 Instruction de la demande conj...
CHAPITRE IV. [1 Décision]1
CHAPITRE V. [1 Investigations]1
TITRE VIII. - Fonds d'aménagement opérationnel ...
TITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITRE IX. - Dispositions financières
TITRE IX. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. - Principe
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
CHAPITRE II. - Droit transitoire
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
LIVRE VI. - Politique foncière
TITRE Ier. - Expropriations et indemnités
CHAPITRE Ier. - Biens susceptibles d'expropriation
CHAPITRE II. - Pouvoirs expropriants
CHAPITRE III.
CHAPITRE IV.
CHAPITRE V.
CHAPITRE VI. - Expropriation à la demande d'un ...
CHAPITRE VII. - Comité d'acquisition
CHAPITRE VIII. - Renonciation à l'expropriation
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
TITRE II. - Droit de préemption
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
Section 1re. - Périmètres de préemption
Section 2. - Objet de la préemption
Section 3. - Pouvoirs préempteurs
Section 4. - Actes générateurs de la procédure ...
Section 5. - Durée
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption des périmètres
CHAPITRE III. - Procédure de préemption
Section 1re. - Déclaration d'intention d'aliéner
Section 2. - Transmission de la déclaration d'i...
Section 3. - Décision des bénéficiaires du droi...
Section 4. - Renonciation à exercer le droit de...
Section 5. - Préemption et paiement du prix
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses
CHAPITRE V. - Droit transitoire
TITRE III. - Remembrement et relotissement
TITRE IV. - Régime des moins-values et des béné...
CHAPITRE Ier. - Indemnisation des moins-values
Section 1re. - Principe
Section 2. - Absence d'indemnisation
Section 3. - Réduction ou refus d'indemnisation
Section 4. - Naissance du droit à l'indemnisation
Section 5. - Calcul de l'indemnité
Section 6. - Procédure
Section 7. - Exécution de l'obligation d'indemn...
Section 8. - Droit transitoire
CHAPITRE II. - Régime des bénéfices résultant d...
Section 1re. - Taxe régionale
Sous-section 1re. - Fondement, exemptions et su...
Sous-section 2. - Redevable
Sous-section 3. - Calcul de la taxe
Sous-section 4. - Registre des bénéfices fonciers
Sous-section 5. - Etablissement, perception, re...
Sous-section 6. - Evaluation
Sous-section 7. - Droit transitoire
Section 2. - Taxes communales
LIVRE VII. - Infractions et sanctions
CHAPITRE Ier. - Actes infractionnels
CHAPITRE Ierbis. [1 - Les actes et travaux prés...
CHAPITRE Ierter.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Déc...
CHAPITRE II. - Contrevenants
CHAPITRE III. - Constat des infractions
Section 1re. - Agents constatateurs
Section 2. - Avertissement préalable et mise en...
Section 3. - Procès-verbal
Section 4. - Envoi du procès-verbal de constat
Section 5. - Accès
Section 6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Effets j...
CHAPITRE IV. - Ordre d'interruption des travaux
Section 1re. - Ordre verbal d'interruption
Section 2. - Confirmation écrite
Section 3. - Demande de levée de l'ordre
Section 4. - Mesures complémentaires
CHAPITRE V. - Poursuite devant le tribunal corr...
CHAPITRE VI. - Transaction et mesures de restit...
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Mesu...
Section 1re. - Absence de poursuite
Section 2. - Concertation
Section 3. [1 Régularisation et transaction]1
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Contrô...
Sous-section 1re.
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ....
Section 4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures ...
Sous-section 2.
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 ...]1
Section 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures...
Section 4. - Mesures de restitution
Section 6. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Amendes a...
CHAPITRE VII. - Poursuite devant le tribunal civil
CHAPITRE VIII. - Droit des tiers et disposition...
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
LIVRE VIII. - Participation du public et évalua...
TITRE Ier. - Participation du public
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Section 1re. - Classification des plans, périmè...
Section 2. - Principes généraux de la participa...
CHAPITRE II. - Réunion d'information préalable
Section 1e. [1 Réunion d'information préalable ...
Section 2. [1 Réunion d'information préalable à...
Section 3. [1 Réunion d'information préalable à...
CHAPITRE III. - Annonce de projet
CHAPITRE IV. - Enquête publique
Section 1re. - Mesures d'annonce générale de l'...
Section 2. - Séance de présentation du schéma d...
Section 3. - Mesures d'annonce individuelle de ...
Section 4. - Publicité supplémentaire
Section 5. - Durée de l'enquête publique
Section 6. - Modalités de l'accès à l'informati...
Section 7. - Pouvoir de substitution
CHAPITRE V. - Publicité relative à la décision
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Réuni...
TITRE II. - [1 Evaluation des incidences des pl...
CHAPITRE Ier. - Objectifs
CHAPITRE II. [1 Système d'évaluation des incide...
CHAPITRE III. [1 Système d'évaluation des incid...
CHAPITRE IV. [1 Système d'évaluation des incide...
Tekst (1110)
Texte (1110)
BOEK I. - Algemene bepalingen
LIVRE Ier. - Dispositions générales
ENIGE TITEL. - Algemene bepalingen
TITRE UNIQUE. - Dispositions générales
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen
CHAPITRE Ier. - Objectifs et moyens
Article D. I.1.§ 1er. Le territoire de la Wallonie est un patrimoine commun de ses habitants.
L'objectif du Code du Développement territorial, ci-après "le Code", est d'assurer un développement durable et attractif du territoire [1 dans le respect de l'optimisation spatiale]1.
[1 L'optimisation spatiale vise à préserver au maximum les terres et à assurer une utilisation efficiente et cohérente du sol par l'urbanisation. Elle comprend la lutte contre l'étalement urbain.]1
[1 Le développement durable et attractif du territoire]1 rencontre ou anticipe de façon équilibrée les besoins sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux et de mobilité de la collectivité, en tenant compte, sans discrimination, des dynamiques et des spécificités territoriales, ainsi que de la cohésion sociale.
§ 2. La Région, les communes et les autres autorités publiques, chacune, dans le cadre de ses compétences et en coordination avec la Région, sont acteurs, gestionnaires et garantes de ce développement.
A cette fin, elles élaborent des outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme qui sont les suivants :
1° le plan de secteur;
2° les schémas;
3° le guide régional d'urbanisme;
4° le guide communal d'urbanisme;
5° les périmètres opérationnels;
6° les outils de politique foncière.
Les habitants et les acteurs publics et privés contribuent au développement durable et attractif du territoire, par leur participation à l'élaboration de ces outils, par le développement de projets et par les avis qu'ils émettent.
L'objectif du Code du Développement territorial, ci-après "le Code", est d'assurer un développement durable et attractif du territoire [1 dans le respect de l'optimisation spatiale]1.
[1 L'optimisation spatiale vise à préserver au maximum les terres et à assurer une utilisation efficiente et cohérente du sol par l'urbanisation. Elle comprend la lutte contre l'étalement urbain.]1
[1 Le développement durable et attractif du territoire]1 rencontre ou anticipe de façon équilibrée les besoins sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux et de mobilité de la collectivité, en tenant compte, sans discrimination, des dynamiques et des spécificités territoriales, ainsi que de la cohésion sociale.
§ 2. La Région, les communes et les autres autorités publiques, chacune, dans le cadre de ses compétences et en coordination avec la Région, sont acteurs, gestionnaires et garantes de ce développement.
A cette fin, elles élaborent des outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme qui sont les suivants :
1° le plan de secteur;
2° les schémas;
3° le guide régional d'urbanisme;
4° le guide communal d'urbanisme;
5° les périmètres opérationnels;
6° les outils de politique foncière.
Les habitants et les acteurs publics et privés contribuent au développement durable et attractif du territoire, par leur participation à l'élaboration de ces outils, par le développement de projets et par les avis qu'ils émettent.
Wijzigingen
Art. D. I.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het grondgebied van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 behoort tot het gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners.
Het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in het Frans afgekort tot "CoDT", hier : "het Wetboek", beoogt een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling.
Deze ontwikkeling komt tegemoet aan en speelt op een evenwichtige manier in op de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, demografisch vlak, op vlak van energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit, rekening houdend, zonder discriminatie, met de ruimtelijke dynamiek en specificiteit, alsook met de sociale cohesie.
§ 2. [1 De Duitstalige Gemeenschap]1, de gemeenten en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, de actoren, de beheerders en de vrijwaarders van deze ontwikkeling.
Daarvoor ontwikkelen ze beleidsinstrumenten voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals volgt :
1° het gewestplan;
2° de ontwikkelingsplannen;
3° de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
4° de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
5° [3 de omtrekken voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling]3;
6° de grondbeleidsinstrumenten.
De inwoners en de publieke en privé-actoren dragen bij tot een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling door hun inspraak bij de uitwerking van die instrumenten, de ontwikkeling van projecten en de adviezen die zij uitbrengen.
[2 § 3 - De samenwerking met de overheden, diensten of organen van het Waals Gewest geschiedt in het bijzonder op basis van de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies, hierna 'samenwerkingsakkoord' genoemd.]2
§ 1. Het grondgebied van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 behoort tot het gemeenschappelijk erfgoed van zijn inwoners.
Het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in het Frans afgekort tot "CoDT", hier : "het Wetboek", beoogt een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling.
Deze ontwikkeling komt tegemoet aan en speelt op een evenwichtige manier in op de behoeften van de gemeenschap op sociaal, economisch, demografisch vlak, op vlak van energie, erfgoed, leefmilieu en mobiliteit, rekening houdend, zonder discriminatie, met de ruimtelijke dynamiek en specificiteit, alsook met de sociale cohesie.
§ 2. [1 De Duitstalige Gemeenschap]1, de gemeenten en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, de actoren, de beheerders en de vrijwaarders van deze ontwikkeling.
Daarvoor ontwikkelen ze beleidsinstrumenten voor de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, zoals volgt :
1° het gewestplan;
2° de ontwikkelingsplannen;
3° de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
4° de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
5° [3 de omtrekken voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling]3;
6° de grondbeleidsinstrumenten.
De inwoners en de publieke en privé-actoren dragen bij tot een duurzame en aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling door hun inspraak bij de uitwerking van die instrumenten, de ontwikkeling van projecten en de adviezen die zij uitbrengen.
[2 § 3 - De samenwerking met de overheden, diensten of organen van het Waals Gewest geschiedt in het bijzonder op basis van de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies, hierna 'samenwerkingsakkoord' genoemd.]2
Art. D. I.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le territoire de la [1 Communauté germanophone]1 est un patrimoine commun de ses habitants.
L'objectif du Code du Développement territorial, ci-après "le Code", est d'assurer un développement durable et attractif du territoire.
Ce développement rencontre ou anticipe de façon équilibrée les besoins sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux et de mobilité de la collectivité, en tenant compte, sans discrimination, des dynamiques et des spécificités territoriales, ainsi que de la cohésion sociale.
§ 2. La [1 Communauté germanophone]1, les communes et les autres autorités publiques, chacune, dans le cadre de ses compétences et en coordination avec la [1 Communauté germanophone]1, sont acteurs, gestionnaires et garantes de ce développement.
A cette fin, elles élaborent des outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme qui sont les suivants :
1° le plan de secteur;
2° les schémas;
3° le guide régional d'urbanisme;
4° le guide communal d'urbanisme;
5° [3 les périmètres d'un site à réaménager ou d'un remembrement urbain]3;
6° les outils de politique foncière.
Les habitants et les acteurs publics et privés contribuent au développement durable et attractif du territoire, par leur participation à l'élaboration de ces outils, par le développement de projets et par les avis qu'ils émettent.
[2 § 3 - La coopération avec les autorités, services ou organismes de la Région wallonne s'effectue notamment sur la base des dispositions de l'accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes, ci-après dénommé " accord de coopération ".]2
§ 1er. Le territoire de la [1 Communauté germanophone]1 est un patrimoine commun de ses habitants.
L'objectif du Code du Développement territorial, ci-après "le Code", est d'assurer un développement durable et attractif du territoire.
Ce développement rencontre ou anticipe de façon équilibrée les besoins sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux et de mobilité de la collectivité, en tenant compte, sans discrimination, des dynamiques et des spécificités territoriales, ainsi que de la cohésion sociale.
§ 2. La [1 Communauté germanophone]1, les communes et les autres autorités publiques, chacune, dans le cadre de ses compétences et en coordination avec la [1 Communauté germanophone]1, sont acteurs, gestionnaires et garantes de ce développement.
A cette fin, elles élaborent des outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme qui sont les suivants :
1° le plan de secteur;
2° les schémas;
3° le guide régional d'urbanisme;
4° le guide communal d'urbanisme;
5° [3 les périmètres d'un site à réaménager ou d'un remembrement urbain]3;
6° les outils de politique foncière.
Les habitants et les acteurs publics et privés contribuent au développement durable et attractif du territoire, par leur participation à l'élaboration de ces outils, par le développement de projets et par les avis qu'ils émettent.
[2 § 3 - La coopération avec les autorités, services ou organismes de la Région wallonne s'effectue notamment sur la base des dispositions de l'accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes, ci-après dénommé " accord de coopération ".]2
Art. D. I.2.§ 1. Door de Regering wordt driejaarlijks op het bureau van het Parlement een verslag neergelegd over :
1° de toestand en de verwachtingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° de opvolging van de aanzienlijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn, op het leefmilieu.
[1 3° een monitoringsrapport dat de ontwikkeling beschrijft op het vlak van stadsuitbreiding, artificiëring en beschikbaarheden inzake grond, in het licht van de doelstellingen en richtlijnen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan.]1
Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse, voor het publiek toegankelijke publicatie.
§ 2. De coördinatie van de bepalingen van het Wetboek [1 is een taak]1 van de Regering.
1° de toestand en de verwachtingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° de opvolging van de aanzienlijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn, op het leefmilieu.
[1 3° een monitoringsrapport dat de ontwikkeling beschrijft op het vlak van stadsuitbreiding, artificiëring en beschikbaarheden inzake grond, in het licht van de doelstellingen en richtlijnen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan.]1
Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse, voor het publiek toegankelijke publicatie.
§ 2. De coördinatie van de bepalingen van het Wetboek [1 is een taak]1 van de Regering.
Art. D. I.2.§ 1er. Le Gouvernement dépose tous les trois ans sur le bureau du Parlement un rapport sur :
1° la situation et les prévisions en matière de développement territorial, d'aménagement du territoire et d'urbanisme;
2° le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement du territoire et des plans de secteur ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale.
[1 3° un monitoring décrivant l'évolution de l'étalement urbain, de l'artificialisation et des disponibilités foncières, au regard des objectifs et orientations du schéma de développement du territoire.]1
Le rapport fait l'objet d'une publication triennale accessible au public.
§ 2. Le Gouvernement assure la coordination des dispositions du Code [1 ...]1.
1° la situation et les prévisions en matière de développement territorial, d'aménagement du territoire et d'urbanisme;
2° le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement du territoire et des plans de secteur ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale.
[1 3° un monitoring décrivant l'évolution de l'étalement urbain, de l'artificialisation et des disponibilités foncières, au regard des objectifs et orientations du schéma de développement du territoire.]1
Le rapport fait l'objet d'une publication triennale accessible au public.
§ 2. Le Gouvernement assure la coordination des dispositions du Code [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. I.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Door de Regering wordt driejaarlijks op het bureau van het Parlement een verslag neergelegd over :
1° de toestand en de verwachtingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° de opvolging van de aanzienlijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn, op het leefmilieu.
Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse, voor het publiek toegankelijke publicatie.
§ 2. [1 De Regering coördineert de bepalingen van dit Wetboek zowel in het Duits als in het Frans]1.
§ 1. Door de Regering wordt driejaarlijks op het bureau van het Parlement een verslag neergelegd over :
1° de toestand en de verwachtingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° de opvolging van de aanzienlijke effecten van de tenuitvoerlegging van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gewestplannen die aan een milieueffectenbeoordeling onderworpen zijn, op het leefmilieu.
Het verslag maakt het voorwerp uit van een driejaarlijkse, voor het publiek toegankelijke publicatie.
§ 2. [1 De Regering coördineert de bepalingen van dit Wetboek zowel in het Duits als in het Frans]1.
Art. D. I.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le Gouvernement dépose tous les trois ans sur le bureau du Parlement un rapport sur :
1° la situation et les prévisions en matière de développement territorial, d'aménagement du territoire et d'urbanisme;
2° le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement du territoire et des plans de secteur ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale.
Le rapport fait l'objet d'une publication triennale accessible au public.
§ 2. [1 Le Gouvernement coordonne les dispositions du présent Code tant en allemand qu'en français.]1
§ 1er. Le Gouvernement dépose tous les trois ans sur le bureau du Parlement un rapport sur :
1° la situation et les prévisions en matière de développement territorial, d'aménagement du territoire et d'urbanisme;
2° le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement du territoire et des plans de secteur ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale.
Le rapport fait l'objet d'une publication triennale accessible au public.
§ 2. [1 Le Gouvernement coordonne les dispositions du présent Code tant en allemand qu'en français.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Delegaties vanwege de Regering
CHAPITRE II. - Délégations par le Gouvernement
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Delegaties]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Délégations]1
Art. D. I.3.De Regering wijst, voor elk deel van het grondgebied, de ambtenaren van [1 de Administratie Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling", hierna "administratie" genoemd]1, aan om de in dit Wetboek nader bepaalde opdrachten te vervullen. Deze ambtenaren worden hierna "gemachtigde ambtenaren" genoemd.
Art. D. I.3.Le Gouvernement désigne pour chaque partie du territoire les fonctionnaires de [1 l'administration de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire, ci-après dénommée " administration "]1, qu'il délègue aux fins précisées par le Code, ci-après "fonctionnaires délégués".
Wijzigingen
Art. D. I.3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 De Regering kan de bevoegdheden die haar door dit Wetboek en de uitvoeringsbepalingen ervan worden toegekend, met inbegrip van de beslissingsbevoegdheden, overdragen aan gemachtigde personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.
Onverminderd de algemene regels omtrent de intrekking van bestuursakten kan de Regering de gedelegeerde bevoegdheden zelf uitoefenen, ook na de overdracht van bevoegdheden, maar zonder dat ze haar beslissing in de plaats kan stellen van een beslissing die door de houder van de gedelegeerde bevoegdheden rechtsgeldig is genomen en aan de betrokkene is meegedeeld.]1
Onverminderd de algemene regels omtrent de intrekking van bestuursakten kan de Regering de gedelegeerde bevoegdheden zelf uitoefenen, ook na de overdracht van bevoegdheden, maar zonder dat ze haar beslissing in de plaats kan stellen van een beslissing die door de houder van de gedelegeerde bevoegdheden rechtsgeldig is genomen en aan de betrokkene is meegedeeld.]1
Art. D. I.3._COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Le Gouvernement peut déléguer les pouvoirs qui lui sont conférés par le présent Code et ses dispositions d'exécution, en ce compris les pouvoirs de décision, aux agents délégués du Ministère de la Communauté germanophone.
Sans préjudice des dispositions générales applicables au retrait des actes administratifs, le Gouvernement peut, même après avoir délégué ses pouvoirs, exercer lui-même les délégations, sans toutefois pouvoir substituer sa décision à celle valablement prise par le titulaire de la délégation et notifiée à l'intéressé.]1
Sans préjudice des dispositions générales applicables au retrait des actes administratifs, le Gouvernement peut, même après avoir délégué ses pouvoirs, exercer lui-même les délégations, sans toutefois pouvoir substituer sa décision à celle valablement prise par le titulaire de la délégation et notifiée à l'intéressé.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Commissies
CHAPITRE III. - Commissions
Afdeling 1. - " Pôle "Aménagement du territoire" " (Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening)
Section 1re. - Pôle "Aménagement du territoire"
Afdeling 1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening]1
Section 1re_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Conseil consultatif pour l'aménagement du territoire]1
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Sous-section 1re. - Création et missions
Art. D. I.4.§ 1. De " Pôle "Aménagement du territoire" " (hierna Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening) brengt de adviezen uit :
1° overeenkomstig het Wetboek uitgebracht ten opzichte van de doelen, vermeld in artikel D.I.1, § 1, meer bepaald wat betreft de instrumenten inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, evenals wat betreft de vergunningen waarvoor er dringende motieven van algemeen belang bestaan, uitgaande van de Regering;
2° over het plattelandsontwikkelingsprogramma, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van het decreet van 11 april 2014 betreffende de plattelandsontwikkeling;
3° over de oprichting van natuurparken, overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken;
4° [3 ...]3;
5° over de doelstellingen van het project ten opzichte van de doelstellingen bedoeld in artikel D.I.1., § 1, en over de kwaliteit van het effectenonderzoek:
i) voor de aanvragen van vergunningen voor windturbines, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu;
ii) voor de andere aanvragen voor vergunningen, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu, bij ontstentenis van een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit.
[1 6° over het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie.]1
[2 6° over de beschermingsprojecten in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek als er geen gemeentelijke commissie bedoeld in artikel D.1.7. bestaat.]2
De Regering kan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling elke vraag voorleggen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling kan op eigen initiatief adviezen uitbrengen over ieder vraagstuk met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ten opzichte van de doelen vermeld in artikel D.I.1, § 1.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemene draagwijdte dat onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw ressorteert.
[3 De Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" brengt advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag.]3
§ 2. Wanneer de Regering het advies bedoeld in paragraaf 1 inwint, wordt (worden) de afdeling(en) aangewezen die ermee belast worden, genoemd advies aan het bureau voor te leggen.
1° overeenkomstig het Wetboek uitgebracht ten opzichte van de doelen, vermeld in artikel D.I.1, § 1, meer bepaald wat betreft de instrumenten inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, evenals wat betreft de vergunningen waarvoor er dringende motieven van algemeen belang bestaan, uitgaande van de Regering;
2° over het plattelandsontwikkelingsprogramma, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van het decreet van 11 april 2014 betreffende de plattelandsontwikkeling;
3° over de oprichting van natuurparken, overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken;
4° [3 ...]3;
5° over de doelstellingen van het project ten opzichte van de doelstellingen bedoeld in artikel D.I.1., § 1, en over de kwaliteit van het effectenonderzoek:
i) voor de aanvragen van vergunningen voor windturbines, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu;
ii) voor de andere aanvragen voor vergunningen, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu, bij ontstentenis van een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit.
[1 6° over het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie.]1
[2 6° over de beschermingsprojecten in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek als er geen gemeentelijke commissie bedoeld in artikel D.1.7. bestaat.]2
De Regering kan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling elke vraag voorleggen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling kan op eigen initiatief adviezen uitbrengen over ieder vraagstuk met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ten opzichte van de doelen vermeld in artikel D.I.1, § 1.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemene draagwijdte dat onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw ressorteert.
[3 De Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" brengt advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag.]3
§ 2. Wanneer de Regering het advies bedoeld in paragraaf 1 inwint, wordt (worden) de afdeling(en) aangewezen die ermee belast worden, genoemd advies aan het bureau voor te leggen.
Art. D. I.4.§ 1er. Le pôle "Aménagement du territoire" rend les avis :
1° remis en application du Code au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er, notamment sur les outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme, ainsi que sur les permis pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général délivrés par le Gouvernement;
2° sur le programme de développement rural, en application des articles 13 et 14 du décret du 11 avril 2014 relatif au développement rural;
3° sur la création de parcs naturels, en application de l'article 4 du décret du 16 juillet 1985 relatif aux parcs naturels;
4° [3 ...]3;
5° sur les objectifs du projet au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er et sur la qualité de l'étude des incidences :
i) pour les demandes de permis éoliens soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement;
ii) pour les autres demandes de permis soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement, en cas d'absence de commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité.
[1 6° sur la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1
[2 6° sur les projets de classement au sens du Code wallon du Patrimoine lorsqu'il n'existe pas de commission communale visée à l'article D.1.7.]2
Le Gouvernement peut soumettre au pôle "Aménagement du territoire" toutes questions relatives au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Le pôle "Aménagement du territoire" peut donner d'initiative des avis sur toute question relative au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er.
Sauf en cas d'urgence spécialement motivée, le Gouvernement consulte le pôle "Aménagement du territoire" sur tout projet de décret ou d'arrêté de portée générale relevant de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
[3 Le pôle " Aménagement du territoire " rend son avis dans les quarante- cinq jours de l'envoi de la demande.]3
§ 2. Lorsque le Gouvernement sollicite l'avis visé au paragraphe 1er, il désigne la ou les sections chargées de le proposer au bureau.
1° remis en application du Code au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er, notamment sur les outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme, ainsi que sur les permis pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général délivrés par le Gouvernement;
2° sur le programme de développement rural, en application des articles 13 et 14 du décret du 11 avril 2014 relatif au développement rural;
3° sur la création de parcs naturels, en application de l'article 4 du décret du 16 juillet 1985 relatif aux parcs naturels;
4° [3 ...]3;
5° sur les objectifs du projet au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er et sur la qualité de l'étude des incidences :
i) pour les demandes de permis éoliens soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement;
ii) pour les autres demandes de permis soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement, en cas d'absence de commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité.
[1 6° sur la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1
[2 6° sur les projets de classement au sens du Code wallon du Patrimoine lorsqu'il n'existe pas de commission communale visée à l'article D.1.7.]2
Le Gouvernement peut soumettre au pôle "Aménagement du territoire" toutes questions relatives au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Le pôle "Aménagement du territoire" peut donner d'initiative des avis sur toute question relative au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er.
Sauf en cas d'urgence spécialement motivée, le Gouvernement consulte le pôle "Aménagement du territoire" sur tout projet de décret ou d'arrêté de portée générale relevant de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
[3 Le pôle " Aménagement du territoire " rend son avis dans les quarante- cinq jours de l'envoi de la demande.]3
§ 2. Lorsque le Gouvernement sollicite l'avis visé au paragraphe 1er, il désigne la ou les sections chargées de le proposer au bureau.
Art. D. I.4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [3 De Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (hierna: Adviesraad)]3 brengt de adviezen uit :
1° overeenkomstig het Wetboek uitgebracht ten opzichte van de doelen, vermeld in artikel D.I.1, § 1, meer bepaald wat betreft de instrumenten inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, evenals wat betreft de vergunningen waarvoor er dringende motieven van algemeen belang bestaan, uitgaande van de Regering;
2° [3 ...]3
3° [3 ...]3
4° [3 ...]3
5° over de doelstellingen van het project ten opzichte van de doelstellingen bedoeld in artikel D.I.1., § 1, en over de kwaliteit van het effectenonderzoek:
i) voor de aanvragen van vergunningen voor windturbines, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu;
ii) voor de andere aanvragen voor vergunningen, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu, bij ontstentenis van een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit.
[1 6° over het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie;]1
[2 6° [3 ...]3]2
[4 7° over de voorgestelde maatregelen die overeenkomstig artikel D.I.12.1 door het Duurzaamheidsfonds worden gefinancierd.]4
De Regering kan de [3 Adviesraad]3 elke vraag voorleggen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
De [3 Adviesraad]3 kan op eigen initiatief adviezen uitbrengen over ieder vraagstuk met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ten opzichte van de doelen vermeld in artikel D.I.1, § 1.
De [3 Adviesraad]3 wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemene draagwijdte dat onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw ressorteert. [4 De Adviesraad brengt advies uit binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Die termijn wordt van rechtswege met vijftien dagen verlengd, als hij tussen 1 juli en 31 augustus begint of eindigt. Na het verstrijken van de termijn kan de Regering het ontwerp zonder advies aannemen. Als de Adviesraad zijn advies over een ontwerp van decreet binnen de termijn verstrekt, dient de Regering dit advies samen met het ontwerp van decreet bij het Parlement in.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 1. [3 De Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (hierna: Adviesraad)]3 brengt de adviezen uit :
1° overeenkomstig het Wetboek uitgebracht ten opzichte van de doelen, vermeld in artikel D.I.1, § 1, meer bepaald wat betreft de instrumenten inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, evenals wat betreft de vergunningen waarvoor er dringende motieven van algemeen belang bestaan, uitgaande van de Regering;
2° [3 ...]3
3° [3 ...]3
4° [3 ...]3
5° over de doelstellingen van het project ten opzichte van de doelstellingen bedoeld in artikel D.I.1., § 1, en over de kwaliteit van het effectenonderzoek:
i) voor de aanvragen van vergunningen voor windturbines, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu;
ii) voor de andere aanvragen voor vergunningen, onderworpen aan een milieueffectenonderzoek in de zin van het Wetboek van Leefmilieu, bij ontstentenis van een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit.
[1 6° over het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie;]1
[2 6° [3 ...]3]2
[4 7° over de voorgestelde maatregelen die overeenkomstig artikel D.I.12.1 door het Duurzaamheidsfonds worden gefinancierd.]4
De Regering kan de [3 Adviesraad]3 elke vraag voorleggen met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
De [3 Adviesraad]3 kan op eigen initiatief adviezen uitbrengen over ieder vraagstuk met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling in stedelijke en landelijke gebieden, met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw ten opzichte van de doelen vermeld in artikel D.I.1, § 1.
De [3 Adviesraad]3 wordt, behoudens bijzonder gemotiveerde dringende gevallen, door de Regering geraadpleegd voor elk ontwerp van decreet of besluit met een algemene draagwijdte dat onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw ressorteert. [4 De Adviesraad brengt advies uit binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Die termijn wordt van rechtswege met vijftien dagen verlengd, als hij tussen 1 juli en 31 augustus begint of eindigt. Na het verstrijken van de termijn kan de Regering het ontwerp zonder advies aannemen. Als de Adviesraad zijn advies over een ontwerp van decreet binnen de termijn verstrekt, dient de Regering dit advies samen met het ontwerp van decreet bij het Parlement in.]4
§ 2. [3 ...]3
Art. D. I.4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [3 Le conseil consultatif pour l'aménagement du territoire ", ci-après dénommé " conseil consultatif ", rend les avis :]3
1° remis en application du Code au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er, notamment sur les outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme, ainsi que sur les permis pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général délivrés par le Gouvernement;
2° [3 ...]3
3° [3 ...]3
4° [3 ...]3
5° sur les objectifs du projet au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er et sur la qualité de l'étude des incidences :
i) pour les demandes de permis éoliens soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement;
ii) pour les autres demandes de permis soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement, en cas d'absence de commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité.
[1 6° sur la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;]1
[2 6° [3 ...]3]2
[4 7° sur les mesures proposées qui sont financées par le Fonds pour la durabilité conformément à l'article D.I.12.1.]4
Le Gouvernement peut soumettre au [3 conseil consultatif]3 toutes questions relatives au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Le [3 conseil consultatif]3 peut donner d'initiative des avis sur toute question relative au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er.
Sauf en cas d'urgence spécialement motivée, le Gouvernement consulte [3 conseil consultatif]3 sur tout projet de décret ou d'arrêté de portée générale relevant de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme. [4 Le conseil consultatif émet son avis dans les trente jours de la réception de la demande. Ce délai est prolongé de plein droit de quinze jours lorsqu'il commence ou expire entre le 1er juillet et le 31 août. Passé ledit délai, le Gouvernement peut statuer sur le projet sans avis. Si le conseil consultatif rend un avis relatif à un projet de décret dans le délai imparti, le Gouvernement le joint audit projet déposé au Parlement.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 1er. [3 Le conseil consultatif pour l'aménagement du territoire ", ci-après dénommé " conseil consultatif ", rend les avis :]3
1° remis en application du Code au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er, notamment sur les outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme, ainsi que sur les permis pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général délivrés par le Gouvernement;
2° [3 ...]3
3° [3 ...]3
4° [3 ...]3
5° sur les objectifs du projet au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er et sur la qualité de l'étude des incidences :
i) pour les demandes de permis éoliens soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement;
ii) pour les autres demandes de permis soumises à une étude des incidences sur l'environnement au sens du Code de l'Environnement, en cas d'absence de commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité.
[1 6° sur la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;]1
[2 6° [3 ...]3]2
[4 7° sur les mesures proposées qui sont financées par le Fonds pour la durabilité conformément à l'article D.I.12.1.]4
Le Gouvernement peut soumettre au [3 conseil consultatif]3 toutes questions relatives au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Le [3 conseil consultatif]3 peut donner d'initiative des avis sur toute question relative au développement territorial tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme au regard des objectifs visés à l'article D.I.1, § 1er.
Sauf en cas d'urgence spécialement motivée, le Gouvernement consulte [3 conseil consultatif]3 sur tout projet de décret ou d'arrêté de portée générale relevant de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme. [4 Le conseil consultatif émet son avis dans les trente jours de la réception de la demande. Ce délai est prolongé de plein droit de quinze jours lorsqu'il commence ou expire entre le 1er juillet et le 31 août. Passé ledit délai, le Gouvernement peut statuer sur le projet sans avis. Si le conseil consultatif rend un avis relatif à un projet de décret dans le délai imparti, le Gouvernement le joint audit projet déposé au Parlement.]4
§ 2. [3 ...]3
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Art. D. I.5 De Beleidspool Ruimtelijke Ordening is, naast de voorzitter, samengesteld [1 uit 36 gewone leden]1, verdeeld als volgt :
1° [1 twaalf]1 zetels voor de sociale gesprekspartners zoals vertegenwoordigd in de [1 "Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociale en milieuraad van Wallonië)]1;
2° [1 vierentwintig]1 zetels, verdeeld als volgt : [1 drie vertegenwoordigers van de lokale besturen]1, [1 drie vertegenwoordigers van de milieuorganisaties]1, twee vertegenwoordigers van de ontwikkelingsintercommunales, één vertegenwoordiger uit de steengroevensector, twee vertegenwoordigers uit de huisvestingssector, één vertegenwoordiger van de "Fondation rurale de Wallonie", [1 twee vertegenwoordigers uit de stadsontwikkeling]1, [1 twee vertegenwoordigers van de stedenbouwkundigenverenigingen, drie vertegenwoordigers van de architectenverenigingen]1, één vertegenwoordiger uit de landbouwsector, [1 twee vertegenwoordigers van de "Conférence permanente du développement territorial" (Permanente conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling)]1 [1 , één vertegenwoordiger van de Federatie voor de handel en diensten, één vertegenwoordiger van een vereniging voor consumentenbescherming erkend overeenkomstig artikel XVII.39, 2°, van het Wetboek van economisch recht]1.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening is onderverdeeld in [1 drie]1 afdelingen :
1° de afdeling "Gewestelijke Ruimtelijke Ordening";
2° de afdeling "Operationele Ruimtelijke Ordening";
[1 3° de afdeling "Handelsontwikkeling]1.
Het bureau van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening bestaat uit de voorzitter, [1 drie ondervoorzitters]1 en twee leden per afdeling. De Regering benoemt de voorzitter buiten de afdelingen om, evenals een ondervoorzitter per afdeling.
De Regering wijst de leden van de Beleidspool Ruimtelijke Ordening en zijn afdelingen aan en stelt er de werkingsregels van vast.
[1 De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de vergaderingen van de Beleidsgroep "Ruimtelijke ordening" per videoconferentie kunnen worden gehouden.]1
1° [1 twaalf]1 zetels voor de sociale gesprekspartners zoals vertegenwoordigd in de [1 "Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociale en milieuraad van Wallonië)]1;
2° [1 vierentwintig]1 zetels, verdeeld als volgt : [1 drie vertegenwoordigers van de lokale besturen]1, [1 drie vertegenwoordigers van de milieuorganisaties]1, twee vertegenwoordigers van de ontwikkelingsintercommunales, één vertegenwoordiger uit de steengroevensector, twee vertegenwoordigers uit de huisvestingssector, één vertegenwoordiger van de "Fondation rurale de Wallonie", [1 twee vertegenwoordigers uit de stadsontwikkeling]1, [1 twee vertegenwoordigers van de stedenbouwkundigenverenigingen, drie vertegenwoordigers van de architectenverenigingen]1, één vertegenwoordiger uit de landbouwsector, [1 twee vertegenwoordigers van de "Conférence permanente du développement territorial" (Permanente conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling)]1 [1 , één vertegenwoordiger van de Federatie voor de handel en diensten, één vertegenwoordiger van een vereniging voor consumentenbescherming erkend overeenkomstig artikel XVII.39, 2°, van het Wetboek van economisch recht]1.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening is onderverdeeld in [1 drie]1 afdelingen :
1° de afdeling "Gewestelijke Ruimtelijke Ordening";
2° de afdeling "Operationele Ruimtelijke Ordening";
[1 3° de afdeling "Handelsontwikkeling]1.
Het bureau van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening bestaat uit de voorzitter, [1 drie ondervoorzitters]1 en twee leden per afdeling. De Regering benoemt de voorzitter buiten de afdelingen om, evenals een ondervoorzitter per afdeling.
De Regering wijst de leden van de Beleidspool Ruimtelijke Ordening en zijn afdelingen aan en stelt er de werkingsregels van vast.
[1 De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de vergaderingen van de Beleidsgroep "Ruimtelijke ordening" per videoconferentie kunnen worden gehouden.]1
Art. D. I.5.Le pôle "Aménagement du territoire" est composé, outre le président, [1 de trente-six membres]1 effectifs qui sont répartis comme suit :
1° [1 douze]1 sièges pour les interlocuteurs sociaux tels que représentés au [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1;
2° [1 vingt- quatre]1 sièges répartis comme suit : [1 trois représentants des pouvoirs locaux]1, [1 trois représentants des organisations environnementales]1, deux représentants des intercommunales de développement, un représentant du secteur carrier, deux représentants du secteur du logement, un représentant de la Fondation rurale de Wallonie, [1 deux représentants du développement urbain]1, [1 deux représentants des associations d'urbanistes, trois représentants des associations d'architectes]1, un représentant du secteur agricole, [1 deux représentants de la Conférence permanente du développement territorial]1 [1 , un représentant de la fédération du commerce et des services, un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du Code de droit économique]1.
Le pôle "Aménagement du territoire" est subdivisé en [1 trois]1 sections :
1° la section "Aménagement régional";
2° la section "Aménagement opérationnel";
[1 3° la section " Développement commercial]1.
Le bureau du pôle "Aménagement du territoire" est composé du président, de [1 trois vice-présidents]1 et de deux membres par section. Le Gouvernement désigne le président hors section ainsi qu'un vice-président par section.
Le Gouvernement désigne les membres du pôle "Aménagement du territoire" et de ses sections et en arrête les modalités de fonctionnement.
[1 Le Gouvernement détermine les conditions auxquelles les réunions du pôle " Aménagement du territoire " peuvent se tenir par vidéo- conférence.]1
1° [1 douze]1 sièges pour les interlocuteurs sociaux tels que représentés au [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1;
2° [1 vingt- quatre]1 sièges répartis comme suit : [1 trois représentants des pouvoirs locaux]1, [1 trois représentants des organisations environnementales]1, deux représentants des intercommunales de développement, un représentant du secteur carrier, deux représentants du secteur du logement, un représentant de la Fondation rurale de Wallonie, [1 deux représentants du développement urbain]1, [1 deux représentants des associations d'urbanistes, trois représentants des associations d'architectes]1, un représentant du secteur agricole, [1 deux représentants de la Conférence permanente du développement territorial]1 [1 , un représentant de la fédération du commerce et des services, un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du Code de droit économique]1.
Le pôle "Aménagement du territoire" est subdivisé en [1 trois]1 sections :
1° la section "Aménagement régional";
2° la section "Aménagement opérationnel";
[1 3° la section " Développement commercial]1.
Le bureau du pôle "Aménagement du territoire" est composé du président, de [1 trois vice-présidents]1 et de deux membres par section. Le Gouvernement désigne le président hors section ainsi qu'un vice-président par section.
Le Gouvernement désigne les membres du pôle "Aménagement du territoire" et de ses sections et en arrête les modalités de fonctionnement.
[1 Le Gouvernement détermine les conditions auxquelles les réunions du pôle " Aménagement du territoire " peuvent se tenir par vidéo- conférence.]1
Art. D. I.5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Adviesraad bestaat, naast de voorzitter, uit de volgende stemgerechtigde leden:
1° twee vertegenwoordigers van de gemeenten van het Duitse taalgebied;
2° twee vertegenwoordigers van de Sociaal-Economische Raad van de Duitstalige Gemeenschap, onder wie één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties en één vertegenwoordiger van de interprofessionele werkgeversorganisaties die in de Duitstalige Gemeenschap gevestigd zijn;
3° een vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
4° een vertegenwoordiger van de landbouwsector;
5° een vertegenwoordiger van organisaties ter stimulering van de economie;
6° drie deskundigen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, waaronder minstens een architect en een stedenbouwkundige.]1
[1 Een vertegenwoordiger van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van de Adviesraad.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
[1 De Adviesraad bestaat, naast de voorzitter, uit de volgende stemgerechtigde leden:
1° twee vertegenwoordigers van de gemeenten van het Duitse taalgebied;
2° twee vertegenwoordigers van de Sociaal-Economische Raad van de Duitstalige Gemeenschap, onder wie één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties en één vertegenwoordiger van de interprofessionele werkgeversorganisaties die in de Duitstalige Gemeenschap gevestigd zijn;
3° een vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
4° een vertegenwoordiger van de landbouwsector;
5° een vertegenwoordiger van organisaties ter stimulering van de economie;
6° drie deskundigen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, waaronder minstens een architect en een stedenbouwkundige.]1
[1 Een vertegenwoordiger van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van de Adviesraad.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. D. I.5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le conseil consultatif est composé, outre le président, des membres suivants, ayant voix délibérative :
1° deux représentants de chaque commune de la région de langue allemande;
2° deux représentants du Conseil économique et social de la Communauté germanophone, dont l'un représente l'organisation représentative des travailleurs et l'autre, les organisations interprofessionnelles d'employeurs ayant leur siège en Communauté germanophone;
3° un représentant des organisations environnementales;
4° un représentant du secteur agricole;
5° un représentant des organisations actives dans le domaine de la promotion économique;
6° trois experts dans le domaine de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, dont au moins un architecte et un urbaniste.]1
[1 Un représentant du Ministère de la Communauté germanophone siège avec voix consultative aux séances du conseil consultatif.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
[1 Le conseil consultatif est composé, outre le président, des membres suivants, ayant voix délibérative :
1° deux représentants de chaque commune de la région de langue allemande;
2° deux représentants du Conseil économique et social de la Communauté germanophone, dont l'un représente l'organisation représentative des travailleurs et l'autre, les organisations interprofessionnelles d'employeurs ayant leur siège en Communauté germanophone;
3° un représentant des organisations environnementales;
4° un représentant du secteur agricole;
5° un représentant des organisations actives dans le domaine de la promotion économique;
6° trois experts dans le domaine de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, dont au moins un architecte et un urbaniste.]1
[1 Un représentant du Ministère de la Communauté germanophone siège avec voix consultative aux séances du conseil consultatif.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. D. I.5.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1. Op de voordracht van de organisaties die in de Adviesraad vertegenwoordigd zijn, wijst de Regering de voorzitter en de leden van de Adviesraad aan en voor elk lid ook een plaatsvervangend lid.
Het mandaat van de leden duurt hoogstens vijf jaar en kan worden verlengd.
Op verzoek van de betreffende organisatie kan de Regering het mandaat van een lid vroegtijdig beëindigen en een nieuw lid aanwijzen dat het mandaat van zijn voorganger voortzet.
§ 2. De eerste vergadering van de Adviesraad vindt ten laatste twee maanden na de aanwijzing van de leden ervan plaats.
Binnen twee maanden na deze eerste vergadering neemt de Adviesraad een huishoudelijk reglement aan dat door de Regering moet worden goedgekeurd. Dat huishoudelijk reglement regelt de details van de werkwijze van de Adviesraad.
[2 ...]2
§ 3. De beslissingen van de Adviesraad worden genomen bij meerderheid van stemmen, uitgebracht door de aanwezige leden. De Adviesraad kan rechtsgeldig beraadslagen en besluiten, indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
Indien de Adviesraad niet rechtsgeldig kan beraadslagen en besluiten, roept de voorzitter een tweede vergadering bijeen waarop de Adviesraad rechtsgeldig kan beraadslagen en besluiten, ongeacht de voorwaarden vermeld in het eerste lid.
§ 4. Om zijn taken te vervullen, kan de Adviesraad deskundigen op de vergaderingen uitnodigen. Ze nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen. Bovendien kan de Adviesraad werkgroepen oprichten.
§ 5. De Regering stelt de notulen van de vergaderingen van de Adviesraad op.
§ 6. Uiterlijk op 30 april van elk kalenderjaar, met uitzondering van het jaar waarin de Adviesraad wordt opgericht, maakt de Adviesraad een verslag over de activiteiten van het afgelopen jaar op en zendt dat gelijktijdig toe aan het Parlement en aan de Regering.
§ 7. De stemgerechtigde leden van de Adviesraad en de deskundigen die met toepassing van paragraaf 4 de vergaderingen bijwonen, hebben recht op presentiegelden en reiskostenvergoedingen onder de door de Regering vastgelegde voorwaarden.]1
[1 § 1. Op de voordracht van de organisaties die in de Adviesraad vertegenwoordigd zijn, wijst de Regering de voorzitter en de leden van de Adviesraad aan en voor elk lid ook een plaatsvervangend lid.
Het mandaat van de leden duurt hoogstens vijf jaar en kan worden verlengd.
Op verzoek van de betreffende organisatie kan de Regering het mandaat van een lid vroegtijdig beëindigen en een nieuw lid aanwijzen dat het mandaat van zijn voorganger voortzet.
§ 2. De eerste vergadering van de Adviesraad vindt ten laatste twee maanden na de aanwijzing van de leden ervan plaats.
Binnen twee maanden na deze eerste vergadering neemt de Adviesraad een huishoudelijk reglement aan dat door de Regering moet worden goedgekeurd. Dat huishoudelijk reglement regelt de details van de werkwijze van de Adviesraad.
[2 ...]2
§ 3. De beslissingen van de Adviesraad worden genomen bij meerderheid van stemmen, uitgebracht door de aanwezige leden. De Adviesraad kan rechtsgeldig beraadslagen en besluiten, indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
Indien de Adviesraad niet rechtsgeldig kan beraadslagen en besluiten, roept de voorzitter een tweede vergadering bijeen waarop de Adviesraad rechtsgeldig kan beraadslagen en besluiten, ongeacht de voorwaarden vermeld in het eerste lid.
§ 4. Om zijn taken te vervullen, kan de Adviesraad deskundigen op de vergaderingen uitnodigen. Ze nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen. Bovendien kan de Adviesraad werkgroepen oprichten.
§ 5. De Regering stelt de notulen van de vergaderingen van de Adviesraad op.
§ 6. Uiterlijk op 30 april van elk kalenderjaar, met uitzondering van het jaar waarin de Adviesraad wordt opgericht, maakt de Adviesraad een verslag over de activiteiten van het afgelopen jaar op en zendt dat gelijktijdig toe aan het Parlement en aan de Regering.
§ 7. De stemgerechtigde leden van de Adviesraad en de deskundigen die met toepassing van paragraaf 4 de vergaderingen bijwonen, hebben recht op presentiegelden en reiskostenvergoedingen onder de door de Regering vastgelegde voorwaarden.]1
Art. D. I.5.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er. Sur la proposition des organisations représentées au sein du conseil consultatif, le Gouvernement désigne le président et les membres du conseil consultatif et, pour chaque membre, un suppléant.
Le mandat des membres dure au plus cinq ans et est renouvelable.
A la demande de l'organisation concernée, le Gouvernement peut mettre fin prématurément au mandat d'un membre et désigner un nouveau membre qui achève le mandat de son prédécesseur.
§ 2. Le conseil consultatif siège pour la première fois au plus tard deux mois après la désignation de ses membres.
Dans les deux mois de cette première séance, le conseil consultatif se dote d'un règlement d'ordre intérieur qui doit être approuvé par le Gouvernement. Ce règlement d'ordre intérieur règle les détails du fonctionnement du conseil consultatif.
[2 ...]2
§ 3. Les décisions du conseil consultatif sont prises à la majorité des voix émises par les membres présents. Le conseil consultatif peut délibérer valablement si la moitié de ses membres au moins est présente.
Si le quorum n'est pas atteint, le président invite les membres à une seconde séance au cours de laquelle le conseil consultatif peut délibérer valablement nonobstant les conditions mentionnées à l'alinéa 1er.
§ 4. Aux fins d'accomplissement de ses missions, la commission consultative peut inviter des experts aux séances. Ils siègent avec voix consultative. Par ailleurs, le conseil consultatif peut créer des groupes de travail.
§ 5. Le Gouvernement assure la rédaction des procès-verbaux des séances du conseil consultatif.
§ 6. Sauf l'année de sa création, le conseil consultatif établit, pour le 30 avril de chaque année calendrier, un rapport des activités menées au cours de l'année précédente et le transmet simultanément au Parlement et au Gouvernement.
§ 7. Les membres du conseil consultatif ayant voix délibérative ainsi que les experts participant aux séances en application du § 4 ont droit à des jetons de présence et à une indemnité pour frais de déplacement conformément aux conditions fixées par le Gouvernement.]1
[1 § 1er. Sur la proposition des organisations représentées au sein du conseil consultatif, le Gouvernement désigne le président et les membres du conseil consultatif et, pour chaque membre, un suppléant.
Le mandat des membres dure au plus cinq ans et est renouvelable.
A la demande de l'organisation concernée, le Gouvernement peut mettre fin prématurément au mandat d'un membre et désigner un nouveau membre qui achève le mandat de son prédécesseur.
§ 2. Le conseil consultatif siège pour la première fois au plus tard deux mois après la désignation de ses membres.
Dans les deux mois de cette première séance, le conseil consultatif se dote d'un règlement d'ordre intérieur qui doit être approuvé par le Gouvernement. Ce règlement d'ordre intérieur règle les détails du fonctionnement du conseil consultatif.
[2 ...]2
§ 3. Les décisions du conseil consultatif sont prises à la majorité des voix émises par les membres présents. Le conseil consultatif peut délibérer valablement si la moitié de ses membres au moins est présente.
Si le quorum n'est pas atteint, le président invite les membres à une seconde séance au cours de laquelle le conseil consultatif peut délibérer valablement nonobstant les conditions mentionnées à l'alinéa 1er.
§ 4. Aux fins d'accomplissement de ses missions, la commission consultative peut inviter des experts aux séances. Ils siègent avec voix consultative. Par ailleurs, le conseil consultatif peut créer des groupes de travail.
§ 5. Le Gouvernement assure la rédaction des procès-verbaux des séances du conseil consultatif.
§ 6. Sauf l'année de sa création, le conseil consultatif établit, pour le 30 avril de chaque année calendrier, un rapport des activités menées au cours de l'année précédente et le transmet simultanément au Parlement et au Gouvernement.
§ 7. Les membres du conseil consultatif ayant voix délibérative ainsi que les experts participant aux séances en application du § 4 ont droit à des jetons de présence et à une indemnité pour frais de déplacement conformément aux conditions fixées par le Gouvernement.]1
Afdeling 2. - Adviescommissie over de beroepen
Section 2. - Commission d'avis sur les recours
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Beroepscommissie]1
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Commission de recours
Onderafdeling 1. [1 Oprichting en opdrachten]1
Sous-section 1. [1 Création et missions]1
Art. D. I.6. [1 ...]1 De adviescommissie over de beroepen, hierna adviescommissie genoemd, zetelt te Namen en brengt ten overstaan van de Regering advies uit over de beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen betreffende de vergunningsaanvragen en aanvragen betreffende de stedenbouwkundige attesten nr. 2, genomen door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. D. I.6.[1 ...]1 La commission d'avis sur les recours, ci-après "la commission d'avis", siège à Namur et remet un avis au Gouvernement sur les recours introduits contre les décisions relatives aux demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2 prises par le collège communal ou le fonctionnaire délégué.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. D. I.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De [2 beroepscommissie]2 zetelt te [1 Eupen]1 en brengt ten overstaan van de Regering advies uit over de beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen betreffende de vergunningsaanvragen en aanvragen betreffende de stedenbouwkundige attesten nr. 2, genomen door het gemeentecollege of [1 door de Regering in eerste instantie]1.
[2 Het advies van de beroepscommissie bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing.]2
§ 2. De voorzitter en de leden van de [2 beroepscommissie]2 worden door de Regering benoemd. De voorzitter vertegenwoordigt de Regering.
[1 De [2 beroepscommissie]2 bestaat, naast de voorzitter, uit de volgende stemgerechtigde leden:
1° twee architecten;
2° twee stedenbouwkundigen;
3° een deskundige op het vlak van monumentenzorg, als het beroep betrekking heeft op een goed vermeld in artikel D.IV.14.1 of artikel D.IV.14.2;]1
[2 4° een landschapsdeskundige.]2
[1 ...]1
§ 3. De commissie vergadert slechts rechtsgeldig als ten minste de voorzitter en twee andere leden aanwezig zijn.
§ 4. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door [1 het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze. Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de [2 beroepscommissie]2 recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
§ 1. De [2 beroepscommissie]2 zetelt te [1 Eupen]1 en brengt ten overstaan van de Regering advies uit over de beroepen die worden ingediend tegen de beslissingen betreffende de vergunningsaanvragen en aanvragen betreffende de stedenbouwkundige attesten nr. 2, genomen door het gemeentecollege of [1 door de Regering in eerste instantie]1.
[2 Het advies van de beroepscommissie bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing.]2
§ 2. De voorzitter en de leden van de [2 beroepscommissie]2 worden door de Regering benoemd. De voorzitter vertegenwoordigt de Regering.
[1 De [2 beroepscommissie]2 bestaat, naast de voorzitter, uit de volgende stemgerechtigde leden:
1° twee architecten;
2° twee stedenbouwkundigen;
3° een deskundige op het vlak van monumentenzorg, als het beroep betrekking heeft op een goed vermeld in artikel D.IV.14.1 of artikel D.IV.14.2;]1
[2 4° een landschapsdeskundige.]2
[1 ...]1
§ 3. De commissie vergadert slechts rechtsgeldig als ten minste de voorzitter en twee andere leden aanwezig zijn.
§ 4. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door [1 het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze. Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de [2 beroepscommissie]2 recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
Art. D. I.6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. La [2 commission de recours]2, siège à [1 Eupen]1 et remet un avis au Gouvernement sur les recours introduits contre les décisions relatives aux demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2 prises par le collège communal ou le [1 Gouvernement en première instance]1.
[2 L'avis de la commission de recours comprend une proposition motivée de décision.]2
§ 2. Le président et les membres de la [2 commission de recours]2 sont nommés par le Gouvernement. Le président représente le Gouvernement.
[1 La Commission est composée, outre le président, des membres suivants, ayant voix délibérative :
1° deux architectes;
2° deux urbanistes;
3° un spécialiste dans le domaine de la conservation du patrimoine, si la plainte concerne un bien mentionné à l'article D.IV.14.1 ou D.IV.14.2;]1
[2 4° un spécialiste dans le domaine du paysage.]2
[1 ...]1
§ 3. La commission délibère valablement si le président et deux autres membres au moins sont présents.
§ 4. Le secrétariat de la commission est assuré [1 par le Ministère de la Communauté germanophone]1.
Le Gouvernement arrête les modalités de composition et de fonctionnement de la commission. Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la [2 commission de recours]2.
§ 1er. La [2 commission de recours]2, siège à [1 Eupen]1 et remet un avis au Gouvernement sur les recours introduits contre les décisions relatives aux demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2 prises par le collège communal ou le [1 Gouvernement en première instance]1.
[2 L'avis de la commission de recours comprend une proposition motivée de décision.]2
§ 2. Le président et les membres de la [2 commission de recours]2 sont nommés par le Gouvernement. Le président représente le Gouvernement.
[1 La Commission est composée, outre le président, des membres suivants, ayant voix délibérative :
1° deux architectes;
2° deux urbanistes;
3° un spécialiste dans le domaine de la conservation du patrimoine, si la plainte concerne un bien mentionné à l'article D.IV.14.1 ou D.IV.14.2;]1
[2 4° un spécialiste dans le domaine du paysage.]2
[1 ...]1
§ 3. La commission délibère valablement si le président et deux autres membres au moins sont présents.
§ 4. Le secrétariat de la commission est assuré [1 par le Ministère de la Communauté germanophone]1.
Le Gouvernement arrête les modalités de composition et de fonctionnement de la commission. Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la [2 commission de recours]2.
Onderafdeling 2. [1 Samenstelling en werking]1
Sous-section 2. [1 Composition et fonctionnement]1
Art. D. I.6/1.[1 § 1. De Commissie is samengesteld uit: 1° een voorzitter die de Regering vertegenwoordigt;
2° twee personen voorgedragen door de Orde van de architecten;
3° twee personen onder de personen voorgedragen door lijst van twaalf personen, voorgedragen door de "Chambre des Urbanistes de Belgique";"
4° één vertegenwoordiger van de "Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne" (Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest);
[2 6° een lid van de Administratie Vervoer;
7° een vertegenwoordiger van stadsontwikkeling;
8° twee vertegenwoordigers van de sociale onderhandelingspartners, zoals vertegenwoordigd in de "Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië).]2
§ 2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie worden door de Regering benoemd.
Het lid dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest vertegenwoordigt, zetelt enkel wanneer het beroep betrekking heeft op een goed bedoeld in artikel D.IV.17, eerste lid, 3°.
De leden bedoeld in het eerste lid, 5° tot en met 8°, zetelen enkel wanneer het beroep betrekking heeft op een project bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°.
§ 3. Tenzij de aanwezigheid van de leden bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 8°, is vereist, beraadslaagt de Commissie geldig indien de voorzitter en ten minste twee andere leden aanwezig zijn.
Wanneer de aanwezigheid van de leden bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 8°, is vereist, beraadslaagt de Commissie geldig indien de voorzitter en ten minste twee andere leden aanwezig zijn.
§ 4. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de administratie.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de adviescommissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.]1
2° twee personen voorgedragen door de Orde van de architecten;
3° twee personen onder de personen voorgedragen door lijst van twaalf personen, voorgedragen door de "Chambre des Urbanistes de Belgique";"
4° één vertegenwoordiger van de "Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne" (Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest);
[2 6° een lid van de Administratie Vervoer;
7° een vertegenwoordiger van stadsontwikkeling;
8° twee vertegenwoordigers van de sociale onderhandelingspartners, zoals vertegenwoordigd in de "Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië).]2
§ 2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie worden door de Regering benoemd.
Het lid dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest vertegenwoordigt, zetelt enkel wanneer het beroep betrekking heeft op een goed bedoeld in artikel D.IV.17, eerste lid, 3°.
De leden bedoeld in het eerste lid, 5° tot en met 8°, zetelen enkel wanneer het beroep betrekking heeft op een project bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°.
§ 3. Tenzij de aanwezigheid van de leden bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 8°, is vereist, beraadslaagt de Commissie geldig indien de voorzitter en ten minste twee andere leden aanwezig zijn.
Wanneer de aanwezigheid van de leden bedoeld in paragraaf 1, 5° tot 8°, is vereist, beraadslaagt de Commissie geldig indien de voorzitter en ten minste twee andere leden aanwezig zijn.
§ 4. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de administratie.
De Regering bepaalt de modaliteiten van de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de adviescommissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.]1
Art. D. I.6/1.[1 § 1er. La commission est composée comme suit : 1° un président qui représente le Gouvernement;
2° deux personnes parmi celles proposées par l'Ordre des Architectes;
3° deux personnes parmi celles proposées par la Chambre des Urbanistes de Belgique;
4° un représentant de la Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne;
[2 5° un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du Code de droit économique;
6° un membre de l'administration des transports; 7° un représentant du développement urbain;
8° deux représentants des partenaires sociaux tels que représentés au Conseil économique, social et environnemental de Wallonie.]2
§ 2. Le président et les membres de la commission d'avis sont nommés par le Gouvernement.
Le membre représentant la Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne, siège uniquement lorsque le recours est relatif à un bien visé à l'article D.IV.17, alinéa 1er, 3°.
Les membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, siègent uniquement lorsque le recours est relatif à un projet visé à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°.
§ 3. Sauf lorsque la présence des membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, est requise, la commission délibère valablement si le président et deux autres membres au moins sont présents.
Lorsque la présence des membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, est requise, la commission délibère valablement lorsque cinq membres et le président au moins sont présents.
§ 4. Le secrétariat de la commission est assuré par l'administration.
Le Gouvernement détermine les modalités de composition et de fonctionnement de la commission.
Le Gouvernement peut déterminer le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission d'avis.]1
2° deux personnes parmi celles proposées par l'Ordre des Architectes;
3° deux personnes parmi celles proposées par la Chambre des Urbanistes de Belgique;
4° un représentant de la Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne;
[2 5° un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du Code de droit économique;
6° un membre de l'administration des transports; 7° un représentant du développement urbain;
8° deux représentants des partenaires sociaux tels que représentés au Conseil économique, social et environnemental de Wallonie.]2
§ 2. Le président et les membres de la commission d'avis sont nommés par le Gouvernement.
Le membre représentant la Commission royale des Monuments, Sites et Fouilles de la Région wallonne, siège uniquement lorsque le recours est relatif à un bien visé à l'article D.IV.17, alinéa 1er, 3°.
Les membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, siègent uniquement lorsque le recours est relatif à un projet visé à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°.
§ 3. Sauf lorsque la présence des membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, est requise, la commission délibère valablement si le président et deux autres membres au moins sont présents.
Lorsque la présence des membres visés au paragraphe 1er, 5° à 8°, est requise, la commission délibère valablement lorsque cinq membres et le président au moins sont présents.
§ 4. Le secrétariat de la commission est assuré par l'administration.
Le Gouvernement détermine les modalités de composition et de fonctionnement de la commission.
Le Gouvernement peut déterminer le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission d'avis.]1
Afdeling 3. - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit
Section 3. - Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Sous-section 1re. - Création et missions
Art. D. I.7. De gemeenteraad kan een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit oprichten, hierna " gemeentelijke commissie " genoemd, en haar huishoudelijk reglement aannemen.
De gemeentelijke commissie kan zich in afdelingen splitsen.
De gemeentelijke commissie kan zich in afdelingen splitsen.
Art. D. I.7. Le conseil communal peut établir une commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité, ci-après "commission communale", et adopter son règlement d'ordre intérieur.
La commission communale peut être divisée en sections.
La commission communale peut être divisée en sections.
Art. D. I.8. De gemeenteraad beslist over de hernieuwing van de gemeentelijke commissie binnen de drie maanden na zijn eigen installatie en neemt er het huishoudelijk reglement van aan.
Art. D. I.8. Le conseil communal décide le renouvellement de la commission communale dans les trois mois de sa propre installation et en adopte le règlement d'ordre intérieur.
Art. D. I.9. De oprichting of de hernieuwing van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, haar afdelingen, evenals haar huishoudelijk reglement, worden door de Regering goedgekeurd.
Naast de adviezen die ze vanwege het Wetboek moet geven, kan de gemeentelijke commissie op eigen initiatief adviezen uitbrengen over de onderwerpen die zij relevant acht.
Het gemeentecollege of de gemeenteraad kan elk dossier dat relevant geacht wordt of elk vraagstuk inzake ruimtelijke ontwikkeling in zowel stedelijke als landelijke gebieden, inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw aan bedoelde commissie voorleggen.
Naast de adviezen die ze vanwege het Wetboek moet geven, kan de gemeentelijke commissie op eigen initiatief adviezen uitbrengen over de onderwerpen die zij relevant acht.
Het gemeentecollege of de gemeenteraad kan elk dossier dat relevant geacht wordt of elk vraagstuk inzake ruimtelijke ontwikkeling in zowel stedelijke als landelijke gebieden, inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw aan bedoelde commissie voorleggen.
Art. D. I.9. Le Gouvernement approuve l'établissement ou le renouvellement de la commission communale et, le cas échéant, de ses sections ainsi que son règlement d'ordre intérieur.
Outre les avis que le Code la charge de donner, la commission communale peut donner des avis d'initiative sur les sujets qu'elle estime pertinents.
Le collège communal ou le conseil communal peut lui soumettre tout dossier qu'il estime pertinent ou toutes questions relatives au développement territorial, tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Outre les avis que le Code la charge de donner, la commission communale peut donner des avis d'initiative sur les sujets qu'elle estime pertinents.
Le collège communal ou le conseil communal peut lui soumettre tout dossier qu'il estime pertinent ou toutes questions relatives au développement territorial, tant urbain que rural, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme.
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Art. D. I.10.§ 1. Het aantal leden wordt vastgesteld in verhouding tot het inwonertal van de gemeente. Eén kwart van de leden vertegenwoordigt de gemeenteraad. De andere leden en de voorzitter stellen zich kandidaat na een openbare oproep. Onder de voorgedragen kandidaten kiest de gemeenteraad de leden met inachtneming van :
1° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente;
2° een evenwichtige geografische verspreiding;
3° een evenwichtige indeling op grond van de leeftijdscategorieën van de gemeentelijke bevolking;
4° een evenwichtige verspreiding tussen mannen en vrouwen.
De openbare oproep heeft een duur van minstens één maand.
§ 2. [1 De Gemeenteraad kan]1 de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Bij de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen worden in acht genomen :
1° een evenwichtige geografische verspreiding;
2° een evenwicht in de vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen van de gemeente.
§ 3. Het advies van de Commissie is het advies van haar gezamenlijke leden en haar voorzitter. Stemgerechtigd zijn de voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervanger van elk afwezig gewoon lid.
De commissie vergadert regelmatig en stelt minstens één maal om de zes jaar een activiteitenverslag op.
Bij kennelijk wangedrag of ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen kunnen een lid of de voorzitter geschorst of uit het ambt ontzet worden.
§ 4. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen, haar werkingswijze, de oproep tot de kandidaten en de aanwijzing van de voorzitter.
De Regering wijst onder de ambtenaren van [1 de administratie]1 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
[1 De gemeentelijke commissies kunnen via videoconferentie vergaderen onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in hun huishoudelijk reglement, dat elk risico op digitale uitsluiting garandeert.]1
1° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente;
2° een evenwichtige geografische verspreiding;
3° een evenwichtige indeling op grond van de leeftijdscategorieën van de gemeentelijke bevolking;
4° een evenwichtige verspreiding tussen mannen en vrouwen.
De openbare oproep heeft een duur van minstens één maand.
§ 2. [1 De Gemeenteraad kan]1 de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Bij de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen worden in acht genomen :
1° een evenwichtige geografische verspreiding;
2° een evenwicht in de vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen van de gemeente.
§ 3. Het advies van de Commissie is het advies van haar gezamenlijke leden en haar voorzitter. Stemgerechtigd zijn de voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervanger van elk afwezig gewoon lid.
De commissie vergadert regelmatig en stelt minstens één maal om de zes jaar een activiteitenverslag op.
Bij kennelijk wangedrag of ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen kunnen een lid of de voorzitter geschorst of uit het ambt ontzet worden.
§ 4. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen, haar werkingswijze, de oproep tot de kandidaten en de aanwijzing van de voorzitter.
De Regering wijst onder de ambtenaren van [1 de administratie]1 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
[1 De gemeentelijke commissies kunnen via videoconferentie vergaderen onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in hun huishoudelijk reglement, dat elk risico op digitale uitsluiting garandeert.]1
Art. D. I.10.§ 1er. Le nombre des membres est fixé en fonction de l'importance de la population de la commune. Pour un quart, les membres représentent le conseil communal. Les autres membres et le président font acte de candidature après appel public. Le conseil communal choisit les membres au sein de la liste des candidatures en respectant :
1° une représentation spécifique à la commune des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité;
2° une répartition géographique équilibrée;
3° une répartition équilibrée des tranches d'âges de la population communale;
4° une répartition équilibrée hommes-femmes.
La durée minimum de l'appel public est d'un mois.
§ 2. [1 Le conseil communal]1, le Gouvernement peut diviser la commission communale en sections et en préciser les missions. Le choix des membres composant les sections respecte :
1° une répartition géographique équilibrée;
2° un équilibre dans la représentation des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité de la commune.
§ 3. L'avis de la commission émane de l'ensemble de ses membres et du président. Ont droit de vote, le président, les membres effectifs et le suppléant de chaque membre effectif absent.
La commission se réunit régulièrement et dresse un rapport de ses activités au moins une fois tous les six ans.
En cas d'inconduite notoire ou de manquement grave à un devoir à sa charge, un membre ou le président peut être suspendu ou révoqué.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de composition, d'appel aux candidatures, de désignation du président et de fonctionnement de la commission communale et de ses sections.
Le Gouvernement peut désigner, parmi les fonctionnaires de [1 l'administration ]1, son représentant auprès de la commission consultative, avec voix consultative.
Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission communale.
[1 Les commissions communales peuvent se réunir par visio-conférence aux conditions fixées dans leur règlement d'ordre intérieur qui garantissent tout risque d'exclusion numérique.]1
1° une représentation spécifique à la commune des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité;
2° une répartition géographique équilibrée;
3° une répartition équilibrée des tranches d'âges de la population communale;
4° une répartition équilibrée hommes-femmes.
La durée minimum de l'appel public est d'un mois.
§ 2. [1 Le conseil communal]1, le Gouvernement peut diviser la commission communale en sections et en préciser les missions. Le choix des membres composant les sections respecte :
1° une répartition géographique équilibrée;
2° un équilibre dans la représentation des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité de la commune.
§ 3. L'avis de la commission émane de l'ensemble de ses membres et du président. Ont droit de vote, le président, les membres effectifs et le suppléant de chaque membre effectif absent.
La commission se réunit régulièrement et dresse un rapport de ses activités au moins une fois tous les six ans.
En cas d'inconduite notoire ou de manquement grave à un devoir à sa charge, un membre ou le président peut être suspendu ou révoqué.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de composition, d'appel aux candidatures, de désignation du président et de fonctionnement de la commission communale et de ses sections.
Le Gouvernement peut désigner, parmi les fonctionnaires de [1 l'administration ]1, son représentant auprès de la commission consultative, avec voix consultative.
Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission communale.
[1 Les commissions communales peuvent se réunir par visio-conférence aux conditions fixées dans leur règlement d'ordre intérieur qui garantissent tout risque d'exclusion numérique.]1
Wijzigingen
Art. D. I.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het aantal leden wordt vastgesteld in verhouding tot het inwonertal van de gemeente. Eén kwart van de leden vertegenwoordigt de gemeenteraad. De andere leden en de voorzitter stellen zich kandidaat na een openbare oproep. Onder de voorgedragen kandidaten kiest de gemeenteraad de leden met inachtneming van :
1° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente;
2° een evenwichtige geografische verspreiding;
3° een evenwichtige indeling op grond van de leeftijdscategorieën van de gemeentelijke bevolking;
4° een evenwichtige verspreiding tussen mannen en vrouwen.
De openbare oproep heeft een duur van minstens één maand.
§ 2. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Bij de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen worden in acht genomen :
1° een evenwichtige geografische verspreiding;
2° een evenwicht in de vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen van de gemeente.
§ 3. Het advies van de Commissie is het advies van haar gezamenlijke leden en haar voorzitter. Stemgerechtigd zijn de voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervanger van elk afwezig gewoon lid.
De commissie vergadert regelmatig en stelt minstens één maal om de zes jaar een activiteitenverslag op.
Bij kennelijk wangedrag of ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen kunnen een lid of de voorzitter geschorst of uit het ambt ontzet worden.
§ 4. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen, haar werkingswijze, de oproep tot de kandidaten en de aanwijzing van de voorzitter.
De Regering wijst onder de [1 personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
§ 1. Het aantal leden wordt vastgesteld in verhouding tot het inwonertal van de gemeente. Eén kwart van de leden vertegenwoordigt de gemeenteraad. De andere leden en de voorzitter stellen zich kandidaat na een openbare oproep. Onder de voorgedragen kandidaten kiest de gemeenteraad de leden met inachtneming van :
1° een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen binnen de gemeente;
2° een evenwichtige geografische verspreiding;
3° een evenwichtige indeling op grond van de leeftijdscategorieën van de gemeentelijke bevolking;
4° een evenwichtige verspreiding tussen mannen en vrouwen.
De openbare oproep heeft een duur van minstens één maand.
§ 2. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. Bij de keuze van de leden die de afdelingen samenstellen worden in acht genomen :
1° een evenwichtige geografische verspreiding;
2° een evenwicht in de vertegenwoordiging van de sociale, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen van de gemeente.
§ 3. Het advies van de Commissie is het advies van haar gezamenlijke leden en haar voorzitter. Stemgerechtigd zijn de voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervanger van elk afwezig gewoon lid.
De commissie vergadert regelmatig en stelt minstens één maal om de zes jaar een activiteitenverslag op.
Bij kennelijk wangedrag of ernstige tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen kunnen een lid of de voorzitter geschorst of uit het ambt ontzet worden.
§ 4. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de gemeentelijke commissie en haar afdelingen, haar werkingswijze, de oproep tot de kandidaten en de aanwijzing van de voorzitter.
De Regering wijst onder de [1 personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de Regering vastgelegd worden.
Art. D. I.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le nombre des membres est fixé en fonction de l'importance de la population de la commune. Pour un quart, les membres représentent le conseil communal. Les autres membres et le président font acte de candidature après appel public. Le conseil communal choisit les membres au sein de la liste des candidatures en respectant :
1° une représentation spécifique à la commune des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité;
2° une répartition géographique équilibrée;
3° une répartition équilibrée des tranches d'âges de la population communale;
4° une répartition équilibrée hommes-femmes.
La durée minimum de l'appel public est d'un mois.
§ 2. Sur proposition du conseil communal, le Gouvernement peut diviser la commission communale en sections et en préciser les missions. Le choix des membres composant les sections respecte :
1° une répartition géographique équilibrée;
2° un équilibre dans la représentation des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité de la commune.
§ 3. L'avis de la commission émane de l'ensemble de ses membres et du président. Ont droit de vote, le président, les membres effectifs et le suppléant de chaque membre effectif absent.
La commission se réunit régulièrement et dresse un rapport de ses activités au moins une fois tous les six ans.
En cas d'inconduite notoire ou de manquement grave à un devoir à sa charge, un membre ou le président peut être suspendu ou révoqué.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de composition, d'appel aux candidatures, de désignation du président et de fonctionnement de la commission communale et de ses sections.
Le Gouvernement peut désigner, parmi les [1 agents du Ministère de la Communauté germanophone]1, son représentant auprès de la commission consultative, avec voix consultative.
Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission communale.
§ 1er. Le nombre des membres est fixé en fonction de l'importance de la population de la commune. Pour un quart, les membres représentent le conseil communal. Les autres membres et le président font acte de candidature après appel public. Le conseil communal choisit les membres au sein de la liste des candidatures en respectant :
1° une représentation spécifique à la commune des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité;
2° une répartition géographique équilibrée;
3° une répartition équilibrée des tranches d'âges de la population communale;
4° une répartition équilibrée hommes-femmes.
La durée minimum de l'appel public est d'un mois.
§ 2. Sur proposition du conseil communal, le Gouvernement peut diviser la commission communale en sections et en préciser les missions. Le choix des membres composant les sections respecte :
1° une répartition géographique équilibrée;
2° un équilibre dans la représentation des intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité de la commune.
§ 3. L'avis de la commission émane de l'ensemble de ses membres et du président. Ont droit de vote, le président, les membres effectifs et le suppléant de chaque membre effectif absent.
La commission se réunit régulièrement et dresse un rapport de ses activités au moins une fois tous les six ans.
En cas d'inconduite notoire ou de manquement grave à un devoir à sa charge, un membre ou le président peut être suspendu ou révoqué.
§ 4. Le Gouvernement arrête les modalités de composition, d'appel aux candidatures, de désignation du président et de fonctionnement de la commission communale et de ses sections.
Le Gouvernement peut désigner, parmi les [1 agents du Ministère de la Communauté germanophone]1, son représentant auprès de la commission consultative, avec voix consultative.
Le Gouvernement peut arrêter le montant du jeton de présence du président et des membres de la commission communale.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Erkenningen
CHAPITRE IV. - Agréments
Art. D. I.11.De gewestplannen, de ontwikkelingsplannen en de leidraden worden door een erkende projectontwerper opgemaakt dan wel herzien.
De Regering is erkend voor de opmaak of de herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en de gewestelijke leidraad voor stedenbouw.
De Regering erkent, volgens de door haar bepaalde criteria en procedure, de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met :
1° de opmaak of de herziening van het (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan;
2° de opmaak of de herziening van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan en de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw.
Voor het milieueffectenverslag dat in het kader van de opmaak of de herziening van een gewestplan [1 en de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling van de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54]1 wordt opgesteld, worden vereist : de erkenning toegekend overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek en de erkenning toegekend overeenkomstig lid 3, 1°.
[1 Voor de uitvoering van de gezamenlijke milieueffectbeoordeling van de aanvraag, bedoeld in artikel D.V.16, is de erkenning toegekend op grond van Boek I van het Milieuwetboek, vereist.]1
De Regering kan de gevallen bepalen waarin, rekening houdend met het betrokken gebied of de betrokken oppervlakte, de projectontwerper niet noodzakelijk over de erkenning moet beschikken om een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een in het derde lid bedoelde gemeentelijke leidraad op te maken of te herzien. Er wordt geen enkele erkenning vereist voor de opheffing van een ontwikkelingsplan of een leidraad.
De Regering kan de projectontwerper die de hem door het Wetboek opgelegde verplichtingen niet nakomt, vóór de intrekking van zijn erkenning waarschuwen.
De Regering bepaalt de nadere regels en de voorwaarden voor het richten van de waarschuwing en het intrekken van de erkenning.
De Regering is erkend voor de opmaak of de herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en de gewestelijke leidraad voor stedenbouw.
De Regering erkent, volgens de door haar bepaalde criteria en procedure, de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met :
1° de opmaak of de herziening van het (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan;
2° de opmaak of de herziening van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan en de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw.
Voor het milieueffectenverslag dat in het kader van de opmaak of de herziening van een gewestplan [1 en de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling van de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54]1 wordt opgesteld, worden vereist : de erkenning toegekend overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek en de erkenning toegekend overeenkomstig lid 3, 1°.
[1 Voor de uitvoering van de gezamenlijke milieueffectbeoordeling van de aanvraag, bedoeld in artikel D.V.16, is de erkenning toegekend op grond van Boek I van het Milieuwetboek, vereist.]1
De Regering kan de gevallen bepalen waarin, rekening houdend met het betrokken gebied of de betrokken oppervlakte, de projectontwerper niet noodzakelijk over de erkenning moet beschikken om een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een in het derde lid bedoelde gemeentelijke leidraad op te maken of te herzien. Er wordt geen enkele erkenning vereist voor de opheffing van een ontwikkelingsplan of een leidraad.
De Regering kan de projectontwerper die de hem door het Wetboek opgelegde verplichtingen niet nakomt, vóór de intrekking van zijn erkenning waarschuwen.
De Regering bepaalt de nadere regels en de voorwaarden voor het richten van de waarschuwing en het intrekken van de erkenning.
Art. D. I.11.Les plans, schémas et guides sont élaborés ou révisés par un auteur de projet agréé.
Le Gouvernement est agréé pour l'élaboration ou la révision du schéma de développement du territoire, du plan de secteur et du guide régional d'urbanisme.
Le Gouvernement agrée, selon les critères et la procédure qu'il arrête, les personnes physiques ou morales, privées ou publiques, qui peuvent être chargées :
1° de l'élaboration ou de la révision du schéma de développement pluricommunal et du schéma de développement communal;
2° de l'élaboration ou de la révision du schéma d'orientation local et du guide communal d'urbanisme.
Pour la réalisation du rapport sur les incidences environnementales établi dans le cadre de l'élaboration ou de la révision d'un plan de secteur [1 et de l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.II.54]1, sont requis l'agrément octroyé en application du Livre Ier du Code de l'Environnement et l'agrément octroyé en application de l'alinéa 3, 1°.
[1 Pour réaliser l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.V.16, est requis l'agrément octroyé en application du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Le Gouvernement peut déterminer les cas dans lesquels, eu égard à la zone ou la superficie concernées, l'auteur de projet peut ne pas disposer de l'agrément pour élaborer ou réviser un schéma communal ou un guide communal visé à l'alinéa 3. Aucun agrément n'est requis pour l'abrogation d'un schéma ou d'un guide.
Le Gouvernement peut adresser un avertissement à l'auteur de projet qui ne respecte pas les obligations qui lui sont imposées par le Code, préalablement au retrait de son agrément.
Le Gouvernement arrête les modalités et les conditions dans lesquelles il adresse l'avertissement et retire l'agrément.
Le Gouvernement est agréé pour l'élaboration ou la révision du schéma de développement du territoire, du plan de secteur et du guide régional d'urbanisme.
Le Gouvernement agrée, selon les critères et la procédure qu'il arrête, les personnes physiques ou morales, privées ou publiques, qui peuvent être chargées :
1° de l'élaboration ou de la révision du schéma de développement pluricommunal et du schéma de développement communal;
2° de l'élaboration ou de la révision du schéma d'orientation local et du guide communal d'urbanisme.
Pour la réalisation du rapport sur les incidences environnementales établi dans le cadre de l'élaboration ou de la révision d'un plan de secteur [1 et de l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.II.54]1, sont requis l'agrément octroyé en application du Livre Ier du Code de l'Environnement et l'agrément octroyé en application de l'alinéa 3, 1°.
[1 Pour réaliser l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.V.16, est requis l'agrément octroyé en application du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Le Gouvernement peut déterminer les cas dans lesquels, eu égard à la zone ou la superficie concernées, l'auteur de projet peut ne pas disposer de l'agrément pour élaborer ou réviser un schéma communal ou un guide communal visé à l'alinéa 3. Aucun agrément n'est requis pour l'abrogation d'un schéma ou d'un guide.
Le Gouvernement peut adresser un avertissement à l'auteur de projet qui ne respecte pas les obligations qui lui sont imposées par le Code, préalablement au retrait de son agrément.
Le Gouvernement arrête les modalités et les conditions dans lesquelles il adresse l'avertissement et retire l'agrément.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Toelagen
CHAPITRE V. - Subventions
Art. D. I.12.De Regering kan onder de door haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen:
1° aan de gemeenten, voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan;
2° aan de gemeenten, voor de opmaak of de gehele of gedeeltelijke herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
3° aan de gemeenten, voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan [1 ,]1 een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw]1;
4° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de opmaak van een onderzoek van algemeen belang voor de ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw;
5° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de regeling van de informatie inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw;
6° aan de gemeenten, voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;
7° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of van een vereniging van gemeenten, van één of meerdere adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw;
8° aan de universitaire instellingen, voor algemene onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, met name aan de "Conférence permanente du développement territorial", welke optreedt in het kader van het jaarlijks door de Regering vastgelegde actieprogramma.
Bij het vaststellen van de wijze waarop de subsidie bedoeld in lid 1, 7°, wordt toegekend en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten die de voorwaarden verenigen voor de toepassing van artikel [1 D.IV.16, lid 1, 1°, a)]1, of waarin tot de opmaak van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan besloten is.
1° aan de gemeenten, voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan;
2° aan de gemeenten, voor de opmaak of de gehele of gedeeltelijke herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
3° aan de gemeenten, voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan [1 ,]1 een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw]1;
4° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de opmaak van een onderzoek van algemeen belang voor de ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw;
5° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de regeling van de informatie inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw;
6° aan de gemeenten, voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;
7° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of van een vereniging van gemeenten, van één of meerdere adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw;
8° aan de universitaire instellingen, voor algemene onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, met name aan de "Conférence permanente du développement territorial", welke optreedt in het kader van het jaarlijks door de Regering vastgelegde actieprogramma.
Bij het vaststellen van de wijze waarop de subsidie bedoeld in lid 1, 7°, wordt toegekend en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten die de voorwaarden verenigen voor de toepassing van artikel [1 D.IV.16, lid 1, 1°, a)]1, of waarin tot de opmaak van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan besloten is.
Art. D. I.12.Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement peut octroyer des subventions :
1° aux communes, pour l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur;
2° aux communes, pour l'élaboration ou la révision en tout ou en partie d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal, ou d'un guide communal d'urbanisme;
3° aux communes, pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet de révision de plan de secteur, de schéma de développement pluricommunal [1 ,]1 de schéma communal [1 ou de guide communal d'urbanisme]1;
4° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'élaboration d'une étude d'intérêt général relative au développement territorial, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
5° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'organisation de l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
6° aux communes, pour le fonctionnement de la commission communale et pour la formation de ses membres et du personnel communal concerné;
7° lorsqu'une commune ou plusieurs communes limitrophes ou une association de communes en font la demande, pour l'engagement annuel d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme;
8° aux organismes universitaires pour les études générales en aménagement du territoire, notamment à la Conférence permanente du développement territorial agissant dans le cadre du programme d'actions annuel fixé par le Gouvernement.
Lors de l'établissement des modalités d'allocation de la subvention visée à l'alinéa 1er, 7,° et des modalités de mise à disposition des conseillers en aménagement du territoire, le Gouvernement favorise les communes qui réunissent les conditions d'application de l'article [1 D.IV.16, alinéa 1er, 1°, a)]1, ou dont l'élaboration du schéma de développement pluricommunal ou communal a été décidée.
1° aux communes, pour l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur;
2° aux communes, pour l'élaboration ou la révision en tout ou en partie d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal, ou d'un guide communal d'urbanisme;
3° aux communes, pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet de révision de plan de secteur, de schéma de développement pluricommunal [1 ,]1 de schéma communal [1 ou de guide communal d'urbanisme]1;
4° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'élaboration d'une étude d'intérêt général relative au développement territorial, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
5° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'organisation de l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
6° aux communes, pour le fonctionnement de la commission communale et pour la formation de ses membres et du personnel communal concerné;
7° lorsqu'une commune ou plusieurs communes limitrophes ou une association de communes en font la demande, pour l'engagement annuel d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme;
8° aux organismes universitaires pour les études générales en aménagement du territoire, notamment à la Conférence permanente du développement territorial agissant dans le cadre du programme d'actions annuel fixé par le Gouvernement.
Lors de l'établissement des modalités d'allocation de la subvention visée à l'alinéa 1er, 7,° et des modalités de mise à disposition des conseillers en aménagement du territoire, le Gouvernement favorise les communes qui réunissent les conditions d'application de l'article [1 D.IV.16, alinéa 1er, 1°, a)]1, ou dont l'élaboration du schéma de développement pluricommunal ou communal a été décidée.
Wijzigingen
Art. D. I.12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen kan de Regering]1 onder de door haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen:
1° aan de gemeenten, voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan;
2° aan de gemeenten, voor de opmaak of de gehele of gedeeltelijke herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
3° aan de gemeenten, voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan of een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan;
4° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de opmaak van een onderzoek van algemeen belang voor de ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw;
5° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de regeling van de informatie inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw;
6° aan de gemeenten, voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;
7° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of van een vereniging van gemeenten, van één of meerdere adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw;
8° aan de universitaire instellingen, voor algemene onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, met name aan de "Conférence permanente du développement territorial", welke optreedt in het kader van het jaarlijks door de Regering vastgelegde actieprogramma.
[2 Bij het vaststellen van de wijze waarop de subsidie bedoeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten:
1° die beschikken over een gemeentelijke commissie en
a) hetzij een meergemeentelijk ontwikkelingsplan,
b) hetzij een gemeentelijk ontwikkelingsplan,
c) hetzij een meergemeentelijk ontwikkelingsplan en een gemeentelijk ontwikkelingsplan dat overeenkomstig artikel D.II.17, § 2, tweede lid, gedeeltelijk buiten werking is getreden,
voor zover dat (die) plan (plannen) het gehele gemeentelijke grondgebied bestrijkt (bestrijken); of
2° waarin tot de opmaak van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan is besloten]2.
[1 Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen kan de Regering]1 onder de door haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen:
1° aan de gemeenten, voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan;
2° aan de gemeenten, voor de opmaak of de gehele of gedeeltelijke herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
3° aan de gemeenten, voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan of een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan;
4° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de opmaak van een onderzoek van algemeen belang voor de ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke ordening en de stedenbouw;
5° aan de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, voor de regeling van de informatie inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw;
6° aan de gemeenten, voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;
7° voor de jaarlijkse indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of van een vereniging van gemeenten, van één of meerdere adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw;
8° aan de universitaire instellingen, voor algemene onderzoeken inzake ruimtelijke ordening, met name aan de "Conférence permanente du développement territorial", welke optreedt in het kader van het jaarlijks door de Regering vastgelegde actieprogramma.
[2 Bij het vaststellen van de wijze waarop de subsidie bedoeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend en van de wijze waarop de adviseurs ter zake van ruimtelijke ordening ter beschikking worden gesteld, begunstigt de Regering de gemeenten:
1° die beschikken over een gemeentelijke commissie en
a) hetzij een meergemeentelijk ontwikkelingsplan,
b) hetzij een gemeentelijk ontwikkelingsplan,
c) hetzij een meergemeentelijk ontwikkelingsplan en een gemeentelijk ontwikkelingsplan dat overeenkomstig artikel D.II.17, § 2, tweede lid, gedeeltelijk buiten werking is getreden,
voor zover dat (die) plan (plannen) het gehele gemeentelijke grondgebied bestrijkt (bestrijken); of
2° waarin tot de opmaak van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan is besloten]2.
Art. D. I.12_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement peut [1 , dans la limite des crédits budgétaires disponibles,]1 octroyer des subventions :
1° aux communes, pour l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur;
2° aux communes, pour l'élaboration ou la révision en tout ou en partie d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal, ou d'un guide communal d'urbanisme;
3° aux communes, pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet de révision de plan de secteur, de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal;
4° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'élaboration d'une étude d'intérêt général relative au développement territorial, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
5° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'organisation de l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
6° aux communes, pour le fonctionnement de la commission communale et pour la formation de ses membres et du personnel communal concerné;
7° lorsqu'une commune ou plusieurs communes limitrophes ou une association de communes en font la demande, pour l'engagement annuel d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme;
8° aux organismes universitaires pour les études générales en aménagement du territoire, notamment à la Conférence permanente du développement territorial agissant dans le cadre du programme d'actions annuel fixé par le Gouvernement.
[2 Lors de l'établissement des modalités d'allocation de la subvention visée à l'alinéa 1er, 7°, et des modalités de mise à disposition des conseillers en aménagement du territoire, le Gouvernement favorise les communes :
1° soit qui disposent d'une commission communale et
a) d'un schéma de développement pluricommunal
b) ou d'un schéma de développement communal
c) ou d'un schéma de développement pluricommunal et d'un schéma de développement communal ayant partiellement cessé de produire ses effets conformément à l'article D.II.17, § 2, alinéa 2,
dans la mesure où ce ou ces schémas couvrent l'ensemble du territoire communal;
2° soit dont l'élaboration du schéma de développement pluricommunal ou communal a été décidée.]2
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement peut [1 , dans la limite des crédits budgétaires disponibles,]1 octroyer des subventions :
1° aux communes, pour l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur;
2° aux communes, pour l'élaboration ou la révision en tout ou en partie d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal, ou d'un guide communal d'urbanisme;
3° aux communes, pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet de révision de plan de secteur, de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal;
4° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'élaboration d'une étude d'intérêt général relative au développement territorial, à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
5° aux personnes physiques ou morales, privées ou publiques, pour l'organisation de l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme;
6° aux communes, pour le fonctionnement de la commission communale et pour la formation de ses membres et du personnel communal concerné;
7° lorsqu'une commune ou plusieurs communes limitrophes ou une association de communes en font la demande, pour l'engagement annuel d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme;
8° aux organismes universitaires pour les études générales en aménagement du territoire, notamment à la Conférence permanente du développement territorial agissant dans le cadre du programme d'actions annuel fixé par le Gouvernement.
[2 Lors de l'établissement des modalités d'allocation de la subvention visée à l'alinéa 1er, 7°, et des modalités de mise à disposition des conseillers en aménagement du territoire, le Gouvernement favorise les communes :
1° soit qui disposent d'une commission communale et
a) d'un schéma de développement pluricommunal
b) ou d'un schéma de développement communal
c) ou d'un schéma de développement pluricommunal et d'un schéma de développement communal ayant partiellement cessé de produire ses effets conformément à l'article D.II.17, § 2, alinéa 2,
dans la mesure où ce ou ces schémas couvrent l'ensemble du territoire communal;
2° soit dont l'élaboration du schéma de développement pluricommunal ou communal a été décidée.]2
HOOFDSTUK V.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Duurzaamheidsfonds]1
CHAPITRE V.1. _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Fonds pour la durabilité]1
Art. D. I.12.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Er wordt een duurzaamheidsfonds opgericht. Het fonds komt overeen met een begrotingsfonds in de zin van artikel 56 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap.
Het fonds heeft tot doel financiële reserves aan te leggen en te beheren voor het plannen, verwezenlijken of ondersteunen van maatregelen ter bevordering van de duurzaamheid in de zin van ecologisch en landschappelijk behoud, herstel of verbetering van de ruimte in de Duitstalige Gemeenschap, met inbegrip van maatregelen om het klimaat, de biodiversiteit en de habitats te beschermen en om de bevolking van hernieuwbare energie te voorzien.
§ 2 - De ontvangsten van het fonds bestaan uit :
1° ontvangsten uit toegiften die verlangd worden in geval van herziening van het gewestplan overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, eerste lid, 3°;
2° ontvangsten uit de bedragen van de vergelijken die overeenkomstig artikel D.VII.18 aan de Duitstalige Gemeenschap betaald worden;
3° ontvangsten uit de administratieve geldboetes die overeenkomstig artikel D.VII.21 aan de Duitstalige Gemeenschap betaald worden;
4° ontvangsten uit betalingen van geldsommen die representatief zijn voor de meerwaarde die het goed door de inbreuk heeft gekregen, toegewezen aan de Duitstalige Gemeenschap overeenkomstig de artikelen D.VII.13 en D.VII.22;
5° het in de ontvangstenbegroting van de Duitstalige Gemeenschap voor het vervullen van de taken van het fonds als ontvangsten voor een specifiek doel bestemde deel van de algemene dotatie;
6° ontvangsten uit giften, schenkingen of legaten [2 ;]2
[2 7° ontvangsten uit de dossierkosten die geïnd worden bij het indienen van een beroep overeenkomstig artikel D.IV.63, § 4.]2
§ 3 - De uitgaven kunnen betrekking hebben op vergoedingen, subsidies of voordelen, met inbegrip van personeels-, exploitatie-, investerings-, beheer-, onderhouds- of andere kosten in verband met acties of taken waartoe in het kader van het fonds is besloten en die door specifiek geschoold personeel of door derden worden uitgevoerd.]1
Het fonds heeft tot doel financiële reserves aan te leggen en te beheren voor het plannen, verwezenlijken of ondersteunen van maatregelen ter bevordering van de duurzaamheid in de zin van ecologisch en landschappelijk behoud, herstel of verbetering van de ruimte in de Duitstalige Gemeenschap, met inbegrip van maatregelen om het klimaat, de biodiversiteit en de habitats te beschermen en om de bevolking van hernieuwbare energie te voorzien.
§ 2 - De ontvangsten van het fonds bestaan uit :
1° ontvangsten uit toegiften die verlangd worden in geval van herziening van het gewestplan overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, eerste lid, 3°;
2° ontvangsten uit de bedragen van de vergelijken die overeenkomstig artikel D.VII.18 aan de Duitstalige Gemeenschap betaald worden;
3° ontvangsten uit de administratieve geldboetes die overeenkomstig artikel D.VII.21 aan de Duitstalige Gemeenschap betaald worden;
4° ontvangsten uit betalingen van geldsommen die representatief zijn voor de meerwaarde die het goed door de inbreuk heeft gekregen, toegewezen aan de Duitstalige Gemeenschap overeenkomstig de artikelen D.VII.13 en D.VII.22;
5° het in de ontvangstenbegroting van de Duitstalige Gemeenschap voor het vervullen van de taken van het fonds als ontvangsten voor een specifiek doel bestemde deel van de algemene dotatie;
6° ontvangsten uit giften, schenkingen of legaten [2 ;]2
[2 7° ontvangsten uit de dossierkosten die geïnd worden bij het indienen van een beroep overeenkomstig artikel D.IV.63, § 4.]2
§ 3 - De uitgaven kunnen betrekking hebben op vergoedingen, subsidies of voordelen, met inbegrip van personeels-, exploitatie-, investerings-, beheer-, onderhouds- of andere kosten in verband met acties of taken waartoe in het kader van het fonds is besloten en die door specifiek geschoold personeel of door derden worden uitgevoerd.]1
Art. D. I.12.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Il est institué un Fonds pour la durabilité. Le Fonds est un fonds budgétaire au sens de l'article 56 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone.
Le Fonds a pour objet de constituer et de gérer des réserves financières afin de planifier, de réaliser ou de soutenir des mesures visant à promouvoir le développement durable au sens de la conservation écologique et paysagère, de la restauration du territoire ou de sa valorisation en Communauté germanophone, en ce compris des mesures visant à protéger le climat, les espèces et les habitats et à approvisionner la collectivité au moyen d'énergies renouvelables.
§ 2 - Les recettes du Fonds se composent :
1° de recettes exigées en tant que montants compensatoires lors de révisions du plan de secteur conformément à l'article D.II.45, § 3, alinéa 1er, 3°;
2° de recettes provenant de transactions dont le montant est payé à la Communauté germanophone conformément à l'article D.VII.18;
3° de recettes provenant d'amendes administratives payées à la Communauté germanophone conformément à l'article D.VII.21;
4° de recettes provenant de sommes qui sont représentatives de la plus-value enregistrée par le bien en raison de l'infraction et qui reviennent à la Communauté germanophone conformément aux articles D.VII.13 et D.VII.22;
5° de la part de la dotation globale prévue au budget des recettes de la Communauté germanophone comme recettes affectées en vue de l'exercice des missions du Fonds;
6° de recettes provenant de donations ou de legs [2 ;]2
[2 7° de recettes perçues au titre de frais de dossier lors de l'introduction d'un recours conformément à l'article D.IV.63, § 4.]2
§ 3 - Les dépenses peuvent couvrir des indemnisations, des subsides ou des prestations, en ce compris des frais de personnel, de fonctionnement, d'investissement, de gestion, d'entretien et autres en lien direct et exclusif avec des actions ou missions décidées dans le cadre du Fonds et exécutées par du personnel spécialisé spécifique ou par des tiers.]1
Le Fonds a pour objet de constituer et de gérer des réserves financières afin de planifier, de réaliser ou de soutenir des mesures visant à promouvoir le développement durable au sens de la conservation écologique et paysagère, de la restauration du territoire ou de sa valorisation en Communauté germanophone, en ce compris des mesures visant à protéger le climat, les espèces et les habitats et à approvisionner la collectivité au moyen d'énergies renouvelables.
§ 2 - Les recettes du Fonds se composent :
1° de recettes exigées en tant que montants compensatoires lors de révisions du plan de secteur conformément à l'article D.II.45, § 3, alinéa 1er, 3°;
2° de recettes provenant de transactions dont le montant est payé à la Communauté germanophone conformément à l'article D.VII.18;
3° de recettes provenant d'amendes administratives payées à la Communauté germanophone conformément à l'article D.VII.21;
4° de recettes provenant de sommes qui sont représentatives de la plus-value enregistrée par le bien en raison de l'infraction et qui reviennent à la Communauté germanophone conformément aux articles D.VII.13 et D.VII.22;
5° de la part de la dotation globale prévue au budget des recettes de la Communauté germanophone comme recettes affectées en vue de l'exercice des missions du Fonds;
6° de recettes provenant de donations ou de legs [2 ;]2
[2 7° de recettes perçues au titre de frais de dossier lors de l'introduction d'un recours conformément à l'article D.IV.63, § 4.]2
§ 3 - Les dépenses peuvent couvrir des indemnisations, des subsides ou des prestations, en ce compris des frais de personnel, de fonctionnement, d'investissement, de gestion, d'entretien et autres en lien direct et exclusif avec des actions ou missions décidées dans le cadre du Fonds et exécutées par du personnel spécialisé spécifique ou par des tiers.]1
HOOFDSTUK VI. - Nadere regels voor verzendingen en het berekenen van termijnen
CHAPITRE VI. - Modalités d'envoi et calcul des délais
Art. D. I.13.Op straffe van nietigheid moet elk schrijven met vaste dagtekening van de verzending [1 en/of]1 de ontvangst van de akte gebeuren, ongeacht de uitreikingsdienst die gebruikt wordt.
De Regering kan een lijst opstellen van de verzendingsprocédés die zij aanvaardt om elke verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. Elk schrijven moet ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden.
[1 ...]1.
Lid 1 geldt niet voor de in Boek IV bedoelde verzendingen met de projectontwerper als bestemmeling.
De Regering kan een lijst opstellen van de verzendingsprocédés die zij aanvaardt om elke verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. Elk schrijven moet ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden.
[1 ...]1.
Lid 1 geldt niet voor de in Boek IV bedoelde verzendingen met de projectontwerper als bestemmeling.
Art. D. I.13.A peine de nullité, tout envoi doit permettre de donner date certaine à l'envoi [1 et/ou]1 à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé.
Le Gouvernement peut déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception. L'envoi doit se faire au plus tard le jour de l'échéance du délai.
[1 ...]1.
Les envois à l'auteur de projet visés au Livre IV ne sont pas soumis à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement peut déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception. L'envoi doit se faire au plus tard le jour de l'échéance du délai.
[1 ...]1.
Les envois à l'auteur de projet visés au Livre IV ne sont pas soumis à l'alinéa 1er.
Wijzigingen
Art. D. I.13_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Op straffe van nietigheid moet elk schrijven met vaste dagtekening van de verzending en de ontvangst van de akte gebeuren, ongeacht de uitreikingsdienst die gebruikt wordt.
De Regering kan een lijst opstellen van de verzendingsprocédés die zij aanvaardt om elke verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. Elk schrijven moet ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden.
De aangetekende elektronische berichten moeten de bepalingen van [1 het decreet van 15 oktober 2018 betreffende de niet-openbare en openbare elektronische communicatie van de overheden van het Duitse taalgebied]1, in acht nemen.
Lid 1 geldt niet voor de in Boek IV bedoelde verzendingen met de projectontwerper als bestemmeling.
Op straffe van nietigheid moet elk schrijven met vaste dagtekening van de verzending en de ontvangst van de akte gebeuren, ongeacht de uitreikingsdienst die gebruikt wordt.
De Regering kan een lijst opstellen van de verzendingsprocédés die zij aanvaardt om elke verzending en elke ontvangst van een vaste dagtekening te voorzien. Elk schrijven moet ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden.
De aangetekende elektronische berichten moeten de bepalingen van [1 het decreet van 15 oktober 2018 betreffende de niet-openbare en openbare elektronische communicatie van de overheden van het Duitse taalgebied]1, in acht nemen.
Lid 1 geldt niet voor de in Boek IV bedoelde verzendingen met de projectontwerper als bestemmeling.
Art. D. I.13_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
A peine de nullité, tout envoi doit permettre de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé.
Le Gouvernement peut déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception. L'envoi doit se faire au plus tard le jour de l'échéance du délai.
Les recommandés électroniques se conforment aux dispositions du [1 décret du 15 octobre 2018 relatif à la communication électronique, publique ou adressée aux particuliers, des autorités de la région de langue allemande]1.
Les envois à l'auteur de projet visés au Livre IV ne sont pas soumis à l'alinéa 1er.
A peine de nullité, tout envoi doit permettre de donner date certaine à l'envoi et à la réception de l'acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé.
Le Gouvernement peut déterminer la liste des procédés qu'il reconnaît comme permettant de donner date certaine à l'envoi et à la réception. L'envoi doit se faire au plus tard le jour de l'échéance du délai.
Les recommandés électroniques se conforment aux dispositions du [1 décret du 15 octobre 2018 relatif à la communication électronique, publique ou adressée aux particuliers, des autorités de la région de langue allemande]1.
Les envois à l'auteur de projet visés au Livre IV ne sont pas soumis à l'alinéa 1er.
Wijzigingen
Art. D. I.14. De dag van verzending of ontvangst van de akte, die als begindatum van de termijn geldt, wordt niet meegerekend.
Art. D. I.14. Le jour de l'envoi ou de la réception de l'acte, qui est le point de départ d'un délai n'est pas compris dans le délai.
Art. D. I.15. De vervaldag is in de termijn inbegrepen. Indien die dag evenwel een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de volgende werkdag.
Art. D. I.15. Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au jour ouvrable suivant.
Art. D. I.16.§ 1. De bijzondere bekendmakingsmaatregelen [1 en de mogelijkheid om opmerkingen te maken en suggesties te doen tijdens een voorafgaande informatievergadering overeenkomstig de artikelen D.VIII.5, D.VIII.5/7 en D.VIII.5/14]1 worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari.
Wanneer de laatste dag van het openbaar onderzoek of van de periode waarin bemerkingen [1 suggesties]1 of bezwaren bij aankondiging van een project [1 of voorafgaande informatievergadering]1 aan het gemeentecollege gericht kunnen worden, een zaterdag, een zondag of wettelijke feestdag is, wordt het openbaar onderzoek dan wel de periode verlengd tot de volgende werkdag.
Bij opschorting of verlenging van de termijn zoals bedoeld in leden 1 en 2, worden de termijnen voor de raadpleging van het gemeentecollege, voor de aanneming, de goedkeuring, de uitgifte van een machtiging of de verzending van een beslissing zoals bedoeld in het Wetboek verlengd met de duur van de opschorting of de verlenging.
§ 2. De termijnen bedoeld in de artikelen D.IV.50 en D.IV.51 worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.
§ 3. Behoudens andersluidende bepaling worden de adviezen van de diensten en commissies binnen de dertig dagen van de verzending van de adviesaanvraag verzonden, zoniet worden ze gunstig geacht.
Wanneer de laatste dag van het openbaar onderzoek of van de periode waarin bemerkingen [1 suggesties]1 of bezwaren bij aankondiging van een project [1 of voorafgaande informatievergadering]1 aan het gemeentecollege gericht kunnen worden, een zaterdag, een zondag of wettelijke feestdag is, wordt het openbaar onderzoek dan wel de periode verlengd tot de volgende werkdag.
Bij opschorting of verlenging van de termijn zoals bedoeld in leden 1 en 2, worden de termijnen voor de raadpleging van het gemeentecollege, voor de aanneming, de goedkeuring, de uitgifte van een machtiging of de verzending van een beslissing zoals bedoeld in het Wetboek verlengd met de duur van de opschorting of de verlenging.
§ 2. De termijnen bedoeld in de artikelen D.IV.50 en D.IV.51 worden opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.
§ 3. Behoudens andersluidende bepaling worden de adviezen van de diensten en commissies binnen de dertig dagen van de verzending van de adviesaanvraag verzonden, zoniet worden ze gunstig geacht.
Art. D. I.16.§ 1er. Les mesures particulières de publicité [1 et les possibilités d'émettre des observations et suggestions dans le cadre d'une réunion d'information préalable en vertu des articles D.VIII.5, D.VIII.5/7 et D.VIII.5/14]1 sont suspendues du 16 juillet au 15 août et du 24 décembre au 1er janvier.
Lorsque le dernier jour de l'enquête publique ou de la période durant laquelle les observations, [1 suggestions]1 et réclamations peuvent être envoyées au collège communal en cas d'annonce de projet [1 ou de réunion d'information préalable]1 est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, l'enquête publique ou la période se prolonge au jour ouvrable suivant.
En cas de suspension ou de prolongation de délai visée aux alinéas 1er et 2, les délais de consultation du collège communal, d'adoption, d'approbation, de délivrance d'autorisation ou d'envoi de décision visés par le Code sont prorogés de la durée de la suspension ou de la prolongation.
§ 2. Les délais visés aux articles D.IV.50 et D.IV.51 sont suspendus du 16 juillet au 15 août.
§ 3. Sauf disposition contraire, les avis des services et commissions sont envoyés dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis ou à défaut sont réputés favorables.
Lorsque le dernier jour de l'enquête publique ou de la période durant laquelle les observations, [1 suggestions]1 et réclamations peuvent être envoyées au collège communal en cas d'annonce de projet [1 ou de réunion d'information préalable]1 est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, l'enquête publique ou la période se prolonge au jour ouvrable suivant.
En cas de suspension ou de prolongation de délai visée aux alinéas 1er et 2, les délais de consultation du collège communal, d'adoption, d'approbation, de délivrance d'autorisation ou d'envoi de décision visés par le Code sont prorogés de la durée de la suspension ou de la prolongation.
§ 2. Les délais visés aux articles D.IV.50 et D.IV.51 sont suspendus du 16 juillet au 15 août.
§ 3. Sauf disposition contraire, les avis des services et commissions sont envoyés dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis ou à défaut sont réputés favorables.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - Overgangsrecht
CHAPITRE VII. - Droit transitoire
Afdeling 1. - Commissies
Section 1re. - Commissions
Art. D. I.17. De "Commission régionale d'aménagement du territoire" (Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening), opgericht voor de inwerkingtreding van het Wetboek, blijft geldig samengesteld totdat de leden zetelend in de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening zijn aangewezen. De Gewestelijke Commissie wordt de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en oefent de opdrachten bedoeld in artikel D.I.4., § 1, uit.
De adviescommissie opgericht vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan en oefent de opdrachten uit bedoeld in artikel D.I.6, § 1.
De oprichting of de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, aangenomen door de gemeenteraad voor de inwerkingtreding van dit Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de vóór die datum vigerende procedure.
Een gemeentelijk commissie waarvan de samenstelling door de Regering is goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan overeenkomstig artikel D.I.9.
De adviescommissie opgericht vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan en oefent de opdrachten uit bedoeld in artikel D.I.6, § 1.
De oprichting of de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, aangenomen door de gemeenteraad voor de inwerkingtreding van dit Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de vóór die datum vigerende procedure.
Een gemeentelijk commissie waarvan de samenstelling door de Regering is goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek blijft geldig samengesteld tot de hernieuwing ervan overeenkomstig artikel D.I.9.
Art. D. I.17. La Commission régionale d'aménagement du territoire instituée avant l'entrée en vigueur du Code reste valablement constituée jusqu'à la désignation des membres siégeant au sein du pôle "Aménagement du territoire". La Commission régionale devient le pôle "Aménagement du territoire" et exerce les missions visées à l'article D.I.4, § 1er.
La commission d'avis instituée avant l'entrée en vigueur du Code reste valablement constituée jusqu'à son renouvellement et exerce les missions visées à l'article D.I.6, § 1er.
L'établissement ou le renouvellement d'une commission communale adopté par le conseil communal avant l'entrée en vigueur du Code se poursuit suivant la procédure en vigueur avant cette date.
La commission communale dont la composition a été approuvée par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du Code reste valablement constituée jusqu'à son renouvellement conformément à l'article D.I.9.
La commission d'avis instituée avant l'entrée en vigueur du Code reste valablement constituée jusqu'à son renouvellement et exerce les missions visées à l'article D.I.6, § 1er.
L'établissement ou le renouvellement d'une commission communale adopté par le conseil communal avant l'entrée en vigueur du Code se poursuit suivant la procédure en vigueur avant cette date.
La commission communale dont la composition a été approuvée par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du Code reste valablement constituée jusqu'à son renouvellement conformément à l'article D.I.9.
Art. D. I.17.1. [1 § 1 - Beroepen waarvan de indiening, bevestigd met een indieningsbewijs, of waarvan de ontvangst van de zending, bevestigd met een post- of ander ontvangstbewijs, dateert van voor één van de wijzigingen van de in het Duitse taalgebied toepasselijke wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, worden verder behandeld op basis van de bepalingen die van toepassing waren op de datum van het indieningsbewijs of ontvangstbewijs.
§ 2 - In de gevallen waarin een overeenkomstig artikel D.IV.67 aangenomen beslissing van de Duitstalige Gemeenschap door de Raad van State nietig is verklaard en bijgevolg een nieuwe beslissing moet worden aangenomen, wordt de procedure voortgezet op basis van de bepalingen die van toepassing zijn op de dag van het arrest van de Raad van State.]1
§ 2 - In de gevallen waarin een overeenkomstig artikel D.IV.67 aangenomen beslissing van de Duitstalige Gemeenschap door de Raad van State nietig is verklaard en bijgevolg een nieuwe beslissing moet worden aangenomen, wordt de procedure voortgezet op basis van de bepalingen die van toepassing zijn op de dag van het arrest van de Raad van State.]1
Art. D _I.17.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Les recours dont le dépôt, attesté par un avis de dépôt, ou dont la réception de l'envoi, attestée par un accusé de réception postal ou assimilé, est antérieur à l'une des modifications de la législation sur l'aménagement du territoire et l'urbanisme applicable en région de langue allemande poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date de l'avis de dépôt ou de l'accusé de réception.
§ 2 - Dans les cas où une décision prise par la Communauté germanophone conformément à l'article D.IV.67 est annulée par le Conseil d'Etat et qu'une nouvelle décision doit être prise, la procédure est poursuivie sur la base des dispositions applicables le jour où le Conseil d'Etat rend son avis.]1
§ 2 - Dans les cas où une décision prise par la Communauté germanophone conformément à l'article D.IV.67 est annulée par le Conseil d'Etat et qu'une nouvelle décision doit être prise, la procédure est poursuivie sur la base des dispositions applicables le jour où le Conseil d'Etat rend son avis.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Erkenningen
Section 2. - Agréments
Art. D. I.18. De private of publieke natuurlijke of rechtspersonen die erkend zijn voor de opmaak of de herziening van ontwikkelingsplannen, van plannen van aanleg en stedenbouwkundige verordeningen op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek worden erkend in de zin van artikel D.I.11 onder de voorwaarden van hun erkenning.
De erkenning voor de opmaak of de herziening van gemeentelijk structuurplannen en van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geldt als erkenning voor de opmaak of de herziening van meergemeentelijke ontwikkelingsplannen, gemeentelijke ontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw.
De erkenning voor de opmaak en de herziening van gemeentelijke plannen van aanleg geldt als erkenning voor de opmaak en de herziening van plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw.
De erkenning voor de opmaak of de herziening van gemeentelijk structuurplannen en van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geldt als erkenning voor de opmaak of de herziening van meergemeentelijke ontwikkelingsplannen, gemeentelijke ontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw.
De erkenning voor de opmaak en de herziening van gemeentelijke plannen van aanleg geldt als erkenning voor de opmaak en de herziening van plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen en gemeentelijke leidraden voor stedenbouw.
Art. D. I.18. La personne physique ou morale, privée ou publique, agréée pour l'élaboration ou la révision d'un schéma, d'un plan d'aménagement et d'un règlement d'urbanisme à la date d'entrée en vigueur du Code est agréée au sens de l'article D.I.11 aux conditions de son agrément.
L'agrément pour l'élaboration ou la révision de schéma de structure communal et de règlement communal d'urbanisme vaut agrément pour l'élaboration et la révision de schéma de développement pluricommunal, de schéma de développement communal et de guide communal d'urbanisme.
L'agrément pour l'élaboration et la révision de plan communal d'aménagement vaut agrément pour l'élaboration et la révision de schéma d'orientation local et de guide communal d'urbanisme.
L'agrément pour l'élaboration ou la révision de schéma de structure communal et de règlement communal d'urbanisme vaut agrément pour l'élaboration et la révision de schéma de développement pluricommunal, de schéma de développement communal et de guide communal d'urbanisme.
L'agrément pour l'élaboration et la révision de plan communal d'aménagement vaut agrément pour l'élaboration et la révision de schéma d'orientation local et de guide communal d'urbanisme.
Afdeling 3. - Toelagen
Section 3. - Subventions
Art. D. I.19. § 1. De subsidies, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 5° tot 8°, toegekend op basis van de vigerende wetgeving en die in uitvoering zijn vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren toen ze toegekend werden.
§ 2. Het recht op de subsidie, toegekend voor de opmaak of de bijwerking van een gemeentelijk structuurplan of een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op grond van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 april 1990 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor het opstellen van een gemeentelijk structuurplan en van een gemeentelijk reglement inzake stedebouw, dooft uit.
§ 3. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 25 januari 2001 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium wat betreft de regels voor de toekenning van subsidies aan gemeenten voor de werking van de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening, voor de opstelling of totale herziening van een gemeentelijk structuurplan, van een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement of van een gemeentelijk plan van aanleg of voor de opstelling van een effectonderzoek over een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk één jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet dooft het recht op de subsidie uit.
§ 4. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2008 tot vervanging van hoofdstuk Iter en tot wijziging van hoofdstuk Iquater van titel I van Boek IV van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk drie jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet dooft het recht op de subsidie uit.
Voor de subsidie die vanaf 1 juni 2013 toegekend wordt, kan de Regering evenwel één enkele keer de in de lopende subsidie bedoelde termijn op gemotiveerd voorstel van de gemeenteraad let drie jaar verlengen.
§ 2. Het recht op de subsidie, toegekend voor de opmaak of de bijwerking van een gemeentelijk structuurplan of een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op grond van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 april 1990 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor het opstellen van een gemeentelijk structuurplan en van een gemeentelijk reglement inzake stedebouw, dooft uit.
§ 3. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 25 januari 2001 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium wat betreft de regels voor de toekenning van subsidies aan gemeenten voor de werking van de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening, voor de opstelling of totale herziening van een gemeentelijk structuurplan, van een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement of van een gemeentelijk plan van aanleg of voor de opstelling van een effectonderzoek over een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk één jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet dooft het recht op de subsidie uit.
§ 4. De lopende subsidie voor de opmaak of de herziening van een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk stedenbouwkundig reglement, een gemeentelijk plan van aanleg en/of een milieueffectenrapport, toegekend op grond van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2008 tot vervanging van hoofdstuk Iter en tot wijziging van hoofdstuk Iquater van titel I van Boek IV van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium blijft onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren bij de erkenning ervan voor zover het document in werking is getreden uiterlijk drie jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet dooft het recht op de subsidie uit.
Voor de subsidie die vanaf 1 juni 2013 toegekend wordt, kan de Regering evenwel één enkele keer de in de lopende subsidie bedoelde termijn op gemotiveerd voorstel van de gemeenteraad let drie jaar verlengen.
Art. D. I.19. § 1er. Les subventions visées à l'article D.I.12, alinéa 1er, 5° à 8°, octroyées sur la base de la législation en vigueur et en cours d'exécution avant l'entrée en vigueur du Code restent soumises aux dispositions d'application lors de leur octroi.
§ 2. Le droit à la subvention octroyée pour l'élaboration ou l'actualisation d'un schéma de structure communal et d'un règlement communal d'urbanisme sur la base de l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 avril 1990 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour l'élaboration d'un schéma de structure communal et d'un règlement communal d'urbanisme s'éteint.
§ 3. La subvention en cours d'exécution pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme, d'un plan communal d'aménagement et/ou d'un rapport sur les incidences environnementales octroyée sur la base de l'arrêté du Gouvernement du 25 janvier 2001 modifiant le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine quant aux modalités d'octroi de subventions aux communes pour le fonctionnement de la Commission consultative communale d'aménagement du territoire, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme ou d'un plan communal d'aménagement, ou pour l'élaboration d'une étude d'incidences relative à un projet de plan communal d'aménagement reste soumise aux dispositions applicables lors de son octroi pour autant que le document soit entré en vigueur au plus tard un an à dater de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, le droit à la subvention s'éteint.
§ 4. La subvention en cours d'exécution pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme, d'un plan communal d'aménagement et/ou d'un rapport sur les incidences environnementales octroyée sur la base de l'arrêté du Gouvernement du 15 mai 2008 remplaçant le chapitre Ierter et modifiant le chapitre Ierquater du titre Ier du Livre IV du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine reste soumise aux dispositions applicables lors de son octroi pour autant que le document soit entré en vigueur au plus tard trois ans à dater de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, le droit à la subvention s'éteint.
Toutefois, pour la subvention octroyée à partir du 1er juin 2013, le Gouvernement peut proroger de trois ans une seule fois le délai visé dans la subvention en cours, sur proposition motivée du conseil communal.
§ 2. Le droit à la subvention octroyée pour l'élaboration ou l'actualisation d'un schéma de structure communal et d'un règlement communal d'urbanisme sur la base de l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 avril 1990 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour l'élaboration d'un schéma de structure communal et d'un règlement communal d'urbanisme s'éteint.
§ 3. La subvention en cours d'exécution pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme, d'un plan communal d'aménagement et/ou d'un rapport sur les incidences environnementales octroyée sur la base de l'arrêté du Gouvernement du 25 janvier 2001 modifiant le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine quant aux modalités d'octroi de subventions aux communes pour le fonctionnement de la Commission consultative communale d'aménagement du territoire, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme ou d'un plan communal d'aménagement, ou pour l'élaboration d'une étude d'incidences relative à un projet de plan communal d'aménagement reste soumise aux dispositions applicables lors de son octroi pour autant que le document soit entré en vigueur au plus tard un an à dater de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, le droit à la subvention s'éteint.
§ 4. La subvention en cours d'exécution pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de structure communal, d'un règlement communal d'urbanisme, d'un plan communal d'aménagement et/ou d'un rapport sur les incidences environnementales octroyée sur la base de l'arrêté du Gouvernement du 15 mai 2008 remplaçant le chapitre Ierter et modifiant le chapitre Ierquater du titre Ier du Livre IV du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine reste soumise aux dispositions applicables lors de son octroi pour autant que le document soit entré en vigueur au plus tard trois ans à dater de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, le droit à la subvention s'éteint.
Toutefois, pour la subvention octroyée à partir du 1er juin 2013, le Gouvernement peut proroger de trois ans une seule fois le délai visé dans la subvention en cours, sur proposition motivée du conseil communal.
BOEK II. - Planificatie
LIVRE II. - Planification
BOEK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Planning en omtrekken]1
LIVRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Planification et périmètres]1
TITEL I. - De ontwikkelingsplannen
TITRE Ier. - Schémas
Art. D. II.1. De doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en, in voorkomend geval, stedenbouw worden op grond van een contextueel onderzoek in het betrokken gebied opgesplitst in vier schalen :
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan voor Wallonië;
2° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor een geheel of delen van gebieden in meerdere gemeenten;
3° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied;
4° het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied.
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan voor Wallonië;
2° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor een geheel of delen van gebieden in meerdere gemeenten;
3° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied;
4° het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied.
Art. D. II.1. Les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire et, le cas échéant, d'urbanisme sont déclinés, sur la base d'une analyse contextuelle du territoire concerné, à quatre échelles :
1° le schéma de développement du territoire pour la Wallonie;
2° le schéma de développement pluricommunal pour tout ou partie des territoires de plusieurs communes;
3° le schéma de développement communal pour l'ensemble du territoire communal;
4° le schéma d'orientation local pour une partie du territoire communal.
1° le schéma de développement du territoire pour la Wallonie;
2° le schéma de développement pluricommunal pour tout ou partie des territoires de plusieurs communes;
3° le schéma de développement communal pour l'ensemble du territoire communal;
4° le schéma d'orientation local pour une partie du territoire communal.
Art. D. II.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en, in voorkomend geval, stedenbouw worden op grond van een contextueel onderzoek in het betrokken gebied opgesplitst in vier schalen :
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan voor [1 de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor een geheel of delen van gebieden in meerdere gemeenten;
3° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied;
4° het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied.
De doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en, in voorkomend geval, stedenbouw worden op grond van een contextueel onderzoek in het betrokken gebied opgesplitst in vier schalen :
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan voor [1 de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor een geheel of delen van gebieden in meerdere gemeenten;
3° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het gehele gemeentelijke grondgebied;
4° het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan voor een deel van het gemeentelijk grondgebied.
Art. D. II.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire et, le cas échéant, d'urbanisme sont déclinés, sur la base d'une analyse contextuelle du territoire concerné, à quatre échelles :
1° le schéma de développement du territoire pour la [1 Communauté germanophone]1;
2° le schéma de développement pluricommunal pour tout ou partie des territoires de plusieurs communes;
3° le schéma de développement communal pour l'ensemble du territoire communal;
4° le schéma d'orientation local pour une partie du territoire communal.
Les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire et, le cas échéant, d'urbanisme sont déclinés, sur la base d'une analyse contextuelle du territoire concerné, à quatre échelles :
1° le schéma de développement du territoire pour la [1 Communauté germanophone]1;
2° le schéma de développement pluricommunal pour tout ou partie des territoires de plusieurs communes;
3° le schéma de développement communal pour l'ensemble du territoire communal;
4° le schéma d'orientation local pour une partie du territoire communal.
Wijzigingen
HOOFDSTUK I. - Het ruimtelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement du territoire
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Section 1re. - Définition et contenu
Art. D. II.2.[1 § 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor Wallonië op gewestelijke schaal.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op:
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
§ 2. In de opties inzake ruimtelijk beleid van het ruimtelijke ontwikkelingsplan worden omschreven:
1° de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening en de wijze waarop deze ingebed zijn in de supraregionale context;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening bedoeld in paragraaf 2, 1°, beogen:
1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° de trajecten voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
2° de criteria voor het definiëren van de centrumgebieden;
3° de centrumgebieden en maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° alle andere bepalingen die bijdragen tot de doelstelling van optimaal gebruik van de grondgebieden en hulpbronnen.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de kernen:
2° de ontwikkelingsgebieden, met inbegrip van stroomgebieden waarbinnen trajecten kunnen worden aangepast volgens hun specifieke kenmerken en behoeften;
3° de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, evenals de door de Regering aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een samenhangende ecologische vermazing op schaal van het gewestelijk grondgebied.
Het doel van de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn aangenomen, is te zorgen voor een samenhangende ecologische vermazing op schaal van het gewestelijk grondgebied. Ze worden gedefinieerd in termen van hun biologische waarde en continuïteit.
§ 6. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen tot herziening van gewestplannen verwoorden;
3° ruimtelijke projecten verwoorden met betrekking tot de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden;
4° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op:
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
§ 2. In de opties inzake ruimtelijk beleid van het ruimtelijke ontwikkelingsplan worden omschreven:
1° de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening en de wijze waarop deze ingebed zijn in de supraregionale context;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening bedoeld in paragraaf 2, 1°, beogen:
1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° de trajecten voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
2° de criteria voor het definiëren van de centrumgebieden;
3° de centrumgebieden en maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° alle andere bepalingen die bijdragen tot de doelstelling van optimaal gebruik van de grondgebieden en hulpbronnen.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de kernen:
2° de ontwikkelingsgebieden, met inbegrip van stroomgebieden waarbinnen trajecten kunnen worden aangepast volgens hun specifieke kenmerken en behoeften;
3° de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, evenals de door de Regering aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een samenhangende ecologische vermazing op schaal van het gewestelijk grondgebied.
Het doel van de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn aangenomen, is te zorgen voor een samenhangende ecologische vermazing op schaal van het gewestelijk grondgebied. Ze worden gedefinieerd in termen van hun biologische waarde en continuïteit.
§ 6. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen tot herziening van gewestplannen verwoorden;
3° ruimtelijke projecten verwoorden met betrekking tot de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden;
4° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Art. D. II.2.[1 § 1er. Le schéma de développement du territoire définit la stratégie territoriale pour la Wallonie sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle régionale.
L'analyse contextuelle porte sur :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature, et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement du territoire définit :
1° les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire, et la manière dont ils s'inscrivent dans le contexte suprarégional;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité :
1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° les trajectoires de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
2° les critères de délimitation des centralités;
3° les centralités et mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'utilisation optimale des territoires et des ressources.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de développement, en ce compris les bassins au sein desquels les trajectoires peuvent être modalisées en fonction des spécificités et des besoins de ceux-ci;
3° les aires de coopération transrégionale et transfrontalière;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques adoptées par le Gouvernement en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire régional.
Les liaisons écologiques adoptées par le Gouvernement ont pour but d'assurer un maillage écologique cohérente à l'échelle du territoire régional. Elles sont définies en considération de leur valeur biologique et de leur continuité.
§ 6. Le schéma de développement du territoire peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur;
3° identifier des projets de territoire liés aux aires de coopération transrégionale et transfrontalière et aux aires de développement;
4° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
L'analyse contextuelle porte sur :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature, et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement du territoire définit :
1° les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire, et la manière dont ils s'inscrivent dans le contexte suprarégional;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité :
1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° les trajectoires de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
2° les critères de délimitation des centralités;
3° les centralités et mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'utilisation optimale des territoires et des ressources.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de développement, en ce compris les bassins au sein desquels les trajectoires peuvent être modalisées en fonction des spécificités et des besoins de ceux-ci;
3° les aires de coopération transrégionale et transfrontalière;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques adoptées par le Gouvernement en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire régional.
Les liaisons écologiques adoptées par le Gouvernement ont pour but d'assurer un maillage écologique cohérente à l'échelle du territoire régional. Elles sont définies en considération de leur valeur biologique et de leur continuité.
§ 6. Le schéma de développement du territoire peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur;
3° identifier des projets de territoire liés aux aires de coopération transrégionale et transfrontalière et aux aires de développement;
4° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Wijzigingen
Art. D. II.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan omschrijft [1 ...]1, op grond van een contextueel onderzoek, de opties inzake ruimtelijk beleid voor [1 de Duitstalige Gemeenschap]1.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is.
§ 2. In de opties inzake ruimtelijk beleid van het ruimtelijke ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, en de wijze waarop deze ingebed zijn in de supraregionale context;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van gebieden en hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het grondgebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren.
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de kernen;
2° de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een grondgebiedomvattende dichte ecologische vermazing.
§ 3. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan kan :
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;
2° voorstellen tot herziening van gewestplannen verwoorden;
3° ruimtelijke projecten verwoorden met betrekking tot de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden.
§ 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan omschrijft [1 ...]1, op grond van een contextueel onderzoek, de opties inzake ruimtelijk beleid voor [1 de Duitstalige Gemeenschap]1.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is.
§ 2. In de opties inzake ruimtelijk beleid van het ruimtelijke ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, en de wijze waarop deze ingebed zijn in de supraregionale context;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van gebieden en hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het grondgebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren.
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de kernen;
2° de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een grondgebiedomvattende dichte ecologische vermazing.
§ 3. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan kan :
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;
2° voorstellen tot herziening van gewestplannen verwoorden;
3° ruimtelijke projecten verwoorden met betrekking tot de regio's betrokken bij de gewest- en grensoverschrijdende samenwerking en de ontwikkelingsgebieden.
Art. D. II.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma de développement du territoire définit la stratégie territoriale pour la [1 Communauté germanophone]1 sur la base d'une analyse contextuelle [1 ...]1.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement du territoire définit :
1° les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire, et la manière dont ils s'inscrivent dans le contexte suprarégional;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle des territoires et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de coopération transrégionale et transfrontalière et les aires de développement;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques adoptées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire régional.
§ 3. Le schéma de développement du territoire peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur;
3° identifier des projets de territoire liés aux aires de coopération transrégionale et transfrontalière et aux aires de développement.
§ 1er. Le schéma de développement du territoire définit la stratégie territoriale pour la [1 Communauté germanophone]1 sur la base d'une analyse contextuelle [1 ...]1.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement du territoire définit :
1° les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire, et la manière dont ils s'inscrivent dans le contexte suprarégional;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle des territoires et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de coopération transrégionale et transfrontalière et les aires de développement;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques adoptées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire régional.
§ 3. Le schéma de développement du territoire peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur;
3° identifier des projets de territoire liés aux aires de coopération transrégionale et transfrontalière et aux aires de développement.
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Art. D. II.3. § 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
De voorstellen voor gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling zoals bedoeld in artikel D.II.2, § 2, [3 ...]3, 1°, worden ter advies voorgelegd aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de Beleidsgroep Leefmilieu, de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en aan de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht. Die adviezen worden binnen de dertig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
Van het ruimtelijk ontwikkelingsplan maakt de Regering een milieueffectenverslag op.
§ 2. Het ontwerp van ontwikkelingsplan wordt door de Regering aangenomen en samen met het milieueffectenverslag publiekelijk voorgesteld en aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De adviezen van de gemeenteraden, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en van de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig geacht wordt, worden binnen de zestig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 3. De Regering neemt het plan definitief aan.
De beslissing van de Regering wordt bekendgemaakt.
De voorstellen voor gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling zoals bedoeld in artikel D.II.2, § 2, [3 ...]3, 1°, worden ter advies voorgelegd aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de Beleidsgroep Leefmilieu, de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en aan de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht. Die adviezen worden binnen de dertig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
Van het ruimtelijk ontwikkelingsplan maakt de Regering een milieueffectenverslag op.
§ 2. Het ontwerp van ontwikkelingsplan wordt door de Regering aangenomen en samen met het milieueffectenverslag publiekelijk voorgesteld en aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De adviezen van de gemeenteraden, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de Sociaal-Economische Raad van Wallonië en van de personen en instanties wier raadpleging door de Regering nuttig geacht wordt, worden binnen de zestig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 3. De Regering neemt het plan definitief aan.
De beslissing van de Regering wordt bekendgemaakt.
Art. D. II.3.§ 1er. Le schéma de développement du territoire est établi à l'initiative du Gouvernement.
Les propositions d'objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'article D.II.2, § 2, [1 ...]1 1°, sont soumis à l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", du [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter. Ces avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
Le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales du schéma de développement du territoire.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de schéma et le soumet, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales, à la séance de présentation et à l'enquête publique.
Les avis des conseils communaux, du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", du [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 3. Le Gouvernement adopte définitivement le schéma.
La décision du Gouvernement est publiée.
Les propositions d'objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'article D.II.2, § 2, [1 ...]1 1°, sont soumis à l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", du [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter. Ces avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
Le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales du schéma de développement du territoire.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de schéma et le soumet, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales, à la séance de présentation et à l'enquête publique.
Les avis des conseils communaux, du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", du [1 Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 3. Le Gouvernement adopte définitivement le schéma.
La décision du Gouvernement est publiée.
Wijzigingen
Art. D. II.3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
De voorstellen voor gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling zoals bedoeld in artikel D.II.2, § 2 lid 1, 1°, worden ter advies voorgelegd aan de [1 Adviesraad]1, de [1 Beleidsgroep Leefmilieu van het Waals Gewest, hierna: Beleidsgroep Leefmilieu]1, [1 ...]1 en aan de personen en instanties [2 wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2. Die adviezen worden binnen de dertig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
Van het ruimtelijk ontwikkelingsplan maakt de Regering een milieueffectenverslag op.
§ 2. Het ontwerp van ontwikkelingsplan wordt door de Regering aangenomen en samen met het milieueffectenverslag publiekelijk voorgesteld en aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De adviezen van de gemeenteraden, van de [1 Adviesraad]1 [1 en van de Beleidsgroep Leefmilieu]1 en van de personen en instanties [2 wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2, worden binnen de zestig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 3. De Regering neemt het plan definitief aan.
De beslissing van de Regering wordt bekendgemaakt.
§ 1. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
De voorstellen voor gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling zoals bedoeld in artikel D.II.2, § 2 lid 1, 1°, worden ter advies voorgelegd aan de [1 Adviesraad]1, de [1 Beleidsgroep Leefmilieu van het Waals Gewest, hierna: Beleidsgroep Leefmilieu]1, [1 ...]1 en aan de personen en instanties [2 wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2. Die adviezen worden binnen de dertig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
Van het ruimtelijk ontwikkelingsplan maakt de Regering een milieueffectenverslag op.
§ 2. Het ontwerp van ontwikkelingsplan wordt door de Regering aangenomen en samen met het milieueffectenverslag publiekelijk voorgesteld en aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De adviezen van de gemeenteraden, van de [1 Adviesraad]1 [1 en van de Beleidsgroep Leefmilieu]1 en van de personen en instanties [2 wier raadpleging door de Regering nuttig wordt geacht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2, worden binnen de zestig dagen na verzending van het verzoek overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 3. De Regering neemt het plan definitief aan.
De beslissing van de Regering wordt bekendgemaakt.
Art. D. II.3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma de développement du territoire est établi à l'initiative du Gouvernement.
Les propositions d'objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'article D.II.2, § 2, alinéa 1er, 1°, sont soumis à l'avis du [1 conseil consultatif]1, du pôle "Environnement" [1 de la Région wallonne, ci-après dénommée "pôle Environnement]1, [1 ...]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2. Ces avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
Le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales du schéma de développement du territoire.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de schéma et le soumet, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales, à la séance de présentation et à l'enquête publique.
Les avis des conseils communaux, du [1 conseil consultatif ]1, du pôle "Environnement", [1 ...]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2 sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 3. Le Gouvernement adopte définitivement le schéma.
La décision du Gouvernement est publiée.
§ 1er. Le schéma de développement du territoire est établi à l'initiative du Gouvernement.
Les propositions d'objectifs régionaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'article D.II.2, § 2, alinéa 1er, 1°, sont soumis à l'avis du [1 conseil consultatif]1, du pôle "Environnement" [1 de la Région wallonne, ci-après dénommée "pôle Environnement]1, [1 ...]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2. Ces avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
Le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales du schéma de développement du territoire.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de schéma et le soumet, ainsi que le rapport sur les incidences environnementales, à la séance de présentation et à l'enquête publique.
Les avis des conseils communaux, du [1 conseil consultatif ]1, du pôle "Environnement", [1 ...]1 ainsi que des personnes et instances que le Gouvernement juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2 sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 3. Le Gouvernement adopte définitivement le schéma.
La décision du Gouvernement est publiée.
Afdeling 3. - Herziening
Section 3. - Révision
Art. D. II.4. De bepalingen tot regeling van de opmaak van het ruimtelijk ontwikkelingsplan zijn van toepassing op de herziening ervan.
In het herzieningsdossier worden evenwel enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
In het herzieningsdossier worden evenwel enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Art. D. II.4. Les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement du territoire s'appliquent à sa révision.
Toutefois, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
Toutefois, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
HOOFDSTUK II. - Meergemeentelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE II. - Schéma de développement pluricommunal
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Section 1re. - Définition et contenu
Art. D. II.5.Samen met één of meerdere andere gemeenten kan een gemeente één of meerdere meergemeentelijke ontwikkelingsplannen tot stand brengen, waarin hun aangrenzende gebieden geheel of gedeeltelijk opgenomen worden.
[1 Onder de voorwaarden van artikel D.II.6/1 kan het meergemeentelijk plan thematisch zijn en focussen op ruimteoptimalisatie, groene infrastructuur of mobiliteit.]1
Als er meerdere meergemeentelijke ontwikkelingsplannen voorhanden zijn, moeten zij afzonderlijke delen van het gemeentelijk grondgebied behandelen. [1 Onverminderd artikel D.II.17, § 2, tweede lid, kan een gemeentelijk grondgebied nooit]1, noch geheel noch gedeeltelijk, tegelijk het voorwerp uitmaken van een meergemeentelijk en van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
[1 Onder de voorwaarden van artikel D.II.6/1 kan het meergemeentelijk plan thematisch zijn en focussen op ruimteoptimalisatie, groene infrastructuur of mobiliteit.]1
Als er meerdere meergemeentelijke ontwikkelingsplannen voorhanden zijn, moeten zij afzonderlijke delen van het gemeentelijk grondgebied behandelen. [1 Onverminderd artikel D.II.17, § 2, tweede lid, kan een gemeentelijk grondgebied nooit]1, noch geheel noch gedeeltelijk, tegelijk het voorwerp uitmaken van een meergemeentelijk en van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
Art. D. II.5.Une commune peut se doter, conjointement avec une ou plusieurs autres communes, d'un ou plusieurs schémas de développement pluricommunaux couvrant tout ou partie de leurs territoires contigus.
[1 Aux conditions fixées à l'article D.II.6/1, le schéma pluricommunal peut être thématique et viser l'optimisation spatiale, l'infrastructure verte ou la mobilité.]1
S'il existe plusieurs schémas de développement pluricommunaux, ceux-ci couvrent des parties distinctes du territoire communal. [1 Sans préjudice de l'article D.II.17, § 2, alinéa 2, tout]1 ou partie du territoire communal ne peut être soumis à la fois à un schéma de développement pluricommunal et à un schéma de développement communal.
[1 Aux conditions fixées à l'article D.II.6/1, le schéma pluricommunal peut être thématique et viser l'optimisation spatiale, l'infrastructure verte ou la mobilité.]1
S'il existe plusieurs schémas de développement pluricommunaux, ceux-ci couvrent des parties distinctes du territoire communal. [1 Sans préjudice de l'article D.II.17, § 2, alinéa 2, tout]1 ou partie du territoire communal ne peut être soumis à la fois à un schéma de développement pluricommunal et à un schéma de développement communal.
Wijzigingen
Art. D. II.6.[1 § 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het dienovereenkomstig gebied op schaal van dat gebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op:
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurlijke risico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie.
Wat de rechtstoestand betreft, omvat het de gebieden die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn vastgesteld.
Het kan de resultaten bevatten van andere analyses die zijn uitgevoerd in toepassing van andere bepalingen van dit Wetboek of van andere wetgevingen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het meergemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven:
1° de meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op bovengemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, hebben betrekking op het bestreken grondgebied en de voornaamste beleidskeuzes voor dat gebied liggen er in het verlengde van.
De meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in paragraaf 2, 1°, beogen:
1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
2° de centrumgebieden die aanwezig zijn op het bestreken grondgebied;
3° de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
5° alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de centrumgebieden;
2° de ontwikkelingsgebieden; 3° landschapsstructuur;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen;
5° de groene infrastructuur.
§ 6. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in de paragrafen 4 en 5;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op:
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurlijke risico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie.
Wat de rechtstoestand betreft, omvat het de gebieden die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn vastgesteld.
Het kan de resultaten bevatten van andere analyses die zijn uitgevoerd in toepassing van andere bepalingen van dit Wetboek of van andere wetgevingen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het meergemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven:
1° de meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op bovengemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, hebben betrekking op het bestreken grondgebied en de voornaamste beleidskeuzes voor dat gebied liggen er in het verlengde van.
De meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in paragraaf 2, 1°, beogen:
1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
2° de centrumgebieden die aanwezig zijn op het bestreken grondgebied;
3° de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
5° alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de centrumgebieden;
2° de ontwikkelingsgebieden; 3° landschapsstructuur;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen;
5° de groene infrastructuur.
§ 6. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in de paragrafen 4 en 5;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Art. D. II.6.[1 § 1er. Le schéma de développement pluricommunal définit la stratégie territoriale pour le territoire qu'il couvre sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire concerné.
L'analyse contextuelle porte sur :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire, notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale.
Au titre de la situation de droit, elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques arrêtées par le Gouvernement.
Elle peut intégrer, les résultats d'autres analyses réalisées en application d'autres dispositions du présent Code ou d'autres législations.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement pluricommunal définit :
1° les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle supracommunale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux visés au paragraphe 2, 1°, concernent le territoire couvert et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité :
1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
2° les centralités présentes sur le territoire couvert;
3° les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
5° toutes autres dispositions contribuant à l'optimisation spatiale.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les centralités;
2° les aires de développement; 3° la structure paysagère;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie;
5° l'infrastructure verte.
§ 6. Le schéma de développement pluricommunal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphes 4 et 5;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
L'analyse contextuelle porte sur :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire, notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale.
Au titre de la situation de droit, elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques arrêtées par le Gouvernement.
Elle peut intégrer, les résultats d'autres analyses réalisées en application d'autres dispositions du présent Code ou d'autres législations.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement pluricommunal définit :
1° les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle supracommunale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux visés au paragraphe 2, 1°, concernent le territoire couvert et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité :
1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
2° les centralités présentes sur le territoire couvert;
3° les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
5° toutes autres dispositions contribuant à l'optimisation spatiale.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les centralités;
2° les aires de développement; 3° la structure paysagère;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie;
5° l'infrastructure verte.
§ 6. Le schéma de développement pluricommunal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphes 4 et 5;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Wijzigingen
Art. D. II.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het dienovereenkomstig gebied op schaal van dat gebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het meergemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op bovengemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke doelstellingen, bedoeld in lid 1, 1°, worden betrokken bij het betreffende gebied en de voornaamste beleidskeuzes voor dat gebied liggen er in het verlengde van.
De meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik [2 van het grondgebied]2 en hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren [2 ;]2
[2 5° de bescherming tegen extreme weersituaties.]2
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de kernen;
2° de ontwikkelingsgebieden;
3° de landschapsstructuur;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een, over het meergemeentelijk gebied heen, dichte ecologische vermazing.
§ 3. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan :
1° [2 beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de implementatiebeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° en 3°;]2
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
§ 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het dienovereenkomstig gebied op schaal van dat gebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het meergemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op bovengemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke doelstellingen, bedoeld in lid 1, 1°, worden betrokken bij het betreffende gebied en de voornaamste beleidskeuzes voor dat gebied liggen er in het verlengde van.
De meergemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, omschreven in lid 1, 1°, strekken ertoe :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik [2 van het grondgebied]2 en hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren [2 ;]2
[2 5° de bescherming tegen extreme weersituaties.]2
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de kernen;
2° de ontwikkelingsgebieden;
3° de landschapsstructuur;
4° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een, over het meergemeentelijk gebied heen, dichte ecologische vermazing.
§ 3. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan :
1° [2 beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de implementatiebeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° en 3°;]2
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
Art. D. II.6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma de développement pluricommunal définit la stratégie territoriale pour le territoire qu'il couvre sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire concerné.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement pluricommunal définit :
1° les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle supracommunale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux visés à l'alinéa 1er, 1°, concernent le territoire couvert et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle [2 du territoire]2 et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité [2 ;]2
[2 5° la protection contre les situations météorologiques extrêmes.]2
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de développement;
3° la structure paysagère;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques arrêtées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire pluricommunal.
§ 3. Le schéma de développement pluricommunal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
§ 1er. Le schéma de développement pluricommunal définit la stratégie territoriale pour le territoire qu'il couvre sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire concerné.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement pluricommunal définit :
1° les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle supracommunale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux visés à l'alinéa 1er, 1°, concernent le territoire couvert et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs pluricommunaux de développement territorial et d'aménagement du territoire visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle [2 du territoire]2 et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité [2 ;]2
[2 5° la protection contre les situations météorologiques extrêmes.]2
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les pôles;
2° les aires de développement;
3° la structure paysagère;
4° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques arrêtées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire pluricommunal.
§ 3. Le schéma de développement pluricommunal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
Art. D. II.6/1. [1 § 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan thematisch zijn en focussen op ruimteoptimalisatie, groene infrastructuur of mobiliteit.
Het wordt opgesteld op basis van een contextueel onderzoek als bedoeld in artikel D.II.6, § 1, leden 2 tot en met 4.
§ 2. Als het de ruimteoptimalisatie begoot, bevat het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan:
1° de meergemeentelijke doelstellingen en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen en modaliteiten voor de uitvoering van deze doelstellingen, namelijk:
a) het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
b) de centrumgebieden in het bestreken grondgebied;
c) de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumfuncties te sturen;
d) de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
e) alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie;
3° de territoriale structuur met betrekking tot deze doelstellingen;
4° gehele of gedeeltelijke opheffingen van lokale beleidsontwikkelingsplannen in toepassing van artikel D.II.15, § 2.
§ 3. De Regering kan de verplichte inhoud van het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor groene infrastructuur of mobiliteit bepalen.
§ 4. Het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Het wordt opgesteld op basis van een contextueel onderzoek als bedoeld in artikel D.II.6, § 1, leden 2 tot en met 4.
§ 2. Als het de ruimteoptimalisatie begoot, bevat het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan:
1° de meergemeentelijke doelstellingen en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen en modaliteiten voor de uitvoering van deze doelstellingen, namelijk:
a) het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
b) de centrumgebieden in het bestreken grondgebied;
c) de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumfuncties te sturen;
d) de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
e) alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie;
3° de territoriale structuur met betrekking tot deze doelstellingen;
4° gehele of gedeeltelijke opheffingen van lokale beleidsontwikkelingsplannen in toepassing van artikel D.II.15, § 2.
§ 3. De Regering kan de verplichte inhoud van het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan voor groene infrastructuur of mobiliteit bepalen.
§ 4. Het thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen en leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien dan wel opgeheven dienen te worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Art. D. II.6/1. [1 § 1er. Le schéma de développement pluricommunal peut être thématique et viser l'optimisation spatiale, l'infrastructure verte ou la mobilité.
Il est établi sur la base d'une analyse contextuelle visée à l'article D.II.6,§ 1er, alinéas 2 à 4.
§ 2. S'il vise l'optimisation spatiale, le schéma de développement pluricommunal thématique contient :
1° les objectifs pluricommunaux et la manière dont sont déclinés les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre de ces objectifs, à savoir :
a) la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
b) les centralités présentes sur le territoire couvert;
c) les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
d) l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
e) toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale qui se rapporte à ces objectifs;
4° les abrogations, totales ou partielles, des schémas d'orientation locaux en application de l'article D.II.15, § 2.
§ 3. Le Gouvernement peut définir le contenu obligatoire du schéma de développement pluricommunal thématique visant l'infrastructure verte ou la mobilité.
§ 4. Le schéma de développement pluricommunal thématique peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Il est établi sur la base d'une analyse contextuelle visée à l'article D.II.6,§ 1er, alinéas 2 à 4.
§ 2. S'il vise l'optimisation spatiale, le schéma de développement pluricommunal thématique contient :
1° les objectifs pluricommunaux et la manière dont sont déclinés les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre de ces objectifs, à savoir :
a) la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
b) les centralités présentes sur le territoire couvert;
c) les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
d) l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
e) toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale qui se rapporte à ces objectifs;
4° les abrogations, totales ou partielles, des schémas d'orientation locaux en application de l'article D.II.15, § 2.
§ 3. Le Gouvernement peut définir le contenu obligatoire du schéma de développement pluricommunal thématique visant l'infrastructure verte ou la mobilité.
§ 4. Le schéma de développement pluricommunal thématique peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, notamment les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas et guides pluricommunaux et communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Art. D. II.7.§ 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de gemeenten opgemaakt [1 , die op eigen initiatief naburige gemeenten die niet door het ontwikkelingsplan worden getroffen, op de hoogte brengen]1.
[1 De Regering bepaalt]1 de criteria of grenswaarden krachtens of vanaf welke van de procedure wordt afgezien bij weigeren of afbreken van het ontwerp van plan of van het plan zelf door de gemeenteraad van één of van meerdere gemeenten, op de termijnen die iedere gemeenteraad moet naleven om het ontwerp van plan of het plan zelf aan te nemen, op de regels die gevolgd dienen te worden indien een gemeenteraad in gebreke blijft, en op de nadere werkingsregels van het begeleidingscomité.
Per schrijven lichten de gemeenten de aangrenzende gemeenten die niet bij hun initiatief betrokken zijn, over bedoeld initiatief in.
§ 2. Er wordt een begeleidingscomité opgericht en belast met de opvolging van het ontwikkelingsplan zodra de ontwerper ervan aangewezen is. Er wordt slechts één ontwerper voor de opmaak van het ontwikkelingsplan aangewezen.
Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de territoriaal betrokken gemeenten en uit de ontwerper van het ontwikkelingsplan. Er wordt met raadgevende stem aan deelgenomen door de vertegenwoordigers van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1 en door de betrokken gemachtigde ambtenaar (ambtenaren). Elke persoon of instantie die nuttig geacht wordt voor de opmaak van het plan kan door het comité opgeroepen worden.
Het comité vergadert minstens :
1° na de aanwijzing van de erkende projectontwerper;
2° voor de aanneming van het ontwerp van plan door de gemeenteraden;
3° voor de definitieve aanneming van het plan door de gemeenteraden.
Afgezien van gevallen van vrijstelling wordt voor het voorontwerp van plan een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. Op basis van een verslag van het begeleidingscomité nemen de gemeenteraden, elk wat hem betreft, het ontwerp-ontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Elk gemeentecollege onderwerpt ze, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, aan een openbaar onderzoek. Die procedures worden op het grondgebied van elke betrokken gemeente binnen dezelfde termijnen georganiseerd.
De gemeentecolleges belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwerp en de lijst, bedoeld in lid 1, samen met het milieueffectenverslag, ter advies voor te leggen aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de gemeentelijke commissies, aan de personen en instanties die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen, en aan de gemeenteraden van de aangrenzende gemeenten die niet bij het plan betrokken zijn. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na versturen van de aanvraag ingediend, behoudens de adviezen van de aangrenzende gemeenten, welke in een termijn van zestig dagen na versturen van de aanvragen overgemaakt worden. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. Elk wat hem betreft, nemen de gemeenteraden definitief het ontwikkelingsplan aan en, in voorkomend geval, heffen ze de plannen en leidraden, vermeld in de lijst bedoeld in paragraaf 3, op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan het grondgebied van een gemeente afdekt die onderworpen is aan een gemeentelijk ontwikkelingsplan, heft de gemeenteraad het gemeentelijk ontwikkelingsplan op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een grondgebied afdekt dat reeds onder een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraden belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt(en) de gemachtigd(e) ambtenaar (-aren) zijn (hun) advies aan de Regering. Zoniet wordt hun advies gunstig geacht.
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of geweigerd, per besluit verstuurd binnen de honderdenvijf dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1. Het weigeren van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken [1 omwille van de wettigheid]1 of om reden van niet-inachtneming van één van de voorwaarden van paragraaf 6.
§ 6. Wanneer één of meerdere gemeenteraden het meergemeentelijk ontwikkelingsplan niet hebben aangenomen, kan de Regering na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, beslissen om goedkeuring te verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad tot definitieve aanneming van het plan voor zover :
1° [1 de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in de artikelen D.II.6, § 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 2, niet bedreigd zijn]1;
2° de nadere regels bedoeld in paragraaf 1 in acht worden genomen;
3° de gemeentelijke grondgebieden waarop het aangenomen plan van toepassing is aangrenzend zijn en betrekking hebben op het grondgebied of deel ervan, van meerdere gemeenten.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening maakt zijn advies binnen de dertig dagen na versturen van het verzoek van de Regering over. Zoniet wordt het advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening gunstig geacht.
Als het grondgebied waarop het aangenomen plan van toepassing is, enkel het gehele grondgebied van één enkele gemeente afdekt, kan de Regering beslissen om de beslissing van de gemeenteraad en het plan goed te keuren als gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 7. Zodra de termijn bedoeld in paragraaf 5 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de ontwikkelingsplannen en leidraden bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig de paragrafen 5 of 6 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslissing, van het begeleidingscomité de documenten vragen tot wijziging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het plan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het derde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
De beslissingen van de gemeenteraden en van de Regering worden bekendgemaakt.
[1 De Regering bepaalt]1 de criteria of grenswaarden krachtens of vanaf welke van de procedure wordt afgezien bij weigeren of afbreken van het ontwerp van plan of van het plan zelf door de gemeenteraad van één of van meerdere gemeenten, op de termijnen die iedere gemeenteraad moet naleven om het ontwerp van plan of het plan zelf aan te nemen, op de regels die gevolgd dienen te worden indien een gemeenteraad in gebreke blijft, en op de nadere werkingsregels van het begeleidingscomité.
Per schrijven lichten de gemeenten de aangrenzende gemeenten die niet bij hun initiatief betrokken zijn, over bedoeld initiatief in.
§ 2. Er wordt een begeleidingscomité opgericht en belast met de opvolging van het ontwikkelingsplan zodra de ontwerper ervan aangewezen is. Er wordt slechts één ontwerper voor de opmaak van het ontwikkelingsplan aangewezen.
Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de territoriaal betrokken gemeenten en uit de ontwerper van het ontwikkelingsplan. Er wordt met raadgevende stem aan deelgenomen door de vertegenwoordigers van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1 en door de betrokken gemachtigde ambtenaar (ambtenaren). Elke persoon of instantie die nuttig geacht wordt voor de opmaak van het plan kan door het comité opgeroepen worden.
Het comité vergadert minstens :
1° na de aanwijzing van de erkende projectontwerper;
2° voor de aanneming van het ontwerp van plan door de gemeenteraden;
3° voor de definitieve aanneming van het plan door de gemeenteraden.
Afgezien van gevallen van vrijstelling wordt voor het voorontwerp van plan een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. Op basis van een verslag van het begeleidingscomité nemen de gemeenteraden, elk wat hem betreft, het ontwerp-ontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Elk gemeentecollege onderwerpt ze, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, aan een openbaar onderzoek. Die procedures worden op het grondgebied van elke betrokken gemeente binnen dezelfde termijnen georganiseerd.
De gemeentecolleges belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwerp en de lijst, bedoeld in lid 1, samen met het milieueffectenverslag, ter advies voor te leggen aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de gemeentelijke commissies, aan de personen en instanties die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen, en aan de gemeenteraden van de aangrenzende gemeenten die niet bij het plan betrokken zijn. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na versturen van de aanvraag ingediend, behoudens de adviezen van de aangrenzende gemeenten, welke in een termijn van zestig dagen na versturen van de aanvragen overgemaakt worden. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. Elk wat hem betreft, nemen de gemeenteraden definitief het ontwikkelingsplan aan en, in voorkomend geval, heffen ze de plannen en leidraden, vermeld in de lijst bedoeld in paragraaf 3, op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan het grondgebied van een gemeente afdekt die onderworpen is aan een gemeentelijk ontwikkelingsplan, heft de gemeenteraad het gemeentelijk ontwikkelingsplan op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een grondgebied afdekt dat reeds onder een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraden belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt(en) de gemachtigd(e) ambtenaar (-aren) zijn (hun) advies aan de Regering. Zoniet wordt hun advies gunstig geacht.
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of geweigerd, per besluit verstuurd binnen de honderdenvijf dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1. Het weigeren van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken [1 omwille van de wettigheid]1 of om reden van niet-inachtneming van één van de voorwaarden van paragraaf 6.
§ 6. Wanneer één of meerdere gemeenteraden het meergemeentelijk ontwikkelingsplan niet hebben aangenomen, kan de Regering na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, beslissen om goedkeuring te verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad tot definitieve aanneming van het plan voor zover :
1° [1 de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in de artikelen D.II.6, § 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 2, niet bedreigd zijn]1;
2° de nadere regels bedoeld in paragraaf 1 in acht worden genomen;
3° de gemeentelijke grondgebieden waarop het aangenomen plan van toepassing is aangrenzend zijn en betrekking hebben op het grondgebied of deel ervan, van meerdere gemeenten.
De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening maakt zijn advies binnen de dertig dagen na versturen van het verzoek van de Regering over. Zoniet wordt het advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening gunstig geacht.
Als het grondgebied waarop het aangenomen plan van toepassing is, enkel het gehele grondgebied van één enkele gemeente afdekt, kan de Regering beslissen om de beslissing van de gemeenteraad en het plan goed te keuren als gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 7. Zodra de termijn bedoeld in paragraaf 5 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de ontwikkelingsplannen en leidraden bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig de paragrafen 5 of 6 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslissing, van het begeleidingscomité de documenten vragen tot wijziging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het plan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het derde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
De beslissingen van de gemeenteraden en van de Regering worden bekendgemaakt.
Art. D. II.7.§ 1er. Le schéma de développement pluricommunal est établi à l'initiative des communes [1 , lesquelles avisent par envoi de leur initiative les communes limitrophes non concernées par le schéma]1.
[1 Le Gouvernement arrête]1 les critères ou seuils en vertu ou à partir desquels la procédure est abandonnée en cas de refus ou d'abandon du projet de schéma ou du schéma par le conseil communal d'une ou de plusieurs communes, les délais endéans lesquels chaque conseil communal doit adopter le projet de schéma et le schéma, les règles à suivre en cas d'inaction d'un conseil communal ainsi que les modalités de fonctionnement du comité d'accompagnement.
[1 ...]1.
§ 2. Un comité d'accompagnement chargé du suivi de l'élaboration du schéma est constitué dès la désignation de l'auteur du schéma. Un seul auteur est désigné pour l'élaboration du schéma.
Le comité est composé de représentants des communes territorialement concernées et de l'auteur du schéma. Les représentants du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 ainsi que du ou des fonctionnaires délégués concernés y participent avec voix consultative. Le comité peut convier toute personne ou instance qu'il juge utile d'associer à l'élaboration du schéma.
Le comité se réunit au minimum :
1° après la désignation de l'auteur de projet agréé;
2° avant l'adoption du projet de schéma par les conseils communaux;
3° avant l'adoption définitive du schéma par les conseils communaux.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma.
§ 3. Sur la base d'un rapport du comité d'accompagnement, les conseils communaux adoptent, chacun pour ce qui le concerne, le projet de schéma et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et des guides communaux à élaborer, réviser ou abroger, en tout ou en partie. Chaque collège communal les soumet, accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Ces procédures sont organisées sur le territoire de chaque commune concernée dans les mêmes délais.
Les collèges communaux chargent le comité d'accompagnement de soumettre le projet et la liste visés à l'alinéa 1er, accompagnés du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", des commissions communales, des personnes et instances que les conseils communaux jugent utile de consulter ainsi que des conseils communaux des communes limitrophes non concernées par le schéma. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande, à l'exception des avis des communes limitrophes qui sont remis dans un délai de soixante jours de l'envoi des demandes. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Chacun pour ce qui le concerne, les conseils communaux adoptent définitivement le schéma et, le cas échéant, abrogent les schémas et guides identifiés dans la liste visée au paragraphe 3. Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre l'ensemble du territoire d'une commune sur lequel un schéma de développement communal est d'application, le conseil communal abroge le schéma de développement communal. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre un territoire déjà couvert par un autre schéma de développement pluricommunal, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement pluricommunal.
Les conseils communaux chargent le comité d'accompagnement de transmettre le schéma et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er, accompagnés des pièces de la procédure au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Dans les quarante-cinq jours de l'envoi du dossier visé à l'alinéa 2, le fonctionnaire délégué ou les fonctionnaires délégués envoient leur avis au Gouvernement. A défaut, leur avis est réputé favorable.
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les cent et cinq jours de la réception du dossier par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1. Le refus d'approbation peut être prononcé uniquement pour [1 des motifs de légalité]1 ou pour non-respect d'une des conditions visées au paragraphe 6.
§ 6. Lorsque un ou plusieurs conseils communaux n'ont pas adopté le schéma de développement pluricommunal, le Gouvernement peut décider, sur avis du pôle "Aménagement du territoire", d'approuver la décision du conseil communal d'adoption définitive du schéma pour autant que :
1° [1 les objectifs pluricommunaux visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 2, ne soient pas compromis]1;
2° les modalités visées au paragraphe 1er soient respectées;
3° les territoires communaux sur lesquels s'applique le schéma adopté soient contigus et concernent le territoire ou la partie du territoire de plusieurs communes.
Le pôle "Aménagement du territoire" remet son avis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, l'avis du pôle "Aménagement du territoire" est réputé favorable.
Si le territoire sur lequel s'applique le schéma adopté couvre uniquement l'ensemble du territoire d'une seule commune, le Gouvernement peut décider d'approuver la décision du conseil communal et le schéma en tant que schéma de développement communal.
§ 7. Passé le délai visé au paragraphe 5, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas et guides visés au paragraphe 4, alinéa 1er est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application des paragraphes 5 ou 6, il peut, préalablement à sa décision, demander au comité d'accompagnement des documents modificatifs du schéma de développement pluricommunal. et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement
La procédure visée à l'alinéa 3 est utilisée seulement à une reprise.
Les décisions des conseils communaux et du Gouvernement sont publiées.
[1 Le Gouvernement arrête]1 les critères ou seuils en vertu ou à partir desquels la procédure est abandonnée en cas de refus ou d'abandon du projet de schéma ou du schéma par le conseil communal d'une ou de plusieurs communes, les délais endéans lesquels chaque conseil communal doit adopter le projet de schéma et le schéma, les règles à suivre en cas d'inaction d'un conseil communal ainsi que les modalités de fonctionnement du comité d'accompagnement.
[1 ...]1.
§ 2. Un comité d'accompagnement chargé du suivi de l'élaboration du schéma est constitué dès la désignation de l'auteur du schéma. Un seul auteur est désigné pour l'élaboration du schéma.
Le comité est composé de représentants des communes territorialement concernées et de l'auteur du schéma. Les représentants du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 ainsi que du ou des fonctionnaires délégués concernés y participent avec voix consultative. Le comité peut convier toute personne ou instance qu'il juge utile d'associer à l'élaboration du schéma.
Le comité se réunit au minimum :
1° après la désignation de l'auteur de projet agréé;
2° avant l'adoption du projet de schéma par les conseils communaux;
3° avant l'adoption définitive du schéma par les conseils communaux.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma.
§ 3. Sur la base d'un rapport du comité d'accompagnement, les conseils communaux adoptent, chacun pour ce qui le concerne, le projet de schéma et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et des guides communaux à élaborer, réviser ou abroger, en tout ou en partie. Chaque collège communal les soumet, accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Ces procédures sont organisées sur le territoire de chaque commune concernée dans les mêmes délais.
Les collèges communaux chargent le comité d'accompagnement de soumettre le projet et la liste visés à l'alinéa 1er, accompagnés du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", des commissions communales, des personnes et instances que les conseils communaux jugent utile de consulter ainsi que des conseils communaux des communes limitrophes non concernées par le schéma. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande, à l'exception des avis des communes limitrophes qui sont remis dans un délai de soixante jours de l'envoi des demandes. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Chacun pour ce qui le concerne, les conseils communaux adoptent définitivement le schéma et, le cas échéant, abrogent les schémas et guides identifiés dans la liste visée au paragraphe 3. Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre l'ensemble du territoire d'une commune sur lequel un schéma de développement communal est d'application, le conseil communal abroge le schéma de développement communal. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre un territoire déjà couvert par un autre schéma de développement pluricommunal, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement pluricommunal.
Les conseils communaux chargent le comité d'accompagnement de transmettre le schéma et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er, accompagnés des pièces de la procédure au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Dans les quarante-cinq jours de l'envoi du dossier visé à l'alinéa 2, le fonctionnaire délégué ou les fonctionnaires délégués envoient leur avis au Gouvernement. A défaut, leur avis est réputé favorable.
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les cent et cinq jours de la réception du dossier par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1. Le refus d'approbation peut être prononcé uniquement pour [1 des motifs de légalité]1 ou pour non-respect d'une des conditions visées au paragraphe 6.
§ 6. Lorsque un ou plusieurs conseils communaux n'ont pas adopté le schéma de développement pluricommunal, le Gouvernement peut décider, sur avis du pôle "Aménagement du territoire", d'approuver la décision du conseil communal d'adoption définitive du schéma pour autant que :
1° [1 les objectifs pluricommunaux visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 2, ne soient pas compromis]1;
2° les modalités visées au paragraphe 1er soient respectées;
3° les territoires communaux sur lesquels s'applique le schéma adopté soient contigus et concernent le territoire ou la partie du territoire de plusieurs communes.
Le pôle "Aménagement du territoire" remet son avis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, l'avis du pôle "Aménagement du territoire" est réputé favorable.
Si le territoire sur lequel s'applique le schéma adopté couvre uniquement l'ensemble du territoire d'une seule commune, le Gouvernement peut décider d'approuver la décision du conseil communal et le schéma en tant que schéma de développement communal.
§ 7. Passé le délai visé au paragraphe 5, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas et guides visés au paragraphe 4, alinéa 1er est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application des paragraphes 5 ou 6, il peut, préalablement à sa décision, demander au comité d'accompagnement des documents modificatifs du schéma de développement pluricommunal. et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement
La procédure visée à l'alinéa 3 est utilisée seulement à une reprise.
Les décisions des conseils communaux et du Gouvernement sont publiées.
Wijzigingen
Art. D. II.7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de gemeenten opgemaakt, volgens de nadere regels die zij bepalen.
In die nadere regels wordt met name ingegaan op de criteria of grenswaarden krachtens of vanaf welke van de procedure wordt afgezien bij weigeren of afbreken van het ontwerp van plan of van het plan zelf door de gemeenteraad van één of van meerdere gemeenten, op de termijnen die iedere gemeenteraad moet naleven om het ontwerp van plan of het plan zelf aan te nemen, op de regels die gevolgd dienen te worden indien een gemeenteraad in gebreke blijft, en op de nadere werkingsregels van het begeleidingscomité.
Per schrijven lichten de gemeenten de aangrenzende gemeenten die niet bij hun initiatief betrokken zijn, over bedoeld initiatief in.
§ 2. Er wordt een begeleidingscomité opgericht en belast met de opvolging van het ontwikkelingsplan zodra de ontwerper ervan aangewezen is. Er wordt slechts één ontwerper voor de opmaak van het ontwikkelingsplan aangewezen.
Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de territoriaal betrokken gemeenten en uit de ontwerper van het ontwikkelingsplan. Er wordt met raadgevende stem aan deelgenomen door de vertegenwoordigers [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1. Elke persoon of instantie die nuttig geacht wordt voor de opmaak van het plan kan door het comité opgeroepen worden.
Het comité vergadert minstens :
1° na de aanwijzing van de erkende projectontwerper;
2° voor de aanneming van het ontwerp van plan door de gemeenteraden;
3° voor de definitieve aanneming van het plan door de gemeenteraden.
Afgezien van gevallen van vrijstelling wordt voor het voorontwerp van plan een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. Op basis van een verslag van het begeleidingscomité nemen de gemeenteraden, elk wat hem betreft, het ontwerp-ontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Elk gemeentecollege onderwerpt ze, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, aan een openbaar onderzoek. Die procedures worden op het grondgebied van elke betrokken gemeente binnen dezelfde termijnen georganiseerd.
De gemeentecolleges belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwerp en de lijst, bedoeld in lid 1, samen met het milieueffectenverslag, ter advies voor te leggen aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de gemeentelijke commissies, aan de personen en instanties [2 die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2, en aan de gemeenteraden van de aangrenzende gemeenten die niet bij het plan betrokken zijn. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na versturen van de aanvraag ingediend, behoudens de adviezen van de aangrenzende gemeenten, welke in een termijn van zestig dagen na versturen van de aanvragen overgemaakt worden. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. Elk wat hem betreft, nemen de gemeenteraden definitief het ontwikkelingsplan aan en, in voorkomend geval, heffen ze de plannen en leidraden, vermeld in de lijst bedoeld in paragraaf 3, op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan het grondgebied van een gemeente afdekt die onderworpen is aan een gemeentelijk ontwikkelingsplan, heft de gemeenteraad het gemeentelijk ontwikkelingsplan op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een grondgebied afdekt dat reeds onder een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraden belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken [1 aan de Regering]1.
[1 ...]1
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of geweigerd, per besluit verstuurd binnen de honderdenvijf dagen na de ontvangst van het dossier [1 ...]1. Het weigeren van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout of om reden van niet-inachtneming van één van de voorwaarden van paragraaf 6.
§ 6. [3 Indien slechts enkele van de betrokken gemeenteraden het meergemeentelijk ontwikkelingsplan hebben aangenomen,]3 kan de Regering na advies van de [1 Adviesraad]1, beslissen om goedkeuring te verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad tot definitieve aanneming van het plan voor zover :
1° de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, niet bedreigd zijn;
2° de nadere regels bedoeld in paragraaf 1 in acht worden genomen;
3° de gemeentelijke grondgebieden waarop het aangenomen plan van toepassing is aangrenzend zijn en betrekking hebben op het grondgebied of deel ervan, van meerdere gemeenten.
De [1 Adviesraad]1 maakt zijn advies binnen de dertig dagen na versturen van het verzoek van de Regering over. Zoniet wordt het advies van de [1 Adviesraad]1 gunstig geacht.
Als het grondgebied waarop het aangenomen plan van toepassing is, enkel het gehele grondgebied van één enkele gemeente afdekt, kan de Regering beslissen om de beslissing van de gemeenteraad en het plan goed te keuren als gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 7. Zodra de termijn bedoeld in paragraaf 5 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de ontwikkelingsplannen en leidraden bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig de paragrafen 5 of 6 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslissing, van het begeleidingscomité de documenten vragen tot wijziging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het plan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
[3 ...]3
De beslissingen van de gemeenteraden en van de Regering worden bekendgemaakt.
§ 1. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de gemeenten opgemaakt, volgens de nadere regels die zij bepalen.
In die nadere regels wordt met name ingegaan op de criteria of grenswaarden krachtens of vanaf welke van de procedure wordt afgezien bij weigeren of afbreken van het ontwerp van plan of van het plan zelf door de gemeenteraad van één of van meerdere gemeenten, op de termijnen die iedere gemeenteraad moet naleven om het ontwerp van plan of het plan zelf aan te nemen, op de regels die gevolgd dienen te worden indien een gemeenteraad in gebreke blijft, en op de nadere werkingsregels van het begeleidingscomité.
Per schrijven lichten de gemeenten de aangrenzende gemeenten die niet bij hun initiatief betrokken zijn, over bedoeld initiatief in.
§ 2. Er wordt een begeleidingscomité opgericht en belast met de opvolging van het ontwikkelingsplan zodra de ontwerper ervan aangewezen is. Er wordt slechts één ontwerper voor de opmaak van het ontwikkelingsplan aangewezen.
Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de territoriaal betrokken gemeenten en uit de ontwerper van het ontwikkelingsplan. Er wordt met raadgevende stem aan deelgenomen door de vertegenwoordigers [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1. Elke persoon of instantie die nuttig geacht wordt voor de opmaak van het plan kan door het comité opgeroepen worden.
Het comité vergadert minstens :
1° na de aanwijzing van de erkende projectontwerper;
2° voor de aanneming van het ontwerp van plan door de gemeenteraden;
3° voor de definitieve aanneming van het plan door de gemeenteraden.
Afgezien van gevallen van vrijstelling wordt voor het voorontwerp van plan een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. Op basis van een verslag van het begeleidingscomité nemen de gemeenteraden, elk wat hem betreft, het ontwerp-ontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Elk gemeentecollege onderwerpt ze, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, aan een openbaar onderzoek. Die procedures worden op het grondgebied van elke betrokken gemeente binnen dezelfde termijnen georganiseerd.
De gemeentecolleges belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwerp en de lijst, bedoeld in lid 1, samen met het milieueffectenverslag, ter advies voor te leggen aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu, aan de gemeentelijke commissies, aan de personen en instanties [2 die de gemeenteraden nuttig achten te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2, en aan de gemeenteraden van de aangrenzende gemeenten die niet bij het plan betrokken zijn. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na versturen van de aanvraag ingediend, behoudens de adviezen van de aangrenzende gemeenten, welke in een termijn van zestig dagen na versturen van de aanvragen overgemaakt worden. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. Elk wat hem betreft, nemen de gemeenteraden definitief het ontwikkelingsplan aan en, in voorkomend geval, heffen ze de plannen en leidraden, vermeld in de lijst bedoeld in paragraaf 3, op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan het grondgebied van een gemeente afdekt die onderworpen is aan een gemeentelijk ontwikkelingsplan, heft de gemeenteraad het gemeentelijk ontwikkelingsplan op. Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een grondgebied afdekt dat reeds onder een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraden belasten het begeleidingscomité ermee, het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken [1 aan de Regering]1.
[1 ...]1
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of geweigerd, per besluit verstuurd binnen de honderdenvijf dagen na de ontvangst van het dossier [1 ...]1. Het weigeren van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout of om reden van niet-inachtneming van één van de voorwaarden van paragraaf 6.
§ 6. [3 Indien slechts enkele van de betrokken gemeenteraden het meergemeentelijk ontwikkelingsplan hebben aangenomen,]3 kan de Regering na advies van de [1 Adviesraad]1, beslissen om goedkeuring te verlenen aan de beslissing van de gemeenteraad tot definitieve aanneming van het plan voor zover :
1° de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, niet bedreigd zijn;
2° de nadere regels bedoeld in paragraaf 1 in acht worden genomen;
3° de gemeentelijke grondgebieden waarop het aangenomen plan van toepassing is aangrenzend zijn en betrekking hebben op het grondgebied of deel ervan, van meerdere gemeenten.
De [1 Adviesraad]1 maakt zijn advies binnen de dertig dagen na versturen van het verzoek van de Regering over. Zoniet wordt het advies van de [1 Adviesraad]1 gunstig geacht.
Als het grondgebied waarop het aangenomen plan van toepassing is, enkel het gehele grondgebied van één enkele gemeente afdekt, kan de Regering beslissen om de beslissing van de gemeenteraad en het plan goed te keuren als gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 7. Zodra de termijn bedoeld in paragraaf 5 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de ontwikkelingsplannen en leidraden bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig de paragrafen 5 of 6 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslissing, van het begeleidingscomité de documenten vragen tot wijziging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het plan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
[3 ...]3
De beslissingen van de gemeenteraden en van de Regering worden bekendgemaakt.
Art. D. II.7_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma de développement pluricommunal est établi à l'initiative des communes selon les modalités qu'elles déterminent.
Les modalités précisent notamment les critères ou seuils en vertu ou à partir desquels la procédure est abandonnée en cas de refus ou d'abandon du projet de schéma ou du schéma par le conseil communal d'une ou de plusieurs communes, les délais endéans lesquels chaque conseil communal doit adopter le projet de schéma et le schéma, les règles à suivre en cas d'inaction d'un conseil communal ainsi que les modalités de fonctionnement du comité d'accompagnement.
Les communes avisent par envoi de leur initiative les communes limitrophes non concernées par le schéma.
§ 2. Un comité d'accompagnement chargé du suivi de l'élaboration du schéma est constitué dès la désignation de l'auteur du schéma. Un seul auteur est désigné pour l'élaboration du schéma.
Le comité est composé de représentants des communes territorialement concernées et de l'auteur du schéma. Les représentants [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1 y participent avec voix consultative. Le comité peut convier toute personne ou instance qu'il juge utile d'associer à l'élaboration du schéma.
Le comité se réunit au minimum :
1° après la désignation de l'auteur de projet agréé;
2° avant l'adoption du projet de schéma par les conseils communaux;
3° avant l'adoption définitive du schéma par les conseils communaux.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma.
§ 3. Sur la base d'un rapport du comité d'accompagnement, les conseils communaux adoptent, chacun pour ce qui le concerne, le projet de schéma et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et des guides communaux à élaborer, réviser ou abroger, en tout ou en partie. Chaque collège communal les soumet, accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Ces procédures sont organisées sur le territoire de chaque commune concernée dans les mêmes délais.
Les collèges communaux chargent le comité d'accompagnement de soumettre le projet et la liste visés à l'alinéa 1er, accompagnés du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du [1 conseil consultatif]1, du pôle "Environnement", des commissions communales, des personnes et instances que les conseils communaux jugent utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2 ainsi que des conseils communaux des communes limitrophes non concernées par le schéma. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande, à l'exception des avis des communes limitrophes qui sont remis dans un délai de soixante jours de l'envoi des demandes. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Chacun pour ce qui le concerne, les conseils communaux adoptent définitivement le schéma et, le cas échéant, abrogent les schémas et guides identifiés dans la liste visée au paragraphe 3. Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre l'ensemble du territoire d'une commune sur lequel un schéma de développement communal est d'application, le conseil communal abroge le schéma de développement communal. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre un territoire déjà couvert par un autre schéma de développement pluricommunal, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement pluricommunal.
Les conseils communaux chargent le comité d'accompagnement de transmettre le schéma et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er, accompagnés des pièces de la procédure [1 au Gouvernement]1.
[1 ...]1
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les cent et cinq jours de la réception du dossier [1 ...]1 Le refus d'approbation peut être prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation ou pour non-respect d'une des conditions visées au paragraphe 6.
§ 6. [3 Lorsque seule une partie des conseils communaux concernés a adopté le schéma de développement pluricommunal,]3 le Gouvernement peut décider, sur avis du [1 conseil consultatif]1, d'approuver la décision du conseil communal d'adoption définitive du schéma pour autant que :
1° les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, ne soient pas compromis;
2° les modalités visées au paragraphe 1er soient respectées;
3° les territoires communaux sur lesquels s'applique le schéma adopté soient contigus et concernent le territoire ou la partie du territoire de plusieurs communes.
Le [1 conseil consultatif]1 remet son avis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, l'avis du pôle "Aménagement du territoire" est réputé favorable.
Si le territoire sur lequel s'applique le schéma adopté couvre uniquement l'ensemble du territoire d'une seule commune, le Gouvernement peut décider d'approuver la décision du conseil communal et le schéma en tant que schéma de développement communal.
§ 7. Passé le délai visé au paragraphe 5, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas et guides visés au paragraphe 4, alinéa 1er est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application des paragraphes 5 ou 6, il peut, préalablement à sa décision, demander au comité d'accompagnement des documents modificatifs du schéma de développement pluricommunal. et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement
[3 ...]3
Les décisions des conseils communaux et du Gouvernement sont publiées.
§ 1er. Le schéma de développement pluricommunal est établi à l'initiative des communes selon les modalités qu'elles déterminent.
Les modalités précisent notamment les critères ou seuils en vertu ou à partir desquels la procédure est abandonnée en cas de refus ou d'abandon du projet de schéma ou du schéma par le conseil communal d'une ou de plusieurs communes, les délais endéans lesquels chaque conseil communal doit adopter le projet de schéma et le schéma, les règles à suivre en cas d'inaction d'un conseil communal ainsi que les modalités de fonctionnement du comité d'accompagnement.
Les communes avisent par envoi de leur initiative les communes limitrophes non concernées par le schéma.
§ 2. Un comité d'accompagnement chargé du suivi de l'élaboration du schéma est constitué dès la désignation de l'auteur du schéma. Un seul auteur est désigné pour l'élaboration du schéma.
Le comité est composé de représentants des communes territorialement concernées et de l'auteur du schéma. Les représentants [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1 y participent avec voix consultative. Le comité peut convier toute personne ou instance qu'il juge utile d'associer à l'élaboration du schéma.
Le comité se réunit au minimum :
1° après la désignation de l'auteur de projet agréé;
2° avant l'adoption du projet de schéma par les conseils communaux;
3° avant l'adoption définitive du schéma par les conseils communaux.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma.
§ 3. Sur la base d'un rapport du comité d'accompagnement, les conseils communaux adoptent, chacun pour ce qui le concerne, le projet de schéma et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et des guides communaux à élaborer, réviser ou abroger, en tout ou en partie. Chaque collège communal les soumet, accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Ces procédures sont organisées sur le territoire de chaque commune concernée dans les mêmes délais.
Les collèges communaux chargent le comité d'accompagnement de soumettre le projet et la liste visés à l'alinéa 1er, accompagnés du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du [1 conseil consultatif]1, du pôle "Environnement", des commissions communales, des personnes et instances que les conseils communaux jugent utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2 ainsi que des conseils communaux des communes limitrophes non concernées par le schéma. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande, à l'exception des avis des communes limitrophes qui sont remis dans un délai de soixante jours de l'envoi des demandes. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Chacun pour ce qui le concerne, les conseils communaux adoptent définitivement le schéma et, le cas échéant, abrogent les schémas et guides identifiés dans la liste visée au paragraphe 3. Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre l'ensemble du territoire d'une commune sur lequel un schéma de développement communal est d'application, le conseil communal abroge le schéma de développement communal. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre un territoire déjà couvert par un autre schéma de développement pluricommunal, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement pluricommunal.
Les conseils communaux chargent le comité d'accompagnement de transmettre le schéma et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er, accompagnés des pièces de la procédure [1 au Gouvernement]1.
[1 ...]1
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les cent et cinq jours de la réception du dossier [1 ...]1 Le refus d'approbation peut être prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation ou pour non-respect d'une des conditions visées au paragraphe 6.
§ 6. [3 Lorsque seule une partie des conseils communaux concernés a adopté le schéma de développement pluricommunal,]3 le Gouvernement peut décider, sur avis du [1 conseil consultatif]1, d'approuver la décision du conseil communal d'adoption définitive du schéma pour autant que :
1° les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, ne soient pas compromis;
2° les modalités visées au paragraphe 1er soient respectées;
3° les territoires communaux sur lesquels s'applique le schéma adopté soient contigus et concernent le territoire ou la partie du territoire de plusieurs communes.
Le [1 conseil consultatif]1 remet son avis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, l'avis du pôle "Aménagement du territoire" est réputé favorable.
Si le territoire sur lequel s'applique le schéma adopté couvre uniquement l'ensemble du territoire d'une seule commune, le Gouvernement peut décider d'approuver la décision du conseil communal et le schéma en tant que schéma de développement communal.
§ 7. Passé le délai visé au paragraphe 5, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas et guides visés au paragraphe 4, alinéa 1er est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application des paragraphes 5 ou 6, il peut, préalablement à sa décision, demander au comité d'accompagnement des documents modificatifs du schéma de développement pluricommunal. et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement
[3 ...]3
Les décisions des conseils communaux et du Gouvernement sont publiées.
Afdeling 3. - Herziening
Section 3. - Révision
Art. D. II.8.§ 1. De regels voor de opmaak van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan.
Wanneer de herziening een gemeente betreft, zijn, in afwijking van lid 1, de bepalingen tot regeling van de opmaak van gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen [1 bedoeld in de artikelen D.II.6, § 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 3]1 bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de herziening goed te keuren.
§ 2. Als het een gedeeltelijke herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier worden enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Wanneer de herziening een gemeente betreft, zijn, in afwijking van lid 1, de bepalingen tot regeling van de opmaak van gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen [1 bedoeld in de artikelen D.II.6, § 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 3]1 bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de herziening goed te keuren.
§ 2. Als het een gedeeltelijke herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier worden enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Art. D. II.8.§ 1er. Les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement pluricommunal sont applicables à sa révision.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la révision concerne une commune, les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement communal sont d'application. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux [1 visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 3]1, sont compromis et refuse d'approuver la révision le cas échéant.
§ 2. Si la révision du schéma de développement pluricommunal est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la révision concerne une commune, les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement communal sont d'application. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux [1 visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 3]1, sont compromis et refuse d'approuver la révision le cas échéant.
§ 2. Si la révision du schéma de développement pluricommunal est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
Wijzigingen
Art. D _II.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De regels voor de opmaak van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan [1 , indien de herziening meerdere gemeenten betreft]1.
Wanneer de herziening een gemeente betreft, zijn, in afwijking van lid 1, de bepalingen tot regeling van de opmaak van gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de herziening goed te keuren.
§ 2. Als het een gedeeltelijke herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier worden enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
§ 1. De regels voor de opmaak van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan [1 , indien de herziening meerdere gemeenten betreft]1.
Wanneer de herziening een gemeente betreft, zijn, in afwijking van lid 1, de bepalingen tot regeling van de opmaak van gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de herziening goed te keuren.
§ 2. Als het een gedeeltelijke herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier worden enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Art. D _II.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement pluricommunal sont applicables à sa révision [1 si elle concerne plusieurs communes]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la révision concerne une commune, les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement communal sont d'application. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, sont compromis et refuse d'approuver la révision le cas échéant.
§ 2. Si la révision du schéma de développement pluricommunal est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
§ 1er. Les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement pluricommunal sont applicables à sa révision [1 si elle concerne plusieurs communes]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la révision concerne une commune, les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement communal sont d'application. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, sont compromis et refuse d'approuver la révision le cas échéant.
§ 2. Si la révision du schéma de développement pluricommunal est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen
CHAPITRE III. - Schémas communaux
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. D. II.9.Een gemeente kan een gemeentelijk ontwikkelingsplan aannemen, dat het geheel van het gemeentelijk grondgebied afdekt, alsook één of meerdere lokale beleidsontwikkelingsplannen.
[1 Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan thematisch zijn en de ruimteoptimalisatie beogen.]1
[1 Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan thematisch zijn en de ruimteoptimalisatie beogen.]1
Art. D. II.9.Une commune peut se doter d'un schéma de développement communal couvrant l'ensemble de son territoire ainsi que d'un ou plusieurs schémas d'orientation locaux.
[1 Le schéma de développement communal peut être thématique et viser l'optimisation spatiale.]1
[1 Le schéma de développement communal peut être thématique et viser l'optimisation spatiale.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud
Section 2. - Définition et contenu
Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan
Sous-section 1re. - Schéma de développement communal
Art. D. II.10.[1 § 1. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het geheel van het gemeentelijk grondgebied op schaal van het gemeentelijk grondgebied.
Het contextueel onderzoek omvat :
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurlijke risico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige staat van de stadsuitbreiding en artificiëring, hun voorzienbare evolutie en gevolgen;
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie.
Wat de rechtstoestand betreft, omvat het de gebieden die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn vastgesteld.
Het kan de resultaten bevatten van andere analyses die zijn uitgevoerd in toepassing van andere bepalingen van dit Wetboek of van andere wetgevingen.
§ 2. De beleidsopties inzake het gemeentelijk ontwikkelingsplan worden bepalen:
1° de gemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op gemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke of meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, hebben betrekking op het gemeentelijk grondgebied en liggen ten grondslag aan de voornaamste oriëntaties ervan.
De gemeentelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, beogen: 1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring; 2° de centrumgebieden die aanwezig zijn op het bestreken grondgebied;
3° de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
5° alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de centrumgebieden en de bebouwde structuur; 2° de landschapsstructuur;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen; 4 ° de groene infrastructuur.
§ 6. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het betrokken gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Het contextueel onderzoek omvat :
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurlijke risico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige staat van de stadsuitbreiding en artificiëring, hun voorzienbare evolutie en gevolgen;
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie.
Wat de rechtstoestand betreft, omvat het de gebieden die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en de ecologische doorgangsgebieden die door de Regering zijn vastgesteld.
Het kan de resultaten bevatten van andere analyses die zijn uitgevoerd in toepassing van andere bepalingen van dit Wetboek of van andere wetgevingen.
§ 2. De beleidsopties inzake het gemeentelijk ontwikkelingsplan worden bepalen:
1° de gemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op gemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de principes en modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen, in het bijzonder die met betrekking tot ruimteoptimalisatie;
3° de ruimtelijke structuur.
§ 3. De gewestelijke of meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, hebben betrekking op het gemeentelijk grondgebied en liggen ten grondslag aan de voornaamste oriëntaties ervan.
De gemeentelijke doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1°, beogen: 1° de ruimteoptimalisatie;
2° de sociaaleconomische ontwikkeling en regionale aantrekkelijkheid; 3° het kwaliteitsbeheer van de leefomgeving;
4° het beheer van de mobiliteit.
§ 4. De principes en modaliteiten voor de implementatie van ruimteoptimalisatie zijn:
1° het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring; 2° de centrumgebieden die aanwezig zijn op het bestreken grondgebied;
3° de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumgebieden te sturen;
4° de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
5° alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie.
§ 5. Met de in paragraaf 2, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht:
1° de centrumgebieden en de bebouwde structuur; 2° de landschapsstructuur;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen; 4 ° de groene infrastructuur.
§ 6. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het betrokken gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Art. D. II.10.[1 § 1er. Le schéma de développement communal définit la stratégie territoriale pour l'ensemble du territoire communal sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire communal.
L'analyse contextuelle comporte :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire, notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57, 3° ;
3° l'état actuel de l'étalement urbain et de l'artificialisation, leur évolution prévisible et ses conséquences;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale.
Au titre de la situation de droit, elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques arrêtées par le Gouvernement.
Elle peut intégrer les résultats d'autres analyses réalisées en application d'autres dispositions du présent Code ou d'autres législations.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement communal définit :
1° les objectifs communaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle communale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux ou pluricommunaux visés au paragraphe 2, 1°, concernent le territoire communal et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs communaux visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité : 1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation; 2° les centralités présentes sur le territoire;
3° les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
5° toutes autres dispositions contribuant à l'optimisation spatiale.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les centralités et la structure bâtie; 2° la structure paysagère;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie; 4° l'infrastructure verte.
§ 6. Le schéma de développement communal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal concerné et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
L'analyse contextuelle comporte :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire, notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57, 3° ;
3° l'état actuel de l'étalement urbain et de l'artificialisation, leur évolution prévisible et ses conséquences;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale.
Au titre de la situation de droit, elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et les liaisons écologiques arrêtées par le Gouvernement.
Elle peut intégrer les résultats d'autres analyses réalisées en application d'autres dispositions du présent Code ou d'autres législations.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement communal définit :
1° les objectifs communaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle communale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés à l'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale.
§ 3. Les objectifs régionaux ou pluricommunaux visés au paragraphe 2, 1°, concernent le territoire communal et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs communaux visés au paragraphe 2, 1°, ont pour finalité : 1° l'optimisation spatiale;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale; 3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité.
§ 4. Les principes et modalités mettant en oeuvre l'optimisation spatiale sont :
1° la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation; 2° les centralités présentes sur le territoire;
3° les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
4° l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
5° toutes autres dispositions contribuant à l'optimisation spatiale.
§ 5. La structure territoriale visée au paragraphe 2, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° les centralités et la structure bâtie; 2° la structure paysagère;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie; 4° l'infrastructure verte.
§ 6. Le schéma de développement communal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal concerné et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Wijzigingen
Art. D. II.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het geheel van het gemeentelijk grondgebied op schaal van het gemeentelijk grondgebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het gemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de gemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op gemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke of meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, hebben betrekking op het gemeentelijk grondgebied en liggen ten grondslag aan de voornaamste oriëntaties ervan.
De gemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, beogen :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van het grondgebied en de hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren [2 ;]2
[2 5° de bescherming tegen extreme weersituaties.]2
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de gebouwde structuur, met inbegrip van de te versterken kernen;
2° de landschapsstructuur;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een over het gemeentelijk gebied heen samenhangende dichte vermazing.
§ 3. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kan :
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het [2 ...]2 gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
§ 1. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan omschrijft op grond van een contextueel onderzoek de opties inzake ruimtelijk beleid voor het geheel van het gemeentelijk grondgebied op schaal van het gemeentelijk grondgebied.
In het contextueel onderzoek wordt ingegaan op de voornaamste ruimtelijke vraagstukken, op de perspectieven en behoeften inzake samenleving, economie, demografie, energie, erfgoed, [2 landschap,]2 leefmilieu en mobiliteit en verder nog op het potentieel van het gebied en de drukkende factoren die erop wegen.
§ 2. In de beleidsopties inzake het gemeentelijk ontwikkelingsplan worden omschreven :
1° de gemeentelijke doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling op gemeentelijke schaal, en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen voor de implementatie van de doelstellingen, meer bepaald met het oog op sterkere centrumfuncties in stedelijk en landelijk gebied;
3° de ruimtelijke structuur.
De gewestelijke of meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, hebben betrekking op het gemeentelijk grondgebied en liggen ten grondslag aan de voornaamste oriëntaties ervan.
De gemeentelijke doelstellingen bedoeld in lid 1, 1°, beogen :
1° de stedelijke versnippering te bestrijden en rationeel gebruik van het grondgebied en de hulpbronnen te bevorderen;
2° de sociaal-economische ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het gebied te bevorderen;
3° in te zetten op het kwalitatief beheer van de leefomgeving;
4° de mobiliteit te beheren [2 ;]2
[2 5° de bescherming tegen extreme weersituaties.]2
Met de in lid 1, 3°, bedoelde ruimtelijke structuur worden in kaart gebracht :
1° de gebouwde structuur, met inbegrip van de te versterken kernen;
2° de landschapsstructuur;
3° de verkeersnetten en de leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen.
In de ruimtelijke structuur worden de locaties opgenomen die erkend zijn krachtens de wet van 12 juli 1973 inzake natuurbehoud, evenals de door [1 het Waals Gewest]1 aangenomen ecologische doorgangsgebieden, waarbij rekening wordt gehouden met hun biologische waarde en hun continuïteit met het oog op een over het gemeentelijk gebied heen samenhangende dichte vermazing.
§ 3. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kan :
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 2, lid 1, 2° en 3°;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het [2 ...]2 gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
Art. D. II.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma de développement communal définit la stratégie territoriale pour l'ensemble du territoire communal sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire communal.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement communal définit :
1° les objectifs communaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle communale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux ou pluricommunaux visés à l'alinéa 1er, 1°, concernent le territoire communal et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs communaux visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle du territoire et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité [2 ;]2
[2 5° la protection contre les situations météorologiques extrêmes.]2
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° la structure bâtie, en ce compris les pôles à renforcer;
2° la structure paysagère;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques arrêtées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire communal.
§ 3. Le schéma de développement communal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal [2 ...]2 et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
§ 1er. Le schéma de développement communal définit la stratégie territoriale pour l'ensemble du territoire communal sur la base d'une analyse contextuelle, à l'échelle du territoire communal.
L'analyse contextuelle comporte les principaux enjeux territoriaux, les perspectives et les besoins en termes sociaux, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, [2 paysagers,]2 environnementaux et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire.
§ 2. La stratégie territoriale du schéma de développement communal définit :
1° les objectifs communaux de développement territorial et d'aménagement du territoire à l'échelle communale, et la manière dont ils déclinent les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes de mise en oeuvre des objectifs, notamment ceux liés au renforcement des centralités urbaines et rurales;
3° la structure territoriale.
Les objectifs régionaux ou pluricommunaux visés à l'alinéa 1er, 1°, concernent le territoire communal et sous-tendent les orientations principales du territoire.
Les objectifs communaux visés à l'alinéa 1er, 1°, ont pour but :
1° la lutte contre l'étalement urbain et l'utilisation rationnelle du territoire et des ressources;
2° le développement socio-économique et de l'attractivité territoriale;
3° la gestion qualitative du cadre de vie;
4° la maîtrise de la mobilité [2 ;]2
[2 5° la protection contre les situations météorologiques extrêmes.]2
La structure territoriale visée à l'alinéa 1er, 3°, identifie et exprime cartographiquement :
1° la structure bâtie, en ce compris les pôles à renforcer;
2° la structure paysagère;
3° les réseaux de communication et de transports de fluides et d'énergie.
Elle reprend les sites reconnus en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 et les liaisons écologiques arrêtées par [1 la Région wallonne]1 en tenant compte de leur valeur biologique et de leur continuité en vue d'assurer un maillage écologique cohérent à l'échelle du territoire communal.
§ 3. Le schéma de développement communal peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 2, alinéa 1er, 2° et 3°;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal [2 ...]2 et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
Art. D. II.10/1. [1 § 1. Het thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan wordt opgesteld op basis van een contextueel onderzoek als bedoeld in artikel D.II.10, § 1, leden 2 tot en met 4.
Het bevat:
1° de gemeentelijke doelstellingen en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen en modaliteiten voor de uitvoering van deze doelstellingen, namelijk:
a) het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
b) de centrumgebieden in het bestreken grondgebied;
c) de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumfuncties te sturen;
d) de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
e) alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie;
3° de territoriale structuur met betrekking tot deze doelstellingen;
4° gehele of gedeeltelijke opheffingen van lokale beleidsontwikkelingsplannen in toepassing van artikel D.II.15, § 3.
§ 2. Het thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het betrokken gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.
§ 3. De Regering kan aan een gemeente vragen om een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan op te stellen of te herzien. De gemeenteraad zal binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag van de Regering een standpunt innemen.]1
Het bevat:
1° de gemeentelijke doelstellingen en de wijze waarop de gewestelijke doelstellingen inzake ruimtelijk ontwikkelingsplan of, in voorkomend geval, de meergemeentelijke doelstellingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan ingepast worden;
2° de beginselen en modaliteiten voor de uitvoering van deze doelstellingen, namelijk:
a) het traject voor het terugdringen van stadsuitbreiding en artificiëring;
b) de centrumgebieden in het bestreken grondgebied;
c) de maatregelen om de bebouwing binnen en buiten deze centrumfuncties te sturen;
d) de volgorde van prioriteit voor de uitvoering van de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, en hun bestemming;
e) alle andere bepalingen die bijdragen tot ruimteoptimalisatie;
3° de territoriale structuur met betrekking tot deze doelstellingen;
4° gehele of gedeeltelijke opheffingen van lokale beleidsontwikkelingsplannen in toepassing van artikel D.II.15, § 3.
§ 2. Het thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan kan:
1° beheers- en programmeringsmaatregelen bevatten met betrekking tot de ontsluitingsbeginselen en de ruimtelijke structuur zoals bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 2° en 3° ;
2° voorstellen verwoorden voor de herziening van het gewestplan, met name de gebieden van gemeentelijk belang en de lijst van (meer)gemeentelijke plannen voor wat betreft het betrokken gemeentelijk grondgebied en de plaatselijke beleidsontwikkelingsgebieden en gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.
§ 3. De Regering kan aan een gemeente vragen om een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan op te stellen of te herzien. De gemeenteraad zal binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag van de Regering een standpunt innemen.]1
Art. D. II.10/1. [1 § 1er. Le schéma de développement communal thématique est établi sur la base d'une analyse contextuelle visée à l'article D.II.10, § 1er, alinéas 2 à 4.
Il contient :
1° les objectifs communaux et la manière dont sont déclinés les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre de ces objectifs à savoir :
a) la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
b) les centralités présentes sur le territoire couvert;
c) les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
d) l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
e) toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale qui se rapporte à ces objectifs;
4° les abrogations, totales ou partielles, des schémas d'orientation locaux en application de l'article D.II.15, § 3.
§ 2. Le schéma de développement communal thématique peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal concerné et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.
§ 3. Le Gouvernement peut demander à une commune de décider de l'élaboration ou de la révision d'un schéma de développement communal thématique. Le conseil communal prend position à cet égard dans les six mois qui suivent la réception de la demande du Gouvernement.]1
Il contient :
1° les objectifs communaux et la manière dont sont déclinés les objectifs régionaux du schéma de développement du territoire ou, le cas échéant, les objectifs pluricommunaux du schéma de développement pluricommunal;
2° les principes et modalités de mise en oeuvre de ces objectifs à savoir :
a) la trajectoire de réduction de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
b) les centralités présentes sur le territoire couvert;
c) les mesures guidant l'urbanisation dans et en dehors de ces centralités;
d) l'ordre de priorité de mise en oeuvre des zones d'aménagement communal concerté et leur affectation;
e) toutes autres dispositions contribuant à l'objectif d'optimisation spatiale;
3° la structure territoriale qui se rapporte à ces objectifs;
4° les abrogations, totales ou partielles, des schémas d'orientation locaux en application de l'article D.II.15, § 3.
§ 2. Le schéma de développement communal thématique peut :
1° comporter des mesures de gestion et de programmation relatives aux principes de mise en oeuvre et à la structure territoriale visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3° ;
2° identifier des propositions de révision du plan de secteur, en ce compris les zones d'enjeu communal, ainsi que la liste des schémas de développement pluricommunaux pour ce qui concerne le territoire communal concerné et des schémas d'orientation locaux et guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie;
3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.
§ 3. Le Gouvernement peut demander à une commune de décider de l'élaboration ou de la révision d'un schéma de développement communal thématique. Le conseil communal prend position à cet égard dans les six mois qui suivent la réception de la demande du Gouvernement.]1
Onderafdeling 2. - Lokaal beleidsontwikkelingsplan
Sous-section 2. - Schéma d'orientation local
Art. D. II.11.§ 1. [1 Op basis van een contextueel onderzoek bepaalt het lokaal beleidsontwikkelingsplan de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor een deel van het gemeentelijk grondgebied.
Het contextueel onderzoek omvat :
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurrisico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie]1.
§ 2. [1 Het plan bevat:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken gebied;
2° de beleidskaart, met:
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten, met inbegrip van de infrastructuren voor het beheer van afval- en hemelwater;
c) de openbare ruimten;
d) de bestemmingen per gebieden;
e) de dichtheden:
(1) in bedrijfstuimtes, rekening houdend met de noodzaak om bedrijven in staat te stellen uit te breiden op hun locaties en met andere beperkingen op hun ontwikkeling;
(2) in woongebieden en woongebieden met een plattelandskarakter en gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is wanneer het lokaal beleidsontwikkelingsplan bepaalt dat ze geheel of gedeeltelijk voor woondoeleinden moeten worden bestemd;
f) de groene infrastructuur;
g) de krachtlijnen van het landschap;
h) wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, de grenzen van de op te richten kavels;
i) de fasering van de ontsluiting van het ontwikkelingsplan;
3° wanneer overwogen wordt om artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, alle informatie met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen]1.
§ 3. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan kan :
1° informatie bevatten met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen;
2° de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden, oplijsten;
[1 3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Het contextueel onderzoek omvat :
1° de voornaamste ruimtelijke vraagstukken;
2° de perspectieven en behoeften op sociaal vlak, met name inzake sociale cohesie, economie, demografie, energie, erfgoed, leefmilieu, met name ecologie, natuurbehoud en -herstel, mobiliteit, en verder nog op het potentieel van het grondgebied en de drukkende factoren waaraan het grondgebied blootgesteld is, meer bepaald de natuurrisico's bedoeld in artikel D.IV.57;
3° de huidige toestand, de te verwachten ontwikkeling en de gevolgen van stadsuitbreiding en artificiëring.
4° de potentiële bijdrage van het betrokken gebied aan ruimteoptimalisatie]1.
§ 2. [1 Het plan bevat:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken gebied;
2° de beleidskaart, met:
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten, met inbegrip van de infrastructuren voor het beheer van afval- en hemelwater;
c) de openbare ruimten;
d) de bestemmingen per gebieden;
e) de dichtheden:
(1) in bedrijfstuimtes, rekening houdend met de noodzaak om bedrijven in staat te stellen uit te breiden op hun locaties en met andere beperkingen op hun ontwikkeling;
(2) in woongebieden en woongebieden met een plattelandskarakter en gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is wanneer het lokaal beleidsontwikkelingsplan bepaalt dat ze geheel of gedeeltelijk voor woondoeleinden moeten worden bestemd;
f) de groene infrastructuur;
g) de krachtlijnen van het landschap;
h) wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, de grenzen van de op te richten kavels;
i) de fasering van de ontsluiting van het ontwikkelingsplan;
3° wanneer overwogen wordt om artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, alle informatie met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen]1.
§ 3. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan kan :
1° informatie bevatten met betrekking tot de vestiging en de hoogte van de constructies en bouwwerken, de wegen en de openbare ruimten, evenals met betrekking tot de integratie van de technische uitrustingen;
2° de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden, oplijsten;
[1 3° een woordenlijst bevatten met de belangrijkste gebruikte termen en begrippen.]1
Art. D. II.11.§ 1er. [1 Sur la base d'une analyse contextuelle, le schéma d'orientation local détermine, pour une partie du territoire communal, les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme.
L'analyse contextuelle comporte :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale. "]1 ;
§ 2. [1 Le schéma comprend :
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné;
2° la carte d'orientation comprenant :
a) le réseau viaire;
b) les infrastructures et réseaux techniques, en ce compris les infrastructures de gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) les espaces publics;
d) les affectations par zones;
e) les densités :
(1) dans les zones d'activité économique tenant compte de la nécessité de permettre aux entreprises de s'étendre sur leur lieu d'implantation et des autres contraintes d'aménagement de celles-ci;
(2) dans les zones d'habitat et d'habitat à caractère rural et dans les zones d'aménagement communal concerté lorsque le schéma d'orientation local prévoit leur affectation, en tout ou en partie, à la résidence;
f) l'infrastructure verte;
g) les lignes de force du paysage;
h) lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les limites des lots à créer;
i) le phasage de la mise en oeuvre du schéma;
3° lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les indications relatives à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques]1.
§ 3. Le schéma d'orientation local peut :
1° contenir les indications relatives à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
2° identifier la liste des schémas d'orientation locaux et le guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
[1 3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
L'analyse contextuelle comporte :
1° les principaux enjeux territoriaux;
2° les perspectives et les besoins en termes sociaux, notamment de cohésion sociale, économiques, démographiques, énergétiques, patrimoniaux, environnementaux, notamment écologiques, de préservation et de restauration de la nature et de mobilité ainsi que les potentialités et les contraintes du territoire notamment les risques naturels visés à l'article D.IV.57;
3° l'état actuel, l'évolution prévisible et les conséquences de l'étalement urbain et de l'artificialisation;
4° la contribution potentielle du territoire concerné à l'optimisation spatiale. "]1 ;
§ 2. [1 Le schéma comprend :
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné;
2° la carte d'orientation comprenant :
a) le réseau viaire;
b) les infrastructures et réseaux techniques, en ce compris les infrastructures de gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) les espaces publics;
d) les affectations par zones;
e) les densités :
(1) dans les zones d'activité économique tenant compte de la nécessité de permettre aux entreprises de s'étendre sur leur lieu d'implantation et des autres contraintes d'aménagement de celles-ci;
(2) dans les zones d'habitat et d'habitat à caractère rural et dans les zones d'aménagement communal concerté lorsque le schéma d'orientation local prévoit leur affectation, en tout ou en partie, à la résidence;
f) l'infrastructure verte;
g) les lignes de force du paysage;
h) lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les limites des lots à créer;
i) le phasage de la mise en oeuvre du schéma;
3° lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les indications relatives à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques]1.
§ 3. Le schéma d'orientation local peut :
1° contenir les indications relatives à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
2° identifier la liste des schémas d'orientation locaux et le guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
[1 3° contenir un glossaire définissant les principaux termes et concepts utilisés.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Procedure
Section 3. - Procédure
Art. D. II.12.§ 1. Behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen [2 D.II.10/1, § 3]2 D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 en D.II.42 wordt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan op initiatief van de gemeenteraad vastgesteld.
Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen van meer dan twee hectare uit één stuk kan de gemeenteraad een voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan voorstellen.
Binnen de zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan stemt de gemeenteraad al dan niet in met het vervolg van de procedure en licht er de natuurlijke of rechtspersoon over in; bij instemming wordt de procedure voor de aanneming van het lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 voortgezet. [2 Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn van zestig dagen, wordt het voorstel geacht verworpen te zijn]2.
§ 2. Behoudens in geval van vrijstelling wordt er een milieueffectenverslag over het voorontwerp van beleidsontwikkelingsplan opgemaakt, in voorkomend geval op initiatief en op kosten van de natuurlijke of rechtspersoon.
§ 3. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan of lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Hij belast het college ermee, het samen met het milieueffectenverslag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de opmaak van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek van het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
[2 De gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening", de Beleidsgroep Leefmilieu" worden geraadpleegd. Bij de opmaak van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, met inbegrip van een thematisch ontwikkelingsplan gericht op ruimteoptimalisatie, kan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" geraadpleegd worden ondanks de raadpleging van de gemeentelijke commissie. De gemeenteraad raadpleegt ook de personen en instanties die hij geschikt acht. Alle adviezen wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht]2.
§ 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, en heft, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad, opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1 op. Wanneer er een meergemeentelijk ontwikkelingsplan voorhanden is, dat het grondgebied van de gemeente geheel of gedeeltelijk afdekt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraad belast het gemeentecollege ermee, het ontwikkelingsplan, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [2 de Administratie]2.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt de gemachtigd ambtenaar het samen met zijn advies aan de Regering. Bij ontstentenis wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar gunstig geacht.
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of verworpen, per besluit verstuurd binnen de negentig dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [2 de Administratie]2. [2 Het verwerpen van de goedkeuring wordt uitsluitend op grond van de wettigheid uitgesproken]2.
Zodra de termijn bedoeld in lid 1 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig lid 1 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslisising, van het gemeentecollege de documenten vragen tot wijziging van het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het ontwikkelingsplan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
Het regeringsbesluit dat de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De beslissingen van de gemeenteraad en van de Regering worden bekendgemaakt.
Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen van meer dan twee hectare uit één stuk kan de gemeenteraad een voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan voorstellen.
Binnen de zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan stemt de gemeenteraad al dan niet in met het vervolg van de procedure en licht er de natuurlijke of rechtspersoon over in; bij instemming wordt de procedure voor de aanneming van het lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 voortgezet. [2 Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn van zestig dagen, wordt het voorstel geacht verworpen te zijn]2.
§ 2. Behoudens in geval van vrijstelling wordt er een milieueffectenverslag over het voorontwerp van beleidsontwikkelingsplan opgemaakt, in voorkomend geval op initiatief en op kosten van de natuurlijke of rechtspersoon.
§ 3. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan of lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Hij belast het college ermee, het samen met het milieueffectenverslag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de opmaak van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek van het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
[2 De gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening", de Beleidsgroep Leefmilieu" worden geraadpleegd. Bij de opmaak van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, met inbegrip van een thematisch ontwikkelingsplan gericht op ruimteoptimalisatie, kan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" geraadpleegd worden ondanks de raadpleging van de gemeentelijke commissie. De gemeenteraad raadpleegt ook de personen en instanties die hij geschikt acht. Alle adviezen wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht]2.
§ 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, en heft, in voorkomend geval, de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en de lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad, opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1 op. Wanneer er een meergemeentelijk ontwikkelingsplan voorhanden is, dat het grondgebied van de gemeente geheel of gedeeltelijk afdekt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraad belast het gemeentecollege ermee, het ontwikkelingsplan, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [2 de Administratie]2.
Binnen de vijfenveertig dagen na het versturen van het dossier bedoeld in lid 2 richt de gemachtigd ambtenaar het samen met zijn advies aan de Regering. Bij ontstentenis wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar gunstig geacht.
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of verworpen, per besluit verstuurd binnen de negentig dagen na de ontvangst van het dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [2 de Administratie]2. [2 Het verwerpen van de goedkeuring wordt uitsluitend op grond van de wettigheid uitgesproken]2.
Zodra de termijn bedoeld in lid 1 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en lokale beleidsontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraad bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig lid 1 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslisising, van het gemeentecollege de documenten vragen tot wijziging van het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het ontwikkelingsplan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen worden.
Het regeringsbesluit dat de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De beslissingen van de gemeenteraad en van de Regering worden bekendgemaakt.
Art. D. II.12.§ 1er. Hormis dans les cas visés aux articles [2 D.II.10/1, § 3,]2 D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 et D.II.42, le schéma de développement communal ou d'orientation local est établi à l'initiative du conseil communal.
Toutefois, toute personne physique ou morale, publique ou privée, titulaire d'un droit réel portant sur une ou plusieurs parcelles de plus de deux hectares d'un seul tenant, peut proposer au conseil communal un avant-projet de schéma d'orientation local.
Dans les soixante jours de la réception de la proposition d'avant-projet de schéma d'orientation local, le conseil communal marque son accord ou non sur la poursuite de la procédure et en avise la personne physique ou morale; en cas d'accord, la procédure d'adoption du schéma d'orientation local se poursuit conformément aux paragraphes 2 à 5. [2 A défaut de décision dans le délai de soixante jours, la proposition est réputée refusée]2.
§ 2. Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma, le cas échéant à l'initiative et à charge de la personne physique ou morale.
§ 3. Le conseil communal adopte le projet de schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et le guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie. Il charge le collège de le soumettre, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure d'élaboration du schéma d'orientation local, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de schéma. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre du schéma d'orientation local.
[2 La commission communale ou, à défaut, le pôle " Aménagement du territoire " et le pôle " Environnement " sont consultés. Lors de l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, y compris lors d'un schéma thématique qui vise l'optimisation spatiale, le pôle " Aménagement du territoire " peut être consulté malgré la consultation de la commission communale. Le conseil communal consulte également les personnes et instances qu'il juge utile. Tous les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, les avis sont réputés favorables]2.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, abroge les schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et le guide communal identifiés dans la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsqu'il existe un schéma de développement pluricommunal couvrant tout ou partie du territoire de la commune, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement communal.
Il charge le collège communal de transmettre le schéma, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3 accompagnée des pièces de la procédure au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [2 l'administration]2.
Dans les quarante-cinq jours de l'envoi du dossier visé à l'alinéa 2, le fonctionnaire délégué le transmet au Gouvernement accompagné de son avis. A défaut, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé favorable.
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [2 l'administration]2. [2 Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour des motifs de légalité]2.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et guide communal visés au paragraphe 4 est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du schéma et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 est utilisée seulement à une reprise.
L'arrêté du Gouvernement qui contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Les décisions du conseil communal et du Gouvernement sont publiées.
Toutefois, toute personne physique ou morale, publique ou privée, titulaire d'un droit réel portant sur une ou plusieurs parcelles de plus de deux hectares d'un seul tenant, peut proposer au conseil communal un avant-projet de schéma d'orientation local.
Dans les soixante jours de la réception de la proposition d'avant-projet de schéma d'orientation local, le conseil communal marque son accord ou non sur la poursuite de la procédure et en avise la personne physique ou morale; en cas d'accord, la procédure d'adoption du schéma d'orientation local se poursuit conformément aux paragraphes 2 à 5. [2 A défaut de décision dans le délai de soixante jours, la proposition est réputée refusée]2.
§ 2. Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma, le cas échéant à l'initiative et à charge de la personne physique ou morale.
§ 3. Le conseil communal adopte le projet de schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et le guide communal à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie. Il charge le collège de le soumettre, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure d'élaboration du schéma d'orientation local, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de schéma. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre du schéma d'orientation local.
[2 La commission communale ou, à défaut, le pôle " Aménagement du territoire " et le pôle " Environnement " sont consultés. Lors de l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, y compris lors d'un schéma thématique qui vise l'optimisation spatiale, le pôle " Aménagement du territoire " peut être consulté malgré la consultation de la commission communale. Le conseil communal consulte également les personnes et instances qu'il juge utile. Tous les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, les avis sont réputés favorables]2.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, abroge les schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et le guide communal identifiés dans la liste visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsqu'il existe un schéma de développement pluricommunal couvrant tout ou partie du territoire de la commune, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement communal.
Il charge le collège communal de transmettre le schéma, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3 accompagnée des pièces de la procédure au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [2 l'administration]2.
Dans les quarante-cinq jours de l'envoi du dossier visé à l'alinéa 2, le fonctionnaire délégué le transmet au Gouvernement accompagné de son avis. A défaut, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé favorable.
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [2 l'administration]2. [2 Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour des motifs de légalité]2.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des schémas de développement pluricommunaux et d'orientation locaux et guide communal visés au paragraphe 4 est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du schéma et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 est utilisée seulement à une reprise.
L'arrêté du Gouvernement qui contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Les décisions du conseil communal et du Gouvernement sont publiées.
Art. D. II.12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 en D.II.42 wordt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan op initiatief van de gemeenteraad vastgesteld.
Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen van meer dan twee hectare uit één stuk kan de gemeenteraad een voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan voorstellen.
Binnen de zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan stemt de gemeenteraad al dan niet in met het vervolg van de procedure en licht er de natuurlijke of rechtspersoon over in; bij instemming wordt de procedure voor de aanneming van het lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 voortgezet. Bij ontstentenis van een bericht binnen een termijn van zestig dagen, wordt het voorstel verworpen geacht.
§ 2. Behoudens in geval van vrijstelling wordt er een milieueffectenverslag over het voorontwerp van beleidsontwikkelingsplan opgemaakt, in voorkomend geval op initiatief en op kosten van de natuurlijke of rechtspersoon.
§ 3. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan of lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de [4 plannen en/of leidraden]4 die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Hij belast het college ermee, het samen met het milieueffectenverslag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de opmaak van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek van het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
De adviezen van de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu, en van de personen en instanties [3 wier raadpleging de gemeenteraad nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3, worden binnen de vijfenveertig dagen na verzending van het verzoek van het college overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, en heft, in voorkomend geval, [4 de in de lijst opgenomen plannen en/of leidraden]4 op. Wanneer er een meergemeentelijk ontwikkelingsplan voorhanden is, dat het grondgebied van de gemeente geheel of gedeeltelijk afdekt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraad belast het gemeentecollege ermee, het ontwikkelingsplan, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken [2 aan de Regering]2.
[2 ...]2
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of verworpen, per besluit verstuurd binnen de negentig dagen na de ontvangst van het dossier [2 ...]2. Het verwerpen van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout.
Zodra de termijn bedoeld in lid 1 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de [4 plannen en/of leidraden]4 bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig lid 1 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslisising, van het gemeentecollege de documenten vragen tot wijziging van het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het ontwikkelingsplan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
[4 ...]4
Het regeringsbesluit dat de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De beslissingen van de gemeenteraad en van de Regering worden bekendgemaakt.
§ 1. Behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 en D.II.42 wordt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan op initiatief van de gemeenteraad vastgesteld.
Elke publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een zakelijk recht op één of meerdere percelen van meer dan twee hectare uit één stuk kan de gemeenteraad een voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan voorstellen.
Binnen de zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot voorontwerp van lokaal beleidsontwikkelingsplan stemt de gemeenteraad al dan niet in met het vervolg van de procedure en licht er de natuurlijke of rechtspersoon over in; bij instemming wordt de procedure voor de aanneming van het lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 voortgezet. Bij ontstentenis van een bericht binnen een termijn van zestig dagen, wordt het voorstel verworpen geacht.
§ 2. Behoudens in geval van vrijstelling wordt er een milieueffectenverslag over het voorontwerp van beleidsontwikkelingsplan opgemaakt, in voorkomend geval op initiatief en op kosten van de natuurlijke of rechtspersoon.
§ 3. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan of lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, evenals, in voorkomend geval, de [4 plannen en/of leidraden]4 die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven dienen te worden. Hij belast het college ermee, het samen met het milieueffectenverslag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de opmaak van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek van het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
De adviezen van de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu, en van de personen en instanties [3 wier raadpleging de gemeenteraad nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3, worden binnen de vijfenveertig dagen na verzending van het verzoek van het college overgemaakt. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan, en heft, in voorkomend geval, [4 de in de lijst opgenomen plannen en/of leidraden]4 op. Wanneer er een meergemeentelijk ontwikkelingsplan voorhanden is, dat het grondgebied van de gemeente geheel of gedeeltelijk afdekt, heft de gemeenteraad, onverminderd artikel D.II.15, § 2, lid 3, laatstgenoemd plan voor dat deel op dat onder het nieuwe meergemeentelijk ontwikkelingsplan valt.
De gemeenteraad belast het gemeentecollege ermee, het ontwikkelingsplan, in voorkomend geval, het milieueffectenverslag en de lijst bedoeld in paragraaf 3, lid 1, samen met de procedurestukken over te maken [2 aan de Regering]2.
[2 ...]2
§ 5. De beslissing van de gemeenteraad wordt door de Regering goedgekeurd of verworpen, per besluit verstuurd binnen de negentig dagen na de ontvangst van het dossier [2 ...]2. Het verwerpen van de goedkeuring wordt enkel uitgesproken wegens overtreding van het Wetboek of wegens een duidelijke beoordelingsfout.
Zodra de termijn bedoeld in lid 1 verstreken is, wordt het ontwikkelingsplan goedgekeurd geacht en de opheffing van de [4 plannen en/of leidraden]4 bedoeld in paragraaf 4, lid 1, wordt goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat het ontwikkelingsplan niet overeenkomstig lid 1 goedgekeurd kan worden, kan zij, voor het nemen van haar beslisising, van het gemeentecollege de documenten vragen tot wijziging van het ontwikkelingsplan en, in voorkomend geval, een aanvullend milieueffectenverslag. De procedure tot aanneming van het ontwikkelingsplan wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
[4 ...]4
Het regeringsbesluit dat de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De beslissingen van de gemeenteraad en van de Regering worden bekendgemaakt.
Art. D. II.12_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Hormis dans les cas visés aux articles D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 et D.II.42, le schéma de développement communal ou d'orientation local est établi à l'initiative du conseil communal.
Toutefois, toute personne physique ou morale, publique ou privée, titulaire d'un droit réel portant sur une ou plusieurs parcelles de plus de deux hectares d'un seul tenant, peut proposer au conseil communal un avant-projet de schéma d'orientation local.
Dans les soixante jours de la réception de la proposition d'avant-projet de schéma d'orientation local, le conseil communal marque son accord ou non sur la poursuite de la procédure et en avise la personne physique ou morale; en cas d'accord, la procédure d'adoption du schéma d'orientation local se poursuit conformément aux paragraphes 2 à 5. A défaut d'envoi dans le délai de soixante jours, la proposition est réputée refusée.
§ 2. Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma, le cas échéant à l'initiative et à charge de la personne physique ou morale.
§ 3. Le conseil communal adopte le projet de schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, la liste des [4 schémas et/ou guides]4 à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie. Il charge le collège de le soumettre, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure d'élaboration du schéma d'orientation local, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de schéma. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre du schéma d'orientation local.
Les avis de la commission communale ou, à défaut, du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement", ainsi que des personnes et instances que le conseil communal juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3 sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, abroge les [4 schémas et/ou guides listés]4. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsqu'il existe un schéma de développement pluricommunal couvrant tout ou partie du territoire de la commune, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement communal.
Il charge le collège communal de transmettre [2 au Gouvernement]2 le schéma, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3 accompagnée des pièces de la procédure [2 ...]2.
[2 ...]2
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier [2 ...]2. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des [4 schémas et/ou guides]4 visés au paragraphe 4 est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du schéma et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
[4 ...]4
L'arrêté du Gouvernement qui contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Les décisions du conseil communal et du Gouvernement sont publiées.
§ 1er. Hormis dans les cas visés aux articles D.II.21, § 3, 4°, D.II.32 et D.II.42, le schéma de développement communal ou d'orientation local est établi à l'initiative du conseil communal.
Toutefois, toute personne physique ou morale, publique ou privée, titulaire d'un droit réel portant sur une ou plusieurs parcelles de plus de deux hectares d'un seul tenant, peut proposer au conseil communal un avant-projet de schéma d'orientation local.
Dans les soixante jours de la réception de la proposition d'avant-projet de schéma d'orientation local, le conseil communal marque son accord ou non sur la poursuite de la procédure et en avise la personne physique ou morale; en cas d'accord, la procédure d'adoption du schéma d'orientation local se poursuit conformément aux paragraphes 2 à 5. A défaut d'envoi dans le délai de soixante jours, la proposition est réputée refusée.
§ 2. Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de schéma, le cas échéant à l'initiative et à charge de la personne physique ou morale.
§ 3. Le conseil communal adopte le projet de schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, la liste des [4 schémas et/ou guides]4 à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie. Il charge le collège de le soumettre, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure d'élaboration du schéma d'orientation local, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de schéma. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre du schéma d'orientation local.
Les avis de la commission communale ou, à défaut, du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement", ainsi que des personnes et instances que le conseil communal juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3 sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le schéma de développement communal ou d'orientation local et, le cas échéant, abroge les [4 schémas et/ou guides listés]4. Sans préjudice de l'article D.II.15, § 2, alinéa 3, lorsqu'il existe un schéma de développement pluricommunal couvrant tout ou partie du territoire de la commune, le conseil communal l'abroge pour la partie couverte par le nouveau schéma de développement communal.
Il charge le collège communal de transmettre [2 au Gouvernement]2 le schéma, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales et la liste visée au paragraphe 3 accompagnée des pièces de la procédure [2 ...]2.
[2 ...]2
§ 5. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier [2 ...]2. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le schéma est réputé approuvé et l'abrogation des [4 schémas et/ou guides]4 visés au paragraphe 4 est réputée approuvée.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le schéma ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du schéma et, le cas échéant, un complément de rapport sur les incidences environnementales. La procédure d'adoption du schéma est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
[4 ...]4
L'arrêté du Gouvernement qui contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Les décisions du conseil communal et du Gouvernement sont publiées.
Afdeling 4. - Herziening
Section 4. - Révision
Afdeling 4._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Documents après réalisation des actes ou travaux
Art. D. II.13. De regels voor de opmaak van het gemeentelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan.
Als het een gedeeltelijke herziening van het ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Als het een gedeeltelijke herziening van het ontwikkelingsplan betreft, worden in het herzieningsdossier enkel de elementen in verband met de overwogen herziening opgenomen.
Art. D. II.13. Les dispositions réglant l'élaboration du schéma de développement communal ou d'orientation local sont applicables à sa révision.
Si la révision du schéma est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
Si la révision du schéma est partielle, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
HOOFDSTUK IV. - Opvolging van de milieueffecten
CHAPITRE IV. - Suivi des incidences environnementales
Art. D. II.14. Het gemeentecollege richt minstens één keer in haar ambtsperiode een globaal verslag aan de gemeenteraad over de opvolging van de significante milieueffecten van de tenuitvoerlegging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieubeoordeling, alsook over de eventueel te treffen correctiemaatregelen. Het publiek wordt voorgelicht volgens de nadere regels bedoeld in artikel L1133-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
Art. D. II.14. Le collège communal dépose au moins une fois par mandature auprès du conseil communal un rapport global sur le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement pluricommunal, communal ou d'orientation local ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale ainsi que sur les éventuelles mesures correctrices à engager. Le public en est informé suivant les modes prévus à l'article L1133-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
Art. D. II.14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege richt minstens één keer in haar ambtsperiode een globaal verslag aan de gemeenteraad over de opvolging van de significante milieueffecten van de tenuitvoerlegging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieubeoordeling, alsook over de eventueel te treffen correctiemaatregelen. Het publiek wordt voorgelicht volgens de nadere regels bedoeld in [1 artikel 74 van het gemeentedecreet van 23 april 2018]1.
Het gemeentecollege richt minstens één keer in haar ambtsperiode een globaal verslag aan de gemeenteraad over de opvolging van de significante milieueffecten van de tenuitvoerlegging van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan of het lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieubeoordeling, alsook over de eventueel te treffen correctiemaatregelen. Het publiek wordt voorgelicht volgens de nadere regels bedoeld in [1 artikel 74 van het gemeentedecreet van 23 april 2018]1.
Art. D. II.14_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal dépose au moins une fois par mandature auprès du conseil communal un rapport global sur le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement pluricommunal, communal ou d'orientation local ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale ainsi que sur les éventuelles mesures correctrices à engager. Le public en est informé suivant les modes prévus à [1 l'article 74 du décret communal du 23 avril 2018]1.
Le collège communal dépose au moins une fois par mandature auprès du conseil communal un rapport global sur le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du schéma de développement pluricommunal, communal ou d'orientation local ayant fait l'objet d'une évaluation environnementale ainsi que sur les éventuelles mesures correctrices à engager. Le public en est informé suivant les modes prévus à [1 l'article 74 du décret communal du 23 avril 2018]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Opheffing
CHAPITRE V. - Abrogation
Art. D. II.15.§ 1. Wanneer zij achten dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kunnen de gemeenteraden ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 2. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd en de opheffing één enkele gemeente betreft, kan de gemeenteraad ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel D.II.8, § 1, lid 2, zijn van toepassing op de opheffing.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel gedeeltelijk bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikelen D.II.7 of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.12 opgeheven worden. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.7, § 5, en D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen [1 bedoeld in artikel D.II.6,§ 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 3]1 bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de opheffing goed te keuren.
§ 3. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een gemeentelijk ontwikkelingsplan of van een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 4. In geval van opheffing blijven de bestemmingen van een lokaal beleidsontwikkelingsplan tot nadere omschrijving van een recreatiegebied, tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied met een bedrijfskarakter, tot nadere omschrijving van een parkgebied of tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied van toepassing en die gebieden blijven ontsloten in de zin van de artikelen D.II.27, D.II.32, § 1, lid 2, en § 2, D.II.40 en D.II.42, § 2.
§ 5. De doelstellingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 worden voorbijgestreefd geacht na achttien jaar te rekenen van de bekendmaking per uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het regeringsbesluit tot goedkeuring van het ontwikkelingsplan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan goedgekeurd wordt geacht.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 2. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd en de opheffing één enkele gemeente betreft, kan de gemeenteraad ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel D.II.8, § 1, lid 2, zijn van toepassing op de opheffing.
Een meergemeentelijk ontwikkelingsplan kan evenwel gedeeltelijk bij de aanneming of de herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikelen D.II.7 of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.12 opgeheven worden. In dat geval oordeelt de Regering, naast de verificatie bedoeld in artikel D.II.7, § 5, en D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen [1 bedoeld in artikel D.II.6,§ 2, 1°, en D.II.6/1, § 2, 1°, of bepaald door de Regering krachtens artikel D.II.6/1, § 3]1 bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de opheffing goed te keuren.
§ 3. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een gemeentelijk ontwikkelingsplan of van een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 4. In geval van opheffing blijven de bestemmingen van een lokaal beleidsontwikkelingsplan tot nadere omschrijving van een recreatiegebied, tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied met een bedrijfskarakter, tot nadere omschrijving van een parkgebied of tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied van toepassing en die gebieden blijven ontsloten in de zin van de artikelen D.II.27, D.II.32, § 1, lid 2, en § 2, D.II.40 en D.II.42, § 2.
§ 5. De doelstellingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 worden voorbijgestreefd geacht na achttien jaar te rekenen van de bekendmaking per uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het regeringsbesluit tot goedkeuring van het ontwikkelingsplan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan goedgekeurd wordt geacht.
Art. D. II.15.§ 1er. Lorsqu'ils estiment que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés, les conseils communaux peuvent l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma de développement pluricommunal peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.50, D.II.51, et D.II.52.
§ 2. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés et que l'abrogation concerne une seule commune, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant la révision du schéma de développement pluricommunal visées à l'article D.II.8, § 1er, alinéa 2, sont applicables à l'abrogation.
Toutefois, un schéma de développement pluricommunal peut être abrogé en partie lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal conformément à l'article D.II.7 ou d'un schéma de développement communal conformément à l'article D.II.12. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.7, § 5, et D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux [1 visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 3]1, sont compromis et refuse d'approuver l'abrogation le cas échéant.
§ 3. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local sont dépassés, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 4. En cas d'abrogation, les affectations d'un schéma d'orientation local précisant une zone de loisirs, mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique, précisant une zone de parc ou mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté restent d'application et ces zones restent mises en oeuvre au sens des articles D.II.27, D.II.32, § 1er, alinéa 2, et § 2, D.II.40 et D.II.42, § 2.
§ 5. Les objectifs visés aux paragraphes 1er à 3 sont présumés dépassés après dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant le schéma ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le schéma est réputé approuvé.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma de développement pluricommunal peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.50, D.II.51, et D.II.52.
§ 2. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés et que l'abrogation concerne une seule commune, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant la révision du schéma de développement pluricommunal visées à l'article D.II.8, § 1er, alinéa 2, sont applicables à l'abrogation.
Toutefois, un schéma de développement pluricommunal peut être abrogé en partie lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal conformément à l'article D.II.7 ou d'un schéma de développement communal conformément à l'article D.II.12. Dans ce cas, outre la vérification prévue à l'article D.II.7, § 5, et D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux [1 visés aux articles D.II.6, § 2, 1°, et D.II.6/1, § 2, 1°, ou déterminés par le Gouvernement en exécution de l'article D.II.6/1, § 3]1, sont compromis et refuse d'approuver l'abrogation le cas échéant.
§ 3. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local sont dépassés, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 4. En cas d'abrogation, les affectations d'un schéma d'orientation local précisant une zone de loisirs, mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique, précisant une zone de parc ou mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté restent d'application et ces zones restent mises en oeuvre au sens des articles D.II.27, D.II.32, § 1er, alinéa 2, et § 2, D.II.40 et D.II.42, § 2.
§ 5. Les objectifs visés aux paragraphes 1er à 3 sont présumés dépassés après dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant le schéma ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le schéma est réputé approuvé.
Wijzigingen
Art. D _II.15.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Wanneer zij achten dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kunnen de gemeenteraden ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
[1 Voorts kan een meergemeentelijk ontwikkelingsplan geheel of gedeeltelijk opgeheven worden in de volgende gevallen :
1° bij de aanneming of herziening van het gewestplan;
2° bij de aanneming of herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.]1
§ 2. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd en de opheffing één enkele gemeente betreft, kan de gemeenteraad ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel D.II.8, § 1, lid 2, zijn van toepassing op de opheffing.
[1 ...]1 [1 De Regering oordeelt, naast]1 de verificatie bedoeld in artikel D.II.7, § 5, en D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de opheffing goed te keuren.
§ 3. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een gemeentelijk ontwikkelingsplan of van een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 4. In geval van opheffing blijven de bestemmingen van een lokaal beleidsontwikkelingsplan tot nadere omschrijving van een recreatiegebied, tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied met een bedrijfskarakter, tot nadere omschrijving van een parkgebied of tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied van toepassing en die gebieden blijven ontsloten in de zin van de artikelen D.II.27, D.II.32, § 1, lid 2, en § 2, D.II.40 en D.II.42, § 2.
§ 5. De doelstellingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 worden voorbijgestreefd geacht na achttien jaar te rekenen van de bekendmaking per uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het regeringsbesluit tot goedkeuring van het ontwikkelingsplan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan goedgekeurd wordt geacht.
§ 1. Wanneer zij achten dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kunnen de gemeenteraden ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
[1 Voorts kan een meergemeentelijk ontwikkelingsplan geheel of gedeeltelijk opgeheven worden in de volgende gevallen :
1° bij de aanneming of herziening van het gewestplan;
2° bij de aanneming of herziening van een ander meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.]1
§ 2. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd en de opheffing één enkele gemeente betreft, kan de gemeenteraad ze geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de herziening van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel D.II.8, § 1, lid 2, zijn van toepassing op de opheffing.
[1 ...]1 [1 De Regering oordeelt, naast]1 de verificatie bedoeld in artikel D.II.7, § 5, en D.II.12, § 5, of de meergemeentelijke doelstellingen bedoeld in artikel D.II.6, § 2, 1°, bedreigd zijn en weigert, in voorkomend geval, de opheffing goed te keuren.
§ 3. Wanneer hij acht dat de doelstellingen van een gemeentelijk ontwikkelingsplan of van een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn voorbijgestreefd, kan de gemeenteraad het geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van het ontwikkelingsplan gelden ook voor de opheffing ervan.
Een ontwikkelingsplan kan evenwel bij de aanneming of de herziening van een ander ontwikkelingsplan of van het gewestplan opgeheven worden, overeenkomstig de artikelen D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 en D.II.52.
§ 4. In geval van opheffing blijven de bestemmingen van een lokaal beleidsontwikkelingsplan tot nadere omschrijving van een recreatiegebied, tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied met een bedrijfskarakter, tot nadere omschrijving van een parkgebied of tot ontsluiting van een aan een gemeentelijke overlegprocedure onderworpen inrichtingsgebied van toepassing en die gebieden blijven ontsloten in de zin van de artikelen D.II.27, D.II.32, § 1, lid 2, en § 2, D.II.40 en D.II.42, § 2.
§ 5. De doelstellingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 worden voorbijgestreefd geacht na achttien jaar te rekenen van de bekendmaking per uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het regeringsbesluit tot goedkeuring van het ontwikkelingsplan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan goedgekeurd wordt geacht.
Art. D _II.15.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Lorsqu'ils estiment que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés, les conseils communaux peuvent l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
[1 Un schéma de développement pluricommunal peut en outre être abrogé en tout ou partie dans les cas suivants :
1° l'adoption ou la révision du plan de secteur;
2° l'adoption ou la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal ou d'un schéma de développement communal.]1
§ 2. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés et que l'abrogation concerne une seule commune, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant la révision du schéma de développement pluricommunal visées à l'article D.II.8, § 1er, alinéa 2, sont applicables à l'abrogation.
[1 ...]1 [1 Outre la]1 vérification prévue à l'article D.II.7, § 5, et D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, sont compromis et refuse d'approuver l'abrogation le cas échéant.
§ 3. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local sont dépassés, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 4. En cas d'abrogation, les affectations d'un schéma d'orientation local précisant une zone de loisirs, mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique, précisant une zone de parc ou mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté restent d'application et ces zones restent mises en oeuvre au sens des articles D.II.27, D.II.32, § 1er, alinéa 2, et § 2, D.II.40 et D.II.42, § 2.
§ 5. Les objectifs visés aux paragraphes 1er à 3 sont présumés dépassés après dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant le schéma ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le schéma est réputé approuvé.
§ 1er. Lorsqu'ils estiment que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés, les conseils communaux peuvent l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
[1 Un schéma de développement pluricommunal peut en outre être abrogé en tout ou partie dans les cas suivants :
1° l'adoption ou la révision du plan de secteur;
2° l'adoption ou la révision d'un autre schéma de développement pluricommunal ou d'un schéma de développement communal.]1
§ 2. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement pluricommunal sont dépassés et que l'abrogation concerne une seule commune, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant la révision du schéma de développement pluricommunal visées à l'article D.II.8, § 1er, alinéa 2, sont applicables à l'abrogation.
[1 ...]1 [1 Outre la]1 vérification prévue à l'article D.II.7, § 5, et D.II.12, § 5, le Gouvernement apprécie si les objectifs pluricommunaux visés à l'article D.II.6, § 2, 1°, sont compromis et refuse d'approuver l'abrogation le cas échéant.
§ 3. Lorsqu'il estime que les objectifs d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local sont dépassés, le conseil communal peut l'abroger, en tout ou en partie.
Les dispositions réglant l'élaboration du schéma sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un schéma peut être abrogé lors de l'adoption ou de la révision d'un autre schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 4. En cas d'abrogation, les affectations d'un schéma d'orientation local précisant une zone de loisirs, mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique, précisant une zone de parc ou mettant en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté restent d'application et ces zones restent mises en oeuvre au sens des articles D.II.27, D.II.32, § 1er, alinéa 2, et § 2, D.II.40 et D.II.42, § 2.
§ 5. Les objectifs visés aux paragraphes 1er à 3 sont présumés dépassés après dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant le schéma ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le schéma est réputé approuvé.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - Juridische gevolgen en hiërarchie
CHAPITRE VI. - Effets juridiques et hiérarchie
Afdeling 1. - Rechtsgevolgen
Section 1re. - Effets juridiques
Art. D. II.16.[1 § 1. Alle ontwikkelingsplannen hebben een indicatieve waarde.
§ 2. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan is van toepassing:
1° in zijn geheel, met uitzondering van de informatie bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op het gewestplan met inbegrip van het bodembestemmingsplan, de ontwikkelingsplannen en de leidraden;
2° in afwijking van paragraaf 6, voor wat betreft de ligging van de projecten met betrekking tot artikel D.II.2, § 2, 3°, met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel D.II.2, § 2, 1°, op de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2:
a) met betrekking tot bouwwerken of nuts- of gemeenschapsvoorzieningen die bedoeld zijn in artikel D, IV.25, of die betrekking hebben op de lijninfrastructuur beoogd bij de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, ofwel die opgenomen zijn in het ruimtelijk ontwikkelingsplan ten opzichte van zijn afstraling op schaal van een ontwikkelingsruimte;
b) gericht op de bebouwing van de gronden van meer dan twee ha en met betrekking tot hetzij de bouw van woningen, hetzij de vestiging van één of meer handelszaken in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, hetzij de bouw van kantoren, hetzij een project dat twee of drie van deze bestemmingen combineert;
3° met betrekking tot de aanduidingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op de lokale beleidsontwikkelingsplannen, stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2. Deze aanduidingen verliezen hun uitwerking wanneer na de aanneming van het gewestelijk ontwikkelingsplan een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan dat de aanduidingen bedoeld in de artikelen D.II.6/1, § 2 of D.II.10/1, § 1, bevat, wordt aangenomen of herzien.
§ 3. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 4. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw onverminderd artikel D.III.10, eerste lid, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 5. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan is van toepassing op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 6. De instrumenten voor ruimtelijk beleid worden naar de schaal van het betrokken grondgebied ingezet.]1
§ 2. Het ruimtelijk ontwikkelingsplan is van toepassing:
1° in zijn geheel, met uitzondering van de informatie bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op het gewestplan met inbegrip van het bodembestemmingsplan, de ontwikkelingsplannen en de leidraden;
2° in afwijking van paragraaf 6, voor wat betreft de ligging van de projecten met betrekking tot artikel D.II.2, § 2, 3°, met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel D.II.2, § 2, 1°, op de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2:
a) met betrekking tot bouwwerken of nuts- of gemeenschapsvoorzieningen die bedoeld zijn in artikel D, IV.25, of die betrekking hebben op de lijninfrastructuur beoogd bij de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, ofwel die opgenomen zijn in het ruimtelijk ontwikkelingsplan ten opzichte van zijn afstraling op schaal van een ontwikkelingsruimte;
b) gericht op de bebouwing van de gronden van meer dan twee ha en met betrekking tot hetzij de bouw van woningen, hetzij de vestiging van één of meer handelszaken in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, hetzij de bouw van kantoren, hetzij een project dat twee of drie van deze bestemmingen combineert;
3° met betrekking tot de aanduidingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op de lokale beleidsontwikkelingsplannen, stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2. Deze aanduidingen verliezen hun uitwerking wanneer na de aanneming van het gewestelijk ontwikkelingsplan een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan dat de aanduidingen bedoeld in de artikelen D.II.6/1, § 2 of D.II.10/1, § 1, bevat, wordt aangenomen of herzien.
§ 3. Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 4. Het gemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw onverminderd artikel D.III.10, eerste lid, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 5. Het lokaal beleidsontwikkelingsplan is van toepassing op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
§ 6. De instrumenten voor ruimtelijk beleid worden naar de schaal van het betrokken grondgebied ingezet.]1
Art. D. II.16.[1 § 1er.Tous les schémas ont valeur indicative.
§ 2. Le schéma de développement du territoire s'applique comme suit :
1° dans son ensemble, à l'exception des indications visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, au plan de secteur en ce compris la carte d'affectation des sols, aux schémas et aux guides;
2° par dérogation au paragraphe 6, en ce qui concerne la localisation des projets au regard de l'article D.II.2, § 2, 3°, en considération des objectifs visés à l'article D.II.2, § 2, 1°, aux demandes de permis et de certificat d'urbanisme n° 2 soit :
a) portant sur une construction ou un équipement de service public ou communautaire soit visé à l'article D.IV.25, soit relatif à une infrastructure linéaire visée par la structure territoriale du schéma de développement du territoire, soit qui figure dans le schéma de développement du territoire eu égard à son rayonnement à l'échelle d'une aire de développement;
b) visant à urbaniser des terrains de plus de deux hectares et portant soit sur la construction de logements, soit sur l'implantation d'un ou de plusieurs commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, soit sur la construction de bureaux, soit sur un projet combinant deux ou trois de ces affectations;
3° en ce qui concerne les indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, aux schémas d'orientation locaux, permis et certificats d'urbanisme n° 2. Ces indications cessent de produire leurs effets lorsque, postérieurement à l'adoption du schéma de développement du territoire un schéma de développement pluricommunal ou communal qui contient les indications visées aux articles D.II.6/1, § 2, ou D.II.10/1, § 1er, est adopté ou révisé.
§ 3. Le schéma de développement pluricommunal s'applique au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 4. Le schéma de développement communal s'applique au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme sans préjudice de l'article D.III.10, alinéa 1er, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 5. Le schéma d'orientation local s'applique au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 6. Sur un territoire donné, il est fait application du schéma d'échelle de territoire la plus restreinte.]1
§ 2. Le schéma de développement du territoire s'applique comme suit :
1° dans son ensemble, à l'exception des indications visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, au plan de secteur en ce compris la carte d'affectation des sols, aux schémas et aux guides;
2° par dérogation au paragraphe 6, en ce qui concerne la localisation des projets au regard de l'article D.II.2, § 2, 3°, en considération des objectifs visés à l'article D.II.2, § 2, 1°, aux demandes de permis et de certificat d'urbanisme n° 2 soit :
a) portant sur une construction ou un équipement de service public ou communautaire soit visé à l'article D.IV.25, soit relatif à une infrastructure linéaire visée par la structure territoriale du schéma de développement du territoire, soit qui figure dans le schéma de développement du territoire eu égard à son rayonnement à l'échelle d'une aire de développement;
b) visant à urbaniser des terrains de plus de deux hectares et portant soit sur la construction de logements, soit sur l'implantation d'un ou de plusieurs commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, soit sur la construction de bureaux, soit sur un projet combinant deux ou trois de ces affectations;
3° en ce qui concerne les indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, aux schémas d'orientation locaux, permis et certificats d'urbanisme n° 2. Ces indications cessent de produire leurs effets lorsque, postérieurement à l'adoption du schéma de développement du territoire un schéma de développement pluricommunal ou communal qui contient les indications visées aux articles D.II.6/1, § 2, ou D.II.10/1, § 1er, est adopté ou révisé.
§ 3. Le schéma de développement pluricommunal s'applique au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 4. Le schéma de développement communal s'applique au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme sans préjudice de l'article D.III.10, alinéa 1er, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 5. Le schéma d'orientation local s'applique au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
§ 6. Sur un territoire donné, il est fait application du schéma d'échelle de territoire la plus restreinte.]1
Wijzigingen
Art. D. II.16_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Ontwikkelingsplannen zijn enkel van informatieve aard.
Het ruimtelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, op de ontwikkelingsplannen en de leidraden, evenals, in afwijking van lid 6, op de lokalisering van de projecten ten opzichte van artikel D.II.2, § 2, 3°, in het kader van de aanvragen voor desbetreffende stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2 ofwel :
1° met betrekking tot bouwwerken of nuts- of gemeenschapsvoorzieningen ofwel :
a) bedoeld in artikel [1 D.IV.22, eerste lid, 12°]1;
b) betreffende een lijninfrastructuur beoogd bij de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
c) opgenomen in het ruimtelijk ontwikkelingsplan ten opzichte van zijn afstraling op schaal van een ontwikkelingsruimte;
2° met het oog op de bebouwing van de gronden van meer dan 15 ha en met betrekking tot:
a) de bouw van woningen;
b) een oppervlakte bestemd voor de verkoop van kleinhandelsgoederen;
a) de bouw van kantoren;
d) een ontwerp dat twee of drie van deze bestemmingen combineert.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het gemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan is van toepassing op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
De instrumenten voor ruimtelijk beleid worden naar de schaal van het betrokken grondgebied ingezet.
Ontwikkelingsplannen zijn enkel van informatieve aard.
Het ruimtelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, op de ontwikkelingsplannen en de leidraden, evenals, in afwijking van lid 6, op de lokalisering van de projecten ten opzichte van artikel D.II.2, § 2, 3°, in het kader van de aanvragen voor desbetreffende stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2 ofwel :
1° met betrekking tot bouwwerken of nuts- of gemeenschapsvoorzieningen ofwel :
a) bedoeld in artikel [1 D.IV.22, eerste lid, 12°]1;
b) betreffende een lijninfrastructuur beoogd bij de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
c) opgenomen in het ruimtelijk ontwikkelingsplan ten opzichte van zijn afstraling op schaal van een ontwikkelingsruimte;
2° met het oog op de bebouwing van de gronden van meer dan 15 ha en met betrekking tot:
a) de bouw van woningen;
b) een oppervlakte bestemd voor de verkoop van kleinhandelsgoederen;
a) de bouw van kantoren;
d) een ontwerp dat twee of drie van deze bestemmingen combineert.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het gemeentelijk ontwikkelingsplan is van toepassing op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan is van toepassing op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2.
De instrumenten voor ruimtelijk beleid worden naar de schaal van het betrokken grondgebied ingezet.
Art. D. II.16_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Tous les schémas ont valeur indicative.
Le schéma de développement du territoire s'applique au plan de secteur en ce compris la carte d'affectation des sols, aux schémas et aux guides ainsi que, par dérogation à l'alinéa 6, à la localisation des projets au regard de l'article D.II.2, § 2, 3°, dans le cadre des demandes de permis et des certificats d'urbanisme n° 2 y relatifs soit :
1° portant sur une construction ou un équipement de service public ou communautaire soit :
a) visé à [1 l'article D.IV.22, alinéa 1er, 12°]1;
b) relatif à une infrastructure linéaire visée par la structure territoriale du schéma de développement du territoire;
c) qui figure dans le schéma de développement du territoire eu égard à son rayonnement à l'échelle d'une aire de développement;
2° visant à urbaniser des terrains de plus de quinze hectares et portant soit sur :
a) la construction de logements;
b) une surface destinée à la vente de biens de détails;
c) la construction de bureaux;
d) un projet combinant deux ou trois de ces affectations.
Le schéma de développement pluricommunal s'applique au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le schéma de développement communal s'applique au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le schéma d'orientation local s'applique au guide communal d'urbanisme au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Sur un territoire donné, il est fait application du schéma d'échelle de territoire la plus restreinte.
Tous les schémas ont valeur indicative.
Le schéma de développement du territoire s'applique au plan de secteur en ce compris la carte d'affectation des sols, aux schémas et aux guides ainsi que, par dérogation à l'alinéa 6, à la localisation des projets au regard de l'article D.II.2, § 2, 3°, dans le cadre des demandes de permis et des certificats d'urbanisme n° 2 y relatifs soit :
1° portant sur une construction ou un équipement de service public ou communautaire soit :
a) visé à [1 l'article D.IV.22, alinéa 1er, 12°]1;
b) relatif à une infrastructure linéaire visée par la structure territoriale du schéma de développement du territoire;
c) qui figure dans le schéma de développement du territoire eu égard à son rayonnement à l'échelle d'une aire de développement;
2° visant à urbaniser des terrains de plus de quinze hectares et portant soit sur :
a) la construction de logements;
b) une surface destinée à la vente de biens de détails;
c) la construction de bureaux;
d) un projet combinant deux ou trois de ces affectations.
Le schéma de développement pluricommunal s'applique au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le schéma de développement communal s'applique au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le schéma d'orientation local s'applique au guide communal d'urbanisme au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Sur un territoire donné, il est fait application du schéma d'échelle de territoire la plus restreinte.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Hiërarchie
Section 2. - Hiérarchie
Art. D. II.17.§ 1. De instrumenten voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik richten zich naar de instrumenten voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, indien bestaand.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het lokaal beleidsontwikkelingsplan kunnen van het (de) instrument(en) voor ruimtelijk beleid met een groter bereik afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, vervat in het instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer en de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
[1 Het lokale beleidsontwikkelingsplan kan afwijken van de aanduidingen van het gewestelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op voorwaarde dat gemotiveerd wordt aangetoond dat de afwijking:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° gerechtvaardigd is door specifieke lokale omstandigheden;
3° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.]1
§ 2. Bij onverenigbaarheid tussen een reeds bestaand instrument voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik en een instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik dat later in werking treedt, geldt het instrument waarvan het bereik het grootst is.
Onverminderd de toepassing van artikel [1 D.IV16, lid 1, 1°, a) en b)]1, houdt het gemeentelijk ontwikkelingsplan op effect te sorteren op dat deel van het grondgebied dat valt onder een meergemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de aanneming recenter is dan die van eerstgenoemd ontwikkelingsplan.
[1 Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan thematisch is in de zin van D.II.6/1, § 1, blijft het gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing op de rest van zijn aanduidingen.]1
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het lokaal beleidsontwikkelingsplan kunnen van het (de) instrument(en) voor ruimtelijk beleid met een groter bereik afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, vervat in het instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer en de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
[1 Het lokale beleidsontwikkelingsplan kan afwijken van de aanduidingen van het gewestelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2, § 4, 3°, op voorwaarde dat gemotiveerd wordt aangetoond dat de afwijking:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° gerechtvaardigd is door specifieke lokale omstandigheden;
3° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.]1
§ 2. Bij onverenigbaarheid tussen een reeds bestaand instrument voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik en een instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik dat later in werking treedt, geldt het instrument waarvan het bereik het grootst is.
Onverminderd de toepassing van artikel [1 D.IV16, lid 1, 1°, a) en b)]1, houdt het gemeentelijk ontwikkelingsplan op effect te sorteren op dat deel van het grondgebied dat valt onder een meergemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de aanneming recenter is dan die van eerstgenoemd ontwikkelingsplan.
[1 Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan thematisch is in de zin van D.II.6/1, § 1, blijft het gemeentelijk ontwikkelingsplan van toepassing op de rest van zijn aanduidingen.]1
Art. D. II.17.§ 1er. Le schéma d'échelle de territoire inférieure respecte le schéma d'échelle de territoire supérieure s'il existe.
Toutefois, le schéma de développement pluricommunal, de développement communal et d'orientation local peuvent s'écarter du ou des schémas d'échelle de territoire supérieure moyennant une motivation qui démontre que le schéma :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le ou les schémas d'échelle de territoire supérieure;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
[1 Le schéma d'orientation local peut s'écarter des indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, moyennant une motivation démontrant que l'écart :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° est justifié par les spécificités locales;
3° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.]1
§ 2. En cas d'incompatibilité entre un schéma d'échelle de territoire inférieure préexistant et un schéma d'échelle de territoire supérieure qui entre en vigueur ultérieurement, il est fait application du schéma d'échelle de territoire supérieure.
Sans préjudice de l'application de l'article [1 D.IV.16, alinéa 1er, 1°, a) et b)]1, lorsqu'un schéma de développement pluricommunal qui concerne une partie d'un territoire communal est adopté postérieurement à un schéma de développement communal, le schéma de développement communal cesse de produire ses effets pour cette partie de territoire.
[1 Lorsque le schéma de développement pluricommunal est thématique au sens de D.II.6/1, § 1er, le schéma de développement communal continue à s'appliquer dans le reste de ses indications.]1
Toutefois, le schéma de développement pluricommunal, de développement communal et d'orientation local peuvent s'écarter du ou des schémas d'échelle de territoire supérieure moyennant une motivation qui démontre que le schéma :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le ou les schémas d'échelle de territoire supérieure;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
[1 Le schéma d'orientation local peut s'écarter des indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2, § 4, 3°, moyennant une motivation démontrant que l'écart :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° est justifié par les spécificités locales;
3° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.]1
§ 2. En cas d'incompatibilité entre un schéma d'échelle de territoire inférieure préexistant et un schéma d'échelle de territoire supérieure qui entre en vigueur ultérieurement, il est fait application du schéma d'échelle de territoire supérieure.
Sans préjudice de l'application de l'article [1 D.IV.16, alinéa 1er, 1°, a) et b)]1, lorsqu'un schéma de développement pluricommunal qui concerne une partie d'un territoire communal est adopté postérieurement à un schéma de développement communal, le schéma de développement communal cesse de produire ses effets pour cette partie de territoire.
[1 Lorsque le schéma de développement pluricommunal est thématique au sens de D.II.6/1, § 1er, le schéma de développement communal continue à s'appliquer dans le reste de ses indications.]1
Wijzigingen
Art. D _II.17.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De instrumenten voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik richten zich naar de instrumenten voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, indien bestaand.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het lokaal beleidsontwikkelingsplan kunnen van het (de) instrument(en) voor ruimtelijk beleid met een groter bereik afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, vervat in het instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer en de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
§ 2. Bij onverenigbaarheid tussen een reeds bestaand instrument voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik en een instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik dat later in werking treedt, geldt het instrument waarvan het bereik het grootst is.
[1 Het gemeentelijk ontwikkelingsplan houdt]1 op effect te sorteren op dat deel van het grondgebied dat valt onder een meergemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de aanneming recenter is dan die van eerstgenoemd ontwikkelingsplan.
§ 1. De instrumenten voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik richten zich naar de instrumenten voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, indien bestaand.
Het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het lokaal beleidsontwikkelingsplan kunnen van het (de) instrument(en) voor ruimtelijk beleid met een groter bereik afwijken mits een motivering waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ordening, vervat in het instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer en de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
§ 2. Bij onverenigbaarheid tussen een reeds bestaand instrument voor ruimtelijk beleid met een kleiner bereik en een instrument voor ruimtelijk beleid met een groter bereik dat later in werking treedt, geldt het instrument waarvan het bereik het grootst is.
[1 Het gemeentelijk ontwikkelingsplan houdt]1 op effect te sorteren op dat deel van het grondgebied dat valt onder een meergemeentelijk ontwikkelingsplan waarvan de aanneming recenter is dan die van eerstgenoemd ontwikkelingsplan.
Art. D _II.17.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le schéma d'échelle de territoire inférieure respecte le schéma d'échelle de territoire supérieure s'il existe.
Toutefois, le schéma de développement pluricommunal, de développement communal et d'orientation local peuvent s'écarter du ou des schémas d'échelle de territoire supérieure moyennant une motivation qui démontre que le schéma :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le ou les schémas d'échelle de territoire supérieure;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
§ 2. En cas d'incompatibilité entre un schéma d'échelle de territoire inférieure préexistant et un schéma d'échelle de territoire supérieure qui entre en vigueur ultérieurement, il est fait application du schéma d'échelle de territoire supérieure.
[1 Lorsqu'un]1 schéma de développement pluricommunal qui concerne une partie d'un territoire communal est adopté postérieurement à un schéma de développement communal, le schéma de développement communal cesse de produire ses effets pour cette partie de territoire.
§ 1er. Le schéma d'échelle de territoire inférieure respecte le schéma d'échelle de territoire supérieure s'il existe.
Toutefois, le schéma de développement pluricommunal, de développement communal et d'orientation local peuvent s'écarter du ou des schémas d'échelle de territoire supérieure moyennant une motivation qui démontre que le schéma :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le ou les schémas d'échelle de territoire supérieure;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
§ 2. En cas d'incompatibilité entre un schéma d'échelle de territoire inférieure préexistant et un schéma d'échelle de territoire supérieure qui entre en vigueur ultérieurement, il est fait application du schéma d'échelle de territoire supérieure.
[1 Lorsqu'un]1 schéma de développement pluricommunal qui concerne une partie d'un territoire communal est adopté postérieurement à un schéma de développement communal, le schéma de développement communal cesse de produire ses effets pour cette partie de territoire.
Wijzigingen
TITEL II. - Gewestplannen
TITRE II. - Plans de secteur
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. D. II.18. Het gewestplan bepaalt de inrichting van het grondgebied dat erdoor afgedekt wordt.
De Regering kan de indeling van het grondgebied in sectoren herzien volgens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk III.
De Regering kan de indeling van het grondgebied in sectoren herzien volgens de bepalingen bedoeld in hoofdstuk III.
Art. D. II.18. Le plan de secteur fixe l'aménagement du territoire qu'il couvre.
Le Gouvernement peut réviser la division du territoire en secteurs selon les dispositions visées au chapitre III.
Le Gouvernement peut réviser la division du territoire en secteurs selon les dispositions visées au chapitre III.
Art. D. II.19. Behalve voor de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens waarvoor geen bestemming is voorzien, legt de Regering, na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de gebieden vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt.
Art. D. II.19. Après avis du pôle "Aménagement du territoire", le Gouvernement désigne les secteurs d'aménagement qui font l'objet d'un plan, sauf pour les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes que le plan n'affecte pas.
Art. D. II.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Behalve voor de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens waarvoor geen bestemming is voorzien, legt de Regering, na advies van de [1 Adviesraad]1, de gebieden vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt.
Behalve voor de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens waarvoor geen bestemming is voorzien, legt de Regering, na advies van de [1 Adviesraad]1, de gebieden vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt.
Art. D. II.19_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Après avis du [1 conseil consultatif]1, le Gouvernement désigne les secteurs d'aménagement qui font l'objet d'un plan, sauf pour les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes que le plan n'affecte pas.
Après avis du [1 conseil consultatif]1, le Gouvernement désigne les secteurs d'aménagement qui font l'objet d'un plan, sauf pour les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes que le plan n'affecte pas.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. D. II.20. Het gewestplan richt zich naar het ruimtelijk ontwikkelingsplan.
Het gewestplan kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan mits een motivering waaruit blijkt dat het gewestplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde of onbebouwde landschappen.
Het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, is van toepassing op het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de leidraden, op de stedenbouwkundige vergunning en op het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het gewestplan kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan mits een motivering waaruit blijkt dat het gewestplan :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde of onbebouwde landschappen.
Het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, is van toepassing op het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de leidraden, op de stedenbouwkundige vergunning en op het stedenbouwkundig attest nr. 2.
Art. D. II.20. Le plan de secteur s'inspire du schéma de développement du territoire.
Le plan de secteur peut s'écarter du schéma de développement du territoire moyennant une motivation qui démontre que le plan de secteur :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Le plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, s'applique au schéma de développement pluricommunal, au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, aux guides, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le plan de secteur peut s'écarter du schéma de développement du territoire moyennant une motivation qui démontre que le plan de secteur :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Le plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, s'applique au schéma de développement pluricommunal, au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, aux guides, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Art. D. II.21.§ 1. Het gewestplan bevat :
1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;
2° het bestaande en het geplande tracé of de plaatsvervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verkeerswegen en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen, water uitgezonderd, en brandstoffen.
Onder reserveringsomtrek wordt dat deel van het grondgebied verstaan dat voorbehouden wordt voor de aanleg, de bescherming of de instandhouding van verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen of energie. De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden.
De Regering kan het net van de voornaamste verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen bedoeld in lid 1, 2°, bepalen.
§ 2. Het plan kan, in overdruk over voormelde gebiedsbestemmingenen, beschermingsomtrekken bevatten voor :
1° een buitengewoon vergezicht;
2° een ecologisch doorgangsgebied;
3° een waardevol landschap;
4° een waardevol cultureel, historisch of esthetisch element;
5° ontginningsuitbreidingen;
[1 6° ruimten buiten een centrumgebied.]1
§ 3. Het plan kan bijkomende voorschriften bevatten voor :
1° een nadere bepaling of een specialisering van de bestemming van de gebieden;
2° de fasering van hun ingebruikname;
3° de omkeerbaarheid van de bestemmingen;
4° de verplichting om een lokaal beleidsontwikkelingsplan op te maken, voorafgaand aan de uitvoering ervan;
[1 5° de ruimteoptimalisatie.]1
De bijkomende voorschriften wijken niet af van de gebiedsomschrijvingen.
§ 4. Op de kaart bij het gewestplan worden enkel de gegevens, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, opgenomen.
De Regering kan de doelstellingen en effecten van de beschermingsomtrekken en de grafische weergave van het gewestplan bepalen.
1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;
2° het bestaande en het geplande tracé of de plaatsvervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verkeerswegen en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen, water uitgezonderd, en brandstoffen.
Onder reserveringsomtrek wordt dat deel van het grondgebied verstaan dat voorbehouden wordt voor de aanleg, de bescherming of de instandhouding van verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen of energie. De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden.
De Regering kan het net van de voornaamste verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen bedoeld in lid 1, 2°, bepalen.
§ 2. Het plan kan, in overdruk over voormelde gebiedsbestemmingenen, beschermingsomtrekken bevatten voor :
1° een buitengewoon vergezicht;
2° een ecologisch doorgangsgebied;
3° een waardevol landschap;
4° een waardevol cultureel, historisch of esthetisch element;
5° ontginningsuitbreidingen;
[1 6° ruimten buiten een centrumgebied.]1
§ 3. Het plan kan bijkomende voorschriften bevatten voor :
1° een nadere bepaling of een specialisering van de bestemming van de gebieden;
2° de fasering van hun ingebruikname;
3° de omkeerbaarheid van de bestemmingen;
4° de verplichting om een lokaal beleidsontwikkelingsplan op te maken, voorafgaand aan de uitvoering ervan;
[1 5° de ruimteoptimalisatie.]1
De bijkomende voorschriften wijken niet af van de gebiedsomschrijvingen.
§ 4. Op de kaart bij het gewestplan worden enkel de gegevens, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, opgenomen.
De Regering kan de doelstellingen en effecten van de beschermingsomtrekken en de grafische weergave van het gewestplan bepalen.
Art. D. II.21.§ 1er. Le plan de secteur comporte :
1° la détermination des différentes affectations du territoire;
2° le tracé existant et projeté, ou le périmètre de réservation qui en tient lieu, du réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides, à l'exception de l'eau, et d'énergie.
Par périmètre de réservation, on entend la partie de territoire qui réserve les espaces nécessaires à la réalisation, la protection ou le maintien d'infrastructures de communication ou de transport de fluides et d'énergie. Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières.
Le Gouvernement peut définir le réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie visés à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Le plan peut comporter, en surimpression aux affectations du territoire précitées, des périmètres de protection :
1° de point de vue remarquable;
2° de liaison écologique;
3° d'intérêt paysager;
4° d'intérêt culturel, historique ou esthétique;
5° d'extension de zones d'extraction;
[1 6° des espaces hors centralité.]1
§ 3. Le plan peut comporter des prescriptions supplémentaires portant sur :
1° la précision ou la spécialisation de l'affectation des zones;
2° le phasage de leur occupation;
3° la réversibilité des affectations;
4° l'obligation d'élaborer un schéma d'orientation local préalablement à leur mise en oeuvre;
[1 5° l'optimisation spatiale.]1
Les prescriptions supplémentaires ne peuvent déroger aux définitions des zones.
§ 4. La carte du plan de secteur figure uniquement les éléments visés aux paragraphes 1 à 3.
Le Gouvernement peut déterminer les objectifs et effets des périmètres de protection et la présentation graphique du plan de secteur.
1° la détermination des différentes affectations du territoire;
2° le tracé existant et projeté, ou le périmètre de réservation qui en tient lieu, du réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides, à l'exception de l'eau, et d'énergie.
Par périmètre de réservation, on entend la partie de territoire qui réserve les espaces nécessaires à la réalisation, la protection ou le maintien d'infrastructures de communication ou de transport de fluides et d'énergie. Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières.
Le Gouvernement peut définir le réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie visés à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Le plan peut comporter, en surimpression aux affectations du territoire précitées, des périmètres de protection :
1° de point de vue remarquable;
2° de liaison écologique;
3° d'intérêt paysager;
4° d'intérêt culturel, historique ou esthétique;
5° d'extension de zones d'extraction;
[1 6° des espaces hors centralité.]1
§ 3. Le plan peut comporter des prescriptions supplémentaires portant sur :
1° la précision ou la spécialisation de l'affectation des zones;
2° le phasage de leur occupation;
3° la réversibilité des affectations;
4° l'obligation d'élaborer un schéma d'orientation local préalablement à leur mise en oeuvre;
[1 5° l'optimisation spatiale.]1
Les prescriptions supplémentaires ne peuvent déroger aux définitions des zones.
§ 4. La carte du plan de secteur figure uniquement les éléments visés aux paragraphes 1 à 3.
Le Gouvernement peut déterminer les objectifs et effets des périmètres de protection et la présentation graphique du plan de secteur.
Wijzigingen
Art. D _II.21.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Het gewestplan bevat :
1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;
2° het bestaande en het geplande tracé of de plaatsvervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verkeerswegen en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen, water uitgezonderd, en brandstoffen.
Onder reserveringsomtrek wordt dat deel van het grondgebied verstaan dat voorbehouden wordt voor de aanleg, de bescherming of de instandhouding van verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen of energie. De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden.
De Regering kan het net van de voornaamste verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen bedoeld in lid 1, 2°, bepalen.
§ 2. Het plan kan, in overdruk over voormelde gebiedsbestemmingenen, beschermingsomtrekken bevatten voor :
1° een buitengewoon vergezicht;
2° een ecologisch doorgangsgebied;
3° een waardevol landschap;
4° een waardevol cultureel, historisch of esthetisch element;
5° ontginningsuitbreidingen.
§ 3. Het plan kan bijkomende voorschriften bevatten voor :
1° een nadere bepaling of een specialisering van de bestemming van de gebieden;
2° de fasering van hun ingebruikname;
3° de omkeerbaarheid van de bestemmingen;
4° de verplichting om een lokaal beleidsontwikkelingsplan op te maken, voorafgaand aan de uitvoering ervan.
De bijkomende voorschriften wijken niet af van de gebiedsomschrijvingen.
§ 4. Op de kaart bij het gewestplan worden enkel de gegevens, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, opgenomen.
De Regering kan de doelstellingen en effecten van de beschermingsomtrekken en de grafische weergave van het gewestplan bepalen.
[1 § 5. De Regering coördineert de gewestplannen die van toepassing zijn in het Duitse taalgebied; die gewestplannen worden gecoördineerde gewestplannen van de Duitstalige Gemeenschap genoemd.]1
§ 1. Het gewestplan bevat :
1° de verschillende bestemmingen van het grondgebied;
2° het bestaande en het geplande tracé of de plaatsvervangende reserveringsomtrek van het net van de voornaamste verkeerswegen en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen, water uitgezonderd, en brandstoffen.
Onder reserveringsomtrek wordt dat deel van het grondgebied verstaan dat voorbehouden wordt voor de aanleg, de bescherming of de instandhouding van verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloeistoffen of energie. De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden.
De Regering kan het net van de voornaamste verkeersinfrastructuren en leidingen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen bedoeld in lid 1, 2°, bepalen.
§ 2. Het plan kan, in overdruk over voormelde gebiedsbestemmingenen, beschermingsomtrekken bevatten voor :
1° een buitengewoon vergezicht;
2° een ecologisch doorgangsgebied;
3° een waardevol landschap;
4° een waardevol cultureel, historisch of esthetisch element;
5° ontginningsuitbreidingen.
§ 3. Het plan kan bijkomende voorschriften bevatten voor :
1° een nadere bepaling of een specialisering van de bestemming van de gebieden;
2° de fasering van hun ingebruikname;
3° de omkeerbaarheid van de bestemmingen;
4° de verplichting om een lokaal beleidsontwikkelingsplan op te maken, voorafgaand aan de uitvoering ervan.
De bijkomende voorschriften wijken niet af van de gebiedsomschrijvingen.
§ 4. Op de kaart bij het gewestplan worden enkel de gegevens, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, opgenomen.
De Regering kan de doelstellingen en effecten van de beschermingsomtrekken en de grafische weergave van het gewestplan bepalen.
[1 § 5. De Regering coördineert de gewestplannen die van toepassing zijn in het Duitse taalgebied; die gewestplannen worden gecoördineerde gewestplannen van de Duitstalige Gemeenschap genoemd.]1
Art. D _II.21.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le plan de secteur comporte :
1° la détermination des différentes affectations du territoire;
2° le tracé existant et projeté, ou le périmètre de réservation qui en tient lieu, du réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides, à l'exception de l'eau, et d'énergie.
Par périmètre de réservation, on entend la partie de territoire qui réserve les espaces nécessaires à la réalisation, la protection ou le maintien d'infrastructures de communication ou de transport de fluides et d'énergie. Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières.
Le Gouvernement peut définir le réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie visés à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Le plan peut comporter, en surimpression aux affectations du territoire précitées, des périmètres de protection :
1° de point de vue remarquable;
2° de liaison écologique;
3° d'intérêt paysager;
4° d'intérêt culturel, historique ou esthétique;
5° d'extension de zones d'extraction.
§ 3. Le plan peut comporter des prescriptions supplémentaires portant sur :
1° la précision ou la spécialisation de l'affectation des zones;
2° le phasage de leur occupation;
3° la réversibilité des affectations;
4° l'obligation d'élaborer un schéma d'orientation local préalablement à leur mise en oeuvre.
Les prescriptions supplémentaires ne peuvent déroger aux définitions des zones.
§ 4. La carte du plan de secteur figure uniquement les éléments visés aux paragraphes 1 à 3.
Le Gouvernement peut déterminer les objectifs et effets des périmètres de protection et la présentation graphique du plan de secteur.
[1 § 5. Le Gouvernement établit une coordination des plans de secteur en vigueur en région de langue allemande; celle-ci est dénommée "Plans de secteur coordonnés de la Communauté germanophone]1.
§ 1er. Le plan de secteur comporte :
1° la détermination des différentes affectations du territoire;
2° le tracé existant et projeté, ou le périmètre de réservation qui en tient lieu, du réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides, à l'exception de l'eau, et d'énergie.
Par périmètre de réservation, on entend la partie de territoire qui réserve les espaces nécessaires à la réalisation, la protection ou le maintien d'infrastructures de communication ou de transport de fluides et d'énergie. Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières.
Le Gouvernement peut définir le réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie visés à l'alinéa 1er, 2°.
§ 2. Le plan peut comporter, en surimpression aux affectations du territoire précitées, des périmètres de protection :
1° de point de vue remarquable;
2° de liaison écologique;
3° d'intérêt paysager;
4° d'intérêt culturel, historique ou esthétique;
5° d'extension de zones d'extraction.
§ 3. Le plan peut comporter des prescriptions supplémentaires portant sur :
1° la précision ou la spécialisation de l'affectation des zones;
2° le phasage de leur occupation;
3° la réversibilité des affectations;
4° l'obligation d'élaborer un schéma d'orientation local préalablement à leur mise en oeuvre.
Les prescriptions supplémentaires ne peuvent déroger aux définitions des zones.
§ 4. La carte du plan de secteur figure uniquement les éléments visés aux paragraphes 1 à 3.
Le Gouvernement peut déterminer les objectifs et effets des périmètres de protection et la présentation graphique du plan de secteur.
[1 § 5. Le Gouvernement établit une coordination des plans de secteur en vigueur en région de langue allemande; celle-ci est dénommée "Plans de secteur coordonnés de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden
Section 2. - Destination et prescriptions générales des zones
Art. D. II.22. Toepassingsgebied.
Deze afdeling bevat de algemene voorschriften voor de weergave en de toepassing van de door de Regering vastgelegde gewestplannen.
Deze afdeling bevat de algemene voorschriften voor de weergave en de toepassing van de door de Regering vastgelegde gewestplannen.
Art. D. II.22. Du champ d'application.
La section détermine les dispositions générales concernant la présentation et la mise en oeuvre des plans de secteur arrêtés par le Gouvernement.
La section détermine les dispositions générales concernant la présentation et la mise en oeuvre des plans de secteur arrêtés par le Gouvernement.
Art. D. II.23.Indeling van het gewestplan in gebieden.
Het gewestplan bestaat uit gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en uit gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn.
De volgende gebieden zijn voor bebouwing bestemd :
1° woongebieden;
2° woongebieden met een landelijk karakter;
[1 2°bis groene woongebieden;]1
3° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
4° recreatiegebieden;
5° bedrijfsruimtes, namelijk :
a) de gemengde bedrijfsruimte;
b) de bedrijfsruimte met een industrieel karakter;
c) de specifieke bedrijfsruimte;
d) het gebied met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
e) het gebied van aanhorigheden van ontginningen;
6° gebieden van gewestelijk belang;
7° gebieden van gemeentelijk belang.
De volgende gebieden zijn niet voor bebouwing bestemd :
1° landbouwgebieden;
2° bosgebieden;
3° groengebieden;
4° natuurgebieden;
5° parkgebieden;
6° ontginningsgebieden.
De gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, zijn bedoeld om elke bestemming te krijgen, waarvan sprake in de leden 2 en 3.
Onverminderd artikel D.II.21, § 1, lid 1, 2°, zijn de infrastructuurnetten voor het verkeer over de weg, het spoor en de waterweg en de infrastructuurnetten voor het vervoer van vloeistoffen en energie, met inbegrip van de privé-aansluitingen en toebehoren, verenigbaar met de bestemmingen van het gewestplan bedoeld in de leden 2 tot 4.
Het gewestplan bestaat uit gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en uit gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn.
De volgende gebieden zijn voor bebouwing bestemd :
1° woongebieden;
2° woongebieden met een landelijk karakter;
[1 2°bis groene woongebieden;]1
3° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
4° recreatiegebieden;
5° bedrijfsruimtes, namelijk :
a) de gemengde bedrijfsruimte;
b) de bedrijfsruimte met een industrieel karakter;
c) de specifieke bedrijfsruimte;
d) het gebied met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
e) het gebied van aanhorigheden van ontginningen;
6° gebieden van gewestelijk belang;
7° gebieden van gemeentelijk belang.
De volgende gebieden zijn niet voor bebouwing bestemd :
1° landbouwgebieden;
2° bosgebieden;
3° groengebieden;
4° natuurgebieden;
5° parkgebieden;
6° ontginningsgebieden.
De gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, zijn bedoeld om elke bestemming te krijgen, waarvan sprake in de leden 2 en 3.
Onverminderd artikel D.II.21, § 1, lid 1, 2°, zijn de infrastructuurnetten voor het verkeer over de weg, het spoor en de waterweg en de infrastructuurnetten voor het vervoer van vloeistoffen en energie, met inbegrip van de privé-aansluitingen en toebehoren, verenigbaar met de bestemmingen van het gewestplan bedoeld in de leden 2 tot 4.
Art. D. II.23.De la division du plan de secteur en zones.
Le plan de secteur comporte des zones destinées à l'urbanisation et des zones non destinées à l'urbanisation.
Les zones suivantes sont destinées à l'urbanisation :
1° la zone d'habitat;
2° la zone d'habitat à caractère rural;
[1 2°bis la zone d'habitat vert;]1
3° la zone de services publics et d'équipements communautaires;
4° la zone de loisirs;
5° les zones d'activité économique, à savoir :
a) la zone d'activité économique mixte;
b) la zone d'activité économique industrielle;
c) la zone d'activité économique spécifique;
d) la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
e) la zone de dépendances d'extraction;
6° la zone d'enjeu régional;
7° la zone d'enjeu communal.
Les zones suivantes ne sont pas destinées à l'urbanisation :
1° la zone agricole;
2° la zone forestière;
3° la zone d'espaces verts;
4° la zone naturelle;
5° la zone de parc;
6° la zone d'extraction.
La zone d'aménagement communal concerté est destinée à recevoir toute affectation visée aux alinéas 2 et 3.
Sans préjudice de l'article D.II.21, § 1er, alinéa 1er, 2°, les réseaux des infrastructures de communication routière, ferroviaire et fluviale et les réseaux des infrastructures de transport de fluide ou d'énergie, en ce compris les raccordements privés et les éléments accessoires, sont compatibles avec les destinations du plan de secteur visées aux alinéas 2 à 4.
Le plan de secteur comporte des zones destinées à l'urbanisation et des zones non destinées à l'urbanisation.
Les zones suivantes sont destinées à l'urbanisation :
1° la zone d'habitat;
2° la zone d'habitat à caractère rural;
[1 2°bis la zone d'habitat vert;]1
3° la zone de services publics et d'équipements communautaires;
4° la zone de loisirs;
5° les zones d'activité économique, à savoir :
a) la zone d'activité économique mixte;
b) la zone d'activité économique industrielle;
c) la zone d'activité économique spécifique;
d) la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
e) la zone de dépendances d'extraction;
6° la zone d'enjeu régional;
7° la zone d'enjeu communal.
Les zones suivantes ne sont pas destinées à l'urbanisation :
1° la zone agricole;
2° la zone forestière;
3° la zone d'espaces verts;
4° la zone naturelle;
5° la zone de parc;
6° la zone d'extraction.
La zone d'aménagement communal concerté est destinée à recevoir toute affectation visée aux alinéas 2 et 3.
Sans préjudice de l'article D.II.21, § 1er, alinéa 1er, 2°, les réseaux des infrastructures de communication routière, ferroviaire et fluviale et les réseaux des infrastructures de transport de fluide ou d'énergie, en ce compris les raccordements privés et les éléments accessoires, sont compatibles avec les destinations du plan de secteur visées aux alinéas 2 à 4.
Wijzigingen
Art. D. II.24. Woongebieden.
Woongebieden zijn hoofdzakelijk voor wonen bestemd.
Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein-industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en -bouwwerken, alsmede landbouwbedrijven en toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving.
Woongebieden moeten ook voorzien in openbaar groen.
Woongebieden zijn hoofdzakelijk voor wonen bestemd.
Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein-industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en -bouwwerken, alsmede landbouwbedrijven en toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving.
Woongebieden moeten ook voorzien in openbaar groen.
Art. D. II.24. De la zone d'habitat.
La zone d'habitat est principalement destinée à la résidence.
Les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires, les exploitations agricoles et les équipements touristiques ou récréatifs peuvent également y être autorisés pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'ils soient compatibles avec le voisinage.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics.
La zone d'habitat est principalement destinée à la résidence.
Les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires, les exploitations agricoles et les équipements touristiques ou récréatifs peuvent également y être autorisés pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'ils soient compatibles avec le voisinage.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics.
Art. D. II.25. Woongebieden met een landelijk karakter.
Woongebieden met een landelijk karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor verblijf en landbouwbedrijven, alsook voor hun diversificatie-activiteiten bepaald door de Regering overeenkomstig artikel D.II.36, § 3.
Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein-industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en -bouwwerken, toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving.
Die gebieden moeten ook voorzien in openbaare groen.
Woongebieden met een landelijk karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor verblijf en landbouwbedrijven, alsook voor hun diversificatie-activiteiten bepaald door de Regering overeenkomstig artikel D.II.36, § 3.
Ambachtelijke, dienstverlenende, verdelings-, onderzoeks- of klein-industriële activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en -bouwwerken, toeristische of recreatieve accommodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving.
Die gebieden moeten ook voorzien in openbaare groen.
Art. D. II.25. De la zone d'habitat à caractère rural.
La zone d'habitat à caractère rural est principalement destinée à la résidence et aux exploitations agricoles ainsi qu'à leurs activités de diversification déterminées par le Gouvernement en application de l'article D.II.36, § 3.
Les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires de même que les équipements touristiques ou récréatifs peuvent également y être autorisés pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'ils soient compatibles avec le voisinage.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics.
La zone d'habitat à caractère rural est principalement destinée à la résidence et aux exploitations agricoles ainsi qu'à leurs activités de diversification déterminées par le Gouvernement en application de l'article D.II.36, § 3.
Les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires de même que les équipements touristiques ou récréatifs peuvent également y être autorisés pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'ils soient compatibles avec le voisinage.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics.
Art. D. II.25/1. [1 Groene woongebieden
Het groen woongebied is voornamelijk bestemd voor het verblijf dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in dit artikel :
1° elk perceel dat voor een verblijf bestemd is, moet een minimale oppervlakte van netto tweehonderd vierkante meter hebben;
2° het over het gehele gebied berekend aantal percelen per hectare mag niet lager zijn dan vijftien en niet hoger dan vijfendertig;
3° de verblijven zijn bouwwerken van maximum 60 vierkante meter van bruto-vloeroppervlakte, zonder verdieping, met uitzondering van de gebieden die over een bestaande verkavelingsvergunning of bebouwingsvergunning beschikken en die een grotere woonoppervlakte toelaten.
4° bij wijze van uitzondering en voor zover het daarvoor bestemd aantal percelen niet 2 % overschrijdt van het aantal percelen van het gebied, kunnen bouwwerken of installaties worden toegelaten die het alternatief toerisme bevorderen en waarbij aan de voorwaarden bedoeld in 3° wordt voldaan met inbegrip van de joerten en de boomhutten.
De uitvoering van het groen woongebied is onderworpen aan de aanneming van een lokaal beleidsontwikkelingsplan goedgekeurd door de Regering dat de totaliteit van het gebied dekt en aan het verstrekken van een bebouwingsvergunning of een vergunning voor gegroepeerde bouw die het geheel of een gedeelte van het uitgevoerde gebied dekt.
Het groen woongebied kan toeristisch verblijf bevatten, alsook ambachtelijke activiteiten, activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, van de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen, voor zover dit toeristisch verblijf en deze activiteiten elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdbestemming van het gebied bedoeld in het eerste lid.
Het groen woongebied moet openbare groengebieden bevatten die minstens 15 % van de oppervlakte van het gebied bedekken.]1
Het groen woongebied is voornamelijk bestemd voor het verblijf dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in dit artikel :
1° elk perceel dat voor een verblijf bestemd is, moet een minimale oppervlakte van netto tweehonderd vierkante meter hebben;
2° het over het gehele gebied berekend aantal percelen per hectare mag niet lager zijn dan vijftien en niet hoger dan vijfendertig;
3° de verblijven zijn bouwwerken van maximum 60 vierkante meter van bruto-vloeroppervlakte, zonder verdieping, met uitzondering van de gebieden die over een bestaande verkavelingsvergunning of bebouwingsvergunning beschikken en die een grotere woonoppervlakte toelaten.
4° bij wijze van uitzondering en voor zover het daarvoor bestemd aantal percelen niet 2 % overschrijdt van het aantal percelen van het gebied, kunnen bouwwerken of installaties worden toegelaten die het alternatief toerisme bevorderen en waarbij aan de voorwaarden bedoeld in 3° wordt voldaan met inbegrip van de joerten en de boomhutten.
De uitvoering van het groen woongebied is onderworpen aan de aanneming van een lokaal beleidsontwikkelingsplan goedgekeurd door de Regering dat de totaliteit van het gebied dekt en aan het verstrekken van een bebouwingsvergunning of een vergunning voor gegroepeerde bouw die het geheel of een gedeelte van het uitgevoerde gebied dekt.
Het groen woongebied kan toeristisch verblijf bevatten, alsook ambachtelijke activiteiten, activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, van de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen, voor zover dit toeristisch verblijf en deze activiteiten elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdbestemming van het gebied bedoeld in het eerste lid.
Het groen woongebied moet openbare groengebieden bevatten die minstens 15 % van de oppervlakte van het gebied bedekken.]1
Art. D. II.25/1. [1 De la zone d'habitat vert
La zone d'habitat vert est principalement destinée à la résidence répondant aux conditions fixées dans le présent article :
1° chaque parcelle destinée à recevoir une résidence doit présenter une superficie minimale de 200 mètres carrés nets;
2° le nombre de parcelles à l'hectare calculé sur l'ensemble de la zone ne peut être inférieur à quinze et ne peut excéder trente-cinq;
3° les résidences sont des constructions de 60 mètres carrés maximum de superficie brute de plancher, sans étage, à l'exception des zones bénéficiant d'un permis de lotir ou d'un permis d'urbanisation existant et permettant une superficie d'habitation plus grande.
4° à titre exceptionnel et pour autant que le nombre de parcelles qui leur est réservé ne dépasse pas 2 % du nombre de parcelles de la zone, peuvent y être admises des constructions ou installations favorisant le tourisme alternatif répondant aux conditions visées au 3° en ce compris les yourtes et les cabanes dans les arbres.
La mise en oeuvre de la zone d'habitat vert est subordonnée à l'adoption d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement couvrant la totalité de la zone et à la délivrance d'un permis d'urbanisation ou d'un permis de construction groupée couvrant tout ou partie de la zone mise en oeuvre.
La zone d'habitat vert peut comporter de la résidence touristique, ainsi que des activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires, pour autant que cette résidence touristique et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er.
La zone d'habitat vert doit accueillir des espaces verts publics couvrant au moins 15 % de la superficie de la zone.]1
La zone d'habitat vert est principalement destinée à la résidence répondant aux conditions fixées dans le présent article :
1° chaque parcelle destinée à recevoir une résidence doit présenter une superficie minimale de 200 mètres carrés nets;
2° le nombre de parcelles à l'hectare calculé sur l'ensemble de la zone ne peut être inférieur à quinze et ne peut excéder trente-cinq;
3° les résidences sont des constructions de 60 mètres carrés maximum de superficie brute de plancher, sans étage, à l'exception des zones bénéficiant d'un permis de lotir ou d'un permis d'urbanisation existant et permettant une superficie d'habitation plus grande.
4° à titre exceptionnel et pour autant que le nombre de parcelles qui leur est réservé ne dépasse pas 2 % du nombre de parcelles de la zone, peuvent y être admises des constructions ou installations favorisant le tourisme alternatif répondant aux conditions visées au 3° en ce compris les yourtes et les cabanes dans les arbres.
La mise en oeuvre de la zone d'habitat vert est subordonnée à l'adoption d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement couvrant la totalité de la zone et à la délivrance d'un permis d'urbanisation ou d'un permis de construction groupée couvrant tout ou partie de la zone mise en oeuvre.
La zone d'habitat vert peut comporter de la résidence touristique, ainsi que des activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires, pour autant que cette résidence touristique et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er.
La zone d'habitat vert doit accueillir des espaces verts publics couvrant au moins 15 % de la superficie de la zone.]1
Art. D _II.25bis.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Groene woongebieden
Het groen woongebied is voornamelijk bestemd voor het verblijf dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in dit artikel :
1° elk perceel dat voor een verblijf bestemd is, moet een minimale oppervlakte van netto tweehonderd vierkante meter hebben;
2° het over het gehele gebied berekend aantal percelen per hectare mag niet lager zijn dan vijftien en niet hoger dan vijfendertig;
3° de verblijven zijn bouwwerken van maximum 60 vierkante meter van bruto-vloeroppervlakte, zonder verdieping, met uitzondering van de gebieden die over een bestaande [2 verkavelingsvergunning, bebouwingsvergunning of ontsluitingsvergunning]2 beschikken en die een grotere woonoppervlakte toelaten.
4° bij wijze van uitzondering en voor zover het daarvoor bestemd aantal percelen niet 2 % overschrijdt van het aantal percelen van het gebied, kunnen bouwwerken of installaties worden toegelaten die het alternatief toerisme bevorderen en waarbij aan de voorwaarden bedoeld in 3° wordt voldaan met inbegrip van de joerten en de boomhutten.
De uitvoering van het groen woongebied is onderworpen aan de aanneming van een lokaal beleidsontwikkelingsplan goedgekeurd door de Regering dat de totaliteit van het gebied dekt en aan het verstrekken van een [2 ontsluitingsvergunning]2 of een vergunning voor gegroepeerde bouw die het geheel of een gedeelte van het uitgevoerde gebied dekt.
Het groen woongebied kan toeristisch verblijf bevatten, alsook ambachtelijke activiteiten, activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, van de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen, voor zover dit toeristisch verblijf en deze activiteiten elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdbestemming van het gebied bedoeld in het eerste lid.
Het groen woongebied moet openbare groengebieden bevatten die minstens 15 % van de oppervlakte van het gebied bedekken.]1
[1 Groene woongebieden
Het groen woongebied is voornamelijk bestemd voor het verblijf dat voldoet aan de voorwaarden bepaald in dit artikel :
1° elk perceel dat voor een verblijf bestemd is, moet een minimale oppervlakte van netto tweehonderd vierkante meter hebben;
2° het over het gehele gebied berekend aantal percelen per hectare mag niet lager zijn dan vijftien en niet hoger dan vijfendertig;
3° de verblijven zijn bouwwerken van maximum 60 vierkante meter van bruto-vloeroppervlakte, zonder verdieping, met uitzondering van de gebieden die over een bestaande [2 verkavelingsvergunning, bebouwingsvergunning of ontsluitingsvergunning]2 beschikken en die een grotere woonoppervlakte toelaten.
4° bij wijze van uitzondering en voor zover het daarvoor bestemd aantal percelen niet 2 % overschrijdt van het aantal percelen van het gebied, kunnen bouwwerken of installaties worden toegelaten die het alternatief toerisme bevorderen en waarbij aan de voorwaarden bedoeld in 3° wordt voldaan met inbegrip van de joerten en de boomhutten.
De uitvoering van het groen woongebied is onderworpen aan de aanneming van een lokaal beleidsontwikkelingsplan goedgekeurd door de Regering dat de totaliteit van het gebied dekt en aan het verstrekken van een [2 ontsluitingsvergunning]2 of een vergunning voor gegroepeerde bouw die het geheel of een gedeelte van het uitgevoerde gebied dekt.
Het groen woongebied kan toeristisch verblijf bevatten, alsook ambachtelijke activiteiten, activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, van de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen, voor zover dit toeristisch verblijf en deze activiteiten elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdbestemming van het gebied bedoeld in het eerste lid.
Het groen woongebied moet openbare groengebieden bevatten die minstens 15 % van de oppervlakte van het gebied bedekken.]1
Art. D _II.25bis.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 De la zone d'habitat vert
La zone d'habitat vert est principalement destinée à la résidence répondant aux conditions fixées dans le présent article :
1° chaque parcelle destinée à recevoir une résidence doit présenter une superficie minimale de 200 mètres carrés nets;
2° le nombre de parcelles à l'hectare calculé sur l'ensemble de la zone ne peut être inférieur à quinze et ne peut excéder trente-cinq;
3° les résidences sont des constructions de 60 mètres carrés maximum de superficie brute de plancher, sans étage, à l'exception des zones bénéficiant [2 d'un permis de lotir, d'urbanisation ou d'urbaniser]2 existant et permettant une superficie d'habitation plus grande.
4° à titre exceptionnel et pour autant que le nombre de parcelles qui leur est réservé ne dépasse pas 2 % du nombre de parcelles de la zone, peuvent y être admises des constructions ou installations favorisant le tourisme alternatif répondant aux conditions visées au 3° en ce compris les yourtes et les cabanes dans les arbres.
La mise en oeuvre de la zone d'habitat vert est subordonnée à l'adoption d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement couvrant la totalité de la zone et à la délivrance d'un [2 permis d'urbaniser]2 ou d'un permis de construction groupée couvrant tout ou partie de la zone mise en oeuvre.
La zone d'habitat vert peut comporter de la résidence touristique, ainsi que des activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires, pour autant que cette résidence touristique et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er.
La zone d'habitat vert doit accueillir des espaces verts publics couvrant au moins 15 % de la superficie de la zone.]1
[1 De la zone d'habitat vert
La zone d'habitat vert est principalement destinée à la résidence répondant aux conditions fixées dans le présent article :
1° chaque parcelle destinée à recevoir une résidence doit présenter une superficie minimale de 200 mètres carrés nets;
2° le nombre de parcelles à l'hectare calculé sur l'ensemble de la zone ne peut être inférieur à quinze et ne peut excéder trente-cinq;
3° les résidences sont des constructions de 60 mètres carrés maximum de superficie brute de plancher, sans étage, à l'exception des zones bénéficiant [2 d'un permis de lotir, d'urbanisation ou d'urbaniser]2 existant et permettant une superficie d'habitation plus grande.
4° à titre exceptionnel et pour autant que le nombre de parcelles qui leur est réservé ne dépasse pas 2 % du nombre de parcelles de la zone, peuvent y être admises des constructions ou installations favorisant le tourisme alternatif répondant aux conditions visées au 3° en ce compris les yourtes et les cabanes dans les arbres.
La mise en oeuvre de la zone d'habitat vert est subordonnée à l'adoption d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement couvrant la totalité de la zone et à la délivrance d'un [2 permis d'urbaniser]2 ou d'un permis de construction groupée couvrant tout ou partie de la zone mise en oeuvre.
La zone d'habitat vert peut comporter de la résidence touristique, ainsi que des activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires, pour autant que cette résidence touristique et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er.
La zone d'habitat vert doit accueillir des espaces verts publics couvrant au moins 15 % de la superficie de la zone.]1
Art. D. II.26. Gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
§ 1. Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen zijn bestemd voor activiteiten van algemeen nut of van algemeen belang.
In deze gebieden mogen enkel bouwwerken of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk persoon aan wie de overheid de uitvoering van een project heeft toevertrouwd. Bouwwerken of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten.
§ 2. Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T." zijn hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving, zoals bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan bedoelde exploitatie voorafgaat. Daarnaast kunnen die gebieden bestemd worden voor andere afvalbeheersactiviteiten voor zover die activiteiten verband houden met de exploitatie van het toegelaten centrum voor technische ingraving of de exploitatie ervan niet in het gedrang brengen. Bij het beëindigen van de exploitatie van het centrum voor technische ingraving wordt de omtrek van het gebied waarin een dergelijk centrum gelegen is, een groengebied en wordt de sanering ervan geheel of gedeeltelijk vastgesteld bij de vergunning die is afgegeven voor de exploitatie van bedoelde installatie.
In de gebieden of delen van gebieden met de overdruk "C.E.T." die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur worden toegelaten voor zover de toekomstige exploitatie van het centrum voor technische ingraving daarmee niet in het gedrang wordt gebracht.
Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T.D." worden uitsluitend bestemd voor het behoud van een aan diens bestemming onttrokken centrum voor technische ingraving, zoals bedoeld bij de wetgeving op de afvalstoffen, waarin beperkingen opgelegd kunnen worden aan de handelingen en werken met als doel het garanderen van de instandhouding en de bewaking van de bouwwerken en de werken die zijn verwezenlijkt voor het herstel van vervuilde sites in hun oorspronkelijke staat.
Voor de exploitatie en de instandhouding van in deze paragraaf bedoelde gebieden kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden.
De gebieden bedoeld in deze paragraaf worden omringd door een afzonderingsomtrek of -marge.
§ 1. Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen zijn bestemd voor activiteiten van algemeen nut of van algemeen belang.
In deze gebieden mogen enkel bouwwerken of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk persoon aan wie de overheid de uitvoering van een project heeft toevertrouwd. Bouwwerken of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten.
§ 2. Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T." zijn hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving, zoals bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan bedoelde exploitatie voorafgaat. Daarnaast kunnen die gebieden bestemd worden voor andere afvalbeheersactiviteiten voor zover die activiteiten verband houden met de exploitatie van het toegelaten centrum voor technische ingraving of de exploitatie ervan niet in het gedrang brengen. Bij het beëindigen van de exploitatie van het centrum voor technische ingraving wordt de omtrek van het gebied waarin een dergelijk centrum gelegen is, een groengebied en wordt de sanering ervan geheel of gedeeltelijk vastgesteld bij de vergunning die is afgegeven voor de exploitatie van bedoelde installatie.
In de gebieden of delen van gebieden met de overdruk "C.E.T." die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur worden toegelaten voor zover de toekomstige exploitatie van het centrum voor technische ingraving daarmee niet in het gedrang wordt gebracht.
Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T.D." worden uitsluitend bestemd voor het behoud van een aan diens bestemming onttrokken centrum voor technische ingraving, zoals bedoeld bij de wetgeving op de afvalstoffen, waarin beperkingen opgelegd kunnen worden aan de handelingen en werken met als doel het garanderen van de instandhouding en de bewaking van de bouwwerken en de werken die zijn verwezenlijkt voor het herstel van vervuilde sites in hun oorspronkelijke staat.
Voor de exploitatie en de instandhouding van in deze paragraaf bedoelde gebieden kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden.
De gebieden bedoeld in deze paragraaf worden omringd door een afzonderingsomtrek of -marge.
Art. D. II.26. De la zone de services publics et d'équipements communautaires.
§ 1er. La zone de services publics et d'équipements communautaires est destinée aux activités d'utilité publique ou d'intérêt général.
Elle ne peut comporter que des constructions ou aménagements destinés à satisfaire un besoin social assuré par une personne publique ou une personne privée à laquelle les pouvoirs publics ont confié la réalisation d'un projet. Elle peut également comporter des constructions ou aménagements qui ont pour finalité de promouvoir l'intérêt général.
§ 2. La zone de services publics et d'équipements communautaires marquée de la surimpression "C.E.T." est principalement destinée à accueillir l'implantation et l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique visées par la législation relative aux déchets ainsi que les installations de regroupement de déchets préalables à cette exploitation. Elle peut, en outre, être destinée à d'autres activités de gestion de déchets pour autant que ces activités soient liées à l'exploitation du centre d'enfouissement technique autorisé ou n'en compromettent pas l'exploitation. Au terme de l'exploitation du centre d'enfouissement technique, le périmètre couvert par celui-ci devient une zone d'espaces verts et sa réhabilitation, en tout ou en partie, est fixée par le permis délivré pour l'exploitation de l'installation concernée.
Dans les zones ou parties de zone marquées de la surimpression "C.E.T." non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du centre d'enfouissement technique.
La zone de services publics et d'équipements communautaires marquée de la surimpression "C.E.T.D." est exclusivement destinée au maintien d'un centre d'enfouissement technique désaffecté visé par la législation relative aux déchets, dans laquelle des restrictions peuvent être imposées aux actes et travaux dans le but de garantir le maintien et la surveillance des ouvrages et travaux réalisés pour la remise en état des sites pollués.
Les immeubles de bureaux ou de surveillance nécessaires à l'exploitation et au maintien des zones visées au présent paragraphe peuvent être admis.
Les zones visées au présent paragraphe comportent un périmètre ou un dispositif d'isolement.
§ 1er. La zone de services publics et d'équipements communautaires est destinée aux activités d'utilité publique ou d'intérêt général.
Elle ne peut comporter que des constructions ou aménagements destinés à satisfaire un besoin social assuré par une personne publique ou une personne privée à laquelle les pouvoirs publics ont confié la réalisation d'un projet. Elle peut également comporter des constructions ou aménagements qui ont pour finalité de promouvoir l'intérêt général.
§ 2. La zone de services publics et d'équipements communautaires marquée de la surimpression "C.E.T." est principalement destinée à accueillir l'implantation et l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique visées par la législation relative aux déchets ainsi que les installations de regroupement de déchets préalables à cette exploitation. Elle peut, en outre, être destinée à d'autres activités de gestion de déchets pour autant que ces activités soient liées à l'exploitation du centre d'enfouissement technique autorisé ou n'en compromettent pas l'exploitation. Au terme de l'exploitation du centre d'enfouissement technique, le périmètre couvert par celui-ci devient une zone d'espaces verts et sa réhabilitation, en tout ou en partie, est fixée par le permis délivré pour l'exploitation de l'installation concernée.
Dans les zones ou parties de zone marquées de la surimpression "C.E.T." non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du centre d'enfouissement technique.
La zone de services publics et d'équipements communautaires marquée de la surimpression "C.E.T.D." est exclusivement destinée au maintien d'un centre d'enfouissement technique désaffecté visé par la législation relative aux déchets, dans laquelle des restrictions peuvent être imposées aux actes et travaux dans le but de garantir le maintien et la surveillance des ouvrages et travaux réalisés pour la remise en état des sites pollués.
Les immeubles de bureaux ou de surveillance nécessaires à l'exploitation et au maintien des zones visées au présent paragraphe peuvent être admis.
Les zones visées au présent paragraphe comportent un périmètre ou un dispositif d'isolement.
Art. D. II.27. Recreatiegebieden.
Recreatiegebieden zijn bestemd voor de vestiging van recreatieve of toeristische accomodatie, met inbegrip van recreatieve logies.
De woning van de uitbater kan toegelaten worden voor zover dit vereist is voor de goede werking van de uitrusting. Zij maakt volledig deel uit van het bedrijf.
Voor zover recreatiegebieden grenzen aan woongebieden, aan woongebieden met een landelijk karakter of aan ontsloten gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure is onderworpen dat geheel of gedeeltelijk voor verblijven wordt bestemd, kunnen ze woningen bevatten, evenals ambachtelijke activiteiten, dienstverlenende activiteiten, sociaal-culturele uitrustingen, inrichtingen voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, voor zover :
1° die woningen en die activiteiten tegelijk de voornaamste bestemming van het gebied waarvan sprake in lid 1 aanvullen en eraan ondergeschikt zijn;
2° recreatiegebied tegelijk gelegen zijn in de omtrek van een vooraf door de Regering goedgekeurd lokaal beleidsontwikkelingsplan.
Recreatiegebieden zijn bestemd voor de vestiging van recreatieve of toeristische accomodatie, met inbegrip van recreatieve logies.
De woning van de uitbater kan toegelaten worden voor zover dit vereist is voor de goede werking van de uitrusting. Zij maakt volledig deel uit van het bedrijf.
Voor zover recreatiegebieden grenzen aan woongebieden, aan woongebieden met een landelijk karakter of aan ontsloten gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure is onderworpen dat geheel of gedeeltelijk voor verblijven wordt bestemd, kunnen ze woningen bevatten, evenals ambachtelijke activiteiten, dienstverlenende activiteiten, sociaal-culturele uitrustingen, inrichtingen voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, voor zover :
1° die woningen en die activiteiten tegelijk de voornaamste bestemming van het gebied waarvan sprake in lid 1 aanvullen en eraan ondergeschikt zijn;
2° recreatiegebied tegelijk gelegen zijn in de omtrek van een vooraf door de Regering goedgekeurd lokaal beleidsontwikkelingsplan.
Art. D. II.27. De la zone de loisirs.
La zone de loisirs est destinée aux équipements récréatifs ou touristiques, en ce compris l'hébergement de loisirs.
Le logement de l'exploitant peut être admis pour autant que la bonne marche de l'équipement l'exige. Il fait partie intégrante de l'exploitation.
Pour autant qu'elle soit contiguë à une zone d'habitat, à une zone d'habitat à caractère rural ou à une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre et affectée en tout ou partie à la résidence, la zone de loisirs peut comporter de l'habitat ainsi que des activités d'artisanat, de services, des équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires pour autant que simultanément :
1° cet habitat et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er;
2° la zone de loisirs soit située dans le périmètre d'un schéma d'orientation local approuvé préalablement par le Gouvernement.
La zone de loisirs est destinée aux équipements récréatifs ou touristiques, en ce compris l'hébergement de loisirs.
Le logement de l'exploitant peut être admis pour autant que la bonne marche de l'équipement l'exige. Il fait partie intégrante de l'exploitation.
Pour autant qu'elle soit contiguë à une zone d'habitat, à une zone d'habitat à caractère rural ou à une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre et affectée en tout ou partie à la résidence, la zone de loisirs peut comporter de l'habitat ainsi que des activités d'artisanat, de services, des équipements socioculturels, des aménagements de services publics et d'équipements communautaires pour autant que simultanément :
1° cet habitat et ces activités soient complémentaires et accessoires à la destination principale de la zone visée à l'alinéa 1er;
2° la zone de loisirs soit située dans le périmètre d'un schéma d'orientation local approuvé préalablement par le Gouvernement.
Art. D. II.28. Bedrijfsruimtes
Onder bedrijfsruimtes worden verstaan, gemengde bedrijfsruimtes, industriële bedrijfsruimtes, specifieke bedrijfsruimtes, gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en gebieden van aanhorigheden van ontginningen.
Elke activiteit die in die gebieden bijdraagt tot de ontwikkeling van de circulaire economie wordt er toegelaten. Een bedrijfsruimte kan eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover de ontwikkeling van het bestaand gebied er niet door verhinderd wordt.
Deze gebieden worden omringd door een afzonderingsmarge, behalve :
1° voor het deel van de omtrek die langs een verkeersinfrastructuur ligt die nuttig is voor diens economische ontwikkeling of wanneer een natuurlijk of kunstmatig element dat onder het publieke domein valt, zelf een voldoende afzonderingsomtrek of -marge vormt;
2° tussen een gebied van aanhorigheden van ontginningen en een ontginningsgebied.
De woning van de uitbater of van het bewakingspersoneel kan er toegelaten worden voor zover vereist door de veiligheid of de goede werking van de onderneming. Zij maakt volledig deel uit van het bedrijf.
Onder bedrijfsruimtes worden verstaan, gemengde bedrijfsruimtes, industriële bedrijfsruimtes, specifieke bedrijfsruimtes, gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en gebieden van aanhorigheden van ontginningen.
Elke activiteit die in die gebieden bijdraagt tot de ontwikkeling van de circulaire economie wordt er toegelaten. Een bedrijfsruimte kan eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover de ontwikkeling van het bestaand gebied er niet door verhinderd wordt.
Deze gebieden worden omringd door een afzonderingsmarge, behalve :
1° voor het deel van de omtrek die langs een verkeersinfrastructuur ligt die nuttig is voor diens economische ontwikkeling of wanneer een natuurlijk of kunstmatig element dat onder het publieke domein valt, zelf een voldoende afzonderingsomtrek of -marge vormt;
2° tussen een gebied van aanhorigheden van ontginningen en een ontginningsgebied.
De woning van de uitbater of van het bewakingspersoneel kan er toegelaten worden voor zover vereist door de veiligheid of de goede werking van de onderneming. Zij maakt volledig deel uit van het bedrijf.
Art. D. II.28. Des zones d'activité économique.
Les zones d'activité économique comprennent la zone d'activité économique mixte, la zone d'activité économique industrielle, la zone d'activité économique spécifique, la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique et la zone de dépendances d'extraction.
Toute activité qui contribue à développer l'économie circulaire au sein de la zone y est autorisée. Une zone d'activité économique peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant qu'elles ne compromettent pas le développement de la zone existante.
Ces zones comportent un périmètre ou un dispositif d'isolement, sauf :
1° pour la partie de la zone qui se situe le long d'une infrastructure de communication utile à son développement économique ou lorsqu'un dispositif naturel ou artificiel, relevant du domaine public, constitue lui-même un périmètre ou un dispositif d'isolement suffisant;
2° entre une zone de dépendances d'extraction et une zone d'extraction.
Le logement de l'exploitant ou du personnel de gardiennage peut être admis pour autant que la sécurité ou la bonne marche de l'entreprise l'exigent. Il fait partie intégrante de l'exploitation.
Les zones d'activité économique comprennent la zone d'activité économique mixte, la zone d'activité économique industrielle, la zone d'activité économique spécifique, la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique et la zone de dépendances d'extraction.
Toute activité qui contribue à développer l'économie circulaire au sein de la zone y est autorisée. Une zone d'activité économique peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant qu'elles ne compromettent pas le développement de la zone existante.
Ces zones comportent un périmètre ou un dispositif d'isolement, sauf :
1° pour la partie de la zone qui se situe le long d'une infrastructure de communication utile à son développement économique ou lorsqu'un dispositif naturel ou artificiel, relevant du domaine public, constitue lui-même un périmètre ou un dispositif d'isolement suffisant;
2° entre une zone de dépendances d'extraction et une zone d'extraction.
Le logement de l'exploitant ou du personnel de gardiennage peut être admis pour autant que la sécurité ou la bonne marche de l'entreprise l'exigent. Il fait partie intégrante de l'exploitation.
Art. D. II.29. Gemengde bedrijfsruimtes
Gemengde bedrijfsruimtes zijn bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie. De opslagplaatsen en opslaginstallaties worden er toegelaten.
Gemengde bedrijfsruimtes zijn bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie. De opslagplaatsen en opslaginstallaties worden er toegelaten.
Art. D. II.29. De la zone d'activité économique mixte
La zone d'activité économique mixte est destinée aux activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie. Les halls et installations de stockage y sont admis.
La zone d'activité économique mixte est destinée aux activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie. Les halls et installations de stockage y sont admis.
Art. D. II.30. Bedrijfsruimtes met een industrieel karakter.
Bedrijfsruimtes met een industrieel karakter zijn bestemd voor activiteiten met een industrieel karakter, met inbegrip van de activiteiten in verband met de verwerking van grondstoffen of halfafgewerkte stoffen, verpakking, opslag, logistiek of verdeling. Ze kunnen beoefend worden op meerdere bedrijfslocaties.
Toegelaten worden de complementaire dienstverlenende ondernemingen en de bedrijfsactiviteiten zonder industrieel karakter die afgezonderd moeten worden om redenen van stedenbouwkundige opname, mobiliteit, veiligheid of bescherming van het leefmilieu. De detailverkoop is er verboden, behalve indien het een aanvulling vormt op een economische activiteit waarvan sprake in leden 1 en 2.
Voor een beperkte duur kunnen er toegelaten worden :
1° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter, de opslag van inerte afvalstoffen;
2° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter gelegen langs bevaarbare waterlopen, de opslag van uitgebaggerde aarde.
Bedrijfsruimtes met een industrieel karakter zijn bestemd voor activiteiten met een industrieel karakter, met inbegrip van de activiteiten in verband met de verwerking van grondstoffen of halfafgewerkte stoffen, verpakking, opslag, logistiek of verdeling. Ze kunnen beoefend worden op meerdere bedrijfslocaties.
Toegelaten worden de complementaire dienstverlenende ondernemingen en de bedrijfsactiviteiten zonder industrieel karakter die afgezonderd moeten worden om redenen van stedenbouwkundige opname, mobiliteit, veiligheid of bescherming van het leefmilieu. De detailverkoop is er verboden, behalve indien het een aanvulling vormt op een economische activiteit waarvan sprake in leden 1 en 2.
Voor een beperkte duur kunnen er toegelaten worden :
1° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter, de opslag van inerte afvalstoffen;
2° in de bedrijfsruimtes met een industrieel karakter gelegen langs bevaarbare waterlopen, de opslag van uitgebaggerde aarde.
Art. D. II.30. De la zone d'activité économique industrielle.
La zone d'activité économique industrielle est destinée aux activités à caractère industriel liées à un processus de transformation de matières premières ou semi-finies, de conditionnement, de stockage, de logistique ou de distribution. Elles peuvent s'exercer sur plusieurs sites d'activité.
Y sont admises les entreprises de services qui leur sont auxiliaires ainsi que les activités économiques qui ne sont pas à caractère industriel et qui doivent être isolées pour des raisons d'intégration urbanistique, de mobilité, de sécurité ou de protection environnementale. La vente au détail y est exclue sauf lorsqu'elle constitue l'accessoire d'une activité économique visée aux alinéas 1er et 2.
Peuvent être autorisés pour une durée limitée :
1° dans les zones d'activité économique industrielle, les dépôts de déchets inertes;
2° dans les zones d'activité économique industrielle situées le long des voies d'eau navigables, les dépôts de boue de dragage.
La zone d'activité économique industrielle est destinée aux activités à caractère industriel liées à un processus de transformation de matières premières ou semi-finies, de conditionnement, de stockage, de logistique ou de distribution. Elles peuvent s'exercer sur plusieurs sites d'activité.
Y sont admises les entreprises de services qui leur sont auxiliaires ainsi que les activités économiques qui ne sont pas à caractère industriel et qui doivent être isolées pour des raisons d'intégration urbanistique, de mobilité, de sécurité ou de protection environnementale. La vente au détail y est exclue sauf lorsqu'elle constitue l'accessoire d'une activité économique visée aux alinéas 1er et 2.
Peuvent être autorisés pour une durée limitée :
1° dans les zones d'activité économique industrielle, les dépôts de déchets inertes;
2° dans les zones d'activité économique industrielle situées le long des voies d'eau navigables, les dépôts de boue de dragage.
Art. D. II.31. Specifieke bedrijfsruimtes.
§ 1. Gebieden met de overdruk "A.E." zijn uitsluitend bestemd voor agro-economische activiteiten, alsook voor houtverwerkingsbedrijven.
Gebieden met de overdruk "G.D." zijn uitsluitend bestemd voor groothandelsdistributie.
De daarbij horende dienstenbedrijven en kleinhandelszaken zijn er toegelaten.
§ 2. Gebieden met de overdruk "R.M." (hoog risico gebied) zijn uitsluitend bestemd voor bedrijven die zeer schadelijk kunnen zijn voor mens, goederen of milieu.
Onverminderd de verplichting om een omtrek of een afzonderingsmarge in te richten overeenkomstig artikel D.II.28, lid 3, kunnen dergelijke gebieden niet aangrenzend zijn aan een Natura 2000-locatie die als voorstel of als besluit voorligt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of aan een ander voor bebouwing bestemd gebied dan een bedrijfsruimte met een industrieel karakter of een gebied met als merk de overdruk "A.E.".
§ 1. Gebieden met de overdruk "A.E." zijn uitsluitend bestemd voor agro-economische activiteiten, alsook voor houtverwerkingsbedrijven.
Gebieden met de overdruk "G.D." zijn uitsluitend bestemd voor groothandelsdistributie.
De daarbij horende dienstenbedrijven en kleinhandelszaken zijn er toegelaten.
§ 2. Gebieden met de overdruk "R.M." (hoog risico gebied) zijn uitsluitend bestemd voor bedrijven die zeer schadelijk kunnen zijn voor mens, goederen of milieu.
Onverminderd de verplichting om een omtrek of een afzonderingsmarge in te richten overeenkomstig artikel D.II.28, lid 3, kunnen dergelijke gebieden niet aangrenzend zijn aan een Natura 2000-locatie die als voorstel of als besluit voorligt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of aan een ander voor bebouwing bestemd gebied dan een bedrijfsruimte met een industrieel karakter of een gebied met als merk de overdruk "A.E.".
Art. D. II.31. De la zone d'activité économique spécifique.
§ 1er. La zone marquée de la surimpression "A.E." est exclusivement destinée aux activités agro-économiques ainsi qu'aux entreprises de transformation du bois.
La zone marquée de la surimpression "G.D." est destinée aux activités de grande distribution.
Les entreprises de services qui leur sont auxiliaires et les petits commerces y sont admis à titre accessoire.
§ 2. La zone marquée de la surimpression "R.M." est exclusivement destinée aux industries qui présentent des risques d'accident majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement.
Sans préjudice de l'obligation d'aménager un périmètre ou un dispositif d'isolement conformément à l'article D.II.28, alinéa 3, cette zone ne peut être attenante à un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou à une zone destinée à l'urbanisation autre qu'une zone d'activité économique industrielle ou d'une zone marquée de la surimpression "A.E.".
§ 1er. La zone marquée de la surimpression "A.E." est exclusivement destinée aux activités agro-économiques ainsi qu'aux entreprises de transformation du bois.
La zone marquée de la surimpression "G.D." est destinée aux activités de grande distribution.
Les entreprises de services qui leur sont auxiliaires et les petits commerces y sont admis à titre accessoire.
§ 2. La zone marquée de la surimpression "R.M." est exclusivement destinée aux industries qui présentent des risques d'accident majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement.
Sans préjudice de l'obligation d'aménager un périmètre ou un dispositif d'isolement conformément à l'article D.II.28, alinéa 3, cette zone ne peut être attenante à un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou à une zone destinée à l'urbanisation autre qu'une zone d'activité économique industrielle ou d'une zone marquée de la surimpression "A.E.".
Art. D. II.32. Gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is.
§ 1. Gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen zijn bedoeld voor de vestiging van activiteiten bedoeld in de artikel D.II.29, D.II.30 en D.II.31, uitgezonderd de industriële activiteiten die een hoog risico inhouden voor mens, goederen of leefmilieu en de kleinhandel. De gebruiksfunctie ervan wordt bepaald door de ligging van het gebied, de omliggende buurt, de kostprijs en de behoeften voor de betrokken regio, de bestaande vervoersinfrastructuren, waarbij erover gewaakt wordt dat potentialiteiten worden ontwikkeld voor multimodaal vervoer en samenwerking met de aangrenzende gebieden.
De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming door de gemeenteraad, ofwel op diens eigen initiatief ofwel binnen een hem opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, goedgekeurd door de Regering.
§ 2. Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde lokaal beleidsontwikkelingsplan verwerpen, dan kan de Regering in haar plaats treden om bedoeld lokaal beleidsontwikkelingsplan aan te nemen of te herzien.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, al dan niet ontsloten.
§ 1. Gebieden met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen zijn bedoeld voor de vestiging van activiteiten bedoeld in de artikel D.II.29, D.II.30 en D.II.31, uitgezonderd de industriële activiteiten die een hoog risico inhouden voor mens, goederen of leefmilieu en de kleinhandel. De gebruiksfunctie ervan wordt bepaald door de ligging van het gebied, de omliggende buurt, de kostprijs en de behoeften voor de betrokken regio, de bestaande vervoersinfrastructuren, waarbij erover gewaakt wordt dat potentialiteiten worden ontwikkeld voor multimodaal vervoer en samenwerking met de aangrenzende gebieden.
De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming door de gemeenteraad, ofwel op diens eigen initiatief ofwel binnen een hem opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, goedgekeurd door de Regering.
§ 2. Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde lokaal beleidsontwikkelingsplan verwerpen, dan kan de Regering in haar plaats treden om bedoeld lokaal beleidsontwikkelingsplan aan te nemen of te herzien.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied met een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, al dan niet ontsloten.
Art. D. II.32. De la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique.
§ 1er. La zone d'aménagement communal concerté à caractère économique est destinée à recevoir les activités visées aux articles D.II.29, D.II.30 et D.II.31, à l'exclusion des industries qui présentent des risques d'accident majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement et des petits commerces. Son affectation est déterminée en fonction de la localisation de la zone, de son voisinage, des coûts et des besoins pour la région concernée, des infrastructures de transport existantes, tout en veillant à développer des potentialités en termes de multimodalité ainsi que des synergies avec les zones attenantes.
La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui lui est imposé, d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement.
§ 2. A défaut pour les autorités communales de satisfaire dans le délai fixé à l'obligation visée au paragraphe 1er, alinéa 2, ainsi qu'en cas de refus du schéma d'orientation local soumis à son approbation, le Gouvernement peut s'y substituer pour adopter ou réviser le schéma d'orientation local.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone d'aménagement communal concerté à caractère économique qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
§ 1er. La zone d'aménagement communal concerté à caractère économique est destinée à recevoir les activités visées aux articles D.II.29, D.II.30 et D.II.31, à l'exclusion des industries qui présentent des risques d'accident majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement et des petits commerces. Son affectation est déterminée en fonction de la localisation de la zone, de son voisinage, des coûts et des besoins pour la région concernée, des infrastructures de transport existantes, tout en veillant à développer des potentialités en termes de multimodalité ainsi que des synergies avec les zones attenantes.
La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone d'aménagement communal concerté à caractère économique est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui lui est imposé, d'un schéma d'orientation local approuvé par le Gouvernement.
§ 2. A défaut pour les autorités communales de satisfaire dans le délai fixé à l'obligation visée au paragraphe 1er, alinéa 2, ainsi qu'en cas de refus du schéma d'orientation local soumis à son approbation, le Gouvernement peut s'y substituer pour adopter ou réviser le schéma d'orientation local.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone d'aménagement communal concerté à caractère économique qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
Art. D. II.33. Gebieden van aanhorigheden van ontginningen.
Gebieden van aanhorigheden van ontginningen zijn bestemd voor de exploitatie van groeven en hun aanhorigheden, evenals voor het opslaan van resten van de ontginningsactiviteit, mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond.
Het samenbrengen van inerte stoffen voor een beperkte duur of de valorisering van aarde en keien kan er toegelaten worden tegen de voorwaarden en volgens de procedure bepaald door de Regering.
In de gebieden van aanhorigheden van ontginningen of delen van de gebieden van aanhorigheden van ontginningen die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht.
Gebieden van aanhorigheden van ontginningen zijn bestemd voor de exploitatie van groeven en hun aanhorigheden, evenals voor het opslaan van resten van de ontginningsactiviteit, mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond.
Het samenbrengen van inerte stoffen voor een beperkte duur of de valorisering van aarde en keien kan er toegelaten worden tegen de voorwaarden en volgens de procedure bepaald door de Regering.
In de gebieden van aanhorigheden van ontginningen of delen van de gebieden van aanhorigheden van ontginningen die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht.
Art. D. II.33. De la zone de dépendances d'extraction.
La zone de dépendances d'extraction est destinée à l'exploitation des carrières et de leurs dépendances ainsi qu'au dépôt des résidus de l'activité d'extraction dans le respect de la protection et de la gestion rationnelle du sol et du sous-sol.
Le regroupement de déchets inertes pour une durée limitée ou la valorisation de terres et cailloux peut y être autorisé aux conditions et selon la procédure déterminées par le Gouvernement.
Dans les zones ou parties de zone de dépendances d'extraction non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du gisement.
La zone de dépendances d'extraction est destinée à l'exploitation des carrières et de leurs dépendances ainsi qu'au dépôt des résidus de l'activité d'extraction dans le respect de la protection et de la gestion rationnelle du sol et du sous-sol.
Le regroupement de déchets inertes pour une durée limitée ou la valorisation de terres et cailloux peut y être autorisé aux conditions et selon la procédure déterminées par le Gouvernement.
Dans les zones ou parties de zone de dépendances d'extraction non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du gisement.
Art. D. II.34. Gebieden van gewestelijk belang.
Gebieden van gewestelijk belang zijn bestemd om zonder onderscheid economische activiteiten, bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en toeristische of recreatieve accomodatie te ontvangen.
De woonfunctie wordt er aanvullend toegelaten wanneer het de bebouwing betreft van onbebouwde of te herontwikkelen gronden of te herstructureren bebouwde gehelen.
De bestaande activiteiten die niet beoogd worden in de leden 1 en 2 kunnen er behouden blijven en verder ontwikkeld worden.
Gebieden van gewestelijk belang zijn bestemd om zonder onderscheid economische activiteiten, bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en toeristische of recreatieve accomodatie te ontvangen.
De woonfunctie wordt er aanvullend toegelaten wanneer het de bebouwing betreft van onbebouwde of te herontwikkelen gronden of te herstructureren bebouwde gehelen.
De bestaande activiteiten die niet beoogd worden in de leden 1 en 2 kunnen er behouden blijven en verder ontwikkeld worden.
Art. D. II.34. De la zone d'enjeu régional.
La zone d'enjeu régional est destinée à accueillir de manière indifférenciée les activités économiques, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires ainsi que les équipements touristiques ou récréatifs.
L'habitat y est accueilli à titre complémentaire lorsqu'il s'agit de l'urbanisation de terrains non bâtis ou à réaménager, ou d'ensembles bâtis à restructurer.
Les activités existantes non visées aux alinéas 1er et 2 peuvent s'y maintenir et s'y développer.
La zone d'enjeu régional est destinée à accueillir de manière indifférenciée les activités économiques, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires ainsi que les équipements touristiques ou récréatifs.
L'habitat y est accueilli à titre complémentaire lorsqu'il s'agit de l'urbanisation de terrains non bâtis ou à réaménager, ou d'ensembles bâtis à restructurer.
Les activités existantes non visées aux alinéas 1er et 2 peuvent s'y maintenir et s'y développer.
Art. D. II.35. Gebieden van gemeentelijk belang.
Gebieden van gemeentelijk belang zijn bedoeld om zonder onderscheid verblijven, ambachtelijke activiteiten, dienstverlening, distributie, onderzoek of kleine industrie, socioculturele inrichtingen, economische activiteiten, bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en toeristische of recreatieve accomodatie te ontvangen.
Die gebieden moeten ook voorzien in openbaar groen en in een wegennet voor zachte mobiliteit.
De bestaande activiteiten die niet beoogd worden in de leden 1 en 2 kunnen er behouden blijven en verder ontwikkeld worden.
Gebieden van gemeentelijk belang zijn bedoeld om zonder onderscheid verblijven, ambachtelijke activiteiten, dienstverlening, distributie, onderzoek of kleine industrie, socioculturele inrichtingen, economische activiteiten, bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen en toeristische of recreatieve accomodatie te ontvangen.
Die gebieden moeten ook voorzien in openbaar groen en in een wegennet voor zachte mobiliteit.
De bestaande activiteiten die niet beoogd worden in de leden 1 en 2 kunnen er behouden blijven en verder ontwikkeld worden.
Art. D. II.35. De la zone d'enjeu communal.
La zone d'enjeu communal est destinée à accueillir de manière indifférenciée la résidence, les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires ainsi que les équipements touristiques ou récréatifs.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics et un réseau de mobilité douce.
Les activités existantes non visées à l'alinéa 1er peuvent s'y maintenir et s'y développer.
La zone d'enjeu communal est destinée à accueillir de manière indifférenciée la résidence, les activités d'artisanat, de service, de distribution, de recherche ou de petite industrie, les établissements socioculturels, les constructions et aménagements de services publics et d'équipements communautaires ainsi que les équipements touristiques ou récréatifs.
Cette zone doit aussi accueillir des espaces verts publics et un réseau de mobilité douce.
Les activités existantes non visées à l'alinéa 1er peuvent s'y maintenir et s'y développer.
Art. D. II.36. Landbouwgebieden.
§ 1. Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht.
In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn.
Ze kunnen eveneens diversifiërene activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten.
§ 2. In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd worden voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw.
Vissers- of jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van inlandse boomsoorten, vijvers en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de diversifiërende activiteiten bedoeld in paragraaf 1, lid 3.
De Regering bepaalt voor deze gebieden de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van inlandse bossoorten, vijvers, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn.
§ 1. Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht.
In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn.
Ze kunnen eveneens diversifiërene activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten.
§ 2. In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die elk bouwwerk, installatie of gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd worden voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw.
Vissers- of jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van inlandse boomsoorten, vijvers en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de diversifiërende activiteiten bedoeld in paragraaf 1, lid 3.
De Regering bepaalt voor deze gebieden de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van inlandse bossoorten, vijvers, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn.
Art. D. II.36. De la zone agricole.
§ 1er. La zone agricole est destinée à accueillir les activités agricoles c'est-à-dire les activités de production, d'élevage ou de culture de produits agricoles et horticoles, en ce compris la détention d'animaux à des fins agricoles ou le maintien d'une surface agricole dans un état qui la rend adaptée au pâturage ou à la culture sans action préparatoire allant au-delà de pratiques agricoles courantes ou du recours à des machines agricoles courantes. Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage ainsi qu'à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle ne peut comporter que les constructions et installations indispensables à l'exploitation et le logement des exploitants dont l'agriculture constitue la profession.
Elle peut également comporter des activités de diversification complémentaires à l'activité agricole des exploitants.
§ 2. Dans la zone agricole, les modules de production d'électricité ou de chaleur, qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier, sont admis pour autant qu'ils ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication ou d'une zone d'activité économique aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut être exceptionnellement destinée aux activités récréatives de plein air pour autant qu'elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone. Pour ces activités récréatives, les actes et travaux ne peuvent y être autorisés que pour une durée limitée sauf à constituer la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant.
Les refuges de pêche ou de chasse et les petits abris pour animaux y sont admis pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce. Peuvent également y être autorisés des boisements ainsi que la culture intensive d'essences forestières, les mares et la pisciculture.
§ 3. Le Gouvernement détermine les activités de diversification visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans cette zone du permis relatif au boisement, à la culture intensive d'essences forestières, aux mares, à la pisciculture, aux refuges de pêche ou de chasse, aux petits abris pour animaux, aux activités récréatives de plein air, aux modules de production d'électricité ou de chaleur ainsi qu'aux actes et travaux qui s'y rapportent.
§ 1er. La zone agricole est destinée à accueillir les activités agricoles c'est-à-dire les activités de production, d'élevage ou de culture de produits agricoles et horticoles, en ce compris la détention d'animaux à des fins agricoles ou le maintien d'une surface agricole dans un état qui la rend adaptée au pâturage ou à la culture sans action préparatoire allant au-delà de pratiques agricoles courantes ou du recours à des machines agricoles courantes. Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage ainsi qu'à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle ne peut comporter que les constructions et installations indispensables à l'exploitation et le logement des exploitants dont l'agriculture constitue la profession.
Elle peut également comporter des activités de diversification complémentaires à l'activité agricole des exploitants.
§ 2. Dans la zone agricole, les modules de production d'électricité ou de chaleur, qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier, sont admis pour autant qu'ils ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication ou d'une zone d'activité économique aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut être exceptionnellement destinée aux activités récréatives de plein air pour autant qu'elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone. Pour ces activités récréatives, les actes et travaux ne peuvent y être autorisés que pour une durée limitée sauf à constituer la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant.
Les refuges de pêche ou de chasse et les petits abris pour animaux y sont admis pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce. Peuvent également y être autorisés des boisements ainsi que la culture intensive d'essences forestières, les mares et la pisciculture.
§ 3. Le Gouvernement détermine les activités de diversification visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans cette zone du permis relatif au boisement, à la culture intensive d'essences forestières, aux mares, à la pisciculture, aux refuges de pêche ou de chasse, aux petits abris pour animaux, aux activités récréatives de plein air, aux modules de production d'électricité ou de chaleur ainsi qu'aux actes et travaux qui s'y rapportent.
Art. D _II.36.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Landbouwgebieden.
§ 1. Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht.
In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn.
Ze kunnen eveneens diversifiërene activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten.
§ 2. [1 In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die een wettelijk bestaand bouwwerk, een wettelijk bestaande installatie of een wettelijk bestaand gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.]1
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd worden voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw.
Vissers- of jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van inlandse boomsoorten, vijvers en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de diversifiërende activiteiten bedoeld in paragraaf 1, lid 3.
De Regering bepaalt voor deze gebieden de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van inlandse bossoorten, vijvers, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn.
Landbouwgebieden.
§ 1. Landbouwgebieden zijn bestemd om landbouwactiviteiten te ontvangen, namelijk teelt, fokkerij of akker- en tuinbouw, met inbegrip van het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de instandhouding van een landbouwareaal in een staat die het geschikt maakt voor weiden of akkerbouw zonder verdere voorbereiding dan gewone landbouwpraktijken of de inzet van gewone landbouwmachines. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw, alsook tot het behoud van het ecologische evenwicht.
In landbouwgebieden mogen enkel gebouwen en installaties opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn.
Ze kunnen eveneens diversifiërene activiteiten bevatten ter aanvulling van de landbouwactiviteit van de exploitanten.
§ 2. [1 In de landbouwgebieden worden de modules voor elektriciteit- of warmteproductie die een wettelijk bestaand bouwwerk, een wettelijk bestaande installatie of een wettelijk bestaand gebouw gelegen op hetzelfde onroerend goed rechtstreeks bevoorraden, uitzonderlijk toegelaten voor zover ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.]1
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd worden voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts voor een beperkte duur toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw.
Vissers- of jachthutten en kleine schuilplaatsen voor dieren zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. Bosschages alsook de intensieve teelt van inlandse boomsoorten, vijvers en visteelt kunnen er eveneens toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de diversifiërende activiteiten bedoeld in paragraaf 1, lid 3.
De Regering bepaalt voor deze gebieden de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van inlandse bossoorten, vijvers, visteelt, vissers- en jachthutten, kleine schuilplaatsen en recreatieve activiteiten in de open lucht, de modules voor elektriciteits- en warmteproductie, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn.
Art. D _II.36.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
De la zone agricole.
§ 1er. La zone agricole est destinée à accueillir les activités agricoles c'est-à-dire les activités de production, d'élevage ou de culture de produits agricoles et horticoles, en ce compris la détention d'animaux à des fins agricoles ou le maintien d'une surface agricole dans un état qui la rend adaptée au pâturage ou à la culture sans action préparatoire allant au-delà de pratiques agricoles courantes ou du recours à des machines agricoles courantes. Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage ainsi qu'à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle ne peut comporter que les constructions et installations indispensables à l'exploitation et le logement des exploitants dont l'agriculture constitue la profession.
Elle peut également comporter des activités de diversification complémentaires à l'activité agricole des exploitants.
§ 2. [1 Dans la zone agricole, les modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, toute installation ou tout bâtiment existant légalement situés sur le même bien immobilier sont admis pour autant qu'ils ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.]1
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication ou d'une zone d'activité économique aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut être exceptionnellement destinée aux activités récréatives de plein air pour autant qu'elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone. Pour ces activités récréatives, les actes et travaux ne peuvent y être autorisés que pour une durée limitée sauf à constituer la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant.
Les refuges de pêche ou de chasse et les petits abris pour animaux y sont admis pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce. Peuvent également y être autorisés des boisements ainsi que la culture intensive d'essences forestières, les mares et la pisciculture.
§ 3. Le Gouvernement détermine les activités de diversification visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans cette zone du permis relatif au boisement, à la culture intensive d'essences forestières, aux mares, à la pisciculture, aux refuges de pêche ou de chasse, aux petits abris pour animaux, aux activités récréatives de plein air, aux modules de production d'électricité ou de chaleur ainsi qu'aux actes et travaux qui s'y rapportent.
De la zone agricole.
§ 1er. La zone agricole est destinée à accueillir les activités agricoles c'est-à-dire les activités de production, d'élevage ou de culture de produits agricoles et horticoles, en ce compris la détention d'animaux à des fins agricoles ou le maintien d'une surface agricole dans un état qui la rend adaptée au pâturage ou à la culture sans action préparatoire allant au-delà de pratiques agricoles courantes ou du recours à des machines agricoles courantes. Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage ainsi qu'à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle ne peut comporter que les constructions et installations indispensables à l'exploitation et le logement des exploitants dont l'agriculture constitue la profession.
Elle peut également comporter des activités de diversification complémentaires à l'activité agricole des exploitants.
§ 2. [1 Dans la zone agricole, les modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, toute installation ou tout bâtiment existant légalement situés sur le même bien immobilier sont admis pour autant qu'ils ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.]1
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication ou d'une zone d'activité économique aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
Elle peut être exceptionnellement destinée aux activités récréatives de plein air pour autant qu'elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone. Pour ces activités récréatives, les actes et travaux ne peuvent y être autorisés que pour une durée limitée sauf à constituer la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant.
Les refuges de pêche ou de chasse et les petits abris pour animaux y sont admis pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce. Peuvent également y être autorisés des boisements ainsi que la culture intensive d'essences forestières, les mares et la pisciculture.
§ 3. Le Gouvernement détermine les activités de diversification visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans cette zone du permis relatif au boisement, à la culture intensive d'essences forestières, aux mares, à la pisciculture, aux refuges de pêche ou de chasse, aux petits abris pour animaux, aux activités récréatives de plein air, aux modules de production d'électricité ou de chaleur ainsi qu'aux actes et travaux qui s'y rapportent.
Wijzigingen
Art. D. II.37.Bosgebieden.
§ 1. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht.
Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden, bepaald door de Regering.
In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid en het toezicht op de bossen.
De elektriciteits- en warmteproductie en -benutting uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid worden er toegelaten als aanvullende activiteit op activiteiten van bosbeheer.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
§ 2. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
Ook visteelt kan er toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid, voor de eenheden voor het winnen van energie uit biomassa, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten.
§ 4. Bosgebieden kunnen uitzonderlijk, aan de rand van de bestanden, activiteiten voor het publiek voorzien voor didactische doeleinden, van initiatie-activiteiten, observatie van het bos, of voor recreatieve of toeristische doeleinden, met uitzondering van het verlenen van onderdak, voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd. Het recreatief verlenen van onderdak, waarvoor de lijst door de Regering wordt opgemaakt, kan er voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aangetast wordt en het project kadert in het gewestelijk project voor de toeristische valorisering van de bosarealen van het Waalse Gewest [1 ...]1.
§ 5. Uitzonderlijk kunnen bosgebieden dierenparkactiviteiten herbergen voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken, namelijk voor het onthaal van het publiek en de dierenschuilplaatsen, hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd.
§ 6. Bij wijze van uitzondering kan de ontbossing voor landbouwdoeleinden in bosgebied toegelaten worden voor zover dit aangrenzend aan het landbouwgebied is. Bedoelde ontbossing kan niet de verwijdering van alleenstaande boselementen in landbouwvlaktes tot gevolg hebben.
De activiteiten bedoeld in paragrafen 4 en 5 zijn toelaatbaar voor zover ze toegankelijk zijn via een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging, alsook met één of meerdere parkeerruimtes voor voertuigen die in verhouding staan tot de opvangcapaciteit van deze activiteiten.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor het afleveren van de vergunning betreffende de bouwwerken alsook de uitrustingen, wegen, omgeving van de parkeerruimtes en parkeerruimtes, en van de ontbossing voor landbouwdoeleinden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7.
§ 1. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht.
Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden, bepaald door de Regering.
In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid en het toezicht op de bossen.
De elektriciteits- en warmteproductie en -benutting uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid worden er toegelaten als aanvullende activiteit op activiteiten van bosbeheer.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
§ 2. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
Ook visteelt kan er toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid, voor de eenheden voor het winnen van energie uit biomassa, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten.
§ 4. Bosgebieden kunnen uitzonderlijk, aan de rand van de bestanden, activiteiten voor het publiek voorzien voor didactische doeleinden, van initiatie-activiteiten, observatie van het bos, of voor recreatieve of toeristische doeleinden, met uitzondering van het verlenen van onderdak, voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd. Het recreatief verlenen van onderdak, waarvoor de lijst door de Regering wordt opgemaakt, kan er voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aangetast wordt en het project kadert in het gewestelijk project voor de toeristische valorisering van de bosarealen van het Waalse Gewest [1 ...]1.
§ 5. Uitzonderlijk kunnen bosgebieden dierenparkactiviteiten herbergen voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken, namelijk voor het onthaal van het publiek en de dierenschuilplaatsen, hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd.
§ 6. Bij wijze van uitzondering kan de ontbossing voor landbouwdoeleinden in bosgebied toegelaten worden voor zover dit aangrenzend aan het landbouwgebied is. Bedoelde ontbossing kan niet de verwijdering van alleenstaande boselementen in landbouwvlaktes tot gevolg hebben.
De activiteiten bedoeld in paragrafen 4 en 5 zijn toelaatbaar voor zover ze toegankelijk zijn via een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging, alsook met één of meerdere parkeerruimtes voor voertuigen die in verhouding staan tot de opvangcapaciteit van deze activiteiten.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor het afleveren van de vergunning betreffende de bouwwerken alsook de uitrustingen, wegen, omgeving van de parkeerruimtes en parkeerruimtes, en van de ontbossing voor landbouwdoeleinden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7.
Art. D. II.37.De la zone forestière.
§ 1er. La zone forestière est destinée à la sylviculture et à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage.
La culture de sapins de Noël y est admise aux conditions fixées par le Gouvernement.
Elle ne peut comporter que les constructions indispensables à l'exploitation, à la première transformation du bois et à la surveillance des bois.
La production et la valorisation d'électricité ou de chaleur au départ de la biomasse issue principalement des résidus d'exploitation forestière et de la première transformation du bois y sont admises en tant qu'activité accessoire à l'activité forestière.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
§ 2. Les refuges de chasse et de pêche y sont admis, pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce.
La pisciculture peut également y être autorisée.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans la zone forestière du permis relatif aux constructions indispensables à la surveillance des bois, à leur exploitation et à la première transformation du bois, aux unités de valorisation énergétiques de la biomasse, à la pisciculture et aux refuges de chasse et de pêche.
§ 4. La zone forestière peut exceptionnellement comporter, à la lisière des peuplements, des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, à l'exclusion de l'hébergement, pour autant que les élévations des équipements et constructions soient réalisées principalement en bois. L'hébergement de loisirs, dont la liste est fixée par le Gouvernement, peut être autorisé pour une durée limitée pour autant qu'il ne mette pas en cause de manière irréversible la destination de la zone et que le projet s'inscrive dans le cadre du projet régional de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne [1 ...]1.
§ 5. La zone forestière peut exceptionnellement comporter des activités de parc animalier zoologique pour autant que les élévations des constructions, notamment d'accueil du public et d'abris pour les animaux, soient réalisées principalement en bois.
§ 6. A titre exceptionnel, le déboisement à des fins agricoles peut être autorisé en zone forestière pour autant qu'il soit contigu à la zone agricole. Ce déboisement ne peut entraîner la suppression de bois et bosquets isolés dans une plaine agricole.
§ 7. Les activités visées aux paragraphes 4 et 5 sont admissibles pour autant qu'elles soient situées à proximité d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la situation des lieux ainsi que d'une ou plusieurs aires de stationnement des véhicules proportionnées à la capacité d'accueil de ces activités.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance du permis relatif aux constructions, aux équipements, voiries, abords et aires de stationnement ainsi qu'au déboisement à des fins agricoles visés aux paragraphes 4 à 7.
§ 1er. La zone forestière est destinée à la sylviculture et à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage.
La culture de sapins de Noël y est admise aux conditions fixées par le Gouvernement.
Elle ne peut comporter que les constructions indispensables à l'exploitation, à la première transformation du bois et à la surveillance des bois.
La production et la valorisation d'électricité ou de chaleur au départ de la biomasse issue principalement des résidus d'exploitation forestière et de la première transformation du bois y sont admises en tant qu'activité accessoire à l'activité forestière.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
§ 2. Les refuges de chasse et de pêche y sont admis, pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce.
La pisciculture peut également y être autorisée.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans la zone forestière du permis relatif aux constructions indispensables à la surveillance des bois, à leur exploitation et à la première transformation du bois, aux unités de valorisation énergétiques de la biomasse, à la pisciculture et aux refuges de chasse et de pêche.
§ 4. La zone forestière peut exceptionnellement comporter, à la lisière des peuplements, des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, à l'exclusion de l'hébergement, pour autant que les élévations des équipements et constructions soient réalisées principalement en bois. L'hébergement de loisirs, dont la liste est fixée par le Gouvernement, peut être autorisé pour une durée limitée pour autant qu'il ne mette pas en cause de manière irréversible la destination de la zone et que le projet s'inscrive dans le cadre du projet régional de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne [1 ...]1.
§ 5. La zone forestière peut exceptionnellement comporter des activités de parc animalier zoologique pour autant que les élévations des constructions, notamment d'accueil du public et d'abris pour les animaux, soient réalisées principalement en bois.
§ 6. A titre exceptionnel, le déboisement à des fins agricoles peut être autorisé en zone forestière pour autant qu'il soit contigu à la zone agricole. Ce déboisement ne peut entraîner la suppression de bois et bosquets isolés dans une plaine agricole.
§ 7. Les activités visées aux paragraphes 4 et 5 sont admissibles pour autant qu'elles soient situées à proximité d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la situation des lieux ainsi que d'une ou plusieurs aires de stationnement des véhicules proportionnées à la capacité d'accueil de ces activités.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance du permis relatif aux constructions, aux équipements, voiries, abords et aires de stationnement ainsi qu'au déboisement à des fins agricoles visés aux paragraphes 4 à 7.
Wijzigingen
Art. D. II.37_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Bosgebieden.
§ 1. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht.
Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden, bepaald door de Regering.
In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid en het toezicht op de bossen.
De elektriciteits- en warmteproductie en -benutting uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid worden er toegelaten als aanvullende activiteit op activiteiten van bosbeheer.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
§ 2. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
Ook visteelt kan er toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid, voor de eenheden voor het winnen van energie uit biomassa, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten.
§ 4. Bosgebieden kunnen uitzonderlijk, aan de rand van de bestanden, activiteiten voor het publiek voorzien voor didactische doeleinden, van initiatie-activiteiten, observatie van het bos, of voor recreatieve of toeristische doeleinden, met uitzondering van het verlenen van onderdak, voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd. Het recreatief verlenen van onderdak, waarvoor de lijst door de Regering wordt opgemaakt, kan er voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aangetast wordt [2 ...]2.
§ 5. Uitzonderlijk kunnen bosgebieden dierenparkactiviteiten herbergen voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken, namelijk voor het onthaal van het publiek en de dierenschuilplaatsen, hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd.
§ 6. Bij wijze van uitzondering kan de ontbossing voor landbouwdoeleinden in bosgebied toegelaten worden voor zover dit aangrenzend aan het landbouwgebied is. Bedoelde ontbossing kan niet de verwijdering van alleenstaande boselementen in landbouwvlaktes tot gevolg hebben.
De activiteiten bedoeld in paragrafen 4 en 5 zijn toelaatbaar voor zover ze toegankelijk zijn via een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging, alsook met één of meerdere parkeerruimtes voor voertuigen die in verhouding staan tot de opvangcapaciteit van deze activiteiten.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor het afleveren van de vergunning betreffende de bouwwerken alsook de uitrustingen, wegen, omgeving van de parkeerruimtes en parkeerruimtes, en van de ontbossing voor landbouwdoeleinden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7.
Bosgebieden.
§ 1. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht.
Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
De kerstbomenteelt wordt er toegelaten onder de voorwaarden, bepaald door de Regering.
In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid en het toezicht op de bossen.
De elektriciteits- en warmteproductie en -benutting uit de biomassa die hoofdzakelijk afkomstig is van de resten van het bosbeheer en van de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid worden er toegelaten als aanvullende activiteit op activiteiten van bosbeheer.
Ze kunnen eveneens één of meerdere windturbines bevatten voor zover :
1° ze in de nabijheid gelegen zijn van de hoofdverkeersinfrastructuren of een bedrijfsruimte, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering;
2° ze de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aantasten.
§ 2. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
Ook visteelt kan er toegelaten worden.
§ 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste stap in de houtverwerkingsnijverheid, voor de eenheden voor het winnen van energie uit biomassa, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten.
§ 4. Bosgebieden kunnen uitzonderlijk, aan de rand van de bestanden, activiteiten voor het publiek voorzien voor didactische doeleinden, van initiatie-activiteiten, observatie van het bos, of voor recreatieve of toeristische doeleinden, met uitzondering van het verlenen van onderdak, voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd. Het recreatief verlenen van onderdak, waarvoor de lijst door de Regering wordt opgemaakt, kan er voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de bestemming van het gebied niet onomkeerbaar aangetast wordt [2 ...]2.
§ 5. Uitzonderlijk kunnen bosgebieden dierenparkactiviteiten herbergen voor zover de opbouw van de uitrustingen en bouwwerken, namelijk voor het onthaal van het publiek en de dierenschuilplaatsen, hoofdzakelijk in hout wordt uitgevoerd.
§ 6. Bij wijze van uitzondering kan de ontbossing voor landbouwdoeleinden in bosgebied toegelaten worden voor zover dit aangrenzend aan het landbouwgebied is. Bedoelde ontbossing kan niet de verwijdering van alleenstaande boselementen in landbouwvlaktes tot gevolg hebben.
De activiteiten bedoeld in paragrafen 4 en 5 zijn toelaatbaar voor zover ze toegankelijk zijn via een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging, alsook met één of meerdere parkeerruimtes voor voertuigen die in verhouding staan tot de opvangcapaciteit van deze activiteiten.
De Regering bepaalt de voorwaarden voor het afleveren van de vergunning betreffende de bouwwerken alsook de uitrustingen, wegen, omgeving van de parkeerruimtes en parkeerruimtes, en van de ontbossing voor landbouwdoeleinden bedoeld in de paragrafen 4 tot 7.
Art. D. II.37_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
De la zone forestière.
§ 1er. La zone forestière est destinée à la sylviculture et à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage.
La culture de sapins de Noël y est admise aux conditions fixées par le Gouvernement.
Elle ne peut comporter que les constructions indispensables à l'exploitation, à la première transformation du bois et à la surveillance des bois.
La production et la valorisation d'électricité ou de chaleur au départ de la biomasse issue principalement des résidus d'exploitation forestière et de la première transformation du bois y sont admises en tant qu'activité accessoire à l'activité forestière.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
§ 2. Les refuges de chasse et de pêche y sont admis, pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce.
La pisciculture peut également y être autorisée.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans la zone forestière du permis relatif aux constructions indispensables à la surveillance des bois, à leur exploitation et à la première transformation du bois, aux unités de valorisation énergétiques de la biomasse, à la pisciculture et aux refuges de chasse et de pêche.
§ 4. La zone forestière peut exceptionnellement comporter, à la lisière des peuplements, des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, à l'exclusion de l'hébergement, pour autant que les élévations des équipements et constructions soient réalisées principalement en bois. L'hébergement de loisirs, dont la liste est fixée par le Gouvernement, peut être autorisé pour une durée limitée pour autant qu'il ne mette pas en cause de manière irréversible la destination de la zone [2 ...]2.
§ 5. La zone forestière peut exceptionnellement comporter des activités de parc animalier zoologique pour autant que les élévations des constructions, notamment d'accueil du public et d'abris pour les animaux, soient réalisées principalement en bois.
§ 6. A titre exceptionnel, le déboisement à des fins agricoles peut être autorisé en zone forestière pour autant qu'il soit contigu à la zone agricole. Ce déboisement ne peut entraîner la suppression de bois et bosquets isolés dans une plaine agricole.
§ 7. Les activités visées aux paragraphes 4 et 5 sont admissibles pour autant qu'elles soient situées à proximité d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la situation des lieux ainsi que d'une ou plusieurs aires de stationnement des véhicules proportionnées à la capacité d'accueil de ces activités.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance du permis relatif aux constructions, aux équipements, voiries, abords et aires de stationnement ainsi qu'au déboisement à des fins agricoles visés aux paragraphes 4 à 7.
De la zone forestière.
§ 1er. La zone forestière est destinée à la sylviculture et à la conservation de l'équilibre écologique.
Elle contribue au maintien ou à la formation du paysage.
La culture de sapins de Noël y est admise aux conditions fixées par le Gouvernement.
Elle ne peut comporter que les constructions indispensables à l'exploitation, à la première transformation du bois et à la surveillance des bois.
La production et la valorisation d'électricité ou de chaleur au départ de la biomasse issue principalement des résidus d'exploitation forestière et de la première transformation du bois y sont admises en tant qu'activité accessoire à l'activité forestière.
Elle peut également comporter une ou plusieurs éoliennes pour autant que :
1° elles soient situées à proximité des principales infrastructures de communication aux conditions fixées par le Gouvernement;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone.
§ 2. Les refuges de chasse et de pêche y sont admis, pour autant qu'ils ne puissent être aménagés en vue de leur utilisation, même à titre temporaire, pour la résidence ou l'activité de commerce.
La pisciculture peut également y être autorisée.
§ 3. Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance dans la zone forestière du permis relatif aux constructions indispensables à la surveillance des bois, à leur exploitation et à la première transformation du bois, aux unités de valorisation énergétiques de la biomasse, à la pisciculture et aux refuges de chasse et de pêche.
§ 4. La zone forestière peut exceptionnellement comporter, à la lisière des peuplements, des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, à l'exclusion de l'hébergement, pour autant que les élévations des équipements et constructions soient réalisées principalement en bois. L'hébergement de loisirs, dont la liste est fixée par le Gouvernement, peut être autorisé pour une durée limitée pour autant qu'il ne mette pas en cause de manière irréversible la destination de la zone [2 ...]2.
§ 5. La zone forestière peut exceptionnellement comporter des activités de parc animalier zoologique pour autant que les élévations des constructions, notamment d'accueil du public et d'abris pour les animaux, soient réalisées principalement en bois.
§ 6. A titre exceptionnel, le déboisement à des fins agricoles peut être autorisé en zone forestière pour autant qu'il soit contigu à la zone agricole. Ce déboisement ne peut entraîner la suppression de bois et bosquets isolés dans une plaine agricole.
§ 7. Les activités visées aux paragraphes 4 et 5 sont admissibles pour autant qu'elles soient situées à proximité d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la situation des lieux ainsi que d'une ou plusieurs aires de stationnement des véhicules proportionnées à la capacité d'accueil de ces activités.
Le Gouvernement détermine les conditions de délivrance du permis relatif aux constructions, aux équipements, voiries, abords et aires de stationnement ainsi qu'au déboisement à des fins agricoles visés aux paragraphes 4 à 7.
Art. D. II.38. Groengebieden.
Groengebieden zijn bestemd voor de instandhouding, de bescherming en het herstel van het leefmilieu.
Ze dragen bij tot landschapsbouw of zijn de geschikte vegetale schakel tussen gebieden waarvan de bestemmingen onverenigbaar zijn.
Groengebieden zijn bestemd voor de instandhouding, de bescherming en het herstel van het leefmilieu.
Ze dragen bij tot landschapsbouw of zijn de geschikte vegetale schakel tussen gebieden waarvan de bestemmingen onverenigbaar zijn.
Art. D. II.38. De la zone d'espaces verts.
La zone d'espaces verts est destinée au maintien, à la protection et à la régénération du milieu naturel.
Elle contribue à la formation du paysage ou constitue une transition végétale adéquate entre des zones dont les destinations sont incompatibles.
La zone d'espaces verts est destinée au maintien, à la protection et à la régénération du milieu naturel.
Elle contribue à la formation du paysage ou constitue une transition végétale adéquate entre des zones dont les destinations sont incompatibles.
Art. D. II.39. Natuurgebieden.
Natuurgebieden zijn bestemd voor de instandhouding, de bescherming en het herstel van biologisch zeer waardevolle leefmilieus of leefmilieus waarin te beschermen soorten voorkomen, ongeacht of het om land- of om watersoorten gaat.
In natuurgebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van deze milieus of soorten.
Natuurgebieden zijn bestemd voor de instandhouding, de bescherming en het herstel van biologisch zeer waardevolle leefmilieus of leefmilieus waarin te beschermen soorten voorkomen, ongeacht of het om land- of om watersoorten gaat.
In natuurgebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van deze milieus of soorten.
Art. D. II.39. De la zone naturelle.
La zone naturelle est destinée au maintien, à la protection et à la régénération de milieux naturels de grande valeur biologique ou abritant des espèces dont la conservation s'impose, qu'il s'agisse d'espèces des milieux terrestres ou aquatiques.
Dans cette zone ne sont admis que les actes et travaux nécessaires à la protection active ou passive de ces milieux ou espèces.
La zone naturelle est destinée au maintien, à la protection et à la régénération de milieux naturels de grande valeur biologique ou abritant des espèces dont la conservation s'impose, qu'il s'agisse d'espèces des milieux terrestres ou aquatiques.
Dans cette zone ne sont admis que les actes et travaux nécessaires à la protection active ou passive de ces milieux ou espèces.
Art. D. II.40. Parkgebieden.
Parkgebieden zijn bestemd voor groene ruimten die aangelegd worden met het oog op landschappelijke schoonheid.
Enkel de handelingen en werken die voor de aanleg, het onderhoud en de verfraaiing ervan nodig zijn, evenals de aanvullende werken en handelingen, vastgesteld door de Regering, zijn er toegelaten.
In parkgebieden met een oppervlakte van meer dan vijf hectare kunnen ook andere ontsluitingshandelingen of -werken verricht worden, op voorwaarde dat de hoofdbestemming van de gebieden ongewijzigd blijft en dat een lokaal beleidsontwikkelingsplan van toepassing is op de hele oppervlakte.
De Regering kan het percentage vastleggen van de oppervlakte van het gebied dat voor de handelingen en werken bedoeld in leden 2 en 3 in aanmerking kan komen.
Parkgebieden zijn bestemd voor groene ruimten die aangelegd worden met het oog op landschappelijke schoonheid.
Enkel de handelingen en werken die voor de aanleg, het onderhoud en de verfraaiing ervan nodig zijn, evenals de aanvullende werken en handelingen, vastgesteld door de Regering, zijn er toegelaten.
In parkgebieden met een oppervlakte van meer dan vijf hectare kunnen ook andere ontsluitingshandelingen of -werken verricht worden, op voorwaarde dat de hoofdbestemming van de gebieden ongewijzigd blijft en dat een lokaal beleidsontwikkelingsplan van toepassing is op de hele oppervlakte.
De Regering kan het percentage vastleggen van de oppervlakte van het gebied dat voor de handelingen en werken bedoeld in leden 2 en 3 in aanmerking kan komen.
Art. D. II.40. De la zone de parc.
La zone de parc est destinée aux espaces verts ordonnés dans un souci d'esthétique paysagère.
N'y sont admis que les actes et travaux nécessaires à leur création, leur entretien ou leur embellissement ainsi que les actes et travaux complémentaires fixés par le Gouvernement.
La mise en oeuvre d'une zone de parc dont la superficie excède cinq hectares peut également faire l'objet d'autres actes et travaux, pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'un schéma d'orientation local couvrant sa totalité soit entré en vigueur.
Le Gouvernement peut arrêter le pourcentage de la superficie de la zone qui peut être concerné par les actes et travaux visés aux alinéas 2 et 3.
La zone de parc est destinée aux espaces verts ordonnés dans un souci d'esthétique paysagère.
N'y sont admis que les actes et travaux nécessaires à leur création, leur entretien ou leur embellissement ainsi que les actes et travaux complémentaires fixés par le Gouvernement.
La mise en oeuvre d'une zone de parc dont la superficie excède cinq hectares peut également faire l'objet d'autres actes et travaux, pour autant qu'ils ne mettent pas en péril la destination principale de la zone et qu'un schéma d'orientation local couvrant sa totalité soit entré en vigueur.
Le Gouvernement peut arrêter le pourcentage de la superficie de la zone qui peut être concerné par les actes et travaux visés aux alinéas 2 et 3.
Art. D. II.41. Ontginningsgebieden.
§ 1. Ontginningsgebieden zijn bestemd voor de exploitatie van groeven, evenals voor het opslaan van resten van ontginningsactiviteiten. Ze mogen slechts voor een beperkte duur aanhorigheden bevatten die noodzakelijk zijn voor de ontginning.
Deze gebieden bevat een afzonderingsomtrek of -marge die overeenstemt met artikel D.II.28, derde lid.
Na afloop van de exploitatie worden deze gebieden andere gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn, met uitzondering van de parkgebieden, en hun juiste bestemming wordt bepaald bij besluit tot herziening van het gewestplan. Hun gehele of gedeeltelijke heraanleg wordt bepaald door de vergunning die de ontginning toelaat.
Wanneer de exploitatie gefaseerd verloopt, bepaalt de vergunning elke fase en hun heraanleg, na afloop van elke fase, voor de landbouw, de bosbouw of het natuurbehoud.
De overheid die bevoegd is voor de verstrekking van de vergunning stelt de afloop van de exploitatie vast, in voorkomend geval, van elke fase, in een proces-verbaal dat het per zending aan de houder van de vergunning richt. Een afschrift van de zending wordt aan het gemeentecollege gericht indien bedoeld college niet de bevoegde overheid is.
De exploitatie bedoeld in dit artikel verloopt mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond.
§ 2. In de ontginningsgebieden of delen van ontginningsgebieden die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht.
§ 1. Ontginningsgebieden zijn bestemd voor de exploitatie van groeven, evenals voor het opslaan van resten van ontginningsactiviteiten. Ze mogen slechts voor een beperkte duur aanhorigheden bevatten die noodzakelijk zijn voor de ontginning.
Deze gebieden bevat een afzonderingsomtrek of -marge die overeenstemt met artikel D.II.28, derde lid.
Na afloop van de exploitatie worden deze gebieden andere gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn, met uitzondering van de parkgebieden, en hun juiste bestemming wordt bepaald bij besluit tot herziening van het gewestplan. Hun gehele of gedeeltelijke heraanleg wordt bepaald door de vergunning die de ontginning toelaat.
Wanneer de exploitatie gefaseerd verloopt, bepaalt de vergunning elke fase en hun heraanleg, na afloop van elke fase, voor de landbouw, de bosbouw of het natuurbehoud.
De overheid die bevoegd is voor de verstrekking van de vergunning stelt de afloop van de exploitatie vast, in voorkomend geval, van elke fase, in een proces-verbaal dat het per zending aan de houder van de vergunning richt. Een afschrift van de zending wordt aan het gemeentecollege gericht indien bedoeld college niet de bevoegde overheid is.
De exploitatie bedoeld in dit artikel verloopt mits bescherming en rationeel beheer van de bodem en de ondergrond.
§ 2. In de ontginningsgebieden of delen van ontginningsgebieden die nog niet in bedrijf zijn genomen, kunnen andere handelingen en werken voor een beperkte duur toegelaten worden voor zover de toekomstige exploitatie van de afzettingen daarmee niet in gevaar wordt gebracht.
Art. D. II.41. De la zone d'extraction.
§ 1er. La zone d'extraction est destinée à l'exploitation des carrières ainsi qu'au dépôt des résidus de l'activité d'extraction. Elle peut, pour une durée limitée, comporter des dépendances indispensables à l'extraction.
Elle comporte un périmètre ou un dispositif d'isolement conforme à l'article D.II.28, alinéa 3.
Au terme de l'exploitation, la zone devient une autre zone non destinée à l'urbanisation, à l'exception de la zone de parc, et son affectation précise est fixée par l'arrêté de révision du plan de secteur. Son réaménagement, en tout ou en partie, est déterminé par le permis qui autorise l'extraction.
Lorsque l'exploitation se fait par phases, le permis détermine chacune des phases et leur réaménagement, au terme de chacune des phases, à l'agriculture, l'exploitation sylvicole ou à la conservation de la nature.
L'autorité compétente pour délivrer le permis constate le terme de l'exploitation, le cas échéant de chacune des phases, dans un procès-verbal qu'elle adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au collège communal s'il n'est pas l'autorité compétente.
L'exploitation visée au présent article s'exerce dans le respect de la protection et de la gestion rationnelle du sol et du sous-sol.
§ 2. Dans les zones ou parties de zone d'extraction non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du gisement.
§ 1er. La zone d'extraction est destinée à l'exploitation des carrières ainsi qu'au dépôt des résidus de l'activité d'extraction. Elle peut, pour une durée limitée, comporter des dépendances indispensables à l'extraction.
Elle comporte un périmètre ou un dispositif d'isolement conforme à l'article D.II.28, alinéa 3.
Au terme de l'exploitation, la zone devient une autre zone non destinée à l'urbanisation, à l'exception de la zone de parc, et son affectation précise est fixée par l'arrêté de révision du plan de secteur. Son réaménagement, en tout ou en partie, est déterminé par le permis qui autorise l'extraction.
Lorsque l'exploitation se fait par phases, le permis détermine chacune des phases et leur réaménagement, au terme de chacune des phases, à l'agriculture, l'exploitation sylvicole ou à la conservation de la nature.
L'autorité compétente pour délivrer le permis constate le terme de l'exploitation, le cas échéant de chacune des phases, dans un procès-verbal qu'elle adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au collège communal s'il n'est pas l'autorité compétente.
L'exploitation visée au présent article s'exerce dans le respect de la protection et de la gestion rationnelle du sol et du sous-sol.
§ 2. Dans les zones ou parties de zone d'extraction non encore exploitées, d'autres actes et travaux peuvent être autorisés pour une durée limitée pour autant qu'ils ne soient pas de nature à mettre en péril l'exploitation future du gisement.
Art. D. II.42.Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is.
§ 1. [1 Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, is besteld voor elke bestemming bepaald door een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan.
Bij gebrek aan meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan wordt zijn bestemming vastgesteld in functie van de ligging, de buurt, het effect van de overwogen bebouwing op de ruimteoptimalisatie, de nabijheid van bevoorrechte initiatiefgebieden bedoeld in artikel D.V.14, de nabijheid van stedelijke en landelijke kernen, de performantie van de communicatie- en distributienetwerken, de kosten die de bebouwing op korte, middellange en lange termijn met zich meebrengen, alsook de behoeften van de gemeente en de bestemming van het geheel of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, en dat zich bevindt op het betrokken gemeentelijk grondgebied en op de aangrenzende gemeentelijke grondgebieden, indien bestaand]1.
§ 2. De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming, door de gemeenteraad, ofwel op zijn eigen initiatief ofwel binnen een hem door de Regering opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.11 en aan de goedgekeuring ervan door de Regering. Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, wordt er voorzien in een vereenvoudigde inhoud, zoals bepaald door de Regering.
[1 Het geheel of een deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, dat deel uitmaakt van een door een ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied, kan echter ook worden uitgevoerd door middel van een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken met een oppervlakte van twee hectare of meer, op voorwaarde dat een effectonderzoek wordt uitgevoerd en die betrekking heeft op het creëren van woningen en, in voorkomend geval, op activiteiten die verband houden met de gecreëerde woningen.]1
[1 Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, of wanneer het uit te voeren gebied volledig gelegen is in een door een ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied, geniet het lokaal beleidsontwikkelingsgebied een vereenvoudigde inhoud bepaald door de Regering]1.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied of gebeidsdeel, al dan niet ontsloten.
§ 1. [1 Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, is besteld voor elke bestemming bepaald door een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan.
Bij gebrek aan meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan wordt zijn bestemming vastgesteld in functie van de ligging, de buurt, het effect van de overwogen bebouwing op de ruimteoptimalisatie, de nabijheid van bevoorrechte initiatiefgebieden bedoeld in artikel D.V.14, de nabijheid van stedelijke en landelijke kernen, de performantie van de communicatie- en distributienetwerken, de kosten die de bebouwing op korte, middellange en lange termijn met zich meebrengen, alsook de behoeften van de gemeente en de bestemming van het geheel of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, en dat zich bevindt op het betrokken gemeentelijk grondgebied en op de aangrenzende gemeentelijke grondgebieden, indien bestaand]1.
§ 2. De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming, door de gemeenteraad, ofwel op zijn eigen initiatief ofwel binnen een hem door de Regering opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.11 en aan de goedgekeuring ervan door de Regering. Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, wordt er voorzien in een vereenvoudigde inhoud, zoals bepaald door de Regering.
[1 Het geheel of een deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, dat deel uitmaakt van een door een ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied, kan echter ook worden uitgevoerd door middel van een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken met een oppervlakte van twee hectare of meer, op voorwaarde dat een effectonderzoek wordt uitgevoerd en die betrekking heeft op het creëren van woningen en, in voorkomend geval, op activiteiten die verband houden met de gecreëerde woningen.]1
[1 Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, of wanneer het uit te voeren gebied volledig gelegen is in een door een ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied, geniet het lokaal beleidsontwikkelingsgebied een vereenvoudigde inhoud bepaald door de Regering]1.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied of gebeidsdeel, al dan niet ontsloten.
Art. D. II.42.De la zone d'aménagement communal concerté.
§ 1er. [1 La zone d'aménagement communal concerté est destinée à toute affectation déterminée par un schéma de développement pluricommunal ou communal.
A défaut de schéma de développement pluricommunal ou communal, son affectation est fixée en fonction de sa localisation, de son voisinage, de l'incidence de l'urbanisation projetée sur l'optimisation spatiale, de la proximité de zones d'initiatives privilégiées visées à l'article D.V.14, de la proximité aux pôles urbains et ruraux, de la performance des réseaux de communication et de distribution, des coûts induits par l'urbanisation à court, à moyen et à long terme, ainsi que des besoins de la commune et de l'affectation donnée à tout ou partie de toute zone d'aménagement communal concerté située sur le territoire communal concerné et sur les territoires communaux limitrophes si elle existe]1.
§ 2. La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui est imposé par le Gouvernement, du schéma d'orientation local, conforme à l'article D.II.11, et à son approbation par le Gouvernement. Toutefois, lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, le schéma bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement.
[1 Cependant, tout ou partie d'une zone d'aménagement communal concerté reprise au sein d'une centralité identifiée par un schéma peut également être mise en oeuvre par un permis d'urbanisation ou d'urbanisme de constructions groupées d'une superficie de deux hectares et plus, soumis à étude d'incidences et portant sur la création de logements et, éventuellement, d'activités accessoires aux logements créés.]1
[1 Lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, ou lorsque la zone à mettre en oeuvre est entièrement située dans une centralité identifiée par un schéma, le schéma d'orientation local bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement]1.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
§ 1er. [1 La zone d'aménagement communal concerté est destinée à toute affectation déterminée par un schéma de développement pluricommunal ou communal.
A défaut de schéma de développement pluricommunal ou communal, son affectation est fixée en fonction de sa localisation, de son voisinage, de l'incidence de l'urbanisation projetée sur l'optimisation spatiale, de la proximité de zones d'initiatives privilégiées visées à l'article D.V.14, de la proximité aux pôles urbains et ruraux, de la performance des réseaux de communication et de distribution, des coûts induits par l'urbanisation à court, à moyen et à long terme, ainsi que des besoins de la commune et de l'affectation donnée à tout ou partie de toute zone d'aménagement communal concerté située sur le territoire communal concerné et sur les territoires communaux limitrophes si elle existe]1.
§ 2. La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui est imposé par le Gouvernement, du schéma d'orientation local, conforme à l'article D.II.11, et à son approbation par le Gouvernement. Toutefois, lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, le schéma bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement.
[1 Cependant, tout ou partie d'une zone d'aménagement communal concerté reprise au sein d'une centralité identifiée par un schéma peut également être mise en oeuvre par un permis d'urbanisation ou d'urbanisme de constructions groupées d'une superficie de deux hectares et plus, soumis à étude d'incidences et portant sur la création de logements et, éventuellement, d'activités accessoires aux logements créés.]1
[1 Lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, ou lorsque la zone à mettre en oeuvre est entièrement située dans une centralité identifiée par un schéma, le schéma d'orientation local bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement]1.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
Wijzigingen
Art. D _II.42.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is.
§ 1. Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is zijn bedoeld voor elke bestemming, bepaald :
1° ofwel in functie van de ligging, de buurt, [1 ...]1 de nabijheid van stedelijke en landelijke kernen, de performantie van de communicatie- en distributienetwerken, de kosten die de verstedelijking op korte, middellange en lange termijn met zich meebrengen, alsook de behoeften van de gemeente en de bestemming van het geheel of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, en dat zich bevindt op het betrokken gemeentelijk grondgebied en op de aangrenzende gemeentelijke grondgebieden, indien bestaand;
2° ofwel in functie van de aanwijzingen van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 2. De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming, door de gemeenteraad, ofwel op zijn eigen initiatief ofwel binnen een hem door de Regering opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.11 en aan de goedgekeuring ervan door de Regering. Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, wordt er voorzien in een vereenvoudigde inhoud, zoals bepaald door de Regering.
Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde lokaal beleidsontwikkelingsplan weigeren, dan kan de Regering in haar plaats treden om het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan te nemen of te herzien.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied of gebeidsdeel, al dan niet ontsloten.
Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is.
§ 1. Gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is zijn bedoeld voor elke bestemming, bepaald :
1° ofwel in functie van de ligging, de buurt, [1 ...]1 de nabijheid van stedelijke en landelijke kernen, de performantie van de communicatie- en distributienetwerken, de kosten die de verstedelijking op korte, middellange en lange termijn met zich meebrengen, alsook de behoeften van de gemeente en de bestemming van het geheel of deel van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg, en dat zich bevindt op het betrokken gemeentelijk grondgebied en op de aangrenzende gemeentelijke grondgebieden, indien bestaand;
2° ofwel in functie van de aanwijzingen van het (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 2. De ontsluiting van een gebied of een gebiedsdeel wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanneming, door de gemeenteraad, ofwel op zijn eigen initiatief ofwel binnen een hem door de Regering opgelegde termijn, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.II.11 en aan de goedgekeuring ervan door de Regering. Wanneer de ontsluiting van het gebied of een deel ervan uitsluitend betrekking heeft op één of meerdere bestemmingen die niet met bebouwing verband houden, wordt er voorzien in een vereenvoudigde inhoud, zoals bepaald door de Regering.
Mocht de gemeentelijke overheid de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de vastgestelde termijn nakomen of mocht ze het haar ter goedkeuring voorgelegde lokaal beleidsontwikkelingsplan weigeren, dan kan de Regering in haar plaats treden om het lokaal beleidsontwikkelingsplan aan te nemen of te herzien.
§ 3. De afwijkingen bedoeld in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.13 zijn van toepassing op elk gebied of gebeidsdeel, al dan niet ontsloten.
Art. D _II.42.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
De la zone d'aménagement communal concerté.
§ 1er. La zone d'aménagement communal concerté est destinée à toute affectation déterminée :
1° soit en fonction de la localisation, du voisinage, [1 ...]1 de la proximité aux pôles urbains et ruraux, de la performance des réseaux de communication et de distribution, des coûts induits par l'urbanisation à court, à moyen et à long terme, ainsi que des besoins de la commune et de l'affectation donnée à tout ou partie de toute zone d'aménagement communal concerté située sur le territoire communal concerné et sur les territoires communaux limitrophes si elle existe;
2° soit en fonction des indications du schéma de développement pluricommunal ou communal.
§ 2. La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui est imposé par le Gouvernement, du schéma d'orientation local, conforme à l'article D.II.11, et à son approbation par le Gouvernement. Toutefois, lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, le schéma bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement.
A défaut pour les autorités communales de satisfaire dans le délai fixé à l'obligation visée à l'alinéa 1er, ainsi qu'en cas de refus du schéma d'orientation local soumis à son approbation, le Gouvernement peut s'y substituer pour adopter ou réviser le schéma d'orientation local.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
De la zone d'aménagement communal concerté.
§ 1er. La zone d'aménagement communal concerté est destinée à toute affectation déterminée :
1° soit en fonction de la localisation, du voisinage, [1 ...]1 de la proximité aux pôles urbains et ruraux, de la performance des réseaux de communication et de distribution, des coûts induits par l'urbanisation à court, à moyen et à long terme, ainsi que des besoins de la commune et de l'affectation donnée à tout ou partie de toute zone d'aménagement communal concerté située sur le territoire communal concerné et sur les territoires communaux limitrophes si elle existe;
2° soit en fonction des indications du schéma de développement pluricommunal ou communal.
§ 2. La mise en oeuvre de tout ou partie de la zone est subordonnée à l'adoption par le conseil communal, soit d'initiative, soit dans le délai qui est imposé par le Gouvernement, du schéma d'orientation local, conforme à l'article D.II.11, et à son approbation par le Gouvernement. Toutefois, lorsque la mise en oeuvre de tout ou partie de la zone porte exclusivement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation, le schéma bénéficie d'un contenu simplifié défini par le Gouvernement.
A défaut pour les autorités communales de satisfaire dans le délai fixé à l'obligation visée à l'alinéa 1er, ainsi qu'en cas de refus du schéma d'orientation local soumis à son approbation, le Gouvernement peut s'y substituer pour adopter ou réviser le schéma d'orientation local.
§ 3. Les dérogations visées aux articles D.IV.6 à D.IV.13 sont applicables à toute zone ou partie de zone qu'elle soit ou non mise en oeuvre.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Tracé van de hoofdinfrastructuren
Section 3. - Tracé des principales infrastructures
Art. D. II.43.Na beëindiging van de werkzaamheden voor de aanleg van de infrastructuur voor verkeer of voor vervoer van vloeistoffen of energie of als ze ervan afziet de infrastructuur aan te leggen, kan de Regering het betrokken tracé of de betrokken omtrek opheffen voor zover de impact van de schrapping van het tracé of de reserveringsomtrek ofwel onafhankelijk ofwel bij de opneming ervan beoordeeld is en de milieutoestand in de tussentijd geen significante wijzigingen onderging [1 of voor zover de schrapping vrijgesteld is van een effectbeoordeling]1.
Art. D. II.43.Au terme de la réalisation de l'infrastructure de communication ou de transport de fluide ou d'énergie ou en cas de renoncement à réaliser l'infrastructure, le Gouvernement peut abroger le tracé ou le périmètre concerné pour autant que l'impact d'une désinscription du tracé ou du périmètre de réservation ait été évalué soit indépendamment, soit lors de son inscription et que la situation environnementale n'ait pas subi de modifications notables entre-temps [1 ou que la désinscription ait été dispensée d'évaluation des incidences]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Afdeling 1. - Inhoud van het basisdossier
Section 1re. - Contenu du dossier de base
Art. D. II.44.De herziening van het gewestplan is gebaseerd op een basisdossier, dat hetvolgende bevat :
1° de verantwoording van de overwogen herziening van het gewestplan ten opzichte van artikel D.I.1;
2° de betrokken omtrek;
3° de bestaande feitelijke en rechtstoestand;
4° een verslag ter verantwoording van de onderzochte en niet in aanmerking genomen alternatieve projecten, rekening houdend met name met de behoeften waarop de overwogen herziening van het plan moet inspelen, de beschikbaarheden inzake grond in de bebouwingsgebieden en de bereikbaarheid van de gekozen locaties;
[1 4/1° wanneer het ontwerp van herziening strekt tot de opneming van een gebied bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid, een omtrek voor de bescherming van gebieden buiten het centrumgebied of een bijkomend voorschrift voor ruimteoptimalisatie, een analyse van het effect van de opneming op de ruimteoptimalisatie;]1
5° één of meerdere voorontwerpvoorstellen op schaal 1/10 000e;
6° in voorkomend geval, compensatievoorstellen bedoeld in artikel D.II.45, § 3;
7° de eventuele bijkomende voorschriften;
8° in voorkomend geval, het onteigeningsplan of het ontwerp van onteigeningsplan;
9° wanneer de herziening de opneming beoogt van een gebied van gewestelijk belang, de verantwoording van de overeenstemming van de gekozen omtrek met artikel D.II.45, § 4;
10° wanneer de herziening de opneming beoogt van een gebied van gemeentelijk belang, de verantwoording van de overeenstemming van de gekozen omtrek met artikel D.II.45, § 5;
11° in voorkomend geval, de lijst met (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
In de gevallen bedoeld in lid 1, 9° en 10°, omvat het basisdossier een bodembestemmingsplan met volgende gegevens :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten, met inbegrip van de infrastructuren voor het beheer van afval- en hemelwater;
c) de openbare ruimten [1 ...]1;
d) de bestemmingen per gebied [1 ...]1;
[1 d/1) de dichtheden voor:
(1) de economische bestemmingen, rekening houdend met de noodzaak om bedrijven in staat te stellen zich te ontwikkelen op hun vestigingsplaats en met andere beperkingen op de ontwikkeling van de ruimten waarin ze zich bevinden;
(2) de woonbestemmingen;]1
e) [1 groene infrastructuur]1;
f) in voorkomend geval, de krachtlijnen van het landschap;
g) wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, de grenzen van de op te richten kavels;
h) in voorkomend geval, de fasering van de ontsluiting van het bodembestemmingsplan.
Wanneer de herziening van het gewestplan uitsluitend het bodembestemmingsplan als deel of geheel beoogt, bevat het basisdossier de overwogen herziening van bedoeld plan of de verantwoording ervan ten opzichte van artikel D.I.1.
1° de verantwoording van de overwogen herziening van het gewestplan ten opzichte van artikel D.I.1;
2° de betrokken omtrek;
3° de bestaande feitelijke en rechtstoestand;
4° een verslag ter verantwoording van de onderzochte en niet in aanmerking genomen alternatieve projecten, rekening houdend met name met de behoeften waarop de overwogen herziening van het plan moet inspelen, de beschikbaarheden inzake grond in de bebouwingsgebieden en de bereikbaarheid van de gekozen locaties;
[1 4/1° wanneer het ontwerp van herziening strekt tot de opneming van een gebied bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid, een omtrek voor de bescherming van gebieden buiten het centrumgebied of een bijkomend voorschrift voor ruimteoptimalisatie, een analyse van het effect van de opneming op de ruimteoptimalisatie;]1
5° één of meerdere voorontwerpvoorstellen op schaal 1/10 000e;
6° in voorkomend geval, compensatievoorstellen bedoeld in artikel D.II.45, § 3;
7° de eventuele bijkomende voorschriften;
8° in voorkomend geval, het onteigeningsplan of het ontwerp van onteigeningsplan;
9° wanneer de herziening de opneming beoogt van een gebied van gewestelijk belang, de verantwoording van de overeenstemming van de gekozen omtrek met artikel D.II.45, § 4;
10° wanneer de herziening de opneming beoogt van een gebied van gemeentelijk belang, de verantwoording van de overeenstemming van de gekozen omtrek met artikel D.II.45, § 5;
11° in voorkomend geval, de lijst met (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de gemeentelijke leidraden die geheel of gedeeltelijk opgemaakt, herzien of opgeheven moeten worden.
In de gevallen bedoeld in lid 1, 9° en 10°, omvat het basisdossier een bodembestemmingsplan met volgende gegevens :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten, met inbegrip van de infrastructuren voor het beheer van afval- en hemelwater;
c) de openbare ruimten [1 ...]1;
d) de bestemmingen per gebied [1 ...]1;
[1 d/1) de dichtheden voor:
(1) de economische bestemmingen, rekening houdend met de noodzaak om bedrijven in staat te stellen zich te ontwikkelen op hun vestigingsplaats en met andere beperkingen op de ontwikkeling van de ruimten waarin ze zich bevinden;
(2) de woonbestemmingen;]1
e) [1 groene infrastructuur]1;
f) in voorkomend geval, de krachtlijnen van het landschap;
g) wanneer overwogen wordt, artikel D.IV.3, lid 1, 6°, toe te passen, de grenzen van de op te richten kavels;
h) in voorkomend geval, de fasering van de ontsluiting van het bodembestemmingsplan.
Wanneer de herziening van het gewestplan uitsluitend het bodembestemmingsplan als deel of geheel beoogt, bevat het basisdossier de overwogen herziening van bedoeld plan of de verantwoording ervan ten opzichte van artikel D.I.1.
Art. D. II.44.La révision du plan de secteur se fonde sur un dossier de base, qui comprend :
1° la justification de la révision projetée du plan de secteur au regard de l'article D.I.1;
2° le périmètre concerné;
3° la situation existante de fait et de droit;
4° un rapport justificatif des alternatives examinées et non retenues, compte tenu notamment des besoins auxquels répond la révision projetée, des disponibilités foncières en zones destinées à l'urbanisation et de leur accessibilité;
[1 4/1° lorsque le projet de révision vise à l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, d'un périmètre de protection des espaces hors centralité ou d'une prescription supplémentaire d'optimisation spatiale, une analyse de l'effet de l'inscription sur l'optimisation spatiale;]1
5° une ou plusieurs propositions d'avant-projet établies au 1/10 000e;
6° le cas échéant, des propositions de compensations visées à l'article D.II.45, § 3;
7° les éventuelles prescriptions supplémentaires;
8° le cas échéant, le plan ou le projet de plan d'expropriation;
9° lorsque la révision a pour objet l'inscription d'une zone d'enjeu régional, la justification de la conformité du périmètre choisi à l'article D.II.45, § 4;
10° lorsque la révision a pour objet l'inscription d'une zone d'enjeu communal, la justification de la conformité du périmètre choisi à l'article D.II.45, § 5;
11° le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et guides communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 9° et 10°, le dossier de base comprend une carte d'affectation des sols qui reprend les éléments suivants :
a) le réseau viaire;
b) les infrastructures et réseaux techniques, en ce compris les infrastructures de gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) les espaces publics [1 ...]1;
d) les affectations par zones [1 ...]1;
[1 d/1) les densités pour :
(1) les affectations économiques tenant compte de la nécessité de permettre aux entreprises de se développer sur leur lieu d'implantation et des autres contraintes d'aménagement des espaces qui les accueillent;
(2) les affectations résidentielles;]1
e) [1 l'infrastructure verte]1;
f) le cas échéant, les lignes de force du paysage;
g) lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les limites de lots à créer;
h) le cas échéant, le phasage de la mise en oeuvre de la carte d'affectation des sols.
Lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif tout ou partie de la carte d'affectation des sols, le dossier de base comprend la révision projetée de la carte et sa justification au regard de l'article D.I.1.
1° la justification de la révision projetée du plan de secteur au regard de l'article D.I.1;
2° le périmètre concerné;
3° la situation existante de fait et de droit;
4° un rapport justificatif des alternatives examinées et non retenues, compte tenu notamment des besoins auxquels répond la révision projetée, des disponibilités foncières en zones destinées à l'urbanisation et de leur accessibilité;
[1 4/1° lorsque le projet de révision vise à l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, d'un périmètre de protection des espaces hors centralité ou d'une prescription supplémentaire d'optimisation spatiale, une analyse de l'effet de l'inscription sur l'optimisation spatiale;]1
5° une ou plusieurs propositions d'avant-projet établies au 1/10 000e;
6° le cas échéant, des propositions de compensations visées à l'article D.II.45, § 3;
7° les éventuelles prescriptions supplémentaires;
8° le cas échéant, le plan ou le projet de plan d'expropriation;
9° lorsque la révision a pour objet l'inscription d'une zone d'enjeu régional, la justification de la conformité du périmètre choisi à l'article D.II.45, § 4;
10° lorsque la révision a pour objet l'inscription d'une zone d'enjeu communal, la justification de la conformité du périmètre choisi à l'article D.II.45, § 5;
11° le cas échéant, la liste des schémas de développement pluricommunaux ou communaux et guides communaux à élaborer, à réviser ou à abroger, en tout ou en partie.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 9° et 10°, le dossier de base comprend une carte d'affectation des sols qui reprend les éléments suivants :
a) le réseau viaire;
b) les infrastructures et réseaux techniques, en ce compris les infrastructures de gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) les espaces publics [1 ...]1;
d) les affectations par zones [1 ...]1;
[1 d/1) les densités pour :
(1) les affectations économiques tenant compte de la nécessité de permettre aux entreprises de se développer sur leur lieu d'implantation et des autres contraintes d'aménagement des espaces qui les accueillent;
(2) les affectations résidentielles;]1
e) [1 l'infrastructure verte]1;
f) le cas échéant, les lignes de force du paysage;
g) lorsqu'il est envisagé de faire application de l'article D.IV.3, alinéa 1er, 6°, les limites de lots à créer;
h) le cas échéant, le phasage de la mise en oeuvre de la carte d'affectation des sols.
Lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif tout ou partie de la carte d'affectation des sols, le dossier de base comprend la révision projetée de la carte et sa justification au regard de l'article D.I.1.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Op de herziening toepasselijke principes
Section 2. - Principes applicables à la révision
Art. D. II.45.§ 1. De op te nemen nieuwe bebouwingsgebieden die volgen op niet-bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen; van dit voorschrift kan enkel worden afgeweken voor de opneming van een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, van een recreatiegebied met een gevaarlijk, ongezond of hinderlijk karakter, van een industriële bedrijfsruimte, van een specifieke industriële bedrijfsruimte met de overdruk "A.E." of "R.M.", van aanhorigheden van ontginningsgebieden of gebieden met een bedrijfskarakter.
§ 2. De opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied dat volgt op een niet-bebouwingsgebied mag niet de vorm aannemen van lintbebouwing langs de weg.
Lintbebouwing is de opneming van een gebied waarvan de vorm, wegens de diepte, de lengte en de verhouding tussen beide dimensies, enkel de aanleg van één bouwlint mogelijk maakt, zonder dat er sprake is van een stedenbouwkundige compositie die rondom een nieuw wegennet tot stand komt.
§ 3. [1 De opneming van een nieuw bebouwingsgebied, volgend op een niet-bebouwingsgebied, dat niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu zou kunnen hebben wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, gecompenseerd voor ten minste vijfentachtig procent van de oppervlakte ervan door de wijziging van een bestaand bebouwingsgebied of een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg in een niet-bebouwingsgebied.
Indien de in lid 1 bedoelde compensatie niet de volledige oppervlakte van het nieuwe bebouwingsgebied betreft, wordt de opneming van dit gebied ook op alternatieve wijze gecompenseerd uit operationeel, milieu-, energie- of mobiliteitsoogpunt, waarbij met name rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bebouwingsgebied voor de omgeving.
De alternatieve compensatie beoogt het herstel van het evenwicht dat verloren gaat door de residuele impact van de opneming van een bebouwingsgebied volgend op een niet-bebouwingsgebied, na inoverwegingname van de preventie- en inrichtingsmaatregelen die getroffen worden ter beperking of voorkoming van de niet te verwaarlozen effecten waarop gewezen is in het milieueffectenverslag dat in het kader van de procedure opgesteld wordt.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gefaseerd verlopen.
Voor de alternatieve compensaties bepaalt de Regering hun aard, hun nadere uitvoeringsregels en bepaalt ze er het proportionaliteitsbeginsel van]1.
§ 4. De opneming van een gebied van gewestelijk belang beoogt een gebied uit één stuk waardoor de Regering in staat wordt gesteld om één of verschillende, van openbare of private initiatieven uitgaande, prioritaire acties te ondernemen die verband houden met de sociale, economische, leefmilieu-, culturele, sport-, recreatieve en toeristische ontwikkeling van het Gewest en met het aanleggen van infrastructuren.
[1 ...]1.
§ 5. [1 Het gebied van gemeentelijk belang ligt geheel of gedeeltelijk binnen een centrumgebied dat door een ontwikkelingsplan wordt afgebakend.
Bij gebrek aan ontwikkelingsplan waarin de centrumgebieden worden afgebakend, ligt het gebied van gemeentelijk belang binnen een deel van het gebied dat bijdraagt tot de dynamisering van stedelijke en landelijke kernen waarvan het potentieel als centrumfunctie, met als kenmerken een concentratie van woningen en een vlotte toegang tot diensten en uitrustingen, versterkt moet worden door een geschikte verdichting, door de hernieuwing, door de functionele en sociale gemengdheid en door de verbetering van het leefkader]1.
§ 2. De opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied dat volgt op een niet-bebouwingsgebied mag niet de vorm aannemen van lintbebouwing langs de weg.
Lintbebouwing is de opneming van een gebied waarvan de vorm, wegens de diepte, de lengte en de verhouding tussen beide dimensies, enkel de aanleg van één bouwlint mogelijk maakt, zonder dat er sprake is van een stedenbouwkundige compositie die rondom een nieuw wegennet tot stand komt.
§ 3. [1 De opneming van een nieuw bebouwingsgebied, volgend op een niet-bebouwingsgebied, dat niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu zou kunnen hebben wordt, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, gecompenseerd voor ten minste vijfentachtig procent van de oppervlakte ervan door de wijziging van een bestaand bebouwingsgebied of een gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan een overleg in een niet-bebouwingsgebied.
Indien de in lid 1 bedoelde compensatie niet de volledige oppervlakte van het nieuwe bebouwingsgebied betreft, wordt de opneming van dit gebied ook op alternatieve wijze gecompenseerd uit operationeel, milieu-, energie- of mobiliteitsoogpunt, waarbij met name rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bebouwingsgebied voor de omgeving.
De alternatieve compensatie beoogt het herstel van het evenwicht dat verloren gaat door de residuele impact van de opneming van een bebouwingsgebied volgend op een niet-bebouwingsgebied, na inoverwegingname van de preventie- en inrichtingsmaatregelen die getroffen worden ter beperking of voorkoming van de niet te verwaarlozen effecten waarop gewezen is in het milieueffectenverslag dat in het kader van de procedure opgesteld wordt.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gefaseerd verlopen.
Voor de alternatieve compensaties bepaalt de Regering hun aard, hun nadere uitvoeringsregels en bepaalt ze er het proportionaliteitsbeginsel van]1.
§ 4. De opneming van een gebied van gewestelijk belang beoogt een gebied uit één stuk waardoor de Regering in staat wordt gesteld om één of verschillende, van openbare of private initiatieven uitgaande, prioritaire acties te ondernemen die verband houden met de sociale, economische, leefmilieu-, culturele, sport-, recreatieve en toeristische ontwikkeling van het Gewest en met het aanleggen van infrastructuren.
[1 ...]1.
§ 5. [1 Het gebied van gemeentelijk belang ligt geheel of gedeeltelijk binnen een centrumgebied dat door een ontwikkelingsplan wordt afgebakend.
Bij gebrek aan ontwikkelingsplan waarin de centrumgebieden worden afgebakend, ligt het gebied van gemeentelijk belang binnen een deel van het gebied dat bijdraagt tot de dynamisering van stedelijke en landelijke kernen waarvan het potentieel als centrumfunctie, met als kenmerken een concentratie van woningen en een vlotte toegang tot diensten en uitrustingen, versterkt moet worden door een geschikte verdichting, door de hernieuwing, door de functionele en sociale gemengdheid en door de verbetering van het leefkader]1.
Art. D. II.45.§ 1er. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation est attenante à une zone existante destinée à l'urbanisation; seule l'inscription d'une zone de services publics et d'équipements communautaires, de loisirs destinée à des activités récréatives présentant un caractère dangereux, insalubre ou incommode, d'activité économique industrielle, d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "A.E." ou "R.M.", de dépendances d'extraction ou d'aménagement communal concerté à caractère économique peut s'écarter de ce principe.
§ 2. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation ne peut pas prendre la forme d'une urbanisation en ruban le long de la voirie.
L'urbanisation en ruban est l'inscription d'une zone dont la forme, par sa profondeur, sa longueur et le rapport entre ces deux éléments, ne permet que le développement d'un front bâti unique, à l'exclusion d'une composition urbanistique s'organisant autour d'un nouveau réseau viaire.
§ 3. [1 Dans le respect du principe de proportionnalité, l'inscription de toute nouvelle zone destinée à l'urbanisation et susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, est compensée, pour au moins quatrevingt-cinq pour cent de sa superficie, par la modification d'une zone existante destinée à l'urbanisation ou d'une zone d'aménagement communal concerté en zone non destinée à l'urbanisation.
Si la compensation visée à l'alinéa 1er ne porte pas sur l'entièreté de la superficie de la nouvelle zone destinée à l'urbanisation, l'inscription de celle-ci est, en outre, compensée de manière alternative en termes opérationnel, environnemental, énergétique ou de mobilité en tenant compte, notamment, de l'impact de la zone destinée à l'urbanisation sur le voisinage.
La compensation alternative vise à contrebalancer l'impact résiduel découlant de l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, après prise en compte des mesures de prévention et d'aménagement destinées à limiter ou à éviter les incidences non négligeables identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales réalisé dans le cadre de la procédure.
La compensation planologique ou alternative peut être réalisée par phases.
Le Gouvernement détermine, pour les compensations alternatives, leur nature, leurs modalités de mise en oeuvre et en définit le principe de proportionnalité]1.
§ 4. L'inscription d'une zone d'enjeu régional vise un territoire d'un seul tenant qui permet au Gouvernement de mener une ou plusieurs actions prioritaires, d'initiatives publiques ou privées, liées au développement social, économique, environnemental, culturel, sportif, récréatif et touristique de la Région, ainsi qu'à son équipement en infrastructures.
[1 ...]1.
§ 5. [1 La zone d'enjeu communal s'inscrit, en tout ou en partie, dans une centralité identifiée par un schéma.
En l'absence de schéma identifiant les centralités, la zone d'enjeu communal s'inscrit dans une partie du territoire qui contribue à la dynamisation d'espaces dont le potentiel de centralité, caractérisé par une concentration en logements et par un accès aisé aux services et aux équipements, est à renforcer par une densification appropriée, par le renouvellement, par la mixité fonctionnelle et sociale et par l'amélioration du cadre de vie]1.
§ 2. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation ne peut pas prendre la forme d'une urbanisation en ruban le long de la voirie.
L'urbanisation en ruban est l'inscription d'une zone dont la forme, par sa profondeur, sa longueur et le rapport entre ces deux éléments, ne permet que le développement d'un front bâti unique, à l'exclusion d'une composition urbanistique s'organisant autour d'un nouveau réseau viaire.
§ 3. [1 Dans le respect du principe de proportionnalité, l'inscription de toute nouvelle zone destinée à l'urbanisation et susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, est compensée, pour au moins quatrevingt-cinq pour cent de sa superficie, par la modification d'une zone existante destinée à l'urbanisation ou d'une zone d'aménagement communal concerté en zone non destinée à l'urbanisation.
Si la compensation visée à l'alinéa 1er ne porte pas sur l'entièreté de la superficie de la nouvelle zone destinée à l'urbanisation, l'inscription de celle-ci est, en outre, compensée de manière alternative en termes opérationnel, environnemental, énergétique ou de mobilité en tenant compte, notamment, de l'impact de la zone destinée à l'urbanisation sur le voisinage.
La compensation alternative vise à contrebalancer l'impact résiduel découlant de l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, après prise en compte des mesures de prévention et d'aménagement destinées à limiter ou à éviter les incidences non négligeables identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales réalisé dans le cadre de la procédure.
La compensation planologique ou alternative peut être réalisée par phases.
Le Gouvernement détermine, pour les compensations alternatives, leur nature, leurs modalités de mise en oeuvre et en définit le principe de proportionnalité]1.
§ 4. L'inscription d'une zone d'enjeu régional vise un territoire d'un seul tenant qui permet au Gouvernement de mener une ou plusieurs actions prioritaires, d'initiatives publiques ou privées, liées au développement social, économique, environnemental, culturel, sportif, récréatif et touristique de la Région, ainsi qu'à son équipement en infrastructures.
[1 ...]1.
§ 5. [1 La zone d'enjeu communal s'inscrit, en tout ou en partie, dans une centralité identifiée par un schéma.
En l'absence de schéma identifiant les centralités, la zone d'enjeu communal s'inscrit dans une partie du territoire qui contribue à la dynamisation d'espaces dont le potentiel de centralité, caractérisé par une concentration en logements et par un accès aisé aux services et aux équipements, est à renforcer par une densification appropriée, par le renouvellement, par la mixité fonctionnelle et sociale et par l'amélioration du cadre de vie]1.
Wijzigingen
Art. D. II.45_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De op te nemen nieuwe bebouwingsgebieden die volgen op niet-bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen; van dit voorschrift kan enkel worden afgeweken voor de opneming van een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, van een recreatiegebied met een gevaarlijk, ongezond of hinderlijk karakter, van een industriële bedrijfsruimte, van een specifieke industriële bedrijfsruimte met de overdruk "A.E." of "R.M.", van aanhorigheden van ontginningsgebieden of gebieden met een bedrijfskarakter.
§ 2. De opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied dat volgt op een niet-bebouwingsgebied mag niet de vorm aannemen van lintbebouwing langs de weg.
Lintbebouwing is de opneming van een gebied waarvan de vorm, wegens de diepte, de lengte en de verhouding tussen beide dimensies, enkel de aanleg van één bouwlint mogelijk maakt, zonder dat er sprake is van een stedenbouwkundige compositie die rondom een nieuw wegennet tot stand komt.
§ 3. [2 De opneming van een nieuw bebouwingsgebied dat niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu zou kunnen hebben, volgend op een niet-bebouwingsgebied, wordt, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, gecompenseerd :
1° door een bestaand bebouwingsgebied of een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure wordt onderworpen in gelijke mate om te vormen tot een niet-bebouwingsgebied, of
2° door een alternatieve compensatie bepaald door de Regering, zowel op operationeel vlak als op vlak van leefmilieu, energie of mobiliteit, waarbij meer bepaald rekening wordt gehouden met de impact van het bebouwingsgebied op de buurt, of
3° door betaling van een toegift aan het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
De alternatieve compensatie vermeld in het eerste lid, 2°, beoogt het herstel van het evenwicht dat verloren gaat door de residuele impact van de opneming van een bebouwingsgebied volgend op een niet-bebouwingsgebied, na inoverwegingname van de preventie- en inrichtingsmaatregelen die getroffen worden ter beperking of voorkoming van de niet te verwaarlozen effecten waarop gewezen is in het milieueffectenverslag dat in het kader van de procedure opgesteld wordt.
De betaling van een toegift vermeld in het eerste lid, 3°, heeft tot doel overeenkomstig artikel D.I.12.1 maatregelen ter bevordering van de duurzaamheid in de Duitstalige Gemeenschap te financieren.
De Regering kiest voor planologische compensaties, voor alternatieve compensaties of voor de betaling van een toegift, ofwel voor een combinatie daarvan, waarbij planologische compensaties de voorkeur hebben.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gemeenteoverschrijdend verlopen.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gefaseerd verlopen. De toegift kan in verschillende tranches worden betaald.
Voor de alternatieve compensaties bepaalt de Regering hun aard, hun nadere uitvoeringsregels en het evenredigheidsbeginsel. Er kan een financiële waarborg worden geëist.
Wat de betaling van een toegift betreft, bepaalt de Regering de nadere regels voor de berekening en de uitbetaling van het bedrag ervan, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Er kan een financiële waarborg worden geëist.]2
§ 4. De opneming van een gebied van gewestelijk belang beoogt een gebied uit één stuk waardoor de Regering in staat wordt gesteld om één of verschillende, van openbare of private initiatieven uitgaande, prioritaire acties te ondernemen die verband houden met de sociale, economische, leefmilieu-, culturele, sport-, recreatieve en toeristische ontwikkeling van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 en met het aanleggen van infrastructuren.
In afwijking van paragraaf 3 is er geen enkele compensatie vereist voor vijftien percent van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsruimte en, in voorkomend geval, voor de oppervlakte die nodig is voor de aanleg van de overwogen afzonderingsmarge bedoeld in artikel D.II.28, lid 3, indien :
1° de herziening van het gewestplan betrekking heeft op de opneming van een gebied van gewestelijk belang dat volgt op één of meerdere niet-bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 3;
2° het (de) niet-bebouwingsgebied(en) aan een voldoende uitgeruste en toegankelijke bedrijfsruimte grenst (grenzen), waarvoor wordt aangetoond dat die bedrijfsruimte niet meer over voldoende ruimte beschikt om een prioritaire actie uit te voeren.
§ 5. De opneming van een gebied van gemeentelijk belang beoogt een deel van het gebied dat bijdraagt tot de dynamisering van stedelijke en landelijke kernen waarvan het potentieel als centrumfunctie, met als kenmerken een concentratie van woningen en een vlotte toegang tot diensten en uitrustingen, versterkt moet worden door een geschikte verdichting, door de hernieuwing, door de functionele en sociale gemengdheid en door de verbetering van het leefkader.
In afwijking van paragraaf 3 is er geen enkele compensatie vereist voor tien percent van de totale oppervlakte van de bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 2, gelegen in de omtrek vallend onder de herziening van het gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang indien :
1° de herziening van het gewestplan betrekking heeft op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang dat volgt op één of meerdere niet-bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 3;
2° het ten opzichte van de ontwikkelingsdoelstellingen inzake het potentieel van centrumfunctie verantwoord is om het (de) niet-bebouwingsgebieden erbij te betrekken;
3° het (de) niet-bebouwingsgebied(en) ofwel ingesloten is ofwel een randgebied is dat aan één of meerdere bebouwingsgebieden grenst, gelegen in de omtrek vallend onder de herziening van het gewestplan.
§ 1. De op te nemen nieuwe bebouwingsgebieden die volgen op niet-bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen; van dit voorschrift kan enkel worden afgeweken voor de opneming van een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, van een recreatiegebied met een gevaarlijk, ongezond of hinderlijk karakter, van een industriële bedrijfsruimte, van een specifieke industriële bedrijfsruimte met de overdruk "A.E." of "R.M.", van aanhorigheden van ontginningsgebieden of gebieden met een bedrijfskarakter.
§ 2. De opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied dat volgt op een niet-bebouwingsgebied mag niet de vorm aannemen van lintbebouwing langs de weg.
Lintbebouwing is de opneming van een gebied waarvan de vorm, wegens de diepte, de lengte en de verhouding tussen beide dimensies, enkel de aanleg van één bouwlint mogelijk maakt, zonder dat er sprake is van een stedenbouwkundige compositie die rondom een nieuw wegennet tot stand komt.
§ 3. [2 De opneming van een nieuw bebouwingsgebied dat niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu zou kunnen hebben, volgend op een niet-bebouwingsgebied, wordt, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, gecompenseerd :
1° door een bestaand bebouwingsgebied of een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure wordt onderworpen in gelijke mate om te vormen tot een niet-bebouwingsgebied, of
2° door een alternatieve compensatie bepaald door de Regering, zowel op operationeel vlak als op vlak van leefmilieu, energie of mobiliteit, waarbij meer bepaald rekening wordt gehouden met de impact van het bebouwingsgebied op de buurt, of
3° door betaling van een toegift aan het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
De alternatieve compensatie vermeld in het eerste lid, 2°, beoogt het herstel van het evenwicht dat verloren gaat door de residuele impact van de opneming van een bebouwingsgebied volgend op een niet-bebouwingsgebied, na inoverwegingname van de preventie- en inrichtingsmaatregelen die getroffen worden ter beperking of voorkoming van de niet te verwaarlozen effecten waarop gewezen is in het milieueffectenverslag dat in het kader van de procedure opgesteld wordt.
De betaling van een toegift vermeld in het eerste lid, 3°, heeft tot doel overeenkomstig artikel D.I.12.1 maatregelen ter bevordering van de duurzaamheid in de Duitstalige Gemeenschap te financieren.
De Regering kiest voor planologische compensaties, voor alternatieve compensaties of voor de betaling van een toegift, ofwel voor een combinatie daarvan, waarbij planologische compensaties de voorkeur hebben.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gemeenteoverschrijdend verlopen.
Planologische of alternatieve compensaties kunnen gefaseerd verlopen. De toegift kan in verschillende tranches worden betaald.
Voor de alternatieve compensaties bepaalt de Regering hun aard, hun nadere uitvoeringsregels en het evenredigheidsbeginsel. Er kan een financiële waarborg worden geëist.
Wat de betaling van een toegift betreft, bepaalt de Regering de nadere regels voor de berekening en de uitbetaling van het bedrag ervan, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Er kan een financiële waarborg worden geëist.]2
§ 4. De opneming van een gebied van gewestelijk belang beoogt een gebied uit één stuk waardoor de Regering in staat wordt gesteld om één of verschillende, van openbare of private initiatieven uitgaande, prioritaire acties te ondernemen die verband houden met de sociale, economische, leefmilieu-, culturele, sport-, recreatieve en toeristische ontwikkeling van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 en met het aanleggen van infrastructuren.
In afwijking van paragraaf 3 is er geen enkele compensatie vereist voor vijftien percent van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsruimte en, in voorkomend geval, voor de oppervlakte die nodig is voor de aanleg van de overwogen afzonderingsmarge bedoeld in artikel D.II.28, lid 3, indien :
1° de herziening van het gewestplan betrekking heeft op de opneming van een gebied van gewestelijk belang dat volgt op één of meerdere niet-bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 3;
2° het (de) niet-bebouwingsgebied(en) aan een voldoende uitgeruste en toegankelijke bedrijfsruimte grenst (grenzen), waarvoor wordt aangetoond dat die bedrijfsruimte niet meer over voldoende ruimte beschikt om een prioritaire actie uit te voeren.
§ 5. De opneming van een gebied van gemeentelijk belang beoogt een deel van het gebied dat bijdraagt tot de dynamisering van stedelijke en landelijke kernen waarvan het potentieel als centrumfunctie, met als kenmerken een concentratie van woningen en een vlotte toegang tot diensten en uitrustingen, versterkt moet worden door een geschikte verdichting, door de hernieuwing, door de functionele en sociale gemengdheid en door de verbetering van het leefkader.
In afwijking van paragraaf 3 is er geen enkele compensatie vereist voor tien percent van de totale oppervlakte van de bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 2, gelegen in de omtrek vallend onder de herziening van het gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang indien :
1° de herziening van het gewestplan betrekking heeft op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang dat volgt op één of meerdere niet-bebouwingsgebieden bedoeld in artikel D.II.23, lid 3;
2° het ten opzichte van de ontwikkelingsdoelstellingen inzake het potentieel van centrumfunctie verantwoord is om het (de) niet-bebouwingsgebieden erbij te betrekken;
3° het (de) niet-bebouwingsgebied(en) ofwel ingesloten is ofwel een randgebied is dat aan één of meerdere bebouwingsgebieden grenst, gelegen in de omtrek vallend onder de herziening van het gewestplan.
Art. D. II.45_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation est attenante à une zone existante destinée à l'urbanisation; seule l'inscription d'une zone de services publics et d'équipements communautaires, de loisirs destinée à des activités récréatives présentant un caractère dangereux, insalubre ou incommode, d'activité économique industrielle, d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "A.E." ou "R.M.", de dépendances d'extraction ou d'aménagement communal concerté à caractère économique peut s'écarter de ce principe.
§ 2. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation ne peut pas prendre la forme d'une urbanisation en ruban le long de la voirie.
L'urbanisation en ruban est l'inscription d'une zone dont la forme, par sa profondeur, sa longueur et le rapport entre ces deux éléments, ne permet que le développement d'un front bâti unique, à l'exclusion d'une composition urbanistique s'organisant autour d'un nouveau réseau viaire.
§ 3. [2 Dans le respect du principe de proportionnalité, l'inscription de toute nouvelle zone destinée à l'urbanisation et susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, est compensée :
1° par la modification équivalente d'une zone existante destinée à l'urbanisation ou d'une zone d'aménagement communal concerté en zone non destinée à l'urbanisation, ou
2° par toute compensation alternative définie par le Gouvernement tant en termes opérationnel, environnemental ou énergétique qu'en termes de mobilité en tenant compte, notamment, de l'impact de la zone destinée à l'urbanisation sur le voisinage, ou
3° par le paiement d'un montant compensatoire en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
La compensation alternative mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, vise à contrebalancer l'impact résiduel découlant de l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, après prise en compte des mesures de prévention et d'aménagement destinées à limiter ou éviter les incidences non négligeables identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales réalisé dans le cadre de la procédure.
Le paiement d'un montant compensatoire mentionné à l'alinéa 1er, 3°, sert, conformément à l'article D.I.12.1, à financer des mesures visant à promouvoir la durabilité en Communauté germanophone.
Le Gouvernement choisit la compensation planologique, la compensation alternative, le paiement d'un montant compensatoire ou une combinaison des trois, la compensation planologique étant préférée.
La compensation planologique ou alternative peut s'opérer au niveau supracommunal.
La compensation planologique ou alternative peut être réalisée par phases. Le paiement du montant compensatoire peut être effectué en plusieurs tranches.
Le Gouvernement détermine, pour les compensations alternatives, leur nature, leurs modalités de mise en oeuvre et en définit le principe de proportionnalité. Le dépôt d'une garantie financière peut être exigé.
En ce qui concerne le paiement d'un montant compensatoire, le Gouvernement détermine les modalités de calcul et de versement du montant en tenant compte du principe de proportionnalité. Le dépôt d'une garantie financière peut être exigé.]2
§ 4. L'inscription d'une zone d'enjeu régional vise un territoire d'un seul tenant qui permet au Gouvernement de mener une ou plusieurs actions prioritaires, d'initiatives publiques ou privées, liées au développement social, économique, environnemental, culturel, sportif, récréatif et touristique de la [1 Communauté germanophone]1, ainsi qu'à son équipement en infrastructures.
Par dérogation au paragraphe 3, aucune compensation n'est due à concurrence de quinze pour cent de la superficie de la zone d'activité économique existante et le cas échéant, à concurrence de la superficie nécessaire au périmètre d'isolement projeté visé à l'article D.II.28, alinéa 3, lorsque :
1° la révision du plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'enjeu régional en lieu et place d'une ou de plusieurs zones non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3;
2° la ou les zones non destinées à l'urbanisation sont contiguës à la zone d'activité économique existante, suffisamment équipée et accessible, et dont il est établi qu'elle ne dispose plus d'espace suffisant pour mener une action prioritaire.
§ 5. L'inscription d'une zone d'enjeu communal vise une partie du territoire qui contribue à la dynamisation des pôles urbains et ruraux et dont le potentiel de centralité, caractérisé par une concentration en logements et par un accès aisé aux services et aux équipements, est à renforcer par une densification appropriée, par le renouvellement, par la mixité fonctionnelle et sociale et par l'amélioration du cadre de vie.
Par dérogation au paragraphe 3, aucune compensation n'est due à concurrence de dix pour cent de la superficie totale des zones destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 2, et situées dans le périmètre concerné par la révision du plan de secteur portant sur l'inscription d'une zone d'enjeu communal lorsque :
1° la révision du plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'enjeu communal en lieu et place d'une ou de plusieurs zones non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3;
2° l'inclusion de la ou des zones non destinées à l'urbanisation est justifiée eu égard aux objectifs de développement du potentiel de centralité;
3° la ou les zones non destinées à l'urbanisation sont soit enclavées, soit périphériques et contigües à une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation situées dans le périmètre concerné par la révision du plan de secteur.
§ 1er. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation est attenante à une zone existante destinée à l'urbanisation; seule l'inscription d'une zone de services publics et d'équipements communautaires, de loisirs destinée à des activités récréatives présentant un caractère dangereux, insalubre ou incommode, d'activité économique industrielle, d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "A.E." ou "R.M.", de dépendances d'extraction ou d'aménagement communal concerté à caractère économique peut s'écarter de ce principe.
§ 2. L'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation ne peut pas prendre la forme d'une urbanisation en ruban le long de la voirie.
L'urbanisation en ruban est l'inscription d'une zone dont la forme, par sa profondeur, sa longueur et le rapport entre ces deux éléments, ne permet que le développement d'un front bâti unique, à l'exclusion d'une composition urbanistique s'organisant autour d'un nouveau réseau viaire.
§ 3. [2 Dans le respect du principe de proportionnalité, l'inscription de toute nouvelle zone destinée à l'urbanisation et susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, est compensée :
1° par la modification équivalente d'une zone existante destinée à l'urbanisation ou d'une zone d'aménagement communal concerté en zone non destinée à l'urbanisation, ou
2° par toute compensation alternative définie par le Gouvernement tant en termes opérationnel, environnemental ou énergétique qu'en termes de mobilité en tenant compte, notamment, de l'impact de la zone destinée à l'urbanisation sur le voisinage, ou
3° par le paiement d'un montant compensatoire en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
La compensation alternative mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, vise à contrebalancer l'impact résiduel découlant de l'inscription d'une zone destinée à l'urbanisation en lieu et place d'une zone non destinée à l'urbanisation, après prise en compte des mesures de prévention et d'aménagement destinées à limiter ou éviter les incidences non négligeables identifiées dans le rapport sur les incidences environnementales réalisé dans le cadre de la procédure.
Le paiement d'un montant compensatoire mentionné à l'alinéa 1er, 3°, sert, conformément à l'article D.I.12.1, à financer des mesures visant à promouvoir la durabilité en Communauté germanophone.
Le Gouvernement choisit la compensation planologique, la compensation alternative, le paiement d'un montant compensatoire ou une combinaison des trois, la compensation planologique étant préférée.
La compensation planologique ou alternative peut s'opérer au niveau supracommunal.
La compensation planologique ou alternative peut être réalisée par phases. Le paiement du montant compensatoire peut être effectué en plusieurs tranches.
Le Gouvernement détermine, pour les compensations alternatives, leur nature, leurs modalités de mise en oeuvre et en définit le principe de proportionnalité. Le dépôt d'une garantie financière peut être exigé.
En ce qui concerne le paiement d'un montant compensatoire, le Gouvernement détermine les modalités de calcul et de versement du montant en tenant compte du principe de proportionnalité. Le dépôt d'une garantie financière peut être exigé.]2
§ 4. L'inscription d'une zone d'enjeu régional vise un territoire d'un seul tenant qui permet au Gouvernement de mener une ou plusieurs actions prioritaires, d'initiatives publiques ou privées, liées au développement social, économique, environnemental, culturel, sportif, récréatif et touristique de la [1 Communauté germanophone]1, ainsi qu'à son équipement en infrastructures.
Par dérogation au paragraphe 3, aucune compensation n'est due à concurrence de quinze pour cent de la superficie de la zone d'activité économique existante et le cas échéant, à concurrence de la superficie nécessaire au périmètre d'isolement projeté visé à l'article D.II.28, alinéa 3, lorsque :
1° la révision du plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'enjeu régional en lieu et place d'une ou de plusieurs zones non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3;
2° la ou les zones non destinées à l'urbanisation sont contiguës à la zone d'activité économique existante, suffisamment équipée et accessible, et dont il est établi qu'elle ne dispose plus d'espace suffisant pour mener une action prioritaire.
§ 5. L'inscription d'une zone d'enjeu communal vise une partie du territoire qui contribue à la dynamisation des pôles urbains et ruraux et dont le potentiel de centralité, caractérisé par une concentration en logements et par un accès aisé aux services et aux équipements, est à renforcer par une densification appropriée, par le renouvellement, par la mixité fonctionnelle et sociale et par l'amélioration du cadre de vie.
Par dérogation au paragraphe 3, aucune compensation n'est due à concurrence de dix pour cent de la superficie totale des zones destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 2, et situées dans le périmètre concerné par la révision du plan de secteur portant sur l'inscription d'une zone d'enjeu communal lorsque :
1° la révision du plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'enjeu communal en lieu et place d'une ou de plusieurs zones non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3;
2° l'inclusion de la ou des zones non destinées à l'urbanisation est justifiée eu égard aux objectifs de développement du potentiel de centralité;
3° la ou les zones non destinées à l'urbanisation sont soit enclavées, soit périphériques et contigües à une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation situées dans le périmètre concerné par la révision du plan de secteur.
Afdeling 3. - Gewone herzieningen
Section 3. - Révisions ordinaires
Onderafdeling 1. - Herzieningen op initiatief van de Regering
Sous-section 1re. - Révision à l'initiative du Gouvernement
Art. D. II.46. De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een basisdossier.
Het ontwerp maakt, behoudens bij vrijstellingen, het voorwerp uit van een milieueffectenverslag.
Het ontwerp maakt, behoudens bij vrijstellingen, het voorwerp uit van een milieueffectenverslag.
Art. D. II.46. Le Gouvernement décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier de base.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur le projet.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur le projet.
Art. D _II.46.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een basisdossier.
Het ontwerp maakt, behoudens bij vrijstellingen, het voorwerp uit van een milieueffectenverslag.
[1 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]1
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een basisdossier.
Het ontwerp maakt, behoudens bij vrijstellingen, het voorwerp uit van een milieueffectenverslag.
[1 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]1
Art. D _II.46.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le Gouvernement décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier de base.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur le projet.
[1 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]1
Le Gouvernement décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier de base.
Hormis en cas d'exemption, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur le projet.
[1 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Herzieningen op initiatief van de gemeente
Sous-section 2. - Révision à l'initiative de la commune
Art. D. II.47.§ 1. Indien de herziening van het gewestplan een nieuwe zonering [1 een bijkomende beschermingsomtrek of een bijkomend voorschrift]1 beoogt die inspeelt op behoeften die ingevuld kunnen worden via een lokale inrichting, kan de herziening van het gewestplan op verzoek van de gemeenteraad, dat bij zending wordt gericht, beslist worden door de Regering.
De gemeenteraad neemt de beslissing tot de indiening van een verzoek tot herziening van een gewestplan gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, en legt de beslissing samen met het basisdossier aan een voorafgaandelijke informatievergadering voor.
De gemeenteraad richt zijn verzoek aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
5° de beslissing bedoeld in lid 2.
§ 2. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor aan de gemachtigd ambtenaar, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwepen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen.
Mocht het regeringsbesluit niet aan het gemeentecollege worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
De gemeenteraad neemt de beslissing tot de indiening van een verzoek tot herziening van een gewestplan gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, en legt de beslissing samen met het basisdossier aan een voorafgaandelijke informatievergadering voor.
De gemeenteraad richt zijn verzoek aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
5° de beslissing bedoeld in lid 2.
§ 2. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor aan de gemachtigd ambtenaar, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwepen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen.
Mocht het regeringsbesluit niet aan het gemeentecollege worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
Art. D. II.47.§ 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise un nouveau zonage [1 un périmètre de protection ou une prescription supplémentaire]1 qui constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande du conseil communal adressée par envoi.
Le conseil communal prend la décision de demander une révision du plan de secteur, laquelle est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, et soumet la décision ainsi que le dossier de base à une réunion d'information préalable.
Le conseil communal adresse sa demande au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification;
5° la décision visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis au fonctionnaire délégué, au pôle "Aménagement du territoire", au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption.
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal, celui-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
Le conseil communal prend la décision de demander une révision du plan de secteur, laquelle est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, et soumet la décision ainsi que le dossier de base à une réunion d'information préalable.
Le conseil communal adresse sa demande au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification;
5° la décision visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis au fonctionnaire délégué, au pôle "Aménagement du territoire", au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption.
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal, celui-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
Wijzigingen
Art. D. II.47_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Indien de herziening van het gewestplan een nieuwe zonering beoogt die inspeelt op behoeften die ingevuld kunnen worden via een lokale inrichting, kan de herziening van het gewestplan op verzoek van de gemeenteraad, dat bij zending wordt gericht, beslist worden door de Regering.
De gemeenteraad neemt de beslissing tot de indiening van een verzoek tot herziening van een gewestplan gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, en legt de beslissing samen met het basisdossier aan een voorafgaandelijke informatievergadering voor.
De gemeenteraad richt zijn verzoek aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
5° de beslissing bedoeld in lid 2.
§ 2. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor [1 ...]1 aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties [2 die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwepen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen. [3 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]3
Mocht het regeringsbesluit niet aan het gemeentecollege worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
§ 1. Indien de herziening van het gewestplan een nieuwe zonering beoogt die inspeelt op behoeften die ingevuld kunnen worden via een lokale inrichting, kan de herziening van het gewestplan op verzoek van de gemeenteraad, dat bij zending wordt gericht, beslist worden door de Regering.
De gemeenteraad neemt de beslissing tot de indiening van een verzoek tot herziening van een gewestplan gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, en legt de beslissing samen met het basisdossier aan een voorafgaandelijke informatievergadering voor.
De gemeenteraad richt zijn verzoek aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
5° de beslissing bedoeld in lid 2.
§ 2. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor [1 ...]1 aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties [2 die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwepen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen. [3 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]3
Mocht het regeringsbesluit niet aan het gemeentecollege worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
Art. D. II.47_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise un nouveau zonage qui constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande du conseil communal adressée par envoi.
Le conseil communal prend la décision de demander une révision du plan de secteur, laquelle est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, et soumet la décision ainsi que le dossier de base à une réunion d'information préalable.
Le conseil communal adresse sa demande au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification;
5° la décision visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis [1 au conseil consultatif ]1, au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption. [3 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]3
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal, celui-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise un nouveau zonage qui constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande du conseil communal adressée par envoi.
Le conseil communal prend la décision de demander une révision du plan de secteur, laquelle est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, et soumet la décision ainsi que le dossier de base à une réunion d'information préalable.
Le conseil communal adresse sa demande au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification;
5° la décision visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis [1 au conseil consultatif ]1, au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption. [3 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]3
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal, celui-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
Onderafdeling 3. - Herziening op initiatief van een privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon
Sous-section 3. - Révision à l'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique
Art. D. II.48. § 1. De herziening van het gewestplan kan door de Regering worden beslist op met een schrijven ingediend verzoek van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, indien die herziening betrekking heeft op de opneming van een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.28, eerste lid, of van een ontginningsgebied of indien ze betrekking heeft op de opneming van het tracé van een hoofdinfrastructuur voor het vervoer van vloeistoffen of energie, of van de vervangende reserveringsomtrek.
Het verzoek is gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8° en 11°.
§ 2. Minstens vijftien dagen voor de voorafgaandelijke informatievergadering wordt het verzoek samen met het basisdossier gericht aan de gemeenteraad en aan de gemeentelijke commissie, indien zij bestaat, die hun advies binnen zestig dagen na indienen van het verzoek overmaken aan de persoon bedoeld in paragraaf 1. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De persoon bedoeld in paragraaf 1 richt zijn verzoek samen met het dossier aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, en 11°;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° de beraadslaging van de gemeenteraad;
5° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
§ 4. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor aan de gemachtigd ambtenaar, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 5. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwerpen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen.
Mocht het regeringsbesluit niet aan de persoon bedoeld in paragraaf 1 worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
Het verzoek is gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8° en 11°.
§ 2. Minstens vijftien dagen voor de voorafgaandelijke informatievergadering wordt het verzoek samen met het basisdossier gericht aan de gemeenteraad en aan de gemeentelijke commissie, indien zij bestaat, die hun advies binnen zestig dagen na indienen van het verzoek overmaken aan de persoon bedoeld in paragraaf 1. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De persoon bedoeld in paragraaf 1 richt zijn verzoek samen met het dossier aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, en 11°;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° de beraadslaging van de gemeenteraad;
5° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
§ 4. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor aan de gemachtigd ambtenaar, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 5. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwerpen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen.
Mocht het regeringsbesluit niet aan de persoon bedoeld in paragraaf 1 worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
Art. D. II.48. § 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise l'inscription d'une zone d'activité économique visée à l'article D.II.28, alinéa 1er, ou d'une zone d'extraction ou lorsqu'elle porte sur l'inscription du tracé d'une principale infrastructure de transport de fluides ou d'énergie ou du périmètre de réservation qui en tient lieu, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande adressée par envoi par une personne physique ou morale, privée ou publique.
La demande est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8° et 11°.
§ 2. Au moins quinze jours avant la réunion d'information préalable, la demande, accompagnée du dossier de base, est envoyée au conseil communal et à la commission communale si elle existe qui transmettent leur avis à la personne visée au paragraphe 1er dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. La personne visée au paragraphe 1er adresse sa demande accompagnée du dossier au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, et 11°;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° la délibération du conseil communal;
5° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification.
§ 4. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis au fonctionnaire délégué, au pôle "Aménagement du territoire", au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 5. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption.
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement à la personne visée au paragraphe 1er, celle-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
La demande est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8° et 11°.
§ 2. Au moins quinze jours avant la réunion d'information préalable, la demande, accompagnée du dossier de base, est envoyée au conseil communal et à la commission communale si elle existe qui transmettent leur avis à la personne visée au paragraphe 1er dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. La personne visée au paragraphe 1er adresse sa demande accompagnée du dossier au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, et 11°;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° la délibération du conseil communal;
5° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification.
§ 4. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis au fonctionnaire délégué, au pôle "Aménagement du territoire", au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 5. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption.
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement à la personne visée au paragraphe 1er, celle-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
Art. D. II.48_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De herziening van het gewestplan kan door de Regering worden beslist op met een schrijven ingediend verzoek van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, indien die herziening betrekking heeft op de opneming van een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.28, eerste lid, of van een ontginningsgebied of indien ze betrekking heeft op de opneming van het tracé van een hoofdinfrastructuur voor het vervoer van vloeistoffen of energie, of van de vervangende reserveringsomtrek.
Het verzoek is gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8° en 11°.
§ 2. Minstens vijftien dagen voor de voorafgaandelijke informatievergadering wordt het verzoek samen met het basisdossier gericht aan de gemeenteraad en aan de gemeentelijke commissie, indien zij bestaat, die hun advies binnen zestig dagen na indienen van het verzoek overmaken aan de persoon bedoeld in paragraaf 1. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De persoon bedoeld in paragraaf 1 richt zijn verzoek samen met het dossier aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, en 11°;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° de beraadslaging van de gemeenteraad;
5° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
§ 4. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor [1 ...]1 aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties [2 die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 5. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwerpen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen. [3 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]3
Mocht het regeringsbesluit niet aan de persoon bedoeld in paragraaf 1 worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
§ 1. De herziening van het gewestplan kan door de Regering worden beslist op met een schrijven ingediend verzoek van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, indien die herziening betrekking heeft op de opneming van een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.28, eerste lid, of van een ontginningsgebied of indien ze betrekking heeft op de opneming van het tracé van een hoofdinfrastructuur voor het vervoer van vloeistoffen of energie, of van de vervangende reserveringsomtrek.
Het verzoek is gegrond op het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8° en 11°.
§ 2. Minstens vijftien dagen voor de voorafgaandelijke informatievergadering wordt het verzoek samen met het basisdossier gericht aan de gemeenteraad en aan de gemeentelijke commissie, indien zij bestaat, die hun advies binnen zestig dagen na indienen van het verzoek overmaken aan de persoon bedoeld in paragraaf 1. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De persoon bedoeld in paragraaf 1 richt zijn verzoek samen met het dossier aan de Regering. Het verzoek omvat :
1° het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, en 11°;
2° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
3° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
4° de beraadslaging van de gemeenteraad;
5° in voorkomend geval, een aanvraag tot vrijstelling van milieueffectenbeoordeling en de verantwoording ervan.
§ 4. De Regering legt het volledige dossier ter advies voor [1 ...]1 aan de [1 Adviesraad]1, aan de Beleidsgroep Leefmilieu en aan de personen en instanties [2 die zij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 5. Binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek neemt de Regering de herziening van het gewestplan aan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze het te onderwerpen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, het ervan vrij te stellen. [3 Als een milieueffectenverslag moet worden opgesteld, bepaalt de Regering in het besluit houdende het ontwerp tot herziening van het gewestplan, met toepassing van artikel D.VIII.33, tegelijk de ontwerp-inhoud van dat milieueffectenverslag en wint ze de nodige adviezen in.]3
Mocht het regeringsbesluit niet aan de persoon bedoeld in paragraaf 1 worden overgemaakt, kan laatstgenoemde bij een zending de Regering daar in een herinneringsschrijven op wijzen. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek verworpen geacht.
Art. D. II.48_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise l'inscription d'une zone d'activité économique visée à l'article D.II.28, alinéa 1er, ou d'une zone d'extraction ou lorsqu'elle porte sur l'inscription du tracé d'une principale infrastructure de transport de fluides ou d'énergie ou du périmètre de réservation qui en tient lieu, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande adressée par envoi par une personne physique ou morale, privée ou publique.
La demande est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8° et 11°.
§ 2. Au moins quinze jours avant la réunion d'information préalable, la demande, accompagnée du dossier de base, est envoyée au conseil communal et à la commission communale si elle existe qui transmettent leur avis à la personne visée au paragraphe 1er dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. La personne visée au paragraphe 1er adresse sa demande accompagnée du dossier au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, et 11°;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° la délibération du conseil communal;
5° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification.
§ 4. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis [1 au conseil consultatif]1, au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 5. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption. [3 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]3
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement à la personne visée au paragraphe 1er, celle-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 1er. Lorsque la demande de révision du plan de secteur vise l'inscription d'une zone d'activité économique visée à l'article D.II.28, alinéa 1er, ou d'une zone d'extraction ou lorsqu'elle porte sur l'inscription du tracé d'une principale infrastructure de transport de fluides ou d'énergie ou du périmètre de réservation qui en tient lieu, la révision du plan de secteur peut être décidée par le Gouvernement à la demande adressée par envoi par une personne physique ou morale, privée ou publique.
La demande est fondée sur le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8° et 11°.
§ 2. Au moins quinze jours avant la réunion d'information préalable, la demande, accompagnée du dossier de base, est envoyée au conseil communal et à la commission communale si elle existe qui transmettent leur avis à la personne visée au paragraphe 1er dans les soixante jours de l'envoi de la demande. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. La personne visée au paragraphe 1er adresse sa demande accompagnée du dossier au Gouvernement. La demande comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, et 11°;
2° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
3° l'avis de la commission communale si elle existe;
4° la délibération du conseil communal;
5° le cas échéant, une demande d'exemption d'évaluation des incidences sur l'environnement et sa justification.
§ 4. Le Gouvernement soumet le dossier complet pour avis [1 au conseil consultatif]1, au pôle "Environnement" et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 5. Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de le soumettre à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou en décide l'exemption. [3 Si un rapport sur les incidences environnementales doit être établi, le Gouvernement détermine simultanément, en application de l'article D.VIII.33, dans l'arrêté relatif au projet de révision de plan de secteur le projet de contenu de ce rapport et sollicite les avis nécessaires.]3
A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement à la personne visée au paragraphe 1er, celle-ci peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
Onderafdeling 4. - Gemeenrechtelijke procedure
Sous-section 4. - Procédure de droit commun
Art. D. II.49.§ 1. De Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening kan tijdens de uitvoering van de milieueffectenbeoordeling of op elk ogenblik bemerkingen opperen of suggesties voorleggen.
Elk verplicht op te maken milieueffectenverslag wordt aan de Regering gericht.
§ 2. Na afloop van de milieueffectenbeoordeling of na de beslissing tot vrijstelling, legt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt, het ontwerp van plan en, in voorkomend geval, het verslag over de leefmilieueffecten, ter advies voor aan zowel de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen als [2 de administratie Leefmilieu indien ze geraadpleegd is]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Wanneer de Regering op grond van het milieueffectenverslag en de adviezen acht dat een andere overwogen redelijke oplossing een beter antwoord kan bieden op de doelstellingen die het ontwerp-plan nastreeft, wordt deze als ontwerp-plan aangenomen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt licht er de gemeenteraad over in wanneer de aanvraag tot herziening van het gewestplan een gemeentelijk initiatief is, en de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48, en de procedure wordt verdergezet volgens de paragrafen 4 tot 8 en artikel D.II.50.
§ 4. Het ontwerp-plan wordt, samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 5. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en, behoudens het geval waarin de herziening van een gemeentelijk initiatief uitgaat, maakt de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 6. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de gemachtigd ambtenaar. De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht. De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 7. Wanneer de herziening van het gewestplan niet van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van de Beleidsgroep Leefmilieu. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 8. De Regering kan op verzoek van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van de Beleidsgroep Leefmilieu de termijn bedoeld in de paragrafen 6 en 7 met maximaal zestig dagen verlengen. De Regering verzendt haar, behoorlijk gemotiveerde, beslissing tot verlenging van de termijn aan degene die om de verlenging verzocht heeft. Wanneer de herziening niet van een regeringsinitiatief uitgaat, richt zij een afschrift van de beslissing tot verlenging aan het gemeentecollege of aan de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48.
Elk verplicht op te maken milieueffectenverslag wordt aan de Regering gericht.
§ 2. Na afloop van de milieueffectenbeoordeling of na de beslissing tot vrijstelling, legt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt, het ontwerp van plan en, in voorkomend geval, het verslag over de leefmilieueffecten, ter advies voor aan zowel de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen als [2 de administratie Leefmilieu indien ze geraadpleegd is]2.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Wanneer de Regering op grond van het milieueffectenverslag en de adviezen acht dat een andere overwogen redelijke oplossing een beter antwoord kan bieden op de doelstellingen die het ontwerp-plan nastreeft, wordt deze als ontwerp-plan aangenomen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt licht er de gemeenteraad over in wanneer de aanvraag tot herziening van het gewestplan een gemeentelijk initiatief is, en de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48, en de procedure wordt verdergezet volgens de paragrafen 4 tot 8 en artikel D.II.50.
§ 4. Het ontwerp-plan wordt, samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 5. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en, behoudens het geval waarin de herziening van een gemeentelijk initiatief uitgaat, maakt de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 6. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de gemachtigd ambtenaar. De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht. De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 7. Wanneer de herziening van het gewestplan niet van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van de Beleidsgroep Leefmilieu. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 8. De Regering kan op verzoek van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van de Beleidsgroep Leefmilieu de termijn bedoeld in de paragrafen 6 en 7 met maximaal zestig dagen verlengen. De Regering verzendt haar, behoorlijk gemotiveerde, beslissing tot verlenging van de termijn aan degene die om de verlenging verzocht heeft. Wanneer de herziening niet van een regeringsinitiatief uitgaat, richt zij een afschrift van de beslissing tot verlenging aan het gemeentecollege of aan de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48.
Art. D. II.49.§ 1er. Le pôle "Aménagement du territoire" peut, pendant la réalisation de l'évaluation des incidences ou à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Lorsqu'il doit être réalisé, le rapport sur les incidences environnementales est transmis au Gouvernement.
§ 2. A l'issue de l'évaluation des incidences ou après la décision d'exemption, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cet fin soumet le projet de plan et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales, à l'avis des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter, ainsi qu'à [2 l'administration de l'environnement]2 si elle a été consultée.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Lorsque, sur la base du rapport sur les incidences environnementales et des avis, le Gouvernement estime qu'une autre solution raisonnable envisagée est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis que le projet de plan, il l'approuve en tant que projet de plan. Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin en avise le conseil communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48 et la procédure se poursuit selon les paragraphes 4 à 8 et l'article D.II.50.
§ 4. Le projet de plan accompagné du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 5. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et, hormis le cas où la révision est d'initiative communale, le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 6. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, le conseil communal sollicite l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et du fonctionnaire délégué. Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables. Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 7. Lorsque la révision du plan de secteur n'est pas d'initiative communale, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin sollicite l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement". Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 8. Le Gouvernement peut, à la demande du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", prolonger le délai visé aux paragraphes 6 et 7 d'une durée maximale de soixante jours. Le Gouvernement envoie sa décision de prolongation du délai, dûment motivée, au demandeur de la prolongation. Lorsque la révision n'est pas d'initiative gouvernementale, il envoie une copie de la décision de la prolongation au collège communal, ou à la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48.
Lorsqu'il doit être réalisé, le rapport sur les incidences environnementales est transmis au Gouvernement.
§ 2. A l'issue de l'évaluation des incidences ou après la décision d'exemption, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cet fin soumet le projet de plan et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales, à l'avis des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter, ainsi qu'à [2 l'administration de l'environnement]2 si elle a été consultée.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Lorsque, sur la base du rapport sur les incidences environnementales et des avis, le Gouvernement estime qu'une autre solution raisonnable envisagée est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis que le projet de plan, il l'approuve en tant que projet de plan. Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin en avise le conseil communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48 et la procédure se poursuit selon les paragraphes 4 à 8 et l'article D.II.50.
§ 4. Le projet de plan accompagné du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 5. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et, hormis le cas où la révision est d'initiative communale, le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 6. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, le conseil communal sollicite l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et du fonctionnaire délégué. Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables. Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 7. Lorsque la révision du plan de secteur n'est pas d'initiative communale, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin sollicite l'avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement". Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 8. Le Gouvernement peut, à la demande du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement", prolonger le délai visé aux paragraphes 6 et 7 d'une durée maximale de soixante jours. Le Gouvernement envoie sa décision de prolongation du délai, dûment motivée, au demandeur de la prolongation. Lorsque la révision n'est pas d'initiative gouvernementale, il envoie une copie de la décision de la prolongation au collège communal, ou à la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48.
Art. D. II.49_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De [2 Adviesraad]2 kan tijdens de uitvoering van de milieueffectenbeoordeling of op elk ogenblik bemerkingen opperen of suggesties voorleggen.
Elk verplicht op te maken milieueffectenverslag wordt aan de Regering gericht.
§ 2. Na afloop van de milieueffectenbeoordeling of na de beslissing tot vrijstelling, legt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt, het ontwerp van plan en, in voorkomend geval, het verslag over de leefmilieueffecten, ter advies voor aan zowel de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen [3 of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]3.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Wanneer de Regering op grond van het milieueffectenverslag en de adviezen acht dat een andere overwogen redelijke oplossing een beter antwoord kan bieden op de doelstellingen die het ontwerp-plan nastreeft, wordt deze als ontwerp-plan aangenomen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt licht er de gemeenteraad over in wanneer de aanvraag tot herziening van het gewestplan een gemeentelijk initiatief is, en de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48, en de procedure wordt verdergezet volgens de paragrafen 4 tot 8 en artikel D.II.50.
§ 4. Het ontwerp-plan wordt, samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 5. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en, behoudens het geval waarin de herziening van een gemeentelijk initiatief uitgaat, maakt de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 6. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad het advies in van de [2 Adviesraad en]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu [2 ...]2. De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht. De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 7. Wanneer de herziening van het gewestplan niet van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt het advies in van de [2 Adviesraad]2 en van de Beleidsgroep Leefmilieu. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 8. De Regering kan op verzoek van de [2 Adviesraad]2 en van de Beleidsgroep Leefmilieu de termijn bedoeld in de paragrafen 6 en 7 met maximaal zestig dagen verlengen. De Regering verzendt haar, behoorlijk gemotiveerde, beslissing tot verlenging van de termijn aan degene die om de verlenging verzocht heeft. Wanneer de herziening niet van een regeringsinitiatief uitgaat, richt zij een afschrift van de beslissing tot verlenging aan het gemeentecollege of aan de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48.
§ 1. De [2 Adviesraad]2 kan tijdens de uitvoering van de milieueffectenbeoordeling of op elk ogenblik bemerkingen opperen of suggesties voorleggen.
Elk verplicht op te maken milieueffectenverslag wordt aan de Regering gericht.
§ 2. Na afloop van de milieueffectenbeoordeling of na de beslissing tot vrijstelling, legt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt, het ontwerp van plan en, in voorkomend geval, het verslag over de leefmilieueffecten, ter advies voor aan zowel de personen en instanties die zij nodig acht te raadplegen [3 of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]3.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 3. Wanneer de Regering op grond van het milieueffectenverslag en de adviezen acht dat een andere overwogen redelijke oplossing een beter antwoord kan bieden op de doelstellingen die het ontwerp-plan nastreeft, wordt deze als ontwerp-plan aangenomen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt licht er de gemeenteraad over in wanneer de aanvraag tot herziening van het gewestplan een gemeentelijk initiatief is, en de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48, en de procedure wordt verdergezet volgens de paragrafen 4 tot 8 en artikel D.II.50.
§ 4. Het ontwerp-plan wordt, samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 5. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en, behoudens het geval waarin de herziening van een gemeentelijk initiatief uitgaat, maakt de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 6. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad het advies in van de [2 Adviesraad en]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu [2 ...]2. De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht. De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 7. Wanneer de herziening van het gewestplan niet van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt het advies in van de [2 Adviesraad]2 en van de Beleidsgroep Leefmilieu. De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 8. De Regering kan op verzoek van de [2 Adviesraad]2 en van de Beleidsgroep Leefmilieu de termijn bedoeld in de paragrafen 6 en 7 met maximaal zestig dagen verlengen. De Regering verzendt haar, behoorlijk gemotiveerde, beslissing tot verlenging van de termijn aan degene die om de verlenging verzocht heeft. Wanneer de herziening niet van een regeringsinitiatief uitgaat, richt zij een afschrift van de beslissing tot verlenging aan het gemeentecollege of aan de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in artikel D.II.48.
Art. D. II.49_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le [2 conseil consultatif]2 peut, pendant la réalisation de l'évaluation des incidences ou à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Lorsqu'il doit être réalisé, le rapport sur les incidences environnementales est transmis au Gouvernement.
§ 2. A l'issue de l'évaluation des incidences ou après la décision d'exemption, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cet fin soumet le projet de plan et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales, à l'avis des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Lorsque, sur la base du rapport sur les incidences environnementales et des avis, le Gouvernement estime qu'une autre solution raisonnable envisagée est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis que le projet de plan, il l'approuve en tant que projet de plan. Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin en avise le conseil communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48 et la procédure se poursuit selon les paragraphes 4 à 8 et l'article D.II.50.
§ 4. Le projet de plan accompagné du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 5. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et, hormis le cas où la révision est d'initiative communale, le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 6. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, le conseil communal sollicite l'avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" [2 ...]2. Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables. Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 7. Lorsque la révision du plan de secteur n'est pas d'initiative communale, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin sollicite l'avis du [2 conseil consultatif et]2 du pôle "Environnement". Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 8. Le Gouvernement peut, à la demande du [2 conseil consultatif et]2 du pôle "Environnement", prolonger le délai visé aux paragraphes 6 et 7 d'une durée maximale de soixante jours. Le Gouvernement envoie sa décision de prolongation du délai, dûment motivée, au demandeur de la prolongation. Lorsque la révision n'est pas d'initiative gouvernementale, il envoie une copie de la décision de la prolongation au collège communal, ou à la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48.
§ 1er. Le [2 conseil consultatif]2 peut, pendant la réalisation de l'évaluation des incidences ou à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Lorsqu'il doit être réalisé, le rapport sur les incidences environnementales est transmis au Gouvernement.
§ 2. A l'issue de l'évaluation des incidences ou après la décision d'exemption, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cet fin soumet le projet de plan et, le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales, à l'avis des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3.
Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 3. Lorsque, sur la base du rapport sur les incidences environnementales et des avis, le Gouvernement estime qu'une autre solution raisonnable envisagée est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis que le projet de plan, il l'approuve en tant que projet de plan. Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin en avise le conseil communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48 et la procédure se poursuit selon les paragraphes 4 à 8 et l'article D.II.50.
§ 4. Le projet de plan accompagné du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 5. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et, hormis le cas où la révision est d'initiative communale, le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 6. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, le conseil communal sollicite l'avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" [2 ...]2. Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables. Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 7. Lorsque la révision du plan de secteur n'est pas d'initiative communale, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin sollicite l'avis du [2 conseil consultatif et]2 du pôle "Environnement". Les avis sont transmis dans les soixante jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 8. Le Gouvernement peut, à la demande du [2 conseil consultatif et]2 du pôle "Environnement", prolonger le délai visé aux paragraphes 6 et 7 d'une durée maximale de soixante jours. Le Gouvernement envoie sa décision de prolongation du délai, dûment motivée, au demandeur de la prolongation. Lorsque la révision n'est pas d'initiative gouvernementale, il envoie une copie de la décision de la prolongation au collège communal, ou à la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48.
Art. D. II.50.§ 1. Binnen de vierentwintig maanden na de in de artikelen D.II.46, D.II.47, § 3, en D.II.48, § 5, bedoelde aanneming van het ontwerp van gewestplan, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
Wordt de beslissing niet binnen de termijn bedoeld in lid 1 verstuurd, dan kan het gemeentecollege, indien de aanvraag tot herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in artikel D.II.48, een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Wordt er door de Regering geen beslissing verstuurd binnen de zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het herinneringsschrijven, dan wordt het plan verworpen geacht.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De termijn van vierentwintig maanden wordt opgeschort te rekenen van de datum van versturen van de aanwijzing van de auteur van het milieueffectenverslag bedoeld in artikel D.VIII.34 op de datum van het versturen van het verslag aan de Regering. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering.
§ 2. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
Wordt de beslissing niet binnen de termijn bedoeld in lid 1 verstuurd, dan kan het gemeentecollege, indien de aanvraag tot herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in artikel D.II.48, een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Wordt er door de Regering geen beslissing verstuurd binnen de zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het herinneringsschrijven, dan wordt het plan verworpen geacht.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De termijn van vierentwintig maanden wordt opgeschort te rekenen van de datum van versturen van de aanwijzing van de auteur van het milieueffectenverslag bedoeld in artikel D.VIII.34 op de datum van het versturen van het verslag aan de Regering. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering.
§ 2. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Art. D. II.50.§ 1er. Dans les vingt-quatre mois de l'adoption du projet du plan de secteur visée aux articles D.II.46, D.II.47, § 3, et D.II.48, § 5, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption à la production d'un plan d'expropriation.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, le collège communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48, peut envoyer un rappel au Gouvernement. A défaut d'envoi d'une décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du rappel par le Gouvernement, le plan est réputé refusé.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Le délai de vingt-quatre mois est suspendu de la date de l'envoi de la désignation de l'auteur du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D.VIII. 34 à la date de l'envoi du rapport au Gouvernement. En cas de demande de complément de rapport sur les incidences environnementales, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement.
§ 2. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption à la production d'un plan d'expropriation.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, le collège communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48, peut envoyer un rappel au Gouvernement. A défaut d'envoi d'une décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du rappel par le Gouvernement, le plan est réputé refusé.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Le délai de vingt-quatre mois est suspendu de la date de l'envoi de la désignation de l'auteur du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D.VIII. 34 à la date de l'envoi du rapport au Gouvernement. En cas de demande de complément de rapport sur les incidences environnementales, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement.
§ 2. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Wijzigingen
Art. D. II.50_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de vierentwintig maanden na de in de artikelen D.II.46, D.II.47, § 3, en D.II.48, § 5, bedoelde aanneming van het ontwerp van gewestplan, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
Wordt de beslissing niet binnen de termijn bedoeld in lid 1 verstuurd, dan kan het gemeentecollege, indien de aanvraag tot herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in artikel D.II.48, een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Wordt er door de Regering geen beslissing verstuurd binnen de zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het herinneringsschrijven, dan wordt het plan verworpen geacht.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De termijn van vierentwintig maanden wordt opgeschort te rekenen van de datum van versturen van de aanwijzing van de auteur van het milieueffectenverslag bedoeld in artikel D.VIII.34 op de datum van het versturen van het verslag aan de Regering. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering.
§ 2. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
§ 1. Binnen de vierentwintig maanden na de in de artikelen D.II.46, D.II.47, § 3, en D.II.48, § 5, bedoelde aanneming van het ontwerp van gewestplan, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Zij kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
Wordt de beslissing niet binnen de termijn bedoeld in lid 1 verstuurd, dan kan het gemeentecollege, indien de aanvraag tot herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in artikel D.II.48, een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Wordt er door de Regering geen beslissing verstuurd binnen de zestig dagen te rekenen van de ontvangst van het herinneringsschrijven, dan wordt het plan verworpen geacht.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1. In dat geval wordt van het plan betreffende de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid.
De termijn van vierentwintig maanden wordt opgeschort te rekenen van de datum van versturen van de aanwijzing van de auteur van het milieueffectenverslag bedoeld in artikel D.VIII.34 op de datum van het versturen van het verslag aan de Regering. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering.
§ 2. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Art. D. II.50_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les vingt-quatre mois de l'adoption du projet du plan de secteur visée aux articles D.II.46, D.II.47, § 3, et D.II.48, § 5, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption à la production d'un plan d'expropriation.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, le collège communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48, peut envoyer un rappel au Gouvernement. A défaut d'envoi d'une décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du rappel par le Gouvernement, le plan est réputé refusé.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Le délai de vingt-quatre mois est suspendu de la date de l'envoi de la désignation de l'auteur du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D.VIII. 34 à la date de l'envoi du rapport au Gouvernement. En cas de demande de complément de rapport sur les incidences environnementales, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement.
§ 2. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
§ 1er. Dans les vingt-quatre mois de l'adoption du projet du plan de secteur visée aux articles D.II.46, D.II.47, § 3, et D.II.48, § 5, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption à la production d'un plan d'expropriation.
A défaut d'envoi de la décision dans le délai visé à l'alinéa 1er, le collège communal, lorsque la demande de révision du plan de secteur est d'initiative communale, ou la personne physique ou morale, privée ou publique visée à l'article D.II.48, peut envoyer un rappel au Gouvernement. A défaut d'envoi d'une décision dans un délai de soixante jours à dater de la réception du rappel par le Gouvernement, le plan est réputé refusé.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1. Dans ce cas, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques.
Le délai de vingt-quatre mois est suspendu de la date de l'envoi de la désignation de l'auteur du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D.VIII. 34 à la date de l'envoi du rapport au Gouvernement. En cas de demande de complément de rapport sur les incidences environnementales, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement.
§ 2. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Afdeling 4. - Versnelde herzieningen
Section 4. - Révisions accélérées
Onderafdeling 1. - Procedure voor de herziening van een gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gewestelijk belang zonder compensatie
Sous-section 1re. - Procédure de révision de plan de secteur en vue de l'inscription d'une zone d'enjeu régional sans compensation
Art. D. II.51.§ 1. De Regering handelt volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gewestelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 4;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 9° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
3° wanneer overwogen wordt een omtrek voor een te herontwikkelen locatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.V.2, § 8, het dossier bedoeld in artikel D.V.2, § 2; dat laatste dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.V.2, § 3, 1° en 3°.
De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 2, 3°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 2 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 2. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel D.V.2, § 4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt wint tegelijk het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die de Regering nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 3. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, maakt zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Binnen de twaalf maanden na de aanneming van het ontwerp neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het plan aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1,11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer artikel D.V.2, § 8, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 5. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in artikel D.V.2, § 4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gewestelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 4;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 9° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
3° wanneer overwogen wordt een omtrek voor een te herontwikkelen locatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.V.2, § 8, het dossier bedoeld in artikel D.V.2, § 2; dat laatste dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.V.2, § 3, 1° en 3°.
De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 2, 3°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 2 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 2. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel D.V.2, § 4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt wint tegelijk het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die de Regering nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 3. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, maakt zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Binnen de twaalf maanden na de aanneming van het ontwerp neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het plan aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1,11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer artikel D.V.2, § 8, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 5. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in artikel D.V.2, § 4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
Art. D. II.51.§ 1er. Le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu régional et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 4;
2° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional.
Il décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 9°, et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
3° lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.V.2, § 8, le dossier visé à l'article D.V.2, § 2; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, et est accompagné des avis visés à l'article D.V.2, § 3, 1° et 3°.
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 3°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 2 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 2. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article D.V.2, § 4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite simultanément les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances que le Gouvernement juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 3. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article D.V.2, § 8, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut arrêté d'adoption définitive d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 5. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article D.V.2, § 4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du même décret.
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu régional et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 4;
2° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional.
Il décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 9°, et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
3° lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.V.2, § 8, le dossier visé à l'article D.V.2, § 2; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, et est accompagné des avis visés à l'article D.V.2, § 3, 1° et 3°.
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 3°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 2 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 2. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article D.V.2, § 4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite simultanément les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances que le Gouvernement juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 3. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article D.V.2, § 8, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut arrêté d'adoption définitive d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 5. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article D.V.2, § 4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du même décret.
Wijzigingen
Art. D. II.51_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De Regering handelt volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gewestelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 4;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 9° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
3° [4 wanneer overwogen wordt een omtrek voor een saneringslocatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.II.57.5, het dossier bedoeld in artikel D.II.57.3; dat dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2 en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.II.57.4, § 1, eerste lid, 1° en 3°.]4
De omtrek van de [4 saneringslocatie]4 kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 2, 3°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 2 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van [4 artikel D.II.57.2]4. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel [4 artikel D.II.57.4, § 2]4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt wint tegelijk het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 3. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, maakt zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Binnen de twaalf maanden na de aanneming van het ontwerp neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het plan aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1,11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer [4 artikel D.II.57.5]4, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 5. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
§ 1. De Regering handelt volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gewestelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 4;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 9° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
3° [4 wanneer overwogen wordt een omtrek voor een saneringslocatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.II.57.5, het dossier bedoeld in artikel D.II.57.3; dat dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2 en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.II.57.4, § 1, eerste lid, 1° en 3°.]4
De omtrek van de [4 saneringslocatie]4 kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 2, 3°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 2 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van [4 artikel D.II.57.2]4. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel [4 artikel D.II.57.4, § 2]4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. De Regering of de persoon die zij daartoe machtigt wint tegelijk het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
§ 3. Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke gemeente waarin een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering en de gemeenteraad van elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, maakt zijn advies over. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Binnen de twaalf maanden na de aanneming van het ontwerp neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze het plan aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1,11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad (-raden) de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft (hebben) opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gewestelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer [4 artikel D.II.57.5]4, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 5. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
Art. D. II.51_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu régional et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 4;
2° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional.
Il décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 9°, et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
3° [4 lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.II.57.5, le dossier visé à l'article D.II.57.3; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.II.57.2, et est accompagné des avis visés à l'article D.II.57.4, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°.]4
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 3°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 2 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.2]4. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite simultanément les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances que le Gouvernement juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 3. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article [4 D.II.57.5]4, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut arrêté d'adoption définitive d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 5. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du même décret.
§ 1er. Le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu régional et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 4;
2° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional.
Il décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 9°, et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
3° [4 lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.II.57.5, le dossier visé à l'article D.II.57.3; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.II.57.2, et est accompagné des avis visés à l'article D.II.57.4, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°.]4
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 3°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 2 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.2]4. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite simultanément les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances que le Gouvernement juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
§ 3. Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement et le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le ou les conseils communaux aient abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu régional, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article [4 D.II.57.5]4, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut arrêté d'adoption définitive d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 5. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du même décret.
Onderafdeling 2. - Herziening van een gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang zonder compensatie of herziening van een gewestplan waarvoor geen compensatie vereist is [1 , een niet-bebouwingsgebied, een omtrek voor de bescherming van ruimten gelegen buiten een centrumgebied of een bijkomend voorschrift met betrekking tot de ruimteoptimalisatie]1
Sous-section 2. - Révision de plan de secteur en vue de l'inscription d'une zone d'enjeu communal sans compensation ou révision de plan de secteur ne nécessitant pas de compensation [1 , d'une zone non destinée à l'urbanisation, d'un périmètre de protection des espaces hors centralité ou d'une prescription supplémentaire portant sur l'optimisation spatiale]1
Art. D. II.52.§ 1. [2 Op initiatief of aanvraag van]2 de gemeenteraad, ingediend per zending, handelt de Regering volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gemeentelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 5;
[2 1/1° wanneer de herziening van het gewestplan enkel betrekking heeft op de opneming van een niet-bebouwingsgebied, omtrek voor de bescherming van ruimten gelegen buiten een centrumgebied of een bijkomend voorschrift met betrekking tot de ruimteoptimalisatie;]2
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, één of meerdere bebouwingsgebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 2, op te nemen in plaats van één of meerdere andere bebouwingsgebieden, er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, en voor zover de nieuwe zonering een antwoord biedt op de behoeften waaraan tegemoetgekomen kan worden door een plaatselijke inrichting;
3° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
Indien een locatie in de zin van artikel D.V.1, 1°, evenwel heringericht dient te worden, kan het initiatief voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan uitgaan van de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°.
[2 Wanneer de Regering de herziening van het gewestplan initieert, neemt ze het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat het volgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"; 3° het advies van de gemeenteraad;
4° in voorkomend geval, de milieueffecten.
Wanneer het gemeentebestuur of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, in geval van herinrichting van een locatie in de zin van artikel D.V.1, 1°, de herziening van het gewestplan initieert, richt het zijn verzoek aan de Regering, die het ontwerp aanneemt op basis van een dossier dat het volgende omvat:
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat; 3° de beraadslaging van de gemeenteraad;
4° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 8;
5° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
6° wanneer overwogen wordt een omtrek voor een herin te richten locatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.V.2, § 8, het dossier bedoeld in artikel D.V.2, § 2; dat laatste dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.V.2, § 3, 1° en 3°]2.
De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 4, 6°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 4 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 2. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel D.V.2, § 4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke van de gemeenten waarin een openbaar onderzoek is uitgevoerd, de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering.
§ 3. Behoudens het geval waarin de herziening van een initiatief van de gemeente uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt tegelijk met de zending bedoeld in paragraaf 2 het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die de Regering nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Binnen vijfenveertig dagen na sluiting van het openbaar onderzoek dient het gemeentecollege van iedere gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies in. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad, zodra het ontwerp-plan door het gemeentecollege in ontvangst genomen is, het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die hij nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 5. Binnen de twaalf maanden na aanneming van het ontwerp, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze, het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer artikel D.V.2, § 8, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening van het gewestplan als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 6. Wordt het regeringsbesluit niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 5, lid 1 dan wel 2, aan het gemeentecollege of aan de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, gericht, kan het gemeentecollege of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, per zending een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek geweigerd geacht.
§ 7. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in artikel D.V.2, § 4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gemeentelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 5;
[2 1/1° wanneer de herziening van het gewestplan enkel betrekking heeft op de opneming van een niet-bebouwingsgebied, omtrek voor de bescherming van ruimten gelegen buiten een centrumgebied of een bijkomend voorschrift met betrekking tot de ruimteoptimalisatie;]2
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, één of meerdere bebouwingsgebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 2, op te nemen in plaats van één of meerdere andere bebouwingsgebieden, er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, en voor zover de nieuwe zonering een antwoord biedt op de behoeften waaraan tegemoetgekomen kan worden door een plaatselijke inrichting;
3° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
Indien een locatie in de zin van artikel D.V.1, 1°, evenwel heringericht dient te worden, kan het initiatief voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan uitgaan van de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°.
[2 Wanneer de Regering de herziening van het gewestplan initieert, neemt ze het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat het volgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"; 3° het advies van de gemeenteraad;
4° in voorkomend geval, de milieueffecten.
Wanneer het gemeentebestuur of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, in geval van herinrichting van een locatie in de zin van artikel D.V.1, 1°, de herziening van het gewestplan initieert, richt het zijn verzoek aan de Regering, die het ontwerp aanneemt op basis van een dossier dat het volgende omvat:
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat; 3° de beraadslaging van de gemeenteraad;
4° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 8;
5° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
6° wanneer overwogen wordt een omtrek voor een herin te richten locatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.V.2, § 8, het dossier bedoeld in artikel D.V.2, § 2; dat laatste dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.V.2, § 3, 1° en 3°]2.
De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 4, 6°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 4 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 2. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in artikel D.V.2, § 4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke van de gemeenten waarin een openbaar onderzoek is uitgevoerd, de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering.
§ 3. Behoudens het geval waarin de herziening van een initiatief van de gemeente uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt tegelijk met de zending bedoeld in paragraaf 2 het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die de Regering nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Binnen vijfenveertig dagen na sluiting van het openbaar onderzoek dient het gemeentecollege van iedere gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies in. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad, zodra het ontwerp-plan door het gemeentecollege in ontvangst genomen is, het advies in van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties die hij nuttig acht te raadplegen. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 5. Binnen de twaalf maanden na aanneming van het ontwerp, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze, het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer artikel D.V.2, § 8, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening van het gewestplan als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 6. Wordt het regeringsbesluit niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 5, lid 1 dan wel 2, aan het gemeentecollege of aan de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, gericht, kan het gemeentecollege of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, per zending een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek geweigerd geacht.
§ 7. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in artikel D.V.2, § 4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven aan de leidend ambtenaar en aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
Art. D. II.52.§ 1er. [2 A son initiative ou à la demande]2 du conseil communal adressée par envoi, le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu communal et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 5;
[2 1/1° lorsque la révision du plan de secteur porte uniquement sur l'inscription soit d'une zone non destinée à l'urbanisation, soit d'un périmètre de protection des espaces hors centralité, soit d'une prescription supplémentaire portant sur l'optimisation spatiale;]2
2° lorsque la révision du plan de secteur porte exclusivement sur l'inscription d'une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, en lieu et place d'une ou plusieurs autres zones destinées à l'urbanisation, qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 3 et pour autant que le nouveau zonage constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local;
3° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal.
Toutefois, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.V.1, 1°, l'initiative de la demande de révision du plan de secteur peut émaner de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°.
[2 Lorsque le Gouvernement est à l'initiative de la révision du plan de secteur, il en adopte le projet sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis du pôle " Aménagement du territoire "; 3° l'avis du conseil communal;
4° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales.
Lorsque le conseil communal ou la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.V.1, 1°, est à l'initiative de la révision du plan de secteur, il adresse sa demande au Gouvernement qui en adopte le projet sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis de la commission communale si elle existe; 3° la délibération du conseil communal;
4° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 8;
5° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
6° lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.V.2, § 8, le dossier visé à l'article D.V.2, § 2 ; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, et est accompagné des avis visés à l'article D.V.2, § 3, 1° et 3°.]2
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 4, 6°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 4 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 2. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article D.V.2, § 4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement.
§ 3. Hormis le cas où la révision est d'initiative communale, simultanément à l'envoi visé au paragraphe 2, le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, dès réception du projet de plan par le collège communal, le conseil communal sollicite les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 5. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le conseil communal ait abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article D.V.2, § 8, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision du plan de secteur vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 6. A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal ou à la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, dans le délai visé selon le cas au paragraphe 5, alinéa 1er ou 2, le collège communal ou la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 7. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article D.V.2, § 4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du même décret.
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu communal et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 5;
[2 1/1° lorsque la révision du plan de secteur porte uniquement sur l'inscription soit d'une zone non destinée à l'urbanisation, soit d'un périmètre de protection des espaces hors centralité, soit d'une prescription supplémentaire portant sur l'optimisation spatiale;]2
2° lorsque la révision du plan de secteur porte exclusivement sur l'inscription d'une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, en lieu et place d'une ou plusieurs autres zones destinées à l'urbanisation, qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 3 et pour autant que le nouveau zonage constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local;
3° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal.
Toutefois, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.V.1, 1°, l'initiative de la demande de révision du plan de secteur peut émaner de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°.
[2 Lorsque le Gouvernement est à l'initiative de la révision du plan de secteur, il en adopte le projet sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis du pôle " Aménagement du territoire "; 3° l'avis du conseil communal;
4° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales.
Lorsque le conseil communal ou la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.V.1, 1°, est à l'initiative de la révision du plan de secteur, il adresse sa demande au Gouvernement qui en adopte le projet sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis de la commission communale si elle existe; 3° la délibération du conseil communal;
4° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 8;
5° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
6° lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.V.2, § 8, le dossier visé à l'article D.V.2, § 2 ; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, et est accompagné des avis visés à l'article D.V.2, § 3, 1° et 3°.]2
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 4, 6°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 4 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 2. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article D.V.2, § 4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement.
§ 3. Hormis le cas où la révision est d'initiative communale, simultanément à l'envoi visé au paragraphe 2, le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, dès réception du projet de plan par le collège communal, le conseil communal sollicite les avis du pôle "Aménagement du territoire", du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 5. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le conseil communal ait abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article D.V.2, § 8, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision du plan de secteur vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 6. A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal ou à la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, dans le délai visé selon le cas au paragraphe 5, alinéa 1er ou 2, le collège communal ou la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 7. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article D.V.2, § 4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du même décret.
Art. D. II.52_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Op aanvraag van de gemeenteraad, ingediend per zending, handelt de Regering volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gemeentelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 5;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, één of meerdere bebouwingsgebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 2, op te nemen in plaats van één of meerdere andere bebouwingsgebieden, er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, en voor zover de nieuwe zonering een antwoord biedt op de behoeften waaraan tegemoetgekomen kan worden door een plaatselijke inrichting;
3° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
[4 Indien een locatie in de zin van artikel D.II.57.1, § 1, 2°, gesaneerd dient te worden, kan het initiatief voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan evenwel uitgaan van de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, 2°.]4
De gemeenteraad of de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, richt zijn aanvraag tot de Regering.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
3° de beraadslaging van de gemeenteraad;
4° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
5° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
6° [4 wanneer overwogen wordt een omtrek voor een saneringslocatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.II.57.5, het dossier bedoeld in artikel D.II.57.3; dat dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.II.57.4, § 1, eerste lid, 1° en 3°.]4
De omtrek van de [4 saneringslocatie]4 kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 4, 6°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 4 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.3]4. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke van de gemeenten waarin een openbaar onderzoek is uitgevoerd, de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering.
§ 3. Behoudens het geval waarin de herziening van een initiatief van de gemeente uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt tegelijk met de zending bedoeld in paragraaf 2 het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Binnen vijfenveertig dagen na sluiting van het openbaar onderzoek dient het gemeentecollege van iedere gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies in. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad, zodra het ontwerp-plan door het gemeentecollege in ontvangst genomen is, het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die hij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 5. Binnen de twaalf maanden na aanneming van het ontwerp, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze, het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer [4 artikel D.II.57.5]4, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening van het gewestplan als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 6. Wordt het regeringsbesluit niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 5, lid 1 dan wel 2, aan het gemeentecollege of aan de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, gericht, kan het gemeentecollege of de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, per zending een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek geweigerd geacht.
§ 7. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
§ 1. Op aanvraag van de gemeenteraad, ingediend per zending, handelt de Regering volgens een versnelde procedure :
1° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, een gebied van gemeentelijk belang op te nemen en er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 5;
2° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, één of meerdere bebouwingsgebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 2, op te nemen in plaats van één of meerdere andere bebouwingsgebieden, er geen enkele compensatie vereist is overeenkomstig artikel D.II.45, § 3, en voor zover de nieuwe zonering een antwoord biedt op de behoeften waaraan tegemoetgekomen kan worden door een plaatselijke inrichting;
3° wanneer de herziening van het gewestplan er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen.
[4 Indien een locatie in de zin van artikel D.II.57.1, § 1, 2°, gesaneerd dient te worden, kan het initiatief voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan evenwel uitgaan van de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, 2°.]4
De gemeenteraad of de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, richt zijn aanvraag tot de Regering.
De Regering beslist tot de herziening van het gewestplan en neemt het ontwerp ervan aan op grond van een dossier dat hetvolgende omvat :
1° het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 1° tot 8°, 10° en 11°, en lid 2, of bedoeld in artikel D.II.44, lid 3;
2° het advies van de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat;
3° de beraadslaging van de gemeenteraad;
4° de documenten bedoeld in artikel D.VIII.5, § 6;
5° in voorkomend geval, het milieueffectenverslag;
6° [4 wanneer overwogen wordt een omtrek voor een saneringslocatie vast te stellen overeenkomstig artikel D.II.57.5, het dossier bedoeld in artikel D.II.57.3; dat dossier wordt opgemaakt door de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°, en is vergezeld van de adviezen bedoeld in artikel D.II.57.4, § 1, eerste lid, 1° en 3°.]4
De omtrek van de [4 saneringslocatie]4 kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
In het geval bedoeld in lid 4, 6°, geldt het regeringsbesluit bedoeld in lid 4 als besluit tot aanneming van een omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.3]4. De Regering legt een afschrift van het besluit ter advies voor aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, met vermelding van de verplichting bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4. De eigenaars richten hun advies schriftelijk aan de Regering, binnen de dertig dagen van de zending. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 2. Het ontwerp-plan wordt, in voorkomend geval samen met het milieueffectenverslag, overgemaakt aan de gemeenteraden van de gemeenten op wier grondgebied de herziening betrekking heeft of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn om aan een openbaar onderzoek te worden onderworpen. Indien overwogen wordt een erkenningsomtrek vast te stellen in het kader van de procedure voor de herziening van het gewestplan, worden de gegevens bedoeld bij het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1 bij het ontwerp-plan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.
Binnen de vijfenveertig dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek maakt het gemeentecollege van elke van de gemeenten waarin een openbaar onderzoek is uitgevoerd, de bezwaren, opmerkingen en processen-verbaal over aan de Regering.
§ 3. Behoudens het geval waarin de herziening van een initiatief van de gemeente uitgaat, wint de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt tegelijk met de zending bedoeld in paragraaf 2 het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die de Regering nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht"]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
Binnen vijfenveertig dagen na sluiting van het openbaar onderzoek dient het gemeentecollege van iedere gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zijn advies in. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
§ 4. Wanneer de herziening van het gewestplan van een gemeentelijk initiatief uitgaat, wint de gemeenteraad, zodra het ontwerp-plan door het gemeentecollege in ontvangst genomen is, het advies in van de [2 Adviesraad]2, van de Beleidsgroep Leefmilieu en van de personen of instanties [3 die hij nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]3. De adviezen worden binnen de vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van de gemeenteraad overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
De gemeenteraad brengt zijn advies uit over het ontwerp en maakt het aan de Regering over. Als dat advies ongunstig is, wordt het plan definitief verworpen geacht en wordt de procedure stopgezet.
§ 5. Binnen de twaalf maanden na aanneming van het ontwerp, neemt de Regering het plan definitief aan of weigert ze, het aan te nemen. Wanneer het ontwerp-plan de inhoud van de lijst bedoeld in artikel D.II.44, lid 1, 11°, vermeldt en voor zover de gemeenteraad de ontwikkelingsplannen en leidraden, vermeld in de lijst, heeft opgeheven, keurt de Regering tegelijk de opheffing van de betrokken ontwikkelingsplannen en leidraden goed.
Wanneer de herziening er uitsluitend toe strekt, het bodembestemmingsplan in verband met een gebied van gemeentelijk belang geheel of gedeeltelijk aan herziening te onderwerpen, bedraagt de termijn bedoeld in lid 1 zes maanden.
Wanneer [4 artikel D.II.57.5]4, wordt toegepast, geldt het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening van het gewestplan als definitief aannemingsbesluit voor een omtrek met betrekking tot een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4.
Indien het regeringsbesluit tot aanneming van de herziening de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1.
De Regering kan haar aanneming afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan.
§ 6. Wordt het regeringsbesluit niet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 5, lid 1 dan wel 2, aan het gemeentecollege of aan de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, gericht, kan het gemeentecollege of de persoon bedoeld in [4 artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°]4, per zending een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Als de Regering bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen, ingaand bij de ontvangst van het herinneringsschrijven, haar beslissing niet verstuurd heeft, wordt het verzoek geweigerd geacht.
§ 7. Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
Wanneer het regeringsbesluit als definitieve aanneming van de omtrek voor een [4 saneringslocatie]4 in de zin van [4 artikel D.II.57.4, § 5]4, geldt, richt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van het besluit aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen die binnen de vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit er kennis van geeft aan de personen bedoeld in [4 artikel D.II.57.4, § 2]4.
Indien het regeringsbesluit als erkenningsomtrek geldt in de zin van het [1 decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1, wordt van het plan met betrekking tot de erkenning van het gebied kennis gegeven [2 ...]2 aan de operator in de zin van hetzelfde decreet.
Art. D. II.52_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. A la demande du conseil communal adressée par envoi, le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu communal et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 5;
2° lorsque la révision du plan de secteur porte exclusivement sur l'inscription d'une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, en lieu et place d'une ou plusieurs autres zones destinées à l'urbanisation, qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 3 et pour autant que le nouveau zonage constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local;
3° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal.
[4 Toutefois, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.II.57.1, § 1er, 2°, l'initiative de la demande de révision du plan de secteur peut émaner de la personne visée à l'article D.II.57.2, 2°.]4
Le conseil communal ou la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, adresse sa demande au Gouvernement.
Le Gouvernement décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis de la commission communale si elle existe;
3° la délibération du conseil communal;
4° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
5° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
6° [4 lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.II.57.5, le dossier visé à l'article D.II.57.3; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, et est accompagné des avis visés à l'article D.II.57.4, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°.]4
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 4, 6°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 4 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.3]4. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement.
§ 3. Hormis le cas où la révision est d'initiative communale, simultanément à l'envoi visé au paragraphe 2, le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, dès réception du projet de plan par le collège communal, le conseil communal sollicite les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 5. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le conseil communal ait abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article [4 D.II.57.5]4, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision du plan de secteur vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 6. A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal ou à la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, dans le délai visé selon le cas au paragraphe 5, alinéa 1er ou 2, le collège communal ou la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 7. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du même décret.
§ 1er. A la demande du conseil communal adressée par envoi, le Gouvernement procède selon une procédure accélérée :
1° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif l'inscription d'une zone d'enjeu communal et qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 5;
2° lorsque la révision du plan de secteur porte exclusivement sur l'inscription d'une ou plusieurs zones destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2, en lieu et place d'une ou plusieurs autres zones destinées à l'urbanisation, qu'aucune compensation n'est due conformément à l'article D.II.45, § 3 et pour autant que le nouveau zonage constitue une réponse à des besoins qui peuvent être rencontrés par un aménagement local;
3° lorsque la révision du plan de secteur a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal.
[4 Toutefois, lorsqu'il s'agit de réaménager un site au sens de l'article D.II.57.1, § 1er, 2°, l'initiative de la demande de révision du plan de secteur peut émaner de la personne visée à l'article D.II.57.2, 2°.]4
Le conseil communal ou la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, adresse sa demande au Gouvernement.
Le Gouvernement décide la révision du plan de secteur et en adopte le projet, sur la base d'un dossier qui comprend :
1° le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er, 1° à 8°, 10° et 11°, et alinéa 2, ou visé à l'article D.II.44, alinéa 3;
2° l'avis de la commission communale si elle existe;
3° la délibération du conseil communal;
4° les documents visés à l'article D.VIII.5, § 6;
5° le cas échéant, le rapport sur les incidences environnementales;
6° [4 lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de site à réaménager en application de l'article D.II.57.5, le dossier visé à l'article D.II.57.3; ce dernier est établi par la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, et est accompagné des avis visés à l'article D.II.57.4, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°.]4
Le périmètre de site à réaménager peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans le cas visé à l'alinéa 4, 6°, l'arrêté du Gouvernement visé à l'alinéa 4 vaut arrêté d'adoption d'un périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.3]4. Le Gouvernement envoie copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés, avec mention de l'obligation visée à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4. Les propriétaires adressent leur avis, par écrit, au Gouvernement dans les trente jours de l'envoi. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 2. Le projet de plan accompagné, le cas échéant, du rapport sur les incidences environnementales est transmis aux collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend la révision ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 pour être soumis à enquête publique. Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance dans le cadre de la procédure de révision du plan de secteur, les renseignements visés par le [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1 sont joints au projet de plan. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.
Dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique, le collège communal de chacune des communes dans lesquelles une enquête publique a été réalisée transmet les réclamations, observations et procès-verbaux au Gouvernement.
§ 3. Hormis le cas où la révision est d'initiative communale, simultanément à l'envoi visé au paragraphe 2, le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin sollicite les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal de chacune des communes auxquelles s'étend le projet de plan transmet son avis dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 4. Lorsque la révision du plan de secteur est d'initiative communale, dès réception du projet de plan par le collège communal, le conseil communal sollicite les avis du [2 conseil consultatif]2, du pôle "Environnement" et des personnes ou instances qu'il juge utile de consulter [3 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]3. Les avis sont transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du conseil communal. A défaut, ils sont réputés favorables.
Le conseil communal émet son avis sur le projet et le transmet au Gouvernement. Si cet avis est défavorable, le plan est réputé définitivement refusé et la procédure est arrêtée.
§ 5. Dans les douze mois de l'adoption du projet, le Gouvernement adopte définitivement le plan ou refuse de l'adopter. Lorsque le projet de plan identifie la liste visée à l'article D.II.44, alinéa 1er, 11°, et pour autant que le conseil communal ait abrogé les schémas et guides identifiés dans la liste, le Gouvernement approuve simultanément l'abrogation des schémas et guides concernés.
Lorsque la révision a pour objet exclusif la révision de tout ou partie de la carte d'affectation des sols liée à une zone d'enjeu communal, le délai visé à l'alinéa 1er est de six mois.
Lorsqu'il est fait application de l'article [4 D.II.57.5]4, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision du plan de secteur vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4.
Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement adoptant la révision vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1.
Le Gouvernement peut subordonner l'adoption du projet de plan à la production d'un plan d'expropriation.
§ 6. A défaut de l'envoi de l'arrêté du Gouvernement au collège communal ou à la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, dans le délai visé selon le cas au paragraphe 5, alinéa 1er ou 2, le collège communal ou la personne visée à l'article [4 D.II.57.2, alinéa 1er, 2°]4, peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à la réception du rappel, le Gouvernement n'a pas envoyé sa décision, la demande est réputée refusée.
§ 7. Dans les dix jours de la publication de sa décision, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de la décision à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut arrêté d'adoption définitive du périmètre de site à réaménager au sens de l'article [4 D.II.57.4, § 5]4, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de l'arrêté aux propriétaires des biens immobiliers concernés, qui, dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, en donne connaissance aux personnes visées à l'article [4 D.II.57.4, § 2]4.
Lorsque l'arrêté du Gouvernement vaut périmètre de reconnaissance au sens du [1 décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1, le plan relatif à la reconnaissance de zone est notifié [2 ...]2 à l'opérateur au sens du même décret.
Afdeling 5. - Opmakingsprocedure
Section 5. - Procédure d'élaboration
Art. D. II.53. De bepalingen voor de herziening van het gewestplan zijn van toepassing op de opmaak ervan.
Art. D. II.53. Les dispositions réglant la révision du plan de secteur sont applicables à son élaboration.
HOOFDSTUK IV. - Gezamenlijke procedure voor gewestplannen en vergunningen
CHAPITRE IV. - Procédure conjointe plan-permis
Afdeling I. [1 Toepassingsgebied]1
Section 1e. [1 Champ d'application]1
Art. D. II.54.[1 Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of milieuvergunning, of een globale vergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, en een aanvraag tot herziening van het gewestplan kunnen het voorwerp uitmaken van een gezamenlijke aanvraag wanneer de wijziging van het gewestplan relevant is voor het geheel of gedeeltelijk verlenen van de betrokken vergunning:
1° voor een hoofdinfrastructuur in de zin van artikel D.II. 21, § 1;
2° voor een ontwerp van steengroeve gebonden aan de ontsluiting van een ontginningsgebied en aanhorigheden van een ontginningsgebied;
3° voor elk ontwerp waarvan de omvang en de socio-economische impact belangrijk zijn en erkend worden door de Regering in het bericht van ontvangt van het verzoek;
4° voor elk ontwerp met het oog op de uitbreiding van een economische activiteit bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek, kleine industrie of toerisme die voor de inwerkingtreding van het gewestplan op de site aanwezig is en waarvan de activiteit niet overeenstemt met de zonering.
De gezamenlijke aanvraag omvat een aanvraag tot herziening van het gewestplan en een vergunningsaanvraag. Ze wordt behandeld in overeenstemming met dit hoofdstuk.]1
1° voor een hoofdinfrastructuur in de zin van artikel D.II. 21, § 1;
2° voor een ontwerp van steengroeve gebonden aan de ontsluiting van een ontginningsgebied en aanhorigheden van een ontginningsgebied;
3° voor elk ontwerp waarvan de omvang en de socio-economische impact belangrijk zijn en erkend worden door de Regering in het bericht van ontvangt van het verzoek;
4° voor elk ontwerp met het oog op de uitbreiding van een economische activiteit bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek, kleine industrie of toerisme die voor de inwerkingtreding van het gewestplan op de site aanwezig is en waarvan de activiteit niet overeenstemt met de zonering.
De gezamenlijke aanvraag omvat een aanvraag tot herziening van het gewestplan en een vergunningsaanvraag. Ze wordt behandeld in overeenstemming met dit hoofdstuk.]1
Art. D. II.54.[1 Une demande de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement ou unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, et une demande de révision du plan de secteur peuvent faire l'objet d'une demande conjointe lorsque la modification du plan de secteur est utile à l'octroi, en tout ou en partie, du permis concerné :
1° pour une principale infrastructure au sens de l'article D.II.21, § 1er;
2° pour un projet de carrière lié à la mise en oeuvre d'une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction;
3° pour tout projet dont la taille et l'impact socio-économique sont d'importance et reconnus par le Gouvernement dans l'accusé de réception de la demande;
4° pour tout projet visant l'extension d'une activité économique d'artisanat, de service, de distribution, de recherche, de petite industrie ou de tourisme, présente sur le site avant l'entrée en vigueur du plan de secteur dont l'activité n'est pas conforme au zonage.
La demande conjointe comprend une demande de révision du plan de secteur et une demande de permis. Elle est instruite conformément au présent chapitre.]1
1° pour une principale infrastructure au sens de l'article D.II.21, § 1er;
2° pour un projet de carrière lié à la mise en oeuvre d'une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction;
3° pour tout projet dont la taille et l'impact socio-économique sont d'importance et reconnus par le Gouvernement dans l'accusé de réception de la demande;
4° pour tout projet visant l'extension d'une activité économique d'artisanat, de service, de distribution, de recherche, de petite industrie ou de tourisme, présente sur le site avant l'entrée en vigueur du plan de secteur dont l'activité n'est pas conforme au zonage.
La demande conjointe comprend une demande de révision du plan de secteur et une demande de permis. Elle est instruite conformément au présent chapitre.]1
Wijzigingen
Art. D. II.54_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De procedure voor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning [1 ...]1 kan gezamenlijk met een procedure tot herziening van het gewestplan uitgevoerd worden wanneer ze noodzakelijk is voor de toekenning van de betrokken vergunning :
1° voor een hoofdinfrastructuur in de zin van artikel D.II.21, § 1;
2° voor een ontwerp van steengroeve gebonden aan de ontsluiting van een ontginningsgebied en aanhorigheden van een ontginningsgebied;
3° voor elk ontwerp waarvan de omvang en de socio-economische impact belangrijk zijn en door de Regering erkend worden in het [3 bericht van formele volledigheid]3 van de aanvraag;
4° voor elk ontwerp met het oog op de uitbreiding van een economische activiteit bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek, kleine industrie of toerisme die voor de inwerkingtreding van het gewestplan op de site aanwezig is en waarvan grondinneming niet groter is dan twee hectare.
[2 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de herziening van het gewestplan voor de toekenning van een milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning noodzakelijk is of wanneer een globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord noodzakelijk is.]2
§ 2. De aanvraag tot herziening van het gewestplan bedoeld in de artikelen D.II.47, § 1, en D.II.48, § 3, wordt aan de Regering gericht, die er ontvangst van bericht.
De vergunningsaanvraag wordt ingediend binnen een termijn waarin het eenmalig openbaar onderzoek overeenkomstig het vierde lid georganiseerd kan worden.
In dit geval omvat de milieueffectenbeoordeling de elementen vereist voor de herziening van het gewestplan en de elementen vereist voor de vergunningsaanvraag.
Het ontwerp van herziening van het gewestplan en de vergunningsaanvraag worden onderworpen aan hetzelfde eenmalig openbaar onderzoek volgens de modaliteiten die respectievelijk toepasselijk zijn op de herziening van het gewestplan en op de vergunningsaanvraag. De duur van het onderzoek is de voor de herziening van het gewestplan toepasselijke duur.
De adviezen die respectievelijk in de artikelen D.II.49 en D.IV.35 bedoeld zijn, worden aangevraagd.
Er wordt niet afgeweken van de regels betreffende de herziening van het gewestplan, noch van de regels betreffende de vergunningsaanvraag. De volgende bijzondere bepalingen zijn evenwel van toepassing :
1° de vergunning wordt verstrekt door de Regering;
2° de termijnen voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden verlengd met de termijn gebruikt om te beslissen over de aanvraag tot herziening van het gewestplan;
3° de termijnen voor de behandeling van de aanvraag tot herziening van het gewestplan worden verlengd met de termijnen gebruikt om het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag aan te vullen indien het onvolledig wordt verklaard, of om de formaliteiten volgend op een wijziging van de vergunningsaanvraag uit te voeren;
4° [1 ...]1
5° een voorafgaande gezamenlijke informatievergadering wordt gehouden voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het ontwerp.
De Regering beslist gelijktijdig over de herziening van het gewestplan en van de vergunningsaanvraag. In geval van toekenning van de vergunning, begint bedoelde vergunning slechts te lopen de dag na de inwerkingtreding van het herziene plan.
§ 1. De procedure voor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning [1 ...]1 kan gezamenlijk met een procedure tot herziening van het gewestplan uitgevoerd worden wanneer ze noodzakelijk is voor de toekenning van de betrokken vergunning :
1° voor een hoofdinfrastructuur in de zin van artikel D.II.21, § 1;
2° voor een ontwerp van steengroeve gebonden aan de ontsluiting van een ontginningsgebied en aanhorigheden van een ontginningsgebied;
3° voor elk ontwerp waarvan de omvang en de socio-economische impact belangrijk zijn en door de Regering erkend worden in het [3 bericht van formele volledigheid]3 van de aanvraag;
4° voor elk ontwerp met het oog op de uitbreiding van een economische activiteit bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek, kleine industrie of toerisme die voor de inwerkingtreding van het gewestplan op de site aanwezig is en waarvan grondinneming niet groter is dan twee hectare.
[2 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de herziening van het gewestplan voor de toekenning van een milieuvergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning noodzakelijk is of wanneer een globale vergunning in de zin van het samenwerkingsakkoord noodzakelijk is.]2
§ 2. De aanvraag tot herziening van het gewestplan bedoeld in de artikelen D.II.47, § 1, en D.II.48, § 3, wordt aan de Regering gericht, die er ontvangst van bericht.
De vergunningsaanvraag wordt ingediend binnen een termijn waarin het eenmalig openbaar onderzoek overeenkomstig het vierde lid georganiseerd kan worden.
In dit geval omvat de milieueffectenbeoordeling de elementen vereist voor de herziening van het gewestplan en de elementen vereist voor de vergunningsaanvraag.
Het ontwerp van herziening van het gewestplan en de vergunningsaanvraag worden onderworpen aan hetzelfde eenmalig openbaar onderzoek volgens de modaliteiten die respectievelijk toepasselijk zijn op de herziening van het gewestplan en op de vergunningsaanvraag. De duur van het onderzoek is de voor de herziening van het gewestplan toepasselijke duur.
De adviezen die respectievelijk in de artikelen D.II.49 en D.IV.35 bedoeld zijn, worden aangevraagd.
Er wordt niet afgeweken van de regels betreffende de herziening van het gewestplan, noch van de regels betreffende de vergunningsaanvraag. De volgende bijzondere bepalingen zijn evenwel van toepassing :
1° de vergunning wordt verstrekt door de Regering;
2° de termijnen voor de behandeling van de vergunningsaanvraag worden verlengd met de termijn gebruikt om te beslissen over de aanvraag tot herziening van het gewestplan;
3° de termijnen voor de behandeling van de aanvraag tot herziening van het gewestplan worden verlengd met de termijnen gebruikt om het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag aan te vullen indien het onvolledig wordt verklaard, of om de formaliteiten volgend op een wijziging van de vergunningsaanvraag uit te voeren;
4° [1 ...]1
5° een voorafgaande gezamenlijke informatievergadering wordt gehouden voor de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het ontwerp.
De Regering beslist gelijktijdig over de herziening van het gewestplan en van de vergunningsaanvraag. In geval van toekenning van de vergunning, begint bedoelde vergunning slechts te lopen de dag na de inwerkingtreding van het herziene plan.
Art. D. II.54_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. La procédure de demande de permis d'urbanisme [1 ...]1 peut être menée conjointement à une procédure de révision du plan de secteur lorsque celle-ci est nécessaire à l'octroi du permis concerné :
1° pour une principale infrastructure au sens de l'article D.II. 21, § 1er;
2° pour un projet de carrière lié à la mise en oeuvre d'une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction;
3° pour tout projet dont la taille et l'impact socio-économique sont d'importance et reconnus par le Gouvernement dans [3 l'avis de complétude formelle]3 de la demande;
4° pour tout projet visant l'extension d'une activité économique d'artisanat, de service, de distribution, de recherche, de petite industrie ou de tourisme, présente sur le site avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et dont l'emprise au sol n'excède pas deux hectares.
[2 Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la révision du plan de secteur est nécessaire pour l'octroi d'un permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'un permis unique au sens de l'accord de coopération.]2
§ 2. La demande de révision du plan visée aux articles D.II.47, § 1er et D.II.48, § 3, est adressée au Gouvernement qui en accuse réception.
La demande de permis est déposée dans un délai permettant l'enquête publique unique conformément à l'alinéa 4.
Dans ce cas, l'évaluation des incidences environnementales comporte les éléments requis pour la révision du plan de secteur et ceux requis pour la demande de permis.
Le projet de révision du plan de secteur et la demande de permis sont soumis à une seule et même enquête publique selon les modalités applicables respectivement à la révision du plan de secteur et à la demande de permis. La durée de l'enquête est celle applicable à la révision du plan de secteur.
Les avis visés respectivement aux articles D.II.49 et D.IV.35 sont demandés.
Il n'est pas dérogé aux règles relatives à la révision du plan de secteur ni à celles relatives à la demande de permis. Toutefois, les dispositions particulières suivantes s'appliquent :
1° le permis est délivré par le Gouvernement;
2° les délais d'instruction de la demande de permis sont prorogés du délai utilisé pour statuer sur la demande de révision du plan de secteur;
3° les délais d'instruction de la demande de révision du plan de secteur sont prorogés des délais utilisés pour compléter le dossier de demande de permis s'il est déclaré incomplet ou pour accomplir les formalités subséquentes à une modification de la demande de permis;
4° [1 ...]1
5° une réunion d'information préalable conjointe est tenue pour la demande de révision du plan de secteur et le projet.
Le Gouvernement statue simultanément sur la révision du plan de secteur et la demande de permis. En cas d'octroi du permis, celui-ci ne prend cours qu'au lendemain de l'entrée en vigueur du plan révisé.
§ 1er. La procédure de demande de permis d'urbanisme [1 ...]1 peut être menée conjointement à une procédure de révision du plan de secteur lorsque celle-ci est nécessaire à l'octroi du permis concerné :
1° pour une principale infrastructure au sens de l'article D.II. 21, § 1er;
2° pour un projet de carrière lié à la mise en oeuvre d'une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction;
3° pour tout projet dont la taille et l'impact socio-économique sont d'importance et reconnus par le Gouvernement dans [3 l'avis de complétude formelle]3 de la demande;
4° pour tout projet visant l'extension d'une activité économique d'artisanat, de service, de distribution, de recherche, de petite industrie ou de tourisme, présente sur le site avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et dont l'emprise au sol n'excède pas deux hectares.
[2 Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas lorsque la révision du plan de secteur est nécessaire pour l'octroi d'un permis d'environnement au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'un permis unique au sens de l'accord de coopération.]2
§ 2. La demande de révision du plan visée aux articles D.II.47, § 1er et D.II.48, § 3, est adressée au Gouvernement qui en accuse réception.
La demande de permis est déposée dans un délai permettant l'enquête publique unique conformément à l'alinéa 4.
Dans ce cas, l'évaluation des incidences environnementales comporte les éléments requis pour la révision du plan de secteur et ceux requis pour la demande de permis.
Le projet de révision du plan de secteur et la demande de permis sont soumis à une seule et même enquête publique selon les modalités applicables respectivement à la révision du plan de secteur et à la demande de permis. La durée de l'enquête est celle applicable à la révision du plan de secteur.
Les avis visés respectivement aux articles D.II.49 et D.IV.35 sont demandés.
Il n'est pas dérogé aux règles relatives à la révision du plan de secteur ni à celles relatives à la demande de permis. Toutefois, les dispositions particulières suivantes s'appliquent :
1° le permis est délivré par le Gouvernement;
2° les délais d'instruction de la demande de permis sont prorogés du délai utilisé pour statuer sur la demande de révision du plan de secteur;
3° les délais d'instruction de la demande de révision du plan de secteur sont prorogés des délais utilisés pour compléter le dossier de demande de permis s'il est déclaré incomplet ou pour accomplir les formalités subséquentes à une modification de la demande de permis;
4° [1 ...]1
5° une réunion d'information préalable conjointe est tenue pour la demande de révision du plan de secteur et le projet.
Le Gouvernement statue simultanément sur la révision du plan de secteur et la demande de permis. En cas d'octroi du permis, celui-ci ne prend cours qu'au lendemain de l'entrée en vigueur du plan révisé.
Afdeling II. [1 Indiening van de gezamenlijke aanvraag]1
Section 2. [1 Introduction de la demande conjointe]1
Onderafdeling 1. [1 Indiening van de aanvraag tot herziening van het gewestplan]1
Sous-section 1ère. [1 Introduction de la demande de révision du plan de secteur]1
D.II.54/1. [1 Ten minste vijftien dagen voor de inleidende informatievergadering zendt de aanvrager het basisdossier, bedoeld in artikel D.II.44, eerste lid, naar de gemeentebesturen en, indien deze bestaan, naar de gemeentelijke commissies van de gemeenten op het grondgebied waarvan de herziening van het plan of het project zich uitstrekt.
D.II.54/1. [1 Au moins quinze jours avant la réunion d'information préalable, le demandeur adresse aux conseils communaux et, si elles existent, aux commissions communales des communes sur le territoire desquelles la révision du plan ou le projet s'étend le dossier de base visé à l'article D.II.44, alinéa 1er.
D.II.54/2. [1 De aanvrager stuurt de Regering zijn gezamenlijke aanvraag met de informatie bedoeld in artikel D.II.48, § 3.
D.II.54/2. [1 Le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement sa demande conjointe contenant les éléments visés à l'article D.II.48, § 3.
D.II.54/3. [1 Wanneer wordt overwogen om een erkenningsomtrek te bepalen, wordt de informatie bedoeld in het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken bij de aanvraag tot wijziging van het gewestplan gevoegd. De erkenningsomtrek kan verschillen van de omtrek die het voorwerp uitmaakt van de herziening van het gewestplan.]1
D.II.54/3. [1 Lorsqu'il est envisagé d'établir un périmètre de reconnaissance, les renseignements visés par le décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques sont joints à la demande de modification du plan de secteur. Le périmètre de reconnaissance peut être différent du périmètre faisant l'objet de la révision de plan de secteur.]1
D.II.54/4. [1 Binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag bericht de Regering ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54/2 en beslist zij over de ontvankelijkheid en de volledigheid ervan.
D.II.54/4. [1 Dans les trente jours du dépôt de la demande, le Gouvernement accuse réception de la demande visée à l'article D.II.54/2 et statue sur son caractère recevable et complet.
D.II.54/5. [1 Binnen honderdtwintig dagen na ontvangst van de aanvraag beslist de Regering over de herziening van het gewestplan, neemt ze er het ontwerp van aan, stelt ze de in artikel D.II.45, § 3, bedoelde compensaties voorlopig vast en beslist ze om de gezamenlijke aanvraag te onderwerpen aan de milieueffectenbeoordeling of beslist ze, bedoelde aanvraag ervan vrij te stellen.
D.II.54/5. [1 Dans les cent-vingt jours de la réception de la demande, le Gouvernement décide de la révision du plan de secteur, en adopte le projet, arrête provisoirement les compensations visées à l'article D.II.45, § 3, et décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou décide de l'en exempter.
Onderafdeling 2. [1 Gezamenlijke effectenbeoordeling]1
Sous-section 2. [1 Evaluation conjointe des incidences]1
D.II.54/6. [1 De verplichting om een gezamenlijke effectenbeoordeling van de in artikel D.II.54 bedoelde aanvraag overeenkomstig de artikelen D.VIII.38 tot en met D.VIII.47 uit te voeren, ontstaat wanneer de wijziging van het gewestplan aan een effectenbeoordeling wordt onderworpen of het project aan een effectenonderzoek wordt onderworpen.]1
D.II.54/6. [1 La soumission de la modification du plan de secteur à évaluation des incidences ou du projet à étude d'incidences emporte l'obligation de procéder à l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.II.54 conformément aux articles D.VIII.38 à D.VIII.47.]1
Onderafdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanvraag]1
Sous-section 3. [1 Introduction de la demande de permis]1
D.II.54/7. [1 § 1. Indien de Regering de aanvraag vrijstelt van een gezamenlijke milieueffectenbeoordeling, machtigt ze de aanvrager om de vergunningsaanvraag in te dienen, bepaalt ze de instanties die ze nuttig acht om te raadplegen over de aanvraag tot wijziging van het gewestplan en, in voorkomend geval, de gemeenten, naast deze geïdentificeerd in toepassing van artikel D.VIII.5/2, derde lid 3, die door de in artikel D.II.54 bedoelde aanvraag kunnen worden getroffen en op wier grondgebied een openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.
D.II.54/7. [1 § 1er. Si le Gouvernement exempte la demande d'évaluation conjointe d'incidences, il autorise le demandeur à déposer la demande de permis, détermine les instances qu'il juge utile de consulter sur la demande de modification du plan de secteur, et, le cas échéant, les communes complémentaires à celles identifiées en application de l'article D.VIII.5/2, alinéa 3, susceptibles d'être affectées par la demande visée à l'article D.II.54 et sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.
Afdeling 3. [1 Onderzoek van de gezamenlijke aanvraag]1
Section 3. [1 Instruction de la demande conjointe]1
D.II.54/8. [1 Zodra de Regering de indiening van de aanvraag heeft toegestaan overeenkomstig artikel D.II.54/7, §§ 1 of 2, lid 2, wordt de vergunningsaanvraag ingediend binnen honderdtwintig dagen. Bij gebreke daarvan vervalt de in artikel D.II.54/2 bedoelde aanvraag, tenzij, in de gevallen bedoeld in artikel D.II.48, de aanvrager de Regering binnen dezelfde termijn in kennis stelt van zijn beslissing geen vergunningsaanvraag in te dienen. In dit geval wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen D.II.49, §§ 4, 5 en 7, en D.II.50.
D.II.54/8. [1 Après autorisation du dépôt de la demande par le Gouvernement conformément à l'article D.II.54/7, §§ 1er ou 2, alinéa 2, la demande de permis est introduite dans les cent-quatre-vingt jours. A défaut, la demande visée à l'article D.II.54/2 est caduque, sauf si, dans les hypothèses visées à l'article D.II.48, dans le même délai, le demandeur informe le Gouvernement de sa décision de ne pas introduire de demande de permis. Dans ce cas, la procédure se poursuit conformément aux articles D.II.49, §§ 4, 5 et 7, et D.II.50.
Afdeling 4. [1 Beslissing]1
Section 4. [1 Décision]1
D.II.54/9. [1 Binnen vierentwintig maanden na de beslissing bedoeld in artikel D.II.54/5 beslist de Regering gelijktijdig over de herziening van het gewestplan en de vergunningsaanvraag.
D.II.54/9. [1 Dans les vingt-quatre mois de la décision visée à l'article D.II.54/5, le Gouvernement statue simultanément sur la révision du plan de secteur et la demande de permis.
D.II.54/10. [1 Indien het besluit van de Regering tot herziening van het gewestplan de gegevens bevat betreffende de erkenningsomtrek, geldt het als erkenningsomtrek in de zin van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.
D.II.54/10. [1 Lorsqu'il contient les éléments relatifs au périmètre de reconnaissance, l'arrêté du Gouvernement révisant le plan de secteur vaut périmètre de reconnaissance au sens du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.
D.II.54/11. [1 Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing tot herziening van het gewestplan verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van haar beslissingen aan elke gemeente waarop de herziening van het gewestplan betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
D.II.54/11. [1 Dans les dix jours de la publication de la décision de révision du plan de secteur, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de ses décisions à chacune des communes auxquelles la révision du plan de secteur s'étend, lesquelles en informent le public.
HOOFDSTUK V. - Juridische gevolgen
CHAPITRE V. - Effets juridiques
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. D. II.55. De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan, met uitzondering van het bodembestemmingsplan, bedoeld in artikel D.II.44, lid 2, dat informatieve waarde heeft.
De grafische en de geschreven voorschriften van de plannen hebben reglementaire waarde.
Bij tegenspraak tussen de grafische en de geschreven voorschriften, hebben de grafische voorschriften voorrang op de geschreven voorschriften.
De grafische en de geschreven voorschriften van de plannen hebben reglementaire waarde.
Bij tegenspraak tussen de grafische en de geschreven voorschriften, hebben de grafische voorschriften voorrang op de geschreven voorschriften.
Art. D. II.55. Le Gouvernement confère force obligatoire au plan de secteur, à l'exception de la carte d'affectation des sols visée à l'article D.II.44, alinéa 2, qui a valeur indicative.
Les prescriptions graphiques et littérales des plans ont valeur réglementaire.
En cas de contradiction entre les prescriptions graphiques et littérales, les prescriptions graphiques l'emportent sur les prescriptions littérales.
Les prescriptions graphiques et littérales des plans ont valeur réglementaire.
En cas de contradiction entre les prescriptions graphiques et littérales, les prescriptions graphiques l'emportent sur les prescriptions littérales.
Art. D _II.55.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan, met uitzondering van het bodembestemmingsplan, bedoeld in artikel D.II.44, lid 2, dat informatieve waarde heeft.
De grafische en de geschreven voorschriften van de plannen hebben reglementaire waarde.
Bij tegenspraak tussen de grafische en de geschreven voorschriften, hebben de grafische voorschriften voorrang op de geschreven voorschriften.
[1 De metingen op basis van de grafische voorschriften zijn doorslaggevend voor het bepalen van de afmetingen van de gebieden.
De breedte van de afbakeningslijn van een bebouwingsgebied op het gewestplan wordt geacht tot dat gebied te behoren. De buitengrens van het bebouwingsgebied wordt weergegeven door de buitengrens van de afbakeningslijn.]1
De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan, met uitzondering van het bodembestemmingsplan, bedoeld in artikel D.II.44, lid 2, dat informatieve waarde heeft.
De grafische en de geschreven voorschriften van de plannen hebben reglementaire waarde.
Bij tegenspraak tussen de grafische en de geschreven voorschriften, hebben de grafische voorschriften voorrang op de geschreven voorschriften.
[1 De metingen op basis van de grafische voorschriften zijn doorslaggevend voor het bepalen van de afmetingen van de gebieden.
De breedte van de afbakeningslijn van een bebouwingsgebied op het gewestplan wordt geacht tot dat gebied te behoren. De buitengrens van het bebouwingsgebied wordt weergegeven door de buitengrens van de afbakeningslijn.]1
Art. D _II.55.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le Gouvernement confère force obligatoire au plan de secteur, à l'exception de la carte d'affectation des sols visée à l'article D.II.44, alinéa 2, qui a valeur indicative.
Les prescriptions graphiques et littérales des plans ont valeur réglementaire.
En cas de contradiction entre les prescriptions graphiques et littérales, les prescriptions graphiques l'emportent sur les prescriptions littérales.
[1 Pour fixer l'étendue des zones, les mesures basées sur les prescriptions graphiques sont déterminantes.
La largeur de la ligne de démarcation d'une zone urbanisable figurant sur le plan de secteur est réputée appartenir à cette zone. La limite extérieure de la zone urbanisable est matérialisée par la limite extérieure du trait.]1
Le Gouvernement confère force obligatoire au plan de secteur, à l'exception de la carte d'affectation des sols visée à l'article D.II.44, alinéa 2, qui a valeur indicative.
Les prescriptions graphiques et littérales des plans ont valeur réglementaire.
En cas de contradiction entre les prescriptions graphiques et littérales, les prescriptions graphiques l'emportent sur les prescriptions littérales.
[1 Pour fixer l'étendue des zones, les mesures basées sur les prescriptions graphiques sont déterminantes.
La largeur de la ligne de démarcation d'une zone urbanisable figurant sur le plan de secteur est réputée appartenir à cette zone. La limite extérieure de la zone urbanisable est matérialisée par la limite extérieure du trait.]1
Wijzigingen
Art. D. II.56. Het gewestplan blijft in werking tot op het ogenblik waarop het geheel of gedeeltelijk vervangen wordt door een gewestplan na een herziening.
Art. D. II.56. Le plan de secteur reste en vigueur jusqu'au moment où un plan de secteur lui est substitué en tout ou en partie, à la suite d'une révision.
Art. D. II.57. De voorschriften van de plannen kunnen beperkingen van het eigendomsrecht inhouden, met inbegrip van een bebouwingsverbod in de zin van artikel D.IV.2 of een verbod tot uitvoering van de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4.
Art. D. II.57. Les prescriptions des plans peuvent impliquer des restrictions au droit de propriété, en ce compris l'interdiction d'urbaniser au sens de l'article D.IV.2 ou de réaliser des actes et travaux visés à l'article D.IV.4.
TITEL II.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - OMTREKKEN]1
TITRE II.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Périmètres]1
HOOFDSTUK I.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - ALGEMEEN]1
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Généralités]1
Art. D. II.57.1DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
1° locatie: een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen dat voor andere activiteiten dan huisvesting bestemd was en waarvan het behoud in zijn huidige toestand strijdig is met de goede inrichting van de plaats of een destructurering van het stadsweefsel uitmaakt. Alleen de activiteiten die overeenstemmen met de wettelijke en reglementaire bepalingen komen in aanmerking. De locatie bevindt zich binnen de grenzen van een omtrek die het geheel van bovenbedoelde onroerende goederen omvat. De omtrek kan ook het volgende bevatten :
a) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die nog bestemd zijn voor een activiteit, op voorwaarde dat de sanering van de locatie de voortzetting van die activiteit toelaat;
b) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die de zetel van een activiteit zijn, maar precair gebruikt worden;
c) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die gebruikt worden of bestemd zijn voor huisvesting;
Een locatie die in een recreatiegebied op het gewestplan gelegen is en onder de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning valt, kan beschouwd worden als een locatie in de zin van dit artikel;
2° een locatie saneren: de uitvoering van handelingen en werken inzake sanering, renovatie en bodemsanering in de zin van artikel 2, 14°, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, bouw- of herbouwwerken en -handelingen met inbegrip van de desbetreffende onderzoeken. De Regering kan de lijst van de handelingen en werken vastleggen;
3° stedelijke verkaveling: elk stedenbouwkundig project tot herwaardering en ontwikkeling van stedelijke functies dat de oprichting, de wijziging, de uitbreiding, de vernietiging of de overdekking van wegen en openbare ruimtes vereist. De stedelijke verkaveling bevindt zich binnen de grenzen van de omtrek die het bovenbedoelde stedenbouwkundig project omvat.
§ 2 - De omtrekken voor saneringslocaties en de omtrekken voor een stedelijke verkaveling worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.]1
1° locatie: een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen dat voor andere activiteiten dan huisvesting bestemd was en waarvan het behoud in zijn huidige toestand strijdig is met de goede inrichting van de plaats of een destructurering van het stadsweefsel uitmaakt. Alleen de activiteiten die overeenstemmen met de wettelijke en reglementaire bepalingen komen in aanmerking. De locatie bevindt zich binnen de grenzen van een omtrek die het geheel van bovenbedoelde onroerende goederen omvat. De omtrek kan ook het volgende bevatten :
a) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die nog bestemd zijn voor een activiteit, op voorwaarde dat de sanering van de locatie de voortzetting van die activiteit toelaat;
b) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die de zetel van een activiteit zijn, maar precair gebruikt worden;
c) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die gebruikt worden of bestemd zijn voor huisvesting;
Een locatie die in een recreatiegebied op het gewestplan gelegen is en onder de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning valt, kan beschouwd worden als een locatie in de zin van dit artikel;
2° een locatie saneren: de uitvoering van handelingen en werken inzake sanering, renovatie en bodemsanering in de zin van artikel 2, 14°, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, bouw- of herbouwwerken en -handelingen met inbegrip van de desbetreffende onderzoeken. De Regering kan de lijst van de handelingen en werken vastleggen;
3° stedelijke verkaveling: elk stedenbouwkundig project tot herwaardering en ontwikkeling van stedelijke functies dat de oprichting, de wijziging, de uitbreiding, de vernietiging of de overdekking van wegen en openbare ruimtes vereist. De stedelijke verkaveling bevindt zich binnen de grenzen van de omtrek die het bovenbedoelde stedenbouwkundig project omvat.
§ 2 - De omtrekken voor saneringslocaties en de omtrekken voor een stedelijke verkaveling worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.]1
Art. D. II.57.1COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Pour l'application du présent titre, il faut entendre par :
1° site : un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers qui a été ou était destiné à accueillir une activité autre que le logement et dont le maintien dans son état actuel est contraire au bon aménagement des lieux ou constitue une déstructuration du tissu urbanisé. Seules les activités conformes aux dispositions légales et règlementaires seront prises en considération. Le site est délimité par le périmètre comprenant l'ensemble des biens immobiliers précités. Le périmètre peut également s'étendre :
a) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers encore affectés à une activité, à la condition que le réaménagement du site permette la poursuite de cette activité;
b) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers, sièges d'une activité mais occupés à titre précaire;
c) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers affectés ou destinés au logement.
Un site se trouvant en zone de loisirs sur le plan de secteur et concerné par la mise en oeuvre du plan " habitat durable " peut être considéré comme site au sens du présent article;
2° réaménager un site : y réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement du terrain au sens de l'article 2, 14°, du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, de construction ou de reconstruction, en ce compris les études y relatives. Le Gouvernement peut arrêter la liste des actes et travaux;
3° remembrement urbain : tout projet d'urbanisme de requalification et de développement de fonctions urbaines qui nécessite la création, la modification, l'élargissement, la suppression ou le surplomb de la voirie et d'espaces publics. Le remembrement urbain est délimité par le périmètre comprenant le projet d'urbanisme précité.
§ 2 - Les périmètres des sites à réaménager et les périmètres de remembrement urbain sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.]1
1° site : un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers qui a été ou était destiné à accueillir une activité autre que le logement et dont le maintien dans son état actuel est contraire au bon aménagement des lieux ou constitue une déstructuration du tissu urbanisé. Seules les activités conformes aux dispositions légales et règlementaires seront prises en considération. Le site est délimité par le périmètre comprenant l'ensemble des biens immobiliers précités. Le périmètre peut également s'étendre :
a) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers encore affectés à une activité, à la condition que le réaménagement du site permette la poursuite de cette activité;
b) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers, sièges d'une activité mais occupés à titre précaire;
c) à un ou plusieurs biens immobiliers ou parties de biens immobiliers affectés ou destinés au logement.
Un site se trouvant en zone de loisirs sur le plan de secteur et concerné par la mise en oeuvre du plan " habitat durable " peut être considéré comme site au sens du présent article;
2° réaménager un site : y réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement du terrain au sens de l'article 2, 14°, du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, de construction ou de reconstruction, en ce compris les études y relatives. Le Gouvernement peut arrêter la liste des actes et travaux;
3° remembrement urbain : tout projet d'urbanisme de requalification et de développement de fonctions urbaines qui nécessite la création, la modification, l'élargissement, la suppression ou le surplomb de la voirie et d'espaces publics. Le remembrement urbain est délimité par le périmètre comprenant le projet d'urbanisme précité.
§ 2 - Les périmètres des sites à réaménager et les périmètres de remembrement urbain sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.]1
HOOFDSTUK II.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - PROCEDURE]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédure]1
Afdeling 1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Initiatiefrecht en voorstel]1
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Droit d'initiative et proposition]1
Art. D. II.57.2DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 De Regering kan de bestemming van een omtrek voor een saneringslocatie of een omtrek voor een stedelijke verkaveling vastleggen :
1° hetzij op eigen initiatief;
2° hetzij op voorstel van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de "Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels" (SORASI), de in het Duitse taalgebied erkende openbare huisvestingsmaatschappijen en de "Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement (SPAQuE)" (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° hetzij op voorstel van één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht.
Desgevallend motiveert de Regering ten opzichte van [2 artikel D.65]2 van Boek I van het Milieuwetboek haar beslissing om al dan niet de handelingen en werken aan een milieueffectenonderzoek te onderwerpen die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.]1
1° hetzij op eigen initiatief;
2° hetzij op voorstel van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de "Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels" (SORASI), de in het Duitse taalgebied erkende openbare huisvestingsmaatschappijen en de "Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement (SPAQuE)" (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° hetzij op voorstel van één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht.
Desgevallend motiveert de Regering ten opzichte van [2 artikel D.65]2 van Boek I van het Milieuwetboek haar beslissing om al dan niet de handelingen en werken aan een milieueffectenonderzoek te onderwerpen die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.]1
Art. D. II.57.2COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Le Gouvernement peut fixer le périmètre d'un site à réaménager et le périmètre de remembrement urbain :
1° soit de sa propre initiative;
2° soit sur la proposition d'une commune, d'une intercommunale ayant dans son objet social l'aménagement du territoire ou le logement, d'une association de communes, d'un centre public d'action sociale, d'une régie communale, de la Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels (SORASI SA), des sociétés immobilières de service public agréées en région de langue allemande, de la Société publique d'aide à la qualité de l'environnement visée à l'article 39 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
3° soit sur la proposition d'un ou plusieurs propriétaires ou titulaires d'un droit réel.
Le cas échéant, le Gouvernement motive, au regard [2 de l'article D.65]2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, sa décision de soumettre ou non à étude d'incidences les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et s.]1
1° soit de sa propre initiative;
2° soit sur la proposition d'une commune, d'une intercommunale ayant dans son objet social l'aménagement du territoire ou le logement, d'une association de communes, d'un centre public d'action sociale, d'une régie communale, de la Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels (SORASI SA), des sociétés immobilières de service public agréées en région de langue allemande, de la Société publique d'aide à la qualité de l'environnement visée à l'article 39 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
3° soit sur la proposition d'un ou plusieurs propriétaires ou titulaires d'un droit réel.
Le cas échéant, le Gouvernement motive, au regard [2 de l'article D.65]2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, sa décision de soumettre ou non à étude d'incidences les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et s.]1
Art. D. II.57.3DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Het voorstel van de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.2 berust op een dossier bestaande uit :
1° de aanduiding en verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.57.II.1;
2° een kaart met de omtrek volgens het model dat door de Regering is vastgelegd;
3° de geplande handelingen en werken;
4° een milieueffectenbeoordeling of de met redenen omklede aanvraag tot vrijstelling van een milieueffectenbeoordeling overeenkomstig artikel D.VIII.31.
Voor de saneringslocatie wordt bovendien een korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of, naargelang van het geval, een milieueffectenonderzoek over de geplande handelingen en werken bijgevoegd met toepassing van de bepalingen van het Milieuwetboek.
Voor de stedelijke verkaveling wordt bovendien de voorstelling van het stedenbouwkundig project bijgevoegd met de volgende gegevens :
1° een verslag dat de geplande handelingen en werken bevat, hun bestemming, de inrichtingsopties vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de architectonische opzet van het project. Dat verslag wordt opgemaakt op basis van de volgende elementen :
a) een situatieplan dat de ligging van het goed betrokken bij het project voorstelt t.o.v. de centrale kern van de bebouwde kom en de voornaamste verbindingswegen met vermelding van hun juridisch statuut en hun benaming;
b) de rechtstoestand die hetgeen volgt vermeldt :
- de bestemming van het goed betrokken bij het project in het gewestplan;
- in voorkomend geval, zijn ligging in het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en in de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, zijn ligging in de ontsluitings- of opsplitsingsvergunning als het goed aan de gewestelijke leidraad en/of de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt onderworpen;
c) de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin hetgeen volgt vermeld staat :
- de oriëntatie;
- de verbindingswegen, hun inrichting en uitrusting alsook, in voorkomend geval, de wijzigingen die daaraan verbonden zijn;
- in voorkomend geval, de afschaffing van een bestaande weg of de aanleg van nieuwe wegen of openbare ruimtes;
- de vestiging, de afmetingen, de aard of de bestemming van de bouwwerken op het goed, betrokken bij het project, binnen een straal van 50 m ervan;
- in voorkomend geval, een rechtvaardiging van de verschillen en afwijkingen, aangevraagd ten opzichte van de artikelen D.IV.5 et D.IV.13;
d) een fotoreportage op grond waarvan de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin het project past in overweging genomen kan worden met de genummerde aanduiding op plan van de opnamen van de fotoreportage;
2° een bezettingsplan van de omtrek, met vermelding van het volgende :
a) de vestiging en het bouwvolume van de bestaande gebouwen die voor het geheel van de omtrek zijn gepland;
b) de behouden of geplande aanleg van het onbebouwde saldo van de betrokken omtrek, met inbegrip van de wegen en openbare ruimtes, de parkeerruimtes, de bestaande en geplande vegetatie;
3° een duidelijke 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project.]1
1° de aanduiding en verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.57.II.1;
2° een kaart met de omtrek volgens het model dat door de Regering is vastgelegd;
3° de geplande handelingen en werken;
4° een milieueffectenbeoordeling of de met redenen omklede aanvraag tot vrijstelling van een milieueffectenbeoordeling overeenkomstig artikel D.VIII.31.
Voor de saneringslocatie wordt bovendien een korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of, naargelang van het geval, een milieueffectenonderzoek over de geplande handelingen en werken bijgevoegd met toepassing van de bepalingen van het Milieuwetboek.
Voor de stedelijke verkaveling wordt bovendien de voorstelling van het stedenbouwkundig project bijgevoegd met de volgende gegevens :
1° een verslag dat de geplande handelingen en werken bevat, hun bestemming, de inrichtingsopties vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de architectonische opzet van het project. Dat verslag wordt opgemaakt op basis van de volgende elementen :
a) een situatieplan dat de ligging van het goed betrokken bij het project voorstelt t.o.v. de centrale kern van de bebouwde kom en de voornaamste verbindingswegen met vermelding van hun juridisch statuut en hun benaming;
b) de rechtstoestand die hetgeen volgt vermeldt :
- de bestemming van het goed betrokken bij het project in het gewestplan;
- in voorkomend geval, zijn ligging in het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en in de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, zijn ligging in de ontsluitings- of opsplitsingsvergunning als het goed aan de gewestelijke leidraad en/of de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt onderworpen;
c) de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin hetgeen volgt vermeld staat :
- de oriëntatie;
- de verbindingswegen, hun inrichting en uitrusting alsook, in voorkomend geval, de wijzigingen die daaraan verbonden zijn;
- in voorkomend geval, de afschaffing van een bestaande weg of de aanleg van nieuwe wegen of openbare ruimtes;
- de vestiging, de afmetingen, de aard of de bestemming van de bouwwerken op het goed, betrokken bij het project, binnen een straal van 50 m ervan;
- in voorkomend geval, een rechtvaardiging van de verschillen en afwijkingen, aangevraagd ten opzichte van de artikelen D.IV.5 et D.IV.13;
d) een fotoreportage op grond waarvan de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin het project past in overweging genomen kan worden met de genummerde aanduiding op plan van de opnamen van de fotoreportage;
2° een bezettingsplan van de omtrek, met vermelding van het volgende :
a) de vestiging en het bouwvolume van de bestaande gebouwen die voor het geheel van de omtrek zijn gepland;
b) de behouden of geplande aanleg van het onbebouwde saldo van de betrokken omtrek, met inbegrip van de wegen en openbare ruimtes, de parkeerruimtes, de bestaande en geplande vegetatie;
3° een duidelijke 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project.]1
Art. D. II.57.3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La proposition du Gouvernement conformément à l'article D.II.57.2 est fondée sur un dossier comportant :
1° l'indication et la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.57.II.1;
2° une carte représentant le périmètre selon le modèle arrêté par le Gouvernement;
3° l'indication des actes et travaux envisagés;
4° une étude d'incidences ou la demande motivée visant à être dispensé d'une telle étude conformément à l'article D.VIII.31.
Pour les sites à réaménager y est en outre annexée, en application des dispositions du Code de l'Environnement, une notice d'évaluation des incidences sur l'environnement ou, selon le cas, une étude d'incidences relative aux actes et travaux projetés.
Pour le remembrement urbain y est en outre annexée la présentation du projet d'urbanisme comprenant :
1° un rapport qui présente les actes et travaux projetés, leur destination, les options d'aménagement et le parti architectural du projet. Ce rapport est établi sur la base des éléments suivants :
a) un plan de situation qui présente la localisation du bien concerné par le projet par rapport au noyau central de l'agglomération et les principales voiries de desserte avec indication de leur statut juridique et de leur dénomination;
b) la situation juridique qui renseigne :
- l'affectation du bien concerné par le projet, conformément au plan de secteur;
- le cas échéant, sa situation au schéma de développement pluricommunal et aux schémas communaux, sa situation au permis d'urbaniser ou de diviser, si le bien est soumis au guide régional et/ou au guide communal d'urbanisme;
c) le contexte urbanistique et paysager qui reprend :
- l'orientation;
- la voirie de desserte, ses aménagements et ses équipements, ainsi que, le cas échéant, les modifications projetées qui s'y rapportent;
- le cas échéant, la suppression d'une voirie existante ou la création de nouvelles voiries et d'espaces publics;
- l'implantation, le gabarit, la nature ou l'affectation des constructions existantes sur le bien concerné par le projet et dans un rayon de 50 mètres de celui-ci;
- le cas échéant, une justification des écarts ou des dérogations sollicités eu égard aux articles D.IV.5 et D.IV.13;
d) un reportage photographique qui permet la prise en compte du contexte urbanistique et paysager dans lequel s'insère le projet avec l'indication numérotée sur plan des prises de vue du reportage;
2° un plan d'occupation du périmètre qui figure :
a) l'implantation et la volumétrie des constructions existantes et projetées pour l'ensemble du périmètre;
b) l'aménagement maintenu ou projeté du solde non construit du périmètre concerné, en ce compris les voiries et espaces publics, les aires de stationnement, la végétation existante et projetée;
3° une visualisation 3D parlante du projet d'urbanisme.]1
1° l'indication et la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.57.II.1;
2° une carte représentant le périmètre selon le modèle arrêté par le Gouvernement;
3° l'indication des actes et travaux envisagés;
4° une étude d'incidences ou la demande motivée visant à être dispensé d'une telle étude conformément à l'article D.VIII.31.
Pour les sites à réaménager y est en outre annexée, en application des dispositions du Code de l'Environnement, une notice d'évaluation des incidences sur l'environnement ou, selon le cas, une étude d'incidences relative aux actes et travaux projetés.
Pour le remembrement urbain y est en outre annexée la présentation du projet d'urbanisme comprenant :
1° un rapport qui présente les actes et travaux projetés, leur destination, les options d'aménagement et le parti architectural du projet. Ce rapport est établi sur la base des éléments suivants :
a) un plan de situation qui présente la localisation du bien concerné par le projet par rapport au noyau central de l'agglomération et les principales voiries de desserte avec indication de leur statut juridique et de leur dénomination;
b) la situation juridique qui renseigne :
- l'affectation du bien concerné par le projet, conformément au plan de secteur;
- le cas échéant, sa situation au schéma de développement pluricommunal et aux schémas communaux, sa situation au permis d'urbaniser ou de diviser, si le bien est soumis au guide régional et/ou au guide communal d'urbanisme;
c) le contexte urbanistique et paysager qui reprend :
- l'orientation;
- la voirie de desserte, ses aménagements et ses équipements, ainsi que, le cas échéant, les modifications projetées qui s'y rapportent;
- le cas échéant, la suppression d'une voirie existante ou la création de nouvelles voiries et d'espaces publics;
- l'implantation, le gabarit, la nature ou l'affectation des constructions existantes sur le bien concerné par le projet et dans un rayon de 50 mètres de celui-ci;
- le cas échéant, une justification des écarts ou des dérogations sollicités eu égard aux articles D.IV.5 et D.IV.13;
d) un reportage photographique qui permet la prise en compte du contexte urbanistique et paysager dans lequel s'insère le projet avec l'indication numérotée sur plan des prises de vue du reportage;
2° un plan d'occupation du périmètre qui figure :
a) l'implantation et la volumétrie des constructions existantes et projetées pour l'ensemble du périmètre;
b) l'aménagement maintenu ou projeté du solde non construit du périmètre concerné, en ce compris les voiries et espaces publics, les aires de stationnement, la végétation existante et projetée;
3° une visualisation 3D parlante du projet d'urbanisme.]1
Afdeling 2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Procedure]1
Section 2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédure]1
Art. D. II.57.4DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Het besluit bedoeld in artikel D.II.57.2 en het dossier bedoeld in artikel D.II.57.3 worden door de Regering verstuurd en ter advies voorgelegd aan de volgende instanties, voor zover de aanvraag tot vaststelling van de omtrek niet op hun voorstel berust :
1° aan het gemeentecollege van de gemeente(n) waarin de omtrek gelegen is;
2° aan de op grond van de kadastrale gegevens vastgestelde eigenaars van de onroerende goederen waarop de omtrek betrekking heeft;
3° aan de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, aan de adviesraad;
4° aan elke persoon, instantie of dienst waarvan zij het advies nuttig acht.
Het voorstel tot bepaling van een omtrek voor een stedelijke verkaveling wordt verstuurd en ter advies voorgelegd aan de in het eerste lid vermelde instanties en ook aan de gemeenteraad van de gemeente(n) waarin de omtrek gelegen is. Als het advies van de gemeenteraad ongunstig is, wordt de procedure voor het bepalen van een omtrek voor een stedelijke verkaveling niet voortgezet.
De adviezen vermeld in het eerste en het tweede lid worden binnen zestig dagen na ontvangst van het besluit aan de Regering overgemaakt. Zo niet worden ze gunstig geacht.
§ 2 - Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering is (zijn) de eigenaar(s) verplicht het mee te delen aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of gebruiker van bedoeld onroerend goed, alsook aan elke persoon die hij (zij) met de uitvoering van werkzaamheden op bedoeld goed belast zou(den) hebben of daartoe gemachtigd zou(den) hebben. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 3 - Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering onderwerpt het gemeentecollege het besluit aan een openbaar onderzoek. Als de omtrek betrekking heeft op meerdere gemeenten, dan wordt in elk van die gemeenten een openbaar onderzoek gehouden.
Het gemeentecollege of, naargelang van het geval, de gemeentecolleges zenden de resultaten van het openbaar onderzoek toe aan de Regering.
§ 4 - Desgevallend wordt de omtrek gewijzigd of aangevuld op basis van de adviezen bedoeld in paragraaf 1 en op basis van de resultaten van het openbaar onderzoek.
§ 5 - De Regering neemt de omtrek voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling definitief aan.
Desgevallend, mits er een motivering ten opzichte van de artikelen [2 D.65 en D.75]2 van Boek I van het Milieuwetboek is, keurt ze de handelingen en werken die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie goed.
§ 6 - Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 1.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit, geeft (geven) de eigenaar(s) daar kennis van aan de personen bedoeld in paragraaf 2. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.]1
1° aan het gemeentecollege van de gemeente(n) waarin de omtrek gelegen is;
2° aan de op grond van de kadastrale gegevens vastgestelde eigenaars van de onroerende goederen waarop de omtrek betrekking heeft;
3° aan de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, aan de adviesraad;
4° aan elke persoon, instantie of dienst waarvan zij het advies nuttig acht.
Het voorstel tot bepaling van een omtrek voor een stedelijke verkaveling wordt verstuurd en ter advies voorgelegd aan de in het eerste lid vermelde instanties en ook aan de gemeenteraad van de gemeente(n) waarin de omtrek gelegen is. Als het advies van de gemeenteraad ongunstig is, wordt de procedure voor het bepalen van een omtrek voor een stedelijke verkaveling niet voortgezet.
De adviezen vermeld in het eerste en het tweede lid worden binnen zestig dagen na ontvangst van het besluit aan de Regering overgemaakt. Zo niet worden ze gunstig geacht.
§ 2 - Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering is (zijn) de eigenaar(s) verplicht het mee te delen aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of gebruiker van bedoeld onroerend goed, alsook aan elke persoon die hij (zij) met de uitvoering van werkzaamheden op bedoeld goed belast zou(den) hebben of daartoe gemachtigd zou(den) hebben. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 3 - Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering onderwerpt het gemeentecollege het besluit aan een openbaar onderzoek. Als de omtrek betrekking heeft op meerdere gemeenten, dan wordt in elk van die gemeenten een openbaar onderzoek gehouden.
Het gemeentecollege of, naargelang van het geval, de gemeentecolleges zenden de resultaten van het openbaar onderzoek toe aan de Regering.
§ 4 - Desgevallend wordt de omtrek gewijzigd of aangevuld op basis van de adviezen bedoeld in paragraaf 1 en op basis van de resultaten van het openbaar onderzoek.
§ 5 - De Regering neemt de omtrek voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling definitief aan.
Desgevallend, mits er een motivering ten opzichte van de artikelen [2 D.65 en D.75]2 van Boek I van het Milieuwetboek is, keurt ze de handelingen en werken die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie goed.
§ 6 - Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 1.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit, geeft (geven) de eigenaar(s) daar kennis van aan de personen bedoeld in paragraaf 2. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.]1
Art. D. II.57.4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Le Gouvernement transmet l'arrêté visé à l'article D.II.57.2 ainsi que le dossier mentionné à l'article D.II.57.3 et le soumet pour avis aux instances suivantes, dans la mesure où la demande de détermination du périmètre ne repose pas sur leur proposition :
1° au collège communal de la ou des communes du lieu où se situe le périmètre;
2° aux propriétaires des biens immobiliers concernés par le périmètre d'après les indications cadastrales;
3° à la commission communale ou, à défaut, au conseil consultatif;
4° à toute personne, toute instance ou tout service qu'il juge utile de consulter.
La proposition d'un périmètre de remembrement urbain est transmise pour avis, outre aux instances mentionnées à l'alinéa 1er, au conseil communal de la ou des communes du lieu où se situe le périmètre. Si le conseil communal rend un avis défavorable, la procédure visant à déterminer un périmètre de remembrement urbain n'est pas poursuivie.
Les avis mentionnés aux alinéas 1er et 2 sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours suivant la réception de l'arrêté. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 2 - Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le ou les propriétaires sont tenus d'en informer tout titulaire d'un droit réel, tout locataire ou tout occupant du bien immobilier concerné ainsi que toute personne qu'ils auraient chargée d'exécuter des travaux sur le bien visé ou qu'ils auraient autorisée à en exécuter. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 3 - Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le collège communal le soumet à enquête publique. Si plusieurs communes sont concernées par le périmètre, chacune d'elle mène une enquête publique.
Le ou les collèges communaux transmettent au Gouvernement les résultats de l'enquête publique.
§ 4 - Le cas échéant, le périmètre est modifié ou complété sur la base des avis visés au § 1er et des résultats de l'enquête publique.
§ 5 - Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre du site à réaménager ou de remembrement urbain.
Le cas échéant, moyennant motivation au regard [2 des articles D.65 et D.75]2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, il autorise les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
§ 6 - L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et s.
Le Gouvernement transmet une copie de l'arrêté aux destinataires mentionnés au § 1er.
Dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, le ou les propriétaires en donnent connaissance aux personnes visées au § 2. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.]1
1° au collège communal de la ou des communes du lieu où se situe le périmètre;
2° aux propriétaires des biens immobiliers concernés par le périmètre d'après les indications cadastrales;
3° à la commission communale ou, à défaut, au conseil consultatif;
4° à toute personne, toute instance ou tout service qu'il juge utile de consulter.
La proposition d'un périmètre de remembrement urbain est transmise pour avis, outre aux instances mentionnées à l'alinéa 1er, au conseil communal de la ou des communes du lieu où se situe le périmètre. Si le conseil communal rend un avis défavorable, la procédure visant à déterminer un périmètre de remembrement urbain n'est pas poursuivie.
Les avis mentionnés aux alinéas 1er et 2 sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours suivant la réception de l'arrêté. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 2 - Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le ou les propriétaires sont tenus d'en informer tout titulaire d'un droit réel, tout locataire ou tout occupant du bien immobilier concerné ainsi que toute personne qu'ils auraient chargée d'exécuter des travaux sur le bien visé ou qu'ils auraient autorisée à en exécuter. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 3 - Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le collège communal le soumet à enquête publique. Si plusieurs communes sont concernées par le périmètre, chacune d'elle mène une enquête publique.
Le ou les collèges communaux transmettent au Gouvernement les résultats de l'enquête publique.
§ 4 - Le cas échéant, le périmètre est modifié ou complété sur la base des avis visés au § 1er et des résultats de l'enquête publique.
§ 5 - Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre du site à réaménager ou de remembrement urbain.
Le cas échéant, moyennant motivation au regard [2 des articles D.65 et D.75]2 du Livre Ier du Code de l'Environnement, il autorise les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
§ 6 - L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et s.
Le Gouvernement transmet une copie de l'arrêté aux destinataires mentionnés au § 1er.
Dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, le ou les propriétaires en donnent connaissance aux personnes visées au § 2. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.]1
Art. D. II.57.5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De omtrek van de saneringslocatie kan door de Regering worden aangenomen gezamenlijk met de opneming van een gebied van gewestelijk belang, een gebied van gemeentelijk belang of een voor bebouwing bestemd gebied waarvoor geen compensatie vereist is overeenkomstig de artikelen D.II.51 en D.II.52.]1
Art. D. II.57.5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le périmètre du site à réaménager peut être adopté par le Gouvernement conjointement à l'inscription d'une zone d'enjeu régional, d'une zone d'enjeu communal ou d'une zone destinée à l'urbanisation ne nécessitant pas de mesure compensatoire conformément aux articles D.II.51 et D.II.52.]1
Art. D. II.57.6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - De Regering kan de grenzen van de omtrek voor een saneringslocatie of van de omtrek voor een stedelijke verkaveling na de definitieve vastlegging ervan wijzigen. De bepalingen die de vastlegging van de omtrek regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan.
§ 2 - De Regering kan de omtrek voor een saneringslocatie of de omtrek voor een stedelijke verkaveling na de definitieve vastlegging ervan geheel of gedeeltelijk afschaffen :
1° na sanering van de locatie of na verwezenlijking van het stedenbouwkundig project;
2° wanneer de redenen die de erkenning als saneringslocatie of stedelijke verkaveling rechtvaardigden, voorbijgestreefd zijn.
De bepalingen die de vastlegging van de omtrek regelen, zijn van toepassing op de afschaffing ervan.]1
§ 2 - De Regering kan de omtrek voor een saneringslocatie of de omtrek voor een stedelijke verkaveling na de definitieve vastlegging ervan geheel of gedeeltelijk afschaffen :
1° na sanering van de locatie of na verwezenlijking van het stedenbouwkundig project;
2° wanneer de redenen die de erkenning als saneringslocatie of stedelijke verkaveling rechtvaardigden, voorbijgestreefd zijn.
De bepalingen die de vastlegging van de omtrek regelen, zijn van toepassing op de afschaffing ervan.]1
Art. D. II.57.6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Le Gouvernement peut modifier le périmètre d'un site à réaménager ou le périmètre de remembrement urbain après leur adoption définitive. Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à sa modification.
§ 2 - Après leur adoption définitive, le périmètre d'un site à réaménager ou le périmètre de remembrement urbain peuvent être, en tout ou partie, abrogés par le Gouvernement :
1° au terme du réaménagement du site ou de la réalisation du projet d'urbanisme;
2° ou lorsque les motifs ayant conduit à la reconnaissance en tant que site à réaménager ou remembrement urbain sont dépassés.
Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à son abrogation.]1
§ 2 - Après leur adoption définitive, le périmètre d'un site à réaménager ou le périmètre de remembrement urbain peuvent être, en tout ou partie, abrogés par le Gouvernement :
1° au terme du réaménagement du site ou de la réalisation du projet d'urbanisme;
2° ou lorsque les motifs ayant conduit à la reconnaissance en tant que site à réaménager ou remembrement urbain sont dépassés.
Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à son abrogation.]1
HOOFDSTUK III.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SANERINGSLOCATIES]1
CHAPITRE III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Dispositions particulières concernant les sites à réaménager]1
Art. D. II.57.7.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De Regering kan procedureregels voorschrijven voor de onderzoekingen strekkende tot de verzameling van gegevens die moeten dienen voor de toepassing van deze titel en de uitvoeringsbesluiten ervan met betrekking tot de saneringslocaties. Zij wijst de beambten aan die bevoegd zijn om de onderzoekingen uit te voeren.
De beambten die aangewezen worden om deze onderzoekingen en controles uit te voeren, kunnen met name :
1° zich op hun eerste verzoek alle bescheiden, stukken of boeken, die nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak, laten overleggen of die opzoeken;
2° fotokopieën nemen of laten nemen van andere bescheiden die onder hun controle vallen en vaststellingen doen door middel van foto's;
3° met toestemming van de politierechter de gebouwen op de saneringslocatie tussen 8.00 en 18.00 uur betreden;
4° de locatie betreden om bodemmonsters te nemen of te laten nemen of bodemanalyses te verrichten of te laten verrichten om een eventuele bodemverontreiniging te ontdekken of te meten.
De in dit artikel bedoelde beambten kunnen de leden van de openbare macht opvorderen, die gehouden zijn hun bijstand te verlenen bij de uitoefening van hun taak.]1
De beambten die aangewezen worden om deze onderzoekingen en controles uit te voeren, kunnen met name :
1° zich op hun eerste verzoek alle bescheiden, stukken of boeken, die nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak, laten overleggen of die opzoeken;
2° fotokopieën nemen of laten nemen van andere bescheiden die onder hun controle vallen en vaststellingen doen door middel van foto's;
3° met toestemming van de politierechter de gebouwen op de saneringslocatie tussen 8.00 en 18.00 uur betreden;
4° de locatie betreden om bodemmonsters te nemen of te laten nemen of bodemanalyses te verrichten of te laten verrichten om een eventuele bodemverontreiniging te ontdekken of te meten.
De in dit artikel bedoelde beambten kunnen de leden van de openbare macht opvorderen, die gehouden zijn hun bijstand te verlenen bij de uitoefening van hun taak.]1
Art. D. II.57.7.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le Gouvernement peut prescrire les règles de procédure relatives aux investigations nécessaires en vue de recueillir les renseignements devant servir à l'application du présent titre et de ses arrêtés d'exécution en ce qui concerne les sites à réaménager. Il désigne les agents compétents pour mener ces investigations.
Les agents désignés pour procéder aux investigations et contrôles peuvent notamment :
1° se faire produire à première réquisition ou rechercher tous documents, pièces ou livres utiles à l'accomplissement de leur mission;
2° prendre ou faire prendre les photocopies de documents soumis à leur contrôle et faire des constatations par photos;
3° moyennant l'autorisation du juge de police, pénétrer entre 8 h et 18 h dans les immeubles situés dans le site à réaménager;
4° pénétrer sur le site en vue de procéder, ou de faire procéder, aux prélèvements ou analyses des sols en vue de déceler ou de mesurer leur éventuelle contamination.
Les agents visés au présent article peuvent requérir des agents de la force publique qui seront tenus de leur prêter assistance dans l'exercice de leur mission.]1
Les agents désignés pour procéder aux investigations et contrôles peuvent notamment :
1° se faire produire à première réquisition ou rechercher tous documents, pièces ou livres utiles à l'accomplissement de leur mission;
2° prendre ou faire prendre les photocopies de documents soumis à leur contrôle et faire des constatations par photos;
3° moyennant l'autorisation du juge de police, pénétrer entre 8 h et 18 h dans les immeubles situés dans le site à réaménager;
4° pénétrer sur le site en vue de procéder, ou de faire procéder, aux prélèvements ou analyses des sols en vue de déceler ou de mesurer leur éventuelle contamination.
Les agents visés au présent article peuvent requérir des agents de la force publique qui seront tenus de leur prêter assistance dans l'exercice de leur mission.]1
Art. D. II.57.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Voor zover de Regering dit niet uitdrukkelijk uitsluit, geldt het besluit tot definitieve vastlegging van een omtrek voor een saneringslocatie als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werken voor de sanering en renovatie van de locatie.]1
Art. D. II.57.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Sauf exclusion expresse formulée par le Gouvernement, l'arrêté fixant définitivement le périmètre d'un site à réaménager vaut permis d'urbanisme pour l'exécution des actes et travaux de réhabilitation et de rénovation du site.]1
Art. D. II.57.9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Vanaf de datum van ontvangst van het besluit bedoeld in artikel D.II.57.2 tot aan de opheffing van de omtrek bij een besluit als bedoeld in artikel D.II.57.6 mogen de eigenaars de in de voorgestelde of definitief vastgelegde omtrek van de saneringslocatie gelegen goederen niet vervreemden of met zakelijke rechten bezwaren zonder dat ze daartoe vooraf toestemming hebben gekregen van de Regering of van de persoon die de Regering daartoe heeft aangewezen.
De Regering, of de persoon die de Regering daartoe heeft aangewezen, brengt de beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de bij haar ingediende vervreemdingsaanvraag ter kennis. Zoniet wordt de beslissing gunstig geacht.
Wanneer de Regering of de persoon die zij daartoe heeft aangewezen met de vervreemding of de vestiging van zakelijke rechten heeft ingestemd of wanneer haar beslissing gunstig wordt geacht, heeft de nieuwe houder van zakelijke rechten dezelfde verplichtingen als de vorige.
§ 2 - Bij niet-naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 1 van dit artikel, kan elke afstand of vestiging van een zakelijk recht op verzoek van de Duitstalige Gemeenschap worden nietig verklaard.
§ 3 - De openbare ambtenaar die een akte van afstand of vestiging van een zakelijk recht heeft verleden zonder dat vooraf de toestemming bepaald in paragraaf 1 is verkregen, kan een geldboete van 12,50 tot 125 euro opgelegd krijgen, onverminderd schadevergoeding.]1
De Regering, of de persoon die de Regering daartoe heeft aangewezen, brengt de beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de bij haar ingediende vervreemdingsaanvraag ter kennis. Zoniet wordt de beslissing gunstig geacht.
Wanneer de Regering of de persoon die zij daartoe heeft aangewezen met de vervreemding of de vestiging van zakelijke rechten heeft ingestemd of wanneer haar beslissing gunstig wordt geacht, heeft de nieuwe houder van zakelijke rechten dezelfde verplichtingen als de vorige.
§ 2 - Bij niet-naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 1 van dit artikel, kan elke afstand of vestiging van een zakelijk recht op verzoek van de Duitstalige Gemeenschap worden nietig verklaard.
§ 3 - De openbare ambtenaar die een akte van afstand of vestiging van een zakelijk recht heeft verleden zonder dat vooraf de toestemming bepaald in paragraaf 1 is verkregen, kan een geldboete van 12,50 tot 125 euro opgelegd krijgen, onverminderd schadevergoeding.]1
Art. D. II.57.9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - A dater de la réception de l'arrêté du Gouvernement visé à l'article D.II.57.2 jusqu'à l'abrogation du périmètre par l'arrêté visé à l'article D.II.57.6, les propriétaires ne peuvent aliéner ou grever de droits réels les biens situés dans le périmètre du site à réaménager, proposé ou définitivement adopté, sans l'autorisation du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin.
Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin envoie sa décision dans les trente jours suivant la réception de la demande d'aliénation qui lui en est faite. A défaut, la décision est réputée favorable.
Lorsque le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin a autorisé l'aliénation ou la constitution de droits réels, ou lorsque sa décision est réputée favorable, le nouveau titulaire de droits réels est tenu aux mêmes obligations que l'ancien.
§ 2 - En cas de méconnaissance des obligations découlant du § 1er, toute cession ou constitution de droit réel est annulable à la demande du Gouvernement.
§ 3 - L'officier public qui passe un acte de cession ou de constitution de droit réel sans qu'ait été obtenue au préalable l'autorisation prévue au § 1er est passible d'une amende de 12,50 à 125 euros sans préjudice de dommages et intérêts.]1
Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin envoie sa décision dans les trente jours suivant la réception de la demande d'aliénation qui lui en est faite. A défaut, la décision est réputée favorable.
Lorsque le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin a autorisé l'aliénation ou la constitution de droits réels, ou lorsque sa décision est réputée favorable, le nouveau titulaire de droits réels est tenu aux mêmes obligations que l'ancien.
§ 2 - En cas de méconnaissance des obligations découlant du § 1er, toute cession ou constitution de droit réel est annulable à la demande du Gouvernement.
§ 3 - L'officier public qui passe un acte de cession ou de constitution de droit réel sans qu'ait été obtenue au préalable l'autorisation prévue au § 1er est passible d'une amende de 12,50 à 125 euros sans préjudice de dommages et intérêts.]1
Art. D. II.57.10.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Op verzoek van de Regering of van de personen bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°, kan elke eigenaar of houder van een onroerend zakelijk recht op goederen die in de omtrek van een saneringslocatie gelegen zijn, ertoe gehouden worden de onderzoeken en de werken te verrichten die het herstel van het uitzicht van die plaats tot gevolg heeft, zowel inzake landschap als inzake leefmilieu.
Als de eigenaar of houder van een zakelijk recht de bepalingen vermeld in het eerste lid niet in acht neemt, kan de bevoegde rechtbank hem ertoe verplichten die in acht te nemen.
Indien de werken vermeld in het eerste lid niet worden uitgevoerd binnen de termijn vastgelegd door de rechtbank, worden ze uitgevoerd door toedoen van de Regering of de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°, op kosten van de eigenaar of de houder van een onroerend zakelijk recht.
Indien de kosten niet op het eerste verzoek worden terugbetaald, kan de Regering de goederen overeenkomstig de artikelen D.VI.1 en volgende onteigenen of laten onteigenen, in opdracht van de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°. In dat geval wordt geen rekening gehouden met de meerwaarde voortvloeiend uit de reeds uitgevoerde werken.
§ 2 - De sanerings- en renovatiewerken bevolen door de rechtbank overeenkomstig paragraaf 1, worden uitgevoerd zonder dat er een vergunning verkregen hoeft te worden.]1
Als de eigenaar of houder van een zakelijk recht de bepalingen vermeld in het eerste lid niet in acht neemt, kan de bevoegde rechtbank hem ertoe verplichten die in acht te nemen.
Indien de werken vermeld in het eerste lid niet worden uitgevoerd binnen de termijn vastgelegd door de rechtbank, worden ze uitgevoerd door toedoen van de Regering of de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°, op kosten van de eigenaar of de houder van een onroerend zakelijk recht.
Indien de kosten niet op het eerste verzoek worden terugbetaald, kan de Regering de goederen overeenkomstig de artikelen D.VI.1 en volgende onteigenen of laten onteigenen, in opdracht van de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2°. In dat geval wordt geen rekening gehouden met de meerwaarde voortvloeiend uit de reeds uitgevoerde werken.
§ 2 - De sanerings- en renovatiewerken bevolen door de rechtbank overeenkomstig paragraaf 1, worden uitgevoerd zonder dat er een vergunning verkregen hoeft te worden.]1
Art. D. II.57.10.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - A la requête du Gouvernement ou des personnes visées à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, tout propriétaire ou titulaire d'un droit réel immobilier sur les biens compris dans le périmètre d'un site à réaménager peut être tenu de réaliser les études et travaux ayant pour effet de restaurer l'aspect des lieux tant au niveau paysager qu'au niveau environnemental.
A défaut de se conformer à l'alinéa 1er, le propriétaire ou titulaire d'un droit réel peut y être contraint par le tribunal compétent.
A défaut d'exécution dans le délai fixé par le tribunal, les travaux visés à l'alinéa 1er sont exécutés d'office par les soins du Gouvernement ou de la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, aux frais du propriétaire ou du titulaire d'un droit réel immobilier.
A défaut de remboursement des frais à sa première demande, le Gouvernement procède ou fait procéder, pour le compte de la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, à l'expropriation des biens conformément aux articles D.VI.1 et suivants. Dans ce cas, il ne peut être tenu compte de la plus-value issue des travaux déjà exécutés.
§ 2 - Les travaux de réhabilitation et de rénovation ordonnés par le tribunal en application du § 1er sont exécutés sans que doive être obtenu de permis.]1
A défaut de se conformer à l'alinéa 1er, le propriétaire ou titulaire d'un droit réel peut y être contraint par le tribunal compétent.
A défaut d'exécution dans le délai fixé par le tribunal, les travaux visés à l'alinéa 1er sont exécutés d'office par les soins du Gouvernement ou de la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, aux frais du propriétaire ou du titulaire d'un droit réel immobilier.
A défaut de remboursement des frais à sa première demande, le Gouvernement procède ou fait procéder, pour le compte de la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2°, à l'expropriation des biens conformément aux articles D.VI.1 et suivants. Dans ce cas, il ne peut être tenu compte de la plus-value issue des travaux déjà exécutés.
§ 2 - Les travaux de réhabilitation et de rénovation ordonnés par le tribunal en application du § 1er sont exécutés sans que doive être obtenu de permis.]1
TITEL III. - Overgangsrecht
TITRE III. - Droit transitoire
HOOFDSTUK I. - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement de l'espace régional
Art. D. II.58. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, wordt het ruimtelijk ontwikkelingsplan en wordt onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
Art. D. II.58. Le schéma de développement de l'espace régional en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du Code devient le schéma de développement du territoire et est soumis aux dispositions y relatives.
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen
CHAPITRE II. - Schémas communaux
Afdeling 1. - Gemeentelijk structuurplan
Section 1re. - Schéma de structure communal
Art. D. II.59. § 1. Het gemeentelijk structuurplan dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, wordt het gemeentelijk ontwikkelingsplan en wordt onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
§ 2. De behandeling van het ontwerp van gemeentelijk structuurplan of van ontwerp tot herziening van het gemeentelijk structuurplan dat voorlopig door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek aangenomen is, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
§ 2. De behandeling van het ontwerp van gemeentelijk structuurplan of van ontwerp tot herziening van het gemeentelijk structuurplan dat voorlopig door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek aangenomen is, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
Art. D. II.59. § 1er. Le schéma de structure communal en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code devient un schéma de développement communal et est soumis aux dispositions y relatives.
§ 2. L'instruction du projet de schéma de structure communal ou du projet de révision du schéma de structure communal adopté provisoirement par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date.
En cas d'approbation par le Gouvernement, le schéma de structure communal devient un schéma de développement communal et est soumis aux dispositions y relatives.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
§ 2. L'instruction du projet de schéma de structure communal ou du projet de révision du schéma de structure communal adopté provisoirement par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date.
En cas d'approbation par le Gouvernement, le schéma de structure communal devient un schéma de développement communal et est soumis aux dispositions y relatives.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
Afdeling 2. - Stedenbouwkundig en leefmilieuverslag
Section 2. - Rapport urbanistique et environnemental
Art. D. II.60. Het stedenbouwkundig en leefmilieuverslag dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, wordt een lokaal beleidsontwikkelingsplan en wordt onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
Art. D. II.60. Le rapport urbanistique et environnemental en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
Art. D. II.61. De behandeling van het ontwerp van stedenbouwkundig en leefmilieuverslag of van het ontwerp tot herziening van het stedenbouwkundig en leefmilieuverslag dat door het gemeentecollege vóór de inwerkingtreding van het Wetboek aan een openbaar onderzoek onderworpen is, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
Hetzelfde geldt voor het stedenbouwkundig verslag dat vóór de inwerkingtreding van het Wetboek wordt opgemaakt of herzien wanneer :
1° ofwel het college overeenkomstig artikel 33, § 2, eerste lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van de gegevens die het bevat, heeft bepaald;
2° ofwel de gemeenteraad overeenkomstig artikel 18ter, § 2, tweede lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, het verslag heeft vrijgesteld van het milieueffectenverslag vereist overeenkomstig artikel 33, § 2, 2°, van genoemd Wetboek.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een lokaal beleidsontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
Hetzelfde geldt voor het stedenbouwkundig verslag dat vóór de inwerkingtreding van het Wetboek wordt opgemaakt of herzien wanneer :
1° ofwel het college overeenkomstig artikel 33, § 2, eerste lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van de gegevens die het bevat, heeft bepaald;
2° ofwel de gemeenteraad overeenkomstig artikel 18ter, § 2, tweede lid, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, het verslag heeft vrijgesteld van het milieueffectenverslag vereist overeenkomstig artikel 33, § 2, 2°, van genoemd Wetboek.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een lokaal beleidsontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
Art. D. II.61. L'instruction du projet de rapport urbanistique et environnemental ou du projet de révision du rapport urbanistique et environnemental soumis à enquête publique par le collège communal avant la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date.
Il en va de même du rapport urbanistique en cours d'élaboration ou de révision avant la date d'entrée en vigueur du Code lorsque :
1° soit le collège a fixé, en application de l'article 33, § 2, alinéa 1er, du CWATUP, l'ampleur et le degré d'information qu'il contient;
2° soit le conseil communal a dispensé, en application de l'article 18ter, § 2, alinéa 2, du CWATUP, le rapport de l'évaluation environnementale requise en application de l'article 33, § 2, 2°, du CWATUP.
En cas d'approbation par le Gouvernement, il devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
Il en va de même du rapport urbanistique en cours d'élaboration ou de révision avant la date d'entrée en vigueur du Code lorsque :
1° soit le collège a fixé, en application de l'article 33, § 2, alinéa 1er, du CWATUP, l'ampleur et le degré d'information qu'il contient;
2° soit le conseil communal a dispensé, en application de l'article 18ter, § 2, alinéa 2, du CWATUP, le rapport de l'évaluation environnementale requise en application de l'article 33, § 2, 2°, du CWATUP.
En cas d'approbation par le Gouvernement, il devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
HOOFDSTUK III. - Plannen van aanleg
CHAPITRE III. - Plans d'aménagement
Afdeling 1. - Gewestplan
Section 1re. - Plan de secteur
Onderafdeling 1. - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden
Sous-section 1re. - Destination et prescriptions générales des zones
Art. D. II.62. De in de gewestplannen opgenomen volgende gebieden worden op de datum van inwerkingtreding van hun opname in laatstgenoemde plannen bekrachtigd :
1° de woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter;
2° de uitbreidingsgebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° de recreatieuitbreidingsgebieden die de recreactieuitbreidingsgebieden, de recreactieuitbreidingsgebieden met verblijf, de uitbreidingsgebieden van recreatiegebieden met verblijf, de ontspannings- en verblijfuitbreidingsgebieden en de ontspanningsuitbreidingsgebieden omvatten;
4° de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen;
5° de gebieden voor industriële ontwikkeling die de gebieden voor industriële ontwikkeling en het gebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman omvatten;
6° de dienstuitbreidingsgebieden;
7° de industrie-uitbreidingsgebieden die de industrie-uitbreidingsgebieden, het industrie-uitbreidingsgebied "BD", het thermale "industrie-uitbreidingsgebied, het industrie-uitbreidingsgebied van het onderzoekscentrum Sart-Tilman, het industrie-uitbreidingstgebied "GE" omvatten;
8° de uitbreidingsgebieden van verblijfsparken.
1° de woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter;
2° de uitbreidingsgebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° de recreatieuitbreidingsgebieden die de recreactieuitbreidingsgebieden, de recreactieuitbreidingsgebieden met verblijf, de uitbreidingsgebieden van recreatiegebieden met verblijf, de ontspannings- en verblijfuitbreidingsgebieden en de ontspanningsuitbreidingsgebieden omvatten;
4° de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen;
5° de gebieden voor industriële ontwikkeling die de gebieden voor industriële ontwikkeling en het gebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman omvatten;
6° de dienstuitbreidingsgebieden;
7° de industrie-uitbreidingsgebieden die de industrie-uitbreidingsgebieden, het industrie-uitbreidingsgebied "BD", het thermale "industrie-uitbreidingsgebied, het industrie-uitbreidingsgebied van het onderzoekscentrum Sart-Tilman, het industrie-uitbreidingstgebied "GE" omvatten;
8° de uitbreidingsgebieden van verblijfsparken.
Art. D. II.62. Les zones suivantes inscrites dans les plans de secteur sont validées à la date d'entrée en vigueur de leur inscription dans lesdits plans :
1° les zones d'extension d'habitat à caractère rural;
2° les zones d'extension d'équipement communautaire et de service public;
3° les zones d'extension de loisirs comprenant les zones d'extension de loisirs, les zones d'extension de loisirs avec séjour, les zones d'extension de zone de loisirs avec séjour, les zones d'extension de récréation et de séjour et les zones d'extension de récréation;
4° les zones d'extension d'artisanat ou de petites et moyennes entreprises;
5° les zones d'industrie de recherche comprenant les zones d'industrie de recherche et la zone industrielle de recherche du Sart-Tilman;
6° les zones d'extension de service;
7° les zones d'extension d'industrie comprenant les zones d'extension d'industrie, la zone d'extension d'industrie "BD", la zone d'extension d'industrie thermale, la zone d'extension d'industrie de recherche du Sart-Tilman, la zone d'extension d'industrie "GE";
8° les zones d'extension de parc résidentiel.
1° les zones d'extension d'habitat à caractère rural;
2° les zones d'extension d'équipement communautaire et de service public;
3° les zones d'extension de loisirs comprenant les zones d'extension de loisirs, les zones d'extension de loisirs avec séjour, les zones d'extension de zone de loisirs avec séjour, les zones d'extension de récréation et de séjour et les zones d'extension de récréation;
4° les zones d'extension d'artisanat ou de petites et moyennes entreprises;
5° les zones d'industrie de recherche comprenant les zones d'industrie de recherche et la zone industrielle de recherche du Sart-Tilman;
6° les zones d'extension de service;
7° les zones d'extension d'industrie comprenant les zones d'extension d'industrie, la zone d'extension d'industrie "BD", la zone d'extension d'industrie thermale, la zone d'extension d'industrie de recherche du Sart-Tilman, la zone d'extension d'industrie "GE";
8° les zones d'extension de parc résidentiel.
Art. D. II.63.In de gewestplannen die in werking waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, blijven van toepassing :
1° op het woongebied, het in artikel D.II.24 bedoelde voorschrift;
2° op het woongebied met een landelijk karakter, het in artikel D.II.25 bedoelde voorschrift;
3° op het uitbreidingsgebied van het woongebied en op het woonuitbreidingsgebied met een landelijk karakter en op het uitbreidingsgebied van het verblijfspark, het in artikel D.II.42 bedoelde voorschrift;
4° op het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening, op de militaire domeinen en op de andere gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en infrastructuren, het in artikel D.II.26, § 1, bedoelde voorschrift;
5° op de gebieden van centra voor technische ingraving en de aan diens bestemming onttrokken centra voor technische ingraving bedoeld in artikel 63 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, die definitief vastgesteld zijn bij de Regering aan het einde van de procedure voor de opmaking van het plan van de centra voor technische ingraving opgestart vóór 1 maart 1998, het in artikel D.II.26, § 2, bedoelde voorschrift;
6° op het recreatiegebied en het recreatie-uitbreidingsgebied, het in artikel D.II.27 bedoelde voorschrift;
7° op het gebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het uitbreidingsgebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het onderzoeksindustriegebied, op het dienstengebied en op het dienstenuitbreidingsgebied, de in de artikel D.II.28 en D.II.29 bedoelde voorschriften;
8° op het industriegebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.30 bedoelde voorschriften van toepassing;
9° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "A.E.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 1, leden 1 en 3;
10° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "G.D.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 1, leden 2 en 3;
10° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "R.M.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 2;
12° op het industrie-uitbreidingsgebied en het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.32;
13° op het ontginningsgebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.33 bedoelde voorschriften;
14° op het ontginningsuitbreidingsgebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.33 bedoelde voorschriften;
15° op het landelijk gebied en op het landbouwgebied, het in artikel D.II.36 bedoelde voorschrift;
16° op het bosgebied, het in artikel D.II.37 bedoelde voorschrift;
17° op het groengebied en het buffergebied, het in artikel D.II.38 bedoelde voorschrift;
18° op het natuurgebied en op het natuurgebied met een wetenschappelijke waarde, het in artikel D.II.39 bedoelde voorschrift;
19° op het parkgebied, het in artikel D.II.40 bedoelde voorschrift;
20° op de cultureel, historisch of esthetisch waarvolle gebieden en locaties, de in artikel D.II.21, § 2, 4°, bedoelde omtrek met een culturele, historische of esthetische waarde;
21° op het landschappelijk waardevolle gebied, de in artikel D.II.21, § 2, 3°, bedoelde landschappelijk waardevolle omtrek;
22° op het reserverings- en erfdienstbaarheidgebied [1 met betrekking tot het netwerk van grote infrastructuren voor communicatie en vloeistof- en energietransport]1, de reserveringsomtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 1, lid 2;
23° op de omtrek met waardevolle vergezichten, het in artikel D.II.21, § 2, 1°, bedoelde voorschrift;
24° op de omtrek met ecologische doorgangsgebieden, het in artikel D.II.21, § 2, 2°, bedoelde voorschrift;
25° op de landschappelijk waardevolle omtrek, het in artikel D.II.21, § 2, 3°, bedoelde voorschrift;
26° op de omtrek met culturele, historische en esthetische waarde, het voorschrift bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 4°;
27° op de omtrek van ontginningsuitbreidingsgebieden, het in artikel D.II.21, § 2, 5°, bedoelde voorschrift;
28° op de reserveringsomtrek [1 met betrekking tot het netwerk van grote infrastructuren voor communicatie en vloeistof- en energietransport]1, het in artikel D.II.21, § 1, lid 2, bedoelde voorschrift.
Op de andere gebieden, [1 reserveringsomtrekken, geplande trancés,]1 nadere aanwijzingen of overdrukken vermeld in de vigerende gewestplannen zijn de voorschriften betreffende de bestemming die overeenstemt met de op het plan aangegeven grondkleur van toepassing.
1° op het woongebied, het in artikel D.II.24 bedoelde voorschrift;
2° op het woongebied met een landelijk karakter, het in artikel D.II.25 bedoelde voorschrift;
3° op het uitbreidingsgebied van het woongebied en op het woonuitbreidingsgebied met een landelijk karakter en op het uitbreidingsgebied van het verblijfspark, het in artikel D.II.42 bedoelde voorschrift;
4° op het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening, op de militaire domeinen en op de andere gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en infrastructuren, het in artikel D.II.26, § 1, bedoelde voorschrift;
5° op de gebieden van centra voor technische ingraving en de aan diens bestemming onttrokken centra voor technische ingraving bedoeld in artikel 63 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, die definitief vastgesteld zijn bij de Regering aan het einde van de procedure voor de opmaking van het plan van de centra voor technische ingraving opgestart vóór 1 maart 1998, het in artikel D.II.26, § 2, bedoelde voorschrift;
6° op het recreatiegebied en het recreatie-uitbreidingsgebied, het in artikel D.II.27 bedoelde voorschrift;
7° op het gebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het uitbreidingsgebied voor ambachten of kleine en middelgrote ondernemingen, op het onderzoeksindustriegebied, op het dienstengebied en op het dienstenuitbreidingsgebied, de in de artikel D.II.28 en D.II.29 bedoelde voorschriften;
8° op het industriegebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.30 bedoelde voorschriften van toepassing;
9° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "A.E.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 1, leden 1 en 3;
10° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "G.D.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 1, leden 2 en 3;
10° op de specifieke bedrijfsruimte met als overdruk merk "R.M.", de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.31, § 2;
12° op het industrie-uitbreidingsgebied en het gebied met een industrieel karakter waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, de voorschriften bedoeld in de artikelen D.II.28 en D.II.32;
13° op het ontginningsgebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.33 bedoelde voorschriften;
14° op het ontginningsuitbreidingsgebied, de in de artikelen D.II.28 en D.II.33 bedoelde voorschriften;
15° op het landelijk gebied en op het landbouwgebied, het in artikel D.II.36 bedoelde voorschrift;
16° op het bosgebied, het in artikel D.II.37 bedoelde voorschrift;
17° op het groengebied en het buffergebied, het in artikel D.II.38 bedoelde voorschrift;
18° op het natuurgebied en op het natuurgebied met een wetenschappelijke waarde, het in artikel D.II.39 bedoelde voorschrift;
19° op het parkgebied, het in artikel D.II.40 bedoelde voorschrift;
20° op de cultureel, historisch of esthetisch waarvolle gebieden en locaties, de in artikel D.II.21, § 2, 4°, bedoelde omtrek met een culturele, historische of esthetische waarde;
21° op het landschappelijk waardevolle gebied, de in artikel D.II.21, § 2, 3°, bedoelde landschappelijk waardevolle omtrek;
22° op het reserverings- en erfdienstbaarheidgebied [1 met betrekking tot het netwerk van grote infrastructuren voor communicatie en vloeistof- en energietransport]1, de reserveringsomtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 1, lid 2;
23° op de omtrek met waardevolle vergezichten, het in artikel D.II.21, § 2, 1°, bedoelde voorschrift;
24° op de omtrek met ecologische doorgangsgebieden, het in artikel D.II.21, § 2, 2°, bedoelde voorschrift;
25° op de landschappelijk waardevolle omtrek, het in artikel D.II.21, § 2, 3°, bedoelde voorschrift;
26° op de omtrek met culturele, historische en esthetische waarde, het voorschrift bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 4°;
27° op de omtrek van ontginningsuitbreidingsgebieden, het in artikel D.II.21, § 2, 5°, bedoelde voorschrift;
28° op de reserveringsomtrek [1 met betrekking tot het netwerk van grote infrastructuren voor communicatie en vloeistof- en energietransport]1, het in artikel D.II.21, § 1, lid 2, bedoelde voorschrift.
Op de andere gebieden, [1 reserveringsomtrekken, geplande trancés,]1 nadere aanwijzingen of overdrukken vermeld in de vigerende gewestplannen zijn de voorschriften betreffende de bestemming die overeenstemt met de op het plan aangegeven grondkleur van toepassing.
Art. D. II.63.Dans les plans de secteur en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, sont d'application :
1° à la zone d'habitat, la prescription visée à l'article D.II.24;
2° à la zone d'habitat à caractère rural, la prescription visée à l'article D.II.25;
3° à la zone d'extension d'habitat et à la zone d'extension d'habitat à caractère rural et à la zone d'extension de parc résidentiel, la prescription visée à l'article D.II.42;
4° à la zone d'équipement communautaire et d'utilité publique, aux domaines militaires ainsi qu'aux autres zones d'équipement de services publics et d'infrastructures, la prescription visée à l'article D.II.26, § 1er;
5° aux zones de centres d'enfouissement technique et aux zones de centres d'enfouissement technique désaffectés visées à l'article 63 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, arrêtées définitivement par le Gouvernement à l'issue de la procédure d'établissement du plan des centres d'enfouissement technique initié avant le 1er mars 1998, la prescription de l'article D.II.26, § 2;
6° à la zone de loisirs et à la zone d'extension de loisirs, la prescription visée à l'article D.II.27;
7° à la zone artisanale ou de petites et moyennes entreprises, à la zone d'extension d'artisanat ou de petites et moyennes entreprises, à la zone d'industrie de recherche, à la zone de services et à la zone d'extension de services, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.29;
8° à la zone industrielle, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.30;
9° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "AE", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 1er, alinéas 1er et 3;
10° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "GD", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 1er, alinéa 2 et 3;
11° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "RM", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 2;
12° à la zone d'extension d'industrie et à la zone d'aménagement communal concerté à caractère industriel, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.32;
13° à la zone d'extraction, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.33;
14° à la zone d'extension d'extraction, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.33;
15° à la zone rurale et à la zone agricole, la prescription visée à l'article D.II.36;
16° à la zone forestière, la prescription visée à l'article D.II.37;
17° à la zone d'espaces verts et à la zone tampon, la prescription visée à l'article D.II.38;
18° à la zone naturelle et à la zone naturelle d'intérêt scientifique, la prescription visée à l'article D.II.39;
19° à la zone de parc, la prescription visée à l'article D.II.40;
20° aux zones et sites d'intérêt culturel, historique ou esthétique, le périmètre d'intérêt culturel, historique ou esthétique visé à l'article D.II.21, § 2, 4°;
21° à la zone d'intérêt paysager, le périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°;
22° à la zone de réservation et de servitude [1 relative au réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie]1, le périmètre de réservation visé à l'article D.II.21, § 1er, alinéa 2;
23° au périmètre de point de vue remarquable, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 1°;
24° au périmètre de liaison écologique, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 2°;
25° au périmètre d'intérêt paysager, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 3°;
26° au périmètre d'intérêt culturel, historique ou esthétique, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 4°;
27° au périmètre d'extension de zones d'extraction, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 5°;
28° au périmètre de réservation [1 relative au réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie]1, la prescription visée à l'article D.II.21, § 1er, alinéa 2.
Aux autres zones, [1 périmètres de réservation, tracés projetés,]1 indications supplémentaires ou surimpressions figurant dans les plans de secteur en vigueur, sont d'application les prescriptions relatives à la destination correspondant à la teinte de fond inscrite sur le plan.
1° à la zone d'habitat, la prescription visée à l'article D.II.24;
2° à la zone d'habitat à caractère rural, la prescription visée à l'article D.II.25;
3° à la zone d'extension d'habitat et à la zone d'extension d'habitat à caractère rural et à la zone d'extension de parc résidentiel, la prescription visée à l'article D.II.42;
4° à la zone d'équipement communautaire et d'utilité publique, aux domaines militaires ainsi qu'aux autres zones d'équipement de services publics et d'infrastructures, la prescription visée à l'article D.II.26, § 1er;
5° aux zones de centres d'enfouissement technique et aux zones de centres d'enfouissement technique désaffectés visées à l'article 63 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, arrêtées définitivement par le Gouvernement à l'issue de la procédure d'établissement du plan des centres d'enfouissement technique initié avant le 1er mars 1998, la prescription de l'article D.II.26, § 2;
6° à la zone de loisirs et à la zone d'extension de loisirs, la prescription visée à l'article D.II.27;
7° à la zone artisanale ou de petites et moyennes entreprises, à la zone d'extension d'artisanat ou de petites et moyennes entreprises, à la zone d'industrie de recherche, à la zone de services et à la zone d'extension de services, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.29;
8° à la zone industrielle, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.30;
9° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "AE", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 1er, alinéas 1er et 3;
10° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "GD", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 1er, alinéa 2 et 3;
11° à la zone d'activité économique spécifique marquée de la surimpression "RM", les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.31, § 2;
12° à la zone d'extension d'industrie et à la zone d'aménagement communal concerté à caractère industriel, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.32;
13° à la zone d'extraction, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.33;
14° à la zone d'extension d'extraction, les prescriptions visées aux articles D.II.28 et D.II.33;
15° à la zone rurale et à la zone agricole, la prescription visée à l'article D.II.36;
16° à la zone forestière, la prescription visée à l'article D.II.37;
17° à la zone d'espaces verts et à la zone tampon, la prescription visée à l'article D.II.38;
18° à la zone naturelle et à la zone naturelle d'intérêt scientifique, la prescription visée à l'article D.II.39;
19° à la zone de parc, la prescription visée à l'article D.II.40;
20° aux zones et sites d'intérêt culturel, historique ou esthétique, le périmètre d'intérêt culturel, historique ou esthétique visé à l'article D.II.21, § 2, 4°;
21° à la zone d'intérêt paysager, le périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°;
22° à la zone de réservation et de servitude [1 relative au réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie]1, le périmètre de réservation visé à l'article D.II.21, § 1er, alinéa 2;
23° au périmètre de point de vue remarquable, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 1°;
24° au périmètre de liaison écologique, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 2°;
25° au périmètre d'intérêt paysager, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 3°;
26° au périmètre d'intérêt culturel, historique ou esthétique, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 4°;
27° au périmètre d'extension de zones d'extraction, la prescription visée à l'article D.II.21, § 2, 5°;
28° au périmètre de réservation [1 relative au réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluides et d'énergie]1, la prescription visée à l'article D.II.21, § 1er, alinéa 2.
Aux autres zones, [1 périmètres de réservation, tracés projetés,]1 indications supplémentaires ou surimpressions figurant dans les plans de secteur en vigueur, sont d'application les prescriptions relatives à la destination correspondant à la teinte de fond inscrite sur le plan.
Wijzigingen
Art. D. II.64.[1 § 1. Artikel [2 D.II.25/1]2 is van toepassing op de recreatiegebieden bedoeld in artikel D.II.27 en op een lijst gezet door de Regering voor zover :
1° ze gedekt is door een vergunning voor groepen van bouwwerken of een bebouwingsvergunning, verstrekt vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek;
2° de wegen en de openbare of gemeenschappelijke ruimten van het gebied onder het publiek domein vallen;
3° het toeristisch verblijf alsook de ambachtelijke activiteiten, de activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdwoonbestemming
De gebieden aangewezen overeenkomstig het eerste lid worden onderworpen aan een omkeerbaarheidsclausule van de bestemming als binnen de vijf jaar van de inwerkingtreding van de lijst die hen aanwijst:
1° de gemeente de wegen van het gebied niet heeft overgenomen;
2° de gemeente het gebied niet met water en elektriciteit heeft uitgerust en voldaan heeft aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek.
[2 Op gemotiveerd verzoek van de gemeente, uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn, kan de Regering de omkeerbaarheidsclausule met vijf jaar verlengen indien zij ervan overtuigd is dat een dergelijke verlenging in het algemeen belang is.]2
§ 2. De Regering neemt een ontwerp-lijst van de recreatiegebieden aan dat aan de voorwaarden van paragraaf 1 voldoet. Deze ontwerp- lijst bepaalt kleine gebieden op plaatselijk niveau in de zin van artikel D.VIII.31, § 2.
Binnen zes maanden van de kennisgeving van de ontwerp-lijst aan de betrokken gemeenten, richten laatstgenoemden een dossier aan de Regering dat het volgende bevat :
1° de verbintenis van de gemeente om de wegen over te nemen en om ze te rangschikken in het netwerk van gemeentewegen overeenkomstig het decreet;
2° de verbintenis van de gemeente om het gebied met water en elektriciteit uit te rusten en om te voldoen aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° het technisch dossier betreffende de wegen en hun uitrusting bedoel in 2°.
Bij gebrek is de gemeente geacht af te zien van de opneming van het betrokken gebied als groen woongebied.
De Regering legt de lijst vast van de recreatiegebieden bedoeld in paragraaf 1.
Binnen de maand van de kennisgeving van de lijst aan de betrokken gemeenten, delen laatstgenoemden aan de betrokken eigenaars of bewoners het volgende mee :
1° de nieuwe bestemming van het gebied;
2° de verplichting om, in voorkomend geval, een aanvraag voor een regularisatievergunning in te dienen overeenkomstig de artikelen D.IV.32 en volgende.]1
1° ze gedekt is door een vergunning voor groepen van bouwwerken of een bebouwingsvergunning, verstrekt vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek;
2° de wegen en de openbare of gemeenschappelijke ruimten van het gebied onder het publiek domein vallen;
3° het toeristisch verblijf alsook de ambachtelijke activiteiten, de activiteiten van de sociaal-culturele voorzieningen, de inrichtingen van openbare diensten en gemeenschappelijke uitrustingen elkaar aanvullen en onderworpen zijn aan de hoofdwoonbestemming
De gebieden aangewezen overeenkomstig het eerste lid worden onderworpen aan een omkeerbaarheidsclausule van de bestemming als binnen de vijf jaar van de inwerkingtreding van de lijst die hen aanwijst:
1° de gemeente de wegen van het gebied niet heeft overgenomen;
2° de gemeente het gebied niet met water en elektriciteit heeft uitgerust en voldaan heeft aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek.
[2 Op gemotiveerd verzoek van de gemeente, uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn, kan de Regering de omkeerbaarheidsclausule met vijf jaar verlengen indien zij ervan overtuigd is dat een dergelijke verlenging in het algemeen belang is.]2
§ 2. De Regering neemt een ontwerp-lijst van de recreatiegebieden aan dat aan de voorwaarden van paragraaf 1 voldoet. Deze ontwerp- lijst bepaalt kleine gebieden op plaatselijk niveau in de zin van artikel D.VIII.31, § 2.
Binnen zes maanden van de kennisgeving van de ontwerp-lijst aan de betrokken gemeenten, richten laatstgenoemden een dossier aan de Regering dat het volgende bevat :
1° de verbintenis van de gemeente om de wegen over te nemen en om ze te rangschikken in het netwerk van gemeentewegen overeenkomstig het decreet;
2° de verbintenis van de gemeente om het gebied met water en elektriciteit uit te rusten en om te voldoen aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° het technisch dossier betreffende de wegen en hun uitrusting bedoel in 2°.
Bij gebrek is de gemeente geacht af te zien van de opneming van het betrokken gebied als groen woongebied.
De Regering legt de lijst vast van de recreatiegebieden bedoeld in paragraaf 1.
Binnen de maand van de kennisgeving van de lijst aan de betrokken gemeenten, delen laatstgenoemden aan de betrokken eigenaars of bewoners het volgende mee :
1° de nieuwe bestemming van het gebied;
2° de verplichting om, in voorkomend geval, een aanvraag voor een regularisatievergunning in te dienen overeenkomstig de artikelen D.IV.32 en volgende.]1
Art. D. II.64.[1 § 1er. L'article [2 D.II.25/1]2 est applicable aux zones de loisirs visées à l'article D.II.27 et listées par le Gouvernement pour autant que :
1° elles soient couvertes par un permis de constructions groupées ou un permis d'urbanisation délivré avant l'entrée en vigueur du Code;
2° les voiries et les espaces publics ou communautaires de la zone relèvent du domaine public;
3° la résidence touristique ainsi que les activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, les aménagements de services publics et d'équipements communautaires soient complémentaires et accessoires à la destination résidentielle principale.
Les zones désignées en application de l'alinéa 1er sont soumises à une clause de réversibilité de l'affectation si dans les cinq ans de l'entrée en vigueur de la liste les désignant :
1° la commune n'a pas repris les voiries de la zone;
2° la commune n'a pas équipé la zone en eau et électricité et répondu aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau.
[2 A la demande motivée de la commune au plus tard six mois avant l'échéance du délai, le Gouvernement peut prolonger de cinq ans la durée de la clause de réversibilité s'il constate que cette prolongation rencontre l'intérêt général.]2
§ 2. Le Gouvernement adopte un projet de liste de zones de loisirs répondant aux conditions du paragraphe 1er. Ce projet de liste détermine des petites zones au niveau local au sens de l'article D.VIII.31, § 2.
Dans les six mois de la notification du projet de liste aux communes concernées, celles-ci adressent au Gouvernement un dossier comprenant :
1° l'engagement de la commune à reprendre les voiries et à les classer dans le réseau des voiries communales conformément au décret;
2° l'engagement de la commune d'équiper la zone en eau et électricité et de répondre aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° le dossier technique relatif à la voirie et ses équipements visés au 2°.
A défaut, la commune est réputée renoncer à l'inscription de la zone concernée en zone d'habitat vert.
Le Gouvernement arrête la liste des zones de loisirs visées au paragraphe 1er.
Dans le mois de la notification de la liste aux communes concernées, celles-ci notifient aux propriétaires ou occupants concernés :
1° la nouvelle affectation de la zone;
2° l'obligation d'introduire, s'il échet, une demande de permis de régularisation conformément aux articles D.IV.32 et suivants.]1
1° elles soient couvertes par un permis de constructions groupées ou un permis d'urbanisation délivré avant l'entrée en vigueur du Code;
2° les voiries et les espaces publics ou communautaires de la zone relèvent du domaine public;
3° la résidence touristique ainsi que les activités d'artisanat, d'équipements socioculturels, les aménagements de services publics et d'équipements communautaires soient complémentaires et accessoires à la destination résidentielle principale.
Les zones désignées en application de l'alinéa 1er sont soumises à une clause de réversibilité de l'affectation si dans les cinq ans de l'entrée en vigueur de la liste les désignant :
1° la commune n'a pas repris les voiries de la zone;
2° la commune n'a pas équipé la zone en eau et électricité et répondu aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau.
[2 A la demande motivée de la commune au plus tard six mois avant l'échéance du délai, le Gouvernement peut prolonger de cinq ans la durée de la clause de réversibilité s'il constate que cette prolongation rencontre l'intérêt général.]2
§ 2. Le Gouvernement adopte un projet de liste de zones de loisirs répondant aux conditions du paragraphe 1er. Ce projet de liste détermine des petites zones au niveau local au sens de l'article D.VIII.31, § 2.
Dans les six mois de la notification du projet de liste aux communes concernées, celles-ci adressent au Gouvernement un dossier comprenant :
1° l'engagement de la commune à reprendre les voiries et à les classer dans le réseau des voiries communales conformément au décret;
2° l'engagement de la commune d'équiper la zone en eau et électricité et de répondre aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° le dossier technique relatif à la voirie et ses équipements visés au 2°.
A défaut, la commune est réputée renoncer à l'inscription de la zone concernée en zone d'habitat vert.
Le Gouvernement arrête la liste des zones de loisirs visées au paragraphe 1er.
Dans le mois de la notification de la liste aux communes concernées, celles-ci notifient aux propriétaires ou occupants concernés :
1° la nouvelle affectation de la zone;
2° l'obligation d'introduire, s'il échet, une demande de permis de régularisation conformément aux articles D.IV.32 et suivants.]1
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. D. II.65. § 1. De behandeling van de herziening van een gewestplan waarvan het ontwerp door de Regering is aangenomen voor de datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
Wanneer de herziening van een gewestplan betrekking heeft op de opneming van een ontginningsgebied bedoeld in artikel 32 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, kan de Regering de herziening definitief vaststellen door een gebied van aanhorigheden van ontginningen zoals bedoeld in artikel D.II.33 over het geheel of een deel van de herziene omtrek voor zover :
1° het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier betrekking had op de opneming van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
2° een aanvullend milieueffectenverslag uitgevoerd is;
3° de Regering de compensaties bedoeld in artikel D.II.45, § 3 vaststelt.
Bij ontstentenis is het gebied opgenomen op het gewestplan, het ontginningsgebied bedoeld in artikel D.II.41.
§ 2. Voor de andere procedures die op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend zijn, wordt de procedure bedoeld bij het Wetboek toegepast met dien verstande dat :
1° de zending van de aanvraag bedoeld in artikel 42bis van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, samen met het basisdossier, van de gegevens betreffende het verloop van de procedure inzake de informatie van het publiek en het advies van de gemeenteraad (-raden) als zending geldt in de zin van artikel D.II.48, § 3;
2° het besluit van de Regering tot vaststelling van het voorontwerp van plan als beslissing tot herziening, voorlopige aanneming van het gewestplan, voorlopige aanneming van de compensaties en basisdossier in de zin van de artikel D.II.44 en D.II.48, § 5, geldt;
3° het vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek voltooide milieueffectenonderzoek als verslag over de milieugevolgen geldt;
4° het op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende milieueffectenonderzoek verder behandeld wordt en bij de voltooiing ervan het verslag over de milieugevolgen vormt.
Wanneer de herziening van een gewestplan betrekking heeft op de opneming van een ontginningsgebied bedoeld in artikel 32 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, kan de Regering de herziening definitief vaststellen door een gebied van aanhorigheden van ontginningen zoals bedoeld in artikel D.II.33 over het geheel of een deel van de herziene omtrek voor zover :
1° het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier betrekking had op de opneming van een gebied van aanhorigheden van ontginningen;
2° een aanvullend milieueffectenverslag uitgevoerd is;
3° de Regering de compensaties bedoeld in artikel D.II.45, § 3 vaststelt.
Bij ontstentenis is het gebied opgenomen op het gewestplan, het ontginningsgebied bedoeld in artikel D.II.41.
§ 2. Voor de andere procedures die op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend zijn, wordt de procedure bedoeld bij het Wetboek toegepast met dien verstande dat :
1° de zending van de aanvraag bedoeld in artikel 42bis van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, samen met het basisdossier, van de gegevens betreffende het verloop van de procedure inzake de informatie van het publiek en het advies van de gemeenteraad (-raden) als zending geldt in de zin van artikel D.II.48, § 3;
2° het besluit van de Regering tot vaststelling van het voorontwerp van plan als beslissing tot herziening, voorlopige aanneming van het gewestplan, voorlopige aanneming van de compensaties en basisdossier in de zin van de artikel D.II.44 en D.II.48, § 5, geldt;
3° het vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek voltooide milieueffectenonderzoek als verslag over de milieugevolgen geldt;
4° het op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende milieueffectenonderzoek verder behandeld wordt en bij de voltooiing ervan het verslag over de milieugevolgen vormt.
Art. D. II.65. § 1er. L'instruction de la révision d'un plan de secteur dont le projet a été adopté par le Gouvernement avant la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit selon la procédure en vigueur avant cette date.
Lorsque la révision de plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'extraction visée à l'article 32 du CWATUP, le Gouvernement peut arrêter définitivement la révision en inscrivant une zone de dépendances d'extraction visée à l'article D.II.33 sur tout ou partie du périmètre révisé pour autant que :
1° le dossier soumis à enquête publique ait porté sur l'inscription d'une zone de dépendances d'extraction;
2° un complément de rapport sur les incidences environnementales ait été réalisé;
3° le Gouvernement fixe les compensations visées à l'article D.II.45, § 3.
A défaut, la zone inscrite au plan de secteur est la zone d'extraction visée à l'article D.II.41.
§ 2. Pour les autres procédures en cours à la date d'entrée en vigueur du Code, il est fait application de la procédure visée par le Code étant acquis que :
1° l'envoi de la demande visée à l'article 42bis du CWATUP, accompagnée du dossier de base, des éléments relatifs au déroulement de la procédure d'information du public et de l'avis du ou des conseils communaux vaut envoi de la demande au sens de l'article D.II.48, § 3;
2° l'arrêté du Gouvernement arrêtant l'avant-projet de plan vaut décision de révision, adoption provisoire du plan de secteur, adoption provisoire des compensations et dossier de base au sens des articles D.II.44 et D.II.48, § 5;
3° l'étude d'incidences sur l'environnement terminée à la date d'entrée en vigueur du Code vaut rapport sur les incidences environnementales;
4° l'étude d'incidences sur l'environnement en cours à la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit et, à son terme, constitue le rapport sur les incidences environnementales.
Lorsque la révision de plan de secteur porte sur l'inscription d'une zone d'extraction visée à l'article 32 du CWATUP, le Gouvernement peut arrêter définitivement la révision en inscrivant une zone de dépendances d'extraction visée à l'article D.II.33 sur tout ou partie du périmètre révisé pour autant que :
1° le dossier soumis à enquête publique ait porté sur l'inscription d'une zone de dépendances d'extraction;
2° un complément de rapport sur les incidences environnementales ait été réalisé;
3° le Gouvernement fixe les compensations visées à l'article D.II.45, § 3.
A défaut, la zone inscrite au plan de secteur est la zone d'extraction visée à l'article D.II.41.
§ 2. Pour les autres procédures en cours à la date d'entrée en vigueur du Code, il est fait application de la procédure visée par le Code étant acquis que :
1° l'envoi de la demande visée à l'article 42bis du CWATUP, accompagnée du dossier de base, des éléments relatifs au déroulement de la procédure d'information du public et de l'avis du ou des conseils communaux vaut envoi de la demande au sens de l'article D.II.48, § 3;
2° l'arrêté du Gouvernement arrêtant l'avant-projet de plan vaut décision de révision, adoption provisoire du plan de secteur, adoption provisoire des compensations et dossier de base au sens des articles D.II.44 et D.II.48, § 5;
3° l'étude d'incidences sur l'environnement terminée à la date d'entrée en vigueur du Code vaut rapport sur les incidences environnementales;
4° l'étude d'incidences sur l'environnement en cours à la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit et, à son terme, constitue le rapport sur les incidences environnementales.
Afdeling 2. - Gemeentelijk plan van aanleg
Section 2. - Plan communal d'aménagement
Onderafdeling 1. - Juridische draagwijdte
Sous-section 1re. - Portée juridique
Art. D. II.66.§ 1. Het gemeentelijk plan van aanleg, het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg en het gemeentelijk plan van aanleg tot herziening van het op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gewestplan worden een lokaal beleidsontwikkelingsplan en vallen onder de desbetreffende bepalingen.
§ 2. Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het plan bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, dat niet geheel of gedeeltelijk herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing.
Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het deel van het plan bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing voor zover dat deel niet herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van het plan, dat een lokaal beleidsontwikkelingsplan is geworden, voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging dient minstens twee maanden voor verstrijken van de termijn bedoeld in lid 1 of in lid 2 genomen te worden.
De opheffing volgt van rechtswege.
Binnen de drie maanden na de installatie van de gemeenteraden volgend op de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de lokale beleidsontwikkelingsplannen die de vervaltermijn van achttien jaar of vierentwintig jaar overschrijden tijdens de zes jaren volgend op de installatie van de gemeenteraad.
§ 3. De bepalingen van de afwijkende gemeentelijke plannen van aanleg betreffende de bestemmingen en die afwijken van het gewestplan herzien het gewestplan in de zin van artikel D.II.56. De Regering kan de modaliteiten voor de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen naar bestemmingen van het gewestplan vastleggen.
Voor de herzieningen van gemeentelijke plannen van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het "CWATUP" tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.56.
Het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan betreffende de oude gemeentelijke afwijkende of herzieningsplannen van aanleg mag niet opgeheven worden wat betreft de bestemmingen die in een herziening van het gewestplan zijn overgegaan.
§ 4. [1 ...]1.
§ 2. Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het plan bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, dat niet geheel of gedeeltelijk herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing.
Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het deel van het plan bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing voor zover dat deel niet herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van het plan, dat een lokaal beleidsontwikkelingsplan is geworden, voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging dient minstens twee maanden voor verstrijken van de termijn bedoeld in lid 1 of in lid 2 genomen te worden.
De opheffing volgt van rechtswege.
Binnen de drie maanden na de installatie van de gemeenteraden volgend op de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de lokale beleidsontwikkelingsplannen die de vervaltermijn van achttien jaar of vierentwintig jaar overschrijden tijdens de zes jaren volgend op de installatie van de gemeenteraad.
§ 3. De bepalingen van de afwijkende gemeentelijke plannen van aanleg betreffende de bestemmingen en die afwijken van het gewestplan herzien het gewestplan in de zin van artikel D.II.56. De Regering kan de modaliteiten voor de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen naar bestemmingen van het gewestplan vastleggen.
Voor de herzieningen van gemeentelijke plannen van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het "CWATUP" tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.56.
Het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan betreffende de oude gemeentelijke afwijkende of herzieningsplannen van aanleg mag niet opgeheven worden wat betreft de bestemmingen die in een herziening van het gewestplan zijn overgegaan.
§ 4. [1 ...]1.
Art. D. II.66.§ 1er. Le plan communal d'aménagement, le plan communal d'aménagement dérogatoire et le plan communal d'aménagement révisionnel du plan de secteur en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
§ 2. A moins qu'il ne soit abrogé explicitement, le plan visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, qui n'a pas été révisé en tout ou en partie après l'entrée en vigueur du plan de secteur, est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A moins qu'elle ne soit abrogée explicitement, la partie du plan visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code pour autant qu'elle n'ait pas été révisée après l'entrée en vigueur du plan de secteur.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du plan devenu schéma d'orientation local pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux à la suite des élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des schémas d'orientation locaux qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
§ 3. Les dispositions des plans communaux d'aménagement dérogatoires relatives aux affectations et qui dérogent au plan de secteur opèrent révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56. Le Gouvernement peut définir les modalités de conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur.
Pour les plans communaux d'aménagement révisionnels, la carte d'affectation du territoire visée à l'article 49, 2°, du CWATUP opère révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56.
Le schéma d'orientation local relatif aux anciens plans communaux d'aménagement dérogatoires ou révisionnels ne peut être abrogé en ce qui concerne les destinations qui ont opéré révision du plan de secteur.
§ 4. [1 ...]1.
§ 2. A moins qu'il ne soit abrogé explicitement, le plan visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, qui n'a pas été révisé en tout ou en partie après l'entrée en vigueur du plan de secteur, est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A moins qu'elle ne soit abrogée explicitement, la partie du plan visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code pour autant qu'elle n'ait pas été révisée après l'entrée en vigueur du plan de secteur.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du plan devenu schéma d'orientation local pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux à la suite des élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des schémas d'orientation locaux qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
§ 3. Les dispositions des plans communaux d'aménagement dérogatoires relatives aux affectations et qui dérogent au plan de secteur opèrent révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56. Le Gouvernement peut définir les modalités de conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur.
Pour les plans communaux d'aménagement révisionnels, la carte d'affectation du territoire visée à l'article 49, 2°, du CWATUP opère révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56.
Le schéma d'orientation local relatif aux anciens plans communaux d'aménagement dérogatoires ou révisionnels ne peut être abrogé en ce qui concerne les destinations qui ont opéré révision du plan de secteur.
§ 4. [1 ...]1.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. D. II.67. De opmaking of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg waarvan het voorontwerp aangenomen is of waarvan het ontwerp voorlopig aangenomen is door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
Voor de gemeentelijk herzieningsplannen van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.56.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
In geval van goedkeuring door de Regering wordt het een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen.
Voor de gemeentelijk herzieningsplannen van aanleg gaat de kaart met de bestemmingen van het grondgebied bedoeld in artikel 49, 2°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium tot de herziening van het gewestplan over in de zin van artikel D.II.56.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure.
Art. D. II.67. L'établissement ou la révision d'un plan communal d'aménagement dont l'avant-projet a été adopté ou le projet a été adopté provisoirement par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date.
En cas d'approbation par le Gouvernement, il devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
Pour les plans communaux d'aménagement révisionnels, la carte d'affectation du territoire visée à l'article 49, 2°, du CWATUP opère révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
En cas d'approbation par le Gouvernement, il devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
Pour les plans communaux d'aménagement révisionnels, la carte d'affectation du territoire visée à l'article 49, 2°, du CWATUP opère révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.56.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
HOOFDSTUK IV. - Andere plannen en schema's
CHAPITRE IV. - Autres plans et schémas
Art. D. II.68.§ 1. Het leidend plan goedgekeurd door de Regering of het leidend schema aangenomen door de gemeenteraad, voor zover de goedkeuring door de Regering of de gemeente vóór 1 maart 1998 heeft plaatsgevonden, wordt een lokaal beleidsontwikkelingsplan en valt onder de desbetreffende bepalingen.
§ 2. Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het plan of het schema bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, dat niet geheel of gedeeltelijk herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing.
Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het deel van het plan of van het schema bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing voor zover dat deel niet herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van het plan of schema voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging dient minstens twee maanden voor verstrijken van de termijn bedoeld in lid 1 of in lid 2 genomen te worden.
De opheffing wordt van rechtswege verricht.
Binnen de drie maanden na de installatie van de gemeenteraden volgend op de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de lokale beleidsontwikkelingsplannen die de vervaltermijn van achttien jaar of vierentwintig jaar overschrijden tijdens de zes jaren volgend op de installatie van de gemeenteraad.
§ 2. Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het plan of het schema bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, dat niet geheel of gedeeltelijk herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing.
Tenzij het uitdrukkelijk wordt opgeheven, is het deel van het plan of van het schema bedoeld in paragraaf 1 en goedgekeurd door de Regering voor de inwerkingtreding van het gewestplan, gedurende achttien maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek van toepassing voor zover dat deel niet herzien is na de inwerkingtreding van het gewestplan.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van het plan of schema voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging dient minstens twee maanden voor verstrijken van de termijn bedoeld in lid 1 of in lid 2 genomen te worden.
De opheffing wordt van rechtswege verricht.
Binnen de drie maanden na de installatie van de gemeenteraden volgend op de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de lokale beleidsontwikkelingsplannen die de vervaltermijn van achttien jaar of vierentwintig jaar overschrijden tijdens de zes jaren volgend op de installatie van de gemeenteraad.
Art. D. II.68.§ 1er. Le plan directeur approuvé par le Gouvernement ou le schéma directeur adopté par le conseil communal, pour autant que l'approbation par le Gouvernement ou la commune soit intervenue avant le 1er mars 1998, devient un schéma d'orientation local et est soumis aux dispositions y relatives.
§ 2. A moins qu'il ne soit abrogé explicitement, le plan ou le schéma visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, qui n'a pas été révisé en tout ou en partie après l'entrée en vigueur du plan de secteur, est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A moins qu'elle ne soit abrogée explicitement, la partie du plan ou du schéma visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code pour autant qu'elle n'ait pas été révisée après l'entrée en vigueur du plan de secteur.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du plan ou schéma pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux à la suite des élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des schémas d'orientation locaux qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
§ 2. A moins qu'il ne soit abrogé explicitement, le plan ou le schéma visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, qui n'a pas été révisé en tout ou en partie après l'entrée en vigueur du plan de secteur, est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A moins qu'elle ne soit abrogée explicitement, la partie du plan ou du schéma visé au paragraphe 1er et approuvé par le Gouvernement avant l'entrée en vigueur du plan de secteur est applicable pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code pour autant qu'elle n'ait pas été révisée après l'entrée en vigueur du plan de secteur.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du plan ou schéma pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux à la suite des élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des schémas d'orientation locaux qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - OMTREKKEN, STADSHEROPLEVING EN STADSVERNIEUWING]1
CHAPITRE V.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Périmètres, revitalisation urbaine et rénovation urbaine]1
Art. D. II.69.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Elke definitief erkende te herontwikkelen locatie wordt beschouwd als een omtrek voor een saneringslocatie, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.4, § 5.]1
Art. D. II.69.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Tout site à réaménager reconnu définitivement a la qualité de périmètre de site à réaménager arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.II.57.4, § 5.]1
Art. D. II.70.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Elke definitief erkende omtrek voor een stedelijke verkaveling wordt beschouwd als een omtrek voor een stedelijke verkaveling, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.4, § 5.]1
Art. D. II.70.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Tout périmètre de remembrement urbain reconnu définitivement a la qualité de périmètre de remembrement urbain arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.II.57.4, § 5.]1
Art. D. II.71.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Onderzoeken omtrent een te herontwikkelen locatie die vóór 31 maart 2022 zijn aangevat, worden voortgezet op basis van de op die datum geldende bepalingen. Wanneer ze definitief zijn vastgesteld, hebben zij de hoedanigheid van omtrek voor een saneringslocatie, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.4, § 5.
Onderzoeken omtrent een stedelijke verkaveling die vóór 31 maart 2022 zijn aangevat, worden voortgezet op basis van de op die datum geldende bepalingen. Wanneer ze definitief zijn vastgesteld, hebben ze de hoedanigheid van omtrek voor een stedelijke verkaveling, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.4, § 5.
Wat de op 31 maart 2022 krachtens de geldende wetgeving toegekende en in bewerking zijnde subsidies betreft in gebieden die gelegen zijn in omtrekken voor een te herontwikkelen locatie, omtrekken voor locaties met herstel van landschap en leefmilieu, omtrekken voor een stedelijke verkaveling, omtrekken voor een stadsheropleving of omtrekken voor een stadsvernieuwing, blijven de bepalingen van toepassing die golden op het tijdstip waarop de subsidies werden toegekend.]1
Onderzoeken omtrent een stedelijke verkaveling die vóór 31 maart 2022 zijn aangevat, worden voortgezet op basis van de op die datum geldende bepalingen. Wanneer ze definitief zijn vastgesteld, hebben ze de hoedanigheid van omtrek voor een stedelijke verkaveling, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.II.57.4, § 5.
Wat de op 31 maart 2022 krachtens de geldende wetgeving toegekende en in bewerking zijnde subsidies betreft in gebieden die gelegen zijn in omtrekken voor een te herontwikkelen locatie, omtrekken voor locaties met herstel van landschap en leefmilieu, omtrekken voor een stedelijke verkaveling, omtrekken voor een stadsheropleving of omtrekken voor een stadsvernieuwing, blijven de bepalingen van toepassing die golden op het tijdstip waarop de subsidies werden toegekend.]1
Art. D. II.71.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Les enquêtes commencées avant le 31 mars 2022 concernant un site à réaménager poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à cette date. A leur adoption définitive, ceux-ci ont la qualité de périmètre de site à réaménager arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.II.57.4, § 5.
Les enquêtes commencées avant le 31 mars 2022 concernant un remembrement urbain poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à cette date. A leur adoption définitive, ceux-ci ont la qualité de périmètre de remembrement urbain arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.II.57.4, § 5.
Les subventions octroyées sur la base de la législation en vigueur et en cours d'exécution au 31 mars 2022 en ce qui concerne les périmètres de site à réaménager, de site de réhabilitation paysagère et environnementale, de remembrement urbain, de revitalisation urbaine ou de rénovation urbaine restent soumises aux dispositions d'application lors de leur octroi.]1
Les enquêtes commencées avant le 31 mars 2022 concernant un remembrement urbain poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à cette date. A leur adoption définitive, ceux-ci ont la qualité de périmètre de remembrement urbain arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.II.57.4, § 5.
Les subventions octroyées sur la base de la législation en vigueur et en cours d'exécution au 31 mars 2022 en ce qui concerne les périmètres de site à réaménager, de site de réhabilitation paysagère et environnementale, de remembrement urbain, de revitalisation urbaine ou de rénovation urbaine restent soumises aux dispositions d'application lors de leur octroi.]1
BOEK III. - Leidraden voor stedenbouw
LIVRE III. - Guides d'urbanisme
TITEL I. - Gewestelijke leidraad voor stedenbouw
TITRE Ier. - Guide régional d'urbanisme
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Art. D. III.1. De Regering kan een gewestelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw zet voor Wallonië of voor een deel van het grondgebied ervan waarvan genoemde leidraad de grenzen afbakent, de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzigen en normen met inachtneming, in voorkomend geval, van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) waarop genoemde leidraad betrekking heeft.
De gewestelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw zet voor Wallonië of voor een deel van het grondgebied ervan waarvan genoemde leidraad de grenzen afbakent, de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzigen en normen met inachtneming, in voorkomend geval, van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) waarop genoemde leidraad betrekking heeft.
De gewestelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
Art. D. III.1. Le Gouvernement peut adopter un guide régional d'urbanisme.
Le guide régional d'urbanisme décline, pour la Wallonie ou pour une partie de son territoire dont il fixe les limites, les objectifs de développement du territoire du schéma de développement du territoire en objectifs d'urbanisme, par des indications et des normes, en tenant compte, le cas échéant, des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide régional peut comporter plusieurs parties dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
Le guide régional d'urbanisme décline, pour la Wallonie ou pour une partie de son territoire dont il fixe les limites, les objectifs de développement du territoire du schéma de développement du territoire en objectifs d'urbanisme, par des indications et des normes, en tenant compte, le cas échéant, des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide régional peut comporter plusieurs parties dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
Art. D. III.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Regering kan een gewestelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw zet voor [1 het Duitse taalgebied]1 of voor een deel van het grondgebied ervan waarvan genoemde leidraad de grenzen afbakent, de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzigen en normen met inachtneming, in voorkomend geval, van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) waarop genoemde leidraad betrekking heeft.
De gewestelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
[2 De gewestelijke leidraad kan specifiek gewijd zijn aan bepaalde stedenbouwkundige thema's.]2
De Regering kan een gewestelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw zet voor [1 het Duitse taalgebied]1 of voor een deel van het grondgebied ervan waarvan genoemde leidraad de grenzen afbakent, de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzigen en normen met inachtneming, in voorkomend geval, van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) waarop genoemde leidraad betrekking heeft.
De gewestelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
[2 De gewestelijke leidraad kan specifiek gewijd zijn aan bepaalde stedenbouwkundige thema's.]2
Art. D. III.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le Gouvernement peut adopter un guide régional d'urbanisme.
Le guide régional d'urbanisme décline, pour la [1 région de langue allemande]1 ou pour une partie de son territoire dont il fixe les limites, les objectifs de développement du territoire du schéma de développement du territoire en objectifs d'urbanisme, par des indications et des normes, en tenant compte, le cas échéant, des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide régional peut comporter plusieurs parties dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
[2 Le guide régional peut être consacré spécifiquement à certains thèmes urbanistiques.]2
Le Gouvernement peut adopter un guide régional d'urbanisme.
Le guide régional d'urbanisme décline, pour la [1 région de langue allemande]1 ou pour une partie de son territoire dont il fixe les limites, les objectifs de développement du territoire du schéma de développement du territoire en objectifs d'urbanisme, par des indications et des normes, en tenant compte, le cas échéant, des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide régional peut comporter plusieurs parties dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
[2 Le guide régional peut être consacré spécifiquement à certains thèmes urbanistiques.]2
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
Art. D. III.2.§ 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan aanwijzingen bevatten inzake :
1° het behoud, de volumetrie en de kleuren, de algemene principes van de ligging van de bouwwerken en installaties op of onder de bodem;
2° het behoud, de afmetingen en het uitzicht van de wegen en van de openbare ruimtes;
3° de aanplantingen;
4° de wijzigingen van het bodemreliëf;
5° de inrichting van de omgeving van bouwwerken;
6° de afsluitingen;
7° de opslagplaatsen;
8° de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;
9° de niet-ingegraven leidingen, kabels en kanalisaties;
10° het straatmeubilair
11° de uithangborden, de reclameborden en de aanplakborden;
12° de antennes;
13° de maatregen inzake de strijd tegen het ondoorlatend maken van de grond.
§ 2. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan normen bevatten over :
1° [1 de voorwaarden om de bouwwerken en installaties op te vangen in de zones blootgesteld aan risico's op zware ongevallen, natuurgevaar of een aanzienlijke geotechnische druk, zoals de overstroming begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar]1;
2° wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;
3° de akoestische kwaliteit van bouwwerken, waaronder die gelegen in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens;
4° de beschermde zones van sommige gemeenten inzake stedenbouw, waarvan de Regering de grenzen bepaalt.
De in punt 4° bedoelde normen hebben betrekking op de punten 1°, 2°, 4°, 8° en 11° van paragraaf 1.
1° het behoud, de volumetrie en de kleuren, de algemene principes van de ligging van de bouwwerken en installaties op of onder de bodem;
2° het behoud, de afmetingen en het uitzicht van de wegen en van de openbare ruimtes;
3° de aanplantingen;
4° de wijzigingen van het bodemreliëf;
5° de inrichting van de omgeving van bouwwerken;
6° de afsluitingen;
7° de opslagplaatsen;
8° de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;
9° de niet-ingegraven leidingen, kabels en kanalisaties;
10° het straatmeubilair
11° de uithangborden, de reclameborden en de aanplakborden;
12° de antennes;
13° de maatregen inzake de strijd tegen het ondoorlatend maken van de grond.
§ 2. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan normen bevatten over :
1° [1 de voorwaarden om de bouwwerken en installaties op te vangen in de zones blootgesteld aan risico's op zware ongevallen, natuurgevaar of een aanzienlijke geotechnische druk, zoals de overstroming begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar]1;
2° wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;
3° de akoestische kwaliteit van bouwwerken, waaronder die gelegen in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens;
4° de beschermde zones van sommige gemeenten inzake stedenbouw, waarvan de Regering de grenzen bepaalt.
De in punt 4° bedoelde normen hebben betrekking op de punten 1°, 2°, 4°, 8° en 11° van paragraaf 1.
Art. D. III.2.§ 1er. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des indications sur :
1° la conservation, la volumétrie et les couleurs, les principes généraux d'implantation des constructions et installations au-dessus et en-dessous du sol;
2° la conservation, le gabarit et l'aspect des voiries et des espaces publics;
3° les plantations;
4° les modifications du relief du sol;
5° l'aménagement des abords des constructions;
6° les clôtures;
7° les dépôts;
8° l'aménagement de locaux et des espaces destinés au stationnement des véhicules;
9° les conduites, câbles et canalisations non enterrés;
10° le mobilier urbain;
11° les enseignes, les dispositifs de publicité et d'affichage;
12° les antennes;
13° les mesures de lutte contre l'imperméabilisation du sol.
§ 2. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des normes sur :
1° [1 les conditions pour accueillir les constructions et les installations dans les zones exposées à un risque d'accident majeur ou naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique]1;
2° l'accessibilité et l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif, par les personnes à mobilité réduite;
3° la qualité acoustique des constructions, dont celles situées dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports régionaux;
4° les zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme dont le Gouvernement fixe les limites.
Les normes visées au point 4° portent sur les points 1°, 2°, 4°, 8° et 11° du paragraphe 1er.
1° la conservation, la volumétrie et les couleurs, les principes généraux d'implantation des constructions et installations au-dessus et en-dessous du sol;
2° la conservation, le gabarit et l'aspect des voiries et des espaces publics;
3° les plantations;
4° les modifications du relief du sol;
5° l'aménagement des abords des constructions;
6° les clôtures;
7° les dépôts;
8° l'aménagement de locaux et des espaces destinés au stationnement des véhicules;
9° les conduites, câbles et canalisations non enterrés;
10° le mobilier urbain;
11° les enseignes, les dispositifs de publicité et d'affichage;
12° les antennes;
13° les mesures de lutte contre l'imperméabilisation du sol.
§ 2. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des normes sur :
1° [1 les conditions pour accueillir les constructions et les installations dans les zones exposées à un risque d'accident majeur ou naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique]1;
2° l'accessibilité et l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif, par les personnes à mobilité réduite;
3° la qualité acoustique des constructions, dont celles situées dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports régionaux;
4° les zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme dont le Gouvernement fixe les limites.
Les normes visées au point 4° portent sur les points 1°, 2°, 4°, 8° et 11° du paragraphe 1er.
Wijzigingen
Art. D _III.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan aanwijzingen bevatten inzake :
1° het behoud, de volumetrie en de kleuren, de algemene principes van de ligging van de bouwwerken en installaties op of onder de bodem;
2° het behoud, de afmetingen en het uitzicht van de wegen en van de openbare ruimtes;
3° de aanplantingen;
4° de wijzigingen van het bodemreliëf;
5° de inrichting van de omgeving van bouwwerken;
6° de afsluitingen;
7° de opslagplaatsen;
8° de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;
9° de niet-ingegraven leidingen, kabels en kanalisaties;
10° het straatmeubilair
11° de uithangborden, de reclameborden en de aanplakborden;
12° de antennes;
13° de maatregen inzake de strijd tegen het ondoorlatend maken van de grond [1 ;]1
[1 14° de maatregelen ter bestrijding van extreme weersverschijnselen.]1
§ 2. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan normen bevatten over :
1° de voorwaarden om de bouwwerken en installaties in de zones blootgesteld aan risico's op zware ongevallen, natuurgevaar of een aanzienlijke geotechnische druk in de zin van artikel D.IV.57 op te vangen;
2° wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;
3° de akoestische kwaliteit van bouwwerken, waaronder die gelegen in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens;
4° de beschermde zones van sommige gemeenten inzake stedenbouw, waarvan de Regering de grenzen bepaalt.
De in punt 4° bedoelde normen hebben betrekking op de punten 1°, 2°, 4°, 8° en 11° van paragraaf 1.
§ 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan aanwijzingen bevatten inzake :
1° het behoud, de volumetrie en de kleuren, de algemene principes van de ligging van de bouwwerken en installaties op of onder de bodem;
2° het behoud, de afmetingen en het uitzicht van de wegen en van de openbare ruimtes;
3° de aanplantingen;
4° de wijzigingen van het bodemreliëf;
5° de inrichting van de omgeving van bouwwerken;
6° de afsluitingen;
7° de opslagplaatsen;
8° de inrichting van lokalen en van de ruimten bestemd voor het parkeren van voertuigen;
9° de niet-ingegraven leidingen, kabels en kanalisaties;
10° het straatmeubilair
11° de uithangborden, de reclameborden en de aanplakborden;
12° de antennes;
13° de maatregen inzake de strijd tegen het ondoorlatend maken van de grond [1 ;]1
[1 14° de maatregelen ter bestrijding van extreme weersverschijnselen.]1
§ 2. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan normen bevatten over :
1° de voorwaarden om de bouwwerken en installaties in de zones blootgesteld aan risico's op zware ongevallen, natuurgevaar of een aanzienlijke geotechnische druk in de zin van artikel D.IV.57 op te vangen;
2° wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarheid en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;
3° de akoestische kwaliteit van bouwwerken, waaronder die gelegen in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de gewestelijke luchthavens;
4° de beschermde zones van sommige gemeenten inzake stedenbouw, waarvan de Regering de grenzen bepaalt.
De in punt 4° bedoelde normen hebben betrekking op de punten 1°, 2°, 4°, 8° en 11° van paragraaf 1.
Art. D _III.2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des indications sur :
1° la conservation, la volumétrie et les couleurs, les principes généraux d'implantation des constructions et installations au-dessus et en-dessous du sol;
2° la conservation, le gabarit et l'aspect des voiries et des espaces publics;
3° les plantations;
4° les modifications du relief du sol;
5° l'aménagement des abords des constructions;
6° les clôtures;
7° les dépôts;
8° l'aménagement de locaux et des espaces destinés au stationnement des véhicules;
9° les conduites, câbles et canalisations non enterrés;
10° le mobilier urbain;
11° les enseignes, les dispositifs de publicité et d'affichage;
12° les antennes;
13° les mesures de lutte contre l'imperméabilisation du sol [1 ;]1
[1 14° les mesures de lutte contre les phénomènes météorologiques extrêmes.]1
§ 2. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des normes sur :
1° les conditions pour accueillir les constructions et installations dans les zones exposées à un risque d'accident majeur, naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs au sens de l'article D.IV.57;
2° l'accessibilité et l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif, par les personnes à mobilité réduite;
3° la qualité acoustique des constructions, dont celles situées dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports régionaux;
4° les zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme dont le Gouvernement fixe les limites.
Les normes visées au point 4° portent sur les points 1°, 2°, 4°, 8° et 11° du paragraphe 1er.
§ 1er. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des indications sur :
1° la conservation, la volumétrie et les couleurs, les principes généraux d'implantation des constructions et installations au-dessus et en-dessous du sol;
2° la conservation, le gabarit et l'aspect des voiries et des espaces publics;
3° les plantations;
4° les modifications du relief du sol;
5° l'aménagement des abords des constructions;
6° les clôtures;
7° les dépôts;
8° l'aménagement de locaux et des espaces destinés au stationnement des véhicules;
9° les conduites, câbles et canalisations non enterrés;
10° le mobilier urbain;
11° les enseignes, les dispositifs de publicité et d'affichage;
12° les antennes;
13° les mesures de lutte contre l'imperméabilisation du sol [1 ;]1
[1 14° les mesures de lutte contre les phénomènes météorologiques extrêmes.]1
§ 2. Le guide régional d'urbanisme peut comprendre des normes sur :
1° les conditions pour accueillir les constructions et installations dans les zones exposées à un risque d'accident majeur, naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs au sens de l'article D.IV.57;
2° l'accessibilité et l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif, par les personnes à mobilité réduite;
3° la qualité acoustique des constructions, dont celles situées dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports régionaux;
4° les zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme dont le Gouvernement fixe les limites.
Les normes visées au point 4° portent sur les points 1°, 2°, 4°, 8° et 11° du paragraphe 1er.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Art. D. III.3.[1 § 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
§ 2. Behalve in geval van vrijstelling overeenkomstig de artikelen D.VIII.31 en D.VIII.32 wordt voor het voorontwerp van leidraad een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. De Regering keurt de ontwerp-leidraad goed en geeft de gemeentecolleges op het grondgebied waarvan het ontwerp betrekking heeft, de opdracht om het ontwerp voor te leggen aan een openbaar onderzoek, eventueel samen met een milieueffectenrapport. Binnen vijftien dagen na afloop van het openbaar onderzoek sturen deze gemeentelijke colleges de klachten, opmerkingen en notulen door naar de Regering.
§ 4. De Regering legt de ontwerp-leidraad, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen alsmede aan de Beleidsgroep "Leefmilieu" indien het ontwerp vergezeld gaat van een milieueffectenrapport.
Wanneer de ontwerp-leidraad betrekking heeft op een gedeelte van het gewestelijke grondgebied waarvan genoemd ontwerp de grenzen bepaalt, legt de Regering bedoelde ontwerp-leidraad, in voorkomend geval vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de gemeenteraden en aan de gemeentelijke commissies van de gemeenten waarvan het grondgebied in bedoeld ontwerp ter sprake komt.
Wanneer de ontwerp-leidraad aanwijzingen of normen bevat die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op natuurlijke risico's of belangrijke geotechnische beperkingen in de zin van artikel D.IV.57, zoals overstromingen, legt de Regering het ontwerp, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de betrokken waterloopbeheerders en het Departement Landelijke Aangelegenheden en Waterlopen van de Administratie Leefmilieu.
§ 5. De gemeenteraden, de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" alsook de in paragraaf 4 bedoelde personen en instanties maken hun advies aan de Regering over binnen vijfenveertig dagen na de zending van de adviesaanvraag Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 6. De Regering neemt de leidraad definitief aan.]1
§ 2. Behalve in geval van vrijstelling overeenkomstig de artikelen D.VIII.31 en D.VIII.32 wordt voor het voorontwerp van leidraad een milieueffectenrapport opgemaakt.
§ 3. De Regering keurt de ontwerp-leidraad goed en geeft de gemeentecolleges op het grondgebied waarvan het ontwerp betrekking heeft, de opdracht om het ontwerp voor te leggen aan een openbaar onderzoek, eventueel samen met een milieueffectenrapport. Binnen vijftien dagen na afloop van het openbaar onderzoek sturen deze gemeentelijke colleges de klachten, opmerkingen en notulen door naar de Regering.
§ 4. De Regering legt de ontwerp-leidraad, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" en aan de personen en instanties die zij nuttig acht te raadplegen alsmede aan de Beleidsgroep "Leefmilieu" indien het ontwerp vergezeld gaat van een milieueffectenrapport.
Wanneer de ontwerp-leidraad betrekking heeft op een gedeelte van het gewestelijke grondgebied waarvan genoemd ontwerp de grenzen bepaalt, legt de Regering bedoelde ontwerp-leidraad, in voorkomend geval vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de gemeenteraden en aan de gemeentelijke commissies van de gemeenten waarvan het grondgebied in bedoeld ontwerp ter sprake komt.
Wanneer de ontwerp-leidraad aanwijzingen of normen bevat die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op natuurlijke risico's of belangrijke geotechnische beperkingen in de zin van artikel D.IV.57, zoals overstromingen, legt de Regering het ontwerp, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, ter advies voor aan de betrokken waterloopbeheerders en het Departement Landelijke Aangelegenheden en Waterlopen van de Administratie Leefmilieu.
§ 5. De gemeenteraden, de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" alsook de in paragraaf 4 bedoelde personen en instanties maken hun advies aan de Regering over binnen vijfenveertig dagen na de zending van de adviesaanvraag Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 6. De Regering neemt de leidraad definitief aan.]1
Art. D. III.3.[1 § 1er. Le guide régional d'urbanisme est établi à l'initiative du Gouvernement.
§ 2. Sauf en cas d'exemption conformément aux articles D.VIII.31 et D.VIII.32, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de guide.
§ 3. Le Gouvernement adopte le projet de guide et charge les collèges communaux sur les territoires desquels le projet porte de le soumettre, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Dans les quinze jours de la clôture de l'enquête publique, ces collèges communaux transmettent les réclamations, observations et procèsverbaux au Gouvernement.
§ 4. Le Gouvernement soumet le projet de guide, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du pôle" Aménagement du territoire " et des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter ainsi qu'à l'avis du pôle " Environnement " si le projet est accompagné d'un rapport sur les incidences environnementales.
Lorsque le projet de guide porte sur une partie du territoire régional dont il fixe les limites, le Gouvernement le soumet, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, pour avis aux conseils communaux et aux commissions communales des communes dont le territoire est visé.
Lorsque le projet de guide comporte des indications ou des normes pouvant avoir un impact significatif sur les risques naturels ou des contraintes géotechniques majeurs au sens de l'article D.IV.57 tels que l'inondation, le Gouvernement le soumet, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, pour avis aux gestionnaires de cours d'eau concernés et au département de la ruralité et des cours d'eau de l'administration de l'environnement.
§ 5. Les conseils communaux, le pôle " Aménagement du territoire " ainsi que les personnes et instances visées au paragraphe 4, transmettent leurs avis au Gouvernement dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande d'avis. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 6. Le Gouvernement adopte définitivement le guide.]1
§ 2. Sauf en cas d'exemption conformément aux articles D.VIII.31 et D.VIII.32, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de guide.
§ 3. Le Gouvernement adopte le projet de guide et charge les collèges communaux sur les territoires desquels le projet porte de le soumettre, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à enquête publique. Dans les quinze jours de la clôture de l'enquête publique, ces collèges communaux transmettent les réclamations, observations et procèsverbaux au Gouvernement.
§ 4. Le Gouvernement soumet le projet de guide, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à l'avis du pôle" Aménagement du territoire " et des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter ainsi qu'à l'avis du pôle " Environnement " si le projet est accompagné d'un rapport sur les incidences environnementales.
Lorsque le projet de guide porte sur une partie du territoire régional dont il fixe les limites, le Gouvernement le soumet, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, pour avis aux conseils communaux et aux commissions communales des communes dont le territoire est visé.
Lorsque le projet de guide comporte des indications ou des normes pouvant avoir un impact significatif sur les risques naturels ou des contraintes géotechniques majeurs au sens de l'article D.IV.57 tels que l'inondation, le Gouvernement le soumet, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, pour avis aux gestionnaires de cours d'eau concernés et au département de la ruralité et des cours d'eau de l'administration de l'environnement.
§ 5. Les conseils communaux, le pôle " Aménagement du territoire " ainsi que les personnes et instances visées au paragraphe 4, transmettent leurs avis au Gouvernement dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande d'avis. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 6. Le Gouvernement adopte définitivement le guide.]1
Wijzigingen
Art. D. III.3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
§ 2. De Regering neemt het ontwerp van leidraad aan.
§ 3. De Regering legt de ontwerp-leidraad ter advies voor aan de [1 Adviesraad]1 en aan de personen en instanties [2 die zij nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
Wanneer de ontwerp-leidraad betrekking heeft op een gedeelte van het gewestelijke grondgebied waarvan genoemd ontwerp de grenzen bepaalt, legt de Regering bedoelde ontwerp-leidraad ter advies voor aan de gemeenteraden en aan de gemeentelijke commissies van de gemeenten waarvan het grondgebied in bedoeld ontwerp ter sprake komt.
§ 4. De gemeenteraden, de [1 Adviesraad]1 alsook de in paragraaf 3 bedoelde personen en instanties maken hun advies aan de Regering over binnen vijfenveertig dagen na de zending van de adviesaanvraag. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 5. De Regering neemt de leidraad definitief aan, maakt hem in het Belgisch Staatsblad bekend en maakt hem toegankelijk via de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
§ 1. De gewestelijke leidraad voor stedenbouw wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
§ 2. De Regering neemt het ontwerp van leidraad aan.
§ 3. De Regering legt de ontwerp-leidraad ter advies voor aan de [1 Adviesraad]1 en aan de personen en instanties [2 die zij nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
Wanneer de ontwerp-leidraad betrekking heeft op een gedeelte van het gewestelijke grondgebied waarvan genoemd ontwerp de grenzen bepaalt, legt de Regering bedoelde ontwerp-leidraad ter advies voor aan de gemeenteraden en aan de gemeentelijke commissies van de gemeenten waarvan het grondgebied in bedoeld ontwerp ter sprake komt.
§ 4. De gemeenteraden, de [1 Adviesraad]1 alsook de in paragraaf 3 bedoelde personen en instanties maken hun advies aan de Regering over binnen vijfenveertig dagen na de zending van de adviesaanvraag. Zoniet worden de adviezen gunstig geacht.
§ 5. De Regering neemt de leidraad definitief aan, maakt hem in het Belgisch Staatsblad bekend en maakt hem toegankelijk via de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Art. D. III.3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le guide régional d'urbanisme est établi à l'initiative du Gouvernement.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de guide.
§ 3. Le Gouvernement soumet le projet de guide à l'avis du [1 conseil consultatif]1 et des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Lorsque le projet de guide porte sur une partie du territoire régional dont il fixe les limites, le Gouvernement le soumet pour avis aux conseils communaux et aux commissions communales des communes dont le territoire est visé.
§ 4. Les conseils communaux, le [1 conseil consultatif]1 ainsi que les personnes et instances visées au paragraphe 3, transmettent leurs avis au Gouvernement dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande d'avis. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 5. Le Gouvernement adopte définitivement le guide, le publie au Moniteur belge et le rend accessible via le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
§ 1er. Le guide régional d'urbanisme est établi à l'initiative du Gouvernement.
§ 2. Le Gouvernement adopte le projet de guide.
§ 3. Le Gouvernement soumet le projet de guide à l'avis du [1 conseil consultatif]1 et des personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Lorsque le projet de guide porte sur une partie du territoire régional dont il fixe les limites, le Gouvernement le soumet pour avis aux conseils communaux et aux commissions communales des communes dont le territoire est visé.
§ 4. Les conseils communaux, le [1 conseil consultatif]1 ainsi que les personnes et instances visées au paragraphe 3, transmettent leurs avis au Gouvernement dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande d'avis. A défaut, les avis sont réputés favorables.
§ 5. Le Gouvernement adopte définitivement le guide, le publie au Moniteur belge et le rend accessible via le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
TITEL II. - Gemeentelijke leidraad voor stedenbouw
TITRE II. - Guide communal d'urbanisme
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Art. D. III.4. De gemeenteraad kan een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gemeentelijke leidraad zet voor het gemeentelijke grondgebied als deel of geheel de doelstellingen inzake de ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, van het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke plannen om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzingen en normen met inachtneming van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) dat (die) in genoemde leidraad ter sprake komt.
De gemeentelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
De gemeentelijke leidraad zet voor het gemeentelijke grondgebied als deel of geheel de doelstellingen inzake de ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, van het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke plannen om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzingen en normen met inachtneming van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) dat (die) in genoemde leidraad ter sprake komt.
De gemeentelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
Art. D. III.4. Le conseil communal peut adopter un guide communal d'urbanisme.
Le guide communal décline, pour tout ou partie du territoire communal, les objectifs de développement territorial du schéma de développement du territoire, du schéma de développement pluricommunal et des schémas communaux en objectifs d'urbanisme, par des indications, en tenant compte des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide communal peut comporter plusieurs parties distinctes dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
Le guide communal décline, pour tout ou partie du territoire communal, les objectifs de développement territorial du schéma de développement du territoire, du schéma de développement pluricommunal et des schémas communaux en objectifs d'urbanisme, par des indications, en tenant compte des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide communal peut comporter plusieurs parties distinctes dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
Art. D _III.4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De gemeenteraad kan een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gemeentelijke leidraad zet voor het gemeentelijke grondgebied als deel of geheel de doelstellingen inzake de ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, van het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke plannen om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzingen en normen met inachtneming van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) dat (die) in genoemde leidraad ter sprake komt.
De gemeentelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
[1 De gemeentelijke leidraad kan specifiek gewijd zijn aan bepaalde stedenbouwkundige thema's.]1
De gemeenteraad kan een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw aannemen.
De gemeentelijke leidraad zet voor het gemeentelijke grondgebied als deel of geheel de doelstellingen inzake de ruimtelijke ontwikkeling van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, van het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke plannen om in stedenbouwkundige doelstellingen, via aanwijzingen en normen met inachtneming van de specificiteiten van het (de) grondgebied(en) dat (die) in genoemde leidraad ter sprake komt.
De gemeentelijke leidraad kan verschillende onderdelen bevatten met onderling verschillende doelen die, in voorkomend geval, tijdens verschillende periodes aangenomen worden.
[1 De gemeentelijke leidraad kan specifiek gewijd zijn aan bepaalde stedenbouwkundige thema's.]1
Art. D _III.4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le conseil communal peut adopter un guide communal d'urbanisme.
Le guide communal décline, pour tout ou partie du territoire communal, les objectifs de développement territorial du schéma de développement du territoire, du schéma de développement pluricommunal et des schémas communaux en objectifs d'urbanisme, par des indications, en tenant compte des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide communal peut comporter plusieurs parties distinctes dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
[1 Le guide communal peut être consacré spécifiquement à certains thèmes urbanistiques.]1
Le conseil communal peut adopter un guide communal d'urbanisme.
Le guide communal décline, pour tout ou partie du territoire communal, les objectifs de développement territorial du schéma de développement du territoire, du schéma de développement pluricommunal et des schémas communaux en objectifs d'urbanisme, par des indications, en tenant compte des spécificités du ou des territoires sur lesquels il porte.
Le guide communal peut comporter plusieurs parties distinctes dont l'objet diffère et qui sont, le cas échéant, adoptées à des époques différentes.
[1 Le guide communal peut être consacré spécifiquement à certains thèmes urbanistiques.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
Art. D. III.5. De gemeentelijke leidraad kan een geheel of een deel van de aanwijzingen bedoeld in artikel D.III.2, § 1, bevatten.
Art. D. III.5. Le guide communal peut comprendre tout ou partie des indications visées à l'article D.III.2, § 1er.
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Art. D. III.6.§ 1. De gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt opgemaakt op initiatief van de gemeenteraad.
De gemeentelijke raad en de gemeentelijke commissie worden geïnformeerd over de voorafgaande studies en kunnen op elk ogenblik suggesties doen die zij nuttig achten.
§ 2. [1 Behalve in geval van vrijstelling overeenkomstig de artikelen D.VIII.31 en D.VIII.32 wordt voor het voorontwerp van leidraad een milieueffectenrapport opgemaakt]1.
[1 § 2/1. De gemeenteraad neemt de ontwerpleidraad aan.
De ontwerp-leidraad, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, wordt door het gemeentecollege ter advies voorgelegd aan de gemeentelijke commissie of, bij gebreke daarvan, aan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" en de gemachtigd ambtenaar en aan de personen en instanties die het nuttig acht te raadplegen alsmede aan de Beleidsgroep "Leefmilieu" indien het ontwerp vergezeld gaat van een milieueffectenrapport.
Het advies wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.]1
§ 3. De ontwerp-leidraad [1 , in voorkomend geval, vergezeld van het milieueffectenrapport]1 wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen.
§ 4. De gemeenteraad neemt de leidraad definitief aan.
§ 5. Binnen acht dagen na de definitieve goedkeuring worden de leidraad en de beslissing van de gemeenteraad samen met de stukken van de procedure overgemaakt aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1.
Binnen dertig dagen na de zending van het in het eerste lid bedoelde dossier maakt de gemachtigd ambtenaar hem met zijn advies aan de Regering over. Zoniet wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar gunstig geacht.
§ 6. De Regering keurt de beslissing van de gemeenteraad goed of verwerpt ze bij met redenen omkleed besluit, gezonden binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1. De weigering tot goedkeuring wordt alleen wegens overtreding van het Wetboek of wegens een kennelijke onjuiste beoordeling uitgesproken.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat de leidraad overeenkomstig het eerste lid niet kan worden goedgekeurd, kan ze, vooraleer ze een beslissing neemt, van het gemeentecollege vragen om documenten tot wijziging van de leidraad voor te leggen. De procedure voor de aanneming van de leidraad wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen wordenen.
De beslissingen van de Regering en van de gemeenteraad worden bekendgemaakt.
De gemeentelijke raad en de gemeentelijke commissie worden geïnformeerd over de voorafgaande studies en kunnen op elk ogenblik suggesties doen die zij nuttig achten.
§ 2. [1 Behalve in geval van vrijstelling overeenkomstig de artikelen D.VIII.31 en D.VIII.32 wordt voor het voorontwerp van leidraad een milieueffectenrapport opgemaakt]1.
[1 § 2/1. De gemeenteraad neemt de ontwerpleidraad aan.
De ontwerp-leidraad, eventueel vergezeld van het milieueffectenrapport, wordt door het gemeentecollege ter advies voorgelegd aan de gemeentelijke commissie of, bij gebreke daarvan, aan de Beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" en de gemachtigd ambtenaar en aan de personen en instanties die het nuttig acht te raadplegen alsmede aan de Beleidsgroep "Leefmilieu" indien het ontwerp vergezeld gaat van een milieueffectenrapport.
Het advies wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.]1
§ 3. De ontwerp-leidraad [1 , in voorkomend geval, vergezeld van het milieueffectenrapport]1 wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen.
§ 4. De gemeenteraad neemt de leidraad definitief aan.
§ 5. Binnen acht dagen na de definitieve goedkeuring worden de leidraad en de beslissing van de gemeenteraad samen met de stukken van de procedure overgemaakt aan de gemachtigd ambtenaar en aan het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1.
Binnen dertig dagen na de zending van het in het eerste lid bedoelde dossier maakt de gemachtigd ambtenaar hem met zijn advies aan de Regering over. Zoniet wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar gunstig geacht.
§ 6. De Regering keurt de beslissing van de gemeenteraad goed of verwerpt ze bij met redenen omkleed besluit, gezonden binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier door het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de Administratie]1. De weigering tot goedkeuring wordt alleen wegens overtreding van het Wetboek of wegens een kennelijke onjuiste beoordeling uitgesproken.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat de leidraad overeenkomstig het eerste lid niet kan worden goedgekeurd, kan ze, vooraleer ze een beslissing neemt, van het gemeentecollege vragen om documenten tot wijziging van de leidraad voor te leggen. De procedure voor de aanneming van de leidraad wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen wordenen.
De beslissingen van de Regering en van de gemeenteraad worden bekendgemaakt.
Art. D. III.6.§ 1er. Le guide communal d'urbanisme est établi à l'initiative du conseil communal.
Le conseil communal et la commission communale sont informés des études préalables et peuvent formuler les suggestions qu'ils jugent utiles.
§ 2. [1 Sauf en cas d'exemption conformément aux articles D.VIII.31 et D.VIII.32, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de guide]1.
[1 § 2/1. Le conseil communal adopte le projet de guide.
Le projet de guide, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, est soumis par le collège communal, pour avis, à la commission communale ou, à défaut, au pôle " Aménagement du territoire " et au fonctionnaire délégué et aux personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter ainsi qu'à l'avis du pôle " Environnement " si le projet est accompagné d'un rapport sur les incidences environnementales.
L'avis est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, l'avis est réputé favorable;]1
§ 3. Le projet de guide est soumis à enquête publique [1 , le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales]1.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le guide.
§ 5. Dans les huit jours de l'adoption définitive, le guide et la décision du conseil communal accompagnés des pièces de la procédure sont transmis au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Dans les trente jours de l'envoi du dossier visé à l'aliéna 1er, le fonctionnaire délégué le transmet au Gouvernement accompagné de son avis. A défaut, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé favorable.
§ 6. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier complet par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le guide communal d'urbanisme est réputé approuvé.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le guide ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du guide. La procédure d'adoption du guide est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 ne peut être utilisée qu'à une reprise.
Les décisions du Gouvernement et du conseil communal sont publiées.
Le conseil communal et la commission communale sont informés des études préalables et peuvent formuler les suggestions qu'ils jugent utiles.
§ 2. [1 Sauf en cas d'exemption conformément aux articles D.VIII.31 et D.VIII.32, un rapport sur les incidences environnementales est réalisé sur l'avant-projet de guide]1.
[1 § 2/1. Le conseil communal adopte le projet de guide.
Le projet de guide, le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales, est soumis par le collège communal, pour avis, à la commission communale ou, à défaut, au pôle " Aménagement du territoire " et au fonctionnaire délégué et aux personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter ainsi qu'à l'avis du pôle " Environnement " si le projet est accompagné d'un rapport sur les incidences environnementales.
L'avis est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, l'avis est réputé favorable;]1
§ 3. Le projet de guide est soumis à enquête publique [1 , le cas échéant accompagné du rapport sur les incidences environnementales]1.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le guide.
§ 5. Dans les huit jours de l'adoption définitive, le guide et la décision du conseil communal accompagnés des pièces de la procédure sont transmis au fonctionnaire délégué et au Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Dans les trente jours de l'envoi du dossier visé à l'aliéna 1er, le fonctionnaire délégué le transmet au Gouvernement accompagné de son avis. A défaut, l'avis du fonctionnaire délégué est réputé favorable.
§ 6. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier complet par le Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le guide communal d'urbanisme est réputé approuvé.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le guide ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du guide. La procédure d'adoption du guide est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 ne peut être utilisée qu'à une reprise.
Les décisions du Gouvernement et du conseil communal sont publiées.
Wijzigingen
Art. D. III.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt opgemaakt op initiatief van de gemeenteraad. [3 De Regering kan een voorstel van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw voorleggen aan de gemeenteraad.]3
De gemeentelijke raad en de gemeentelijke commissie worden geïnformeerd over de voorafgaande studies en kunnen op elk ogenblik suggesties doen die zij nuttig achten.
§ 2. De gemeenteraad neemt het ontwerp van leidraad aan.
Het gemeentecollege legt de ontwerp-leidraad ter advies voor aan de gemeentelijke commissie, of, bij ontstentenis, aan de [1 Adviesraad]1 en aan de gemachtigd ambtenaar, alsook aan de personen en instanties [2 die genoemd college nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
Het advies wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Zoniet wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De ontwerp-leidraad wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen.
§ 4. De gemeenteraad neemt de leidraad definitief aan.
§ 5. Binnen acht dagen na de definitieve goedkeuring worden de leidraad en de beslissing van de gemeenteraad samen met de stukken van de procedure overgemaakt [1 aan de Regering]1.
[1 ...]1
§ 6. De Regering keurt de beslissing van de gemeenteraad goed of verwerpt ze bij met redenen omkleed besluit, gezonden binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier [1 ...]1. De weigering tot goedkeuring wordt alleen wegens overtreding van het Wetboek of wegens een kennelijke onjuiste beoordeling uitgesproken.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat de leidraad overeenkomstig het eerste lid niet kan worden goedgekeurd, kan ze, vooraleer ze een beslissing neemt, van het gemeentecollege vragen om documenten tot wijziging van de leidraad voor te leggen. De procedure voor de aanneming van de leidraad wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen wordenen.
De beslissingen van de Regering en van de gemeenteraad worden bekendgemaakt.
§ 1. De gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt opgemaakt op initiatief van de gemeenteraad. [3 De Regering kan een voorstel van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw voorleggen aan de gemeenteraad.]3
De gemeentelijke raad en de gemeentelijke commissie worden geïnformeerd over de voorafgaande studies en kunnen op elk ogenblik suggesties doen die zij nuttig achten.
§ 2. De gemeenteraad neemt het ontwerp van leidraad aan.
Het gemeentecollege legt de ontwerp-leidraad ter advies voor aan de gemeentelijke commissie, of, bij ontstentenis, aan de [1 Adviesraad]1 en aan de gemachtigd ambtenaar, alsook aan de personen en instanties [2 die genoemd college nodig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
Het advies wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege overgemaakt. Zoniet wordt het advies gunstig geacht.
§ 3. De ontwerp-leidraad wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen.
§ 4. De gemeenteraad neemt de leidraad definitief aan.
§ 5. Binnen acht dagen na de definitieve goedkeuring worden de leidraad en de beslissing van de gemeenteraad samen met de stukken van de procedure overgemaakt [1 aan de Regering]1.
[1 ...]1
§ 6. De Regering keurt de beslissing van de gemeenteraad goed of verwerpt ze bij met redenen omkleed besluit, gezonden binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier [1 ...]1. De weigering tot goedkeuring wordt alleen wegens overtreding van het Wetboek of wegens een kennelijke onjuiste beoordeling uitgesproken.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw goedgekeurd geacht.
Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Als de Regering vaststelt dat de leidraad overeenkomstig het eerste lid niet kan worden goedgekeurd, kan ze, vooraleer ze een beslissing neemt, van het gemeentecollege vragen om documenten tot wijziging van de leidraad voor te leggen. De procedure voor de aanneming van de leidraad wordt bij de stap hernomen waar de Regering de tekortkomingen heeft vastgesteld.
De in het vierde lid bedoelde procedure kan slechts één keer hernomen wordenen.
De beslissingen van de Regering en van de gemeenteraad worden bekendgemaakt.
Art. D. III.6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le guide communal d'urbanisme est établi à l'initiative du conseil communal. [3 Le Gouvernement peut soumettre au conseil communal une proposition de guide communal d'urbanisme.]3
Le conseil communal et la commission communale sont informés des études préalables et peuvent formuler les suggestions qu'ils jugent utiles.
§ 2. Le conseil communal adopte le projet de guide.
Le projet de guide est soumis par le collège communal, pour avis, à la commission communale ou, à défaut, au [1 conseil consultatif]1 ainsi qu'aux personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
L'avis est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. Le projet de guide est soumis à enquête publique.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le guide.
§ 5. Dans les huit jours de l'adoption définitive, le guide et la décision du conseil communal accompagnés des pièces de la procédure sont transmis [1 au Gouvernement]1.
[1 ...]1
§ 6. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier complet [1 ...]1. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le guide communal d'urbanisme est réputé approuvé.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le guide ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du guide. La procédure d'adoption du guide est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 ne peut être utilisée qu'à une reprise.
Les décisions du Gouvernement et du conseil communal sont publiées.
§ 1er. Le guide communal d'urbanisme est établi à l'initiative du conseil communal. [3 Le Gouvernement peut soumettre au conseil communal une proposition de guide communal d'urbanisme.]3
Le conseil communal et la commission communale sont informés des études préalables et peuvent formuler les suggestions qu'ils jugent utiles.
§ 2. Le conseil communal adopte le projet de guide.
Le projet de guide est soumis par le collège communal, pour avis, à la commission communale ou, à défaut, au [1 conseil consultatif]1 ainsi qu'aux personnes et instances qu'il juge nécessaire de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
L'avis est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3. Le projet de guide est soumis à enquête publique.
§ 4. Le conseil communal adopte définitivement le guide.
§ 5. Dans les huit jours de l'adoption définitive, le guide et la décision du conseil communal accompagnés des pièces de la procédure sont transmis [1 au Gouvernement]1.
[1 ...]1
§ 6. Le Gouvernement approuve ou refuse d'approuver la décision du conseil communal par arrêté motivé envoyé dans les nonante jours de la réception du dossier complet [1 ...]1. Le refus d'approbation est prononcé uniquement pour violation du Code ou pour cause d'erreur manifeste d'appréciation.
Passé le délai visé à l'alinéa 1er, le guide communal d'urbanisme est réputé approuvé.
Ce délai peut être prorogé, une seule fois, de trente jours par arrêté motivé.
Si le Gouvernement constate que le guide ne peut être approuvé en application de l'alinéa 1er, il peut, préalablement à sa décision, demander au collège communal de produire des documents modificatifs du guide. La procédure d'adoption du guide est recommencée à l'étape qui s'impose compte tenu des manquements soulevés par le Gouvernement.
La procédure visée à l'alinéa 4 ne peut être utilisée qu'à une reprise.
Les décisions du Gouvernement et du conseil communal sont publiées.
TITEL III. - Gemeenschappelijke bepalingen
TITRE III. - Dispositions communes
HOOFDSTUK I. - Herziening en opheffing
CHAPITRE Ier. - Révision et abrogation
Art. D. III.7. § 1. De regels voor de opmaak van de gewestelijke of gemeentelijke leidraad voor stedenbouw gelden ook voor de herziening ervan.
In het herzieningsdossier worden evenwel enkel de elementen i.v.m. de overwogen herziening opgenomen.
§ 2. De Regering kan de gewestelijke leidraad voor stedenbouw geheel of gedeeltelijk opheffen. De gemeenteraad kan de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van de gewestelijke of gemeentelijke leidraad voor stedenbouw gelden ook voor de opheffing ervan.
Een gemeentelijke leidraad kan evenwel geheel of gedeeltelijk bij de aanneming of de herziening van een ontwikkelingsplan of van een gewestplan opgeheven worden overeenkomstig de artikelen D.II. 7, D.II.12, D.II50, D.II.51 en D.II.52.
§ 3. Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is de gemeentelijke leidraad of het deel ervan die/dat niet herzien wordt of die/dat geen voorwerp heeft uitgemaakt van een gedeeltelijke herziening, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring ervan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het deel van de leidraad goedgekeurd geacht wordt. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die afzonderlijk zijn uitgewerkt.
Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is de leidraad of het deel van gemeentelijke leidraad die/dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een volledige herziening, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring ervan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het deel van de leidraad goedgekeurd geacht wordt. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die afzonderlijk zijn uitgewerkt.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van de leidraad of een gedeelte van de leidraad voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging wordt minstens twee maanden voor het verstrijken van de in het eerste of in het tweede lid bedoelde termijn genomen.
De opheffing volgt van rechtswege.
In het herzieningsdossier worden evenwel enkel de elementen i.v.m. de overwogen herziening opgenomen.
§ 2. De Regering kan de gewestelijke leidraad voor stedenbouw geheel of gedeeltelijk opheffen. De gemeenteraad kan de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw geheel of gedeeltelijk opheffen.
De regels voor de opmaak van de gewestelijke of gemeentelijke leidraad voor stedenbouw gelden ook voor de opheffing ervan.
Een gemeentelijke leidraad kan evenwel geheel of gedeeltelijk bij de aanneming of de herziening van een ontwikkelingsplan of van een gewestplan opgeheven worden overeenkomstig de artikelen D.II. 7, D.II.12, D.II50, D.II.51 en D.II.52.
§ 3. Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is de gemeentelijke leidraad of het deel ervan die/dat niet herzien wordt of die/dat geen voorwerp heeft uitgemaakt van een gedeeltelijke herziening, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring ervan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het deel van de leidraad goedgekeurd geacht wordt. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die afzonderlijk zijn uitgewerkt.
Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is de leidraad of het deel van gemeentelijke leidraad die/dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een volledige herziening, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring ervan of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het deel van de leidraad goedgekeurd geacht wordt. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die afzonderlijk zijn uitgewerkt.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van de leidraad of een gedeelte van de leidraad voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging wordt minstens twee maanden voor het verstrijken van de in het eerste of in het tweede lid bedoelde termijn genomen.
De opheffing volgt van rechtswege.
Art. D. III.7. § 1er. Les dispositions réglant l'élaboration du guide régional ou communal d'urbanisme sont applicables à sa révision.
Toutefois, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
§ 2. Le Gouvernement peut abroger tout ou partie du guide régional d'urbanisme. Le conseil communal peut abroger tout ou partie du guide communal d'urbanisme.
Les dispositions réglant l'élaboration du guide régional ou communal d'urbanisme sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un guide communal peut être abrogé en tout ou en partie lors de l'adoption ou de la révision d'un schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 3. A moins qu'il ou elle ne soit abrogé(e) explicitement, le guide ou la partie de guide communal, qui n'est pas révisé(e) ou qui a fait l'objet d'une révision partielle, s'applique pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement l'approuvant ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui a fait l'objet d'une élaboration distincte.
A moins qu'il ou elle ne soit abrogé(e) explicitement, le guide ou la partie du guide communal qui a fait l'objet d'une révision totale s'applique pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant la révision ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide révisé(e) est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui a fait l'objet d'une révision totale distincte.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du guide ou d'une partie du guide pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Toutefois, le dossier de révision comporte uniquement les éléments en lien avec la révision projetée.
§ 2. Le Gouvernement peut abroger tout ou partie du guide régional d'urbanisme. Le conseil communal peut abroger tout ou partie du guide communal d'urbanisme.
Les dispositions réglant l'élaboration du guide régional ou communal d'urbanisme sont applicables à son abrogation.
Toutefois, un guide communal peut être abrogé en tout ou en partie lors de l'adoption ou de la révision d'un schéma ou du plan de secteur conformément aux articles D.II.7, D.II.12, D.II.50, D.II.51 et D.II.52.
§ 3. A moins qu'il ou elle ne soit abrogé(e) explicitement, le guide ou la partie de guide communal, qui n'est pas révisé(e) ou qui a fait l'objet d'une révision partielle, s'applique pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement l'approuvant ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui a fait l'objet d'une élaboration distincte.
A moins qu'il ou elle ne soit abrogé(e) explicitement, le guide ou la partie du guide communal qui a fait l'objet d'une révision totale s'applique pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant la révision ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide révisé(e) est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui a fait l'objet d'une révision totale distincte.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du guide ou d'une partie du guide pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
CHAPITRE II. - Effets juridiques
Art. D. III.8. Leidraden voor stedenbouw hebben een indicatieve waarde, met uitzondering van de normen van de gewestelijke leidraad die bindende kracht hebben.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw is van toepassing op het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de vergunning en op het stedenbouwkundige attest nr. 2.
De gemeentelijke leidraad voor stedenbouw is van toepassing op de vergunning en op het stedenbouwkundige attest nr. 2.
De gewestelijke leidraad voor stedenbouw is van toepassing op het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, op het gemeentelijk ontwikkelingsplan, op het lokaal beleidsontwikkelingsplan, op de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, op de vergunning en op het stedenbouwkundige attest nr. 2.
De gemeentelijke leidraad voor stedenbouw is van toepassing op de vergunning en op het stedenbouwkundige attest nr. 2.
Art. D. III.8. Tous les guides d'urbanisme ont valeur indicative à l'exception des normes du guide régional qui ont force obligatoire.
Le guide régional d'urbanisme s'applique au schéma de développement pluricommunal, au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le guide communal d'urbanisme s'applique au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le guide régional d'urbanisme s'applique au schéma de développement pluricommunal, au schéma de développement communal, au schéma d'orientation local, au guide communal d'urbanisme, au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
Le guide communal d'urbanisme s'applique au permis et au certificat d'urbanisme n° 2.
HOOFDSTUK III. - Hiërarchie
CHAPITRE III. - Hiérarchie
Afdeling 1. - Het verband tussen de gewestelijke leidraad en de gemeentelijke leidraad
Section 1re. - Lien entre le guide régional et le guide communal
Art. D. III.9. § 1. Een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw kan afwijken van de als indicatief beschouwde inhoud van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw mits een motivering waaruit blijkt dat de afwijkingen :
1° rekening houdende met de specificiteiten van het grondgebied waarop genoemde leidraad betrekking heeft, verantwoord zijn;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdragen.
Wanneer een gewestelijke leidraad en een gemeentelijke leidraad op een bepaald grondgebied aanwijzingen geven over eenzelfde thema, zijn de aanwijzingen van de gemeentelijke leidraad van toepassing.
§ 2. Bij tegenspraak tussen een aanwijzing van een bestaande gemeentelijke leidraad voor stedenbouw en een aanwijzing of een norm van een gewestelijke leidraad voor stedenbouw die later in werking treedt, is de aanwijzing of de norm van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw van toepassing.
Bij tegenspraak tussen aanwijzingen van een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw zijn de recentere aanwijzingen van toepassing.
1° rekening houdende met de specificiteiten van het grondgebied waarop genoemde leidraad betrekking heeft, verantwoord zijn;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdragen.
Wanneer een gewestelijke leidraad en een gemeentelijke leidraad op een bepaald grondgebied aanwijzingen geven over eenzelfde thema, zijn de aanwijzingen van de gemeentelijke leidraad van toepassing.
§ 2. Bij tegenspraak tussen een aanwijzing van een bestaande gemeentelijke leidraad voor stedenbouw en een aanwijzing of een norm van een gewestelijke leidraad voor stedenbouw die later in werking treedt, is de aanwijzing of de norm van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw van toepassing.
Bij tegenspraak tussen aanwijzingen van een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw zijn de recentere aanwijzingen van toepassing.
Art. D. III.9. § 1er. Un guide communal d'urbanisme peut s'écarter du contenu à valeur indicative du guide régional d'urbanisme moyennant une motivation démontrant que les écarts :
1° sont justifiés compte tenu des spécificités du territoire sur lequel il porte;
2° contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Sur un territoire donné, quand un guide régional et un guide communal prévoient des indications sur un même thème, il est fait application des indications du guide communal.
§ 2. En cas de contradiction entre une indication d'un guide communal d'urbanisme préexistant et une indication ou une norme d'un guide régional d'urbanisme entrant en vigueur ultérieurement, il est fait application de l'indication ou de la norme du guide régional d'urbanisme.
En cas de contradiction entre des indications d'un guide communal d'urbanisme, il est fait application des indications les plus récentes.
1° sont justifiés compte tenu des spécificités du territoire sur lequel il porte;
2° contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Sur un territoire donné, quand un guide régional et un guide communal prévoient des indications sur un même thème, il est fait application des indications du guide communal.
§ 2. En cas de contradiction entre une indication d'un guide communal d'urbanisme préexistant et une indication ou une norme d'un guide régional d'urbanisme entrant en vigueur ultérieurement, il est fait application de l'indication ou de la norme du guide régional d'urbanisme.
En cas de contradiction entre des indications d'un guide communal d'urbanisme, il est fait application des indications les plus récentes.
Afdeling 2. - Het verband tussen de ontwikkelingsplannen en de leidraden
Section 2. - Lien entre les schémas et les guides
Art. D. III.10.[1 Wanneer de aanduidingen van de gemeentelijke leidraad en de stedenbouwkundige opties in de zin van artikel 254 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Erfgoed en Energie, zoals van kracht voor de opheffing ervan bij het decreet van 20 juli 2016, vervat in een gemeentelijk structuurplan dat een gemeentelijk ontwikkelingsplan is geworden krachtens artikel D.II.59, § 1, hetzelfde doel hebben, worden de aanduidingen van de leidraad toegepast als ze na de opties van het plan in werking zijn getreden.]1
[1 Voor het overige is het plan, bij tegenspraak tussen het ruimtelijk ontwikkelingsplan, een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan en de aanwijzingen van een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, toepassing]1.
Bij tegenspraak tussen een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een lokaal beleidsontwikkelingsplan en een gewestelijke leidraad voor stedenbouw is de leidraad van toepassing.
Een gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan mits een motivering waaruit blijkt dat de afwijkingen :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling of ruimtelijke ordening bedoeld in het ruimtelijk ontwikkelingsplan niet bedreigen;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdragen.
[1 Voor het overige is het plan, bij tegenspraak tussen het ruimtelijk ontwikkelingsplan, een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan en de aanwijzingen van een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, toepassing]1.
Bij tegenspraak tussen een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een lokaal beleidsontwikkelingsplan en een gewestelijke leidraad voor stedenbouw is de leidraad van toepassing.
Een gewestelijke leidraad voor stedenbouw kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan mits een motivering waaruit blijkt dat de afwijkingen :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling of ruimtelijke ordening bedoeld in het ruimtelijk ontwikkelingsplan niet bedreigen;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdragen.
Art. D. III.10.[1 Lorsque les indications du guide communal et les options d'urbanisme au sens de l'article 254 du Code wallon de l'aménagement du territoire, de l'urbanisme, du patrimoine et de l'énergie, tel qu'en vigueur avant son abrogation par le décret du 20 juillet 2016, contenues dans un schéma de structure communal devenu schéma de développement communal en vertu de l'article D.II.59, § 1er, ont un même objet, il est fait application des indications du guide si elle sont entrées en vigueur postérieurement aux options du schéma.]1
[1 Pour le surplus, en]1 cas de contradiction entre le schéma de développement du territoire, un schéma de développement pluricommunal, un schéma de développement communal ou un schéma d'orientation local et les indications d'un guide communal d'urbanisme, il est fait application du schéma.
En cas de contradiction entre un schéma de développement pluricommunal, un schéma de développement communal ou un schéma d'orientation local et un guide régional d'urbanisme, il est fait application du guide.
Un guide régional d'urbanisme peut s'écarter du schéma de développement du territoire moyennant une motivation démontrant que les écarts :
1° ne compromettent pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
[1 Pour le surplus, en]1 cas de contradiction entre le schéma de développement du territoire, un schéma de développement pluricommunal, un schéma de développement communal ou un schéma d'orientation local et les indications d'un guide communal d'urbanisme, il est fait application du schéma.
En cas de contradiction entre un schéma de développement pluricommunal, un schéma de développement communal ou un schéma d'orientation local et un guide régional d'urbanisme, il est fait application du guide.
Un guide régional d'urbanisme peut s'écarter du schéma de développement du territoire moyennant une motivation démontrant que les écarts :
1° ne compromettent pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Wijzigingen
TITEL IV. - Overgangsrecht
TITRE IV. - Droit transitoire
HOOFDSTUK I. - Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
CHAPITRE Ier. - Règlements régionaux d'urbanisme
Art. D. III.11. De artikelen 395 tot 397, 399, 400 en 402 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium betreffende het algemeen reglement op de gebouwen dat inzake stedenbouw toepasselijk is in laatstgenoemd wetboek betreffende het algemeen reglement op de gebouwen in landelijk gebied en de artikelen 433, 434, 439 en 440 ervan betreffende het algemeen reglement inzake uithang- en reclameborden worden aanwijzingen in de zin van artikel D.III.2, § 1, en krijgen een indicatieve waarde op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek. Ze worden in de gewestelijke leidraad voor stedenbouw opgenomen en blijven van toepassing tot de herziening ervan.
De artikelen 393, 394, 398, 401 en 403 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium betreffende het algemeen reglement op de gebouwen dat inzake stedenbouw toepasselijk is in de beschermde gebieden van sommige gemeenten alsook de bepalingen van het algemeen reglement op de gebouwen betreffende de bereikbaarheid en het gebruik van ruimten en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn, door personen met verminderde beweeglijkheid en die van de stedenbouwkundige regeling op de akoestische kwaliteit van bouwwerken in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de luchthavens Liège-Bierset en Charleroi-Sud zijn normen in de zin van artikel D.III.2, § 2, en behouden hun reglementaire waarde op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek. Ze worden in de gewestelijke leidraad voor stedenbouw opgenomen en blijven van toepassing tot de herziening ervan.
De artikelen 393, 394, 398, 401 en 403 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium betreffende het algemeen reglement op de gebouwen dat inzake stedenbouw toepasselijk is in de beschermde gebieden van sommige gemeenten alsook de bepalingen van het algemeen reglement op de gebouwen betreffende de bereikbaarheid en het gebruik van ruimten en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn, door personen met verminderde beweeglijkheid en die van de stedenbouwkundige regeling op de akoestische kwaliteit van bouwwerken in de zones B, C en D van de plannen voor langetermijnontwikkeling van de luchthavens Liège-Bierset en Charleroi-Sud zijn normen in de zin van artikel D.III.2, § 2, en behouden hun reglementaire waarde op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek. Ze worden in de gewestelijke leidraad voor stedenbouw opgenomen en blijven van toepassing tot de herziening ervan.
Art. D. III.11. Les articles 395 à 397, 399, 400 et 402 du CWATUP relatifs au règlement général sur les bâtisses applicable aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ainsi que les articles 419 à 427 du CWATUP relatifs au règlement général sur les bâtisses en site rural et les articles 433, 434, 439 et 440 du CWATUP relatifs au règlement général d'urbanisme relatif aux enseignes et aux dispositifs de publicité deviennent des indications au sens de l'article D.III.2, § 1er, et acquièrent valeur indicative à la date d'entrée en vigueur du Code. Elles sont intégrées dans le guide régional d'urbanisme et restent en vigueur jusqu'à sa révision.
Les articles 393, 394, 398, 401 et 403 du CWATUP relatifs au règlement général sur les bâtisses applicable aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ainsi que les dispositions du règlement général sur les bâtisses relatif à l'accessibilité et à l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif par les personnes à mobilité réduite et celles du règlement d'urbanisme sur la qualité acoustique de constructions dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports de Liège-Bierset et de Charleroi-Sud sont des normes au sens de l'article D.III.2, § 2, et gardent leur valeur réglementaire à la date d'entrée en vigueur du Code. Elles sont intégrées dans le guide régional d'urbanisme et restent en vigueur jusqu'à sa révision.
Les articles 393, 394, 398, 401 et 403 du CWATUP relatifs au règlement général sur les bâtisses applicable aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ainsi que les dispositions du règlement général sur les bâtisses relatif à l'accessibilité et à l'usage des espaces et bâtiments ou parties de bâtiments ouverts au public ou à usage collectif par les personnes à mobilité réduite et celles du règlement d'urbanisme sur la qualité acoustique de constructions dans les zones B, C et D des plans de développement à long terme des aéroports de Liège-Bierset et de Charleroi-Sud sont des normes au sens de l'article D.III.2, § 2, et gardent leur valeur réglementaire à la date d'entrée en vigueur du Code. Elles sont intégrées dans le guide régional d'urbanisme et restent en vigueur jusqu'à sa révision.
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen
CHAPITRE II. - Règlements communaux d'urbanisme
Art. D. III.12. De op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw en is onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. Zijn bepalingen worden aanwijzingen in de zin van artikel D.III.5.
Art. D. III.12. Le règlement communal d'urbanisme en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code devient un guide communal d'urbanisme et est soumis aux dispositions y relatives. Ses dispositions deviennent des indications au sens de l'article D.III.5.
Art. D. III.13. Het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of het ontwerp van herziening van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, worden verder behandeld volgens de vóór die datum vigerende bepalingen.
Bij de goedkeuring ervan door de Regering wordt het een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. Zijn bepalingen worden aanwijzingen in de zin van artikel D.III.5.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek zet de voor die datum vigerende procedure voort.
Bij de goedkeuring ervan door de Regering wordt het een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw en wordt het onderworpen aan de desbetreffende bepalingen. Zijn bepalingen worden aanwijzingen in de zin van artikel D.III.5.
De opheffing besloten door de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding van het Wetboek zet de voor die datum vigerende procedure voort.
Art. D. III.13. L'instruction du projet de règlement communal d'urbanisme ou du projet de révision du règlement communal d'urbanisme adopté provisoirement par le conseil communal avant l'entrée en vigueur du Code se poursuit selon les dispositions en vigueur avant cette date.
A son approbation par le Gouvernement, il devient un guide communal d'urbanisme et est soumis aux dispositions y relatives. Ses dispositions deviennent des indications au sens de l'article D.III.5.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
A son approbation par le Gouvernement, il devient un guide communal d'urbanisme et est soumis aux dispositions y relatives. Ses dispositions deviennent des indications au sens de l'article D.III.5.
L'abrogation décidée par le conseil communal avant la date d'entrée en vigueur du Code poursuit la procédure en vigueur avant cette date.
Art. D. III.14.Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is (zijn) de op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gemeentelijke stedenbouwkundige vergunning(en) die gemeentelijke leidraad voor stedenbouw is (zijn) geworden, die niet herzien wordt (worden) of die geen voorwerp heeft (hebben) uitgemaakt van een gedeeltelijke herziening, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek.
Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is (zijn) de op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gemeentelijke stedenbouwkundige vergunning(en) die gemeentelijke leidraad voor stedenbouw is (zijn) geworden, die na de inwerkingtreding van het Wetboek het voorwerp heeft (hebben) uitgemaakt van een volledige herziening goedgekeurd door de Regering, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring van de herziening of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het herziene deel van de leidraad goedgekeurd geacht word. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die het voorwerp heeft uitgemaakt van een afzonderlijke volledige herziening.
De leden 1 en 2 zijn van toepassing op de gemeentelijke verordeningen die overeenkomstig de in het Waalse Gewest toepasselijke wetgeving van de ruimtelijke ordening en stedenbouw genomen zijn.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van de leidraad of een gedeelte van de gemeentelijke leidraad voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging wordt minstens twee maanden voor het verstrijken van de in het eerste of in het tweede lid bedoelde termijn genomen.
De opheffing volgt van rechtswege.
Binnen drie maanden na de installatie van de gemeenteraden ten gevolge van de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de gedeelten van de leidraad op de vervaldatum van de achttien jaar of van de vierentwintig jaar zullen bereiken tijdens de zes jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad of meldt genoemde administratie dat de leidraad de vervaldatum van de achttien jaar of van de vierentwintig jaar zal bereiken tijdens de zes jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad.
Tenzij de opheffing uitdrukkelijk is, is (zijn) de op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerende gemeentelijke stedenbouwkundige vergunning(en) die gemeentelijke leidraad voor stedenbouw is (zijn) geworden, die na de inwerkingtreding van het Wetboek het voorwerp heeft (hebben) uitgemaakt van een volledige herziening goedgekeurd door de Regering, tijdens achttien jaar van toepassing te rekenen van de bekendmaking door vermelding in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring van de herziening of van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het bericht waarin wordt vermeld dat de leidraad of het herziene deel van de leidraad goedgekeurd geacht word. Die opheffing gebeurt afzonderlijk voor elk van de gedeelten van de leidraad die het voorwerp heeft uitgemaakt van een afzonderlijke volledige herziening.
De leden 1 en 2 zijn van toepassing op de gemeentelijke verordeningen die overeenkomstig de in het Waalse Gewest toepasselijke wetgeving van de ruimtelijke ordening en stedenbouw genomen zijn.
De gemeenteraad kan evenwel de geldigheid van de leidraad of een gedeelte van de gemeentelijke leidraad voor een periode van zes jaar verlengen. De beslissing tot verlenging wordt minstens twee maanden voor het verstrijken van de in het eerste of in het tweede lid bedoelde termijn genomen.
De opheffing volgt van rechtswege.
Binnen drie maanden na de installatie van de gemeenteraden ten gevolge van de verkiezingen richt [1 de Administratie]1 aan elke betrokken gemeenteraad de lijst van de gedeelten van de leidraad op de vervaldatum van de achttien jaar of van de vierentwintig jaar zullen bereiken tijdens de zes jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad of meldt genoemde administratie dat de leidraad de vervaldatum van de achttien jaar of van de vierentwintig jaar zal bereiken tijdens de zes jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad.
Art. D. III.14.A moins qu'il(s) ne soit (soient) abrogé(s) explicitement, le ou les règlement(s) communal (communaux) d'urbanisme en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, devenu(s) guide communal d'urbanisme, qui n'est (ne sont) pas révisé(s) ou qui a (ont) fait l'objet d'une révision partielle approuvée par le Gouvernement après l'entrée en vigueur du Code, s'applique(nt) pendant dix-huit ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A moins qu'il(s) ne soit (soient) abrogé(s) explicitement, le ou les règlement(s) communal (communaux) d'urbanisme en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, devenu(s) guide communal d'urbanisme, qui a (ont) fait l'objet d'une révision totale approuvée par le Gouvernement après l'entrée en vigueur du Code, s'applique(nt) pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant la révision ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide révisé(e) est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui fait l'objet d'une révision totale distincte.
Les alinéas 1er et 2 s'appliquent aux règlements communaux pris en application de la législation de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme applicable en Région wallonne.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du guide ou de la partie de guide communal pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux suite aux élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des parties du guide qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal, ou signale que le guide arrivera à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
A moins qu'il(s) ne soit (soient) abrogé(s) explicitement, le ou les règlement(s) communal (communaux) d'urbanisme en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, devenu(s) guide communal d'urbanisme, qui a (ont) fait l'objet d'une révision totale approuvée par le Gouvernement après l'entrée en vigueur du Code, s'applique(nt) pendant dix-huit ans à dater de la publication par mention au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement approuvant la révision ou de la publication au Moniteur belge de l'avis indiquant que le guide ou la partie de guide révisé(e) est réputé(e) approuvé(e). Cette abrogation intervient séparément pour chacune des parties du guide qui fait l'objet d'une révision totale distincte.
Les alinéas 1er et 2 s'appliquent aux règlements communaux pris en application de la législation de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme applicable en Région wallonne.
Le conseil communal peut toutefois proroger la validité du guide ou de la partie de guide communal pour une période de six ans. La décision de prorogation intervient au moins deux mois avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2.
L'abrogation s'opère de plein droit.
Dans les trois mois de l'installation des conseils communaux suite aux élections, [1 l'administration]1 adresse à chaque conseil communal concerné la liste des parties du guide qui arriveront à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal, ou signale que le guide arrivera à l'échéance des dix-huit ans ou des vingt-quatre ans durant les six ans qui suivent l'installation du conseil communal.
Wijzigingen
Art. D. III.15. Binnen een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Wetboek beslist de gemeenteraad dat de gebouwenverordeningen goedgekeurd voor 22 april 1962, ongeacht of ze al dan niet herzien zijn, behouden moeten worden. Zoniet worden ze opgeheven.
Art. D. III.15. Le conseil communal décide le maintien des règlements de bâtisse approuvés avant le 22 avril 1962, qu'ils soient révisés ou non, dans un délai de douze mois de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, ils sont abrogés.
Art. D. III.16. De gemeenteraad beslist dat de handelingen en werken die niet bedoeld zijn in artikel D.IV.4, overeenkomstig de bestaande gemeentelijke verordeningen, aan een vergunning onderworpen moeten blijven binnen een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Wetboek. Zoniet wordt die verplichting opgeheven.
Art. D. III.16. Le conseil communal décide de confirmer la soumission à permis en application des règlements communaux existants des actes et travaux non visés à l'article D.IV.4 dans un délai de douze mois de l'entrée en vigueur du Code. A défaut, cette obligation est abrogée.
BOEK IV. - Stedenbouwkundige vergunningen en attesten
LIVRE IV. - Permis et certificats d'urbanisme
BOEK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - VERGUNNINGEN EN STEDENBOUWKUNDIGE ATTESTEN]1
LIVRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Permis et certificats d'urbanisme]1
TITEL I. - Algemeen
TITRE Ier. - Généralités
HOOFDSTUK I. - Begrippen
CHAPITRE Ier. - Notions
Art. D. IV.I.§ 1. De handelingen en werken worden :
1° ofwel onderworpen aan een bebouwingsvergunning;
2° ofwel onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning;
[1 3°]1 [2 ...]2;
5° [1 ...]1
De stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken is een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie, die een geheel vormen en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag.
§ 2. De Regering bepaalt in de vorm van een nomenclatuur de lijst van de handelingen en werken die wegens hun aard of impact op de buurt of het leefmilieu :
1° vrijgesteld worden van de krachtens artikel D.IV.4 vereiste stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben zoals bedoeld in de artikelen [3 D.IV.16, eerste lid, 3°]3, en D.IV.48, eerste lid, 1°;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[2 De Regering kan, voor de geklasseerde of gelijkgestelde goederen gelegen in een beschermingsgebied, met stippen opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed, of in het klein volkspatrimonium, vrijstellingen van de stedenbouwkundige vergunning voorzien die niet van toepassing zijn op deze goederen.]2
[2 Noodconserveringswerken in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek zijn vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning.]2
§ 3. Ieder die erom verzoekt, krijgt :
1° een stedenbouwkundig attest nr.1 dat de inlichtingen betreffende de stedenbouwkundige toestand van een onroerend goed omvat;
2° een stedenbouwkundig attest nr. 2 dat naast de inlichtingen die zijn opgenomen in het attest nr. 1, een beoordeling bevat van het gemeentecollege en van de gemachtigd ambtenaar met betrekking tot de door de aanvrager geplande handelingen en werken.
1° ofwel onderworpen aan een bebouwingsvergunning;
2° ofwel onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning;
[1 3°]1 [2 ...]2;
5° [1 ...]1
De stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken is een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie, die een geheel vormen en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag.
§ 2. De Regering bepaalt in de vorm van een nomenclatuur de lijst van de handelingen en werken die wegens hun aard of impact op de buurt of het leefmilieu :
1° vrijgesteld worden van de krachtens artikel D.IV.4 vereiste stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben zoals bedoeld in de artikelen [3 D.IV.16, eerste lid, 3°]3, en D.IV.48, eerste lid, 1°;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[2 De Regering kan, voor de geklasseerde of gelijkgestelde goederen gelegen in een beschermingsgebied, met stippen opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed, of in het klein volkspatrimonium, vrijstellingen van de stedenbouwkundige vergunning voorzien die niet van toepassing zijn op deze goederen.]2
[2 Noodconserveringswerken in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek zijn vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning.]2
§ 3. Ieder die erom verzoekt, krijgt :
1° een stedenbouwkundig attest nr.1 dat de inlichtingen betreffende de stedenbouwkundige toestand van een onroerend goed omvat;
2° een stedenbouwkundig attest nr. 2 dat naast de inlichtingen die zijn opgenomen in het attest nr. 1, een beoordeling bevat van het gemeentecollege en van de gemachtigd ambtenaar met betrekking tot de door de aanvrager geplande handelingen en werken.
Art. D. IV.I.§ 1er. Les actes et travaux sont :
1° soit soumis à permis d'urbanisation;
2° soit soumis à permis d'urbanisme;
[1 3°]1 [2 ...]2;
5°[1 ...]1
Le permis d'urbanisme de constructions groupées est un permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, destinées en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement, qui forment un ensemble et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande.
§ 2. Le Gouvernement arrête, sous forme de nomenclature, la liste des actes et travaux qui, en raison de leur nature ou de leur impact sur le voisinage ou l'environnement :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme requis en vertu de l'article D.IV.4;
2° sont d'impact limité tels que visés aux articles [3 D.IV.16, alinéa 1er, 3°]3 et D.IV.48, alinéa 1er, 1°;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
[1 [2 Le Gouvernement peut prévoir, pour les biens classés ou assimilés, situés dans une zone de protection, pastillés à l'inventaire régional du patrimoine ou relevant du petit patrimoine populaire wallon, au sens du Code wallon du Patrimoine, les exonérations de permis d'urbanisme qui ne sont pas applicables à ces biens]2.
[2 Les actes et travaux conservatoires d'urgence au sens du Code wallon du Patrimoine sont exonérés de permis d'urbanisme]2.]1
§ 3. Quiconque en fait la demande obtient:
1° un certificat d'urbanisme n° 1 qui contient les informations relatives à la situation urbanistique d'un bien immobilier;
2° un certificat d'urbanisme n° 2 qui contient, outre les informations du certificat d'urbanisme n° 1, une appréciation du collège communal ou du fonctionnaire délégué sur les actes et travaux projetés par le demandeur.
1° soit soumis à permis d'urbanisation;
2° soit soumis à permis d'urbanisme;
[1 3°]1 [2 ...]2;
5°[1 ...]1
Le permis d'urbanisme de constructions groupées est un permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, destinées en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement, qui forment un ensemble et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande.
§ 2. Le Gouvernement arrête, sous forme de nomenclature, la liste des actes et travaux qui, en raison de leur nature ou de leur impact sur le voisinage ou l'environnement :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme requis en vertu de l'article D.IV.4;
2° sont d'impact limité tels que visés aux articles [3 D.IV.16, alinéa 1er, 3°]3 et D.IV.48, alinéa 1er, 1°;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
[1 [2 Le Gouvernement peut prévoir, pour les biens classés ou assimilés, situés dans une zone de protection, pastillés à l'inventaire régional du patrimoine ou relevant du petit patrimoine populaire wallon, au sens du Code wallon du Patrimoine, les exonérations de permis d'urbanisme qui ne sont pas applicables à ces biens]2.
[2 Les actes et travaux conservatoires d'urgence au sens du Code wallon du Patrimoine sont exonérés de permis d'urbanisme]2.]1
§ 3. Quiconque en fait la demande obtient:
1° un certificat d'urbanisme n° 1 qui contient les informations relatives à la situation urbanistique d'un bien immobilier;
2° un certificat d'urbanisme n° 2 qui contient, outre les informations du certificat d'urbanisme n° 1, une appréciation du collège communal ou du fonctionnaire délégué sur les actes et travaux projetés par le demandeur.
Art. D. IV.I_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De handelingen en werken worden :
1° ofwel onderworpen aan een [3 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]3;
2° ofwel onderworpen aan een [3 stedenbouwkundige vergunning of vergunning voor groepen van bouwwerken]3;
[1 3°]1 [2 ofwel niet betroffen door of vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning en onderworpen aan de erfgoedvergunning vermeld in artikel 13 van het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en landschappen en betreffende de opgravingen, hierna 'erfgoeddecreet' genoemd;]2
5° [1 ...]1
[3 Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :
1° ontsluitingsvergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om een goed te bebouwen, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking;
2° bebouwing van een goed: uitvoering van een stedenbouwkundige conceptie m.b.t. een gezamenlijk project betreffende een goed dat minstens in drie onbebouwde, voor bewoning bestemde kavels opgedeeld moet worden.
Het gezamenlijk project beoogt hoofdzakelijk het optrekken van gebouwen die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning en, in voorkomend geval, de bouw of de inrichting van openbare of gemeenschappelijke ruimten, technische infrastructuren of gebouwen waarin functies ondergebracht zijn die als aanvulling op de woonfunctie dienen.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek.
Het gezamenlijk project voldoet aan de bestemming waarvan sprake, zodra meer dan de helft van de gebouwen geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd is;
3° opsplitsingsvergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om een goed op te splitsen in minstens drie onbebouwde, voor bewoning bestemde kavels, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek;
4° stedenbouwkundige vergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om handelingen en werken uit te voeren overeenkomstig artikel D.IV.4;
5° stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken: een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag;
6° erfgoedvergunning: beslissing van de Regering in de zin van artikel 13 van het erfgoeddecreet.]3
§ 2. De Regering bepaalt in de vorm van een nomenclatuur de lijst van de handelingen en werken die wegens hun aard of impact op de buurt of het leefmilieu :
1° vrijgesteld worden van de krachtens artikel D.IV.4 vereiste stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben zoals bedoeld in de [4 artikel D.IV.48, eerste lid, 1°]4°;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2]1
[3 In dezelfde nomenclatuur kan de Regering de lijst van de handelingen en werken vastleggen die alleen als handelingen en werken met een beperkte impact in de zin van [4 artikel D.IV.48, eerste lid, 1°]4, beschouwd worden, als ze binnen het toepassingsgebied van een gewestelijke leidraad voor stedenbouw vallen.]3
§ 3. Ieder die erom verzoekt, krijgt :
1° een stedenbouwkundig attest nr.1 dat de inlichtingen betreffende de stedenbouwkundige toestand van een onroerend goed omvat;
2° een stedenbouwkundig attest nr. 2 dat naast de inlichtingen die zijn opgenomen in het attest nr. 1, een beoordeling bevat van het gemeentecollege en van [2 de Regering]2 met betrekking tot de door de aanvrager geplande handelingen en werken.
§ 1. De handelingen en werken worden :
1° ofwel onderworpen aan een [3 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]3;
2° ofwel onderworpen aan een [3 stedenbouwkundige vergunning of vergunning voor groepen van bouwwerken]3;
[1 3°]1 [2 ofwel niet betroffen door of vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning en onderworpen aan de erfgoedvergunning vermeld in artikel 13 van het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en landschappen en betreffende de opgravingen, hierna 'erfgoeddecreet' genoemd;]2
5° [1 ...]1
[3 Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :
1° ontsluitingsvergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om een goed te bebouwen, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking;
2° bebouwing van een goed: uitvoering van een stedenbouwkundige conceptie m.b.t. een gezamenlijk project betreffende een goed dat minstens in drie onbebouwde, voor bewoning bestemde kavels opgedeeld moet worden.
Het gezamenlijk project beoogt hoofdzakelijk het optrekken van gebouwen die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning en, in voorkomend geval, de bouw of de inrichting van openbare of gemeenschappelijke ruimten, technische infrastructuren of gebouwen waarin functies ondergebracht zijn die als aanvulling op de woonfunctie dienen.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek.
Het gezamenlijk project voldoet aan de bestemming waarvan sprake, zodra meer dan de helft van de gebouwen geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd is;
3° opsplitsingsvergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om een goed op te splitsen in minstens drie onbebouwde, voor bewoning bestemde kavels, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek;
4° stedenbouwkundige vergunning: beslissing waarbij de bevoegde overheid toestemming verleent om handelingen en werken uit te voeren overeenkomstig artikel D.IV.4;
5° stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken: een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag;
6° erfgoedvergunning: beslissing van de Regering in de zin van artikel 13 van het erfgoeddecreet.]3
§ 2. De Regering bepaalt in de vorm van een nomenclatuur de lijst van de handelingen en werken die wegens hun aard of impact op de buurt of het leefmilieu :
1° vrijgesteld worden van de krachtens artikel D.IV.4 vereiste stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben zoals bedoeld in de [4 artikel D.IV.48, eerste lid, 1°]4°;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2]1
[3 In dezelfde nomenclatuur kan de Regering de lijst van de handelingen en werken vastleggen die alleen als handelingen en werken met een beperkte impact in de zin van [4 artikel D.IV.48, eerste lid, 1°]4, beschouwd worden, als ze binnen het toepassingsgebied van een gewestelijke leidraad voor stedenbouw vallen.]3
§ 3. Ieder die erom verzoekt, krijgt :
1° een stedenbouwkundig attest nr.1 dat de inlichtingen betreffende de stedenbouwkundige toestand van een onroerend goed omvat;
2° een stedenbouwkundig attest nr. 2 dat naast de inlichtingen die zijn opgenomen in het attest nr. 1, een beoordeling bevat van het gemeentecollege en van [2 de Regering]2 met betrekking tot de door de aanvrager geplande handelingen en werken.
Art. D. IV.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Les actes et travaux sont :
1° soit soumis à [3 permis d'urbaniser ou de diviser]3;
2° soit soumis à permis d'urbanisme [3 ou permis d'urbanisme de constructions groupées]3;
[1 3°]1 [2 soit non concernés ou exonérés de permis d'urbanisme et soumis au permis de patrimoine mentionné à l'article 13 du décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et paysages culturels historiques, ainsi qu'aux fouilles, ci-après dénommé "décret sur le patrimoine".]2
5°[1 ...]1
[3 Pour l'application du présent Code, il faut entendre par :
1° permis d'urbaniser : la décision de l'autorité compétente autorisant l'urbanisation d'un bien, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente;
2° urbanisation d'un bien : la mise en oeuvre d'une conception urbanistique portant sur un projet d'ensemble relatif à un bien à diviser en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation.
Le projet d'ensemble vise principalement la construction de bâtiments destinés, en tout ou en partie, à l'habitation ou le placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou en partie, à l'habitation ainsi que, le cas échéant, la construction ou l'aménagement d'espaces publics ou collectifs, d'infrastructures techniques ou de bâtiments abritant des fonctions complémentaires à l'habitat.
La division susvisée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque.
Le projet d'ensemble répond à l'affectation précitée lorsque plus de la moitié des bâtiments créés sont destinés en tout ou partie à l'habitation;
3° permis de diviser : la décision de l'autorité compétente autorisant la division d'un bien en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente.
La division susvisée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque;
4° permis d'urbanisme : la décision de l'autorité compétente autorisant la réalisation des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4;
5° permis d'urbanisme de constructions groupées : le permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, destinées en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement, et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande;
6° permis de patrimoine : la décision du Gouvernement au sens de l'article 13 du décret sur le patrimoine.]3
§ 2. Le Gouvernement arrête, sous forme de nomenclature, la liste des actes et travaux qui, en raison de leur nature ou de leur impact sur le voisinage ou l'environnement :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme requis en vertu de l'article D.IV.4;
2° sont d'impact limité tels que visés [4 à l'article D.IV.48, alinéa 1er, 1°]4;
3° ne requièrent pas l'intervention [3 ...]3 d'un architecte.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2]1
[3 Dans la même nomenclature, le Gouvernement peut fixer la liste des actes et travaux qui seront alors considérés comme étant à effets limités au sens [4 de l'article D.IV.48, alinéa 1er, 1°]4, s'ils relèvent du champ d'application d'un guide régional d'urbanisme.]3
§ 3. Quiconque en fait la demande obtient:
1° un certificat d'urbanisme n° 1 qui contient les informations relatives à la situation urbanistique d'un bien immobilier;
2° un certificat d'urbanisme n° 2 qui contient, outre les informations du certificat d'urbanisme n° 1, une appréciation du collège communal ou du [2 Gouvernement]2 sur les actes et travaux projetés par le demandeur.
§ 1er. Les actes et travaux sont :
1° soit soumis à [3 permis d'urbaniser ou de diviser]3;
2° soit soumis à permis d'urbanisme [3 ou permis d'urbanisme de constructions groupées]3;
[1 3°]1 [2 soit non concernés ou exonérés de permis d'urbanisme et soumis au permis de patrimoine mentionné à l'article 13 du décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et paysages culturels historiques, ainsi qu'aux fouilles, ci-après dénommé "décret sur le patrimoine".]2
5°[1 ...]1
[3 Pour l'application du présent Code, il faut entendre par :
1° permis d'urbaniser : la décision de l'autorité compétente autorisant l'urbanisation d'un bien, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente;
2° urbanisation d'un bien : la mise en oeuvre d'une conception urbanistique portant sur un projet d'ensemble relatif à un bien à diviser en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation.
Le projet d'ensemble vise principalement la construction de bâtiments destinés, en tout ou en partie, à l'habitation ou le placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou en partie, à l'habitation ainsi que, le cas échéant, la construction ou l'aménagement d'espaces publics ou collectifs, d'infrastructures techniques ou de bâtiments abritant des fonctions complémentaires à l'habitat.
La division susvisée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque.
Le projet d'ensemble répond à l'affectation précitée lorsque plus de la moitié des bâtiments créés sont destinés en tout ou partie à l'habitation;
3° permis de diviser : la décision de l'autorité compétente autorisant la division d'un bien en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente.
La division susvisée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque;
4° permis d'urbanisme : la décision de l'autorité compétente autorisant la réalisation des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4;
5° permis d'urbanisme de constructions groupées : le permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, destinées en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement, et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande;
6° permis de patrimoine : la décision du Gouvernement au sens de l'article 13 du décret sur le patrimoine.]3
§ 2. Le Gouvernement arrête, sous forme de nomenclature, la liste des actes et travaux qui, en raison de leur nature ou de leur impact sur le voisinage ou l'environnement :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme requis en vertu de l'article D.IV.4;
2° sont d'impact limité tels que visés [4 à l'article D.IV.48, alinéa 1er, 1°]4;
3° ne requièrent pas l'intervention [3 ...]3 d'un architecte.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2]1
[3 Dans la même nomenclature, le Gouvernement peut fixer la liste des actes et travaux qui seront alors considérés comme étant à effets limités au sens [4 de l'article D.IV.48, alinéa 1er, 1°]4, s'ils relèvent du champ d'application d'un guide régional d'urbanisme.]3
§ 3. Quiconque en fait la demande obtient:
1° un certificat d'urbanisme n° 1 qui contient les informations relatives à la situation urbanistique d'un bien immobilier;
2° un certificat d'urbanisme n° 2 qui contient, outre les informations du certificat d'urbanisme n° 1, une appréciation du collège communal ou du [2 Gouvernement]2 sur les actes et travaux projetés par le demandeur.
HOOFDSTUK II. - Handelingen die onderworpen zijn aan een bebouwingsvergunning
CHAPITRE II. - Actes soumis à permis d'urbanisation
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - HANDELINGEN DIE EEN ONTSLUITINGSVERGUNNING OF OPSPLITSINGSVERGUNNING VEREISEN]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Actes soumis à permis d'urbaniser ou à permis de diviser]1
Art. D. IV.2. § 1. De bebouwing van een goed, met inbegrip de dienovereenkomstige bevordering of reclame, wordt onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van de bevoegde overheid.
De bebouwing van een goed bestaat in de uitvoering van een stedenbouwkundige conceptie m.b.t. een gezamenlijk project betreffende een goed dat minstens in drie onbebouwde kavels, bestemd voor bewoning, opgedeeld moet worden. Het gezamenlijk project beoogt hoofdzakelijk het optrekken van gebouwen die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning en, in voorkomend geval, de bouw of de inrichting van openbare of gemeenschappelijke ruimten, technische infrastructuren of gebouwen waarin functies ondergebracht zijn die als aanvulling op de woonfunctie dienen.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek of het onderpand.
Het gezamenlijk project voldoet aan de in het tweede lid bedoelde bestemming zodra meer dan de helft van de gebouwen geheel of gedeeltelijk oor bewoning bestemd zijn.
§ 2. Op voorstel van de aanvrager of van ambtswege kan de overheid die de bebouwingsvergunning verstrekt van de omtrek van de vergunning uitsluiten, alle of sommige kavels die niet geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het optrekken van een woning of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning of die voor die bestemming ongeschikt zijn wegens een technische of een juridische reden of nog die reeds gebouwd of gebruikt zijn voor de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, indien zij acht dat er geen belang is om desbetreffende voorschriften op te leggen.
De bebouwing van een goed bestaat in de uitvoering van een stedenbouwkundige conceptie m.b.t. een gezamenlijk project betreffende een goed dat minstens in drie onbebouwde kavels, bestemd voor bewoning, opgedeeld moet worden. Het gezamenlijk project beoogt hoofdzakelijk het optrekken van gebouwen die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning en, in voorkomend geval, de bouw of de inrichting van openbare of gemeenschappelijke ruimten, technische infrastructuren of gebouwen waarin functies ondergebracht zijn die als aanvulling op de woonfunctie dienen.
De opdeling waarvan sprake is de indeling die uitgevoerd wordt bij iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht, met uitsluiting van de hypotheek of het onderpand.
Het gezamenlijk project voldoet aan de in het tweede lid bedoelde bestemming zodra meer dan de helft van de gebouwen geheel of gedeeltelijk oor bewoning bestemd zijn.
§ 2. Op voorstel van de aanvrager of van ambtswege kan de overheid die de bebouwingsvergunning verstrekt van de omtrek van de vergunning uitsluiten, alle of sommige kavels die niet geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het optrekken van een woning of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning of die voor die bestemming ongeschikt zijn wegens een technische of een juridische reden of nog die reeds gebouwd of gebruikt zijn voor de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, indien zij acht dat er geen belang is om desbetreffende voorschriften op te leggen.
Art. D. IV.2. § 1er. Est soumise à permis d'urbanisation préalable, écrit et exprès de l'autorité compétente, l'urbanisation d'un bien, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente.
L'urbanisation d'un bien consiste à mettre en oeuvre une conception urbanistique portant sur un projet d'ensemble relatif à un bien à diviser en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation. Le projet d'ensemble vise principalement la construction de bâtiments destinés, en tout ou en partie, à l'habitation ou le placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou en partie, à l'habitation ainsi que, le cas échéant, la construction ou l'aménagement d'espaces publics ou collectifs, d'infrastructures techniques ou de bâtiments abritant des fonctions complémentaires à l'habitat.
La division visée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque ou de l'antichrèse.
Le projet d'ensemble répond à l'affectation visée à l'alinéa 2 lorsque plus de la moitié des bâtiments créés sont destinés en tout ou partie à l'habitation.
§ 2. A la suggestion du demandeur ou d'office, l'autorité qui délivre le permis d'urbanisation peut exclure du périmètre du permis tous ou certains des lots non destinés, en tout ou en partie, à la construction d'une habitation ou au placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout en partie, pour l'habitation ou inaptes à cette destination pour une raison technique ou juridique ou encore déjà construits ou utilisés pour le placement d'une installation fixe ou mobile au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, lorsqu'elle estime qu'il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions relatives à ceux-ci.
L'urbanisation d'un bien consiste à mettre en oeuvre une conception urbanistique portant sur un projet d'ensemble relatif à un bien à diviser en au moins trois lots non bâtis destinés à l'habitation. Le projet d'ensemble vise principalement la construction de bâtiments destinés, en tout ou en partie, à l'habitation ou le placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou en partie, à l'habitation ainsi que, le cas échéant, la construction ou l'aménagement d'espaces publics ou collectifs, d'infrastructures techniques ou de bâtiments abritant des fonctions complémentaires à l'habitat.
La division visée est celle qui est réalisée par tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, à l'exclusion de l'hypothèque ou de l'antichrèse.
Le projet d'ensemble répond à l'affectation visée à l'alinéa 2 lorsque plus de la moitié des bâtiments créés sont destinés en tout ou partie à l'habitation.
§ 2. A la suggestion du demandeur ou d'office, l'autorité qui délivre le permis d'urbanisation peut exclure du périmètre du permis tous ou certains des lots non destinés, en tout ou en partie, à la construction d'une habitation ou au placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout en partie, pour l'habitation ou inaptes à cette destination pour une raison technique ou juridique ou encore déjà construits ou utilisés pour le placement d'une installation fixe ou mobile au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, lorsqu'elle estime qu'il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions relatives à ceux-ci.
Art. D _IV.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De bebouwing van een goed, met inbegrip de dienovereenkomstige bevordering of reclame, wordt onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke [1 ontsluitingsvergunning]1 van de bevoegde overheid.
[1 ...]1
§ 2. [1 Op voorstel van de aanvrager of van ambtswege kan de overheid die de ontsluitingsvergunning verstrekt, als het opleggen van voorschriften voor de kavels in kwestie volgens haar niet relevant is, van de omtrek van de vergunning uitsluiten, alle of sommige kavels :
1° die niet geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het optrekken van een woning of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning of die voor die bestemming ongeschikt zijn wegens een technische of een juridische reden;
2° of die reeds bebouwd zijn;
3° of die al gebruikt worden voor de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°.
De beslissing vermeld in het eerste lid kan worden genomen voordat de aanvraag werd ingediend, in de loop van de procedure of gezamenlijk met de beslissing van de overheid over de vergunningsaanvraag.]1
[1 § 3 - In afwijking van paragraaf 1 is geen ontsluitingsvergunning, maar wel een voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke opsplitsingsvergunning vereist voor de opsplitsing van een goed in minstens drie onbebouwde, voor bewoning bestemde of bruikbare kavels, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het goed ligt langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en die breed genoeg is;
2° de opsplitsing vereist geen opening of wijziging van een gemeenteweg, wat niet wegneemt dat stedenbouwkundige lasten kunnen worden opgelegd die een opening of wijziging van een gemeenteweg tot gevolg hebben;
3° de opsplitsing houdt rekening met de ligging en het opleggen van voorschriften voor de kavels in kwestie is niet relevant;
4° de totale oppervlakte van het goed bedraagt maximaal twee hectare.]1
§ 1. De bebouwing van een goed, met inbegrip de dienovereenkomstige bevordering of reclame, wordt onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke [1 ontsluitingsvergunning]1 van de bevoegde overheid.
[1 ...]1
§ 2. [1 Op voorstel van de aanvrager of van ambtswege kan de overheid die de ontsluitingsvergunning verstrekt, als het opleggen van voorschriften voor de kavels in kwestie volgens haar niet relevant is, van de omtrek van de vergunning uitsluiten, alle of sommige kavels :
1° die niet geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het optrekken van een woning of de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie die geheel of gedeeltelijk gebruikt kan worden voor bewoning of die voor die bestemming ongeschikt zijn wegens een technische of een juridische reden;
2° of die reeds bebouwd zijn;
3° of die al gebruikt worden voor de plaatsing van een vaste of verplaatsbare installatie in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°.
De beslissing vermeld in het eerste lid kan worden genomen voordat de aanvraag werd ingediend, in de loop van de procedure of gezamenlijk met de beslissing van de overheid over de vergunningsaanvraag.]1
[1 § 3 - In afwijking van paragraaf 1 is geen ontsluitingsvergunning, maar wel een voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke opsplitsingsvergunning vereist voor de opsplitsing van een goed in minstens drie onbebouwde, voor bewoning bestemde of bruikbare kavels, met inbegrip van de desbetreffende reclame of bekendmaking, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het goed ligt langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en die breed genoeg is;
2° de opsplitsing vereist geen opening of wijziging van een gemeenteweg, wat niet wegneemt dat stedenbouwkundige lasten kunnen worden opgelegd die een opening of wijziging van een gemeenteweg tot gevolg hebben;
3° de opsplitsing houdt rekening met de ligging en het opleggen van voorschriften voor de kavels in kwestie is niet relevant;
4° de totale oppervlakte van het goed bedraagt maximaal twee hectare.]1
Art. D _IV.2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Est soumise à [1 permis d'urbaniser]1 préalable, écrit et exprès de l'autorité compétente, l'urbanisation d'un bien, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente.
[1 ...]1
§ 2. [1 Sur la proposition du demandeur ou d'office, lorsqu'elle estime qu'il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions pour les lots concernés, l'autorité qui délivre le permis d'urbaniser peut exclure du périmètre couvert par le permis tous ou certains des lots :
1° non destinés, en tout ou partie, à la construction d'une habitation ou au placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou partie, pour l'habitation, ou inaptes à cette destination pour une raison technique ou juridique;
2° ou qui sont déjà construits;
3° ou qui sont déjà utilisés pour le placement d'une installation fixe ou mobile au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°.
La décision mentionnée à l'alinéa 1er peut être prise avant le dépôt de la demande, au cours de la procédure ou simultanément à la décision prise par l'autorité quant à la demande de permis.]1
[1 § 3 - Par dérogation au § 1er n'est pas soumise à permis d'urbaniser, mais à permis de diviser préalable écrit et exprès, la division d'un bien en au moins trois lots non bâtis, destinés à l'habitation ou utilisables à cette fin, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le bien est situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en électricité et en eau, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante;
2° la division n'exige pas l'ouverture ou la modification d'une voirie communale, ce qui n'exclut pas l'imposition de charges d'urbanisme ayant pour conséquence l'ouverture ou la modification d'une voirie communale;
3° la division tient compte de la situation des lieux et il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions pour les lots concernés;
4° la superficie totale du bien ne dépasse pas deux hectares.]1
§ 1er. Est soumise à [1 permis d'urbaniser]1 préalable, écrit et exprès de l'autorité compétente, l'urbanisation d'un bien, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente.
[1 ...]1
§ 2. [1 Sur la proposition du demandeur ou d'office, lorsqu'elle estime qu'il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions pour les lots concernés, l'autorité qui délivre le permis d'urbaniser peut exclure du périmètre couvert par le permis tous ou certains des lots :
1° non destinés, en tout ou partie, à la construction d'une habitation ou au placement d'une installation fixe ou mobile pouvant être utilisée, en tout ou partie, pour l'habitation, ou inaptes à cette destination pour une raison technique ou juridique;
2° ou qui sont déjà construits;
3° ou qui sont déjà utilisés pour le placement d'une installation fixe ou mobile au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°.
La décision mentionnée à l'alinéa 1er peut être prise avant le dépôt de la demande, au cours de la procédure ou simultanément à la décision prise par l'autorité quant à la demande de permis.]1
[1 § 3 - Par dérogation au § 1er n'est pas soumise à permis d'urbaniser, mais à permis de diviser préalable écrit et exprès, la division d'un bien en au moins trois lots non bâtis, destinés à l'habitation ou utilisables à cette fin, en ce compris la promotion ou la publicité y afférente, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le bien est situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en électricité et en eau, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante;
2° la division n'exige pas l'ouverture ou la modification d'une voirie communale, ce qui n'exclut pas l'imposition de charges d'urbanisme ayant pour conséquence l'ouverture ou la modification d'une voirie communale;
3° la division tient compte de la situation des lieux et il n'y a pas d'intérêt à imposer des prescriptions pour les lots concernés;
4° la superficie totale du bien ne dépasse pas deux hectares.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.3. Naast de handelingen opgenomen in de lijst, vastgelegd door de Regering wegens de ligging van het project of wegens de oppervlakte ervan, is er geen stedenbouwkundige vergunning vereist voor :
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden;
5° in het kader van een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken :
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de aanmelding bedoeld in artikel D.IV.73 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een bebouwingsvergunning niet;
7° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een te herontwikkelen locatie bedoeld in artikel D.V.1 of van een locatie met herstel van landschap en leefmilieu bedoeld in artikel D.V.7;
8° de verdeling van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in artikel D.V.9;
9° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van heropleving bedoeld in artikel D.V.13.
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden;
5° in het kader van een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken :
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de aanmelding bedoeld in artikel D.IV.73 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een bebouwingsvergunning niet;
7° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een te herontwikkelen locatie bedoeld in artikel D.V.1 of van een locatie met herstel van landschap en leefmilieu bedoeld in artikel D.V.7;
8° de verdeling van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in artikel D.V.9;
9° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van heropleving bedoeld in artikel D.V.13.
Art. D. IV.3.Outre les actes repris dans la liste arrêtée par le Gouvernement en raison de la localisation du projet ou de sa superficie, ne sont pas soumis à permis d'urbanisation :
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres;
5° dans le cadre d'un permis d'urbanisme de constructions groupées :
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la déclaration visée à l'article D.IV.73 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui [1 ne compromettent pas]1 les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un permis d'urbanisation;
7° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.V.1 ou d'un site de réhabilitation paysagère et envionnementale visé à l'article D.V.7;
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article D.V. 9;
9° la division d'un bien sis dans le périmètre de revitalisation visé à l'article D.V.13.
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres;
5° dans le cadre d'un permis d'urbanisme de constructions groupées :
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la déclaration visée à l'article D.IV.73 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui [1 ne compromettent pas]1 les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un permis d'urbanisation;
7° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.V.1 ou d'un site de réhabilitation paysagère et envionnementale visé à l'article D.V.7;
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article D.V. 9;
9° la division d'un bien sis dans le périmètre de revitalisation visé à l'article D.V.13.
Wijzigingen
Art. D _IV.3.TOEKOMSTIG_RECHT.
Naast de handelingen opgenomen in de lijst, vastgelegd door de Regering wegens de ligging van het project of wegens de oppervlakte ervan, is er geen stedenbouwkundige vergunning vereist voor :
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° [1 in een centrumgebied dat door een ontwikkelingsplan wordt afgebakend, de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn en voor zover de bebouwing van de door de verdeling gecreëerde kavels niet gepaard gaat met de opening of wijziging van een weg, wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden]1;
5° in het kader van een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken :
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de aanmelding bedoeld in artikel D.IV.73 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een bebouwingsvergunning niet;
7° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een te herontwikkelen locatie bedoeld in artikel D.V.1 of van een locatie met herstel van landschap en leefmilieu bedoeld in artikel D.V.7;
8° de verdeling van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in artikel D.V.9;
9° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van heropleving bedoeld in artikel D.V.13.
Naast de handelingen opgenomen in de lijst, vastgelegd door de Regering wegens de ligging van het project of wegens de oppervlakte ervan, is er geen stedenbouwkundige vergunning vereist voor :
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° [1 in een centrumgebied dat door een ontwikkelingsplan wordt afgebakend, de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn en voor zover de bebouwing van de door de verdeling gecreëerde kavels niet gepaard gaat met de opening of wijziging van een weg, wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden]1;
5° in het kader van een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken :
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de aanmelding bedoeld in artikel D.IV.73 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een bebouwingsvergunning niet;
7° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van een te herontwikkelen locatie bedoeld in artikel D.V.1 of van een locatie met herstel van landschap en leefmilieu bedoeld in artikel D.V.7;
8° de verdeling van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in artikel D.V.9;
9° de verdeling van een goed gelegen binnen de omtrek van heropleving bedoeld in artikel D.V.13.
Art. D _IV.3.DROIT_FUTUR.
Outre les actes repris dans la liste arrêtée par le Gouvernement en raison de la localisation du projet ou de sa superficie, ne sont pas soumis à permis d'urbanisation :
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° [2 dans une centralité identifiée dans un schéma, la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées puissent être rencontrées pour le bien concerné, et que l'urbanisation des lots créés par la division n'implique pas d'ouverture ou de modification de voirie, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres]2;
5° dans le cadre d'un permis d'urbanisme de constructions groupées :
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la déclaration visée à l'article D.IV.73 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui [1 ne compromettent pas]1 les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un permis d'urbanisation;
7° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.V.1 ou d'un site de réhabilitation paysagère et envionnementale visé à l'article D.V.7;
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article D.V. 9;
9° la division d'un bien sis dans le périmètre de revitalisation visé à l'article D.V.13.
Outre les actes repris dans la liste arrêtée par le Gouvernement en raison de la localisation du projet ou de sa superficie, ne sont pas soumis à permis d'urbanisation :
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° [2 dans une centralité identifiée dans un schéma, la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées puissent être rencontrées pour le bien concerné, et que l'urbanisation des lots créés par la division n'implique pas d'ouverture ou de modification de voirie, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres]2;
5° dans le cadre d'un permis d'urbanisme de constructions groupées :
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la déclaration visée à l'article D.IV.73 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui [1 ne compromettent pas]1 les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un permis d'urbanisation;
7° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.V.1 ou d'un site de réhabilitation paysagère et envionnementale visé à l'article D.V.7;
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article D.V. 9;
9° la division d'un bien sis dans le périmètre de revitalisation visé à l'article D.V.13.
Art. D _IV.3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Naast de handelingen opgenomen in de lijst, vastgelegd door de Regering wegens de ligging van het project of wegens de oppervlakte ervan, is er geen [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist voor :
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden;
5° [1 in het kader van een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie, die een geheel vormen en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag, hierna "stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken" genoemd :]1
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de [2 verklaring bedoeld in artikel D.IV.73.1 of D.VII.1ter]2 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de [1 opsplitsing]1 van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 niet;
7° [1 de opsplitsing van een goed gelegen binnen de omtrek voor een saneringslocatie bedoeld in artikel D.II.57.1;]1
8° de [1 opsplitsing]1 van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in [1 artikel D.II.57.1]1;
9° [1 ...]1
Naast de handelingen opgenomen in de lijst, vastgelegd door de Regering wegens de ligging van het project of wegens de oppervlakte ervan, is er geen [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist voor :
1° de schenkingsakten;
2° de onopzettelijke daden;
3° de akten van verdeling om uit een onverdeeldheid van erfrechten te treden, ook na omzetting van het vruchtgebruik van de overlevende echtgenoot, op voorwaarde dat er niet meer kavels dan mede-erfgenamen zijn;
4° de verdeling van een goed gelegen langs een openbare weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn wanneer het goed sinds minstens vijf jaar gelegen is tussen twee bestaande gebouwen gelegen langs de weg en aan dezelfde kant van de openbare weg en die op maximum honderd meter afstand van elkaar liggen; een gebouw gelegen op het te bebouwen goed kan voor de berekening van de honderd meter in aanmerking genomen worden;
5° [1 in het kader van een stedenbouwkundige vergunning die meerdere al dan niet aanpalende bouwwerken als doel heeft die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning of voor een bijkomende woonfunctie, die een geheel vormen en die het voorwerp kunnen uitmaken van één en dezelfde aanvraag, hierna "stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken" genoemd :]1
a) de afstand van één of meerdere al dan niet bebouwde kavels die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor de woning of voor een bijkomende functie van de woning, in overeenstemming met de in de vergunning bepaalde beperkingen en voor zover het in artikel D.IV.74 bedoelde attest voorafgaandelijk afgegeven is; indien de kavel onbebouwd is, moet de afstand voortvloeien uit een verkoop op plan van een goed in staat van toekomstige voltooiing of van een goed in niet-winddichte ruwbouw, ofwel vergezeld gaan van een uitdrukkelijke verbintenis van de overdrager om de stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken op de betrokken kavel uit te voeren;
b) de aanleg van één of meerdere kavels in overeenstemming met de grenzen vastgelegd in de vergunning, die geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, wanneer minstens twee derde van de bouwwerken het voorwerp hebben uitgemaakt van de [2 verklaring bedoeld in artikel D.IV.73.1 of D.VII.1ter]2 waarbij bevestigd wordt dat de werken zijn uitgevoerd en dat ze overeenstemmen met de verstrekte vergunning of reeds op plan zijn verkocht;
6° de [1 opsplitsing]1 van een goed gelegen binnen de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van het bodembestemmingsplan dat de grenzen bevat van de aan te leggen kavels bestemd voor bewoning voor zover elke kavel voortvloeiend uit de verdeling gelegen is langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging en voor zover de voorwaarden van het Waterwetboek inzake zuivering van afvalwater voor betrokken goed in acht genomen zijn; de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een verwante technische uitrusting te installeren, vereisen het voorafgaandelijk verkrijgen van een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 niet;
7° [1 de opsplitsing van een goed gelegen binnen de omtrek voor een saneringslocatie bedoeld in artikel D.II.57.1;]1
8° de [1 opsplitsing]1 van een goed gelegen binnen de stedelijke verkavelingsomtrek bedoeld in [1 artikel D.II.57.1]1;
9° [1 ...]1
Art. D _IV.3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Outre les actes repris dans la liste arrêtée par le Gouvernement en raison de la localisation du projet ou de sa superficie, ne sont pas soumis à [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 :
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres;
5° [1 dans le cadre d'un permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, mais qui forment un tout, qui sont destinées en tout ou partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande, ci-après dénommé "permis d'urbanisme de constructions groupées" :]1
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la [2 déclaration visée à l'article D.IV.73.1 ou D.VII.1ter]2 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui respectent les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1;
7° [1 la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.II.57.1;]1
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article [1 D.II.57.1]1;
9° [1 ...]1
Outre les actes repris dans la liste arrêtée par le Gouvernement en raison de la localisation du projet ou de sa superficie, ne sont pas soumis à [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 :
1° les actes de donation;
2° les actes involontaires;
3° les actes de partage pour sortir d'une indivision successorale y compris après conversion de l'usufruit du conjoint survivant, à la condition qu'il n'y ait pas plus de lots que de copartageants;
4° la division d'un bien situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné, lorsque le bien est sis entre deux bâtiments existants depuis au moins cinq ans, situés à front de voirie et du même côté de la voirie publique et distants l'un de l'autre de cent mètres maximum; un bâtiment situé sur le bien à urbaniser peut être pris en considération pour le calcul des cent mètres;
5° [1 dans le cadre d'un permis d'urbanisme qui a pour objet plusieurs constructions, mitoyennes ou non, mais qui forment un tout, qui sont destinées en tout ou partie à l'habitation ou à une fonction accessoire du logement et qui peuvent faire l'objet d'une seule et même demande, ci-après dénommé "permis d'urbanisme de constructions groupées" :]1
a) la cession d'un ou plusieurs lots bâtis ou non destinés en tout ou en partie à l'habitation ou à une fonction accessoire de celle-ci, conforme aux limites fixées dans le permis, et ce pour autant qu'ait été délivré, préalablement, le certificat visé à l'article D.IV.74; si le lot est non bâti, la cession doit soit résulter d'une vente sur plan d'un bien en état de futur achèvement ou d'un bien en état de gros oeuvre achevé non fermé, soit s'accompagner d'un engagement exprès du cessionnaire de mettre en oeuvre le permis d'urbanisme de constructions groupées sur le lot concerné;
b) la création d'un ou plusieurs lots, conformes aux limites fixées dans le permis, destinés en tout ou en partie à l'habitation lorsqu'au moins deux tiers des constructions ont fait l'objet de la [2 déclaration visée à l'article D.IV.73.1 ou D.VII.1ter]2 certifiant que les travaux sont réalisés et conformes au permis délivré ou sont vendues sur plan;
6° la division d'un bien sis dans le périmètre d'un schéma d'orientation local ou de la carte d'affectation des sols comportant les limites des lots à créer destinés à l'habitation pour autant que chaque lot résultant de la division soit situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et pour autant que les conditions du Code de l'Eau en matière d'épuration des eaux usées soient rencontrées pour le bien concerné; la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots qui respectent les objectifs visés à l'article D.II.11, § 2, 1°, ainsi que la création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique connexe ne nécessitent pas l'obtention préalable d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1;
7° [1 la division d'un bien sis dans le périmètre d'un site à réaménager visé à l'article D.II.57.1;]1
8° la division d'un bien sis dans le périmètre de remembrement urbain visé à l'article [1 D.II.57.1]1;
9° [1 ...]1
HOOFDSTUK III. - Handelingen en werken onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning
CHAPITRE III. - Actes et travaux soumis à permis d'urbanisme
Art. D. IV.4.De volgende handelingen en werken worden onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van de bevoegde overheid :
1° op een terrein bouwen of het gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties : onder "het bouwen en plaatsen van vaste inrichtingen" wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet-duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden;
2° één of meer uithangborden of reclamezuilen plaatsen;
3° bouwwerken afbreken;
4° heropbouwen;
5° een bestaand gebouw verbouwen; onder "verbouwen" verstaat men de aanleg- en inrichtingswerken, daarbij inbegrepen de instandhoudings- of onderhoudswerken die schade toebrengen aan de draagstructuren van het gebouw of het bouwwerk of die een wijziging van het gebouwde volume of de architectuur als gevolg hebben;
6° een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk;
7° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, ook door de creatie in een bestaand bouwwerk van een toeristische logiesverstrekkende inrichting of van een kamer die als studentenkamer wordt bewoond, voor zover deze verbouwing voorkomt op een lijst die de Regering heeft opgemaakt met inachtneming van de volgende criteria :
a) de weerslag op de omgeving;
b) de hoofdfunctie van het gebouw;
8° [4 een handelszaak vestigen op een van de volgende manieren:
a) een nieuwbouw oprichten waarin een detailhandelszaak met een netto-handelsoppervlakte van meer dan 400 m2 gevestigd moet worden;
b) een winkelcentrumproject uitvoeren dat beantwoordt aan de oppervlakte omschreven onder a), namelijk een verzameling kleinhandelsvestigingen die al dan niet in afzonderlijke gebouwen gelegen zijn, ongeacht of de promotor, eigenaar, uitbater of vergunningshouder ervan éénzelfde persoon is of niet, die op één zelfde plaats gelegen zijn en tussen welke er een juridische of feitelijke band bestaat, met name op financieel, commercieel of materieel vlak of die onderworpen zijn aan een gemeenschappelijke overlegprocedure voor stedenbouwkundige vergunningen of globale vergunningen;
c) in een detailhandelszaak of winkelcentrum dat reeds de onder a) omschreven oppervlakte heeft bereikt, of deze als gevolg van het project overschrijdt, een project uitvoeren ter uitbreiding van de bestaande netto winkeloppervlakte met meer dan twintig procent, of met meer dan driehonderd vierkante meter extra netto winkeloppervlakte;
d) een project uitvoeren voor de uitbating van één of meerdere handelsvestigingen of een winkelcentrum dat beantwoordt aan de oppervlakte omschreven onder a) in een bestaand pand dat niet was gebruikt voor een handelsactiviteit;
e) de aard van de handelsactiviteit van een kleinhandelsvestiging of een winkelcentrum aanzienlijk veranderen in een pand dat reeds voor de handel wordt gebruikt en dat de oppervlakte omschreven onder a) overschrijdt]4;
9° het bodemreliëf merkbaar wijzigen; de Regering kan het begrip "merkbare wijziging van het bodemreliëf" bepalen;
10° bebossen of ontbossen; er is evenwel geen vergunning nodig voor de bosbouw in bosgebieden;
11° vellen :
a) losstaande hoogstammige bomen vellen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht;
b) [4 geheel of gedeeltelijk]4 hagen of paden waarvan de Regering de eigenschappen naar gelang van hun lengte, [4 hun intrinsieke afmetingen, het aantal planten, de afstand tussen planten,]4 hun zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte of hun soorten bepaalt;
12° [4 een opmerkelijke boom, struik of haag vellen, schade toebrengen aan hun wortelstelsel of het uitzicht ervan wijzigen hetzij omdat laatstgenoemde opgenomen wordt op een lijst bepaald door de Regering, hetzij omdat hij de door de Regering vastgestelde kenmerken vertoont inzake lengte, intrinsieke afmetingen, aantal planten, afstand tussen de planten, zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte of hun soorten]4;
13° de plantengroei verwijderen of wijzigen in elk gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht, met uitzondering van de tenuitvoerlegging van een bijzonder plan voor het beheer van een domaniaal natuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, van het plan voor het beheer van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of van het plan voor het actief beheer van een Natura 2000-locatie bedoeld in artikel 27 van dezelfde wet;
14° in sommige zones en volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten, kerstbomen telen;
15° een terrein doorgaans gebruiken voor :
a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
b) [4 de plaatsing van een of meer mobiele installaties, met inbegrip van microwoningen zoals gedefinieerd in artikel 1, 40°, van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen, met uitzondering evenwel van mobiele installaties die toegelaten zijn door het Waalse Toerismewetboek f het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van kampeer-carvanterreinen]4;
16° [3 ...]3
[2 17° een veiligheidsvoorziening voor een uitgang of een beveiligde mijnschacht bedekken of wijzigen.]2
Onder "een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk in de zin van 6°" wordt verstaan : het inrichten, met of zonder handelingen en werken, van een nieuw geheel bestaande uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties van de woonst, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, bewoond als gewone verblijfplaats of als studentenkamer en geheel of gedeeltelijk voorbehouden voor het privatief en uitsluitend gebruik van één of meerdere personen die samenwonen, ongeacht of ze een familieband hebben, of niet.
De inrichting van één enkele kamer die in de zin van 7° als studentenkamer wordt bewoond bij een gastheer wordt niet onderworpen aan een vergunning.
[4 De gemeenteraad kan bij beraadslaging de volgende elementen aan een vergunning onderwerpen:
1° handelingen en werken die niet bedoeld zijn in het eerste lid, voor zover ze niet zijn vrijgesteld en zodra deze er de noodzaak van verantwoordt onder verwijzing naar de inhoud van zijn gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
2° de vestiging van een handelszaak op een van de wijzen, vermeld in lid 1, 8°, met een netto handelsoppervlakte van meer dan tweehonderd vierkante meter.]4
[4 De Regering kan de drempels van lid 1, 8°, c), waarboven een project voor de uitbreiding van een handelszaak of winkelcentrum onderworpen is aan een stedenbouwkundige vergunning, verlagen. Zij kan deze drempels ook verlagen naar gelang van de categorie van de bestaande handel of het project en de ligging ervan.]4
1° op een terrein bouwen of het gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties : onder "het bouwen en plaatsen van vaste inrichtingen" wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet-duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden;
2° één of meer uithangborden of reclamezuilen plaatsen;
3° bouwwerken afbreken;
4° heropbouwen;
5° een bestaand gebouw verbouwen; onder "verbouwen" verstaat men de aanleg- en inrichtingswerken, daarbij inbegrepen de instandhoudings- of onderhoudswerken die schade toebrengen aan de draagstructuren van het gebouw of het bouwwerk of die een wijziging van het gebouwde volume of de architectuur als gevolg hebben;
6° een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk;
7° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, ook door de creatie in een bestaand bouwwerk van een toeristische logiesverstrekkende inrichting of van een kamer die als studentenkamer wordt bewoond, voor zover deze verbouwing voorkomt op een lijst die de Regering heeft opgemaakt met inachtneming van de volgende criteria :
a) de weerslag op de omgeving;
b) de hoofdfunctie van het gebouw;
8° [4 een handelszaak vestigen op een van de volgende manieren:
a) een nieuwbouw oprichten waarin een detailhandelszaak met een netto-handelsoppervlakte van meer dan 400 m2 gevestigd moet worden;
b) een winkelcentrumproject uitvoeren dat beantwoordt aan de oppervlakte omschreven onder a), namelijk een verzameling kleinhandelsvestigingen die al dan niet in afzonderlijke gebouwen gelegen zijn, ongeacht of de promotor, eigenaar, uitbater of vergunningshouder ervan éénzelfde persoon is of niet, die op één zelfde plaats gelegen zijn en tussen welke er een juridische of feitelijke band bestaat, met name op financieel, commercieel of materieel vlak of die onderworpen zijn aan een gemeenschappelijke overlegprocedure voor stedenbouwkundige vergunningen of globale vergunningen;
c) in een detailhandelszaak of winkelcentrum dat reeds de onder a) omschreven oppervlakte heeft bereikt, of deze als gevolg van het project overschrijdt, een project uitvoeren ter uitbreiding van de bestaande netto winkeloppervlakte met meer dan twintig procent, of met meer dan driehonderd vierkante meter extra netto winkeloppervlakte;
d) een project uitvoeren voor de uitbating van één of meerdere handelsvestigingen of een winkelcentrum dat beantwoordt aan de oppervlakte omschreven onder a) in een bestaand pand dat niet was gebruikt voor een handelsactiviteit;
e) de aard van de handelsactiviteit van een kleinhandelsvestiging of een winkelcentrum aanzienlijk veranderen in een pand dat reeds voor de handel wordt gebruikt en dat de oppervlakte omschreven onder a) overschrijdt]4;
9° het bodemreliëf merkbaar wijzigen; de Regering kan het begrip "merkbare wijziging van het bodemreliëf" bepalen;
10° bebossen of ontbossen; er is evenwel geen vergunning nodig voor de bosbouw in bosgebieden;
11° vellen :
a) losstaande hoogstammige bomen vellen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht;
b) [4 geheel of gedeeltelijk]4 hagen of paden waarvan de Regering de eigenschappen naar gelang van hun lengte, [4 hun intrinsieke afmetingen, het aantal planten, de afstand tussen planten,]4 hun zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte of hun soorten bepaalt;
12° [4 een opmerkelijke boom, struik of haag vellen, schade toebrengen aan hun wortelstelsel of het uitzicht ervan wijzigen hetzij omdat laatstgenoemde opgenomen wordt op een lijst bepaald door de Regering, hetzij omdat hij de door de Regering vastgestelde kenmerken vertoont inzake lengte, intrinsieke afmetingen, aantal planten, afstand tussen de planten, zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte of hun soorten]4;
13° de plantengroei verwijderen of wijzigen in elk gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht, met uitzondering van de tenuitvoerlegging van een bijzonder plan voor het beheer van een domaniaal natuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, van het plan voor het beheer van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of van het plan voor het actief beheer van een Natura 2000-locatie bedoeld in artikel 27 van dezelfde wet;
14° in sommige zones en volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten, kerstbomen telen;
15° een terrein doorgaans gebruiken voor :
a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
b) [4 de plaatsing van een of meer mobiele installaties, met inbegrip van microwoningen zoals gedefinieerd in artikel 1, 40°, van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen, met uitzondering evenwel van mobiele installaties die toegelaten zijn door het Waalse Toerismewetboek f het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van kampeer-carvanterreinen]4;
16° [3 ...]3
[2 17° een veiligheidsvoorziening voor een uitgang of een beveiligde mijnschacht bedekken of wijzigen.]2
Onder "een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk in de zin van 6°" wordt verstaan : het inrichten, met of zonder handelingen en werken, van een nieuw geheel bestaande uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties van de woonst, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, bewoond als gewone verblijfplaats of als studentenkamer en geheel of gedeeltelijk voorbehouden voor het privatief en uitsluitend gebruik van één of meerdere personen die samenwonen, ongeacht of ze een familieband hebben, of niet.
De inrichting van één enkele kamer die in de zin van 7° als studentenkamer wordt bewoond bij een gastheer wordt niet onderworpen aan een vergunning.
[4 De gemeenteraad kan bij beraadslaging de volgende elementen aan een vergunning onderwerpen:
1° handelingen en werken die niet bedoeld zijn in het eerste lid, voor zover ze niet zijn vrijgesteld en zodra deze er de noodzaak van verantwoordt onder verwijzing naar de inhoud van zijn gemeentelijke leidraad voor stedenbouw;
2° de vestiging van een handelszaak op een van de wijzen, vermeld in lid 1, 8°, met een netto handelsoppervlakte van meer dan tweehonderd vierkante meter.]4
[4 De Regering kan de drempels van lid 1, 8°, c), waarboven een project voor de uitbreiding van een handelszaak of winkelcentrum onderworpen is aan een stedenbouwkundige vergunning, verlagen. Zij kan deze drempels ook verlagen naar gelang van de categorie van de bestaande handel of het project en de ligging ervan.]4
Art. D. IV.4.Sont soumis à permis d'urbanisme préalable écrit et exprès, de l'autorité compétente, les actes et travaux suivants :
1° construire, ou utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes; par "construire ou placer des installations fixes", on entend le fait d'ériger un bâtiment ou un ouvrage, ou de placer une installation, même en matériaux non durables, qui est incorporé au sol, ancré à celui-ci ou dont l'appui assure la stabilité, destiné à rester en place alors même qu'il peut être démonté ou déplacé;
2° placer une ou plusieurs enseignes, ou un ou plusieurs dispositifs de publicité;
3° démolir une construction;
4° reconstruire;
5° transformer une construction existante; par "transformer", on entend les travaux d'aménagement intérieur ou extérieur d'un bâtiment ou d'un ouvrage, en ce compris les travaux de conservation et d'entretien, qui portent atteinte à ses structures portantes ou qui impliquent une modification de son volume construit ou de son aspect architectural;
6° créer un nouveau logement dans une construction existante;
7° modifier la destination de tout ou partie d'un bien, en ce compris par la création dans une construction existante d'un hébergement touristique ou d'une chambre occupée à titre de kot, pour autant que cette modification figure sur une liste arrêtée par le Gouvernement en tenant compte des critères suivants :
a) l'impact sur l'espace environnant;
b) la fonction principale du bâtiment;
8° [4 implanter un commerce de l'une des manières suivantes :
a) réaliser une construction nouvelle qui prévoit l'implantation d'un établissement de commerce de détail d'une surface commerciale nette supérieure à quatre cents mètres carrés;
b) réaliser un projet d'ensemble commercial répondant à la surface définie au a), c'est-à-dire un ensemble d'établissements de commerce de détail, qu'ils soient situés ou non dans des bâtiments séparés et qu'une même personne en soit ou non le promoteur, le propriétaire, l'exploitant ou le titulaire du permis, qui sont réunis sur un même site et entre lesquels il existe un lien de droit ou de fait, notamment sur le plan financier, commercial ou matériel ou qui font l'objet d'une procédure commune concertée en matière de permis d'urbanisme ou de permis unique;
c) dans un établissement de commerce de détail ou un ensemble commercial ayant déjà atteint la surface définie au a) ou la dépassant par la réalisation du projet, réaliser un projet d'extension de plus de vingt pour cent de la surface commerciale nette existante, ou de plus trois-cent mètres carrés de surface commerciale nette supplémentaire;
d) réaliser un projet d'exploitation d'un ou plusieurs établissements de commerce de détail ou d'un ensemble commercial répondant à la surface définie au a) dans un immeuble existant qui n'était pas affecté à une activité commerciale;
e) modifier de manière importante la nature de l'activité commerciale d'un établissement de commerce de détail ou d'un ensemble commercial dans un immeuble déjà affecté à des fins commerciales existant et répondant à la surface définie au a)]4;
9° modifier sensiblement le relief du sol; le Gouvernement peut définir la notion de modification sensible du relief du sol;
10° boiser ou déboiser; toutefois, la sylviculture dans la zone forestière n'est pas soumise à permis;
11° abattre :
a) des arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur;
b) [4 en tout ou en partie]4 des haies ou des allées dont le Gouvernement arrête les caractéristiques en fonction de leur longueur, [4 de leurs dimensions intrinsèques, du nombre de sujets, de l'interdistance entre sujets,]4 de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences;
12° [4 abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable soit parce qu'il figure sur une liste arrêté par le Gouvernement, soit parce qu'il présente les caractéristiques arrêtées par le Gouvernement en fonction de leur longueur, de leurs dimensions intrinsèques, du nombre de sujets, de l'interdistance entre sujets, de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences]4;
13° défricher ou modifier la végétation de toute zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire, à l'exception de la mise en oeuvre du plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, du plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi, ou du plan de gestion active d'un site Natura 2000 visé à l'article 27 de la même loi;
14° cultiver des sapins de Noël dans certaines zones et selon les modalités déterminées par le Gouvernement;
15° utiliser habituellement un terrain pour :
a) le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
b) [4 le placement d'une ou de plusieurs installations mobiles, y compris des habitations légères telles que définies par l'article 1er, 40°, du Code wallon de l'habitation durable, à l'exception toutefois des installations mobiles autorisées par le Code wallon du tourisme ou le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage]4;
16° [3 ...]3.
[2 17° recouvrir ou modifier un dispositif de sécurisation d'une issue ou d'un puit de mine sécurisé.]2
Par créer un nouveau logement dans une construction existante au sens du 6°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces, répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, wc, chambre, occupé à titre de résidence habituelle ou de kot et réservé en tout ou en partie à l'usage privatif et exclusif d'une ou de plusieurs personnes qui vivent ensemble, qu'elles soient unies ou non par un lien familial.
La création d'une seule chambre occupée à titre de kot au sens du 7° chez l'habitant n'est pas soumise à permis.
[4 Par délibération, le conseil communal peut soumettre à permis :
1° les actes et les travaux non visés à l'alinéa 1er, pour autant qu'ils n'en soient pas exonérés et dès lors qu'il en justifie la nécessité par référence au contenu de son guide communal d'urbanisme;
2° l'implantation d'un commerce de l'une des manières visées à l'alinéa 1er, 8°, d'une surface commerciale nette supérieure à deux cents mètres carrés.]4
[4 Le Gouvernement peut abaisser les seuils fixés à l'alinéa 1er, 8°, c), à partir desquels un projet d'extension d'un commerce de détail ou d'un ensemble commercial est soumis à permis. Il peut aussi moduler à la baisse ces seuils en fonction de la catégorie du commerce existant ou du projet et en fonction de sa localisation.]4
1° construire, ou utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes; par "construire ou placer des installations fixes", on entend le fait d'ériger un bâtiment ou un ouvrage, ou de placer une installation, même en matériaux non durables, qui est incorporé au sol, ancré à celui-ci ou dont l'appui assure la stabilité, destiné à rester en place alors même qu'il peut être démonté ou déplacé;
2° placer une ou plusieurs enseignes, ou un ou plusieurs dispositifs de publicité;
3° démolir une construction;
4° reconstruire;
5° transformer une construction existante; par "transformer", on entend les travaux d'aménagement intérieur ou extérieur d'un bâtiment ou d'un ouvrage, en ce compris les travaux de conservation et d'entretien, qui portent atteinte à ses structures portantes ou qui impliquent une modification de son volume construit ou de son aspect architectural;
6° créer un nouveau logement dans une construction existante;
7° modifier la destination de tout ou partie d'un bien, en ce compris par la création dans une construction existante d'un hébergement touristique ou d'une chambre occupée à titre de kot, pour autant que cette modification figure sur une liste arrêtée par le Gouvernement en tenant compte des critères suivants :
a) l'impact sur l'espace environnant;
b) la fonction principale du bâtiment;
8° [4 implanter un commerce de l'une des manières suivantes :
a) réaliser une construction nouvelle qui prévoit l'implantation d'un établissement de commerce de détail d'une surface commerciale nette supérieure à quatre cents mètres carrés;
b) réaliser un projet d'ensemble commercial répondant à la surface définie au a), c'est-à-dire un ensemble d'établissements de commerce de détail, qu'ils soient situés ou non dans des bâtiments séparés et qu'une même personne en soit ou non le promoteur, le propriétaire, l'exploitant ou le titulaire du permis, qui sont réunis sur un même site et entre lesquels il existe un lien de droit ou de fait, notamment sur le plan financier, commercial ou matériel ou qui font l'objet d'une procédure commune concertée en matière de permis d'urbanisme ou de permis unique;
c) dans un établissement de commerce de détail ou un ensemble commercial ayant déjà atteint la surface définie au a) ou la dépassant par la réalisation du projet, réaliser un projet d'extension de plus de vingt pour cent de la surface commerciale nette existante, ou de plus trois-cent mètres carrés de surface commerciale nette supplémentaire;
d) réaliser un projet d'exploitation d'un ou plusieurs établissements de commerce de détail ou d'un ensemble commercial répondant à la surface définie au a) dans un immeuble existant qui n'était pas affecté à une activité commerciale;
e) modifier de manière importante la nature de l'activité commerciale d'un établissement de commerce de détail ou d'un ensemble commercial dans un immeuble déjà affecté à des fins commerciales existant et répondant à la surface définie au a)]4;
9° modifier sensiblement le relief du sol; le Gouvernement peut définir la notion de modification sensible du relief du sol;
10° boiser ou déboiser; toutefois, la sylviculture dans la zone forestière n'est pas soumise à permis;
11° abattre :
a) des arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur;
b) [4 en tout ou en partie]4 des haies ou des allées dont le Gouvernement arrête les caractéristiques en fonction de leur longueur, [4 de leurs dimensions intrinsèques, du nombre de sujets, de l'interdistance entre sujets,]4 de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences;
12° [4 abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable soit parce qu'il figure sur une liste arrêté par le Gouvernement, soit parce qu'il présente les caractéristiques arrêtées par le Gouvernement en fonction de leur longueur, de leurs dimensions intrinsèques, du nombre de sujets, de l'interdistance entre sujets, de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences]4;
13° défricher ou modifier la végétation de toute zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire, à l'exception de la mise en oeuvre du plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, du plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi, ou du plan de gestion active d'un site Natura 2000 visé à l'article 27 de la même loi;
14° cultiver des sapins de Noël dans certaines zones et selon les modalités déterminées par le Gouvernement;
15° utiliser habituellement un terrain pour :
a) le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
b) [4 le placement d'une ou de plusieurs installations mobiles, y compris des habitations légères telles que définies par l'article 1er, 40°, du Code wallon de l'habitation durable, à l'exception toutefois des installations mobiles autorisées par le Code wallon du tourisme ou le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage]4;
16° [3 ...]3.
[2 17° recouvrir ou modifier un dispositif de sécurisation d'une issue ou d'un puit de mine sécurisé.]2
Par créer un nouveau logement dans une construction existante au sens du 6°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces, répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, wc, chambre, occupé à titre de résidence habituelle ou de kot et réservé en tout ou en partie à l'usage privatif et exclusif d'une ou de plusieurs personnes qui vivent ensemble, qu'elles soient unies ou non par un lien familial.
La création d'une seule chambre occupée à titre de kot au sens du 7° chez l'habitant n'est pas soumise à permis.
[4 Par délibération, le conseil communal peut soumettre à permis :
1° les actes et les travaux non visés à l'alinéa 1er, pour autant qu'ils n'en soient pas exonérés et dès lors qu'il en justifie la nécessité par référence au contenu de son guide communal d'urbanisme;
2° l'implantation d'un commerce de l'une des manières visées à l'alinéa 1er, 8°, d'une surface commerciale nette supérieure à deux cents mètres carrés.]4
[4 Le Gouvernement peut abaisser les seuils fixés à l'alinéa 1er, 8°, c), à partir desquels un projet d'extension d'un commerce de détail ou d'un ensemble commercial est soumis à permis. Il peut aussi moduler à la baisse ces seuils en fonction de la catégorie du commerce existant ou du projet et en fonction de sa localisation.]4
Art. D. IV.4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De volgende handelingen en werken worden onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van de bevoegde overheid :
1° op een terrein bouwen of het gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties : onder "het bouwen en plaatsen van vaste [4 installaties]4" wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een [4 installatie]4, zelfs uit niet-duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden;
2° één of meer uithangborden of reclamezuilen plaatsen;
3° bouwwerken afbreken [4 , met uitzondering van het slopen om veiligheidsredenen dat bevolen wordt door de burgemeester in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid van algemene bestuurlijke politie]4;
4° heropbouwen;
5° een [4 bestaand bouwwerk]4 verbouwen; onder "verbouwen" verstaat men de aanleg- en inrichtingswerken, daarbij inbegrepen de instandhoudings- of onderhoudswerken die schade toebrengen aan de draagstructuren van [4 ...]4 het bouwwerk of die een wijziging van het gebouwde volume of de architectuur als gevolg hebben;
6° een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk;
[4 6.1° een nieuwe toeristische logiesverstrekkende inrichting creëren in een bestaand bouwwerk;]4
7° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, ook door de creatie in een bestaand bouwwerk [4 ...]4 van een kamer die als studentenkamer wordt bewoond, voor zover deze verbouwing voorkomt op een lijst die de Regering heeft opgemaakt met inachtneming van de volgende criteria :
a) de weerslag op de omgeving;
b) de hoofdfunctie van het gebouw;
8° de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de toegelaten handelsactiviteiten in een gebouw waarvan de bij stedenbouwkundige vergunning toegelaten bestemming commercieel is, wijzigen; de Regering kan de lijst van die wijzigingen bepalen;
9° het bodemreliëf merkbaar wijzigen; de Regering kan het begrip "merkbare wijziging van het bodemreliëf" bepalen;
10° bebossen of ontbossen; er is evenwel geen vergunning nodig voor de bosbouw in bosgebieden;
11° vellen :
a) losstaande hoogstammige bomen vellen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht;
b) hagen of paden waarvan de Regering de eigenschappen naar gelang van hun lengte, hun zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte of hun soorten bepaalt;
12° [4 een opmerkelijke boom, struik of haag vellen, schade toebrengen aan hun wortelstelsel of het uitzicht ervan wijzigen wanneer ze overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord :
a) op de lijst van opmerkelijke bomen, struiken of hagen zijn opgenomen of;
b) aan de vastgestelde criteria voldoen waaraan bomen, struiken of hagen moeten voldoen om als opmerkelijk te worden beschouwd; de Regering kan nog andere criteria vaststellen.
Overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord wordt een lijst opgemaakt van werken die schade toebrengen aan het wortelstelsel van opmerkelijke bomen, struiken en hagen of die het uitzicht wijzigen van opmerkelijke bomen, struiken en hagen; de Regering kan die lijst aanvullen;]4
13° de plantengroei verwijderen of wijzigen in elk gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht, met uitzondering van de tenuitvoerlegging van een bijzonder plan voor het beheer van een domaniaal natuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, van het plan voor het beheer van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of van het plan voor het actief beheer van een Natura 2000-locatie bedoeld in artikel 27 van dezelfde wet;
14° in sommige zones en volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten, kerstbomen telen;
15° een terrein doorgaans gebruiken voor :
a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van [2 mobiele verblijven die gebruikt worden op een kampeerterrein als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]2;
16° [2 ...]2
[4 17° oppervlakten uit beton of teer herstellen.]4
Onder "een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk in de zin van 6°" wordt verstaan : het inrichten, met of zonder handelingen en werken, van een nieuw geheel bestaande uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties van de woonst, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, bewoond als gewone verblijfplaats of als studentenkamer en geheel of gedeeltelijk voorbehouden voor het privatief en uitsluitend gebruik van één of meerdere personen die samenwonen, ongeacht of ze een familieband hebben, of niet.
[4 Onder 'een nieuwe toeristische logiesverstrekkende inrichting creëren in een bestaand bouwwerk' in de zin van 6.1° wordt verstaan: met of zonder handelingen en werken een nieuw geheel creëren dat bestaat uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties om te wonen, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, en die tegen betaling worden aangeboden aan één of meer toeristen om er te overnachten.
Er is geen vergunning vereist om bij de bewoner één of meer kamers zonder afzonderlijke basisfuncties te creëren die worden gebruikt als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de zin van de bepaling onder 6.1°.]4
De inrichting van één enkele kamer die in de zin van 7° als studentenkamer wordt bewoond bij een gastheer wordt niet onderworpen aan een vergunning.
Voor zover ze er niet van worden vrijgesteld, kunnen de in het eerste lid bedoelde handelingen en werken onderworpen worden aan een vergunning bij beraadslaging van de gemeenteraad zodra deze er de noodzaak van verantwoordt onder verwijzing naar de inhoud van zijn gemeentelijke leidraad voor stedenbouw.
De volgende handelingen en werken worden onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van de bevoegde overheid :
1° op een terrein bouwen of het gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties : onder "het bouwen en plaatsen van vaste [4 installaties]4" wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een [4 installatie]4, zelfs uit niet-duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit, en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden;
2° één of meer uithangborden of reclamezuilen plaatsen;
3° bouwwerken afbreken [4 , met uitzondering van het slopen om veiligheidsredenen dat bevolen wordt door de burgemeester in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid van algemene bestuurlijke politie]4;
4° heropbouwen;
5° een [4 bestaand bouwwerk]4 verbouwen; onder "verbouwen" verstaat men de aanleg- en inrichtingswerken, daarbij inbegrepen de instandhoudings- of onderhoudswerken die schade toebrengen aan de draagstructuren van [4 ...]4 het bouwwerk of die een wijziging van het gebouwde volume of de architectuur als gevolg hebben;
6° een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk;
[4 6.1° een nieuwe toeristische logiesverstrekkende inrichting creëren in een bestaand bouwwerk;]4
7° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, ook door de creatie in een bestaand bouwwerk [4 ...]4 van een kamer die als studentenkamer wordt bewoond, voor zover deze verbouwing voorkomt op een lijst die de Regering heeft opgemaakt met inachtneming van de volgende criteria :
a) de weerslag op de omgeving;
b) de hoofdfunctie van het gebouw;
8° de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de toegelaten handelsactiviteiten in een gebouw waarvan de bij stedenbouwkundige vergunning toegelaten bestemming commercieel is, wijzigen; de Regering kan de lijst van die wijzigingen bepalen;
9° het bodemreliëf merkbaar wijzigen; de Regering kan het begrip "merkbare wijziging van het bodemreliëf" bepalen;
10° bebossen of ontbossen; er is evenwel geen vergunning nodig voor de bosbouw in bosgebieden;
11° vellen :
a) losstaande hoogstammige bomen vellen in groengebieden die krachtens het geldend plan van aanleg of een lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht;
b) hagen of paden waarvan de Regering de eigenschappen naar gelang van hun lengte, hun zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte of hun soorten bepaalt;
12° [4 een opmerkelijke boom, struik of haag vellen, schade toebrengen aan hun wortelstelsel of het uitzicht ervan wijzigen wanneer ze overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord :
a) op de lijst van opmerkelijke bomen, struiken of hagen zijn opgenomen of;
b) aan de vastgestelde criteria voldoen waaraan bomen, struiken of hagen moeten voldoen om als opmerkelijk te worden beschouwd; de Regering kan nog andere criteria vaststellen.
Overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord wordt een lijst opgemaakt van werken die schade toebrengen aan het wortelstelsel van opmerkelijke bomen, struiken en hagen of die het uitzicht wijzigen van opmerkelijke bomen, struiken en hagen; de Regering kan die lijst aanvullen;]4
13° de plantengroei verwijderen of wijzigen in elk gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht, met uitzondering van de tenuitvoerlegging van een bijzonder plan voor het beheer van een domaniaal natuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, van het plan voor het beheer van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of van het plan voor het actief beheer van een Natura 2000-locatie bedoeld in artikel 27 van dezelfde wet;
14° in sommige zones en volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten, kerstbomen telen;
15° een terrein doorgaans gebruiken voor :
a) de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen;
b) de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van [2 mobiele verblijven die gebruikt worden op een kampeerterrein als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]2;
16° [2 ...]2
[4 17° oppervlakten uit beton of teer herstellen.]4
Onder "een nieuwe woning inrichten in een bestaand bouwwerk in de zin van 6°" wordt verstaan : het inrichten, met of zonder handelingen en werken, van een nieuw geheel bestaande uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties van de woonst, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, bewoond als gewone verblijfplaats of als studentenkamer en geheel of gedeeltelijk voorbehouden voor het privatief en uitsluitend gebruik van één of meerdere personen die samenwonen, ongeacht of ze een familieband hebben, of niet.
[4 Onder 'een nieuwe toeristische logiesverstrekkende inrichting creëren in een bestaand bouwwerk' in de zin van 6.1° wordt verstaan: met of zonder handelingen en werken een nieuw geheel creëren dat bestaat uit één of meer kamers die minstens voldoen aan de basisfuncties om te wonen, namelijk keuken, badkamer of douche, wc, slaapkamer, en die tegen betaling worden aangeboden aan één of meer toeristen om er te overnachten.
Er is geen vergunning vereist om bij de bewoner één of meer kamers zonder afzonderlijke basisfuncties te creëren die worden gebruikt als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de zin van de bepaling onder 6.1°.]4
De inrichting van één enkele kamer die in de zin van 7° als studentenkamer wordt bewoond bij een gastheer wordt niet onderworpen aan een vergunning.
Voor zover ze er niet van worden vrijgesteld, kunnen de in het eerste lid bedoelde handelingen en werken onderworpen worden aan een vergunning bij beraadslaging van de gemeenteraad zodra deze er de noodzaak van verantwoordt onder verwijzing naar de inhoud van zijn gemeentelijke leidraad voor stedenbouw.
Art. D. IV.4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sont soumis à permis d'urbanisme préalable écrit et exprès, de l'autorité compétente, les actes et travaux suivants :
1° construire, ou utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes; par "construire ou placer des installations fixes", on entend le fait d'ériger un bâtiment ou un ouvrage, ou de placer une installation, même en matériaux non durables, qui est incorporé au sol, ancré à celui-ci ou dont l'appui assure la stabilité, destiné à rester en place alors même qu'il peut être démonté ou déplacé;
2° placer une ou plusieurs enseignes, ou un ou plusieurs dispositifs de publicité;
3° démolir une construction [4 , à l'exception des démolitions pour raisons de sécurité ordonnées par le bourgmestre dans le cadre de l'exercice de la police administrative générale]4;
4° reconstruire;
5° transformer une construction existante; par "transformer", on entend les travaux d'aménagement intérieur ou extérieur [4 ...]4 d'un ouvrage, en ce compris les travaux de conservation et d'entretien, qui portent atteinte à ses structures portantes ou qui impliquent une modification de son volume construit ou de son aspect architectural;
6° créer un nouveau logement dans une construction existante;
[4 6.1° créer un nouvel hébergement touristique dans une construction existante;]4
7° modifier la destination de tout ou partie d'un bien, en ce compris par la création dans une construction existante [4 ...]4 d'une chambre occupée à titre de kot, pour autant que cette modification figure sur une liste arrêtée par le Gouvernement en tenant compte des critères suivants :
a) l'impact sur l'espace environnant;
b) la fonction principale du bâtiment;
8° modifier dans un bâtiment dont la destination autorisée par permis d'urbanisme est commerciale, la répartition des surfaces de vente et des activités commerciales autorisées; le Gouvernement peut arrêter la liste de ces modifications;
9° modifier sensiblement le relief du sol; le Gouvernement peut définir la notion de modification sensible du relief du sol;
10° boiser ou déboiser; toutefois, la sylviculture dans la zone forestière n'est pas soumise à permis;
11° abattre :
a) des arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur;
b) des haies ou des allées dont le Gouvernement arrête les caractéristiques en fonction de leur longueur, de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences;
12° [4 abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou arbuste remarquable ou d'une haie remarquable, lorsque ceux-ci, conformément aux dispositions de l'accord de coopération :
a) figurent sur la liste établie des arbres, arbustes et haies remarquables ou;
b) répondent aux critères fixés auxquels les arbres, arbustes ou haies doivent répondre pour être désignés comme remarquables; le Gouvernement peut fixer des critères supplémentaires.
Une liste des travaux qui portent préjudice au système racinaire ou qui modifient l'aspect des arbres, arbustes et haies remarquables est établie conformément aux dispositions de l'accord de coopération; le Gouvernement peut compléter cette liste;]4
13° défricher ou modifier la végétation de toute zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire, à l'exception de la mise en oeuvre du plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, du plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi, ou du plan de gestion active d'un site Natura 2000 visé à l'article 27 de la même loi;
14° cultiver des sapins de Noël dans certaines zones et selon les modalités déterminées par le Gouvernement;
15° utiliser habituellement un terrain pour :
a) le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
b) le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulotte, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des [2 hébergements mobiles utilisés sur un terrain de camping conformément à l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme]2;
16° [2 ...]2
[4 17° effectuer des travaux de remise en état et de réparation sur des surfaces en béton et en goudron.]4
Par créer un nouveau logement dans une construction existante au sens du 6°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces, répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, wc, chambre, occupé à titre de résidence habituelle ou de kot et réservé en tout ou en partie à l'usage privatif et exclusif d'une ou de plusieurs personnes qui vivent ensemble, qu'elles soient unies ou non par un lien familial.
[4 Par "créer un nouvel hébergement touristique dans une construction existante" au sens du 6.1°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat, à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, WC, chambre, et qui est proposé à titre onéreux à un ou plusieurs touristes pour y passer la nuit.
La création d'une ou de plusieurs chambres sans fonctions de base séparées occupées à titre d'hébergement touristique, au sens du 6.1°, chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]4
La création d'une seule chambre occupée à titre de kot au sens du 7° chez l'habitant n'est pas soumise à permis.
Pour autant qu'ils n'en soient pas exonérés, peuvent être soumis à permis par délibération du conseil communal, dès lors qu'il en justifie la nécessité par référence au contenu de son guide communal d'urbanisme, les actes et travaux non visés à l'alinéa 1er.
Sont soumis à permis d'urbanisme préalable écrit et exprès, de l'autorité compétente, les actes et travaux suivants :
1° construire, ou utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes; par "construire ou placer des installations fixes", on entend le fait d'ériger un bâtiment ou un ouvrage, ou de placer une installation, même en matériaux non durables, qui est incorporé au sol, ancré à celui-ci ou dont l'appui assure la stabilité, destiné à rester en place alors même qu'il peut être démonté ou déplacé;
2° placer une ou plusieurs enseignes, ou un ou plusieurs dispositifs de publicité;
3° démolir une construction [4 , à l'exception des démolitions pour raisons de sécurité ordonnées par le bourgmestre dans le cadre de l'exercice de la police administrative générale]4;
4° reconstruire;
5° transformer une construction existante; par "transformer", on entend les travaux d'aménagement intérieur ou extérieur [4 ...]4 d'un ouvrage, en ce compris les travaux de conservation et d'entretien, qui portent atteinte à ses structures portantes ou qui impliquent une modification de son volume construit ou de son aspect architectural;
6° créer un nouveau logement dans une construction existante;
[4 6.1° créer un nouvel hébergement touristique dans une construction existante;]4
7° modifier la destination de tout ou partie d'un bien, en ce compris par la création dans une construction existante [4 ...]4 d'une chambre occupée à titre de kot, pour autant que cette modification figure sur une liste arrêtée par le Gouvernement en tenant compte des critères suivants :
a) l'impact sur l'espace environnant;
b) la fonction principale du bâtiment;
8° modifier dans un bâtiment dont la destination autorisée par permis d'urbanisme est commerciale, la répartition des surfaces de vente et des activités commerciales autorisées; le Gouvernement peut arrêter la liste de ces modifications;
9° modifier sensiblement le relief du sol; le Gouvernement peut définir la notion de modification sensible du relief du sol;
10° boiser ou déboiser; toutefois, la sylviculture dans la zone forestière n'est pas soumise à permis;
11° abattre :
a) des arbres isolés à haute tige, plantés dans les zones d'espaces verts prévues par le plan de secteur ou un schéma d'orientation local en vigueur;
b) des haies ou des allées dont le Gouvernement arrête les caractéristiques en fonction de leur longueur, de leur visibilité depuis l'espace public ou de leurs essences;
12° [4 abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou arbuste remarquable ou d'une haie remarquable, lorsque ceux-ci, conformément aux dispositions de l'accord de coopération :
a) figurent sur la liste établie des arbres, arbustes et haies remarquables ou;
b) répondent aux critères fixés auxquels les arbres, arbustes ou haies doivent répondre pour être désignés comme remarquables; le Gouvernement peut fixer des critères supplémentaires.
Une liste des travaux qui portent préjudice au système racinaire ou qui modifient l'aspect des arbres, arbustes et haies remarquables est établie conformément aux dispositions de l'accord de coopération; le Gouvernement peut compléter cette liste;]4
13° défricher ou modifier la végétation de toute zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire, à l'exception de la mise en oeuvre du plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, du plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi, ou du plan de gestion active d'un site Natura 2000 visé à l'article 27 de la même loi;
14° cultiver des sapins de Noël dans certaines zones et selon les modalités déterminées par le Gouvernement;
15° utiliser habituellement un terrain pour :
a) le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
b) le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que roulotte, caravanes, véhicules désaffectés et tentes, à l'exception des [2 hébergements mobiles utilisés sur un terrain de camping conformément à l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme]2;
16° [2 ...]2
[4 17° effectuer des travaux de remise en état et de réparation sur des surfaces en béton et en goudron.]4
Par créer un nouveau logement dans une construction existante au sens du 6°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces, répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, wc, chambre, occupé à titre de résidence habituelle ou de kot et réservé en tout ou en partie à l'usage privatif et exclusif d'une ou de plusieurs personnes qui vivent ensemble, qu'elles soient unies ou non par un lien familial.
[4 Par "créer un nouvel hébergement touristique dans une construction existante" au sens du 6.1°, il faut entendre créer, avec ou sans actes et travaux, un nouvel ensemble composé d'une ou de plusieurs pièces répondant au minimum aux fonctions de base de l'habitat, à savoir cuisine, salle de bain ou salle d'eau, WC, chambre, et qui est proposé à titre onéreux à un ou plusieurs touristes pour y passer la nuit.
La création d'une ou de plusieurs chambres sans fonctions de base séparées occupées à titre d'hébergement touristique, au sens du 6.1°, chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]4
La création d'une seule chambre occupée à titre de kot au sens du 7° chez l'habitant n'est pas soumise à permis.
Pour autant qu'ils n'en soient pas exonérés, peuvent être soumis à permis par délibération du conseil communal, dès lors qu'il en justifie la nécessité par référence au contenu de son guide communal d'urbanisme, les actes et travaux non visés à l'alinéa 1er.
Art. D. IV.4/1. [1 § 1. De kleinhandelvestiging in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 8°, is een distributie-eenheid waarvan de activiteit bestaat in de gebruikelijke wederverkoop van goederen aan consumenten in eigen naam en voor eigen rekening, zonder dat deze goederen een andere dan de in de handel gebruikelijke behandeling ondergaan;
§ 2. De netto-handelsoppervlakte in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, is de voor verkoop bestemde en voor het publiek toegankelijke oppervlakte, met inbegrip van de niet overdekte oppervlaktes. Bij uitbreiding is de netto-handelsoppervlakte die in overweging wordt genomen, de totale oppervlakte na uitvoering van het project voor een handelsvestiging. Die oppervlakte bevat meer bepaald de kassazones, de zones gelegen achter de kassa's en de voorhal wanneer deze zones ook voor het uitstallen en de verkoop van handelswaar worden gebruikt;
§ 3. De winkels bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, zijn onderverdeeld in drie categorieën, gaande van de meest kwetsbare voor een duurzame en aantrekkelijke ontwikkeling van het gebied tot de minst kwetsbare:
1° de handelszaken voor lichte aankopen;
2° levensmiddelenwinkels; 3° de handelszaken voor zware aankopen.
Men verstaat onder:
1° handelszaak voor lichte aankopen, de handelszaak waarin niet-zware en niet-omvangrijke goederen aankopen worden gedaan met betrekking tot:
a) de persoonlijke uitrusting;
b) huishoudapparatuur;
c) en vrijetijdsactiviteiten;
2° levensmiddelenwinkels: winkels waar voedingsproducten worden gekocht om te voorzien in de persoonlijke consumptiebehoeften;
3° handelszaak voor zware aankopen: de handelszaak waarin zware of omvangrijke aankopen worden gedaan met betrekking tot:
a) huishoudapparatuur;
b) de vrijetijdsactiviteiten;
Een handelszaak behoort tot de meest gevoelige categorie, met ten minste vijftien procent van de verkochte artikelen of meer dan tweehonderd vierkante meter netto-handelsoppervlakte.
§ 4. De aard van de handelsactiviteit verandert aanzienlijk wanneer:
1° de handelszaak van categorie verandert als bedoeld in paragraaf 3;
2° vijfentwintig procent of meer van de op de markt gebrachte artikelen veranderen van categorie als volgt:
a) van zware aankopen naar voedsel of lichte aankopen;
b) van het kopen van voedsel tot lichte aankopen;
3° tweehonderd vierkante meter of meer netto handelsoppervlakte veranderen van categorie als volgt:
a) van zware aankopen naar voedsel of lichte aankopen;
b) van het kopen van voedsel tot lichte aankopen.]1
§ 2. De netto-handelsoppervlakte in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, is de voor verkoop bestemde en voor het publiek toegankelijke oppervlakte, met inbegrip van de niet overdekte oppervlaktes. Bij uitbreiding is de netto-handelsoppervlakte die in overweging wordt genomen, de totale oppervlakte na uitvoering van het project voor een handelsvestiging. Die oppervlakte bevat meer bepaald de kassazones, de zones gelegen achter de kassa's en de voorhal wanneer deze zones ook voor het uitstallen en de verkoop van handelswaar worden gebruikt;
§ 3. De winkels bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, zijn onderverdeeld in drie categorieën, gaande van de meest kwetsbare voor een duurzame en aantrekkelijke ontwikkeling van het gebied tot de minst kwetsbare:
1° de handelszaken voor lichte aankopen;
2° levensmiddelenwinkels; 3° de handelszaken voor zware aankopen.
Men verstaat onder:
1° handelszaak voor lichte aankopen, de handelszaak waarin niet-zware en niet-omvangrijke goederen aankopen worden gedaan met betrekking tot:
a) de persoonlijke uitrusting;
b) huishoudapparatuur;
c) en vrijetijdsactiviteiten;
2° levensmiddelenwinkels: winkels waar voedingsproducten worden gekocht om te voorzien in de persoonlijke consumptiebehoeften;
3° handelszaak voor zware aankopen: de handelszaak waarin zware of omvangrijke aankopen worden gedaan met betrekking tot:
a) huishoudapparatuur;
b) de vrijetijdsactiviteiten;
Een handelszaak behoort tot de meest gevoelige categorie, met ten minste vijftien procent van de verkochte artikelen of meer dan tweehonderd vierkante meter netto-handelsoppervlakte.
§ 4. De aard van de handelsactiviteit verandert aanzienlijk wanneer:
1° de handelszaak van categorie verandert als bedoeld in paragraaf 3;
2° vijfentwintig procent of meer van de op de markt gebrachte artikelen veranderen van categorie als volgt:
a) van zware aankopen naar voedsel of lichte aankopen;
b) van het kopen van voedsel tot lichte aankopen;
3° tweehonderd vierkante meter of meer netto handelsoppervlakte veranderen van categorie als volgt:
a) van zware aankopen naar voedsel of lichte aankopen;
b) van het kopen van voedsel tot lichte aankopen.]1
Art. D. IV.4/1. [1 § 1er. L'établissement de commerce de détail au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, est l'unité de distribution dont l'activité consiste à revendre de manière habituelle des marchandises à des consommateurs en nom propre et pour compte propre, sans faire subir à ces marchandises d'autre traitement que les manipulations usuelles dans le commerce.
§ 2. La surface commerciale nette au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, est la surface destinée à la vente et accessible au public y compris les surfaces non couvertes. En cas d'extension, la surface commerciale nette à prendre en considération est la surface totale après réalisation du projet d'implantation commerciale. Cette surface inclut notamment les zones de caisses, les zones situées à l'arrière des caisses et les halls d'entrée lorsque ceux-ci sont aussi utilisés à des fins d'expositions ou de ventes de marchandises.
§ 3. Les commerces visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont répartis en trois catégories, classées de la plus sensible au regard du développement durable et attractif du territoire à la moins sensible :
1° les commerces d'achats légers;
2° les commerces d'achats alimentaires; 3° les commerces d'achats lourds.
On entend par :
1° le commerce d'achat léger, le commerce dans lequel sont réalisés des achats non pondéreux et non volumineux relatifs :
a) à l'équipement de la personne;
b) à l'équipement de la maison;
c) et aux loisirs;
2° le commerce d'achat alimentaire, le commerce dans lequel sont réalisés des achats de produits alimentaires pour répondre aux besoins de consommation personnelle;
3° le commerce d'achat lourd, le commerce dans lequel sont réalisés des achats pondéreux ou volumineux relatifs :
a) à l'équipement de la maison;
b) aux loisirs.
Un commerce appartient à la catégorie la plus sensible dont relève au minimum quinze pour cent des articles commercialisés ou plus de deux cents mètres carrés de surface commerciale nette.
§ 4. La nature de l'activité commerciale est modifiée de manière importante lorsque :
1° le commerce change de catégorie visée au paragraphe 3;
2° vingt-cinq pour cent ou plus des articles commercialisés changent de catégorie de la manière suivante :
a) d'achat lourd vers achat alimentaire ou achat léger;
b) d'achat alimentaire vers achat léger;
3° deux cents mètres carrés ou plus de surface commerciale nette changent de catégorie de la manière suivante :
a) d'achat lourd vers achat alimentaire ou achat léger;
b) d'achat alimentaire vers achat léger.]1
§ 2. La surface commerciale nette au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, est la surface destinée à la vente et accessible au public y compris les surfaces non couvertes. En cas d'extension, la surface commerciale nette à prendre en considération est la surface totale après réalisation du projet d'implantation commerciale. Cette surface inclut notamment les zones de caisses, les zones situées à l'arrière des caisses et les halls d'entrée lorsque ceux-ci sont aussi utilisés à des fins d'expositions ou de ventes de marchandises.
§ 3. Les commerces visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont répartis en trois catégories, classées de la plus sensible au regard du développement durable et attractif du territoire à la moins sensible :
1° les commerces d'achats légers;
2° les commerces d'achats alimentaires; 3° les commerces d'achats lourds.
On entend par :
1° le commerce d'achat léger, le commerce dans lequel sont réalisés des achats non pondéreux et non volumineux relatifs :
a) à l'équipement de la personne;
b) à l'équipement de la maison;
c) et aux loisirs;
2° le commerce d'achat alimentaire, le commerce dans lequel sont réalisés des achats de produits alimentaires pour répondre aux besoins de consommation personnelle;
3° le commerce d'achat lourd, le commerce dans lequel sont réalisés des achats pondéreux ou volumineux relatifs :
a) à l'équipement de la maison;
b) aux loisirs.
Un commerce appartient à la catégorie la plus sensible dont relève au minimum quinze pour cent des articles commercialisés ou plus de deux cents mètres carrés de surface commerciale nette.
§ 4. La nature de l'activité commerciale est modifiée de manière importante lorsque :
1° le commerce change de catégorie visée au paragraphe 3;
2° vingt-cinq pour cent ou plus des articles commercialisés changent de catégorie de la manière suivante :
a) d'achat lourd vers achat alimentaire ou achat léger;
b) d'achat alimentaire vers achat léger;
3° deux cents mètres carrés ou plus de surface commerciale nette changent de catégorie de la manière suivante :
a) d'achat lourd vers achat alimentaire ou achat léger;
b) d'achat alimentaire vers achat léger.]1
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen en verschillen
CHAPITRE IV. - Dérogations et écarts
Afdeling 1. - Verschillen
Section 1re. - Ecarts
Art. D. IV.5.[1 Onverminderd het tweede lid kan een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr.2 afwijken]1 van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, van een bodembestemmingsplan, van de als indicatief beschouwde inhoud van een leidraad of van een bebouwingsvergunning mits een motivering waaruit blijkt dat het project :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening of stedenbouw vervat in het ontwikkelingsplan, in het bodembestemmingsplan, de leidraad of de bebouwingsvergunning niet bedreigt;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
[1 Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan afwijken van de aanduidingen in het ruimtelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2.,
§ 4, 3°, mits een motivering waaruit blijkt dat het verschil:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° gerechtvaardigd is door specifieke lokale omstandigheden;
3° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
In afwijking van de leden 1 en 2, brengt de afwijking bedoeld in de artikelen D.IV.6, D.IV.7, D.IV.8, D.IV.9, D.IV.10 en D.IV.11 een verschil met zich mee in de aanduidingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan, het lokale beleidsontwikkelingsplan, het bodembestemmingsplan, de gemeentelijke leidraad of de stedenbouwkundige vergunning die een grafische of letterlijke vereiste weergeven van het gewestplan waarvan de vergunning afwijkt.]1
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening of stedenbouw vervat in het ontwikkelingsplan, in het bodembestemmingsplan, de leidraad of de bebouwingsvergunning niet bedreigt;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
[1 Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan afwijken van de aanduidingen in het ruimtelijk ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.2.,
§ 4, 3°, mits een motivering waaruit blijkt dat het verschil:
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, vervat in het ruimtelijk ontwikkelingsplan, niet bedreigt;
2° gerechtvaardigd is door specifieke lokale omstandigheden;
3° bijdraagt tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de bebouwde en onbebouwde landschappen.
In afwijking van de leden 1 en 2, brengt de afwijking bedoeld in de artikelen D.IV.6, D.IV.7, D.IV.8, D.IV.9, D.IV.10 en D.IV.11 een verschil met zich mee in de aanduidingen van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan, het lokale beleidsontwikkelingsplan, het bodembestemmingsplan, de gemeentelijke leidraad of de stedenbouwkundige vergunning die een grafische of letterlijke vereiste weergeven van het gewestplan waarvan de vergunning afwijkt.]1
Art. D. IV.5.[1 Sans préjudice de l'alinéa 2]1 un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut s'écarter du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'une carte d'affectation des sols, du contenu à valeur indicative d'un guide ou d'un permis d'urbanisation moyennant une motivation démontrant que le projet :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire ou d'urbanisme contenus dans le schéma, la carte d'affectation des sols, le guide ou le permis d'urbanisation;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
[1 Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut s'écarter des indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2,
§ 4, 3°, moyennant une motivation démontrant que l'écart :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° est justifié par les spécificités locales;
3° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Par exception aux alinéas 1er et 2, la dérogation visée aux articles D.IV.6, D.IV.7, D.IV.8, D.IV.9, D.IV.10 et D.IV.11 emporte un écart aux indications du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du guide communal ou du permis d'urbanisation qui traduisent une prescription graphique ou littérale du plan de secteur à laquelle le permis déroge.]1
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire ou d'urbanisme contenus dans le schéma, la carte d'affectation des sols, le guide ou le permis d'urbanisation;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
[1 Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut s'écarter des indications du schéma de développement du territoire visées à l'article D.II.2,
§ 4, 3°, moyennant une motivation démontrant que l'écart :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial ou d'aménagement du territoire contenus dans le schéma de développement du territoire;
2° est justifié par les spécificités locales;
3° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Par exception aux alinéas 1er et 2, la dérogation visée aux articles D.IV.6, D.IV.7, D.IV.8, D.IV.9, D.IV.10 et D.IV.11 emporte un écart aux indications du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du guide communal ou du permis d'urbanisation qui traduisent une prescription graphique ou littérale du plan de secteur à laquelle le permis déroge.]1
Wijzigingen
Art. D _IV.5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, van een bodembestemmingsplan, van de als indicatief beschouwde inhoud van een leidraad of van een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 mits een motivering waaruit blijkt dat het project :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening of stedenbouw vervat in het ontwikkelingsplan, in het bodembestemmingsplan, de leidraad of de [1 ontsluitingsvergunning]1 niet bedreigt;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, van een bodembestemmingsplan, van de als indicatief beschouwde inhoud van een leidraad of van een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 mits een motivering waaruit blijkt dat het project :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening of stedenbouw vervat in het ontwikkelingsplan, in het bodembestemmingsplan, de leidraad of de [1 ontsluitingsvergunning]1 niet bedreigt;
2° tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
Art. D _IV.5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut s'écarter du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'une carte d'affectation des sols, du contenu à valeur indicative d'un guide ou d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 moyennant une motivation démontrant que le projet :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire ou d'urbanisme contenus dans le schéma, la carte d'affectation des sols, le guide ou le [1 permis d'urbaniser]1;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut s'écarter du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'une carte d'affectation des sols, du contenu à valeur indicative d'un guide ou d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 moyennant une motivation démontrant que le projet :
1° ne compromet pas les objectifs de développement territorial, d'aménagement du territoire ou d'urbanisme contenus dans le schéma, la carte d'affectation des sols, le guide ou le [1 permis d'urbaniser]1;
2° contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Afwijkingen
Section 2. - Dérogations
Art. D. IV.6. Een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan toegekend worden in afwijking van het gewestplan voor de bouwwerken, de installaties of de gebouwen die bestonden vóór de inwerkingtreding van het gewestplan of die vergund zijn, waarvan de huidige of toekomstige bestemming niet overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken of nog om een wijziging van bestemming en van de inrichting van woningen bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 6° en 7°.
De aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die van hen worden gescheiden, kunnen ook vergund worden.
Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie mag in afwijking van het gewestplan toegekend worden, een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende energieproductie die ten dele de gemeenschap ten goede komt, namelijk energie die ten dele in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwaringsnet bedient.
De aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die van hen worden gescheiden, kunnen ook vergund worden.
Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie mag in afwijking van het gewestplan toegekend worden, een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende energieproductie die ten dele de gemeenschap ten goede komt, namelijk energie die ten dele in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwaringsnet bedient.
Art. D. IV.6. Un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur pour les constructions, les installations ou les bâtiments existants avant l'entrée en vigueur du plan de secteur ou qui ont été autorisés, dont l'affectation actuelle ou future ne correspond pas aux prescriptions du plan de secteur lorsqu'il s'agit d'actes et travaux de transformation, d'agrandissement, de reconstruction ainsi que d'une modification de destination et de la création de logement visées à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 6° et 7°.
Les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Aux fins de production d'électricité ou de chaleur, peut être octroyé en dérogation au plan de secteur un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 relatif à la production d'énergie destinée partiellement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie partiellement rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel ou desservant un réseau de chauffage urbain.
Les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Aux fins de production d'électricité ou de chaleur, peut être octroyé en dérogation au plan de secteur un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 relatif à la production d'énergie destinée partiellement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie partiellement rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel ou desservant un réseau de chauffage urbain.
Art. D _IV.6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 kan in afwijking van het gewestplan worden toegekend voor wettelijk bestaande bouwwerken, installaties of gebouwen of groepen van bouwwerken, installaties of gebouwen die een functionele eenheid vormen, wanneer de huidige of toekomstige bestemming ervan niet overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan en:
1° wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken;
2° of wanneer het gaat om een wijziging van de bestemming en het creëren van woningen als bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 6° en 7°.
De aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties of gebouwen, dan wel groepen van bouwwerken, installaties of gebouwen die van hen worden gescheiden, kunnen ook vergund worden.]1
1° wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken;
2° of wanneer het gaat om een wijziging van de bestemming en het creëren van woningen als bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 6° en 7°.
De aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties of gebouwen, dan wel groepen van bouwwerken, installaties of gebouwen die van hen worden gescheiden, kunnen ook vergund worden.]1
Art. D _IV.6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur pour les constructions, les installations ou les bâtiments existant légalement ou, selon le cas, pour les ensembles de constructions, d'installations ou de bâtiments formant une unité fonctionnelle, lorsque leur destination actuelle ou future ne répond pas au prescrit du plan de secteur et qu'il s'agit :
1° d'actes et de travaux de transformation, d'agrandissement ou de reconstruction;
2° d'une modification de destination et de la création de logements, visées à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 6° et 7°.
Les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations ou bâtiments ou, selon le cas, ensembles de constructions, d'installations et de bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.]1
1° d'actes et de travaux de transformation, d'agrandissement ou de reconstruction;
2° d'une modification de destination et de la création de logements, visées à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 6° et 7°.
Les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations ou bâtiments ou, selon le cas, ensembles de constructions, d'installations et de bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.7. Wegens economische of toeristische noden kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.in afwijking van het gewestplan toegekend worden voor de gebouwen en installaties of gehele gebouwen en installaties die een functionele eenheid vormen wanneer het verbouwings- of uitbreidingswerken betreft die een afwijking inhouden van de bestemming van een aangrenzend gebied, onder uitsluiting evenwel van natuurgebieden, parkgebieden en gebeidsomtrekken met een waardevol vergezicht.
In dit kader kunnen de aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die afzonderlijk worden opgericht, eveneens vergund worden.
In dit kader kunnen de aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die afzonderlijk worden opgericht, eveneens vergund worden.
Art. D. IV.7. Pour des besoins économiques ou touristiques, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur pour les bâtiments et installations ou ensembles de bâtiments et installations qui forment une unité fonctionnelle lorsqu'il s'agit d'actes et travaux de transformation ou d'agrandissement impliquant une dérogation à l'affectation d'une zone contiguë, à l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable.
Dans ce cadre, les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Dans ce cadre, les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Art. D _IV.7.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wegens [1 economische, private of toeristische]1 noden kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.in afwijking van het gewestplan toegekend worden voor de gebouwen en installaties of gehele gebouwen en installaties die een functionele eenheid vormen wanneer het verbouwings- of uitbreidingswerken betreft die een afwijking inhouden van de bestemming van een aangrenzend gebied, onder uitsluiting evenwel van natuurgebieden, parkgebieden en gebeidsomtrekken met een waardevol vergezicht.
In dit kader kunnen de aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die afzonderlijk worden opgericht, eveneens vergund worden.
Wegens [1 economische, private of toeristische]1 noden kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.in afwijking van het gewestplan toegekend worden voor de gebouwen en installaties of gehele gebouwen en installaties die een functionele eenheid vormen wanneer het verbouwings- of uitbreidingswerken betreft die een afwijking inhouden van de bestemming van een aangrenzend gebied, onder uitsluiting evenwel van natuurgebieden, parkgebieden en gebeidsomtrekken met een waardevol vergezicht.
In dit kader kunnen de aanvullende en bijkomende inrichtingen van de bovenvermelde bouwwerken, installaties en gebouwen die afzonderlijk worden opgericht, eveneens vergund worden.
Art. D _IV.7.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Pour des besoins économiques [1 , privés]1 ou touristiques, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur pour les bâtiments et installations ou ensembles de bâtiments et installations qui forment une unité fonctionnelle lorsqu'il s'agit d'actes et travaux de transformation ou d'agrandissement impliquant une dérogation à l'affectation d'une zone contiguë, à l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable.
Dans ce cadre, les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Pour des besoins économiques [1 , privés]1 ou touristiques, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur pour les bâtiments et installations ou ensembles de bâtiments et installations qui forment une unité fonctionnelle lorsqu'il s'agit d'actes et travaux de transformation ou d'agrandissement impliquant une dérogation à l'affectation d'une zone contiguë, à l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable.
Dans ce cadre, les aménagements accessoires et complémentaires aux constructions, installations et bâtiments précités et isolés de ceux-ci peuvent également être autorisés.
Wijzigingen
Art. D. IV.8.[1 Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de modules die elk bouwwerk, elke installatie of elk gebouw overeenkomstig het gewestplan rechtstreeks bevoorraden, op voorwaarde dat de lijn tussen de modules en het bouwwerk, de installatie of het gebouw een directe lijn is in de zin van artikel 2, 24°, van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt]1.
Met het oog op de sanering van afvalwater kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in verband met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw.
Een bebouwingsvergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 kan in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen in de omtrek van de vergunning.
Met het oog op de sanering van afvalwater kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in verband met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw.
Een bebouwingsvergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 kan in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen in de omtrek van de vergunning.
Art. D. IV.8.[1 Aux fins de production d'électricité ou de chaleur, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé, en dérogation au plan de secteur, pour les modules qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment conforme au plan de secteur à la condition que la ligne entre les modules et la construction, installation ou bâtiment constitue une ligne directe au sens de l'article 2, 24°, du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité]1.
Aux fins d'assainissement des eaux usées, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur.
Un permis d'urbanisation ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur et situé dans le périmètre du permis.
Aux fins d'assainissement des eaux usées, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur.
Un permis d'urbanisation ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur et situé dans le périmètre du permis.
Wijzigingen
Art. D _IV.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende energieproductie die ten dele de gemeenschap ten goede komt, namelijk energie die ten dele in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stadsverwarmingsnet bedient, in afwijking van het gewestplan toegekend worden.]1
Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de modules die elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen op hetzelfde onroerend goed, rechtstreeks bevoorraden.
Met het oog op de sanering van afvalwater kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in verband met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw.
Een [1 ontsluitingsvergunning]1 of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 kan in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen in de omtrek van de vergunning.
[1 In afwijking van het gewestplan kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 worden toegekend ter bescherming van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.]1
Met het oog op elektriciteits- of warmteproductie kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de modules die elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen op hetzelfde onroerend goed, rechtstreeks bevoorraden.
Met het oog op de sanering van afvalwater kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in verband met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw.
Een [1 ontsluitingsvergunning]1 of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2 kan in een aangrenzend gebied en in afwijking van het gewestplan afgegeven worden voor de individuele zuiveringsstations in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning met elk gebiedsconform bouwwerk, elke gebiedsconforme installatie of elk gebiedsconform gebouw, gelegen in de omtrek van de vergunning.
[1 In afwijking van het gewestplan kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 worden toegekend ter bescherming van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.]1
Art. D _IV.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Aux fins de production d'électricité ou de chaleur peut être octroyé, en dérogation au plan de secteur, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 relatif à la production d'énergie destinée partiellement à la collectivité, c'est-à-dire d'énergie partiellement rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel ou desservant un réseau de chauffage urbain.]1
Aux fins de production d'électricité ou de chaleur, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les modules qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier, conforme au plan de secteur.
Aux fins d'assainissement des eaux usées, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur.
Un [1 permis d'urbaniser]1 ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur et situé dans le périmètre du permis.
[1 Un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé, en dérogation au plan de secteur, en vue de la protection des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages.]1
Aux fins de production d'électricité ou de chaleur, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les modules qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment situé sur le même bien immobilier, conforme au plan de secteur.
Aux fins d'assainissement des eaux usées, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur.
Un [1 permis d'urbaniser]1 ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone contiguë et en dérogation au plan de secteur, pour les systèmes d'épuration individuelle au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en lien avec toute construction, installation ou bâtiment conforme au plan de secteur et situé dans le périmètre du permis.
[1 Un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé, en dérogation au plan de secteur, en vue de la protection des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.9.Onder uitsluiting van de natuurgebieden, de parkgebieden en de gebiedsomtrekken met een waardevol vergezicht kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag voor zover :
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
[4 De voorwaarden bedoeld in het eerste lid kunnen nader bepaald worden door de Regering.]4
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
[4 De voorwaarden bedoeld in het eerste lid kunnen nader bepaald worden door de Regering.]4
Wijzigingen
[2]geen nederlandse versie
Art. D. IV.9.A l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone du plan de secteur qui n'est pas compatible avec l'objet de la demande pour autant que :
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
[5 Le Gouvernement peut préciser les conditions énoncées à l'alinéa 1er.]5
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
[5 Le Gouvernement peut préciser les conditions énoncées à l'alinéa 1er.]5
Wijzigingen
Art. D _IV.9.TOEKOMSTIG_RECHT.
Onder uitsluiting van de natuurgebieden, de parkgebieden [5 ,]5 de gebiedsomtrekken met een waardevol vergezicht [5 en de ruimten gelegen buiten de door een ontwikkelingsplan afgebakende centrumgebieden]5 kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag voor zover :
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
[4 De voorwaarden bedoeld in het eerste lid kunnen nader bepaald worden door de Regering.]4
Onder uitsluiting van de natuurgebieden, de parkgebieden [5 ,]5 de gebiedsomtrekken met een waardevol vergezicht [5 en de ruimten gelegen buiten de door een ontwikkelingsplan afgebakende centrumgebieden]5 kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag voor zover :
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
[4 De voorwaarden bedoeld in het eerste lid kunnen nader bepaald worden door de Regering.]4
Wijzigingen
[2]geen nederlandse versie
Art. D _IV.9.DROIT_FUTUR.
A l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc [6 ,]6 des périmètres de point de vue remarquable [6 et des espaces situés en dehors des centralités identifiées dans un schéma]6, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone du plan de secteur qui n'est pas compatible avec l'objet de la demande pour autant que :
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
[5 Le Gouvernement peut préciser les conditions énoncées à l'alinéa 1er.]5
A l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc [6 ,]6 des périmètres de point de vue remarquable [6 et des espaces situés en dehors des centralités identifiées dans un schéma]6, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone du plan de secteur qui n'est pas compatible avec l'objet de la demande pour autant que :
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
[5 Le Gouvernement peut préciser les conditions énoncées à l'alinéa 1er.]5
Wijzigingen
Art. D _IV.9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onder uitsluiting van de natuurgebieden, de parkgebieden en de gebiedsomtrekken met een waardevol vergezicht kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag [2 voor zover wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden :]2
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
Onder uitsluiting van de natuurgebieden, de parkgebieden en de gebiedsomtrekken met een waardevol vergezicht kan er een stedenbouwkundige vergunning of een desbetreffend stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden in een gebied van het gewestplan dat niet verenigbaar is met het voorwerp van de aanvraag [2 voor zover wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden :]2
1° het grondstuk gelegen is tussen twee opgetrokken woningen [3 vóór de inwerkingtreding van het gewestplan]3 of tussen een woning die is opgetrokken vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en een woning opgetrokken in een woongebied of een woongebied met een landelijk karakter en die hoogstens honderd meter van elkaar verwijderd zijn;
2° bedoeld grondstuk en bedoelde woningen gelegen zijn langs de weg en aan dezelfde kant van een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
3° de bouwwerken, de verbouwingen, de uitbreidingen of heropbouwwerken de inrichting van het gebied niet in het gedrang brengen.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde afstand van 100 meter wordt onafhankelijk van de aanwezigheid in het betrokken grondstuk van een natuurlijk of kunstmatig element, zoals een waterloop of weg, berekend.
Er wordt evenwel geen enkele vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven voor grondstukken die gelegen zijn langs openbare wegen die in minstens vier rijstroken zijn ingedeeld.
Wijzigingen
[2]geen nederlandse versie
Art. D _IV.9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
A l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone du plan de secteur qui n'est pas compatible avec l'objet de la demande pour autant que [3 , cumulativement]3:
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
A l'exclusion des zones naturelles, des zones de parc et des périmètres de point de vue remarquable, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 y relatif peut être octroyé dans une zone du plan de secteur qui n'est pas compatible avec l'objet de la demande pour autant que [3 , cumulativement]3:
1° le terrain soit situé entre deux habitations construites [4 avant l'entrée en vigueur du plan de secteur]4 ou entre une habitation construite avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et une habitation construite en zone d'habitat ou en zone d'habitat à caractère rural et distantes l'une de l'autre de 100 mètres maximum;
2° ce terrain et ces habitations soient situés à front et du même côté d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° les constructions, transformations, agrandissements ou reconstructions ne compromettent pas l'aménagement de la zone.
La distance de 100 mètres visée à l'alinéa 1er, 1°, se calcule indépendamment de la présence, dans le terrain concerné, d'un élément naturel ou artificiel tel un cours d'eau ou une voirie.
Toutefois, aucun permis ou certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré pour des terrains situés à front de voiries publiques divisées en quatre bandes de circulation au moins.
Wijzigingen
Art. D _IV.9.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 In afwijking van het gewestplan kan een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 worden toegekend, voor zover wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° het project leidt tot coherente verdichting in zones die geschikt zijn voor verdichting; de Regering bepaalt de criteria voor coherente verdichting binnen zones die geschikt zijn voor verdichting;
2° als de geplande gebouwen aan een openbare weg liggen die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, alsook voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging.]1
1° het project leidt tot coherente verdichting in zones die geschikt zijn voor verdichting; de Regering bepaalt de criteria voor coherente verdichting binnen zones die geschikt zijn voor verdichting;
2° als de geplande gebouwen aan een openbare weg liggen die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, alsook voorzien is van een wegverharding en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging.]1
Art. D _IV.9.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé, en dérogation au plan de secteur, si les conditions suivantes sont remplies cumulativement :
1° le projet a pour conséquence la densification cohérente au sein de zones propices à la densification; le Gouvernement arrête les critères déterminant la densification cohérente au sein de zones propices à la densification;
2° les bâtiments prévus sont situés à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux.]1
1° le projet a pour conséquence la densification cohérente au sein de zones propices à la densification; le Gouvernement arrête les critères déterminant la densification cohérente au sein de zones propices à la densification;
2° les bâtiments prévus sont situés à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux.]1
Art. D. IV.10. Buiten de ontginningsgebieden en de aanhorigheden van ontginningsgebieden om kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2., na advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, voor een beperkte duur toegekend worden voor de vestiging bestemd voor de ontginning of de valorisering van sierrotsen uit een groeve die in bedrijf is geweest en die noodzakelijk is voor de renovatie, verbouwing, uitbreiding of de heropbouw van een pand in overeenstemming met de omgevende bebouwing.
Art. D. IV.10. En dehors des zones d'extraction et des zones de dépendances d'extraction, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé pour une durée limitée, sur avis du pôle "Aménagement du territoire", pour un établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales à partir d'une carrière ayant été exploitée et nécessaire à un chantier de rénovation, de transformation, d'agrandissement ou de reconstruction d'un immeuble dans le respect du site bâti.
Art. D. IV.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Buiten de ontginningsgebieden en de aanhorigheden van ontginningsgebieden om kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2., na advies van de [1 Adviesraad]1, voor een beperkte duur toegekend worden voor de vestiging bestemd voor de ontginning of de valorisering van sierrotsen uit een groeve die in bedrijf is geweest en die noodzakelijk is voor de renovatie, verbouwing, uitbreiding of de heropbouw van een pand in overeenstemming met de omgevende bebouwing.
Buiten de ontginningsgebieden en de aanhorigheden van ontginningsgebieden om kan een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2., na advies van de [1 Adviesraad]1, voor een beperkte duur toegekend worden voor de vestiging bestemd voor de ontginning of de valorisering van sierrotsen uit een groeve die in bedrijf is geweest en die noodzakelijk is voor de renovatie, verbouwing, uitbreiding of de heropbouw van een pand in overeenstemming met de omgevende bebouwing.
Art. D. IV.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
En dehors des zones d'extraction et des zones de dépendances d'extraction, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé pour une durée limitée, sur avis du [1 conseil consultatif ]1, pour un établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales à partir d'une carrière ayant été exploitée et nécessaire à un chantier de rénovation, de transformation, d'agrandissement ou de reconstruction d'un immeuble dans le respect du site bâti.
En dehors des zones d'extraction et des zones de dépendances d'extraction, un permis d'urbanisme ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé pour une durée limitée, sur avis du [1 conseil consultatif ]1, pour un établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales à partir d'une carrière ayant été exploitée et nécessaire à un chantier de rénovation, de transformation, d'agrandissement ou de reconstruction d'un immeuble dans le respect du site bâti.
Wijzigingen
Art. D. IV.10.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Er kan een vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 worden toegekend in afwijking van de bestemming van gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte of specifieke bedrijfsruimte, voor zover het project betrekking heeft op handelingen en werken die overeenstemmen met de bestemming van gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte of specifieke bedrijfsruimte en als :
1° het stuk grond langs een openbare weg ligt die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en die breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° en het project verenigbaar is met de omgeving.]1
1° het stuk grond langs een openbare weg ligt die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen en rioleringen, die voorzien is van een wegverharding en die breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° en het project verenigbaar is met de omgeving.]1
Art. D. IV.10.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation à la destination d'une zone d'activité économique mixte, industrielle ou spécifique, dans la mesure où le projet concerne des actes et travaux conformes à la destination d'une zone d'activité économique mixte, industrielle ou spécifique et si :
1° le terrain est situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° et que le projet est conciliable avec le voisinage.]1
1° le terrain est situé à front d'une voirie publique suffisamment équipée en eau, électricité et égouttage, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° et que le projet est conciliable avec le voisinage.]1
Art. D. IV.11. Naast de in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.10 bedoelde afwijkingen kan de in artikel D.IV.22, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 7°, 10° en 11°,en in artikel D.IV.25 bedoelde vergunning en de vergunning betreffende de bouwwerken en uitrustingen bestemd voor de activiteiten van algemeen belang of het stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden door van het gewestplan af te wijken.
Art. D. IV.11.Outre les dérogations prévues aux articles D.IV.6 à D.IV.10, le permis visé à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 1°, 2°, 4°, 5°, 7°, 10° et 11°, et à l'article D.IV.25 et le permis relatif aux constructions et équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général ou le certificat d'urbanisme n° 2 peut être accordé en dérogeant au plan de secteur.
Art. D. IV.11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Naast de in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.10 bedoelde afwijkingen kan de in artikel D.IV.22, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 7° [1 en 10°]1 en in artikel D.IV.25 bedoelde vergunning en de vergunning betreffende de bouwwerken en [2 installaties]2 bestemd voor de activiteiten van algemeen belang of het stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden door van het gewestplan af te wijken.
Naast de in de artikelen D.IV.6 tot D.IV.10 bedoelde afwijkingen kan de in artikel D.IV.22, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5°, 7° [1 en 10°]1 en in artikel D.IV.25 bedoelde vergunning en de vergunning betreffende de bouwwerken en [2 installaties]2 bestemd voor de activiteiten van algemeen belang of het stedenbouwkundig attest nr. 2. afgegeven worden door van het gewestplan af te wijken.
Art. D. IV.11_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Outre [2 l'exception prévue ]2 aux articles D.IV.6 à D.IV.10, le permis visé à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 1°, 2°, 4°, 5°, 7° [1 et 10°]1, et à l'article D.IV.25 et le permis relatif aux constructions et [3 installations destinées]3 aux activités à finalité d'intérêt général ou le certificat d'urbanisme n° 2 peut être accordé en dérogeant au plan de secteur.
Outre [2 l'exception prévue ]2 aux articles D.IV.6 à D.IV.10, le permis visé à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 1°, 2°, 4°, 5°, 7° [1 et 10°]1, et à l'article D.IV.25 et le permis relatif aux constructions et [3 installations destinées]3 aux activités à finalité d'intérêt général ou le certificat d'urbanisme n° 2 peut être accordé en dérogeant au plan de secteur.
Art. D. IV.12. Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2. kan in afwijking van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw afgegeven worden.
Art. D. IV.12. Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation aux normes d'un guide régional d'urbanisme.
Art. D. IV.13. Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2. kan in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw afgegeven worden indien de afwijkingen :
1° verantwoord zijn rekening houdend met de specifieke kenmerken van het project ten opzichte van de bepaalde plaats waar genoemd project gepland is;
2° de coherente uitvoering van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw in de rest van het toepassingsgebied niet in gevaar brengen;
3° een project betreffen dat tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
1° verantwoord zijn rekening houdend met de specifieke kenmerken van het project ten opzichte van de bepaalde plaats waar genoemd project gepland is;
2° de coherente uitvoering van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw in de rest van het toepassingsgebied niet in gevaar brengen;
3° een project betreffen dat tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
Art. D. IV.13. Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme si les dérogations :
1° sont justifiées compte tenu des spécificités du projet au regard du lieu précis où celui-ci est envisagé;
2° ne compromettent pas la mise en oeuvre cohérente du plan de secteur ou des normes du guide régional d'urbanisme dans le reste de son champ d'application;
3° concernent un projet qui contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
1° sont justifiées compte tenu des spécificités du projet au regard du lieu précis où celui-ci est envisagé;
2° ne compromettent pas la mise en oeuvre cohérente du plan de secteur ou des normes du guide régional d'urbanisme dans le reste de son champ d'application;
3° concernent un projet qui contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Art. D _IV.13.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2. kan in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw afgegeven worden [1 indien de afwijkingen voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden]1 :
1° verantwoord zijn rekening houdend met de specifieke kenmerken van het project ten opzichte van de bepaalde plaats waar genoemd project gepland is;
2° de coherente uitvoering van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw in de rest van het toepassingsgebied niet in gevaar brengen;
3° een project betreffen dat tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
Een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2. kan in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw afgegeven worden [1 indien de afwijkingen voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden]1 :
1° verantwoord zijn rekening houdend met de specifieke kenmerken van het project ten opzichte van de bepaalde plaats waar genoemd project gepland is;
2° de coherente uitvoering van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw in de rest van het toepassingsgebied niet in gevaar brengen;
3° een project betreffen dat tot de bescherming, het beheer of de inrichting van de al dan niet bebouwde landschappen bijdraagt.
Art. D _IV.13.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme [1 si, de manière cumulative, les dérogations]1 :
1° sont justifiées compte tenu des spécificités du projet au regard du lieu précis où celui-ci est envisagé;
2° ne compromettent pas la mise en oeuvre cohérente du plan de secteur ou des normes du guide régional d'urbanisme dans le reste de son champ d'application;
3° concernent un projet qui contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 peut être octroyé en dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme [1 si, de manière cumulative, les dérogations]1 :
1° sont justifiées compte tenu des spécificités du projet au regard du lieu précis où celui-ci est envisagé;
2° ne compromettent pas la mise en oeuvre cohérente du plan de secteur ou des normes du guide régional d'urbanisme dans le reste de son champ d'application;
3° concernent un projet qui contribue à la protection, à la gestion ou à l'aménagement des paysages bâtis ou non bâtis.
Wijzigingen
TITEL II. - Procedure
TITRE II. - Procédure
HOOFDSTUK I. - Bevoegde autoriteiten
CHAPITRE Ier. - Autorités compétentes
Afdeling 1. - Gemeentecollege
Section 1re. - Collège communal
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. D. IV.14.Het gemeentecollege van de gemeente op wiens grondgebied de handelingen en werken gepland zijn, beslist over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af :
1° ofwel zonder voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar;
2° ofwel na voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar;
3° ofwel na eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar.
[1 Het advies van de gemachtigd ambtenaar is facultatief in het geval bedoeld in artikel D.IV.16. Het is verplicht in de gevallen bedoeld in artikel D.IV.15, lid 1, en artikel D.IV.17]1.
1° ofwel zonder voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar;
2° ofwel na voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar;
3° ofwel na eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar.
[1 Het advies van de gemachtigd ambtenaar is facultatief in het geval bedoeld in artikel D.IV.16. Het is verplicht in de gevallen bedoeld in artikel D.IV.15, lid 1, en artikel D.IV.17]1.
Art. D. IV.14.Le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle sont projetés les actes et travaux statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 :
1° soit sans avis préalable du fonctionnaire délégué;
2° soit sur avis préalable du fonctionnaire délégué;
3° soit sur avis conforme du fonctionnaire délégué.
[1 L'avis du fonctionnaire délégué est facultatif dans le cas visé à l'article D.IV.16. Il est obligatoire dans les cas visés aux articles D.IV.15, alinéa 1er, et D.IV.17]1.
1° soit sans avis préalable du fonctionnaire délégué;
2° soit sur avis préalable du fonctionnaire délégué;
3° soit sur avis conforme du fonctionnaire délégué.
[1 L'avis du fonctionnaire délégué est facultatif dans le cas visé à l'article D.IV.16. Il est obligatoire dans les cas visés aux articles D.IV.15, alinéa 1er, et D.IV.17]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege van de gemeente op wiens grondgebied de handelingen en werken gepland zijn, beslist over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af :
1° ofwel zonder voorafgaand advies [1 van de Regering]1;
2° ofwel na voorafgaand advies [1 van de Regering]1;
3° ofwel na eensluidend advies [1 van de Regering]1.
Het advies [1 van de Regering]1 is facultatief in [2 de in artikel D.IV.15 bedoelde gevallen]2. In de in de artikelen D.IV.16 en D.IV.17. bedoelde gevallen is dat advies verplicht.
Het gemeentecollege van de gemeente op wiens grondgebied de handelingen en werken gepland zijn, beslist over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af :
1° ofwel zonder voorafgaand advies [1 van de Regering]1;
2° ofwel na voorafgaand advies [1 van de Regering]1;
3° ofwel na eensluidend advies [1 van de Regering]1.
Het advies [1 van de Regering]1 is facultatief in [2 de in artikel D.IV.15 bedoelde gevallen]2. In de in de artikelen D.IV.16 en D.IV.17. bedoelde gevallen is dat advies verplicht.
Art. D. IV.14_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle sont projetés les actes et travaux statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 :
1° soit sans avis préalable du [1 Gouvernement]1;
2° soit sur avis préalable du [1 Gouvernement]1;
3° soit sur avis conforme du [ Gouvernement1 ]1.
L'avis du [1 Gouvernement]1 est facultatif dans [2 les cas visés à l'article D.IV.15]2. Il est obligatoire dans les cas visés aux articles D.IV.16 et D.IV.17.
Le collège communal de la commune sur le territoire de laquelle sont projetés les actes et travaux statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 :
1° soit sans avis préalable du [1 Gouvernement]1;
2° soit sur avis préalable du [1 Gouvernement]1;
3° soit sur avis conforme du [ Gouvernement1 ]1.
L'avis du [1 Gouvernement]1 est facultatif dans [2 les cas visés à l'article D.IV.15]2. Il est obligatoire dans les cas visés aux articles D.IV.16 et D.IV.17.
Art. D. IV.14.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Onverminderd artikel D.IV.14 beslist het gemeentecollege over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af na eensluidend advies van in het bijzonder de Minister bevoegd voor Monumentenzorg, hierna "eensluidend erfgoedadvies" genoemd, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed dat met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is.]1
[1 Onverminderd artikel D.IV.14 beslist het gemeentecollege over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af na eensluidend advies van in het bijzonder de Minister bevoegd voor Monumentenzorg, hierna "eensluidend erfgoedadvies" genoemd, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed dat met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is.]1
Art. D. IV.14.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de l'article D.IV.14, le collège communal statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 sur avis conforme du Ministre compétent pour la protection des monuments, en particulier, ci-après "avis conforme relatif au patrimoine" lorsque la demande porte sur un bien qui est classé provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine.]1
[1 Sans préjudice de l'article D.IV.14, le collège communal statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 sur avis conforme du Ministre compétent pour la protection des monuments, en particulier, ci-après "avis conforme relatif au patrimoine" lorsque la demande porte sur un bien qui est classé provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine.]1
Art. D. IV.14.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Onverminderd artikel D.IV.14 beslist het gemeentecollege over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af na voorafgaand advies van in het bijzonder de Minister bevoegd voor Monumentenzorg, hierna "niet-dwingend erfgoedadvies" genoemd, wanneer de aanvraag betrekking heeft op [2 verbouwingswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van een goed]2 dat zich met toepassing van het erfgoeddecreet in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of op een archeologische vindplaats bevindt.]1
[1 Onverminderd artikel D.IV.14 beslist het gemeentecollege over de vergunningsaanvragen en geeft de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af na voorafgaand advies van in het bijzonder de Minister bevoegd voor Monumentenzorg, hierna "niet-dwingend erfgoedadvies" genoemd, wanneer de aanvraag betrekking heeft op [2 verbouwingswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van een goed]2 dat zich met toepassing van het erfgoeddecreet in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of op een archeologische vindplaats bevindt.]1
Art. D. IV.14.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de l'article D.IV.14, le collège communal statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 sur avis préalable du Ministre compétent pour la protection des monuments, en particulier, ci-après "simple avis relatif au patrimoine" lorsque la demande porte sur un bien qui, en application du décret sur le patrimoine, est situé dans la zone de protection [2 des travaux de transformation physique ou de transformation de l'aspect extérieur réalisés sur un bien]2 classé provisoirement ou définitivement ou sur un site archéologique.]1
[1 Sans préjudice de l'article D.IV.14, le collège communal statue sur les demandes de permis et délivre les certificats d'urbanisme n° 2 sur avis préalable du Ministre compétent pour la protection des monuments, en particulier, ci-après "simple avis relatif au patrimoine" lorsque la demande porte sur un bien qui, en application du décret sur le patrimoine, est situé dans la zone de protection [2 des travaux de transformation physique ou de transformation de l'aspect extérieur réalisés sur un bien]2 classé provisoirement ou définitivement ou sur un site archéologique.]1
Onderafdeling 2. - Vergunning
Sous-section 2. - Permis
Art. D. IV.15.[1 Het gemeentecollege beslist na voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.]1
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.]1
Art. D. IV.15.[1 Le collège communal statue sur avis préalable du fonctionnaire délégué.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.]1
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Behalve in de gevallen bedoeld in artikel D.IV.16 en artikel D.IV.17 beslist het gemeentecollege zonder voorafgaand advies van de Regering.
Het gemeentecollege kan een facultatief advies inwinnen bij de Regering.]1
Het gemeentecollege kan een facultatief advies inwinnen bij de Regering.]1
Art. D. IV.15_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Sauf dans les cas visés aux articles D.IV.16 et D.IV.17, le collège communal statue sans avis préalable du Gouvernement.
Le collège communal peut solliciter l'avis facultatif du Gouvernement.]1
Le collège communal peut solliciter l'avis facultatif du Gouvernement.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.16.[1 In afwijking van artikel D.IV.15 beslist het gemeentecollege zonder voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar:
1° als er bestaat voor het grondgebied waarop de handelingen en werken volledig gepland zijn, ofwel :
a) een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan dat gericht is op de ruimteoptimalisatie. In dergelijke gevallen is de vrijstelling van raadpleging van de gemachtigd ambtenaar alleen van toepassing op handelingen en werken die volledig binnen een centrumgebied moeten worden uitgevoerd;
b) een gemeentelijke commissie, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw die minstens de elementen bedoeld in artikel D.III.2, § 1, 1° en 2° bevat, en ofwel :
(1) een meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
(2) een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
(3) een meergemeentelijk ontwikkelingsplan en een gemeentelijk ontwikkelingsplan dat gedeeltelijk buiten werking is getreden overeenkomstig artikel D.II.17, § 2, tweede lid, en dat dit plan of deze ontwikkelingsplannen het hele gemeentelijke grondgebied bestrijken en inhoudelijk niet beperkt zijn tot wat bepaald is in de artikelen D.II.6/1 of D.II.10/1;
c) een lokaal beleidsontwikkelingsplan;
d) een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
2° op voorwaarde dat de aanvraag geen afwijking inhoudt van de ontwikkelingsplannen, van het bodembestemmingsplan, van de leidraden voor stedenbouw of van stedenbouwkundige vergunningen, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die zich volledig binnen een gebied van gemeentelijk belang bevinden;
3° op voorwaarde dat de aanvraag geen afwijking inhoudt van het bodembestemmingsplan of van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 2°, 6°, 11° tot 15°, of van beperkte invloed bepaald door de Regering.
Het gemeentecollege kan evenwel in deze hypotheses het facultatief advies van de gemachtigd ambtenaar inwinnen.]1
1° als er bestaat voor het grondgebied waarop de handelingen en werken volledig gepland zijn, ofwel :
a) een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan dat gericht is op de ruimteoptimalisatie. In dergelijke gevallen is de vrijstelling van raadpleging van de gemachtigd ambtenaar alleen van toepassing op handelingen en werken die volledig binnen een centrumgebied moeten worden uitgevoerd;
b) een gemeentelijke commissie, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw die minstens de elementen bedoeld in artikel D.III.2, § 1, 1° en 2° bevat, en ofwel :
(1) een meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
(2) een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
(3) een meergemeentelijk ontwikkelingsplan en een gemeentelijk ontwikkelingsplan dat gedeeltelijk buiten werking is getreden overeenkomstig artikel D.II.17, § 2, tweede lid, en dat dit plan of deze ontwikkelingsplannen het hele gemeentelijke grondgebied bestrijken en inhoudelijk niet beperkt zijn tot wat bepaald is in de artikelen D.II.6/1 of D.II.10/1;
c) een lokaal beleidsontwikkelingsplan;
d) een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
2° op voorwaarde dat de aanvraag geen afwijking inhoudt van de ontwikkelingsplannen, van het bodembestemmingsplan, van de leidraden voor stedenbouw of van stedenbouwkundige vergunningen, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die zich volledig binnen een gebied van gemeentelijk belang bevinden;
3° op voorwaarde dat de aanvraag geen afwijking inhoudt van het bodembestemmingsplan of van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw, wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 2°, 6°, 11° tot 15°, of van beperkte invloed bepaald door de Regering.
Het gemeentecollege kan evenwel in deze hypotheses het facultatief advies van de gemachtigd ambtenaar inwinnen.]1
Art. D. IV.16.[1 Par exception à l'article D.IV.15, le collège communal statue sans avis préalable du fonctionnaire délégué :
1° s'il existe pour le territoire où sont entièrement projetés les actes et travaux soit :
a) un schéma de développement pluricommunal ou communal qui vise l'optimisation spatiale. La dispense de consultation du fonctionnaire délégué vise, en pareil cas, uniquement les actes et travaux à réaliser entièrement dans une centralité;
b) une commission communale, un guide communal d'urbanisme comportant au minimum les éléments visés à l'article D.III.2, § 1er, 1° et 2°, et soit :
(1) un schéma de développement pluricommunal;
(2) un schéma de développement communal;
(3) un schéma de développement pluricommunal et un schéma de développement communal qui a partiellement cessé de produire ses effets conformément à l'article D.II.17, § 2, alinéa 2, et que ce ou ces schémas couvrent tout le territoire communal et n'ont pas un contenu limité à ce qui est prévu aux articles D.II.6/1 ou D.II.10/1;
c) un schéma d'orientation local;
d) un permis d'urbanisation non périmé;
2° à la condition que la demande n'implique pas d'écart par rapport aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou au permis d'urbanisation, lorsque la demande de permis porte sur les actes et travaux situés entièrement dans une zone d'enjeu communal;
3° à la condition que la demande n'implique pas d'écart par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme, lorsque la demande de permis porte sur les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 2°, 6°, 11° à 15°, ou d'impact limité arrêtés par le Gouvernement.
Toutefois, le collège communal peut, dans ces hypothèses, solliciter l'avis facultatif du fonctionnaire délégué.]1
1° s'il existe pour le territoire où sont entièrement projetés les actes et travaux soit :
a) un schéma de développement pluricommunal ou communal qui vise l'optimisation spatiale. La dispense de consultation du fonctionnaire délégué vise, en pareil cas, uniquement les actes et travaux à réaliser entièrement dans une centralité;
b) une commission communale, un guide communal d'urbanisme comportant au minimum les éléments visés à l'article D.III.2, § 1er, 1° et 2°, et soit :
(1) un schéma de développement pluricommunal;
(2) un schéma de développement communal;
(3) un schéma de développement pluricommunal et un schéma de développement communal qui a partiellement cessé de produire ses effets conformément à l'article D.II.17, § 2, alinéa 2, et que ce ou ces schémas couvrent tout le territoire communal et n'ont pas un contenu limité à ce qui est prévu aux articles D.II.6/1 ou D.II.10/1;
c) un schéma d'orientation local;
d) un permis d'urbanisation non périmé;
2° à la condition que la demande n'implique pas d'écart par rapport aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou au permis d'urbanisation, lorsque la demande de permis porte sur les actes et travaux situés entièrement dans une zone d'enjeu communal;
3° à la condition que la demande n'implique pas d'écart par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme, lorsque la demande de permis porte sur les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 2°, 6°, 11° à 15°, ou d'impact limité arrêtés par le Gouvernement.
Toutefois, le collège communal peut, dans ces hypothèses, solliciter l'avis facultatif du fonctionnaire délégué.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.16_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege beslist na voorafgaand advies [1 van de Regering]1 :
1° [3 ...]3;
2° [3 ...]3;
3° [3 ...]3 wanneer de aanvraag één of meerdere verschillen inhoudt ten opzichte van het bodembestemmingsplan, of de gewestelijke leidraad voor stedenbouw.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Het gemeentecollege beslist na voorafgaand advies [1 van de Regering]1 :
1° [3 ...]3;
2° [3 ...]3;
3° [3 ...]3 wanneer de aanvraag één of meerdere verschillen inhoudt ten opzichte van het bodembestemmingsplan, of de gewestelijke leidraad voor stedenbouw.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Art. D. IV.16_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal statue sur avis préalable du [1 Gouvernement]1 :
1° [3 ...]3;
2° [3 ...]3;
3° [3 ...]3 lorsque la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Le collège communal statue sur avis préalable du [1 Gouvernement]1 :
1° [3 ...]3;
2° [3 ...]3;
3° [3 ...]3 lorsque la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Art. D. IV.17.Het gemeentecollege kan de vergunning slechts verstrekken na eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar [3 wanneer]3 :
1° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 een afwijking inhoudt van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
2° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 betrekking heeft op goederen opgenomen in een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
3° [3 wanneer de aanvraag betrekking heeft op beschermde goederen, gelijkgestelde goederen of goederen gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]3;
4° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 betrekking heeft op een goed opgenomen in het plan voor permanente bewoning.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
1° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 een afwijking inhoudt van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
2° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 betrekking heeft op goederen opgenomen in een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
3° [3 wanneer de aanvraag betrekking heeft op beschermde goederen, gelijkgestelde goederen of goederen gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]3;
4° [3 ...]3 de aanvraag [3 geheel of gedeeltelijk]3 betrekking heeft op een goed opgenomen in het plan voor permanente bewoning.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
Art. D. IV.17.Le collège communal ne peut délivrer le permis que de l'avis conforme du fonctionnaire délégué [3 , lorsque, en tout ou en partie]3:
1° [3 ...]3 la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° [3 ...]3 la demande concerne des biens inscrits dans un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
3° [3 lorsque la demande concerne des biens classés, assimilés ou situés dans une zone de protection, au sens du Code wallon du Patrimoine]3;
4° [3 ...]3 la demande porte sur un bien repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
1° [3 ...]3 la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° [3 ...]3 la demande concerne des biens inscrits dans un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
3° [3 lorsque la demande concerne des biens classés, assimilés ou situés dans une zone de protection, au sens du Code wallon du Patrimoine]3;
4° [3 ...]3 la demande porte sur un bien repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
Art. D. IV.17_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege kan de vergunning slechts verstrekken na eensluidend advies [2 van de Regering]2 :
1° wanneer de aanvraag een afwijking inhoudt van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op goederen opgenomen in een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
3° [1 [2 ...]2]1
4° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed opgenomen in het plan voor permanente bewoning.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies [2 van de Regering]2 in te winnen.
Het gemeentecollege kan de vergunning slechts verstrekken na eensluidend advies [2 van de Regering]2 :
1° wanneer de aanvraag een afwijking inhoudt van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw;
2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op goederen opgenomen in een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
3° [1 [2 ...]2]1
4° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed opgenomen in het plan voor permanente bewoning.
Het gemeentecollege kan evenwel de vergunning weigeren zonder het advies [2 van de Regering]2 in te winnen.
Art. D. IV.17_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal ne peut délivrer le permis que de l'avis conforme du [2 Gouvernement]2 :
1° lorsque la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° lorsque la demande concerne des biens inscrits dans un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
3° [1 [2 ...]2]1
4° lorsque la demande porte sur un bien repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du [2 Gouvernement]2.
Le collège communal ne peut délivrer le permis que de l'avis conforme du [2 Gouvernement]2 :
1° lorsque la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° lorsque la demande concerne des biens inscrits dans un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
3° [1 [2 ...]2]1
4° lorsque la demande porte sur un bien repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
Toutefois, le collège communal peut refuser le permis sans solliciter l'avis du [2 Gouvernement]2.
Art. D. IV.17.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.1 mag het gemeentecollege de vergunning slechts afgeven na een eensluidend erfgoedadvies.
Het gemeentecollege mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.1 mag het gemeentecollege de vergunning slechts afgeven na een eensluidend erfgoedadvies.
Het gemeentecollege mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.17.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le collège communal ne peut délivrer le permis que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Cependant, le collège peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le collège communal ne peut délivrer le permis que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Cependant, le collège peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
Art. D. IV.17.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.2 mag het gemeentecollege de vergunning slechts afgeven na een niet-dwingend erfgoedadvies.
Het gemeentecollege mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.2 mag het gemeentecollege de vergunning slechts afgeven na een niet-dwingend erfgoedadvies.
Het gemeentecollege mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.17.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le collège communal ne peut délivrer le permis que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.
Cependant, le collège peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le collège communal ne peut délivrer le permis que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.
Cependant, le collège peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
Onderafdeling 3. - Stedenbouwkundige attesten
Sous-section 3. - Certificats d'urbanisme
Art. D. IV.18.Het gemeentecollege verstrekt zonder advies van de gemachtigd ambtenaar :
1° de stedenbouwkundige attesten nr.1;
2° de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.[1 16]1.
1° de stedenbouwkundige attesten nr.1;
2° de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.[1 16]1.
Art. D. IV.18.Le collège communal délivre, sans avis du fonctionnaire délégué :
1° les certificats d'urbanisme n° 1;
2° les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.[1 16]1.
1° les certificats d'urbanisme n° 1;
2° les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.[1 16]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.18_UITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege verstrekt zonder advies [1 van de Regering]1 :
1° de stedenbouwkundige attesten nr.1;
2° de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.15.
Het gemeentecollege verstrekt zonder advies [1 van de Regering]1 :
1° de stedenbouwkundige attesten nr.1;
2° de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.15.
Art. D. IV.18_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal délivre, sans avis du [1 Gouvernement]1 :
1° les certificats d'urbanisme n° 1;
2° les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.15.
Le collège communal délivre, sans avis du [1 Gouvernement]1 :
1° les certificats d'urbanisme n° 1;
2° les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.15.
Wijzigingen
Art. D. IV.19.Het gemeentecollege verstrekt na voorafgaand advies van de gemachtigd ambtenaar de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.[1 15]1.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
Art. D. IV.19.Le collège communal délivre, sur avis préalable du fonctionnaire délégué, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.[1 15]1.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
Wijzigingen
Art. D. IV.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege verstrekt na voorafgaand advies [1 van de Regering]1 de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.16.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Het gemeentecollege verstrekt na voorafgaand advies [1 van de Regering]1 de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.16.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Art. D. IV.19_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal délivre, sur avis préalable du [1 Gouvernement]1, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.16.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Le collège communal délivre, sur avis préalable du [1 Gouvernement]1, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.16.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.20. Het gemeentecollege verstrekt na eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.17.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen.
Art. D. IV.20. Le collège communal délivre, sur avis conforme du fonctionnaire délégué, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.17.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du fonctionnaire délégué.
Art. D. IV.20_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het gemeentecollege verstrekt na eensluidend advies [1 van de Regering]1 de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.17.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Het gemeentecollege verstrekt na eensluidend advies [1 van de Regering]1 de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.17.
Het gemeentecollege kan evenwel het stedenbouwkundig attest nr. 2 verstrekken met een ongunstig advies zonder het advies [1 van de Regering]1 in te winnen.
Art. D. IV.20_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal délivre, sur avis conforme du [1 Gouvernement]1, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.17.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Le collège communal délivre, sur avis conforme du [1 Gouvernement]1, les certificats d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.17.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis du [1 Gouvernement]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.20.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het gemeentecollege verstrekt na eensluidend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.1.
Het gemeentecollege kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Het gemeentecollege verstrekt na eensluidend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.1.
Het gemeentecollege kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.20.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le collège communal délivre, sur avis conforme relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.1.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le collège communal délivre, sur avis conforme relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.1.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis relatif au patrimoine.]1
Art. D. IV.20.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het gemeentecollege verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.2.
Het gemeentecollege kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Het gemeentecollege verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.2.
Het gemeentecollege kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.20.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le collège communal délivre, sur simple avis relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.2.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le collège communal délivre, sur simple avis relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.2.
Toutefois, le collège communal peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable sans solliciter l'avis relatif au patrimoine.]1
Art. D. IV.21. Het gemeentecollege is bevoegd om de stedenbouwkundige attesten nr. 2 betreffende de in artikel D.IV.22, derde lid, bedoelde handelingen en werken te verstrekken.
Art. D. IV.21. Le collège communal est compétent pour délivrer les certificats d'urbanisme n° 2 relatifs aux actes et travaux visés à l'article D.IV.22, alinéa 3.
Afdeling 2. - Gemachtigd ambtenaar
Section 2. - Fonctionnaire délégué
Afdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Regering]1
Section 2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Gouvernement]1
Onderafdeling 1. - Vergunning
Sous-section 1re. - Permis
Art. D. IV.22.De vergunning wordt door de gemachtigd ambtenaar verstrekt wanneer zij geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op :
1° handelingen en werken die door een publiekrechtelijk persoon, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering, overwogen worden;
2° handelingen en werken van openbaar nut, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering;
3° op handelingen en werken die zich op het grondgebied van meerdere gemeenten uitstrekt;
4° handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gewestplan of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
5° handelingen en werken gelegen in de omtrekken van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
6° handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld [1 in artikel 1, 1°, van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken]1 [5 , of in een omtrek bepaald op grond van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid, de artikelen 30 en 31 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie of 17 van de wet van 18 juli 1959 tot invoering van bijzondere maatregelen ter bestrijding van de economische en sociale moeilijkheden in sommige gewesten]5;
7° op handelingen en werken betreffende de bouwwerken of uitrustingen bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang zoals volgt :
a) ziekenhuizen, met inbegrip van de klinieken;
b) opvang-, revalidatie- of huisvestingscentra voor gehandicapte personen;
c) terreinen voor de opvang rondtrekkende bevolkingsgroepen;
d) schoolinrichtingen;
e) beroepsopleidingscentra;
f) internaten en studentenhuizen die van een schoolinrichting afhangen;
g) tehuizen voor kinderen;
h) musea, schouwburgen en culturele centra;
i) erkende erediensten of lekenmoraal;
j) jeugdbewegingen;
k) in verband met hernieuwbare energie wegens hun doel van algemeen belang;
8° handelingen en werken, gelegen in een gebied van gemeentelijk belang;
9° handelingen en werken overwogen in een ontginningsgebied of in een gebied met aanhorigheden van steengroeven op het gewestplan of met betrekking tot de vestiging bestemd voor ontginning of benutting van siergesteenten bedoeld in artikel D.IV.10;
10° handelingen en werken gelegen in een stedelijke verkavelingsomtrek;
11° betreffende handelingen en werken voor buitengewoon erfgoed bedoeld [3 in artikel D.11]3, van het Waals Erfgoedwetboek [5 ;]5
[5 12° handelingen en werken betreffende de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, waarvan de netto handelsoppervlakte gelijk is aan of groter is dan :
a) duizend vijfhonderd vierkante meter als het project geheel of gedeeltelijk buiten een door een gemeentelijk of meergemeentelijk ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied ligt, of als een dergelijk centrumgebied ontbreekt;
b) tweeduizend vijfhonderd vierkante meter als het project zich in een centrumgebied bevindt dat door een gemeentelijk of meergemeentelijk ontwikkelingsplan afgekakend is.]5
De handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 7°, k) zijn degene die betrekking hebben op de productie van energie die voor de gemeenschap is bestemd, namelijk de energie die zonder privé-verbruik in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwarmingsnet bedient, en degene die betrekking hebben op de installatie, de aansluiting, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van :
1° een veld van fotovoltaïsche zonnepanelen;
2° een windturbine of een windturbinepark;
3° een hydro-elektrische centrale;
4° een eenheid voor de energievalorisering van de biomassa;
5° een eenheid voor de energievalorisering van de aardwarmte.
In afwijking van het eerste lid worden de vergunningen die gedeeltelijk betrekking hebben op de handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 2° of 7°, met uitzondering van de handelingen en werken gebonden aan de hernieuwbare energie, door het gemeentecollege afgegeven voor zover ze niet in het eerste lid, 1°, 3° tot 6° en 8° tot [5 12]5° worden vermeld. De Regering kan de lijst van die handelingen en werken vastleggen.
De gemachtigd ambtenaar is bevoegd om te beslissen over de in artikel D.IV.106 bedoelde vergunningsaanvragen, alsook over de geringe wijzigingen in de vergunningen die krachtens artikel D.IV.25 door de Regering worden afgegeven.
Wanneer de geplande handelingen en werken tot de bevoegdheid van verschillende gemachtigde ambtenaren behoren, wordt de aanvraag voor een vergunning of een attest gericht aan de door de aanvrager gekozen gemachtigd ambtenaar om die aanvraag te behandelen en erover te beslissen.
De gemachtigd ambtenaar behandelt de in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16. bedoelde vergunningsaanvragen.
Andere bouwwerken of uitrustingen bestemd voor de activiteiten met een doel van algemeen belang dan degene bedoeld in het eerste lid, 7°, kunnen binnen het bereik vallen van de punten 1° tot 6° en 8° tot [5 12]5° van het eerste lid of behoren tot een andere bevoegdheid dan die van de gemachtigd ambtenaar.
[4 De vergunning wordt afgegeven door de gemachtigd ambtenaar wanneer deze uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder of een warmtepomp.]4
1° handelingen en werken die door een publiekrechtelijk persoon, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering, overwogen worden;
2° handelingen en werken van openbaar nut, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering;
3° op handelingen en werken die zich op het grondgebied van meerdere gemeenten uitstrekt;
4° handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gewestplan of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
5° handelingen en werken gelegen in de omtrekken van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
6° handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld [1 in artikel 1, 1°, van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken]1 [5 , of in een omtrek bepaald op grond van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid, de artikelen 30 en 31 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie of 17 van de wet van 18 juli 1959 tot invoering van bijzondere maatregelen ter bestrijding van de economische en sociale moeilijkheden in sommige gewesten]5;
7° op handelingen en werken betreffende de bouwwerken of uitrustingen bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang zoals volgt :
a) ziekenhuizen, met inbegrip van de klinieken;
b) opvang-, revalidatie- of huisvestingscentra voor gehandicapte personen;
c) terreinen voor de opvang rondtrekkende bevolkingsgroepen;
d) schoolinrichtingen;
e) beroepsopleidingscentra;
f) internaten en studentenhuizen die van een schoolinrichting afhangen;
g) tehuizen voor kinderen;
h) musea, schouwburgen en culturele centra;
i) erkende erediensten of lekenmoraal;
j) jeugdbewegingen;
k) in verband met hernieuwbare energie wegens hun doel van algemeen belang;
8° handelingen en werken, gelegen in een gebied van gemeentelijk belang;
9° handelingen en werken overwogen in een ontginningsgebied of in een gebied met aanhorigheden van steengroeven op het gewestplan of met betrekking tot de vestiging bestemd voor ontginning of benutting van siergesteenten bedoeld in artikel D.IV.10;
10° handelingen en werken gelegen in een stedelijke verkavelingsomtrek;
11° betreffende handelingen en werken voor buitengewoon erfgoed bedoeld [3 in artikel D.11]3, van het Waals Erfgoedwetboek [5 ;]5
[5 12° handelingen en werken betreffende de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, waarvan de netto handelsoppervlakte gelijk is aan of groter is dan :
a) duizend vijfhonderd vierkante meter als het project geheel of gedeeltelijk buiten een door een gemeentelijk of meergemeentelijk ontwikkelingsplan afgebakend centrumgebied ligt, of als een dergelijk centrumgebied ontbreekt;
b) tweeduizend vijfhonderd vierkante meter als het project zich in een centrumgebied bevindt dat door een gemeentelijk of meergemeentelijk ontwikkelingsplan afgekakend is.]5
De handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 7°, k) zijn degene die betrekking hebben op de productie van energie die voor de gemeenschap is bestemd, namelijk de energie die zonder privé-verbruik in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwarmingsnet bedient, en degene die betrekking hebben op de installatie, de aansluiting, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van :
1° een veld van fotovoltaïsche zonnepanelen;
2° een windturbine of een windturbinepark;
3° een hydro-elektrische centrale;
4° een eenheid voor de energievalorisering van de biomassa;
5° een eenheid voor de energievalorisering van de aardwarmte.
In afwijking van het eerste lid worden de vergunningen die gedeeltelijk betrekking hebben op de handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 2° of 7°, met uitzondering van de handelingen en werken gebonden aan de hernieuwbare energie, door het gemeentecollege afgegeven voor zover ze niet in het eerste lid, 1°, 3° tot 6° en 8° tot [5 12]5° worden vermeld. De Regering kan de lijst van die handelingen en werken vastleggen.
De gemachtigd ambtenaar is bevoegd om te beslissen over de in artikel D.IV.106 bedoelde vergunningsaanvragen, alsook over de geringe wijzigingen in de vergunningen die krachtens artikel D.IV.25 door de Regering worden afgegeven.
Wanneer de geplande handelingen en werken tot de bevoegdheid van verschillende gemachtigde ambtenaren behoren, wordt de aanvraag voor een vergunning of een attest gericht aan de door de aanvrager gekozen gemachtigd ambtenaar om die aanvraag te behandelen en erover te beslissen.
De gemachtigd ambtenaar behandelt de in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16. bedoelde vergunningsaanvragen.
Andere bouwwerken of uitrustingen bestemd voor de activiteiten met een doel van algemeen belang dan degene bedoeld in het eerste lid, 7°, kunnen binnen het bereik vallen van de punten 1° tot 6° en 8° tot [5 12]5° van het eerste lid of behoren tot een andere bevoegdheid dan die van de gemachtigd ambtenaar.
[4 De vergunning wordt afgegeven door de gemachtigd ambtenaar wanneer deze uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van 15 kW of minder of een warmtepomp.]4
Wijzigingen
Art. D. IV.22.Le permis est délivré par le fonctionnaire délégué lorsqu'il concerne, en tout ou en partie, des actes et travaux :
1° projetés par une personne de droit public inscrite sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
2° d'utilité publique inscrits sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
3° s'étendant sur le territoire de plusieurs communes;
4° situés dans une zone de services publics et d'équipements communautaires au plan de secteur ou dans les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes visés à l'article D.II.19;
5° situés dans les périmètres des sites à réaménager ou des sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
6° situés dans le périmètre visé [1 à l'article 1er, 1°, du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques]1 [5 , ou dans un périmètre établi sur la base du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques, des articles 30 et 31 de la loi du 30 décembre 1970 sur l'expansion économique ou 17 de la loi du 18 juillet 1959 instaurant des mesures spéciales en vue de combattre les difficultés économiques et sociales de certaines régions]5;
7° relatifs aux constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général qui suivent :
a) hôpitaux, en ce compris les cliniques;
b) centres d'accueil, de revalidation ou d'hébergement des personnes handicapées;
c) terrains d'accueil des gens du voyage;
d) établissements scolaires;
e) centres de formation professionnelle;
f) internats et homes pour étudiants dépendant d'un établissement scolaire;
g) homes pour enfants;
h) musées, théâtres et centres culturels;
i) cultes reconnus ou morale laïque;
j) mouvements de jeunesse;
k) liées à l'énergie renouvelable en raison de leur finalité d'intérêt général;
8° situés dans une zone d'enjeu régional;
9° projetés dans une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction au plan de secteur ou relatifs à l'établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales visé à l'article D.IV.10;
10° situés dans un périmètre de remembrement urbain;
11° relatifs à un patrimoine exceptionnel visé [3 à l'article D.11]3, du Code wallon du Patrimoine [5 ;]5
[5 12° relatif à un projet d'implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure :
a) à mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante, en tout ou en partie, en dehors d'une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, ou en l'absence de telle centralité;
b) à deux mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante dans une centralité définie par un schéma communal ou puricommunal.]5
Les actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 7°, k), sont ceux relatifs à la production d'énergie destinée exclusivement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel sans consommation privée ou desservant un réseau de chauffage urbain et qui concernent l'installation, le raccordement, la modification, la construction ou l'agrandissement :
1° d'un champ de panneaux solaires photovoltaïques;
2° d'une éolienne ou d'un parc éolien;
3° d'une centrale hydroélectrique;
4° d'une unité de valorisation énergétique de la biomasse;
5° d'une unité de valorisation énergétique de la géothermie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les permis qui portent en partie sur des actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 2°, ou 7°, à l'exclusion des actes et travaux liés à l'énergie renouvelable, sont délivrés par le collège communal pour autant qu'ils ne soient pas repris à l'alinéa 1er, 1°, 3° à 6°, et 8° à [5 12]5°. Le Gouvernement peut arrêter la liste de ces actes et travaux.
Le fonctionnaire délégué est compétent pour statuer sur les demandes de permis visées à l'article D.IV.106 ainsi que sur les modifications mineures des permis délivrés par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25.
Lorsque les actes et travaux projetés relèvent de la compétence de plusieurs fonctionnaires délégués, la demande de permis ou de certificat est envoyée au fonctionnaire délégué choisi par le demandeur pour instruire et statuer sur celle-ci.
Le fonctionnaire délégué instruit les demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16.
D'autres constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général que ceux visés à l'alinéa 1er, 7°, peuvent entrer dans le champ d'application des points 1° à 6° et 8° à [5 12]5° de l'alinéa 1er, ou relever d'une autre compétence que celle du fonctionnaire délégué.
[4 Le permis est délivré par le fonctionnaire délégué lorsqu'il concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une pompe à chaleur.]4
1° projetés par une personne de droit public inscrite sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
2° d'utilité publique inscrits sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
3° s'étendant sur le territoire de plusieurs communes;
4° situés dans une zone de services publics et d'équipements communautaires au plan de secteur ou dans les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes visés à l'article D.II.19;
5° situés dans les périmètres des sites à réaménager ou des sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
6° situés dans le périmètre visé [1 à l'article 1er, 1°, du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques]1 [5 , ou dans un périmètre établi sur la base du décret du 11 mars 2004 relatif aux infrastructures d'accueil des activités économiques, des articles 30 et 31 de la loi du 30 décembre 1970 sur l'expansion économique ou 17 de la loi du 18 juillet 1959 instaurant des mesures spéciales en vue de combattre les difficultés économiques et sociales de certaines régions]5;
7° relatifs aux constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général qui suivent :
a) hôpitaux, en ce compris les cliniques;
b) centres d'accueil, de revalidation ou d'hébergement des personnes handicapées;
c) terrains d'accueil des gens du voyage;
d) établissements scolaires;
e) centres de formation professionnelle;
f) internats et homes pour étudiants dépendant d'un établissement scolaire;
g) homes pour enfants;
h) musées, théâtres et centres culturels;
i) cultes reconnus ou morale laïque;
j) mouvements de jeunesse;
k) liées à l'énergie renouvelable en raison de leur finalité d'intérêt général;
8° situés dans une zone d'enjeu régional;
9° projetés dans une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction au plan de secteur ou relatifs à l'établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales visé à l'article D.IV.10;
10° situés dans un périmètre de remembrement urbain;
11° relatifs à un patrimoine exceptionnel visé [3 à l'article D.11]3, du Code wallon du Patrimoine [5 ;]5
[5 12° relatif à un projet d'implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure :
a) à mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante, en tout ou en partie, en dehors d'une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, ou en l'absence de telle centralité;
b) à deux mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante dans une centralité définie par un schéma communal ou puricommunal.]5
Les actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 7°, k), sont ceux relatifs à la production d'énergie destinée exclusivement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel sans consommation privée ou desservant un réseau de chauffage urbain et qui concernent l'installation, le raccordement, la modification, la construction ou l'agrandissement :
1° d'un champ de panneaux solaires photovoltaïques;
2° d'une éolienne ou d'un parc éolien;
3° d'une centrale hydroélectrique;
4° d'une unité de valorisation énergétique de la biomasse;
5° d'une unité de valorisation énergétique de la géothermie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les permis qui portent en partie sur des actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 2°, ou 7°, à l'exclusion des actes et travaux liés à l'énergie renouvelable, sont délivrés par le collège communal pour autant qu'ils ne soient pas repris à l'alinéa 1er, 1°, 3° à 6°, et 8° à [5 12]5°. Le Gouvernement peut arrêter la liste de ces actes et travaux.
Le fonctionnaire délégué est compétent pour statuer sur les demandes de permis visées à l'article D.IV.106 ainsi que sur les modifications mineures des permis délivrés par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25.
Lorsque les actes et travaux projetés relèvent de la compétence de plusieurs fonctionnaires délégués, la demande de permis ou de certificat est envoyée au fonctionnaire délégué choisi par le demandeur pour instruire et statuer sur celle-ci.
Le fonctionnaire délégué instruit les demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16.
D'autres constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général que ceux visés à l'alinéa 1er, 7°, peuvent entrer dans le champ d'application des points 1° à 6° et 8° à [5 12]5° de l'alinéa 1er, ou relever d'une autre compétence que celle du fonctionnaire délégué.
[4 Le permis est délivré par le fonctionnaire délégué lorsqu'il concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une pompe à chaleur.]4
Wijzigingen
Art. D. IV.22_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vergunning wordt door [3 de Regering]3 verstrekt wanneer zij geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op :
1° handelingen en werken die door een publiekrechtelijk persoon, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering, overwogen worden;
2° handelingen en werken van openbaar nut, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering;
3° op handelingen en werken die zich op het grondgebied van meerdere gemeenten uitstrekt;
4° handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gewestplan of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
5° [4 handelingen en werken in omtrekken voor een saneringslocatie;]4
6° handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld [1 in artikel 1, 1°, van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken]1;
7° op handelingen en werken betreffende de bouwwerken of [4 installaties]4 bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang zoals volgt :
a) ziekenhuizen, met inbegrip van de klinieken;
b) opvang-, revalidatie- of huisvestingscentra voor gehandicapte personen;
c) terreinen voor de opvang rondtrekkende bevolkingsgroepen;
d) schoolinrichtingen;
e) beroepsopleidingscentra;
f) internaten en studentenhuizen die van een schoolinrichting afhangen;
g) tehuizen voor kinderen;
h) musea, schouwburgen en culturele centra;
i) erkende erediensten of lekenmoraal;
j) jeugdbewegingen;
k) in verband met hernieuwbare energie wegens hun doel van algemeen belang;
8° handelingen en werken, gelegen in een gebied van gemeentelijk belang;
9° handelingen en werken overwogen in een ontginningsgebied of in een gebied met aanhorigheden van steengroeven op het gewestplan of met betrekking tot de vestiging bestemd voor ontginning of benutting van siergesteenten bedoeld in artikel D.IV.10;
10° handelingen en werken gelegen in een stedelijke verkavelingsomtrek;
11° [3 ...]3
[3 12° dwingende redenen van algemeen belang, met name handelingen en werken die verband houden met het meerjarig investeringsplan van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.]3
De handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 7°, k) zijn degene die betrekking hebben op de productie van energie die voor de gemeenschap is bestemd, namelijk de energie die zonder privé-verbruik in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwarmingsnet bedient, en degene die betrekking hebben op de installatie, de aansluiting, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van :
1° een veld van fotovoltaïsche zonnepanelen;
2° een windturbine of een windturbinepark;
3° een hydro-elektrische centrale;
4° een eenheid voor de energievalorisering van de biomassa;
5° een eenheid voor de energievalorisering van de aardwarmte.
[4 In afwijking van het eerste lid worden de vergunningen die gedeeltelijk betrekking hebben op de handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 2° of 7°, a) tot j), door het gemeentecollege afgegeven voor zover ze niet in het eerste lid, 1°, 3° tot 6° en 8° tot 11° worden vermeld. De Regering kan de lijst van die handelingen en werken vastleggen.]4
[4 De Regering is bevoegd om uitspraak te doen over de aanvragen voor een regularisatieonderzoek vermeld in artikel D.VII.18.]4
[3 ...]3
[3 ...]3
Andere bouwwerken of uitrustingen bestemd voor de activiteiten met een doel van algemeen belang dan degene bedoeld in het eerste lid, 7°, kunnen binnen het bereik vallen van de punten 1° tot 6° en 8° tot 11° van het eerste lid of behoren tot een andere bevoegdheid dan die [3 van de Regering]3.
De vergunning wordt door [3 de Regering]3 verstrekt wanneer zij geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op :
1° handelingen en werken die door een publiekrechtelijk persoon, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering, overwogen worden;
2° handelingen en werken van openbaar nut, opgenomen op de lijst vastgelegd door de Regering;
3° op handelingen en werken die zich op het grondgebied van meerdere gemeenten uitstrekt;
4° handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gewestplan of in de gebieden van de spoorweg- of luchthaveninfrastructuren en van de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
5° [4 handelingen en werken in omtrekken voor een saneringslocatie;]4
6° handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld [1 in artikel 1, 1°, van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken]1;
7° op handelingen en werken betreffende de bouwwerken of [4 installaties]4 bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang zoals volgt :
a) ziekenhuizen, met inbegrip van de klinieken;
b) opvang-, revalidatie- of huisvestingscentra voor gehandicapte personen;
c) terreinen voor de opvang rondtrekkende bevolkingsgroepen;
d) schoolinrichtingen;
e) beroepsopleidingscentra;
f) internaten en studentenhuizen die van een schoolinrichting afhangen;
g) tehuizen voor kinderen;
h) musea, schouwburgen en culturele centra;
i) erkende erediensten of lekenmoraal;
j) jeugdbewegingen;
k) in verband met hernieuwbare energie wegens hun doel van algemeen belang;
8° handelingen en werken, gelegen in een gebied van gemeentelijk belang;
9° handelingen en werken overwogen in een ontginningsgebied of in een gebied met aanhorigheden van steengroeven op het gewestplan of met betrekking tot de vestiging bestemd voor ontginning of benutting van siergesteenten bedoeld in artikel D.IV.10;
10° handelingen en werken gelegen in een stedelijke verkavelingsomtrek;
11° [3 ...]3
[3 12° dwingende redenen van algemeen belang, met name handelingen en werken die verband houden met het meerjarig investeringsplan van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.]3
De handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 7°, k) zijn degene die betrekking hebben op de productie van energie die voor de gemeenschap is bestemd, namelijk de energie die zonder privé-verbruik in het elektriciteitsnet of in het aardgasnet wordt geïnjecteerd of die een stedelijk verwarmingsnet bedient, en degene die betrekking hebben op de installatie, de aansluiting, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van :
1° een veld van fotovoltaïsche zonnepanelen;
2° een windturbine of een windturbinepark;
3° een hydro-elektrische centrale;
4° een eenheid voor de energievalorisering van de biomassa;
5° een eenheid voor de energievalorisering van de aardwarmte.
[4 In afwijking van het eerste lid worden de vergunningen die gedeeltelijk betrekking hebben op de handelingen en werken bedoeld in het eerste lid, 2° of 7°, a) tot j), door het gemeentecollege afgegeven voor zover ze niet in het eerste lid, 1°, 3° tot 6° en 8° tot 11° worden vermeld. De Regering kan de lijst van die handelingen en werken vastleggen.]4
[4 De Regering is bevoegd om uitspraak te doen over de aanvragen voor een regularisatieonderzoek vermeld in artikel D.VII.18.]4
[3 ...]3
[3 ...]3
Andere bouwwerken of uitrustingen bestemd voor de activiteiten met een doel van algemeen belang dan degene bedoeld in het eerste lid, 7°, kunnen binnen het bereik vallen van de punten 1° tot 6° en 8° tot 11° van het eerste lid of behoren tot een andere bevoegdheid dan die [3 van de Regering]3.
Art. D. IV.22_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis est délivré par le [3 Gouvernement]3 lorsqu'il concerne, en tout ou en partie, des actes et travaux :
1° projetés par une personne de droit public inscrite sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
2° d'utilité publique inscrits sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
3° s'étendant sur le territoire de plusieurs communes;
4° situés dans une zone de services publics et d'équipements communautaires au plan de secteur ou dans les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes visés à l'article D.II.19;
5° [4 situés dans les périmètres de sites à réaménager;]4
6° situés dans le périmètre visé [1 à l'article 1er, 1°, du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques]1;
7° relatifs aux constructions ou [4 installations destinées]4 aux activités à finalité d'intérêt général qui suivent :
a) hôpitaux, en ce compris les cliniques;
b) centres d'accueil, de revalidation ou d'hébergement des personnes handicapées;
c) terrains d'accueil des gens du voyage;
d) établissements scolaires;
e) centres de formation professionnelle;
f) internats et homes pour étudiants dépendant d'un établissement scolaire;
g) homes pour enfants;
h) musées, théâtres et centres culturels;
i) cultes reconnus ou morale laïque;
j) mouvements de jeunesse;
k) liées à l'énergie renouvelable en raison de leur finalité d'intérêt général;
8° situés dans une zone d'enjeu régional;
9° projetés dans une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction au plan de secteur ou relatifs à l'établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales visé à l'article D.IV.10;
10° situés dans un périmètre de remembrement urbain;
11° [3 ...]3
[3 12° justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général, à savoir les actes et travaux en lien avec le plan d'investissement pluriannuel de la Société nationale des chemins de fer belges.]3
Les actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 7°, k), sont ceux relatifs à la production d'énergie destinée exclusivement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel sans consommation privée ou desservant un réseau de chauffage urbain et qui concernent l'installation, le raccordement, la modification, la construction ou l'agrandissement :
1° d'un champ de panneaux solaires photovoltaïques;
2° d'une éolienne ou d'un parc éolien;
3° d'une centrale hydroélectrique;
4° d'une unité de valorisation énergétique de la biomasse;
5° d'une unité de valorisation énergétique de la géothermie.
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, les permis qui portent en partie sur des actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 2°, ou 7°, a) à j), sont délivrés par le collège communal pour autant qu'ils ne soient pas repris à l'alinéa 1er, 1°, 3° à 6°, et 8° à 11°. Le Gouvernement peut arrêter la liste de ces actes et travaux.]4
[4 Le Gouvernement est compétent pour statuer sur les demandes de contrôle de régularisation mentionnées à l'article D.VII.18.]4
[3 ...]3
[3 ...]3
D'autres constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général que ceux visés à l'alinéa 1er, 7°, peuvent entrer dans le champ d'application des points 1° à 6° et 8° à 11° de l'alinéa 1er, ou relever d'une autre compétence que celle du [3 Gouvernement]3.
Le permis est délivré par le [3 Gouvernement]3 lorsqu'il concerne, en tout ou en partie, des actes et travaux :
1° projetés par une personne de droit public inscrite sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
2° d'utilité publique inscrits sur la liste arrêtée par le Gouvernement;
3° s'étendant sur le territoire de plusieurs communes;
4° situés dans une zone de services publics et d'équipements communautaires au plan de secteur ou dans les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et des ports autonomes visés à l'article D.II.19;
5° [4 situés dans les périmètres de sites à réaménager;]4
6° situés dans le périmètre visé [1 à l'article 1er, 1°, du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques]1;
7° relatifs aux constructions ou [4 installations destinées]4 aux activités à finalité d'intérêt général qui suivent :
a) hôpitaux, en ce compris les cliniques;
b) centres d'accueil, de revalidation ou d'hébergement des personnes handicapées;
c) terrains d'accueil des gens du voyage;
d) établissements scolaires;
e) centres de formation professionnelle;
f) internats et homes pour étudiants dépendant d'un établissement scolaire;
g) homes pour enfants;
h) musées, théâtres et centres culturels;
i) cultes reconnus ou morale laïque;
j) mouvements de jeunesse;
k) liées à l'énergie renouvelable en raison de leur finalité d'intérêt général;
8° situés dans une zone d'enjeu régional;
9° projetés dans une zone d'extraction ou de dépendances d'extraction au plan de secteur ou relatifs à l'établissement destiné à l'extraction ou à la valorisation de roches ornementales visé à l'article D.IV.10;
10° situés dans un périmètre de remembrement urbain;
11° [3 ...]3
[3 12° justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général, à savoir les actes et travaux en lien avec le plan d'investissement pluriannuel de la Société nationale des chemins de fer belges.]3
Les actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 7°, k), sont ceux relatifs à la production d'énergie destinée exclusivement à la collectivité c'est-à-dire d'énergie rejetée dans le réseau électrique ou dans le réseau de gaz naturel sans consommation privée ou desservant un réseau de chauffage urbain et qui concernent l'installation, le raccordement, la modification, la construction ou l'agrandissement :
1° d'un champ de panneaux solaires photovoltaïques;
2° d'une éolienne ou d'un parc éolien;
3° d'une centrale hydroélectrique;
4° d'une unité de valorisation énergétique de la biomasse;
5° d'une unité de valorisation énergétique de la géothermie.
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, les permis qui portent en partie sur des actes et travaux visés à l'alinéa 1er, 2°, ou 7°, a) à j), sont délivrés par le collège communal pour autant qu'ils ne soient pas repris à l'alinéa 1er, 1°, 3° à 6°, et 8° à 11°. Le Gouvernement peut arrêter la liste de ces actes et travaux.]4
[4 Le Gouvernement est compétent pour statuer sur les demandes de contrôle de régularisation mentionnées à l'article D.VII.18.]4
[3 ...]3
[3 ...]3
D'autres constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général que ceux visés à l'alinéa 1er, 7°, peuvent entrer dans le champ d'application des points 1° à 6° et 8° à 11° de l'alinéa 1er, ou relever d'une autre compétence que celle du [3 Gouvernement]3.
Art. D. IV.22.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.1 mag de Regering de vergunning slechts afgeven na een eensluidend erfgoedadvies.
De Regering mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.1 mag de Regering de vergunning slechts afgeven na een eensluidend erfgoedadvies.
De Regering mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.22.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Gouvernement ne peut délivrer le permis que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Cependant, le Gouvernement peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le Gouvernement ne peut délivrer le permis que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Cependant, le Gouvernement peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
Art. D. IV.22.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.2 mag de Regering de vergunning slechts afgeven na een niet-dwingend erfgoedadvies.
De Regering mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel D.IV.14.2 mag de Regering de vergunning slechts afgeven na een niet-dwingend erfgoedadvies.
De Regering mag de vergunning echter weigeren zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.22.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Gouvernement ne peut délivrer le permis que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.
Cependant, le Gouvernement peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le Gouvernement ne peut délivrer le permis que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.
Cependant, le Gouvernement peut refuser le permis sans demander d'avis relatif au patrimoine.]1
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundig attest
Sous-section 2. -- Certificat d'urbanisme
Art. D. IV.23. De gemachtigd ambtenaar verstrekt het stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.22., eerste lid, alsook met betrekking tot geringe wijzigingen van de vergunningen die krachtens artikel D.IV.25 door de Regering worden afgegeven.
Art. D. IV.23. Le fonctionnaire délégué délivre le certificat d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.22, alinéa 1er ainsi que sur les modifications mineures des permis délivrés par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25.
Art. D. IV.23_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Regering]1 verstrekt het stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.22., eerste lid [1 ...]1.
[1 De Regering]1 verstrekt het stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot projecten vallend onder het toepassingsgebied van artikel D.IV.22., eerste lid [1 ...]1.
Art. D. IV.23_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le [1 Gouvernement]1 délivre le certificat d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.22, alinéa 1er [1 ...]1.
Le [1 Gouvernement]1 délivre le certificat d'urbanisme n° 2 portant sur des projets rentrant dans le champ d'application de l'article D.IV.22, alinéa 1er [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.23.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Regering verstrekt na eensluidend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.1.
De Regering kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 De Regering verstrekt na eensluidend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.1.
De Regering kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.23.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Gouvernement délivre, sur avis conforme relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.1.
Cependant, le Gouvernement peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable, sans obtenir l'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le Gouvernement délivre, sur avis conforme relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.1.
Cependant, le Gouvernement peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable, sans obtenir l'avis relatif au patrimoine.]1
Art. D. IV.23.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Regering verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.2.
De Regering kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
[1 De Regering verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies de stedenbouwkundige attesten nr. 2 met betrekking tot projecten die onder het toepassingsgebied vallen van artikel D.IV.14.2.
De Regering kan het stedenbouwkundig attest nr. 2 evenwel met een ongunstig advies verstrekken, zonder erfgoedadvies in te winnen.]1
Art. D. IV.23.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Gouvernement délivre, sur simple avis relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.2.
Cependant, le Gouvernement peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable, sans obtenir l'avis relatif au patrimoine.]1
[1 Le Gouvernement délivre, sur simple avis relatif au patrimoine, les certificats d'urbanisme n° 2 concernant des projets qui relèvent du champ d'application de l'article D.IV.14.2.
Cependant, le Gouvernement peut délivrer le certificat d'urbanisme n° 2 avec un avis défavorable, sans obtenir l'avis relatif au patrimoine.]1
Afdeling 3. - Regering
Section 3. - Gouvernement
Afdeling 3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Beroepsinstantie]1
Section 3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Instance de recours]1
Art. D. IV.24. De Regering is bevoegd om te beslissen over de beroepen tegen de beslissingen genomen door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar over de aanvragen van vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. Bovendien beslist ze over de opschortingsbeslissing genomen door de gemachtigd ambtenaar overeenkomstig artikel D.IV.62.
Art. D. IV.24. Le Gouvernement est compétent pour statuer sur les recours contre les décisions du collège communal ou du fonctionnaire délégué sur les demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2. En outre, il statue sur la décision de suspension prise par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.62.
Art. D. IV.24_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Regering is bevoegd om te beslissen over de beroepen [1 tegen de beslissingen van het gemeentecollege of tegen haar eigen in eerste instantie genomen beslissingen]1 over de aanvragen van vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. Bovendien beslist ze over de opschortingsbeslissing [1 die ze in eerste instantie heeft genomen]1 overeenkomstig artikel D.IV.62.
De Regering is bevoegd om te beslissen over de beroepen [1 tegen de beslissingen van het gemeentecollege of tegen haar eigen in eerste instantie genomen beslissingen]1 over de aanvragen van vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. Bovendien beslist ze over de opschortingsbeslissing [1 die ze in eerste instantie heeft genomen]1 overeenkomstig artikel D.IV.62.
Art. D. IV.24_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le Gouvernement est compétent pour statuer sur les recours contre les décisions du collège communal ou [1 contre celles prises par lui en première instance]1 sur les demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2. En outre, il statue sur la décision de suspension prise [1 par lui en première instance ]1 en application de l'article D.IV.62.
Le Gouvernement est compétent pour statuer sur les recours contre les décisions du collège communal ou [1 contre celles prises par lui en première instance]1 sur les demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2. En outre, il statue sur la décision de suspension prise [1 par lui en première instance ]1 en application de l'article D.IV.62.
Wijzigingen
Art. D. IV.25.De vergunning wordt door de Regering verstrekt wanneer ze vergunningsaanvragen betreft i.v.m. handelingen en werken waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan, namelijk :
1° volgende handelingen en werken voor de inrichting van de infrastructuren en onthaalgebouwen van de gewestelijke luchthavens Luik-Bierset en Charleroi-Brussels South :
a) wat betreft de luchthaven Luik-Bierset :
- de uitbreiding van het vrachtgebied noord voor de vliegtuigparkings;
- het TGV-vrachtstation;
[1 - de verlenging van de secundaire baan;]1
b) wat betreft de luchthaven Charleroi-Brussels South :
- de verlenging van de start- en landingsbaan, met inbegrip van de opritten;
- de controletoren;
- de uitbreiding van het luchthavenstation;
- het spoorwegstation en de spoorwegeninfrastructuren;
2° ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 11 oktober 2001 tussen de federale overheid, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het meerjareninvesteringsplan 2001-2012 van de NMBS, de handelingen en werken op het grondgebied van het Waalse Gewest in verband met het GEN;
3° de handelingen en werken in verband met het meerjarig investeringsplan van de NMBS;
4° in het kader van de uitvoering van het gewestelijk structuurplan (deel 3, punt 1.4), aangenomen door de Waalse Regering op 27 mei 1999, de handelingen en werken in verband met de structurerende openbaar-vervoersmodi voor Charleroi, Luik, Namen en Bergen;
5° de ontbrekende schakels in het wegen- en waterwegennet op het grondgebied van het Waalse Gewest van het trans-Europese vervoersnet bedoeld in beschikking nr. 884/2004/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet.
[2 De Regering geeft de milieuvergunning of eenmalige vergunning af voor de projecten opgesomd in artikel 3 van het decreet van 30 januari 2025betreffende het stroomlijnen van maatregelen ter bevordering van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T).]2
1° volgende handelingen en werken voor de inrichting van de infrastructuren en onthaalgebouwen van de gewestelijke luchthavens Luik-Bierset en Charleroi-Brussels South :
a) wat betreft de luchthaven Luik-Bierset :
- de uitbreiding van het vrachtgebied noord voor de vliegtuigparkings;
- het TGV-vrachtstation;
[1 - de verlenging van de secundaire baan;]1
b) wat betreft de luchthaven Charleroi-Brussels South :
- de verlenging van de start- en landingsbaan, met inbegrip van de opritten;
- de controletoren;
- de uitbreiding van het luchthavenstation;
- het spoorwegstation en de spoorwegeninfrastructuren;
2° ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 11 oktober 2001 tussen de federale overheid, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het meerjareninvesteringsplan 2001-2012 van de NMBS, de handelingen en werken op het grondgebied van het Waalse Gewest in verband met het GEN;
3° de handelingen en werken in verband met het meerjarig investeringsplan van de NMBS;
4° in het kader van de uitvoering van het gewestelijk structuurplan (deel 3, punt 1.4), aangenomen door de Waalse Regering op 27 mei 1999, de handelingen en werken in verband met de structurerende openbaar-vervoersmodi voor Charleroi, Luik, Namen en Bergen;
5° de ontbrekende schakels in het wegen- en waterwegennet op het grondgebied van het Waalse Gewest van het trans-Europese vervoersnet bedoeld in beschikking nr. 884/2004/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet.
[2 De Regering geeft de milieuvergunning of eenmalige vergunning af voor de projecten opgesomd in artikel 3 van het decreet van 30 januari 2025betreffende het stroomlijnen van maatregelen ter bevordering van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T).]2
Art. D. IV.25.Le permis est délivré par le Gouvernement lorsqu'il concerne les demandes de permis relatifs aux actes et travaux pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général, à savoir :
1° les actes et travaux d'aménagement des infrastructures et bâtiments d'accueil des aéroports régionaux de Liège-Bierset et de Charleroi-Bruxelles Sud qui suivent :
a) en ce qui concerne l'aéroport de Liège-Bierset :
- l'extension de la zone fret nord pour les parkings-avions;
- la gare TGV fret;
[1 - l'allongement de la piste secondaire;]1
b) en ce qui concerne l'aéroport de Charleroi- Bruxelles Sud :
- l'allongement de la piste, en ce compris la construction des bretelles d'accès;
- la tour de contrôle;
- l'extension de l'aérogare;
- la gare et les infrastructures ferroviaires;
2° en exécution de l'accord de coopération du 11 octobre 2001 entre l'Etat fédéral, les Régions flamande, wallonne et de Bruxelles-Capitale relatif au plan d'investissement pluriannuel 2001-2012 de la S.N.C.B., les actes et travaux sur le territoire de la Région wallonne qui se rapportent au réseau RER;
3° les actes et travaux relatifs au plan d'investissement pluriannuel de la S.N.C.B.;
4° dans le cadre de la mise en oeuvre du schéma de développement de l'espace régional (troisième partie, point 1.4.) adopté par le Gouvernement wallon le 27 mai 1999, les actes et travaux qui se rapportent aux modes structurants de transport en commun pour Charleroi, Liège, Namur et Mons;
5° les chaînons manquants routiers et fluviaux sur le territoire de la Région wallonne du réseau transeuropéen de transport visé dans la Décision n° 884/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 modifiant la Décision n° 1692/96/CE sur les orientations communautaires pour le développement du réseau transeuropéen de transport.
[2 Le Gouvernement délivre le permis d'environnement ou le permis unique lorsqu'il est relatif aux projets répertoriés à l'article 3 du décret du 30 janvier 2025 relatif aux mesures de rationalisation en vue de progresser dans la réalisation du réseau transeuropéen de transport (RTE-T).]2
1° les actes et travaux d'aménagement des infrastructures et bâtiments d'accueil des aéroports régionaux de Liège-Bierset et de Charleroi-Bruxelles Sud qui suivent :
a) en ce qui concerne l'aéroport de Liège-Bierset :
- l'extension de la zone fret nord pour les parkings-avions;
- la gare TGV fret;
[1 - l'allongement de la piste secondaire;]1
b) en ce qui concerne l'aéroport de Charleroi- Bruxelles Sud :
- l'allongement de la piste, en ce compris la construction des bretelles d'accès;
- la tour de contrôle;
- l'extension de l'aérogare;
- la gare et les infrastructures ferroviaires;
2° en exécution de l'accord de coopération du 11 octobre 2001 entre l'Etat fédéral, les Régions flamande, wallonne et de Bruxelles-Capitale relatif au plan d'investissement pluriannuel 2001-2012 de la S.N.C.B., les actes et travaux sur le territoire de la Région wallonne qui se rapportent au réseau RER;
3° les actes et travaux relatifs au plan d'investissement pluriannuel de la S.N.C.B.;
4° dans le cadre de la mise en oeuvre du schéma de développement de l'espace régional (troisième partie, point 1.4.) adopté par le Gouvernement wallon le 27 mai 1999, les actes et travaux qui se rapportent aux modes structurants de transport en commun pour Charleroi, Liège, Namur et Mons;
5° les chaînons manquants routiers et fluviaux sur le territoire de la Région wallonne du réseau transeuropéen de transport visé dans la Décision n° 884/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 modifiant la Décision n° 1692/96/CE sur les orientations communautaires pour le développement du réseau transeuropéen de transport.
[2 Le Gouvernement délivre le permis d'environnement ou le permis unique lorsqu'il est relatif aux projets répertoriés à l'article 3 du décret du 30 janvier 2025 relatif aux mesures de rationalisation en vue de progresser dans la réalisation du réseau transeuropéen de transport (RTE-T).]2
Art. D. IV.25_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. IV.25_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. - Aanvraagdossiers
CHAPITRE II. - Dossiers de demande
Afdeling 1. - Vergunningsaanvraagdossier
Section 1re. - Dossier de demande de permis
Art. D. IV.26.§ 1. Bij elke vergunningsaanvraag wordt een dossier gevoegd.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningsaanvraag [2 , die de nodige informatie bevat om de natuurrisico's en de grote geotechnische drukken, bedoeld in artikel D.IV.57, 3°, te begrijpen]2. Ze bepaalt hoeveel dossierexemplaren de aanvraag bevat, alsook de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd worden.
[1 In de gevallen bedoeld in artikel D.34, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de vergunningsaanvraag een geldige erfgoedvergunning bevat met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag
In de gevallen bedoeld in artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de vergunningsaanvraag een voorafgaand erfgoedadvies van de erfgoedadministratiemet betrekking tot het onderwerp van de aanvraag]1
De Regering bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de vergunningen.
§ 2. De aanvraag voor een bebouwingsvergunning toont aan dat de aanvrager houder is van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag. De aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning moet niet de mogelijkheid voor de aanvrager aantonen, om de vergunning uit te voeren.
Erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens of van verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die in strijd zijn met de inhoud van de aanvraag voor een bebouwingsvergunning worden in deze aanvraag vermeld. In dat geval wordt de aanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager. De vergunning doet de bedoelde erfdienstbaarheden en verplichtingen tenietgaan, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van die rechten ten laste van de aanvrager.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningsaanvraag [2 , die de nodige informatie bevat om de natuurrisico's en de grote geotechnische drukken, bedoeld in artikel D.IV.57, 3°, te begrijpen]2. Ze bepaalt hoeveel dossierexemplaren de aanvraag bevat, alsook de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd worden.
[1 In de gevallen bedoeld in artikel D.34, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de vergunningsaanvraag een geldige erfgoedvergunning bevat met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag
In de gevallen bedoeld in artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de vergunningsaanvraag een voorafgaand erfgoedadvies van de erfgoedadministratiemet betrekking tot het onderwerp van de aanvraag]1
De Regering bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de vergunningen.
§ 2. De aanvraag voor een bebouwingsvergunning toont aan dat de aanvrager houder is van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag. De aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning moet niet de mogelijkheid voor de aanvrager aantonen, om de vergunning uit te voeren.
Erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens of van verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die in strijd zijn met de inhoud van de aanvraag voor een bebouwingsvergunning worden in deze aanvraag vermeld. In dat geval wordt de aanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager. De vergunning doet de bedoelde erfdienstbaarheden en verplichtingen tenietgaan, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van die rechten ten laste van de aanvrager.
Art. D. IV.26.§ 1er. Toute demande de permis est accompagnée d'un dossier.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la demande de permis [2 , qui intègre les éléments nécessaires pour appréhender les risques naturels et les contraintes géotechniques majeures, tels que visés à l'article D.IV.57, 3°]2. Il précise le nombre d'exemplaires du dossier qu'elle comporte, ainsi que l'échelle et le contenu des différents plans qui y sont joints.
[1 Dans les cas visés à l'article D.34, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de permis contient une autorisation patrimoniale valide se rapportant à l'objet de la demande.
Dans les cas visés à l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de permis contient l'avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine se rapportant à l'objet de la demande.]1
Le Gouvernement arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des permis.
§ 2. La demande de permis d'urbanisation justifie du fait que le demandeur est titulaire d'un droit réel sur le bien qui fait l'objet de la demande de permis. La demande de permis d'urbanisme ne doit pas justifier la possibilité pour le demandeur de mettre en oeuvre le permis.
L'existence de servitudes du fait de l'homme ou d'obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol contraires au contenu de la demande de permis d'urbanisation est mentionnée dans celle-ci. Dans ce cas, la demande est soumise à enquête publique dont les frais sont à charge du demandeur. Le permis a pour effet d'éteindre lesdites servitudes et obligations sans préjudice de l'indemnisation des titulaires de ces droits, à charge du demandeur.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la demande de permis [2 , qui intègre les éléments nécessaires pour appréhender les risques naturels et les contraintes géotechniques majeures, tels que visés à l'article D.IV.57, 3°]2. Il précise le nombre d'exemplaires du dossier qu'elle comporte, ainsi que l'échelle et le contenu des différents plans qui y sont joints.
[1 Dans les cas visés à l'article D.34, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de permis contient une autorisation patrimoniale valide se rapportant à l'objet de la demande.
Dans les cas visés à l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de permis contient l'avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine se rapportant à l'objet de la demande.]1
Le Gouvernement arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des permis.
§ 2. La demande de permis d'urbanisation justifie du fait que le demandeur est titulaire d'un droit réel sur le bien qui fait l'objet de la demande de permis. La demande de permis d'urbanisme ne doit pas justifier la possibilité pour le demandeur de mettre en oeuvre le permis.
L'existence de servitudes du fait de l'homme ou d'obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol contraires au contenu de la demande de permis d'urbanisation est mentionnée dans celle-ci. Dans ce cas, la demande est soumise à enquête publique dont les frais sont à charge du demandeur. Le permis a pour effet d'éteindre lesdites servitudes et obligations sans préjudice de l'indemnisation des titulaires de ces droits, à charge du demandeur.
Art. D _IV.26.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Bij elke vergunningsaanvraag wordt een dossier gevoegd.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningsaanvraag. Ze bepaalt hoeveel dossierexemplaren de aanvraag bevat, alsook de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd worden.
De Regering bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de vergunningen.
§ 2. De aanvraag voor een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 toont aan dat de aanvrager houder is van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag. De aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning moet niet de mogelijkheid voor de aanvrager aantonen, om de vergunning uit te voeren.
Erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens of van verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die in strijd zijn met de inhoud van de [1 aanvraag voor een ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 worden in deze aanvraag vermeld. In dat geval wordt de aanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager. De vergunning doet de bedoelde erfdienstbaarheden en verplichtingen tenietgaan, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van die rechten ten laste van de aanvrager.
§ 1. Bij elke vergunningsaanvraag wordt een dossier gevoegd.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningsaanvraag. Ze bepaalt hoeveel dossierexemplaren de aanvraag bevat, alsook de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd worden.
De Regering bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de vergunningen.
§ 2. De aanvraag voor een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 toont aan dat de aanvrager houder is van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de vergunningsaanvraag. De aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning moet niet de mogelijkheid voor de aanvrager aantonen, om de vergunning uit te voeren.
Erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens of van verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die in strijd zijn met de inhoud van de [1 aanvraag voor een ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 worden in deze aanvraag vermeld. In dat geval wordt de aanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager. De vergunning doet de bedoelde erfdienstbaarheden en verplichtingen tenietgaan, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van die rechten ten laste van de aanvrager.
Art. D _IV.26.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Toute demande de permis est accompagnée d'un dossier.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la demande de permis. Il précise le nombre d'exemplaires du dossier qu'elle comporte, ainsi que l'échelle et le contenu des différents plans qui y sont joints.
Le Gouvernement arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des permis.
§ 2. La demande de [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 justifie du fait que le demandeur est titulaire d'un droit réel sur le bien qui fait l'objet de la demande de permis. La demande de permis d'urbanisme ne doit pas justifier la possibilité pour le demandeur de mettre en oeuvre le permis.
L'existence de servitudes du fait de l'homme ou d'obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol contraires au contenu de la demande de [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 est mentionnée dans celle-ci. Dans ce cas, la demande est soumise à enquête publique dont les frais sont à charge du demandeur. Le permis a pour effet d'éteindre lesdites servitudes et obligations sans préjudice de l'indemnisation des titulaires de ces droits, à charge du demandeur.
§ 1er. Toute demande de permis est accompagnée d'un dossier.
Le Gouvernement arrête la forme et le contenu de la demande de permis. Il précise le nombre d'exemplaires du dossier qu'elle comporte, ainsi que l'échelle et le contenu des différents plans qui y sont joints.
Le Gouvernement arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des permis.
§ 2. La demande de [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 justifie du fait que le demandeur est titulaire d'un droit réel sur le bien qui fait l'objet de la demande de permis. La demande de permis d'urbanisme ne doit pas justifier la possibilité pour le demandeur de mettre en oeuvre le permis.
L'existence de servitudes du fait de l'homme ou d'obligations conventionnelles concernant l'utilisation du sol contraires au contenu de la demande de [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 est mentionnée dans celle-ci. Dans ce cas, la demande est soumise à enquête publique dont les frais sont à charge du demandeur. Le permis a pour effet d'éteindre lesdites servitudes et obligations sans préjudice de l'indemnisation des titulaires de ces droits, à charge du demandeur.
Wijzigingen
Art. D. IV.27. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of van de bebouwingsvergunning vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
Art. D. IV.27. Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au permis d'urbanisation, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
Art. D _IV.27.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of van de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of van de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
Art. D _IV.27.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
Wijzigingen
Art. D. IV.27.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Als de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die betrekking hebben op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1, omvat ze een kopie van de notulen vermeld in artikel D.IV.31.1, § 3, alsook de inlichtingen en stukken die de Regering in de notulen noodzakelijk acht voor de inschatting van de relevante uitwerkingen die het project op het erfgoed kan hebben.]1
[1 Als de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken die betrekking hebben op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1, omvat ze een kopie van de notulen vermeld in artikel D.IV.31.1, § 3, alsook de inlichtingen en stukken die de Regering in de notulen noodzakelijk acht voor de inschatting van de relevante uitwerkingen die het project op het erfgoed kan hebben.]1
Art. D. IV.27.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Si la demande porte sur des actes et travaux concernant un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, elle comprend une copie du procès-verbal mentionné à l'article D.IV.31.1, § 3, ainsi que les informations et les documents que le Gouvernement estime, dans son procès-verbal, nécessaires pour évaluer les répercussions significatives que le projet aura au niveau du patrimoine.]1
[1 Si la demande porte sur des actes et travaux concernant un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, elle comprend une copie du procès-verbal mentionné à l'article D.IV.31.1, § 3, ainsi que les informations et les documents que le Gouvernement estime, dans son procès-verbal, nécessaires pour évaluer les répercussions significatives que le projet aura au niveau du patrimoine.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.28. De aanvraag tot bebouwingsvergunning omvat :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken grondgebied, met inbegrip van de grafische weergave ervan;
2° de uitvoeringsmaatregelen van deze doelstellingen in de vorm van aanwijzingen betreffende :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten;
d) het perceelplan en de bestemmingen;
e) de ligging en de hoogte van de bouwwerken en van de kunstwerken, de wegen en de openbare ruimten alsook de integratie van de technische uitrustingen;
f) de ecologische structuur;
3° het technisch dossier betreffende de gemeenteweg;
4° in voorkomend geval, de fasering van de uitvoering van het gezamenlijk project bedoeld in artikel D.IV.2.
Wanneer de aanvraag tot bebouwingsvergunning de aanleg van een gemeenteweg niet inhoudt of wanneer de ligging en de oppervlakte het verantwoorden, bevat de aanvraag tot bebouwingsvergunning een vereenvoudigde inhoud.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de ligging en van de oppervlakte die de vereenvoudigde inhoud verantwoorden.
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken grondgebied, met inbegrip van de grafische weergave ervan;
2° de uitvoeringsmaatregelen van deze doelstellingen in de vorm van aanwijzingen betreffende :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten;
d) het perceelplan en de bestemmingen;
e) de ligging en de hoogte van de bouwwerken en van de kunstwerken, de wegen en de openbare ruimten alsook de integratie van de technische uitrustingen;
f) de ecologische structuur;
3° het technisch dossier betreffende de gemeenteweg;
4° in voorkomend geval, de fasering van de uitvoering van het gezamenlijk project bedoeld in artikel D.IV.2.
Wanneer de aanvraag tot bebouwingsvergunning de aanleg van een gemeenteweg niet inhoudt of wanneer de ligging en de oppervlakte het verantwoorden, bevat de aanvraag tot bebouwingsvergunning een vereenvoudigde inhoud.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de ligging en van de oppervlakte die de vereenvoudigde inhoud verantwoorden.
Art. D. IV.28. La demande de permis d'urbanisation comporte :
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné, en ce compris leur expression graphique;
2° les mesures de mise en oeuvre de ces objectifs sous la forme d'indications relatives :
a) au réseau viaire;
b) aux infrastructures et réseaux techniques, ainsi qu'à la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) aux espaces publics et aux espaces verts;
d) au parcellaire et aux affectations;
e) à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
f) à la structure écologique;
3° le dossier technique relatif à la voirie communale;
4° le cas échéant, le phasage de mise en oeuvre du projet d'ensemble visé à l'article D.IV.2.
Lorsque la demande de permis d'urbanisation n'implique pas la création d'une voirie communale ou lorsque la localisation et la superficie le justifient, la demande de permis d'urbanisation comporte un contenu simplifié.
Le Gouvernement arrête les conditions de localisation et de superficie qui justifient le contenu simplifié.
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné, en ce compris leur expression graphique;
2° les mesures de mise en oeuvre de ces objectifs sous la forme d'indications relatives :
a) au réseau viaire;
b) aux infrastructures et réseaux techniques, ainsi qu'à la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) aux espaces publics et aux espaces verts;
d) au parcellaire et aux affectations;
e) à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
f) à la structure écologique;
3° le dossier technique relatif à la voirie communale;
4° le cas échéant, le phasage de mise en oeuvre du projet d'ensemble visé à l'article D.IV.2.
Lorsque la demande de permis d'urbanisation n'implique pas la création d'une voirie communale ou lorsque la localisation et la superficie le justifient, la demande de permis d'urbanisation comporte un contenu simplifié.
Le Gouvernement arrête les conditions de localisation et de superficie qui justifient le contenu simplifié.
Art. D. IV.28_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De aanvraag [2 van een ontsluitingsvergunning]2 omvat :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken grondgebied, met inbegrip van de grafische weergave ervan;
2° de uitvoeringsmaatregelen van deze doelstellingen in de vorm van aanwijzingen betreffende :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten;
d) het perceelplan en de bestemmingen;
e) de ligging en de hoogte van de bouwwerken en van de kunstwerken, de wegen en de openbare ruimten alsook de integratie van de technische uitrustingen;
f) de ecologische structuur;
[1 g) in voorkomend geval: de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd;]1
3° [2 in voorkomend geval, het technisch dossier]2 betreffende de gemeenteweg;
4° in voorkomend geval, de fasering van de uitvoering van het gezamenlijk project bedoeld in artikel D.IV.2.
[2 Wanneer de aanvraag]2 de aanleg van een gemeenteweg niet inhoudt of wanneer de ligging en de oppervlakte het verantwoorden, [2 bevat de aanvraag van een ontsluitingsvergunning]2 een vereenvoudigde inhoud.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de ligging en van de oppervlakte die de vereenvoudigde inhoud verantwoorden.
De aanvraag [2 van een ontsluitingsvergunning]2 omvat :
1° de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw voor het deel van het betrokken grondgebied, met inbegrip van de grafische weergave ervan;
2° de uitvoeringsmaatregelen van deze doelstellingen in de vorm van aanwijzingen betreffende :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten;
d) het perceelplan en de bestemmingen;
e) de ligging en de hoogte van de bouwwerken en van de kunstwerken, de wegen en de openbare ruimten alsook de integratie van de technische uitrustingen;
f) de ecologische structuur;
[1 g) in voorkomend geval: de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd;]1
3° [2 in voorkomend geval, het technisch dossier]2 betreffende de gemeenteweg;
4° in voorkomend geval, de fasering van de uitvoering van het gezamenlijk project bedoeld in artikel D.IV.2.
[2 Wanneer de aanvraag]2 de aanleg van een gemeenteweg niet inhoudt of wanneer de ligging en de oppervlakte het verantwoorden, [2 bevat de aanvraag van een ontsluitingsvergunning]2 een vereenvoudigde inhoud.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de ligging en van de oppervlakte die de vereenvoudigde inhoud verantwoorden.
Art. D. IV.28_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La demande de [2 permis d'urbaniser]2 comporte :
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné, en ce compris leur expression graphique;
2° les mesures de mise en oeuvre de ces objectifs sous la forme d'indications relatives :
a) au réseau viaire;
b) aux infrastructures et réseaux techniques, ainsi qu'à la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) aux espaces publics et aux espaces verts;
d) au parcellaire et aux affectations;
e) à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
f) à la structure écologique;
[1 g) le cas échéant, les mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine;]1
3° [2 le cas échéant,]2 le dossier technique relatif à la voirie communale;
4° le cas échéant, le phasage de mise en oeuvre du projet d'ensemble visé à l'article D.IV.2.
[2 Lorsque la demande n'implique]2 pas la création d'une voirie communale ou lorsque la localisation et la superficie le justifient, [2 la demande de permis d'urbaniser comporte]2 un contenu simplifié.
Le Gouvernement arrête les conditions de localisation et de superficie qui justifient le contenu simplifié.
La demande de [2 permis d'urbaniser]2 comporte :
1° les objectifs d'aménagement du territoire et d'urbanisme pour la partie du territoire concerné, en ce compris leur expression graphique;
2° les mesures de mise en oeuvre de ces objectifs sous la forme d'indications relatives :
a) au réseau viaire;
b) aux infrastructures et réseaux techniques, ainsi qu'à la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) aux espaces publics et aux espaces verts;
d) au parcellaire et aux affectations;
e) à l'implantation et à la hauteur des constructions et des ouvrages, aux voiries et aux espaces publics ainsi qu'à l'intégration des équipements techniques;
f) à la structure écologique;
[1 g) le cas échéant, les mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine;]1
3° [2 le cas échéant,]2 le dossier technique relatif à la voirie communale;
4° le cas échéant, le phasage de mise en oeuvre du projet d'ensemble visé à l'article D.IV.2.
[2 Lorsque la demande n'implique]2 pas la création d'une voirie communale ou lorsque la localisation et la superficie le justifient, [2 la demande de permis d'urbaniser comporte]2 un contenu simplifié.
Le Gouvernement arrête les conditions de localisation et de superficie qui justifient le contenu simplifié.
Art. D. IV.28.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De aanvraag van een opsplitsingsvergunning omvat:
1° een door een landmeter-deskundige opgemaakt opsplitsingsplan, met vermelding van :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten, voor zover die bestaan;
d) de opdeling van de kavels;
2° de verantwoording van de voorwaarden vermeld in artikel D.IV.2 § 3.]1
1° een door een landmeter-deskundige opgemaakt opsplitsingsplan, met vermelding van :
a) het wegennet;
b) de technische infrastructuren en netten alsook het beheer van het afvalwater en het afvloeiend water;
c) de openbare ruimten en de groene ruimten, voor zover die bestaan;
d) de opdeling van de kavels;
2° de verantwoording van de voorwaarden vermeld in artikel D.IV.2 § 3.]1
Art. D. IV.28.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La demande de permis de diviser comporte :
1° un plan de division établi par un géomètre-expert qui fait mention :
a) du réseau viaire;
b) des infrastructures et réseaux techniques, ainsi que de la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) des espaces publics et des espaces verts, le cas échéant;
d) du parcellaire;
2° la justification des conditions mentionnées à l'article D.IV.2, § 3.]1
1° un plan de division établi par un géomètre-expert qui fait mention :
a) du réseau viaire;
b) des infrastructures et réseaux techniques, ainsi que de la gestion des eaux usées et des eaux de ruissellement;
c) des espaces publics et des espaces verts, le cas échéant;
d) du parcellaire;
2° la justification des conditions mentionnées à l'article D.IV.2, § 3.]1
Art. D. IV.29. Wanneer de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de gegroepeerde bouw van woningen die later in kavels opgedeeld moeten worden zonder dat er vooraf een bebouwingsvergunning vereist is, worden in de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning de grenzen van de kavels aangeduid.
Art. D. IV.29. Lorsqu'elle porte sur la construction groupée d'habitations à diviser ultérieurement en lots sans que le permis d'urbanisation soit requis au préalable, la demande de permis d'urbanisme indique les limites des lots.
Art. D _IV.29.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de gegroepeerde bouw van woningen die later in kavels opgedeeld moeten worden zonder dat er vooraf een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, worden in de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning de grenzen van de kavels aangeduid.
Wanneer de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de gegroepeerde bouw van woningen die later in kavels opgedeeld moeten worden zonder dat er vooraf een [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, worden in de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning de grenzen van de kavels aangeduid.
Art. D _IV.29.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsqu'elle porte sur la construction groupée d'habitations à diviser ultérieurement en lots sans que le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 soit requis au préalable, la demande de permis d'urbanisme indique les limites des lots.
Lorsqu'elle porte sur la construction groupée d'habitations à diviser ultérieurement en lots sans que le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 soit requis au préalable, la demande de permis d'urbanisme indique les limites des lots.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest
Section 2. - Dossier de demande de certificat d'urbanisme
Art. D. IV.30.§ 1. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 1 bevat de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd.
§ 2. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 2 bevat, naast de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd, de uiteenzetting van het project met afbeeldingen of in tekstvorm.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of de bebouwingsvergunning vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
[1 In de gevallen bedoeld in artikel D.34, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de aanvraaf voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 een geldige erfgoedvergunning bevat met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag.
In de gevallen bedoeld in artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat het stedenbouwkundig attest nr. 2 het voorafgaand erfgoedadvies van de erfgoedadministratie met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag]1
Elke aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 heeft een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1 als onmiddellijk gevolg.
§ 3. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten. Zij bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de stedenbouwkundige attesten.
§ 2. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 2 bevat, naast de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd, de uiteenzetting van het project met afbeeldingen of in tekstvorm.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of de bebouwingsvergunning vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
[1 In de gevallen bedoeld in artikel D.34, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat de aanvraaf voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 een geldige erfgoedvergunning bevat met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag.
In de gevallen bedoeld in artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, bevat het stedenbouwkundig attest nr. 2 het voorafgaand erfgoedadvies van de erfgoedadministratie met betrekking tot het onderwerp van de aanvraag]1
Elke aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 heeft een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1 als onmiddellijk gevolg.
§ 3. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten. Zij bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de stedenbouwkundige attesten.
Art. D. IV.30.§ 1er. La demande de certificat d'urbanisme n° 1 contient l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées.
§ 2. La demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient, outre l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées, la présentation du projet sous une forme graphique ou littérale.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au permis d'urbanisation, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
[1 Dans les cas visés à l'article D.34, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient une autorisation patrimoniale valide se rapportant à l'objet de la demande.
Dans les cas visés à l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient l'avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine se rapportant à l'objet de la demande.]1
Toute demande de certificat d'urbanisme n° 2 emporte demande de certificat d'urbanisme n° 1.
§ 3. Le Gouvernement détermine la forme et le contenu des demandes de certificat d'urbanisme. Il arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des certificats d'urbanisme.
§ 2. La demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient, outre l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées, la présentation du projet sous une forme graphique ou littérale.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au permis d'urbanisation, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
[1 Dans les cas visés à l'article D.34, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient une autorisation patrimoniale valide se rapportant à l'objet de la demande.
Dans les cas visés à l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, la demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient l'avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine se rapportant à l'objet de la demande.]1
Toute demande de certificat d'urbanisme n° 2 emporte demande de certificat d'urbanisme n° 1.
§ 3. Le Gouvernement détermine la forme et le contenu des demandes de certificat d'urbanisme. Il arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des certificats d'urbanisme.
Wijzigingen
Art. D _IV.30.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 1 bevat de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd.
§ 2. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 2 bevat, naast de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd, de uiteenzetting van het project met afbeeldingen of in tekstvorm.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
[1 Elke aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 bevat tegelijk een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1.]1
§ 3. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten. Zij bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de stedenbouwkundige attesten.
§ 1. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 1 bevat de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd.
§ 2. De aanvraag voor het stedenbouwkundige attest nr. 2 bevat, naast de kadastergegevens van het goed waarvoor de informatie wordt opgevraagd, de uiteenzetting van het project met afbeeldingen of in tekstvorm.
Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken waarvoor een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw of een verschil ten opzichte van een ontwikkelingsplan, een bodembestemmingsplan, een leidraad voor stedenbouw of de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vereist is, wordt bij de aanvraag een bewijs gevoegd dat de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen D.IV.5 of D.IV.13 in acht genomen worden.
[1 Elke aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 bevat tegelijk een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1.]1
§ 3. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten. Zij bepaalt de vorm van de beslissingen tot toekenning en weigering van de stedenbouwkundige attesten.
Art. D _IV.30.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. La demande de certificat d'urbanisme n° 1 contient l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées.
§ 2. La demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient, outre l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées, la présentation du projet sous une forme graphique ou littérale.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
[1 Toute demande de certificat d'urbanisme n° 2 comprend également une demande de certificat d'urbanisme n° 1.]1
§ 3. Le Gouvernement détermine la forme et le contenu des demandes de certificat d'urbanisme. Il arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des certificats d'urbanisme.
§ 1er. La demande de certificat d'urbanisme n° 1 contient l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées.
§ 2. La demande de certificat d'urbanisme n° 2 contient, outre l'identification cadastrale du bien pour lequel les informations sont demandées, la présentation du projet sous une forme graphique ou littérale.
Lorsqu'elle porte sur des actes et travaux nécessitant une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme, ou un écart à un schéma, à une carte d'affectation des sols, à un guide d'urbanisme ou au [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1, la demande contient une justification du respect des conditions fixées par les articles D.IV.5 à D.IV.13.
[1 Toute demande de certificat d'urbanisme n° 2 comprend également une demande de certificat d'urbanisme n° 1.]1
§ 3. Le Gouvernement détermine la forme et le contenu des demandes de certificat d'urbanisme. Il arrête la forme des décisions d'octroi et de refus des certificats d'urbanisme.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Projectvergadering
CHAPITRE III. - Réunion de projet
Art. D. IV.31.§ 1. Vóór de indiening van de aanvraag van een attest of een vergunning kan de projectontwerper verzoeken dat er een projectvergadering gehouden wordt met het college, de gemachtigd ambtenaar, of de gemachtigd ambtenaar en de technisch ambtenaar in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning [3 ...]3 wanneer ze de bevoegde overheid zijn om over diens aanvraag te beslissen. In dat geval krijgt betrokkene binnen de vijftien dagen na zijn aanvraag een oproeping om bedoelde vergadering bij te wonen. Het initiatief voor een projectvergadering kan van de bevoegde overheid uitgaan.
§ 2. Tijdens die vergadering ontmoet de projectontwerper de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid om over zijn aanvraag te beslissen.
Wanneer de bevoegde overheid het college is en [3 de gemachtigd ambtenaar of de technisch ambtenaar]3 of de ambtenaar van de handelsvestigingen advies moet uitbrengen over het project, wordt hij eveneens voor de vergadering uitgenodigd. Hij kan zich laten vertegenwoordigen.
Wanneer de bevoegde overheid niet het gemeentecollege is, worden zijn vertegenwoordiger(s) voor de vergadering uitgenodigd.
§ 3. De bevoegde overheid kan elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze nodigt de gemeentelijke commissie uit, indien ze bestaat, om er een vertegenwoordiger af te vaardigen.
[3 Ze nodigt uit:
1° indien de projectvergadering geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed, of op een goed dat geheel of gedeeltelijk gelegen is in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, de erfgoedadministratie;
2° wanneer de projectvergadering betrekking heeft op een onroerend goed dat door zijn ligging en aard een impact kan hebben op een waterloop of onderhevig is aan overstromingen in de zin van de cartografie die door de Regering werd goedgekeurd krachtens artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de waterloopbeheerder, de vertegenwoordiger van het riviercontract, de beheerder van het rioleringsnet en, in voorkomend geval, de houder van de milieuvergunning voor een waterwinning wanneer het project gelegen is in een waterwinningsgebied;
3° als de projectvergadering betrekking heeft op een project dat gelegen is in een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water die overeenkomt met een dalweg, vallei of droge vallei, het Departement Landelijke Aangelegenheden en Waterlopen van de milieuadministratie, de vertegenwoordiger van het riviercontract, de beheerder van het rioleringsnet en, in voorkomend geval, de houder van de milieuvergunning voor een waterwinning als het project gelegen is in een waterwinningsgebied]3.
§ 4. De projectontwerper kan zijn project met hen bespreken en het eventueel aanpassen voor hij zijn aanvraag afrondt. Ter informatie notuleert de projectontwerper of diens vertegenwoordiger de vergadering. De notulen worden elektronisch of per zending gericht aan de aanwezige partijen, die over dertig dagen beschikken om hun bemerkingen te laten geworden aan de projectontwerper, zoniet worden de notulen goedgekeurd geacht.
§ 5. Het houden van die vergadering in aanwezigheid van de gemachtigd ambtenaar is verplicht wanneer de aanvraag betrekking heeft op :
1° [3 de vestiging van een handel in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, waarvan de netto handelsoppervlakte gelijk is aan of groter is dan :
a) duizend vijfhonderd vierkante meter als het project geheel of gedeeltelijk buiten een door een gemeentelijk of meergemeentelijk plan afgebakend centrumgebied ligt, of als een dergelijk centrumgebied ontbreekt;
b) tweeduizend vijfhonderd vierkante meter als het project zich in een centrumgebied bevindt dat gedefinieerd wordt door een gemeentelijk of zuiver gemeentelijk plan]3;
2° een oppervlakte voor kantoorruimte, groter dan 15 000 m2;
3° meer dan 150 woningen.
Het dossier omvat een liggingsplan en een opsplitsing van de handels, kantoren en woningen in aantal en oppervlakte.
§ 6. De vergadering wordt binnen twintig dagen na de aanvraag bedoeld in § 1 gehouden.
[3 De vergadering kan worden gehouden via videoconferentie, onder de door de Regering vastgestelde voorwaarden.]3
§ 2. Tijdens die vergadering ontmoet de projectontwerper de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid om over zijn aanvraag te beslissen.
Wanneer de bevoegde overheid het college is en [3 de gemachtigd ambtenaar of de technisch ambtenaar]3 of de ambtenaar van de handelsvestigingen advies moet uitbrengen over het project, wordt hij eveneens voor de vergadering uitgenodigd. Hij kan zich laten vertegenwoordigen.
Wanneer de bevoegde overheid niet het gemeentecollege is, worden zijn vertegenwoordiger(s) voor de vergadering uitgenodigd.
§ 3. De bevoegde overheid kan elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze nodigt de gemeentelijke commissie uit, indien ze bestaat, om er een vertegenwoordiger af te vaardigen.
[3 Ze nodigt uit:
1° indien de projectvergadering geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed, of op een goed dat geheel of gedeeltelijk gelegen is in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, de erfgoedadministratie;
2° wanneer de projectvergadering betrekking heeft op een onroerend goed dat door zijn ligging en aard een impact kan hebben op een waterloop of onderhevig is aan overstromingen in de zin van de cartografie die door de Regering werd goedgekeurd krachtens artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de waterloopbeheerder, de vertegenwoordiger van het riviercontract, de beheerder van het rioleringsnet en, in voorkomend geval, de houder van de milieuvergunning voor een waterwinning wanneer het project gelegen is in een waterwinningsgebied;
3° als de projectvergadering betrekking heeft op een project dat gelegen is in een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water die overeenkomt met een dalweg, vallei of droge vallei, het Departement Landelijke Aangelegenheden en Waterlopen van de milieuadministratie, de vertegenwoordiger van het riviercontract, de beheerder van het rioleringsnet en, in voorkomend geval, de houder van de milieuvergunning voor een waterwinning als het project gelegen is in een waterwinningsgebied]3.
§ 4. De projectontwerper kan zijn project met hen bespreken en het eventueel aanpassen voor hij zijn aanvraag afrondt. Ter informatie notuleert de projectontwerper of diens vertegenwoordiger de vergadering. De notulen worden elektronisch of per zending gericht aan de aanwezige partijen, die over dertig dagen beschikken om hun bemerkingen te laten geworden aan de projectontwerper, zoniet worden de notulen goedgekeurd geacht.
§ 5. Het houden van die vergadering in aanwezigheid van de gemachtigd ambtenaar is verplicht wanneer de aanvraag betrekking heeft op :
1° [3 de vestiging van een handel in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, waarvan de netto handelsoppervlakte gelijk is aan of groter is dan :
a) duizend vijfhonderd vierkante meter als het project geheel of gedeeltelijk buiten een door een gemeentelijk of meergemeentelijk plan afgebakend centrumgebied ligt, of als een dergelijk centrumgebied ontbreekt;
b) tweeduizend vijfhonderd vierkante meter als het project zich in een centrumgebied bevindt dat gedefinieerd wordt door een gemeentelijk of zuiver gemeentelijk plan]3;
2° een oppervlakte voor kantoorruimte, groter dan 15 000 m2;
3° meer dan 150 woningen.
Het dossier omvat een liggingsplan en een opsplitsing van de handels, kantoren en woningen in aantal en oppervlakte.
§ 6. De vergadering wordt binnen twintig dagen na de aanvraag bedoeld in § 1 gehouden.
[3 De vergadering kan worden gehouden via videoconferentie, onder de door de Regering vastgestelde voorwaarden.]3
Art. D. IV.31.§ 1er. Préalablement au dépôt de la demande de certificat ou de permis, le porteur de projet peut solliciter la tenue d'une réunion de projet avec le collège, le fonctionnaire délégué, ou le fonctionnaire délégué et le fonctionnaire technique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement [3 ...]3 lorsqu'ils sont l'autorité compétente pour statuer sur sa demande. Dans ce cas, l'intéressé reçoit, dans les quinze jours de la demande, une invitation à une réunion. L'initiative d'une réunion de projet peut émaner de l'autorité compétente.
§ 2. Lors de cette réunion, le porteur de projet rencontre le ou les représentants de l'autorité compétente pour statuer sur sa demande.
Lorsque l'autorité compétente est le collège et que [3 le fonctionnaire délégué ou le fonctionnaire technique ]3 [3 ...]3 est appelé à prononcer un avis sur le projet, il est également convié à la réunion. Il peut se faire représenter.
Lorsque l'autorité compétente n'est pas le collège communal, son ou ses représentants sont conviés à la réunion.
§ 3. L'autorité compétente peut inviter toute instance visée à l'article D.IV.35. Elle invite la commission communale, si elle existe, à y déléguer un représentant.
[3 Elle invite :
1° lorsque la réunion de projet est relative, en tout ou en partie, à un bien classé ou assimilé, ainsi qu'à un bien situé, en tout ou en partie, dans une zone de protection, au sens du Code wallon du Patrimoine, l'Administration du patrimoine;
2° lorsque la réunion de projet est relative à un bien immobilier qui, de par sa localisation et sa nature, est susceptible de produire un impact sur un cours d'eau ou est soumis à l'aléa inondation au sens de la cartographie adoptée par le Gouvernement en application de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, le gestionnaire du cours d'eau, le représentant du contrat de rivière, le gestionnaire du réseau d'égouttage et le cas échéant, le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau lorsque le projet s'implante dans une zone de prise d'eau;
3° lorsque la réunion de projet est relative à un projet situé dans un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec, le département de la ruralité et des cours d'eau de l'administration de l'environnement, le représentant du contrat de rivière, le gestionnaire du réseau d'égouttage et le cas échéant, le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau lorsque le projet s'implante dans une zone de prise d'eau]3.
§ 4. Le porteur de projet peut débattre avec eux de son projet et éventuellement, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le porteur de projet ou son représentant établit un procès-verbal non décisionnel de la réunion. Celui-ci est adressé, par voie électronique ou par envoi, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au porteur de projet. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé.
§ 5. La tenue de cette réunion, en présence du fonctionnaire délégué, est obligatoire lorsque la demande porte sur :
1° [3 l'implantation d'un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure :
a) à mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante, en tout ou en partie, en dehors d'une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, ou en l'absence de telle centralité;
b) à deux mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante dans une centralité définie par un schéma communal ou puricommunal]3;
2° une surface de bureaux de plus de 15 000 m2;
3° plus de 150 logements.
Le dossier comprend un plan de localisation et la répartition en nombre et superficie des commerces, bureaux et logements.
§ 6. La réunion se tient dans les vingt jours de la demande visée au paragraphe 1er.
[3 La réunion peut se tenir par vidéo-conférence, aux conditions fixées par le Gouvernement.]3
§ 2. Lors de cette réunion, le porteur de projet rencontre le ou les représentants de l'autorité compétente pour statuer sur sa demande.
Lorsque l'autorité compétente est le collège et que [3 le fonctionnaire délégué ou le fonctionnaire technique ]3 [3 ...]3 est appelé à prononcer un avis sur le projet, il est également convié à la réunion. Il peut se faire représenter.
Lorsque l'autorité compétente n'est pas le collège communal, son ou ses représentants sont conviés à la réunion.
§ 3. L'autorité compétente peut inviter toute instance visée à l'article D.IV.35. Elle invite la commission communale, si elle existe, à y déléguer un représentant.
[3 Elle invite :
1° lorsque la réunion de projet est relative, en tout ou en partie, à un bien classé ou assimilé, ainsi qu'à un bien situé, en tout ou en partie, dans une zone de protection, au sens du Code wallon du Patrimoine, l'Administration du patrimoine;
2° lorsque la réunion de projet est relative à un bien immobilier qui, de par sa localisation et sa nature, est susceptible de produire un impact sur un cours d'eau ou est soumis à l'aléa inondation au sens de la cartographie adoptée par le Gouvernement en application de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, le gestionnaire du cours d'eau, le représentant du contrat de rivière, le gestionnaire du réseau d'égouttage et le cas échéant, le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau lorsque le projet s'implante dans une zone de prise d'eau;
3° lorsque la réunion de projet est relative à un projet situé dans un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec, le département de la ruralité et des cours d'eau de l'administration de l'environnement, le représentant du contrat de rivière, le gestionnaire du réseau d'égouttage et le cas échéant, le titulaire du permis d'environnement portant sur une prise d'eau lorsque le projet s'implante dans une zone de prise d'eau]3.
§ 4. Le porteur de projet peut débattre avec eux de son projet et éventuellement, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le porteur de projet ou son représentant établit un procès-verbal non décisionnel de la réunion. Celui-ci est adressé, par voie électronique ou par envoi, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au porteur de projet. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé.
§ 5. La tenue de cette réunion, en présence du fonctionnaire délégué, est obligatoire lorsque la demande porte sur :
1° [3 l'implantation d'un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure :
a) à mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante, en tout ou en partie, en dehors d'une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, ou en l'absence de telle centralité;
b) à deux mille cinq cents mètres carrés si le projet s'implante dans une centralité définie par un schéma communal ou puricommunal]3;
2° une surface de bureaux de plus de 15 000 m2;
3° plus de 150 logements.
Le dossier comprend un plan de localisation et la répartition en nombre et superficie des commerces, bureaux et logements.
§ 6. La réunion se tient dans les vingt jours de la demande visée au paragraphe 1er.
[3 La réunion peut se tenir par vidéo-conférence, aux conditions fixées par le Gouvernement.]3
Art. D. IV.31_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Vóór de indiening van de aanvraag van een attest of een vergunning kan de projectontwerper verzoeken dat er een projectvergadering gehouden wordt met het college, [2 de Regering]2, of [2 de Regering]2 en [2 de technisch ambtenaar van het Waals Gewest]2 in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of [2 de Regering]2 en [2 de ambtenaar van de handelsvestigingen in de zin van het decreet van het Waals Gewest]2 van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen of [2 de Regering]2, [2 de technisch ambtenaar van het Waals Gewest]2 en de ambtenaar van de handelsvestigingen wanneer ze de bevoegde overheid zijn om over diens aanvraag te beslissen. In dat geval krijgt betrokkene binnen de vijftien dagen na zijn aanvraag een oproeping om bedoelde vergadering bij te wonen. Het initiatief voor een projectvergadering kan van de bevoegde overheid uitgaan.
§ 2. Tijdens die vergadering ontmoet de projectontwerper de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid om over zijn aanvraag te beslissen.
[2 Wanneer de bevoegde overheid het college is en de Regering, de technisch ambtenaar van het Waals Gewest of de ambtenaar van de handelsvestigingen van het Waals Gewest om advies wordt gevraagd, wordt zij resp. hij eveneens op de vergadering uitgenodigd. Zij resp. hij kan zich laten vertegenwoordigen.]2
Wanneer de bevoegde overheid niet het gemeentecollege is, worden zijn vertegenwoordiger(s) voor de vergadering uitgenodigd.
§ 3. De bevoegde overheid kan elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze nodigt de gemeentelijke commissie uit, indien ze bestaat, om er een vertegenwoordiger af te vaardigen.
[2 Als het gaat om een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.2, nodigt zij de Minister bevoegd voor Monumentenzorg uit op de projectvergadering." Deze kan zich laten vertegenwoordigen.]2
§ 4. De projectontwerper kan zijn project met hen bespreken en het eventueel aanpassen voor hij zijn aanvraag afrondt. [3 De projectontwerper of diens vertegenwoordiger notuleert de vergadering]3. De notulen worden elektronisch of per zending gericht aan de aanwezige partijen, die over dertig dagen beschikken om hun bemerkingen te laten geworden aan de projectontwerper, zoniet worden de notulen goedgekeurd geacht [3 en wordt de inhoud ervan bevestigd geacht]3.
[3 De notulen zijn twee jaar geldig, te rekenen vanaf de datum van de projectvergadering.]3
§ 5. Het houden van die vergadering in aanwezigheid [2 van de Regering]2 is verplicht wanneer de aanvraag betrekking heeft op :
1° een netto-oppervlakte, groter dan of gelijk aan 2 500 m2, voor de verkoop van goederen in de kleinhandel;
2° een oppervlakte voor kantoorruimte, groter dan [3 800 m2]3;
3° meer dan [3 15 wooneenheden]3.
Het dossier omvat een liggingsplan en een opsplitsing van de handels, kantoren en woningen in aantal en oppervlakte.
§ 6. De vergadering wordt binnen twintig dagen na [4 het verzoek dat er een projectvergadering gehouden wordt overeenkomstig paragraaf 1]4 gehouden. [3 Als de termijn verstrijkt tussen 16 juli en 15 augustus of tussen 24 december en 1 januari, dan wordt hij van rechtswege met vijftien dagen verlengd.]3
[3 § 7 - Als de projectontwerper daarmee instemt, kan de bevoegde overheid de projectvergadering via videoconferentie houden.]3
§ 1. Vóór de indiening van de aanvraag van een attest of een vergunning kan de projectontwerper verzoeken dat er een projectvergadering gehouden wordt met het college, [2 de Regering]2, of [2 de Regering]2 en [2 de technisch ambtenaar van het Waals Gewest]2 in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of [2 de Regering]2 en [2 de ambtenaar van de handelsvestigingen in de zin van het decreet van het Waals Gewest]2 van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen of [2 de Regering]2, [2 de technisch ambtenaar van het Waals Gewest]2 en de ambtenaar van de handelsvestigingen wanneer ze de bevoegde overheid zijn om over diens aanvraag te beslissen. In dat geval krijgt betrokkene binnen de vijftien dagen na zijn aanvraag een oproeping om bedoelde vergadering bij te wonen. Het initiatief voor een projectvergadering kan van de bevoegde overheid uitgaan.
§ 2. Tijdens die vergadering ontmoet de projectontwerper de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid om over zijn aanvraag te beslissen.
[2 Wanneer de bevoegde overheid het college is en de Regering, de technisch ambtenaar van het Waals Gewest of de ambtenaar van de handelsvestigingen van het Waals Gewest om advies wordt gevraagd, wordt zij resp. hij eveneens op de vergadering uitgenodigd. Zij resp. hij kan zich laten vertegenwoordigen.]2
Wanneer de bevoegde overheid niet het gemeentecollege is, worden zijn vertegenwoordiger(s) voor de vergadering uitgenodigd.
§ 3. De bevoegde overheid kan elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze nodigt de gemeentelijke commissie uit, indien ze bestaat, om er een vertegenwoordiger af te vaardigen.
[2 Als het gaat om een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.2, nodigt zij de Minister bevoegd voor Monumentenzorg uit op de projectvergadering." Deze kan zich laten vertegenwoordigen.]2
§ 4. De projectontwerper kan zijn project met hen bespreken en het eventueel aanpassen voor hij zijn aanvraag afrondt. [3 De projectontwerper of diens vertegenwoordiger notuleert de vergadering]3. De notulen worden elektronisch of per zending gericht aan de aanwezige partijen, die over dertig dagen beschikken om hun bemerkingen te laten geworden aan de projectontwerper, zoniet worden de notulen goedgekeurd geacht [3 en wordt de inhoud ervan bevestigd geacht]3.
[3 De notulen zijn twee jaar geldig, te rekenen vanaf de datum van de projectvergadering.]3
§ 5. Het houden van die vergadering in aanwezigheid [2 van de Regering]2 is verplicht wanneer de aanvraag betrekking heeft op :
1° een netto-oppervlakte, groter dan of gelijk aan 2 500 m2, voor de verkoop van goederen in de kleinhandel;
2° een oppervlakte voor kantoorruimte, groter dan [3 800 m2]3;
3° meer dan [3 15 wooneenheden]3.
Het dossier omvat een liggingsplan en een opsplitsing van de handels, kantoren en woningen in aantal en oppervlakte.
§ 6. De vergadering wordt binnen twintig dagen na [4 het verzoek dat er een projectvergadering gehouden wordt overeenkomstig paragraaf 1]4 gehouden. [3 Als de termijn verstrijkt tussen 16 juli en 15 augustus of tussen 24 december en 1 januari, dan wordt hij van rechtswege met vijftien dagen verlengd.]3
[3 § 7 - Als de projectontwerper daarmee instemt, kan de bevoegde overheid de projectvergadering via videoconferentie houden.]3
Art. D. IV.31_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Préalablement au dépôt de la demande de certificat ou de permis, le porteur de projet peut solliciter la tenue d'une réunion de projet avec le collège, le [2 Gouvernement ]2, ou le [2 Gouvernement]2 et le fonctionnaire technique [2 de la Région wallonne]2 au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou le [2 Gouvernement ]2 et le fonctionnaire des implantations commerciales [2 de la Région wallonne]2 au sens du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales ou le [2 Gouvernement]2, le fonctionnaire technique [2 de la Région wallonne]2 et le fonctionnaire des implantations commerciales lorsqu'ils sont l'autorité compétente pour statuer sur sa demande. Dans ce cas, l'intéressé reçoit, dans les quinze jours de la demande, une invitation à une réunion. L'initiative d'une réunion de projet peut émaner de l'autorité compétente.
§ 2. Lors de cette réunion, le porteur de projet rencontre le ou les représentants de l'autorité compétente pour statuer sur sa demande.
[2 Lorsque l'autorité compétente est le collège et que le Gouvernement, le fonctionnaire technique ou le fonctionnaire des implantations commerciales de la Région wallonne est appelé à prononcer un avis sur le projet, il est également convié à la réunion. Il peut se faire représenter.]2
Lorsque l'autorité compétente n'est pas le collège communal, son ou ses représentants sont conviés à la réunion.
§ 3. L'autorité compétente peut inviter toute instance visée à l'article D.IV.35. Elle invite la commission communale, si elle existe, à y déléguer un représentant.
[2 S'il s'agit d'un bien visé à l'article D.IV.14.2, elle invite à la réunion de projet le ministre compétent en matière de Protection des monuments. Celui-ci peut s'y faire représenter.]2
§ 4. Le porteur de projet peut débattre avec eux de son projet et éventuellement, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le porteur de projet ou son représentant établit un procès-verbal [3 ...]3 de la réunion. Celui-ci est adressé, par voie électronique ou par envoi, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au porteur de projet. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé [3 et son contenu confirmé]3.
[3 Le procès-verbal a une validité de deux ans à dater de la réunion de projet.]3
§ 5. La tenue de cette réunion, en présence du [2 Gouvernement]2, est obligatoire lorsque la demande porte sur :
1° une surface destinée à la vente de biens de détail sur une superficie nette supérieure ou égale à 2 500 m2;
2° une surface de bureaux de plus de [3 8002]3;
3° plus de [3 15 unités de logement]3.
Le dossier comprend un plan de localisation et la répartition en nombre et superficie des commerces, bureaux et logements.
§ 6. La réunion se tient dans les vingt jours [4 suivant la demande de tenue d'une réunion de projet conformément au § 1er]4. [3 Si le délai expire entre le 16 juillet et le 15 août ou entre le 24 décembre et le 1er janvier, il est prolongé de plein droit de quinze jours.]3
[3 § 7 - Moyennant l'accord du porteur de projet, l'autorité compétente peut tenir la réunion de projet par vidéoconférence.]3
§ 1er. Préalablement au dépôt de la demande de certificat ou de permis, le porteur de projet peut solliciter la tenue d'une réunion de projet avec le collège, le [2 Gouvernement ]2, ou le [2 Gouvernement]2 et le fonctionnaire technique [2 de la Région wallonne]2 au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou le [2 Gouvernement ]2 et le fonctionnaire des implantations commerciales [2 de la Région wallonne]2 au sens du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales ou le [2 Gouvernement]2, le fonctionnaire technique [2 de la Région wallonne]2 et le fonctionnaire des implantations commerciales lorsqu'ils sont l'autorité compétente pour statuer sur sa demande. Dans ce cas, l'intéressé reçoit, dans les quinze jours de la demande, une invitation à une réunion. L'initiative d'une réunion de projet peut émaner de l'autorité compétente.
§ 2. Lors de cette réunion, le porteur de projet rencontre le ou les représentants de l'autorité compétente pour statuer sur sa demande.
[2 Lorsque l'autorité compétente est le collège et que le Gouvernement, le fonctionnaire technique ou le fonctionnaire des implantations commerciales de la Région wallonne est appelé à prononcer un avis sur le projet, il est également convié à la réunion. Il peut se faire représenter.]2
Lorsque l'autorité compétente n'est pas le collège communal, son ou ses représentants sont conviés à la réunion.
§ 3. L'autorité compétente peut inviter toute instance visée à l'article D.IV.35. Elle invite la commission communale, si elle existe, à y déléguer un représentant.
[2 S'il s'agit d'un bien visé à l'article D.IV.14.2, elle invite à la réunion de projet le ministre compétent en matière de Protection des monuments. Celui-ci peut s'y faire représenter.]2
§ 4. Le porteur de projet peut débattre avec eux de son projet et éventuellement, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le porteur de projet ou son représentant établit un procès-verbal [3 ...]3 de la réunion. Celui-ci est adressé, par voie électronique ou par envoi, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au porteur de projet. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé [3 et son contenu confirmé]3.
[3 Le procès-verbal a une validité de deux ans à dater de la réunion de projet.]3
§ 5. La tenue de cette réunion, en présence du [2 Gouvernement]2, est obligatoire lorsque la demande porte sur :
1° une surface destinée à la vente de biens de détail sur une superficie nette supérieure ou égale à 2 500 m2;
2° une surface de bureaux de plus de [3 8002]3;
3° plus de [3 15 unités de logement]3.
Le dossier comprend un plan de localisation et la répartition en nombre et superficie des commerces, bureaux et logements.
§ 6. La réunion se tient dans les vingt jours [4 suivant la demande de tenue d'une réunion de projet conformément au § 1er]4. [3 Si le délai expire entre le 16 juillet et le 15 août ou entre le 24 décembre et le 1er janvier, il est prolongé de plein droit de quinze jours.]3
[3 § 7 - Moyennant l'accord du porteur de projet, l'autorité compétente peut tenir la réunion de projet par vidéoconférence.]3
Art. D. IV.31.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1. Als het gaat om een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1 en in afwijking van artikel D.IV.31 verzoekt de projectontwerper, vóór de indiening van de aanvraag van een attest of een vergunning, de Regering om een verplicht te organiseren projectvergadering te houden en zendt hij de Regering de ontwerpen van zijn plannen en stukken. In dat geval krijgt betrokkene binnen vijftien dagen na zijn aanvraag een oproeping om bedoelde vergadering bij te wonen.
§ 2. De Regering nodigt tegelijk volgende personen en instanties uit om aan de projectvergadering deel te nemen:
1° het gemeentecollege of zijn vertegenwoordiger;
2° de technisch ambtenaar van het Waals Gewest in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, als deze de medebevoegde overheid is om over de aanvraag van betrokkene te beslissen;
3° de ambtenaar van de handelsvestigingen van het Waals Gewest in de zin van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen, als deze de medebevoegde overheid is om over de aanvraag van betrokkene te beslissen.
De Regering kan ook elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze vraagt de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat, om een vertegenwoordiger af te vaardigen.
§ 3. De projectontwerper kan zijn project met de Regering en met de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid bespreken en zijn project eventueel aanpassen voordat hij zijn aanvraag afrondt. De Regering maakt de notulen over de vergadering op [2 ...]2. De notulen worden elektronisch gericht aan de aanwezige partijen; deze beschikken over dertig dagen om hun bemerkingen aan de Regering te bezorgen. Als geen bemerkingen worden ingediend, worden de notulen goedgekeurd geacht [2 en wordt de inhoud ervan bevestigd geacht]2.
In de notulen vermeldt de Regering de inlichtingen en stukken die zij voor de inschatting van de erfgoedrelevante uitwerkingen van het project noodzakelijk acht en die bij de attest- of vergunningsaanvraag moeten worden gevoegd. [2 Die vermelding heeft een bindend karakter voor de projectontwerper.]2
§ 4. De vergadering vindt plaats binnen dertig dagen na [3 het verzoek dat er een projectvergadering gehouden wordt overeenkomstig paragraaf 1]3. [2 Als de termijn verstrijkt tussen 16 juli en 15 augustus of tussen 24 december en 1 januari, dan wordt hij van rechtswege met vijftien dagen verlengd.]2
[2 § 5 - Als de projectontwerper daarmee instemt, kan de Regering de projectvergadering via videoconferentie houden.]2
[1 § 1. Als het gaat om een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1 en in afwijking van artikel D.IV.31 verzoekt de projectontwerper, vóór de indiening van de aanvraag van een attest of een vergunning, de Regering om een verplicht te organiseren projectvergadering te houden en zendt hij de Regering de ontwerpen van zijn plannen en stukken. In dat geval krijgt betrokkene binnen vijftien dagen na zijn aanvraag een oproeping om bedoelde vergadering bij te wonen.
§ 2. De Regering nodigt tegelijk volgende personen en instanties uit om aan de projectvergadering deel te nemen:
1° het gemeentecollege of zijn vertegenwoordiger;
2° de technisch ambtenaar van het Waals Gewest in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, als deze de medebevoegde overheid is om over de aanvraag van betrokkene te beslissen;
3° de ambtenaar van de handelsvestigingen van het Waals Gewest in de zin van het decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen, als deze de medebevoegde overheid is om over de aanvraag van betrokkene te beslissen.
De Regering kan ook elke instantie bedoeld in artikel D.IV.35 uitnodigen. Ze vraagt de gemeentelijke commissie, indien ze bestaat, om een vertegenwoordiger af te vaardigen.
§ 3. De projectontwerper kan zijn project met de Regering en met de vertegenwoordiger(s) van de bevoegde overheid bespreken en zijn project eventueel aanpassen voordat hij zijn aanvraag afrondt. De Regering maakt de notulen over de vergadering op [2 ...]2. De notulen worden elektronisch gericht aan de aanwezige partijen; deze beschikken over dertig dagen om hun bemerkingen aan de Regering te bezorgen. Als geen bemerkingen worden ingediend, worden de notulen goedgekeurd geacht [2 en wordt de inhoud ervan bevestigd geacht]2.
In de notulen vermeldt de Regering de inlichtingen en stukken die zij voor de inschatting van de erfgoedrelevante uitwerkingen van het project noodzakelijk acht en die bij de attest- of vergunningsaanvraag moeten worden gevoegd. [2 Die vermelding heeft een bindend karakter voor de projectontwerper.]2
§ 4. De vergadering vindt plaats binnen dertig dagen na [3 het verzoek dat er een projectvergadering gehouden wordt overeenkomstig paragraaf 1]3. [2 Als de termijn verstrijkt tussen 16 juli en 15 augustus of tussen 24 december en 1 januari, dan wordt hij van rechtswege met vijftien dagen verlengd.]2
[2 § 5 - Als de projectontwerper daarmee instemt, kan de Regering de projectvergadering via videoconferentie houden.]2
Art. D. IV.31.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - S'il s'agit d'un bien mentionné à l'article D.IV.14.1 et par dérogation à l'article D.IV.31, le porteur de projet sollicite - préalablement au dépôt de la demande de certificat ou de permis - la tenue d'une réunion de projet contraignante avec le Gouvernement et soumet à celui-ci les ébauches de ses plans et documents. Dans ce cas, l'intéressé reçoit, dans les quinze jours de sa demande, une invitation à une réunion.
§ 2 - Le Gouvernement invite en même temps à la réunion de projet les personnes et autorités suivantes :
1° le collège communal ou son représentant;
2° le fonctionnaire technique de la Région wallonne au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, s'il est l'autorité compétente pour statuer sur la demande;
3° le fonctionnaire des implantations commerciales de la Région wallonne au sens du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales, s'il est l'autorité compétente pour statuer sur la demande.
Le Gouvernement peut également inviter à la réunion toute instance mentionnée à l'article D.IV.35. Il invite la commission communale (si elle existe) à y déléguer un représentant.
§ 3 - Le porteur de projet peut discuter de son projet avec le Gouvernement et le ou les représentants de l'autorité compétente et, le cas échéant, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le Gouvernement établit un procès-verbal de la réunion [2 ...]2. Le procès-verbal sera adressé, par voie électronique, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au Gouvernement. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé [2 et son contenu confirmé]2.
Dans le procès-verbal, le Gouvernement mentionne les informations et les documents qu'il estime nécessaires pour évaluer les répercussions significatives du projet au niveau du patrimoine et qui doivent être joints à la demande de certificat ou de permis, selon le cas. [2 Cette mention est contraignante pour le porteur de projet.]2
§ 4 - [3 La réunion se tient dans les trente jours suivant la demande de tenue d'une réunion de projet conformément au § 1er.]3]1 [2 Si le délai expire entre le 16 juillet et le 15 août ou entre le 24 décembre et le 1er janvier, il est prolongé de plein droit de quinze jours.]2
[2 § 5 - Moyennant l'accord du porteur de projet, le Gouvernement peut tenir la réunion de projet par vidéoconférence.]2
[1 § 1er - S'il s'agit d'un bien mentionné à l'article D.IV.14.1 et par dérogation à l'article D.IV.31, le porteur de projet sollicite - préalablement au dépôt de la demande de certificat ou de permis - la tenue d'une réunion de projet contraignante avec le Gouvernement et soumet à celui-ci les ébauches de ses plans et documents. Dans ce cas, l'intéressé reçoit, dans les quinze jours de sa demande, une invitation à une réunion.
§ 2 - Le Gouvernement invite en même temps à la réunion de projet les personnes et autorités suivantes :
1° le collège communal ou son représentant;
2° le fonctionnaire technique de la Région wallonne au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, s'il est l'autorité compétente pour statuer sur la demande;
3° le fonctionnaire des implantations commerciales de la Région wallonne au sens du décret du 5 février 2015 relatif aux implantations commerciales, s'il est l'autorité compétente pour statuer sur la demande.
Le Gouvernement peut également inviter à la réunion toute instance mentionnée à l'article D.IV.35. Il invite la commission communale (si elle existe) à y déléguer un représentant.
§ 3 - Le porteur de projet peut discuter de son projet avec le Gouvernement et le ou les représentants de l'autorité compétente et, le cas échéant, l'adapter avant de finaliser sa demande. Le Gouvernement établit un procès-verbal de la réunion [2 ...]2. Le procès-verbal sera adressé, par voie électronique, aux parties présentes qui ont trente jours pour adresser leurs remarques au Gouvernement. A défaut, le procès-verbal est réputé approuvé [2 et son contenu confirmé]2.
Dans le procès-verbal, le Gouvernement mentionne les informations et les documents qu'il estime nécessaires pour évaluer les répercussions significatives du projet au niveau du patrimoine et qui doivent être joints à la demande de certificat ou de permis, selon le cas. [2 Cette mention est contraignante pour le porteur de projet.]2
§ 4 - [3 La réunion se tient dans les trente jours suivant la demande de tenue d'une réunion de projet conformément au § 1er.]3]1 [2 Si le délai expire entre le 16 juillet et le 15 août ou entre le 24 décembre et le 1er janvier, il est prolongé de plein droit de quinze jours.]2
[2 § 5 - Moyennant l'accord du porteur de projet, le Gouvernement peut tenir la réunion de projet par vidéoconférence.]2
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvraag
CHAPITRE IV. - Dépôt de la demande
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. D. IV.32. De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die tot de bevoegdheid van het gemeentecollege behoren, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven aan het gemeentecollege gericht of tegen ontvangstmelding in het gemeentehuis afgeleverd.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die tot de bevoegdheid van de gemachtigd ambtenaar behoren, of die door de gemachtigd ambtenaar behandeld worden, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven aan de gemachtigd ambtenaar gericht of tegen ontvangstmelding afgeleverd.
Onverminderd de mogelijkheid om de aanvraag middels een formulier op een papieren informatiedrager in te dienen, kan de Regering de nadere regels en de voorwaarden voor de indiening ervan via elektronische weg vastleggen.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die tot de bevoegdheid van de gemachtigd ambtenaar behoren, of die door de gemachtigd ambtenaar behandeld worden, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven aan de gemachtigd ambtenaar gericht of tegen ontvangstmelding afgeleverd.
Onverminderd de mogelijkheid om de aanvraag middels een formulier op een papieren informatiedrager in te dienen, kan de Regering de nadere regels en de voorwaarden voor de indiening ervan via elektronische weg vastleggen.
Art. D. IV.32. Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du collège communal, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, sont adressées au collège communal, par envoi ou déposées contre récépissé à la maison communale.
Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du fonctionnaire délégué ou instruites par le fonctionnaire délégué, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, sont adressées au fonctionnaire délégué par envoi ou déposées contre récépissé.
S ans préjudice de la possibilité d'introduire la demande au moyen d'un formulaire papier, le Gouvernement peut arrêter les modalités et les conditions de son introduction par voie électronique.
Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du fonctionnaire délégué ou instruites par le fonctionnaire délégué, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, sont adressées au fonctionnaire délégué par envoi ou déposées contre récépissé.
S ans préjudice de la possibilité d'introduire la demande au moyen d'un formulaire papier, le Gouvernement peut arrêter les modalités et les conditions de son introduction par voie électronique.
Art. D. IV.32_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die tot de bevoegdheid van het gemeentecollege behoren, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven aan het gemeentecollege gericht of tegen [2 indieningsbewijs]2 in het gemeentehuis afgeleverd.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die [1 tot de bevoegdheid van de Regering behoren]1, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven [1 aan de Regering]1 gericht of tegen [2 indieningsbewijs]2 afgeleverd.
Onverminderd de mogelijkheid om de aanvraag middels een formulier op een papieren informatiedrager in te dienen, kan de Regering de nadere regels en de voorwaarden voor de indiening ervan via elektronische weg vastleggen.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die tot de bevoegdheid van het gemeentecollege behoren, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven aan het gemeentecollege gericht of tegen [2 indieningsbewijs]2 in het gemeentehuis afgeleverd.
De vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten die [1 tot de bevoegdheid van de Regering behoren]1, alsook de verlangde ontbrekende stukken indien de aanvraag onvolledig is, worden per schrijven [1 aan de Regering]1 gericht of tegen [2 indieningsbewijs]2 afgeleverd.
Onverminderd de mogelijkheid om de aanvraag middels een formulier op een papieren informatiedrager in te dienen, kan de Regering de nadere regels en de voorwaarden voor de indiening ervan via elektronische weg vastleggen.
Art. D. IV.32_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du collège communal, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, sont adressées au collège communal, par envoi ou déposées contre [2 avis de dépôt]2 à la maison communale.
[1 Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du Gouvernement, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, lui sont adressées par envoi ou déposées contre [2 avis de dépôt]2.]1
S ans préjudice de la possibilité d'introduire la demande au moyen d'un formulaire papier, le Gouvernement peut arrêter les modalités et les conditions de son introduction par voie électronique.
Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du collège communal, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, sont adressées au collège communal, par envoi ou déposées contre [2 avis de dépôt]2 à la maison communale.
[1 Les demandes de permis et les demandes de certificat d'urbanisme relevant de la compétence du Gouvernement, ainsi que les pièces manquantes réclamées si la demande est incomplète, lui sont adressées par envoi ou déposées contre [2 avis de dépôt]2.]1
S ans préjudice de la possibilité d'introduire la demande au moyen d'un formulaire papier, le Gouvernement peut arrêter les modalités et les conditions de son introduction par voie électronique.
Art. D. IV.33.Binnen de [2 dertig]2 dagen na de ontvangst van het schrijven of van de ontvangstmelding van de aanvraag van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 :
1° richt het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, of de gemachtigd ambtenaar, als de aanvraag volledig is, een bericht van ontvangst aan de aanvrager. Hij zendt er een afschrift van aan zijn projectontwerper [1 en aan de erfgoedadministratie in de gevallen bedoeld in artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek]1;
2° richt het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, of de gemachtigd ambtenaar, indien de aanvraag onvolledig is, per schrijven een opsomming van de ontbrekende stukken aan de aanvrager en wijst hem erop dat de procedure opnieuw begint te lopen te rekenen vanaf ontvangst ervan. Hij zendt er een afschrift van aan zijn projectontwerper. De aanvrager beschikt over 180 dagen om de aanvraag in te vullen; zoniet wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Elke aanvraag die twee maal de hoedanigheid " onvolledig " krijgt, wordt onontvankelijk verklaard.
Als het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van ontvangst of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken binnen de termijn van [2 dertig]2 dagen aan de aanvrager niet heeft verzonden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet indien de aanvrager een afschrift van het aanvraagdossier dat hij aanvankelijk aan het gemeentecollege heeft gericht, alsook het bewijs van de zending of van het bericht van ontvangst bedoeld in artikel D.IV.32 aan de gemachtigd ambtenaar richt. De aanvrager informeert tegelijk het gemeentecollege. Bij gebrek aan zending van zijn dossier aan de gemachtigd ambtenaar binnen dertig dagen na de ontvangst van de zending of van de ontvangstmelding van de aanvraag van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 die bedoeld zijn in artikel D.IV.32 is de aanvraag niet-ontvankelijk. Wanneer het gemeentecollege binnen dezelfde termijn van [2 veertig]2 dagen per zending de gemachtigd ambtenaar niet heeft geïnformeerd over de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege wordt verzonden, bepaalt de gemachtigd ambtenaar zelf die termijn op basis van het dossier en van de verplichte raadplegingen. Die termijn wordt aan het gemeentecollege opgelegd, die daarvan per zending wordt geïnformeerd.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van ontvangst of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken binnen de termijn van twintig dagen niet aan de aanvrager heeft gericht, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet.
1° richt het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, of de gemachtigd ambtenaar, als de aanvraag volledig is, een bericht van ontvangst aan de aanvrager. Hij zendt er een afschrift van aan zijn projectontwerper [1 en aan de erfgoedadministratie in de gevallen bedoeld in artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek]1;
2° richt het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, of de gemachtigd ambtenaar, indien de aanvraag onvolledig is, per schrijven een opsomming van de ontbrekende stukken aan de aanvrager en wijst hem erop dat de procedure opnieuw begint te lopen te rekenen vanaf ontvangst ervan. Hij zendt er een afschrift van aan zijn projectontwerper. De aanvrager beschikt over 180 dagen om de aanvraag in te vullen; zoniet wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Elke aanvraag die twee maal de hoedanigheid " onvolledig " krijgt, wordt onontvankelijk verklaard.
Als het gemeentecollege of de persoon die het daartoe machtigt, het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van ontvangst of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken binnen de termijn van [2 dertig]2 dagen aan de aanvrager niet heeft verzonden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet indien de aanvrager een afschrift van het aanvraagdossier dat hij aanvankelijk aan het gemeentecollege heeft gericht, alsook het bewijs van de zending of van het bericht van ontvangst bedoeld in artikel D.IV.32 aan de gemachtigd ambtenaar richt. De aanvrager informeert tegelijk het gemeentecollege. Bij gebrek aan zending van zijn dossier aan de gemachtigd ambtenaar binnen dertig dagen na de ontvangst van de zending of van de ontvangstmelding van de aanvraag van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 die bedoeld zijn in artikel D.IV.32 is de aanvraag niet-ontvankelijk. Wanneer het gemeentecollege binnen dezelfde termijn van [2 veertig]2 dagen per zending de gemachtigd ambtenaar niet heeft geïnformeerd over de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege wordt verzonden, bepaalt de gemachtigd ambtenaar zelf die termijn op basis van het dossier en van de verplichte raadplegingen. Die termijn wordt aan het gemeentecollege opgelegd, die daarvan per zending wordt geïnformeerd.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van ontvangst of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken binnen de termijn van twintig dagen niet aan de aanvrager heeft gericht, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet.
Art. D. IV.33.Dans les [2 trente]2 jours de la réception de l'envoi ou du récépissé de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 :
1° si la demande est complète, le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin, ou le fonctionnaire délégué envoie un accusé de réception au demandeur. Il en envoie une copie à son auteur de projet [1 et à l'Administration du Patrimoine dans les hypothèses visées à l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine]1;
2° si la demande est incomplète, le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin, ou le fonctionnaire délégué adresse au demandeur, par envoi, un relevé des pièces manquantes et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Il en envoie une copie à son auteur de projet. Le demandeur dispose d'un délai de 180 jours pour compléter la demande; à défaut, la demande est déclarée irrecevable. Toute demande qualifiée d'incomplète à deux reprises est déclarée irrecevable.
Lorsque le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin n'a pas envoyé au demandeur l'accusé de réception visé à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, dans le délai de [2 trente]2 jours, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie si le demandeur adresse au fonctionnaire délégué une copie du dossier de demande qu'il a initialement adressé au collège communal, ainsi que la preuve de l'envoi ou du récépissé visé à l'article D.IV.32. Le demandeur en avertit simultanément le collège communal. A défaut d'envoi de son dossier au fonctionnaire délégué dans les [2 quarante]2 jours de la réception de l'envoi ou du récépissé de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 visés à l'article D.IV.32, la demande est irrecevable. Lorsque, dans le même délai de [2 quarante]2 jours, le collège communal n'a pas informé par envoi le fonctionnaire délégué du délai dans lequel la décision du collège communal est envoyée, le fonctionnaire délégué détermine lui-même ce délai sur base du dossier et des consultations obligatoires. Ce délai s'impose au collège communal, qui en est averti par envoi.
Lorsque le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé au demandeur l'accusé de réception visé à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, dans le délai de [2 trente]2 jours, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie.
1° si la demande est complète, le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin, ou le fonctionnaire délégué envoie un accusé de réception au demandeur. Il en envoie une copie à son auteur de projet [1 et à l'Administration du Patrimoine dans les hypothèses visées à l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine]1;
2° si la demande est incomplète, le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin, ou le fonctionnaire délégué adresse au demandeur, par envoi, un relevé des pièces manquantes et précise que la procédure recommence à dater de leur réception. Il en envoie une copie à son auteur de projet. Le demandeur dispose d'un délai de 180 jours pour compléter la demande; à défaut, la demande est déclarée irrecevable. Toute demande qualifiée d'incomplète à deux reprises est déclarée irrecevable.
Lorsque le collège communal ou la personne qu'il délègue à cette fin n'a pas envoyé au demandeur l'accusé de réception visé à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, dans le délai de [2 trente]2 jours, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie si le demandeur adresse au fonctionnaire délégué une copie du dossier de demande qu'il a initialement adressé au collège communal, ainsi que la preuve de l'envoi ou du récépissé visé à l'article D.IV.32. Le demandeur en avertit simultanément le collège communal. A défaut d'envoi de son dossier au fonctionnaire délégué dans les [2 quarante]2 jours de la réception de l'envoi ou du récépissé de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 visés à l'article D.IV.32, la demande est irrecevable. Lorsque, dans le même délai de [2 quarante]2 jours, le collège communal n'a pas informé par envoi le fonctionnaire délégué du délai dans lequel la décision du collège communal est envoyée, le fonctionnaire délégué détermine lui-même ce délai sur base du dossier et des consultations obligatoires. Ce délai s'impose au collège communal, qui en est averti par envoi.
Lorsque le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé au demandeur l'accusé de réception visé à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, dans le délai de [2 trente]2 jours, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie.
Art. D. IV.33_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of het desbetreffende indieningsbewijs zendt de bevoegde overheid of de door haar daartoe aangewezen persoon het volgende aan de aanvrager :
1° als de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt geacht, een bericht van formele volledigheid; Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden;
2° als de aanvraag onvolledig wordt geacht, per zending een opsomming van de ontbrekende stukken, met de vermelding dat de procedure pas na ontvangst van die stukken wordt voortgezet. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden. De aanvrager vervolledigt de aanvraag binnen 180 dagen. Anders wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
§ 2 - Als het gemeentecollege de bevoegde overheid is en het gemeentecollege binnen de termijn vermeld in paragraaf 1 noch het bericht van formele volledigheid, noch de opsomming van de ontbrekende stukken heeft toegezonden, dan wordt de aanvraag ontvankelijk geacht en wordt de procedure voortgezet, als de aanvrager binnen tien dagen na het verstrijken van de termijn vermeld in het eerste lid de volgende stukken bezorgt aan de Regering :
1° een kopie van het dossier dat hij oorspronkelijk aan het gemeentecollege heeft gericht;
2° het verzendingsbewijs of het indieningsbewijs vermeld in artikel D.IV.32.
De aanvrager informeert tegelijk het gemeentecollege.
De Regering bepaalt welke adviezen moeten worden ingewonnen en bepaalt binnen welke termijn het gemeentecollege over de aanvraag moet beslissen en stelt de aanvrager, de projectontwerper en het gemeentecollege daarvan in kennis. De termijn wordt aan het gemeentecollege opgelegd.
Als de stukken niet overeenkomstig het eerste lid aan de Regering worden overgezonden, is de aanvraag niet-ontvankelijk en wordt de procedure stopgezet.
Als de Regering het bericht van formele volledigheid vermeld in § 1, 1°, of de opsomming van de ontbrekende stukken vermeld in § 1, 2°, niet binnen een termijn van twintig dagen heeft toegezonden aan de aanvrager, dan wordt de aanvraag ontvankelijk geacht en wordt de procedure voortgezet."
§ 3 - Als de in paragraaf 1 vermelde termijn verstrijkt tussen 1 juli en 31 augustus, vermelde datums inbegrepen, dan wordt hij van rechtswege met tien dagen verlengd.
De in paragraaf 1 vermelde termijn wordt opgeschort tussen 24 december en 1 januari, vermelde datums inbegrepen.]1
1° als de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt geacht, een bericht van formele volledigheid; Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden;
2° als de aanvraag onvolledig wordt geacht, per zending een opsomming van de ontbrekende stukken, met de vermelding dat de procedure pas na ontvangst van die stukken wordt voortgezet. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden. De aanvrager vervolledigt de aanvraag binnen 180 dagen. Anders wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
§ 2 - Als het gemeentecollege de bevoegde overheid is en het gemeentecollege binnen de termijn vermeld in paragraaf 1 noch het bericht van formele volledigheid, noch de opsomming van de ontbrekende stukken heeft toegezonden, dan wordt de aanvraag ontvankelijk geacht en wordt de procedure voortgezet, als de aanvrager binnen tien dagen na het verstrijken van de termijn vermeld in het eerste lid de volgende stukken bezorgt aan de Regering :
1° een kopie van het dossier dat hij oorspronkelijk aan het gemeentecollege heeft gericht;
2° het verzendingsbewijs of het indieningsbewijs vermeld in artikel D.IV.32.
De aanvrager informeert tegelijk het gemeentecollege.
De Regering bepaalt welke adviezen moeten worden ingewonnen en bepaalt binnen welke termijn het gemeentecollege over de aanvraag moet beslissen en stelt de aanvrager, de projectontwerper en het gemeentecollege daarvan in kennis. De termijn wordt aan het gemeentecollege opgelegd.
Als de stukken niet overeenkomstig het eerste lid aan de Regering worden overgezonden, is de aanvraag niet-ontvankelijk en wordt de procedure stopgezet.
Als de Regering het bericht van formele volledigheid vermeld in § 1, 1°, of de opsomming van de ontbrekende stukken vermeld in § 1, 2°, niet binnen een termijn van twintig dagen heeft toegezonden aan de aanvrager, dan wordt de aanvraag ontvankelijk geacht en wordt de procedure voortgezet."
§ 3 - Als de in paragraaf 1 vermelde termijn verstrijkt tussen 1 juli en 31 augustus, vermelde datums inbegrepen, dan wordt hij van rechtswege met tien dagen verlengd.
De in paragraaf 1 vermelde termijn wordt opgeschort tussen 24 december en 1 januari, vermelde datums inbegrepen.]1
Art. D. IV.33_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Dans les vingt jours suivant la réception de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, selon le cas, ou de son avis de dépôt, l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue à cette fin adresse au demandeur :
1° si la demande est jugée complète et recevable, un avis de complétude formelle. Une copie est envoyée à l'auteur de projet;
2° si la demande est jugée incomplète, par envoi, un relevé des pièces manquantes, en signalant que la procédure ne sera poursuivie qu'à partir de leur réception. Une copie est envoyée à l'auteur de projet. Le demandeur dispose d'un délai de cent-quatre-vingts jours pour compléter la demande. A défaut, la demande est déclarée irrecevable.
§ 2 - Si le collège communal est l'autorité compétente et qu'il n'a transmis, dans le délai mentionné au § 1er, ni l'avis de complétude formelle, ni le relevé des pièces manquantes, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie si le demandeur, dans les dix jours suivant le terme du délai mentionné à l'alinéa 1er, fait parvenir au Gouvernement les documents suivants :
1° une copie du dossier initialement adressé au collège communal;
2° la preuve de l'envoi ou l'avis de dépôt mentionnés à l'article D.IV.32.
Le demandeur en avertit simultanément le collège communal.
Le Gouvernement détermine les avis à solliciter ainsi que le délai dans lequel le collège communal doit prendre la décision relative à la demande, et en avertit le demandeur, l'auteur de projet et le collège communal. Le délai est contraignant pour le collège communal.
Si les documents ne sont pas transmis au Gouvernement conformément à l'alinéa 1er, la demande est irrecevable et la procédure est arrêtée.
Si, dans un délai de vingt jours, le Gouvernement n'a pas envoyé au demandeur l'avis de complétude formelle mentionné au § 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé au § 1er, 2°, la demande est réputée recevable et la procédure est poursuivie.
§ 3 - Si le délai mentionné au § 1er expire entre le 1er juillet et le 31 août inclus, il est prolongé de plein droit de dix jours.
Le délai mentionné au § 1er est suspendu entre le 24 décembre et le 1er janvier inclus.]1
1° si la demande est jugée complète et recevable, un avis de complétude formelle. Une copie est envoyée à l'auteur de projet;
2° si la demande est jugée incomplète, par envoi, un relevé des pièces manquantes, en signalant que la procédure ne sera poursuivie qu'à partir de leur réception. Une copie est envoyée à l'auteur de projet. Le demandeur dispose d'un délai de cent-quatre-vingts jours pour compléter la demande. A défaut, la demande est déclarée irrecevable.
§ 2 - Si le collège communal est l'autorité compétente et qu'il n'a transmis, dans le délai mentionné au § 1er, ni l'avis de complétude formelle, ni le relevé des pièces manquantes, la demande est considérée comme recevable et la procédure est poursuivie si le demandeur, dans les dix jours suivant le terme du délai mentionné à l'alinéa 1er, fait parvenir au Gouvernement les documents suivants :
1° une copie du dossier initialement adressé au collège communal;
2° la preuve de l'envoi ou l'avis de dépôt mentionnés à l'article D.IV.32.
Le demandeur en avertit simultanément le collège communal.
Le Gouvernement détermine les avis à solliciter ainsi que le délai dans lequel le collège communal doit prendre la décision relative à la demande, et en avertit le demandeur, l'auteur de projet et le collège communal. Le délai est contraignant pour le collège communal.
Si les documents ne sont pas transmis au Gouvernement conformément à l'alinéa 1er, la demande est irrecevable et la procédure est arrêtée.
Si, dans un délai de vingt jours, le Gouvernement n'a pas envoyé au demandeur l'avis de complétude formelle mentionné au § 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé au § 1er, 2°, la demande est réputée recevable et la procédure est poursuivie.
§ 3 - Si le délai mentionné au § 1er expire entre le 1er juillet et le 31 août inclus, il est prolongé de plein droit de dix jours.
Le délai mentionné au § 1er est suspendu entre le 24 décembre et le 1er janvier inclus.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.34.Onverminderd de bepalingen [1 bedoeld in artikel D.65 van Boek I]1 van het Milieuwetboek bepaalt het bericht van ontvangst van de volledige aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 of hetvolgende al dan niet vereist is :
1° het advies van de gemachtigd ambtenaar;
2° het advies van het gemeentecollege;
3° de bijzondere bekendmakingsmaatregelen;
4° het advies van de diensten of commissies waarvan de raadpleging wordt gevraagd, alsook de desbetreffende termijnen;
5° de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege of van de gemachtigd ambtenaar wordt gezonden.
Het bericht van ontvangst vermeldt dat de in 5° bedoelde termijn verlengd wordt met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve instemming betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, met de goedkeuring van het rooiplanbesluit of in geval van bijzondere bekendmakingsmaatregelen van 16 juli tot 15 augustus of van 24 december tot 1 januari of wanneer de laatste dag van het onderzoek of van de raadplegingperiode een zaterdag, zondag of verlofdag is.
Het bericht van ontvangst vermeldt ook dat de in 5° bedoelde termijn door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar met [3 twintig]3 dagen kan worden verlengd.
Het door het gemeentecollege afgegeven bericht van ontvangst vermeldt de bepalingen van artikel D.IV.47.
[2 In de gevallen bedoeld in artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, vermeldt het ontvangstbewijs dat het naar de erfgoedadministratie werd gestuurd.]2
De Regering kan de vorm en de inhoud van het bericht van ontvangst vaststellen.
1° het advies van de gemachtigd ambtenaar;
2° het advies van het gemeentecollege;
3° de bijzondere bekendmakingsmaatregelen;
4° het advies van de diensten of commissies waarvan de raadpleging wordt gevraagd, alsook de desbetreffende termijnen;
5° de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege of van de gemachtigd ambtenaar wordt gezonden.
Het bericht van ontvangst vermeldt dat de in 5° bedoelde termijn verlengd wordt met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve instemming betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, met de goedkeuring van het rooiplanbesluit of in geval van bijzondere bekendmakingsmaatregelen van 16 juli tot 15 augustus of van 24 december tot 1 januari of wanneer de laatste dag van het onderzoek of van de raadplegingperiode een zaterdag, zondag of verlofdag is.
Het bericht van ontvangst vermeldt ook dat de in 5° bedoelde termijn door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar met [3 twintig]3 dagen kan worden verlengd.
Het door het gemeentecollege afgegeven bericht van ontvangst vermeldt de bepalingen van artikel D.IV.47.
[2 In de gevallen bedoeld in artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, vermeldt het ontvangstbewijs dat het naar de erfgoedadministratie werd gestuurd.]2
De Regering kan de vorm en de inhoud van het bericht van ontvangst vaststellen.
Art. D. IV.34.Sans préjudice des dispositions [1 visées à l'article D.65 du Livre Ier]1 du Code de l'Environnement, l'accusé de réception de la demande complète de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 précise si elle nécessite ou non :
1° l'avis du fonctionnaire délégué;
2° l'avis du collège communal;
3° les mesures particulières de publicité;
4° l'avis des services ou commissions dont la consultation est demandée ainsi que les délais y afférents;
5° le délai dans lequel la décision du collège communal ou du fonctionnaire délégué est envoyée.
L'accusé de réception mentionne que le délai visé au 5° est prorogé du délai utilisé pour l'obtention de l'accord définitif relatif à la voirie communale et le cas échéant, de l'adoption de l'arrêté relatif au plan d'alignement ou en cas de mesures particulières de publicité du 16 juillet au 15 août ou du 24 décembre au 1er janvier ou lorsque le dernier jour de l'enquête ou de la période de consultation est un samedi, dimanche ou jour férié.
L'accusé de réception mentionne aussi que le délai visé au 5° peut être prorogé de [3 vingt]3 jours par le collège communal ou le fonctionnaire délégué.
L'accusé de réception délivré par le collège communal reproduit l'article D.IV.47.
[2 Dans les hypothèses visées à l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, l'accusé de réception mentionne l'envoi de celui-ci à l'Administration du Patrimoine.]2
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de l'accusé de réception.
1° l'avis du fonctionnaire délégué;
2° l'avis du collège communal;
3° les mesures particulières de publicité;
4° l'avis des services ou commissions dont la consultation est demandée ainsi que les délais y afférents;
5° le délai dans lequel la décision du collège communal ou du fonctionnaire délégué est envoyée.
L'accusé de réception mentionne que le délai visé au 5° est prorogé du délai utilisé pour l'obtention de l'accord définitif relatif à la voirie communale et le cas échéant, de l'adoption de l'arrêté relatif au plan d'alignement ou en cas de mesures particulières de publicité du 16 juillet au 15 août ou du 24 décembre au 1er janvier ou lorsque le dernier jour de l'enquête ou de la période de consultation est un samedi, dimanche ou jour férié.
L'accusé de réception mentionne aussi que le délai visé au 5° peut être prorogé de [3 vingt]3 jours par le collège communal ou le fonctionnaire délégué.
L'accusé de réception délivré par le collège communal reproduit l'article D.IV.47.
[2 Dans les hypothèses visées à l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, l'accusé de réception mentionne l'envoi de celui-ci à l'Administration du Patrimoine.]2
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de l'accusé de réception.
Art. D. IV.34_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onverminderd de bepalingen bedoeld in [4 artikel D.65]4 van het Milieuwetboek bepaalt het [2 bericht van formele volledigheid van de aanvraag]2 tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 of hetvolgende al dan niet vereist is :
1° het advies [1 van de Regering]1;
2° het advies van het gemeentecollege;
3° de bijzondere bekendmakingsmaatregelen;
4° het advies van de diensten of commissies waarvan de raadpleging wordt gevraagd, alsook de desbetreffende termijnen;
5° de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege of [1 van de Regering]1 wordt gezonden;
[1 6° het eensluidend erfgoedadvies of niet-dwingend erfgoedadvies.]1
Het [2 bericht van formele volledigheid]2 vermeldt dat de in 5° bedoelde termijn verlengd wordt met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve instemming betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, met de goedkeuring van het rooiplanbesluit of in geval van bijzondere bekendmakingsmaatregelen van 16 juli tot 15 augustus of van 24 december tot 1 januari of wanneer de laatste dag van het onderzoek of van de raadplegingperiode een zaterdag, zondag of verlofdag is.
[3 In het bericht van formele volledigheid wordt ook vermeld dat het gemeentecollege voor het verstrijken van de in 5° vermelde termijn kan beslissen om het facultatieve advies van de Regering in te winnen. Die termijn wordt dan dienovereenkomstig aangepast.]3
[2 In het bericht van formele volledigheid wordt ook vermeld dat het gemeentecollege of de Regering de in 5° bedoelde termijn met dertig dagen kan verlengen, mits dat wordt gemotiveerd.]2
[2 Het door het gemeentecollege opgemaakte bericht van formele volledigheid bevat de letterlijke bewoordingen van artikel D.IV.47.]2
De Regering kan de vorm en de inhoud van het [2 bericht van formele volledigheid]2 vaststellen.
Onverminderd de bepalingen bedoeld in [4 artikel D.65]4 van het Milieuwetboek bepaalt het [2 bericht van formele volledigheid van de aanvraag]2 tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 of hetvolgende al dan niet vereist is :
1° het advies [1 van de Regering]1;
2° het advies van het gemeentecollege;
3° de bijzondere bekendmakingsmaatregelen;
4° het advies van de diensten of commissies waarvan de raadpleging wordt gevraagd, alsook de desbetreffende termijnen;
5° de termijn waarin de beslissing van het gemeentecollege of [1 van de Regering]1 wordt gezonden;
[1 6° het eensluidend erfgoedadvies of niet-dwingend erfgoedadvies.]1
Het [2 bericht van formele volledigheid]2 vermeldt dat de in 5° bedoelde termijn verlengd wordt met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve instemming betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, met de goedkeuring van het rooiplanbesluit of in geval van bijzondere bekendmakingsmaatregelen van 16 juli tot 15 augustus of van 24 december tot 1 januari of wanneer de laatste dag van het onderzoek of van de raadplegingperiode een zaterdag, zondag of verlofdag is.
[3 In het bericht van formele volledigheid wordt ook vermeld dat het gemeentecollege voor het verstrijken van de in 5° vermelde termijn kan beslissen om het facultatieve advies van de Regering in te winnen. Die termijn wordt dan dienovereenkomstig aangepast.]3
[2 In het bericht van formele volledigheid wordt ook vermeld dat het gemeentecollege of de Regering de in 5° bedoelde termijn met dertig dagen kan verlengen, mits dat wordt gemotiveerd.]2
[2 Het door het gemeentecollege opgemaakte bericht van formele volledigheid bevat de letterlijke bewoordingen van artikel D.IV.47.]2
De Regering kan de vorm en de inhoud van het [2 bericht van formele volledigheid]2 vaststellen.
Art. D. IV.34_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sans préjudice des dispositions visées [4 à l'article D.65]4 du Code de l'Environnement, [2 l'avis de complétude formelle relatif à la demande]2 de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 précise si elle nécessite ou non :
1° l'avis du [1 Gouvernement]1;
2° l'avis du collège communal;
3° les mesures particulières de publicité;
4° l'avis des services ou commissions dont la consultation est demandée ainsi que les délais y afférents;
5° le délai dans lequel la décision du collège communal ou du [1 Gouvernement]1 est envoyée;
[1 6° l'avis conforme ou simple relatif au patrimoine]1
[2 L'avis de complétude formelle]2 mentionne que le délai visé au 5° est prorogé du délai utilisé pour l'obtention de l'accord définitif relatif à la voirie communale et le cas échéant, de l'adoption de l'arrêté relatif au plan d'alignement ou en cas de mesures particulières de publicité du 16 juillet au 15 août ou du 24 décembre au 1er janvier ou lorsque le dernier jour de l'enquête ou de la période de consultation est un samedi, dimanche ou jour férié.
[3 L'avis de complétude formelle mentionne aussi que le collège communal peut décider, avant l'expiration du délai visé au 5°, de solliciter l'avis facultatif du Gouvernement. Ce même délai est alors adapté en conséquence.]3
[2 L'avis de complétude formelle mentionne aussi que le délai visé au 5° peut, moyennant motivation, être prorogé de trente jours par le collège communal ou le Gouvernement.]2
[2 L'avis de complétude formelle délivré par le collège communal reprend le libellé de l'article D.IV.47.]2
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de [2 l'avis de complétude formelle]2.
Sans préjudice des dispositions visées [4 à l'article D.65]4 du Code de l'Environnement, [2 l'avis de complétude formelle relatif à la demande]2 de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 précise si elle nécessite ou non :
1° l'avis du [1 Gouvernement]1;
2° l'avis du collège communal;
3° les mesures particulières de publicité;
4° l'avis des services ou commissions dont la consultation est demandée ainsi que les délais y afférents;
5° le délai dans lequel la décision du collège communal ou du [1 Gouvernement]1 est envoyée;
[1 6° l'avis conforme ou simple relatif au patrimoine]1
[2 L'avis de complétude formelle]2 mentionne que le délai visé au 5° est prorogé du délai utilisé pour l'obtention de l'accord définitif relatif à la voirie communale et le cas échéant, de l'adoption de l'arrêté relatif au plan d'alignement ou en cas de mesures particulières de publicité du 16 juillet au 15 août ou du 24 décembre au 1er janvier ou lorsque le dernier jour de l'enquête ou de la période de consultation est un samedi, dimanche ou jour férié.
[3 L'avis de complétude formelle mentionne aussi que le collège communal peut décider, avant l'expiration du délai visé au 5°, de solliciter l'avis facultatif du Gouvernement. Ce même délai est alors adapté en conséquence.]3
[2 L'avis de complétude formelle mentionne aussi que le délai visé au 5° peut, moyennant motivation, être prorogé de trente jours par le collège communal ou le Gouvernement.]2
[2 L'avis de complétude formelle délivré par le collège communal reprend le libellé de l'article D.IV.47.]2
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de [2 l'avis de complétude formelle]2.
HOOFDSTUK V. - Raadplegingen
CHAPITRE V. - Consultations
Art. D. IV.35.[1 De instantie die verantwoordelijk is voor de afgifte van de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 wint het advies in van de erfgoedadministratie en van de Commissie wanneer de aanvraag voor de vergunning of het attest betrekking heeft op :
1° een goed gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek;
2° op een met stippen opgenomen goed in de gewestelijke inventaris van het erfgoed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek.
Het advies van de erfgoedadministratie en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen betreft de gevolgen van het project voor de erfgoedeigenschappen van het goed.
Het advies van de erfgoedadministratie is een louter advies, met uitzondering van elke beslissing om de uitvoering van een vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 afhankelijk te stellen van de uitvoering van één of meerdere archeologische ingrepen overeenkomstig artikel D.66, § 1er, van het Waalse Erfgoedwetboek, waarvoor het advies van de erfgoedadministratie conform is.
"Wanneer de aanvraag betrekking heeft op de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, met een netto commerciële oppervlakte gelijk aan of groter dan duizend vierkante meter, vereist zij het advies van:
1° de directie handelsvestigingen; 2° het gemeentecollege van de buurgemeenten; 3° de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"
De Regering bepaalt de gevallen waarin de raadpleging van een dienst of van een commissie verplicht is rekening houdende met de toestand van het project en van zijn bijzonderheden.
"Naast de verplichte adviezen kunnen het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar en de Regering om het advies van de diensten of commissies die ze nodig acht te raadplegen, verzoeken."]1
1° een goed gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek;
2° op een met stippen opgenomen goed in de gewestelijke inventaris van het erfgoed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek.
Het advies van de erfgoedadministratie en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen betreft de gevolgen van het project voor de erfgoedeigenschappen van het goed.
Het advies van de erfgoedadministratie is een louter advies, met uitzondering van elke beslissing om de uitvoering van een vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 afhankelijk te stellen van de uitvoering van één of meerdere archeologische ingrepen overeenkomstig artikel D.66, § 1er, van het Waalse Erfgoedwetboek, waarvoor het advies van de erfgoedadministratie conform is.
"Wanneer de aanvraag betrekking heeft op de handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, met een netto commerciële oppervlakte gelijk aan of groter dan duizend vierkante meter, vereist zij het advies van:
1° de directie handelsvestigingen; 2° het gemeentecollege van de buurgemeenten; 3° de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening"
De Regering bepaalt de gevallen waarin de raadpleging van een dienst of van een commissie verplicht is rekening houdende met de toestand van het project en van zijn bijzonderheden.
"Naast de verplichte adviezen kunnen het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar en de Regering om het advies van de diensten of commissies die ze nodig acht te raadplegen, verzoeken."]1
Art. D. IV.35.[1 L'autorité compétente pour délivrer un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2 sollicite l'avis de l'Administration du Patrimoine et l'avis de la Commission lorsque la demande de permis ou de certificat porte :
1° sur un bien situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine;
2° sur un bien pastillé à l'inventaire régional du patrimoine au sens du Code wallon du Patrimoine.
L'avis de l'Administration du Patrimoine et de la Commission royale des monuments, sites et fouilles, se rapporte à l'impact du projet sur les caractéristiques patrimoniales du bien.
L'avis rendu par l'Administration du Patrimoine est un avis simple, à l'exception de toute décision de subordonner la mise en oeuvre du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 à la réalisation d'une ou plusieurs opérations archéologiques conformément à l'article D.66, § 1er, du Code wallon du Patrimoine pour laquelle l'avis de l'Administration du Patrimoine est conforme.
Lorsque la demande porte sur des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, d'une surface commerciale nette égale ou supérieure à mille mètres carrés, elle requiert l'avis :
1° de la direction des implantations commerciales; 2° du collège communal des communes limitrophes; 3° du pôle " Aménagement du territoire ".
Le Gouvernement détermine les cas où la consultation d'un service ou d'une commission est obligatoire en tenant compte de la situation du projet et de ses spécificités.
Outre les avis obligatoires, le collège communal, le fonctionnaire délégué et le Gouvernement peuvent solliciter l'avis des services ou commissions qu'ils jugent utile de consulter.]1
1° sur un bien situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine;
2° sur un bien pastillé à l'inventaire régional du patrimoine au sens du Code wallon du Patrimoine.
L'avis de l'Administration du Patrimoine et de la Commission royale des monuments, sites et fouilles, se rapporte à l'impact du projet sur les caractéristiques patrimoniales du bien.
L'avis rendu par l'Administration du Patrimoine est un avis simple, à l'exception de toute décision de subordonner la mise en oeuvre du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 à la réalisation d'une ou plusieurs opérations archéologiques conformément à l'article D.66, § 1er, du Code wallon du Patrimoine pour laquelle l'avis de l'Administration du Patrimoine est conforme.
Lorsque la demande porte sur des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, d'une surface commerciale nette égale ou supérieure à mille mètres carrés, elle requiert l'avis :
1° de la direction des implantations commerciales; 2° du collège communal des communes limitrophes; 3° du pôle " Aménagement du territoire ".
Le Gouvernement détermine les cas où la consultation d'un service ou d'une commission est obligatoire en tenant compte de la situation du projet et de ses spécificités.
Outre les avis obligatoires, le collège communal, le fonctionnaire délégué et le Gouvernement peuvent solliciter l'avis des services ou commissions qu'ils jugent utile de consulter.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.35_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [2 § 1. De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 kan alleen worden verstrekt na eensluidend erfgoedadvies, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1.
De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 kan alleen worden verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.2.]2]1
[2 § 2.]2 [3 Onverminderd de adviezen die bij het samenwerkingsakkoord worden voorgeschreven, bepaalt de Regering]3 verplicht is rekening [3 te houden]3 met de toestand van het project en van zijn bijzonderheden.
[4 Naast de verplichte adviezen kan de bevoegde overheid verzoeken om het advies van de diensten of commissies die ze nodig acht te raadplegen.]4
[1 [2 § 1. De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 kan alleen worden verstrekt na eensluidend erfgoedadvies, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1.
De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 kan alleen worden verstrekt na niet-dwingend erfgoedadvies, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.2.]2]1
[2 § 2.]2 [3 Onverminderd de adviezen die bij het samenwerkingsakkoord worden voorgeschreven, bepaalt de Regering]3 verplicht is rekening [3 te houden]3 met de toestand van het project en van zijn bijzonderheden.
[4 Naast de verplichte adviezen kan de bevoegde overheid verzoeken om het advies van de diensten of commissies die ze nodig acht te raadplegen.]4
Art. D. IV.35_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 § 1er - Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.]2
[2 § 2.]2 [3 Sans préjudice des avis prescrits par l'accord de coopération, le Gouvernement]3 détermine les cas où la consultation d'un service ou d'une commission est obligatoire en tenant compte de la situation du projet et de ses spécificités.
Outre les avis obligatoires, [4 l'autorité compétente peut]4 solliciter l'avis des services ou commissions [4 qu'elle juge]4 utile de consulter.
[2 § 1er - Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré que sur avis conforme relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.1.
Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne peut être délivré que sur simple avis relatif au patrimoine si la demande concerne un projet mentionné dans l'article D.IV.14.2.]2
[2 § 2.]2 [3 Sans préjudice des avis prescrits par l'accord de coopération, le Gouvernement]3 détermine les cas où la consultation d'un service ou d'une commission est obligatoire en tenant compte de la situation du projet et de ses spécificités.
Outre les avis obligatoires, [4 l'autorité compétente peut]4 solliciter l'avis des services ou commissions [4 qu'elle juge]4 utile de consulter.
Art. D. IV.36.Tegelijk met de zending van het ontvangstbewijs voor de volledige aanvraag richt, al naar gelang, het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar een adviesaanvraag, samen met een exemplaar van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2., aan de diensten en commissies bedoeld in artikel D.IV.35.
Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is, richt het binnen dezelfde termijn een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs en, in voorkomend geval, met de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35, aan de gemachtigd ambtenaar.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is, of wanneer hij de met de behandeling van het dossier belaste overheid is, richt hij binnen dezelfde termijn een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs aan het gemeentecollege en vraagt hij het advies van het gemeentecollege.
[1 In afwijking van lid 3 wordt het advies van het gemeentecollege niet gevraagd voor vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, tenzij deze laatste betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek.]1
Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is, richt het binnen dezelfde termijn een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs en, in voorkomend geval, met de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35, aan de gemachtigd ambtenaar.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is, of wanneer hij de met de behandeling van het dossier belaste overheid is, richt hij binnen dezelfde termijn een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs aan het gemeentecollege en vraagt hij het advies van het gemeentecollege.
[1 In afwijking van lid 3 wordt het advies van het gemeentecollege niet gevraagd voor vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, tenzij deze laatste betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek.]1
Art. D. IV.36.Simultanément à l'envoi de l'accusé de réception de la demande complète, selon le cas, le collège communal ou le fonctionnaire délégué adresse aux services et commissions visés à l'article D.IV.35 une demande d'avis accompagnée d'un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente, il adresse, dans le même délai, au fonctionnaire délégué un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de l'accusé de réception et, le cas échéant, des demandes d'avis visés à l'article D.IV.35.
Lorsque le fonctionnaire délégué est l'autorité compétente ou qu'il est l'autorité chargée de l'instruction du dossier, il adresse au collège communal, dans le même délai, un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de l'accusé de réception et sollicite l'avis du collège communal.
[1 Par dérogation à l'alinéa 3, l'avis du collège communal n'est pas sollicité pour les permis qui concernent exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW sauf si cette dernière concerne un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine.]1
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente, il adresse, dans le même délai, au fonctionnaire délégué un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de l'accusé de réception et, le cas échéant, des demandes d'avis visés à l'article D.IV.35.
Lorsque le fonctionnaire délégué est l'autorité compétente ou qu'il est l'autorité chargée de l'instruction du dossier, il adresse au collège communal, dans le même délai, un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de l'accusé de réception et sollicite l'avis du collège communal.
[1 Par dérogation à l'alinéa 3, l'avis du collège communal n'est pas sollicité pour les permis qui concernent exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW sauf si cette dernière concerne un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.36_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 Tegelijk met het bericht van formele volledigheid van de aanvraag richt de bevoegde overheid]2 een adviesaanvraag, samen met een exemplaar van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2., aan de diensten en commissies bedoeld in artikel D.IV.35.
[3 Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en wanneer het over het advies van de Regering moet beschikken of op het tijdstip van de formele volledigheid beslist om overeenkomstig artikel D.IV.15 het facultatieve advies van de Regering in te winnen,]3 richt het [2 tegelijk]2 een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het [2 bericht van formele volledigheid]2 en, in voorkomend geval, met de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35, aan [1 de Regering]1.
Wanneer [1 de Regering]1 de bevoegde overheid is [1 ...]1 richt [1 zij]1 [2 tegelijk]2 een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het [2 bericht van formele volledigheid]2 aan het gemeentecollege en vraagt [1 zij]1 het advies van het gemeentecollege.
[2 Tegelijk met het bericht van formele volledigheid van de aanvraag richt de bevoegde overheid]2 een adviesaanvraag, samen met een exemplaar van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2., aan de diensten en commissies bedoeld in artikel D.IV.35.
[3 Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en wanneer het over het advies van de Regering moet beschikken of op het tijdstip van de formele volledigheid beslist om overeenkomstig artikel D.IV.15 het facultatieve advies van de Regering in te winnen,]3 richt het [2 tegelijk]2 een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het [2 bericht van formele volledigheid]2 en, in voorkomend geval, met de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35, aan [1 de Regering]1.
Wanneer [1 de Regering]1 de bevoegde overheid is [1 ...]1 richt [1 zij]1 [2 tegelijk]2 een exemplaar van de aanvraag van een vergunning of van een stedenbouwkundig attest nr. 2, samen met een afschrift van het [2 bericht van formele volledigheid]2 aan het gemeentecollege en vraagt [1 zij]1 het advies van het gemeentecollege.
Art. D. IV.36_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Simultanément à l'avis de complétude formelle relatif à la demande, l'autorité compétente]2 adresse aux services et commissions visés à l'article D.IV.35 une demande d'avis accompagnée d'un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente [3 et qu'il doit disposer de l'avis du Gouvernement ou décide, au moment de la complétude formelle, de demander l'avis facultatif du Gouvernement conformément à l'article D.IV.15]3, il adresse [2 simultanément]2 au [1 Gouvernement]1 un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de [2 l'avis de complétude formelle]2 et, le cas échéant, des demandes d'avis visés à l'article D.IV.35.
Lorsque le [1 Gouvernement]1 est l'autorité compétente [1 ...]1, il adresse [2 simultanément au collège communal]2 un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de [2 l'avis de complétude formelle]2 et sollicite l'avis du collège communal.
[2 Simultanément à l'avis de complétude formelle relatif à la demande, l'autorité compétente]2 adresse aux services et commissions visés à l'article D.IV.35 une demande d'avis accompagnée d'un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente [3 et qu'il doit disposer de l'avis du Gouvernement ou décide, au moment de la complétude formelle, de demander l'avis facultatif du Gouvernement conformément à l'article D.IV.15]3, il adresse [2 simultanément]2 au [1 Gouvernement]1 un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de [2 l'avis de complétude formelle]2 et, le cas échéant, des demandes d'avis visés à l'article D.IV.35.
Lorsque le [1 Gouvernement]1 est l'autorité compétente [1 ...]1, il adresse [2 simultanément au collège communal]2 un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 accompagnée d'une copie de [2 l'avis de complétude formelle]2 et sollicite l'avis du collège communal.
Art. D. IV.37.[3 ...]3
Het advies van de Brandweerdienst wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag aan de bevoegde overheid overgemaakt; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.
[1 [3 ...]3. Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is, wordt een afschrift van het advies [3 van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35., lid 1, 1° en 2°, ingevoegd tussen de woorden]3 tegelijkertijd aan de gemachtigde ambtenaar gezonden.]1
Het advies van de Brandweerdienst wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag aan de bevoegde overheid overgemaakt; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.
[1 [3 ...]3. Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is, wordt een afschrift van het advies [3 van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35., lid 1, 1° en 2°, ingevoegd tussen de woorden]3 tegelijkertijd aan de gemachtigde ambtenaar gezonden.]1
Art. D. IV.37.Les services ou commissions visés à l'article D.IV.35 transmettent leur avis dans les trente jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente; [3 à défaut d'envoi de l'avis dans le délai imparti, la procédure peut être poursuivie]3. [3 ...]3
L'avis du Service Incendie est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente; passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
[1 [3 ...]3. Lorsque le collège communal est l'autorité compétente, une copie de l'avis [3 de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.IV.35, alinéa 1er, 1° et 2°,]3 est envoyée simultanément au fonctionnaire délégué.]1
L'avis du Service Incendie est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente; passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
[1 [3 ...]3. Lorsque le collège communal est l'autorité compétente, une copie de l'avis [3 de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.IV.35, alinéa 1er, 1° et 2°,]3 est envoyée simultanément au fonctionnaire délégué.]1
Art. D. IV.37_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 § 1.]2 [1 [2 De in artikel D.IV.35, § 2, bedoelde diensten of commissies brengen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de bevoegde overheid advies uit. Na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.]2]1
Het advies van de Brandweerdienst wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag aan de bevoegde overheid overgemaakt; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.
[1 [2 ...]2]1
[2 § 2 - Het erfgoedadvies dat overeenkomstig artikel D.IV.35, § 1, eerste lid, vereist wordt, wordt overgezonden binnen vijfenveertig dagen na zending van de aanvraag van de bevoegde overheid. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Het erfgoedadvies dat overeenkomstig artikel D.IV.35, § 1, tweede lid, vereist wordt, wordt overgezonden binnen dertig dagen na zending van de aanvraag van de bevoegde overheid. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.]2
[2 § 1.]2 [1 [2 De in artikel D.IV.35, § 2, bedoelde diensten of commissies brengen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de bevoegde overheid advies uit. Na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.]2]1
Het advies van de Brandweerdienst wordt binnen vijfenveertig dagen na de zending van de aanvraag aan de bevoegde overheid overgemaakt; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.
[1 [2 ...]2]1
[2 § 2 - Het erfgoedadvies dat overeenkomstig artikel D.IV.35, § 1, eerste lid, vereist wordt, wordt overgezonden binnen vijfenveertig dagen na zending van de aanvraag van de bevoegde overheid. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Het erfgoedadvies dat overeenkomstig artikel D.IV.35, § 1, tweede lid, vereist wordt, wordt overgezonden binnen dertig dagen na zending van de aanvraag van de bevoegde overheid. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.]2
Art. D. IV.37_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 § 1er.]2 [2 Les services ou commissions visés à l'article D.IV.35, § 2, transmettent leur avis dans les trente jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]2
L'avis du Service Incendie est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente; passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
[1 [2 ...]2.]1
[2 § 2. L'avis relatif au patrimoine demandé conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er, est transmis dans les quarante-cinq jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
L'avis relatif au patrimoine demandé conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 2, est transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]2
[2 § 1er.]2 [2 Les services ou commissions visés à l'article D.IV.35, § 2, transmettent leur avis dans les trente jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]2
L'avis du Service Incendie est transmis dans les quarante-cinq jours de l'envoi de la demande de l'autorité compétente; passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
[1 [2 ...]2.]1
[2 § 2. L'avis relatif au patrimoine demandé conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er, est transmis dans les quarante-cinq jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
L'avis relatif au patrimoine demandé conformément à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 2, est transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]2
Art. D. IV.38. Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en het ofwel over het facultatieve advies van de gemachtigd ambtenaar wenst te beschikken, ofwel het over het verplichte advies van de gemachtigd ambtenaar moet beschikken, maakt het gemeentecollege een verslag over het project op. Het vraagt het advies van de gemachtigd ambtenaar en voegt zijn verslag bij de adviesaanvraag en, in voorkomend geval, de documenten i.v.m. de bijzondere bekendmakingmaatregelen en de adviezen van de diensten en commissies bedoeld in paragraaf D.IV.35. Het college stelt de aanvrager en zijn projectontwerper in kennis van de dag waarop het om het advies van de gemachtigd ambtenaar verzoekt.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is of wanneer hij de met de behandeling van het dossier belaste overheid is, verstuurt het gemeentecollege zijn advies aan de gemachtigd ambtenaar binnen dertig dagen na de zending van de in artikel D.IV.36, derde lid bedoelde adviesaanvraag; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. De termijn duurt zestig dagen te rekenen van de zending wanneer bijzondere bekendmakingmaatregelen georganiseerd worden of wanneer het advies van de gemeentelijke commissie aangevraagd wordt.
Wanneer de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is of wanneer hij de met de behandeling van het dossier belaste overheid is, verstuurt het gemeentecollege zijn advies aan de gemachtigd ambtenaar binnen dertig dagen na de zending van de in artikel D.IV.36, derde lid bedoelde adviesaanvraag; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. De termijn duurt zestig dagen te rekenen van de zending wanneer bijzondere bekendmakingmaatregelen georganiseerd worden of wanneer het advies van de gemeentelijke commissie aangevraagd wordt.
Art. D. IV.38. Lorsque le collège communal est l'autorité compétente et que, soit il souhaite disposer de l'avis facultatif du fonctionnaire délégué, soit il doit disposer de l'avis obligatoire du fonctionnaire délégué, le collège communal rédige un rapport sur le projet. Il sollicite l'avis du fonctionnaire délégué et joint à la demande d'avis son rapport et, le cas échéant, les documents résultant des mesures particulières de publicité et les avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35. Le jour où le collège sollicite l'avis du fonctionnaire délégué, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
Lorsque le fonctionnaire délégué est l'autorité compétente ou lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction du dossier, le collège communal envoie son avis au fonctionnaire délégué dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis visée à l'article D.IV.36, alinéa 3; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Le délai est de soixante jours de l'envoi lorsque des mesures particulières de publicité sont organisées ou lorsque l'avis de la commission communale est sollicité.
Lorsque le fonctionnaire délégué est l'autorité compétente ou lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction du dossier, le collège communal envoie son avis au fonctionnaire délégué dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis visée à l'article D.IV.36, alinéa 3; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Le délai est de soixante jours de l'envoi lorsque des mesures particulières de publicité sont organisées ou lorsque l'avis de la commission communale est sollicité.
Art. D. IV.38_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en het ofwel over het facultatieve advies [1 van de Regering]1 wenst te beschikken, ofwel het over het verplichte advies [1 van de Regering]1 moet beschikken, maakt het gemeentecollege een verslag over het project op. Het vraagt het advies [1 van de Regering]1 en voegt zijn verslag bij de adviesaanvraag en, in voorkomend geval, de documenten i.v.m. de bijzondere bekendmakingmaatregelen en de adviezen van de diensten en commissies bedoeld in paragraaf D.IV.35. Het college stelt de aanvrager en zijn projectontwerper in kennis van de dag waarop het om het advies [1 van de Regering]1verzoekt.
[2 Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en na het bericht van formele volledigheid beslist om overeenkomstig artikel D.IV.15 het facultatieve advies van de Regering in te winnen, richt het aan de Regering, tegelijk met de documenten bedoeld in het eerste lid, een exemplaar van de aanvraag voor een vergunning of voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, een afschrift van het bericht van formele volledigheid en, in voorkomend geval, de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35. Het gemeentecollege past de termijn in dat geval overeenkomstig artikel D.IV.46 aan en stelt de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan in kennis.]2
Wanneer [1 de Regering]1 de bevoegde overheid is [1 ...]1 verstuurt het gemeentecollege zijn advies aan [1 de Regering]1 binnen dertig dagen na de zending van de in artikel D.IV.36, derde lid bedoelde adviesaanvraag; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. De termijn duurt zestig dagen te rekenen van de zending wanneer bijzondere bekendmakingmaatregelen georganiseerd worden of wanneer het advies van de gemeentelijke commissie aangevraagd wordt.
Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en het ofwel over het facultatieve advies [1 van de Regering]1 wenst te beschikken, ofwel het over het verplichte advies [1 van de Regering]1 moet beschikken, maakt het gemeentecollege een verslag over het project op. Het vraagt het advies [1 van de Regering]1 en voegt zijn verslag bij de adviesaanvraag en, in voorkomend geval, de documenten i.v.m. de bijzondere bekendmakingmaatregelen en de adviezen van de diensten en commissies bedoeld in paragraaf D.IV.35. Het college stelt de aanvrager en zijn projectontwerper in kennis van de dag waarop het om het advies [1 van de Regering]1verzoekt.
[2 Wanneer het gemeentecollege de bevoegde overheid is en na het bericht van formele volledigheid beslist om overeenkomstig artikel D.IV.15 het facultatieve advies van de Regering in te winnen, richt het aan de Regering, tegelijk met de documenten bedoeld in het eerste lid, een exemplaar van de aanvraag voor een vergunning of voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, een afschrift van het bericht van formele volledigheid en, in voorkomend geval, de adviesaanvragen bedoeld in artikel D.IV.35. Het gemeentecollege past de termijn in dat geval overeenkomstig artikel D.IV.46 aan en stelt de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan in kennis.]2
Wanneer [1 de Regering]1 de bevoegde overheid is [1 ...]1 verstuurt het gemeentecollege zijn advies aan [1 de Regering]1 binnen dertig dagen na de zending van de in artikel D.IV.36, derde lid bedoelde adviesaanvraag; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. De termijn duurt zestig dagen te rekenen van de zending wanneer bijzondere bekendmakingmaatregelen georganiseerd worden of wanneer het advies van de gemeentelijke commissie aangevraagd wordt.
Art. D. IV.38_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente et que, soit il souhaite disposer de l'avis facultatif du [1 Gouvernement]1, soit il doit disposer de l'avis obligatoire du fonctionnaire délégué, le collège communal rédige un rapport sur le projet. Il sollicite l'avis du [1 Gouvernement]1 et joint à la demande d'avis son rapport et, le cas échéant, les documents résultant des mesures particulières de publicité et les avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35. Le jour où le collège sollicite l'avis du [1 Gouvernement]1, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
[2 Lorsque le collège communal est l'autorité compétente et qu'il décide, après l'avis de complétude formelle, de demander l'avis facultatif du Gouvernement conformément à l'article D.IV.15, il adresse au Gouvernement, en même temps que les documents visés à l'alinéa 1er, un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, une copie de l'avis de complétude formelle et, le cas échéant, les demandes d'avis mentionnées à l'article D.IV.35. Dans ce cas, le collège communal adapte le délai pour statuer sur la demande de permis conformément à l'article D.IV.46 et en informe le demandeur et son auteur de projet.]2
Lorsque le [1 Gouvernement est l'autorité compétente, le collège communal lui envoie son avis]1 dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis visée à l'article D.IV.36, alinéa 3; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Le délai est de soixante jours de l'envoi lorsque des mesures particulières de publicité sont organisées ou lorsque l'avis de la commission communale est sollicité.
Lorsque le collège communal est l'autorité compétente et que, soit il souhaite disposer de l'avis facultatif du [1 Gouvernement]1, soit il doit disposer de l'avis obligatoire du fonctionnaire délégué, le collège communal rédige un rapport sur le projet. Il sollicite l'avis du [1 Gouvernement]1 et joint à la demande d'avis son rapport et, le cas échéant, les documents résultant des mesures particulières de publicité et les avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35. Le jour où le collège sollicite l'avis du [1 Gouvernement]1, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
[2 Lorsque le collège communal est l'autorité compétente et qu'il décide, après l'avis de complétude formelle, de demander l'avis facultatif du Gouvernement conformément à l'article D.IV.15, il adresse au Gouvernement, en même temps que les documents visés à l'alinéa 1er, un exemplaire de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, une copie de l'avis de complétude formelle et, le cas échéant, les demandes d'avis mentionnées à l'article D.IV.35. Dans ce cas, le collège communal adapte le délai pour statuer sur la demande de permis conformément à l'article D.IV.46 et en informe le demandeur et son auteur de projet.]2
Lorsque le [1 Gouvernement est l'autorité compétente, le collège communal lui envoie son avis]1 dans les trente jours de l'envoi de la demande d'avis visée à l'article D.IV.36, alinéa 3; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. Le délai est de soixante jours de l'envoi lorsque des mesures particulières de publicité sont organisées ou lorsque l'avis de la commission communale est sollicité.
Art. D. IV.39.§ 1. De gemachtigd ambtenaar verstuurt zijn advies binnen [1 dertig]1 dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht.[1 ...]1
De dag waarop de gemachtigd ambtenaar zijn advies aan het gemeentecollege opstuurt, brengt hij de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan op de hoogte.
§ 2. Aan het einde van de behandeling van het dossier betreffende de handelingen en werken waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan, stuurt de gemachtigd ambtenaar het dossier aan de Regering en stelt hij tegelijkertijd de aanvrager, zijn projectontwerper en het gemeentecollege in kennis daarvan.
De dag waarop de gemachtigd ambtenaar zijn advies aan het gemeentecollege opstuurt, brengt hij de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan op de hoogte.
§ 2. Aan het einde van de behandeling van het dossier betreffende de handelingen en werken waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan, stuurt de gemachtigd ambtenaar het dossier aan de Regering en stelt hij tegelijkertijd de aanvrager, zijn projectontwerper en het gemeentecollege in kennis daarvan.
Art. D. IV.39.§ 1er. Le fonctionnaire délégué envoie son avis dans les [1 trente]1 jours de l'envoi de la demande du collège communal; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. [1 ...]1.
Le jour où le fonctionnaire délégué envoie son avis au collège communal, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
§ 2. Au terme de l'instruction du dossier relatif aux actes et travaux pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général, le fonctionnaire délégué envoie le dossier au Gouvernement et en avise simultanément le demandeur, son auteur de projet et le collège communal.
Le jour où le fonctionnaire délégué envoie son avis au collège communal, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
§ 2. Au terme de l'instruction du dossier relatif aux actes et travaux pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général, le fonctionnaire délégué envoie le dossier au Gouvernement et en avise simultanément le demandeur, son auteur de projet et le collège communal.
Wijzigingen
Art. D. IV.39_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [1 De Regering]1 verstuurt [1 haar]1 advies binnen vijfendertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. Het advies van [1 De Regering]1 bevat een met redenen omkleed voorstel van beslissing.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt het advies van de Regering na afloop van de vermelde termijn ongunstig geacht, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1 en het eensluidend erfgoedadvies negatief is.]1
De dag waarop [1 de Regering haar]1 advies aan het gemeentecollege opstuurt, brengt [1 zij]1 de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan op de hoogte.
§ 2. [1 ...]1.
§ 1. [1 De Regering]1 verstuurt [1 haar]1 advies binnen vijfendertig dagen na de zending van de aanvraag van het gemeentecollege; na afloop van deze termijn wordt het advies gunstig geacht. Het advies van [1 De Regering]1 bevat een met redenen omkleed voorstel van beslissing.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt het advies van de Regering na afloop van de vermelde termijn ongunstig geacht, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1 en het eensluidend erfgoedadvies negatief is.]1
De dag waarop [1 de Regering haar]1 advies aan het gemeentecollege opstuurt, brengt [1 zij]1 de aanvrager en zijn projectontwerper daarvan op de hoogte.
§ 2. [1 ...]1.
Art. D. IV.39_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le [1 Gouvernement]1 envoie son avis dans les trente-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. L'avis du [1 Gouvernement]1 comprend une proposition motivée de décision.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis du Gouvernement est réputé défavorable au terme dudit délai si la demande concerne un bien visé à l'article D.IV.14.1 et que l'avis conforme relatif au patrimoine est négatif.]1
Le jour où le [1 Gouvernement]1 envoie son avis au collège communal, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
§ 2. [1 ...]1
§ 1er. Le [1 Gouvernement]1 envoie son avis dans les trente-cinq jours de l'envoi de la demande du collège communal; passé ce délai, l'avis est réputé favorable. L'avis du [1 Gouvernement]1 comprend une proposition motivée de décision.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis du Gouvernement est réputé défavorable au terme dudit délai si la demande concerne un bien visé à l'article D.IV.14.1 et que l'avis conforme relatif au patrimoine est négatif.]1
Le jour où le [1 Gouvernement]1 envoie son avis au collège communal, il en avise le demandeur et son auteur de projet.
§ 2. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - Aanvullende formaliteiten
CHAPITRE VI. - Formalités complémentaires
Afdeling 1. - Bijzondere bekendmakingmaatregelen
Section 1re. - Mesures particulières de publicité
Art. D. IV.40.[3 § 1.]3 De Regering legt de lijst van de aanvragen voor vergunningen en voor stedenbouwkundige attesten nr. 2 vast die wegens de impact van de betrokken projecten onderworpen zijn aan :
1° ofwel een openbaar onderzoek bedoeld in de artikelen D.VIII.7 en volgende;
2° ofwel de in artikel D.VIII.6. bedoelde projectaankondiging.
De aanvragen die één of meerdere afwijkingen van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad inhouden, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek.
[4 Aanvragen tot het oprichten van een handel in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, zijn onderworpen aan een openbaar onderzoek, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op de vestiging van een handel van vierhonderd vierkante meter of minder waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel D.IV.4, vierde lid, is vereist.]4
De aanvragen die één of meerdere verschillen inhouden ten opzichte : van de gemeentelijke plannen van aanleg, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die lokale beleidsontwikkelingsplannen zijn geworden, van de verordeningen, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die leidraden zijn geworden, en van de bebouwingsvergunningen, worden onderworpen aan een project aankondiging en, dit, tot de herziening of de opheffing van het plan of van de leidraad.
[5 Een openbaar onderzoek is vereist voor elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot de bouw, de verbouwing of de renovatie, geheel of gedeeltelijk, van een beschermd of gelijkgesteld goed, alsook van een goed gelegen in een beschermingsgebied, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]5.
[3 § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging.
In afwijking van paragraaf 1, leden 1 tot en met 4, zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging.]3
1° ofwel een openbaar onderzoek bedoeld in de artikelen D.VIII.7 en volgende;
2° ofwel de in artikel D.VIII.6. bedoelde projectaankondiging.
De aanvragen die één of meerdere afwijkingen van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad inhouden, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek.
[4 Aanvragen tot het oprichten van een handel in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, zijn onderworpen aan een openbaar onderzoek, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op de vestiging van een handel van vierhonderd vierkante meter of minder waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel D.IV.4, vierde lid, is vereist.]4
De aanvragen die één of meerdere verschillen inhouden ten opzichte : van de gemeentelijke plannen van aanleg, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die lokale beleidsontwikkelingsplannen zijn geworden, van de verordeningen, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die leidraden zijn geworden, en van de bebouwingsvergunningen, worden onderworpen aan een project aankondiging en, dit, tot de herziening of de opheffing van het plan of van de leidraad.
[5 Een openbaar onderzoek is vereist voor elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, bebouwingsvergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot de bouw, de verbouwing of de renovatie, geheel of gedeeltelijk, van een beschermd of gelijkgesteld goed, alsook van een goed gelegen in een beschermingsgebied, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]5.
[3 § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging.
In afwijking van paragraaf 1, leden 1 tot en met 4, zijn aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW niet onderworpen aan een openbaar onderzoek of projectaankondiging.]3
Wijzigingen
Art. D. IV.40.[3 § 1.]3 Le Gouvernement arrête la liste des demandes de permis et de certificat d'urbanisme n° 2 qui, en raison de l'impact des projets concernés, sont soumises :
1° soit à une enquête publique visée aux articles D.VIII.7 et suivants;
2° soit à l'annonce de projet visée à l'article D.VIII.6.
Les demandes impliquant une ou plusieurs dérogations au plan de secteur ou aux normes du guide régional sont soumises à enquête publique.
[4 Les demandes visant à implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont soumises à enquête publique, sauf lorsque la demande porte sur l'implantation d'un commerce de quatre-cents mètres carrés et moins soumis à permis en exécution de l'article D.IV.4, alinéa 4.]4
Les demandes impliquant un ou plusieurs écarts aux plans communaux d'aménagement adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus schémas d'orientation locaux, aux règlements adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus guides et aux permis d'urbanisation sont soumises à annonce de projet, et ce, jusqu'à la révision ou à l'abrogation du schéma ou du guide.
[5 Les demandes visant à implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont soumises à enquête publique, sauf lorsque la demande porte sur l'implantation d'un commerce de quatre-cents mètres carrés et moins soumis à permis en exécution de l'article D.IV.4, alinéa 4]5.
[3 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les demandes qui portent exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéas 1er à 4, les demandes qui portent exclusivement sur une pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet.]3
1° soit à une enquête publique visée aux articles D.VIII.7 et suivants;
2° soit à l'annonce de projet visée à l'article D.VIII.6.
Les demandes impliquant une ou plusieurs dérogations au plan de secteur ou aux normes du guide régional sont soumises à enquête publique.
[4 Les demandes visant à implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont soumises à enquête publique, sauf lorsque la demande porte sur l'implantation d'un commerce de quatre-cents mètres carrés et moins soumis à permis en exécution de l'article D.IV.4, alinéa 4.]4
Les demandes impliquant un ou plusieurs écarts aux plans communaux d'aménagement adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus schémas d'orientation locaux, aux règlements adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus guides et aux permis d'urbanisation sont soumises à annonce de projet, et ce, jusqu'à la révision ou à l'abrogation du schéma ou du guide.
[5 Les demandes visant à implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, sont soumises à enquête publique, sauf lorsque la demande porte sur l'implantation d'un commerce de quatre-cents mètres carrés et moins soumis à permis en exécution de l'article D.IV.4, alinéa 4]5.
[3 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les demandes qui portent exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéas 1er à 4, les demandes qui portent exclusivement sur une pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW ne sont pas soumises à enquête publique ni à annonce de projet.]3
Wijzigingen
Art. D. IV.40_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Regering legt de lijst van de aanvragen voor vergunningen en voor stedenbouwkundige attesten nr. 2 vast die wegens de impact van de betrokken projecten onderworpen zijn aan :
1° ofwel een openbaar onderzoek bedoeld in de artikelen D.VIII.7 en volgende;
2° ofwel de in artikel D.VIII.6. bedoelde projectaankondiging.
De aanvragen die één of meerdere afwijkingen van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad inhouden, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek.
De aanvragen die één of meerdere verschillen inhouden ten opzichte : van de gemeentelijke plannen van aanleg, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die lokale beleidsontwikkelingsplannen zijn geworden, van de verordeningen, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die leidraden zijn geworden, en van de [3 ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]3, worden onderworpen aan een project aankondiging en, dit, tot de herziening of de opheffing van het plan of van de leidraad.
[1 [2 ...]2.]1
De Regering legt de lijst van de aanvragen voor vergunningen en voor stedenbouwkundige attesten nr. 2 vast die wegens de impact van de betrokken projecten onderworpen zijn aan :
1° ofwel een openbaar onderzoek bedoeld in de artikelen D.VIII.7 en volgende;
2° ofwel de in artikel D.VIII.6. bedoelde projectaankondiging.
De aanvragen die één of meerdere afwijkingen van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad inhouden, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek.
De aanvragen die één of meerdere verschillen inhouden ten opzichte : van de gemeentelijke plannen van aanleg, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die lokale beleidsontwikkelingsplannen zijn geworden, van de verordeningen, aangenomen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek en die leidraden zijn geworden, en van de [3 ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]3, worden onderworpen aan een project aankondiging en, dit, tot de herziening of de opheffing van het plan of van de leidraad.
[1 [2 ...]2.]1
Art. D. IV.40_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le Gouvernement arrête la liste des demandes de permis et de certificat d'urbanisme n° 2 qui, en raison de l'impact des projets concernés, sont soumises :
1° soit à une enquête publique visée aux articles D.VIII.7 et suivants;
2° soit à l'annonce de projet visée à l'article D.VIII.6.
Les demandes impliquant une ou plusieurs dérogations au plan de secteur ou aux normes du guide régional sont soumises à enquête publique.
Les demandes impliquant un ou plusieurs écarts aux plans communaux d'aménagement adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus schémas d'orientation locaux, aux règlements adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus guides et aux [3 permis d'urbaniser ou de diviser]3 sont soumises à annonce de projet, et ce, jusqu'à la révision ou à l'abrogation du schéma ou du guide.
[1 [2 ...]2]1
Le Gouvernement arrête la liste des demandes de permis et de certificat d'urbanisme n° 2 qui, en raison de l'impact des projets concernés, sont soumises :
1° soit à une enquête publique visée aux articles D.VIII.7 et suivants;
2° soit à l'annonce de projet visée à l'article D.VIII.6.
Les demandes impliquant une ou plusieurs dérogations au plan de secteur ou aux normes du guide régional sont soumises à enquête publique.
Les demandes impliquant un ou plusieurs écarts aux plans communaux d'aménagement adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus schémas d'orientation locaux, aux règlements adoptés avant l'entrée en vigueur du Code et devenus guides et aux [3 permis d'urbaniser ou de diviser]3 sont soumises à annonce de projet, et ce, jusqu'à la révision ou à l'abrogation du schéma ou du guide.
[1 [2 ...]2]1
Afdeling 2. - Opening en wijziging van gemeentewegen
Section 2. - Ouverture et modification de la voirie communale
Art. D. IV.41. Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat, onderwerpt de overheid die met de behandeling belast is, in het stadium van de invulling van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg aan de procedure bedoeld in de artikelen 7 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat die een wijziging van het rooiplan vereist, stuurt de overheid die met de behandeling belast is, in het stadium van de invulling van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg en het door de aanvrager uitgewerkte ontwerp van rooiplan aan het gemeentecollege overeenkomstig de artikelen 21 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
In die gevallen worden de termijnen voor de behandeling van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 verlengd met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, het rooiplanbesluit. De beslissing tot toekenning of weigering van de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2.valt na de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, na het rooiplanbesluit.
Indien de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 aan een openbaar onderzoek of aan een projetaankondiging onderworpen wordt, organiseert het gemeentecollege een enig openbaar onderzoek dat met de artikelen D.VIII.7 en volgende overeenstemt, voor de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, voor de aanvraag betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, voor het ontwerp-rooiplan. De duur van het enig openbaar onderzoek stemt overeen met de maximumduur vereist door de verschillende betrokken procedures.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat die een wijziging van het rooiplan vereist, stuurt de overheid die met de behandeling belast is, in het stadium van de invulling van de vergunningsaanvraag of van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg en het door de aanvrager uitgewerkte ontwerp van rooiplan aan het gemeentecollege overeenkomstig de artikelen 21 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
In die gevallen worden de termijnen voor de behandeling van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 verlengd met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, het rooiplanbesluit. De beslissing tot toekenning of weigering van de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2.valt na de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, na het rooiplanbesluit.
Indien de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 aan een openbaar onderzoek of aan een projetaankondiging onderworpen wordt, organiseert het gemeentecollege een enig openbaar onderzoek dat met de artikelen D.VIII.7 en volgende overeenstemt, voor de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, voor de aanvraag betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, voor het ontwerp-rooiplan. De duur van het enig openbaar onderzoek stemt overeen met de maximumduur vereist door de verschillende betrokken procedures.
Art. D. IV.41. Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale, l'autorité chargée de l'instruction de la demande soumet, au stade de la complétude de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale à la procédure prévue aux articles 7 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale nécessitant une modification du plan d'alignement, l'autorité chargée de l'instruction de la demande envoie au collège communal, au stade de la complétude de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale et le projet de plan d'alignement élaboré par le demandeur, conformément aux articles 21 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Dans ces cas, les délais d'instruction de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 sont prorogés du délai utilisé pour l'obtention de la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement. La décision octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est postérieure à la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est soumise à enquête publique ou à annonce de projet, le collège communal organise une enquête publique unique conforme aux articles D.VIII.7 et suivants pour la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, pour la demande relative à la voirie communale ainsi que, le cas échéant, pour le projet de plan d'alignement. La durée de l'enquête publique unique correspond à la durée maximale requise par les différentes procédures concernées.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale nécessitant une modification du plan d'alignement, l'autorité chargée de l'instruction de la demande envoie au collège communal, au stade de la complétude de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale et le projet de plan d'alignement élaboré par le demandeur, conformément aux articles 21 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Dans ces cas, les délais d'instruction de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 sont prorogés du délai utilisé pour l'obtention de la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement. La décision octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est postérieure à la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est soumise à enquête publique ou à annonce de projet, le collège communal organise une enquête publique unique conforme aux articles D.VIII.7 et suivants pour la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, pour la demande relative à la voirie communale ainsi que, le cas échéant, pour le projet de plan d'alignement. La durée de l'enquête publique unique correspond à la durée maximale requise par les différentes procédures concernées.
Art. D _IV.41.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat, onderwerpt de overheid die met de behandeling belast is, [1 in het stadium van de formele volledigheid van de aanvraag]1 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg aan de procedure bedoeld in de artikelen 7 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat die een wijziging van het rooiplan vereist, stuurt de overheid die met de behandeling belast is, [1 in het stadium van de formele volledigheid van de aanvraag]1 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg en het door de aanvrager uitgewerkte ontwerp van rooiplan aan het gemeentecollege overeenkomstig de artikelen 21 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
In die gevallen worden de termijnen voor de behandeling van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 verlengd met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, het rooiplanbesluit. De beslissing tot toekenning of weigering van de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2.valt na de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, na het rooiplanbesluit.
Indien de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 aan een openbaar onderzoek of aan een projetaankondiging onderworpen wordt, organiseert het gemeentecollege een enig openbaar onderzoek dat met de artikelen D.VIII.7 en volgende overeenstemt, voor de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, voor de aanvraag betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, voor het ontwerp-rooiplan. De duur van het enig openbaar onderzoek stemt overeen met de maximumduur vereist door de verschillende betrokken procedures.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat, onderwerpt de overheid die met de behandeling belast is, [1 in het stadium van de formele volledigheid van de aanvraag]1 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg aan de procedure bedoeld in de artikelen 7 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
Wanneer de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 een aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg bevat die een wijziging van het rooiplan vereist, stuurt de overheid die met de behandeling belast is, [1 in het stadium van de formele volledigheid van de aanvraag]1 of op elk ogenblik dat zij nuttig acht, de aanvraag voor de aanleg, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg en het door de aanvrager uitgewerkte ontwerp van rooiplan aan het gemeentecollege overeenkomstig de artikelen 21 en volgende van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
In die gevallen worden de termijnen voor de behandeling van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 verlengd met de termijn gebruikt voor het verkrijgen van de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, het rooiplanbesluit. De beslissing tot toekenning of weigering van de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2.valt na de definitieve beslissing betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, na het rooiplanbesluit.
Indien de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 aan een openbaar onderzoek of aan een projetaankondiging onderworpen wordt, organiseert het gemeentecollege een enig openbaar onderzoek dat met de artikelen D.VIII.7 en volgende overeenstemt, voor de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, voor de aanvraag betreffende de gemeenteweg en, in voorkomend geval, voor het ontwerp-rooiplan. De duur van het enig openbaar onderzoek stemt overeen met de maximumduur vereist door de verschillende betrokken procedures.
Art. D _IV.41.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale, l'autorité chargée de l'instruction de la demande soumet, [1 en cas de complétude formelle de la demande]1 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale à la procédure prévue aux articles 7 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale nécessitant une modification du plan d'alignement, l'autorité chargée de l'instruction de la demande envoie au collège communal, [1 en cas de complétude formelle de la demande]1 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale et le projet de plan d'alignement élaboré par le demandeur, conformément aux articles 21 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Dans ces cas, les délais d'instruction de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 sont prorogés du délai utilisé pour l'obtention de la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement. La décision octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est postérieure à la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est soumise à enquête publique ou à annonce de projet, le collège communal organise une enquête publique unique conforme aux articles D.VIII.7 et suivants pour la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, pour la demande relative à la voirie communale ainsi que, le cas échéant, pour le projet de plan d'alignement. La durée de l'enquête publique unique correspond à la durée maximale requise par les différentes procédures concernées.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale, l'autorité chargée de l'instruction de la demande soumet, [1 en cas de complétude formelle de la demande]1 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale à la procédure prévue aux articles 7 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 comporte une demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale nécessitant une modification du plan d'alignement, l'autorité chargée de l'instruction de la demande envoie au collège communal, [1 en cas de complétude formelle de la demande]1 ou à tout moment qu'elle juge utile, la demande de création, de modification ou de suppression de la voirie communale et le projet de plan d'alignement élaboré par le demandeur, conformément aux articles 21 et suivants du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale.
Dans ces cas, les délais d'instruction de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 sont prorogés du délai utilisé pour l'obtention de la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement. La décision octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est postérieure à la décision définitive relative à la voirie communale et, le cas échéant, à l'arrêté relatif au plan d'alignement.
Lorsque la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est soumise à enquête publique ou à annonce de projet, le collège communal organise une enquête publique unique conforme aux articles D.VIII.7 et suivants pour la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, pour la demande relative à la voirie communale ainsi que, le cas échéant, pour le projet de plan d'alignement. La durée de l'enquête publique unique correspond à la durée maximale requise par les différentes procédures concernées.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Wijziging van de vergunningsaanvraag in de loop van de procedure
Section 3. - Modification de la demande de permis en cours de procédure
Art. D. IV.42.[1 § 1. Wanneer de bevoegde overheid het gemeentecollege of de gemachtigde ambtenaar is overeenkomstig artikel D.IV.22 of wanneer de aanvraag betrekking heeft op een kleine wijziging van een door de Regering overeenkomstig artikel D.IV.25 verleende vergunning kan de aanvrager op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde overheid het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar in kennis stellen van zijn beslissing om wijzigingsplannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of effectenonderzoek in te dienen, bij brief die uiterlijk tien dagen vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de bevoegde overheid haar beslissing moet verzenden, wordt verzonden.
Op eigen initiatief of op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of de Regering kan de aanvrager de gemachtigde ambtenaar, wanneer deze de voor de behandeling van de vergunningsaanvragen als bedoeld in artikel D.II.54, D.IV.25 en D.V.16 de verantwoordelijke overheid is, in kennis stellen van zijn beslissing om wijzigingsplannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of effectenonderzoek in te dienen door toezending per post, uiterlijk tien dagen vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de gemachtigde ambtenaar het onderzochte dossier aan de Regering toezendt. Hij informeert tegelijkertijd het gemeentecollege.
§ 2. Het besluit van de aanvrager om wijzigingsplannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of effectenonderzoek in te dienen, heeft tot gevolg dat de termijnen voor de behandeling van de aanvraag worden onderbroken totdat ze zijn ingediend, en gedurende maximaal 180 dagen.
§ 3. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
"Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
Wanneer de wijzigingsplannen betrekking hebben op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, waarvoor een erfgoedvergunning werd afgeleverd, en een impact hebben op de beschermde of gelijkgestelde delen van dit goed, wordt een nieuwe erfgoedvergunning aangevraagd overeenkomstig artikel D.52 van hetzelfde Wetboek. Wanneer de wijzigingsplannen betrekking hebben op een project dat het voorwerp uitmaakte van een voorafgaand archeologisch advies overeenkomstig artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, wordt een nieuw voorafgaand archeologisch advies aangevraagd overeenkomstig artikel D.63 van hetzelfde Wetboek.
De bijzondere bekendmakingmaatregelen en de raadpleging van voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist :
1° wanneer de overwogen wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen of bezwaren geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of daar rechtstreeks mee te maken heeft;
2° wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp of de algemene structuur van het project of diens wezenskenmerken niet aantast.
§ 4. Indien het gemeentecollege niet de bevoegde overheid is, wordt zijn advies aangevraagd wanneer het verplicht is.
Indien het gemeentecollege de bevoegde overheid is, wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar aangevraagd wanneer het verplicht is.]1
Op eigen initiatief of op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of de Regering kan de aanvrager de gemachtigde ambtenaar, wanneer deze de voor de behandeling van de vergunningsaanvragen als bedoeld in artikel D.II.54, D.IV.25 en D.V.16 de verantwoordelijke overheid is, in kennis stellen van zijn beslissing om wijzigingsplannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of effectenonderzoek in te dienen door toezending per post, uiterlijk tien dagen vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de gemachtigde ambtenaar het onderzochte dossier aan de Regering toezendt. Hij informeert tegelijkertijd het gemeentecollege.
§ 2. Het besluit van de aanvrager om wijzigingsplannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of effectenonderzoek in te dienen, heeft tot gevolg dat de termijnen voor de behandeling van de aanvraag worden onderbroken totdat ze zijn ingediend, en gedurende maximaal 180 dagen.
§ 3. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
"Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
Wanneer de wijzigingsplannen betrekking hebben op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, waarvoor een erfgoedvergunning werd afgeleverd, en een impact hebben op de beschermde of gelijkgestelde delen van dit goed, wordt een nieuwe erfgoedvergunning aangevraagd overeenkomstig artikel D.52 van hetzelfde Wetboek. Wanneer de wijzigingsplannen betrekking hebben op een project dat het voorwerp uitmaakte van een voorafgaand archeologisch advies overeenkomstig artikel D.62, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek, wordt een nieuw voorafgaand archeologisch advies aangevraagd overeenkomstig artikel D.63 van hetzelfde Wetboek.
De bijzondere bekendmakingmaatregelen en de raadpleging van voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist :
1° wanneer de overwogen wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen of bezwaren geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of daar rechtstreeks mee te maken heeft;
2° wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp of de algemene structuur van het project of diens wezenskenmerken niet aantast.
§ 4. Indien het gemeentecollege niet de bevoegde overheid is, wordt zijn advies aangevraagd wanneer het verplicht is.
Indien het gemeentecollege de bevoegde overheid is, wordt het advies van de gemachtigd ambtenaar aangevraagd wanneer het verplicht is.]1
Art. D. IV.42.[1 § 1er. Lorsque l'autorité compétente est le collège communal ou le fonctionnaire délégué en vertu de l'article D.IV.22 ou lorsque la demande a pour objet une modification mineure d'un permis délivré par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25, le demandeur peut, d'initiative ou à la demande de l'autorité compétente, informer le collège communal et le fonctionnaire délégué de sa décision de produire des plans modificatifs ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences, par envoi, au plus tard dix jours avant l'échéance du délai dans lequel l'autorité compétente envoie sa décision.
D'initiative ou à la demande du fonctionnaire délégué ou du Gouvernement, le demandeur peut informer le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 de sa décision de produire des plans modificatifs ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences par envoi, au plus tard dix jours avant l'échéance du délai dans lequel le fonctionnaire délégué adresse le dossier instruit au Gouvernement. Il en informe simultanément le collège communal.
§ 2. L'envoi par le demandeur de sa décision d'introduire des plans modificatifs ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences a pour effet d'interrompre les délais d'instructions de la demande jusqu'au dépôt de ceux-ci et au maximum pendant cent quatre-vingts jours.
§ 3. Les plans modificatifs ou le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque sont déposés soit des plans modificatifs accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, soit un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Lorsque les plans modificatifs portent sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale et ont un impact sur les parties classées ou assimilées de ce bien, une nouvelle autorisation patrimoniale est sollicitée en vertu de l'article D.52 du même Code. Lorsque les plans modificatifs portent sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable en vertu de l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, un nouvel avis archéologique préalable est sollicité en vertu de l'article D.63 du même Code.
Sous réserve de l'alinéa 3, les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises :
1° lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 4. Si le collège communal n'est pas l'autorité compétente, son avis est sollicité lorsqu'il est obligatoire.
Si le collège communal est l'autorité compétente, l'avis du fonctionnaire délégué est sollicité lorsqu'il est obligatoire]1.
D'initiative ou à la demande du fonctionnaire délégué ou du Gouvernement, le demandeur peut informer le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 de sa décision de produire des plans modificatifs ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences par envoi, au plus tard dix jours avant l'échéance du délai dans lequel le fonctionnaire délégué adresse le dossier instruit au Gouvernement. Il en informe simultanément le collège communal.
§ 2. L'envoi par le demandeur de sa décision d'introduire des plans modificatifs ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences a pour effet d'interrompre les délais d'instructions de la demande jusqu'au dépôt de ceux-ci et au maximum pendant cent quatre-vingts jours.
§ 3. Les plans modificatifs ou le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque sont déposés soit des plans modificatifs accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, soit un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Lorsque les plans modificatifs portent sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale et ont un impact sur les parties classées ou assimilées de ce bien, une nouvelle autorisation patrimoniale est sollicitée en vertu de l'article D.52 du même Code. Lorsque les plans modificatifs portent sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable en vertu de l'article D.62, § 1er, du Code wallon du Patrimoine, un nouvel avis archéologique préalable est sollicité en vertu de l'article D.63 du même Code.
Sous réserve de l'alinéa 3, les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises :
1° lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 4. Si le collège communal n'est pas l'autorité compétente, son avis est sollicité lorsqu'il est obligatoire.
Si le collège communal est l'autorité compétente, l'avis du fonctionnaire délégué est sollicité lorsqu'il est obligatoire]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.42_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Voordat de bevoegde overheid overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid, een beslissing neemt, kan de aanvrager, op verzoek of met instemming van de bevoegde overheid, wijzigingsplannen en een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of op het milieueffectenonderzoek indienen.
Als de Regering de bevoegde overheid is, wordt het gemeentecollege om advies verzocht. Als het gemeentecollege de bevoegde overheid is en de Regering om advies had moeten worden verzocht of werd verzocht, wordt de Regering opnieuw om advies verzocht.
§ 2 - De [2 wijzigingsdocumenten]2 en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dat geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
Als de aanvraag onderworpen is aan een milieueffectenonderzoek moet ze, behalve in de gevallen vermeld in paragraaf 3, opnieuw worden onderworpen aan bekendmakingsmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
§ 3 - De bijzondere bekendmakingsmaatregelen en het opnieuw inwinnen van adviezen zijn niet vereist :
1° wanneer de wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen die werden geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of rechtstreeks daarmee te maken heeft;
2° of wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp, de algemene structuur en de wezenlijke kenmerken van het project niet aantast.
§ 4 - Onverminderd paragraaf 3 wordt het eensluidend erfgoedadvies opnieuw ingewonnen voor de aanvragen vermeld in artikel D.IV.35, § 1, eerste lid. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
§ 5 - [3 Het verzenden van de instemming of het verzoek van de bevoegde overheid aan de aanvrager heeft tot gevolg dat de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.46, D.IV.47 en D.IV.48 worden opgeschort voor hoogstens 180 dagen. Er wordt een afschrift van de instemming of het verzoek bezorgd aan de Regering of, naargelang van het geval, het gemeentecollege.
Uiterlijk 180 dagen na de verzending van de toestemming vermeld in het eerste lid of op verzoek bezorgt de aanvrager de wijzigingsdocumenten en een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of op het effectenonderzoek aan de bevoegde overheid. Er worden evenveel exemplaren van die stukken toegezonden als bij de oorspronkelijke aanvraag.
Wanneer de documenten vermeld in het tweede lid binnen de gestelde termijn worden toegezonden of ingediend, wordt de procedure hervat volgens de nadere regels bepaald in artikel D.IV.33. De nieuwe termijnen om te beslissen op grond van de wijzigingsdocumenten en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, worden bepaald overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid.
Als de documenten vermeld in het tweede lid niet binnen een termijn van 180 dagen worden toegezonden of ingediend, komt er een einde aan de opschorting van de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.46, D.IV.47 en D.IV.48 en wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de oorspronkelijke termijn]3.]1
Als de Regering de bevoegde overheid is, wordt het gemeentecollege om advies verzocht. Als het gemeentecollege de bevoegde overheid is en de Regering om advies had moeten worden verzocht of werd verzocht, wordt de Regering opnieuw om advies verzocht.
§ 2 - De [2 wijzigingsdocumenten]2 en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dat geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
Als de aanvraag onderworpen is aan een milieueffectenonderzoek moet ze, behalve in de gevallen vermeld in paragraaf 3, opnieuw worden onderworpen aan bekendmakingsmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
§ 3 - De bijzondere bekendmakingsmaatregelen en het opnieuw inwinnen van adviezen zijn niet vereist :
1° wanneer de wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen die werden geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of rechtstreeks daarmee te maken heeft;
2° of wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp, de algemene structuur en de wezenlijke kenmerken van het project niet aantast.
§ 4 - Onverminderd paragraaf 3 wordt het eensluidend erfgoedadvies opnieuw ingewonnen voor de aanvragen vermeld in artikel D.IV.35, § 1, eerste lid. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
§ 5 - [3 Het verzenden van de instemming of het verzoek van de bevoegde overheid aan de aanvrager heeft tot gevolg dat de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.46, D.IV.47 en D.IV.48 worden opgeschort voor hoogstens 180 dagen. Er wordt een afschrift van de instemming of het verzoek bezorgd aan de Regering of, naargelang van het geval, het gemeentecollege.
Uiterlijk 180 dagen na de verzending van de toestemming vermeld in het eerste lid of op verzoek bezorgt de aanvrager de wijzigingsdocumenten en een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of op het effectenonderzoek aan de bevoegde overheid. Er worden evenveel exemplaren van die stukken toegezonden als bij de oorspronkelijke aanvraag.
Wanneer de documenten vermeld in het tweede lid binnen de gestelde termijn worden toegezonden of ingediend, wordt de procedure hervat volgens de nadere regels bepaald in artikel D.IV.33. De nieuwe termijnen om te beslissen op grond van de wijzigingsdocumenten en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, worden bepaald overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid.
Als de documenten vermeld in het tweede lid niet binnen een termijn van 180 dagen worden toegezonden of ingediend, komt er een einde aan de opschorting van de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.46, D.IV.47 en D.IV.48 en wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de oorspronkelijke termijn]3.]1
Art. D. IV.42_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Préalablement à la décision prise par l'autorité compétente conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er, ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er, le demandeur peut, à la demande de celle-ci ou moyennant son accord, produire [2 des documents modificatifs, tout document et annexe requise correspondant aux modifications, ainsi qu'un complément]2 corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences.
Si le Gouvernement est l'autorité compétente, l'avis du collège communal est sollicité. Si le collège communal est l'autorité compétente et que l'avis du Gouvernement devait être sollicité ou l'a été, il est à nouveau sollicité.
§ 2 - Les [2 documents modificatifs]2 et le complément de notice d'évaluation préalable peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à un nouvel avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Sauf dans les cas mentionnés au § 3, de nouvelles mesures de publicité doivent être menées par l'entremise de la commune et l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure doit à nouveau être sollicité, lorsque la demande est soumise à une étude d'incidences. Le demandeur en est informé.
§ 3 - Les mesures de publicité spécifiques et les nouveaux avis ne sont pas requis :
1° lorsque la modification résulte d'une proposition contenue dans les observations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° ou lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 4 - Sans préjudice du § 3, l'avis conforme relatif au patrimoine est à nouveau demandé pour les demandes mentionnées à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er. Le demandeur en est informé.
§ 5 - [3 L'envoi au demandeur de l'accord de l'autorité compétente ou de la demande de celle-ci a pour effet d'interrompre les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.47 et D.IV.48 pour une période n'excédant pas 180 jours. Une copie de l'accord ou de la demande est transmise au Gouvernement ou, selon le cas, au collège communal.
Au plus tard 180 jours après l'envoi de l'accord visé à l'alinéa 1er ou sur demande, le demandeur transmet les documents modificatifs et un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences à l'autorité compétente. Il est transmis autant d'exemplaires de ces pièces que pour la demande initiale.
Lorsque l'envoi ou le dépôt des documents visés à l'alinéa 2 est réalisé dans le délai imparti, la procédure reprend selon les modalités mentionnées à l'article D.IV.33. Les nouveaux délais de décision sont fixés sur la base des documents modificatifs et du complément de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er, ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er.
Lorsque l'envoi ou le dépôt des documents visés à l'alinéa 2 n'est pas réalisé dans un délai de 180 jours, la suspension des délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.47 et D.IV.48 est levée et la procédure se poursuit selon le délai initial]3.]1
Si le Gouvernement est l'autorité compétente, l'avis du collège communal est sollicité. Si le collège communal est l'autorité compétente et que l'avis du Gouvernement devait être sollicité ou l'a été, il est à nouveau sollicité.
§ 2 - Les [2 documents modificatifs]2 et le complément de notice d'évaluation préalable peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à un nouvel avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Sauf dans les cas mentionnés au § 3, de nouvelles mesures de publicité doivent être menées par l'entremise de la commune et l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure doit à nouveau être sollicité, lorsque la demande est soumise à une étude d'incidences. Le demandeur en est informé.
§ 3 - Les mesures de publicité spécifiques et les nouveaux avis ne sont pas requis :
1° lorsque la modification résulte d'une proposition contenue dans les observations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° ou lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 4 - Sans préjudice du § 3, l'avis conforme relatif au patrimoine est à nouveau demandé pour les demandes mentionnées à l'article D.IV.35, § 1er, alinéa 1er. Le demandeur en est informé.
§ 5 - [3 L'envoi au demandeur de l'accord de l'autorité compétente ou de la demande de celle-ci a pour effet d'interrompre les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.47 et D.IV.48 pour une période n'excédant pas 180 jours. Une copie de l'accord ou de la demande est transmise au Gouvernement ou, selon le cas, au collège communal.
Au plus tard 180 jours après l'envoi de l'accord visé à l'alinéa 1er ou sur demande, le demandeur transmet les documents modificatifs et un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences à l'autorité compétente. Il est transmis autant d'exemplaires de ces pièces que pour la demande initiale.
Lorsque l'envoi ou le dépôt des documents visés à l'alinéa 2 est réalisé dans le délai imparti, la procédure reprend selon les modalités mentionnées à l'article D.IV.33. Les nouveaux délais de décision sont fixés sur la base des documents modificatifs et du complément de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er, ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er.
Lorsque l'envoi ou le dépôt des documents visés à l'alinéa 2 n'est pas réalisé dans un délai de 180 jours, la suspension des délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.47 et D.IV.48 est levée et la procédure se poursuit selon le délai initial]3.]1
Art. D. IV.43.[1 De indiening tegen ontvangstbewijs of de zending van de wijzigingsplannen en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek maakt het voorwerp uit van de zending van een ontvangstbewijs dat in de plaats treedt van het bewijs bedoeld in artikel D.IV.33. In voorkomend geval is artikel D.IV.33, tweede en derde lid, van toepassing.
In de gevallen bedoeld in artikel D.IV.42, § 1, eerste lid, worden de nieuwe beslissingstermijnen bepaald op grond van de wijzigingsplannen en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid.]1
In de gevallen bedoeld in artikel D.IV.42, § 1, eerste lid, worden de nieuwe beslissingstermijnen bepaald op grond van de wijzigingsplannen en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid.]1
Art. D. IV.43.[1 Le dépôt contre récépissé ou l'envoi des plans modificatifs ou du complément corollaire de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences fait l'objet de l'envoi d'un accusé de réception qui se substitue à celui visé à l'article D.IV.33. Le cas échéant, il est fait application de l'article D.IV.33, alinéas 2 et 3.
Dans les cas visés à l'article D.IV.42, § 1er, alinéa 1er, les nouveaux délais de décision sont fixés sur la base des plans modificatifs ou du complément corollaire de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er.]1
Dans les cas visés à l'article D.IV.42, § 1er, alinéa 1er, les nouveaux délais de décision sont fixés sur la base des plans modificatifs ou du complément corollaire de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art. D _IV.43.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _IV.43.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. DIV.43/1. [1 Gewijzigde plannen voor dezelfde aanvraag mogen in eerste instantie slechts één keer worden ingediend bij de bevoegde instantie.]1
Art. D _IV.43/1. [1 Pour une même demande, des plans modifiés peuvent être déposés une fois seulement auprès de l'instance compétente en première instance.]1
Afdeling 4.
Section 4.
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Opschorting van de procedure om de vergunningsaanvraag te rectificeren]1
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Suspension de la procédure en vue de rectifier la demande de permis]1
Art. D. IV.44.
Art. D. IV.44.
Art. D _IV.44.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Voordat de bevoegde overheid overeenkomstig artikel D.IV.46, eerste lid, of artikel D.IV.48, eerste lid, een beslissing neemt, kan ze de procedure gedurende hoogstens dertig dagen opschorten om aanvullende inlichtingen die noodzakelijk zijn voor haar besluitvorming of rectificaties van de stukken van de aanvraag op te vragen bij de aanvrager.
De aanvrager wordt daarover geïnformeerd. Er wordt een afschrift bezorgd aan de Regering of, naargelang van het geval, aan het gemeentecollege.]1
De aanvrager wordt daarover geïnformeerd. Er wordt een afschrift bezorgd aan de Regering of, naargelang van het geval, aan het gemeentecollege.]1
Art. D _IV.44.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Avant de prendre sa décision conformément à l'article D.IV.46, alinéa 1er, ou à l'article D.IV.48, alinéa 1er, l'autorité compétente peut suspendre la procédure pendant un maximum de trente jours afin d'inviter le demandeur à lui fournir toute information supplémentaire nécessaire pour prendre sa décision ou des documents rectificatifs de la demande.
Le demandeur en est informé. Une copie est transmise au Gouvernement ou, selon le cas, au collège communal.]1
Le demandeur en est informé. Une copie est transmise au Gouvernement ou, selon le cas, au collège communal.]1
Wijzigingen
Afdeling 5. - Vrijetijdsverblijven
Section 5. - Hébergement de loisirs
Art. D. IV.45.Onder vakantiedorpen wordt verstaan, een gegroepeerd geheel van minstens vijftien vaste woningen die gebouwd worden door éénzelfde privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, die bestemd voor ontspanningsverblijven.
Onder weekendverblijfpark wordt verstaan een geheel van percelen, opgenomen in een bebouwingsvergunning met het oog op het oprichten van weekendverblijven. Onder weekendverblijf wordt verstaan, een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan zestig vierkante meter.
Voor de projecten waarvan de oppervlakte berekend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten hoger dan 5 ha is en die gelegen zijn in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter, is de toekenning van de vergunning afhankelijk van de goedkeuring door de Regering van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het geheel of een gedeelte van het betrokken gebied afdekt indien het betrekking heeft op :
1° een vakantiedorp;
2° een weekendverblijfpark;
3° een toeristisch kampeerterrein in de zin van het Wetboek van Toerisme;
4° een caravanterrein in de zin van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen;
5° [1 ...]1.
De Regering kan de voorwaarden voor het afgeven van de vergunningen betreffende de vrijetijdsverblijven bepalen en een lijst van de handelingen en werken vrijgesteld van de in het derde lid bedoelde verplichting vaststellen.
Onder weekendverblijfpark wordt verstaan een geheel van percelen, opgenomen in een bebouwingsvergunning met het oog op het oprichten van weekendverblijven. Onder weekendverblijf wordt verstaan, een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan zestig vierkante meter.
Voor de projecten waarvan de oppervlakte berekend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten hoger dan 5 ha is en die gelegen zijn in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter, is de toekenning van de vergunning afhankelijk van de goedkeuring door de Regering van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het geheel of een gedeelte van het betrokken gebied afdekt indien het betrekking heeft op :
1° een vakantiedorp;
2° een weekendverblijfpark;
3° een toeristisch kampeerterrein in de zin van het Wetboek van Toerisme;
4° een caravanterrein in de zin van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen;
5° [1 ...]1.
De Regering kan de voorwaarden voor het afgeven van de vergunningen betreffende de vrijetijdsverblijven bepalen en een lijst van de handelingen en werken vrijgesteld van de in het derde lid bedoelde verplichting vaststellen.
Art. D. IV.45.Par village de vacances, on entend un ensemble groupé d'au moins quinze logements fixes, construit par une même personne physique ou morale, privée ou publique, et destiné à promouvoir des séjours de détente.
Par parc résidentiel de week-end, on entend un ensemble de parcelles compris dans un permis d'urbanisation destiné à accueillir des résidences de week-end. Par résidence de week-end, on entend une construction d'une superficie brute de plancher inférieure à soixante m2.
Pour les projets dont la superficie, calculée conformément à l'arrêté du Gouvernement du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, est supérieure à 5 ha et qui sont situés en zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural, l'octroi du permis est subordonné à l'approbation par le Gouvernement d'un schéma d'orientation local couvrant tout ou partie de la zone concernée, s'il concerne :
1° un village de vacances;
2° un parc résidentiel de week-end;
3° un camping touristique au sens du Code wallon du tourisme;
4° un terrain de caravanage au sens du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage;
5° [1 ...]1.
Le Gouvernement peut déterminer les conditions de délivrance des permis relatifs aux hébergements de loisirs et établir une liste d'actes et travaux dispensés de l'obligation prévue à l'alinéa 3.
Par parc résidentiel de week-end, on entend un ensemble de parcelles compris dans un permis d'urbanisation destiné à accueillir des résidences de week-end. Par résidence de week-end, on entend une construction d'une superficie brute de plancher inférieure à soixante m2.
Pour les projets dont la superficie, calculée conformément à l'arrêté du Gouvernement du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, est supérieure à 5 ha et qui sont situés en zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural, l'octroi du permis est subordonné à l'approbation par le Gouvernement d'un schéma d'orientation local couvrant tout ou partie de la zone concernée, s'il concerne :
1° un village de vacances;
2° un parc résidentiel de week-end;
3° un camping touristique au sens du Code wallon du tourisme;
4° un terrain de caravanage au sens du décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage;
5° [1 ...]1.
Le Gouvernement peut déterminer les conditions de délivrance des permis relatifs aux hébergements de loisirs et établir une liste d'actes et travaux dispensés de l'obligation prévue à l'alinéa 3.
Wijzigingen
Art. D. IV.45_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onder vakantiedorpen wordt verstaan, een gegroepeerd geheel van minstens vijftien vaste woningen die gebouwd worden door éénzelfde privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, die bestemd voor ontspanningsverblijven.
Onder weekendverblijfpark wordt verstaan een geheel van percelen, opgenomen in een [2 ontsluitingsvergunning]2 met het oog op het oprichten van weekendverblijven. Onder weekendverblijf wordt verstaan, een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan zestig vierkante meter.
Voor de projecten waarvan de oppervlakte berekend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten hoger dan 5 ha is en die gelegen zijn in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter, is de toekenning van de vergunning afhankelijk van de goedkeuring door de Regering van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het geheel of een gedeelte van het betrokken gebied afdekt indien het betrekking heeft op :
1° een vakantiedorp;
2° een weekendverblijfpark;
3° [1 ...]1;
4° [1 ...]1;
5° een kampeerterrein [1 in de zin van artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]1.
De Regering kan de voorwaarden voor het afgeven van de vergunningen betreffende de vrijetijdsverblijven bepalen en een lijst van de handelingen en werken vrijgesteld van de in het derde lid bedoelde verplichting vaststellen.
Onder vakantiedorpen wordt verstaan, een gegroepeerd geheel van minstens vijftien vaste woningen die gebouwd worden door éénzelfde privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, die bestemd voor ontspanningsverblijven.
Onder weekendverblijfpark wordt verstaan een geheel van percelen, opgenomen in een [2 ontsluitingsvergunning]2 met het oog op het oprichten van weekendverblijven. Onder weekendverblijf wordt verstaan, een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan zestig vierkante meter.
Voor de projecten waarvan de oppervlakte berekend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten hoger dan 5 ha is en die gelegen zijn in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter, is de toekenning van de vergunning afhankelijk van de goedkeuring door de Regering van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat het geheel of een gedeelte van het betrokken gebied afdekt indien het betrekking heeft op :
1° een vakantiedorp;
2° een weekendverblijfpark;
3° [1 ...]1;
4° [1 ...]1;
5° een kampeerterrein [1 in de zin van artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]1.
De Regering kan de voorwaarden voor het afgeven van de vergunningen betreffende de vrijetijdsverblijven bepalen en een lijst van de handelingen en werken vrijgesteld van de in het derde lid bedoelde verplichting vaststellen.
Art. D. IV.45_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Par village de vacances, on entend un ensemble groupé d'au moins quinze logements fixes, construit par une même personne physique ou morale, privée ou publique, et destiné à promouvoir des séjours de détente.
Par parc résidentiel de week-end, on entend un ensemble de parcelles compris dans un [2 permis d'urbaniser]2 destiné à accueillir des résidences de week-end. Par résidence de week-end, on entend une construction d'une superficie brute de plancher inférieure à soixante m2.
Pour les projets dont la superficie, calculée conformément à l'arrêté du Gouvernement du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, est supérieure à 5 ha et qui sont situés en zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural, l'octroi du permis est subordonné à l'approbation par le Gouvernement d'un schéma d'orientation local couvrant tout ou partie de la zone concernée, s'il concerne :
1° un village de vacances;
2° un parc résidentiel de week-end;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 un terrain de camping au sens de l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.]1
Le Gouvernement peut déterminer les conditions de délivrance des permis relatifs aux hébergements de loisirs et établir une liste d'actes et travaux dispensés de l'obligation prévue à l'alinéa 3.
Par village de vacances, on entend un ensemble groupé d'au moins quinze logements fixes, construit par une même personne physique ou morale, privée ou publique, et destiné à promouvoir des séjours de détente.
Par parc résidentiel de week-end, on entend un ensemble de parcelles compris dans un [2 permis d'urbaniser]2 destiné à accueillir des résidences de week-end. Par résidence de week-end, on entend une construction d'une superficie brute de plancher inférieure à soixante m2.
Pour les projets dont la superficie, calculée conformément à l'arrêté du Gouvernement du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées, est supérieure à 5 ha et qui sont situés en zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural, l'octroi du permis est subordonné à l'approbation par le Gouvernement d'un schéma d'orientation local couvrant tout ou partie de la zone concernée, s'il concerne :
1° un village de vacances;
2° un parc résidentiel de week-end;
3° [1 ...]1
4° [1 ...]1
5° [1 un terrain de camping au sens de l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.]1
Le Gouvernement peut déterminer les conditions de délivrance des permis relatifs aux hébergements de loisirs et établir une liste d'actes et travaux dispensés de l'obligation prévue à l'alinéa 3.
HOOFDSTUK VII. - Beslissing over aanvragen voor vergunningen en stedenbouwkundige attesten
CHAPITRE VII. - Décision sur les demandes de permis et de certificat d'urbanisme
HOOFDSTUK VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - BESLISSING OVER DE AANVRAGEN VOOR EEN VERGUNNING OF VOOR EEN STEDENBOUWKUNDIG ATTEST]1
CHAPITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Décision sur les demandes de permis ou de certificat d'urbanisme]1
Afdeling 1. - Termijn
Section 1re. - Délai
Onderafdeling 1. - Beslissing van het gemeentecollege
Sous-section 1re. - Décision du collège communal
Art. D. IV.46.De beslissing van het gemeentecollege tot toekenning of weigering van de vergunning of ter aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop het gemeentecollege het in artikel D.IV.33 bedoelde bericht van ontvangst heeft gezonden of, bij gebrek, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om het bericht van ontvangst te zenden :
1° dertig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist, wanneer geen advies van de in artikel D.IV.35 bedoelde diensten of commissies wordt aangevraagd en wanneer het facultatief advies van de gemachtigd ambtenaar niet ingewonnen wordt of het advies van de gemachtigd ambtenaar niet verplicht is;
2° vijfenzeventig dagen wanneer :
a) ofwel de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist;
b) ofwel het advies van diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd;
c) ofwel het facultatieve advies van de gemachtigd ambtenaar wordt aangevraagd of wanneer het advies van de gemachtigd ambtenaar verplicht is;
3° honderd vijftien dagen wanneer het facultatieve advies van de gemachtigd ambtenaar wordt aangevraagd of wanneer het advies van de gemachtigd ambtenaar verplicht is en indien;
a) ofwel de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist;
b) ofwel het advies van diensten of commissies wordt aangevraagd.
De dag waarop het gemeentecollege zijn beslissing aan de aanvrager stuurt, stuurt het ook bedoelde beslissing aan de gemachtigd ambtenaar. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager stuurt het gemeentecollegeeen afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door het gemeentecollege met [2 twintig]2 dagen verlengd worden.
De beslissing tot verlenging wordt volgens het geval binnen dertig, vijfenzeventig of honderd vijftien dagen gezonden aan de aanvrager, aan zijn projectontwerper en aan de gemachtigd ambtenaar.
In het schrijven worden de personen vermeld aan wie de beslissing wordt medegedeeld.
1° dertig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist, wanneer geen advies van de in artikel D.IV.35 bedoelde diensten of commissies wordt aangevraagd en wanneer het facultatief advies van de gemachtigd ambtenaar niet ingewonnen wordt of het advies van de gemachtigd ambtenaar niet verplicht is;
2° vijfenzeventig dagen wanneer :
a) ofwel de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist;
b) ofwel het advies van diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd;
c) ofwel het facultatieve advies van de gemachtigd ambtenaar wordt aangevraagd of wanneer het advies van de gemachtigd ambtenaar verplicht is;
3° honderd vijftien dagen wanneer het facultatieve advies van de gemachtigd ambtenaar wordt aangevraagd of wanneer het advies van de gemachtigd ambtenaar verplicht is en indien;
a) ofwel de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist;
b) ofwel het advies van diensten of commissies wordt aangevraagd.
De dag waarop het gemeentecollege zijn beslissing aan de aanvrager stuurt, stuurt het ook bedoelde beslissing aan de gemachtigd ambtenaar. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager stuurt het gemeentecollegeeen afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door het gemeentecollege met [2 twintig]2 dagen verlengd worden.
De beslissing tot verlenging wordt volgens het geval binnen dertig, vijfenzeventig of honderd vijftien dagen gezonden aan de aanvrager, aan zijn projectontwerper en aan de gemachtigd ambtenaar.
In het schrijven worden de personen vermeld aan wie de beslissing wordt medegedeeld.
Art. D. IV.46.La décision du collège communal octroyant ou refusant le permis ou délivrant le certificat d'urbanisme n° 2 est envoyée au demandeur dans les délais suivants à dater du jour où le collège communal a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception :
1° trente jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité, qu'aucun avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est sollicité et que l'avis facultatif du fonctionnaire délégué n'est pas sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué n'est pas obligatoire;
2° septante-cinq jours lorsque :
a) soit la demande requiert des mesures particulières de publicité;
b) soit l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité;
c) soit l'avis facultatif du fonctionnaire délégué est sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué est obligatoire;
3° cent quinze jours lorsque l'avis facultatif du fonctionnaire délégué est sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué est obligatoire et que :
a) soit la demande requiert des mesures particulières de publicité;
b) soit l'avis de services ou commissions est sollicité.
Le jour où le collège communal envoie sa décision au demandeur, il l'envoie également au fonctionnaire délégué. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, le collège communal envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de [2 vingt]2 jours par le collège communal.
La décision de prorogation est envoyée, selon le cas, dans le délai de trente, septante-cinq ou cent quinze jours au demandeur, à son auteur de projet et au fonctionnaire délégué.
L'envoi mentionne les personnes à qui la décision est notifiée.
1° trente jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité, qu'aucun avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est sollicité et que l'avis facultatif du fonctionnaire délégué n'est pas sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué n'est pas obligatoire;
2° septante-cinq jours lorsque :
a) soit la demande requiert des mesures particulières de publicité;
b) soit l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité;
c) soit l'avis facultatif du fonctionnaire délégué est sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué est obligatoire;
3° cent quinze jours lorsque l'avis facultatif du fonctionnaire délégué est sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué est obligatoire et que :
a) soit la demande requiert des mesures particulières de publicité;
b) soit l'avis de services ou commissions est sollicité.
Le jour où le collège communal envoie sa décision au demandeur, il l'envoie également au fonctionnaire délégué. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, le collège communal envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de [2 vingt]2 jours par le collège communal.
La décision de prorogation est envoyée, selon le cas, dans le délai de trente, septante-cinq ou cent quinze jours au demandeur, à son auteur de projet et au fonctionnaire délégué.
L'envoi mentionne les personnes à qui la décision est notifiée.
Art. D. IV.46_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De beslissing van het gemeentecollege tot toekenning of weigering van de vergunning of ter aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop het gemeentecollege het in artikel D.IV.33 bedoelde [2 bericht van formele volledigheid]2 heeft gezonden of, bij gebrek, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om het [2 bericht van formele volledigheid]2 te zenden :
1° dertig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist, wanneer geen advies van de in artikel D.IV.35 bedoelde diensten of commissies wordt aangevraagd en wanneer het facultatief advies [1 van de Regering]1 niet ingewonnen wordt of het advies van de gemachtigd ambtenaar niet verplicht is;
2° [3 vijfenzeventig dagen wanneer:
a) de aanvraag bijzondere bekendmakingsmaatregelen vereist en/of het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd;
b) of het facultatieve advies van de Regering wordt aangevraagd of het advies van de Regering verplicht is;]3
3° [2 honderdvijftien dagen in de andere gevallen.]2
De dag waarop het gemeentecollege zijn beslissing aan de aanvrager stuurt, stuurt het ook bedoelde beslissing aan [1 de Regering]1. [4 Wanneer het advies van de Regering niet werd ingewonnen, wordt het hele dossier bij de beslissing gevoegd.]4 Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door het gemeentecollege met dertig dagen verlengd worden [2 , mits dat wordt gemotiveerd]2.
De beslissing tot verlenging wordt volgens het geval binnen dertig, vijfenzeventig of honderd vijftien dagen gezonden aan de aanvrager, aan zijn projectontwerper en aan [1 de Regering]1.
In het schrijven worden de personen vermeld aan wie de beslissing wordt medegedeeld.
De beslissing van het gemeentecollege tot toekenning of weigering van de vergunning of ter aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop het gemeentecollege het in artikel D.IV.33 bedoelde [2 bericht van formele volledigheid]2 heeft gezonden of, bij gebrek, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om het [2 bericht van formele volledigheid]2 te zenden :
1° dertig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist, wanneer geen advies van de in artikel D.IV.35 bedoelde diensten of commissies wordt aangevraagd en wanneer het facultatief advies [1 van de Regering]1 niet ingewonnen wordt of het advies van de gemachtigd ambtenaar niet verplicht is;
2° [3 vijfenzeventig dagen wanneer:
a) de aanvraag bijzondere bekendmakingsmaatregelen vereist en/of het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd;
b) of het facultatieve advies van de Regering wordt aangevraagd of het advies van de Regering verplicht is;]3
3° [2 honderdvijftien dagen in de andere gevallen.]2
De dag waarop het gemeentecollege zijn beslissing aan de aanvrager stuurt, stuurt het ook bedoelde beslissing aan [1 de Regering]1. [4 Wanneer het advies van de Regering niet werd ingewonnen, wordt het hele dossier bij de beslissing gevoegd.]4 Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door het gemeentecollege met dertig dagen verlengd worden [2 , mits dat wordt gemotiveerd]2.
De beslissing tot verlenging wordt volgens het geval binnen dertig, vijfenzeventig of honderd vijftien dagen gezonden aan de aanvrager, aan zijn projectontwerper en aan [1 de Regering]1.
In het schrijven worden de personen vermeld aan wie de beslissing wordt medegedeeld.
Art. D. IV.46_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La décision du collège communal octroyant ou refusant le permis ou délivrant le certificat d'urbanisme n° 2 est envoyée au demandeur dans les délais suivants à dater du jour où le collège communal a envoyé [2 l'avis de complétude formelle]2 visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer [2 l'avis de complétude formelle]2 :
1° trente jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité, qu'aucun avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est sollicité et que l'avis facultatif du [1 Gouvernement]1 n'est pas sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué n'est pas obligatoire;
[3 2° septante-cinq jours :
a) lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité et/ou que l'avis des services ou commissions mentionnés à l'article D.IV.35 est sollicité;
b) ou lorsque l'avis facultatif du Gouvernement est sollicité ou que l'avis du Gouvernement est obligatoire;]3
3° [2 cent-quinze jours dans les autres cas.]2
Le jour où le collège communal envoie sa décision au demandeur, il l'envoie également au [1 Gouvernement]1. [4 Si l'avis du Gouvernement n'a pas été sollicité, il est joint à la décision l'ensemble du dossier.]4[4 Le collège communal envoie une copie]4 de la décision à l'auteur de projet.
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de trente jours par le collège communal [2 , moyennant motivation]2.
La décision de prorogation est envoyée, selon le cas, dans le délai de trente, septante-cinq ou cent quinze jours au demandeur, à son auteur de projet et au [1 Gouvernement]1.
L'envoi mentionne les personnes à qui la décision est notifiée.
La décision du collège communal octroyant ou refusant le permis ou délivrant le certificat d'urbanisme n° 2 est envoyée au demandeur dans les délais suivants à dater du jour où le collège communal a envoyé [2 l'avis de complétude formelle]2 visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer [2 l'avis de complétude formelle]2 :
1° trente jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité, qu'aucun avis des services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est sollicité et que l'avis facultatif du [1 Gouvernement]1 n'est pas sollicité ou que l'avis du fonctionnaire délégué n'est pas obligatoire;
[3 2° septante-cinq jours :
a) lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité et/ou que l'avis des services ou commissions mentionnés à l'article D.IV.35 est sollicité;
b) ou lorsque l'avis facultatif du Gouvernement est sollicité ou que l'avis du Gouvernement est obligatoire;]3
3° [2 cent-quinze jours dans les autres cas.]2
Le jour où le collège communal envoie sa décision au demandeur, il l'envoie également au [1 Gouvernement]1. [4 Si l'avis du Gouvernement n'a pas été sollicité, il est joint à la décision l'ensemble du dossier.]4[4 Le collège communal envoie une copie]4 de la décision à l'auteur de projet.
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de trente jours par le collège communal [2 , moyennant motivation]2.
La décision de prorogation est envoyée, selon le cas, dans le délai de trente, septante-cinq ou cent quinze jours au demandeur, à son auteur de projet et au [1 Gouvernement]1.
L'envoi mentionne les personnes à qui la décision est notifiée.
Art. D. IV.47.§ 1. [2 Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de in de artikelen D.IV.46, D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, of D.IV.91, derde lid termijnen heeft verzonden en indien hij het advies van de gemachtigd ambtenaar niet heeft aangevraagd of de gemachtigd ambtenaar een advies heeft uitgebracht, wordt de aanvraag bij de gemachtigd ambtenaar aanhangig gemaakt]2.
De gemachtigd ambtenaar stuurt zijn beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege binnen veertig dagen te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper. Die termijn wordt met [2 dertig]2 dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden. De gemachtigd ambtenaar stuurt binnen de termijn van veertig dagen de beslissing tot verlenging tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. Hij zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
Bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de voorgeschreven termijn wordt vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Indien het gemeentecollege zijn beslissing binnen de in de artikelen D.IV.46, D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, [2 of D.IV.91, derde lid,]2 bedoelde termijnen niet heeft verzonden en indien de gemachtigd ambtenaar zijn verplichte of facultatieve advies binnen de in artikel D.IV.39, § 1, bedoelde termijn niet heeft verzonden, wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 4.Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager heeft gezonden, moet het hem het bedrag terugbetalen, dat het als dossierkosten inde.
[2 § 5. In de in lid 1 bedoelde gevallen, zendt de gemachtigd ambtenaar, op hetzelfde moment dat de beslissing naar de aanvrager wordt gestuurd, een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project die het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]2
De gemachtigd ambtenaar stuurt zijn beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege binnen veertig dagen te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper. Die termijn wordt met [2 dertig]2 dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden. De gemachtigd ambtenaar stuurt binnen de termijn van veertig dagen de beslissing tot verlenging tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. Hij zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
Bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de voorgeschreven termijn wordt vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Indien het gemeentecollege zijn beslissing binnen de in de artikelen D.IV.46, D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, [2 of D.IV.91, derde lid,]2 bedoelde termijnen niet heeft verzonden en indien de gemachtigd ambtenaar zijn verplichte of facultatieve advies binnen de in artikel D.IV.39, § 1, bedoelde termijn niet heeft verzonden, wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 4.Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager heeft gezonden, moet het hem het bedrag terugbetalen, dat het als dossierkosten inde.
[2 § 5. In de in lid 1 bedoelde gevallen, zendt de gemachtigd ambtenaar, op hetzelfde moment dat de beslissing naar de aanvrager wordt gestuurd, een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project die het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]2
Art. D. IV.47.§ 1er. [2 Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, ou D.IV.91, alinéa 3, et que, soit il n'a pas sollicité l'avis du fonctionnaire délégué, soit le fonctionnaire délégué a remis un avis, le fonctionnaire délégué est saisi de la demande]2.
Le fonctionnaire délégué envoie sa décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les [2 trente]2 jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet. Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité doivent être effectuées ou si des avis doivent être sollicités. Le fonctionnaire délégué envoie la décision de prorogation dans le délai de quarante jours simultanément au demandeur et au collège communal. Il envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
A défaut de l'envoi de la décision du fonctionnaire délégué au demandeur dans le délai imparti, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, [2 ou D.IV.91, alinéa 3,]2 et que le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé son avis obligatoire ou facultatif dans le délai visé à l'article D.IV.39, § 1er, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande.
§ 4. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai imparti, il lui restitue le montant perçu au titre de frais de dossier.
[2 § 5. Dans les hypothèses visées au paragraphe 1er, simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]2
Le fonctionnaire délégué envoie sa décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les [2 trente]2 jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet. Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité doivent être effectuées ou si des avis doivent être sollicités. Le fonctionnaire délégué envoie la décision de prorogation dans le délai de quarante jours simultanément au demandeur et au collège communal. Il envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
A défaut de l'envoi de la décision du fonctionnaire délégué au demandeur dans le délai imparti, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, [2 ou D.IV.91, alinéa 3,]2 et que le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé son avis obligatoire ou facultatif dans le délai visé à l'article D.IV.39, § 1er, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande.
§ 4. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai imparti, il lui restitue le montant perçu au titre de frais de dossier.
[2 § 5. Dans les hypothèses visées au paragraphe 1er, simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]2
Art. D. IV.47_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [3 Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de termijn vermeld in artikel D.IV.46, artikel D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, of artikel D.IV.91, derde lid, aan de aanvrager heeft verzonden, wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt. Uiterlijk de dag na het verstrijken van de in die artikelen vermelde termijn licht het gemeentecollege de Regering erover in dat geen beslissing is genomen en zendt het gemeentecollege haar het hele dossier. Het gemeentecollege zendt een afschrift van het schrijven aan de projectontwerper]3.
De [1 Regering]1 stuurt zijn beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege binnen veertig dagen te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper. Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden. De [1 Regering]1 stuurt binnen de termijn van veertig dagen de beslissing tot verlenging tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. [1 Zij]1 zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
Bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de voorgeschreven termijn wordt vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 2. [3 Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de termijnen vermeld in artikel D.IV.46, artikel D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, aan de aanvrager heeft verzonden, geldt het beslissingsvoorstel opgenomen in het uitdrukkelijk advies van de Regering als beslissing. Uiterlijk de dag na het verstrijken van de in die artikelen vermelde termijn licht het gemeentecollege de Regering erover in dat geen beslissing is genomen. De Regering zendt het als beslissing geldende beslissingsvoorstel tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege, binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
Als de vergunning overeenkomstig het beslissingsvoorstel als geweigerd wordt beschouwd en als de beslissing van de Regering niet binnen de gestelde termijn aan de aanvrager wordt verzonden, dan wordt de aanvraag aanhangig gemaakt bij de Regering, die optreedt als beroepsinstantie]3.
§ 3. Indien het gemeentecollege zijn beslissing binnen de in de artikelen D.IV.46, D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, bedoelde termijnen niet heeft verzonden en indien [1 de Regering haar]1 verplichte of facultatieve advies binnen de in artikel D.IV.39, § 1, bedoelde termijn niet heeft verzonden, wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag [1 aanhangig gemaakt bij de Regering die optreedt als beroepsinstantie]1.
§ 4.Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager heeft gezonden, moet het hem het bedrag terugbetalen, dat het als dossierkosten inde.
§ 1. [3 Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de termijn vermeld in artikel D.IV.46, artikel D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, of artikel D.IV.91, derde lid, aan de aanvrager heeft verzonden, wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt. Uiterlijk de dag na het verstrijken van de in die artikelen vermelde termijn licht het gemeentecollege de Regering erover in dat geen beslissing is genomen en zendt het gemeentecollege haar het hele dossier. Het gemeentecollege zendt een afschrift van het schrijven aan de projectontwerper]3.
De [1 Regering]1 stuurt zijn beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege binnen veertig dagen te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. Het zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper. Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden. De [1 Regering]1 stuurt binnen de termijn van veertig dagen de beslissing tot verlenging tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. [1 Zij]1 zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
Bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de voorgeschreven termijn wordt vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag bij de Regering aanhangig gemaakt.
§ 2. [3 Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de termijnen vermeld in artikel D.IV.46, artikel D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, aan de aanvrager heeft verzonden, geldt het beslissingsvoorstel opgenomen in het uitdrukkelijk advies van de Regering als beslissing. Uiterlijk de dag na het verstrijken van de in die artikelen vermelde termijn licht het gemeentecollege de Regering erover in dat geen beslissing is genomen. De Regering zendt het als beslissing geldende beslissingsvoorstel tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege, binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover het gemeentecollege beschikt om zijn beslissing te zenden. De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
Als de vergunning overeenkomstig het beslissingsvoorstel als geweigerd wordt beschouwd en als de beslissing van de Regering niet binnen de gestelde termijn aan de aanvrager wordt verzonden, dan wordt de aanvraag aanhangig gemaakt bij de Regering, die optreedt als beroepsinstantie]3.
§ 3. Indien het gemeentecollege zijn beslissing binnen de in de artikelen D.IV.46, D.IV.62, § 3, tweede lid, en § 4, vierde lid, bedoelde termijnen niet heeft verzonden en indien [1 de Regering haar]1 verplichte of facultatieve advies binnen de in artikel D.IV.39, § 1, bedoelde termijn niet heeft verzonden, wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht en wordt de aanvraag [1 aanhangig gemaakt bij de Regering die optreedt als beroepsinstantie]1.
§ 4.Indien het gemeentecollege zijn beslissing niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager heeft gezonden, moet het hem het bedrag terugbetalen, dat het als dossierkosten inde.
Art. D. IV.47_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [3 Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, ou D.IV.91, alinéa 3, le Gouvernement est saisi de la demande. Au plus tard le jour suivant l'expiration des délais visés aux articles susmentionnés, le collège communal informe le Gouvernement qu'aucune décision n'a été prise et lui envoie l'ensemble du dossier. Le collège communal envoie une copie du courrier à l'auteur de projet.]3
Le [1 Gouvernement]1 envoie sa décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les quarante jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet. Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité doivent être effectuées ou si des avis doivent être sollicités. Le [1 Gouvernement]1 envoie la décision de prorogation dans le délai de quarante jours simultanément au demandeur et au collège communal. Il envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
A défaut de l'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1 au demandeur dans le délai imparti, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande [1 en tant qu'instance de recours]1.
§ 2. [3 Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, la proposition de décision contenue dans l'avis exprès du Gouvernement vaut décision. Au plus tard le jour suivant l'expiration des délais visés aux articles susmentionnés, le collège communal informe le Gouvernement qu'aucune décision n'a été prise. Le Gouvernement envoie la proposition de décision valant décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les trente jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Le Gouvernement envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
Si le permis est réputé refusé conformément à la proposition de décision et si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti, le Gouvernement est saisi de la demande en tant qu'instance de recours.]3
§ 3. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, et que le [1 Gouvernement]1 n'a pas envoyé son avis obligatoire ou facultatif dans le délai visé à l'article D.IV.39, § 1er, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande [1 en tant qu'instance de recours]1.
§ 4. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai imparti, il lui restitue le montant perçu au titre de frais de dossier.
§ 1er. [3 Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, ou D.IV.91, alinéa 3, le Gouvernement est saisi de la demande. Au plus tard le jour suivant l'expiration des délais visés aux articles susmentionnés, le collège communal informe le Gouvernement qu'aucune décision n'a été prise et lui envoie l'ensemble du dossier. Le collège communal envoie une copie du courrier à l'auteur de projet.]3
Le [1 Gouvernement]1 envoie sa décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les quarante jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Il envoie une copie de la décision à l'auteur de projet. Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité doivent être effectuées ou si des avis doivent être sollicités. Le [1 Gouvernement]1 envoie la décision de prorogation dans le délai de quarante jours simultanément au demandeur et au collège communal. Il envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
A défaut de l'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1 au demandeur dans le délai imparti, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande [1 en tant qu'instance de recours]1.
§ 2. [3 Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, la proposition de décision contenue dans l'avis exprès du Gouvernement vaut décision. Au plus tard le jour suivant l'expiration des délais visés aux articles susmentionnés, le collège communal informe le Gouvernement qu'aucune décision n'a été prise. Le Gouvernement envoie la proposition de décision valant décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les trente jours à dater du jour suivant le terme du délai imparti au collège communal pour envoyer sa décision. Le Gouvernement envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
Si le permis est réputé refusé conformément à la proposition de décision et si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti, le Gouvernement est saisi de la demande en tant qu'instance de recours.]3
§ 3. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision dans les délais visés aux articles D.IV.46, D.IV.62, § 3, alinéa 2, et § 4, alinéa 4, et que le [1 Gouvernement]1 n'a pas envoyé son avis obligatoire ou facultatif dans le délai visé à l'article D.IV.39, § 1er, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable et le Gouvernement est saisi de la demande [1 en tant qu'instance de recours]1.
§ 4. Lorsque le collège communal n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai imparti, il lui restitue le montant perçu au titre de frais de dossier.
Onderafdeling 2. - Beslissing van de gemachtigd ambtenaar of van de Regering
Sous-section 2. - Décision du fonctionnaire délégué ou du Gouvernement
Onderafdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Beslissing van de Regering]1
Sous-section 2_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Décision [1 ...]1 ou du Gouvernement
Art. D. IV.48.De beslissing van de gemachtigd ambtenaar tot toekenning of weigering van de vergunning of ter aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt tegelijkertijd gezonden aan het gemeentecollege en aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop de gemachtigd ambtenaar het in artikel D.IV.33 bedoelde bericht van ontvangst heeft gezonden of, bij gebrek, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om het bericht van ontvangst te zenden :
1° zestig dagen wanneer de handelingen en de werken een beperkte impact hebben en wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
2° [3 vijfenzeventig]3 dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
3° [3 honderdvijftien]3 dagen wanneer de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist of als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd.
De gemachtigd ambtenaar zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[3 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager en het gemeentecollege, stuurt de gemachtigd ambtenaar een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project die het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]3
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager en het gemeentecollege, stuurt de gemachtigd ambtenaar een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door de gemachtigd ambtenaar met dertig dagen verlengd worden. De gemachtigd ambtenaar stuurt zijn beslissing, volgens het geval, binnen de termijn van zestig, [3 vijfenzeventig of honderdvijftien]3 dagen, aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. De gemachtigd ambtenaar zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
[2 In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd, binnen dertig dagen na de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor het verzenden van de ontvangstbevestiging, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden. of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor de verzending van de ontvangstbevestiging.
In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar tot toekenning of weigering van de vergunning binnen een termijn van negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij ontstentenis daarvan, de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarbinnen hij de ontvangstbevestiging diende te verzenden, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden.
De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op een aanvraag voor een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW die betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek.]2
1° zestig dagen wanneer de handelingen en de werken een beperkte impact hebben en wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
2° [3 vijfenzeventig]3 dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
3° [3 honderdvijftien]3 dagen wanneer de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist of als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd.
De gemachtigd ambtenaar zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[3 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager en het gemeentecollege, stuurt de gemachtigd ambtenaar een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project die het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]3
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager en het gemeentecollege, stuurt de gemachtigd ambtenaar een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
De in het eerste lid bedoelde termijnen kunnen door de gemachtigd ambtenaar met dertig dagen verlengd worden. De gemachtigd ambtenaar stuurt zijn beslissing, volgens het geval, binnen de termijn van zestig, [3 vijfenzeventig of honderdvijftien]3 dagen, aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. De gemachtigd ambtenaar zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.
[2 In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een installatie van zonne-energieapparatuur met een vermogen van minder dan of gelijk aan 15 kW of een niet-geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd, binnen dertig dagen na de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor het verzenden van de ontvangstbevestiging, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden. of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag na het verstrijken van de termijn voor de verzending van de ontvangstbevestiging.
In afwijking van de leden 1 en 4 wordt, voor een vergunning die uitsluitend betrekking heeft op een geothermische warmtepompinstallatie van minder dan 50 MW, het besluit van de gemachtigd ambtenaar tot toekenning of weigering van de vergunning binnen een termijn van negentig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de gemachtigd ambtenaar de in artikel D.IV.33 bedoelde ontvangstbevestiging heeft verzonden of, bij ontstentenis daarvan, de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarbinnen hij de ontvangstbevestiging diende te verzenden, gelijktijdig aan het gemeentecollege en aan de aanvrager toegezonden.
De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op een aanvraag voor een niet-geothermische warmtepomp van minder dan 50 MW die betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, opgenomen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed of gelegen in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek.]2
Art. D. IV.48.La décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis ou délivrant le certificat d'urbanisme n° 2 est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les délais suivants à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33, ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception :
1° soixante jours lorsque les actes et travaux sont d'impact limité et que la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
2° [3 septante-cinq]3 jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
3° [3 cent quinze]3 jours lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité ou lorsque l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité.
Le fonctionnaire délégué envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur et au collège communal, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
[3 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur et au collège communal, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine;]3
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de [3 vingt]3 jours par le fonctionnaire délégué. Le fonctionnaire délégué envoie sa décision de prorogation, selon le cas, dans le délai de soixante, [3 septante-cinq ou cent-quinze]3 jours au demandeur et au collège communal. Le fonctionnaire délégué envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
[2 Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les trente jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation de pompe à chaleur géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les nonante jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Les alinéas 5 et 6 ne sont pas applicables lorsque la demande concerne une pompe à chaleur sur un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine.]2
1° soixante jours lorsque les actes et travaux sont d'impact limité et que la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
2° [3 septante-cinq]3 jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
3° [3 cent quinze]3 jours lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité ou lorsque l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité.
Le fonctionnaire délégué envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur et au collège communal, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
[3 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur et au collège communal, le fonctionnaire délégué envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine;]3
Les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés de [3 vingt]3 jours par le fonctionnaire délégué. Le fonctionnaire délégué envoie sa décision de prorogation, selon le cas, dans le délai de soixante, [3 septante-cinq ou cent-quinze]3 jours au demandeur et au collège communal. Le fonctionnaire délégué envoie une copie de la décision de prorogation à l'auteur de projet.
[2 Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW ou une installation de pompe à chaleur non géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les trente jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Par dérogation aux alinéas 1er et 4, pour le permis qui concerne exclusivement une installation de pompe à chaleur géothermique de moins de 50 MW, la décision du fonctionnaire délégué octroyant ou refusant le permis est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les nonante jours à dater du jour où le fonctionnaire délégué a envoyé l'accusé de réception visé à l'article D.IV.33 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'accusé de réception.
Les alinéas 5 et 6 ne sont pas applicables lorsque la demande concerne une pompe à chaleur sur un bien classé ou assimilé, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ou situé dans une zone de protection au sens du Code wallon du Patrimoine.]2
Art. D. IV.48_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 De beslissing van de Regering tot toekenning of weigering van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt tegelijkertijd aan het gemeentecollege en, voor zover de gemeente niet zelf de aanvrager is, aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop de Regering het in artikel D.IV.33 bedoelde bericht van formele volledigheid heeft gezonden of, bij gebrek daaraan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover zij beschikte om het bericht van formele volledigheid te zenden:]2
1° zestig dagen wanneer de handelingen en de werken een beperkte impact hebben [2 of wanneer de aanvraag betrekking heeft op een opsplitsingsvergunning]2 en wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
2° negentig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
3° honderd dertig dagen wanneer de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist of als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd.
De [1 Regering]1 zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[2 De Regering kan de termijnen vermeld in het eerste lid met dertig dagen verlengen, mits dat wordt gemotiveerd. De Regering stuurt haar beslissing, naargelang van het geval, binnen de termijn van zestig, negentig of honderddertig dagen, aan de aanvrager en, voor zover de gemeente niet zelf de aanvrager is, aan het gemeentecollege. De Regering zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.]2
[2 De beslissing van de Regering tot toekenning of weigering van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt tegelijkertijd aan het gemeentecollege en, voor zover de gemeente niet zelf de aanvrager is, aan de aanvrager gezonden binnen de volgende termijnen te rekenen van de dag waarop de Regering het in artikel D.IV.33 bedoelde bericht van formele volledigheid heeft gezonden of, bij gebrek daaraan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover zij beschikte om het bericht van formele volledigheid te zenden:]2
1° zestig dagen wanneer de handelingen en de werken een beperkte impact hebben [2 of wanneer de aanvraag betrekking heeft op een opsplitsingsvergunning]2 en wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
2° negentig dagen wanneer de aanvraag geen bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist en als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 niet wordt aangevraagd;
3° honderd dertig dagen wanneer de aanvraag bijzondere bekendmakingmaatregelen vereist of als het advies van de diensten of commissies bedoeld in artikel D.IV.35 wordt aangevraagd.
De [1 Regering]1 zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
[2 De Regering kan de termijnen vermeld in het eerste lid met dertig dagen verlengen, mits dat wordt gemotiveerd. De Regering stuurt haar beslissing, naargelang van het geval, binnen de termijn van zestig, negentig of honderddertig dagen, aan de aanvrager en, voor zover de gemeente niet zelf de aanvrager is, aan het gemeentecollege. De Regering zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.]2
Art. D. IV.48_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 La décision du Gouvernement octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur, dans la mesure où la commune n'est pas à l'initiative de la demande, dans les délais suivants à dater du jour où le Gouvernement a envoyé l'avis de complétude formelle mentionné à l'article D.IV.33, ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'avis :]2
1° soixante jours lorsque les actes et travaux sont d'impact limité [2 ...]2 [2 ou lorsque la demande porte sur un permis de diviser et]2 ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
2° nonante jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
3° cent trente jours lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité ou lorsque l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité.
Le [1 Gouvernement]1 envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[2 Moyennant motivation, les délais mentionnés à l'alinéa 1er peuvent être prolongés de trente jours par le Gouvernement. Le Gouvernement envoie sa décision de prorogation, selon le cas, dans le délai de soixante, nonante ou cent-trente jours au demandeur et au collège communal, dans la mesure où la commune n'est pas à l'initiative de la demande. Le Gouvernement envoie une copie de la décision portant prolongation à l'auteur de projet.]2
[2 La décision du Gouvernement octroyant ou refusant le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur, dans la mesure où la commune n'est pas à l'initiative de la demande, dans les délais suivants à dater du jour où le Gouvernement a envoyé l'avis de complétude formelle mentionné à l'article D.IV.33, ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'avis :]2
1° soixante jours lorsque les actes et travaux sont d'impact limité [2 ...]2 [2 ou lorsque la demande porte sur un permis de diviser et]2 ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
2° nonante jours lorsque la demande ne requiert pas de mesures particulières de publicité et que l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 n'est pas sollicité;
3° cent trente jours lorsque la demande requiert des mesures particulières de publicité ou lorsque l'avis de services ou commissions visés à l'article D.IV.35 est sollicité.
Le [1 Gouvernement]1 envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
[2 Moyennant motivation, les délais mentionnés à l'alinéa 1er peuvent être prolongés de trente jours par le Gouvernement. Le Gouvernement envoie sa décision de prorogation, selon le cas, dans le délai de soixante, nonante ou cent-trente jours au demandeur et au collège communal, dans la mesure où la commune n'est pas à l'initiative de la demande. Le Gouvernement envoie une copie de la décision portant prolongation à l'auteur de projet.]2
Art. D. IV.49.[1 § 1.]1 Bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar aan de aanvrager binnen de in artikel D.IV.48 bedoelde termijn wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht.
In dat geval moet de overheid de aanvrager het bedrag terugbetalen, dat zij als dossiers kosten inde.
[1 § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de vergunning voor vergunningsaanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een capaciteit van 15 kW of minder geacht te zijn verleend wanneer de gemachtigd ambtenaar zijn besluit niet binnen de in artikel D.IV.48, lid 5, bedoelde termijn aan de aanvrager heeft toegezonden en op voorwaarde dat de capaciteit van de zonne-energie-installatie de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijdt.]1
In dat geval moet de overheid de aanvrager het bedrag terugbetalen, dat zij als dossiers kosten inde.
[1 § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de vergunning voor vergunningsaanvragen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van zonne-energie-installaties met een capaciteit van 15 kW of minder geacht te zijn verleend wanneer de gemachtigd ambtenaar zijn besluit niet binnen de in artikel D.IV.48, lid 5, bedoelde termijn aan de aanvrager heeft toegezonden en op voorwaarde dat de capaciteit van de zonne-energie-installatie de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijdt.]1
Art. D. IV.49.[1 § 1.]1 A défaut de l'envoi de la décision du fonctionnaire délégué au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est défavorable.
Dans cette hypothèse, l'autorité restitue au demandeur le montant perçu au titre de frais de dossier.
[1 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les demandes de permis portant exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW, le permis est réputé octroyé lorsque le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, alinéa 5, et à condition que la capacité de l'équipement d'énergie solaire ne dépasse pas la capacité existante de raccordement au réseau de distribution.]1
Dans cette hypothèse, l'autorité restitue au demandeur le montant perçu au titre de frais de dossier.
[1 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, pour les demandes de permis portant exclusivement sur une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW, le permis est réputé octroyé lorsque le fonctionnaire délégué n'a pas envoyé sa décision au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, alinéa 5, et à condition que la capacité de l'équipement d'énergie solaire ne dépasse pas la capacité existante de raccordement au réseau de distribution.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.49_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Bij gebrek aan zending van de beslissing [1 van de Regering]1 aan de aanvrager binnen de in artikel D.IV.48 bedoelde termijn wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht.
In dat geval moet de overheid de aanvrager het bedrag terugbetalen, dat zij als dossiers kosten inde.
Bij gebrek aan zending van de beslissing [1 van de Regering]1 aan de aanvrager binnen de in artikel D.IV.48 bedoelde termijn wordt de vergunning geweigerd geacht of wordt het stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht.
In dat geval moet de overheid de aanvrager het bedrag terugbetalen, dat zij als dossiers kosten inde.
Art. D. IV.49_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
A défaut de l'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1 au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est défavorable.
Dans cette hypothèse, l'autorité restitue au demandeur le montant perçu au titre de frais de dossier.
A défaut de l'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1 au demandeur dans le délai visé à l'article D.IV.48, le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est défavorable.
Dans cette hypothèse, l'autorité restitue au demandeur le montant perçu au titre de frais de dossier.
Wijzigingen
Art. D. IV.50.Voor de in artikel D.IV.25 bedoelde vergunningsaanvragen wordt de vergunning binnen zestig dagen na ontvangst van het door de gemachtigd ambtenaar behandelde dossier door de Regering toegekend of verworpen. Zoniet wordt de vergunning verworpen geacht. De Regering zendt de in artikel D.IV.25 bedoelde vergunning aan de aanvrager, aan het gemeentecollege en aan de gemachtigd ambtenaar of deelt hen mee dat de vergunning bij gebrek aan beslissing geacht wordt verworpen te zijn.
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager, het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar stuurt de Regering een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
[1 Tegelijk met het versturen van zijn beslissing naar de aanvrager, het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar stuurt de Regering een afschrift van zijn beslissing naar de erfgoedadministratie:
1° wanneer de vergunning betrekking heeft op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.IV.35;
4° wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een zending van de ontvangstbevestiging of de beslissing over de volledigheid van de vergunningsaanvraag naar de erfgoedadministratie krachtens artikel D.67, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
Art. D. IV.50.Pour les demandes de permis visées à l'article D.IV.25, le Gouvernement octroie ou refuse le permis dans les soixante jours de la réception du dossier instruit par le fonctionnaire délégué. A défaut, le permis est réputé refusé. Le Gouvernement envoie le permis visé à l'article D.IV.25 au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué ou les avise qu'à défaut de décision, le permis est réputé refusé.
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué, le Gouvernement envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
[1 Simultanément à l'envoi de sa décision au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué, le Gouvernement envoie à l'Administration du Patrimoine une copie de sa décision :
1° lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code;
2° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis de l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.IV.35;
4° lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un envoi de l'accusé de réception ou de la décision sur le caractère complet de la demande de permis à l'Administration du Patrimoine en vertu de l'article D.67, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.50_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. IV.50_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. D. IV.51.Wanneer de Regering het advies inwint van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening of van de diensten of commissies waarvan zij het advies nuttig acht, wordt de in artikel D.IV.50 bedoelde termijn met dertig dagen verlengd.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
Art. D. IV.51.Lorsque le Gouvernement sollicite l'avis du Pôle "Aménagement du territoire" ou des services ou commissions qu'il juge utile de consulter, le délai visé à l'article D.IV.50 est prorogé de trente jours.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.51_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. IV.51_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Onderafdeling 3. - Aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 1
Sous-section 3. - Délivrance du certificat d'urbanisme n° 1
Art. D. IV.52. Het stedenbouwkundig attest nr. 1 wordt binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag verstrekt.
Art. D. IV.52. Le certificat d'urbanisme n° 1 est délivré dans les trente jours de la réception de sa demande.
Afdeling 2. - Inhoud van de beslissing
Section 2. - Contenu de la décision
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. D. IV.53.Op grond van een gepaste motivering kan de vergunning geweigerd worden, met of zonder voorwaarden, met of zonder stedenbouwkundige lasten afgeleverd worden of afwijkingen of verschillen toestaan, bepaald in dit Wetboek.
De voorwaarden zijn nodig voor ofwel de integratie van het project in de bebouwde en onbebouwde omgeving, ofwel voor de haalbaarheid van het project, namelijk zijn uitvoering en zijn exploitatie.
Naast de verenigbaarheid met de inhoud van het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, van de ontwikkelingsplannen, de bebouwingsvergunningen en de leidraden, wordt de vergunning of de weigering van de vergunning op plaatselijke stedenbouwkundige kenmerken gegrond en kan ze met name op de motieven en voorwaarden bedoeld in deze afdeling gegrond worden.
[1 Wanneer de vergunning betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek of wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek, neemt de vergunning de conclusies van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies integraal over en beantwoordt ze aan de inhoud van die vergunning of dat advies [2 , met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder]2.
De uitvoering van de vergunning wordt onderworpen aan de uitvoering van archeologische verrichtingen overeenkomstig de artikelen D.66, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
De voorwaarden zijn nodig voor ofwel de integratie van het project in de bebouwde en onbebouwde omgeving, ofwel voor de haalbaarheid van het project, namelijk zijn uitvoering en zijn exploitatie.
Naast de verenigbaarheid met de inhoud van het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, van de ontwikkelingsplannen, de bebouwingsvergunningen en de leidraden, wordt de vergunning of de weigering van de vergunning op plaatselijke stedenbouwkundige kenmerken gegrond en kan ze met name op de motieven en voorwaarden bedoeld in deze afdeling gegrond worden.
[1 Wanneer de vergunning betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van hetzelfde Wetboek of wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek, neemt de vergunning de conclusies van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies integraal over en beantwoordt ze aan de inhoud van die vergunning of dat advies [2 , met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder]2.
De uitvoering van de vergunning wordt onderworpen aan de uitvoering van archeologische verrichtingen overeenkomstig de artikelen D.66, § 1, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
Art. D. IV.53.Sur la base d'une motivation adéquate, le permis peut être refusé, délivré avec ou sans conditions, avec ou sans charges d'urbanisme ou consentir des dérogations ou des écarts prévus au présent Code.
Les conditions sont nécessaires soit à l'intégration du projet à l'environnement bâti et non bâti, soit à la faisabilité du projet, c'est-à-dire à sa mise en oeuvre et à son exploitation.
Outre la compatibilité avec le contenu du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, des schémas, permis d'urbanisation et guides, le permis ou le refus de permis est fondé sur les circonstances urbanistiques locales et peut être fondé notamment sur les motifs et conditions mentionnés dans la présente section.
[1 Lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code ou lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du même Code, le permis reproduit intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéo- logique préalable et est conforme au contenu de cette autorisation ou de cet avis [2 , à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW]2.
La mise en oeuvre d'un permis est subordonnée à la réalisation d'opérations archéologiques dans les hypothèses visées à l'article D.66, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
Les conditions sont nécessaires soit à l'intégration du projet à l'environnement bâti et non bâti, soit à la faisabilité du projet, c'est-à-dire à sa mise en oeuvre et à son exploitation.
Outre la compatibilité avec le contenu du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, des schémas, permis d'urbanisation et guides, le permis ou le refus de permis est fondé sur les circonstances urbanistiques locales et peut être fondé notamment sur les motifs et conditions mentionnés dans la présente section.
[1 Lorsque le permis porte sur un bien classé ou assimilé, au sens du Code wallon du Patrimoine, qui a fait l'objet d'une autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du même Code ou lorsque le permis porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du même Code, le permis reproduit intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéo- logique préalable et est conforme au contenu de cette autorisation ou de cet avis [2 , à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW]2.
La mise en oeuvre d'un permis est subordonnée à la réalisation d'opérations archéologiques dans les hypothèses visées à l'article D.66, § 1er, du Code wallon du Patrimoine.]1
Art. D _IV.53.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Op grond van een gepaste motivering kan de vergunning geweigerd worden, met of zonder voorwaarden, met of zonder stedenbouwkundige lasten afgeleverd worden of afwijkingen of verschillen toestaan, bepaald in dit Wetboek.
De voorwaarden zijn nodig voor ofwel de integratie van het project in de bebouwde en onbebouwde omgeving, ofwel voor de haalbaarheid van het project, namelijk zijn uitvoering en zijn exploitatie.
Naast de verenigbaarheid met de inhoud van het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, van de ontwikkelingsplannen, de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]1 en de leidraden, wordt de vergunning of de weigering van de vergunning op plaatselijke stedenbouwkundige kenmerken gegrond en kan ze met name op de motieven en voorwaarden bedoeld in deze afdeling gegrond worden.
Op grond van een gepaste motivering kan de vergunning geweigerd worden, met of zonder voorwaarden, met of zonder stedenbouwkundige lasten afgeleverd worden of afwijkingen of verschillen toestaan, bepaald in dit Wetboek.
De voorwaarden zijn nodig voor ofwel de integratie van het project in de bebouwde en onbebouwde omgeving, ofwel voor de haalbaarheid van het project, namelijk zijn uitvoering en zijn exploitatie.
Naast de verenigbaarheid met de inhoud van het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, van de ontwikkelingsplannen, de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]1 en de leidraden, wordt de vergunning of de weigering van de vergunning op plaatselijke stedenbouwkundige kenmerken gegrond en kan ze met name op de motieven en voorwaarden bedoeld in deze afdeling gegrond worden.
Art. D _IV.53.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sur la base d'une motivation adéquate, le permis peut être refusé, délivré avec ou sans conditions, avec ou sans charges d'urbanisme ou consentir des dérogations ou des écarts prévus au présent Code.
Les conditions sont nécessaires soit à l'intégration du projet à l'environnement bâti et non bâti, soit à la faisabilité du projet, c'est-à-dire à sa mise en oeuvre et à son exploitation.
Outre la compatibilité avec le contenu du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, des schémas, [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 et guides, le permis ou le refus de permis est fondé sur les circonstances urbanistiques locales et peut être fondé notamment sur les motifs et conditions mentionnés dans la présente section.
Sur la base d'une motivation adéquate, le permis peut être refusé, délivré avec ou sans conditions, avec ou sans charges d'urbanisme ou consentir des dérogations ou des écarts prévus au présent Code.
Les conditions sont nécessaires soit à l'intégration du projet à l'environnement bâti et non bâti, soit à la faisabilité du projet, c'est-à-dire à sa mise en oeuvre et à son exploitation.
Outre la compatibilité avec le contenu du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, des schémas, [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 et guides, le permis ou le refus de permis est fondé sur les circonstances urbanistiques locales et peut être fondé notamment sur les motifs et conditions mentionnés dans la présente section.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundige lasten
Sous-section 2. - Charges d'urbanisme
Art. D. IV.54.Naast de voorwaarden nodig voor de haalbaarheid of de integratie van het ontwerp kan de bevoegde overheid het verstrekken van de vergunningen ondergeschikt maken aan de lasten die ze nuttig acht, de aanvrager op te leggen, mits inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. D. IV.54.Outre les conditions nécessaires à la faisabilité ou à l'intégration du projet, l'autorité compétente peut subordonner la délivrance des permis aux charges qu'elle juge utile d'imposer au demandeur dans le respect du principe de proportionnalité.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.54_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 § 1.]2 Naast de voorwaarden nodig voor de haalbaarheid of de integratie van het ontwerp kan de bevoegde overheid het verstrekken van de vergunningen ondergeschikt maken aan de lasten die ze nuttig acht, de aanvrager op te leggen, mits inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
De stedenbouwkundige lasten bestaan in handelingen en werken die de aanvrager worden opgelegd, met uitzondering van elke contante bijdrage, om de impact die het project heeft op de gemeenschap op gemeentelijk niveau heeft, te compenseren. De positieve impacten van het project op de gemeenschap, namelijk zijn bijdrage tot het inspelen op een behoefte van algemeen belang, worden in aanmerking genomen om, in voorkomend geval, de negatieve impacten ongedaan te maken.
De lasten worden overgenomen door de aanvrager en dekken de aanleg of de hernieuwing van wegen, openbare groengebieden, de uitvoering of de renovatie van bouwwerken of openbare of gemeenschappelijke voorzieningen en alle milieuvriendelijke maatregelen, met inbegrip van verscheidene ondergrondse leidingen en kabels, evenals elke maatregel voor het leefmilieu.
Bovendien kan de bevoegde overheid, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich er, zodra de werken zijn aangevat, toe verbindt de eigendom van wegen, openbare ruimtes, bouwwerken of goederen waar dergelijke bouwwerken of voorzieningen opgericht kunnen worden, vrij van alle lasten en kosteloos aan de gemeente of aan [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 af te staan.
De Regering kan de aard van de stedenbouwkundige lasten, de toepassingsmodaliteiten voor die lasten en het evenredigheidsbeginsel bepalen.
[2 § 2 - Als een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken wordt toegekend aan een persoon die geen openbare huisvestingsmaatschappij is en daarmee de oprichting van nieuwe wooneenheden wordt vergund, kan de bevoegde overheid de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van de volgende lasten :
1° één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, via schriftelijke overeenkomst en voor een periode van minstens negen jaar ter beschikking stellen van de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is;
2° of één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, tegen een bepaalde prijs verkopen aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is of gratis aan die huisvestingsmaatschappij afstaan;
3° of één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, tegen een bepaalde prijs verkopen aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen van wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de lasten, waaronder, in voorkomend geval :
1° de verdeelsleutel van de opgelegde lasten, waaronder het aantal wooneenheden;
2° de nadere regels voor de prijsberekening;
3° de nadere regels voor de terbeschikkingstelling of de verkoop van de wooneenheden;
4° de nadere regels om te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
Bij het toekennen van de vergunning neemt de Regering het evenredigheidsbeginsel in acht.]2
[2 § 3 - Wanneer een ontsluitings- of opsplitsingsvergunning wordt toegekend aan een persoon die geen openbare huisvestingsmaatschappij is en daarmee toestemming wordt verleend om percelen te maken die voor bewoning gebruikt worden of gebruikt kunnen worden, kan de bevoegde overheid de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van de volgende lasten :
1° één of meer percelen tegen een bepaalde prijs verkopen of gratis afstaan aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is;
2° of percelen tegen een bepaalde prijs verkopen aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen voor wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de lasten, waaronder, in voorkomend geval :
1° de verdeelsleutel van de opgelegde lasten, waaronder het aantal kavels;
2° de nadere regels voor de prijsberekening;
3° de nadere regels voor de verkoop;
4° de nadere regels om te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
Bij het toekennen van de vergunning neemt de Regering het evenredigheidsbeginsel in acht.]2
[2 § 4 - De bevoegde overheid kan de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van lasten inzake oprichting van barrièrevrije wooneenheden.]2
[2 § 1.]2 Naast de voorwaarden nodig voor de haalbaarheid of de integratie van het ontwerp kan de bevoegde overheid het verstrekken van de vergunningen ondergeschikt maken aan de lasten die ze nuttig acht, de aanvrager op te leggen, mits inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
De stedenbouwkundige lasten bestaan in handelingen en werken die de aanvrager worden opgelegd, met uitzondering van elke contante bijdrage, om de impact die het project heeft op de gemeenschap op gemeentelijk niveau heeft, te compenseren. De positieve impacten van het project op de gemeenschap, namelijk zijn bijdrage tot het inspelen op een behoefte van algemeen belang, worden in aanmerking genomen om, in voorkomend geval, de negatieve impacten ongedaan te maken.
De lasten worden overgenomen door de aanvrager en dekken de aanleg of de hernieuwing van wegen, openbare groengebieden, de uitvoering of de renovatie van bouwwerken of openbare of gemeenschappelijke voorzieningen en alle milieuvriendelijke maatregelen, met inbegrip van verscheidene ondergrondse leidingen en kabels, evenals elke maatregel voor het leefmilieu.
Bovendien kan de bevoegde overheid, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich er, zodra de werken zijn aangevat, toe verbindt de eigendom van wegen, openbare ruimtes, bouwwerken of goederen waar dergelijke bouwwerken of voorzieningen opgericht kunnen worden, vrij van alle lasten en kosteloos aan de gemeente of aan [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 af te staan.
De Regering kan de aard van de stedenbouwkundige lasten, de toepassingsmodaliteiten voor die lasten en het evenredigheidsbeginsel bepalen.
[2 § 2 - Als een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken wordt toegekend aan een persoon die geen openbare huisvestingsmaatschappij is en daarmee de oprichting van nieuwe wooneenheden wordt vergund, kan de bevoegde overheid de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van de volgende lasten :
1° één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, via schriftelijke overeenkomst en voor een periode van minstens negen jaar ter beschikking stellen van de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is;
2° of één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, tegen een bepaalde prijs verkopen aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is of gratis aan die huisvestingsmaatschappij afstaan;
3° of één of meer wooneenheden, die voldoen aan de bepalingen van het Wetboek van Duurzaam Wonen, tegen een bepaalde prijs verkopen aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen van wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de lasten, waaronder, in voorkomend geval :
1° de verdeelsleutel van de opgelegde lasten, waaronder het aantal wooneenheden;
2° de nadere regels voor de prijsberekening;
3° de nadere regels voor de terbeschikkingstelling of de verkoop van de wooneenheden;
4° de nadere regels om te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
Bij het toekennen van de vergunning neemt de Regering het evenredigheidsbeginsel in acht.]2
[2 § 3 - Wanneer een ontsluitings- of opsplitsingsvergunning wordt toegekend aan een persoon die geen openbare huisvestingsmaatschappij is en daarmee toestemming wordt verleend om percelen te maken die voor bewoning gebruikt worden of gebruikt kunnen worden, kan de bevoegde overheid de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van de volgende lasten :
1° één of meer percelen tegen een bepaalde prijs verkopen of gratis afstaan aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is;
2° of percelen tegen een bepaalde prijs verkopen aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen voor wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de lasten, waaronder, in voorkomend geval :
1° de verdeelsleutel van de opgelegde lasten, waaronder het aantal kavels;
2° de nadere regels voor de prijsberekening;
3° de nadere regels voor de verkoop;
4° de nadere regels om te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
Bij het toekennen van de vergunning neemt de Regering het evenredigheidsbeginsel in acht.]2
[2 § 4 - De bevoegde overheid kan de toekenning van de vergunning afhankelijk stellen van lasten inzake oprichting van barrièrevrije wooneenheden.]2
Art. D. IV.54_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 § 1er.]2 Outre les conditions nécessaires à la faisabilité ou à l'intégration du projet, l'autorité compétente peut subordonner la délivrance des permis aux charges qu'elle juge utile d'imposer au demandeur dans le respect du principe de proportionnalité.
Les charges d'urbanisme consistent en des actes ou travaux imposés au demandeur, à l'exclusion de toute contribution en numéraire, en vue de compenser l'impact que le projet fait peser sur la collectivité au niveau communal. Les impacts positifs du projet sur la collectivité, à savoir sa contribution à rencontrer un besoin d'intérêt général, sont pris en compte pour, le cas échéant, contrebalancer les impacts négatifs.
Les charges sont supportées par le demandeur et couvrent la réalisation ou la rénovation de voiries, d'espaces verts publics, la réalisation ou la rénovation de constructions ou d'équipements publics ou communautaires en ce compris les conduites, canalisations et câbles divers enfouis, ainsi que toutes mesures favorables à l'environnement.
En outre, l'autorité compétente peut subordonner, dans le respect du principe de proportionnalité, la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la [1 Communauté germanophone]1, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, la propriété de voiries, d'espaces publics, de constructions ou d'équipements publics ou communautaires ou de biens pouvant accueillir de tels constructions ou équipements.
Le Gouvernement peut déterminer la nature des charges d'urbanisme, les modalités d'application de ces charges et définir le principe de proportionnalité.
[2 § 2 - Lorsqu'un permis d'urbanisme ou un permis d'urbanisme de constructions groupées est octroyé à une personne autre qu'une société de logement de service public et que ce permis approuve la création de nouvelles unités de logement, l'autorité compétente peut subordonner l'octroi du permis aux charges suivantes :
1° la mise à disposition, par accord écrit et pour une période d'au moins neuf ans, d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
2° ou la vente à un prix déterminé ou la cession à titre gratuit d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
3° ou la vente, à un prix déterminé, d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement fixe les autres modalités concernant les charges, notamment, le cas échéant :
1° la clef de répartition des charges, entre autres le nombre d'unités de logement;
2° les modalités relatives au calcul des prix;
3° les modalités de mise à disposition ou de vente des unités de logement;
4° les modalités pour déterminer les personnes dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement respecte le principe de proportionnalité lors de la délivrance du permis.]2
[2 § 3 - Lorsqu'un permis d'urbaniser ou de diviser est octroyé à une personne autre qu'une société de logement de service public et que ce permis approuve la création de lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, l'autorité compétente peut subordonner l'octroi du permis aux charges suivantes :
1° la vente à un prix déterminé ou la cession à titre gratuit d'un ou de plusieurs lots à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
2° ou la vente, à un prix déterminé, de lots à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement fixe les autres modalités concernant les charges, notamment, le cas échéant :
1° la clef de répartition des charges, entre autres le nombre de lots;
2° les modalités relatives au calcul des prix;
3° les modalités de vente;
4° les modalités pour déterminer les personnes dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement respecte le principe de proportionnalité lors de la délivrance du permis.]2
[2 § 4 - L'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à des charges relatives à l'édification d'unités de logement sans obstacle.]2
[2 § 1er.]2 Outre les conditions nécessaires à la faisabilité ou à l'intégration du projet, l'autorité compétente peut subordonner la délivrance des permis aux charges qu'elle juge utile d'imposer au demandeur dans le respect du principe de proportionnalité.
Les charges d'urbanisme consistent en des actes ou travaux imposés au demandeur, à l'exclusion de toute contribution en numéraire, en vue de compenser l'impact que le projet fait peser sur la collectivité au niveau communal. Les impacts positifs du projet sur la collectivité, à savoir sa contribution à rencontrer un besoin d'intérêt général, sont pris en compte pour, le cas échéant, contrebalancer les impacts négatifs.
Les charges sont supportées par le demandeur et couvrent la réalisation ou la rénovation de voiries, d'espaces verts publics, la réalisation ou la rénovation de constructions ou d'équipements publics ou communautaires en ce compris les conduites, canalisations et câbles divers enfouis, ainsi que toutes mesures favorables à l'environnement.
En outre, l'autorité compétente peut subordonner, dans le respect du principe de proportionnalité, la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la [1 Communauté germanophone]1, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, la propriété de voiries, d'espaces publics, de constructions ou d'équipements publics ou communautaires ou de biens pouvant accueillir de tels constructions ou équipements.
Le Gouvernement peut déterminer la nature des charges d'urbanisme, les modalités d'application de ces charges et définir le principe de proportionnalité.
[2 § 2 - Lorsqu'un permis d'urbanisme ou un permis d'urbanisme de constructions groupées est octroyé à une personne autre qu'une société de logement de service public et que ce permis approuve la création de nouvelles unités de logement, l'autorité compétente peut subordonner l'octroi du permis aux charges suivantes :
1° la mise à disposition, par accord écrit et pour une période d'au moins neuf ans, d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
2° ou la vente à un prix déterminé ou la cession à titre gratuit d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
3° ou la vente, à un prix déterminé, d'une ou de plusieurs unités de logement qui respectent les dispositions du Code de l'habitation durable à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement fixe les autres modalités concernant les charges, notamment, le cas échéant :
1° la clef de répartition des charges, entre autres le nombre d'unités de logement;
2° les modalités relatives au calcul des prix;
3° les modalités de mise à disposition ou de vente des unités de logement;
4° les modalités pour déterminer les personnes dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement respecte le principe de proportionnalité lors de la délivrance du permis.]2
[2 § 3 - Lorsqu'un permis d'urbaniser ou de diviser est octroyé à une personne autre qu'une société de logement de service public et que ce permis approuve la création de lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, l'autorité compétente peut subordonner l'octroi du permis aux charges suivantes :
1° la vente à un prix déterminé ou la cession à titre gratuit d'un ou de plusieurs lots à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée;
2° ou la vente, à un prix déterminé, de lots à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement fixe les autres modalités concernant les charges, notamment, le cas échéant :
1° la clef de répartition des charges, entre autres le nombre de lots;
2° les modalités relatives au calcul des prix;
3° les modalités de vente;
4° les modalités pour déterminer les personnes dont l'accès à la propriété doit être promu.
Le Gouvernement respecte le principe de proportionnalité lors de la délivrance du permis.]2
[2 § 4 - L'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à des charges relatives à l'édification d'unités de logement sans obstacle.]2
Art. D. IV.54/1. [1 De stedenbouwkundige lasten zijn bedoeld om de impact van het project op de gemeenschap te compenseren, met inbegrip op de ecosysteemdiensten en op het leefmilieu. De positieve impacten van het project op de gemeenschap, namelijk zijn bijdrage tot het inspelen op een behoefte van algemeen belang, worden in aanmerking genomen om, in voorkomend geval, de negatieve impacten ongedaan te maken.
Als voor de uitvoering van een project meerdere opeenvolgende bouwvergunningen nodig zijn, worden de stedenbouwkundige lasten opgelegd door de vergunning tijdens het onderzoek waarvan de overheid het bestaan van een resteffect vaststelt.]1
Als voor de uitvoering van een project meerdere opeenvolgende bouwvergunningen nodig zijn, worden de stedenbouwkundige lasten opgelegd door de vergunning tijdens het onderzoek waarvan de overheid het bestaan van een resteffect vaststelt.]1
Art. D. IV.54/1. [1 Les charges d'urbanisme visent à compenser l'impact que le projet fait peser sur la collectivité, en ce compris sur les services écosystémiques et sur l'environnement. Les impacts positifs du projet sur la collectivité, à savoir sa contribution à rencontrer un besoin d'intérêt général, sont pris en compte pour, le cas échéant, contrebalancer les impacts négatifs.
Lorsqu'un projet requiert, pour sa mise en oeuvre, plusieurs permis successifs, les charges d'urbanisme sont imposées par le permis à l'occasion de l'instruction duquel l'autorité constate l'existence d'un impact résiduel.]1
Lorsqu'un projet requiert, pour sa mise en oeuvre, plusieurs permis successifs, les charges d'urbanisme sont imposées par le permis à l'occasion de l'instruction duquel l'autorité constate l'existence d'un impact résiduel.]1
Art. D. IV.54/2. [1 § 1. De lasten bestaan uit handelingen en werken die worden opgelegd aan de aanvrager en hebben betrekking op de aanleg of renovatie van wegen, openbare groengebieden, met inbegrip van natuurlijke ruimten die openstaan voor het publiek, de bouw of renovatie van openbare huisvesting zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek voor Duurzaam Wonen, of openbare of gemeenschappelijke gebouwen of uitrustingen, met inbegrip van ondergrondse leidingen, buizen en diverse kabels, evenals alle maatregelen die gunstig zijn voor het milieu, in het bijzonder het verwijderen van begroeiing van kunstmatige ruimten.
Bovendien kan de bevoegde overheid, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich er, zodra de werken zijn aangevat, toe verbindt de eigendom van wegen, openbare ruimtes, bouwwerken of goederen waar dergelijke bouwwerken of voorzieningen opgericht kunnen worden, vrij van alle lasten en kosteloos aan de gemeente of aan het Gewest af te staan.
De bevoegde overheid kan de toekenning van de vergunning ook laten afhangen van een verklaring waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt om op het ogenblik van de aanvang van de werken aan de gemeente of het Gewest, gratis en vrij van elke last en zonder kosten voor hen, een genotsrecht over te dragen voor een minimumperiode van vijftien jaar op de openbare huisvesting zoals bepaald door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen.
§ 2. Veertig procent van het effect op de gemeenschap van het creëren van ten minste dertig nieuwe woningen, voor zover dit niet wordt gecompenseerd door een positief effect in de zin van artikel D.IV.54/1, eerste lid, wordt gecompenseerd door :
1° de bouw of renovatie van openbare woningen zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen;
2° een verbintenis van de aanvrager, vereist bij het afleveren van de vergunning, om gratis en zonder kosten voor de gemeente woningen van openbaar nut over te dragen zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen;
3° een verbintenis van de aanvrager, vereist bij het afleveren van de vergunning, om aan de gemeente, vrij van lasten en zonder kosten voor de gemeente, een genotsrecht over te dragen voor een minimumperiode van vijftien jaar op de huisvesting van openbaar nut zoals bepaald door het Waalse Wetboek voor Duurzaam Wonen.]1
Bovendien kan de bevoegde overheid, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich er, zodra de werken zijn aangevat, toe verbindt de eigendom van wegen, openbare ruimtes, bouwwerken of goederen waar dergelijke bouwwerken of voorzieningen opgericht kunnen worden, vrij van alle lasten en kosteloos aan de gemeente of aan het Gewest af te staan.
De bevoegde overheid kan de toekenning van de vergunning ook laten afhangen van een verklaring waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt om op het ogenblik van de aanvang van de werken aan de gemeente of het Gewest, gratis en vrij van elke last en zonder kosten voor hen, een genotsrecht over te dragen voor een minimumperiode van vijftien jaar op de openbare huisvesting zoals bepaald door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen.
§ 2. Veertig procent van het effect op de gemeenschap van het creëren van ten minste dertig nieuwe woningen, voor zover dit niet wordt gecompenseerd door een positief effect in de zin van artikel D.IV.54/1, eerste lid, wordt gecompenseerd door :
1° de bouw of renovatie van openbare woningen zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen;
2° een verbintenis van de aanvrager, vereist bij het afleveren van de vergunning, om gratis en zonder kosten voor de gemeente woningen van openbaar nut over te dragen zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen;
3° een verbintenis van de aanvrager, vereist bij het afleveren van de vergunning, om aan de gemeente, vrij van lasten en zonder kosten voor de gemeente, een genotsrecht over te dragen voor een minimumperiode van vijftien jaar op de huisvesting van openbaar nut zoals bepaald door het Waalse Wetboek voor Duurzaam Wonen.]1
Art. D. IV.54/2. [1 § 1er. Les charges consistent en des actes et des travaux imposés au demandeur et couvrent la réalisation ou la rénovation de voiries, d'espaces verts publics, en ce compris des espaces naturels ouverts au public, la réalisation ou la rénovation de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable, ou de constructions ou d'équipements publics ou communautaires en ce compris les conduites, canalisations et câbles divers enfouis, ainsi que toutes mesures favorables à l'environnement, notamment la désartificialisation d'espaces artificialisés.
En outre, l'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la Région, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, la propriété de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable, de voiries, d'espaces publics, en ce compris des espaces naturels ouverts au public, de constructions ou d'équipements publics ou communautaires, ou de biens pouvant accueillir de tels constructions ou équipements.
L'autorité compétente peut aussi subordonner la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la Région, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, un droit de jouissance d'une durée minimale de quinze ans sur des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.
§ 2. L'impact sur la collectivité que fait peser la création d'au moins trente logements neufs dans la mesure où il n'est pas contrebalancé par un impact positif au sens de l'article D.IV.54/1, alinéa 1er, est compensé pour quarante pour cent par soit :
1° la réalisation ou la rénovation de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable;
2° l'engagement du demandeur, imposé lors de la délivrance du permis de céder à la commune, à titre gratuit et quitte et libre de toute charge et sans frais pour elle, des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable;
3° l'engagement du demandeur, imposé lors de la délivrance du permis de céder à la commune, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elle, un droit de jouissance d'une durée minimale de quinze ans sur des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.]1
En outre, l'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la Région, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, la propriété de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable, de voiries, d'espaces publics, en ce compris des espaces naturels ouverts au public, de constructions ou d'équipements publics ou communautaires, ou de biens pouvant accueillir de tels constructions ou équipements.
L'autorité compétente peut aussi subordonner la délivrance du permis à une déclaration par laquelle le demandeur s'engage, au moment où les travaux sont entamés, à céder à la commune ou à la Région, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elles, un droit de jouissance d'une durée minimale de quinze ans sur des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.
§ 2. L'impact sur la collectivité que fait peser la création d'au moins trente logements neufs dans la mesure où il n'est pas contrebalancé par un impact positif au sens de l'article D.IV.54/1, alinéa 1er, est compensé pour quarante pour cent par soit :
1° la réalisation ou la rénovation de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable;
2° l'engagement du demandeur, imposé lors de la délivrance du permis de céder à la commune, à titre gratuit et quitte et libre de toute charge et sans frais pour elle, des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable;
3° l'engagement du demandeur, imposé lors de la délivrance du permis de céder à la commune, à titre gratuit, quitte et libre de toute charge et sans frais pour elle, un droit de jouissance d'une durée minimale de quinze ans sur des logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.]1
Art. D. IV.54/3. [1 § 1. In afwijking van artikel D.IV.54/2 en mits het algemeen belang dat zulks gebiedt naar behoren wordt gemotiveerd, kunnen de stedenbouwkundige lasten geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de betaling van een geldsom die bestemd is voor de uitvoering van handelingen en werken als bedoeld in artikel D.IV.54/2.
In dat geval vermeldt de bevoegde overheid in de vergunning de in artikel D.IV.54/2 bedoelde handelingen en werken die geheel of gedeeltelijk door de lasten zullen worden gefinancierd.
Wanneer het niet de bevoegde overheid is, kan het gemeentecollege de bestemming van de stedenbouwkundige last in geld voorstellen in het kader van het voorafgaand advies bedoeld in artikel D.IV.36, tweede lid, of na kennisgeving van het beroep aan de Regering, overeenkomstig artikel D.IV.66, eerste lid.
De bevoegde overheid kan beslissen om de stedenbouwkundige lasten in geld die via verschillende vergunningen worden opgelegd, toe te wijzen aan de uitvoering van dezelfde handelingen en werken wanneer elk van deze heffingen op zich niet volstaat om de uitvoering ervan volledig te financieren.
§ 2. De bevoegde overheid bepaalt welke handelingen en werken mogen worden uitgevoerd vóór de lasten. Voordat andere werken worden uitgevoerd, wordt de contante last betaald aan de gemeente die de handelingen en werken gefinancierd door de contante last(en) uitvoert op haar grondgebied.
Als de vergunning geldelijke lasten oplegt voor het uitvoeren van handelingen en werken op het grondgebied van verschillende gemeenten, worden de lasten tussen de handen van elke gemeente betaald volgens de waarde van de werken die ze op hun grondgebied financieren.
§ 3. De geldelijke lasten die bedoeld zijn om de impact op de gemeenschap te compenseren die niet wordt gecompenseerd door een positieve impact die voortvloeit uit de creatie van minstens dertig nieuwe woningen, worden gestort in een gemeentelijk of bovengemeentelijk fonds dat bestemd is voor de bouw of renovatie van woningen van openbaar nut, zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen.
§ 4. De handelingen en werken waarvoor de contante last is bestemd, moeten worden uitgevoerd binnen tien jaar na betaling van het bedrag dat de last vormt.
Bij overschrijding van de termijn voor de uitvoering van de handelingen en werken gefinancierd door de stedenbouwkundige lasten, wordt het op dat ogenblik nog niet gebruikte deel van de last terugbetaald aan de vergunninghouder door middel van een overschrijving op een rekening geopend bij een bankinstelling die gemachtigd is om in België actief te zijn.]1
In dat geval vermeldt de bevoegde overheid in de vergunning de in artikel D.IV.54/2 bedoelde handelingen en werken die geheel of gedeeltelijk door de lasten zullen worden gefinancierd.
Wanneer het niet de bevoegde overheid is, kan het gemeentecollege de bestemming van de stedenbouwkundige last in geld voorstellen in het kader van het voorafgaand advies bedoeld in artikel D.IV.36, tweede lid, of na kennisgeving van het beroep aan de Regering, overeenkomstig artikel D.IV.66, eerste lid.
De bevoegde overheid kan beslissen om de stedenbouwkundige lasten in geld die via verschillende vergunningen worden opgelegd, toe te wijzen aan de uitvoering van dezelfde handelingen en werken wanneer elk van deze heffingen op zich niet volstaat om de uitvoering ervan volledig te financieren.
§ 2. De bevoegde overheid bepaalt welke handelingen en werken mogen worden uitgevoerd vóór de lasten. Voordat andere werken worden uitgevoerd, wordt de contante last betaald aan de gemeente die de handelingen en werken gefinancierd door de contante last(en) uitvoert op haar grondgebied.
Als de vergunning geldelijke lasten oplegt voor het uitvoeren van handelingen en werken op het grondgebied van verschillende gemeenten, worden de lasten tussen de handen van elke gemeente betaald volgens de waarde van de werken die ze op hun grondgebied financieren.
§ 3. De geldelijke lasten die bedoeld zijn om de impact op de gemeenschap te compenseren die niet wordt gecompenseerd door een positieve impact die voortvloeit uit de creatie van minstens dertig nieuwe woningen, worden gestort in een gemeentelijk of bovengemeentelijk fonds dat bestemd is voor de bouw of renovatie van woningen van openbaar nut, zoals gedefinieerd door het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen.
§ 4. De handelingen en werken waarvoor de contante last is bestemd, moeten worden uitgevoerd binnen tien jaar na betaling van het bedrag dat de last vormt.
Bij overschrijding van de termijn voor de uitvoering van de handelingen en werken gefinancierd door de stedenbouwkundige lasten, wordt het op dat ogenblik nog niet gebruikte deel van de last terugbetaald aan de vergunninghouder door middel van een overschrijving op een rekening geopend bij een bankinstelling die gemachtigd is om in België actief te zijn.]1
Art. D. IV.54/3. [1 § 1er. Par dérogation à l'article D.IV.54/2, et moyennant due motivation de l'intérêt général de procéder de la sorte, les charges d'urbanisme peuvent porter, en tout ou partie, sur le versement d'une somme d'argent destinée à la réalisation d'actes et travaux visés à l'article D.IV.54/2.
Dans ce cas, l'autorité compétente indique dans le permis les actes et travaux visés à l'article D.IV.54/2 que la charge financera, en tout ou en partie.
Le collège communal lorsqu'il n'est pas l'autorité compétente peut proposer l'affectation de la charge d'urbanisme en numéraire dans le cadre de l'avis préalable visé à l'article D.IV.36, alinéa 2, ou à la suite de la notification du recours au Gouvernement qui lui est adressée, conformément à l'article D.IV.66, alinéa 1er.
L'autorité compétente peut décider d'affecter les charges d'urbanisme en numéraire imposées au travers de plusieurs permis à la réalisation des mêmes actes et travaux lorsque chacune de ces charges ne suffit pas, à elle seule, à en financer entièrement la réalisation.
§ 2. L'autorité compétente détermine quels actes et travaux peuvent être exécutés avant la charge. Avant la réalisation des autres travaux, la charge en numéraire est payée entre les mains de la commune qui réalise, sur son territoire, les actes et travaux financés par une ou des charges en numéraire.
Si le permis impose des charges en numéraire en vue de réaliser des actes et travaux sur le territoire de plusieurs communes, la charge est payée entre les mains de chacune en fonction de la valeur des travaux qu'elle finance sur leur territoire.
§ 3. Les charges en numéraire destinées à compenser l'impact sur la collectivité non contrebalancé par un impact positif que fait peser la création d'au moins trente logements neufs sont versées dans un fonds communal ou supracommunal destiné à la réalisation ou à la rénovation de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.
§ 4. Les actes et travaux à la réalisation desquels la charge en numéraire est destinée sont exécutés dans un délai de dix ans à compter du paiement de la somme qui constitue la charge.
En cas de dépassement du délai imparti pour réaliser les actes et travaux financés par les charges d'urbanisme, la partie de la charge qui n'a pas encore été utilisée à ce moment est restituée au titulaire du permis par un virement sur un compte ouvert auprès d'une institution bancaire autorisée à exercer ses activités en Belgique.]1
Dans ce cas, l'autorité compétente indique dans le permis les actes et travaux visés à l'article D.IV.54/2 que la charge financera, en tout ou en partie.
Le collège communal lorsqu'il n'est pas l'autorité compétente peut proposer l'affectation de la charge d'urbanisme en numéraire dans le cadre de l'avis préalable visé à l'article D.IV.36, alinéa 2, ou à la suite de la notification du recours au Gouvernement qui lui est adressée, conformément à l'article D.IV.66, alinéa 1er.
L'autorité compétente peut décider d'affecter les charges d'urbanisme en numéraire imposées au travers de plusieurs permis à la réalisation des mêmes actes et travaux lorsque chacune de ces charges ne suffit pas, à elle seule, à en financer entièrement la réalisation.
§ 2. L'autorité compétente détermine quels actes et travaux peuvent être exécutés avant la charge. Avant la réalisation des autres travaux, la charge en numéraire est payée entre les mains de la commune qui réalise, sur son territoire, les actes et travaux financés par une ou des charges en numéraire.
Si le permis impose des charges en numéraire en vue de réaliser des actes et travaux sur le territoire de plusieurs communes, la charge est payée entre les mains de chacune en fonction de la valeur des travaux qu'elle finance sur leur territoire.
§ 3. Les charges en numéraire destinées à compenser l'impact sur la collectivité non contrebalancé par un impact positif que fait peser la création d'au moins trente logements neufs sont versées dans un fonds communal ou supracommunal destiné à la réalisation ou à la rénovation de logements d'utilité publique tels que définis par le Code wallon de l'habitation durable.
§ 4. Les actes et travaux à la réalisation desquels la charge en numéraire est destinée sont exécutés dans un délai de dix ans à compter du paiement de la somme qui constitue la charge.
En cas de dépassement du délai imparti pour réaliser les actes et travaux financés par les charges d'urbanisme, la partie de la charge qui n'a pas encore été utilisée à ce moment est restituée au titulaire du permis par un virement sur un compte ouvert auprès d'une institution bancaire autorisée à exercer ses activités en Belgique.]1
Art. D. IV.54/4. [1 § 1. Behalve wanneer het gaat om compenserende maatregelen in de zin van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, kunnen handelingen en werken die als stedenbouwkundige lasten worden opgelegd, worden toegestaan door middel van een andere vergunning dan die waarbij de last wordt opgelegd.
In dergelijke gevallen eist de bevoegde overheid dat de nodige financiële garanties worden gegeven voor de uitvoering van de stedenbouwkundige last, bepaalt zij welke handelingen en werken voorafgaand aan de last mogen worden uitgevoerd en stelt zij de termijn vast waarbinnen de last moet worden uitgevoerd.
De werkzaamheden waarvoor de vergunning tot oplegging van de last is verleend, mogen pas beginnen nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat de financiële garanties zijn verstrekt.
§ 2. Waarborgen zijn automatisch opeisbaar en worden verworven door de bevoegde overheid ten belope van de waarde van de nog niet uitgevoerde lasten:
1° indien de vergunning met betrekking tot de belaste handelingen en werken niet definitief wordt verleend binnen zesendertig maanden na de afgifte van de vergunning die de last oplegt of;
2° als de uit te voeren werken niet volledig voltooid zijn binnen de door de bevoegde overheid bepaalde termijn.
Als de bevoegde autoriteit niet het gemeentecollege is, draagt zij het voordeel van de waarborgen aan haar over, overeenkomstig de voorwaarden van artikel D.IV.54/3, § 2.
In voorkomend geval wordt artikel D.IV.54/3, § 4, toegepast.]1
In dergelijke gevallen eist de bevoegde overheid dat de nodige financiële garanties worden gegeven voor de uitvoering van de stedenbouwkundige last, bepaalt zij welke handelingen en werken voorafgaand aan de last mogen worden uitgevoerd en stelt zij de termijn vast waarbinnen de last moet worden uitgevoerd.
De werkzaamheden waarvoor de vergunning tot oplegging van de last is verleend, mogen pas beginnen nadat de bevoegde overheid heeft vastgesteld dat de financiële garanties zijn verstrekt.
§ 2. Waarborgen zijn automatisch opeisbaar en worden verworven door de bevoegde overheid ten belope van de waarde van de nog niet uitgevoerde lasten:
1° indien de vergunning met betrekking tot de belaste handelingen en werken niet definitief wordt verleend binnen zesendertig maanden na de afgifte van de vergunning die de last oplegt of;
2° als de uit te voeren werken niet volledig voltooid zijn binnen de door de bevoegde overheid bepaalde termijn.
Als de bevoegde autoriteit niet het gemeentecollege is, draagt zij het voordeel van de waarborgen aan haar over, overeenkomstig de voorwaarden van artikel D.IV.54/3, § 2.
In voorkomend geval wordt artikel D.IV.54/3, § 4, toegepast.]1
Art. D. IV.54/4. [1 § 1er. Sauf lorsqu'ils constituent des mesures compensatoires au sens de la directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que la faune et la flore sauvage, les actes et travaux imposés au titre de charges d'urbanisme peuvent être autorisés par un permis distinct de celui qui impose la charge.
Dans ce cas, l'autorité compétente impose la fourniture de garanties financières nécessaires à l'exécution de la charge d'urbanisme, détermine quels actes et travaux peuvent être exécutés avant la charge et fixe le délai dans lequel la charge est exécutée.
Les travaux autorisés par le permis qui impose la charge ne peuvent pas débuter avant que l'autorité compétente ait constaté la fourniture des garanties financières.
§ 2. Les garanties sont exigibles et acquises de plein droit à l'autorité compétente à due concurrence de la valeur des charges non encore exécutées :
1° si le permis relatif aux actes et travaux imposés en charge n'est pas définitivement délivré dans les trente-six mois de la délivrance du permis qui impose la charge ou;
2° si les travaux imposés en charge ne sont pas entièrement exécutés dans le délai imparti par l'autorité compétente.
Si l'autorité compétente n'est pas le collège communal, elle lui cède le bénéfice des garanties, selon les conditions fixées à l'article D.IV.54/3, § 2.
Le cas échéant, il est fait application de l'article D.IV.54/3, § 4.]1
Dans ce cas, l'autorité compétente impose la fourniture de garanties financières nécessaires à l'exécution de la charge d'urbanisme, détermine quels actes et travaux peuvent être exécutés avant la charge et fixe le délai dans lequel la charge est exécutée.
Les travaux autorisés par le permis qui impose la charge ne peuvent pas débuter avant que l'autorité compétente ait constaté la fourniture des garanties financières.
§ 2. Les garanties sont exigibles et acquises de plein droit à l'autorité compétente à due concurrence de la valeur des charges non encore exécutées :
1° si le permis relatif aux actes et travaux imposés en charge n'est pas définitivement délivré dans les trente-six mois de la délivrance du permis qui impose la charge ou;
2° si les travaux imposés en charge ne sont pas entièrement exécutés dans le délai imparti par l'autorité compétente.
Si l'autorité compétente n'est pas le collège communal, elle lui cède le bénéfice des garanties, selon les conditions fixées à l'article D.IV.54/3, § 2.
Le cas échéant, il est fait application de l'article D.IV.54/3, § 4.]1
Art. D. IV.54/5. [1 De Regering kan de aard van de stedenbouwkundige lasten bepalen, de procedures voor de toepassing van die lasten, een rangorde vaststellen voor de aard van de op te leggen lasten en de criteria vaststellen waarmee de bevoegde overheid rekening moet houden bij het bepalen van het bedrag of de omvang van de stedenbouwkundige last met het oog op de naleving van het evenredigheidsbeginsel.]1
Art. D. IV.54/5. [1 Le Gouvernement peut déterminer la nature des charges d'urbanisme, les modalités d'application de ces charges, déterminer un ordre de priorité de la nature des charges à imposer et fixer les critères à prendre en compte par l'autorité compétente pour déterminer le montant ou l'importance de la charge d'urbanisme en vue de garantir le respect du principe de proportionnalité.]1
Onderafdeling 3. - Motieven in verband met het bouwrijp maken van gronden
Sous-section 3. - Motifs liés à la viabilisation du terrain
Onderafdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Motieven in verband met [1 de technische ontsluiting]1 van gronden
Sous-section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Motifs liés à la [1 viabilisation technique]1 du terrain
Art. D. IV.55. De vergunning wordt geweigerd of aan voorwaarden verbonden als er op een grond handelingen en werken verricht moeten worden of als de grond in de volgende gevallen bebouwd moet worden :
1° wanneer de grond geen toegang heeft tot een weg die voldoende uitgerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° wanneer de grond niet voldoet aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° wanneer gevraagd wordt te bouwen of herop te bouwen op het gedeelte van een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen of andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd moeten worden aan een door een rooilijn getroffen gebouw; de vergunning kan evenwel verstrekt worden :
a) indien uit de adviezen van de bevoegde overheden blijkt dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet voor ten minste vijf jaar, te rekenen van de afgifte van de vergunning, tot stand zal kunnen worden gebracht. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit;
b) als de werken betrekking hebben op de isolatie van de buitenschil van een gebouw;
4° wanneer de bebouwing ervan de toegang zou bedreigen tot de ingesloten grondstukken die bebouwd zouden kunnen worden.
1° wanneer de grond geen toegang heeft tot een weg die voldoende uitgerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° wanneer de grond niet voldoet aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° wanneer gevraagd wordt te bouwen of herop te bouwen op het gedeelte van een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen of andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd moeten worden aan een door een rooilijn getroffen gebouw; de vergunning kan evenwel verstrekt worden :
a) indien uit de adviezen van de bevoegde overheden blijkt dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet voor ten minste vijf jaar, te rekenen van de afgifte van de vergunning, tot stand zal kunnen worden gebracht. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit;
b) als de werken betrekking hebben op de isolatie van de buitenschil van een gebouw;
4° wanneer de bebouwing ervan de toegang zou bedreigen tot de ingesloten grondstukken die bebouwd zouden kunnen worden.
Art. D. IV.55. Le permis est refusé ou assorti de conditions s'il s'agit d'effectuer des actes et travaux sur un terrain ou d'urbaniser celui-ci dans les cas suivants :
1° lorsque le terrain n'a pas d'accès à une voie suffisamment équipée en eau, en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° lorsque le terrain ne répond pas aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° lorsqu'il s'agit de construire ou de reconstruire sur la partie d'un terrain frappée d'alignement, ou lorsqu'il s'agit d'effectuer à un bâtiment frappé d'alignement des travaux autres que de conservation et d'entretien; toutefois, le permis peut être délivré :
a) s'il résulte des avis exprimés par les autorités compétentes que l'alignement ne peut être réalisé au droit du bâtiment considéré, avant au moins cinq ans, à partir de la délivrance du permis; en cas d'expropriation effectuée après l'expiration de ce délai, la plus-value résultant des travaux autorisés n'est pas prise en considération pour le calcul de l'indemnité;
b) si les travaux portent sur l'isolation extérieure d'un bâtiment;
4° lorsque son urbanisation compromettrait l'accès à un intérieur d'îlot susceptible d'être urbanisé.
1° lorsque le terrain n'a pas d'accès à une voie suffisamment équipée en eau, en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° lorsque le terrain ne répond pas aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° lorsqu'il s'agit de construire ou de reconstruire sur la partie d'un terrain frappée d'alignement, ou lorsqu'il s'agit d'effectuer à un bâtiment frappé d'alignement des travaux autres que de conservation et d'entretien; toutefois, le permis peut être délivré :
a) s'il résulte des avis exprimés par les autorités compétentes que l'alignement ne peut être réalisé au droit du bâtiment considéré, avant au moins cinq ans, à partir de la délivrance du permis; en cas d'expropriation effectuée après l'expiration de ce délai, la plus-value résultant des travaux autorisés n'est pas prise en considération pour le calcul de l'indemnité;
b) si les travaux portent sur l'isolation extérieure d'un bâtiment;
4° lorsque son urbanisation compromettrait l'accès à un intérieur d'îlot susceptible d'être urbanisé.
Art. D _IV.55.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vergunning wordt geweigerd of aan voorwaarden verbonden als er op een grond handelingen en werken verricht moeten worden of als de grond in de volgende gevallen [1 ontsloten]1 moet worden :
1° wanneer de grond geen toegang heeft tot een weg die voldoende uitgerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° wanneer de grond niet voldoet aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° wanneer gevraagd wordt te bouwen of herop te bouwen op het gedeelte van een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen of andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd moeten worden aan een door een rooilijn getroffen gebouw; de vergunning kan evenwel verstrekt worden :
a) indien uit de adviezen van de bevoegde overheden blijkt dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet voor ten minste vijf jaar, te rekenen van de afgifte van de vergunning, tot stand zal kunnen worden gebracht. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit;
b) als de werken betrekking hebben op de isolatie van de buitenschil van een gebouw;
4° wanneer de [1 ontsluiting]1 ervan de toegang zou bedreigen tot de ingesloten grondstukken die [1 ontsloten]1 zouden kunnen worden.
De vergunning wordt geweigerd of aan voorwaarden verbonden als er op een grond handelingen en werken verricht moeten worden of als de grond in de volgende gevallen [1 ontsloten]1 moet worden :
1° wanneer de grond geen toegang heeft tot een weg die voldoende uitgerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de ligging;
2° wanneer de grond niet voldoet aan de voorwaarden inzake zuivering van afvalwater van het Waterwetboek;
3° wanneer gevraagd wordt te bouwen of herop te bouwen op het gedeelte van een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen of andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd moeten worden aan een door een rooilijn getroffen gebouw; de vergunning kan evenwel verstrekt worden :
a) indien uit de adviezen van de bevoegde overheden blijkt dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet voor ten minste vijf jaar, te rekenen van de afgifte van de vergunning, tot stand zal kunnen worden gebracht. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit;
b) als de werken betrekking hebben op de isolatie van de buitenschil van een gebouw;
4° wanneer de [1 ontsluiting]1 ervan de toegang zou bedreigen tot de ingesloten grondstukken die [1 ontsloten]1 zouden kunnen worden.
Art. D _IV.55.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis est refusé ou assorti de conditions s'il s'agit d'effectuer des actes et travaux sur un terrain ou d'urbaniser celui-ci dans les cas suivants :
1° lorsque le terrain n'a pas d'accès à une voie suffisamment équipée en eau, en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° lorsque le terrain ne répond pas aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° lorsqu'il s'agit de construire ou de reconstruire sur la partie d'un terrain frappée d'alignement, ou lorsqu'il s'agit d'effectuer à un bâtiment frappé d'alignement des travaux autres que de conservation et d'entretien; toutefois, le permis peut être délivré :
a) s'il résulte des avis exprimés par les autorités compétentes que l'alignement ne peut être réalisé au droit du bâtiment considéré, avant au moins cinq ans, à partir de la délivrance du permis; en cas d'expropriation effectuée après l'expiration de ce délai, la plus-value résultant des travaux autorisés n'est pas prise en considération pour le calcul de l'indemnité;
b) si les travaux portent sur l'isolation extérieure d'un bâtiment;
4° lorsque son urbanisation compromettrait l'accès [1 à l'enclave susceptible d'être urbanisée]1.
Le permis est refusé ou assorti de conditions s'il s'agit d'effectuer des actes et travaux sur un terrain ou d'urbaniser celui-ci dans les cas suivants :
1° lorsque le terrain n'a pas d'accès à une voie suffisamment équipée en eau, en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
2° lorsque le terrain ne répond pas aux conditions en matière d'épuration des eaux usées du Code de l'Eau;
3° lorsqu'il s'agit de construire ou de reconstruire sur la partie d'un terrain frappée d'alignement, ou lorsqu'il s'agit d'effectuer à un bâtiment frappé d'alignement des travaux autres que de conservation et d'entretien; toutefois, le permis peut être délivré :
a) s'il résulte des avis exprimés par les autorités compétentes que l'alignement ne peut être réalisé au droit du bâtiment considéré, avant au moins cinq ans, à partir de la délivrance du permis; en cas d'expropriation effectuée après l'expiration de ce délai, la plus-value résultant des travaux autorisés n'est pas prise en considération pour le calcul de l'indemnité;
b) si les travaux portent sur l'isolation extérieure d'un bâtiment;
4° lorsque son urbanisation compromettrait l'accès [1 à l'enclave susceptible d'être urbanisée]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.56. Onverminderd de toepassing van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg kan de bevoegde overheid, op initiatief van de aanvrager of van ambtswege, de uitvoering van de vergunningen ondergeschikt maken aan de opening, de opheffing of de wijziging van gemeente-, of gewestelijke wegen wanneer de inrichtingen van de weg onontbeerlijk zijn.
Art. D. IV.56. Sans préjudice de l'application du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale, à l'initiative du demandeur ou d'office, l'autorité compétente peut, lorsque les aménagements relatifs à la voirie sont indispensables, subordonner la mise en oeuvre des permis à l'octroi d'un permis relatif à l'ouverture, la suppression ou la modification de voiries communales ou régionales.
Onderafdeling 4. - Motieven in verband met de bescherming van de personen, de goederen of het leefmilieu
Sous-section 4. - Motifs liés à la protection des personnes, des biens ou de l'environnement
Art. D. IV.57. De vergunning kan ofwel geweigerd worden, ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden ter bescherming van de personen, de goederen of het leefmilieu wanneer de handelingen of werken verband houden met :
1° een nieuwe inrichting of de wijziging van een bestaande inrichting die een hoog risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, rekening houdend met de noodzaak om een geschikte overdracht te bewaren ten opzichte van meer bepaald de gebieden bestemd voor bebouwing, de plaatsen die bezocht worden door het publiek of een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol biologisch gebied of een Natura 2000-gebied, zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° rekening houdend met de noodzaak om een geschikte afstand te bewaren ten opzichte van een bestaande inrichting die een risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, elk ontwerp waarvan de ligging het risico op een zwaar ongeval zou kunnen verhogen of de gevolgen ervan zou kunnen verergeren;
3° onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar;
4° onroerende goederen gelegen :
a) in of in de nabijheid van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol vochtig gebied of een bosreservaat zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
b) in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
5° een woning die de gezondheidscriteria bedoeld in artikel 3, 5°, van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen niet naleeft en, dit, onverminderd artikel 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek of andere beoordelingselementen gegrond op het bewoonbaar karakter.
1° een nieuwe inrichting of de wijziging van een bestaande inrichting die een hoog risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, rekening houdend met de noodzaak om een geschikte overdracht te bewaren ten opzichte van meer bepaald de gebieden bestemd voor bebouwing, de plaatsen die bezocht worden door het publiek of een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol biologisch gebied of een Natura 2000-gebied, zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° rekening houdend met de noodzaak om een geschikte afstand te bewaren ten opzichte van een bestaande inrichting die een risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, elk ontwerp waarvan de ligging het risico op een zwaar ongeval zou kunnen verhogen of de gevolgen ervan zou kunnen verergeren;
3° onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar;
4° onroerende goederen gelegen :
a) in of in de nabijheid van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol vochtig gebied of een bosreservaat zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
b) in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
5° een woning die de gezondheidscriteria bedoeld in artikel 3, 5°, van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen niet naleeft en, dit, onverminderd artikel 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek of andere beoordelingselementen gegrond op het bewoonbaar karakter.
Art. D. IV.57. Le permis peut être soit refusé, soit subordonné à des conditions particulières de protection des personnes, des biens ou de l'environnement lorsque les actes ou travaux se rapportent à :
1° un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis notamment de zones destinées à l'urbanisation au plan de secteur, des lieux fréquentés par le public ou d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve ou d'un site Natura 2000, visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
3° des biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique;
4° des biens immobiliers situés :
a) dans ou à proximité d'une réserve naturelle domaniale ou une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve forestière, visée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans ou à proximité d'un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
5° un logement qui ne respecte pas les critères de salubrité visés à l'article 3, 5°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable et ce, sans préjudice de l'article 4, alinéa 2, du même Code ou d'autres éléments d'appréciation fondés sur l'habitabilité.
1° un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis notamment de zones destinées à l'urbanisation au plan de secteur, des lieux fréquentés par le public ou d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve ou d'un site Natura 2000, visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
3° des biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique;
4° des biens immobiliers situés :
a) dans ou à proximité d'une réserve naturelle domaniale ou une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve forestière, visée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans ou à proximité d'un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
5° un logement qui ne respecte pas les critères de salubrité visés à l'article 3, 5°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable et ce, sans préjudice de l'article 4, alinéa 2, du même Code ou d'autres éléments d'appréciation fondés sur l'habitabilité.
Art. D. IV.57_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vergunning kan ofwel geweigerd worden, ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden ter bescherming van de personen, de goederen of het leefmilieu wanneer de handelingen of werken verband houden met :
1° een nieuwe inrichting of de wijziging van een bestaande inrichting die een hoog risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, rekening houdend met de noodzaak om een geschikte overdracht te bewaren ten opzichte van meer bepaald de gebieden bestemd voor bebouwing, de plaatsen die bezocht worden door het publiek of een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol biologisch gebied of een Natura 2000-gebied, zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° rekening houdend met de noodzaak om een geschikte afstand te bewaren ten opzichte van een bestaande inrichting die een risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, elk ontwerp waarvan de ligging het risico op een zwaar ongeval zou kunnen verhogen of de gevolgen ervan zou kunnen verergeren;
3° onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar;
4° onroerende goederen gelegen :
a) in of in de nabijheid van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol vochtig gebied of een bosreservaat zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
b) in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
5° een woning die de gezondheidscriteria bedoeld in [2 artikel 3 van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]2 niet naleeft en, dit, onverminderd artikel 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek of andere beoordelingselementen gegrond op het bewoonbaar karakter.
[1 6° onroerende goederen die met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt zijn, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevinden of zich op een archeologische vindplaats bevinden.]1
De vergunning kan ofwel geweigerd worden, ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere voorwaarden ter bescherming van de personen, de goederen of het leefmilieu wanneer de handelingen of werken verband houden met :
1° een nieuwe inrichting of de wijziging van een bestaande inrichting die een hoog risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, rekening houdend met de noodzaak om een geschikte overdracht te bewaren ten opzichte van meer bepaald de gebieden bestemd voor bebouwing, de plaatsen die bezocht worden door het publiek of een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol biologisch gebied of een Natura 2000-gebied, zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° rekening houdend met de noodzaak om een geschikte afstand te bewaren ten opzichte van een bestaande inrichting die een risico vormt op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, elk ontwerp waarvan de ligging het risico op een zwaar ongeval zou kunnen verhogen of de gevolgen ervan zou kunnen verergeren;
3° onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar;
4° onroerende goederen gelegen :
a) in of in de nabijheid van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat, een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte, een biologisch waardevol vochtig gebied of een bosreservaat zoals bedoeld bij de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
b) in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dat voor- of vastgesteld wordt overeenkomstig de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
5° een woning die de gezondheidscriteria bedoeld in [2 artikel 3 van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen]2 niet naleeft en, dit, onverminderd artikel 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek of andere beoordelingselementen gegrond op het bewoonbaar karakter.
[1 6° onroerende goederen die met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt zijn, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevinden of zich op een archeologische vindplaats bevinden.]1
Art. D. IV.57_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis peut être soit refusé, soit subordonné à des conditions particulières de protection des personnes, des biens ou de l'environnement lorsque les actes ou travaux se rapportent à :
1° un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis notamment de zones destinées à l'urbanisation au plan de secteur, des lieux fréquentés par le public ou d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve ou d'un site Natura 2000, visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
3° des biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique;
4° des biens immobiliers situés :
a) dans ou à proximité d'une réserve naturelle domaniale ou une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve forestière, visée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans ou à proximité d'un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
5° un logement qui ne respecte pas les critères de salubrité visés à [2 l'article 3 du Code wallon de l'habitation durable]2 et ce, sans préjudice de l'article 4, alinéa 2, du même Code ou d'autres éléments d'appréciation fondés sur l'habitabilité:
[1 6° les biens immobiliers qui, en application du décret sur le patrimoine, sont provisoirement ou définitivement classés, se situent dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique.]1
Le permis peut être soit refusé, soit subordonné à des conditions particulières de protection des personnes, des biens ou de l'environnement lorsque les actes ou travaux se rapportent à :
1° un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis notamment de zones destinées à l'urbanisation au plan de secteur, des lieux fréquentés par le public ou d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve ou d'un site Natura 2000, visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, compte tenu de la nécessité de maintenir une distance appropriée vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
3° des biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation comprise dans les zones soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique;
4° des biens immobiliers situés :
a) dans ou à proximité d'une réserve naturelle domaniale ou une réserve naturelle agréée, d'une cavité souterraine d'intérêt scientifique, d'une zone humide d'intérêt biologique ou d'une réserve forestière, visée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans ou à proximité d'un site Natura 2000 proposé ou arrêté en application de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
5° un logement qui ne respecte pas les critères de salubrité visés à [2 l'article 3 du Code wallon de l'habitation durable]2 et ce, sans préjudice de l'article 4, alinéa 2, du même Code ou d'autres éléments d'appréciation fondés sur l'habitabilité:
[1 6° les biens immobiliers qui, en application du décret sur le patrimoine, sont provisoirement ou définitivement classés, se situent dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique.]1
Onderafdeling 5. - Motieven in verband met de lopende planologie
Sous-section 5. - Motifs liés à la planologie en cours
Art. D. IV.58.[1 De weigering van een vergunning kan gebaseerd zijn op de huidige herziening van het gewestplan, met inbegrip van het bodembestemmingsplan, op voorwaarde dat de Regering het ontwerp heeft goedgekeurd, of op de vaststelling of herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijk plan, op voorwaarde dat de bevoegde overheid een beslissing heeft genomen dat de informatie bepaalt die het milieueffectenrapport bevat of dat het ontwerp vrijstelt van een effectbeoordeling.
De vergunningsweigering om één van de redenen bedoeld in het eerste en in het tweede lid, vervalt indien het nieuwe plan niet in werking is getreden binnen drie jaar na de beslissing tot opmaak of herziening.
Een weigering van een bouwvergunning op basis van de vaststelling of herziening van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan vervalt als het plan niet in werking is getreden binnen drie jaar na het besluit van de bevoegde instantie tot vaststelling van de informatie die moet worden opgenomen in het milieueffectrapport of tot vrijstelling van het project van een effectbeoordeling.
Het oorspronkelijke verzoek wordt, op aanvraag van de verzoeker, onderworpen aan een nieuwe beslissing die, in geval van weigering, niet meer gegrond kan zijn op voormelde reden.]1
De vergunningsweigering om één van de redenen bedoeld in het eerste en in het tweede lid, vervalt indien het nieuwe plan niet in werking is getreden binnen drie jaar na de beslissing tot opmaak of herziening.
Een weigering van een bouwvergunning op basis van de vaststelling of herziening van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan vervalt als het plan niet in werking is getreden binnen drie jaar na het besluit van de bevoegde instantie tot vaststelling van de informatie die moet worden opgenomen in het milieueffectrapport of tot vrijstelling van het project van een effectbeoordeling.
Het oorspronkelijke verzoek wordt, op aanvraag van de verzoeker, onderworpen aan een nieuwe beslissing die, in geval van weigering, niet meer gegrond kan zijn op voormelde reden.]1
Art. D. IV.58.[1 Le refus de permis peut être fondé sur la révision en cours du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols à la condition que le Gouvernement en ait adopté le projet, ou sur l'établissement ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal ou d'un schéma communal, à condition que l'autorité compétente ait adopté une décision qui détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient ou qui dispense le projet d'évaluation des incidences.
Le refus de permis fondé sur la révision en cours du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, devient caduque si le nouveau plan n'est pas entré en vigueur dans les trois ans qui suivent la décision d'adopter le projet de révision.
Le refus de permis fondé sur l'établissement ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal ou communal devient caduque si le schéma n'est pas entré en vigueur dans les trois ans qui suivent la décision de l'autorité compétente qui détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient ou qui dispense le projet d'évaluation des incidences.
La requête primitive fait l'objet, à la demande du requérant, d'une nouvelle décision qui, en cas de refus, ne peut plus être fondée sur ledit motif.]1
Le refus de permis fondé sur la révision en cours du plan de secteur, en ce compris la carte d'affectation des sols, devient caduque si le nouveau plan n'est pas entré en vigueur dans les trois ans qui suivent la décision d'adopter le projet de révision.
Le refus de permis fondé sur l'établissement ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal ou communal devient caduque si le schéma n'est pas entré en vigueur dans les trois ans qui suivent la décision de l'autorité compétente qui détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient ou qui dispense le projet d'évaluation des incidences.
La requête primitive fait l'objet, à la demande du requérant, d'une nouvelle décision qui, en cas de refus, ne peut plus être fondée sur ledit motif.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Diverse bepalingen
Section 3. - Dispositions diverses
Onderafdeling 1. - Volgorde van de werken
Sous-section 1re. - Ordre des travaux
Art. D. IV.59. De vergunning kan bepalen in welke volgorde de werken uitgevoerd moeten worden en binnen welke termijn de voorwaarden en de lasten waaraan ze is onderworpen, worden vervuld.
Art. D. IV.59. Le permis peut déterminer l'ordre dans lequel les travaux sont exécutés et le délai endéans lequel les conditions et les charges qui assortissent le permis sont réalisées.
Onderafdeling 2. - Financiële garanties
Sous-section 2. - Garanties financières
Art. D. IV.60. De bevoegde overheid kan het verstrekken van de vergunning ondergeschikt maken aan het stellen van financiële waarborgen voor de uitvoering van de voorwaarden of de stedenbouwkundige lasten.
De bevoegde overheid kan financiële garanties vereisen voor de handelingen en werken die nodig zijn voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die volledig deel uitmaakt van de vergunningsaanvraag en die niet als dusdanig als voorwaarde of last wordt beschouwd.
In voorkomend geval worden in de vergunning de kavels bepaald, die afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan.
De bevoegde overheid kan financiële garanties vereisen voor de handelingen en werken die nodig zijn voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die volledig deel uitmaakt van de vergunningsaanvraag en die niet als dusdanig als voorwaarde of last wordt beschouwd.
In voorkomend geval worden in de vergunning de kavels bepaald, die afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan.
Art. D. IV.60. L'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à la fourniture de garanties financières nécessaires à l'exécution des conditions ou des charges d'urbanisme.
L'autorité compétente peut exiger des garanties financières pour les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale qui fait partie intégrante de la demande de permis et n'est pas reprise en tant que telle comme condition ou charge.
Le cas échéant, le permis détermine ceux des lots qui peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
L'autorité compétente peut exiger des garanties financières pour les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale qui fait partie intégrante de la demande de permis et n'est pas reprise en tant que telle comme condition ou charge.
Le cas échéant, le permis détermine ceux des lots qui peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
Art. D _IV.60.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De bevoegde overheid kan het verstrekken van de vergunning ondergeschikt maken aan het stellen van financiële waarborgen voor de uitvoering van de voorwaarden of de stedenbouwkundige lasten [1 , waaronder een door pand gewaarborgde vordering in de handen van de instrumenterend ambtenaar]1.
De bevoegde overheid kan financiële garanties vereisen voor de handelingen en werken die nodig zijn voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die volledig deel uitmaakt van de vergunningsaanvraag en die niet als dusdanig als voorwaarde of last wordt beschouwd.
In voorkomend geval worden in de vergunning de kavels bepaald, die afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan.
[1 Voor het indienen van [2 de documenten overeenkomstig artikel D.IV.73.]2 eist de bevoegde overheid financiële garanties.]1 [2 De Regering kan de betreffende bedragen en andere nadere regels vastleggen.]2
[1 De bevoegde overheid kan besluiten om de financiële garantie of de door pand gewaarborgde vordering in de zin van dit artikel stapsgewijze te deblokkeren.]1
[1 De financiële garanties zijn onderworpen aan het evenredigheidsbeginsel en zijn gebaseerd op de kosten van de te garanderen lasten, handelingen, werken of verplichtingen. Om het bedrag van de garantie te bepalen, kan de bevoegde overheid inlichtingen of kostenramingen vragen aan de aanvrager.]1
De bevoegde overheid kan het verstrekken van de vergunning ondergeschikt maken aan het stellen van financiële waarborgen voor de uitvoering van de voorwaarden of de stedenbouwkundige lasten [1 , waaronder een door pand gewaarborgde vordering in de handen van de instrumenterend ambtenaar]1.
De bevoegde overheid kan financiële garanties vereisen voor de handelingen en werken die nodig zijn voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die volledig deel uitmaakt van de vergunningsaanvraag en die niet als dusdanig als voorwaarde of last wordt beschouwd.
In voorkomend geval worden in de vergunning de kavels bepaald, die afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan.
[1 Voor het indienen van [2 de documenten overeenkomstig artikel D.IV.73.]2 eist de bevoegde overheid financiële garanties.]1 [2 De Regering kan de betreffende bedragen en andere nadere regels vastleggen.]2
[1 De bevoegde overheid kan besluiten om de financiële garantie of de door pand gewaarborgde vordering in de zin van dit artikel stapsgewijze te deblokkeren.]1
[1 De financiële garanties zijn onderworpen aan het evenredigheidsbeginsel en zijn gebaseerd op de kosten van de te garanderen lasten, handelingen, werken of verplichtingen. Om het bedrag van de garantie te bepalen, kan de bevoegde overheid inlichtingen of kostenramingen vragen aan de aanvrager.]1
Art. D _IV.60.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à la fourniture de garanties financières nécessaires à l'exécution des conditions ou des charges d'urbanisme [1 , dont une créance garantie par un nantissement entre les mains de l'officier instrumentant]1.
L'autorité compétente peut exiger des garanties financières pour les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale qui fait partie intégrante de la demande de permis et n'est pas reprise en tant que telle comme condition ou charge.
Le cas échéant, le permis détermine ceux des lots qui peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
[1 L'autorité compétente exige des garanties financières pour ce qui concerne [2 la présentation des documents conformément à l'article D.IV.73]2 [2 Le Gouvernement peut fixer les montants correspondants ainsi que des modalités supplémentaires.]2. ]1
[1 L'autorité compétente peut décider de la libération progressive de la garantie financière ou de la créance garantie par un nantissement au sens du présent article.]1
[1 Les garanties financières sont soumises au principe de proportionnalité et se basent sur les coûts de la charge, de l'acte, du travail ou de l'obligation à garantir. En vue de fixer le montant de la garantie, l'autorité compétente peut demander des informations ou des devis au demandeur.]1
L'autorité compétente peut subordonner la délivrance du permis à la fourniture de garanties financières nécessaires à l'exécution des conditions ou des charges d'urbanisme [1 , dont une créance garantie par un nantissement entre les mains de l'officier instrumentant]1.
L'autorité compétente peut exiger des garanties financières pour les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale qui fait partie intégrante de la demande de permis et n'est pas reprise en tant que telle comme condition ou charge.
Le cas échéant, le permis détermine ceux des lots qui peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
[1 L'autorité compétente exige des garanties financières pour ce qui concerne [2 la présentation des documents conformément à l'article D.IV.73]2 [2 Le Gouvernement peut fixer les montants correspondants ainsi que des modalités supplémentaires.]2. ]1
[1 L'autorité compétente peut décider de la libération progressive de la garantie financière ou de la créance garantie par un nantissement au sens du présent article.]1
[1 Les garanties financières sont soumises au principe de proportionnalité et se basent sur les coûts de la charge, de l'acte, du travail ou de l'obligation à garantir. En vue de fixer le montant de la garantie, l'autorité compétente peut demander des informations ou des devis au demandeur.]1
Afdeling 4. - Beslissingen over aanvragen van stedenbouwkundige attesten nr. 2
Section 4. - Décision sur la demande de certificat d'urbanisme n° 2
Art. D. IV.61.Het stedenbouwkundig attest nr. 2 kan op de in de afdeling 2 bedoelde motieven gegrond worden. Het kan zich eveneens uitspreken over de gegevens bedoeld in afdeling 3.
[1 Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, of wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek, neemt de vergunning de conclusies van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies integraal over en beantwoordt ze aan de inhoud van die vergunning of dat advies.]1
[1 Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkgesteld goed, in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek, of wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 betrekking heeft op een project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand archeologisch advies van de erfgoedadministratie bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek, neemt de vergunning de conclusies van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies integraal over en beantwoordt ze aan de inhoud van die vergunning of dat advies.]1
Art. D. IV.61.Le certificat d'urbanisme n° 2 peut être fondé sur les motifs visés dans la section 2. Il peut également se prononcer sur les éléments visés dans la section 3.
[1 Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 porte sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine, ou lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du même Code, le certificat reproduit intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéologique préalable et est conforme au contenu de cette autorisation ou de cet avis.]1
[1 Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 porte sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine, ou lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 porte sur un projet qui a fait l'objet d'un avis archéologique préalable de l'Administration du Patrimoine visé à l'article D.62 du même Code, le certificat reproduit intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéologique préalable et est conforme au contenu de cette autorisation ou de cet avis.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VIII. - Toezicht van de gemachtigd ambtenaar op de vergunningen en de attesten
CHAPITRE VIII. - Tutelle du fonctionnaire délégué sur les permis et les certificats
HOOFDSTUK VIII_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Toezicht op de vergunningen en de attesten]1
CHAPITRE VIII_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Tutelle [1 ...]1 sur les permis et les certificats
Art. D. IV.62.§ 1. Wat de door het gemeentecollege afgeleverde vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 betreft, gaat de gemachtigd ambtenaar na of :
1° de procedure voor het verstrekken van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 regelmatig is;
2° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 met redenen omkleed is;
3° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de dwingende bepalingen getroffen krachtens het Wetboek of, bij ontstentenis, met de afwijking toegestaan overeenkomstig de artikelen D.IV.6 tot en met D.IV.13;
4° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de als indicatief beschouwde bepalingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, van het bodembestemmingsplan, van de leidraad/leidraden voor stedenbouw of van de bebouwingsvergunning, of, bij ontstentenis, of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 op een verschil overeenstemmend met artikel D.IV.5 gegrond wordt;
5° de vergunningof het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autowegen en de perceelsgewijze plannen goedgekeurd door de Regering overeenkomstig artikel 6 van die wet;
[2 6° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 voldoet aan de erfgoedvergunning voor de gevallen bedoeld in artikel D.34 van het Waalse Erfgoedwetboek, het archeologisch advies voor de gevallen bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek en artikel D.66, § 1, van hetzelfde Wetboek;]2
[2 ° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 voldoet aan de erfgoedvergunning voor de gevallen bedoeld in artikel D.34 van het Waalse Erfgoedwetboek, het archeologisch advies voor de gevallen bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek en artikel D.66, § 1, van hetzelfde Wetboek.]2
Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 1 tot en met [2 7°]2 van vorig lid, schort de gemachtigd ambtenaar de beslissing van het gemeentecollege op.
§ 2. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege wordt de opschorting door de gemachtigd ambtenaar aan de aanvrager, het gemeentecollege en de Regering gezonden. De gemachtigd ambtenaar bepaalt de aard van de onregelmatigheid in de procedure, het gebrek aan redenen, of de bepaling waarmee de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet conform is.
In zijn schrijven gericht aan het gemeentecollege, nodigt de ambtenaar het college uit om zijn beslissing in te trekken.
§ 3. Als het gemeentecollege de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 intrekt, stuurt het zijn beslissing binnen de twintig dagen na ontvangst van de opschorting aan de aanvrager, aan de gemachtigd ambtenaar en aan de Regering.
In dat geval beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na de zending van de beslissing tot intrekking opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, waarbij wordt ingegaan op de motieven van de opschorting en de intrekking, en verstuurt het zijn beslissing.
[2 Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden.]2
§ 4. Bij gebrek aan zending van de intrekking binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn kan de Regering de opschorting opheffen of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 nietig verklaren.
Binnen veertig dagen na ontvangst van de opschorting zendt de Regering de opheffing van de schorsing of de nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 aan de aanvrager, het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar.
Bij ontstentenis van zending binnen de voorziene termijn wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vernietigd.
In geval van nietigverklaring beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na ontvangst van de beslissing tot nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 of, bij gebreke daarvan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikte om haar beslissing te zenden, opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en verstuurt het zijn beslissing.
[2 Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden.]2
§ 5. Wanneer het gemeentecollege niet opnieuw heeft beslist en zijn beslissing over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gezonden, wordt artikel D.IV.47 toegepast.
1° de procedure voor het verstrekken van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 regelmatig is;
2° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 met redenen omkleed is;
3° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de dwingende bepalingen getroffen krachtens het Wetboek of, bij ontstentenis, met de afwijking toegestaan overeenkomstig de artikelen D.IV.6 tot en met D.IV.13;
4° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de als indicatief beschouwde bepalingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, van het bodembestemmingsplan, van de leidraad/leidraden voor stedenbouw of van de bebouwingsvergunning, of, bij ontstentenis, of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 op een verschil overeenstemmend met artikel D.IV.5 gegrond wordt;
5° de vergunningof het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autowegen en de perceelsgewijze plannen goedgekeurd door de Regering overeenkomstig artikel 6 van die wet;
[2 6° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 voldoet aan de erfgoedvergunning voor de gevallen bedoeld in artikel D.34 van het Waalse Erfgoedwetboek, het archeologisch advies voor de gevallen bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek en artikel D.66, § 1, van hetzelfde Wetboek;]2
[2 ° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 voldoet aan de erfgoedvergunning voor de gevallen bedoeld in artikel D.34 van het Waalse Erfgoedwetboek, het archeologisch advies voor de gevallen bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek en artikel D.66, § 1, van hetzelfde Wetboek.]2
Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 1 tot en met [2 7°]2 van vorig lid, schort de gemachtigd ambtenaar de beslissing van het gemeentecollege op.
§ 2. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege wordt de opschorting door de gemachtigd ambtenaar aan de aanvrager, het gemeentecollege en de Regering gezonden. De gemachtigd ambtenaar bepaalt de aard van de onregelmatigheid in de procedure, het gebrek aan redenen, of de bepaling waarmee de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet conform is.
In zijn schrijven gericht aan het gemeentecollege, nodigt de ambtenaar het college uit om zijn beslissing in te trekken.
§ 3. Als het gemeentecollege de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 intrekt, stuurt het zijn beslissing binnen de twintig dagen na ontvangst van de opschorting aan de aanvrager, aan de gemachtigd ambtenaar en aan de Regering.
In dat geval beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na de zending van de beslissing tot intrekking opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, waarbij wordt ingegaan op de motieven van de opschorting en de intrekking, en verstuurt het zijn beslissing.
[2 Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden.]2
§ 4. Bij gebrek aan zending van de intrekking binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn kan de Regering de opschorting opheffen of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 nietig verklaren.
Binnen veertig dagen na ontvangst van de opschorting zendt de Regering de opheffing van de schorsing of de nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 aan de aanvrager, het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar.
Bij ontstentenis van zending binnen de voorziene termijn wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vernietigd.
In geval van nietigverklaring beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na ontvangst van de beslissing tot nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 of, bij gebreke daarvan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikte om haar beslissing te zenden, opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en verstuurt het zijn beslissing.
[2 Die termijn wordt met veertig dagen verlengd indien bijzondere bekendmakingsmaatregelen uitgevoerd moeten worden of indien adviezen aangevraagd moeten worden.]2
§ 5. Wanneer het gemeentecollege niet opnieuw heeft beslist en zijn beslissing over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gezonden, wordt artikel D.IV.47 toegepast.
Art. D. IV.62.§ 1er. Le fonctionnaire délégué vérifie, en ce qui concerne les permis et certificats d'urbanisme n° 2 délivrés par le collège communal, que :
1° la procédure de délivrance du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 est régulière;
2° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est motivé;
3° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur contraignante prises en vertu du Code ou, à défaut, qu'il est fondé sur une dérogation conforme aux articles, D.IV.6 à D.IV.13;
4° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur indicative du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du ou des guides d'urbanisme ou du permis d'urbanisation ou, à défaut, qu'il est fondé sur un écart conforme à l'article D.IV.5;
5° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à la loi du 12 juillet 1956 établissant le statut des autoroutes et aux plans parcellaires approuvés par le Gouvernement en application de l'article 6 de cette loi;
[2 6° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 prend adéquatement en considération les risques naturels ou les contraintes géotechniques majeurs visés à l'article D.IV.57, 3°;]2
[2 7° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à l'autorisation patrimoniale pour les cas visés à l'article D.34 du Code wallon du Patrimoine, à l'avis archéologique pour les cas visés à l'article D.62 du même Code, et à l'article D.66, § 1er, du même Code.]2
A défaut pour le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 de satisfaire aux points 1° à [2 7°]2 de l'alinéa précédent, le fonctionnaire délégué suspend la décision du collège communal.
§ 2. Dans les trente jours de la réception de la décision du collège communal, le fonctionnaire envoie la suspension au demandeur, au collège communal et au Gouvernement. Le fonctionnaire délégué précise la nature de l'irrégularité dans la procédure, le défaut de motivation ou la disposition à laquelle le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 n'est pas conforme.
Dans l'envoi au collège communal, le fonctionnaire invite celui-ci à retirer sa décision.
§ 3. Si le collège communal retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2, il envoie sa décision au demandeur, au fonctionnaire délégué et au Gouvernement dans les vingt jours de la réception de la suspension.
Dans ce cas, dans les quarante jours de l'envoi de la décision de retrait, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 en rencontrant les motifs de la suspension et du retrait et envoie sa décision.
[2 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]2
§ 4. A défaut d'envoi du retrait dans le délai visé au paragraphe 3, le Gouvernement peut lever la suspension ou annuler le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2.
Dans les quarante jours de la réception de la suspension, le Gouvernement envoie la levée de la suspension ou l'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2, au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué.
A défaut d'envoi dans le délai, le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est annulé.
En cas d'annulation, dans les quarante jours de la réception de la décision d'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai imparti au Gouvernement pour envoyer sa décision, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et envoie sa décision.
[2 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]2
§ 5. Lorsque le collège communal n'a pas statué à nouveau et envoyé sa décision sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dans le délai imparti, il est fait application de l'article D.IV.47.
1° la procédure de délivrance du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 est régulière;
2° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est motivé;
3° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur contraignante prises en vertu du Code ou, à défaut, qu'il est fondé sur une dérogation conforme aux articles, D.IV.6 à D.IV.13;
4° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur indicative du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du ou des guides d'urbanisme ou du permis d'urbanisation ou, à défaut, qu'il est fondé sur un écart conforme à l'article D.IV.5;
5° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à la loi du 12 juillet 1956 établissant le statut des autoroutes et aux plans parcellaires approuvés par le Gouvernement en application de l'article 6 de cette loi;
[2 6° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 prend adéquatement en considération les risques naturels ou les contraintes géotechniques majeurs visés à l'article D.IV.57, 3°;]2
[2 7° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à l'autorisation patrimoniale pour les cas visés à l'article D.34 du Code wallon du Patrimoine, à l'avis archéologique pour les cas visés à l'article D.62 du même Code, et à l'article D.66, § 1er, du même Code.]2
A défaut pour le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 de satisfaire aux points 1° à [2 7°]2 de l'alinéa précédent, le fonctionnaire délégué suspend la décision du collège communal.
§ 2. Dans les trente jours de la réception de la décision du collège communal, le fonctionnaire envoie la suspension au demandeur, au collège communal et au Gouvernement. Le fonctionnaire délégué précise la nature de l'irrégularité dans la procédure, le défaut de motivation ou la disposition à laquelle le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 n'est pas conforme.
Dans l'envoi au collège communal, le fonctionnaire invite celui-ci à retirer sa décision.
§ 3. Si le collège communal retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2, il envoie sa décision au demandeur, au fonctionnaire délégué et au Gouvernement dans les vingt jours de la réception de la suspension.
Dans ce cas, dans les quarante jours de l'envoi de la décision de retrait, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 en rencontrant les motifs de la suspension et du retrait et envoie sa décision.
[2 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]2
§ 4. A défaut d'envoi du retrait dans le délai visé au paragraphe 3, le Gouvernement peut lever la suspension ou annuler le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2.
Dans les quarante jours de la réception de la suspension, le Gouvernement envoie la levée de la suspension ou l'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2, au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué.
A défaut d'envoi dans le délai, le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est annulé.
En cas d'annulation, dans les quarante jours de la réception de la décision d'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai imparti au Gouvernement pour envoyer sa décision, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et envoie sa décision.
[2 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]2
§ 5. Lorsque le collège communal n'a pas statué à nouveau et envoyé sa décision sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dans le délai imparti, il est fait application de l'article D.IV.47.
Art. D. IV.62_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Wat de door het gemeentecollege afgeleverde vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 betreft, gaat [1 de Regering]1 na of :
1° de procedure voor het verstrekken van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 regelmatig is;
2° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 met redenen omkleed is;
3° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de dwingende bepalingen getroffen krachtens het Wetboek of, bij ontstentenis, met de afwijking toegestaan overeenkomstig de artikelen D.IV.6 tot en met D.IV.13;
4° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de als indicatief beschouwde bepalingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, van het bodembestemmingsplan, van de leidraad/leidraden voor stedenbouw of van de [2 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2, of, bij ontstentenis, of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 op een verschil overeenstemmend met artikel D.IV.5 gegrond wordt;
5° de vergunningof het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autowegen en de perceelsgewijze plannen goedgekeurd door de Regering overeenkomstig artikel 6 van die wet;
[1 6° de beslissing van het gemeentecollege afwijkt van het advies dat door de gemeentelijke commissie is uitgebracht in het kader van een verplichte raadpleging van laatstgenoemde;
7° als er geen gemeentelijke commissie bestaat, in de beslissing van het gemeentecollege tegemoetgekomen werd aan de individuele en gemotiveerde bemerkingen die in het kader van een overeenkomstig dit Wetboek uitgevoerd openbaar onderzoek over het project geopperd werden door:
a) 25 personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het project gelegen is als het gaat om een gemeente met minder dan 10.000 inwoners;
b) 50 personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het project gelegen is als het gaat om een gemeente met 10.000 tot 25.000 inwoners.]1
Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 1 tot en met 5° van vorig lid, schort [1 de Regering]1 de beslissing van het gemeentecollege op. [1 Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 6° en 7° van vorig lid, kan de Regering de beslissing van het gemeentecollege opschorten.]1
§ 2. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege wordt de opschorting door [1 de Regering]1 [1 aan de aanvrager en aan het gemeentecollege]1 gezonden. De [1 Regering]1 bepaalt de aard van de onregelmatigheid in de procedure, het gebrek aan redenen, of de bepaling waarmee de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet conform is.
In zijn schrijven gericht aan het gemeentecollege, nodigt [1 de Regering]1 het college uit om zijn beslissing in te trekken.
§ 3. Als het gemeentecollege de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 intrekt, stuurt het zijn beslissing binnen de twintig dagen na ontvangst van de opschorting aan de aanvrager [1 ...]1 en aan de Regering.
In dat geval beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na de zending van de beslissing tot intrekking opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, waarbij wordt ingegaan op de motieven van de opschorting en de intrekking, en verstuurt het zijn beslissing.
§ 4. Bij gebrek aan zending van de intrekking binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn kan de Regering de opschorting opheffen of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 nietig verklaren.
Binnen veertig dagen na ontvangst van de opschorting zendt de Regering de opheffing van de schorsing of de nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 [1 aan de aanvrager en aan het gemeentecollege]1.
Bij ontstentenis van zending binnen de voorziene termijn wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vernietigd.
In geval van nietigverklaring beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na ontvangst van de beslissing tot nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 of, bij gebreke daarvan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikte om haar beslissing te zenden, opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en verstuurt het zijn beslissing.
§ 5. Wanneer het gemeentecollege niet opnieuw heeft beslist en zijn beslissing over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gezonden, wordt artikel D.IV.47 toegepast.
§ 1. Wat de door het gemeentecollege afgeleverde vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 betreft, gaat [1 de Regering]1 na of :
1° de procedure voor het verstrekken van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 regelmatig is;
2° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 met redenen omkleed is;
3° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de dwingende bepalingen getroffen krachtens het Wetboek of, bij ontstentenis, met de afwijking toegestaan overeenkomstig de artikelen D.IV.6 tot en met D.IV.13;
4° de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de als indicatief beschouwde bepalingen van het ruimtelijk ontwikkelingsplan wanneer het van toepassing is, van het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, van het lokaal beleidsontwikkelingsplan, van het bodembestemmingsplan, van de leidraad/leidraden voor stedenbouw of van de [2 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2, of, bij ontstentenis, of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 op een verschil overeenstemmend met artikel D.IV.5 gegrond wordt;
5° de vergunningof het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenstemt met de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autowegen en de perceelsgewijze plannen goedgekeurd door de Regering overeenkomstig artikel 6 van die wet;
[1 6° de beslissing van het gemeentecollege afwijkt van het advies dat door de gemeentelijke commissie is uitgebracht in het kader van een verplichte raadpleging van laatstgenoemde;
7° als er geen gemeentelijke commissie bestaat, in de beslissing van het gemeentecollege tegemoetgekomen werd aan de individuele en gemotiveerde bemerkingen die in het kader van een overeenkomstig dit Wetboek uitgevoerd openbaar onderzoek over het project geopperd werden door:
a) 25 personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het project gelegen is als het gaat om een gemeente met minder dan 10.000 inwoners;
b) 50 personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het project gelegen is als het gaat om een gemeente met 10.000 tot 25.000 inwoners.]1
Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 1 tot en met 5° van vorig lid, schort [1 de Regering]1 de beslissing van het gemeentecollege op. [1 Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet voldoet aan de punten 6° en 7° van vorig lid, kan de Regering de beslissing van het gemeentecollege opschorten.]1
§ 2. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege wordt de opschorting door [1 de Regering]1 [1 aan de aanvrager en aan het gemeentecollege]1 gezonden. De [1 Regering]1 bepaalt de aard van de onregelmatigheid in de procedure, het gebrek aan redenen, of de bepaling waarmee de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 niet conform is.
In zijn schrijven gericht aan het gemeentecollege, nodigt [1 de Regering]1 het college uit om zijn beslissing in te trekken.
§ 3. Als het gemeentecollege de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 intrekt, stuurt het zijn beslissing binnen de twintig dagen na ontvangst van de opschorting aan de aanvrager [1 ...]1 en aan de Regering.
In dat geval beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na de zending van de beslissing tot intrekking opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2, waarbij wordt ingegaan op de motieven van de opschorting en de intrekking, en verstuurt het zijn beslissing.
§ 4. Bij gebrek aan zending van de intrekking binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn kan de Regering de opschorting opheffen of de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 nietig verklaren.
Binnen veertig dagen na ontvangst van de opschorting zendt de Regering de opheffing van de schorsing of de nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 [1 aan de aanvrager en aan het gemeentecollege]1.
Bij ontstentenis van zending binnen de voorziene termijn wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vernietigd.
In geval van nietigverklaring beslist het gemeentecollege binnen veertig dagen na ontvangst van de beslissing tot nietigverklaring van de vergunning of van het stedenbouwkundig attest nr. 2 of, bij gebreke daarvan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikte om haar beslissing te zenden, opnieuw over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en verstuurt het zijn beslissing.
§ 5. Wanneer het gemeentecollege niet opnieuw heeft beslist en zijn beslissing over de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gezonden, wordt artikel D.IV.47 toegepast.
Art. D. IV.62_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le [1 Gouvernement]1 vérifie, en ce qui concerne les permis et certificats d'urbanisme n° 2 délivrés par le collège communal, que :
1° la procédure de délivrance du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 est régulière;
2° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est motivé;
3° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur contraignante prises en vertu du Code ou, à défaut, qu'il est fondé sur une dérogation conforme aux articles, D.IV.6 à D.IV.13;
4° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur indicative du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du ou des guides d'urbanisme ou du [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2 ou, à défaut, qu'il est fondé sur un écart conforme à l'article D.IV.5;
5° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à la loi du 12 juillet 1956 établissant le statut des autoroutes et aux plans parcellaires approuvés par le Gouvernement en application de l'article 6 de cette loi;
[1 6° si la décision du collège communal déroge à l'avis rendu par la commission communale dans le cadre d'une consultation obligatoire;
7° dans le cas où il n'existe pas de commission communale, si la décision du collège communal a tenu compte des remarques personnelles et motivées qui, lors d'une enquête publique menée à propos du projet en application du présent Code, ont été exprimées par :
a) 25 personnes, inscrites au registre de la population de la commune dans laquelle se situe le projet, pour une commune de moins de 10.000 habitants;
b) 50 personnes, inscrites au registre de la population de la commune dans laquelle se situe le projet, pour une commune de 10.000 à 25.000 habitants.]1
A défaut pour le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 de satisfaire aux points 1° à 5° de l'alinéa précédent, le [1 Gouvernement]1 suspend la décision du collège communal. [1 Si le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne répond pas aux 6° et 7° de l'alinéa précédent, le Gouvernement peut suspendre la décision du collège communal.]1
§ 2. Dans les trente jours de la réception de la décision du collège communal, [1 le Gouvernement envoie la suspension au demandeur et au collège communal. Le Gouvernement]1 précise la nature de l'irrégularité dans la procédure, le défaut de motivation ou la disposition à laquelle le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 n'est pas conforme.
Dans l'envoi au collège communal, le [1 Gouvernement]1 invite celui-ci à retirer sa décision.
§ 3. Si le collège communal retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2, il envoie sa décision au demandeur [1 ...]1 et au Gouvernement dans les vingt jours de la réception de la suspension.
Dans ce cas, dans les quarante jours de l'envoi de la décision de retrait, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 en rencontrant les motifs de la suspension et du retrait et envoie sa décision.
§ 4. A défaut d'envoi du retrait dans le délai visé au paragraphe 3, le Gouvernement peut lever la suspension ou annuler le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2.
Dans les quarante jours de la réception de la suspension, le Gouvernement envoie la levée de la suspension ou l'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2, [1 au demandeur et]1 au collège communal [1 ...]1.
A défaut d'envoi dans le délai, le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est annulé.
En cas d'annulation, dans les quarante jours de la réception de la décision d'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai imparti au Gouvernement pour envoyer sa décision, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et envoie sa décision.
§ 5. Lorsque le collège communal n'a pas statué à nouveau et envoyé sa décision sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dans le délai imparti, il est fait application de l'article D.IV.47.
§ 1er. Le [1 Gouvernement]1 vérifie, en ce qui concerne les permis et certificats d'urbanisme n° 2 délivrés par le collège communal, que :
1° la procédure de délivrance du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 est régulière;
2° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est motivé;
3° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur contraignante prises en vertu du Code ou, à défaut, qu'il est fondé sur une dérogation conforme aux articles, D.IV.6 à D.IV.13;
4° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme aux dispositions à valeur indicative du schéma de développement du territoire lorsqu'il s'applique, du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, du schéma d'orientation local, de la carte d'affectation des sols, du ou des guides d'urbanisme ou du [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2 ou, à défaut, qu'il est fondé sur un écart conforme à l'article D.IV.5;
5° le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est conforme à la loi du 12 juillet 1956 établissant le statut des autoroutes et aux plans parcellaires approuvés par le Gouvernement en application de l'article 6 de cette loi;
[1 6° si la décision du collège communal déroge à l'avis rendu par la commission communale dans le cadre d'une consultation obligatoire;
7° dans le cas où il n'existe pas de commission communale, si la décision du collège communal a tenu compte des remarques personnelles et motivées qui, lors d'une enquête publique menée à propos du projet en application du présent Code, ont été exprimées par :
a) 25 personnes, inscrites au registre de la population de la commune dans laquelle se situe le projet, pour une commune de moins de 10.000 habitants;
b) 50 personnes, inscrites au registre de la population de la commune dans laquelle se situe le projet, pour une commune de 10.000 à 25.000 habitants.]1
A défaut pour le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 de satisfaire aux points 1° à 5° de l'alinéa précédent, le [1 Gouvernement]1 suspend la décision du collège communal. [1 Si le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 ne répond pas aux 6° et 7° de l'alinéa précédent, le Gouvernement peut suspendre la décision du collège communal.]1
§ 2. Dans les trente jours de la réception de la décision du collège communal, [1 le Gouvernement envoie la suspension au demandeur et au collège communal. Le Gouvernement]1 précise la nature de l'irrégularité dans la procédure, le défaut de motivation ou la disposition à laquelle le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 n'est pas conforme.
Dans l'envoi au collège communal, le [1 Gouvernement]1 invite celui-ci à retirer sa décision.
§ 3. Si le collège communal retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2, il envoie sa décision au demandeur [1 ...]1 et au Gouvernement dans les vingt jours de la réception de la suspension.
Dans ce cas, dans les quarante jours de l'envoi de la décision de retrait, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 en rencontrant les motifs de la suspension et du retrait et envoie sa décision.
§ 4. A défaut d'envoi du retrait dans le délai visé au paragraphe 3, le Gouvernement peut lever la suspension ou annuler le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2.
Dans les quarante jours de la réception de la suspension, le Gouvernement envoie la levée de la suspension ou l'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2, [1 au demandeur et]1 au collège communal [1 ...]1.
A défaut d'envoi dans le délai, le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 est annulé.
En cas d'annulation, dans les quarante jours de la réception de la décision d'annulation du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai imparti au Gouvernement pour envoyer sa décision, le collège communal statue à nouveau sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et envoie sa décision.
§ 5. Lorsque le collège communal n'a pas statué à nouveau et envoyé sa décision sur la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dans le délai imparti, il est fait application de l'article D.IV.47.
HOOFDSTUK IX. - Beroep
CHAPITRE IX. - Recours
Afdeling 1. - Beroepsgerechtigden
Section 1re. - Titulaires du droit de recours
Art. D. IV.63.§ 1. De aanvrager kan per schrijven aan het adres van de directeur-generaal [2 van de Administratie]2 een met redenen omkleed beroep bij de Regering indienen binnen dertig dagen :
1° ofwel na de ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege bedoeld in artikel D.IV.46 [2 ,]2 D.IV.62 [2 en D.IV.91]2;
2° ofwel na de ontvangst van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.47, § 1 [2 ...]2;
3° ofwel na de ontvangst van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.48;
4° ofwel, bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de termijnen bedoeld respectievelijk in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91, overeenkomstig artikel D.IV.48, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om zijn beslissing te zenden.
Het beroep omvat een formulier waarvan het model door de Regering wordt bepaald, een afschrift van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of een afschrift van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 indien het geen plan omvat, en een afschrift van de beslissing waartegen een beroep is ingediend, indien ze bestaat.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel D.IV.47, § 1 en § 3, verzoekt de Regering, wanneer de vergunning verworpen geacht wordt of wanneer stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht wordt, de aanvrager om hem te bevestigen dat hij wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt. Het verzoek van de Regering wordt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel D.IV.47, § 1 of § 3, bedoelde termijn gezonden.
Binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de Regering zendt de aanvrager de bevestiging alsook vier afschriften van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of vier afschriften van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, indien het geen plan omvat.
Wanneer de aanvrager de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn verzendt, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen te rekenen van de ontvangst ervan. Bij gebrek aan zending van de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn of wanneer de aanvrager niet wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt, wordt het dossier gesloten.
Bij gebrek aan zending van de aanvraag van de Regering binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan de aanvrager op eigen initiatief de Regering erom verzoeken zijn beroep te behandelen. Wanneer de aanvrager de Regering verzoekt om zijn beroep te behandelen, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen na ontvangst van die aanvraag.
§ 3. [2 § 3. Het beroep heeft geen betrekking op de inhoud van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48, het voorafgaand archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 of de beslissing bedoeld in artikel D.67, § 2, van het Waalse Erfgoedwetboek]2.
[1 § 4. Het beroep heeft geen betrekking op de inhoud van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48, het voorafgaand archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 of de beslissing bedoeld in artikel D.67, § 2, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
1° ofwel na de ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege bedoeld in artikel D.IV.46 [2 ,]2 D.IV.62 [2 en D.IV.91]2;
2° ofwel na de ontvangst van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.47, § 1 [2 ...]2;
3° ofwel na de ontvangst van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.48;
4° ofwel, bij gebrek aan zending van de beslissing van de gemachtigd ambtenaar binnen de termijnen bedoeld respectievelijk in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91, overeenkomstig artikel D.IV.48, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover hij beschikte om zijn beslissing te zenden.
Het beroep omvat een formulier waarvan het model door de Regering wordt bepaald, een afschrift van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of een afschrift van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 indien het geen plan omvat, en een afschrift van de beslissing waartegen een beroep is ingediend, indien ze bestaat.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel D.IV.47, § 1 en § 3, verzoekt de Regering, wanneer de vergunning verworpen geacht wordt of wanneer stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht wordt, de aanvrager om hem te bevestigen dat hij wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt. Het verzoek van de Regering wordt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel D.IV.47, § 1 of § 3, bedoelde termijn gezonden.
Binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de Regering zendt de aanvrager de bevestiging alsook vier afschriften van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of vier afschriften van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, indien het geen plan omvat.
Wanneer de aanvrager de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn verzendt, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen te rekenen van de ontvangst ervan. Bij gebrek aan zending van de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn of wanneer de aanvrager niet wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt, wordt het dossier gesloten.
Bij gebrek aan zending van de aanvraag van de Regering binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan de aanvrager op eigen initiatief de Regering erom verzoeken zijn beroep te behandelen. Wanneer de aanvrager de Regering verzoekt om zijn beroep te behandelen, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen na ontvangst van die aanvraag.
§ 3. [2 § 3. Het beroep heeft geen betrekking op de inhoud van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48, het voorafgaand archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 of de beslissing bedoeld in artikel D.67, § 2, van het Waalse Erfgoedwetboek]2.
[1 § 4. Het beroep heeft geen betrekking op de inhoud van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48, het voorafgaand archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 of de beslissing bedoeld in artikel D.67, § 2, van het Waalse Erfgoedwetboek.]1
Art. D. IV.63.§ 1er. Le demandeur peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement par envoi à l'adresse du directeur général de [2 l'administration]2 dans les trente jours :
1° soit de la réception de la décision du collège communal visée à l'article D.IV.46 ,[2 ...]2 D.IV.62 [2 et D.IV.91]2;
2° soit de la réception de la décision du fonctionnaire délégué visée à l'article D.IV.47, § 1er [2 ...]2;
3° soit de la réception de la décision du fonctionnaire délégué visée à l'article D.IV.48;
4° soit, en l'absence d'envoi de la décision du fonctionnaire délégué dans les délais visés respectivement aux articles D.IV.48 ou D.IV.91, en application de l'article D.IV.48, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer sa décision.
Le recours contient un formulaire dont le modèle est fixé par le Gouvernement, une copie des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou une copie de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, et une copie de la décision dont recours si elle existe.
§ 2. Dans les cas visés à l'article D.IV.47, § 1er et § 3, lorsque le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable, le Gouvernement invite le demandeur à lui confirmer qu'il souhaite que sa demande soit instruite. La demande du Gouvernement est envoyée dans les quinze jours de l'échéance du délai visé à l'article D.IV.47, § 1er ou § 3.
Le demandeur envoie la confirmation ainsi que quatre copies des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, ou quatre copies de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement.
Lorsque le demandeur envoie la confirmation dans le délai imparti, les délais d'instruction et de décision courent à dater de sa réception. A défaut d'envoi de la confirmation dans le délai imparti ou lorsque le demandeur ne souhaite pas que sa demande soit instruite, le dossier est clôturé.
A défaut d'envoi de la demande du Gouvernement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le demandeur peut, d'initiative, inviter le Gouvernement à instruire son recours. Lorsque le demandeur invite le Gouvernement à instruire son recours, les délais d'instruction et de décision courent à dater de la réception de cette demande.
§ 3. [2 Le recours ne porte pas sur le contenu de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48, de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 ou de la décision visée à l'article D.67, § 2, du Code wallon du Patrimoine]2.
[1 § 4. Le recours ne porte pas sur le contenu de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48, de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 ou de la décision visée à l'article D.67, § 2, du Code wallon du Patrimoine.]1
1° soit de la réception de la décision du collège communal visée à l'article D.IV.46 ,[2 ...]2 D.IV.62 [2 et D.IV.91]2;
2° soit de la réception de la décision du fonctionnaire délégué visée à l'article D.IV.47, § 1er [2 ...]2;
3° soit de la réception de la décision du fonctionnaire délégué visée à l'article D.IV.48;
4° soit, en l'absence d'envoi de la décision du fonctionnaire délégué dans les délais visés respectivement aux articles D.IV.48 ou D.IV.91, en application de l'article D.IV.48, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer sa décision.
Le recours contient un formulaire dont le modèle est fixé par le Gouvernement, une copie des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou une copie de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, et une copie de la décision dont recours si elle existe.
§ 2. Dans les cas visés à l'article D.IV.47, § 1er et § 3, lorsque le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable, le Gouvernement invite le demandeur à lui confirmer qu'il souhaite que sa demande soit instruite. La demande du Gouvernement est envoyée dans les quinze jours de l'échéance du délai visé à l'article D.IV.47, § 1er ou § 3.
Le demandeur envoie la confirmation ainsi que quatre copies des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, ou quatre copies de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement.
Lorsque le demandeur envoie la confirmation dans le délai imparti, les délais d'instruction et de décision courent à dater de sa réception. A défaut d'envoi de la confirmation dans le délai imparti ou lorsque le demandeur ne souhaite pas que sa demande soit instruite, le dossier est clôturé.
A défaut d'envoi de la demande du Gouvernement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le demandeur peut, d'initiative, inviter le Gouvernement à instruire son recours. Lorsque le demandeur invite le Gouvernement à instruire son recours, les délais d'instruction et de décision courent à dater de la réception de cette demande.
§ 3. [2 Le recours ne porte pas sur le contenu de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48, de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 ou de la décision visée à l'article D.67, § 2, du Code wallon du Patrimoine]2.
[1 § 4. Le recours ne porte pas sur le contenu de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48, de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 ou de la décision visée à l'article D.67, § 2, du Code wallon du Patrimoine.]1
Art. D. IV.63_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De aanvrager kan [1 per zending of tegen [2 indieningsbewijs]2]1 een met redenen omkleed beroep bij de Regering indienen binnen dertig dagen :
1° ofwel na de ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege bedoeld in artikel D.IV.46 en D.IV.62;
2° ofwel na de ontvangst van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering bedoeld in artikel D.IV.47, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid]1;
3° ofwel na de ontvangst van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1;
4° ofwel, bij gebrek aan zending van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 binnen de termijnen bedoeld respectievelijk in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91, overeenkomstig artikel D.IV.48, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover [1 zij beschikte om haar beslissing]1 te zenden [2 ;]2
[2 5° ofwel na ontvangst van de beslissing van de Regering bedoeld in D.IV.109.11;
6° ofwel na ontvangst van de beslissing van de Regering bedoeld in D.VII.18, § 2.]2
Het beroep omvat een formulier waarvan het model door de Regering wordt bepaald, een afschrift van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of een afschrift van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 indien het geen plan omvat, en een afschrift van de beslissing waartegen een beroep is ingediend, indien ze bestaat.
[2 De aanvrager kan [3 wijzigingsdocumenten]3 en een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek bij zijn beroep voegen, als die een antwoord bieden op de opmerkingen die in eerste instantie werden gemaakt.]2
§ 2. In de gevallen bedoeld in [2 artikel D.IV.47]2, verzoekt de Regering, wanneer de vergunning verworpen geacht wordt of wanneer stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht wordt, de aanvrager om hem te bevestigen dat hij wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt. Het verzoek van de Regering wordt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel D.IV.47, § 1 of § 3, bedoelde termijn gezonden.
Binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de Regering zendt de aanvrager de bevestiging alsook vier afschriften van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of vier afschriften van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, indien het geen plan omvat.
Wanneer de aanvrager de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn verzendt, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen te rekenen van de ontvangst ervan. Bij gebrek aan zending van de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn of wanneer de aanvrager niet wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt, wordt het dossier gesloten.
Bij gebrek aan zending van de aanvraag van de Regering binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan de aanvrager op eigen initiatief de Regering erom verzoeken zijn beroep te behandelen. Wanneer de aanvrager de Regering verzoekt om zijn beroep te behandelen, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen na ontvangst van die aanvraag.
§ 3. [2 ...]2
[4 § 4 - Bij de indiening van het beroep worden dossierkosten geïnd.
De Regering bepaalt het bedrag van de dossierkosten en de nadere regels voor de betaling ervan.
De som wordt betaald ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
§ 5 - Op straffe van onontvankelijkheid bevat het beroep het bewijs dat de dossierkosten waarin § 4 voorziet, betaald zijn.]4
§ 1. De aanvrager kan [1 per zending of tegen [2 indieningsbewijs]2]1 een met redenen omkleed beroep bij de Regering indienen binnen dertig dagen :
1° ofwel na de ontvangst van de beslissing van het gemeentecollege bedoeld in artikel D.IV.46 en D.IV.62;
2° ofwel na de ontvangst van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering bedoeld in artikel D.IV.47, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid]1;
3° ofwel na de ontvangst van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1;
4° ofwel, bij gebrek aan zending van [1 de in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 binnen de termijnen bedoeld respectievelijk in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91, overeenkomstig artikel D.IV.48, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover [1 zij beschikte om haar beslissing]1 te zenden [2 ;]2
[2 5° ofwel na ontvangst van de beslissing van de Regering bedoeld in D.IV.109.11;
6° ofwel na ontvangst van de beslissing van de Regering bedoeld in D.VII.18, § 2.]2
Het beroep omvat een formulier waarvan het model door de Regering wordt bepaald, een afschrift van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of een afschrift van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 indien het geen plan omvat, en een afschrift van de beslissing waartegen een beroep is ingediend, indien ze bestaat.
[2 De aanvrager kan [3 wijzigingsdocumenten]3 en een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek bij zijn beroep voegen, als die een antwoord bieden op de opmerkingen die in eerste instantie werden gemaakt.]2
§ 2. In de gevallen bedoeld in [2 artikel D.IV.47]2, verzoekt de Regering, wanneer de vergunning verworpen geacht wordt of wanneer stedenbouwkundig attest nr. 2 ongunstig geacht wordt, de aanvrager om hem te bevestigen dat hij wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt. Het verzoek van de Regering wordt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel D.IV.47, § 1 of § 3, bedoelde termijn gezonden.
Binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag van de Regering zendt de aanvrager de bevestiging alsook vier afschriften van de plannen van de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 of vier afschriften van de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2, indien het geen plan omvat.
Wanneer de aanvrager de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn verzendt, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen te rekenen van de ontvangst ervan. Bij gebrek aan zending van de bevestiging binnen de voorgeschreven termijn of wanneer de aanvrager niet wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt, wordt het dossier gesloten.
Bij gebrek aan zending van de aanvraag van de Regering binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan de aanvrager op eigen initiatief de Regering erom verzoeken zijn beroep te behandelen. Wanneer de aanvrager de Regering verzoekt om zijn beroep te behandelen, lopen de behandelings- en beslissingstermijnen na ontvangst van die aanvraag.
§ 3. [2 ...]2
[4 § 4 - Bij de indiening van het beroep worden dossierkosten geïnd.
De Regering bepaalt het bedrag van de dossierkosten en de nadere regels voor de betaling ervan.
De som wordt betaald ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
§ 5 - Op straffe van onontvankelijkheid bevat het beroep het bewijs dat de dossierkosten waarin § 4 voorziet, betaald zijn.]4
Art. D. IV.63_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le demandeur peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement par envoi [1 ou contre [2 avis de dépôt]2]1 dans les trente jours :
1° soit de la réception de la décision du collège communal visée à l'article D.IV.46 et D.IV.62;
2° [1 soit de la réception de la décision visée à l'article D.IV.47, § 1er, alinéa 2 ou § 2, alinéa 1er, prise par le Gouvernement en première instance;]1
3° [1 soit de la réception de la décision visée à l'article D.IV.48 prise par le Gouvernement en première instance;]1
4° soit, en l'absence d'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1dans les délais visés respectivement aux articles D.IV.48 ou D.IV.91, en application de l'article D.IV.48, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer [1 la décision qu'il a prise en première instance]1 [2 ;]2
[2 5° soit de la réception de la décision du Gouvernement visée à l'article D.IV.109.11;
6° soit de la réception de la décision du Gouvernement visée à l'article D.VII.18, § 2.]2
Le recours contient un formulaire dont le modèle est fixé par le Gouvernement, une copie des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou une copie de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, et une copie de la décision dont recours si elle existe.
[2 Le demandeur peut joindre à son recours des [3 documents modificatifs]3 et le complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences s'ils constituent une réponse aux remarques mentionnées en première instance.]2
§ 2. Dans les cas visés à [2 l'article D.IV.47]2, lorsque le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable, le Gouvernement invite le demandeur à lui confirmer qu'il souhaite que sa demande soit instruite. La demande du Gouvernement est envoyée dans les quinze jours de l'échéance du délai visé à l'article D.IV.47, § 1er ou § 3.
Le demandeur envoie la confirmation ainsi que quatre copies des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, ou quatre copies de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement.
Lorsque le demandeur envoie la confirmation dans le délai imparti, les délais d'instruction et de décision courent à dater de sa réception. A défaut d'envoi de la confirmation dans le délai imparti ou lorsque le demandeur ne souhaite pas que sa demande soit instruite, le dossier est clôturé.
A défaut d'envoi de la demande du Gouvernement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le demandeur peut, d'initiative, inviter le Gouvernement à instruire son recours. Lorsque le demandeur invite le Gouvernement à instruire son recours, les délais d'instruction et de décision courent à dater de la réception de cette demande.
§ 3. [2 ...]2
[4 § 4 - Des frais de dossier sont prélevés pour l'introduction du recours.
Le Gouvernement fixe le montant des frais de dossier ainsi que les modalités de paiement.
Le paiement de la somme s'effectue en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
§ 5 - Sous peine d'irrecevabilité, le recours doit comporter la preuve du paiement des frais de dossier prévus au § 4.]4
§ 1er. Le demandeur peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement par envoi [1 ou contre [2 avis de dépôt]2]1 dans les trente jours :
1° soit de la réception de la décision du collège communal visée à l'article D.IV.46 et D.IV.62;
2° [1 soit de la réception de la décision visée à l'article D.IV.47, § 1er, alinéa 2 ou § 2, alinéa 1er, prise par le Gouvernement en première instance;]1
3° [1 soit de la réception de la décision visée à l'article D.IV.48 prise par le Gouvernement en première instance;]1
4° soit, en l'absence d'envoi de la décision du [1 Gouvernement]1dans les délais visés respectivement aux articles D.IV.48 ou D.IV.91, en application de l'article D.IV.48, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer [1 la décision qu'il a prise en première instance]1 [2 ;]2
[2 5° soit de la réception de la décision du Gouvernement visée à l'article D.IV.109.11;
6° soit de la réception de la décision du Gouvernement visée à l'article D.VII.18, § 2.]2
Le recours contient un formulaire dont le modèle est fixé par le Gouvernement, une copie des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 ou une copie de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, et une copie de la décision dont recours si elle existe.
[2 Le demandeur peut joindre à son recours des [3 documents modificatifs]3 et le complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ou d'étude d'incidences s'ils constituent une réponse aux remarques mentionnées en première instance.]2
§ 2. Dans les cas visés à [2 l'article D.IV.47]2, lorsque le permis est réputé refusé ou le certificat d'urbanisme n° 2 est réputé défavorable, le Gouvernement invite le demandeur à lui confirmer qu'il souhaite que sa demande soit instruite. La demande du Gouvernement est envoyée dans les quinze jours de l'échéance du délai visé à l'article D.IV.47, § 1er ou § 3.
Le demandeur envoie la confirmation ainsi que quatre copies des plans de la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2, ou quatre copies de la demande de certificat d'urbanisme n° 2 si elle ne contient pas de plan, dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement.
Lorsque le demandeur envoie la confirmation dans le délai imparti, les délais d'instruction et de décision courent à dater de sa réception. A défaut d'envoi de la confirmation dans le délai imparti ou lorsque le demandeur ne souhaite pas que sa demande soit instruite, le dossier est clôturé.
A défaut d'envoi de la demande du Gouvernement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le demandeur peut, d'initiative, inviter le Gouvernement à instruire son recours. Lorsque le demandeur invite le Gouvernement à instruire son recours, les délais d'instruction et de décision courent à dater de la réception de cette demande.
§ 3. [2 ...]2
[4 § 4 - Des frais de dossier sont prélevés pour l'introduction du recours.
Le Gouvernement fixe le montant des frais de dossier ainsi que les modalités de paiement.
Le paiement de la somme s'effectue en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
§ 5 - Sous peine d'irrecevabilité, le recours doit comporter la preuve du paiement des frais de dossier prévus au § 4.]4
Art. D. IV.64. Wanneer het gemeentecollege niet de aanvrager is, kan het een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen binnen dertig dagen na ontvangst van de in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91 bedoelde beslissing van de gemachtigd ambtenaar die overeenkomstig artikel D.IV.48 genomen is en die een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 toekent. Het beroep wordt tegelijkertijd aan de aanvrager en aan de gemachtigd ambtenaar gezonden.
Art. D. IV.64. Le collège communal, lorsqu'il n'est pas le demandeur, peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement dans les trente jours de la réception de la décision du fonctionnaire délégué visée aux articles D.IV.48 ou D.IV.91 prise en application de l'article D.IV.48 octroyant un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2. Le recours est envoyé simultanément au demandeur et au fonctionnaire délégué.
Art. D. IV.64_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer het gemeentecollege niet de aanvrager is, kan het een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen binnen dertig dagen na ontvangst van de in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91 bedoelde [1 in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 die overeenkomstig artikel D.IV.48 genomen is en die een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 toekent. Het beroep wordt tegelijkertijd aan de aanvrager [1 ...]1 gezonden.
Wanneer het gemeentecollege niet de aanvrager is, kan het een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen binnen dertig dagen na ontvangst van de in de artikelen D.IV.48 of D.IV.91 bedoelde [1 in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 die overeenkomstig artikel D.IV.48 genomen is en die een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 toekent. Het beroep wordt tegelijkertijd aan de aanvrager [1 ...]1 gezonden.
Art. D. IV.64_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le collège communal, lorsqu'il n'est pas le demandeur, peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement dans les trente jours de la réception [1 ...]1 visée aux articles D.IV.48 ou D.IV.91 prise [1 par le Gouvernement en première instance]1 en application de l'article D.IV.48 octroyant un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2. Le recours est envoyé simultanément au demandeur [1 ...]1.
Le collège communal, lorsqu'il n'est pas le demandeur, peut introduire un recours motivé auprès du Gouvernement dans les trente jours de la réception [1 ...]1 visée aux articles D.IV.48 ou D.IV.91 prise [1 par le Gouvernement en première instance]1 en application de l'article D.IV.48 octroyant un permis ou un certificat d'urbanisme n° 2. Le recours est envoyé simultanément au demandeur [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.65. De gemachtigd ambtenaar kan binnen dertig dagen na ontvangst ervan een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen tegen de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 :
1° indien de beslissing van het gemeentecollege afwijkt van het advies dat door de gemeentelijke commissie is uitgebracht in het kader van een verplichte raadpleging van laatstgenoemde;
2° bij gebreke van een gemeentelijke commissie, wanneer bij gelegenheid van het openbaar onderzoek ingericht overeenkomstig het Wetboek individuele en gemotiveerde bemerkingen over het ontwerp gedurende genoemd onderzoek werden geopperd en niet aan die bemerkingen tegemoet werd gekomen bij beslissing van het college door :
a) vijfentwintig personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van minstens tienduizend inwoners betreft;
b) vijftig personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van tienduizend tot vijfentwintigduizend inwoners betreft;
c) honderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van vijfentwintigduizend tot vijftigduizend inwoners betreft;
d) tweehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van vijftigduizend tot honderdduizend inwoners betreft;
e) driehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van meer dan honderdduizend inwoners betreft.
De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vermeldt de bepalingen van dit artikel.
Het beroep wordt tegelijkertijd aan het gemeentecollege en aan de aanvrager gezonden. Een afschrift van het beroep wordt aan de projectontwerper gezonden.
1° indien de beslissing van het gemeentecollege afwijkt van het advies dat door de gemeentelijke commissie is uitgebracht in het kader van een verplichte raadpleging van laatstgenoemde;
2° bij gebreke van een gemeentelijke commissie, wanneer bij gelegenheid van het openbaar onderzoek ingericht overeenkomstig het Wetboek individuele en gemotiveerde bemerkingen over het ontwerp gedurende genoemd onderzoek werden geopperd en niet aan die bemerkingen tegemoet werd gekomen bij beslissing van het college door :
a) vijfentwintig personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van minstens tienduizend inwoners betreft;
b) vijftig personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van tienduizend tot vijfentwintigduizend inwoners betreft;
c) honderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van vijfentwintigduizend tot vijftigduizend inwoners betreft;
d) tweehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van vijftigduizend tot honderdduizend inwoners betreft;
e) driehonderd personen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het ontwerp gelegen is als het een gemeente van meer dan honderdduizend inwoners betreft.
De vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 vermeldt de bepalingen van dit artikel.
Het beroep wordt tegelijkertijd aan het gemeentecollege en aan de aanvrager gezonden. Een afschrift van het beroep wordt aan de projectontwerper gezonden.
Art. D. IV.65. Le fonctionnaire délégué peut, dans les trente jours de sa réception, introduire un recours motivé auprès du Gouvernement contre le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 :
1° lorsque la décision du collège communal est divergente de l'avis émis par la commission communale dans le cadre d'une consultation obligatoire de celle-ci;
2° en l'absence de commission communale, lorsqu'à l'occasion de l'enquête publique organisée en application du Code, ont émis des observations individuelles et motivées relatives au projet durant ladite enquête et que ces observations ne sont pas rencontrées par la décision du collège soit :
a) vingt-cinq personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant moins de dix mille habitants;
b) cinquante personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de dix mille à vingt-cinq mille habitants;
c) cent personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de vingt-cinq mille à cinquante mille habitants;
d) deux cents personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de cinquante mille à cent mille habitants;
e) trois cents personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant plus de cent mille habitants.
Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 reproduit le présent article.
Le recours est envoyé simultanément au collège communal et au demandeur. Une copie du recours est envoyée à l'auteur de projet.
1° lorsque la décision du collège communal est divergente de l'avis émis par la commission communale dans le cadre d'une consultation obligatoire de celle-ci;
2° en l'absence de commission communale, lorsqu'à l'occasion de l'enquête publique organisée en application du Code, ont émis des observations individuelles et motivées relatives au projet durant ladite enquête et que ces observations ne sont pas rencontrées par la décision du collège soit :
a) vingt-cinq personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant moins de dix mille habitants;
b) cinquante personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de dix mille à vingt-cinq mille habitants;
c) cent personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de vingt-cinq mille à cinquante mille habitants;
d) deux cents personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant de cinquante mille à cent mille habitants;
e) trois cents personnes inscrites au registre de la population de la commune où le projet est situé s'il s'agit d'une commune comptant plus de cent mille habitants.
Le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 reproduit le présent article.
Le recours est envoyé simultanément au collège communal et au demandeur. Une copie du recours est envoyée à l'auteur de projet.
Art. D. IV.65_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. IV.65_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Art. D. IV.66.Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep bezorgt de Regering of de persoon die ze daartoe machtigt :
1° aan de persoon die het beroep instelde of aan de aanvrager die wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt : een ontvangstbewijs met de datum waarop de hoorzitting [3 in aanwezigheid van de adviescommissie over de beroepen]3 plaatsvindt;
2° aan de andere partijen : een afschrift van het dossier betreffende het beroep en het verzoek tot verhoor.
De Regering wint het advies in van de commissie en, in de vijfenveertig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep, verzoekt de aanvrager, het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of hun vertegenwoordigers, het bestuur evenals de commissie, om op de hoorzitting te verschijnen.
[2 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkaardig goed, gelegen in een beschermingszone, of met stippen opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris krachtens het Waalse Erfgoedwetboek, of wanneer de aanvraag wordt ingediend met betrekking tot een vergunning waarvan de uitvoering onderworpen is aan het uitvoeren van archeologische verrichtingen krachtens artikel D.66, § 1, en D.67,
§ 1, van hetzelfde Wetboek, nodigt de Regering de erfgoedadministratie uit. Wanneer de aanvraag het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen, wordt de Commissie door de Regering uitgenodigd.]2
Uiterlijk tien dagen voor het houden van de hoorzitting stuurt het bestuur een eerste analyse van het beroep gegrond op de gegevens die in dat stadium van de procedure deel uitmaken van het dossier alsook het kader m.b.t. het ontwerp aan de verzochte personen en instanties, namelijk :
1° de toestand en, in voorkomend geval, de afwijkingen of verschillen ten opzichte van het gewestplan, van de ontwikkelingsplannen en van het bodembestemmingsplan, ten opzichte van de leidraden voor stedenbouw of van een bebouwingsvergunning;
2° [2 indien het een geklasseerd of gelijkgesteld goed betreft, gelegen is in een beschermingszone of met stippen opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris overeenkomstig het Waalse Erfgoedwetboek, zijn ligging binnen een omtrekbedoeld in de artikelen D.V.I, D.V.7 of D.V.9, in een onteigeningsplan of indien het goed bedoeld is in artikel D.IV.57]2.
Tijdens de hoorzitting kunnen de verzochte personen of instanties een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten, na het tijdens een uiteenzetting geduid te hebben, bij het dossier voegen.
Binnen acht dagen na de hoorzitting maakt de adviescommissie tegelijkertijd zijn advies aan het bestuur en aan de Regering over. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
De modaliteiten voor de behandeling van de beroepen kunnen door de Regering worden bepaald.
1° aan de persoon die het beroep instelde of aan de aanvrager die wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt : een ontvangstbewijs met de datum waarop de hoorzitting [3 in aanwezigheid van de adviescommissie over de beroepen]3 plaatsvindt;
2° aan de andere partijen : een afschrift van het dossier betreffende het beroep en het verzoek tot verhoor.
De Regering wint het advies in van de commissie en, in de vijfenveertig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep, verzoekt de aanvrager, het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of hun vertegenwoordigers, het bestuur evenals de commissie, om op de hoorzitting te verschijnen.
[2 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een geklasseerd of gelijkaardig goed, gelegen in een beschermingszone, of met stippen opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris krachtens het Waalse Erfgoedwetboek, of wanneer de aanvraag wordt ingediend met betrekking tot een vergunning waarvan de uitvoering onderworpen is aan het uitvoeren van archeologische verrichtingen krachtens artikel D.66, § 1, en D.67,
§ 1, van hetzelfde Wetboek, nodigt de Regering de erfgoedadministratie uit. Wanneer de aanvraag het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen, wordt de Commissie door de Regering uitgenodigd.]2
Uiterlijk tien dagen voor het houden van de hoorzitting stuurt het bestuur een eerste analyse van het beroep gegrond op de gegevens die in dat stadium van de procedure deel uitmaken van het dossier alsook het kader m.b.t. het ontwerp aan de verzochte personen en instanties, namelijk :
1° de toestand en, in voorkomend geval, de afwijkingen of verschillen ten opzichte van het gewestplan, van de ontwikkelingsplannen en van het bodembestemmingsplan, ten opzichte van de leidraden voor stedenbouw of van een bebouwingsvergunning;
2° [2 indien het een geklasseerd of gelijkgesteld goed betreft, gelegen is in een beschermingszone of met stippen opgenomen in de gewestelijke erfgoedinventaris overeenkomstig het Waalse Erfgoedwetboek, zijn ligging binnen een omtrekbedoeld in de artikelen D.V.I, D.V.7 of D.V.9, in een onteigeningsplan of indien het goed bedoeld is in artikel D.IV.57]2.
Tijdens de hoorzitting kunnen de verzochte personen of instanties een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten, na het tijdens een uiteenzetting geduid te hebben, bij het dossier voegen.
Binnen acht dagen na de hoorzitting maakt de adviescommissie tegelijkertijd zijn advies aan het bestuur en aan de Regering over. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
De modaliteiten voor de behandeling van de beroepen kunnen door de Regering worden bepaald.
Art. D. IV.66.Dans les dix jours à dater de la réception du recours, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin transmet :
1° à la personne qui a introduit le recours ou au demandeur qui souhaite que sa demande soit instruite, un accusé de réception qui précise la date à laquelle a lieu l'audition [3 en présence de la commission d'avis sur les recours]3;
2° aux autres parties une copie du dossier de recours et l'invitation à l'audition précitée.
Le Gouvernement sollicite l'avis de la commission et, dans les quarante-cinq jours à dater de la réception du recours, invite à se présenter à l'audition le demandeur, le collège communal, le fonctionnaire délégué ou leurs représentants, l'administration ainsi que la commission d'avis.
[2 Lorsque la demande est relative à un bien classé ou assimilé, situé dans une zone de protection, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine en vertu du Code wallon du Patrimoine ou que la demande est dirigée à l'encontre d'un permis dont la mise en oeuvre est subordonnée à la réalisation d'opérations archéologiques en vertu de l'article D.66, § 1er, et D.67,
§ 1er, du même Code, le Gouvernement invite l'Administration du Patrimoine. Lorsque la demande a fait l'objet d'un avis de la Commission royale des monuments, sites et fouilles, le Gouvernement invite la Commission.]2
Au plus tard dix jours avant la tenue de l'audition, l'administration envoie aux personnes ou instances invitées une première analyse du recours sur la base des éléments versés au dossier à ce stade de la procédure ainsi que le cadre dans lequel s'inscrit le projet, à savoir :
1° la situation et, le cas échéant, les dérogations ou les écarts au plan de secteur, aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou à un permis d'urbanisation;
2° [2 s'il s'agit d'un bien classé ou assimilé, situé dans une zone de protection ou pastillé à l'inventaire régional du patrimoine en vertu du Code wallon du Patrimoine, sa localisation dans un périmètre visé aux articles D.V.I, D.V.7 ou D.V.9, dans un plan d'expropriation ou si le bien est visé à l'article D.IV.57.]2
Lors de l'audition, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile.
Dans les huit jours de la tenue de l'audition, la commission d'avis transmet simultanément son avis à l'administration et au Gouvernement. A défaut, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.
Le Gouvernement peut arrêter les modalités d'instruction des recours.
1° à la personne qui a introduit le recours ou au demandeur qui souhaite que sa demande soit instruite, un accusé de réception qui précise la date à laquelle a lieu l'audition [3 en présence de la commission d'avis sur les recours]3;
2° aux autres parties une copie du dossier de recours et l'invitation à l'audition précitée.
Le Gouvernement sollicite l'avis de la commission et, dans les quarante-cinq jours à dater de la réception du recours, invite à se présenter à l'audition le demandeur, le collège communal, le fonctionnaire délégué ou leurs représentants, l'administration ainsi que la commission d'avis.
[2 Lorsque la demande est relative à un bien classé ou assimilé, situé dans une zone de protection, pastillé à l'inventaire régional du patrimoine en vertu du Code wallon du Patrimoine ou que la demande est dirigée à l'encontre d'un permis dont la mise en oeuvre est subordonnée à la réalisation d'opérations archéologiques en vertu de l'article D.66, § 1er, et D.67,
§ 1er, du même Code, le Gouvernement invite l'Administration du Patrimoine. Lorsque la demande a fait l'objet d'un avis de la Commission royale des monuments, sites et fouilles, le Gouvernement invite la Commission.]2
Au plus tard dix jours avant la tenue de l'audition, l'administration envoie aux personnes ou instances invitées une première analyse du recours sur la base des éléments versés au dossier à ce stade de la procédure ainsi que le cadre dans lequel s'inscrit le projet, à savoir :
1° la situation et, le cas échéant, les dérogations ou les écarts au plan de secteur, aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou à un permis d'urbanisation;
2° [2 s'il s'agit d'un bien classé ou assimilé, situé dans une zone de protection ou pastillé à l'inventaire régional du patrimoine en vertu du Code wallon du Patrimoine, sa localisation dans un périmètre visé aux articles D.V.I, D.V.7 ou D.V.9, dans un plan d'expropriation ou si le bien est visé à l'article D.IV.57.]2
Lors de l'audition, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile.
Dans les huit jours de la tenue de l'audition, la commission d'avis transmet simultanément son avis à l'administration et au Gouvernement. A défaut, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.
Le Gouvernement peut arrêter les modalités d'instruction des recours.
Art. D. IV.66_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep bezorgt de Regering of de persoon die ze daartoe machtigt :
1° aan de persoon die het beroep instelde of aan de aanvrager die wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt : een ontvangstbewijs met de datum waarop de hoorzitting door de [3 beroepscommissie]3 plaatsvindt;
2° aan de andere partijen : een afschrift van het dossier betreffende het beroep en het verzoek tot verhoor.
De Regering wint het advies in van de commissie en, in de vijfenveertig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep, verzoekt de aanvrager, het gemeentecollege, [2 ...]2, het bestuur [3 evenals de beroepscommissie]3, om op de hoorzitting te verschijnen. [2 Als het gaat om een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1 of D.IV.14.2, wordt de Minister bevoegd voor Monumentenzorg uitgenodigd op de hoorzitting. Hij kan zich laten vertegenwoordigen.]2
Uiterlijk tien dagen voor het houden van de hoorzitting stuurt het bestuur een eerste analyse van het beroep gegrond op de gegevens die in dat stadium van de procedure deel uitmaken van het dossier alsook het kader m.b.t. het ontwerp aan de verzochte personen en instanties, namelijk :
1° de toestand en, in voorkomend geval, de afwijkingen of verschillen ten opzichte van het gewestplan, van de ontwikkelingsplannen en van het bodembestemmingsplan, ten opzichte van de leidraden voor stedenbouw of van een [3 ontsluitingsvergunning]3;
2° [2 de inlichting of het betrokken goed geheel of gedeeltelijk met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevindt of zich op een archeologische vindplaats bevindt.]2
Tijdens de hoorzitting kunnen de verzochte personen of instanties een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten, na het tijdens een uiteenzetting geduid te hebben, bij het dossier voegen.
[3 Binnen vijftien dagen na de hoorzitting maakt de beroepscommissie haar advies over aan de Regering. Het advies van de beroepscommissie bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.]3
De modaliteiten voor de behandeling van de beroepen kunnen door de Regering worden bepaald.
Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep bezorgt de Regering of de persoon die ze daartoe machtigt :
1° aan de persoon die het beroep instelde of aan de aanvrager die wenst dat zijn aanvraag behandeld wordt : een ontvangstbewijs met de datum waarop de hoorzitting door de [3 beroepscommissie]3 plaatsvindt;
2° aan de andere partijen : een afschrift van het dossier betreffende het beroep en het verzoek tot verhoor.
De Regering wint het advies in van de commissie en, in de vijfenveertig dagen te rekenen van de ontvangst van het beroep, verzoekt de aanvrager, het gemeentecollege, [2 ...]2, het bestuur [3 evenals de beroepscommissie]3, om op de hoorzitting te verschijnen. [2 Als het gaat om een goed als bedoeld in artikel D.IV.14.1 of D.IV.14.2, wordt de Minister bevoegd voor Monumentenzorg uitgenodigd op de hoorzitting. Hij kan zich laten vertegenwoordigen.]2
Uiterlijk tien dagen voor het houden van de hoorzitting stuurt het bestuur een eerste analyse van het beroep gegrond op de gegevens die in dat stadium van de procedure deel uitmaken van het dossier alsook het kader m.b.t. het ontwerp aan de verzochte personen en instanties, namelijk :
1° de toestand en, in voorkomend geval, de afwijkingen of verschillen ten opzichte van het gewestplan, van de ontwikkelingsplannen en van het bodembestemmingsplan, ten opzichte van de leidraden voor stedenbouw of van een [3 ontsluitingsvergunning]3;
2° [2 de inlichting of het betrokken goed geheel of gedeeltelijk met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevindt of zich op een archeologische vindplaats bevindt.]2
Tijdens de hoorzitting kunnen de verzochte personen of instanties een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten, na het tijdens een uiteenzetting geduid te hebben, bij het dossier voegen.
[3 Binnen vijftien dagen na de hoorzitting maakt de beroepscommissie haar advies over aan de Regering. Het advies van de beroepscommissie bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing. Bij ontstentenis wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.]3
De modaliteiten voor de behandeling van de beroepen kunnen door de Regering worden bepaald.
Art. D. IV.66_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Dans les dix jours à dater de la réception du recours, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin transmet :
1° à la personne qui a introduit le recours ou au demandeur qui souhaite que sa demande soit instruite, un accusé de réception qui précise la date à laquelle a lieu l'audition par la [3 commission de recours]3;
2° aux autres parties une copie du dossier de recours et l'invitation à l'audition précitée.
Le Gouvernement sollicite l'avis de la commission et, dans les quarante-cinq jours à dater de la réception du recours, invite à se présenter à l'audition le demandeur, le collège communal [2 ...]2, l'administration ainsi que la [3 commission de recours]3. [2 S'il s'agit d'un bien visé aux articles D.IV.14.1 ou D.IV.14.2, le ministre compétent en matière de Protection des monuments est invité à l'audition. Celui-ci peut s'y faire représenter.]2
Au plus tard dix jours avant la tenue de l'audition, l'administration envoie aux personnes ou instances invitées une première analyse du recours sur la base des éléments versés au dossier à ce stade de la procédure ainsi que le cadre dans lequel s'inscrit le projet, à savoir :
1° la situation et, le cas échéant, les dérogations ou les écarts au plan de secteur, aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou à un [3 permis d'urbaniser]3;
2° [2 le fait que le bien concerné, en application du décret sur le patrimoine, est provisoirement ou définitivement classé, se situe dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique.]2
Lors de l'audition, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile.
[3 Dans les quinze jours de la tenue de l'audition, la commission de recours transmet son avis au Gouvernement. L'avis de la commission de recours comprend une proposition motivée de décision. A défaut d'avis, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.]3
Le Gouvernement peut arrêter les modalités d'instruction des recours.
Dans les dix jours à dater de la réception du recours, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin transmet :
1° à la personne qui a introduit le recours ou au demandeur qui souhaite que sa demande soit instruite, un accusé de réception qui précise la date à laquelle a lieu l'audition par la [3 commission de recours]3;
2° aux autres parties une copie du dossier de recours et l'invitation à l'audition précitée.
Le Gouvernement sollicite l'avis de la commission et, dans les quarante-cinq jours à dater de la réception du recours, invite à se présenter à l'audition le demandeur, le collège communal [2 ...]2, l'administration ainsi que la [3 commission de recours]3. [2 S'il s'agit d'un bien visé aux articles D.IV.14.1 ou D.IV.14.2, le ministre compétent en matière de Protection des monuments est invité à l'audition. Celui-ci peut s'y faire représenter.]2
Au plus tard dix jours avant la tenue de l'audition, l'administration envoie aux personnes ou instances invitées une première analyse du recours sur la base des éléments versés au dossier à ce stade de la procédure ainsi que le cadre dans lequel s'inscrit le projet, à savoir :
1° la situation et, le cas échéant, les dérogations ou les écarts au plan de secteur, aux schémas, à la carte d'affectation des sols, aux guides d'urbanisme ou à un [3 permis d'urbaniser]3;
2° [2 le fait que le bien concerné, en application du décret sur le patrimoine, est provisoirement ou définitivement classé, se situe dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique.]2
Lors de l'audition, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile.
[3 Dans les quinze jours de la tenue de l'audition, la commission de recours transmet son avis au Gouvernement. L'avis de la commission de recours comprend une proposition motivée de décision. A défaut d'avis, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.]3
Le Gouvernement peut arrêter les modalités d'instruction des recours.
Afdeling 3. - Beslissing
Section 3. - Décision
Art. D. IV.67.Binnen de vijfenzestig dagen na ontvangst van het beroep stuurt het bestuur een gemotiveerd voorstel tot beslissing aan de Regering en stelt de aanvrager in kennis daarvan.
Binnen de dertig dagen te rekenen van de ontvangst van het voorstel tot beslissing of, bij ontstentenis, binnen de vijfennegentig dagen na de ontvangst van het beroep stuurt de Regering haar beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager, aan het gemeentecollege en aan de gemachtigd ambtenaar.
[1 Wanneer de beslissing waartegen beroep is aangetekend, aan de erfgoedadministratie is meegedeeld overeenkomstig de artikelen D.IV.46, D.IV.48 en D.IV.50, stelt de Regering de erfgoedadministratie in kennis van haar beslissing.]1
[1 De Regeringsbeslissing neemt, in voorkomend geval, de conclusies van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van het Waals erfgoedwetboek of van het voorafgaandelijke archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek integraal over en voldoet aan de inhoud van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies, behalve met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de erfgoedadministratie [2 , met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder]2.]1
Wordt de beslissing van de Regering aan de aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen verzonden, dan wordt de beslissing waartegen een beroep is ingediend, bevestigd.
Binnen de dertig dagen te rekenen van de ontvangst van het voorstel tot beslissing of, bij ontstentenis, binnen de vijfennegentig dagen na de ontvangst van het beroep stuurt de Regering haar beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager, aan het gemeentecollege en aan de gemachtigd ambtenaar.
[1 Wanneer de beslissing waartegen beroep is aangetekend, aan de erfgoedadministratie is meegedeeld overeenkomstig de artikelen D.IV.46, D.IV.48 en D.IV.50, stelt de Regering de erfgoedadministratie in kennis van haar beslissing.]1
[1 De Regeringsbeslissing neemt, in voorkomend geval, de conclusies van de erfgoedvergunning bedoeld in de artikelen D.47 en D.48 van het Waals erfgoedwetboek of van het voorafgaandelijke archeologisch advies bedoeld in artikel D.62 van hetzelfde Wetboek integraal over en voldoet aan de inhoud van de erfgoedvergunning of het voorafgaand archeologisch advies, behalve met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de erfgoedadministratie [2 , met uitzondering van de vergunningen die uitsluitend betrekking hebben op de installatie van installaties voor zonne-energie met een vermogen van 15 kW of minder]2.]1
Wordt de beslissing van de Regering aan de aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen verzonden, dan wordt de beslissing waartegen een beroep is ingediend, bevestigd.
Art. D. IV.67.Dans les soixante-cinq jours à dater de la réception du recours, l'administration envoie au Gouvernement une proposition motivée de décision et en avise le demandeur.
Dans les trente jours de la réception de la proposition de décision ou, à défaut, dans les nonante-cinq jours à dater de la réception du recours, le Gouvernement envoie simultanément sa décision au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué.
[1 Lorsque la décision dont recours a été notifiée à l'Administration du patrimoine conformément aux articles D.IV.46, D.IV.48 et D.IV.50, le Gouvernement communique sa décision à l'Administration du Patrimoine.]1
[1 La décision du Gouvernement reproduit, le cas échéant, intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du Code wallon du Patrimoine ou de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine et est conforme au contenu de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéologique préalable, sauf accord écrit préalable de l'Administration du Patrimoine [2 , à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW]2.]1
A défaut de l'envoi de la décision du Gouvernement au demandeur dans le délai imparti, la décision dont recours est confirmée.
Dans les trente jours de la réception de la proposition de décision ou, à défaut, dans les nonante-cinq jours à dater de la réception du recours, le Gouvernement envoie simultanément sa décision au demandeur, au collège communal et au fonctionnaire délégué.
[1 Lorsque la décision dont recours a été notifiée à l'Administration du patrimoine conformément aux articles D.IV.46, D.IV.48 et D.IV.50, le Gouvernement communique sa décision à l'Administration du Patrimoine.]1
[1 La décision du Gouvernement reproduit, le cas échéant, intégralement les conclusions de l'autorisation patrimoniale visée aux articles D.47 et D.48 du Code wallon du Patrimoine ou de l'avis archéologique préalable visé à l'article D.62 du Code wallon du Patrimoine et est conforme au contenu de l'autorisation patrimoniale ou de l'avis archéologique préalable, sauf accord écrit préalable de l'Administration du Patrimoine [2 , à l'exception du permis relatif exclusivement à une installation d'équipements d'énergie solaire d'une capacité inférieure ou égale à 15 kW]2.]1
A défaut de l'envoi de la décision du Gouvernement au demandeur dans le délai imparti, la décision dont recours est confirmée.
Art. D. IV.67_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Binnen vijfennegentig dagen na de ontvangst van het beroep stuurt de Regering haar beslissing aan de aanvrager en aan het gemeentecollege. Als wordt afgeweken van het voorstel van beslissing van de beroepscommissie, dan wordt dat uitdrukkelijk gemotiveerd.
Als de beslissing van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager wordt verzonden, dan geldt het in het uitdrukkelijke advies van de beroepscommissie vervatte voorstel van beslissing als beslissing.
De Regering zendt de beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege, binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikt om haar beslissing te zenden. De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
Als de beslissing van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager wordt verzonden en als het advies van de beroepscommissie niet binnen de in artikel D.IV.66, vijfde lid, vermelde termijn wordt verzonden, dan geldt de beslissing waartegen beroep is ingediend, als bevestigd.
De voorgeschreven termijn wordt opgeschort van 16 juli tot en met 15 augustus en van 24 december tot en met 1 januari. Bij opschorting van de termijn worden de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.66, D.IV.68 en D.IV.69 verlengd met de duur van de opschorting.]1
Als de beslissing van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager wordt verzonden, dan geldt het in het uitdrukkelijke advies van de beroepscommissie vervatte voorstel van beslissing als beslissing.
De Regering zendt de beslissing tegelijkertijd aan de aanvrager en aan het gemeentecollege, binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikt om haar beslissing te zenden. De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
Als de beslissing van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn aan de aanvrager wordt verzonden en als het advies van de beroepscommissie niet binnen de in artikel D.IV.66, vijfde lid, vermelde termijn wordt verzonden, dan geldt de beslissing waartegen beroep is ingediend, als bevestigd.
De voorgeschreven termijn wordt opgeschort van 16 juli tot en met 15 augustus en van 24 december tot en met 1 januari. Bij opschorting van de termijn worden de termijnen vermeld in de artikelen D.IV.66, D.IV.68 en D.IV.69 verlengd met de duur van de opschorting.]1
Art. D. IV.67_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Dans les nonante-cinq jours suivant la réception du recours, le Gouvernement transmet sa décision au demandeur et au collège communal. Tout écart par rapport à la proposition de décision de la commission de recours est expressément motivé.
Si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti, la proposition de décision contenue dans l'avis explicite de la commission de recours vaut comme décision.
Le Gouvernement transmet la décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les trente jours à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer sa décision. Le Gouvernement transmet une copie de la décision à l'auteur de projet.
Si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti et si l'avis de la commission de recours n'est pas transmis dans le délai mentionné à l'article D.IV.66, alinéa 5, la décision dont recours est confirmée.
Le délai imparti est suspendu du 16 juillet au 15 août inclus et du 24 décembre au 1er janvier inclus. En cas de suspension du délai, les délais mentionnés aux articles D.IV.66, D.IV.68 et D.IV.69 sont prolongés de la durée de la suspension.]1
Si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti, la proposition de décision contenue dans l'avis explicite de la commission de recours vaut comme décision.
Le Gouvernement transmet la décision simultanément au demandeur et au collège communal dans les trente jours à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer sa décision. Le Gouvernement transmet une copie de la décision à l'auteur de projet.
Si la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai imparti et si l'avis de la commission de recours n'est pas transmis dans le délai mentionné à l'article D.IV.66, alinéa 5, la décision dont recours est confirmée.
Le délai imparti est suspendu du 16 juillet au 15 août inclus et du 24 décembre au 1er janvier inclus. En cas de suspension du délai, les délais mentionnés aux articles D.IV.66, D.IV.68 et D.IV.69 sont prolongés de la durée de la suspension.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.68.In voorkomend geval voert de Regering via de gemeente de bijzondere bekendmakingmaatregelen uit en wint ze het advies in van de diensten of commissies, waarvan zij het advies nuttig acht of die niet betrokken werden bij de verplichte raadpleging [1 , of raadpleegt zij het gemeentecollege indien dit de auteur is van de bestreden beslissing, met betrekking tot de stedenbouwkundige lasten die het overweegt op te leggen]1. In dit geval worden de beslissingstermijnen met veertig dagen verlengd. De Regering stelt de aanvrager in kennis daarvan.
Art. D. IV.68.Le cas échéant, le Gouvernement exécute les mesures particulières de publicité par l'entremise de la commune ou sollicite l'avis des services ou commissions qu'il juge utile de consulter ou dont la consultation obligatoire n'a pas été réalisée [1 , ou consulte le collège communal s'il est l'auteur de la décision attaquée, à propos de charges d'urbanisme qu'il envisage d'imposer]1. Dans ce cas, les délais de décision sont prorogés de quarante jours. Le Gouvernement en avise le demandeur.
Wijzigingen
Art. D. IV.68_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In voorkomend geval voert de Regering via de gemeente de bijzondere bekendmakingmaatregelen uit en wint ze het advies in van de diensten of commissies, [1 waarvan zij het advies nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]1 of die niet betrokken werden bij de verplichte raadpleging. In dit geval worden de [2 termijnen voor het advies van de beroepscommissie en voor de beslissing van de Regering]2 met veertig dagen verlengd. De Regering stelt de aanvrager in kennis daarvan. [2 De Regering zendt de resultaten van de bijzondere bekendmakingsmaatregelen en de adviezen over aan de beroepscommissie.]2
In voorkomend geval voert de Regering via de gemeente de bijzondere bekendmakingmaatregelen uit en wint ze het advies in van de diensten of commissies, [1 waarvan zij het advies nuttig acht of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]1 of die niet betrokken werden bij de verplichte raadpleging. In dit geval worden de [2 termijnen voor het advies van de beroepscommissie en voor de beslissing van de Regering]2 met veertig dagen verlengd. De Regering stelt de aanvrager in kennis daarvan. [2 De Regering zendt de resultaten van de bijzondere bekendmakingsmaatregelen en de adviezen over aan de beroepscommissie.]2
Art. D. IV.68_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le cas échéant, le Gouvernement exécute les mesures particulières de publicité par l'entremise de la commune ou sollicite l'avis des services ou commissions qu'il juge utile de consulter [1 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]1 ou dont la consultation obligatoire n'a pas été réalisée. Dans ce cas, les délais [2 d'avis de la commission de recours et]2 de décision [2 du Gouvernement]2 sont prorogés de quarante jours. Le Gouvernement en avise le demandeur. [2 Le Gouvernement transmet à la commission de recours les résultats des mesures particulières de publicité ainsi que les avis.]2
Le cas échéant, le Gouvernement exécute les mesures particulières de publicité par l'entremise de la commune ou sollicite l'avis des services ou commissions qu'il juge utile de consulter [1 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]1 ou dont la consultation obligatoire n'a pas été réalisée. Dans ce cas, les délais [2 d'avis de la commission de recours et]2 de décision [2 du Gouvernement]2 sont prorogés de quarante jours. Le Gouvernement en avise le demandeur. [2 Le Gouvernement transmet à la commission de recours les résultats des mesures particulières de publicité ainsi que les avis.]2
Art. D. IV.69.[1 § 1. De aanvrager kan bij het bij de Regering ingediende beroep tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van het gemeentecollege, of tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van de krachtens artikel D.IV.47 gemachtigd ambtenaar, gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek voegen.
Wanneer beroep wordt aangetekend bij de Regering tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van het gemeentecollege of tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van de gemachtigd ambtenaar in toepassing van artikel D.IV.47, kan de Regering de aanvrager vragen om gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek in te dienen. Deze beslissing wordt verzonden binnen de termijn die de Regering heeft gekregen om een beslissing te nemen over het beroep. Dit heeft tot gevolg dat deze periode wordt onderbroken totdat de gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek worden ingediend, en gedurende maximaal honderdtachtig dagen. De nieuwe termijnen voor Regeringsbeslissingen worden berekend in overeenstemming met artikel D.IV.66.
§ 2. Wijzigingsplannen of aanvullingen op de aankondiging of studie die zijn opgesteld in het kader van een beroep tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van het gemeentecollege, of een beslissing of het uitblijven van een beslissing van de gemachtigd ambtenaar in toepassing van artikel D.IV.47 mogen slechts een beperkte draagwijdte hebben, moeten gebaseerd zijn op een opmerking in het kader van bekendmakingsmaatregelen, in een advies of in de beslissing van de overheid van eerste aanleg en mogen geen afbreuk doen aan het doel en de algemene opzet van het project en de wezenlijke kenmerken ervan.
§ 3. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies gemeentelijke commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd." De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
De speciale bekendmakingsmaatregelen en raadpleging van de voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist wanneer de voorgestelde wijziging of aanvullende aankondiging het gevolg is van een voorstel of kritiek die is vervat in de opmerkingen of klachten die tijdens het openbaar onderzoek of de aankondigingsperiode van het project zijn ingediend of die daar rechtstreeks verband mee houden.
§ 4. Het advies van het gemeentecollege wordt gevraagd over de gewijzigde plannen en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, onverminderd de bevoegdheid van de Regering om de vergunning onmiddellijk te weigeren indien de gewijzigde plannen niet op haar verzoek werden ingediend.]1
Wanneer beroep wordt aangetekend bij de Regering tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van het gemeentecollege of tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van de gemachtigd ambtenaar in toepassing van artikel D.IV.47, kan de Regering de aanvrager vragen om gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek in te dienen. Deze beslissing wordt verzonden binnen de termijn die de Regering heeft gekregen om een beslissing te nemen over het beroep. Dit heeft tot gevolg dat deze periode wordt onderbroken totdat de gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek worden ingediend, en gedurende maximaal honderdtachtig dagen. De nieuwe termijnen voor Regeringsbeslissingen worden berekend in overeenstemming met artikel D.IV.66.
§ 2. Wijzigingsplannen of aanvullingen op de aankondiging of studie die zijn opgesteld in het kader van een beroep tegen een beslissing of het uitblijven van een beslissing van het gemeentecollege, of een beslissing of het uitblijven van een beslissing van de gemachtigd ambtenaar in toepassing van artikel D.IV.47 mogen slechts een beperkte draagwijdte hebben, moeten gebaseerd zijn op een opmerking in het kader van bekendmakingsmaatregelen, in een advies of in de beslissing van de overheid van eerste aanleg en mogen geen afbreuk doen aan het doel en de algemene opzet van het project en de wezenlijke kenmerken ervan.
§ 3. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de diensten of commissies gemeentelijke commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd." De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
De speciale bekendmakingsmaatregelen en raadpleging van de voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist wanneer de voorgestelde wijziging of aanvullende aankondiging het gevolg is van een voorstel of kritiek die is vervat in de opmerkingen of klachten die tijdens het openbaar onderzoek of de aankondigingsperiode van het project zijn ingediend of die daar rechtstreeks verband mee houden.
§ 4. Het advies van het gemeentecollege wordt gevraagd over de gewijzigde plannen en van het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, onverminderd de bevoegdheid van de Regering om de vergunning onmiddellijk te weigeren indien de gewijzigde plannen niet op haar verzoek werden ingediend.]1
Art. D. IV.69.[1 § 1er. Le demandeur peut joindre au recours dont il saisit le Gouvernement à l'encontre d'une décision ou d'une absence de décision du collège communal, ou d'une décision ou d'une absence de décision du fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.47 des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences.
Lorsqu'il est saisi d'un recours à l'encontre d'une décision ou d'une absence de décision du collège communal ou, d'une décision ou d'une absence de décision du fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.47, le Gouvernement peut inviter le demandeur à déposer des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences. L'envoi de cette décision intervient dans le délai qui est imparti au Gouvernement pour statuer sur le recours. Elle a pour effet d'interrompre ce délai jusqu'au dépôt des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences et au maximum pendant cent quatre-vingts jours. Les nouveaux délais de décision du Gouvernement se calculent conformément à l'article D.IV.66.
§ 2. Les plans modificatifs ou le complément de la notice ou de l'étude produits dans le cadre d'un recours à l'encontre d'une décision ou d'une absence de décision du collège communal, ou d'une décision ou d'une absence de décision du fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.47 ne peuvent avoir qu'une portée limitée, doivent trouver leur fondement dans une observations émises dans le cadre de mesures de publicité, dans un avis ou dans la décision de l'autorité de première instance et ne peuvent pas porter atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 3. Les plans modificatifs et le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque les plans modificatifs sont accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement.
§ 4. L'avis du collège communal est sollicité sur les plans modificatifs et le complément corollaire de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences, sans préjudice du pouvoir du Gouvernement de refuser immédiatement le permis dans l'hypothèse où les plans modifiés n'ont pas été déposés à son invitation.]1
Lorsqu'il est saisi d'un recours à l'encontre d'une décision ou d'une absence de décision du collège communal ou, d'une décision ou d'une absence de décision du fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.47, le Gouvernement peut inviter le demandeur à déposer des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences. L'envoi de cette décision intervient dans le délai qui est imparti au Gouvernement pour statuer sur le recours. Elle a pour effet d'interrompre ce délai jusqu'au dépôt des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences et au maximum pendant cent quatre-vingts jours. Les nouveaux délais de décision du Gouvernement se calculent conformément à l'article D.IV.66.
§ 2. Les plans modificatifs ou le complément de la notice ou de l'étude produits dans le cadre d'un recours à l'encontre d'une décision ou d'une absence de décision du collège communal, ou d'une décision ou d'une absence de décision du fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.47 ne peuvent avoir qu'une portée limitée, doivent trouver leur fondement dans une observations émises dans le cadre de mesures de publicité, dans un avis ou dans la décision de l'autorité de première instance et ne peuvent pas porter atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.
§ 3. Les plans modificatifs et le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque les plans modificatifs sont accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement.
§ 4. L'avis du collège communal est sollicité sur les plans modificatifs et le complément corollaire de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences, sans préjudice du pouvoir du Gouvernement de refuser immédiatement le permis dans l'hypothèse où les plans modifiés n'ont pas été déposés à son invitation.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.69_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wijzigingsplannen, samen met een voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, kunnen worden ingediend overeenkomstig artikel D.IV.42 wanneer het beroep betrekking heeft op de krachtens artikel D.IV.22 [1 in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 of bij gebrek aan bedoelde beslissing. In dit geval beginnen de behandelings- en beslissingstermijnen te lopen na ontvangst van de wijzigingsplannen.
Wijzigingsplannen, samen met een voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering of van het effectenonderzoek, kunnen worden ingediend overeenkomstig artikel D.IV.42 wanneer het beroep betrekking heeft op de krachtens artikel D.IV.22 [1 in eerste instantie genomen beslissing van de Regering]1 of bij gebrek aan bedoelde beslissing. In dit geval beginnen de behandelings- en beslissingstermijnen te lopen na ontvangst van de wijzigingsplannen.
Art. D. IV.69_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Des [2 documents modificatifs]2, accompagnés d'un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences ou d'étude d'incidences, peuvent être introduits conformément à l'article D.IV.42 lorsque le recours a pour objet une décision [1 ...]1 prise [1 par le Gouvernement en première instance]1 en vertu de l'article D.IV.22 ou en l'absence de celle-ci. Dans ce cas, les délais d'instruction et de décision prennent cours à dater de la réception des plans modificatifs.
Des [2 documents modificatifs]2, accompagnés d'un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences ou d'étude d'incidences, peuvent être introduits conformément à l'article D.IV.42 lorsque le recours a pour objet une décision [1 ...]1 prise [1 par le Gouvernement en première instance]1 en vertu de l'article D.IV.22 ou en l'absence de celle-ci. Dans ce cas, les délais d'instruction et de décision prennent cours à dater de la réception des plans modificatifs.
Art. D. IV.69/1. [1 § 1. De aanvrager kan gewijzigde plannen of een uiteenzetting op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek bijvoegen bij het beroep dat hij bij de Regering indient tegen een beslissing van de gemachtigd ambtenaar overeenkomstig artikel D.IV.22 of tegen het uitblijven van een beslissing op grond van artikel D.IV.49.
Wanneer beroep wordt aangetekend bij de Regering tegen een beslissing van de gedelegeerde ambtenaar die is genomen overeenkomstig artikel D.IV.22 of tegen het uitblijven van een beslissing op grond van artikel D.IV.49, kan de Regering de aanvrager verzoeken gewijzigde of aanvullende informatie over de effectbeoordeling of effectstudie in te dienen. Deze beslissing wordt verzonden binnen de termijn die de Regering heeft gekregen om een beslissing te nemen over het beroep. Dit heeft tot gevolg dat deze termijn wordt onderbroken totdat de gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek worden ingediend, en gedurende maximaal honderdtachtig dagen. De nieuwe termijnen voor Regeringsbeslissingen worden berekend in overeenstemming met artikel D.IV.66.
§ 2. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de gemeentelijke commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
"Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
De bijzondere bekendmakingmaatregelen en de raadpleging van voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist :
1° wanneer de overwogen wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen of bezwaren geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of daar rechtstreeks mee te maken heeft;
2° wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp of de algemene structuur van het project of diens wezenskenmerken niet aantast.]1
Wanneer beroep wordt aangetekend bij de Regering tegen een beslissing van de gedelegeerde ambtenaar die is genomen overeenkomstig artikel D.IV.22 of tegen het uitblijven van een beslissing op grond van artikel D.IV.49, kan de Regering de aanvrager verzoeken gewijzigde of aanvullende informatie over de effectbeoordeling of effectstudie in te dienen. Deze beslissing wordt verzonden binnen de termijn die de Regering heeft gekregen om een beslissing te nemen over het beroep. Dit heeft tot gevolg dat deze termijn wordt onderbroken totdat de gewijzigde plannen of een aanvulling op de effectbeoordeling of het effectenonderzoek worden ingediend, en gedurende maximaal honderdtachtig dagen. De nieuwe termijnen voor Regeringsbeslissingen worden berekend in overeenstemming met artikel D.IV.66.
§ 2. De wijzigingsplannen en het aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting kunnen worden onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen via de gemeente en aan het advies van de gemeentelijke commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. In dit geval wordt de aanvrager daarover geïnformeerd.
"Wanneer bij de wijzigingsplannen een aanvullend effectenonderzoek wordt gevoegd, worden ze via de gemeente onderworpen aan nieuwe bekendmakingmaatregelen en aan het advies van de diensten of commissie die voorheen in de loop van de procedure zijn geraadpleegd. De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.
De bijzondere bekendmakingmaatregelen en de raadpleging van voornoemde diensten en commissies zijn niet vereist :
1° wanneer de overwogen wijziging voortvloeit uit een voorstel vervat in de bemerkingen of bezwaren geopperd tijdens het openbaar onderzoek of tijdens de periode van de projectaankondiging of daar rechtstreeks mee te maken heeft;
2° wanneer de overwogen wijziging slechts een beperkte draagwijdte heeft en het voorwerp of de algemene structuur van het project of diens wezenskenmerken niet aantast.]1
Art. D. IV.69/1. [1 § 1er. Le demandeur peut joindre au recours dont il saisit le Gouvernement à l'encontre d'une décision du fonctionnaire délégué prise en vertu de l'article D.IV.22 ou de l'absence de décision fondée sur l'article D.IV.49, des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences.
Lorsqu'il est saisi d'un recours à l'encontre d'une décision du fonctionnaire délégué prise en vertu de l'article D.IV.22 ou de l'absence de décision fondée sur l'article D.IV.49, le Gouvernement peut inviter le demandeur à déposer des modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences. L'envoi de cette décision intervient dans le délai qui est imparti au Gouvernement pour statuer sur le recours. Elle a pour effet d'interrompre ce délai jusqu'au dépôt des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences et au maximum pendant cent-quatre-vingts jours. Les nouveaux délais de décision du Gouvernement se calculent conformément à l'article D.IV.66.
§ 2. Les plans modificatifs ou le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou des commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque sont déposés soit des plans modificatifs accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, soit un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises :
1° lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.]1
Lorsqu'il est saisi d'un recours à l'encontre d'une décision du fonctionnaire délégué prise en vertu de l'article D.IV.22 ou de l'absence de décision fondée sur l'article D.IV.49, le Gouvernement peut inviter le demandeur à déposer des modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences. L'envoi de cette décision intervient dans le délai qui est imparti au Gouvernement pour statuer sur le recours. Elle a pour effet d'interrompre ce délai jusqu'au dépôt des plans modifiés ou un complément de notice d'évaluation des incidences ou d'étude d'incidences et au maximum pendant cent-quatre-vingts jours. Les nouveaux délais de décision du Gouvernement se calculent conformément à l'article D.IV.66.
§ 2. Les plans modificatifs ou le complément de notice d'évaluation peuvent être soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou des commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Dans ce cas, le demandeur en est informé.
Lorsque sont déposés soit des plans modificatifs accompagnés d'un complément d'étude d'incidences, soit un complément d'étude d'incidences, ils sont soumis à de nouvelles mesures de publicité par l'entremise de la commune et à l'avis des services ou commissions qui ont été consultés précédemment au cours de la procédure. Le demandeur en est informé.
Les mesures particulières de publicité et la consultation des services et commissions précités ne sont pas requises :
1° lorsque la modification projetée ou le complément de notice résulte d'une proposition ou d'une critique contenue dans les observations ou réclamations faites lors de l'enquête publique ou pendant la période d'annonce de projet ou qui s'y rattache directement;
2° lorsque la modification projetée n'a qu'une portée limitée et ne porte pas atteinte à l'objet et à l'économie générale du projet et à ses caractéristiques substantielles.]1
Art. D. IV.69/2. [1 Gewijzigde plannen voor dezelfde aanvraag mogen in eerste instantie slechts één keer in beroep worden ingediend bij de bevoegde instantie.]1
Art. D. IV.69/2. [1 Pour une même demande, des plans modifiés peuvent être déposés une fois seulement auprès de l'instance compétente en recours.]1
HOOFDSTUK X. - Formaliteiten ter afronding van het beslissingsstadium
CHAPITRE X. - Formalités post-décisoires
Afdeling 1. - Aanplakking van de vergunning
Section 1re. - Affichage du permis
Art. Een. Een bericht waarbij wordt aangekondigd dat de vergunning is verleend of dat de handelingen en werken het voorwerp uitmaken van het beschikkende gedeelte van het vonnis bedoeld in artikel D.VII.15 of van teruggavemaatregelen bedoeld in artikel D.VII.21 wordt door de aanvrager aangeplakt op een plaats op het terrein langs de openbare weg, leesbaar vanaf de openbare weg ofwel wanneer het om werken gaat voor de opening van de werf en tijdens de gehele duur ervan, ofwel, in de andere gevallen, vanaf de voorbereidingen, vooraleer de handeling(en) is (zijn) uitgevoerd en tijdens de hele duur van de uitvoering ervan. Gedurende die periode moeten de vergunning en het bijgevoegde dossier of een door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar voor echt verklaard afschrift van deze documenten, het vonnis bedoeld in artikel D.VII.15 of het dossier betreffende de teruggavemaatregelen bedoeld in artikel D.VII.21 permanent ter beschikking liggen van de in artikel D.VII.3 bedoelde ambtenaren op de plaats waar de werken en handelingen worden uitgevoerd.
Art. D. IV.70. Un avis indiquant que le permis a été délivré ou que les actes et travaux font l'objet du dispositif du jugement visé à l'article D.VII.15 ou de mesures de restitution visées à l'article D.VII.21, est affiché sur le terrain à front de voirie et lisible à partir de celle-ci, par les soins du demandeur, soit lorsqu'il s'agit de travaux, avant l'ouverture du chantier et pendant toute la durée de ce dernier, soit dans les autres cas, dès les préparatifs, avant que l'acte ou les actes soient accomplis et durant toute la durée de leur accomplissement. Durant ce temps, le permis et le dossier annexé ou une copie de ces documents certifiée conforme par la commune ou le fonctionnaire délégué, le jugement visé à l'article D.VII.15 ou le dossier relatif aux mesures de restitution visées à l'article D.VII.21, se trouve en permanence à la disposition des agents désignés à l'article D.VII.3 à l'endroit où les travaux sont exécutés et les actes accomplis.
Art. D. IV.70_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Een bericht waarbij wordt aangekondigd dat de vergunning is verleend of dat de handelingen en werken het voorwerp uitmaken van één van de volgende documenten wordt door de aanvrager aangeplakt op het terrein op een plaats langs de openbare weg en moet leesbaar zijn vanaf de openbare weg :
1° [2 de verklaring vermeld in artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 2°;]2
2° de beslissing vermeld in [2 artikel D.IV.72.1]2;
3° het vonnis vermeld in artikel D.VII.15 of D.VII.22;
4° de beslissing vermeld in artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°;
5° de beslissing waarbij administratieve maatregelen worden bevolen, bedoeld in artikel D.VII.19, § 1.
Als het om uit te voeren werken gaat, moet dat bericht vóór het begin van de werken aangeplakt worden en tijdens de volledige duur van de werken aangeplakt blijven op de plaats waar de werken worden uitgevoerd. In de andere gevallen moet het bericht reeds aangeplakt zijn tijdens de voorbereidingen, voordat de handeling/handelingen wordt/worden uitgevoerd en tijdens de volledige duur ervan. Gedurende die tijd moeten de vergunning en het bijgevoegde dossier of, naargelang van het geval, een door de gemeente of de Regering eenvormig verklaard afschrift van die documenten of de in het eerste lid vermelde documenten steeds op de plaats waar de werken worden uitgevoerd of de handelingen worden verricht ter beschikking staan van de overeenkomstig artikel D.VII.3 aangewezen personeelsleden.
In afwijking van het tweede lid wordt het bericht van een opsplitsingsvergunning binnen tien dagen na ontvangst door de aanvrager aangeplakt en blijft het gedurende twintig dagen hangen.
Bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.4, eerste lid, 1° tot 5°, bevat het bericht een 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project. Bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.2 bevat het bericht een afbeelding van de geplande opsplitsing van de percelen en, in voorkomend geval, de grafische weergave van de doeleinden die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw voor het betrokken gedeelte van het gebied worden nagestreefd.
De aanvrager stuurt per e-mail of per brief een bewijsfoto van de aanplakking naar de bevoegde overheid en dit ten laatste de dag na de dag waarop het bericht werd aangeplakt.]1
1° [2 de verklaring vermeld in artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 2°;]2
2° de beslissing vermeld in [2 artikel D.IV.72.1]2;
3° het vonnis vermeld in artikel D.VII.15 of D.VII.22;
4° de beslissing vermeld in artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°;
5° de beslissing waarbij administratieve maatregelen worden bevolen, bedoeld in artikel D.VII.19, § 1.
Als het om uit te voeren werken gaat, moet dat bericht vóór het begin van de werken aangeplakt worden en tijdens de volledige duur van de werken aangeplakt blijven op de plaats waar de werken worden uitgevoerd. In de andere gevallen moet het bericht reeds aangeplakt zijn tijdens de voorbereidingen, voordat de handeling/handelingen wordt/worden uitgevoerd en tijdens de volledige duur ervan. Gedurende die tijd moeten de vergunning en het bijgevoegde dossier of, naargelang van het geval, een door de gemeente of de Regering eenvormig verklaard afschrift van die documenten of de in het eerste lid vermelde documenten steeds op de plaats waar de werken worden uitgevoerd of de handelingen worden verricht ter beschikking staan van de overeenkomstig artikel D.VII.3 aangewezen personeelsleden.
In afwijking van het tweede lid wordt het bericht van een opsplitsingsvergunning binnen tien dagen na ontvangst door de aanvrager aangeplakt en blijft het gedurende twintig dagen hangen.
Bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.4, eerste lid, 1° tot 5°, bevat het bericht een 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project. Bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.2 bevat het bericht een afbeelding van de geplande opsplitsing van de percelen en, in voorkomend geval, de grafische weergave van de doeleinden die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw voor het betrokken gedeelte van het gebied worden nagestreefd.
De aanvrager stuurt per e-mail of per brief een bewijsfoto van de aanplakking naar de bevoegde overheid en dit ten laatste de dag na de dag waarop het bericht werd aangeplakt.]1
Art. D. IV.70_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Un avis indiquant que le permis a été octroyé ou que les actes et travaux font l'objet d'un des documents suivants est affiché par le demandeur sur le terrain, à front de voirie, et doit être facilement lisible depuis celle-ci :
1° [2 la déclaration mentionnée à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 2°]2;
2° la décision mentionnée à l'[2 article D.IV.72.1]2;
3° le jugement mentionné à l'article D.VII.15 ou D.VII.22;
4° la décision mentionnée à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°;
5° l'ordonnance mentionnée à l'article D.VII.19, § 1er.
S'il s'agit de travaux à exécuter, cet avis doit être affiché sur le chantier avant le début desdits travaux et pendant toute leur durée. Dans les autres cas, l'avis doit déjà être affiché lors des préparatifs, avant que l'acte ou les actes ne soient accomplis et pendant toute leur durée. Durant ce temps, le permis et le dossier annexé ou, selon le cas, une copie de ces documents certifiée conforme par la commune ou le Gouvernement ou encore les documents mentionnés à l'alinéa 1er se trouvent en permanence à la disposition des agents désignés à l'article D.VII.3 à l'endroit où les travaux sont exécutés et les actes accomplis.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'avis relatif à un permis de diviser est affiché dans les dix jours suivant la réception par le demandeur et conservé pendant vingt jours.
Pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, l'annonce comporte une visualisation 3D du projet d'urbanisme. Pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, l'annonce comporte une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.
Au plus tard le lendemain de l'affichage, le demandeur fait parvenir à l'autorité compétente une photo prouvant l'affichage, et ce, par courrier électronique ou postal.]1
1° [2 la déclaration mentionnée à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 2°]2;
2° la décision mentionnée à l'[2 article D.IV.72.1]2;
3° le jugement mentionné à l'article D.VII.15 ou D.VII.22;
4° la décision mentionnée à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°;
5° l'ordonnance mentionnée à l'article D.VII.19, § 1er.
S'il s'agit de travaux à exécuter, cet avis doit être affiché sur le chantier avant le début desdits travaux et pendant toute leur durée. Dans les autres cas, l'avis doit déjà être affiché lors des préparatifs, avant que l'acte ou les actes ne soient accomplis et pendant toute leur durée. Durant ce temps, le permis et le dossier annexé ou, selon le cas, une copie de ces documents certifiée conforme par la commune ou le Gouvernement ou encore les documents mentionnés à l'alinéa 1er se trouvent en permanence à la disposition des agents désignés à l'article D.VII.3 à l'endroit où les travaux sont exécutés et les actes accomplis.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'avis relatif à un permis de diviser est affiché dans les dix jours suivant la réception par le demandeur et conservé pendant vingt jours.
Pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, l'annonce comporte une visualisation 3D du projet d'urbanisme. Pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, l'annonce comporte une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.
Au plus tard le lendemain de l'affichage, le demandeur fait parvenir à l'autorité compétente une photo prouvant l'affichage, et ce, par courrier électronique ou postal.]1
Afdeling 2. - Kennisgeving van de aanvang van de werken
Section 2. - Notification du début des travaux
Art. D. IV.71. De houder van de vergunning brengt per schrijven het gemeentecollege en de gemachtigde ambtenaar op de hoogte van de aanvang van de handelingen en werken, vijftien dagen voor ze opgestart worden.
Art. D. IV.71. Le titulaire du permis avertit, par envoi, le collège communal et le fonctionnaire délégué du début des actes et travaux, quinze jours avant leur commencement.
Art. D. IV.71_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De houder van de vergunning brengt per schrijven het gemeentecollege en [1 de Regering]1 op de hoogte van de aanvang van de handelingen en werken, vijftien dagen voor ze opgestart worden.
De houder van de vergunning brengt per schrijven het gemeentecollege en [1 de Regering]1 op de hoogte van de aanvang van de handelingen en werken, vijftien dagen voor ze opgestart worden.
Art. D. IV.71_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le titulaire du permis avertit, par envoi, le collège communal et le [1 Gouvernement]1 du début des actes et travaux, quinze jours avant leur commencement.
Le titulaire du permis avertit, par envoi, le collège communal et le [1 Gouvernement]1 du début des actes et travaux, quinze jours avant leur commencement.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Aanwijzing van de plaats van vestiging van nieuwbouw
Section 3. - Indication de l'implantation des constructions nouvelles
Art. D. IV.72.[1 De aanvang van de werken met betrekking tot nieuwbouw, met inbegrip van de uitbreiding van de grondinneming van bestaande bouwwerken, wordt ondergeschikt gemaakt aan de aanwijzing ter plaatse van de vestiging door toedoen van het gemeentecollege. Het gemeentecollege wijst op de vestiging ter plaatse voor de dag die gepland is voor het begin van de handelingen en werken.]1
Art. D. IV.72.[1 Le début des travaux relatifs aux constructions nouvelles, en ce compris l'extension de l'emprise au sol de constructions existantes, est subordonné à l'indication sur place de l'implantation validée par les soins du collège communal. La décision du collège communal qui valide l'implantation sur place est antérieure au jour prévu pour le commencement des actes et travaux.]1
Wijzigingen
Art. D _IV.72.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De aanvang van de werken met betrekking tot nieuwbouw, met inbegrip van de uitbreiding van de grondinneming van bestaande bouwwerken, wordt ondergeschikt gemaakt aan [1 de markering, door het gemeentecollege of door een door hem aangewezen landmeter, van de grondinneming van de nieuwbouw]1. [1 Vóór de dag waarop het begin van de handelingen en werken gepland is, markeert het gemeentecollege of de door hem aangewezen landmeter de grondinneming van de nieuwbouw.]1
Van de aanwijzing wordt er een proces-verbaal opgesteld.
De aanvang van de werken met betrekking tot nieuwbouw, met inbegrip van de uitbreiding van de grondinneming van bestaande bouwwerken, wordt ondergeschikt gemaakt aan [1 de markering, door het gemeentecollege of door een door hem aangewezen landmeter, van de grondinneming van de nieuwbouw]1. [1 Vóór de dag waarop het begin van de handelingen en werken gepland is, markeert het gemeentecollege of de door hem aangewezen landmeter de grondinneming van de nieuwbouw.]1
Van de aanwijzing wordt er een proces-verbaal opgesteld.
Art. D _IV.72.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le début des travaux relatifs aux constructions nouvelles, en ce compris l'extension de l'emprise au sol de constructions existantes, est subordonné à l'indication sur place de l'implantation par les soins du collège communal [1 ou d'un géomètre désigné par lui]1. Le collège communal [1 ou le géomètre]1 indique l'implantation sur place avant le jour prévu pour le commencement des actes et travaux.
Il est dressé procès-verbal de l'indication.
Le début des travaux relatifs aux constructions nouvelles, en ce compris l'extension de l'emprise au sol de constructions existantes, est subordonné à l'indication sur place de l'implantation par les soins du collège communal [1 ou d'un géomètre désigné par lui]1. Le collège communal [1 ou le géomètre]1 indique l'implantation sur place avant le jour prévu pour le commencement des actes et travaux.
Il est dressé procès-verbal de l'indication.
Wijzigingen
Afdeling 3.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Vereenvoudigde aanvraag tot wijziging van de toegekende vergunning voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de handelingen of werken]1
Section 3.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Demande simplifiée de modification du permis délivré avant ou pendant la réalisation des actes ou travaux]1
Art. D. IV.72.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Overeenkomstig de bepalingen die de Regering kan vastleggen, kan de vergunninghouder bij wijzigingen van het vergunde project of van de in de vergunning vermelde voorwaarden of lasten, nadat de vergunning is toegekend en voordat de geldigheid ervan verstreken is, voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de handelingen of werken, een vereenvoudigde aanvraag tot wijziging van de vergunning indienen bij de overheid die, in voorkomend geval naar aanleiding van een beroepsprocedure, de vergunning heeft verleend, als:
1° het gaat om wijzigingen die ingegeven zijn door technische redenen, die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen;
2° of de wijzigingen handelingen of werken in de zin van artikel D.IV.1, § 2, betreffen;
3° of de wijzigingen betrekking hebben op de uitvoering van stedenbouwkundige lasten.
Wijzigingen die onderworpen zijn aan bijzondere bekendmakingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.IV.40, kunnen niet worden vergund door middel van een vereenvoudigde aanvraag.
De Regering kan de inhoud van de aanvraag tot wijziging van de vergunning bepalen.
De aanvraag omvat ten minste de gewijzigde plannen en documenten, een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering, alsook een motivering voor de wijzigingen in het licht van de voorwaarden vermeld in het eerste lid.
De bevoegde overheid stelt bij de ontvangst van de aanvraag een indieningsbewijs op overeenkomstig artikel D.IV.32. Ze bezorgt haar beslissing over de wijziging van de vergunning aan de vergunninghouder binnen een termijn van:
1° dertig dagen te rekenen vanaf de datum van het indieningsbewijs als er geen advies vereist is;
2° zestig dagen te rekenen vanaf de datum van het indieningsbewijs als er één of meer adviezen vereist zijn.
Als de beslissing niet binnen de gestelde termijn ter kennis wordt gebracht, wordt de aanvraag tot wijziging als geweigerd beschouwd.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1, dan wordt een eensluidend erfgoedadvies ingewonnen voordat de beslissing wordt genomen.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op een project bedoeld in artikel D.IV.17 of op voorwaarden of lasten die door de Regering werden opgelegd, wordt het advies van de Regering ingewonnen als de Regering niet de bevoegde overheid is. In de gevallen vermeld in artikel D.IV.17 is het advies van de Regering een eensluidend advies.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op voorwaarden of lasten die door het gemeentecollege werden opgelegd en het gemeentecollege niet de bevoegde overheid is, wordt het advies van het gemeentecollege ingewonnen voordat de vergunning wordt toegekend.
In afwijking van de artikelen D.IV.37 tot D.IV.39 worden de adviezen vermeld in het zevende tot negende lid overgezonden binnen dertig dagen na verzending van de aanvraag. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Alle instanties die bij de behandeling van het oorspronkelijke project een advies hebben uitgebracht, ontvangen een afschrift van de beslissing.
De beslissing tot wijziging van de vergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de vergunning waarvan de wijziging is aangevraagd en leidt niet tot een verlenging van die termijn.]1
1° het gaat om wijzigingen die ingegeven zijn door technische redenen, die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen;
2° of de wijzigingen handelingen of werken in de zin van artikel D.IV.1, § 2, betreffen;
3° of de wijzigingen betrekking hebben op de uitvoering van stedenbouwkundige lasten.
Wijzigingen die onderworpen zijn aan bijzondere bekendmakingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.IV.40, kunnen niet worden vergund door middel van een vereenvoudigde aanvraag.
De Regering kan de inhoud van de aanvraag tot wijziging van de vergunning bepalen.
De aanvraag omvat ten minste de gewijzigde plannen en documenten, een aanvullend vervolg op de voorafgaande korte uiteenzetting van de milieueffectenrapportering, alsook een motivering voor de wijzigingen in het licht van de voorwaarden vermeld in het eerste lid.
De bevoegde overheid stelt bij de ontvangst van de aanvraag een indieningsbewijs op overeenkomstig artikel D.IV.32. Ze bezorgt haar beslissing over de wijziging van de vergunning aan de vergunninghouder binnen een termijn van:
1° dertig dagen te rekenen vanaf de datum van het indieningsbewijs als er geen advies vereist is;
2° zestig dagen te rekenen vanaf de datum van het indieningsbewijs als er één of meer adviezen vereist zijn.
Als de beslissing niet binnen de gestelde termijn ter kennis wordt gebracht, wordt de aanvraag tot wijziging als geweigerd beschouwd.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1, dan wordt een eensluidend erfgoedadvies ingewonnen voordat de beslissing wordt genomen.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op een project bedoeld in artikel D.IV.17 of op voorwaarden of lasten die door de Regering werden opgelegd, wordt het advies van de Regering ingewonnen als de Regering niet de bevoegde overheid is. In de gevallen vermeld in artikel D.IV.17 is het advies van de Regering een eensluidend advies.
Als de wijzigingen vermeld in het eerste lid betrekking hebben op voorwaarden of lasten die door het gemeentecollege werden opgelegd en het gemeentecollege niet de bevoegde overheid is, wordt het advies van het gemeentecollege ingewonnen voordat de vergunning wordt toegekend.
In afwijking van de artikelen D.IV.37 tot D.IV.39 worden de adviezen vermeld in het zevende tot negende lid overgezonden binnen dertig dagen na verzending van de aanvraag. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Alle instanties die bij de behandeling van het oorspronkelijke project een advies hebben uitgebracht, ontvangen een afschrift van de beslissing.
De beslissing tot wijziging van de vergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de vergunning waarvan de wijziging is aangevraagd en leidt niet tot een verlenging van die termijn.]1
Art. D. IV.72.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Conformément aux dispositions pouvant être arrêtées par le Gouvernement, le titulaire du permis peut introduire auprès de l'autorité qui a octroyé le permis, le cas échéant en procédure de recours, une demande simplifiée de modification dudit permis après son octroi, avant expiration de sa validité, avant ou pendant la réalisation des actes ou travaux en cas de modifications du projet approuvé ou des conditions ou charges mentionnées dans le permis si :
1° il s'agit de modifications qui sont justifiées par des raisons techniques, n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement;
2° ou si les modifications concernent des actes ou travaux au sens de l'article D.IV.1, § 2;
3° ou si les modifications concernent la réalisation de charges d'urbanisme.
Les modifications qui sont soumises à des mesures particulières de publicité conformément à l'article D.IV.40 ne peuvent pas être approuvées au moyen d'une demande simplifiée.
Le Gouvernement peut arrêter le contenu de la demande de modification du permis.
La demande comprend au moins les plans et documents modifiés, un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ainsi qu'une motivation des modifications en ce qui concerne les conditions mentionnées à l'alinéa 1er.
L'autorité compétente délivre dès réception de la demande un avis de dépôt conformément à l'article D.IV.32. Elle transmet au titulaire du permis sa décision quant à la modification du permis dans un délai de :
1° trente jours à compter de la date de l'avis de dépôt, si aucun avis n'est nécessaire;
2° soixante jours à compter de la date de l'avis de dépôt, si un ou plusieurs avis sont nécessaires.
A défaut de notification de la décision dans le délai imparti, la demande de modification est censée être rejetée.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant la décision.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent un projet mentionné à l'article D.IV.17 ou des conditions ou charges imposées par le Gouvernement, l'avis de ce dernier est demandé s'il n'est pas l'autorité compétente. Dans les cas mentionnés à l'article D.IV.17, l'avis du Gouvernement est un avis conforme.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent des conditions ou charges imposées par le collège communal, l'avis de ce dernier est demandé avant le permis s'il n'est pas l'autorité compétente.
Par dérogation aux articles D.IV.37 à D.IV.39, les avis mentionnés aux alinéas 7 à 9 sont transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande. Passé ce délai, l'avis est censé être favorable.
Une copie de la décision est transmise à toutes les instances ayant rendu un avis lors du traitement du projet initial.
La décision quant à la modification du permis n'a aucune incidence sur le délai d'expiration du permis dont la modification a été demandée et ne le prolonge pas.]1
1° il s'agit de modifications qui sont justifiées par des raisons techniques, n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement;
2° ou si les modifications concernent des actes ou travaux au sens de l'article D.IV.1, § 2;
3° ou si les modifications concernent la réalisation de charges d'urbanisme.
Les modifications qui sont soumises à des mesures particulières de publicité conformément à l'article D.IV.40 ne peuvent pas être approuvées au moyen d'une demande simplifiée.
Le Gouvernement peut arrêter le contenu de la demande de modification du permis.
La demande comprend au moins les plans et documents modifiés, un complément corollaire de notice d'évaluation préalable des incidences sur l'environnement ainsi qu'une motivation des modifications en ce qui concerne les conditions mentionnées à l'alinéa 1er.
L'autorité compétente délivre dès réception de la demande un avis de dépôt conformément à l'article D.IV.32. Elle transmet au titulaire du permis sa décision quant à la modification du permis dans un délai de :
1° trente jours à compter de la date de l'avis de dépôt, si aucun avis n'est nécessaire;
2° soixante jours à compter de la date de l'avis de dépôt, si un ou plusieurs avis sont nécessaires.
A défaut de notification de la décision dans le délai imparti, la demande de modification est censée être rejetée.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant la décision.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent un projet mentionné à l'article D.IV.17 ou des conditions ou charges imposées par le Gouvernement, l'avis de ce dernier est demandé s'il n'est pas l'autorité compétente. Dans les cas mentionnés à l'article D.IV.17, l'avis du Gouvernement est un avis conforme.
Si les modifications mentionnées à l'alinéa 1er concernent des conditions ou charges imposées par le collège communal, l'avis de ce dernier est demandé avant le permis s'il n'est pas l'autorité compétente.
Par dérogation aux articles D.IV.37 à D.IV.39, les avis mentionnés aux alinéas 7 à 9 sont transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande. Passé ce délai, l'avis est censé être favorable.
Une copie de la décision est transmise à toutes les instances ayant rendu un avis lors du traitement du projet initial.
La décision quant à la modification du permis n'a aucune incidence sur le délai d'expiration du permis dont la modification a été demandée et ne le prolonge pas.]1
Afdeling 4. - Aanmelding van voltooiing van de werken
Section 4. - Déclaration d'achèvement des travaux
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Documenten na uitvoering van de handelingen of werken]1
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Plans de conformité et déclaration de conformité après l'achèvement des travaux]1
Art. D. IV.73. Volgens de bepalingen die de Regering kan vastleggen, wordt er binnen de termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van het verzoek dat door de vergunninghouder of de eigenaar van het goed gericht wordt aan het gemeentecollege, indien de aanvraag in eerste instantie onder het gemeentecollege ressorteerde, en aan de gemachtigd ambtenaar, indien de aanvraag onder de gemachtigd ambtenaar ressorteerde, een aanmelding opgesteld waaruit blijkt dat :
1° de werken al dan niet voltooid zijn binnen de termijn waarin ze, in voorkomend geval, voltooid hadden dienen te worden;
2° de werken al dan niet zijn uitgevoerd in overeenstemming met de afgeleverde vergunning.
Als de werken niet zijn voltooid binnen de termijn of indien ze niet overeenstemmen met de afgeleverde vergunning, dient de aanmelding, al naar gelang het geval, de lijst van de werken inhouden die niet zijn uitgevoerd en melden waarin de vergunning niet is nageleefd.
1° de werken al dan niet voltooid zijn binnen de termijn waarin ze, in voorkomend geval, voltooid hadden dienen te worden;
2° de werken al dan niet zijn uitgevoerd in overeenstemming met de afgeleverde vergunning.
Als de werken niet zijn voltooid binnen de termijn of indien ze niet overeenstemmen met de afgeleverde vergunning, dient de aanmelding, al naar gelang het geval, de lijst van de werken inhouden die niet zijn uitgevoerd en melden waarin de vergunning niet is nageleefd.
Art. D. IV.73. Selon les dispositions que peut arrêter le Gouvernement, dans le délai de soixante jours à dater de la requête que le titulaire du permis ou le propriétaire du bien adresse au collège communal dans le cas où la demande relevait en première instance du collège communal ou au fonctionnaire délégué dans le cas où la demande relevait du fonctionnaire délégué ou du Gouvernement, il est dressé une déclaration certifiant que :
1° les travaux sont ou ne sont pas achevés dans le délai endéans lequel ils devaient, le cas échéant, être achevés;
2° les travaux ont ou n'ont pas été exécutés en conformité avec le permis délivré.
Si les travaux ne sont pas achevés dans le délai ou ne sont pas conformes au permis délivré, la déclaration, selon le cas, contient la liste des travaux qui n'ont pas été exécutés ou indique en quoi le permis n'a pas été respecté.
1° les travaux sont ou ne sont pas achevés dans le délai endéans lequel ils devaient, le cas échéant, être achevés;
2° les travaux ont ou n'ont pas été exécutés en conformité avec le permis délivré.
Si les travaux ne sont pas achevés dans le délai ou ne sont pas conformes au permis délivré, la déclaration, selon le cas, contient la liste des travaux qui n'ont pas été exécutés ou indique en quoi le permis n'a pas été respecté.
Art. D. IV.73_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de geldigheid van de vergunning voor handelingen of werken dient de vergunninghouder of de eigenaar van het goed volgende documenten in bij de overheid die, in voorkomend geval naar aanleiding van een beroepsprocedure, de vergunning heeft verleend:
1° ofwel een verklaring op erewoord dat de handelingen of werken die werden uitgevoerd op grond van de toegekende vergunning, volledig in overeenstemming zijn met de vergunning, en een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien;
2° ofwel, indien de overeenstemming met de vergunning niet kan worden bevestigd door de vergunninghouder of de eigenaar en er verschillen zijn tussen de werkelijke situatie en de vergunning:
a) indien een beroep moest worden gedaan of is gedaan op een architect, de door de architect medeondertekende en gedagtekende plannen die, op basis van correcte afmetingen, de werkelijke situatie na de uitvoering van de handelingen of werken en de lasten weergeven, en een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien;
b) indien geen beroep moest worden gedaan of is gedaan op een architect, een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien.
De Regering kan de inhoud bepalen van de in het eerste lid vermelde documenten.]1
1° ofwel een verklaring op erewoord dat de handelingen of werken die werden uitgevoerd op grond van de toegekende vergunning, volledig in overeenstemming zijn met de vergunning, en een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien;
2° ofwel, indien de overeenstemming met de vergunning niet kan worden bevestigd door de vergunninghouder of de eigenaar en er verschillen zijn tussen de werkelijke situatie en de vergunning:
a) indien een beroep moest worden gedaan of is gedaan op een architect, de door de architect medeondertekende en gedagtekende plannen die, op basis van correcte afmetingen, de werkelijke situatie na de uitvoering van de handelingen of werken en de lasten weergeven, en een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien;
b) indien geen beroep moest worden gedaan of is gedaan op een architect, een fotoreportage die de buitenkant van het voltooide bouwwerk of de uitgevoerde handelingen of werken laat zien.
De Regering kan de inhoud bepalen van de in het eerste lid vermelde documenten.]1
Art. D. IV.73_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Au plus tard trois mois suivant l'expiration du délai de validité du permis pour les actes ou travaux, le titulaire du permis ou le propriétaire du bien introduit auprès de l'autorité qui a octroyé le permis, le cas échéant en procédure de recours, les documents suivants :
1° soit une déclaration sur l'honneur, selon laquelle les actes ou travaux réalisés sur la base du permis octroyé sont entièrement conformes à celui-ci, ainsi qu'un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés;
2° soit, si cette conformité avec le permis ne peut être confirmée par le titulaire du permis ou le propriétaire et que des différences existent entre la situation réelle et le permis :
a) s'il a fallu faire appel à un architecte ou s'il a été fait appel à un architecte, les plans contresignés et datés par l'architecte qui, au moyen d'un relevé correct, reflètent la situation réelle après réalisation des actes ou travaux ainsi que des charges, et un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés;
b) s'il n'a pas fallu faire appel à un architecte ou s'il n'a pas été fait appel à un architecte, un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés.
Le Gouvernement peut arrêter le contenu des documents mentionnées à l'alinéa 1er.]1
1° soit une déclaration sur l'honneur, selon laquelle les actes ou travaux réalisés sur la base du permis octroyé sont entièrement conformes à celui-ci, ainsi qu'un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés;
2° soit, si cette conformité avec le permis ne peut être confirmée par le titulaire du permis ou le propriétaire et que des différences existent entre la situation réelle et le permis :
a) s'il a fallu faire appel à un architecte ou s'il a été fait appel à un architecte, les plans contresignés et datés par l'architecte qui, au moyen d'un relevé correct, reflètent la situation réelle après réalisation des actes ou travaux ainsi que des charges, et un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés;
b) s'il n'a pas fallu faire appel à un architecte ou s'il n'a pas été fait appel à un architecte, un reportage photographique qui rend compte de l'aspect extérieur de la construction terminée ou des actes ou travaux réalisés.
Le Gouvernement peut arrêter le contenu des documents mentionnées à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.73.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Overeenkomstig de bepalingen die de Regering kan vastleggen, bevestigt de in artikel D.IV.73 vermelde overheid binnen een termijn van vijfenzeventig dagen na de indiening van de stukken overeenkomstig artikel D.IV.73, de ontvangst van die stukken aan de vergunninghouder of de eigenaar van het goed, en brengt ze de vrijgave van de financiële garantie die is gesteld overeenkomstig artikel D.IV.60, vierde lid, op gang.
Tegelijkertijd met de bevestiging van de ontvangst van de stukken bezorgt diezelfde overheid aan de vergunninghouder of de eigenaar van het goed een verklaring die bevestigt:
1° ofwel dat het dossier wordt gesloten op basis van de verklaring op erewoord en de fotoreportage;
2° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken:
a) niet vergunningsplichtig zijn en het dossier gesloten wordt; of
b) wijzigingen zijn die ingegeven zijn door technische redenen, die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen en het dossier derhalve gesloten wordt; of
c) wijzigingen in de zin van artikel D.IV.1, § 2, zijn die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen en het dossier derhalve gesloten wordt;
3° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken, vergunningsplichtig zijn en moeten worden vergund door middel van een nieuwe aanvraag. In dat geval verbindt de overheid of de persoon die zij daartoe gemachtigd heeft, een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan het verkrijgen van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
4° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken, niet kunnen worden vergund. In dat geval verbindt de overheid of de persoon die zij daartoe gemachtigd heeft, een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan de aanpassing van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de in het tweede lid vermelde verklaring.
§ 2 - Als de in § 1, tweede lid, vermelde verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning betrekking hebben op een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1, wordt een eensluidend erfgoedadvies ingewonnen voordat de verklaring wordt afgegeven. Dat advies wordt overgezonden binnen dertig dagen na de verzending van de aanvraag. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
§ 3 - Een afschrift van de verklaring wordt toegezonden aan het gemeentecollege of de Regering, wanneer dat resp. zij niet de overheid vermeld in paragraaf 1 is.]1
Tegelijkertijd met de bevestiging van de ontvangst van de stukken bezorgt diezelfde overheid aan de vergunninghouder of de eigenaar van het goed een verklaring die bevestigt:
1° ofwel dat het dossier wordt gesloten op basis van de verklaring op erewoord en de fotoreportage;
2° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken:
a) niet vergunningsplichtig zijn en het dossier gesloten wordt; of
b) wijzigingen zijn die ingegeven zijn door technische redenen, die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen en het dossier derhalve gesloten wordt; of
c) wijzigingen in de zin van artikel D.IV.1, § 2, zijn die de grote lijnen van het project niet beïnvloeden en die het gevaar, de hinder of de nadelen voor mens of milieu noch direct noch indirect verhogen en het dossier derhalve gesloten wordt;
3° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken, vergunningsplichtig zijn en moeten worden vergund door middel van een nieuwe aanvraag. In dat geval verbindt de overheid of de persoon die zij daartoe gemachtigd heeft, een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan het verkrijgen van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
4° ofwel dat de verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning die blijken uit de stukken, niet kunnen worden vergund. In dat geval verbindt de overheid of de persoon die zij daartoe gemachtigd heeft, een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan de aanpassing van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de in het tweede lid vermelde verklaring.
§ 2 - Als de in § 1, tweede lid, vermelde verschillen tussen de werkelijke situatie en de vergunning betrekking hebben op een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1, wordt een eensluidend erfgoedadvies ingewonnen voordat de verklaring wordt afgegeven. Dat advies wordt overgezonden binnen dertig dagen na de verzending van de aanvraag. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
§ 3 - Een afschrift van de verklaring wordt toegezonden aan het gemeentecollege of de Regering, wanneer dat resp. zij niet de overheid vermeld in paragraaf 1 is.]1
Art. D. IV.73.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Conformément aux dispositions pouvant être arrêtées par le Gouvernement, l'autorité mentionnée à l'article D.IV.73 confirme, dans un délai de septante-cinq jours à compter du dépôt des documents soumis conformément à l'article D.IV.73, la réception de ces derniers au titulaire du permis ou au propriétaire du bien et procède à la libération de la garantie financière déposée conformément à l'article D.IV.60, alinéa 4.
Parallèlement à la confirmation de la réception des documents, la même autorité confirme au titulaire du permis ou au propriétaire du bien au moyen d'une déclaration :
1° ou bien que le dossier a été clôturé sur la base de la déclaration sur l'honneur et du reportage photographique;
2° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis :
a) ne sont pas soumises à permis et que le dossier est clôturé; ou
b) qu'elles concernent des modifications qui sont justifiées par des raisons techniques, n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement et que le dossier est par conséquent clôturé; ou
c) qu'elles concernent des modifications au sens de l'article D.IV.1, § 2, qui n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement et que le dossier est par conséquent clôturé;
3° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis sont soumises à permis et qu'elles doivent être approuvées au moyen d'une nouvelle demande. Dans ce cas, l'autorité ou la personne habilitée par elle à cette fin fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour l'obtention d'un permis. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
4° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis ne peuvent être approuvées. Dans ce cas, l'autorité ou la personne habilitée par elle à cette fin fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour la mise en conformité avec le permis en vigueur. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4.
Le Gouvernement fixe la forme et le contenu de la déclaration mentionnée à l'alinéa 2.
§ 2 - Si les différences mentionnées au § 1er, alinéa 2, entre la situation réelle et le permis concernent un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant la déclaration. L'avis est transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande. Passé ce délai, l'avis est censé être favorable.
§ 3 - Une copie de la déclaration est transmise au collège communal ou au Gouvernement, selon le cas, s'il n'est pas l'autorité mentionnée au § 1er.]1
Parallèlement à la confirmation de la réception des documents, la même autorité confirme au titulaire du permis ou au propriétaire du bien au moyen d'une déclaration :
1° ou bien que le dossier a été clôturé sur la base de la déclaration sur l'honneur et du reportage photographique;
2° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis :
a) ne sont pas soumises à permis et que le dossier est clôturé; ou
b) qu'elles concernent des modifications qui sont justifiées par des raisons techniques, n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement et que le dossier est par conséquent clôturé; ou
c) qu'elles concernent des modifications au sens de l'article D.IV.1, § 2, qui n'influencent pas le projet dans ses grandes lignes et n'augmentent pas, directement ou indirectement, les dangers, nuisances ou inconvénients pour l'homme ou l'environnement et que le dossier est par conséquent clôturé;
3° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis sont soumises à permis et qu'elles doivent être approuvées au moyen d'une nouvelle demande. Dans ce cas, l'autorité ou la personne habilitée par elle à cette fin fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour l'obtention d'un permis. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
4° ou bien que les différences mentionnées dans les documents entre la situation réelle et le permis ne peuvent être approuvées. Dans ce cas, l'autorité ou la personne habilitée par elle à cette fin fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour la mise en conformité avec le permis en vigueur. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4.
Le Gouvernement fixe la forme et le contenu de la déclaration mentionnée à l'alinéa 2.
§ 2 - Si les différences mentionnées au § 1er, alinéa 2, entre la situation réelle et le permis concernent un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant la déclaration. L'avis est transmis dans les trente jours suivant l'envoi de la demande. Passé ce délai, l'avis est censé être favorable.
§ 3 - Une copie de la déclaration est transmise au collège communal ou au Gouvernement, selon le cas, s'il n'est pas l'autorité mentionnée au § 1er.]1
Wijzigingen
Afdeling 4.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 4.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. D. IV.73.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. IV.73.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 5. - Vaststelling van de uitvoering van de stedenbouwkundige voorwaarden of lasten en tienjarige verantwoordelijkheid
Section 5. - Constat de l'exécution des conditions ou des charges d'urbanisme et responsabilité décennale
Art. D. IV.74.Niemand kan tot de opdeling overgaan van, al naar gelang, een bebouwingsvergunning of van een stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken, die de uitvoering van één of meerdere voorwaarden of stedenbouwkundige lasten of de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg tot gevolg heeft, voordat de houder van de vergunning ofwel de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd ofwel [1 , behalve wanneer de last in geld wordt geïnd,]1 de financiële waarborgen heeft verstrekt die nodig zijn voor de uitvoering ervan.
Het volbrengen van die formaliteit wordt vastgesteld in een attest verstrekt door het gemeentecollege en per schrijven gericht aan de houder van de vergunning. Een afschrift van dat schrijven wordt aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
Het volbrengen van die formaliteit wordt vastgesteld in een attest verstrekt door het gemeentecollege en per schrijven gericht aan de houder van de vergunning. Een afschrift van dat schrijven wordt aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
Art. D. IV.74.Nul ne peut procéder à la division, selon le cas, d'un permis d'urbanisation ou d'un permis d'urbanisme de constructions groupées, qui implique la réalisation d'une ou plusieurs conditions ou des charges d'urbanisme ou l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, avant que le titulaire du permis ait soit exécuté les actes, travaux et charges imposés, soit [1 , sauf lorsque la charge est imposée en numéraire,]1 fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
L'accomplissement de cette formalité est constaté dans un certificat délivré par le collège communal et adressé, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au fonctionnaire délégué.
L'accomplissement de cette formalité est constaté dans un certificat délivré par le collège communal et adressé, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au fonctionnaire délégué.
Wijzigingen
Art. D. IV.74_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Niemand kan tot de opdeling overgaan van, al naar gelang, [2 een ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning of]2 een stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken, die de uitvoering van één of meerdere voorwaarden of stedenbouwkundige lasten of de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg tot gevolg heeft, voordat de houder van de vergunning ofwel de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd ofwel de financiële waarborgen heeft verstrekt die nodig zijn voor de uitvoering ervan.
Het volbrengen van die formaliteit wordt vastgesteld in een attest verstrekt door het gemeentecollege en per schrijven gericht aan de houder van de vergunning. Een afschrift van dat schrijven wordt aan [1 de Regering]1 gericht.
Niemand kan tot de opdeling overgaan van, al naar gelang, [2 een ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning of]2 een stedenbouwkundige vergunning voor een groep van bouwwerken, die de uitvoering van één of meerdere voorwaarden of stedenbouwkundige lasten of de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg tot gevolg heeft, voordat de houder van de vergunning ofwel de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd ofwel de financiële waarborgen heeft verstrekt die nodig zijn voor de uitvoering ervan.
Het volbrengen van die formaliteit wordt vastgesteld in een attest verstrekt door het gemeentecollege en per schrijven gericht aan de houder van de vergunning. Een afschrift van dat schrijven wordt aan [1 de Regering]1 gericht.
Art. D. IV.74_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Nul ne peut procéder à la division, selon le cas, [2 d'un permis d'urbaniser, d'un permis de diviser]2 ou d'un permis d'urbanisme de constructions groupées, qui implique la réalisation d'une ou plusieurs conditions ou des charges d'urbanisme ou l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, avant que le titulaire du permis ait soit exécuté les actes, travaux et charges imposés, soit fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
L'accomplissement de cette formalité est constaté dans un certificat délivré par le collège communal et adressé, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au [1 Gouvernement]1.
Nul ne peut procéder à la division, selon le cas, [2 d'un permis d'urbaniser, d'un permis de diviser]2 ou d'un permis d'urbanisme de constructions groupées, qui implique la réalisation d'une ou plusieurs conditions ou des charges d'urbanisme ou l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, avant que le titulaire du permis ait soit exécuté les actes, travaux et charges imposés, soit fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution.
L'accomplissement de cette formalité est constaté dans un certificat délivré par le collège communal et adressé, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au [1 Gouvernement]1.
Art. D. IV.75. Behalve wanneer de voorzieningen door de overheid zijn uitgevoerd, blijft de houder van de vergunning met de aannemer en de projectontwerper tien jaar lang voor de uitrusting hoofdelijk aansprakelijk tegenover het Gewest, de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de in de artikelen D.IV.75 en 1792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken.
Art. D. IV.75. Hors le cas où l'équipement a été réalisé par les autorités publiques, le titulaire du permis demeure solidairement responsable pendant dix ans avec l'entrepreneur et l'auteur de projet de l'équipement à l'égard de la Région, de la commune et des acquéreurs de lots, et ce, dans les limites déterminées par les articles 1792 et 2270 du Code civil.
Art. D. IV.75_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Behalve wanneer de voorzieningen door de overheid zijn uitgevoerd, blijft de houder van de vergunning met de aannemer en de projectontwerper tien jaar lang voor de uitrusting hoofdelijk aansprakelijk tegenover [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de in de artikelen D.IV.75 en 1792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken.
Behalve wanneer de voorzieningen door de overheid zijn uitgevoerd, blijft de houder van de vergunning met de aannemer en de projectontwerper tien jaar lang voor de uitrusting hoofdelijk aansprakelijk tegenover [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de in de artikelen D.IV.75 en 1792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken.
Art. D. IV.75_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Hors le cas où l'équipement a été réalisé par les autorités publiques, le titulaire du permis demeure solidairement responsable pendant dix ans avec l'entrepreneur et l'auteur de projet de l'équipement à l'égard de la [1 Communauté germanophone]1, de la commune et des acquéreurs de lots, et ce, dans les limites déterminées par les articles 1792 et 2270 du Code civil.
Hors le cas où l'équipement a été réalisé par les autorités publiques, le titulaire du permis demeure solidairement responsable pendant dix ans avec l'entrepreneur et l'auteur de projet de l'équipement à l'égard de la [1 Communauté germanophone]1, de la commune et des acquéreurs de lots, et ce, dans les limites déterminées par les articles 1792 et 2270 du Code civil.
Wijzigingen
Afdeling 6. - Bekendmaking
Section 6. - Publicité
Art. D. IV.76. Er mag geen publiciteit omtrent een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken worden gemaakt zonder vermelding van de gemeente waar het goed is gelegen, de datum en het nummer van de vergunning.
Art. D. IV.76. Aucune publicité relative à un permis d'urbanisation ou à un permis d'urbanisme de constructions groupées ne peut être faite sans mention de la commune où le bien est situé, de la date et du numéro du permis.
Art. D _IV.76.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Er mag geen publiciteit omtrent een [1 ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning]1 of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken worden gemaakt zonder vermelding van de gemeente waar het goed is gelegen, de datum en het nummer van de vergunning.
Er mag geen publiciteit omtrent een [1 ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning]1 of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken worden gemaakt zonder vermelding van de gemeente waar het goed is gelegen, de datum en het nummer van de vergunning.
Art. D _IV.76.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Aucune publicité relative [1 à un permis d'urbaniser, à un permis de diviser]1 ou à un permis d'urbanisme de constructions groupées ne peut être faite sans mention de la commune où le bien est situé, de la date et du numéro du permis.
Aucune publicité relative [1 à un permis d'urbaniser, à un permis de diviser]1 ou à un permis d'urbanisme de constructions groupées ne peut être faite sans mention de la commune où le bien est situé, de la date et du numéro du permis.
Wijzigingen
TITEL III. - Gevolgen van de vergunning
TITRE III. - Effets du permis
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Art. D. IV.77. De stedenbouwkundige vergunning en de definitieve bebouwingsvergunning verlenen de houder ervan voor de toepassing van het Wetboek verworven rechten onder voorbehoud van de bepalingen van deze titel en onverminderd de burgerlijke rechten van de derden.
Art. D. IV.77. Le permis d'urbanisme et le permis d'urbanisation définitif confèrent à leur titulaire, pour l'application du Code, des droits acquis sous réserve des dispositions du présent Titre et sans préjudice des droits civils des tiers.
Art. D _IV.77.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De stedenbouwkundige vergunning, de ontsluitingsvergunning en de opsplitsingsvergunning, in hun definitieve versie,]1 verlenen de houder ervan voor de toepassing van het Wetboek verworven rechten onder voorbehoud van de bepalingen van deze titel en onverminderd de burgerlijke rechten van de derden.
[1 De stedenbouwkundige vergunning, de ontsluitingsvergunning en de opsplitsingsvergunning, in hun definitieve versie,]1 verlenen de houder ervan voor de toepassing van het Wetboek verworven rechten onder voorbehoud van de bepalingen van deze titel en onverminderd de burgerlijke rechten van de derden.
Art. D _IV.77.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis d'urbanisme [1 , le permis d'urbaniser et le permis de diviser définitifs ]1 confèrent à leur titulaire, pour l'application du Code, des droits acquis sous réserve des dispositions du présent Titre et sans préjudice des droits civils des tiers.
Le permis d'urbanisme [1 , le permis d'urbaniser et le permis de diviser définitifs ]1 confèrent à leur titulaire, pour l'application du Code, des droits acquis sous réserve des dispositions du présent Titre et sans préjudice des droits civils des tiers.
Wijzigingen
Art. D. IV.78.Onverminderd de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen D.IV.53 tot D.IV.60 heeft de bebouwingsvergunning enkel informatiewaarde. Ze is van toepassing op de stedenbouwkundige vergunning en op het daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige attest nr. 2.
[1 Wanneer een stedenbouwkundige vergunning is verleend in afwijking van een plan, worden bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2 van het plan afwijkende voorschriften van de stedenbouwkundige vergunning toegepast, met uitzondering van de van het plan afwijkende voorschriften.]1
[1 Wanneer een stedenbouwkundige vergunning is verleend in afwijking van een plan, worden bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2 van het plan afwijkende voorschriften van de stedenbouwkundige vergunning toegepast, met uitzondering van de van het plan afwijkende voorschriften.]1
Art. D. IV.78.Sans préjudice des obligations découlant des articles D.IV.53 à D.IV.60, le permis d'urbanisation a valeur indicative. Il s'applique au permis d'urbanisme et au certificat d'urbanisme n° 2 y relatif.
[1 Lorsqu'un permis d'urbanisation est délivré en écart à un schéma, lors de la délivrance des permis d'urbanisme et des certificats d'urbanisme n° 2 il est fait application des prescriptions du permis d'urbanisation qui s'écartent du schéma, à l'exclusion des prescriptions écartées du schéma.]1
[1 Lorsqu'un permis d'urbanisation est délivré en écart à un schéma, lors de la délivrance des permis d'urbanisme et des certificats d'urbanisme n° 2 il est fait application des prescriptions du permis d'urbanisation qui s'écartent du schéma, à l'exclusion des prescriptions écartées du schéma.]1
Wijzigingen
Art. D _IV.78.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Onverminderd de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen D.IV.53 tot D.IV.60 hebben ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen enkel informatiewaarde. Ze zijn van toepassing op de daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige vergunning en het daarop betrekking hebbende stedenbouwkundige attest nr. 2.]1
Art. D _IV.78.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Sans préjudice des obligations découlant des articles D.IV.53 à D.IV.60, le permis d'urbaniser ou de diviser a valeur indicative. Il s'applique au permis d'urbanisme et au certificat d'urbanisme n° 2 y relatif.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.79. Voor zover de bebouwingsvergunning die de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg inhoudt het technisch dossier bevat bedoeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 3°, geldt zij als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werkzaamheden betreffende die weg.
Art. D. IV.79. Pour autant qu'il contienne le dossier technique visé à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 3°, le permis d'urbanisation qui implique l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à cette voirie.
Art. D _IV.79.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor zover de ontsluitings- of de opsplitsingsvergunning]1 het technisch dossier bevat bedoeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 3°, geldt zij als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werkzaamheden betreffende die weg.
[1 Voor zover de ontsluitings- of de opsplitsingsvergunning]1 het technisch dossier bevat bedoeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 3°, geldt zij als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werkzaamheden betreffende die weg.
Art. D _IV.79.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Pour autant qu'il contienne le dossier technique visé à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 3°, [1 le permis d'urbaniser ou de diviser]1 vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à cette voirie.
Pour autant qu'il contienne le dossier technique visé à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 3°, [1 le permis d'urbaniser ou de diviser]1 vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à cette voirie.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Vergunningen met beperkte duur
CHAPITRE II. - Permis à durée limitée
Art. D. IV.80.§ 1. De bebouwingsvergunning heeft een beperkte duur :
1° voor vergunde handelingen en werken in afwachting van de inbedrijfstelling van een technisch ingravingscentrum;
2° voor de handelingen en werken uitgevoerd in afwachting van de ontginning in een gebied met aanhorigheden voor ontginningsgebieden of in een ontginningsgebied of voor aanhorigheden die onontbeerlijk zijn voor de ontginning of in een ontginningsgebied;
3° voor de opslag van inerte afvalstoffen en baggerslib bedoeld in artikel D.II.30 en voor de verzameling van inerte afvalstoffen bedoeld in artikel D.II.33;
4° voor handelingen en werken gebonden aan niet-agrarische activiteiten in landbouwgebied, die beoogd worden in artikel D.II.36, § 2, eerste en derde lid, behalve voor de recreatieve activiteiten wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken voor een bestaand gebouw;
5° voor de bebossing die in een intensieve teelt van bosboomsoorten bestaat;
6° voor de handelingen en werken die verband houden met de vrijetijdsverblijven in bosgebied en die overeenkomstig artikel D.II.37, § 4, vergund zijn;
7° voor het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen;
8° voor het vestigen van opslagruimtes voor afgedankte voertuigen, voor schroot, materialen of afvalstoffen met uitzondering van de containerparken;
9° [1 voor het gewoonlijke gebruik van een terrein voor de plaatsing van een of meer mobiele installaties, met inbegrip van lichte woningen zoals gedefinieerd in artikel 1, 40°, van het Waalse Wetboek voor Duurzaam Wonen, met uitzondering evenwel van mobiele installaties die toegelaten zijn door het Waalse Wetboek van Toerisme of het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen]1;
10° voor steengroeven met siergesteenten overeenkomstig artikel D.IV.10;
11° voor tijdelijke infrastructuren m.b.t. gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen;
12° voor projecten betreffende tijdelijke of testinrichtingen in de zin van het decreet betreffende de milieuvergunning.
[1 ...]1.
[1 § 1/1. De bebouwingsvergunning heeft een beperkte duur voor:
1° handelingen en werken in een gebied dat niet bestemd is voor bebouwingstedelijke ontwikkeling;
2° het creëren van een nieuwe woning in een bestaand gebouw; 3° een verandering van de bestemming van het goed of een deel ervan.
§ 1/2. De maximale geldigheidsduur van de vergunning afgeleverd voor een project bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, dat bestaat uit een verkooppunt opgericht voor een korte periode, met het oog op het bezetten van leegstaande cellen, het aantrekken van nieuw soort winkelend publiek of het uittesten van nieuwe concepten bedraagt zes maanden, niet verlengbaar. De vergunning voor het uithangbord van de winkel geldt voor dezelfde periode als die van de winkel zelf.]1
§ 2. Na afloop van de toegestane termijn moet de vergunningsgerechtigde de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen zoals voor de uitvoering van de vergunning. De bevoegde overheid kan eisen dat waarborgen gesteld worden voor de uitvoering van de verplichtingen in verband met het herstel in oorspronkelijke staat.
1° voor vergunde handelingen en werken in afwachting van de inbedrijfstelling van een technisch ingravingscentrum;
2° voor de handelingen en werken uitgevoerd in afwachting van de ontginning in een gebied met aanhorigheden voor ontginningsgebieden of in een ontginningsgebied of voor aanhorigheden die onontbeerlijk zijn voor de ontginning of in een ontginningsgebied;
3° voor de opslag van inerte afvalstoffen en baggerslib bedoeld in artikel D.II.30 en voor de verzameling van inerte afvalstoffen bedoeld in artikel D.II.33;
4° voor handelingen en werken gebonden aan niet-agrarische activiteiten in landbouwgebied, die beoogd worden in artikel D.II.36, § 2, eerste en derde lid, behalve voor de recreatieve activiteiten wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken voor een bestaand gebouw;
5° voor de bebossing die in een intensieve teelt van bosboomsoorten bestaat;
6° voor de handelingen en werken die verband houden met de vrijetijdsverblijven in bosgebied en die overeenkomstig artikel D.II.37, § 4, vergund zijn;
7° voor het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen;
8° voor het vestigen van opslagruimtes voor afgedankte voertuigen, voor schroot, materialen of afvalstoffen met uitzondering van de containerparken;
9° [1 voor het gewoonlijke gebruik van een terrein voor de plaatsing van een of meer mobiele installaties, met inbegrip van lichte woningen zoals gedefinieerd in artikel 1, 40°, van het Waalse Wetboek voor Duurzaam Wonen, met uitzondering evenwel van mobiele installaties die toegelaten zijn door het Waalse Wetboek van Toerisme of het decreet van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van caravanterreinen]1;
10° voor steengroeven met siergesteenten overeenkomstig artikel D.IV.10;
11° voor tijdelijke infrastructuren m.b.t. gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen;
12° voor projecten betreffende tijdelijke of testinrichtingen in de zin van het decreet betreffende de milieuvergunning.
[1 ...]1.
[1 § 1/1. De bebouwingsvergunning heeft een beperkte duur voor:
1° handelingen en werken in een gebied dat niet bestemd is voor bebouwingstedelijke ontwikkeling;
2° het creëren van een nieuwe woning in een bestaand gebouw; 3° een verandering van de bestemming van het goed of een deel ervan.
§ 1/2. De maximale geldigheidsduur van de vergunning afgeleverd voor een project bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, dat bestaat uit een verkooppunt opgericht voor een korte periode, met het oog op het bezetten van leegstaande cellen, het aantrekken van nieuw soort winkelend publiek of het uittesten van nieuwe concepten bedraagt zes maanden, niet verlengbaar. De vergunning voor het uithangbord van de winkel geldt voor dezelfde periode als die van de winkel zelf.]1
§ 2. Na afloop van de toegestane termijn moet de vergunningsgerechtigde de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen zoals voor de uitvoering van de vergunning. De bevoegde overheid kan eisen dat waarborgen gesteld worden voor de uitvoering van de verplichtingen in verband met het herstel in oorspronkelijke staat.
Art. D. IV.80.§ 1er. La durée du permis d'urbanisme est limitée :
1° pour des actes et travaux autorisés dans l'attente de l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique;
2° pour des actes et travaux exécutés dans l'attente de l'extraction en zone de dépendance d'extraction ou en zone d'extraction ou pour des dépendances indispensables à l'extraction en zone d'extraction;
3° pour les dépôts de déchets inertes et boues de dragage prévus à l'article D.II.30 et pour le regroupement de déchets inertes prévus à l'article D.II.33;
4° pour des actes et travaux liés à des activités non agricoles en zone agricole, visés à l'article D.II.36, § 2, alinéas 1er et 3, excepté pour les activités récréatives lorsque les actes et travaux constituent la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant;
5° pour le boisement consistant en une culture intensive d'essences forestières;
6° pour les actes et travaux liés à l'hébergement de loisirs en zone forestière autorisés en application de l'article D.II.37, § 4;
7° pour le placement d'une ou de plusieurs enseignes ou dispositifs de publicité;
8° pour l'établissement d'un dépôt de véhicules usagés, de mitraille, de matériaux ou de déchets à l'exception des parcs à conteneurs;
9° [1 pour l'utilisation habituelle d'un terrain pour le placement d'une ou de plusieurs installations mobiles, y compris des habitations légères telles que définies par l'article 1er, 40°, du Code wallon de l'habitation durable, à l'exception toutefois des installations mobiles autorisées par le Code wallon du tourisme ou le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage]1;
10° pour des carrières de pierres ornementales en application de l'article D.IV.10;
11° pour des infrastructures provisoires relatives à des équipements communautaires ou de service public;
12° pour des projets portant sur des établissements temporaires ou d'essai au sens du décret relatif au permis d'environnement.
[1 ...]1.
[1 § 1er/1. La durée du permis d'urbanisme peut être limitée pour :
1° des actes et travaux dans une zone qui n'est pas destinée à l'urbanisation;
2° la création d'un nouveau logement dans une construction existante; 3° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien.
§ 1er/2. La durée de validité maximale du permis délivré pour un projet visé à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, qui consiste en un point de vente établi pour une courte durée, en vue d'occuper des cellules vides, d'attirer de nouveaux types de chalands ou de tester de nouveaux concepts est de six mois non renouvelable. Le permis délivré pour l'enseigne du point de vente a la même durée que celle du point de vente lui-même.]1
§ 2. Au terme du délai autorisé, le bénéficiaire du permis remet les lieux en l'état où ils se trouvaient avant la mise en oeuvre du permis. L'autorité compétente peut exiger la fourniture des garanties nécessaires à l'exécution des obligations de remise en l'état des lieux.
1° pour des actes et travaux autorisés dans l'attente de l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique;
2° pour des actes et travaux exécutés dans l'attente de l'extraction en zone de dépendance d'extraction ou en zone d'extraction ou pour des dépendances indispensables à l'extraction en zone d'extraction;
3° pour les dépôts de déchets inertes et boues de dragage prévus à l'article D.II.30 et pour le regroupement de déchets inertes prévus à l'article D.II.33;
4° pour des actes et travaux liés à des activités non agricoles en zone agricole, visés à l'article D.II.36, § 2, alinéas 1er et 3, excepté pour les activités récréatives lorsque les actes et travaux constituent la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant;
5° pour le boisement consistant en une culture intensive d'essences forestières;
6° pour les actes et travaux liés à l'hébergement de loisirs en zone forestière autorisés en application de l'article D.II.37, § 4;
7° pour le placement d'une ou de plusieurs enseignes ou dispositifs de publicité;
8° pour l'établissement d'un dépôt de véhicules usagés, de mitraille, de matériaux ou de déchets à l'exception des parcs à conteneurs;
9° [1 pour l'utilisation habituelle d'un terrain pour le placement d'une ou de plusieurs installations mobiles, y compris des habitations légères telles que définies par l'article 1er, 40°, du Code wallon de l'habitation durable, à l'exception toutefois des installations mobiles autorisées par le Code wallon du tourisme ou le décret du 4 mars 1991 relatif aux conditions d'exploitation des terrains de caravanage]1;
10° pour des carrières de pierres ornementales en application de l'article D.IV.10;
11° pour des infrastructures provisoires relatives à des équipements communautaires ou de service public;
12° pour des projets portant sur des établissements temporaires ou d'essai au sens du décret relatif au permis d'environnement.
[1 ...]1.
[1 § 1er/1. La durée du permis d'urbanisme peut être limitée pour :
1° des actes et travaux dans une zone qui n'est pas destinée à l'urbanisation;
2° la création d'un nouveau logement dans une construction existante; 3° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien.
§ 1er/2. La durée de validité maximale du permis délivré pour un projet visé à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, qui consiste en un point de vente établi pour une courte durée, en vue d'occuper des cellules vides, d'attirer de nouveaux types de chalands ou de tester de nouveaux concepts est de six mois non renouvelable. Le permis délivré pour l'enseigne du point de vente a la même durée que celle du point de vente lui-même.]1
§ 2. Au terme du délai autorisé, le bénéficiaire du permis remet les lieux en l'état où ils se trouvaient avant la mise en oeuvre du permis. L'autorité compétente peut exiger la fourniture des garanties nécessaires à l'exécution des obligations de remise en l'état des lieux.
Wijzigingen
Art. D. IV.80_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De bebouwingsvergunning heeft een beperkte duur :
1° voor vergunde handelingen en werken in afwachting van de inbedrijfstelling van een technisch ingravingscentrum;
2° voor de handelingen en werken uitgevoerd in afwachting van de ontginning in een gebied met aanhorigheden voor ontginningsgebieden of in een ontginningsgebied of voor aanhorigheden die onontbeerlijk zijn voor de ontginning of in een ontginningsgebied;
3° voor de opslag van inerte afvalstoffen en baggerslib bedoeld in artikel D.II.30 en voor de verzameling van inerte afvalstoffen bedoeld in artikel D.II.33;
4° voor handelingen en werken gebonden aan niet-agrarische activiteiten in landbouwgebied, die beoogd worden in artikel D.II.36, § 2, eerste en derde lid, behalve voor de recreatieve activiteiten wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken voor een bestaand gebouw;
5° voor de bebossing die in een intensieve teelt van bosboomsoorten bestaat;
6° voor de handelingen en werken die verband houden met de vrijetijdsverblijven in bosgebied en die overeenkomstig artikel D.II.37, § 4, vergund zijn;
7° voor het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen;
8° voor het vestigen van opslagruimtes voor afgedankte voertuigen, voor schroot, materialen of afvalstoffen met uitzondering van de containerparken;
9° voor het gewoonlijke gebruik van een terrein voor de plaatsing van één of meer [1 mobiele verblijven die gebruikt worden op een kampeerterrein als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]1;
10° voor steengroeven met siergesteenten overeenkomstig artikel D.IV.10;
11° voor tijdelijke infrastructuren m.b.t. gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen;
12° voor projecten betreffende tijdelijke of testinrichtingen in de zin van het [1 decreet van 11 maart 1999]1 betreffende de milieuvergunning.
De vergunning kan voor een beperkte duur worden toegekend indien ze betrekking heeft op handelingen en werken in een gebied dat niet voor bebouwing bestemd is.
§ 2. Na afloop van de toegestane termijn moet de vergunningsgerechtigde de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen zoals voor de uitvoering van de vergunning. De bevoegde overheid kan eisen dat waarborgen gesteld worden voor de uitvoering van de verplichtingen in verband met het herstel in oorspronkelijke staat.
§ 1. De bebouwingsvergunning heeft een beperkte duur :
1° voor vergunde handelingen en werken in afwachting van de inbedrijfstelling van een technisch ingravingscentrum;
2° voor de handelingen en werken uitgevoerd in afwachting van de ontginning in een gebied met aanhorigheden voor ontginningsgebieden of in een ontginningsgebied of voor aanhorigheden die onontbeerlijk zijn voor de ontginning of in een ontginningsgebied;
3° voor de opslag van inerte afvalstoffen en baggerslib bedoeld in artikel D.II.30 en voor de verzameling van inerte afvalstoffen bedoeld in artikel D.II.33;
4° voor handelingen en werken gebonden aan niet-agrarische activiteiten in landbouwgebied, die beoogd worden in artikel D.II.36, § 2, eerste en derde lid, behalve voor de recreatieve activiteiten wanneer het gaat om verbouwings-, uitbreidings- of heropbouwhandelingen en -werken voor een bestaand gebouw;
5° voor de bebossing die in een intensieve teelt van bosboomsoorten bestaat;
6° voor de handelingen en werken die verband houden met de vrijetijdsverblijven in bosgebied en die overeenkomstig artikel D.II.37, § 4, vergund zijn;
7° voor het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen;
8° voor het vestigen van opslagruimtes voor afgedankte voertuigen, voor schroot, materialen of afvalstoffen met uitzondering van de containerparken;
9° voor het gewoonlijke gebruik van een terrein voor de plaatsing van één of meer [1 mobiele verblijven die gebruikt worden op een kampeerterrein als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5°, van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme]1;
10° voor steengroeven met siergesteenten overeenkomstig artikel D.IV.10;
11° voor tijdelijke infrastructuren m.b.t. gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen;
12° voor projecten betreffende tijdelijke of testinrichtingen in de zin van het [1 decreet van 11 maart 1999]1 betreffende de milieuvergunning.
De vergunning kan voor een beperkte duur worden toegekend indien ze betrekking heeft op handelingen en werken in een gebied dat niet voor bebouwing bestemd is.
§ 2. Na afloop van de toegestane termijn moet de vergunningsgerechtigde de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen zoals voor de uitvoering van de vergunning. De bevoegde overheid kan eisen dat waarborgen gesteld worden voor de uitvoering van de verplichtingen in verband met het herstel in oorspronkelijke staat.
Art. D. IV.80_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. La durée du permis d'urbanisme est limitée :
1° pour des actes et travaux autorisés dans l'attente de l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique;
2° pour des actes et travaux exécutés dans l'attente de l'extraction en zone de dépendance d'extraction ou en zone d'extraction ou pour des dépendances indispensables à l'extraction en zone d'extraction;
3° pour les dépôts de déchets inertes et boues de dragage prévus à l'article D.II.30 et pour le regroupement de déchets inertes prévus à l'article D.II.33;
4° pour des actes et travaux liés à des activités non agricoles en zone agricole, visés à l'article D.II.36, § 2, alinéas 1er et 3, excepté pour les activités récréatives lorsque les actes et travaux constituent la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant;
5° pour le boisement consistant en une culture intensive d'essences forestières;
6° pour les actes et travaux liés à l'hébergement de loisirs en zone forestière autorisés en application de l'article D.II.37, § 4;
7° pour le placement d'une ou de plusieurs enseignes ou dispositifs de publicité;
8° pour l'établissement d'un dépôt de véhicules usagés, de mitraille, de matériaux ou de déchets à l'exception des parcs à conteneurs;
9° pour l'utilisation habituelle d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles pouvant être utilisées pour l'habitation telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés, tentes à l'exception [1 hébergements mobiles utilisés sur un terrain de camping conformément à l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme]1;
10° pour des carrières de pierres ornementales en application de l'article D.IV.10;
11° pour des infrastructures provisoires relatives à des équipements communautaires ou de service public;
12° pour des projets portant sur des établissements temporaires ou d'essai au sens du décret [1 du 11 mars 1999]1 relatif au permis d'environnement.
La durée du permis peut être limitée s'il est relatif à des actes et travaux dans une zone qui n'est pas destinée à l'urbanisation.
§ 2. Au terme du délai autorisé, le bénéficiaire du permis remet les lieux en l'état où ils se trouvaient avant la mise en oeuvre du permis. [2 L'autorité compétente peut exiger le dépôt de garanties afin qu'il soit satisfait aux obligations relatives à la remise en état des lieux.]2
§ 1er. La durée du permis d'urbanisme est limitée :
1° pour des actes et travaux autorisés dans l'attente de l'exploitation d'un centre d'enfouissement technique;
2° pour des actes et travaux exécutés dans l'attente de l'extraction en zone de dépendance d'extraction ou en zone d'extraction ou pour des dépendances indispensables à l'extraction en zone d'extraction;
3° pour les dépôts de déchets inertes et boues de dragage prévus à l'article D.II.30 et pour le regroupement de déchets inertes prévus à l'article D.II.33;
4° pour des actes et travaux liés à des activités non agricoles en zone agricole, visés à l'article D.II.36, § 2, alinéas 1er et 3, excepté pour les activités récréatives lorsque les actes et travaux constituent la transformation, l'agrandissement ou la reconstruction d'un bâtiment existant;
5° pour le boisement consistant en une culture intensive d'essences forestières;
6° pour les actes et travaux liés à l'hébergement de loisirs en zone forestière autorisés en application de l'article D.II.37, § 4;
7° pour le placement d'une ou de plusieurs enseignes ou dispositifs de publicité;
8° pour l'établissement d'un dépôt de véhicules usagés, de mitraille, de matériaux ou de déchets à l'exception des parcs à conteneurs;
9° pour l'utilisation habituelle d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles pouvant être utilisées pour l'habitation telles que roulottes, caravanes, véhicules désaffectés, tentes à l'exception [1 hébergements mobiles utilisés sur un terrain de camping conformément à l'article 9, alinéa 1er, 5°, du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme]1;
10° pour des carrières de pierres ornementales en application de l'article D.IV.10;
11° pour des infrastructures provisoires relatives à des équipements communautaires ou de service public;
12° pour des projets portant sur des établissements temporaires ou d'essai au sens du décret [1 du 11 mars 1999]1 relatif au permis d'environnement.
La durée du permis peut être limitée s'il est relatif à des actes et travaux dans une zone qui n'est pas destinée à l'urbanisation.
§ 2. Au terme du délai autorisé, le bénéficiaire du permis remet les lieux en l'état où ils se trouvaient avant la mise en oeuvre du permis. [2 L'autorité compétente peut exiger le dépôt de garanties afin qu'il soit satisfait aux obligations relatives à la remise en état des lieux.]2
HOOFDSTUK III. [1 Vervallen en verstrijken van vergunningen]1
CHAPITRE III. [1 Péremption et caducité des permis]1
Afdeling 1. - Het vervallen van de bebouwingsvergunning
Section 1re. - Péremption du permis d'urbanisation
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Het vervallen van de ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Péremption du permis d'urbaniser ou de diviser]1
Art. D. IV.81. Binnen de vijf jaar na verzending ervan vervalt de bebouwingsvergunning waarbij de houder ervan handelingen, werken of lasten worden opgelegd indien de houder de opgelegde handelingen, werken of lasten niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de bebouwingsvergunning die handelingen en werken, nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, wanneer de houder de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële garanties niet heeft verstrekt.
Wanneer de vergunning krachtens artikel D.I.V60, derde lid, bepaalt dat sommige kavels afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan, vervalt de vergunning, in afwijking van het eerste lid en het tweede lid, niet voor de kavels die het voorwerp hebben uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in artikel D.IV.2, § 1, derde lid.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de bebouwingsvergunning waarbij de houder ervan geen handelingen, werken of lasten worden opgelegd voor het deel van het goed dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in artikel D.IV.2, § 1, lid 3.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de bebouwingsvergunning die handelingen en werken, nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, wanneer de houder de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële garanties niet heeft verstrekt.
Wanneer de vergunning krachtens artikel D.I.V60, derde lid, bepaalt dat sommige kavels afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan, vervalt de vergunning, in afwijking van het eerste lid en het tweede lid, niet voor de kavels die het voorwerp hebben uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in artikel D.IV.2, § 1, derde lid.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de bebouwingsvergunning waarbij de houder ervan geen handelingen, werken of lasten worden opgelegd voor het deel van het goed dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in artikel D.IV.2, § 1, lid 3.
Art. D. IV.81. Au terme des cinq ans de son envoi, le permis d'urbanisation qui impose à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes, travaux ou charges imposés ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Au terme des cinq ans de son envoi, le permis d'urbanisation qui autorise des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsqu'en vertu de l'article D.IV.60, alinéa 3, le permis précise que certains lots peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution, le permis n'est pas périmé pour ceux de ces lots qui ont fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article D.IV.2, § 1er, alinéa 3.
Au terme des cinq ans de son envoi, le permis d'urbanisation qui n'impose pas à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé pour la partie du bien qui n'a pas fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article D.IV.2, § 1er, alinéa 3.
Au terme des cinq ans de son envoi, le permis d'urbanisation qui autorise des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsqu'en vertu de l'article D.IV.60, alinéa 3, le permis précise que certains lots peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution, le permis n'est pas périmé pour ceux de ces lots qui ont fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article D.IV.2, § 1er, alinéa 3.
Au terme des cinq ans de son envoi, le permis d'urbanisation qui n'impose pas à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé pour la partie du bien qui n'a pas fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article D.IV.2, § 1er, alinéa 3.
Art. D _IV.81.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Binnen de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 waarbij de houder ervan handelingen, werken of lasten worden opgelegd indien de houder de opgelegde handelingen, werken of lasten niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitingsvergunning die toelating geeft tot handelingen, werken of lasten]1, nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, wanneer de houder de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële garanties niet heeft verstrekt.
Wanneer de vergunning krachtens artikel D.I.V60, derde lid, bepaalt dat sommige kavels afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan, vervalt de vergunning, in afwijking van het eerste lid en het tweede lid, niet voor de kavels die het voorwerp hebben uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in [1 artikel D.IV.1, § 1, tweede lid, 1°]1.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 waarbij de houder ervan geen handelingen, werken of lasten worden opgelegd voor het deel van het goed dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in [1 artikel D.IV.1, § 1, tweede lid, 1°, of artikel D.IV.103]1.
Binnen de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 waarbij de houder ervan handelingen, werken of lasten worden opgelegd indien de houder de opgelegde handelingen, werken of lasten niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitingsvergunning die toelating geeft tot handelingen, werken of lasten]1, nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, wanneer de houder de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële garanties niet heeft verstrekt.
Wanneer de vergunning krachtens artikel D.I.V60, derde lid, bepaalt dat sommige kavels afgestaan kunnen worden zonder dat de houder de opgelegde handelingen, werken en lasten heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen heeft geleverd die nodig zijn voor uitvoering ervan, vervalt de vergunning, in afwijking van het eerste lid en het tweede lid, niet voor de kavels die het voorwerp hebben uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in [1 artikel D.IV.1, § 1, tweede lid, 1°]1.
Na afloop van de vijf jaar na verzending ervan vervalt de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 waarbij de houder ervan geen handelingen, werken of lasten worden opgelegd voor het deel van het goed dat niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de registratie van één van de handelingen bedoeld in [1 artikel D.IV.1, § 1, tweede lid, 1°, of artikel D.IV.103]1.
Art. D _IV.81.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 qui impose à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes, travaux ou charges imposés ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser]1 qui autorise des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsqu'en vertu de l'article D.IV.60, alinéa 3, le permis précise que certains lots peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution, le permis n'est pas périmé pour ceux de ces lots qui ont fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article [1 D.IV.1, § 1er, alinéa 2, 1°]1.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 qui n'impose pas à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé pour la partie du bien qui n'a pas fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés [1 à l'article D.IV.1, § 1er, alinéa 2, 1°, ou D.IV.103]1.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 qui impose à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes, travaux ou charges imposés ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser]1 qui autorise des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge est périmé lorsque le titulaire n'a pas exécuté les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale ou n'a pas fourni les garanties financières exigées.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsqu'en vertu de l'article D.IV.60, alinéa 3, le permis précise que certains lots peuvent être cédés sans que le titulaire ait exécuté les actes, travaux et charges imposés ou fourni les garanties financières nécessaires à leur exécution, le permis n'est pas périmé pour ceux de ces lots qui ont fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés à l'article [1 D.IV.1, § 1er, alinéa 2, 1°]1.
Au terme des cinq ans de son envoi, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 qui n'impose pas à son titulaire des actes, travaux ou charges est périmé pour la partie du bien qui n'a pas fait l'objet de l'enregistrement d'un des actes visés [1 à l'article D.IV.1, § 1er, alinéa 2, 1°, ou D.IV.103]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.82. Indien de uitvoering van de bebouwingsvergunning gefaseerd mag verlopen, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste.
Art. D. IV.82. Lorsque la réalisation du permis d'urbanisation est autorisée par phases, le permis détermine le point de départ du délai de péremption de cinq ans pour chaque phase autre que la première.
Art. D _IV.82.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Indien de uitvoering van de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 gefaseerd mag verlopen, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste.
Indien de uitvoering van de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 gefaseerd mag verlopen, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste.
Art. D _IV.82.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque la réalisation du [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 est autorisée par phases, le permis détermine le point de départ du délai de péremption de cinq ans pour chaque phase autre que la première.
Lorsque la réalisation du [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 est autorisée par phases, le permis détermine le point de départ du délai de péremption de cinq ans pour chaque phase autre que la première.
Wijzigingen
Art. D. IV.83. Wanneer de bebouwingsvergunning overeenkomstig artikel D.IV.79 als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van handelingen en werken voor wegen geldt, vervalt laatstgenoemde op hetzelfde ogenblik als de bebouwingsvergunning.
Art. D. IV.83. Lorsque, en application de l'article D.IV.79, le permis d'urbanisation vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à la voirie, ce dernier se périme en même temps que le permis d'urbanisation.
Art. D _IV.83.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 overeenkomstig artikel D.IV.79 als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van handelingen en werken voor wegen geldt, vervalt laatstgenoemde op hetzelfde ogenblik als de bebouwingsvergunning.
Wanneer de [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 overeenkomstig artikel D.IV.79 als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van handelingen en werken voor wegen geldt, vervalt laatstgenoemde op hetzelfde ogenblik als de bebouwingsvergunning.
Art. D _IV.83.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque, en application de l'article D.IV.79, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à la voirie, ce dernier se périme en même temps que le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1.
Lorsque, en application de l'article D.IV.79, le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux relatifs à la voirie, ce dernier se périme en même temps que le [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1.
Wijzigingen
Afdeling 2. [1 Vervallen en verstrijken van de stedenbouwkundige vergunningen]1
Section 2. [1 Péremption et caducité des permis d'urbanisme]1
Art. D. IV.84.§ 1. [1 Onverminderd artikel D.VII.20, § 1, vierde lid, vervalt de stedenbouwkundige vergunning voor de overige werken indien deze niet volledig zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na de verzending ervan]1.
§ 2. De vergunning kan evenwel met twee jaar verlengd worden op verzoek van de begunstigde ervan. Deze aanvraag wordt ingediend vijfenveertig dagen voor verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in paragraaf 1.
De verlenging wordt toegestaan door het gemeentecollege. Wanneer de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.22 door de gemachtigd ambtenaar afgegeven is, wordt verlenging evenwel door het gemeentecollege toegestaan.
§ 3. Indien de uitvoering van de werkzaamheden in fasen wordt uitgevoerd, bepaalt de stedenbouwkundige vergunning, voor elke andere fase dan de eerste, het aanvangspunt van de termijn bedoeld in paragraaf 1. Die andere fasen kunnen in aanmerking komen voor de in § 2 bedoelde verlenging.
§ 4. Op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager kan de bevoegde overheid, om te beslissen over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, in zijn beslissing de termijn bedoeld in § 1 aanpassen, zonder dat die termijn evenwel zeven jaar mag overschrijden.
§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot 4 vervalt de vergunning die krachtens artikel D.IV.25 door de Regering is afgegeven, als de werken niet op significante wijze zijn aangevat binnen zeven jaar te rekenen van de dag waarop de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.50 gezonden wordt. De Regering kan evenwel op bijzonder gemotiveerd verzoek een nieuwe termijn toekennen zonder dat die termijn de vijf jaar kan overschrijden.
§ 2. De vergunning kan evenwel met twee jaar verlengd worden op verzoek van de begunstigde ervan. Deze aanvraag wordt ingediend vijfenveertig dagen voor verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in paragraaf 1.
De verlenging wordt toegestaan door het gemeentecollege. Wanneer de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.22 door de gemachtigd ambtenaar afgegeven is, wordt verlenging evenwel door het gemeentecollege toegestaan.
§ 3. Indien de uitvoering van de werkzaamheden in fasen wordt uitgevoerd, bepaalt de stedenbouwkundige vergunning, voor elke andere fase dan de eerste, het aanvangspunt van de termijn bedoeld in paragraaf 1. Die andere fasen kunnen in aanmerking komen voor de in § 2 bedoelde verlenging.
§ 4. Op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager kan de bevoegde overheid, om te beslissen over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, in zijn beslissing de termijn bedoeld in § 1 aanpassen, zonder dat die termijn evenwel zeven jaar mag overschrijden.
§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot 4 vervalt de vergunning die krachtens artikel D.IV.25 door de Regering is afgegeven, als de werken niet op significante wijze zijn aangevat binnen zeven jaar te rekenen van de dag waarop de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.50 gezonden wordt. De Regering kan evenwel op bijzonder gemotiveerd verzoek een nieuwe termijn toekennen zonder dat die termijn de vijf jaar kan overschrijden.
Art. D. IV.84.§ 1er. [1 Sans préjudice de l'article D.VII.20, § 1er, alinéa 4, le permis d'urbanisme est périmé pour la partie restante des travaux si ceux-ci n'ont pas été entièrement exécutés dans les cinq ans de son envoi]1.
§ 2. Toutefois, à la demande du bénéficiaire du permis d'urbanisme, celui-ci est prorogé pour une période de deux ans. Cette demande est introduite quarante-cinq jours avant l'expiration du délai de péremption visé au paragraphe 1er.
La prorogation est accordée par le collège communal. Toutefois, lorsque le permis a été délivré par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.22, la prorogation est accordée par le fonctionnaire délégué.
§ 3. Lorsque la réalisation des travaux a été autorisée par phases, le permis d'urbanisme détermine, pour chaque phase autre que la première, le point de départ du délai visé au paragraphe 1er. Ces autres phases peuvent bénéficier de la prorogation visée au paragraphe 2.
§ 4. A la demande motivée du demandeur de permis, l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis d'urbanisme peut, dans sa décision, adapter le délai visé au paragraphe 1er, sans que celui-ci ne puisse toutefois dépasser sept ans.
§ 5. Par dérogation aux paragraphes 1er à 4, le permis délivré par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25 est périmé si les travaux n'ont pas été commencés de manière significative dans les sept ans à compter du jour où le permis est envoyé conformément à l'article D.IV.50. Toutefois, le Gouvernement peut, sur requête spécialement motivée, accorder un nouveau délai sans que celui-ci ne puisse excéder cinq ans.
§ 2. Toutefois, à la demande du bénéficiaire du permis d'urbanisme, celui-ci est prorogé pour une période de deux ans. Cette demande est introduite quarante-cinq jours avant l'expiration du délai de péremption visé au paragraphe 1er.
La prorogation est accordée par le collège communal. Toutefois, lorsque le permis a été délivré par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.22, la prorogation est accordée par le fonctionnaire délégué.
§ 3. Lorsque la réalisation des travaux a été autorisée par phases, le permis d'urbanisme détermine, pour chaque phase autre que la première, le point de départ du délai visé au paragraphe 1er. Ces autres phases peuvent bénéficier de la prorogation visée au paragraphe 2.
§ 4. A la demande motivée du demandeur de permis, l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis d'urbanisme peut, dans sa décision, adapter le délai visé au paragraphe 1er, sans que celui-ci ne puisse toutefois dépasser sept ans.
§ 5. Par dérogation aux paragraphes 1er à 4, le permis délivré par le Gouvernement en vertu de l'article D.IV.25 est périmé si les travaux n'ont pas été commencés de manière significative dans les sept ans à compter du jour où le permis est envoyé conformément à l'article D.IV.50. Toutefois, le Gouvernement peut, sur requête spécialement motivée, accorder un nouveau délai sans que celui-ci ne puisse excéder cinq ans.
Art. D. IV.84_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De stedenbouwkundige vergunning vervalt voor de overige werken indien deze niet volledig zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na de verzending ervan.
§ 2. De vergunning kan evenwel met twee jaar verlengd worden op verzoek van de begunstigde ervan. Deze aanvraag wordt ingediend vijfenveertig dagen voor verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in paragraaf 1.
De verlenging wordt toegestaan door het gemeentecollege. [1 Wanneer de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.22 door de Regering afgegeven is, wordt verlenging evenwel door de Regering toegestaan.]1.
§ 3. Indien de uitvoering van de werkzaamheden in fasen wordt uitgevoerd, bepaalt de stedenbouwkundige vergunning, voor elke andere fase dan de eerste, het aanvangspunt van de termijn bedoeld in paragraaf 1. Die andere fasen kunnen in aanmerking komen voor de in § 2 bedoelde verlenging.
§ 4. Op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager kan de bevoegde overheid, om te beslissen over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, in zijn beslissing de termijn bedoeld in § 1 aanpassen, zonder dat die termijn evenwel zeven jaar mag overschrijden.
§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot 4 vervalt de vergunning die krachtens [1 artikel D.IV.22, eerste lid, 12°,]1 door de Regering is afgegeven, als de werken niet op significante wijze zijn aangevat binnen zeven jaar te rekenen van de dag waarop de vergunning overeenkomstig [1 artikel D.IV.48]1 gezonden wordt. De Regering kan evenwel op bijzonder gemotiveerd verzoek een nieuwe termijn toekennen zonder dat die termijn de vijf jaar kan overschrijden.
[2 § 6 - In afwijking van de paragrafen 1 tot 4 doet de verklaring dat het dossier gesloten wordt overeenkomstig artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 1° of 2°, wanneer ze wordt afgegeven voor het verstrijken van de geldigheidstermijn vermeld in de paragrafen 1 tot 4, de stedenbouwkundige vergunning vervallen voor het niet-uitgevoerde deel van de handelingen en werken]2
§ 1. De stedenbouwkundige vergunning vervalt voor de overige werken indien deze niet volledig zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na de verzending ervan.
§ 2. De vergunning kan evenwel met twee jaar verlengd worden op verzoek van de begunstigde ervan. Deze aanvraag wordt ingediend vijfenveertig dagen voor verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in paragraaf 1.
De verlenging wordt toegestaan door het gemeentecollege. [1 Wanneer de vergunning overeenkomstig artikel D.IV.22 door de Regering afgegeven is, wordt verlenging evenwel door de Regering toegestaan.]1.
§ 3. Indien de uitvoering van de werkzaamheden in fasen wordt uitgevoerd, bepaalt de stedenbouwkundige vergunning, voor elke andere fase dan de eerste, het aanvangspunt van de termijn bedoeld in paragraaf 1. Die andere fasen kunnen in aanmerking komen voor de in § 2 bedoelde verlenging.
§ 4. Op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager kan de bevoegde overheid, om te beslissen over de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, in zijn beslissing de termijn bedoeld in § 1 aanpassen, zonder dat die termijn evenwel zeven jaar mag overschrijden.
§ 5. In afwijking van de §§ 1 tot 4 vervalt de vergunning die krachtens [1 artikel D.IV.22, eerste lid, 12°,]1 door de Regering is afgegeven, als de werken niet op significante wijze zijn aangevat binnen zeven jaar te rekenen van de dag waarop de vergunning overeenkomstig [1 artikel D.IV.48]1 gezonden wordt. De Regering kan evenwel op bijzonder gemotiveerd verzoek een nieuwe termijn toekennen zonder dat die termijn de vijf jaar kan overschrijden.
[2 § 6 - In afwijking van de paragrafen 1 tot 4 doet de verklaring dat het dossier gesloten wordt overeenkomstig artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 1° of 2°, wanneer ze wordt afgegeven voor het verstrijken van de geldigheidstermijn vermeld in de paragrafen 1 tot 4, de stedenbouwkundige vergunning vervallen voor het niet-uitgevoerde deel van de handelingen en werken]2
Art. D. IV.84_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le permis d'urbanisme est périmé pour la partie restante des travaux si ceux-ci n'ont pas été entièrement exécutés dans les cinq ans de son envoi.
§ 2. Toutefois, à la demande du bénéficiaire du permis d'urbanisme, celui-ci est prorogé pour une période de deux ans. Cette demande est introduite quarante-cinq jours avant l'expiration du délai de péremption visé au paragraphe 1er.
La prorogation est accordée par le collège communal. Toutefois, lorsque le permis a été délivré par le [1 Gouvernement]1 en application de l'article D.IV.22, la prorogation est accordée par le [1 Gouvernement]1.
§ 3. Lorsque la réalisation des travaux a été autorisée par phases, le permis d'urbanisme détermine, pour chaque phase autre que la première, le point de départ du délai visé au paragraphe 1er. Ces autres phases peuvent bénéficier de la prorogation visée au paragraphe 2.
§ 4. A la demande motivée du demandeur de permis, l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis d'urbanisme peut, dans sa décision, adapter le délai visé au paragraphe 1er, sans que celui-ci ne puisse toutefois dépasser sept ans.
§ 5. Par dérogation aux paragraphes 1er à 4, le permis délivré par le Gouvernement en vertu de l'[1 article D.IV.22, alinéa 1er, 12°]1 est périmé si les travaux n'ont pas été commencés de manière significative dans les sept ans à compter du jour où le permis est envoyé conformément à l'[1 article D.IV.48]1 Toutefois, le Gouvernement peut, sur requête spécialement motivée, accorder un nouveau délai sans que celui-ci ne puisse excéder cinq ans.
[2 § 6 - Par dérogation aux § § 1er à 4, le permis d'urbanisme est périmé pour la partie des actes et travaux qui n'ont pas été réalisés, et ce, dès la déclaration de clôture du dossier conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 1° ou 2°, si cette déclaration intervient avant l'expiration du délai de validité mentionné aux § § 1er à 4.]2
§ 1er. Le permis d'urbanisme est périmé pour la partie restante des travaux si ceux-ci n'ont pas été entièrement exécutés dans les cinq ans de son envoi.
§ 2. Toutefois, à la demande du bénéficiaire du permis d'urbanisme, celui-ci est prorogé pour une période de deux ans. Cette demande est introduite quarante-cinq jours avant l'expiration du délai de péremption visé au paragraphe 1er.
La prorogation est accordée par le collège communal. Toutefois, lorsque le permis a été délivré par le [1 Gouvernement]1 en application de l'article D.IV.22, la prorogation est accordée par le [1 Gouvernement]1.
§ 3. Lorsque la réalisation des travaux a été autorisée par phases, le permis d'urbanisme détermine, pour chaque phase autre que la première, le point de départ du délai visé au paragraphe 1er. Ces autres phases peuvent bénéficier de la prorogation visée au paragraphe 2.
§ 4. A la demande motivée du demandeur de permis, l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis d'urbanisme peut, dans sa décision, adapter le délai visé au paragraphe 1er, sans que celui-ci ne puisse toutefois dépasser sept ans.
§ 5. Par dérogation aux paragraphes 1er à 4, le permis délivré par le Gouvernement en vertu de l'[1 article D.IV.22, alinéa 1er, 12°]1 est périmé si les travaux n'ont pas été commencés de manière significative dans les sept ans à compter du jour où le permis est envoyé conformément à l'[1 article D.IV.48]1 Toutefois, le Gouvernement peut, sur requête spécialement motivée, accorder un nouveau délai sans que celui-ci ne puisse excéder cinq ans.
[2 § 6 - Par dérogation aux § § 1er à 4, le permis d'urbanisme est périmé pour la partie des actes et travaux qui n'ont pas été réalisés, et ce, dès la déclaration de clôture du dossier conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 1° ou 2°, si cette déclaration intervient avant l'expiration du délai de validité mentionné aux § § 1er à 4.]2
Art. D. IV.84/1. [1 De stedenbouwkundige vergunning voor zover zij de vestiging van een handel in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, toelaat, vervalt indien het vergunde project gedurende twee opeenvolgende jaren niet in noemenswaardige mate voor het publiek toegankelijk is.]1
Art. D. IV.84/1. [1 Le permis d'urbanisme en ce qu'il autorise à implanter un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1, 8°, est caduc si le projet autorisé n'est pas ouvert au public, de manière significative, durant deux années consécutives.]1
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 3. - Dispositions communes
Art. D. IV.85. Vergunningen vervallen van rechtswege.
Het gemeentecollege kan het vervallen vaststellen in een proces-verbaal, dat per zending aan de houder van de vergunning gericht wordt. Een afschrift van dat schrijven wordt aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
Het gemeentecollege kan het vervallen vaststellen in een proces-verbaal, dat per zending aan de houder van de vergunning gericht wordt. Een afschrift van dat schrijven wordt aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
Art. D. IV.85. La péremption des permis s'opère de plein droit.
Le collège communal peut constater la péremption dans un procès-verbal qu'il adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au fonctionnaire délégué.
Le collège communal peut constater la péremption dans un procès-verbal qu'il adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au fonctionnaire délégué.
Art. D. IV.85_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Vergunningen vervallen van rechtswege.
Het gemeentecollege kan het vervallen vaststellen in een proces-verbaal, dat per zending aan de houder van de vergunning gericht wordt. Een afschrift van dat schrijven wordt aan [1 de Regering]1 gericht.
Vergunningen vervallen van rechtswege.
Het gemeentecollege kan het vervallen vaststellen in een proces-verbaal, dat per zending aan de houder van de vergunning gericht wordt. Een afschrift van dat schrijven wordt aan [1 de Regering]1 gericht.
Art. D. IV.85_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La péremption des permis s'opère de plein droit.
Le collège communal peut constater la péremption dans un procès-verbal qu'il adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au [1 Gouvernement]1.
La péremption des permis s'opère de plein droit.
Le collège communal peut constater la péremption dans un procès-verbal qu'il adresse, par envoi, au titulaire du permis. Une copie de l'envoi est adressée au [1 Gouvernement]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.86. Wanneer de vergunning opgeschort is overeenkomstig de artikelen D.IV.89 en D.IV.90, wordt de vervaltermijn van de vergunning dienovereenkomstig opgeschort.
Art. D. IV.86. Lorsque le permis est suspendu en application des articles D.IV.89 et D.IV.90, le délai de péremption du permis est concomitamment suspendu.
Art. D. IV.87.De vervaltermijn wordt van rechtswege opgeschort gedurende de hele procedure, namelijk vanaf de indiening van het verzoek tot aan de kennisgeving van de eindbeslissing, wanneer voor de Raad van State tegen de vergunning een beroep tot nietigverklaring is ingediend of wanneer een verzoek tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde. Als de begunstigde van de omstreden vergunning niet de hoedanigheid van partij in het geding heeft, geeft de vergunning verstrekkende overheid [2 of de administratie]2, voor de door de Regering afgegeven vergunningen, de begunstigde kennis van de aanvang en van het einde van de periode waarin de vervaltermijn opgeschort is.
[1 De vervaltermijn kan worden opgeschort voor de volledige periode die nodig is om de archeologische verrichtingen uit te voeren die vereist zijn krachtens de artikelen D.66 en D.67 van het Waalse Erfgoedwetboek. De periode die nodig is om de archeologische verrichtingen uit te voeren komt overeen met de tijd tussen de dag waarop de archeologische verrichtingen beginnen en de dag waarop ze eindigen, en wordt aangetoond door middel van het attest bedoeld in artikel D.70 van hetzelfde Wetboek.]1
[1 De vervaltermijn kan worden opgeschort voor de volledige periode die nodig is om de archeologische verrichtingen uit te voeren die vereist zijn krachtens de artikelen D.66 en D.67 van het Waalse Erfgoedwetboek. De periode die nodig is om de archeologische verrichtingen uit te voeren komt overeen met de tijd tussen de dag waarop de archeologische verrichtingen beginnen en de dag waarop ze eindigen, en wordt aangetoond door middel van het attest bedoeld in artikel D.70 van hetzelfde Wetboek.]1
Art. D. IV.87.Le délai de péremption est suspendu de plein droit durant tout le temps de la procédure, à savoir de l'introduction de la requête à la notification de la décision finale, lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre du permis devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire. Si le bénéficiaire du permis contesté n'a pas la qualité de partie au procès, l'autorité qui a délivré le permis ou [2 l'administration]2 pour les permis délivrés par le Gouvernement notifie au bénéficiaire le début et la fin de période de suspension du délai de péremption.
[1 Le délai de péremption peut être suspendu durant toute la période nécessaire à la réalisation des opérations archéologiques imposées en vertu des articles D.66 et D.67 du Code wallon du Patrimoine. La période nécessaire à la réalisation des opérations archéologiques correspond au délai entre le jour de début et de fin de la réalisation des opérations archéologiques et est prouvée au moyen de l'attestation visée à l'article D.70 du même Code.]1
[1 Le délai de péremption peut être suspendu durant toute la période nécessaire à la réalisation des opérations archéologiques imposées en vertu des articles D.66 et D.67 du Code wallon du Patrimoine. La période nécessaire à la réalisation des opérations archéologiques correspond au délai entre le jour de début et de fin de la réalisation des opérations archéologiques et est prouvée au moyen de l'attestation visée à l'article D.70 du même Code.]1
Art. D. IV.87_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vervaltermijn wordt van rechtswege opgeschort gedurende de hele procedure, namelijk vanaf de indiening van het verzoek tot aan de kennisgeving van de eindbeslissing, wanneer voor de Raad van State tegen de vergunning een beroep tot nietigverklaring is ingediend of wanneer een verzoek tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde. Als de begunstigde van de omstreden vergunning niet de hoedanigheid van partij in het geding heeft, geeft de vergunning verstrekkende overheid [1 ...]1 de begunstigde kennis van de aanvang en van het einde van de periode waarin de vervaltermijn opgeschort is.
De vervaltermijn wordt van rechtswege opgeschort gedurende de hele procedure, namelijk vanaf de indiening van het verzoek tot aan de kennisgeving van de eindbeslissing, wanneer voor de Raad van State tegen de vergunning een beroep tot nietigverklaring is ingediend of wanneer een verzoek tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde. Als de begunstigde van de omstreden vergunning niet de hoedanigheid van partij in het geding heeft, geeft de vergunning verstrekkende overheid [1 ...]1 de begunstigde kennis van de aanvang en van het einde van de periode waarin de vervaltermijn opgeschort is.
Art. D. IV.87_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le délai de péremption est suspendu de plein droit durant tout le temps de la procédure, à savoir de l'introduction de la requête à la notification de la décision finale, lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre du permis devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire. Si le bénéficiaire du permis contesté n'a pas la qualité de partie au procès, l'autorité qui a délivré le permis [1 ...]1 notifie au bénéficiaire le début et la fin de période de suspension du délai de péremption.
Le délai de péremption est suspendu de plein droit durant tout le temps de la procédure, à savoir de l'introduction de la requête à la notification de la décision finale, lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre du permis devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire. Si le bénéficiaire du permis contesté n'a pas la qualité de partie au procès, l'autorité qui a délivré le permis [1 ...]1 notifie au bénéficiaire le début et la fin de période de suspension du délai de péremption.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Opschorting van de vergunning
CHAPITRE IV. - Suspension du permis
Art. D. IV.88. Wanneer de uitvoering van een project één of meerdere machtigingen bedoeld in artikel D.IV.56 of beoogd in een andere wetgeving inzake administratieve ordehandhaving vereist, mogen de handelingen en werken die toegelaten worden door de vergunning, niet uitgevoerd worden door de houder zolang hij niet in het bezit is van bedoelde machtigingen.
De in artikel D.IV.81 en volgende bedoelde vervaltermijn wordt opgeschort zolang de beslissing i.v.m. de machtiging niet is toegezonden. Wordt de machtiging geweigerd, dan vervalt de vergunning van rechtswege de dag waarop de machtiging in laatste instantie wordt geweigerd.
De in artikel D.IV.81 en volgende bedoelde vervaltermijn wordt opgeschort zolang de beslissing i.v.m. de machtiging niet is toegezonden. Wordt de machtiging geweigerd, dan vervalt de vergunning van rechtswege de dag waarop de machtiging in laatste instantie wordt geweigerd.
Art. D. IV.88. Lorsqu'un projet requiert pour sa réalisation une ou plusieurs autres autorisations visées à l'article D.IV.56 ou visées par une autre législation de police administrative, les actes et travaux autorisés par le permis ne peuvent être exécutés par son titulaire tant que ce dernier ne dispose pas desdites autorisations.
Le délai de péremption visé aux articles D.IV.81 et suivants est suspendu tant que la décision relative à l'autorisation n'est pas envoyée. Si l'autorisation est refusée, le permis devient caduc, de plein droit, le jour du refus en dernière instance de l'autorisation.
Le délai de péremption visé aux articles D.IV.81 et suivants est suspendu tant que la décision relative à l'autorisation n'est pas envoyée. Si l'autorisation est refusée, le permis devient caduc, de plein droit, le jour du refus en dernière instance de l'autorisation.
Art. D _IV.88.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de uitvoering van een project één of meerdere machtigingen bedoeld in artikel D.IV.56 of beoogd in een andere wetgeving inzake administratieve ordehandhaving vereist, mogen de handelingen en werken die toegelaten worden door de vergunning, niet uitgevoerd worden door de houder zolang hij niet in het bezit is van bedoelde machtigingen.
[1 ...]1
Wanneer de uitvoering van een project één of meerdere machtigingen bedoeld in artikel D.IV.56 of beoogd in een andere wetgeving inzake administratieve ordehandhaving vereist, mogen de handelingen en werken die toegelaten worden door de vergunning, niet uitgevoerd worden door de houder zolang hij niet in het bezit is van bedoelde machtigingen.
[1 ...]1
Art. D _IV.88.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsqu'un projet requiert pour sa réalisation une ou plusieurs autres autorisations visées à l'article D.IV.56 ou visées par une autre législation de police administrative, les actes et travaux autorisés par le permis ne peuvent être exécutés par son titulaire tant que ce dernier ne dispose pas desdites autorisations.
[1 ...]1
Lorsqu'un projet requiert pour sa réalisation une ou plusieurs autres autorisations visées à l'article D.IV.56 ou visées par une autre législation de police administrative, les actes et travaux autorisés par le permis ne peuvent être exécutés par son titulaire tant que ce dernier ne dispose pas desdites autorisations.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. D. IV.89.Een vergunning kan opgeschort worden in de volgende gevallen :
1° door de gemachtigd ambtenaar, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° bij een toevallige ontdekking van archeologische goederen tijdens de uitvoering van de vergunning, in de voorwaarden [4 in artikel D.74, eerste lid, 1°,]4 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer een beleidsontwikkelingsonderzoek, een kenmerkenonderzoek, een gecombineerd onderzoek, een saneringsproject of saneringshandelingen en -werken uitgevoerd moeten worden krachtens [1 het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1.
4° [4 in geval van toevallige ontdekking, na de afgifte van de vergunning, van de aanwezigheid van individuen van een soort beschermd door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, die door de uitvoering van de vergunning kunnen worden geschaad op een wijze die door deze wet is verboden. Wanneer de vergunning gedeeltelijk kan worden uitgevoerd zonder schade te berokkenen aan personen op een manier die verboden is door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, wordt ze enkel geschorst voor die handelingen en werken die dergelijke schade kunnen veroorzaken en voor de tijd die nodig is om de afwijkingen te verkrijgen die vereist zijn volgens die wet]4.
[4 5° in geval van archeologische ingrepen opgelegd krachtens de artikelen D.66 en D.67 van het Waalse Erfgoedwetboek onder de voorwaarden bepaald door hetzelfde Wetboek.]4
1° door de gemachtigd ambtenaar, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° bij een toevallige ontdekking van archeologische goederen tijdens de uitvoering van de vergunning, in de voorwaarden [4 in artikel D.74, eerste lid, 1°,]4 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° wanneer een beleidsontwikkelingsonderzoek, een kenmerkenonderzoek, een gecombineerd onderzoek, een saneringsproject of saneringshandelingen en -werken uitgevoerd moeten worden krachtens [1 het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1.
4° [4 in geval van toevallige ontdekking, na de afgifte van de vergunning, van de aanwezigheid van individuen van een soort beschermd door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, die door de uitvoering van de vergunning kunnen worden geschaad op een wijze die door deze wet is verboden. Wanneer de vergunning gedeeltelijk kan worden uitgevoerd zonder schade te berokkenen aan personen op een manier die verboden is door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, wordt ze enkel geschorst voor die handelingen en werken die dergelijke schade kunnen veroorzaken en voor de tijd die nodig is om de afwijkingen te verkrijgen die vereist zijn volgens die wet]4.
[4 5° in geval van archeologische ingrepen opgelegd krachtens de artikelen D.66 en D.67 van het Waalse Erfgoedwetboek onder de voorwaarden bepaald door hetzelfde Wetboek.]4
Art. D. IV.89.Un permis peut être suspendu dans les cas suivants :
1° par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.62;
2° en cas de découverte fortuite de biens archéologiques lors de la mise en oeuvre du permis, dans les conditions [4 de l'article D.74, alinéa 1er, 1°,]4 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsqu'une étude d'orientation, une étude de caractérisation, une étude combinée, un projet d'assainissement ou des actes et travaux d'assainissement doivent être accomplis en vertu du [1 décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
[4 4° en cas de découverte fortuite, après la délivrance du permis, de la présence d'individus d'une espèce protégée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature auxquels la mise en oeuvre du permis risque de porter atteinte d'une manière prohibée par cette loi. Lorsque le permis peut être partiellement mis en oeuvre sans porter atteinte aux individus d'une manière prohibée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, il n'est suspendu que pour les actes et travaux susceptibles de porter l'atteinte et durant le temps nécessaire à l'obtention des dérogations requises en vertu de cette loi;]4
[4 5° en cas de réalisation d'opérations archéologiques imposée en vertu des articles D.66 et D.67 du Code wallon du Patrimoine dans les conditions prévues par le même Code.]4
1° par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.62;
2° en cas de découverte fortuite de biens archéologiques lors de la mise en oeuvre du permis, dans les conditions [4 de l'article D.74, alinéa 1er, 1°,]4 du Code wallon du Patrimoine;
3° lorsqu'une étude d'orientation, une étude de caractérisation, une étude combinée, un projet d'assainissement ou des actes et travaux d'assainissement doivent être accomplis en vertu du [1 décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
[4 4° en cas de découverte fortuite, après la délivrance du permis, de la présence d'individus d'une espèce protégée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature auxquels la mise en oeuvre du permis risque de porter atteinte d'une manière prohibée par cette loi. Lorsque le permis peut être partiellement mis en oeuvre sans porter atteinte aux individus d'une manière prohibée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, il n'est suspendu que pour les actes et travaux susceptibles de porter l'atteinte et durant le temps nécessaire à l'obtention des dérogations requises en vertu de cette loi;]4
[4 5° en cas de réalisation d'opérations archéologiques imposée en vertu des articles D.66 et D.67 du Code wallon du Patrimoine dans les conditions prévues par le même Code.]4
Art. D. IV.89_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Een vergunning kan opgeschort worden in de volgende gevallen :
1° door [3 de Regering]3, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° [3 bij een toevallige ontdekking in de zin van artikel 30 van het erfgoeddecreet;]3
3° [4 ...]4
Een vergunning kan opgeschort worden in de volgende gevallen :
1° door [3 de Regering]3, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° [3 bij een toevallige ontdekking in de zin van artikel 30 van het erfgoeddecreet;]3
3° [4 ...]4
Art. D. IV.89_.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Un permis peut être suspendu dans les cas suivants :
1° par le [3 Gouvernement]3 en application de l'article D.IV.62;
2° [3 en cas de découverte fortuite au sens de l'article 30 du décret sur le patrimoine;]3
3° [4 ...]4
Un permis peut être suspendu dans les cas suivants :
1° par le [3 Gouvernement]3 en application de l'article D.IV.62;
2° [3 en cas de découverte fortuite au sens de l'article 30 du décret sur le patrimoine;]3
3° [4 ...]4
Art. D. IV.90. De door het gemeentecollege verstrekte vergunning wordt opgeschort zolang de aanvrager niet door de kennisgeving ervan aan de gemachtigd ambtenaar is ingelicht en tijdens de termijn van dertig dagen toegekend aan de gemachtigd ambtenaar voor een eventuele opschorting overeenkomstig artikel D.IV.62.
De in de artikelen D.IV.64 en D.IV.65 bedoelde beroepen evenals de termijnen om een beroep in te dienen, zijn opschortend.
De in de artikelen D.IV.64 en D.IV.65 bedoelde beroepen evenals de termijnen om een beroep in te dienen, zijn opschortend.
Art. D. IV.90. Le permis délivré par le collège communal est suspendu tant que le demandeur n'est pas informé de sa notification au fonctionnaire délégué et durant le délai de trente jours octroyé au fonctionnaire délégué pour une éventuelle suspension en application de l'article D.IV.62.
Les recours visés aux articles D.IV.64 et D.IV.65 sont suspensifs, de même que les délais pour former recours.
Les recours visés aux articles D.IV.64 et D.IV.65 sont suspensifs, de même que les délais pour former recours.
Art. D. IV.90_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De door het gemeentecollege verstrekte vergunning wordt opgeschort zolang de aanvrager niet door de kennisgeving ervan aan [1 de Regering]1 is ingelicht en tijdens de termijn van dertig dagen toegekend aan de gemachtigd ambtenaar voor een eventuele opschorting overeenkomstig artikel D.IV.62.
De in [1 artikel]1 D.IV.65 bedoelde beroepen evenals de termijnen om een beroep in te dienen, zijn opschortend.
De door het gemeentecollege verstrekte vergunning wordt opgeschort zolang de aanvrager niet door de kennisgeving ervan aan [1 de Regering]1 is ingelicht en tijdens de termijn van dertig dagen toegekend aan de gemachtigd ambtenaar voor een eventuele opschorting overeenkomstig artikel D.IV.62.
De in [1 artikel]1 D.IV.65 bedoelde beroepen evenals de termijnen om een beroep in te dienen, zijn opschortend.
Art. D. IV.90_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis délivré par le collège communal est suspendu tant que le demandeur n'est pas informé de sa notification au [1 Gouvernement]1 et durant le délai de trente jours octroyé au [1 Gouvernement]1 pour une éventuelle suspension en application de l'article D.IV.62.
Les recours visés [1 à l'article]1 D.IV.65 sont suspensifs, de même que les délais pour former recours.
Le permis délivré par le collège communal est suspendu tant que le demandeur n'est pas informé de sa notification au [1 Gouvernement]1 et durant le délai de trente jours octroyé au [1 Gouvernement]1 pour une éventuelle suspension en application de l'article D.IV.62.
Les recours visés [1 à l'article]1 D.IV.65 sont suspensifs, de même que les délais pour former recours.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Intrekking van de vergunning
CHAPITRE V. - Retrait de permis
Art. D. IV.91.Onverminderd de algemene regels, van toepassing op de intrekking van bestuursakten, kan een vergunning enkel in volgende gevallen ingetrokken worden :
1° na de opschorting van de vergunning door de gemachtigd ambtenaar, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° bij een toevallige ontdekking van archeologische goederen tijdens de uitvoering van de vergunning, in de voorwaarden [2 van artikel D.74, lid 1, 2°,]2 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° in geval van niet-naleving van de regels inzake het taalgebruik;
[3 4° in geval van toevallige ontdekking, na de afgifte van de vergunning, van de aanwezigheid van individuen van een soort beschermd door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, die door de uitvoering van de vergunning kunnen worden geschaad op een wijze die door deze wet is verboden. Wanneer de vergunning gedeeltelijk kan worden uitgevoerd zonder schade te berokkenen aan personen op een manier die verboden is door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, wordt ze enkel geschorst voor die handelingen en werken die schade kunnen veroorzaken .]3
Indien de regels inzake het taalgebruik niet wordennageleefd, wordt de intrekking verzonden binnen zestig dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing is genomen, of, indien een beroep tot nietigverklaring is ingediend, tot afsluiting van de debatten. De bevoegde overheid beschikt over een nieuwe volledige termijn, die gelijk is aan de oorspronkelijke termijn, te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking, om zich uit te spreken en om haar beslissing te verzenden.
Wanneer het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of de Regering de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenkomstig de algemene regels betreffende de intrekking van de administratieve akten intrekt, wordt de nieuwe beslissing binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking verstuurd.
[3 Deze periode wordt met veertig dagen verlengd als er speciale bekenmakingsmaatregelen nodig zijn of als er adviezen worden aangevraagd.]3
1° na de opschorting van de vergunning door de gemachtigd ambtenaar, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° bij een toevallige ontdekking van archeologische goederen tijdens de uitvoering van de vergunning, in de voorwaarden [2 van artikel D.74, lid 1, 2°,]2 van het Waalse Erfgoedwetboek;
3° in geval van niet-naleving van de regels inzake het taalgebruik;
[3 4° in geval van toevallige ontdekking, na de afgifte van de vergunning, van de aanwezigheid van individuen van een soort beschermd door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, die door de uitvoering van de vergunning kunnen worden geschaad op een wijze die door deze wet is verboden. Wanneer de vergunning gedeeltelijk kan worden uitgevoerd zonder schade te berokkenen aan personen op een manier die verboden is door de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, wordt ze enkel geschorst voor die handelingen en werken die schade kunnen veroorzaken .]3
Indien de regels inzake het taalgebruik niet wordennageleefd, wordt de intrekking verzonden binnen zestig dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing is genomen, of, indien een beroep tot nietigverklaring is ingediend, tot afsluiting van de debatten. De bevoegde overheid beschikt over een nieuwe volledige termijn, die gelijk is aan de oorspronkelijke termijn, te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking, om zich uit te spreken en om haar beslissing te verzenden.
Wanneer het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of de Regering de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenkomstig de algemene regels betreffende de intrekking van de administratieve akten intrekt, wordt de nieuwe beslissing binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking verstuurd.
[3 Deze periode wordt met veertig dagen verlengd als er speciale bekenmakingsmaatregelen nodig zijn of als er adviezen worden aangevraagd.]3
Art. D. IV.91.Sans préjudice des règles générales applicables au retrait des actes administratifs, un permis ne peut être retiré que dans les cas suivants :
1° suite à la suspension du permis par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.62;
2° en cas de découverte fortuite de biens archéologiques lors de la mise en oeuvre du permis, dans les conditions [2 de l'article D.74, alinéa 1er, 2°,]2 du Code wallon du Patrimoine;
3° en cas de non respect des règles sur l'emploi des langues;
[3 4° en cas de découverte fortuite, après la délivrance du permis, de la présence d'individus d'une espèce protégée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature auxquels la mise en oeuvre du permis risque de porter atteinte d'une manière prohibée par cette loi. Lorsque le permis peut être partiellement mis en oeuvre sans porter atteinte aux individus d'une manière prohibée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, il n'est retiré que pour les actes et travaux susceptibles de porter l'atteinte.]3
En cas de non respect des règles sur l'emploi des langues, le retrait est envoyé dans les soixante jours à dater du jour où la décision a été prise, ou, si un recours en annulation a été introduit, jusqu'à la clôture des débats. L'autorité compétente dispose d'un nouveau délai complet, identique au délai initial, à dater de l'envoi de la décision de retrait pour se prononcer et envoyer sa décision.
Lorsque le collège communal, le fonctionnaire délégué ou le Gouvernement retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 en application des règles générales relatives au retrait des actes administratifs, il envoie la nouvelle décision dans un délai de quarante jours à dater de l'envoi de la décision de retrait.
[3 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]3
1° suite à la suspension du permis par le fonctionnaire délégué en application de l'article D.IV.62;
2° en cas de découverte fortuite de biens archéologiques lors de la mise en oeuvre du permis, dans les conditions [2 de l'article D.74, alinéa 1er, 2°,]2 du Code wallon du Patrimoine;
3° en cas de non respect des règles sur l'emploi des langues;
[3 4° en cas de découverte fortuite, après la délivrance du permis, de la présence d'individus d'une espèce protégée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature auxquels la mise en oeuvre du permis risque de porter atteinte d'une manière prohibée par cette loi. Lorsque le permis peut être partiellement mis en oeuvre sans porter atteinte aux individus d'une manière prohibée par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, il n'est retiré que pour les actes et travaux susceptibles de porter l'atteinte.]3
En cas de non respect des règles sur l'emploi des langues, le retrait est envoyé dans les soixante jours à dater du jour où la décision a été prise, ou, si un recours en annulation a été introduit, jusqu'à la clôture des débats. L'autorité compétente dispose d'un nouveau délai complet, identique au délai initial, à dater de l'envoi de la décision de retrait pour se prononcer et envoyer sa décision.
Lorsque le collège communal, le fonctionnaire délégué ou le Gouvernement retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 en application des règles générales relatives au retrait des actes administratifs, il envoie la nouvelle décision dans un délai de quarante jours à dater de l'envoi de la décision de retrait.
[3 Ce délai est prorogé de quarante jours si des mesures particulières de publicité sont effectuées ou si des avis sont sollicités.]3
Art. D. IV.91_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onverminderd de algemene regels, van toepassing op de intrekking van bestuursakten, kan een vergunning enkel in volgende gevallen ingetrokken worden :
1° na de opschorting van de vergunning door [2 de Regering]2, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° [2 bij een toevallige ontdekking in de zin van artikel 30 van het erfgoeddecreet;]2
3° in geval van niet-naleving van de regels inzake het taalgebruik.
Indien de regels inzake het taalgebruik niet wordennageleefd, wordt de intrekking verzonden binnen zestig dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing is genomen, of, indien een beroep tot nietigverklaring is ingediend, tot afsluiting van de debatten. De bevoegde overheid beschikt over een nieuwe volledige termijn, die gelijk is aan de oorspronkelijke termijn, te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking, om zich uit te spreken en om haar beslissing te verzenden.
Wanneer het gemeentecollege, [2 ...]2 of de Regering de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenkomstig de algemene regels betreffende de intrekking van de administratieve akten intrekt, wordt de nieuwe beslissing binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking verstuurd.
Onverminderd de algemene regels, van toepassing op de intrekking van bestuursakten, kan een vergunning enkel in volgende gevallen ingetrokken worden :
1° na de opschorting van de vergunning door [2 de Regering]2, overeenkomstig artikel D.IV.62;
2° [2 bij een toevallige ontdekking in de zin van artikel 30 van het erfgoeddecreet;]2
3° in geval van niet-naleving van de regels inzake het taalgebruik.
Indien de regels inzake het taalgebruik niet wordennageleefd, wordt de intrekking verzonden binnen zestig dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing is genomen, of, indien een beroep tot nietigverklaring is ingediend, tot afsluiting van de debatten. De bevoegde overheid beschikt over een nieuwe volledige termijn, die gelijk is aan de oorspronkelijke termijn, te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking, om zich uit te spreken en om haar beslissing te verzenden.
Wanneer het gemeentecollege, [2 ...]2 of de Regering de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 overeenkomstig de algemene regels betreffende de intrekking van de administratieve akten intrekt, wordt de nieuwe beslissing binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de dag van zending van de beslissing tot intrekking verstuurd.
Art. D. IV.91_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sans préjudice des règles générales applicables au retrait des actes administratifs, un permis ne peut être retiré que dans les cas suivants :
1° suite à la suspension du permis par le [2 Gouvernement]2 en application de l'article D.IV.62;
2° [2 en cas de découverte fortuite au sens de l'article 30 du décret sur le patrimoine;]2
3° en cas de non respect des règles sur l'emploi des langues.
En cas de non respect des règles sur l'emploi des langues, le retrait est envoyé dans les soixante jours à dater du jour où la décision a été prise, ou, si un recours en annulation a été introduit, jusqu'à la clôture des débats. L'autorité compétente dispose d'un nouveau délai complet, identique au délai initial, à dater de l'envoi de la décision de retrait pour se prononcer et envoyer sa décision.
Lorsque le collège communal [2 ...]2 ou le Gouvernement retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 en application des règles générales relatives au retrait des actes administratifs, il envoie la nouvelle décision dans un délai de quarante jours à dater de l'envoi de la décision de retrait.
Sans préjudice des règles générales applicables au retrait des actes administratifs, un permis ne peut être retiré que dans les cas suivants :
1° suite à la suspension du permis par le [2 Gouvernement]2 en application de l'article D.IV.62;
2° [2 en cas de découverte fortuite au sens de l'article 30 du décret sur le patrimoine;]2
3° en cas de non respect des règles sur l'emploi des langues.
En cas de non respect des règles sur l'emploi des langues, le retrait est envoyé dans les soixante jours à dater du jour où la décision a été prise, ou, si un recours en annulation a été introduit, jusqu'à la clôture des débats. L'autorité compétente dispose d'un nouveau délai complet, identique au délai initial, à dater de l'envoi de la décision de retrait pour se prononcer et envoyer sa décision.
Lorsque le collège communal [2 ...]2 ou le Gouvernement retire le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 en application des règles générales relatives au retrait des actes administratifs, il envoie la nouvelle décision dans un délai de quarante jours à dater de l'envoi de la décision de retrait.
HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de vergunning
CHAPITRE VI. - Cession du permis
Art. D. IV.92. § 1. Bij overdracht van een vergunning waarvan de lasten, de voorwaarden of de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg, niet volledig uitgevoerd zijn, geven de overdrager en de verkrijger gezamenlijk kennis ervan aan de overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste aanleg te verstrekken. Indien financiële garanties voor de overdracht verstrekt zijn en indien ze niet gebruikt zijn, worden ze ofwel gehandhaafd, ofwel vervangen door gelijkwaardige financiële garanties.
De kennisgeving wijst op het lot voorbehouden aan de voor de overdracht verstrekte financiële garanties en omvat de schriftelijke bevestiging van de overdrager dat hij kennis heeft genomen van de vergunning, de door de bevoegde overheden eventuele voorgeschreven voorwaarden en lasten of de nodige uit te voeren handelingen en werken voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, van artikel D.IV.75 en van het feit dat hij houder van de vergunning wordt.
De bevoegde overheid verstrekt een bericht van ontvangst van de kennisgeving en licht er, volgens het geval, het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar over in.
§ 2. Zoniet blijven de overdrager of zijn rechthebbenden hoofdelijk verantwoordelijk met de verkrijger voor de voorgeschreven lasten en voorwaarden of voor de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen.
De kennisgeving wijst op het lot voorbehouden aan de voor de overdracht verstrekte financiële garanties en omvat de schriftelijke bevestiging van de overdrager dat hij kennis heeft genomen van de vergunning, de door de bevoegde overheden eventuele voorgeschreven voorwaarden en lasten of de nodige uit te voeren handelingen en werken voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, van artikel D.IV.75 en van het feit dat hij houder van de vergunning wordt.
De bevoegde overheid verstrekt een bericht van ontvangst van de kennisgeving en licht er, volgens het geval, het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar over in.
§ 2. Zoniet blijven de overdrager of zijn rechthebbenden hoofdelijk verantwoordelijk met de verkrijger voor de voorgeschreven lasten en voorwaarden of voor de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen.
Art. D. IV.92. § 1er. En cas de cession d'un permis dont les charges, les conditions ou les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, ne sont pas complètement réalisés, le cédant et le cessionnaire procèdent à une notification conjointe à l'autorité compétente pour délivrer le permis en première instance. Si des garanties financières ont été fournies avant la cession et qu'elles n'ont pas été utilisées, elles sont soit maintenues, soit remplacées par des garanties financières équivalentes.
La notification fait état du sort réservé aux garanties financières fournies avant la cession et contient la confirmation écrite du cessionnaire qu'il a pris connaissance du permis, des conditions et charges éventuelles prescrites par l'autorité compétente ou des actes et travaux à réaliser nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge, de l'article D.IV.75 et du fait qu'il devient titulaire du permis.
L'autorité compétente accuse réception de la notification et en informe, selon le cas, le collège communal ou le fonctionnaire délégué.
§ 2. A défaut, le cédant ou ses ayants droit demeurent solidairement responsables avec le cessionnaire des charges et conditions prescrites ou des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge.
La notification fait état du sort réservé aux garanties financières fournies avant la cession et contient la confirmation écrite du cessionnaire qu'il a pris connaissance du permis, des conditions et charges éventuelles prescrites par l'autorité compétente ou des actes et travaux à réaliser nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge, de l'article D.IV.75 et du fait qu'il devient titulaire du permis.
L'autorité compétente accuse réception de la notification et en informe, selon le cas, le collège communal ou le fonctionnaire délégué.
§ 2. A défaut, le cédant ou ses ayants droit demeurent solidairement responsables avec le cessionnaire des charges et conditions prescrites ou des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge.
Art. D. IV.92_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Bij overdracht van een vergunning waarvan de lasten, de voorwaarden of de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg, niet volledig uitgevoerd zijn, geven de overdrager en de verkrijger gezamenlijk kennis ervan aan de overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste aanleg te verstrekken. Indien financiële garanties voor de overdracht verstrekt zijn en indien ze niet gebruikt zijn, worden ze ofwel gehandhaafd, ofwel vervangen door gelijkwaardige financiële garanties.
De kennisgeving wijst op het lot voorbehouden aan de voor de overdracht verstrekte financiële garanties en omvat de schriftelijke bevestiging van de overdrager dat hij kennis heeft genomen van de vergunning, de door de bevoegde overheden eventuele voorgeschreven voorwaarden en lasten of de nodige uit te voeren handelingen en werken voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, van artikel D.IV.75 en van het feit dat hij houder van de vergunning wordt.
De bevoegde overheid verstrekt een bericht van ontvangst van de kennisgeving en licht er, volgens het geval, het gemeentecollege of [1 de Regering]1 over in.
§ 2. Zoniet blijven de overdrager of zijn rechthebbenden hoofdelijk verantwoordelijk met de verkrijger voor de voorgeschreven lasten en voorwaarden of voor de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen.
§ 1. Bij overdracht van een vergunning waarvan de lasten, de voorwaarden of de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg, niet volledig uitgevoerd zijn, geven de overdrager en de verkrijger gezamenlijk kennis ervan aan de overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste aanleg te verstrekken. Indien financiële garanties voor de overdracht verstrekt zijn en indien ze niet gebruikt zijn, worden ze ofwel gehandhaafd, ofwel vervangen door gelijkwaardige financiële garanties.
De kennisgeving wijst op het lot voorbehouden aan de voor de overdracht verstrekte financiële garanties en omvat de schriftelijke bevestiging van de overdrager dat hij kennis heeft genomen van de vergunning, de door de bevoegde overheden eventuele voorgeschreven voorwaarden en lasten of de nodige uit te voeren handelingen en werken voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen, van artikel D.IV.75 en van het feit dat hij houder van de vergunning wordt.
De bevoegde overheid verstrekt een bericht van ontvangst van de kennisgeving en licht er, volgens het geval, het gemeentecollege of [1 de Regering]1 over in.
§ 2. Zoniet blijven de overdrager of zijn rechthebbenden hoofdelijk verantwoordelijk met de verkrijger voor de voorgeschreven lasten en voorwaarden of voor de handelingen en werken nodig voor de opening, de wijziging of de opheffing van een gemeenteweg die niet als dusdanig als voorwaarde of last worden opgenomen.
Art. D. IV.92_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. En cas de cession d'un permis dont les charges, les conditions ou les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, ne sont pas complètement réalisés, le cédant et le cessionnaire procèdent à une notification conjointe à l'autorité compétente pour délivrer le permis en première instance. Si des garanties financières ont été fournies avant la cession et qu'elles n'ont pas été utilisées, elles sont soit maintenues, soit remplacées par des garanties financières équivalentes.
La notification fait état du sort réservé aux garanties financières fournies avant la cession et contient la confirmation écrite du cessionnaire qu'il a pris connaissance du permis, des conditions et charges éventuelles prescrites par l'autorité compétente ou des actes et travaux à réaliser nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge, de l'article D.IV.75 et du fait qu'il devient titulaire du permis.
L'autorité compétente accuse réception de la notification et en informe, selon le cas, le collège communal ou le [1 Gouvernement]1.
§ 2. A défaut, le cédant ou ses ayants droit demeurent solidairement responsables avec le cessionnaire des charges et conditions prescrites ou des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge.
§ 1er. En cas de cession d'un permis dont les charges, les conditions ou les actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale, ne sont pas complètement réalisés, le cédant et le cessionnaire procèdent à une notification conjointe à l'autorité compétente pour délivrer le permis en première instance. Si des garanties financières ont été fournies avant la cession et qu'elles n'ont pas été utilisées, elles sont soit maintenues, soit remplacées par des garanties financières équivalentes.
La notification fait état du sort réservé aux garanties financières fournies avant la cession et contient la confirmation écrite du cessionnaire qu'il a pris connaissance du permis, des conditions et charges éventuelles prescrites par l'autorité compétente ou des actes et travaux à réaliser nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge, de l'article D.IV.75 et du fait qu'il devient titulaire du permis.
L'autorité compétente accuse réception de la notification et en informe, selon le cas, le collège communal ou le [1 Gouvernement]1.
§ 2. A défaut, le cédant ou ses ayants droit demeurent solidairement responsables avec le cessionnaire des charges et conditions prescrites ou des actes et travaux nécessaires à l'ouverture, la modification ou la suppression d'une voirie communale non repris en tant que tels comme condition ou charge.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - Afzien van de vergunning
CHAPITRE VII. - Renonciation au permis
Art. D. IV.93. § 1. De houder van een niet-uitgevoerde vergunning kan ervan afzien.
Het afzien ervan moet uitdrukkelijk zijn en mag niet afgeleid worden uit de latere indiening van een andere vergunningsaanvraag.
§ 2. Wanneer de vergunning betrekking heeft op een goed dat eigendom is van meerdere eigenaren of voorwerp is van zakelijke rechten, kan er enkel van worden afgezien na instemming van alle houders van een zakelijk recht.
§ 3. De houder van de vergunning deelt het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar per schrijven mee dat hij van de vergunning afziet.
Het afzien ervan moet uitdrukkelijk zijn en mag niet afgeleid worden uit de latere indiening van een andere vergunningsaanvraag.
§ 2. Wanneer de vergunning betrekking heeft op een goed dat eigendom is van meerdere eigenaren of voorwerp is van zakelijke rechten, kan er enkel van worden afgezien na instemming van alle houders van een zakelijk recht.
§ 3. De houder van de vergunning deelt het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar per schrijven mee dat hij van de vergunning afziet.
Art. D. IV.93. § 1er. Le titulaire d'un permis non mis en oeuvre peut y renoncer.
La renonciation est expresse et ne se présume pas du dépôt ultérieur d'une autre demande de permis.
§ 2. Lorsque le permis porte sur un bien appartenant à plusieurs propriétaires ou faisant l'objet de droits réels, la renonciation ne peut avoir lieu que de l'accord de tous les titulaires de droit réel.
§ 3. Le titulaire du permis envoie sa renonciation au collège communal et au fonctionnaire délégué.
La renonciation est expresse et ne se présume pas du dépôt ultérieur d'une autre demande de permis.
§ 2. Lorsque le permis porte sur un bien appartenant à plusieurs propriétaires ou faisant l'objet de droits réels, la renonciation ne peut avoir lieu que de l'accord de tous les titulaires de droit réel.
§ 3. Le titulaire du permis envoie sa renonciation au collège communal et au fonctionnaire délégué.
Art. D. IV.93_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De houder van een niet-uitgevoerde vergunning kan ervan afzien.
[2 Het afzien ervan geschiedt uitdrukkelijk en wordt niet afgeleid uit de latere indiening van een andere vergunningsaanvraag.]2
§ 2. Wanneer de vergunning betrekking heeft op een goed dat eigendom is van meerdere eigenaren of voorwerp is van zakelijke rechten, kan er enkel van worden afgezien na instemming van alle houders van een zakelijk recht.
§ 3. De houder van de vergunning deelt het gemeentecollege en [1 de Regering]1 per schrijven mee dat hij van de vergunning afziet.
§ 1. De houder van een niet-uitgevoerde vergunning kan ervan afzien.
[2 Het afzien ervan geschiedt uitdrukkelijk en wordt niet afgeleid uit de latere indiening van een andere vergunningsaanvraag.]2
§ 2. Wanneer de vergunning betrekking heeft op een goed dat eigendom is van meerdere eigenaren of voorwerp is van zakelijke rechten, kan er enkel van worden afgezien na instemming van alle houders van een zakelijk recht.
§ 3. De houder van de vergunning deelt het gemeentecollege en [1 de Regering]1 per schrijven mee dat hij van de vergunning afziet.
Art. D. IV.93_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le titulaire d'un permis non mis en oeuvre peut y renoncer.
La renonciation est expresse et ne se présume pas du dépôt ultérieur d'une autre demande de permis.
§ 2. Lorsque le permis porte sur un bien appartenant à plusieurs propriétaires ou faisant l'objet de droits réels, la renonciation ne peut avoir lieu que de l'accord de tous les titulaires de droit réel.
§ 3. Le titulaire du permis envoie sa renonciation au collège communal et au [1 Gouvernement]1.
§ 1er. Le titulaire d'un permis non mis en oeuvre peut y renoncer.
La renonciation est expresse et ne se présume pas du dépôt ultérieur d'une autre demande de permis.
§ 2. Lorsque le permis porte sur un bien appartenant à plusieurs propriétaires ou faisant l'objet de droits réels, la renonciation ne peut avoir lieu que de l'accord de tous les titulaires de droit réel.
§ 3. Le titulaire du permis envoie sa renonciation au collège communal et au [1 Gouvernement]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de bebouwingsvergunning
CHAPITRE VIII. - Modification du permis d'urbanisation
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - WIJZIGING OF OPHEFFING VAN DE ONTSLUITINGS- OF OPSPLITSINGSVERGUNNING]1
CHAPITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Modification ou abrogation du permis d'urbaniser ou de diviser]1
Art. D. IV.94.§ 1. Een bebouwingsvergunning kan, ofwel op initiatief van het gemeentecollege ofwel op verzoek van de eigenaar of blote eigenaar van een kavel waarop een bebouwingsvergunning betrekking heeft, of van de houder van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal op een kavel waarop een bebouwingsvergunning betrekking heeft, gewijzigd worden voor zover de wijziging geen afbreuk doet aan de rechten die voortvloeien uit uitdrukkelijke overeenkomsten tussen de partijen.
De gewone heroverschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de bebouwingsvergunning in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. [1 Wijzigingen aan de bebouwingsvergunning zijn niet nodig voor :
1° handelingen en werken of het schrappen van kavels die de doelstellingen, vermeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 1°, niet in het gedrang brengen;
2° de creatie van één of meer bijkomende kavels binnen een kavel die geheel of gedeeltelijk in een centrumgebied ligt, voor zover dit de doelstellingen inzake ruimtelijke optimalisatie van het plan tot vaststelling van dit centrumgebied niet in het gedrang brengt;
3° de schrapping van één of meer kavels buiten een centrumgebied.]1
De aanleg van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een technische uitrusting nodig voor de uitvoering van de bebouwingsvergunning te installeren, vereist geen wijziging van de vergunning.
De gewone heroverschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de bebouwingsvergunning in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. [1 Wijzigingen aan de bebouwingsvergunning zijn niet nodig voor :
1° handelingen en werken of het schrappen van kavels die de doelstellingen, vermeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 1°, niet in het gedrang brengen;
2° de creatie van één of meer bijkomende kavels binnen een kavel die geheel of gedeeltelijk in een centrumgebied ligt, voor zover dit de doelstellingen inzake ruimtelijke optimalisatie van het plan tot vaststelling van dit centrumgebied niet in het gedrang brengt;
3° de schrapping van één of meer kavels buiten een centrumgebied.]1
De aanleg van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een technische uitrusting nodig voor de uitvoering van de bebouwingsvergunning te installeren, vereist geen wijziging van de vergunning.
Art. D. IV.94.§ 1er. Soit à l'initiative du collège communal, soit à la demande du propriétaire ou nu-propriétaire d'un lot visé par un permis d'urbanisation, ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose sur un lot visé par un permis d'urbanisation, une modification de celui-ci peut être autorisée pour autant qu'elle ne porte pas atteinte aux droits résultant de conventions expresses entre les parties.
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le permis d'urbanisation dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2. [1 La modification de permis d'urbanisation n'est pas requise pour :
1° les actes et travaux ou la suppression de lots qui ne compromettent pas les objectifs visés à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 1° ;
2° la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires au sein d'un lot situé, en tout ou partie, dans une centralité pour autant qu'elle ne compromette pas les objectifs relatifs à l'optimisation spatiale du schéma qui institue cette centralité;
3° la suppression d'un ou plusieurs lots situés en dehors d'une centralité.]1.
La création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique nécessaire à la mise en oeuvre du permis d'urbanisation ne nécessite pas de modification du permis.
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le permis d'urbanisation dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2. [1 La modification de permis d'urbanisation n'est pas requise pour :
1° les actes et travaux ou la suppression de lots qui ne compromettent pas les objectifs visés à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 1° ;
2° la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires au sein d'un lot situé, en tout ou partie, dans une centralité pour autant qu'elle ne compromette pas les objectifs relatifs à l'optimisation spatiale du schéma qui institue cette centralité;
3° la suppression d'un ou plusieurs lots situés en dehors d'une centralité.]1.
La création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique nécessaire à la mise en oeuvre du permis d'urbanisation ne nécessite pas de modification du permis.
Wijzigingen
Art. D _IV.94.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Een [1 ontsluitingsvergunning]1 kan, ofwel op initiatief van het gemeentecollege ofwel op verzoek van de eigenaar of blote eigenaar van een kavel waarop een [1 ontsluitingsvergunning]1 betrekking heeft, of van de houder van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal op een kavel waarop een [1 ontsluitingsvergunning]1 betrekking heeft, [1 gewijzigd of opgeheven]1 worden voor zover [1 die wijziging of opheffing]1 geen afbreuk doet aan de rechten die voortvloeien uit uitdrukkelijke overeenkomsten tussen de partijen.
De gewone heroverschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de [1 ontsluitingsvergunning]1 in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Een wijziging van een [1 ontsluitingsvergunning]1 is nodig voor :
1° de handelingen en werken alsook de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels die de doelstellingen bedoeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 1°, niet naleven;
2° de wijziging van de buitenomtrek.
De aanleg van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een technische uitrusting nodig voor de uitvoering van de [1 ontsluitingsvergunning]1 te installeren, vereist geen wijziging van de vergunning.
§ 1. Een [1 ontsluitingsvergunning]1 kan, ofwel op initiatief van het gemeentecollege ofwel op verzoek van de eigenaar of blote eigenaar van een kavel waarop een [1 ontsluitingsvergunning]1 betrekking heeft, of van de houder van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal op een kavel waarop een [1 ontsluitingsvergunning]1 betrekking heeft, [1 gewijzigd of opgeheven]1 worden voor zover [1 die wijziging of opheffing]1 geen afbreuk doet aan de rechten die voortvloeien uit uitdrukkelijke overeenkomsten tussen de partijen.
De gewone heroverschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de [1 ontsluitingsvergunning]1 in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Een wijziging van een [1 ontsluitingsvergunning]1 is nodig voor :
1° de handelingen en werken alsook de aanleg van één of meerdere bijkomende kavels of de afschaffing van één of meerdere kavels die de doelstellingen bedoeld in artikel D.IV.28, eerste lid, 1°, niet naleven;
2° de wijziging van de buitenomtrek.
De aanleg van één of meerdere kavels om er een infrastructuur of een technische uitrusting nodig voor de uitvoering van de [1 ontsluitingsvergunning]1 te installeren, vereist geen wijziging van de vergunning.
Art. D _IV.94.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Soit à l'initiative du collège communal, soit à la demande du propriétaire ou nu-propriétaire d'un lot visé par un [1 permis d'urbaniser]1, ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose sur un lot visé par un [1 permis d'urbaniser]1, une modification [1 ou abrogation]1 de celui-ci peut être autorisée pour autant qu'elle ne porte pas atteinte aux droits résultant de conventions expresses entre les parties.
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le [1 permis d'urbaniser]1 dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2. Nécessitent une modification du [1 permis d'urbaniser]1 :
1° les actes et travaux ainsi que la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots, qui ne respectent pas les objectifs visés à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 1°;
2° la modification du périmètre extérieur.
La création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique nécessaire à la mise en oeuvre du [1 permis d'urbaniser]1 ne nécessite pas de modification du permis.
§ 1er. Soit à l'initiative du collège communal, soit à la demande du propriétaire ou nu-propriétaire d'un lot visé par un [1 permis d'urbaniser]1, ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose sur un lot visé par un [1 permis d'urbaniser]1, une modification [1 ou abrogation]1 de celui-ci peut être autorisée pour autant qu'elle ne porte pas atteinte aux droits résultant de conventions expresses entre les parties.
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le [1 permis d'urbaniser]1 dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2. Nécessitent une modification du [1 permis d'urbaniser]1 :
1° les actes et travaux ainsi que la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots, qui ne respectent pas les objectifs visés à l'article D.IV.28, alinéa 1er, 1°;
2° la modification du périmètre extérieur.
La création d'un ou plusieurs lots en vue d'y implanter une infrastructure ou un équipement technique nécessaire à la mise en oeuvre du [1 permis d'urbaniser]1 ne nécessite pas de modification du permis.
Wijzigingen
Art. D. IV.95. § 1. De bepalingen die de bebouwingsvergunning regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan. Het aanvraagdossier bedoeld in artikel D.IV.28 bevat enkel de gegevens die verband houden met de overwogen wijziging.
§ 2. Het gemeentecollege richt per zending een eensluidend afschrift van het verzoek aan alle eigenaars van een kavel. Het bewijs van de zendingen wordt bij genoemd verzoek gevoegd. De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van genoemd verzoek aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
33. Indien het een aanvraag betreft van de eigenaar, van de blote eigenaar of van de van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal en alvorens genoemde aanvraag in te dienen, richt laatstgenoemde er per zending een eensluidend afschrift van aan alle kaveleigenaars die de aanvraag niet medeondertekend hebben. Het bewijs van de zendingen wordt bij de aanvraag gevoegd.
De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van de aanvraag aan het gemeentecollege gericht.
§ 2. Het gemeentecollege richt per zending een eensluidend afschrift van het verzoek aan alle eigenaars van een kavel. Het bewijs van de zendingen wordt bij genoemd verzoek gevoegd. De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van genoemd verzoek aan de gemachtigd ambtenaar gericht.
33. Indien het een aanvraag betreft van de eigenaar, van de blote eigenaar of van de van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal en alvorens genoemde aanvraag in te dienen, richt laatstgenoemde er per zending een eensluidend afschrift van aan alle kaveleigenaars die de aanvraag niet medeondertekend hebben. Het bewijs van de zendingen wordt bij de aanvraag gevoegd.
De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van de aanvraag aan het gemeentecollege gericht.
Art. D. IV.95. § 1er. Les dispositions réglant le permis d'urbanisation sont applicables à sa modification. Toutefois, le dossier de demande visé à l'article D.IV.28 comporte uniquement les éléments en lien avec la modification projetée.
§ 2. Le collège communal adresse, par envoi, une copie conforme de sa demande à tous les propriétaires d'un lot. La preuve des envois est annexée à la demande. Les réclamations éventuelles sont adressées au fonctionnaire délégué, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 3. En cas de demande du propriétaire, nu-propriétaire ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose et avant d'introduire la demande, celui-ci en adresse une copie conforme, par envoi, à tous les propriétaires d'un lot qui n'ont pas contresigné la demande. La preuve des envois est annexée à la demande.
Les réclamations éventuelles sont adressées au collège communal, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 2. Le collège communal adresse, par envoi, une copie conforme de sa demande à tous les propriétaires d'un lot. La preuve des envois est annexée à la demande. Les réclamations éventuelles sont adressées au fonctionnaire délégué, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 3. En cas de demande du propriétaire, nu-propriétaire ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose et avant d'introduire la demande, celui-ci en adresse une copie conforme, par envoi, à tous les propriétaires d'un lot qui n'ont pas contresigné la demande. La preuve des envois est annexée à la demande.
Les réclamations éventuelles sont adressées au collège communal, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
Art. D. IV.95_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [2 De bepalingen die de ontsluitingsvergunning regelen, zijn van toepassing op de wijziging of opheffing van de ontsluitingsvergunning. Het aanvraagdossier bevat echter enkel de gegevens die verband houden met de geplande wijziging of opheffing.]2
§ 2. Het gemeentecollege richt per zending een eensluidend afschrift van het verzoek aan alle eigenaars van een kavel. Het bewijs van de zendingen wordt bij genoemd verzoek gevoegd. De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van genoemd verzoek aan [1 de Regering]1 gericht.
33. Indien het een aanvraag betreft van de eigenaar, van de blote eigenaar of van de van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal en alvorens genoemde aanvraag in te dienen, richt laatstgenoemde er per zending een eensluidend afschrift van aan alle kaveleigenaars die de aanvraag niet medeondertekend hebben. Het bewijs van de zendingen wordt bij de aanvraag gevoegd.
De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van de aanvraag aan het gemeentecollege gericht.
§ 1. [2 De bepalingen die de ontsluitingsvergunning regelen, zijn van toepassing op de wijziging of opheffing van de ontsluitingsvergunning. Het aanvraagdossier bevat echter enkel de gegevens die verband houden met de geplande wijziging of opheffing.]2
§ 2. Het gemeentecollege richt per zending een eensluidend afschrift van het verzoek aan alle eigenaars van een kavel. Het bewijs van de zendingen wordt bij genoemd verzoek gevoegd. De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van genoemd verzoek aan [1 de Regering]1 gericht.
33. Indien het een aanvraag betreft van de eigenaar, van de blote eigenaar of van de van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal en alvorens genoemde aanvraag in te dienen, richt laatstgenoemde er per zending een eensluidend afschrift van aan alle kaveleigenaars die de aanvraag niet medeondertekend hebben. Het bewijs van de zendingen wordt bij de aanvraag gevoegd.
De eventuele bezwaren worden per schrijven binnen de dertig dagen na ontvangst van het eensluidend afschrift van de aanvraag aan het gemeentecollege gericht.
Art. D. IV.95_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [2 Les dispositions réglant le permis d'urbaniser sont applicables à sa modification ou à son abrogation. Toutefois, le dossier de demande comporte uniquement les éléments en lien avec la modification ou abrogation projetée.]2
§ 2. Le collège communal adresse, par envoi, une copie conforme de sa demande à tous les propriétaires d'un lot. La preuve des envois est annexée à la demande. Les réclamations éventuelles sont adressées au [1 Gouvernement]1, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 3. En cas de demande du propriétaire, nu-propriétaire ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose et avant d'introduire la demande, celui-ci en adresse une copie conforme, par envoi, à tous les propriétaires d'un lot qui n'ont pas contresigné la demande. La preuve des envois est annexée à la demande.
Les réclamations éventuelles sont adressées au collège communal, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 1er. [2 Les dispositions réglant le permis d'urbaniser sont applicables à sa modification ou à son abrogation. Toutefois, le dossier de demande comporte uniquement les éléments en lien avec la modification ou abrogation projetée.]2
§ 2. Le collège communal adresse, par envoi, une copie conforme de sa demande à tous les propriétaires d'un lot. La preuve des envois est annexée à la demande. Les réclamations éventuelles sont adressées au [1 Gouvernement]1, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
§ 3. En cas de demande du propriétaire, nu-propriétaire ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose et avant d'introduire la demande, celui-ci en adresse une copie conforme, par envoi, à tous les propriétaires d'un lot qui n'ont pas contresigné la demande. La preuve des envois est annexée à la demande.
Les réclamations éventuelles sont adressées au collège communal, par envoi, dans les trente jours de la réception de la copie conforme de la demande.
Art. D. IV.95.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Een opsplitsingsvergunning kan, ofwel op initiatief van het gemeentecollege ofwel op verzoek van de eigenaar of blote eigenaar van een kavel waarop een opsplitsingsvergunning betrekking heeft, of op verzoek van de houder van een recht van vruchtgebruik, gebruik, bewoning, erfpacht of opstal op een kavel waarop een opsplitsingsvergunning betrekking heeft, gewijzigd worden voor zover de wijziging geen afbreuk doet aan de rechten die voortvloeien uit uitdrukkelijke overeenkomsten tussen de partijen.
De gewone overschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de opsplitsingsvergunning in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2 - Een wijziging van een opsplitsingsvergunning is nodig voor :
1° het creëren van één of meer aanvullende kavels of de afschaffing van één of meer kavels;
2° de wijziging van de binnen- en buitengrenzen van kavels.]1
De gewone overschrijving van alle of van een deel van de documenten vervat in de opsplitsingsvergunning in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2 - Een wijziging van een opsplitsingsvergunning is nodig voor :
1° het creëren van één of meer aanvullende kavels of de afschaffing van één of meer kavels;
2° de wijziging van de binnen- en buitengrenzen van kavels.]1
Art. D. IV.95.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Soit à l'initiative du collège communal, soit à la demande du propriétaire ou nu-propriétaire d'un lot visé par un permis de diviser, ou du titulaire d'un droit d'usufruit, d'usage, d'habitation, de superficie ou d'emphytéose sur un lot visé par un permis de diviser, une modification de celui-ci peut être autorisée pour autant qu'elle ne porte pas atteinte aux droits résultant de conventions expresses entre les parties.
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le permis de diviser dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2 - Nécessitent une modification du permis de diviser :
1° la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots;
2° la modification des limites intérieures et extérieures des lots.]1
Ne peut être considérée comme convention visée à l'alinéa 1er la seule retranscription de tout ou partie des documents contenus dans le permis de diviser dans un acte authentique ou une convention sous seing privé.
§ 2 - Nécessitent une modification du permis de diviser :
1° la création d'un ou plusieurs lots supplémentaires ou la suppression d'un ou plusieurs lots;
2° la modification des limites intérieures et extérieures des lots.]1
Art. D. IV.96. De wijziging van de bebouwingsvergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de bebouwingsvergunning waarvan de wijziging is aangevraagd.
Art. D. IV.96. La modification du permis d'urbanisation n'a aucun effet sur le délai de péremption du permis d'urbanisation dont la modification est demandée.
Art. D _IV.96.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De wijziging van de [1 ontsluitingsvergunning]1 heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de [1 ontsluitingsvergunning]1 waarvan de wijziging is aangevraagd.
De wijziging van de [1 ontsluitingsvergunning]1 heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de [1 ontsluitingsvergunning]1 waarvan de wijziging is aangevraagd.
Art. D _IV.96.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La modification du [1 permis d'urbaniser]1 n'a aucun effet sur le délai de péremption du [1 permis d'urbaniser]1 dont la modification est demandée.
La modification du [1 permis d'urbaniser]1 n'a aucun effet sur le délai de péremption du [1 permis d'urbaniser]1 dont la modification est demandée.
Wijzigingen
Art. D _IV.96.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De opheffing van een ontsluitingsvergunning betreft niet het opsplitsingsplan.]1
Art. D _IV.96.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 L'abrogation d'un permis d'urbaniser ne concerne pas le plan de division.]1
HOOFDSTUK IX. [1 Wijziging van de stedenbouwkundige vergunning]1
CHAPITRE IX [1 Modification du permis d'urbanisme]1
Art. D. IV.96/1. [1 Op verzoek van de houder van de stedenbouwkundige vergunning kan een wijziging van de stedenbouwkundige vergunning worden toegestaan.
De bepalingen die de stedenbouwkundige vergunning regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan. In dergelijke gevallen bevat het in artikel D.IV.26 bedoelde aanvraagdossier alleen de informatie met betrekking tot de geplande wijziging en wordt de procedure bepaald in het licht van het doel van de wijziging.
De wijziging van de stedenbouwkundige vergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de stedenbouwkundige vergunning waarvan de wijziging is gevraagd.]1
De bepalingen die de stedenbouwkundige vergunning regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan. In dergelijke gevallen bevat het in artikel D.IV.26 bedoelde aanvraagdossier alleen de informatie met betrekking tot de geplande wijziging en wordt de procedure bepaald in het licht van het doel van de wijziging.
De wijziging van de stedenbouwkundige vergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de stedenbouwkundige vergunning waarvan de wijziging is gevraagd.]1
Art. D. IV.96/1. [1 A la demande du titulaire du permis d'urbanisme, une modification de celui-ci peut être autorisée.
Les dispositions réglant le permis d'urbanisme sont applicables à sa modification. En pareil cas, le dossier de demande visé à l'article D.IV.26 comporte uniquement les éléments en lien avec la modification projetée et la procédure est déterminée en considération de l'objet de celle-ci.
La modification du permis d'urbanisme n'a aucun effet sur le délai de péremption du permis d'urbanisme dont la modification est demandée.]1
Les dispositions réglant le permis d'urbanisme sont applicables à sa modification. En pareil cas, le dossier de demande visé à l'article D.IV.26 comporte uniquement les éléments en lien avec la modification projetée et la procédure est déterminée en considération de l'objet de celle-ci.
La modification du permis d'urbanisme n'a aucun effet sur le délai de péremption du permis d'urbanisme dont la modification est demandée.]1
TITEL IV. - Gevolgen van het stedenbouwkundig attest
TITRE IV. - Effets du certificat d'urbanisme
Art. D. IV.97.Het stedenbouwkundig attest nr. 1 vormt de lijst van en het bewijs voor de inlichtingen als in onderstaande lijst met betrekking tot de kadastrale percelen of delen ervan die in de aanvraag worden vermeld :
1° de voorschriften van het gewestplan, met inbegrip van het gebied, het bodembestemmingsplan, de tracés, de omtrekken, de inrichtingsmaatregelen en de toe te passen bijkomende voorschriften;
2° indien het onroerende goed wegens de ligging geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan de toepassing van een gewestelijk stedenbouwkundige handleiding;
3° de ligging tegenover het ontwerp-gewestplan;
4° de ligging ten opzichte van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk plan of een ontwerp van meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van gemeentelijk plan, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of een ontwerp van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of nog een bebouwingsvergunning;
5° als het goed onderworpen is aan het voorkooprecht of opgenomen is in de grenzen van een onteigeningsplan en, al naargelang het geval, de aanwijzing van de gerechtigden van het voorkooprecht of van de onteigenende overheid, evenals de datum van het overeenstemmende regeringsbesluit;
6° als het goed :
a) gelegen is in één van omtrekken van te herontwikkelen locaties, van de locaties met herstel van landschap en leefmilieu, van stedelijke verkaveling, stadsheropleving of stadsvernieuwing, beoogd in respectievelijk de artikelen D.V.1, D.V.7, D.V.9, D.V.12 of D.V.13 [4 of in een project voor de omtrek van een te herontwikkelen locatie aangenomen overeenkomstig artikel D.V.2, § 1]4;
b) ingeschreven is op de beschermingslijst [2 van]2 het Waalse Erfgoedwetboek;
c) [2 beoogd is bij een beschermingsprocedure of opgenomen is op de monumentenlijst, in de zin van hetzelfde Wetboek]2;
d) [2 gelegen is in een beschermingsgebied [3 in de zin van hetzelfde Wetboek]3]2;
e) [3 gelegen is binnen de omtrek van de archeologische kaart]3;
f) [4 ...]4;
g) [3 opgenomen is in de gewestelijke erfgoedinventaris in de zin van hetzelfde Wetboek]3;
7° als het goed uitgerust is met een installatie voor de zuivering van afvalwater en toegang verschaft tot een weg die toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
8° de gegevens betreffende het goed die ingevoerd zijn [1 in de zin van artikel 11 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1;
9° indien het goed blootgesteld is aan een risico op zwaar ongeval, aan een natuurrisico of grote geotechnische druk of indien het gelegen is in een domaniaal of erkend natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-locatie, indien het een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte of een biologisch waardevol biologisch gebied in de zin van artikel D.IV.57, 2° tot 4°, omvat;
10° indien het goed opgenomen is in het plan voor permanente bewoning.
De gemeente en de Regering kunnen de lijst der inlichtingen die in het attest dienen te worden opgenomen, aanvullen.
De Regering legt de bovenbedoelde gegevens waarover ze beschikt, ter inzage van de gemeenten.
1° de voorschriften van het gewestplan, met inbegrip van het gebied, het bodembestemmingsplan, de tracés, de omtrekken, de inrichtingsmaatregelen en de toe te passen bijkomende voorschriften;
2° indien het onroerende goed wegens de ligging geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan de toepassing van een gewestelijk stedenbouwkundige handleiding;
3° de ligging tegenover het ontwerp-gewestplan;
4° de ligging ten opzichte van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk plan of een ontwerp van meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van gemeentelijk plan, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of een ontwerp van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of nog een bebouwingsvergunning;
5° als het goed onderworpen is aan het voorkooprecht of opgenomen is in de grenzen van een onteigeningsplan en, al naargelang het geval, de aanwijzing van de gerechtigden van het voorkooprecht of van de onteigenende overheid, evenals de datum van het overeenstemmende regeringsbesluit;
6° als het goed :
a) gelegen is in één van omtrekken van te herontwikkelen locaties, van de locaties met herstel van landschap en leefmilieu, van stedelijke verkaveling, stadsheropleving of stadsvernieuwing, beoogd in respectievelijk de artikelen D.V.1, D.V.7, D.V.9, D.V.12 of D.V.13 [4 of in een project voor de omtrek van een te herontwikkelen locatie aangenomen overeenkomstig artikel D.V.2, § 1]4;
b) ingeschreven is op de beschermingslijst [2 van]2 het Waalse Erfgoedwetboek;
c) [2 beoogd is bij een beschermingsprocedure of opgenomen is op de monumentenlijst, in de zin van hetzelfde Wetboek]2;
d) [2 gelegen is in een beschermingsgebied [3 in de zin van hetzelfde Wetboek]3]2;
e) [3 gelegen is binnen de omtrek van de archeologische kaart]3;
f) [4 ...]4;
g) [3 opgenomen is in de gewestelijke erfgoedinventaris in de zin van hetzelfde Wetboek]3;
7° als het goed uitgerust is met een installatie voor de zuivering van afvalwater en toegang verschaft tot een weg die toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
8° de gegevens betreffende het goed die ingevoerd zijn [1 in de zin van artikel 11 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1;
9° indien het goed blootgesteld is aan een risico op zwaar ongeval, aan een natuurrisico of grote geotechnische druk of indien het gelegen is in een domaniaal of erkend natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-locatie, indien het een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte of een biologisch waardevol biologisch gebied in de zin van artikel D.IV.57, 2° tot 4°, omvat;
10° indien het goed opgenomen is in het plan voor permanente bewoning.
De gemeente en de Regering kunnen de lijst der inlichtingen die in het attest dienen te worden opgenomen, aanvullen.
De Regering legt de bovenbedoelde gegevens waarover ze beschikt, ter inzage van de gemeenten.
Art. D. IV.97.Le certificat d'urbanisme n° 1 communique et atteste les informations dont la liste suit, relatives aux parcelles cadastrales ou parties de parcelles désignées dans la demande :
1° les prescriptions du plan de secteur, y compris la zone, la carte d'affectation des sols, les tracés, les périmètres, les mesures d'aménagement et les prescriptions supplémentaires applicables;
2° si le bien immobilier est soumis, en tout ou en partie, pour des raisons de localisation, à l'application d'un guide régional d'urbanisme;
3° la situation au regard du projet de plan de secteur;
4° la situation au regard d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal ou d'un projet de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal, d'un guide communal d'urbanisme ou d'un projet de guide communal d'urbanisme ou d'un permis d'urbanisation;
5° si le bien est soumis au droit de préemption ou repris dans les limites d'un plan d'expropriation et, selon le cas, la désignation des bénéficiaires du droit de préemption ou du pouvoir expropriant, ainsi que la date de l'arrêté du Gouvernement correspondant;
6° si le bien est :
a) situé dans un des périmètres de site à réaménager, de réhabilitation paysagère et environnementale, de remembrement urbain, de revitalisation urbaine ou de rénovation urbaine visés respectivement aux articles D.V.1, D.V.7, D.V.9, D.V.12 ou D.V.13 [4 ou dans un projet de périmètre de site à réaménager arrêté conformément à l'article D.V.2, § 1er]4;
b) inscrit sur la liste de sauvegarde [2 du]2 Code wallon du Patrimoine;
c) [2 visés par une procédure de classement ou classés, au sens du même Code]2;
d) situé dans une zone de protection [3 au sens du même Code]3;
e) [2 [3 situé dans le périmètre de la carte archéologique]3 au sens du même Code]2
f) [4 ...]4;
g) [3 inscrit à l'inventaire régional du patrimoine au sens du même Code]3;
7° si le bien bénéficie d'un équipement d'épuration des eaux usées et d'un accès à une voirie équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
8° les données relatives au bien inscrites dans la banque de données [1 au sens de l'article 11 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
9° si le bien est exposé à un risque d'accident majeur, à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs ou s'il est situé dans une réserve naturelle domaniale ou agréée, une réserve forestière ou dans un site Natura 2000, s'il comporte une cavité souterraine d'intérêt scientifique ou une zone humide d'intérêt biologique, au sens de l'article D.IV.57, 2° à 4°;
10° si le bien est repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
La commune et le Gouvernement peuvent compléter la liste des informations contenues dans le certificat.
Le Gouvernement met à disposition des communes les informations visées ci-dessus dont il dispose.
1° les prescriptions du plan de secteur, y compris la zone, la carte d'affectation des sols, les tracés, les périmètres, les mesures d'aménagement et les prescriptions supplémentaires applicables;
2° si le bien immobilier est soumis, en tout ou en partie, pour des raisons de localisation, à l'application d'un guide régional d'urbanisme;
3° la situation au regard du projet de plan de secteur;
4° la situation au regard d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal ou d'un projet de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal, d'un guide communal d'urbanisme ou d'un projet de guide communal d'urbanisme ou d'un permis d'urbanisation;
5° si le bien est soumis au droit de préemption ou repris dans les limites d'un plan d'expropriation et, selon le cas, la désignation des bénéficiaires du droit de préemption ou du pouvoir expropriant, ainsi que la date de l'arrêté du Gouvernement correspondant;
6° si le bien est :
a) situé dans un des périmètres de site à réaménager, de réhabilitation paysagère et environnementale, de remembrement urbain, de revitalisation urbaine ou de rénovation urbaine visés respectivement aux articles D.V.1, D.V.7, D.V.9, D.V.12 ou D.V.13 [4 ou dans un projet de périmètre de site à réaménager arrêté conformément à l'article D.V.2, § 1er]4;
b) inscrit sur la liste de sauvegarde [2 du]2 Code wallon du Patrimoine;
c) [2 visés par une procédure de classement ou classés, au sens du même Code]2;
d) situé dans une zone de protection [3 au sens du même Code]3;
e) [2 [3 situé dans le périmètre de la carte archéologique]3 au sens du même Code]2
f) [4 ...]4;
g) [3 inscrit à l'inventaire régional du patrimoine au sens du même Code]3;
7° si le bien bénéficie d'un équipement d'épuration des eaux usées et d'un accès à une voirie équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
8° les données relatives au bien inscrites dans la banque de données [1 au sens de l'article 11 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
9° si le bien est exposé à un risque d'accident majeur, à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs ou s'il est situé dans une réserve naturelle domaniale ou agréée, une réserve forestière ou dans un site Natura 2000, s'il comporte une cavité souterraine d'intérêt scientifique ou une zone humide d'intérêt biologique, au sens de l'article D.IV.57, 2° à 4°;
10° si le bien est repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
La commune et le Gouvernement peuvent compléter la liste des informations contenues dans le certificat.
Le Gouvernement met à disposition des communes les informations visées ci-dessus dont il dispose.
Art. D. IV.97_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het stedenbouwkundig attest nr. 1 vormt de lijst van en het bewijs voor de inlichtingen als in onderstaande lijst met betrekking tot de kadastrale percelen of delen ervan die in de aanvraag worden vermeld :
1° de voorschriften van het gewestplan, met inbegrip van het gebied, het bodembestemmingsplan, de tracés, de omtrekken, de inrichtingsmaatregelen en de toe te passen bijkomende voorschriften;
2° indien het onroerende goed wegens de ligging geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan de toepassing van een gewestelijk stedenbouwkundige handleiding;
3° de ligging tegenover het ontwerp-gewestplan;
4° de ligging ten opzichte van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk plan of een ontwerp van meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van gemeentelijk plan, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of een ontwerp van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of nog een [4 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]4;
5° als het goed onderworpen is aan het voorkooprecht of opgenomen is in de grenzen van een onteigeningsplan en, al naargelang het geval, de aanwijzing van de gerechtigden van het voorkooprecht of van de onteigenende overheid, evenals de datum van het overeenstemmende regeringsbesluit;
6° als het goed :
a) [4 gelegen is in een omtrek voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling;]4
b) [3 met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevindt of zich op een archeologische vindplaats bevindt;]3
c) [2 [3 ...]3]2;
d) [2 [3 ...]3]2;
e) [2 [3 ...]3]2;
f) [3 ...]3;
[2 g) [3 ...]3;]2
7° als het goed uitgerust is met een installatie voor de zuivering van afvalwater en toegang verschaft tot een weg die toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
8° de gegevens betreffende het goed die ingevoerd zijn [1 in de zin van artikel 11 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1;
9° indien het goed blootgesteld is aan een risico op zwaar ongeval, aan een natuurrisico of grote geotechnische druk of indien het gelegen is in een domaniaal of erkend natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-locatie, indien het een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte of een biologisch waardevol biologisch gebied in de zin van artikel D.IV.57, 2° tot 4°, omvat;
10° indien het goed opgenomen is in het plan voor permanente bewoning.
De gemeente en de Regering kunnen de lijst der inlichtingen die in het attest dienen te worden opgenomen, aanvullen.
De Regering legt de bovenbedoelde gegevens waarover ze beschikt, ter inzage van de gemeenten.
Het stedenbouwkundig attest nr. 1 vormt de lijst van en het bewijs voor de inlichtingen als in onderstaande lijst met betrekking tot de kadastrale percelen of delen ervan die in de aanvraag worden vermeld :
1° de voorschriften van het gewestplan, met inbegrip van het gebied, het bodembestemmingsplan, de tracés, de omtrekken, de inrichtingsmaatregelen en de toe te passen bijkomende voorschriften;
2° indien het onroerende goed wegens de ligging geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan de toepassing van een gewestelijk stedenbouwkundige handleiding;
3° de ligging tegenover het ontwerp-gewestplan;
4° de ligging ten opzichte van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk plan of een ontwerp van meergemeentelijk ontwikkelingsplan of van gemeentelijk plan, een gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of een ontwerp van gemeentelijke leidraad voor stedenbouw of nog een [4 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]4;
5° als het goed onderworpen is aan het voorkooprecht of opgenomen is in de grenzen van een onteigeningsplan en, al naargelang het geval, de aanwijzing van de gerechtigden van het voorkooprecht of van de onteigenende overheid, evenals de datum van het overeenstemmende regeringsbesluit;
6° als het goed :
a) [4 gelegen is in een omtrek voor een saneringslocatie of voor een stedelijke verkaveling;]4
b) [3 met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is, zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed bevindt of zich op een archeologische vindplaats bevindt;]3
c) [2 [3 ...]3]2;
d) [2 [3 ...]3]2;
e) [2 [3 ...]3]2;
f) [3 ...]3;
[2 g) [3 ...]3;]2
7° als het goed uitgerust is met een installatie voor de zuivering van afvalwater en toegang verschaft tot een weg die toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
8° de gegevens betreffende het goed die ingevoerd zijn [1 in de zin van artikel 11 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]1;
9° indien het goed blootgesteld is aan een risico op zwaar ongeval, aan een natuurrisico of grote geotechnische druk of indien het gelegen is in een domaniaal of erkend natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-locatie, indien het een wetenschappelijk waardevolle ondergrondse holte of een biologisch waardevol biologisch gebied in de zin van artikel D.IV.57, 2° tot 4°, omvat;
10° indien het goed opgenomen is in het plan voor permanente bewoning.
De gemeente en de Regering kunnen de lijst der inlichtingen die in het attest dienen te worden opgenomen, aanvullen.
De Regering legt de bovenbedoelde gegevens waarover ze beschikt, ter inzage van de gemeenten.
Art. D. IV.97_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le certificat d'urbanisme n° 1 communique et atteste les informations dont la liste suit, relatives aux parcelles cadastrales ou parties de parcelles désignées dans la demande :
1° les prescriptions du plan de secteur, y compris la zone, la carte d'affectation des sols, les tracés, les périmètres, les mesures d'aménagement et les prescriptions supplémentaires applicables;
2° si le bien immobilier est soumis, en tout ou en partie, pour des raisons de localisation, à l'application d'un guide régional d'urbanisme;
3° la situation au regard du projet de plan de secteur;
4° la situation au regard d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal ou d'un projet de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal, d'un guide communal d'urbanisme ou d'un projet de guide communal d'urbanisme ou d'un [4 permis d'urbaniser ou de diviser]4;
5° si le bien est soumis au droit de préemption ou repris dans les limites d'un plan d'expropriation et, selon le cas, la désignation des bénéficiaires du droit de préemption ou du pouvoir expropriant, ainsi que la date de l'arrêté du Gouvernement correspondant;
6° si le bien est :
a) [4 situé dans un périmètre de site à réaménager ou de remembrement urbain;]4
b) [3 en application du décret sur le patrimoine, provisoirement ou définitivement classé, se situe dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique;]3
c) [2 [3 ...]3]2;
d) [3 ...]3;
e) [2 [3 ...]3]2
f) [3 ...]3
[2 g) [3 ...]3]2
7° si le bien bénéficie d'un équipement d'épuration des eaux usées et d'un accès à une voirie équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
8° les données relatives au bien inscrites dans la banque de données [1 au sens de l'article 11 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
9° si le bien est exposé à un risque d'accident majeur, à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs ou s'il est situé dans une réserve naturelle domaniale ou agréée, une réserve forestière ou dans un site Natura 2000, s'il comporte une cavité souterraine d'intérêt scientifique ou une zone humide d'intérêt biologique, au sens de l'article D.IV.57, 2° à 4°;
10° si le bien est repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
La commune et le Gouvernement peuvent compléter la liste des informations contenues dans le certificat.
Le Gouvernement met à disposition des communes les informations visées ci-dessus dont il dispose.
Le certificat d'urbanisme n° 1 communique et atteste les informations dont la liste suit, relatives aux parcelles cadastrales ou parties de parcelles désignées dans la demande :
1° les prescriptions du plan de secteur, y compris la zone, la carte d'affectation des sols, les tracés, les périmètres, les mesures d'aménagement et les prescriptions supplémentaires applicables;
2° si le bien immobilier est soumis, en tout ou en partie, pour des raisons de localisation, à l'application d'un guide régional d'urbanisme;
3° la situation au regard du projet de plan de secteur;
4° la situation au regard d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma communal ou d'un projet de schéma de développement pluricommunal ou de schéma communal, d'un guide communal d'urbanisme ou d'un projet de guide communal d'urbanisme ou d'un [4 permis d'urbaniser ou de diviser]4;
5° si le bien est soumis au droit de préemption ou repris dans les limites d'un plan d'expropriation et, selon le cas, la désignation des bénéficiaires du droit de préemption ou du pouvoir expropriant, ainsi que la date de l'arrêté du Gouvernement correspondant;
6° si le bien est :
a) [4 situé dans un périmètre de site à réaménager ou de remembrement urbain;]4
b) [3 en application du décret sur le patrimoine, provisoirement ou définitivement classé, se situe dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique;]3
c) [2 [3 ...]3]2;
d) [3 ...]3;
e) [2 [3 ...]3]2
f) [3 ...]3
[2 g) [3 ...]3]2
7° si le bien bénéficie d'un équipement d'épuration des eaux usées et d'un accès à une voirie équipée en eau, électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
8° les données relatives au bien inscrites dans la banque de données [1 au sens de l'article 11 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]1;
9° si le bien est exposé à un risque d'accident majeur, à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs ou s'il est situé dans une réserve naturelle domaniale ou agréée, une réserve forestière ou dans un site Natura 2000, s'il comporte une cavité souterraine d'intérêt scientifique ou une zone humide d'intérêt biologique, au sens de l'article D.IV.57, 2° à 4°;
10° si le bien est repris dans le plan relatif à l'habitat permanent.
La commune et le Gouvernement peuvent compléter la liste des informations contenues dans le certificat.
Le Gouvernement met à disposition des communes les informations visées ci-dessus dont il dispose.
Art. D. IV.98.[1 Onverminderd artikel D.VII.20, § 1, blijft, de door het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of de Regering uitgesproken beoordeling over het beginsel en de voorwaarden van het verstrekken van een vergunning die aangevraagd zou zijn om een dergelijke ontwerp uit te voeren geldig]1 voor een duur van twee jaar te rekenen vanaf de afgifte van het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de bestanddelen van de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning die betrekking hebben op het attest nr. 2 en onder voorbehoud van de milieueffectenrapportering die het ontwerp ondergaat, van de resultaten van de onderzoeken en andere raadplegingen en van het behoud van de normen die van toepassing zijn op het tijdstip van het attest.
Wanneer ze over een beroep beslist, is de Regering evenwel niet gebonden door de beoordeling vermeld in het stedenbouwkundig attest nr. 2 die zij niet opgesteld heeft.
Wanneer ze over een beroep beslist, is de Regering evenwel niet gebonden door de beoordeling vermeld in het stedenbouwkundig attest nr. 2 die zij niet opgesteld heeft.
Art. D. IV.98.[1 Sans préjudice de l'article D.VII.20, § 1er, l'appréciation]1 formulée par le collège communal, par le fonctionnaire délégué ou par le Gouvernement sur le principe et les conditions de la délivrance d'un permis qui serait demandé pour réaliser pareil projet reste valable pendant deux ans à compter de la délivrance du certificat d'urbanisme n° 2, pour les éléments de la demande de permis qui ont fait l'objet du certificat n° 2 et sous réserve de l'évaluation des incidences du projet sur l'environnement, des résultats des enquêtes, annonces de projet et autres consultations et du maintien des normes applicables au moment du certificat.
Toutefois, le Gouvernement lorsqu'il statue sur recours n'est pas lié par l'appréciation contenue dans le certificat d'urbanisme n° 2 dont il n'est pas l'auteur.
Toutefois, le Gouvernement lorsqu'il statue sur recours n'est pas lié par l'appréciation contenue dans le certificat d'urbanisme n° 2 dont il n'est pas l'auteur.
Wijzigingen
Art. D. IV.98_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De door het gemeentecollege [1 ...]1 of de Regering uitgesproken beoordeling over het beginsel en de voorwaarden van het verstrekken van een vergunning die aangevraagd zou zijn om een dergelijke ontwerp uit te voeren, blijft geldig voor een duur van twee jaar te rekenen vanaf de afgifte van het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de bestanddelen van de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning die betrekking hebben op het attest nr. 2 en onder voorbehoud van de milieueffectenrapportering die het ontwerp ondergaat, van de resultaten van de onderzoeken en andere raadplegingen en van het behoud van de normen die van toepassing zijn op het tijdstip van het attest.
Wanneer ze over een beroep beslist, is de Regering evenwel niet gebonden door de beoordeling vermeld in het [1 stedenbouwkundig attest nr. 2 van het gemeentecollege]1.
De door het gemeentecollege [1 ...]1 of de Regering uitgesproken beoordeling over het beginsel en de voorwaarden van het verstrekken van een vergunning die aangevraagd zou zijn om een dergelijke ontwerp uit te voeren, blijft geldig voor een duur van twee jaar te rekenen vanaf de afgifte van het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de bestanddelen van de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning die betrekking hebben op het attest nr. 2 en onder voorbehoud van de milieueffectenrapportering die het ontwerp ondergaat, van de resultaten van de onderzoeken en andere raadplegingen en van het behoud van de normen die van toepassing zijn op het tijdstip van het attest.
Wanneer ze over een beroep beslist, is de Regering evenwel niet gebonden door de beoordeling vermeld in het [1 stedenbouwkundig attest nr. 2 van het gemeentecollege]1.
Art. D. IV.98_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'appréciation formulée par le collège communal [1 ...]1 par le Gouvernement sur le principe et les conditions de la délivrance d'un permis qui serait demandé pour réaliser pareil projet reste valable pendant deux ans à compter de la délivrance du certificat d'urbanisme n° 2, pour les éléments de la demande de permis qui ont fait l'objet du certificat n° 2 et sous réserve de l'évaluation des incidences du projet sur l'environnement, des résultats des enquêtes, annonces de projet et autres consultations et du maintien des normes applicables au moment du certificat.
Toutefois, le Gouvernement lorsqu'il statue sur recours n'est pas lié par l'appréciation contenue dans le certificat d'urbanisme n° 2 [1 délivré par le collège]1.
L'appréciation formulée par le collège communal [1 ...]1 par le Gouvernement sur le principe et les conditions de la délivrance d'un permis qui serait demandé pour réaliser pareil projet reste valable pendant deux ans à compter de la délivrance du certificat d'urbanisme n° 2, pour les éléments de la demande de permis qui ont fait l'objet du certificat n° 2 et sous réserve de l'évaluation des incidences du projet sur l'environnement, des résultats des enquêtes, annonces de projet et autres consultations et du maintien des normes applicables au moment du certificat.
Toutefois, le Gouvernement lorsqu'il statue sur recours n'est pas lié par l'appréciation contenue dans le certificat d'urbanisme n° 2 [1 délivré par le collège]1.
Wijzigingen
TITEL V. - Verplichtingen tot informatieverstrekking over het administratieve statuut van de goederen
TITRE V. - Obligations d'information sur le statut administratif des biens
HOOFDSTUK I. - Vermeldingen in akten van overdracht
CHAPITRE Ier. - Mentions dans les actes de cession
Art. D. IV.99.§ 1. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, met inbegrip van de akten tot vestiging van een hypotheek of een genotspand, evenwel met uitzondering van de overdrachten die voortspruiten uit een huwelijkscontract of uit de wijziging van een huwelijkstelsel en van de overdrachten die voortspruiten uit een wettelijk samenlevingscontact of uit de wijziging van een dergelijke overeenkomst met betrekking tot een bebouwd of een onbebouwd goed, moeten worden vermeld :
1° de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97;
2° het bestaan, het voorwerp en de datum van de verkavelingsvergunningen, van de bebouwingsvergunningen, van de bouw- en stedenbouwkundige vergunningen voor groepen van bouwwerken, die afgegeven zijn na 1 januari 1977, evenals van de stedenbouwkundige attesten die minder dan twee jaar oud zijn en [3 van de geldige erfgoedvergunningen in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]3;
3° de bemerkingen van het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar overeenkomstig artikel D.IV.102;
4° dat de overdrager(s) de handelingen en werken die krachtens artikel D.VII.1, § 1, 1, 2° of 7°, een inbreuk vormen, al dan niet uitgevoerd heeft (hebben) en, in voorkomend geval, dat een proces-verbaal opgemaakt is;
[1 5° op basis van de verklaring van de overdrager, van de datum van uitvoering van de laatste werken onderworpen aan een vergunning en betreffende het betrokken goed.]1
In elke akte wordt daarnaast aangegeven :
1° dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om op het goed werken en handelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel D.IV.4, zonder een stedenbouwkundige vergunning gekregen te hebben;
2° dat er regels bestaan met betrekking tot het vervallenverklaren van de stedenbouwkundige vergunningen;
3° dat men ondanks het bestaan van een stedenbouwkundig attest niet ontheven wordt van de verplichting om de vereiste vergunning aan te vragen en te verkrijgen.
§ 2. De Regering legt de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van de gegevens bedoeld in 7°, ter inzage van de notarissen.
De Regering legt de voorwaarden en nadere regels voor de toegang tot de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97 vast.
1° de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97;
2° het bestaan, het voorwerp en de datum van de verkavelingsvergunningen, van de bebouwingsvergunningen, van de bouw- en stedenbouwkundige vergunningen voor groepen van bouwwerken, die afgegeven zijn na 1 januari 1977, evenals van de stedenbouwkundige attesten die minder dan twee jaar oud zijn en [3 van de geldige erfgoedvergunningen in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]3;
3° de bemerkingen van het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar overeenkomstig artikel D.IV.102;
4° dat de overdrager(s) de handelingen en werken die krachtens artikel D.VII.1, § 1, 1, 2° of 7°, een inbreuk vormen, al dan niet uitgevoerd heeft (hebben) en, in voorkomend geval, dat een proces-verbaal opgemaakt is;
[1 5° op basis van de verklaring van de overdrager, van de datum van uitvoering van de laatste werken onderworpen aan een vergunning en betreffende het betrokken goed.]1
In elke akte wordt daarnaast aangegeven :
1° dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om op het goed werken en handelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel D.IV.4, zonder een stedenbouwkundige vergunning gekregen te hebben;
2° dat er regels bestaan met betrekking tot het vervallenverklaren van de stedenbouwkundige vergunningen;
3° dat men ondanks het bestaan van een stedenbouwkundig attest niet ontheven wordt van de verplichting om de vereiste vergunning aan te vragen en te verkrijgen.
§ 2. De Regering legt de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van de gegevens bedoeld in 7°, ter inzage van de notarissen.
De Regering legt de voorwaarden en nadere regels voor de toegang tot de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97 vast.
Art. D. IV.99.§ 1er. Dans tout acte entre vifs, sous seing privé ou authentique, de cession, qu'il soit déclaratif, constitutif ou translatif, de droit réel ou personnel de jouissance de plus de neuf ans, en ce compris les actes de constitution d'hypothèque ou d'antichrèse, à l'exception cependant des cessions qui résultent d'un contrat de mariage ou d'une modification de régime matrimonial et des cessions qui résultent d'une convention de cohabitation légale ou d'une modification d'une telle convention, relatif à un immeuble bâti ou non bâti, il est fait mention :
1° des informations visées à l'article D.IV.97;
2° de l'existence, de l'objet et de la date des permis de lotir, des permis d'urbanisation, des permis de bâtir et d'urbanisme et d'urbanisme de constructions groupées, délivrés après le 1er janvier 1977, ainsi que des certificats d'urbanisme qui datent de moins de deux ans et [3 des autorisations patrimoniales valables au sens du Code wallon du Patrimoine]3;
3° des observations du collège communal ou du fonctionnaire délégué conformément à l'article D.IV.102;
4° que le ou les cédants ont, ou n'ont pas, réalisé des actes et travaux constitutifs d'une infraction en vertu de l'article D.VII.1, § 1er, 1, 2° ou 7°, et le cas échéant qu'un procès-verbal a été dressé;
[1 5° sur la base de la déclaration du cédant, de la date de réalisation des derniers travaux soumis à permis et relatifs au bien concerné.]1
Chacun de ces actes comporte en outre l'information :
1° qu'il n'existe aucune possibilité d'effectuer sur le bien aucun des travaux et actes visés à l'article D.IV.4, à défaut d'avoir obtenu un permis d'urbanisme;
2° qu'il existe des règles relatives à la péremption des permis;
3° que l'existence d'un certificat d'urbanisme ne dispense pas de demander et d'obtenir le permis requis.
§ 2. Le Gouvernement met à disposition des notaires les informations visées à l'article D.IV.97 à l'exception des informations visées au 7°.
Le Gouvernement arrête les conditions et modalités d'accès aux informations visées à l'article D.IV.97.
1° des informations visées à l'article D.IV.97;
2° de l'existence, de l'objet et de la date des permis de lotir, des permis d'urbanisation, des permis de bâtir et d'urbanisme et d'urbanisme de constructions groupées, délivrés après le 1er janvier 1977, ainsi que des certificats d'urbanisme qui datent de moins de deux ans et [3 des autorisations patrimoniales valables au sens du Code wallon du Patrimoine]3;
3° des observations du collège communal ou du fonctionnaire délégué conformément à l'article D.IV.102;
4° que le ou les cédants ont, ou n'ont pas, réalisé des actes et travaux constitutifs d'une infraction en vertu de l'article D.VII.1, § 1er, 1, 2° ou 7°, et le cas échéant qu'un procès-verbal a été dressé;
[1 5° sur la base de la déclaration du cédant, de la date de réalisation des derniers travaux soumis à permis et relatifs au bien concerné.]1
Chacun de ces actes comporte en outre l'information :
1° qu'il n'existe aucune possibilité d'effectuer sur le bien aucun des travaux et actes visés à l'article D.IV.4, à défaut d'avoir obtenu un permis d'urbanisme;
2° qu'il existe des règles relatives à la péremption des permis;
3° que l'existence d'un certificat d'urbanisme ne dispense pas de demander et d'obtenir le permis requis.
§ 2. Le Gouvernement met à disposition des notaires les informations visées à l'article D.IV.97 à l'exception des informations visées au 7°.
Le Gouvernement arrête les conditions et modalités d'accès aux informations visées à l'article D.IV.97.
Art. D. IV.99_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, met inbegrip van de akten tot vestiging van een hypotheek of een genotspand, evenwel met uitzondering van de overdrachten die voortspruiten uit een huwelijkscontract of uit de wijziging van een huwelijkstelsel en van de overdrachten die voortspruiten uit een wettelijk samenlevingscontact of uit de wijziging van een dergelijke overeenkomst met betrekking tot een bebouwd of een onbebouwd goed, moeten worden vermeld :
1° de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97;
2° [3 het bestaan, het voorwerp en de datum van de verkavelingsvergunningen, bebouwingsvergunningen, ontsluitingsvergunningen, opsplitsingsvergunningen, bouwvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of regularisatiebeslissingen, alsook van de stedenbouwkundige vergunningen of regularisatiebeslissingen voor groepen van bouwwerken die afgegeven zijn na 1 januari 1977, evenals van de stedenbouwkundige attesten die minder dan twee jaar oud zijn en van de erfgoedvergunningen in de zin van artikel 13 van het erfgoeddecreet die na 1 januari 2009 werden afgegeven;]3
3° de bemerkingen van het gemeentecollege of [2 de Regering]2 overeenkomstig artikel D.IV.102;
4° dat de overdrager(s) de handelingen en werken die krachtens artikel D.VII.1, § 1, 1, 2° of 7°, een inbreuk vormen, al dan niet uitgevoerd heeft (hebben) en, in voorkomend geval, dat een proces-verbaal opgemaakt is;
[1 5° op basis van de verklaring van de overdrager, van de datum van uitvoering van de laatste werken onderworpen aan een vergunning en betreffende het betrokken goed.]1
In elke akte wordt daarnaast aangegeven :
1° dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om op het goed werken en handelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel D.IV.4, zonder een stedenbouwkundige vergunning gekregen te hebben;
2° dat er regels bestaan met betrekking tot het vervallenverklaren van de stedenbouwkundige vergunningen;
3° dat men ondanks het bestaan van een stedenbouwkundig attest niet ontheven wordt van de verplichting om de vereiste vergunning aan te vragen en te verkrijgen;
[2 4° dat verbouwingswerken, onderhoudswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of van een archeologische vindplaats in de zin van het erfgoeddecreet, alsook verbouwingswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van goederen die in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed liggen, ofwel een stedenbouwkundige vergunning overeenkomstig dit Wetboek vereisen, ofwel een erfgoedvergunning overeenkomstig artikel 13 van het erfgoeddecreet vereisen.]2
§ 2. De Regering legt de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van de gegevens bedoeld in 7°, ter inzage van de notarissen.
De Regering legt de voorwaarden en nadere regels voor de toegang tot de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97 vast.
§ 1. In elke akte onder de levenden, ongeacht of hij onderhands of authentiek is, in elke akte van overdracht, ongeacht of hij een akte van aanwijzing, oprichting of overdracht is van een zakelijk recht of van een persoonlijk genotsrecht van meer dan negen jaar, met inbegrip van de akten tot vestiging van een hypotheek of een genotspand, evenwel met uitzondering van de overdrachten die voortspruiten uit een huwelijkscontract of uit de wijziging van een huwelijkstelsel en van de overdrachten die voortspruiten uit een wettelijk samenlevingscontact of uit de wijziging van een dergelijke overeenkomst met betrekking tot een bebouwd of een onbebouwd goed, moeten worden vermeld :
1° de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97;
2° [3 het bestaan, het voorwerp en de datum van de verkavelingsvergunningen, bebouwingsvergunningen, ontsluitingsvergunningen, opsplitsingsvergunningen, bouwvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of regularisatiebeslissingen, alsook van de stedenbouwkundige vergunningen of regularisatiebeslissingen voor groepen van bouwwerken die afgegeven zijn na 1 januari 1977, evenals van de stedenbouwkundige attesten die minder dan twee jaar oud zijn en van de erfgoedvergunningen in de zin van artikel 13 van het erfgoeddecreet die na 1 januari 2009 werden afgegeven;]3
3° de bemerkingen van het gemeentecollege of [2 de Regering]2 overeenkomstig artikel D.IV.102;
4° dat de overdrager(s) de handelingen en werken die krachtens artikel D.VII.1, § 1, 1, 2° of 7°, een inbreuk vormen, al dan niet uitgevoerd heeft (hebben) en, in voorkomend geval, dat een proces-verbaal opgemaakt is;
[1 5° op basis van de verklaring van de overdrager, van de datum van uitvoering van de laatste werken onderworpen aan een vergunning en betreffende het betrokken goed.]1
In elke akte wordt daarnaast aangegeven :
1° dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om op het goed werken en handelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel D.IV.4, zonder een stedenbouwkundige vergunning gekregen te hebben;
2° dat er regels bestaan met betrekking tot het vervallenverklaren van de stedenbouwkundige vergunningen;
3° dat men ondanks het bestaan van een stedenbouwkundig attest niet ontheven wordt van de verplichting om de vereiste vergunning aan te vragen en te verkrijgen;
[2 4° dat verbouwingswerken, onderhoudswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of van een archeologische vindplaats in de zin van het erfgoeddecreet, alsook verbouwingswerken of wijzigingen van de uiterlijke kenmerken van goederen die in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed liggen, ofwel een stedenbouwkundige vergunning overeenkomstig dit Wetboek vereisen, ofwel een erfgoedvergunning overeenkomstig artikel 13 van het erfgoeddecreet vereisen.]2
§ 2. De Regering legt de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van de gegevens bedoeld in 7°, ter inzage van de notarissen.
De Regering legt de voorwaarden en nadere regels voor de toegang tot de gegevens bedoeld in artikel D.IV.97 vast.
Art. D. IV.99_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans tout acte entre vifs, sous seing privé ou authentique, de cession, qu'il soit déclaratif, constitutif ou translatif, de droit réel ou personnel de jouissance de plus de neuf ans, en ce compris les actes de constitution d'hypothèque ou d'antichrèse, à l'exception cependant des cessions qui résultent d'un contrat de mariage ou d'une modification de régime matrimonial et des cessions qui résultent d'une convention de cohabitation légale ou d'une modification d'une telle convention, relatif à un immeuble bâti ou non bâti, il est fait mention :
1° des informations visées à l'article D.IV.97;
2° [3 de l'existence, de l'objet et de la date des permis de lotir, d'urbanisation, d'urbaniser, de diviser, de bâtir et d'urbanisme ou des décisions de régularisation et des permis d'urbanisme ou décisions de régularisation pour des constructions groupées, délivrés après le 1er janvier 1977, ainsi que des certificats d'urbanisme qui datent de moins de deux ans et des permis de patrimoine au sens de l'article 13 du décret sur le patrimoine qui ont été délivrés après le 1er janvier 2009;]3
3° des observations du collège communal ou du [2 Gouvernement]2 conformément à l'article D.IV.102;
4° que le ou les cédants ont, ou n'ont pas, réalisé des actes et travaux constitutifs d'une infraction en vertu de l'article D.VII.1, § 1er, 1, 2° ou 7°, et le cas échéant qu'un procès-verbal a été dressé;
[1 5° sur la base de la déclaration du cédant, de la date de réalisation des derniers travaux soumis à permis et relatifs au bien concerné.]1
Chacun de ces actes comporte en outre l'information :
1° qu'il n'existe aucune possibilité d'effectuer sur le bien aucun des travaux et actes visés à l'article D.IV.4, à défaut d'avoir obtenu un permis d'urbanisme;
2° qu'il existe des règles relatives à la péremption des permis;
3° que l'existence d'un certificat d'urbanisme ne dispense pas de demander et d'obtenir le permis requis;
[2 4° des travaux de transformation physique, d'entretien ou de transformation de l'aspect extérieur réalisés sur un bien provisoirement ou définitivement classé ou sur un site archéologique au sens du décret sur le patrimoine, ainsi que des travaux de transformation physique ou de transformation de l'aspect extérieur de biens situés dans la zone de protection d'un bien provisoirement ou définitivement classé, nécessitent soit un permis d'urbanisme conformément au présent Code ou un permis de patrimoine conformément à l'article 13 du décret sur le patrimoine.]2
§ 2. Le Gouvernement met à disposition des notaires les informations visées à l'article D.IV.97 à l'exception des informations visées au 7°.
Le Gouvernement arrête les conditions et modalités d'accès aux informations visées à l'article D.IV.97.
§ 1er. Dans tout acte entre vifs, sous seing privé ou authentique, de cession, qu'il soit déclaratif, constitutif ou translatif, de droit réel ou personnel de jouissance de plus de neuf ans, en ce compris les actes de constitution d'hypothèque ou d'antichrèse, à l'exception cependant des cessions qui résultent d'un contrat de mariage ou d'une modification de régime matrimonial et des cessions qui résultent d'une convention de cohabitation légale ou d'une modification d'une telle convention, relatif à un immeuble bâti ou non bâti, il est fait mention :
1° des informations visées à l'article D.IV.97;
2° [3 de l'existence, de l'objet et de la date des permis de lotir, d'urbanisation, d'urbaniser, de diviser, de bâtir et d'urbanisme ou des décisions de régularisation et des permis d'urbanisme ou décisions de régularisation pour des constructions groupées, délivrés après le 1er janvier 1977, ainsi que des certificats d'urbanisme qui datent de moins de deux ans et des permis de patrimoine au sens de l'article 13 du décret sur le patrimoine qui ont été délivrés après le 1er janvier 2009;]3
3° des observations du collège communal ou du [2 Gouvernement]2 conformément à l'article D.IV.102;
4° que le ou les cédants ont, ou n'ont pas, réalisé des actes et travaux constitutifs d'une infraction en vertu de l'article D.VII.1, § 1er, 1, 2° ou 7°, et le cas échéant qu'un procès-verbal a été dressé;
[1 5° sur la base de la déclaration du cédant, de la date de réalisation des derniers travaux soumis à permis et relatifs au bien concerné.]1
Chacun de ces actes comporte en outre l'information :
1° qu'il n'existe aucune possibilité d'effectuer sur le bien aucun des travaux et actes visés à l'article D.IV.4, à défaut d'avoir obtenu un permis d'urbanisme;
2° qu'il existe des règles relatives à la péremption des permis;
3° que l'existence d'un certificat d'urbanisme ne dispense pas de demander et d'obtenir le permis requis;
[2 4° des travaux de transformation physique, d'entretien ou de transformation de l'aspect extérieur réalisés sur un bien provisoirement ou définitivement classé ou sur un site archéologique au sens du décret sur le patrimoine, ainsi que des travaux de transformation physique ou de transformation de l'aspect extérieur de biens situés dans la zone de protection d'un bien provisoirement ou définitivement classé, nécessitent soit un permis d'urbanisme conformément au présent Code ou un permis de patrimoine conformément à l'article 13 du décret sur le patrimoine.]2
§ 2. Le Gouvernement met à disposition des notaires les informations visées à l'article D.IV.97 à l'exception des informations visées au 7°.
Le Gouvernement arrête les conditions et modalités d'accès aux informations visées à l'article D.IV.97.
Art. D. IV.100. Tot de vermelding verplicht zijn de houder van het overgedragen recht, diens gemachtigde of de instrumenterend ambtenaar. Indien zij de te vermelden inlichtingen niet kunnen verstrekken, dienen deze te worden opgevraagd bij de betrokken administraties, overeenkomstig de regels die vastgesteld zijn ter uitvoering van artikel D.IV.105. Bij gebreke van een antwoord van het betrokken bestuur binnen de voorziene termijn wordt door de houder van het overgedragen recht, diens gemachtigde of de instrumenterend ambtenaar in de akte de datum vermeld waarop het aangetekend schrijven met het verzoek om het verstrekken van inlichtingen is verstuurd of de datum van het ontvangstbewijs van het verzoek om het verstrekken van inlichtingen, evenals aangegeven wordt dat de inlichtingen niet zijn verstrekt en dat de akte verleden wordt ondanks het uitblijven van een antwoord vanwege het bestuur.
Art. D. IV.100. L'obligation de mention incombe au titulaire du droit cédé, à son mandataire ou à l'officier instrumentant. Si les informations à mentionner ne peuvent être fournies par ceux-ci, elles sont demandées aux administrations intéressées conformément aux règles établies en exécution de l'article D.IV.105. A défaut de réponse de l'administration intéressée dans le délai prévu, le titulaire du droit cédé, son mandataire ou l'officier instrumentant mentionne dans l'acte la date de l'envoi contenant la demande d'informations ou du récépissé de la demande d'informations, indique que les informations n'ont pas été données et que l'acte est passé en dépit du défaut de réponse de l'administration.
HOOFDSTUK II. - Akte voorafgaand aan elke verdeling
CHAPITRE II. - Acte préalable à toute division
Afdeling 1. - Verdeling na toekenning van een vergunning
Section 1re. - Division postérieure à l'octroi d'un permis
Art. D. IV.101. Vóór elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht met betrekking tot een kavel vallend onder een bebouwingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken moet voor de notaris een akte opgemaakt worden van de verdeling die betrekking heeft op de kavels en waarin de vergunning vermeld wordt evenals, in voorkomend geval, de nadere wijze van beheer van de delen die gemeen zijn aan alle of aan een deel van de kavels.
De akte wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
De akte wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Art. D. IV.101. Préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel portant sur un lot visé par un permis d'urbanisation ou un permis d'urbanisme de constructions groupées, il est dressé acte devant notaire de la division qui se rapporte aux lots et qui mentionne le permis ainsi que, le cas échéant, les modalités de gestion des parties communes à tout ou partie des lots.
L'acte est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
L'acte est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Art. D _IV.101.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Vóór elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht met betrekking tot een kavel vallend onder [1 een ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning]1 of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken moet voor de notaris een akte opgemaakt worden van de verdeling die betrekking heeft op de kavels en waarin de vergunning vermeld wordt evenals, in voorkomend geval, de nadere wijze van beheer van de delen die gemeen zijn aan alle of aan een deel van de kavels.
De akte wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Vóór elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht met betrekking tot een kavel vallend onder [1 een ontsluitingsvergunning, een opsplitsingsvergunning]1 of een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken moet voor de notaris een akte opgemaakt worden van de verdeling die betrekking heeft op de kavels en waarin de vergunning vermeld wordt evenals, in voorkomend geval, de nadere wijze van beheer van de delen die gemeen zijn aan alle of aan een deel van de kavels.
De akte wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Art. D _IV.101.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel portant sur un lot visé par un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 ou un permis d'urbanisme de constructions groupées, il est dressé acte devant notaire de la division qui se rapporte aux lots et qui mentionne le permis ainsi que, le cas échéant, les modalités de gestion des parties communes à tout ou partie des lots.
L'acte est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel portant sur un lot visé par un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 ou un permis d'urbanisme de constructions groupées, il est dressé acte devant notaire de la division qui se rapporte aux lots et qui mentionne le permis ainsi que, le cas échéant, les modalités de gestion des parties communes à tout ou partie des lots.
L'acte est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Niet-vergunningsplichtige verdeling
Section 2. - Division non soumise à permis
Art. D. IV.102. § 1. Bij verdeling van een goed dat niet het voorwerp uitmaakt van een aanvraag voor een bebouwingsvergunning en waarvan alle of een deel van de te vormen kavels geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, deelt de notaris het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar minstens dertig dagen voor de voorziene datum voor de openbare verkoop of de ondertekening van de akte het plan van verdeling mee, evenals een verklaring waarin de aard van de handeling en de bestemming van elke gevormde kavel die in de akte vermeld zal worden, nader worden aangegeven.
Het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar delen hun opmerkingen eventueel ter informatie mee. Daarvan wordt in de akte melding gemaakt, evenals van de vermeldingen beoogd bij artikel D.IV.99, § 1.
Desnoods worden bedoelde inlichtingen opgevraagd bij de besturen op de wijze vastgesteld in artikel D.IV.105 en, bij ontstentenis van een antwoord binnen de voorziene termijn, kan de akte verleden worden.
In de onderhandse en de authentieke akten waarmee bedoelde verrichtingen worden vastgesteld, worden dezelfde verklaring en dezelfde vermeldingen opgenomen.
§ 2. Dit artikel geldt voor elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht op een niet-bebouwd deel van een onroerend goed.
Het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar delen hun opmerkingen eventueel ter informatie mee. Daarvan wordt in de akte melding gemaakt, evenals van de vermeldingen beoogd bij artikel D.IV.99, § 1.
Desnoods worden bedoelde inlichtingen opgevraagd bij de besturen op de wijze vastgesteld in artikel D.IV.105 en, bij ontstentenis van een antwoord binnen de voorziene termijn, kan de akte verleden worden.
In de onderhandse en de authentieke akten waarmee bedoelde verrichtingen worden vastgesteld, worden dezelfde verklaring en dezelfde vermeldingen opgenomen.
§ 2. Dit artikel geldt voor elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht op een niet-bebouwd deel van een onroerend goed.
Art. D. IV.102. § 1er. En cas de division d'un bien qui ne fait pas l'objet d'une demande de permis d'urbanisation et dont tout ou partie des lots à former sont destinés en tout ou en partie à l'habitation, le notaire communique au collège communal et au fonctionnaire délégué, trente jours au moins avant la date prévue pour la vente publique ou la signature de l'acte, le plan de division ainsi qu'une attestation précisant la nature de l'acte et la destination de chaque lot formé qui sera mentionnée dans l'acte.
Le collège communal ou le fonctionnaire délégué notifient, éventuellement, leurs observations à titre de renseignements. Celles-ci sont mentionnées dans l'acte, de même que les mentions prévues par l'article D.IV.99, § 1er.
Au besoin, ces informations sont demandées aux administrations de la manière établie à l'article D.IV.105, et, à défaut de réponse dans le délai, l'acte peut être passé.
Les actes sous seing privé et les actes authentiques qui constatent ces opérations contiennent la même déclaration et les mêmes mentions.
§ 2. Le présent article vaut pour tout acte translatif, déclaratif ou constitutif d'un droit réel d'une partie non bâtie d'un immeuble.
Le collège communal ou le fonctionnaire délégué notifient, éventuellement, leurs observations à titre de renseignements. Celles-ci sont mentionnées dans l'acte, de même que les mentions prévues par l'article D.IV.99, § 1er.
Au besoin, ces informations sont demandées aux administrations de la manière établie à l'article D.IV.105, et, à défaut de réponse dans le délai, l'acte peut être passé.
Les actes sous seing privé et les actes authentiques qui constatent ces opérations contiennent la même déclaration et les mêmes mentions.
§ 2. Le présent article vaut pour tout acte translatif, déclaratif ou constitutif d'un droit réel d'une partie non bâtie d'un immeuble.
Art. D. IV.102_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Bij verdeling van een goed dat niet het voorwerp uitmaakt van een aanvraag voor een [2 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2 en waarvan alle of een deel van de te vormen kavels geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, deelt de notaris het gemeentecollege en [1 de Regering]1 minstens dertig dagen voor de voorziene datum voor de openbare verkoop of de ondertekening van de akte het plan van verdeling mee, evenals een verklaring waarin de aard van de handeling en de bestemming van elke gevormde kavel die in de akte vermeld zal worden, nader worden aangegeven.
Het gemeentecollege of [1 de Regering]1 delen hun opmerkingen eventueel ter informatie mee. Daarvan wordt in de akte melding gemaakt, evenals van de vermeldingen beoogd bij artikel D.IV.99, § 1.
Desnoods worden bedoelde inlichtingen opgevraagd bij de besturen op de wijze vastgesteld in artikel D.IV.105 en, bij ontstentenis van een antwoord binnen de voorziene termijn, kan de akte verleden worden.
In de onderhandse en de authentieke akten waarmee bedoelde verrichtingen worden vastgesteld, worden dezelfde verklaring en dezelfde vermeldingen opgenomen.
§ 2. Dit artikel geldt voor elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht op een niet-bebouwd deel van een onroerend goed.
§ 1. Bij verdeling van een goed dat niet het voorwerp uitmaakt van een aanvraag voor een [2 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2 en waarvan alle of een deel van de te vormen kavels geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd zijn, deelt de notaris het gemeentecollege en [1 de Regering]1 minstens dertig dagen voor de voorziene datum voor de openbare verkoop of de ondertekening van de akte het plan van verdeling mee, evenals een verklaring waarin de aard van de handeling en de bestemming van elke gevormde kavel die in de akte vermeld zal worden, nader worden aangegeven.
Het gemeentecollege of [1 de Regering]1 delen hun opmerkingen eventueel ter informatie mee. Daarvan wordt in de akte melding gemaakt, evenals van de vermeldingen beoogd bij artikel D.IV.99, § 1.
Desnoods worden bedoelde inlichtingen opgevraagd bij de besturen op de wijze vastgesteld in artikel D.IV.105 en, bij ontstentenis van een antwoord binnen de voorziene termijn, kan de akte verleden worden.
In de onderhandse en de authentieke akten waarmee bedoelde verrichtingen worden vastgesteld, worden dezelfde verklaring en dezelfde vermeldingen opgenomen.
§ 2. Dit artikel geldt voor elke akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht op een niet-bebouwd deel van een onroerend goed.
Art. D. IV.102_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. En cas de division d'un bien qui ne fait pas l'objet d'une demande de [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2 et dont tout ou partie des lots à former sont destinés en tout ou en partie à l'habitation, le notaire communique au collège communal et au [1 Gouvernement]1, trente jours au moins avant la date prévue pour la vente publique ou la signature de l'acte, le plan de division ainsi qu'une attestation précisant la nature de l'acte et la destination de chaque lot formé qui sera mentionnée dans l'acte.
Le collège communal ou le [1 Gouvernement]1 notifient, éventuellement, leurs observations à titre de renseignements. Celles-ci sont mentionnées dans l'acte, de même que les mentions prévues par l'article D.IV.99, § 1er.
Au besoin, ces informations sont demandées aux administrations de la manière établie à l'article D.IV.105, et, à défaut de réponse dans le délai, l'acte peut être passé.
Les actes sous seing privé et les actes authentiques qui constatent ces opérations contiennent la même déclaration et les mêmes mentions.
§ 2. Le présent article vaut pour tout acte translatif, déclaratif ou constitutif d'un droit réel d'une partie non bâtie d'un immeuble.
§ 1er. En cas de division d'un bien qui ne fait pas l'objet d'une demande de [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2 et dont tout ou partie des lots à former sont destinés en tout ou en partie à l'habitation, le notaire communique au collège communal et au [1 Gouvernement]1, trente jours au moins avant la date prévue pour la vente publique ou la signature de l'acte, le plan de division ainsi qu'une attestation précisant la nature de l'acte et la destination de chaque lot formé qui sera mentionnée dans l'acte.
Le collège communal ou le [1 Gouvernement]1 notifient, éventuellement, leurs observations à titre de renseignements. Celles-ci sont mentionnées dans l'acte, de même que les mentions prévues par l'article D.IV.99, § 1er.
Au besoin, ces informations sont demandées aux administrations de la manière établie à l'article D.IV.105, et, à défaut de réponse dans le délai, l'acte peut être passé.
Les actes sous seing privé et les actes authentiques qui constatent ces opérations contiennent la même déclaration et les mêmes mentions.
§ 2. Le présent article vaut pour tout acte translatif, déclaratif ou constitutif d'un droit réel d'une partie non bâtie d'un immeuble.
HOOFDSTUK III. - Akte na de wijziging van de bebouwingsvergunning
CHAPITRE III. - Acte postérieur à la modification du permis d'urbanisation
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - AKTE NA DE WIJZIGING VAN DE ONTSLUITINGSVERGUNNING]1
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Acte postérieur à la modification du permis d'urbaniser]1
Art. D. IV.103. Wanneer de aanvrager vóór iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht een wijziging van de bebouwingsvergunning heeft gekregen, dient er een akte voor notaris verleden te worden van de wijzigingen die in de bebouwingsvergunning worden aangebracht.
De akte die verband houdt met de kavel wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
De akte die verband houdt met de kavel wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Art. D. IV.103. Lorsque le demandeur a obtenu une modification du permis d'urbanisation, préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, il est dressé acte devant notaire des modifications apportées au permis d'urbanisation.
L'acte qui se rapporte au lot est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
L'acte qui se rapporte au lot est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Art. D _IV.103.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de aanvrager vóór iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht een wijziging van de [1 ontsluitingsvergunning]1 heeft gekregen, dient er een akte voor notaris verleden te worden van de wijzigingen die in de [1 ontsluitingsvergunning]1 worden aangebracht.
De akte die verband houdt met de kavel wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Wanneer de aanvrager vóór iedere akte tot aanwijzing, overdracht of oprichting van een zakelijk recht een wijziging van de [1 ontsluitingsvergunning]1 heeft gekregen, dient er een akte voor notaris verleden te worden van de wijzigingen die in de [1 ontsluitingsvergunning]1 worden aangebracht.
De akte die verband houdt met de kavel wordt overgeschreven op de hypotheekbewaring van het arrondissement waarin het goed gelegen is, op benaarstiging van de notaris die de akte ontvangen heeft, binnen de twee maanden na ontvangst van die akte.
Art. D _IV.103.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque le demandeur a obtenu une modification du [1 permis d'urbaniser]1, préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, il est dressé acte devant notaire des modifications apportées au permis d'urbanisation.
L'acte qui se rapporte au lot est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Lorsque le demandeur a obtenu une modification du [1 permis d'urbaniser]1, préalablement à tout acte déclaratif, translatif ou constitutif d'un droit réel, il est dressé acte devant notaire des modifications apportées au permis d'urbanisation.
L'acte qui se rapporte au lot est transcrit à la conservation des hypothèques dans l'arrondissement duquel le bien est situé, à la diligence du notaire qui a reçu l'acte, dans les deux mois de la réception de cet acte.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Informatie over de overdracht van de vergunningen
CHAPITRE IV. - Information sur la cession des permis
Art. D. IV.104.Ter gelegenheid van elke akte tot aanwijzing, vorming of overdracht van onroerende zakelijke rechten, zoals bedoeld in [1 artikel 3.30 van het Burgerlijk Wetboek]1, die de overdracht van een vergunning in de zin van artikel D.IV.92 als gevolg heeft, wordt door de notaris voor de aanwezige partijen artikel D.IV.92 opgelezen, met vermelding in de akte.
Art. D. IV.104.A l'occasion de tout acte translatif, constitutif ou déclaratif de droits réels immobiliers, tel que visé à l'[1 article 3.30 du Code civil ]1 emportant cession d'un permis au sens de l'article D.IV.92, le notaire donne lecture de l'article D.IV.92, aux parties présentes et en fait mention dans l'acte.
Wijzigingen
TITEL VI. - Te verstrekken inlichtingen
TITRE VI. - Renseignements à fournir
Art. D. IV.105. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder degenen die de inlichtingen bepaald bij artikel D.IV.97 verstrekken, deze kunnen verkrijgen bij betrokken besturen.
Art. D. IV.105. Le Gouvernement détermine les conditions dans lesquelles ceux qui prodiguent les informations prévues à l'article D.IV.97 peuvent les obtenir auprès des administrations intéressées.
TITEL VII. - Vergunningen in verband met andere administratieve diensten
TITRE VII. - Des permis en relation avec d'autres polices administratives
Art. D. IV.106.[1 De stedenbouwkundige vergunning wordt toegekend door de gemachtigd ambtenaar wanneer het handelingen en werken betreft met betrekking tot activiteiten en installaties die nodig zijn voor de exploratie en exploitatie van de ondergrondse rijkdommen bedoeld in artikel D.I.1, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen]1.
De gemachtigd ambtenaar kan de vergunning verstrekken in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad of door af te wijken van leidraden en ontwikkelingsplannen.
De gemachtigd ambtenaar kan de vergunning verstrekken in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad of door af te wijken van leidraden en ontwikkelingsplannen.
Art. D. IV.106.[1 Le permis d'urbanisme est délivré par le fonctionnaire délégué lorsqu'il concerne des actes et travaux relatifs aux activités et installations nécessaires à l'exploration et à l'exploitation des ressources du sous-sol visées à l'article D.I.1, § 2, alinéa 1er, 1° à 4°, du Code de la gestion des ressources du sous-sol ]1.
Le fonctionnaire délégué peut accorder le permis dérogeant au plan de secteur ou aux normes du guide régional ou en s'écartant des guides et schémas.
Le fonctionnaire délégué peut accorder le permis dérogeant au plan de secteur ou aux normes du guide régional ou en s'écartant des guides et schémas.
Wijzigingen
Art. D. IV.106_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De stedenbouwkundige vergunning wordt afgegeven door [1 de Regering]1 wanneer ze wordt aangevraagd door de houder van een mijnprospectievergunning of door de houder van een mijnconcessie.
[1 De Regering]1 kan de vergunning verstrekken in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad of door af te wijken van leidraden en ontwikkelingsplannen.
De stedenbouwkundige vergunning wordt afgegeven door [1 de Regering]1 wanneer ze wordt aangevraagd door de houder van een mijnprospectievergunning of door de houder van een mijnconcessie.
[1 De Regering]1 kan de vergunning verstrekken in afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad of door af te wijken van leidraden en ontwikkelingsplannen.
Art. D. IV.106_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis d'urbanisme est délivré par le [1 Gouvernement]1 lorsqu'il est sollicité par le titulaire d'un permis de recherche de mines ou par le concessionnaire d'une mine.
Le [1 Gouvernement]1 peut accorder le permis dérogeant au plan de secteur ou aux normes du guide régional ou en s'écartant des guides et schémas.
Le permis d'urbanisme est délivré par le [1 Gouvernement]1 lorsqu'il est sollicité par le titulaire d'un permis de recherche de mines ou par le concessionnaire d'une mine.
Le [1 Gouvernement]1 peut accorder le permis dérogeant au plan de secteur ou aux normes du guide régional ou en s'écartant des guides et schémas.
Wijzigingen
Art. D. IV.107.In afwijking van de artikelen D.IV.14, D.IV.22 en D.IV.25 wordt in het geval van een gemengd project in de zin van artikel 1 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een eenmalige vergunning, die in de plaats treedt van de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek, afgegeven overeenkomstig de bepalingen bedoeld in hoofdstuk XI van bovenbedoeld decreet. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend :
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de gemachtigd ambtenaar is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de gemachtigd ambtenaar wanneer hij met de technisch ambtenaar de bevoegde overheid is;
3° door de Regering in beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
[1 ...]1.
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de gemachtigd ambtenaar is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de gemachtigd ambtenaar wanneer hij met de technisch ambtenaar de bevoegde overheid is;
3° door de Regering in beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
[1 ...]1.
Art. D. IV.107.Par dérogation aux articles D.IV.14, D.IV.22 et D.IV.25, en cas de projet mixte au sens de l'article 1er, 11°, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, un permis unique tenant lieu de permis d'urbanisme au sens du présent Code est délivré conformément aux dispositions visées au Chapitre XI du décret précité. Les dérogations et écarts visés aux articles D.IV.5 à D.IV.13 sont accordés :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; toutefois, l'avis du fonctionnaire délégué contenu dans le rapport de synthèse est un avis conforme lorsque la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le fonctionnaire délégué lorsqu'il est, avec le fonctionnaire technique, l'autorité compétente;
3° par le Gouvernement en recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatifs aux actes et travaux pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général qui relèvent de sa compétence.
[1 ...]1.
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; toutefois, l'avis du fonctionnaire délégué contenu dans le rapport de synthèse est un avis conforme lorsque la demande implique une dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le fonctionnaire délégué lorsqu'il est, avec le fonctionnaire technique, l'autorité compétente;
3° par le Gouvernement en recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatifs aux actes et travaux pour lesquels il existe des motifs impérieux d'intérêt général qui relèvent de sa compétence.
[1 ...]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.107_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 In het geval van een gemengd project in de zin van het samenwerkingsakkoord wordt, in afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een globale vergunning toegekend die in de plaats treedt van de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dwingende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
In afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22 wordt, in het geval van een geïntegreerd project in de zin van het samenwerkingsakkoord, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een geïntegreerde vergunning afgegeven die de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek vervangt. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de ambtenaar van de handelsvestigingen en, in voorkomend geval, met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep.]1
[1 In het geval van een gemengd project in de zin van het samenwerkingsakkoord wordt, in afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een globale vergunning toegekend die in de plaats treedt van de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep;
4° door de Regering voor de vergunningsaanvragen betreffende handelingen en werken waarvoor er dwingende redenen van algemeen belang bestaan, die tot haar bevoegdheid behoren.
In afwijking van de artikelen D.IV.14 en D.IV.22 wordt, in het geval van een geïntegreerd project in de zin van het samenwerkingsakkoord, overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord een geïntegreerde vergunning afgegeven die de stedenbouwkundige vergunning in de zin van dit Wetboek vervangt. De in de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13 bedoelde afwijkingen en verschillen worden toegekend:
1° door het gemeentecollege als het de bevoegde overheid is; het in het syntheserapport vermelde advies van de Regering is een eensluidend advies als de aanvraag een afwijking van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw als gevolg heeft;
2° door de Regering als ze samen met de ambtenaar van de handelsvestigingen en, in voorkomend geval, met de technisch ambtenaar van het Waals Gewest de bevoegde overheid is;
3° door de gemengde beroepscommissie in het kader van een beroep.]1
Art. D. IV.107_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 En cas de projet mixte au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis unique équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatives aux actes et travaux justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général et relevant de ses compétences.
En cas de projet intégré au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis intégré équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec le fonctionnaire des implantations commerciales et, le cas échéant, l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours.]1
[1 En cas de projet mixte au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis unique équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours;
4° par le Gouvernement pour les demandes de permis relatives aux actes et travaux justifiés par des raisons impérieuses d'intérêt général et relevant de ses compétences.
En cas de projet intégré au sens de l'accord de coopération, et par dérogation aux articles D.IV.14 et D.IV.22, c'est un permis intégré équivalent au permis d'urbanisme au sens du présent Code qui est délivré conformément aux dispositions mentionnées dans ledit accord de coopération. Les exceptions et dérogations au sens des articles D.IV.5 à D.IV.13 sont octroyées :
1° par le collège communal lorsqu'il est l'autorité compétente; l'avis du Gouvernement compris dans le rapport succinct constitue toutefois un avis conforme lorsque la demande induit une exception au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
2° par le Gouvernement lorsque celui-ci est l'autorité compétente conjointement avec le fonctionnaire des implantations commerciales et, le cas échéant, l'agent technique de la Région wallonne;
3° par la Commission mixte de recours, dans le cadre d'un recours.]1
Wijzigingen
Art. D. IV.108. Het is toegestaan om de activiteiten die toegelaten zijn bij een vergunning die is verstrekt vóór de inwerkingtreding van het gewestplan en die niet beantwoorden aan de voorschriften ervan, verder te zetten tot en met de afloop van de geldigheidstermijn van bedoelde vergunning. De hernieuwing van deze machtiging kan door de bevoegde overheid verstrekt worden voor zover dit verenigbaar is met de algemene bestemming van overwogen gebied, onverminderd artikel D.IV.109.
Art. D. IV.108. La poursuite des activités autorisées par un permis délivré avant l'entrée en vigueur du plan de secteur et qui ne correspondent pas aux prescriptions de ce plan est admise jusqu'à l'expiration du délai de validité du permis. Le renouvellement de cette autorisation peut être accordé par l'autorité compétente dans une mesure compatible avec la destination générale de la zone considérée, sans préjudice de l'article D.IV.109.
Art. D. IV.109. De afwijkingen en de verschillen die zijn toegestaan in toepassing van dit Boek zijn van toepassing op de handelingen die onder andere wetgevingen met betrekking tot hetzelfde ontwerp ressorteren.
Art. D. IV.109. Les dérogations et les écarts accordés en application du présent Livre sont applicables aux actes relevant d'autres législations qui sont relatifs au même projet.
TITEL VII.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
TITRE VII.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - TOEPASSINGSGEBIED]1
CHAPITRE Ier.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Champ d'application]1
Art. D. IV.109.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Handelingen en werken voor de heropbouw van gebouwen en bouwwerken in gebieden die getroffen zijn door erkende natuurrampen in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 26 mei 2016 betreffende het herstel van sommige schade veroorzaakt door algemene natuurrampen, of handelingen en werken voor de heropbouw van gebouwen en bouwwerken die door een brand geheel of gedeeltelijk vernield zijn, kunnen het voorwerp uitmaken van een spoedprocedure voor de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
De heropbouw betreft het in ruime mate getrouw herstellen van de gebouwen en bouwwerken die geheel of gedeeltelijk door de natuurramp of door de brand werden vernietigd en omvat onder meer het slopen, schoonmaken, in de oorspronkelijke staat herstellen of vervangen van de structuurelementen en de buitenmuren, met inbegrip van de bescherming via gevelbekleding of vochtwerende middelen en hun isolatie, evenals het buitenschrijnwerk, het dakgebinte, de dakbedekking en de dakisolatie, de zonnepanelen als ze een vast bestanddeel zijn van de dakbedekking, de schoorstenen, de kroonlijsten, de dakgoten, alsook de regenpijpen en de voorzieningen die de afvoer van de regen mogelijk maken.
De wijzigingen van het oorspronkelijke gebouw, met inbegrip van wijzigingen van de dragende structuren, wijzigingen die het architectonische karakter van het gebouw of het bouwwerk beïnvloeden of wijzigingen van de beplanting kunnen worden goedgekeurd, als de wijzigingen in hun geheel gering blijven, in de aanvraag uitvoerig gemotiveerd worden en verenigbaar zijn met de omgeving.
De Regering kan de lijst van die handelingen en werken aanvullen.
§ 2 - De spoedprocedure wordt niet gebruikt voor handelingen en werken die :
1° aan een milieueffectenonderzoek moeten worden onderworpen;
2° de oprichting, wijziging of afschaffing van een gemeenteweg tot gevolg hebben;
3° één van de volgende wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw omvatten :
a) wijziging van de bestemming in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°;
b) verhoging van het aantal wooneenheden;
c) verhoging van het aantal verdiepingen.]1
De heropbouw betreft het in ruime mate getrouw herstellen van de gebouwen en bouwwerken die geheel of gedeeltelijk door de natuurramp of door de brand werden vernietigd en omvat onder meer het slopen, schoonmaken, in de oorspronkelijke staat herstellen of vervangen van de structuurelementen en de buitenmuren, met inbegrip van de bescherming via gevelbekleding of vochtwerende middelen en hun isolatie, evenals het buitenschrijnwerk, het dakgebinte, de dakbedekking en de dakisolatie, de zonnepanelen als ze een vast bestanddeel zijn van de dakbedekking, de schoorstenen, de kroonlijsten, de dakgoten, alsook de regenpijpen en de voorzieningen die de afvoer van de regen mogelijk maken.
De wijzigingen van het oorspronkelijke gebouw, met inbegrip van wijzigingen van de dragende structuren, wijzigingen die het architectonische karakter van het gebouw of het bouwwerk beïnvloeden of wijzigingen van de beplanting kunnen worden goedgekeurd, als de wijzigingen in hun geheel gering blijven, in de aanvraag uitvoerig gemotiveerd worden en verenigbaar zijn met de omgeving.
De Regering kan de lijst van die handelingen en werken aanvullen.
§ 2 - De spoedprocedure wordt niet gebruikt voor handelingen en werken die :
1° aan een milieueffectenonderzoek moeten worden onderworpen;
2° de oprichting, wijziging of afschaffing van een gemeenteweg tot gevolg hebben;
3° één van de volgende wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw omvatten :
a) wijziging van de bestemming in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°;
b) verhoging van het aantal wooneenheden;
c) verhoging van het aantal verdiepingen.]1
Art. D. IV.109.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Les actes et travaux concernant la reconstruction de bâtiments et constructions dans des zones concernées par des calamités naturelles reconnues, au sens du décret de la Région wallonne du 26 mai 2016 relatif à la réparation de certains dommages causés par des calamités naturelles publiques, ou de bâtiments et constructions détruits en tout ou partie par un incendie peuvent faire l'objet d'une procédure d'urgence en vue de l'octroi d'un permis d'urbanisme conformément aux dispositions du présent titre.
La reconstruction concerne largement une reproduction fidèle à l'original de bâtiments et constructions détruits en tout ou partie par la calamité naturelle ou l'incendie et comporte entre autres la démolition, le nettoyage, la remise en état ou le remplacement des éléments de structure et des murs extérieurs, en ce compris la protection par bardage ou hydrofugation et leur isolation ainsi que les menuiseries extérieures, les charpentes, la couverture et l'isolation des toitures, les panneaux solaires lorsqu'ils font partie intégrante de la couverture, les cheminées, les corniches, les gouttières, les descentes d'eau pluviale et les ouvrages permettant leur évacuation.
Les modifications apportées au bâtiment originel, en ce compris les modifications de structure, celles qui influencent l'aspect architectural du bâtiment ou de la construction, ou les modifications des plantations peuvent être autorisées si, dans l'ensemble, elles restent insignifiantes, sont motivées de manière détaillée dans la demande et sont compatibles avec le voisinage.
Le Gouvernement peut compléter la liste des actes et travaux concernés.
§ 2 - La procédure d'urgence n'est pas appliquée pour les actes et travaux qui :
1° doivent être soumis à une étude d'incidences;
2° entraînent la création, la modification ou la suppression d'une voirie communale;
3° comportent l'une des modifications suivantes apportées au bâtiment originel :
a) modification de destination au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°;
b) augmentation du nombre d'unités de logement;
c) augmentation du nombre d'étages.]1
La reconstruction concerne largement une reproduction fidèle à l'original de bâtiments et constructions détruits en tout ou partie par la calamité naturelle ou l'incendie et comporte entre autres la démolition, le nettoyage, la remise en état ou le remplacement des éléments de structure et des murs extérieurs, en ce compris la protection par bardage ou hydrofugation et leur isolation ainsi que les menuiseries extérieures, les charpentes, la couverture et l'isolation des toitures, les panneaux solaires lorsqu'ils font partie intégrante de la couverture, les cheminées, les corniches, les gouttières, les descentes d'eau pluviale et les ouvrages permettant leur évacuation.
Les modifications apportées au bâtiment originel, en ce compris les modifications de structure, celles qui influencent l'aspect architectural du bâtiment ou de la construction, ou les modifications des plantations peuvent être autorisées si, dans l'ensemble, elles restent insignifiantes, sont motivées de manière détaillée dans la demande et sont compatibles avec le voisinage.
Le Gouvernement peut compléter la liste des actes et travaux concernés.
§ 2 - La procédure d'urgence n'est pas appliquée pour les actes et travaux qui :
1° doivent être soumis à une étude d'incidences;
2° entraînent la création, la modification ou la suppression d'une voirie communale;
3° comportent l'une des modifications suivantes apportées au bâtiment originel :
a) modification de destination au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°;
b) augmentation du nombre d'unités de logement;
c) augmentation du nombre d'étages.]1
HOOFDSTUK II.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - AFWIJKINGEN EN VERSCHILLEN]1
CHAPITRE II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Exceptions et dérogations]1
Art. D. IV.109.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De via de spoedprocedure afgegeven stedenbouwkundige vergunning kan afwijken van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, als dat van toepassing is, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan, van een bodembestemmingsplan, van de als indicatief beschouwde inhoud van een leidraad of van een ontsluitingsvergunning, als het gebouw of het bouwwerk wettelijk bestond op het tijdstip van de volledige of gedeeltelijke vernieling.]1
Art. D. IV.109.2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le permis d'urbanisme délivré en urgence peut s'écarter d'un schéma de développement du territoire, s'il est applicable, d'un plan de développement pluricommunal, d'un plan de développement communal, d'un plan d'orientation local, d'une carte d'affectation des sols, du contenu à valeur indicative d'un guide ou d'un permis d'urbaniser lorsque le bâtiment ou la construction avait une existence légale au moment de la destruction complète ou partielle.]1
Art. D. IV.109.3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De via de spoedprocedure afgegeven stedenbouwkundige vergunning kan worden afgegeven in afwijking van het gewestplan of van de normen van een gewestelijke leidraad voor stedenbouw, als het gebouw of het bouwwerk wettelijk bestond op het tijdstip van de volledige of gedeeltelijke vernieling.]1
Art. D. IV.109.3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le permis d'urbanisme délivré en urgence peut être octroyé en dérogation au plan de secteur ou aux normes d'un guide régional d'urbanisme lorsque le bâtiment ou la construction avait une existence légale au moment de la destruction complète ou partielle.]1
HOOFDSTUK III.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - PROCEDURE]1
CHAPITRE III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédure]1
Art. D. IV.109.4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De stedenbouwkundige vergunning wordt afgegeven door de Regering.]1
Art. D. IV.109.4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le permis d'urbanisme est délivré par le Gouvernement.]1
Art. D. IV.109.5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Bij de vergunningsaanvraag wordt een advies van het gemeentecollege gevoegd. In dat advies bevestigt het gemeentecollege met name dat de handelingen en werken plaatsvinden in een gebied dat hoogstens 24 maanden geleden door een erkende natuurramp werd getroffen of betrekking hebben op een door brand geheel of gedeeltelijk vernield gebouw of bouwwerk.
De Regering kan de vorm van de vergunningsaanvraag bepalen, alsook de aanvullende inhoud, die verder reikt dan de inhoud die krachtens artikel D.IV.26 werd bepaald.]1
De Regering kan de vorm van de vergunningsaanvraag bepalen, alsook de aanvullende inhoud, die verder reikt dan de inhoud die krachtens artikel D.IV.26 werd bepaald.]1
Art. D. IV.109.5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Un avis du collège communal accompagne la demande de permis. Dans cet avis, le collège communal confirme notamment que les actes et travaux se déroulent dans une zone touchée, il y a au plus vingt-quatre mois, par une calamité naturelle reconnue ou concernent un bâtiment détruit ou une construction détruite en tout ou partie par un incendie.
Pour la demande de permis, le Gouvernement peut fixer la forme et un contenu supplémentaire allant au-delà du contenu fixé en vertu de l'article D.IV.26.]1
Pour la demande de permis, le Gouvernement peut fixer la forme et un contenu supplémentaire allant au-delà du contenu fixé en vertu de l'article D.IV.26.]1
Art. D. IV.109.6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De vergunningsaanvraag wordt binnen 24 maanden na bekendmaking van het besluit tot erkenning van de natuurramp en na de brand aan de Regering toegezonden of tegen ontvangstbewijs afgegeven.]1
Art. D. IV.109.6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La demande de permis doit être envoyée ou remise contre accusé de réception au Gouvernement, et ce, dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle ou suivant l'incendie.]1
Art. D. IV.109.7.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Binnen vijftien dagen na ontvangst van de vergunningsaanvraag of van het desbetreffende indieningsbewijs bezorgt de Regering aan de aanvrager :
1° als de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt geacht, een bericht van formele volledigheid. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden;
2° als de aanvraag onvolledig wordt geacht, per zending een opsomming van de ontbrekende stukken, met de vermelding dat de procedure pas na ontvangst van die stukken wordt voortgezet. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden.
Wanneer de Regering het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van formele volledigheid of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken niet binnen de termijn van [2 vijftien]2 dagen aan de aanvrager heeft gezonden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet.]1
1° als de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt geacht, een bericht van formele volledigheid. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden;
2° als de aanvraag onvolledig wordt geacht, per zending een opsomming van de ontbrekende stukken, met de vermelding dat de procedure pas na ontvangst van die stukken wordt voortgezet. Een afschrift wordt aan de projectontwerper gezonden.
Wanneer de Regering het in het eerste lid, 1°, bedoelde bericht van formele volledigheid of de in het eerste lid, 2°, bedoelde opsomming van de ontbrekende stukken niet binnen de termijn van [2 vijftien]2 dagen aan de aanvrager heeft gezonden, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd en wordt de procedure voortgezet.]1
Art. D. IV.109.7.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Dans les quinze jours suivant la réception de la demande de permis ou l'avis de dépôt, le Gouvernement transmet au demandeur :
1° si la demande est jugée complète et recevable, un avis de complétude formelle. Une copie est envoyée à l'auteur de projet;
2° si la demande est jugée incomplète, par envoi, un relevé des pièces manquantes, en signalant que la procédure ne sera poursuivie qu'à partir de leur réception. Une copie est envoyée à l'auteur de projet.
Si, dans un délai de [2 quinze jours]2, le Gouvernement n'a pas envoyé au demandeur l'avis de complétude formelle mentionné à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, la demande est réputée recevable et la procédure est poursuivie.]1
1° si la demande est jugée complète et recevable, un avis de complétude formelle. Une copie est envoyée à l'auteur de projet;
2° si la demande est jugée incomplète, par envoi, un relevé des pièces manquantes, en signalant que la procédure ne sera poursuivie qu'à partir de leur réception. Une copie est envoyée à l'auteur de projet.
Si, dans un délai de [2 quinze jours]2, le Gouvernement n'a pas envoyé au demandeur l'avis de complétude formelle mentionné à l'alinéa 1er, 1°, ou le relevé des pièces manquantes visé à l'alinéa 1er, 2°, la demande est réputée recevable et la procédure est poursuivie.]1
Art. D. IV.109.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Onverminderd de bepalingen vermeld in [2 artikel D.65]2 van het Milieuwetboek wordt in het bericht van formele volledigheid het volgende aangegeven :
1° welke diensten of commissies om advies worden gevraagd en welke termijnen daarvoor gelden;
2° binnen welke termijn de beslissing van de Regering verzonden wordt.]1
1° welke diensten of commissies om advies worden gevraagd en welke termijnen daarvoor gelden;
2° binnen welke termijn de beslissing van de Regering verzonden wordt.]1
Art. D. IV.109.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Sans préjudice des dispositions mentionnées [2 à l'article D.65]2 du Code de l'environnement, l'avis de complétude formelle mentionne :
1° les services ou commissions dont l'avis est sollicité et les délais prévus pour ce faire;
2° le délai dans lequel la décision du Gouvernement est transmise.]1
1° les services ou commissions dont l'avis est sollicité et les délais prévus pour ce faire;
2° le délai dans lequel la décision du Gouvernement est transmise.]1
Art. D. IV.109.9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Tegelijk met het bericht van formele volledigheid zendt de Regering een adviesaanvraag, samen met een exemplaar van de vergunningsaanvraag, aan de diensten en commissies vermeld in artikel D.IV.109.8.
§ 2 - De diensten en commissies vermeld in paragraaf 1 bezorgen hun advies binnen twintig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvraag heeft verzonden. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Het advies van de brandweerdienst wordt bezorgd binnen dertig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvraag heeft verzonden. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.]1
§ 2 - De diensten en commissies vermeld in paragraaf 1 bezorgen hun advies binnen twintig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvraag heeft verzonden. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.
Het advies van de brandweerdienst wordt bezorgd binnen dertig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvraag heeft verzonden. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.]1
Art. D. IV.109.9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Simultanément à l'avis de complétude formelle, le Gouvernement transmet aux services et commissions mentionnés à l'article D.IV.109.8 une demande d'avis accompagnée d'un exemplaire de la demande de permis.
§ 2 - Les services et commissions mentionnés au § 1er transmettent leur avis dans les vingt jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
L'avis du service d'incendie est transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]1
§ 2 - Les services et commissions mentionnés au § 1er transmettent leur avis dans les vingt jours suivant l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.
L'avis du service d'incendie est transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]1
Art. D. IV.109.10.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een goed dat geheel of gedeeltelijk met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is, in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed ligt of zich op een archeologische vindplaats bevindt, vraagt de Regering een gewoon erfgoedadvies in de zin van artikel D.IV.14.1. Het advies wordt verstrekt binnen twintig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvraag heeft verzonden. Na afloop van die termijn wordt het advies gunstig geacht.]1
Art. D. IV.109.10.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Lorsque la demande concerne un bien qui, en application du décret sur le patrimoine, est en tout ou partie provisoirement ou définitivement classé ou se situe dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique, le Gouvernement demande un avis conforme relatif au patrimoine au sens de l'article D.IV.14.1. L'avis est transmis dans les vingt jours de l'envoi de la demande par l'autorité compétente. Passé ce délai, l'avis est réputé favorable.]1
Art. D. IV.109.11.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De beslissing van de Regering tot toekenning of weigering van de stedenbouwkundige vergunning wordt tegelijkertijd aan het gemeentecollege en aan de aanvrager gezonden binnen vijfenveertig dagen te rekenen van de dag waarop de Regering het in artikel D.IV.109.7 bedoelde bericht van formele volledigheid heeft gezonden of, bij gebrek daaraan, te rekenen van de dag volgend op het verstrijken van de termijn waarover zij beschikte om het te zenden.
De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
De Regering kan de termijn vermeld in het eerste lid met dertig dagen verlengen, mits dat wordt gemotiveerd. De beslissing tot verlenging wordt verzonden binnen de oorspronkelijke termijn. De Regering zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.]1
De Regering zendt een afschrift van de beslissing aan de projectontwerper.
De Regering kan de termijn vermeld in het eerste lid met dertig dagen verlengen, mits dat wordt gemotiveerd. De beslissing tot verlenging wordt verzonden binnen de oorspronkelijke termijn. De Regering zendt een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de projectontwerper.]1
Art. D. IV.109.11.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La décision du Gouvernement octroyant ou refusant le permis d'urbanisme est simultanément envoyée au collège communal et au demandeur dans les quarante-cinq jours à dater du jour où le Gouvernement a envoyé l'avis de complétude formelle mentionné à l'article D.IV.109.7 ou, à défaut, à dater du jour suivant le terme du délai qui lui était imparti pour envoyer l'avis.
Le Gouvernement envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
Moyennant motivation, le délai mentionné à l'alinéa 1er peut être prolongé de trente jours par le Gouvernement. La décision portant prolongation est transmise dans le délai initial. Le Gouvernement envoie une copie de la décision portant prolongation à l'auteur de projet.]1
Le Gouvernement envoie une copie de la décision à l'auteur de projet.
Moyennant motivation, le délai mentionné à l'alinéa 1er peut être prolongé de trente jours par le Gouvernement. La décision portant prolongation est transmise dans le délai initial. Le Gouvernement envoie une copie de la décision portant prolongation à l'auteur de projet.]1
Art. D. IV.109.12.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Wanneer de beslissing van de Regering niet binnen de termijn vermeld in artikel D.IV.109.10 aan de aanvrager wordt bezorgd, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn.
In dat geval betaalt de overheid aan de aanvrager het bedrag terug dat zij als dossierkosten inde.]1
In dat geval betaalt de overheid aan de aanvrager het bedrag terug dat zij als dossierkosten inde.]1
Art. D. IV.109.12.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Lorsque la décision du Gouvernement n'est pas transmise au demandeur dans le délai mentionné à l'article D.IV.109.10, le permis est réputé refusé.
Dans ce cas, l'autorité rembourse au demandeur le montant reçu au titre de droit de dossier.]1
Dans ce cas, l'autorité rembourse au demandeur le montant reçu au titre de droit de dossier.]1
HOOFDSTUK IV.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - VAN TOEPASSING ZIJNDE BEPALINGEN]1
CHAPITRE IV.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispositions applicables]1
Art. D. IV.109.13.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op de spoedprocedure, voor zover deze titel niet daarvan afwijkt.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D.IV.5 tot D.IV.23.2, D.IV.27 tot D.IV.28, D.IV.30 tot D.IV.31.1, D.IV.33 tot D.IV.52, D.IV.54, § § 2 en 3, D.IV.60 tot D.IV.62, D.IV.69, D.IV.79, D.IV.81 tot D.IV.83, D.IV.90, D.IV.94 tot D.IV.98, D.IV.103 en D.IV.106 tot D.IV.108 niet van toepassing op de spoedprocedure.]1
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen D.IV.5 tot D.IV.23.2, D.IV.27 tot D.IV.28, D.IV.30 tot D.IV.31.1, D.IV.33 tot D.IV.52, D.IV.54, § § 2 en 3, D.IV.60 tot D.IV.62, D.IV.69, D.IV.79, D.IV.81 tot D.IV.83, D.IV.90, D.IV.94 tot D.IV.98, D.IV.103 en D.IV.106 tot D.IV.108 niet van toepassing op de spoedprocedure.]1
Art. D. IV.109.13.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Les dispositions du présent Livre sont applicables à la procédure d'urgence, pour autant que le présent titre n'y déroge pas.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D.IV.5 à D.IV.23.2, D.IV.27 à D.IV.28, D.IV.30 à D.IV.31.1, D.IV.33 à D.IV.52, D.IV.54, § § 2 et 3, D.IV.60 à D.IV.62, D.IV.69, D.IV.79, D.IV.81 à D.IV.83, D.IV.90, D.IV.94 à D.IV.98, D.IV.103 et D.IV.106 à D.IV.108 ne s'appliquent pas à la procédure d'urgence.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles D.IV.5 à D.IV.23.2, D.IV.27 à D.IV.28, D.IV.30 à D.IV.31.1, D.IV.33 à D.IV.52, D.IV.54, § § 2 et 3, D.IV.60 à D.IV.62, D.IV.69, D.IV.79, D.IV.81 à D.IV.83, D.IV.90, D.IV.94 à D.IV.98, D.IV.103 et D.IV.106 à D.IV.108 ne s'appliquent pas à la procédure d'urgence.]1
TITEL VIII. - Overgangsrecht
TITRE VIII. - Droit transitoire
HOOFDSTUK I. - Procedure
CHAPITRE Ier. - Procédure
Art. D. IV.110. De aanvragen van bouwvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen, verkavelingsvergunningen of bebouwingsvergunningen, met inbegrip van de aanvragen die behoren tot één van de categorieën bedoeld in artikel D.IV.25, waarvan de indiening, bevestigd met een ontvangstbewijs of waarvan de ontvangst van de zending, bevestigd met een bericht van ontvangst van de post of gelijkgestelde dateert van voor één van de wijzigingen van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, van toepassing in het Waalse Gewest, worden verder behandeld op grond van de bepalingen die van toepassing waren op de datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag.
Wanneer de gemeente zich niet heeft voorzien van de vereiste gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, beslist het gemeentecollege in het geval bedoeld in artikel D.I.V15, eerste lid, 1°, zonder voorafgaand verplicht advies van de gemachtigd ambtenaar voor de aanvragen voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 waarvan het ontvangstbewijs of de zending bedoeld in artikel D.IV.32 dateert van vóór de dag volgend op de dag waarop de termijn van vier jaar vervalt.
Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet is verstrekt, wordt de aanvraag zo spoedig mogelijk opnieuw gezonden aan de aanvrager, waarbij wordt vermeld dat ze volgens de nieuwe procedure bij de bevoegde overheid ingediend kan worden, die duidelijk geïdentificeerd is.
Wanneer de gemeente zich niet heeft voorzien van de vereiste gemeentelijke leidraad voor stedenbouw, beslist het gemeentecollege in het geval bedoeld in artikel D.I.V15, eerste lid, 1°, zonder voorafgaand verplicht advies van de gemachtigd ambtenaar voor de aanvragen voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 waarvan het ontvangstbewijs of de zending bedoeld in artikel D.IV.32 dateert van vóór de dag volgend op de dag waarop de termijn van vier jaar vervalt.
Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet is verstrekt, wordt de aanvraag zo spoedig mogelijk opnieuw gezonden aan de aanvrager, waarbij wordt vermeld dat ze volgens de nieuwe procedure bij de bevoegde overheid ingediend kan worden, die duidelijk geïdentificeerd is.
Art. D. IV.110. Les demandes de permis de bâtir, de permis d'urbanisme, de permis de lotir ou de permis d'urbanisation, en ce compris celles qui entrent dans une des catégories visées à l'article D.IV.25, dont le dépôt, attesté par un récépissé ou dont la réception de l'envoi, attestée par un accusé de réception postal ou assimilé est antérieur à une des modifications de la législation de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme applicable en Région wallonne, poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date du récépissé ou de l'accusé de réception de la demande.
Dans le cas visé à l'article D.IV.15, alinéa 1er, 1°, lorsque la commune ne s'est pas dotée du guide communal d'urbanisme requis, le collège communal statue sans avis préalable obligatoire du fonctionnaire délégué pour les demandes de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dont le récépissé ou l'envoi visés à l'article D.IV.32 est antérieur au lendemain du jour où expire le délai de quatre ans.
Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 n'a pas été délivré avant la date d'entrée en vigueur du Code, la demande est renvoyée dans les plus brefs délais au demandeur en mentionnant qu'elle peut être déposée selon la nouvelle procédure auprès de l'autorité compétente, laquelle est clairement identifiée.
Dans le cas visé à l'article D.IV.15, alinéa 1er, 1°, lorsque la commune ne s'est pas dotée du guide communal d'urbanisme requis, le collège communal statue sans avis préalable obligatoire du fonctionnaire délégué pour les demandes de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 dont le récépissé ou l'envoi visés à l'article D.IV.32 est antérieur au lendemain du jour où expire le délai de quatre ans.
Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 n'a pas été délivré avant la date d'entrée en vigueur du Code, la demande est renvoyée dans les plus brefs délais au demandeur en mentionnant qu'elle peut être déposée selon la nouvelle procédure auprès de l'autorité compétente, laquelle est clairement identifiée.
Art. D _IV.110.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De aanvragen van bouwvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen, verkavelingsvergunningen, bebouwingsvergunningen, ontsluitingsvergunningen of opsplitsingsvergunningen, met inbegrip van de aanvragen die behoren tot één van de categorieën bedoeld in artikel D.IV.25, waarvan de indiening, bevestigd met een indieningsbewijs of waarvan de ontvangst van de zending, bevestigd met een post- of ander ontvangstsbewijs dateert van voor één van de wijzigingen van de in het Duitse taalgebied toepasselijke wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, worden verder behandeld op basis van de bepalingen die van toepassing waren op de datum van het indieningsbewijs of ontvangstbewijs.]1
[2 ...]2.
Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet is verstrekt, wordt de aanvraag zo spoedig mogelijk opnieuw gezonden aan de aanvrager, waarbij wordt vermeld dat ze volgens de nieuwe procedure bij de bevoegde overheid ingediend kan worden, die duidelijk geïdentificeerd is.
[1 De aanvragen van bouwvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen, verkavelingsvergunningen, bebouwingsvergunningen, ontsluitingsvergunningen of opsplitsingsvergunningen, met inbegrip van de aanvragen die behoren tot één van de categorieën bedoeld in artikel D.IV.25, waarvan de indiening, bevestigd met een indieningsbewijs of waarvan de ontvangst van de zending, bevestigd met een post- of ander ontvangstsbewijs dateert van voor één van de wijzigingen van de in het Duitse taalgebied toepasselijke wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, worden verder behandeld op basis van de bepalingen die van toepassing waren op de datum van het indieningsbewijs of ontvangstbewijs.]1
[2 ...]2.
Wanneer het stedenbouwkundig attest nr. 2 voor de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet is verstrekt, wordt de aanvraag zo spoedig mogelijk opnieuw gezonden aan de aanvrager, waarbij wordt vermeld dat ze volgens de nieuwe procedure bij de bevoegde overheid ingediend kan worden, die duidelijk geïdentificeerd is.
Art. D _IV.110.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Les demandes de permis de bâtir, de permis d'urbanisme, de permis de lotir, de permis d'urbanisation, de permis d'urbaniser ou de permis de diviser, en ce compris celles qui entrent dans l'une des catégories visées à l'article D.IV.25, dont le dépôt, attesté par un avis de dépôt ou dont la réception de l'envoi, attestée par un accusé de réception postal ou assimilé, est antérieur à l'une des modifications de la législation sur l'aménagement du territoire et l'urbanisme applicable en région de langue allemande, poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date de l'avis de dépôt ou de l'accusé de réception.]1
[2 ...]2.
Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 n'a pas été délivré avant la date d'entrée en vigueur du Code, la demande est renvoyée dans les plus brefs délais au demandeur en mentionnant qu'elle peut être déposée selon la nouvelle procédure auprès de l'autorité compétente, laquelle est clairement identifiée.
[1 Les demandes de permis de bâtir, de permis d'urbanisme, de permis de lotir, de permis d'urbanisation, de permis d'urbaniser ou de permis de diviser, en ce compris celles qui entrent dans l'une des catégories visées à l'article D.IV.25, dont le dépôt, attesté par un avis de dépôt ou dont la réception de l'envoi, attestée par un accusé de réception postal ou assimilé, est antérieur à l'une des modifications de la législation sur l'aménagement du territoire et l'urbanisme applicable en région de langue allemande, poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date de l'avis de dépôt ou de l'accusé de réception.]1
[2 ...]2.
Lorsque le certificat d'urbanisme n° 2 n'a pas été délivré avant la date d'entrée en vigueur du Code, la demande est renvoyée dans les plus brefs délais au demandeur en mentionnant qu'elle peut être déposée selon la nouvelle procédure auprès de l'autorité compétente, laquelle est clairement identifiée.
Art. D. IV.111. Na vijf jaar te rekenen van de ontvangst van het beroep door de Regering en bij gebrek aan herinnering vraagt de Regering of de door haar daartoe gemachtigde persoon per zending aan de verzoeker of hij de lopende procedure wenst voort te zetten. Bij gebrek aan antwoord gestuurd binnen een termijn van negentig dagen na de zending wordt de verzoeker geacht afstand te doen van het in artikel 119 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium bedoelde beroep. De Regering stelt de uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand vast en licht tegelijk de aanvrager van de vergunning, het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar daarover in.
Art. D. IV.111. Après cinq ans à dater de la réception du recours par le Gouvernement et en l'absence de rappel, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin demande, par envoi, au requérant s'il souhaite poursuivre la procédure en cours. A défaut de réponse envoyée dans un délai de nonante jours à dater de l'envoi, le requérant est présumé se désister du recours visé à l'article 119 du CWATUP. Le Gouvernement constate le désistement exprès ou tacite et en prévient simultanément le demandeur de permis, le collège communal et le fonctionnaire délégué.
Art. D _IV.111.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Na vijf jaar te rekenen van de ontvangst van het beroep door de Regering en bij gebrek aan herinnering vraagt de Regering of de door haar daartoe gemachtigde persoon per zending aan de verzoeker of hij de lopende procedure wenst voort te zetten. Bij gebrek aan antwoord gestuurd binnen een termijn van negentig dagen na de zending wordt de verzoeker geacht afstand te doen van het in artikel 119 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium bedoelde beroep. De Regering stelt de uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand vast en licht tegelijk de aanvrager van de vergunning [1 en het gemeentecollege]1 daarover in.
Na vijf jaar te rekenen van de ontvangst van het beroep door de Regering en bij gebrek aan herinnering vraagt de Regering of de door haar daartoe gemachtigde persoon per zending aan de verzoeker of hij de lopende procedure wenst voort te zetten. Bij gebrek aan antwoord gestuurd binnen een termijn van negentig dagen na de zending wordt de verzoeker geacht afstand te doen van het in artikel 119 van het Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium bedoelde beroep. De Regering stelt de uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand vast en licht tegelijk de aanvrager van de vergunning [1 en het gemeentecollege]1 daarover in.
Art. D _IV.111.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Après cinq ans à dater de la réception du recours par le Gouvernement et en l'absence de rappel, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin demande, par envoi, au requérant s'il souhaite poursuivre la procédure en cours. A défaut de réponse envoyée dans un délai de nonante jours à dater de l'envoi, le requérant est présumé se désister du recours visé à l'article 119 du CWATUP. Le Gouvernement constate le désistement exprès ou tacite et en prévient simultanément le demandeur de permis [1 et le collège communal]1.
Après cinq ans à dater de la réception du recours par le Gouvernement et en l'absence de rappel, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin demande, par envoi, au requérant s'il souhaite poursuivre la procédure en cours. A défaut de réponse envoyée dans un délai de nonante jours à dater de l'envoi, le requérant est présumé se désister du recours visé à l'article 119 du CWATUP. Le Gouvernement constate le désistement exprès ou tacite et en prévient simultanément le demandeur de permis [1 et le collège communal]1.
Wijzigingen
Art. D. IV.112. De voor de inwerkingtreding van het Wetboek vigerende bepalingen zijn van toepassing op de voorafgaande stedenbouwkundige aanmeldingen, verzonden of ingediend voor de inwerkingtreding van het Wetboek.
Art. D. IV.112. Les dispositions en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du Code pour les déclarations urbanistiques préalables envoyées ou déposées avant l'entrée en vigueur du Code leur sont applicables.
Art. D. IV.113. De aanvragen tot opening, wijziging of opheffing van een gemeenteweg waarvan het openbaar onderzoek lopend of afgesloten is op datum van inwerkingtreding van het Wetboek worden verder behandeld op grond van de bepalingen die van kracht waren op de datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag.
Art. D. IV.113. Les demandes d'ouverture, de modification ou de suppression d'une voirie communale dont l'enquête publique est en cours ou clôturée à la date d'entrée en vigueur du Code poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date de l'accusé de réception de la demande.
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
CHAPITRE II. - Effets juridiques
Afdeling 1. - Bebouwingsvergunningen
Section 1re. - Permis d'urbanisation
Onderafdeling 1. - Rechtsgeldigheid
Sous-section 1re. - Valeur juridique
Art. D. IV.114. De verkavelingsvergunningen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek worden bebouwingsvergunningen en krijgen informatiewaarde.
De bebouwingsvergunningen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, met inbegrip van de vergunningen die de waarde van stedenbouwkundig en leefmilieuverslag hebben gekregen, krijgen informatiewaarde.
De bebouwingsvergunningen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, met inbegrip van de vergunningen die de waarde van stedenbouwkundig en leefmilieuverslag hebben gekregen, krijgen informatiewaarde.
Art. D. IV.114. Les permis de lotir en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code deviennent des permis d'urbanisation et acquièrent valeur indicative.
Les permis d'urbanisation en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, en ce compris ceux qui ont acquis valeur de rapport urbanistique et environnemental, acquièrent valeur indicative.
Les permis d'urbanisation en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code, en ce compris ceux qui ont acquis valeur de rapport urbanistique et environnemental, acquièrent valeur indicative.
Onderafdeling 2. - Verval
Sous-section 2. - Péremption
Art. D. IV.115. De verkavelingsvergunningen en de bebouwingsvergunningen die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vervallen volgens de artikelen D.IV.81 tot D.IV.83 en D.IV.85 tot D.IV.87.
Art. D. IV.115. Les permis de lotir et les permis d'urbanisation en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code se périment selon les articles D.IV.81 à D.IV.83 et D.IV.85 à D.IV.87.
Art. D. IV.116. § 1. De verkavelingen die op 22 april 1962 in uitvoering waren, mogen zonder vergunning worden voortgezet indien de verkavelaars van een voorafgaand akkoord van het bestuur van de stedenbouw doen blijken.
Het akkoord vervalt evenwel, behoudens overmacht, indien op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat die in bedoeld akkoord zijn voorzien in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen.
Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet voltooid zijn voor 31 december 1972.
Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moesten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens indien de verkoop van minstens een derde van de percelen niet voor 1 oktober 1970 is geregistreerd.
§ 2. Komen te vervallen, behoudens overmacht :
1° de voor 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen omvatten, indien op 1 oktober 1970 geen aanvang is gemaakt met enig in de vergunning voorgeschreven werk tot uitvoering van die wegen;
2° de met ingang van 1 januari 1965 verstrekte vergunningen waarvan de voorgeschreven uitvoeringswerken niet voltooid zijn binnen drie jaar te rekenen van 1 oktober 1970. Deze termijn wordt eventueel verlengd tot de vijfde verjaardag van de afgifte der vergunning.
§ 3. Komen eveneens te vervallen :
1° de voor 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop van minstens één van de percelen niet voor 1 oktober 1970 aan de registratieformaliteit is onderworpen;
2° de met ingang van 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, van minstens een derde van de percelen niet binnen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum der vergunning, aan de registratieformaliteit is onderworpen.
Het akkoord vervalt evenwel, behoudens overmacht, indien op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat die in bedoeld akkoord zijn voorzien in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen.
Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet voltooid zijn voor 31 december 1972.
Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moesten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens indien de verkoop van minstens een derde van de percelen niet voor 1 oktober 1970 is geregistreerd.
§ 2. Komen te vervallen, behoudens overmacht :
1° de voor 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen omvatten, indien op 1 oktober 1970 geen aanvang is gemaakt met enig in de vergunning voorgeschreven werk tot uitvoering van die wegen;
2° de met ingang van 1 januari 1965 verstrekte vergunningen waarvan de voorgeschreven uitvoeringswerken niet voltooid zijn binnen drie jaar te rekenen van 1 oktober 1970. Deze termijn wordt eventueel verlengd tot de vijfde verjaardag van de afgifte der vergunning.
§ 3. Komen eveneens te vervallen :
1° de voor 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop van minstens één van de percelen niet voor 1 oktober 1970 aan de registratieformaliteit is onderworpen;
2° de met ingang van 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, van minstens een derde van de percelen niet binnen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum der vergunning, aan de registratieformaliteit is onderworpen.
Art. D. IV.116. § 1er. Les lotissements en cours à la date du 22 avril 1962 peuvent être continués sans permis lorsque les lotisseurs justifient d'un accord antérieur de l'administration de l'urbanisme.
Sauf cas de force majeure, l'accord est toutefois périmé lorsque, à la date du 1er octobre 1970, il n'a été entrepris aucun des travaux qui y sont prévus en vue de l'ouverture de voies de communication nouvelles, de la modification ou de la suppression de voies de communication existantes, projetées et admises dans l'accord.
Si des travaux ont été entrepris, le permis est périmé lorsqu'ils n'ont pas été achevés avant le 31 décembre 1972.
Si les lotissements devaient être réalisés le long d'une voirie existante suffisamment équipée, l'accord est de même périmé lorsque la vente d'au moins un tiers des parcelles n'a pas été enregistrée avant le 1er octobre 1970.
§ 2. Sont périmés, sauf cas de force majeure :
1° les permis de lotir délivrés avant le 1er janvier 1965 et prévoyant l'ouverture de nouvelles voies de communication, la modification de voies de communication existantes ou la suppression de celles-ci, lorsqu'aucun travail d'aménagement de ces voies prévu par le permis n'a été entrepris à la date du 1er octobre 1970;
2° les permis délivrés à partir du 1er janvier 1965 et pour lesquels les travaux d'aménagement prévus n'ont pas été achevés dans un délai de trois ans à partir du 1er octobre 1970 ou, en cas de prorogation, avant le cinquième anniversaire de la délivrance du permis.
§ 3. Sont de même périmés :
1° les permis de lotir délivrés avant le 1er janvier 1966, qui concernent les lotissements à réaliser le long d'une voirie existante suffisamment équipée, lorsque la vente d'au moins une des parcelles n'a pas été soumise à la formalité de l'enregistrement avant le 1er octobre 1970;
2° les permis de lotir délivrés à partir du 1er janvier 1966, qui concernent les lotissements à réaliser le long d'une voirie suffisamment équipée, lorsque la vente ou la location pour plus de neuf ans d'au moins un tiers des parcelles n'a pas été soumise à la formalité de l'enregistrement dans un délai de cinq ans à partir de la date du permis.
Sauf cas de force majeure, l'accord est toutefois périmé lorsque, à la date du 1er octobre 1970, il n'a été entrepris aucun des travaux qui y sont prévus en vue de l'ouverture de voies de communication nouvelles, de la modification ou de la suppression de voies de communication existantes, projetées et admises dans l'accord.
Si des travaux ont été entrepris, le permis est périmé lorsqu'ils n'ont pas été achevés avant le 31 décembre 1972.
Si les lotissements devaient être réalisés le long d'une voirie existante suffisamment équipée, l'accord est de même périmé lorsque la vente d'au moins un tiers des parcelles n'a pas été enregistrée avant le 1er octobre 1970.
§ 2. Sont périmés, sauf cas de force majeure :
1° les permis de lotir délivrés avant le 1er janvier 1965 et prévoyant l'ouverture de nouvelles voies de communication, la modification de voies de communication existantes ou la suppression de celles-ci, lorsqu'aucun travail d'aménagement de ces voies prévu par le permis n'a été entrepris à la date du 1er octobre 1970;
2° les permis délivrés à partir du 1er janvier 1965 et pour lesquels les travaux d'aménagement prévus n'ont pas été achevés dans un délai de trois ans à partir du 1er octobre 1970 ou, en cas de prorogation, avant le cinquième anniversaire de la délivrance du permis.
§ 3. Sont de même périmés :
1° les permis de lotir délivrés avant le 1er janvier 1966, qui concernent les lotissements à réaliser le long d'une voirie existante suffisamment équipée, lorsque la vente d'au moins une des parcelles n'a pas été soumise à la formalité de l'enregistrement avant le 1er octobre 1970;
2° les permis de lotir délivrés à partir du 1er janvier 1966, qui concernent les lotissements à réaliser le long d'une voirie suffisamment équipée, lorsque la vente ou la location pour plus de neuf ans d'au moins un tiers des parcelles n'a pas été soumise à la formalité de l'enregistrement dans un délai de cinq ans à partir de la date du permis.
Onderafdeling 3. - Wijziging
Sous-section 3. - Modification
Art. D. IV.117.De verkavelingsvergunningen die bebouwingsvergunningen geworden zijn en de bebouwingsvergunningen worden gewijzigd volgens de modaliteiten van de artikelen D.IV.94 tot D.IV.96.
Art. D. IV.117. Les permis de lotir devenus permis d'urbanisation et les permis d'urbanisation se modifient selon les modalités des articles D.IV.94 à D.IV.96.
Art. D _IV.117.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.De verkavelingsvergunningen die [1 bebouwingsvergunningen of ontsluitingsvergunningen]1 geworden zijn en de [1 bebouwingsvergunningen of ontsluitingsvergunningen]1 worden gewijzigd volgens de modaliteiten van de artikelen D.IV.94 tot D.IV.96.
Art. D _IV.117.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. Les permis de lotir devenus [1 permis d'urbanisation ou d'urbaniser]1 et les [1 permis d'urbanisation ou d'urbaniser]1 se modifient selon les modalités des articles D.IV.94 à D.IV.96.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Het vervallen van de stedenbouwkundige vergunningen
Section 2. - Permis d'urbanisme - péremption
Art. D. IV.118. De stedenbouwkundige vergunningen die op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet verstreken zijn, vervallen volgens de artikelen D.IV.84 à D.IV.87. De stedenbouwkundige vergunningen die op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek niet vervallen zijn en die behoren tot één van de categorieën bedoeld in artikel D.IV.25 van het Wetboek vervallen overeenkomstig artikel D.IV.84, § 5.
Art. D. IV.118. Les permis d'urbanisme non périmés à la date d'entrée en vigueur du Code se périment selon les articles D.IV.84 à D.IV.87. Les permis d'urbanisme non périmés à la date d'entrée en vigueur du Code qui entrent dans une des catégories visées à l'article D.IV.25 du Code, se périment conformément à l'article D.IV.84, § 5.
BOEK V. - Operationele ruimtelijke ordening en stedenbouw
LIVRE V. - Aménagement du territoire et urbanisme opérationnels
BOEK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
LIVRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
TITEL I. - Te herontwikkelen locaties
TITRE Ier. - Sites à réaménager
TITEL I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.1.Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "locatie" : een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen dat bestemd was voor een andere activiteit dan huisvesting en waarvan het behoud in zijn huidige toestand strijdig is met de goede inrichting van de plaats of een destructurering van het stadsweefsel uitmaakt; de activiteit van elke natuurlijke of rechtspersoon die niet voldoet aan de wettelijke bepalingen die de uitoefening van zijn activiteit regelen wordt geacht niet uitgeoefend te zijn; de locatie wordt afgebakend door een omtrek die het geheel van bovenbedoelde onroerende goederen omvat; de omtrek kan ook het volgende bevatten :
a) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die nog bestemd zijn voor een activiteit, op voorwaarde dat de herinrichting van de bedrijfsruimte de voortzetting ervan toelaat;
b) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan gebruikt als zetel van een activiteit maar waarvan de bestemming herroepbaar is;
c) één of meerdere onroerende goederen of gedeelten ervan die gebruikt worden of bestemd zijn voor huisvesting;
2° "herinrichting van een locatie" : de uitvoering van herontwikkelings - of renovatiehandelingen, bodemsanering [2 in de zin van artikel 2, 11°, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]2, bouw- of herbouwwerken en -handelingen met inbegrip van de desbetreffende onderzoeken; de Regering kan de lijst van de handelingen en werken vaststellen.
[1 Een locatie gelegen in een recreatiegebied op het gewestplan en bedoeld bij de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning kan worden beschouwd als locatie in de zin van dit artikel.]1
De te herontwikkelen locaties worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
1° "locatie" : een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen dat bestemd was voor een andere activiteit dan huisvesting en waarvan het behoud in zijn huidige toestand strijdig is met de goede inrichting van de plaats of een destructurering van het stadsweefsel uitmaakt; de activiteit van elke natuurlijke of rechtspersoon die niet voldoet aan de wettelijke bepalingen die de uitoefening van zijn activiteit regelen wordt geacht niet uitgeoefend te zijn; de locatie wordt afgebakend door een omtrek die het geheel van bovenbedoelde onroerende goederen omvat; de omtrek kan ook het volgende bevatten :
a) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan die nog bestemd zijn voor een activiteit, op voorwaarde dat de herinrichting van de bedrijfsruimte de voortzetting ervan toelaat;
b) één of meerdere onroerende goederen of delen ervan gebruikt als zetel van een activiteit maar waarvan de bestemming herroepbaar is;
c) één of meerdere onroerende goederen of gedeelten ervan die gebruikt worden of bestemd zijn voor huisvesting;
2° "herinrichting van een locatie" : de uitvoering van herontwikkelings - of renovatiehandelingen, bodemsanering [2 in de zin van artikel 2, 11°, van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering]2, bouw- of herbouwwerken en -handelingen met inbegrip van de desbetreffende onderzoeken; de Regering kan de lijst van de handelingen en werken vaststellen.
[1 Een locatie gelegen in een recreatiegebied op het gewestplan en bedoeld bij de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning kan worden beschouwd als locatie in de zin van dit artikel.]1
De te herontwikkelen locaties worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
Art. D. V.1.Pour l'application du chapitre, il faut entendre par :
1° "site" : un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers qui a été ou qui était destiné à accueillir une activité autre que le logement et dont le maintien dans son état actuel est contraire au bon aménagement des lieux ou constitue une déstructuration du tissu urbanisé; n'est pas considérée comme étant exercée l'activité de toute personne physique ou de toute personne morale qui n'est pas en règle avec les dispositions légales qui régissent l'exercice de son activité; le site est délimité par le périmètre comprenant l'ensemble des biens immobiliers visés ci-dessus; le périmètre peut également s'étendre :
a) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers encore affectés à une activité, à la condition que le réaménagement du site permette la poursuite de cette activité;
b) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers, sièges d'une activité mais occupés à titre précaire;
c) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers affectés ou destinés au logement;
2° "réaménager un site" : y réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement du terrain [2 au sens de l'article 2, 11°, du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]2, de construction ou de reconstruction en ce compris les études y relatives; le Gouvernement peut arrêter la liste des actes et travaux.
[1 Un site situé en zone de loisirs au plan de secteur et visé par la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent peut être considéré comme site au sens du présent article.]1
Les sites à réaménager sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
1° "site" : un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers qui a été ou qui était destiné à accueillir une activité autre que le logement et dont le maintien dans son état actuel est contraire au bon aménagement des lieux ou constitue une déstructuration du tissu urbanisé; n'est pas considérée comme étant exercée l'activité de toute personne physique ou de toute personne morale qui n'est pas en règle avec les dispositions légales qui régissent l'exercice de son activité; le site est délimité par le périmètre comprenant l'ensemble des biens immobiliers visés ci-dessus; le périmètre peut également s'étendre :
a) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers encore affectés à une activité, à la condition que le réaménagement du site permette la poursuite de cette activité;
b) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers, sièges d'une activité mais occupés à titre précaire;
c) à un ou des biens immobiliers ou parties de biens immobiliers affectés ou destinés au logement;
2° "réaménager un site" : y réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement du terrain [2 au sens de l'article 2, 11°, du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols]2, de construction ou de reconstruction en ce compris les études y relatives; le Gouvernement peut arrêter la liste des actes et travaux.
[1 Un site situé en zone de loisirs au plan de secteur et visé par la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent peut être considéré comme site au sens du présent article.]1
Les sites à réaménager sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
Art. D _V.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van de omtrek
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.2.§ 1. De Regering kan besluiten tot de herinrichting van een locatie waarvan zij de omtrek vastlegt :
1° hetzij op eigen initiatief;
2° hetzij op verzoek van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de "Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels" (SORASI SA), de "Société d'assainissement et de rénovation des sites industriels du Brabant wallon" (SARSI sa), de "Société wallonne du Logement" (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en de door haar erkende [2 openbare huisvestingsmaatschappijen]2, de "Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement" (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen [2 (SPAQuE SA)]2;
3° hetzij op het verzoek van één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht.
Desgevallend motiveert de Regering ten opzichte [1 van artikel D.65]1 van Boek I van het Milieuwetboek zijn beslissing om al dan niet de handelingen en werken aan een milieueffectenonderzoek te onderwerpen die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de bedrijfsruimte.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
§ 2. [2 Het regeringsbesluit berust op een dossier bestaande uit: 1° de verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.V.1;
2° een kaart met de omtrek volgens het model vastgelegd door de Regering
3° een milieueffectenrapport of een beslissing van de bevoegde overheid om de omtrek vrij te stellen van de milieueffectbeoordeling overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van boek VIII;
4° desgevallend, de handelingen en werken gepland voor de sanering en renovatie van de bedrijfsruimte in de zin van artikel D.V.1, 2°, alsook de evaluatie van de desbetreffende effecten vereist overeenkomstig artikel 65 van Boek I van het Milieuwetboek]2.
§ 3. De Regering verstuurt het besluit bedoeld in paragraaf 1 en legt het ter advies voor :
1° aan het gemeentecollege van de gemeente(n) van de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
2° op grond van de kadastrale gegevens, aan de betrokken eigenaars van de onroerende goederen;
3° aan de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
4° aan elke persoon, instantie of dienst waarvan zij het advies nuttig acht;
[2 5° aan de beleidsgroep "Leefmilieu" als het dossier een milieueffectenrapport bevat.]2
De adviezen worden binnen de [2 dertig]2 dagen na ontvangst van het besluit aan de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 4. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering is (zijn) de eigenaar(s) verplicht het mee te delen aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of bezetter van bedoeld onroerend goed, alsook aan elke persoon die hij (zij) met de uitvoering van werkzaamheden op bedoeld goed belast of daartoe gemachtigd zou(den) hebben. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 5. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering onderwerpt het gemeentecollege het besluit aan een openbaar onderzoek.
§ 6. Desgevallend wordt het dossier gewijzigd of aangevuld op basis van de adviezen bedoeld in de paragrafen 3, en de resultaten van het openbaar onderzoek.
§ 7. De Regering neemt de omtrek van de te herontwikkelen locatie definitief aan en, desgevallend, mits motivering ten opzichte [1 van de artikelen D.65 en D.75]1 van Boek I van het Milieuwetboek machtigt, eventueel voorwaardelijk, de handelingen en werken die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit bedoeld in het eerste lid geldt als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werken voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 3.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit, geeft (geven) de eigenaar(s) daar kennis van aan de personen bedoeld in paragraaf 4. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 8. De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan door de Regering worden aangenomen gezamenlijk met de opneming van een gebied van gewestelijk belang, een gebied van gemeentelijk belang of een voor bebouwing bestemd gebied waarvoor geen compensatie vereist is overeenkomstig de artikelen D.II.51 en D.II.52.
§ 9. De omtrek bedoeld in paragraaf 7 kan door de Regering gewijzigd worden. De bepalingen die de vastlegging van de omtrek regelen zijn toepasselijk op de herziening ervan.
§ 10. Na herinrichting van de locatie of wanneer de redenen die zijn erkenning als te herontwikkelen locatie hebben gerechtvaardigd, zijn voorbijgestreefd, kan de Regering geheel of gedeeltelijk de omtrek bedoeld in paragraaf 7 opheffen.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 3.
§ 11. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
1° hetzij op eigen initiatief;
2° hetzij op verzoek van een gemeente, een intercommunale met ruimtelijke ordening of huisvesting als maatschappelijk doel, een vereniging van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een gemeentebedrijf, de "Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels" (SORASI SA), de "Société d'assainissement et de rénovation des sites industriels du Brabant wallon" (SARSI sa), de "Société wallonne du Logement" (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en de door haar erkende [2 openbare huisvestingsmaatschappijen]2, de "Société publique d'Aide à la Qualité de l'Environnement" (Openbare maatschappij voor hulpverlening inzake de verbetering van het leefmilieu) bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen [2 (SPAQuE SA)]2;
3° hetzij op het verzoek van één of meer eigenaars of houders van een zakelijk recht.
Desgevallend motiveert de Regering ten opzichte [1 van artikel D.65]1 van Boek I van het Milieuwetboek zijn beslissing om al dan niet de handelingen en werken aan een milieueffectenonderzoek te onderwerpen die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de bedrijfsruimte.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
§ 2. [2 Het regeringsbesluit berust op een dossier bestaande uit: 1° de verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.V.1;
2° een kaart met de omtrek volgens het model vastgelegd door de Regering
3° een milieueffectenrapport of een beslissing van de bevoegde overheid om de omtrek vrij te stellen van de milieueffectbeoordeling overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van boek VIII;
4° desgevallend, de handelingen en werken gepland voor de sanering en renovatie van de bedrijfsruimte in de zin van artikel D.V.1, 2°, alsook de evaluatie van de desbetreffende effecten vereist overeenkomstig artikel 65 van Boek I van het Milieuwetboek]2.
§ 3. De Regering verstuurt het besluit bedoeld in paragraaf 1 en legt het ter advies voor :
1° aan het gemeentecollege van de gemeente(n) van de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
2° op grond van de kadastrale gegevens, aan de betrokken eigenaars van de onroerende goederen;
3° aan de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, aan de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
4° aan elke persoon, instantie of dienst waarvan zij het advies nuttig acht;
[2 5° aan de beleidsgroep "Leefmilieu" als het dossier een milieueffectenrapport bevat.]2
De adviezen worden binnen de [2 dertig]2 dagen na ontvangst van het besluit aan de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.
§ 4. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering is (zijn) de eigenaar(s) verplicht het mee te delen aan elke houder van een zakelijk recht, aan elke huurder of bezetter van bedoeld onroerend goed, alsook aan elke persoon die hij (zij) met de uitvoering van werkzaamheden op bedoeld goed belast of daartoe gemachtigd zou(den) hebben. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 5. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het besluit van de Regering onderwerpt het gemeentecollege het besluit aan een openbaar onderzoek.
§ 6. Desgevallend wordt het dossier gewijzigd of aangevuld op basis van de adviezen bedoeld in de paragrafen 3, en de resultaten van het openbaar onderzoek.
§ 7. De Regering neemt de omtrek van de te herontwikkelen locatie definitief aan en, desgevallend, mits motivering ten opzichte [1 van de artikelen D.65 en D.75]1 van Boek I van het Milieuwetboek machtigt, eventueel voorwaardelijk, de handelingen en werken die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit bedoeld in het eerste lid geldt als stedenbouwkundige vergunning voor de uitvoering van de handelingen en werken voor de sanering en renovatie van de locatie.
Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 3.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit, geeft (geven) de eigenaar(s) daar kennis van aan de personen bedoeld in paragraaf 4. De verzending aan de eigenaars vermeldt deze verplichting.
§ 8. De omtrek van de te herontwikkelen locatie kan door de Regering worden aangenomen gezamenlijk met de opneming van een gebied van gewestelijk belang, een gebied van gemeentelijk belang of een voor bebouwing bestemd gebied waarvoor geen compensatie vereist is overeenkomstig de artikelen D.II.51 en D.II.52.
§ 9. De omtrek bedoeld in paragraaf 7 kan door de Regering gewijzigd worden. De bepalingen die de vastlegging van de omtrek regelen zijn toepasselijk op de herziening ervan.
§ 10. Na herinrichting van de locatie of wanneer de redenen die zijn erkenning als te herontwikkelen locatie hebben gerechtvaardigd, zijn voorbijgestreefd, kan de Regering geheel of gedeeltelijk de omtrek bedoeld in paragraaf 7 opheffen.
Het besluit wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
De Regering richt een afschrift van het besluit aan de bestemmelingen bedoeld in paragraaf 3.
§ 11. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
Art. D. V.2.§ 1er. Le Gouvernement peut arrêter qu'un site, dont il fixe le périmètre, est à réaménager :
1° soit d'initiative;
2° soit sur la proposition d'une commune, d'une intercommunale ayant dans son objet social l'aménagement du territoire ou le logement, d'une association de communes, d'un centre public d'action sociale, d'une régie communale, de la Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels (SORASI SA), de la Société d'assainissement et de rénovation des sites industriels du Brabant wallon (SARSI SA), de la Société wallonne du Logement et [2 des sociétés de logement de service public]2 qu'elle agrée, de la Société publique d'aide à la qualité de l'environnement visée à l'article 39 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets [2 (SPAQuE SA)]2;
3° soit sur la proposition d'un ou plusieurs propriétaires ou titulaires d'un droit réel.
Le cas échéant, le Gouvernement motive au regard [1 de l'article D.65]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement sa décision de soumettre ou non à étude d'incidences les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
§ 2. [2 L'arrêté du Gouvernement est fondé sur un dossier comportant : 1° la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.V.1;
2° une carte représentant le périmètre selon le modèle arrêté par le Gouvernement;
3° un rapport sur les incidences environnementales ou une décision de l'autorité compétente d'exempter le périmètre de l'évaluation des incidences sur l'environnement conforme au chapitre II du Titre II du Livre VIII;
4° le cas échéant, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site au sens de l'article D.V.1, 2°, ainsi que l'évaluation des incidences y relative requise en application de l'article 65 du Livre Ier du Code de l'Environnement]2.
§ 3. Le Gouvernement envoie l'arrêté visé au paragraphe 1er et le soumet pour avis :
1° au collège communal de la ou des communes du lieu où le bien immobilier est situé;
2° d'après les indications cadastrales, aux propriétaires des biens immobiliers concernés;
3° à la commission communale ou, à défaut, au pôle "Aménagement du territoire";
4° à toute personne, instance ou service qu'il juge utile de consulter;
[2 5° au pôle " Environnement " lorsque le dossier comporte un rapport sur les incidences environnementales.]2
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les [2 trente]2 jours de la réception de l'arrêté. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 4. Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le ou les propriétaires ont l'obligation d'en informer tout titulaire d'un droit réel, tout locataire ou tout occupant du bien immobilier concerné ainsi que toute personne qu'ils auraient chargée d'exécuter des travaux sur le bien visé ou qu'ils auraient autorisée à en exécuter. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 5. Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le collège communal le soumet à enquête publique.
§ 6. Le cas échéant, le dossier est modifié ou complété sur la base des avis visés aux paragraphes 3, et des résultats de l'enquête publique.
§ 7. Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre du site à réaménager, et le cas échéant, moyennant motivation au regard [1 des articles D.65 et D.75]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement autorise, éventuellement sous conditions, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté visé à l'alinéa 1er vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux de réhabilitation et de rénovation du site.
L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
Le Gouvernement envoie une copie de l'arrêté aux destinataires visés au paragraphe 3.
Dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, le ou les propriétaires en donnent connaissance aux personnes visées au paragraphe 4. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 8. Le périmètre du site à réaménager peut être adopté par le Gouvernement conjointement à l'inscription d'une zone d'enjeu régional, d'une zone d'enjeu communal ou d'une zone destinée à l'urbanisation ne nécessitant pas de compensation conformément aux articles D.II.51 et D.II.52.
§ 9. Le Gouvernement peut modifier le périmètre visé au paragraphe 7. Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à sa révision.
§ 10. Au terme du réaménagement du site ou lorsque les motifs qui ont justifié sa reconnaissance en site à réaménager sont dépassés, le Gouvernement peut abroger en tout ou en partie le périmètre visé au paragraphe 7.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
Le Gouvernement envoie une copie de l'arrêté aux destinataires visés au paragraphe 3.
§ 11. Le Gouvernement peut arrêter des dispositions d'exécution du présent article.
1° soit d'initiative;
2° soit sur la proposition d'une commune, d'une intercommunale ayant dans son objet social l'aménagement du territoire ou le logement, d'une association de communes, d'un centre public d'action sociale, d'une régie communale, de la Société de rénovation et d'assainissement des sites industriels (SORASI SA), de la Société d'assainissement et de rénovation des sites industriels du Brabant wallon (SARSI SA), de la Société wallonne du Logement et [2 des sociétés de logement de service public]2 qu'elle agrée, de la Société publique d'aide à la qualité de l'environnement visée à l'article 39 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets [2 (SPAQuE SA)]2;
3° soit sur la proposition d'un ou plusieurs propriétaires ou titulaires d'un droit réel.
Le cas échéant, le Gouvernement motive au regard [1 de l'article D.65]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement sa décision de soumettre ou non à étude d'incidences les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
§ 2. [2 L'arrêté du Gouvernement est fondé sur un dossier comportant : 1° la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.V.1;
2° une carte représentant le périmètre selon le modèle arrêté par le Gouvernement;
3° un rapport sur les incidences environnementales ou une décision de l'autorité compétente d'exempter le périmètre de l'évaluation des incidences sur l'environnement conforme au chapitre II du Titre II du Livre VIII;
4° le cas échéant, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site au sens de l'article D.V.1, 2°, ainsi que l'évaluation des incidences y relative requise en application de l'article 65 du Livre Ier du Code de l'Environnement]2.
§ 3. Le Gouvernement envoie l'arrêté visé au paragraphe 1er et le soumet pour avis :
1° au collège communal de la ou des communes du lieu où le bien immobilier est situé;
2° d'après les indications cadastrales, aux propriétaires des biens immobiliers concernés;
3° à la commission communale ou, à défaut, au pôle "Aménagement du territoire";
4° à toute personne, instance ou service qu'il juge utile de consulter;
[2 5° au pôle " Environnement " lorsque le dossier comporte un rapport sur les incidences environnementales.]2
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les [2 trente]2 jours de la réception de l'arrêté. A défaut, ils sont réputés favorables.
§ 4. Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le ou les propriétaires ont l'obligation d'en informer tout titulaire d'un droit réel, tout locataire ou tout occupant du bien immobilier concerné ainsi que toute personne qu'ils auraient chargée d'exécuter des travaux sur le bien visé ou qu'ils auraient autorisée à en exécuter. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 5. Dans les quinze jours de la réception de l'arrêté du Gouvernement, le collège communal le soumet à enquête publique.
§ 6. Le cas échéant, le dossier est modifié ou complété sur la base des avis visés aux paragraphes 3, et des résultats de l'enquête publique.
§ 7. Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre du site à réaménager, et le cas échéant, moyennant motivation au regard [1 des articles D.65 et D.75]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement autorise, éventuellement sous conditions, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site.
L'arrêté visé à l'alinéa 1er vaut permis d'urbanisme pour la réalisation des actes et travaux de réhabilitation et de rénovation du site.
L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
Le Gouvernement envoie une copie de l'arrêté aux destinataires visés au paragraphe 3.
Dans les quinze jours de la réception de la copie de l'arrêté, le ou les propriétaires en donnent connaissance aux personnes visées au paragraphe 4. L'envoi aux propriétaires fait mention de cette obligation.
§ 8. Le périmètre du site à réaménager peut être adopté par le Gouvernement conjointement à l'inscription d'une zone d'enjeu régional, d'une zone d'enjeu communal ou d'une zone destinée à l'urbanisation ne nécessitant pas de compensation conformément aux articles D.II.51 et D.II.52.
§ 9. Le Gouvernement peut modifier le périmètre visé au paragraphe 7. Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à sa révision.
§ 10. Au terme du réaménagement du site ou lorsque les motifs qui ont justifié sa reconnaissance en site à réaménager sont dépassés, le Gouvernement peut abroger en tout ou en partie le périmètre visé au paragraphe 7.
L'arrêté est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
Le Gouvernement envoie une copie de l'arrêté aux destinataires visés au paragraphe 3.
§ 11. Le Gouvernement peut arrêter des dispositions d'exécution du présent article.
Art. D. V.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. - Onderzoekingen
CHAPITRE III. - Investigations
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.3. De Regering kan procedureregels voorschrijven voor de de onderzoekingen strekkende tot de verzameling van gegevens die moeten dienen voor de toepassing van deze titel en de uitvoeringsbesluiten ervan. Zij wijst de beambten aan die bevoegd zijn om de onderzoekingen uit te voeren.
De beambten die aangewezen worden om deze onderzoekingen en controles uit te voeren, kunnen met name :
1° zich op hun eerste verzoek alle bescheiden, stukken of boeken, die nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak, laten overleggen of die opzoeken;
2° fotografische afschriften nemen of laten nemen van andere bescheiden die onder hun controle vallen en vaststellingen doen door middel van fotografische opnamen;
3° tussen 8 uur en 18 uur, met toestemming van de politierechter, de gebouwen en terreinen betreden die gelegen zijn binnen de te herontwikkelen locatie;
4° de locatie betreden om monsternemingen of bodemanalyses te verrichten of te laten verrichten ten einde de eventuele verontreiniging ervan te ontdekken of te meten.
De in dit artikel bedoelde beambten kunnen de leden van de openbare macht opvorderen, die gehouden zijn hun bijstand te verlenen bij de uitoefening van hun taak.
De beambten die aangewezen worden om deze onderzoekingen en controles uit te voeren, kunnen met name :
1° zich op hun eerste verzoek alle bescheiden, stukken of boeken, die nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak, laten overleggen of die opzoeken;
2° fotografische afschriften nemen of laten nemen van andere bescheiden die onder hun controle vallen en vaststellingen doen door middel van fotografische opnamen;
3° tussen 8 uur en 18 uur, met toestemming van de politierechter, de gebouwen en terreinen betreden die gelegen zijn binnen de te herontwikkelen locatie;
4° de locatie betreden om monsternemingen of bodemanalyses te verrichten of te laten verrichten ten einde de eventuele verontreiniging ervan te ontdekken of te meten.
De in dit artikel bedoelde beambten kunnen de leden van de openbare macht opvorderen, die gehouden zijn hun bijstand te verlenen bij de uitoefening van hun taak.
Art. D. V.3. Le Gouvernement peut prescrire les règles de procédure relatives aux investigations nécessaires en vue de recueillir les renseignements devant servir à l'application du présent titre et de ses arrêtés d'exécution. Il désigne les agents compétents pour faire les investigations.
Les agents désignés pour procéder aux investigations et contrôles peuvent notamment :
1° se faire produire à première réquisition ou rechercher tous documents, pièces ou livres utiles à l'accomplissement de leur mission;
2° prendre ou faire prendre les copies photographiques de documents soumis à leur contrôle et faire des constatations par prises de vues photographiques;
3° moyennant autorisation du juge de police, pénétrer entre 8 heures et 18 heures dans les immeubles situés dans le site à réaménager;
4° pénétrer sur le site en vue de procéder, ou de faire procéder, aux prélèvements ou analyses des sols en vue de déceler ou de mesurer leur éventuelle contamination.
Les agents visés au présent article peuvent requérir des agents de la force publique qui seront tenus de leur prêter assistance dans l'exercice de leur mission.
Les agents désignés pour procéder aux investigations et contrôles peuvent notamment :
1° se faire produire à première réquisition ou rechercher tous documents, pièces ou livres utiles à l'accomplissement de leur mission;
2° prendre ou faire prendre les copies photographiques de documents soumis à leur contrôle et faire des constatations par prises de vues photographiques;
3° moyennant autorisation du juge de police, pénétrer entre 8 heures et 18 heures dans les immeubles situés dans le site à réaménager;
4° pénétrer sur le site en vue de procéder, ou de faire procéder, aux prélèvements ou analyses des sols en vue de déceler ou de mesurer leur éventuelle contamination.
Les agents visés au présent article peuvent requérir des agents de la force publique qui seront tenus de leur prêter assistance dans l'exercice de leur mission.
Art. D _V.3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Vervreemding
CHAPITRE IV. - Aliénation
HOOFDSTUK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.4. § 1. Vanaf de ontvangst van het besluit van de Regering bedoeld in artikel D.V.2, § 1, tot aan de ontvangst van het besluit bedoeld in artikel D.V.2, § 10, mogen de eigenaars de in de te herontwikkelen locatie gelegen goederen niet zonder toestemming van de Regering of de persoon die zij daartoe aanwijst vervreemden of met zakelijke rechten bezwaren.
De Regering of de persoon die zij daartoe aanwijst stuurt haar beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek erom. Bij ontstentenis wordt de beslissing gunstig geacht.
Wanneer de Regering of de persoon die zij daartoe heeft aangewezen met de vervreemding of de vestiging van zakelijke rechten heeft ingestemd of wanneer haar instemming gunstig wordt geacht, heeft de nieuwe houder van zakelijke rechten dezelfde verplichtingen als de vorige.
§ 2. Bij niet-naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 1 van dit artikel, kan elke afstand of vestiging van een zakelijk recht op verzoek van het Gewest worden nietigverklaard.
§ 3. De openbare ambtenaar die een akte van afstand of vestiging van een zakelijk recht heeft verleden zonder dat vooraf de toestemming bepaald in paragraaf 1 is verkregen, verbeurt een geldboete van 12,5 tot 125 euro, onverminderd schadevergoeding.
De Regering of de persoon die zij daartoe aanwijst stuurt haar beslissing binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek erom. Bij ontstentenis wordt de beslissing gunstig geacht.
Wanneer de Regering of de persoon die zij daartoe heeft aangewezen met de vervreemding of de vestiging van zakelijke rechten heeft ingestemd of wanneer haar instemming gunstig wordt geacht, heeft de nieuwe houder van zakelijke rechten dezelfde verplichtingen als de vorige.
§ 2. Bij niet-naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 1 van dit artikel, kan elke afstand of vestiging van een zakelijk recht op verzoek van het Gewest worden nietigverklaard.
§ 3. De openbare ambtenaar die een akte van afstand of vestiging van een zakelijk recht heeft verleden zonder dat vooraf de toestemming bepaald in paragraaf 1 is verkregen, verbeurt een geldboete van 12,5 tot 125 euro, onverminderd schadevergoeding.
Art. D. V.4. § 1er. A dater de la réception de l'arrêté du Gouvernement visé à l'article D.V.2, § 1er, jusqu'à la réception de l'arrêté visé à l'article D.V.2, § 10, les propriétaires ne peuvent aliéner ou grever de droits réels les biens situés dans le site à réaménager, sans l'autorisation du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin.
Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin envoie sa décision dans les deux mois de réception de la demande qui lui en est faite. A défaut, la décision est réputée favorable.
Lorsque le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin a autorisé l'aliénation ou la constitution de droits réels, ou lorsque son autorisation est réputée favorable, le nouveau titulaire de droits réels est tenu aux mêmes obligations que l'ancien.
§ 2. En cas de méconnaissance des obligations découlant du paragraphe 1er, toute cession ou constitution de droit réel est annulable à la demande de la Région.
§ 3. L'officier public qui passe un acte de cession ou de constitution de droit réel sans qu'ait été obtenue au préalable l'autorisation prévue au paragraphe 1er est passible d'une amende de 12,5 à 125 euros sans préjudice de dommages et intérêts.
Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin envoie sa décision dans les deux mois de réception de la demande qui lui en est faite. A défaut, la décision est réputée favorable.
Lorsque le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin a autorisé l'aliénation ou la constitution de droits réels, ou lorsque son autorisation est réputée favorable, le nouveau titulaire de droits réels est tenu aux mêmes obligations que l'ancien.
§ 2. En cas de méconnaissance des obligations découlant du paragraphe 1er, toute cession ou constitution de droit réel est annulable à la demande de la Région.
§ 3. L'officier public qui passe un acte de cession ou de constitution de droit réel sans qu'ait été obtenue au préalable l'autorisation prévue au paragraphe 1er est passible d'une amende de 12,5 à 125 euros sans préjudice de dommages et intérêts.
Art. D. V.4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK V. - Instandhouding van de schoonheid van de landschappen
CHAPITRE V. - Conservation de la beauté des paysages
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.5. § 1. Op verzoek van het Gewest of van de personen bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, kan elke eigenaar of houder van een zakelijk onroerend recht op goeden die in de omtrek van een te herontwikkelen locatie gelegen zijn, ertoe gehouden worden het onderzoek en de werken te verrichten die het herstel van het uitzicht van die plaats inzake landschap en leefmilieu tot gevolg heeft.
Indien hij zich niet schikt naar de bepaling van het eerste lid, kan de eigenaar of houder van een onroerend zakelijk recht ertoe gedwongen worden door de bevoegde rechtbank.
Indien zij niet worden uitgevoerd binnen de termijn vastgelegd door de rechtbank, worden de werken bedoeld in het eerste lid van ambtswege uitgevoerd door toedoen van het Gewest of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, op kosten van de eigenaar of de houder van een onroerend zakelijk recht.
Indien de kosten niet op het eerste verzoek terug worden betaald, worden de goeden overeenkomstig de artikelen D.VI.1 en volgende door het Gewest onteigend of laat het Gewest ze onteigenen, in opdracht van de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, waarbij niet rekening kan worden gehouden met de meerwaarde voortvloeiend uit de reeds uitgevoerde werken.
§ 2. De sanerings- en renovatiewerken bevolen door de rechtbank overeenkomstig paragraaf 1, worden uitgevoerd zonder dat er een vergunning verkregen hoeft te worden.
Indien hij zich niet schikt naar de bepaling van het eerste lid, kan de eigenaar of houder van een onroerend zakelijk recht ertoe gedwongen worden door de bevoegde rechtbank.
Indien zij niet worden uitgevoerd binnen de termijn vastgelegd door de rechtbank, worden de werken bedoeld in het eerste lid van ambtswege uitgevoerd door toedoen van het Gewest of de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, op kosten van de eigenaar of de houder van een onroerend zakelijk recht.
Indien de kosten niet op het eerste verzoek terug worden betaald, worden de goeden overeenkomstig de artikelen D.VI.1 en volgende door het Gewest onteigend of laat het Gewest ze onteigenen, in opdracht van de persoon bedoeld in artikel D.V.2, § 1, 2°, waarbij niet rekening kan worden gehouden met de meerwaarde voortvloeiend uit de reeds uitgevoerde werken.
§ 2. De sanerings- en renovatiewerken bevolen door de rechtbank overeenkomstig paragraaf 1, worden uitgevoerd zonder dat er een vergunning verkregen hoeft te worden.
Art. D. V.5. § 1er. A la requête de la Région ou des personnes visées à l'article D.V.2, § 1er, 2°, tout propriétaire ou titulaire d'un droit réel immobilier sur les biens compris dans le périmètre d'un site à réaménager peut être tenu de réaliser les études et travaux ayant pour effet de restaurer l'aspect des lieux tant au niveau paysager qu'au niveau environnemental.
A défaut de se conformer à l'alinéa 1er, le propriétaire ou titulaire d'un droit réel immobilier peut y être contraint par le tribunal compétent.
A défaut d'exécution dans le délai fixé par le tribunal, les travaux visés à l'alinéa 1er sont exécutés d'office par les soins de la Région ou de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, aux frais du propriétaire ou du titulaire d'un droit réel immobilier.
A défaut de remboursement des frais à sa première demande, la Région procède ou fait procéder pour le compte de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, à l'expropriation des biens conformément aux articles D.VI.1 et suivants, auquel cas il ne peut être tenu compte de la plus-value issue des travaux déjà exécutés.
§ 2. Les travaux de réhabilitation et de rénovation ordonnés par le tribunal en application du paragraphe 1er, sont exécutés sans que doive être obtenu de permis.
A défaut de se conformer à l'alinéa 1er, le propriétaire ou titulaire d'un droit réel immobilier peut y être contraint par le tribunal compétent.
A défaut d'exécution dans le délai fixé par le tribunal, les travaux visés à l'alinéa 1er sont exécutés d'office par les soins de la Région ou de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, aux frais du propriétaire ou du titulaire d'un droit réel immobilier.
A défaut de remboursement des frais à sa première demande, la Région procède ou fait procéder pour le compte de la personne visée à l'article D.V.2, § 1er, 2°, à l'expropriation des biens conformément aux articles D.VI.1 et suivants, auquel cas il ne peut être tenu compte de la plus-value issue des travaux déjà exécutés.
§ 2. Les travaux de réhabilitation et de rénovation ordonnés par le tribunal en application du paragraphe 1er, sont exécutés sans que doive être obtenu de permis.
Art. D. V.5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK VI. - Overgangsrecht
CHAPITRE VI. - Droit transitoire
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.6. Elke afgedankte bedrijfsruimte, definitief erkend voor 1 januari 2006, heeft de hoedanigheid van te herontwikkelen locatie, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.V.2, § 7.
Elke te herontwikkelen locatie, definitief erkend op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de hoedanigheid van te herontwikkelen locatie, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.V.2, § 7.
De te herontwikkelen locaties die in behandeling zijn de dag van de inwerkingtreding van het Wetboek worden verder behandeld volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij hun definitieve aanneming hebben zij de hoedanigheid van te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Wanneer de goeden gelegen in een te herontwikkelen locatie onder een stedenbouwkundige vergunning vallen, toegekend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de vergunning bedoeld in artikel D.V.4, § 1, ook betrekking op de latere verkoop van zijn kavels.
Elke te herontwikkelen locatie, definitief erkend op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de hoedanigheid van te herontwikkelen locatie, vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.V.2, § 7.
De te herontwikkelen locaties die in behandeling zijn de dag van de inwerkingtreding van het Wetboek worden verder behandeld volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij hun definitieve aanneming hebben zij de hoedanigheid van te herontwikkelen locatie in de zin van artikel D.V.2, § 7.
Wanneer de goeden gelegen in een te herontwikkelen locatie onder een stedenbouwkundige vergunning vallen, toegekend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de vergunning bedoeld in artikel D.V.4, § 1, ook betrekking op de latere verkoop van zijn kavels.
Art. D. V.6. Tout site d'activité économique désaffecté reconnu définitivement avant le 1er janvier 2006 a la qualité de site à réaménager arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.V.2, § 7.
Tout site à réaménager reconnu définitivement à la date d'entrée en vigueur du Code a la qualité de site à réaménager arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.V.2, § 7.
Les sites à réaménager en cours d'instruction au jour de l'entrée en vigueur du Code poursuivent leur instruction selon la procédure qui leur était applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A leur adoption définitive, ils ont la qualité de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsque les biens situés dans le site à réaménager sont couverts par un permis d'urbanisation octroyé avant l'entrée en vigueur du Code, l'autorisation visée à l'article D.V.4, § 1er, porte également sur les ventes ultérieures de ses lots.
Tout site à réaménager reconnu définitivement à la date d'entrée en vigueur du Code a la qualité de site à réaménager arrêté par le Gouvernement en application de l'article D.V.2, § 7.
Les sites à réaménager en cours d'instruction au jour de l'entrée en vigueur du Code poursuivent leur instruction selon la procédure qui leur était applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A leur adoption définitive, ils ont la qualité de site à réaménager au sens de l'article D.V.2, § 7.
Lorsque les biens situés dans le site à réaménager sont couverts par un permis d'urbanisation octroyé avant l'entrée en vigueur du Code, l'autorisation visée à l'article D.V.4, § 1er, porte également sur les ventes ultérieures de ses lots.
Art. D _V.6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
TITEL II. - Locaties met herstel van landschap en leefmilieu
TITRE II. - Sites de réhabilitation paysagère et environnementale
TITEL II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Locaties met herstel van landschap en leefmilieu
CHAPITRE Ier. - Sites de réhabilitation paysagère et environnementale
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.7. § 1. De Regering neemt de lijst aan van de te herontwikkelen locaties in de zin van artikel D.V.I waarvan het herstel op landschappelijk en leefmilieuvlak van gewestelijk belang is.
Elke locatie uit deze lijst wordt voorlopig te boek gesteld onder verwijzing naar de kadastrale gegevens van de onroerende goederen.
Deze locaties worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 2. Voor elke locatie zoals bedoeld stelt de Regering de omtrek ervan vast en, desgevallend, machtigt, eventueel voorwaardelijk, de overwogen handelingen en werken voor de sanering en renovatie van de grond volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.V.2.
§ 3. De aankoopkosten worden door de Regering overgenomen, in voorkomend geval, evenals, geheel of gedeeltelijk, de onderzoeken en werken bedoeld in artikel D.V.1, 2°.
Elke locatie uit deze lijst wordt voorlopig te boek gesteld onder verwijzing naar de kadastrale gegevens van de onroerende goederen.
Deze locaties worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 2. Voor elke locatie zoals bedoeld stelt de Regering de omtrek ervan vast en, desgevallend, machtigt, eventueel voorwaardelijk, de overwogen handelingen en werken voor de sanering en renovatie van de grond volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.V.2.
§ 3. De aankoopkosten worden door de Regering overgenomen, in voorkomend geval, evenals, geheel of gedeeltelijk, de onderzoeken en werken bedoeld in artikel D.V.1, 2°.
Art. D. V.7. § 1er. Le Gouvernement adopte la liste des sites à réaménager au sens de l'article D.V.I dont la réhabilitation aux niveaux paysager et environnemental est d'intérêt régional.
Chacun des sites de cette liste est identifié provisoirement par référence aux indications cadastrales des biens immobiliers qui le composent.
Ces sites sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 2. Pour chacun de ces sites, le Gouvernement fixe le périmètre du site et, le cas échéant, autorise, éventuellement sous conditions, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du terrain selon les modalités visées à l'article D.V.2.
§ 3. Le Gouvernement prend à sa charge son acquisition, s'il échet, ainsi que, en tout ou en partie, les études et travaux visés à l'article D.V.1, 2°.
Chacun des sites de cette liste est identifié provisoirement par référence aux indications cadastrales des biens immobiliers qui le composent.
Ces sites sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 2. Pour chacun de ces sites, le Gouvernement fixe le périmètre du site et, le cas échéant, autorise, éventuellement sous conditions, les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du terrain selon les modalités visées à l'article D.V.2.
§ 3. Le Gouvernement prend à sa charge son acquisition, s'il échet, ainsi que, en tout ou en partie, les études et travaux visés à l'article D.V.1, 2°.
Art. D _V.7.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.7.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
CHAPITRE II. - Droit transitoire
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.8. Elke locatie van gewestelijk belang, definitief erkend voor 1 januari 2005, heeft de hoedanigheid van locatie met herstel van landschap en leefmilieu in de zin van artikel D.V.7, § 2.
Elke locatie met herstel van landschap en leefmilieu, definitief erkend op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de hoedanigheid van locatie met herstel van landschap en leefmilieu overeenkomstig artikel D.V.7, § 2.
De locaties met herstel van landschap en leefmilieu die in behandeling zijn de dag van de inwerkingtreding van het Wetboek worden verder behandeld volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij hun definitieve aanneming hebben zij de hoedanigheid van bedrijfsruimte met herstel van landschap en leefmilieu in de zin van artikel D.V.7, § 2.
Wanneer de goeden gelegen in de te herontwikkelen locatie onder een stedenbouwkundige vergunning vallen, toegekend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de vergunning bedoeld in artikel D.V.4, § 1, ook betrekking op de latere verkoop van zijn kavels.
Elke locatie met herstel van landschap en leefmilieu, definitief erkend op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de hoedanigheid van locatie met herstel van landschap en leefmilieu overeenkomstig artikel D.V.7, § 2.
De locaties met herstel van landschap en leefmilieu die in behandeling zijn de dag van de inwerkingtreding van het Wetboek worden verder behandeld volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij hun definitieve aanneming hebben zij de hoedanigheid van bedrijfsruimte met herstel van landschap en leefmilieu in de zin van artikel D.V.7, § 2.
Wanneer de goeden gelegen in de te herontwikkelen locatie onder een stedenbouwkundige vergunning vallen, toegekend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de vergunning bedoeld in artikel D.V.4, § 1, ook betrekking op de latere verkoop van zijn kavels.
Art. D. V.8. Tout site d'intérêt régional reconnu définitivement avant le 1er janvier 2005 a la qualité de site de réhabilitation paysagère et environnementale au sens de l'article D.V.7, § 2.
Tout site de réhabilitation paysagère et environnementale reconnu définitivement à la date d'entrée en vigueur du Code a la qualité de site de réhabilitation paysagère et environnementale en application de l'article D.V.7, § 2.
Les sites de réhabilitation paysagère et environnementale en cours d'instruction au jour de l'entrée en vigueur du Code poursuivent leur instruction selon la procédure qui leur était applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A leur adoption définitive, ils ont la qualité de site de réhabilitation paysagère et environnementale au sens de l'article D.V.7, § 2.
Lorsque les biens situés dans le site à réaménager sont couverts par un permis d'urbanisation octroyé avant l'entrée en vigueur du Code, l'autorisation visée à l'article D.V.4, § 1er, porte également sur les ventes ultérieures de ses lots.
Tout site de réhabilitation paysagère et environnementale reconnu définitivement à la date d'entrée en vigueur du Code a la qualité de site de réhabilitation paysagère et environnementale en application de l'article D.V.7, § 2.
Les sites de réhabilitation paysagère et environnementale en cours d'instruction au jour de l'entrée en vigueur du Code poursuivent leur instruction selon la procédure qui leur était applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A leur adoption définitive, ils ont la qualité de site de réhabilitation paysagère et environnementale au sens de l'article D.V.7, § 2.
Lorsque les biens situés dans le site à réaménager sont couverts par un permis d'urbanisation octroyé avant l'entrée en vigueur du Code, l'autorisation visée à l'article D.V.4, § 1er, porte également sur les ventes ultérieures de ses lots.
Art. D _V.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
TITEL III. - Stedelijke verkavelingsomtrekken
TITRE III. - Périmètres de remembrement urbain
TITEL III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.9. De stedelijke verkavelingsomtrek heeft betrekking op elk stedenbouwkundig project tot herwaardering en ontwikkeling van stedelijke functies die de oprichting, de wijziging, de uitbreiding, de vernietiging of het overstek van de wegen door gronden en openbare ruimtes vereisen.
De stedelijke verkavelingsomtrekken worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
De stedelijke verkavelingsomtrekken worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
Art. D. V.9. Le périmètre de remembrement urbain vise tout projet d'urbanisme de requalification et de développement de fonctions urbaines qui nécessite la création, la modification, l'élargissement, la suppression ou le surplomb de la voirie par terre et d'espaces publics.
Les périmètres de remembrement urbain sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
Les périmètres de remembrement urbain sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
Art. D _V.9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van de omtrek
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.10.De omtrek wordt voorlopig vastgesteld door de Regering, op eigen initiatief of op voorstel van de gemeenteraad of de gemachtigd ambtenaar [1 , of een natuurlijke of rechtspersoon, publiekrechtelijk of privaatrechtelijk, eigenaar of houder van een zakelijk recht]1.
Behalve als het gemeentecollege de omtrek voorstelt, wordt diens advies overgemaakt binnen de termijn van vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de verzending van de aanvraag van de gemachtigd ambtenaar. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht. Wanneer het advies ongunstig is, wordt de procedure niet voortgezet.
[1 Het regeringsbesluit berust op een dossier bestaande uit: 1° de omtrek;
2° zijn verantwoording ten opzichte van de criteria van artikel D.V.9;
3° een milieueffectenrapport of een beslissing van de bevoegde overheid om de omtrek vrij te stellen van de milieueffectbeoordeling overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van boek VIII;
4° een voorstelling van het stedenbouwkundig project dat het volgende omvat :
a) een verslag dat de overwogen handelingen en werken bevat, hun bestemming, de inrichtingsopties en de architectonische opzet van het ontwerp opgesteld op basis van de volgende elementen :
i. een situatieplan dat de ligging van het goed betrokken bij het project voorstelt t.o.v. de centrale kern van de agglomeratie en de voornaamste verbindingswegen met vermelding van hun juridisch statuut en hun benaming;
ii. de rechtstoestand die hetgeen volgt vermeldt :
- de bestemming van het goed betrokken bij het project in het gewestplan;
- "in voorkomend geval, zijn ligging in het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en in de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, zijn ligging in de stedenbouwkundige vergunning als het goed aan de gewestelijke leidraad en/of de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt onderworpen;"
iii. de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin hetgeen volgt vermeld staat:
- de oriëntatie;
- de verbindingsweg, zijn inrichting en zijn uitrusting alsook, in voorkomend geval, de wijzigingen die daaraan verbonden zijn;
- "in voorkomend geval, de afschaffing van een bestaande weg of de aanleg van nieuwe wegen of openbare ruimtes;
- de vestiging, de afmetingen, de aard of de bestemming van de bouwwerken op het goed, betrokken bij het project, binnen een straal van 50 m ervan;"
- in voorkomend geval, een rechtvaardiging van de verschillen en afwijkingen, aangevraagd ten opzichte van de artikelen D.IV.5 et D.IV.13;"
iv. een fotoreportage op grond waarvan de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin het project past in overweging genomen kan worden met de genummerde aanduiding op plan van de opnamen van de fotoreportage;
b) een bezettingsplan van de omtrek, aangevende:
i. de vestiging en de volumetrie van de bestaande gebouwen die voor het geheel van de omtrek zijn gepland;
ii. de behouden of geplande aanleg van het onbebouwde saldo van de betrokken omtrek, met inbegrip van de wegen en openbare ruimtes, de parkeerruimtes, de bestaande en geplande vegetatie;
c) de 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project]1.
Behalve als het gemeentecollege de omtrek voorstelt, wordt diens advies overgemaakt binnen de termijn van vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de verzending van de aanvraag van de gemachtigd ambtenaar. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht. Wanneer het advies ongunstig is, wordt de procedure niet voortgezet.
[1 Het regeringsbesluit berust op een dossier bestaande uit: 1° de omtrek;
2° zijn verantwoording ten opzichte van de criteria van artikel D.V.9;
3° een milieueffectenrapport of een beslissing van de bevoegde overheid om de omtrek vrij te stellen van de milieueffectbeoordeling overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van boek VIII;
4° een voorstelling van het stedenbouwkundig project dat het volgende omvat :
a) een verslag dat de overwogen handelingen en werken bevat, hun bestemming, de inrichtingsopties en de architectonische opzet van het ontwerp opgesteld op basis van de volgende elementen :
i. een situatieplan dat de ligging van het goed betrokken bij het project voorstelt t.o.v. de centrale kern van de agglomeratie en de voornaamste verbindingswegen met vermelding van hun juridisch statuut en hun benaming;
ii. de rechtstoestand die hetgeen volgt vermeldt :
- de bestemming van het goed betrokken bij het project in het gewestplan;
- "in voorkomend geval, zijn ligging in het meergemeentelijk ontwikkelingsplan en in de gemeentelijke ontwikkelingsplannen, zijn ligging in de stedenbouwkundige vergunning als het goed aan de gewestelijke leidraad en/of de gemeentelijke leidraad voor stedenbouw wordt onderworpen;"
iii. de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin hetgeen volgt vermeld staat:
- de oriëntatie;
- de verbindingsweg, zijn inrichting en zijn uitrusting alsook, in voorkomend geval, de wijzigingen die daaraan verbonden zijn;
- "in voorkomend geval, de afschaffing van een bestaande weg of de aanleg van nieuwe wegen of openbare ruimtes;
- de vestiging, de afmetingen, de aard of de bestemming van de bouwwerken op het goed, betrokken bij het project, binnen een straal van 50 m ervan;"
- in voorkomend geval, een rechtvaardiging van de verschillen en afwijkingen, aangevraagd ten opzichte van de artikelen D.IV.5 et D.IV.13;"
iv. een fotoreportage op grond waarvan de stedenbouwkundige en landschappelijke context waarin het project past in overweging genomen kan worden met de genummerde aanduiding op plan van de opnamen van de fotoreportage;
b) een bezettingsplan van de omtrek, aangevende:
i. de vestiging en de volumetrie van de bestaande gebouwen die voor het geheel van de omtrek zijn gepland;
ii. de behouden of geplande aanleg van het onbebouwde saldo van de betrokken omtrek, met inbegrip van de wegen en openbare ruimtes, de parkeerruimtes, de bestaande en geplande vegetatie;
c) de 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project]1.
Art. D. V.10.Le périmètre est arrêté provisoirement par le Gouvernement, d'initiative ou sur la proposition du conseil communal ou du fonctionnaire délégué [1 , ou d'une personne physique ou morale, publique ou privée, propriétaire ou titulaire d'un droit réel]1.
Sauf lorsqu'il propose le périmètre, le conseil communal transmet son avis dans le délai de quarante-cinq jours à dater de l'envoi de la demande du fonctionnaire délégué. A défaut, l'avis est réputé favorable. Lorsque l'avis est défavorable, la procédure n'est pas poursuivie.
[1 L'arrêté du Gouvernement est fondé sur un dossier comportant : 1° le périmètre;
2° sa justification au regard des critères de l'article D.V.9;
3° un rapport sur les incidences environnementales ou une décision de l'autorité compétente d'exempter le périmètre de l'évaluation des incidences sur l'environnement conformes au chapitre II du Titre II du Livre VIII;
4° une présentation du projet d'urbanisme comprenant :
a) un rapport qui présente les actes et travaux projetés, leur destination, les options d'aménagement et le parti architectural du projet, établi sur la base des éléments suivants :
i. un plan de situation qui présente la localisation du bien concerné par le projet par rapport au noyau central de l'agglomération et les principales voiries de desserte avec indication de leur statut juridique et de leur dénomination;
ii. la situation juridique qui renseigne :
- l'affectation du bien concerné par le projet au plan de secteur;
- le cas échéant, sa situation au schéma de développement pluricommunal et aux schémas communaux, sa situation au permis d'urbanisation, si le bien est soumis au guide régional et/ou au guide communal d'urbanisme;
iii. le contexte urbanistique et paysager qui figure :
- l'orientation;
- la voirie de desserte, ses aménagements et ses équipements, ainsi que, le cas échéant, les modifications projetées qui s'y rapportent;
- le cas échéant, la suppression d'une voirie existante ou la création de nouvelles voiries et d'espaces publics;
- l'implantation, le gabarit, la nature ou l'affectation des constructions existantes sur le bien concerné par le projet et dans un rayon de cinquante mètres de celui-ci;
- le cas échéant, une justification des écarts ou des dérogations sollicités eu égard aux articles D.IV.5 et D.IV.13;
iv. un reportage photographique qui permet la prise en compte du contexte urbanistique et paysager dans lequel s'insère le projet avec l'indication numérotée sur plan des prises de vue du reportage;
b) un plan d'occupation du périmètre qui figure :
i. l'implantation et la volumétrie des constructions existantes et projetées pour l'ensemble du périmètre;
ii. l'aménagement maintenu ou projeté du solde non construit du périmètre concerné, en ce compris les voiries et espaces publics, les aires de stationnement, la végétation existante et projetée;
c) la visualisation 3D du projet d'urbanisme]1.
Sauf lorsqu'il propose le périmètre, le conseil communal transmet son avis dans le délai de quarante-cinq jours à dater de l'envoi de la demande du fonctionnaire délégué. A défaut, l'avis est réputé favorable. Lorsque l'avis est défavorable, la procédure n'est pas poursuivie.
[1 L'arrêté du Gouvernement est fondé sur un dossier comportant : 1° le périmètre;
2° sa justification au regard des critères de l'article D.V.9;
3° un rapport sur les incidences environnementales ou une décision de l'autorité compétente d'exempter le périmètre de l'évaluation des incidences sur l'environnement conformes au chapitre II du Titre II du Livre VIII;
4° une présentation du projet d'urbanisme comprenant :
a) un rapport qui présente les actes et travaux projetés, leur destination, les options d'aménagement et le parti architectural du projet, établi sur la base des éléments suivants :
i. un plan de situation qui présente la localisation du bien concerné par le projet par rapport au noyau central de l'agglomération et les principales voiries de desserte avec indication de leur statut juridique et de leur dénomination;
ii. la situation juridique qui renseigne :
- l'affectation du bien concerné par le projet au plan de secteur;
- le cas échéant, sa situation au schéma de développement pluricommunal et aux schémas communaux, sa situation au permis d'urbanisation, si le bien est soumis au guide régional et/ou au guide communal d'urbanisme;
iii. le contexte urbanistique et paysager qui figure :
- l'orientation;
- la voirie de desserte, ses aménagements et ses équipements, ainsi que, le cas échéant, les modifications projetées qui s'y rapportent;
- le cas échéant, la suppression d'une voirie existante ou la création de nouvelles voiries et d'espaces publics;
- l'implantation, le gabarit, la nature ou l'affectation des constructions existantes sur le bien concerné par le projet et dans un rayon de cinquante mètres de celui-ci;
- le cas échéant, une justification des écarts ou des dérogations sollicités eu égard aux articles D.IV.5 et D.IV.13;
iv. un reportage photographique qui permet la prise en compte du contexte urbanistique et paysager dans lequel s'insère le projet avec l'indication numérotée sur plan des prises de vue du reportage;
b) un plan d'occupation du périmètre qui figure :
i. l'implantation et la volumétrie des constructions existantes et projetées pour l'ensemble du périmètre;
ii. l'aménagement maintenu ou projeté du solde non construit du périmètre concerné, en ce compris les voiries et espaces publics, les aires de stationnement, la végétation existante et projetée;
c) la visualisation 3D du projet d'urbanisme]1.
Wijzigingen
Art. D. V.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. D. V.11.§ 1. De ontwerp-omtrek, samen met het dossier bedoeld in artikel D.V.10, derde lid, wordt door de gemachtigd ambtenaar aan de raadpleging van de gemeentecommissie onderworpen [1 of, bij ontstentenis daarvan, aan de beleidsgroep "Ruimtelijke Ordening" en de beleidsgroep "Leefmilieu" wanneer het dossier een milieueffectenrapport bevat]1. Het advies wordt binnen de dertig dagen na de verzending van de aanvraag van de gemachtigd ambtenaar verzonden. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
Op verzoek van de gemachtigd ambtenaar organiseert het gemeentecollege een openbaar onderzoek.
Het gemeentecollege richt zijn advies samen met de bezwaren aan de gemachtigde ambtenaar.
De gemachtigd ambtenaar maakt zijn advies en het dossier aan de Regering over.
§ 2. De Regering neemt de stedelijke verkavelingsomtrek definitief aan.
Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
§ 3. Elke vergunningsaanvraag binnen de stedelijke verkavelingsomtrek, komend na de aanneming van de omtrek, wordt onderzocht volgens de bepalingen van Boek IV.
§ 4. Na beëindiging van de verwezenlijking van het project of op voorstel van de gemeenteraad of de gemachtigd ambtenaar kan de Regering de omtrek opheffen of wijzigen. De bepalingen die de opmaak van de omtrek regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan.
Het besluit tot vastlegging, wijziging of opheffing van de omtrek wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
Op verzoek van de gemachtigd ambtenaar organiseert het gemeentecollege een openbaar onderzoek.
Het gemeentecollege richt zijn advies samen met de bezwaren aan de gemachtigde ambtenaar.
De gemachtigd ambtenaar maakt zijn advies en het dossier aan de Regering over.
§ 2. De Regering neemt de stedelijke verkavelingsomtrek definitief aan.
Het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
§ 3. Elke vergunningsaanvraag binnen de stedelijke verkavelingsomtrek, komend na de aanneming van de omtrek, wordt onderzocht volgens de bepalingen van Boek IV.
§ 4. Na beëindiging van de verwezenlijking van het project of op voorstel van de gemeenteraad of de gemachtigd ambtenaar kan de Regering de omtrek opheffen of wijzigen. De bepalingen die de opmaak van de omtrek regelen, zijn van toepassing op de wijziging ervan.
Het besluit tot vastlegging, wijziging of opheffing van de omtrek wordt bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende.
Art. D. V.11.§ 1er. Le projet de périmètre accompagné du dossier visé à l'article D.V.10, alinéa 3, est soumis par le fonctionnaire délégué à la consultation de la commission communale [1 ou, à défaut, au pôle " Aménagement du territoire " et au pôle " Environnement " lorsque le dossier comporte un rapport sur les incidences environnementales]1. L'avis est envoyé dans les trente jours de l'envoi de la demande du fonctionnaire délégué. A défaut, il est réputé favorable.
A la demande du fonctionnaire délégué, le collège communal organise une enquête publique.
Le collège communal envoie son avis, accompagné des réclamations, au fonctionnaire délégué.
Le fonctionnaire délégué transmet son avis et le dossier au Gouvernement.
§ 2. Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre de remembrement urbain.
L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
§ 3. Toute demande de permis au sein du périmètre de remembrement urbain ultérieure à l'adoption du périmètre, est instruite selon les dispositions du Livre IV.
§ 4. Au terme de la réalisation du projet ou sur la proposition du conseil communal ou du fonctionnaire délégué, le Gouvernement peut abroger ou modifier le périmètre. Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à sa modification.
L'arrêté qui établit, modifie ou abroge le périmètre est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
A la demande du fonctionnaire délégué, le collège communal organise une enquête publique.
Le collège communal envoie son avis, accompagné des réclamations, au fonctionnaire délégué.
Le fonctionnaire délégué transmet son avis et le dossier au Gouvernement.
§ 2. Le Gouvernement adopte définitivement le périmètre de remembrement urbain.
L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
§ 3. Toute demande de permis au sein du périmètre de remembrement urbain ultérieure à l'adoption du périmètre, est instruite selon les dispositions du Livre IV.
§ 4. Au terme de la réalisation du projet ou sur la proposition du conseil communal ou du fonctionnaire délégué, le Gouvernement peut abroger ou modifier le périmètre. Les dispositions réglant l'établissement du périmètre sont applicables à sa modification.
L'arrêté qui établit, modifie ou abroge le périmètre est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
Wijzigingen
Art. D. V.11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.11_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. - Overgangsrecht
CHAPITRE III. - Droit transitoire
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.12. De stedelijke verkavelingsomtrek, definitief erkend vóór de inwerkingtreding van het Wetboek, heeft de hoedanigheid van stedelijke verkavelingsomtrek in de zin van artikel D.V.11, § 2, en valt onder de desbetreffende bepalingen.
Het onderzoek betreffende een stedelijke verkavelingsomtrek dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, kan verder behandeld worden volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij zijn definitieve aanneming heeft de stedelijke verkavelingsomtrek de hoedanigheid van stedelijke verkavelingsomtrek in de zin van artikel D.V.11, § 2, en valt onder de desbetreffende bepalingen.
Het onderzoek betreffende een stedelijke verkavelingsomtrek dat op de datum van inwerkingtreding van het Wetboek vigerend is, kan verder behandeld worden volgens de procedure die van toepassing was voor de inwerkingtreding van het Wetboek. Bij zijn definitieve aanneming heeft de stedelijke verkavelingsomtrek de hoedanigheid van stedelijke verkavelingsomtrek in de zin van artikel D.V.11, § 2, en valt onder de desbetreffende bepalingen.
Art. D. V.12. Le périmètre de remembrement urbain reconnu définitivement avant l'entrée en vigueur du Code a la qualité de périmètre de remembrement urbain au sens de l'article D.V.11, § 2 et est soumis aux dispositions y relatives.
L'instruction en cours à l'entrée en vigueur du Code d'un périmètre de remembrement urbain se poursuit selon la procédure applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A son adoption définitive, le périmètre de remembrement urbain a la qualité de périmètre de remembrement urbain au sens de l'article D.V.11, § 2, et est soumis aux dispositions y relatives.
L'instruction en cours à l'entrée en vigueur du Code d'un périmètre de remembrement urbain se poursuit selon la procédure applicable avant l'entrée en vigueur du Code. A son adoption définitive, le périmètre de remembrement urbain a la qualité de périmètre de remembrement urbain au sens de l'article D.V.11, § 2, et est soumis aux dispositions y relatives.
Art. D _V.12.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.12.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
TITEL IV. - Stadsheropleving
TITRE IV. - Revitalisation urbaine
TITEL IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.13.§ 1. Stadsheroplevingsoperaties beogen de verbetering en de geïntegreerde ontwikkeling van de huisvesting binnen een bepaalde omtrek, met inbegrip van de handels- en dienstenfuncties, d.m.v. overeenkomsten die tussen de gemeente en de privé-sector worden gesloten.
§ 2. [4 Wanneer één of meer privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen een overeenkomst sluiten in het kader van de stadsheropleving, kan het Gewest, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, de gemeente een subsidie verlenen.
De Regering bepaalt het subsidiepercentage.]4
[1 § 2bis. [4 ...]4]1
§ 3. De inrichtingen en onroerende goederen bedoeld in § 1, zijn gelegen binnen een zone van stadsheropleving die de Regering op voorstel van de gemeenteraad vastlegt.
De omtrekken van stadsheropleving worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 4. De overeenkomst bedoeld in paragraaf 2 neemt het beginsel in acht volgens hetwelk, voor elke euro die het Gewest voor haar rekening neemt, de privaatrechtelijke rechtsperso(o)n(en) of natuurlijke perso(o)n(en) bedoeld in paragraaf 2 minstens twee euro investeren, waarvan minstens één in één of meer van de volgende werkzaamheden :
1° de verbouwing en de verbetering van verbeterbare onbewoonbare woningen;
2° de afbraak van onbewoonbare woningen en de bouw van woningen op dezelfde plaats;
3° de verbouwing van gebouwen met het oog op de inrichting van woningen;
4° de bouw van woningen.
§ 5. Opdat de gemeente de in paragraaf 2 bedoelde subsidies zou kunnen genieten, moet de gemeenteraad een stadsheroplevingsdossier aannemen en bij de Regering indienen.
De Regering bepaalt de samenstelling en de procedure voor de goedkeuring van de stadsheroplevingsdossiers, alsook de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie.
[2 Het gebruik van subsidies die in het kader van het paragraaf 2 en betreffende een overheidsopdracht voor de aanneming van werken worden toegekend, is afhankelijk van de opname, in de opdrachtdocumenten betreffende deze werken, van een of meer milieuclausules, een of meer sociale clausules en een of meer ethische clausules ter bestrijding van sociale dumping.
De Regering specificeert de draagwijdte van deze clausules en bepaalt de modaliteiten van de invoeging ervan. In afwijking van lid 1 kan de regering drempels vaststellen waarboven zij worden ingevoegd.]2
§ 2. [4 Wanneer één of meer privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen een overeenkomst sluiten in het kader van de stadsheropleving, kan het Gewest, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, de gemeente een subsidie verlenen.
De Regering bepaalt het subsidiepercentage.]4
[1 § 2bis. [4 ...]4]1
§ 3. De inrichtingen en onroerende goederen bedoeld in § 1, zijn gelegen binnen een zone van stadsheropleving die de Regering op voorstel van de gemeenteraad vastlegt.
De omtrekken van stadsheropleving worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 4. De overeenkomst bedoeld in paragraaf 2 neemt het beginsel in acht volgens hetwelk, voor elke euro die het Gewest voor haar rekening neemt, de privaatrechtelijke rechtsperso(o)n(en) of natuurlijke perso(o)n(en) bedoeld in paragraaf 2 minstens twee euro investeren, waarvan minstens één in één of meer van de volgende werkzaamheden :
1° de verbouwing en de verbetering van verbeterbare onbewoonbare woningen;
2° de afbraak van onbewoonbare woningen en de bouw van woningen op dezelfde plaats;
3° de verbouwing van gebouwen met het oog op de inrichting van woningen;
4° de bouw van woningen.
§ 5. Opdat de gemeente de in paragraaf 2 bedoelde subsidies zou kunnen genieten, moet de gemeenteraad een stadsheroplevingsdossier aannemen en bij de Regering indienen.
De Regering bepaalt de samenstelling en de procedure voor de goedkeuring van de stadsheroplevingsdossiers, alsook de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie.
[2 Het gebruik van subsidies die in het kader van het paragraaf 2 en betreffende een overheidsopdracht voor de aanneming van werken worden toegekend, is afhankelijk van de opname, in de opdrachtdocumenten betreffende deze werken, van een of meer milieuclausules, een of meer sociale clausules en een of meer ethische clausules ter bestrijding van sociale dumping.
De Regering specificeert de draagwijdte van deze clausules en bepaalt de modaliteiten van de invoeging ervan. In afwijking van lid 1 kan de regering drempels vaststellen waarboven zij worden ingevoegd.]2
Wijzigingen
[3]geen nederlanse versie
Art. D. V.13.§ 1er. L'opération de revitalisation urbaine est une action visant, à l'intérieur d'un périmètre défini, l'amélioration et le développement intégré de l'habitat, en ce compris les fonctions de commerce et de service, par la mise en oeuvre de conventions associant la commune et le secteur privé.
§ 2. [5 Lorsqu'une commune et une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé établissent une convention relative à une opération de revitalisation urbaine, la Région peut, selon les dispositions arrêtées par le Gouvernement, accorder à la commune une subvention. Le Gouvernement fixe le taux de subventionnement.]5
[1 § 2bis. [5 ...]5]1
§ 3. Les aménagements et les biens immobiliers visés au § 1er sont localisés dans un périmètre de revitalisation urbaine, arrêté par le Gouvernement sur proposition du conseil communal.
Les périmètres de revitalisation urbaine sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 4. La convention visée au paragraphe 2 respecte le principe selon lequel, pour chaque euro pris en charge par la Région, la ou les personnes physiques ou morales de droit privé visées au paragraphe 2 investissent deux euros minimum dont au moins un dans une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la transformation et l'amélioration de logements insalubres améliorables;
2° la démolition de logements insalubres et la construction de logements au même endroit;
3° la transformation d'immeubles en vue d'y aménager des logements;
4° la construction de logements.
§ 5. Afin que la commune puisse bénéficier de la subvention visée au paragraphe 2, le conseil communal adopte et introduit auprès du Gouvernement un dossier de revitalisation urbaine.
Le Gouvernement arrête la composition et la procédure d'approbation des dossiers de revitalisation urbaine ainsi que les modalités d'octroi ou de remboursement de la subvention.
[2 L'utilisation de la subvention, octroyée dans le cadre du paragraphe 2 et relative à un marché de travaux, est subordonnée à l'insertion, dans les documents de marché relatifs à ces travaux, d'une ou de plusieurs clauses environnementales, d'une ou de plusieurs clauses sociales et d'une ou de plusieurs clauses éthiques visant à lutter contre le dumping social.
Le Gouvernement précise la portée de ces clauses et en fixe les modalités d'insertion. Par dérogation à l'alinéa 3, le Gouvernement peut fixer des seuils à partir desquels elles sont insérées.]2
§ 2. [5 Lorsqu'une commune et une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé établissent une convention relative à une opération de revitalisation urbaine, la Région peut, selon les dispositions arrêtées par le Gouvernement, accorder à la commune une subvention. Le Gouvernement fixe le taux de subventionnement.]5
[1 § 2bis. [5 ...]5]1
§ 3. Les aménagements et les biens immobiliers visés au § 1er sont localisés dans un périmètre de revitalisation urbaine, arrêté par le Gouvernement sur proposition du conseil communal.
Les périmètres de revitalisation urbaine sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 4. La convention visée au paragraphe 2 respecte le principe selon lequel, pour chaque euro pris en charge par la Région, la ou les personnes physiques ou morales de droit privé visées au paragraphe 2 investissent deux euros minimum dont au moins un dans une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la transformation et l'amélioration de logements insalubres améliorables;
2° la démolition de logements insalubres et la construction de logements au même endroit;
3° la transformation d'immeubles en vue d'y aménager des logements;
4° la construction de logements.
§ 5. Afin que la commune puisse bénéficier de la subvention visée au paragraphe 2, le conseil communal adopte et introduit auprès du Gouvernement un dossier de revitalisation urbaine.
Le Gouvernement arrête la composition et la procédure d'approbation des dossiers de revitalisation urbaine ainsi que les modalités d'octroi ou de remboursement de la subvention.
[2 L'utilisation de la subvention, octroyée dans le cadre du paragraphe 2 et relative à un marché de travaux, est subordonnée à l'insertion, dans les documents de marché relatifs à ces travaux, d'une ou de plusieurs clauses environnementales, d'une ou de plusieurs clauses sociales et d'une ou de plusieurs clauses éthiques visant à lutter contre le dumping social.
Le Gouvernement précise la portée de ces clauses et en fixe les modalités d'insertion. Par dérogation à l'alinéa 3, le Gouvernement peut fixer des seuils à partir desquels elles sont insérées.]2
Wijzigingen
Art. D. V.13_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.13_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
TITEL V. - Stadsvernieuwing
TITRE V. - Rénovation urbaine
TITEL V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.14.§ 1. Stadsvernieuwing is een globaal overlegde actie die van de gemeente uitgaat en de herstructurering, sanering of vernieuwing van een stadsomtrek beoogt om er het behoud of de toename van de plaatselijke bevolking te bevorderen en om de sociale, economische en culturele functie te stimuleren met inachtneming van de eigen culturele en architecturale kenmerken.
De stadsvernieuwing beoogt het behoud en de verbetering van de huisvesting d.m.v. één of meer van de volgende werkzaamheden :
1° de vernieuwing of de bouw van woningen;
2° de bouw of de verbetering van gemeenschappelijke uitrustingen zoals bepaald door de Regering;
3° de inrichting of verfraaiing van groene ruimtes;
4° de bouw of verfraaiing van gebouwen voor handels- of dienstenactiviteiten.
§ 2. Wanneer een gemeente een stadsvernieuwingsoperatie uitvoert, kan de Regering haar een subsidie verlenen.
De Regering bepaalt hoe het stadsvernieuwingsdossier moet worden aangelegd alsook de procedure voor de goedkeuring ervan en de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie.
De gemeenteraad legt het stadsvernieuwingsdossier aan met de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, met de plaatselijke commissie voor stadsvernieuwing en afgevaardigden van de bewoners van de buurt waar de vernieuwing moet plaatsvinden.
De vernieuwingsomtrekken worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
[1 § 3. Het gebruik van subsidies die in het kader van het paragraaf 2 en betreffende een overheidsopdracht voor de aanneming van werken worden toegekend, is afhankelijk van de opname, in de opdrachtdocumenten betreffende deze werken, van een of meer milieuclausules, een of meer sociale clausules en een of meer ethische clausules ter bestrijding van sociale dumping.
De Regering specificeert de draagwijdte van deze clausules en bepaalt de modaliteiten van de invoeging ervan. In afwijking van lid 1 kan de regering drempels vaststellen waarboven zij worden ingevoegd.]1
De stadsvernieuwing beoogt het behoud en de verbetering van de huisvesting d.m.v. één of meer van de volgende werkzaamheden :
1° de vernieuwing of de bouw van woningen;
2° de bouw of de verbetering van gemeenschappelijke uitrustingen zoals bepaald door de Regering;
3° de inrichting of verfraaiing van groene ruimtes;
4° de bouw of verfraaiing van gebouwen voor handels- of dienstenactiviteiten.
§ 2. Wanneer een gemeente een stadsvernieuwingsoperatie uitvoert, kan de Regering haar een subsidie verlenen.
De Regering bepaalt hoe het stadsvernieuwingsdossier moet worden aangelegd alsook de procedure voor de goedkeuring ervan en de voorwaarden voor de toekenning of de terugbetaling van de subsidie.
De gemeenteraad legt het stadsvernieuwingsdossier aan met de gemeentelijke commissie of, bij ontstentenis, met de plaatselijke commissie voor stadsvernieuwing en afgevaardigden van de bewoners van de buurt waar de vernieuwing moet plaatsvinden.
De vernieuwingsomtrekken worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
[1 § 3. Het gebruik van subsidies die in het kader van het paragraaf 2 en betreffende een overheidsopdracht voor de aanneming van werken worden toegekend, is afhankelijk van de opname, in de opdrachtdocumenten betreffende deze werken, van een of meer milieuclausules, een of meer sociale clausules en een of meer ethische clausules ter bestrijding van sociale dumping.
De Regering specificeert de draagwijdte van deze clausules en bepaalt de modaliteiten van de invoeging ervan. In afwijking van lid 1 kan de regering drempels vaststellen waarboven zij worden ingevoegd.]1
Art. D. V.14.§ 1er. L'opération de rénovation urbaine est une action d'aménagement globale et concertée, d'initiative communale, qui vise à restructurer, assainir ou réhabiliter un périmètre urbain de manière à y favoriser le maintien ou le développement de la population locale et à promouvoir sa fonction sociale, économique et culturelle dans le respect de ses caractéristiques culturelles et architecturales propres.
L'opération de rénovation urbaine vise à maintenir et à améliorer l'habitat par une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la réhabilitation ou la construction de logements;
2° la création ou l'amélioration d'équipements collectifs tels que définis par le Gouvernement;
3° la création ou l'amélioration d'espaces verts;
4° la création ou l'amélioration de bâtiments destinés au commerce ou à des activités de service.
§ 2. Lorsqu'une commune réalise une opération de rénovation urbaine, la Région peut lui accorder une subvention.
Le Gouvernement arrête la composition et la procédure d'approbation du dossier de rénovation urbaine ainsi que les modalités d'octroi ou de remboursement de cette subvention.
Le conseil communal élabore le dossier de rénovation urbaine avec la Commission communale ou, à défaut, avec la Commission locale de rénovation urbaine et des représentants des habitants du quartier où s'inscrit le périmètre de rénovation.
Les périmètres de rénovation sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
[1 § 3. L'utilisation de la subvention, octroyée dans le cadre du paragraphe 2 et relative à un marché de travaux, est subordonnée à l'insertion, dans les documents de marché relatifs à ces travaux, d'une ou de plusieurs clauses environnementales, d'une ou de plusieurs clauses sociales et d'une ou de plusieurs clauses éthiques visant à lutter contre le dumping social.
Le Gouvernement précise la portée de ces clauses et en fixe les modalités d'insertion. Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut fixer des seuils à partir desquels elles sont insérées.]1
L'opération de rénovation urbaine vise à maintenir et à améliorer l'habitat par une ou plusieurs des actions suivantes :
1° la réhabilitation ou la construction de logements;
2° la création ou l'amélioration d'équipements collectifs tels que définis par le Gouvernement;
3° la création ou l'amélioration d'espaces verts;
4° la création ou l'amélioration de bâtiments destinés au commerce ou à des activités de service.
§ 2. Lorsqu'une commune réalise une opération de rénovation urbaine, la Région peut lui accorder une subvention.
Le Gouvernement arrête la composition et la procédure d'approbation du dossier de rénovation urbaine ainsi que les modalités d'octroi ou de remboursement de cette subvention.
Le conseil communal élabore le dossier de rénovation urbaine avec la Commission communale ou, à défaut, avec la Commission locale de rénovation urbaine et des représentants des habitants du quartier où s'inscrit le périmètre de rénovation.
Les périmètres de rénovation sont arrêtés pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
[1 § 3. L'utilisation de la subvention, octroyée dans le cadre du paragraphe 2 et relative à un marché de travaux, est subordonnée à l'insertion, dans les documents de marché relatifs à ces travaux, d'une ou de plusieurs clauses environnementales, d'une ou de plusieurs clauses sociales et d'une ou de plusieurs clauses éthiques visant à lutter contre le dumping social.
Le Gouvernement précise la portée de ces clauses et en fixe les modalités d'insertion. Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut fixer des seuils à partir desquels elles sont insérées.]1
Wijzigingen
Art. D _V.14.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.14.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
TITEL VI. - Bevoorrechte initiatiefgebieden
TITRE VI. - Zones d'initiatives privilégiées
TITEL VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.15. § 1. De bevoorrechte initiatiefgebieden worden onder de door de Regering bepaalde voorwaarden opgericht om specifieke hulp te kunnen verlenen in welbepaalde geografische gebieden en om er de reeds verleende hulp aan te passen.
De bevoorrechte initiatiefgebieden worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 2. De bevoorrechte initiatiefgebieden worden door de Regering afgebakend, met name :
1° gebieden met hoge grondbelasting gelegen in gemeenten waar de prijs van de bouwgrond hoger ligt dan het gewestelijk gemiddelde;
2° gebieden voor de herkwalificering van woonkernen in buurten waar de geleidelijke verloedering tot gevolg heeft dat de bevolking wegtrekt;
3° gebieden voor globale buurtontwikkeling in het kader van een geïntegreerd heroplevingsbeleid dat gevoerd wordt in buurten waar de samenstelling van de bevolking en de bescheiden huisvestingskwaliteit sociale problemen veroorzaken;
4° gebieden met te herkwalificeren sociale woonwijken waar zich dezelfde problemen als in 3° voordoen.
§ 3. De Regering bepaalt volgens de door haar vastgestelde nadere regels de operaties die zij nuttig acht in de bevoorrechte initiatiefgebieden.
De bevoorrechte initiatiefgebieden worden vastgesteld om operationele redenen, los van de gewestplannen, ontwikkelingsplannen en leidraden.
§ 2. De bevoorrechte initiatiefgebieden worden door de Regering afgebakend, met name :
1° gebieden met hoge grondbelasting gelegen in gemeenten waar de prijs van de bouwgrond hoger ligt dan het gewestelijk gemiddelde;
2° gebieden voor de herkwalificering van woonkernen in buurten waar de geleidelijke verloedering tot gevolg heeft dat de bevolking wegtrekt;
3° gebieden voor globale buurtontwikkeling in het kader van een geïntegreerd heroplevingsbeleid dat gevoerd wordt in buurten waar de samenstelling van de bevolking en de bescheiden huisvestingskwaliteit sociale problemen veroorzaken;
4° gebieden met te herkwalificeren sociale woonwijken waar zich dezelfde problemen als in 3° voordoen.
§ 3. De Regering bepaalt volgens de door haar vastgestelde nadere regels de operaties die zij nuttig acht in de bevoorrechte initiatiefgebieden.
Art. D. V.15. § 1er. Selon les dispositions arrêtées par le Gouvernement, des zones d'initiatives privilégiées sont créées dans le but de permettre des aides spécifiques et l'adaptation des aides existantes dans certaines zones géographiques déterminées.
Les zones d'initiatives privilégiées sont arrêtées pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 2. Le Gouvernement délimite les zones d'initiatives privilégiées dont :
1° des zones à forte pression foncière qui visent les communes où le prix du terrain à bâtir est plus élevé que la moyenne régionale;
2° des zones de requalification des noyaux d'habitat qui concernent les quartiers dont la dégradation progressive entraîne la désertion des lieux par la population;
3° des zones de développement global de quartier où sont menées des politiques intégrées de revitalisation qui concernent les quartiers où la composition de la population cumulée à la faible qualité de l'habitat génère des problèmes sociaux;
4° des zones de cités sociales à requalifier abritant une population similaire définie en 3°.
§ 3. Selon les modalités qu'il fixe, le Gouvernement détermine les opérations qu'il estime nécessaires dans les zones d'initiatives privilégiées.
Les zones d'initiatives privilégiées sont arrêtées pour des raisons opérationnelles, indépendamment des plans de secteur, schémas et guides.
§ 2. Le Gouvernement délimite les zones d'initiatives privilégiées dont :
1° des zones à forte pression foncière qui visent les communes où le prix du terrain à bâtir est plus élevé que la moyenne régionale;
2° des zones de requalification des noyaux d'habitat qui concernent les quartiers dont la dégradation progressive entraîne la désertion des lieux par la population;
3° des zones de développement global de quartier où sont menées des politiques intégrées de revitalisation qui concernent les quartiers où la composition de la population cumulée à la faible qualité de l'habitat génère des problèmes sociaux;
4° des zones de cités sociales à requalifier abritant une population similaire définie en 3°.
§ 3. Selon les modalités qu'il fixe, le Gouvernement détermine les opérations qu'il estime nécessaires dans les zones d'initiatives privilégiées.
Art. D. V.15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.15_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
TITEL VII. - Gezamenlijke procedure voor omtrekken en vergunningen
TITRE VII. - Procédure conjointe périmètre - permis
TITEL VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. [1 Toepassingsgebied]1
CHAPITRE Ier . [1 Champ d'application]1
Art. D. V.16.[1 Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning, of een globale vergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen, en een aanvraag tot erkenning van de omtrek van een te herinrichten locatie of een ruilverkaveling kunnen, op initiatief van een natuurlijke persoon of een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, eigenaar of zakelijk gerechtigde op het geheel of een gedeelte van het terrein, het voorwerp uitmaken van een gezamenlijke aanvraag, wanneer het toe te laten project geheel of gedeeltelijk binnen de omtrek is gelegen en tot doel heeft respectievelijk :
1° de handelingen en werken van bouw of wederopbouw in de zin van artikel D.V.1, 2°, betreffende de omtrek voor een herin te richten locatie;
2° de handelingen en werken tot herwaardering en ontwikkeling van de stedelijke functies in de zin van artikel D.V.9 betreffende de stadsruilverkavelingsomtrekken.
De gezamenlijke aanvraag omvat een aanvraag tot aanneming van de omtrek en een vergunningsaanvraag. Ze wordt behandeld in overeenstemming met deze titel.]1
1° de handelingen en werken van bouw of wederopbouw in de zin van artikel D.V.1, 2°, betreffende de omtrek voor een herin te richten locatie;
2° de handelingen en werken tot herwaardering en ontwikkeling van de stedelijke functies in de zin van artikel D.V.9 betreffende de stadsruilverkavelingsomtrekken.
De gezamenlijke aanvraag omvat een aanvraag tot aanneming van de omtrek en een vergunningsaanvraag. Ze wordt behandeld in overeenstemming met deze titel.]1
Art. D. V.16.[1 Une demande de permis d'urbanisme ou de permis d'environnement ou unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, et une demande visant à faire reconnaître un périmètre de site à réaménager ou de remembrement urbain peuvent, à l'initiative d'une personne physique ou morale, publique ou privée, propriétaire ou titulaire d'un droit réel sur tout ou partie des terrains, faire l'objet d'une demande conjointe, lorsque le projet à autoriser s'implante, en tout ou en partie, dans le périmètre et qu'il vise à réaliser respectivement :
1° des actes et travaux de construction ou de reconstruction au sens de l'article D.V.1, 2°, relatif au périmètre de site à réaménager;
2° des actes et travaux de requalification et de développement de fonctions urbaines au sens de l'article D.V.9 relatif au périmètre de remembrement urbain.
La demande conjointe comprend une demande visant à adopter le périmètre et une demande de permis. Elle est instruite conformément au présent titre. ]1
1° des actes et travaux de construction ou de reconstruction au sens de l'article D.V.1, 2°, relatif au périmètre de site à réaménager;
2° des actes et travaux de requalification et de développement de fonctions urbaines au sens de l'article D.V.9 relatif au périmètre de remembrement urbain.
La demande conjointe comprend une demande visant à adopter le périmètre et une demande de permis. Elle est instruite conformément au présent titre. ]1
Wijzigingen
Art. D. V.16_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.16_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. [1 Indiening van de gezamenlijke aanvraag]1
CHAPITRE II. [1 Introduction de la demande conjointe]1
Afdeling I. [1 Indiening van de aanvraag tot omtrek]1
Section 1e. [1 Introduction de la demande de périmètre]1
Art. D. V.16/1. [1 De aanvrager zendt de regering een gezamenlijke aanvraag met daarin :
1° ofwel, voor de omtrek van de te herontwikkelen locatie, de elementen bedoeld in artikel D.V.2, § 2, 1°, 2° en 4°, en, in voorkomend geval, een gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van gezamenlijke effectbeoordeling;
2° ofwel de stadsruilverkavelingsomtrek
a) als de gemeente niet de aanvrager is, het gunstige advies van de gemeenteraad over de omtrek;
b) de elementen bedoeld in artikel D.V.10, derde lid § 2, 1°, 2° en 4°, en, in voorkomend geval, een gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van gezamenlijke effectbeoordeling;
c) de elementen vereist voor het technisch dossier bedoeld in artikel 11 of het ontwerp-rooiplan bedoeld in artikel 21 van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
d) de verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.V.9;
e) als de vergunningsaanvraag uitsluitend een deel van de omtrek betreft, de elementen bedoeld in artikel D.V.10, derde lid, b), voor het saldo van de omtrek die niet gedekt is door de vergunningsaanvraag en in artikel D.V.10, derde lid, c), voor het geheel van de omtrek;
3° in elk geval de informatie bedoeld in artikel D.29-5, § 2, eerste lid, 2°, van Boek I van het Milieuwetboek.]1
1° ofwel, voor de omtrek van de te herontwikkelen locatie, de elementen bedoeld in artikel D.V.2, § 2, 1°, 2° en 4°, en, in voorkomend geval, een gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van gezamenlijke effectbeoordeling;
2° ofwel de stadsruilverkavelingsomtrek
a) als de gemeente niet de aanvrager is, het gunstige advies van de gemeenteraad over de omtrek;
b) de elementen bedoeld in artikel D.V.10, derde lid § 2, 1°, 2° en 4°, en, in voorkomend geval, een gemotiveerde aanvraag tot vrijstelling van gezamenlijke effectbeoordeling;
c) de elementen vereist voor het technisch dossier bedoeld in artikel 11 of het ontwerp-rooiplan bedoeld in artikel 21 van het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeenteweg.
d) de verantwoording van de omtrek ten opzichte van de criteria van artikel D.V.9;
e) als de vergunningsaanvraag uitsluitend een deel van de omtrek betreft, de elementen bedoeld in artikel D.V.10, derde lid, b), voor het saldo van de omtrek die niet gedekt is door de vergunningsaanvraag en in artikel D.V.10, derde lid, c), voor het geheel van de omtrek;
3° in elk geval de informatie bedoeld in artikel D.29-5, § 2, eerste lid, 2°, van Boek I van het Milieuwetboek.]1
Art. D. V.16/1. [1 Le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement sa demande conjointe qui contient :
1° soit, pour le périmètre de site à réaménager, les éléments visés à l'article D.V.2, § 2, 1°, 2° et 4°, et, le cas échéant, une demande motivée d'exemption d'évaluation conjointe des incidences;
2° soit, pour le périmètre de remembrement urbain :
a) si la commune n'est pas le demandeur, l'avis favorable du conseil communal sur le périmètre;
b) les éléments visés à l'article D.V.10, alinéa 3, et, le cas échéant, une demande motivée d'exemption d'évaluation conjointe des incidences;
c) les éléments requis pour le dossier technique visé à l'article 11 ou le projet de plan d'alignement visé à l'article 21 du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale;
d) la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.V.9;
e) si la demande de permis concerne uniquement une partie du périmètre, les éléments visés à l'article D.V.10, alinéa 3, b), pour le solde du périmètre non couvert par la demande de permis et à l'article D.V.10, alinéa 3, c), pour l'ensemble du périmètre;
3° dans tous les cas, les informations visées à l'article D.29-5, § 2, alinéa 1er, 2°, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
1° soit, pour le périmètre de site à réaménager, les éléments visés à l'article D.V.2, § 2, 1°, 2° et 4°, et, le cas échéant, une demande motivée d'exemption d'évaluation conjointe des incidences;
2° soit, pour le périmètre de remembrement urbain :
a) si la commune n'est pas le demandeur, l'avis favorable du conseil communal sur le périmètre;
b) les éléments visés à l'article D.V.10, alinéa 3, et, le cas échéant, une demande motivée d'exemption d'évaluation conjointe des incidences;
c) les éléments requis pour le dossier technique visé à l'article 11 ou le projet de plan d'alignement visé à l'article 21 du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale;
d) la justification du périmètre au regard des critères de l'article D.V.9;
e) si la demande de permis concerne uniquement une partie du périmètre, les éléments visés à l'article D.V.10, alinéa 3, b), pour le solde du périmètre non couvert par la demande de permis et à l'article D.V.10, alinéa 3, c), pour l'ensemble du périmètre;
3° dans tous les cas, les informations visées à l'article D.29-5, § 2, alinéa 1er, 2°, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Art. D. V.16/2. [1 Binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag bericht de Regering ontvangst van de aanvraag en beslist zij over de ontvankelijkheid en de volledigheid ervan.
Als de aanvraag ontvankelijk en volledig is, wordt ze voor advies voorgelegd aan de gemachtigd ambtenaar en, in voorkomend geval, aan de technisch ambtenaar, de beleidsgroep "Ruimtelijke ordening", de beleidsgroep "Leefmilieu", de diensten die hij heeft aangewezen voor hun expertise en de personen of instanties die hij nuttig acht om te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.]1
Als de aanvraag ontvankelijk en volledig is, wordt ze voor advies voorgelegd aan de gemachtigd ambtenaar en, in voorkomend geval, aan de technisch ambtenaar, de beleidsgroep "Ruimtelijke ordening", de beleidsgroep "Leefmilieu", de diensten die hij heeft aangewezen voor hun expertise en de personen of instanties die hij nuttig acht om te raadplegen.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na het verzoek van de Regering overgemaakt. Zoniet worden ze gunstig geacht.]1
Art. D. V.16/2. [1 Dans les trente jours du dépôt de la demande, le Gouvernement en accuse réception et statue sur son caractère recevable et complet.
Si la demande est recevable et complète, il la soumet pour avis au fonctionnaire délégué, et le cas échéant au fonctionnaire technique, au pôle " Aménagement du territoire ", au pôle " Environnement ", aux services désignés par lui en raison de leur expertise et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.]1
Si la demande est recevable et complète, il la soumet pour avis au fonctionnaire délégué, et le cas échéant au fonctionnaire technique, au pôle " Aménagement du territoire ", au pôle " Environnement ", aux services désignés par lui en raison de leur expertise et aux personnes ou instances qu'il juge utile de consulter.
Les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande du Gouvernement. A défaut, ils sont réputés favorables.]1
Art. D. V.16/3. [1 Binnen negentig dagen na ontvangst van de aanvraag onderneemt de Regering de volgende stappen:
1° voorlopig de omtrek vaststellen;
2° beslissen om de gezamenlijke aanvraag te onderwerpen aan een milieueffectbeoordeling of beslissen om ze vrij te stellen;
3° de gemeenten bepalen, met inbegrip van de gemeente of gemeenten waartoe het project en de omtrek zich uitstrekken, die door dat project en die omtrek kunnen worden getroffen, op wier grondgebied bijgevolg een openbaar onderzoek wordt gehouden.
Wanneer zij besluit de gezamenlijke aanvraag voor een effectbeoordeling in te dienen, informeert zij per aangetekende post de gemeenten die mogelijk worden getroffen en de aanvrager, die zij uitnodigt een voorafgaande informatiebijeenkomst te organiseren overeenkomstig de artikelen D.VIII.5/8 tot en met D.VIII.5/13.]1
1° voorlopig de omtrek vaststellen;
2° beslissen om de gezamenlijke aanvraag te onderwerpen aan een milieueffectbeoordeling of beslissen om ze vrij te stellen;
3° de gemeenten bepalen, met inbegrip van de gemeente of gemeenten waartoe het project en de omtrek zich uitstrekken, die door dat project en die omtrek kunnen worden getroffen, op wier grondgebied bijgevolg een openbaar onderzoek wordt gehouden.
Wanneer zij besluit de gezamenlijke aanvraag voor een effectbeoordeling in te dienen, informeert zij per aangetekende post de gemeenten die mogelijk worden getroffen en de aanvrager, die zij uitnodigt een voorafgaande informatiebijeenkomst te organiseren overeenkomstig de artikelen D.VIII.5/8 tot en met D.VIII.5/13.]1
Art. D. V.16/3. [1 Dans les nonante jours de la réception de la demande, le Gouvernement :
1° arrête provisoirement le périmètre;
2° décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou décide de l'en exempter;
3° détermine les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étendent le projet et le périmètre, susceptibles d'être affectées par lesdits projet et périmètre, sur le territoire desquelles une enquête publique est, en conséquence, réalisée.
Il en informe, par envoi recommandé, les communes susceptibles d'être affectées et le demandeur qu'il invite à organiser une réunion préalable d'information conformément aux articles D.VIII.5/8 à D.VIII.5/13 lorsqu'il décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences.]1
1° arrête provisoirement le périmètre;
2° décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences sur l'environnement ou décide de l'en exempter;
3° détermine les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étendent le projet et le périmètre, susceptibles d'être affectées par lesdits projet et périmètre, sur le territoire desquelles une enquête publique est, en conséquence, réalisée.
Il en informe, par envoi recommandé, les communes susceptibles d'être affectées et le demandeur qu'il invite à organiser une réunion préalable d'information conformément aux articles D.VIII.5/8 à D.VIII.5/13 lorsqu'il décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences.]1
Afdeling 2. [1 Gezamenlijke effectbeoordeling]1
Section 2. [1 Evaluation conjointe des incidences]1
Art. D. V.16/4. [1 Het onderwerpen van de omtrek aan een effectbeoordeling of van het project aan een effectenonderzoek brengt de verplichting met zich mee om de gezamenlijke effectbeoordeling van de aanvraag waarnaar wordt verwezen in artikel D.V.16 uit te voeren in overeenstemming met de artikelen D.VIII.5/8 tot en met D.VIII.5/13 en D.VIII.48 tot en met D.VIII.56.]1
Art. D. V.16/4. [1 La soumission du périmètre à évaluation des incidences ou du projet à étude d'incidences emporte l'obligation de procéder à l'évaluation conjointe des incidences de la demande visée à l'article D.V.16 conformément aux articles D.VIII.5/8 à D.VIII.5/13 et D.VIII.48 à D.VIII.56.]1
Afdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanvraag]1
Section 3. [1 Introduction de la demande de permis]1
Art. D. V.16/5. [1 § 1. Indien de Regering de aanvraag vrijstelt van een gezamenlijke milieueffectbeoordeling, machtigt ze de aanvrager om de vergunningsaanvraag in te dienen, bepaalt ze de instanties die ze nuttig acht om te raadplegen over de aanvraag tot omtrek en de gemeenten die door de aanvraag kunnen worden getroffen en op wier grondgebied een openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.
De Regering deelt haar beslissing aan de aanvrager mee.
§ 2. Als de aanvraag onderworpen is aan een effectbeoordeling, moet de aanvrager de Regering een kopie sturen van de opmerkingen, suggesties en voorstellen die tijdens de voorafgaande informatievergadering zijn gemaakt, de notulen van de vergadering en de video van de vergadering, evenals de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering zijn gebruikt.
De Regering bepaalt de inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling na het overleg bedoeld in artikel D.VIII.52.
De aanvrager stuurt de gezamenlijke effectbeoordeling van de aanvraag naar de Regering.
Binnen tien dagen na ontvangst van de beoordeling zal de Regering:
1° de aanvrager machtigen om de vergunningsaanvraag in te dienen;
2° de instanties bepalen die ze nuttig acht om te raadplegen over de aanvraag tot omtrek en, in voorkomend geval, de gemeenten, naast deze geïdentificeerd in toepassing van artikel D.VIII.5/10, derde lid 3, die door de aanvraag kunnen worden getroffen en op wier grondgebied een openbaar onderzoek wordt uitgevoerd;
3° een in overweging genomen redelijk alternatief als ontwerp-omtrek goedkeuren wanneer zij, op basis van de gezamenlijke effectbeoordeling en de adviezen, van oordeel is dat dit alternatief de nagestreefde doelstellingen beter kan bereiken.
De Regering deelt haar beslissing aan de aanvrager mee.
§ 3. Er wordt niet afgeweken van de regels betreffende de samenstelling van vergunningsaanvragen.]1
De Regering deelt haar beslissing aan de aanvrager mee.
§ 2. Als de aanvraag onderworpen is aan een effectbeoordeling, moet de aanvrager de Regering een kopie sturen van de opmerkingen, suggesties en voorstellen die tijdens de voorafgaande informatievergadering zijn gemaakt, de notulen van de vergadering en de video van de vergadering, evenals de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering zijn gebruikt.
De Regering bepaalt de inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling na het overleg bedoeld in artikel D.VIII.52.
De aanvrager stuurt de gezamenlijke effectbeoordeling van de aanvraag naar de Regering.
Binnen tien dagen na ontvangst van de beoordeling zal de Regering:
1° de aanvrager machtigen om de vergunningsaanvraag in te dienen;
2° de instanties bepalen die ze nuttig acht om te raadplegen over de aanvraag tot omtrek en, in voorkomend geval, de gemeenten, naast deze geïdentificeerd in toepassing van artikel D.VIII.5/10, derde lid 3, die door de aanvraag kunnen worden getroffen en op wier grondgebied een openbaar onderzoek wordt uitgevoerd;
3° een in overweging genomen redelijk alternatief als ontwerp-omtrek goedkeuren wanneer zij, op basis van de gezamenlijke effectbeoordeling en de adviezen, van oordeel is dat dit alternatief de nagestreefde doelstellingen beter kan bereiken.
De Regering deelt haar beslissing aan de aanvrager mee.
§ 3. Er wordt niet afgeweken van de regels betreffende de samenstelling van vergunningsaanvragen.]1
Art. D. V.16/5. [1 § 1er. Si le Gouvernement exempte la demande d'évaluation conjointe d'incidences, il autorise le demandeur à déposer la demande de permis, détermine les instances qu'il juge utile de consulter sur la demande de périmètre, et les communes susceptibles d'être affectées par la demande et sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.
Le Gouvernement notifie sa décision au demandeur.
§ 2. Si la demande est soumise à évaluation des incidences, le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement la copie des observations, suggestions et propositions émises dans la cadre de la réunion d'information préalable, le procès-verbal de la réunion et la vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors celle-ci.
Le Gouvernement détermine le contenu de l'évaluation conjointe des incidences après avoir procédé aux consultations visées à l'article D.VIII.52.
Le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement l'évaluation conjointe des incidences de la demande.
Dans les trente jours de la réception de l'évaluation, le Gouvernement :
1° autorise le demandeur à déposer la demande de permis;
2° détermine les instances qu'il juge utile de consulter sur la demande de périmètre, et, le cas échéant, les communes complémentaires à celles identifiées en application de l'article D.VIII.5/10, alinéa 3, susceptibles d'être affectées par la demande et sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée;
3° approuve en tant que projet de périmètre une autre solution raisonnable envisagée lorsque, sur la base de l'évaluation conjointe des incidences et des avis, il estime que cette solution est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis.
Le Gouvernement notifie sa décision au demandeur.
§ 3. Il n'est pas dérogé aux règles relatives à la composition des demandes de permis.]1
Le Gouvernement notifie sa décision au demandeur.
§ 2. Si la demande est soumise à évaluation des incidences, le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement la copie des observations, suggestions et propositions émises dans la cadre de la réunion d'information préalable, le procès-verbal de la réunion et la vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors celle-ci.
Le Gouvernement détermine le contenu de l'évaluation conjointe des incidences après avoir procédé aux consultations visées à l'article D.VIII.52.
Le demandeur adresse, par envoi, au Gouvernement l'évaluation conjointe des incidences de la demande.
Dans les trente jours de la réception de l'évaluation, le Gouvernement :
1° autorise le demandeur à déposer la demande de permis;
2° détermine les instances qu'il juge utile de consulter sur la demande de périmètre, et, le cas échéant, les communes complémentaires à celles identifiées en application de l'article D.VIII.5/10, alinéa 3, susceptibles d'être affectées par la demande et sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée;
3° approuve en tant que projet de périmètre une autre solution raisonnable envisagée lorsque, sur la base de l'évaluation conjointe des incidences et des avis, il estime que cette solution est de nature à mieux répondre aux objectifs poursuivis.
Le Gouvernement notifie sa décision au demandeur.
§ 3. Il n'est pas dérogé aux règles relatives à la composition des demandes de permis.]1
HOOFDSTUK III. [1 Onderzoek van de gezamenlijke aanvraag]1
CHAPITRE III. [1 Instruction de la demande conjointe]1
Art. D. V.16/6. [1 De vergunningsaanvraag wordt ingediend uiterlijk honderdtachtig dagen na de kennisgeving door de Regering van de machtiging tot het indienen van de vergunningsaanvraag overeenkomstig artikel D.V.16/5, § 1, tweede lid, of § 2, vijfde lid. Bij gebreke daarvan vervalt de in artikel D.V.16/1 bedoelde aanvraag, tenzij de aanvrager de Regering binnen dezelfde termijn in kennis stelt van zijn beslissing geen vergunningsaanvraag in te dienen. In dit geval wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen D.V.2, §§ 3 tot en met 8, of D.V.11, §§ 1 en 2.
De gezamenlijke aanvraag wordt onderzocht overeenkomstig hetzij de bepalingen die van toepassing zijn op aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel D.IV.25 indien de gevraagde vergunning een stedenbouwkundige vergunning is, hetzij de bepalingen die van toepassing zijn op aanvragen voor een milieuvergunning of een globale vergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen indien de gevraagde vergunning een milieuvergunning of een globale vergunning is.
De volgende bijzondere bepalingen zijn evenwel van toepassing: 1° de vergunning wordt verstrekt door de Regering;
2° de gezamenlijke aanvraag is onderworpen aan een openbaar onderzoek overeenkomstig de procedures die van toepassing zijn op een project van categorie B in de zin van artikel D.29-1 van Boek I van het Milieuwetboek;
3° de adviezen die respectievelijk in de artikelen D.V.2, § 3, D.V.11, § 1, of D.IV.35 bedoeld zijn, worden aangevraagd;
4° alle adviezen moeten worden verzonden binnen dertig dagen na de beslissing waarbij de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt.
5° de aanvraag voor een milieuvergunning of een globale vergunning wordt behandeld overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning tot het samenvattend verslag aan de Regering wordt bezorgd, dat moet gebeuren binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag, tenzij de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar beslissen om die termijn met dertig dagen te verlengen. Wanneer het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar aanwijst als bevoegde instantie, zendt deze laatste een samenvattend verslag aan de Regering binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag, tenzij de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar beslissen om deze termijn met dertig dagen te verlengen;
6° het door de gemachtigd ambtenaar onderzochte dossier met betrekking tot de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van de bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag overgemaakt aan de Regering, tenzij de gemachtigd ambtenaar beslist deze termijn met dertig dagen te verlengen;
7° de termijn voor het indienen van het door de gedelegeerde ambtenaar onderzochte dossier of van het samenvattend verslag van de technische of technische en gemachtigde ambtenaren wordt geschorst vanaf de datum van de beslissing van de Regering bedoeld in artikel D.V.16/3 om de aanvraag tot gezamenlijke effectbeoordeling in te dienen tot de datum waarop de gezamenlijke effectbeoordeling naar de Regering wordt gestuurd. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering
8° indien hij zich uitspreekt voor de aanneming van de omtrek, wordt het door de gemachtigd ambtenaar onderzochte dossier of het samenvattend verslag van de technisch ambtenaar of de technisch en gemachtigd ambtenaar opgesteld rekening houdend met de afwijkingsmogelijkheden die de voorgestelde omtrek biedt indien hij definitief wordt aangenomen;
9° op verzoek van de Regering dient de aanvrager de gewijzigde plannen of bijkomende informatie of een gezamenlijke effectbeoordeling in. Gewijzigde plannen kunnen zowel betrekking hebben op de omtrek als op het project waarvoor een vergunning is aangevraagd. De onderzoekstermijnen worden onderbroken door het verzoek van de Regering en beginnen opnieuw te lopen wanneer de gewijzigde plannen of de aanvullende kennisgeving of gezamenlijke effectbeoordeling worden ingediend.]1
De gezamenlijke aanvraag wordt onderzocht overeenkomstig hetzij de bepalingen die van toepassing zijn op aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel D.IV.25 indien de gevraagde vergunning een stedenbouwkundige vergunning is, hetzij de bepalingen die van toepassing zijn op aanvragen voor een milieuvergunning of een globale vergunning in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen indien de gevraagde vergunning een milieuvergunning of een globale vergunning is.
De volgende bijzondere bepalingen zijn evenwel van toepassing: 1° de vergunning wordt verstrekt door de Regering;
2° de gezamenlijke aanvraag is onderworpen aan een openbaar onderzoek overeenkomstig de procedures die van toepassing zijn op een project van categorie B in de zin van artikel D.29-1 van Boek I van het Milieuwetboek;
3° de adviezen die respectievelijk in de artikelen D.V.2, § 3, D.V.11, § 1, of D.IV.35 bedoeld zijn, worden aangevraagd;
4° alle adviezen moeten worden verzonden binnen dertig dagen na de beslissing waarbij de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt.
5° de aanvraag voor een milieuvergunning of een globale vergunning wordt behandeld overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning tot het samenvattend verslag aan de Regering wordt bezorgd, dat moet gebeuren binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag, tenzij de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar beslissen om die termijn met dertig dagen te verlengen. Wanneer het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar aanwijst als bevoegde instantie, zendt deze laatste een samenvattend verslag aan de Regering binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag, tenzij de technisch ambtenaar en desgevallend de gemachtigd ambtenaar beslissen om deze termijn met dertig dagen te verlengen;
6° het door de gemachtigd ambtenaar onderzochte dossier met betrekking tot de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning wordt binnen een termijn van honderdtien dagen vanaf de datum van de bevestiging van ontvangst van de ontvankelijke en volledige aanvraag overgemaakt aan de Regering, tenzij de gemachtigd ambtenaar beslist deze termijn met dertig dagen te verlengen;
7° de termijn voor het indienen van het door de gedelegeerde ambtenaar onderzochte dossier of van het samenvattend verslag van de technische of technische en gemachtigde ambtenaren wordt geschorst vanaf de datum van de beslissing van de Regering bedoeld in artikel D.V.16/3 om de aanvraag tot gezamenlijke effectbeoordeling in te dienen tot de datum waarop de gezamenlijke effectbeoordeling naar de Regering wordt gestuurd. Indien er om een aanvullend milieueffectenverslag wordt verzocht, dan wordt de termijn opgeschort op de datum van versturen van de aanvraag tot aanvulling op de datum van versturen ervan aan de Regering
8° indien hij zich uitspreekt voor de aanneming van de omtrek, wordt het door de gemachtigd ambtenaar onderzochte dossier of het samenvattend verslag van de technisch ambtenaar of de technisch en gemachtigd ambtenaar opgesteld rekening houdend met de afwijkingsmogelijkheden die de voorgestelde omtrek biedt indien hij definitief wordt aangenomen;
9° op verzoek van de Regering dient de aanvrager de gewijzigde plannen of bijkomende informatie of een gezamenlijke effectbeoordeling in. Gewijzigde plannen kunnen zowel betrekking hebben op de omtrek als op het project waarvoor een vergunning is aangevraagd. De onderzoekstermijnen worden onderbroken door het verzoek van de Regering en beginnen opnieuw te lopen wanneer de gewijzigde plannen of de aanvullende kennisgeving of gezamenlijke effectbeoordeling worden ingediend.]1
Art. D. V.16/6. [1 La demande de permis est introduite au plus tard centquatre-vingt jours après notification par le Gouvernement de l'autorisation de déposer la demande de permis conformément à l'article D.V.16/5, § 1er, alinéa 2, ou § 2, alinéa 5. A défaut, la demande visée à l'article D.V.16/1 est caduque sauf si, dans le même délai, le demandeur a informé le Gouvernement de sa décision de ne pas introduire de demande de permis. Dans ce cas, la procédure se poursuit conformément aux articles D.V.2, §§ 3 à 8, ou D.V.11, §§ 1er et 2.
La demande conjointe est instruite conformément soit aux dispositions applicables aux demandes de permis d'urbanisme visées à l'article D.IV.25 si le permis requis est un permis d'urbanisme, soit aux demandes de permis d'environnement ou unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement si le permis requis est un permis d'environnement ou unique.
Toutefois, les dispositions particulières suivantes s'appliquent : 1° le permis est délivré par le Gouvernement;
2° la demande conjointe est soumise à enquête publique selon les modalités applicables à un projet de catégorie B au sens de l'article D.29-1 du Livre Ier du Code de l'Environnement;
3° les avis visés respectivement aux articles D.V.2, § 3, D.V.11, § 1er, ou D.IV.35 sont demandés;
4° les délais dans lesquels sont envoyés tous les avis sont de trente jours à dater de la décision constatant le caractère recevable et complet de la demande de permis;
5° la demande de permis d'environnement ou de permis unique est instruite conformément au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement jusqu'à l'envoi du rapport de synthèse au Gouvernement qui intervient dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire technique et, le cas échéant, du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours. Lorsque le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement désigne en qualité d'autorité compétente le fonctionnaire technique et, le cas échéant, le fonctionnaire délégué, celui ou ceux-ci adressent un rapport de synthèse au Gouvernement dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire technique et, le cas échéant, du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours;
6° le dossier instruit par le fonctionnaire délégué relatif à la demande de permis d'urbanisme est adressé au Gouvernement dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours;
7° le délai de dépôt du dossier instruit du fonctionnaire délégué ou du rapport de synthèse des fonctionnaires technique ou technique et délégué est suspendu de la date de la décision du Gouvernement visée à l'article D.V.16/3 de soumettre la demande à évaluation conjointe des incidences jusqu'à la date de l'envoi de l'évaluation conjointe des incidences au Gouvernement. En cas de demande de complément d'évaluation conjointe des incidences, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement;
8° s'il est favorable à l'adoption du périmètre, le dossier instruit par le fonctionnaire délégué ou le rapport de synthèse du fonctionnaire technique ou du fonctionnaire technique et délégué est rédigé en tenant compte des possibilités de dérogation qu'offre le périmètre en projet s'il est définitivement adopté;
9° à la demande du Gouvernement, le demandeur dépose des plans modifiés ou un complément de notice ou d'évaluation conjointe des incidences. Les plans modifiés peuvent porter tant sur le périmètre que sur le projet soumis à permis. Les délais d'instruction sont interrompus par la demande du Gouvernement et recommencent à courir au dépôt des plans modifiés ou du complément de notice ou d'évaluation conjointe des incidences.]1
La demande conjointe est instruite conformément soit aux dispositions applicables aux demandes de permis d'urbanisme visées à l'article D.IV.25 si le permis requis est un permis d'urbanisme, soit aux demandes de permis d'environnement ou unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement si le permis requis est un permis d'environnement ou unique.
Toutefois, les dispositions particulières suivantes s'appliquent : 1° le permis est délivré par le Gouvernement;
2° la demande conjointe est soumise à enquête publique selon les modalités applicables à un projet de catégorie B au sens de l'article D.29-1 du Livre Ier du Code de l'Environnement;
3° les avis visés respectivement aux articles D.V.2, § 3, D.V.11, § 1er, ou D.IV.35 sont demandés;
4° les délais dans lesquels sont envoyés tous les avis sont de trente jours à dater de la décision constatant le caractère recevable et complet de la demande de permis;
5° la demande de permis d'environnement ou de permis unique est instruite conformément au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement jusqu'à l'envoi du rapport de synthèse au Gouvernement qui intervient dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire technique et, le cas échéant, du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours. Lorsque le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement désigne en qualité d'autorité compétente le fonctionnaire technique et, le cas échéant, le fonctionnaire délégué, celui ou ceux-ci adressent un rapport de synthèse au Gouvernement dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire technique et, le cas échéant, du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours;
6° le dossier instruit par le fonctionnaire délégué relatif à la demande de permis d'urbanisme est adressé au Gouvernement dans un délai de cent-dix jours à dater de l'accusé de réception de la demande recevable et complète, sauf décision du fonctionnaire délégué de prolonger ce délai de trente jours;
7° le délai de dépôt du dossier instruit du fonctionnaire délégué ou du rapport de synthèse des fonctionnaires technique ou technique et délégué est suspendu de la date de la décision du Gouvernement visée à l'article D.V.16/3 de soumettre la demande à évaluation conjointe des incidences jusqu'à la date de l'envoi de l'évaluation conjointe des incidences au Gouvernement. En cas de demande de complément d'évaluation conjointe des incidences, le délai est suspendu de la date d'envoi de la demande de complément à la date d'envoi de celui-ci au Gouvernement;
8° s'il est favorable à l'adoption du périmètre, le dossier instruit par le fonctionnaire délégué ou le rapport de synthèse du fonctionnaire technique ou du fonctionnaire technique et délégué est rédigé en tenant compte des possibilités de dérogation qu'offre le périmètre en projet s'il est définitivement adopté;
9° à la demande du Gouvernement, le demandeur dépose des plans modifiés ou un complément de notice ou d'évaluation conjointe des incidences. Les plans modifiés peuvent porter tant sur le périmètre que sur le projet soumis à permis. Les délais d'instruction sont interrompus par la demande du Gouvernement et recommencent à courir au dépôt des plans modifiés ou du complément de notice ou d'évaluation conjointe des incidences.]1
HOOFDSTUK IV. [1 Beslissing]1
CHAPITRE IV. [1 Décision]1
Art. D. V.16/7. [1 Binnen dertig dagen na ontvangst van het door de gemachtigd ambtenaar onderzochte dossier of van het samenvattend verslag van de technische of technische en gemachtigde ambtenaren, neemt de Regering een gelijktijdig besluit over de omtrek en de vergunningsaanvraag.
Als ze de vergunning niet afgeeft, kan de Regering beslissen om de procedure voor de aanneming van de te herontwikkelen locatie of de stadsruilverkavelingsomtrek voort te zetten. In dit geval wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen D.V.2, §§ 3 tot en met 8, of D.V.11, §§ 1 en 2.
De Regering deelt deze beslissing aan de aanvrager mee Zij deelt haar beslissing over de omtrek van de te herontwikkelen locatie mee aan de bestemmelingen bedoeld in artikel D.V.2, § 3.
In geval van toekenning van de vergunning begint bedoelde vergunning slechts te lopen op de dag na de inwerkingtreding van de omtrek.]1
Als ze de vergunning niet afgeeft, kan de Regering beslissen om de procedure voor de aanneming van de te herontwikkelen locatie of de stadsruilverkavelingsomtrek voort te zetten. In dit geval wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen D.V.2, §§ 3 tot en met 8, of D.V.11, §§ 1 en 2.
De Regering deelt deze beslissing aan de aanvrager mee Zij deelt haar beslissing over de omtrek van de te herontwikkelen locatie mee aan de bestemmelingen bedoeld in artikel D.V.2, § 3.
In geval van toekenning van de vergunning begint bedoelde vergunning slechts te lopen op de dag na de inwerkingtreding van de omtrek.]1
Art. D. V.16/7. [1 Dans les trente jours de la réception du dossier instruit par le fonctionnaire délégué ou du rapport de synthèse des fonctionnaires techniques ou techniques et délégués, le Gouvernement statue simultanément sur le périmètre et la demande de permis.
S'il ne délivre pas le permis, le Gouvernement peut décider de poursuivre la procédure d'adoption du site à réaménager ou du périmètre de remembrement urbain. Dans ce cas, la procédure se poursuit conformément aux articles D.V.2, §§ 3 à 8, ou D.V.11, §§ 1er et 2.
Le Gouvernement notifie ses décisions au demandeur. Il notifie sa décision relative au périmètre de site à réaménager aux destinataires visés à l'article D.V.2, § 3.
En cas d'octroi du permis, celui-ci prend cours à partir du lendemain de l'entrée en vigueur du périmètre.]1
S'il ne délivre pas le permis, le Gouvernement peut décider de poursuivre la procédure d'adoption du site à réaménager ou du périmètre de remembrement urbain. Dans ce cas, la procédure se poursuit conformément aux articles D.V.2, §§ 3 à 8, ou D.V.11, §§ 1er et 2.
Le Gouvernement notifie ses décisions au demandeur. Il notifie sa décision relative au périmètre de site à réaménager aux destinataires visés à l'article D.V.2, § 3.
En cas d'octroi du permis, celui-ci prend cours à partir du lendemain de l'entrée en vigueur du périmètre.]1
Art. D. V.16/8. [1 Binnen de tien dagen na bekendmaking van haar beslissing tot aanneming van de omtrek verstuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt een afschrift van de beslissing aan elke gemeente waarop de omtrek betrekking heeft, waarna bedoelde gemeenten het publiek daarover inlichten.
De Regering of de persoon die zij daartoe delegeert, zendt ook een afschrift van de besluiten aan de bevoegde autoriteiten van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo en die advies heeft uitgebracht over het verzoek op grond van artikel D.VIII.54.]1
De Regering of de persoon die zij daartoe delegeert, zendt ook een afschrift van de besluiten aan de bevoegde autoriteiten van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo en die advies heeft uitgebracht over het verzoek op grond van artikel D.VIII.54.]1
Art. D. V.16/8. [1 Dans les dix jours de la publication de la décision d'adoption du périmètre, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie une copie de ses décisions à chacune des communes auxquelles le périmètre s'étend, lesquelles en informent le public.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie également une copie des décisions aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo qui a émis un avis sur la demande en application de l'article D.VIII.54.]1
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie également une copie des décisions aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo qui a émis un avis sur la demande en application de l'article D.VIII.54.]1
HOOFDSTUK V. [1 Onderzoekingen]1
CHAPITRE V. [1 Investigations]1
Art. D. V.16/9. [1 De in artikel D.V.3 bedoelde onderzoekingen zijn toegestaan onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de toepassing van deze titel gelden.
De Regering kan de regels voor de procedures voor dergelijke onderzoekingen aanpassen voor zover dat nodig is voor de uitvoering van deze titel.]1
De Regering kan de regels voor de procedures voor dergelijke onderzoekingen aanpassen voor zover dat nodig is voor de uitvoering van deze titel.]1
Art. D. V.16/9. [1 Les investigations visées par l'article D.V.3 sont autorisées aux mêmes conditions pour l'application du présent titre.
Le Gouvernement peut adapter les règles de procédures relatives à ces investigations au besoin de la mise en oeuvre du présent titre.]1
Le Gouvernement peut adapter les règles de procédures relatives à ces investigations au besoin de la mise en oeuvre du présent titre.]1
TITEL VIII. - Fonds voor operationele inrichting en fonds voor de sanering van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu
TITRE VIII. - Fonds d'aménagement opérationnel et fonds d'assainissement des sites à réaménager et des sites de réhabilitation paysagère et environnementale
TITEL VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.17.
Art. D. V.17.
Art. D. V.17_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.17_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. D. V.18.
Art. D. V.18.
Art. D. V.18_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.18_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
TITEL IX. - Financiële bepalingen
TITRE IX. - Dispositions financières
TITEL IX. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
TITRE IX. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
HOOFDSTUK I. - Beginsel
CHAPITRE Ier. - Principe
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.19.[1 § 1.]1 Het Gewest kan, onder de door de Regering bepaalde voorwaarden, een subsidie verlenen :
1° met het oog op de aankoop van een zakelijk recht door een publiekrechtelijk rechtspersoon van het geheel of van een gedeelte van de onroerende goederen gelegen binnen één van de in artikel D.VI.17 bedoelde omtrekken;
2° aan alle publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke en rechtspersonen van openbaar nut, voor voorafgaande studies of handelingen en werken die betrekking hebben op de herinrichting van locaties bedoeld in de artikelen D.V.1 en D.V.7 of op de uiterlijke verfraaiing voornamelijk bestemd voor de woning;
3° van één euro aan één of meer privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het overeenkomen en die drie euro investeren in handelingen en werken betreffende één of meer onroerende goederen gelegen in de omtrek van de bedrijfsruimte bedoeld in de artikelen D.V.1 en D.V.7, waarvan minstens twee euro dienen voor de inrichting of de verwezenlijking van woningen, met inbegrip van de handelingen en werken voor de herinrichting van bedoeld(e) onroerend(e) goed(eren). [1 Het bedrag en de fasering van de toekenning van deze subsidie kunnen worden vastgelegd in het besluit tot toekenning van bedoelde subsidie door de Regering.]1
[1 § 2. Volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten kan het Gewest geheel of gedeeltelijk zorgen voor de financiering van kredietverleningen aan elke privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon of van participaties in vennootschappen van publiek recht of privaat recht of in publiekrechtelijke vennootschappen die in onderzoeken, handelingen en werken betreffende één of meerdere onroerende goederen gelegen in de omtrek van de in de artikelen D.V.1 en D.V.7 bedoelde sites investeren.]1
1° met het oog op de aankoop van een zakelijk recht door een publiekrechtelijk rechtspersoon van het geheel of van een gedeelte van de onroerende goederen gelegen binnen één van de in artikel D.VI.17 bedoelde omtrekken;
2° aan alle publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke en rechtspersonen van openbaar nut, voor voorafgaande studies of handelingen en werken die betrekking hebben op de herinrichting van locaties bedoeld in de artikelen D.V.1 en D.V.7 of op de uiterlijke verfraaiing voornamelijk bestemd voor de woning;
3° van één euro aan één of meer privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het overeenkomen en die drie euro investeren in handelingen en werken betreffende één of meer onroerende goederen gelegen in de omtrek van de bedrijfsruimte bedoeld in de artikelen D.V.1 en D.V.7, waarvan minstens twee euro dienen voor de inrichting of de verwezenlijking van woningen, met inbegrip van de handelingen en werken voor de herinrichting van bedoeld(e) onroerend(e) goed(eren). [1 Het bedrag en de fasering van de toekenning van deze subsidie kunnen worden vastgelegd in het besluit tot toekenning van bedoelde subsidie door de Regering.]1
[1 § 2. Volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten kan het Gewest geheel of gedeeltelijk zorgen voor de financiering van kredietverleningen aan elke privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon of van participaties in vennootschappen van publiek recht of privaat recht of in publiekrechtelijke vennootschappen die in onderzoeken, handelingen en werken betreffende één of meerdere onroerende goederen gelegen in de omtrek van de in de artikelen D.V.1 en D.V.7 bedoelde sites investeren.]1
Art. D. V.19.[1 § 1er.]1 Selon les modalités arrêtées par le Gouvernement, la Région peut accorder une subvention :
1° en vue de l'acquisition d'un droit réel par une personne morale de droit public de tout ou partie de biens immobiliers repris dans un des périmètres visés à l'article D.VI.17;
2° à toute personne physique, morale de droit ou d'intérêt public ou morale de droit privé, pour des études préalables ou des actes et travaux qui se rapportent au réaménagement de sites visés aux articles D.V.1 et D.V.7 ou à l'embellissement extérieur destinés principalement à l'habitation;
3° d'un euro à une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé qui en conviennent et qui investissent trois euros dans des actes et travaux concernant un ou plusieurs biens immobiliers repris dans le périmètre de sites visés aux articles D.V.1. et D.V.7, dont au minimum deux euros consistent en l'aménagement ou la réalisation de logements, en ce compris les actes et travaux de réaménagement de ce ou de ces biens immobiliers. [1 Le montant et le phasage de l'octroi de cette subvention peuvent être fixés dans l'arrêté d'octroi de ladite subvention par le Gouvernement.]1
[1 § 2. Selon les modalités arrêtées par le Gouvernement, la Région peut financer, en tout ou en partie, des octrois de crédit à toute personne physique ou morale, de droit privé ou de droit public, ou des prises de participation dans des sociétés de droit ou d'intérêt public ou de droit privé, qui investissent dans des études, actes et travaux concernant un ou plusieurs biens immobiliers repris dans le périmètre de sites visés aux articles D.V.1 et D.V.7.]1
1° en vue de l'acquisition d'un droit réel par une personne morale de droit public de tout ou partie de biens immobiliers repris dans un des périmètres visés à l'article D.VI.17;
2° à toute personne physique, morale de droit ou d'intérêt public ou morale de droit privé, pour des études préalables ou des actes et travaux qui se rapportent au réaménagement de sites visés aux articles D.V.1 et D.V.7 ou à l'embellissement extérieur destinés principalement à l'habitation;
3° d'un euro à une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé qui en conviennent et qui investissent trois euros dans des actes et travaux concernant un ou plusieurs biens immobiliers repris dans le périmètre de sites visés aux articles D.V.1. et D.V.7, dont au minimum deux euros consistent en l'aménagement ou la réalisation de logements, en ce compris les actes et travaux de réaménagement de ce ou de ces biens immobiliers. [1 Le montant et le phasage de l'octroi de cette subvention peuvent être fixés dans l'arrêté d'octroi de ladite subvention par le Gouvernement.]1
[1 § 2. Selon les modalités arrêtées par le Gouvernement, la Région peut financer, en tout ou en partie, des octrois de crédit à toute personne physique ou morale, de droit privé ou de droit public, ou des prises de participation dans des sociétés de droit ou d'intérêt public ou de droit privé, qui investissent dans des études, actes et travaux concernant un ou plusieurs biens immobiliers repris dans le périmètre de sites visés aux articles D.V.1 et D.V.7.]1
Wijzigingen
Art. D. V.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. D. V.19_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
CHAPITRE II. - Droit transitoire
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Art. D. V.20. De subsidies toegekend op grond van de vigerende en in uitvoering zijnde wetgeving voor de inwerkingtreding van dit Wetboek blijven onder de bepalingen vallen die van toepassing waren op het ogenblik van de toekenning ervan.
Art. D. V.20. Les subventions octroyées sur la base de la législation en vigueur et en cours d'exécution avant l'entrée en vigueur du présent Code restent soumises aux dispositions d'application lors de leur octroi.
Art. D _V.20.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Art. D _V.20.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
BOEK VI. - Grondbeleid
LIVRE VI. - Politique foncière
TITEL I. - Onteigeningen en vergoedingen
TITRE Ier. - Expropriations et indemnités
HOOFDSTUK I. - Goederen die onteigend zouden kunnen worden
CHAPITRE Ier. - Biens susceptibles d'expropriation
Art. D. VI.1.Via onteigening om redenen van openbaar nut kunnen worden verricht, alle aankopen van onroerende goederen nodig voor de verwezenlijking of uitvoering van :
1° gewestplannen, met inbegrip van gebieden met al dan niet een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en van gebieden van gemeentelijk belang;
2° (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen;
3° plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen;
4° omtrekken van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
5° omtrekken van stadsheropleving;
6° omtrekken van stadsvernieuwing;
7° stedelijke verkavelingsomtrekken;
8° beschermingsmaatregelen voor onroerende goederen gevestigd rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu;
9° acties bedoeld in artikel D.V.15 in de bevoorrechte initiatiefgebieden;
10° de omtrek van een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband met de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning;
[1 11° op voorwaarde dat ze de openbare veiligheid beogen, risicobeperkende maatregelen met betrekking tot onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar.]1
1° gewestplannen, met inbegrip van gebieden met al dan niet een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en van gebieden van gemeentelijk belang;
2° (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen;
3° plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen;
4° omtrekken van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
5° omtrekken van stadsheropleving;
6° omtrekken van stadsvernieuwing;
7° stedelijke verkavelingsomtrekken;
8° beschermingsmaatregelen voor onroerende goederen gevestigd rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu;
9° acties bedoeld in artikel D.V.15 in de bevoorrechte initiatiefgebieden;
10° de omtrek van een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband met de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning;
[1 11° op voorwaarde dat ze de openbare veiligheid beogen, risicobeperkende maatregelen met betrekking tot onroerende goederen die blootgesteld worden aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals overstromingen begrepen in de gebieden onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar.]1
Art. D. VI.1.Peuvent être réalisées par la voie de l'expropriation pour cause d'utilité publique toutes les acquisitions d'immeubles nécessaires à la réalisation ou à la mise en oeuvre :
1° des plans de secteur en ce compris des zones d'aménagement communal concerté à caractère économique ou non, des zones d'enjeu régional et des zones d'enjeu communal;
2° des schémas de développement pluricommunaux et communaux;
3° des schémas d'orientation locaux;
4° des périmètres des sites à réaménager et des sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
5° des périmètres de revitalisation urbaine;
6° des périmètres de rénovation urbaine;
7° des périmètres de remembrement urbain;
8° des mesures de protection relatives aux biens immobiliers établis autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
9° des actions visées à l'article D.V.15 dans les zones d'initiative privilégiée;
10° du périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
[1 11° à la condition qu'elles aient pour objectif la sécurité publique, des mesures de limitation du risque relatives aux biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation au sens de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique.]1
1° des plans de secteur en ce compris des zones d'aménagement communal concerté à caractère économique ou non, des zones d'enjeu régional et des zones d'enjeu communal;
2° des schémas de développement pluricommunaux et communaux;
3° des schémas d'orientation locaux;
4° des périmètres des sites à réaménager et des sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
5° des périmètres de revitalisation urbaine;
6° des périmètres de rénovation urbaine;
7° des périmètres de remembrement urbain;
8° des mesures de protection relatives aux biens immobiliers établis autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
9° des actions visées à l'article D.V.15 dans les zones d'initiative privilégiée;
10° du périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
[1 11° à la condition qu'elles aient pour objectif la sécurité publique, des mesures de limitation du risque relatives aux biens immobiliers exposés à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation au sens de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique.]1
Wijzigingen
Art. D _VI.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Via onteigening om redenen van openbaar nut kunnen worden verricht, alle aankopen van onroerende goederen nodig voor de verwezenlijking of uitvoering van :
1° gewestplannen, met inbegrip van gebieden met al dan niet een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en van gebieden van gemeentelijk belang;
2° (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen;
3° plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen;
4° [1 omtrekken voor een saneringslocatie;]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° stedelijke verkavelingsomtrekken;
8° beschermingsmaatregelen voor onroerende goederen gevestigd rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu;
9° [1 ...]1
10° de omtrek van een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband met de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning.
Via onteigening om redenen van openbaar nut kunnen worden verricht, alle aankopen van onroerende goederen nodig voor de verwezenlijking of uitvoering van :
1° gewestplannen, met inbegrip van gebieden met al dan niet een bedrijfskarakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en van gebieden van gemeentelijk belang;
2° (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen;
3° plaatselijke beleidsontwikkelingsplannen;
4° [1 omtrekken voor een saneringslocatie;]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° stedelijke verkavelingsomtrekken;
8° beschermingsmaatregelen voor onroerende goederen gevestigd rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu;
9° [1 ...]1
10° de omtrek van een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband met de uitvoering van het plan betreffende de permanente bewoning.
Art. D _VI.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Peuvent être réalisées par la voie de l'expropriation pour cause d'utilité publique toutes les acquisitions d'immeubles nécessaires à la réalisation ou à la mise en oeuvre :
1° des plans de secteur en ce compris des zones d'aménagement communal concerté à caractère économique ou non, des zones d'enjeu régional et des zones d'enjeu communal;
2° des schémas de développement pluricommunaux et communaux;
3° des schémas d'orientation locaux;
4° [1 des périmètres des sites à réaménager;]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° des périmètres de remembrement urbain;
8° des mesures de protection relatives aux biens immobiliers établis autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du [1 décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement]1 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
9° [1 ...]1
10° du périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent.
Peuvent être réalisées par la voie de l'expropriation pour cause d'utilité publique toutes les acquisitions d'immeubles nécessaires à la réalisation ou à la mise en oeuvre :
1° des plans de secteur en ce compris des zones d'aménagement communal concerté à caractère économique ou non, des zones d'enjeu régional et des zones d'enjeu communal;
2° des schémas de développement pluricommunaux et communaux;
3° des schémas d'orientation locaux;
4° [1 des périmètres des sites à réaménager;]1
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° des périmètres de remembrement urbain;
8° des mesures de protection relatives aux biens immobiliers établis autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du [1 décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement]1 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
9° [1 ...]1
10° du périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Onteigenende overheden
CHAPITRE II. - Pouvoirs expropriants
Art. D. VI.2. Als onteigenende overheid mogen optreden het Gewest, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales met ruimtelijke ordening of huisvesting of economische ontwikkeling als maatschappelijk doel en de openbare instellingen en organen die krachtens de wet of het decreet bevoegd zijn om ten algemenen nutte te onteigenen.
Art. D. VI.2. Peuvent agir comme pouvoir expropriant la Région, les provinces, les communes, les régies communales autonomes, les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique et les établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique.
Art. D. VI.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Als onteigenende overheid mogen optreden [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales met ruimtelijke ordening of huisvesting of economische ontwikkeling als maatschappelijk doel en de openbare instellingen en organen die krachtens de wet of het decreet bevoegd zijn om ten algemenen nutte te onteigenen.
Als onteigenende overheid mogen optreden [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales met ruimtelijke ordening of huisvesting of economische ontwikkeling als maatschappelijk doel en de openbare instellingen en organen die krachtens de wet of het decreet bevoegd zijn om ten algemenen nutte te onteigenen.
Art. D. VI.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Peuvent agir comme pouvoir expropriant [1 la Communauté germanophone]1 les communes, les régies communales autonomes, les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique et les établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique.
Peuvent agir comme pouvoir expropriant [1 la Communauté germanophone]1 les communes, les régies communales autonomes, les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique et les établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Art. D. VI.3.
Art. D. VI.3.
Art. D. VI.4.
Art. D. VI.4.
Art. D. VI.5.
Art. D. VI.5.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
Art. D. VI.6.
Art. D. VI.6.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Art. D. VI.7.
Art. D. VI.7.
Art. D. VI.8.
Art. D. VI.8.
Art. D. VI.9.
Art. D. VI.9.
Art. D. VI.10.
Art. D. VI.10.
HOOFDSTUK VI. - Onteigening op verzoek van een derde
CHAPITRE VI. - Expropriation à la demande d'un tiers
Art. D. VI.11. § 1. Op aanvraag van de eigenaar(s) die in oppervlakte meer dan de helft van de gronden van het binnenin gelegen grondstuk bezit(ten) kan de onteigenende overheid de andere onroerende goederen noodzakelijk voor de verwezenlijking of de uitvoering van de voorschriften bedoeld in artikel D.VI.1 onteigenen wanneer de minnelijke aankoop ervan onmogelijk gebleken zal zijn. De onteigenende overheid moet daartoe gemachtigd worden door de Regering.
De aanvraag wordt per schrijven aan de onteigenende overheid gericht. Deze aanvraag bevat volgende gegevens en documenten :
1° naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager, of firmanaam en zetel indien het een rechtspersoon betreft;
2° een memorie waarin het verzoek verantwoord wordt;
3° een liggingsplan met de grenzen van de percelen die aan de verzoeker toebehoren en de grenzen van de percelen waarvan de onteigening aangevraagd wordt;
4° een attest van de bewaarder der hypotheken betreffende de percelen waarvan de onteigening wordt aangevraagd;
5° de verantwoording van de middelen nodig voor de beoogde inrichting van de locatie.
§ 2. De eigenaar(s) bedoeld in lid 1 kan (kunnen) vragen om belast te worden met de uitvoering van de inrichtingswerken.
De aanvraag wordt per schrijven aan de onteigenende overheid gericht. Deze aanvraag bevat volgende gegevens en documenten :
1° naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager, of firmanaam en zetel indien het een rechtspersoon betreft;
2° een memorie waarin het verzoek verantwoord wordt;
3° een liggingsplan met de grenzen van de percelen die aan de verzoeker toebehoren en de grenzen van de percelen waarvan de onteigening aangevraagd wordt;
4° een attest van de bewaarder der hypotheken betreffende de percelen waarvan de onteigening wordt aangevraagd;
5° de verantwoording van de middelen nodig voor de beoogde inrichting van de locatie.
§ 2. De eigenaar(s) bedoeld in lid 1 kan (kunnen) vragen om belast te worden met de uitvoering van de inrichtingswerken.
Art. D. VI.11. § 1er. A la demande du propriétaire ou des propriétaires possédant en superficie plus de la moitié des terrains repris dans l'îlot, le pouvoir expropriant peut exproprier les autres immeubles nécessaires à la réalisation ou la mise en oeuvre des prescriptions visées à l'article D.VI.1, lorsque leur acquisition à l'amiable se sera révélée impossible. Le pouvoir expropriant est autorisé à cette fin par le Gouvernement.
La demande est adressée par envoi au pouvoir expropriant. Elle comporte les indications et documents suivants :
1° les nom, prénom, qualité et domicile du demandeur, ou la raison sociale et le siège s'il s'agit d'une personne morale;
2° un mémoire justifiant la demande;
3° un plan de situation indiquant les limites des parcelles appartenant au demandeur et celles des parcelles dont l'expropriation est demandée;
4° un certificat du conservateur des hypothèques relatif aux parcelles dont l'expropriation est demandée;
5° la justification des ressources nécessaires pour la réalisation de l'aménagement visé.
§ 2. Le ou les propriétaires visés à l'alinéa 1er peuvent demander à être chargés de l'exécution des travaux d'aménagement.
La demande est adressée par envoi au pouvoir expropriant. Elle comporte les indications et documents suivants :
1° les nom, prénom, qualité et domicile du demandeur, ou la raison sociale et le siège s'il s'agit d'une personne morale;
2° un mémoire justifiant la demande;
3° un plan de situation indiquant les limites des parcelles appartenant au demandeur et celles des parcelles dont l'expropriation est demandée;
4° un certificat du conservateur des hypothèques relatif aux parcelles dont l'expropriation est demandée;
5° la justification des ressources nécessaires pour la réalisation de l'aménagement visé.
§ 2. Le ou les propriétaires visés à l'alinéa 1er peuvent demander à être chargés de l'exécution des travaux d'aménagement.
Art. D. VI.12. § 1. De gronden, aangekocht overeenkomstig artikel D.VI.11, worden door verkoop, erfpacht of opstal ter beschikking van de aanvragers gesteld.
De akte van terbeschikkingstelling moet een clausule bevatten waarin de handelingen en werken en de overwogen activiteiten op het onteigende goed nader opgegeven worden, evenals de andere nadere regels van het gebruik ervan en, meer bepaald, de datum waarop de handelingen, werken en activiteiten zouden moeten worden aangevat.
§ 2. Bij verkoop moet de akte eveneens een clausule bevatten volgens welke de onteigenende overheid de mogelijkheid heeft het goed over te kopen als de gebruiker de vermelde activiteit staakt of als hij de nadere gebruiksregels niet in acht neemt. In die hypothese, en bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen, wordt de prijs van de overname van de gronden bepaald door de aankoopcomités van onroerende goederen die handelen in het kader van de onteigeningsprocedure zonder rekening te houden met de meerwaarde die zij gekregen zouden hebben in overtreding van de aanvankelijke akkoorden tussen de partijen.
Anderzijds worden het materieel en de werktuigen, de sinds de overdracht door de onteigenende overheid opgetrokken gebouwen en gevestigde infrastructuur bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen bij de overname van de grond tegen hun koopwaarde betaald. Die waarde wordt door de aankoopcomités van onroerende goederen bedoeld in lid 1 berekend.
Bij verkoop mag de gebruiker het goed enkel wederverkopen mits instemming van het Gewest of van de verkopende publiekrechtelijke persoon; de clausules bedoeld in de leden 1 en 2 moeten in de wederverkoopsakte opgenomen worden.
De akte van terbeschikkingstelling moet een clausule bevatten waarin de handelingen en werken en de overwogen activiteiten op het onteigende goed nader opgegeven worden, evenals de andere nadere regels van het gebruik ervan en, meer bepaald, de datum waarop de handelingen, werken en activiteiten zouden moeten worden aangevat.
§ 2. Bij verkoop moet de akte eveneens een clausule bevatten volgens welke de onteigenende overheid de mogelijkheid heeft het goed over te kopen als de gebruiker de vermelde activiteit staakt of als hij de nadere gebruiksregels niet in acht neemt. In die hypothese, en bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen, wordt de prijs van de overname van de gronden bepaald door de aankoopcomités van onroerende goederen die handelen in het kader van de onteigeningsprocedure zonder rekening te houden met de meerwaarde die zij gekregen zouden hebben in overtreding van de aanvankelijke akkoorden tussen de partijen.
Anderzijds worden het materieel en de werktuigen, de sinds de overdracht door de onteigenende overheid opgetrokken gebouwen en gevestigde infrastructuur bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen bij de overname van de grond tegen hun koopwaarde betaald. Die waarde wordt door de aankoopcomités van onroerende goederen bedoeld in lid 1 berekend.
Bij verkoop mag de gebruiker het goed enkel wederverkopen mits instemming van het Gewest of van de verkopende publiekrechtelijke persoon; de clausules bedoeld in de leden 1 en 2 moeten in de wederverkoopsakte opgenomen worden.
Art. D. VI.12. § 1er. Les terrains acquis en application de l'article D.VI.11 sont mis à la disposition des demandeurs par vente, emphytéose ou superficie.
L'acte de mise à disposition contient une clause précisant les actes et travaux et les activités envisagés sur le bien exproprié, ainsi que les autres modalités de son utilisation et, notamment, la date à laquelle les actes, travaux et activités devraient commencer.
§ 2. En cas de vente, l'acte contient une clause selon laquelle le pouvoir expropriant a la faculté de racheter le bien, si l'utilisateur cesse l'activité indiquée ou s'il ne respecte pas les modalités d'utilisation. Dans cette hypothèse, et à défaut d'accord entre les parties, le prix de rachat des terrains est déterminé par les comités d'acquisition d'immeubles agissant dans le cadre de la procédure en matière d'expropriation, sans considération de la plus-value qui aurait été acquise en violation des accords initiaux entre les parties.
D'autre part, et à défaut d'accord entre les parties, le matériel et l'outillage, les bâtiments construits et l'infrastructure établie depuis que le bien a été cédé par le pouvoir expropriant sont payés à leur valeur vénale lors du rachat du terrain. Cette valeur est déterminée par les comités visés à l'alinéa 1er.
En cas de vente, l'utilisateur ne peut revendre le bien que moyennant l'accord de la Région ou de la personne de droit public venderesse; les clauses visées aux alinéas 1er et 2 figurent dans l'acte de revente.
L'acte de mise à disposition contient une clause précisant les actes et travaux et les activités envisagés sur le bien exproprié, ainsi que les autres modalités de son utilisation et, notamment, la date à laquelle les actes, travaux et activités devraient commencer.
§ 2. En cas de vente, l'acte contient une clause selon laquelle le pouvoir expropriant a la faculté de racheter le bien, si l'utilisateur cesse l'activité indiquée ou s'il ne respecte pas les modalités d'utilisation. Dans cette hypothèse, et à défaut d'accord entre les parties, le prix de rachat des terrains est déterminé par les comités d'acquisition d'immeubles agissant dans le cadre de la procédure en matière d'expropriation, sans considération de la plus-value qui aurait été acquise en violation des accords initiaux entre les parties.
D'autre part, et à défaut d'accord entre les parties, le matériel et l'outillage, les bâtiments construits et l'infrastructure établie depuis que le bien a été cédé par le pouvoir expropriant sont payés à leur valeur vénale lors du rachat du terrain. Cette valeur est déterminée par les comités visés à l'alinéa 1er.
En cas de vente, l'utilisateur ne peut revendre le bien que moyennant l'accord de la Région ou de la personne de droit public venderesse; les clauses visées aux alinéas 1er et 2 figurent dans l'acte de revente.
Art. D. VI.12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gronden, aangekocht overeenkomstig artikel D.VI.11, worden door verkoop, erfpacht of opstal ter beschikking van de aanvragers gesteld.
De akte van terbeschikkingstelling moet een clausule bevatten waarin de handelingen en werken en de overwogen activiteiten op het onteigende goed nader opgegeven worden, evenals de andere nadere regels van het gebruik ervan en, meer bepaald, de datum waarop de handelingen, werken en activiteiten zouden moeten worden aangevat.
§ 2. Bij verkoop moet de akte eveneens een clausule bevatten volgens welke de onteigenende overheid de mogelijkheid heeft het goed over te kopen als de gebruiker de vermelde activiteit staakt of als hij de nadere gebruiksregels niet in acht neemt. In die hypothese, en bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen, wordt de prijs van de overname van de gronden bepaald door de [1 aankoopcomités van het Waals Gewest voor de aankoop van onroerende goederen]1 die handelen in het kader van de onteigeningsprocedure zonder rekening te houden met de meerwaarde die zij gekregen zouden hebben in overtreding van de aanvankelijke akkoorden tussen de partijen.
Anderzijds worden het materieel en de werktuigen, de sinds de overdracht door de onteigenende overheid opgetrokken gebouwen en gevestigde infrastructuur bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen bij de overname van de grond tegen hun koopwaarde betaald. Die waarde wordt door de aankoopcomités van onroerende goederen bedoeld in lid 1 berekend.
Bij verkoop mag de gebruiker het goed enkel wederverkopen mits instemming van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 of van de verkopende publiekrechtelijke persoon; de clausules bedoeld in de leden 1 en 2 moeten in de wederverkoopsakte opgenomen worden.
§ 1. De gronden, aangekocht overeenkomstig artikel D.VI.11, worden door verkoop, erfpacht of opstal ter beschikking van de aanvragers gesteld.
De akte van terbeschikkingstelling moet een clausule bevatten waarin de handelingen en werken en de overwogen activiteiten op het onteigende goed nader opgegeven worden, evenals de andere nadere regels van het gebruik ervan en, meer bepaald, de datum waarop de handelingen, werken en activiteiten zouden moeten worden aangevat.
§ 2. Bij verkoop moet de akte eveneens een clausule bevatten volgens welke de onteigenende overheid de mogelijkheid heeft het goed over te kopen als de gebruiker de vermelde activiteit staakt of als hij de nadere gebruiksregels niet in acht neemt. In die hypothese, en bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen, wordt de prijs van de overname van de gronden bepaald door de [1 aankoopcomités van het Waals Gewest voor de aankoop van onroerende goederen]1 die handelen in het kader van de onteigeningsprocedure zonder rekening te houden met de meerwaarde die zij gekregen zouden hebben in overtreding van de aanvankelijke akkoorden tussen de partijen.
Anderzijds worden het materieel en de werktuigen, de sinds de overdracht door de onteigenende overheid opgetrokken gebouwen en gevestigde infrastructuur bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen bij de overname van de grond tegen hun koopwaarde betaald. Die waarde wordt door de aankoopcomités van onroerende goederen bedoeld in lid 1 berekend.
Bij verkoop mag de gebruiker het goed enkel wederverkopen mits instemming van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 of van de verkopende publiekrechtelijke persoon; de clausules bedoeld in de leden 1 en 2 moeten in de wederverkoopsakte opgenomen worden.
Art. D. VI.12_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Les terrains acquis en application de l'article D.VI.11 sont mis à la disposition des demandeurs par vente, emphytéose ou superficie.
L'acte de mise à disposition contient une clause précisant les actes et travaux et les activités envisagés sur le bien exproprié, ainsi que les autres modalités de son utilisation et, notamment, la date à laquelle les actes, travaux et activités devraient commencer.
§ 2. En cas de vente, l'acte contient une clause selon laquelle le pouvoir expropriant a la faculté de racheter le bien, si l'utilisateur cesse l'activité indiquée ou s'il ne respecte pas les modalités d'utilisation. Dans cette hypothèse, et à défaut d'accord entre les parties, le prix de rachat des terrains est déterminé par les comités d'acquisition d'immeubles [1 de la Région wallonn]1 agissant dans le cadre de la procédure en matière d'expropriation, sans considération de la plus-value qui aurait été acquise en violation des accords initiaux entre les parties.
D'autre part, et à défaut d'accord entre les parties, le matériel et l'outillage, les bâtiments construits et l'infrastructure établie depuis que le bien a été cédé par le pouvoir expropriant sont payés à leur valeur vénale lors du rachat du terrain. Cette valeur est déterminée par les comités visés à l'alinéa 1er.
En cas de vente, l'utilisateur ne peut revendre le bien que moyennant l'accord de la [1 Communauté germanophone]1 ou de la personne de droit public venderesse; les clauses visées aux alinéas 1er et 2 figurent dans l'acte de revente.
§ 1er. Les terrains acquis en application de l'article D.VI.11 sont mis à la disposition des demandeurs par vente, emphytéose ou superficie.
L'acte de mise à disposition contient une clause précisant les actes et travaux et les activités envisagés sur le bien exproprié, ainsi que les autres modalités de son utilisation et, notamment, la date à laquelle les actes, travaux et activités devraient commencer.
§ 2. En cas de vente, l'acte contient une clause selon laquelle le pouvoir expropriant a la faculté de racheter le bien, si l'utilisateur cesse l'activité indiquée ou s'il ne respecte pas les modalités d'utilisation. Dans cette hypothèse, et à défaut d'accord entre les parties, le prix de rachat des terrains est déterminé par les comités d'acquisition d'immeubles [1 de la Région wallonn]1 agissant dans le cadre de la procédure en matière d'expropriation, sans considération de la plus-value qui aurait été acquise en violation des accords initiaux entre les parties.
D'autre part, et à défaut d'accord entre les parties, le matériel et l'outillage, les bâtiments construits et l'infrastructure établie depuis que le bien a été cédé par le pouvoir expropriant sont payés à leur valeur vénale lors du rachat du terrain. Cette valeur est déterminée par les comités visés à l'alinéa 1er.
En cas de vente, l'utilisateur ne peut revendre le bien que moyennant l'accord de la [1 Communauté germanophone]1 ou de la personne de droit public venderesse; les clauses visées aux alinéas 1er et 2 figurent dans l'acte de revente.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - Comité voor de aankoop
CHAPITRE VII. - Comité d'acquisition
Art. D. VI.13. Op verzoek van de onteigenende overheid worden de comités voor de aankoop van onroerende goederen belast met alle aankopen en onteigeningen van onroerende goederen met het oog op de uitvoering van de plannen, ontwikkelingsplannen en omtrekken bedoeld in artikel D.VI.1. Ongeacht de onteigenende overheid zijn bedoelde comités gemachtigd om zonder bijzondere formaliteiten de openbare of onderhandse verkoop van de krachtens deze Titel aangekochte of onteigende onroerende goederen te verrichten. Van de in dit lid bedoelde akten kunnen afschriften worden verkregen.
De voorzitters van de aankoopcomité's zijn bevoegd om de onteigenende overheid in rechte te vertegenwoordigen.
De voorzitters van de aankoopcomité's zijn bevoegd om de onteigenende overheid in rechte te vertegenwoordigen.
Art. D. VI.13. A la demande du pouvoir expropriant, les comités d'acquisitions d'immeubles sont chargés de toutes les acquisitions et expropriations d'immeubles à effectuer pour l'exécution des plans, schémas et périmètres visés à l'article D.VI.1. Quel que soit le pouvoir expropriant, lesdits comités ont qualité pour procéder, sans formalités spéciales à la vente publique ou de gré à gré des immeubles acquis ou expropriés en vertu du présent Titre. Il peut être délivré des grosses des actes visés au présent alinéa.
Les présidents des comités d'acquisition sont compétents pour représenter en justice le pouvoir expropriant.
Les présidents des comités d'acquisition sont compétents pour représenter en justice le pouvoir expropriant.
Art. D. VI.14. Ongeacht de belanghebbende publiekrechtelijke rechtspersoon, zijn de aankoopcomités van onroerende goederen gemachtigd om zonder bijzondere formaliteiten en volgens de nadere regels van artikel D.VI.12 over te gaan tot de verkoop of de overdracht in erfpacht of opstal van de krachtens dit Wetboek aangekochte of onteigende onroerende goederen of van de domaniale goederen waaraan de Regering zou beslissen een bestemming bepaald bij dit Wetboek te geven. Van de in dit lid bedoelde akten kunnen afschriften worden verkregen.
Belanghebbende publiekrechtelijke personen kunnen zelf de overdracht van de door hen krachtens dit Wetboek aangekochte of onteigende onroerende goederen verrichten. Wanneer de publiekrechtelijke persoon geen beroep doet op het comité, moet zij de ontwerp-akte van verkoop of verhuur aan het visum van één van hogergenoemden voorleggen. Het comité moet zijn visum of de weigering om te viseren binnen een termijn van één maand te rekenen van de ontvangst van het dossier mededelen. In geval van noodzaak kan die termijn met één maand verlengd worden op verzoek van het comité.
Bij weigering om te viseren, bepaalt het comité met motivering ervan de voorwaarden die hij eist om zijn visum te verlenen. Het visum wordt verleend geacht wanneer het comité of de ontvanger de termijn bedoeld in vorig lid laat aflopen.
Belanghebbende publiekrechtelijke personen kunnen zelf de overdracht van de door hen krachtens dit Wetboek aangekochte of onteigende onroerende goederen verrichten. Wanneer de publiekrechtelijke persoon geen beroep doet op het comité, moet zij de ontwerp-akte van verkoop of verhuur aan het visum van één van hogergenoemden voorleggen. Het comité moet zijn visum of de weigering om te viseren binnen een termijn van één maand te rekenen van de ontvangst van het dossier mededelen. In geval van noodzaak kan die termijn met één maand verlengd worden op verzoek van het comité.
Bij weigering om te viseren, bepaalt het comité met motivering ervan de voorwaarden die hij eist om zijn visum te verlenen. Het visum wordt verleend geacht wanneer het comité of de ontvanger de termijn bedoeld in vorig lid laat aflopen.
Art. D. VI.14. Quelle que soit la personne de droit public intéressée, les comités d'acquisition d'immeubles ont qualité de procéder, sans formalités spéciales et suivant les modalités prévues à l'article D.VI.12, à la vente ou à la cession en emphytéose ou en superficie des immeubles acquis ou expropriés en vertu du présent code ou des immeubles domaniaux, auxquels le Gouvernement déciderait de donner une affectation prévue par le Code. Il peut être délivré des grosses des actes visés au présent alinéa.
Les personnes de droit public intéressées peuvent procéder elles-mêmes à la cession des immeubles acquis ou expropriés par elles en vertu du Code. Lorsqu'elle ne fait pas appel au comité, la personne de droit public soumet au visa de l'un de ceux-ci le projet d'acte de vente ou de location. Le comité notifie son visa ou son refus de viser dans un délai d'un mois à dater de la réception du dossier. En cas de nécessité, ce délai peut être prorogé d'un mois à la demande du comité.
En cas de refus de viser, le comité détermine, en les motivant, les conditions qu'il exige pour donner le visa. Le visa est censé accordé lorsque le comité laisse écouler le délai déterminé à l'alinéa précédent.
Les personnes de droit public intéressées peuvent procéder elles-mêmes à la cession des immeubles acquis ou expropriés par elles en vertu du Code. Lorsqu'elle ne fait pas appel au comité, la personne de droit public soumet au visa de l'un de ceux-ci le projet d'acte de vente ou de location. Le comité notifie son visa ou son refus de viser dans un délai d'un mois à dater de la réception du dossier. En cas de nécessité, ce délai peut être prorogé d'un mois à la demande du comité.
En cas de refus de viser, le comité détermine, en les motivant, les conditions qu'il exige pour donner le visa. Le visa est censé accordé lorsque le comité laisse écouler le délai déterminé à l'alinéa précédent.
HOOFDSTUK VIII. - Verzaak aan de onteigening
CHAPITRE VIII. - Renonciation à l'expropriation
Art. D. VI.15. Wanneer binnen een termijn van tien jaren, te rekenen van de goedkeuring van het onteigeningsplan, de in artikel D.VI.1 bedoelde goederen niet zijn verkocht of de onteigeningsprocedure niet is begonnen, kan de eigenaar per schrijven de bevoegde overheid verzoeken van de onteigening van zijn goed af te zien.
Is die overheid niet het Waalse Gewest, dan wordt de ingebrekestelling per zending meegedeeld aan de Regering of aan de gemachtigde ambtenaar.
Indien een stedenbouwkundige of een bebouwingsvergunning vóór de inwerkingtreding van een gewestplan of een ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.IV.58 wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning is verzonden.
Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een jaar te rekenen van de datum van verzending van de ingebrekestelling, kan de eigenaar schadevergoeding verkrijgen binnen de bij artikel D.VI.38 en volgende gestelde perken.
Is die overheid niet het Waalse Gewest, dan wordt de ingebrekestelling per zending meegedeeld aan de Regering of aan de gemachtigde ambtenaar.
Indien een stedenbouwkundige of een bebouwingsvergunning vóór de inwerkingtreding van een gewestplan of een ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.IV.58 wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning is verzonden.
Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een jaar te rekenen van de datum van verzending van de ingebrekestelling, kan de eigenaar schadevergoeding verkrijgen binnen de bij artikel D.VI.38 en volgende gestelde perken.
Art. D. VI.15. Lorsque, dans le délai de dix ans à partir de l'approbation du plan d'expropriation, les acquisitions d'immeubles visées à l'article D.VI.1 n'ont pas été réalisées ou que la procédure en expropriation n'a pas été entamée, le propriétaire peut, par envoi, inviter l'autorité compétente à renoncer à l'expropriation de son bien.
Si cette autorité est autre que la Région, information de cette mise en demeure est, par envoi, donnée au Gouvernement ou au fonctionnaire délégué.
Lorsque, antérieurement à l'entrée en vigueur d'un plan de secteur ou d'un schéma, le permis d'urbanisme ou d'urbanisation est refusé en application de l'article D.IV.58 afin de ne pas compromettre l'aménagement futur, le délai de dix ans court à partir de l'envoi du refus du permis.
Si l'autorité compétente ne s'est pas prononcée dans le délai d'un an à partir de l'envoi de la mise en demeure, le propriétaire pourra obtenir une indemnité dans les limites prévues aux articles D.VI.38 et suivants.
Si cette autorité est autre que la Région, information de cette mise en demeure est, par envoi, donnée au Gouvernement ou au fonctionnaire délégué.
Lorsque, antérieurement à l'entrée en vigueur d'un plan de secteur ou d'un schéma, le permis d'urbanisme ou d'urbanisation est refusé en application de l'article D.IV.58 afin de ne pas compromettre l'aménagement futur, le délai de dix ans court à partir de l'envoi du refus du permis.
Si l'autorité compétente ne s'est pas prononcée dans le délai d'un an à partir de l'envoi de la mise en demeure, le propriétaire pourra obtenir une indemnité dans les limites prévues aux articles D.VI.38 et suivants.
Art. D. VI.15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer binnen een termijn van tien jaren, te rekenen van de goedkeuring van het onteigeningsplan, de in artikel D.VI.1 bedoelde goederen niet zijn verkocht of de onteigeningsprocedure niet is begonnen, kan de eigenaar per schrijven de bevoegde overheid verzoeken van de onteigening van zijn goed af te zien.
Is die overheid niet [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, dan wordt de ingebrekestelling per zending meegedeeld aan de Regering [1 ...]1.
Indien een stedenbouwkundige [2 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2 vóór de inwerkingtreding van een gewestplan of een ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.IV.58 wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning is verzonden.
Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een jaar te rekenen van de datum van verzending van de ingebrekestelling, kan de eigenaar schadevergoeding verkrijgen binnen de bij artikel D.VI.38 en volgende gestelde perken.
Wanneer binnen een termijn van tien jaren, te rekenen van de goedkeuring van het onteigeningsplan, de in artikel D.VI.1 bedoelde goederen niet zijn verkocht of de onteigeningsprocedure niet is begonnen, kan de eigenaar per schrijven de bevoegde overheid verzoeken van de onteigening van zijn goed af te zien.
Is die overheid niet [1 de Duitstalige Gemeenschap]1, dan wordt de ingebrekestelling per zending meegedeeld aan de Regering [1 ...]1.
Indien een stedenbouwkundige [2 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]2 vóór de inwerkingtreding van een gewestplan of een ontwikkelingsplan overeenkomstig artikel D.IV.58 wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning is verzonden.
Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een jaar te rekenen van de datum van verzending van de ingebrekestelling, kan de eigenaar schadevergoeding verkrijgen binnen de bij artikel D.VI.38 en volgende gestelde perken.
Art. D. VI.15_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque, dans le délai de dix ans à partir de l'approbation du plan d'expropriation, les acquisitions d'immeubles visées à l'article D.VI.1 n'ont pas été réalisées ou que la procédure en expropriation n'a pas été entamée, le propriétaire peut, par envoi, inviter l'autorité compétente à renoncer à l'expropriation de son bien.
Si cette autorité est autre que la [1 Communauté germanophone]1, information de cette mise en demeure est, par envoi, donnée au Gouvernement [1 ...]1.
Lorsque, antérieurement à l'entrée en vigueur d'un plan de secteur ou d'un schéma, le permis d'urbanisme [2 , d'urbaniser ou de diviser]2 est refusé en application de l'article D.IV.58 afin de ne pas compromettre l'aménagement futur, le délai de dix ans court à partir de l'envoi du refus du permis.
Si l'autorité compétente ne s'est pas prononcée dans le délai d'un an à partir de l'envoi de la mise en demeure, le propriétaire pourra obtenir une indemnité dans les limites prévues aux articles D.VI.38 et suivants.
Lorsque, dans le délai de dix ans à partir de l'approbation du plan d'expropriation, les acquisitions d'immeubles visées à l'article D.VI.1 n'ont pas été réalisées ou que la procédure en expropriation n'a pas été entamée, le propriétaire peut, par envoi, inviter l'autorité compétente à renoncer à l'expropriation de son bien.
Si cette autorité est autre que la [1 Communauté germanophone]1, information de cette mise en demeure est, par envoi, donnée au Gouvernement [1 ...]1.
Lorsque, antérieurement à l'entrée en vigueur d'un plan de secteur ou d'un schéma, le permis d'urbanisme [2 , d'urbaniser ou de diviser]2 est refusé en application de l'article D.IV.58 afin de ne pas compromettre l'aménagement futur, le délai de dix ans court à partir de l'envoi du refus du permis.
Si l'autorité compétente ne s'est pas prononcée dans le délai d'un an à partir de l'envoi de la mise en demeure, le propriétaire pourra obtenir une indemnité dans les limites prévues aux articles D.VI.38 et suivants.
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
Art. D. VI.16. De onteigeningsbesluiten die in werking waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, blijven van toepassing.
De goedkeuringsprocedures voor de onteigeningsbesluiten die in behandeling waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek worden verder behandeld volgens de bepalingen van laatstgenoemde.
De goedkeuringsprocedures voor de onteigeningsbesluiten die in behandeling waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek worden verder behandeld volgens de bepalingen van laatstgenoemde.
Art. D. VI.16. Les arrêtés d'expropriation en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code restent d'application.
Les procédures d'approbation des arrêtés d'expropriation en cours à la date d'entrée en vigueur du Code se poursuivent selon les dispositions de ce dernier.
Les procédures d'approbation des arrêtés d'expropriation en cours à la date d'entrée en vigueur du Code se poursuivent selon les dispositions de ce dernier.
TITEL II. - Recht van voorkoop
TITRE II. - Droit de préemption
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
Afdeling 1. - De omtrekken van voorkoop
Section 1re. - Périmètres de préemption
Art. D. VI.17.§ 1. Elk onroerend goed vervat in volgende gebieden kan aan het recht van voorkoop worden onderworpen :
1° gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
2° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° gebieden met een economisch karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
4° gebieden van gewestelijk belang;
5° gebieden van gemeentelijk belang;
6° de domeinen van de spoor- of luchthaveninfrastructuren en de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
7° de omtrek van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
8° omtrekken van stadsheropleving;
9° omtrekken van stadsvernieuwing;
10° iedere andere omtrek bedoeld in een gewestplanherziening met betrekking tot de opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied;
11° een omtrek voor een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband :
a) ofwel met de uitvoering van het plan met betrekking tot de permanente bewoning;
b) ofwel met de aanleg of de verbetering van een verkeersinfrastructuur;
c) ofwel met een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, een omtrek van stedelijke herverkaveling of een bevoorrecht initiatiefgebied die aangenomen zijn;
[1 12° een groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64]1;
[2 13° een centrumgebied gedefinieerd door een gemeentelijk plan of een meergemeentelijk plan, op voorwaarde dat het goed een oppervlakte heeft van minstens 50 are.]2
[2 Kan ook aan het recht van voorkoop onderworpen worden, elk onroerend goed :
1° dat gevestigd is rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu ;
"2° binnen een omtrek die is vastgesteld in uitvoering van een ander voorschrift met het oog op de aanpassing van het grondgebied aan een belangrijk natuurlijk risico of geotechnische beperking zoals overstroming in de zin van artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar.]2
De Regering houdt op de door haar bepaalde wijze een inventaris van alle gebieden en oppervlakten die aan het recht van voorkoop onderworpen zijn.
§ 2. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een besluit waarbij hun onteigening ten algemenen nutte wordt bepaald.
1° gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
2° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° gebieden met een economisch karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
4° gebieden van gewestelijk belang;
5° gebieden van gemeentelijk belang;
6° de domeinen van de spoor- of luchthaveninfrastructuren en de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
7° de omtrek van te herontwikkelen locaties en locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
8° omtrekken van stadsheropleving;
9° omtrekken van stadsvernieuwing;
10° iedere andere omtrek bedoeld in een gewestplanherziening met betrekking tot de opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied;
11° een omtrek voor een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband :
a) ofwel met de uitvoering van het plan met betrekking tot de permanente bewoning;
b) ofwel met de aanleg of de verbetering van een verkeersinfrastructuur;
c) ofwel met een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, een omtrek van stedelijke herverkaveling of een bevoorrecht initiatiefgebied die aangenomen zijn;
[1 12° een groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64]1;
[2 13° een centrumgebied gedefinieerd door een gemeentelijk plan of een meergemeentelijk plan, op voorwaarde dat het goed een oppervlakte heeft van minstens 50 are.]2
[2 Kan ook aan het recht van voorkoop onderworpen worden, elk onroerend goed :
1° dat gevestigd is rondom inrichtingen die een hoog risico inhouden in de zin van het decreet van 11 maart 1999 of de gebieden die uitsluitend bestemd zijn voor de nijverheden die hoge risico's vormen voor de personen, de goederen of het leefmilieu ;
"2° binnen een omtrek die is vastgesteld in uitvoering van een ander voorschrift met het oog op de aanpassing van het grondgebied aan een belangrijk natuurlijk risico of geotechnische beperking zoals overstroming in de zin van artikel D.53-2 van het Waterwetboek, de instorting van een rotswand, de aardverschuiving, de mijnverzakkingen, de verzakkingen te wijten aan mijnwerken, winningen van ijzerertsen of ondergrondse holtes of het aardbevingsgevaar.]2
De Regering houdt op de door haar bepaalde wijze een inventaris van alle gebieden en oppervlakten die aan het recht van voorkoop onderworpen zijn.
§ 2. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een besluit waarbij hun onteigening ten algemenen nutte wordt bepaald.
Art. D. VI.17.§ 1er. Peut être soumis au droit de préemption tout bien immobilier compris dans :
1° une zone d'aménagement communal concerté;
2° une zone de services publics et d'équipements communautaires;
3° une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
4° une zone d'enjeu régional;
5° une zone d'enjeu communal;
6° les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et les ports autonomes visés à l'article D.II.19;
7° un périmètre d'un site à réaménager ou d'un site de réhabilitation paysagère et environnementale;
8° un périmètre de revitalisation urbaine;
9° un périmètre de rénovation urbaine;
10° un périmètre visé par une révision de plan de secteur relative à l'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation;
11° un périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien :
a) soit avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
b) soit avec l'implantation ou l'amélioration d'une infrastructure de communication;
c) soit avec un schéma d'orientation local, un périmètre de remembrement urbain ou une zone d'initiative privilégiée adoptés;
[1 12° une zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64]1;
[2 13° une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, à la condition que le bien ait une superficie minimale de 50 ares.]2
[2 Peut aussi être soumis au droit de préemption tout bien immobilier :
1° établi autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
2° compris dans un périmètre adopté en exécution d'une autre réglementation en vue d'adapter le territoire à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation au sens de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, les affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique.]2
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement tient l'inventaire des zones et périmètres soumis au droit de préemption.
§ 2. Le droit de préemption n'est pas applicable aux biens qui font l'objet d'un arrêté décrétant leur expropriation pour cause d'utilité publique.
1° une zone d'aménagement communal concerté;
2° une zone de services publics et d'équipements communautaires;
3° une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
4° une zone d'enjeu régional;
5° une zone d'enjeu communal;
6° les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et les ports autonomes visés à l'article D.II.19;
7° un périmètre d'un site à réaménager ou d'un site de réhabilitation paysagère et environnementale;
8° un périmètre de revitalisation urbaine;
9° un périmètre de rénovation urbaine;
10° un périmètre visé par une révision de plan de secteur relative à l'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation;
11° un périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien :
a) soit avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
b) soit avec l'implantation ou l'amélioration d'une infrastructure de communication;
c) soit avec un schéma d'orientation local, un périmètre de remembrement urbain ou une zone d'initiative privilégiée adoptés;
[1 12° une zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64]1;
[2 13° une centralité définie par un schéma communal ou pluricommunal, à la condition que le bien ait une superficie minimale de 50 ares.]2
[2 Peut aussi être soumis au droit de préemption tout bien immobilier :
1° établi autour des établissements présentant un risque d'accident majeur au sens du décret du 11 mars 1999 ou des zones exclusivement destinées aux industries qui présentent des risques majeurs pour les personnes, les biens ou l'environnement;
2° compris dans un périmètre adopté en exécution d'une autre réglementation en vue d'adapter le territoire à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que l'inondation au sens de l'article D.53-2 du Code de l'Eau, l'éboulement d'une paroi rocheuse, le glissement de terrain, le karst, les affaissements miniers, les affaissements dus à des travaux ou ouvrages de mines, minières de fer ou cavités souterraines ou le risque sismique.]2
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement tient l'inventaire des zones et périmètres soumis au droit de préemption.
§ 2. Le droit de préemption n'est pas applicable aux biens qui font l'objet d'un arrêté décrétant leur expropriation pour cause d'utilité publique.
Art. D _VI.17.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Elk onroerend goed vervat in volgende gebieden kan aan het recht van voorkoop worden onderworpen :
1° gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
2° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° gebieden met een economisch karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
4° gebieden van gewestelijk belang;
5° gebieden van gemeentelijk belang;
6° de domeinen van de spoor- of luchthaveninfrastructuren en de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
7° [2 omtrekken voor een saneringslocatie;]2
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° iedere andere omtrek bedoeld in een gewestplanherziening met betrekking tot de opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied;
11° een omtrek voor een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband :
a) ofwel met de uitvoering van het plan met betrekking tot de permanente bewoning;
b) ofwel met de aanleg of de verbetering van een verkeersinfrastructuur;
c) ofwel met een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan [2 of een omtrek voor een stedelijke verkaveling]2 die aangenomen zijn;
[1 12° een groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64.]1
De Regering houdt op de door haar bepaalde wijze een inventaris van alle gebieden en oppervlakten die aan het recht van voorkoop onderworpen zijn.
§ 2. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een besluit waarbij hun onteigening ten algemenen nutte wordt bepaald.
§ 1. Elk onroerend goed vervat in volgende gebieden kan aan het recht van voorkoop worden onderworpen :
1° gebieden waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
2° gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
3° gebieden met een economisch karakter waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is;
4° gebieden van gewestelijk belang;
5° gebieden van gemeentelijk belang;
6° de domeinen van de spoor- of luchthaveninfrastructuren en de autonome havens bedoeld in artikel D.II.19;
7° [2 omtrekken voor een saneringslocatie;]2
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° iedere andere omtrek bedoeld in een gewestplanherziening met betrekking tot de opneming van een nieuw voor bebouwing bestemd gebied;
11° een omtrek voor een specifieke stedenbouwkundige verrichting in verband :
a) ofwel met de uitvoering van het plan met betrekking tot de permanente bewoning;
b) ofwel met de aanleg of de verbetering van een verkeersinfrastructuur;
c) ofwel met een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan [2 of een omtrek voor een stedelijke verkaveling]2 die aangenomen zijn;
[1 12° een groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64.]1
De Regering houdt op de door haar bepaalde wijze een inventaris van alle gebieden en oppervlakten die aan het recht van voorkoop onderworpen zijn.
§ 2. Het recht van voorkoop is niet van toepassing op goederen die het voorwerp zijn van een besluit waarbij hun onteigening ten algemenen nutte wordt bepaald.
Art. D _VI.17.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Peut être soumis au droit de préemption tout bien immobilier compris dans :
1° une zone d'aménagement communal concerté;
2° une zone de services publics et d'équipements communautaires;
3° une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
4° une zone d'enjeu régional;
5° une zone d'enjeu communal;
6° les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et les ports autonomes visés à l'article D.II.19;
7° [2 un périmètre de site à réaménager;]2
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° un périmètre visé par une révision de plan de secteur relative à l'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation;
11° un périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien :
a) soit avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
b) soit avec l'implantation ou l'amélioration d'une infrastructure de communication;
c) soit avec un schéma d'orientation local [2 ou un périmètre de remembrement urbain adoptés]2;
[1 12° une zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64.]1
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement tient l'inventaire des zones et périmètres soumis au droit de préemption.
§ 2. Le droit de préemption n'est pas applicable aux biens qui font l'objet d'un arrêté décrétant leur expropriation pour cause d'utilité publique.
§ 1er. Peut être soumis au droit de préemption tout bien immobilier compris dans :
1° une zone d'aménagement communal concerté;
2° une zone de services publics et d'équipements communautaires;
3° une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique;
4° une zone d'enjeu régional;
5° une zone d'enjeu communal;
6° les domaines des infrastructures ferroviaires ou aéroportuaires et les ports autonomes visés à l'article D.II.19;
7° [2 un périmètre de site à réaménager;]2
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° un périmètre visé par une révision de plan de secteur relative à l'inscription d'une nouvelle zone destinée à l'urbanisation;
11° un périmètre d'une opération spécifique d'urbanisme en lien :
a) soit avec la mise en oeuvre du plan relatif à l'habitat permanent;
b) soit avec l'implantation ou l'amélioration d'une infrastructure de communication;
c) soit avec un schéma d'orientation local [2 ou un périmètre de remembrement urbain adoptés]2;
[1 12° une zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64.]1
Selon les modalités qu'il arrête, le Gouvernement tient l'inventaire des zones et périmètres soumis au droit de préemption.
§ 2. Le droit de préemption n'est pas applicable aux biens qui font l'objet d'un arrêté décrétant leur expropriation pour cause d'utilité publique.
Afdeling 2. - Voorwerp van de voorkoop
Section 2. - Objet de la préemption
Art. D. VI.18. Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, wijst het voorwerp aan waarvoor het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend, dat verband moet houden met de doelstellingen van de zonering of van de omtrek die aan de omtrek van voorkoop ten grondslag ligt.
Art. D. VI.18. L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise l'objet pour lequel le droit peut être exercé qui est en lien avec les objectifs du zonage ou du périmètre à l'origine du périmètre de préemption.
Afdeling 3. - Voorkoopgerechtigde overheden
Section 3. - Pouvoirs préempteurs
Art. D. VI.19. Mogelijke begunstigden van een recht van voorkoop zijn :
1° het Gewest;
2° de gemeenten, de zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de Waalse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende openbare vastgoedmaatschappijen;
4° de intercommunales die ruimtelijke ordening, huisvesting of economische ontwikkeling tot maatschappelijk doel hebben.
Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, wijst de begunstigden van het recht en de plaats die ze in de volgorde innemen, aan.
1° het Gewest;
2° de gemeenten, de zelfstandige gemeente- of provinciebedrijven en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de Waalse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en de door haar erkende openbare vastgoedmaatschappijen;
4° de intercommunales die ruimtelijke ordening, huisvesting of economische ontwikkeling tot maatschappelijk doel hebben.
Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, wijst de begunstigden van het recht en de plaats die ze in de volgorde innemen, aan.
Art. D. VI.19. Peuvent être bénéficiaires d'un droit de préemption :
1° la Région;
2° les communes, les régies communales et provinciales autonomes et les centres publics d'action sociale;
3° la Société régionale wallonne du logement et les sociétés immobilières de service public qu'elle agrée;
4° les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique.
L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise les bénéficiaires du droit et l'ordre de priorité accordé à chacun d'eux.
1° la Région;
2° les communes, les régies communales et provinciales autonomes et les centres publics d'action sociale;
3° la Société régionale wallonne du logement et les sociétés immobilières de service public qu'elle agrée;
4° les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique.
L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise les bénéficiaires du droit et l'ordre de priorité accordé à chacun d'eux.
Art. D. VI.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Mogelijke begunstigden van een recht van voorkoop zijn :
1° [1 de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° de gemeenten, de [1 autonome gemeentebedrijven]1 en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° [1 de erkende openbare vastgoedmaatschappijen]1;
4° de intercommunales die ruimtelijke ordening, huisvesting of economische ontwikkeling tot maatschappelijk doel hebben.
Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, wijst de begunstigden van het recht en de plaats die ze in de volgorde innemen, aan.
Mogelijke begunstigden van een recht van voorkoop zijn :
1° [1 de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° de gemeenten, de [1 autonome gemeentebedrijven]1 en openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° [1 de erkende openbare vastgoedmaatschappijen]1;
4° de intercommunales die ruimtelijke ordening, huisvesting of economische ontwikkeling tot maatschappelijk doel hebben.
Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, wijst de begunstigden van het recht en de plaats die ze in de volgorde innemen, aan.
Art. D. VI.19_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Peuvent être bénéficiaires d'un droit de préemption :
1° [1 la Communauté germanophone;]1
2° les communes, les régies communales [1 ...]1 autonomes et les centres publics d'action sociale;
3° [1 les sociétés immobilières de service public;]1
4° les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique.
L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise les bénéficiaires du droit et l'ordre de priorité accordé à chacun d'eux.
Peuvent être bénéficiaires d'un droit de préemption :
1° [1 la Communauté germanophone;]1
2° les communes, les régies communales [1 ...]1 autonomes et les centres publics d'action sociale;
3° [1 les sociétés immobilières de service public;]1
4° les intercommunales ayant dans leur objet social l'aménagement du territoire ou le logement ou le développement économique.
L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise les bénéficiaires du droit et l'ordre de priorité accordé à chacun d'eux.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Akten die de voorkoopprocedure doen ontstaan
Section 4. - Actes générateurs de la procédure de préemption
Art. D. VI.20. Het recht van voorkoop is van toepassing op alle vervreemdingen ten bezwarende titel van al dan niet bebouwde onroerende goederen en op alle rechten van erfpacht of opstal die betrekking hebben op onroerende goederen.
Het recht van voorkoop is echter niet van toepassing op :
1° vervreemdingen tussen echtgenoten, bloed- of aanverwanten in rechte lijn, noch tussen bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad;
2° de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen onderworpen aan de wet van 9 juli 1971 tot regeling van de bouw van woningen en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen;
3° inbrengen in vennootschappen en de overdrachten voortvloeiend uit fusies, splitsingen en opslorpingen van handelsvennootschappen;
4° uitwisselingen met of zonder bijbetalingen verricht in het kader van de ruil- of herverkavelingsoperaties bedoeld in de artikelen D.VI.34 tot D.VI.37;
5° overdrachten van gebouwen in uitvoering van een in een leasingcontract opgenomen verkoopbelofte.
Het recht van voorkoop is echter niet van toepassing op :
1° vervreemdingen tussen echtgenoten, bloed- of aanverwanten in rechte lijn, noch tussen bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad;
2° de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen onderworpen aan de wet van 9 juli 1971 tot regeling van de bouw van woningen en de verkoop van te bouwen of in aanbouw zijnde woningen;
3° inbrengen in vennootschappen en de overdrachten voortvloeiend uit fusies, splitsingen en opslorpingen van handelsvennootschappen;
4° uitwisselingen met of zonder bijbetalingen verricht in het kader van de ruil- of herverkavelingsoperaties bedoeld in de artikelen D.VI.34 tot D.VI.37;
5° overdrachten van gebouwen in uitvoering van een in een leasingcontract opgenomen verkoopbelofte.
Art. D. VI.20. Le droit de préemption s'applique à toutes les aliénations à titre onéreux d'immeubles bâtis ou non bâtis et de tous droits d'emphytéose ou de superficie portant sur des immeubles.
Sont toutefois soustraits au droit de préemption :
1° les aliénations entre conjoints, entre parents ou alliés en ligne directe ainsi qu'entre parents ou alliés jusqu'au deuxième degré inclus;
2° les ventes d'habitations à construire ou en voie de construction soumises à la loi du 9 juillet 1971 réglementant la construction d'habitations et la vente d'habitations à construire ou en voie de construction;
3° les apports en société et les cessions résultant de fusions, scissions et absorptions de sociétés commerciales;
4° les échanges avec ou sans soulte opérés dans le cadre des opérations de remembrement ou de relotissement visées aux articles D.VI.34 à D.VI.37;
5° les cessions d'immeubles en exécution d'une promesse de vente insérée dans un contrat de location-financement.
Sont toutefois soustraits au droit de préemption :
1° les aliénations entre conjoints, entre parents ou alliés en ligne directe ainsi qu'entre parents ou alliés jusqu'au deuxième degré inclus;
2° les ventes d'habitations à construire ou en voie de construction soumises à la loi du 9 juillet 1971 réglementant la construction d'habitations et la vente d'habitations à construire ou en voie de construction;
3° les apports en société et les cessions résultant de fusions, scissions et absorptions de sociétés commerciales;
4° les échanges avec ou sans soulte opérés dans le cadre des opérations de remembrement ou de relotissement visées aux articles D.VI.34 à D.VI.37;
5° les cessions d'immeubles en exécution d'une promesse de vente insérée dans un contrat de location-financement.
Afdeling 5. - Duurtijd
Section 5. - Durée
Art. D. VI.21. Het regeringsbesluit tot bepaling van de omtrek waarop het recht van voorkoop van toepassing is, vermeldt de duur van het recht van voorkoop, dat niet langer dan vijftien jaar mag duren; het kan verlengd worden met periodes van hoogstens vijf jaar.
Art. D. VI.21. L'arrêté du Gouvernement déterminant le périmètre d'application du droit de préemption précise la durée du droit de préemption qui ne peut dépasser quinze ans; elle peut être renouvelée pour des périodes ne dépassant pas chacune cinq ans.
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de aanneming van de omtrekken
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption des périmètres
Art. D. VI.22. Op eigen initiatief of op verzoek van één van de voorkoopgerechtigen, bedoeld in artikel D.VI.19, wordt een omtrek van voorkoop door de Regering aangenomen of goedgekeurd.
Art. D. VI.22. D'initiative ou à la demande d'un des bénéficiaires du droit de préemption visés à l'article D.VI.19, le Gouvernement adopte ou approuve tout périmètre de préemption.
Art. D. VI.23. Indien de omtrek van voorkoop tegelijk met het plan, het ontwikkelingsplan of de omtrek bedoeld in artikel D.VI.17 wordt opgemaakt, worden ze samen onderworpen aan de regels voor de aanneming of de goedkeuring van desbetreffend plan, ontwikkelingsplan of omtrek.
Art. D. VI.23. Lorsque le périmètre de préemption est dressé en même temps que le plan, le schéma ou le périmètre visé à l'article D.VI.17, ils sont soumis ensemble aux formalités prévues pour l'adoption ou l'approbation du plan, du schéma ou du périmètre concerné.
Art. D. VI.24. § 1. Indien de omtrek van voorkoop na het plan, het ontwikkelingsplan of de omtrek bedoeld in artikel D.VI.17 wordt opgemaakt, binnen de vijftien dagen na het verzoek van de Regering, dan wordt de ontwerp-omtrek van voorkoop door de gemeente aan een openbaar onderzoek onderworpen.
De Regering keurt de omtrek van voorkoop binnen de zestig dagen na ontvangst van het verzoek van de voorkoopgerechtigde goed. Die termijn kan bij gemotiveerd besluit met dertig dagen verlengd worden.
§ 2. Indien het besluit van de Regering niet binnen deze termijn wordt aangenomen, kan de voorkoopgerechtigde bedoeld in artikel D.VI.22 haar een aanmaning bij ter post aangetekend schrijven toesturen. Indien de voorkoopgerechtigde bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aanmaning het besluit van de Regering niet heeft ontvangen, wordt de omtrek van voorkoop geacht verworpen te zijn.
§ 3. Het regeringsbesluit wordt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende bekendgemaakt.
Binnen tien dagen na de goedkeuring door de Regering, wordt het besluit per zending betekend aan de eigenaars en aan de houders van een zakelijk onroerend recht op goederen gelegen in het gebied waarop het recht van voorkoop van toepassing is, alsmede aan de gemeente.
De Regering keurt de omtrek van voorkoop binnen de zestig dagen na ontvangst van het verzoek van de voorkoopgerechtigde goed. Die termijn kan bij gemotiveerd besluit met dertig dagen verlengd worden.
§ 2. Indien het besluit van de Regering niet binnen deze termijn wordt aangenomen, kan de voorkoopgerechtigde bedoeld in artikel D.VI.22 haar een aanmaning bij ter post aangetekend schrijven toesturen. Indien de voorkoopgerechtigde bij verstrijken van een nieuwe termijn van zestig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aanmaning het besluit van de Regering niet heeft ontvangen, wordt de omtrek van voorkoop geacht verworpen te zijn.
§ 3. Het regeringsbesluit wordt overeenkomstig de artikelen D.VIII.22 en volgende bekendgemaakt.
Binnen tien dagen na de goedkeuring door de Regering, wordt het besluit per zending betekend aan de eigenaars en aan de houders van een zakelijk onroerend recht op goederen gelegen in het gebied waarop het recht van voorkoop van toepassing is, alsmede aan de gemeente.
Art. D. VI.24. § 1er. Lorsque le périmètre de préemption est dressé postérieurement au plan, schéma ou périmètre visés à l'article D.VI.17, dans les quinze jours de la demande du Gouvernement, la commune soumet le projet de périmètre de préemption à enquête publique.
Le Gouvernement approuve le périmètre de préemption dans les soixante jours de la réception de la demande du bénéficiaire du droit de préemption. Ce délai peut être prolongé de trente jours par arrêté motivé.
§ 2. A défaut de l'adoption de l'arrêté du Gouvernement dans ces délais, le bénéficiaire du droit de préemption visé à l'article D.VI.22 peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à l'envoi du rappel, le bénéficiaire du droit de préemption visé à l'article D.VI.22 n'a pas reçu la décision du Gouvernement, le périmètre de préemption est réputé refusé.
§ 3. L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
En outre, dans les dix jours de son approbation par le Gouvernement, l'arrêté est notifié, par envoi, aux propriétaires et aux titulaires d'un droit réel immobilier des biens compris dans le périmètre soumis au droit de préemption ainsi qu'à la commune.
Le Gouvernement approuve le périmètre de préemption dans les soixante jours de la réception de la demande du bénéficiaire du droit de préemption. Ce délai peut être prolongé de trente jours par arrêté motivé.
§ 2. A défaut de l'adoption de l'arrêté du Gouvernement dans ces délais, le bénéficiaire du droit de préemption visé à l'article D.VI.22 peut, par envoi, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de soixante jours prenant cours à l'envoi du rappel, le bénéficiaire du droit de préemption visé à l'article D.VI.22 n'a pas reçu la décision du Gouvernement, le périmètre de préemption est réputé refusé.
§ 3. L'arrêté du Gouvernement est publié conformément aux articles D.VIII.22 et suivants.
En outre, dans les dix jours de son approbation par le Gouvernement, l'arrêté est notifié, par envoi, aux propriétaires et aux titulaires d'un droit réel immobilier des biens compris dans le périmètre soumis au droit de préemption ainsi qu'à la commune.
HOOFDSTUK III. - Voorkoopprocedure
CHAPITRE III. - Procédure de préemption
Afdeling 1. - Verklaring van het voornemen tot vervreemding
Section 1re. - Déclaration d'intention d'aliéner
Art. D. VI.25.§ 1. Elke vervreemding van een zakelijk onroerend recht dat het voorwerp is van een recht van voorkoop, is onderworpen aan een voorafgaandelijke intentieverklaring die de houder per zending gelijktijdig aan de Regering en aan de gemeente richt.
De intentieverklaring tot vervreemding, waarvan het formulier door de Regering wordt bepaald, moet de volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit en de woonplaats van de houder van een onroerend zakelijk recht;
2° het adres van het onroerend goed waarvan de vervreemding wordt overwogen;
3° de omschrijving van het onroerend goed en meer bepaald de kadastrale aanduiding ervan, de oppervlakte van het perceel, de grondoppervlakte van het gebouwde, de vloeroppervlakte en het aantal verdiepingen;
4° de andere zakelijke rechten en de persoonlijke rechten die eraan verbonden zijn;
5° een uitvoerige lijst van de bouw-, stedenbouwkundige, verkavelings- of bebouwingsvergunningen, de stedenbouwkundige attesten betreffende het goed, alsook de meest recente en meest nauwkeurige stedenbouwkundige bestemming, met de benaming die in het gewestplan of de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen voorkomt;
6° [1 de prijsopgave en de voorwaarden van de overwogen vervreemding, of, in het geval van een openbare verkoop, de nadere regels van verkoop, waaronder de eventuele inzet, en, bij een fysieke verkoop, dag, uur en plaats ervan of, bij een gedematerialiseerde verkoop, dag van aanvang en sluiting van het opbod;]1
7° bij gebrek aan de prijs, de conventionele waarde van de tegenprestatie die vastgesteld is ten laste van de koper van het zakelijk onroerend recht;
8° de vermelding dat de houders van het recht van voorkoop het recht hebben het goed te bezichtigen.
[1 De houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding kan de informatie bedoeld in lid 2, 5°, bij het gemeentebestuur opvragen. De informatie wordt door het gemeentebestuur overgemaakt binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Wordt deze aanvraag niet binnen de voorziene termijn door betrokken bestuur beantwoord, dan vermeldt de houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding in de verklaring de datum van verzending van de aanvraag tot informatie of van het bericht van ontvangst ervan en wijst erop, dat bedoelde informatie niet is verstrekt.]1
§ 2. In het geval van een openbare verkoop, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring ten minste zestig dagen [1 voor de dag van aanvang van de biedingen]1 door de notaris die met de verkoop belast is, opgemaakt. In geval van herverkoop ingevolge de uitoefening van het recht op een hoger bod [1 aan de voorkoopgerechtigde die niet heeft afgezien van het uitoefenen van zijn recht]1, wordt de verklaring vlak na de ontvangst van het hoger bod door de notaris opgemaakt. Ze vermeldt bovendien de datum en de regels van de verkoop.
De intentieverklaring tot vervreemding, waarvan het formulier door de Regering wordt bepaald, moet de volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit en de woonplaats van de houder van een onroerend zakelijk recht;
2° het adres van het onroerend goed waarvan de vervreemding wordt overwogen;
3° de omschrijving van het onroerend goed en meer bepaald de kadastrale aanduiding ervan, de oppervlakte van het perceel, de grondoppervlakte van het gebouwde, de vloeroppervlakte en het aantal verdiepingen;
4° de andere zakelijke rechten en de persoonlijke rechten die eraan verbonden zijn;
5° een uitvoerige lijst van de bouw-, stedenbouwkundige, verkavelings- of bebouwingsvergunningen, de stedenbouwkundige attesten betreffende het goed, alsook de meest recente en meest nauwkeurige stedenbouwkundige bestemming, met de benaming die in het gewestplan of de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen voorkomt;
6° [1 de prijsopgave en de voorwaarden van de overwogen vervreemding, of, in het geval van een openbare verkoop, de nadere regels van verkoop, waaronder de eventuele inzet, en, bij een fysieke verkoop, dag, uur en plaats ervan of, bij een gedematerialiseerde verkoop, dag van aanvang en sluiting van het opbod;]1
7° bij gebrek aan de prijs, de conventionele waarde van de tegenprestatie die vastgesteld is ten laste van de koper van het zakelijk onroerend recht;
8° de vermelding dat de houders van het recht van voorkoop het recht hebben het goed te bezichtigen.
[1 De houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding kan de informatie bedoeld in lid 2, 5°, bij het gemeentebestuur opvragen. De informatie wordt door het gemeentebestuur overgemaakt binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Wordt deze aanvraag niet binnen de voorziene termijn door betrokken bestuur beantwoord, dan vermeldt de houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding in de verklaring de datum van verzending van de aanvraag tot informatie of van het bericht van ontvangst ervan en wijst erop, dat bedoelde informatie niet is verstrekt.]1
§ 2. In het geval van een openbare verkoop, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring ten minste zestig dagen [1 voor de dag van aanvang van de biedingen]1 door de notaris die met de verkoop belast is, opgemaakt. In geval van herverkoop ingevolge de uitoefening van het recht op een hoger bod [1 aan de voorkoopgerechtigde die niet heeft afgezien van het uitoefenen van zijn recht]1, wordt de verklaring vlak na de ontvangst van het hoger bod door de notaris opgemaakt. Ze vermeldt bovendien de datum en de regels van de verkoop.
Art. D. VI.25.§ 1er. Toute aliénation d'un droit réel immobilier soumis au droit de préemption est subordonnée à une déclaration préalable d'intention de son titulaire adressée par envoi simultanément au Gouvernement et à la commune.
La déclaration d'intention d'aliéner, dont le modèle est arrêté par le Gouvernement, contient obligatoirement :
1° l'identité et le domicile du titulaire d'un droit réel immobilier;
2° l'adresse de l'immeuble dont l'aliénation est projetée;
3° la description de l'immeuble et notamment sa désignation cadastrale, la superficie de la parcelle, la superficie au sol du bâti, la superficie de plancher et le nombre de niveaux;
4° les autres droits réels et les droits personnels qui y sont attachés;
5° la mention détaillée des permis de bâtir, d'urbanisme, de lotir ou d'urbanisation, des certificats d'urbanisme relatifs au bien ainsi que la destination urbanistique la plus récente et la plus précise, en indiquant la dénomination prévue au plan de secteur ou aux schémas pluricommunaux ou communaux;
6° [1 l'indication du prix et des conditions de l'aliénation projetée ou, en cas de vente publique, les modalités de la vente dont l'éventuelle mise à prix, ainsi que, en cas de vente physique, le jour, l'heure et le lieu de celle-ci ou, en cas de vente dématérialisée, le jour du début et de clôture des enchères;]1
7° à défaut de prix, la valeur conventionnelle de la contre-prestation stipulée à charge de l'acquéreur du droit réel immobilier;
8° l'indication de ce que les titulaires du droit de préemption ont le droit de visiter le bien.
[1 Le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation peut demander à l'administration communale les informations visées à l'alinéa 2, 5°. Les informations sont transmises par l'administration communale dans les trente jours de la réception de la demande. A défaut de réponse de l'administration intéressée dans le délai prévu, le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation mentionne dans la déclaration la date de l'envoi contenant la demande d'informations ou du récépissé de la demande d'informations et indique que les informations n'ont pas été données]1
§ 2. En cas de vente publique, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite par le notaire chargé de procéder à la vente au moins soixante jours [1 avant le jour du début des enchères]1. En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la déclaration est faite par le notaire dès réception des surenchères [1 au bénéficiaire qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit]1. Elle indique en outre la date et les modalités de la vente.
La déclaration d'intention d'aliéner, dont le modèle est arrêté par le Gouvernement, contient obligatoirement :
1° l'identité et le domicile du titulaire d'un droit réel immobilier;
2° l'adresse de l'immeuble dont l'aliénation est projetée;
3° la description de l'immeuble et notamment sa désignation cadastrale, la superficie de la parcelle, la superficie au sol du bâti, la superficie de plancher et le nombre de niveaux;
4° les autres droits réels et les droits personnels qui y sont attachés;
5° la mention détaillée des permis de bâtir, d'urbanisme, de lotir ou d'urbanisation, des certificats d'urbanisme relatifs au bien ainsi que la destination urbanistique la plus récente et la plus précise, en indiquant la dénomination prévue au plan de secteur ou aux schémas pluricommunaux ou communaux;
6° [1 l'indication du prix et des conditions de l'aliénation projetée ou, en cas de vente publique, les modalités de la vente dont l'éventuelle mise à prix, ainsi que, en cas de vente physique, le jour, l'heure et le lieu de celle-ci ou, en cas de vente dématérialisée, le jour du début et de clôture des enchères;]1
7° à défaut de prix, la valeur conventionnelle de la contre-prestation stipulée à charge de l'acquéreur du droit réel immobilier;
8° l'indication de ce que les titulaires du droit de préemption ont le droit de visiter le bien.
[1 Le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation peut demander à l'administration communale les informations visées à l'alinéa 2, 5°. Les informations sont transmises par l'administration communale dans les trente jours de la réception de la demande. A défaut de réponse de l'administration intéressée dans le délai prévu, le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation mentionne dans la déclaration la date de l'envoi contenant la demande d'informations ou du récépissé de la demande d'informations et indique que les informations n'ont pas été données]1
§ 2. En cas de vente publique, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite par le notaire chargé de procéder à la vente au moins soixante jours [1 avant le jour du début des enchères]1. En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la déclaration est faite par le notaire dès réception des surenchères [1 au bénéficiaire qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit]1. Elle indique en outre la date et les modalités de la vente.
Wijzigingen
Art. D _VI.25.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Elke vervreemding van een zakelijk onroerend recht dat het voorwerp is van een recht van voorkoop, is onderworpen aan een voorafgaandelijke intentieverklaring die de houder per zending gelijktijdig aan de Regering en aan de gemeente richt.
De intentieverklaring tot vervreemding, waarvan het formulier door de Regering wordt bepaald, moet de volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit en de woonplaats van de houder van een onroerend zakelijk recht;
2° het adres van het onroerend goed waarvan de vervreemding wordt overwogen;
3° de omschrijving van het onroerend goed en meer bepaald de kadastrale aanduiding ervan, de oppervlakte van het perceel, de grondoppervlakte van het gebouwde, de vloeroppervlakte en het aantal verdiepingen;
4° de andere zakelijke rechten en de persoonlijke rechten die eraan verbonden zijn;
5° een uitvoerige lijst van de bouw-, stedenbouwkundige, verkavelings- [2 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]2, de stedenbouwkundige attesten betreffende het goed, alsook de meest recente en meest nauwkeurige stedenbouwkundige bestemming, met de benaming die in het gewestplan of de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen voorkomt;
6° [1 de prijsopgave en de voorwaarden van de overwogen vervreemding, of, in het geval van een openbare verkoop, de nadere regels van verkoop, waaronder de eventuele inzet, en, bij een fysieke verkoop, dag, uur en plaats ervan of, bij een gedematerialiseerde verkoop, dag van aanvang en sluiting van het opbod;]1
7° bij gebrek aan de prijs, de conventionele waarde van de tegenprestatie die vastgesteld is ten laste van de koper van het zakelijk onroerend recht;
8° de vermelding dat de houders van het recht van voorkoop het recht hebben het goed te bezichtigen.
[1 De houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding kan de informatie bedoeld in lid 2, 5°, bij het gemeentebestuur opvragen. De informatie wordt door het gemeentebestuur overgemaakt binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Wordt deze aanvraag niet binnen de voorziene termijn door betrokken bestuur beantwoord, dan vermeldt de houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding in de verklaring de datum van verzending van de aanvraag tot informatie of van het bericht van ontvangst ervan en wijst erop, dat bedoelde informatie niet is verstrekt.]1
§ 2. In het geval van een openbare verkoop, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring ten minste zestig dagen [1 voor de dag van aanvang van de biedingen]1 door de notaris die met de verkoop belast is, opgemaakt. In geval van herverkoop ingevolge de uitoefening van het recht op een hoger bod [1 aan de voorkoopgerechtigde die niet heeft afgezien van het uitoefenen van zijn recht]1, wordt de verklaring vlak na de ontvangst van het hoger bod door de notaris opgemaakt. Ze vermeldt bovendien de datum en de regels van de verkoop.
§ 1. Elke vervreemding van een zakelijk onroerend recht dat het voorwerp is van een recht van voorkoop, is onderworpen aan een voorafgaandelijke intentieverklaring die de houder per zending gelijktijdig aan de Regering en aan de gemeente richt.
De intentieverklaring tot vervreemding, waarvan het formulier door de Regering wordt bepaald, moet de volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit en de woonplaats van de houder van een onroerend zakelijk recht;
2° het adres van het onroerend goed waarvan de vervreemding wordt overwogen;
3° de omschrijving van het onroerend goed en meer bepaald de kadastrale aanduiding ervan, de oppervlakte van het perceel, de grondoppervlakte van het gebouwde, de vloeroppervlakte en het aantal verdiepingen;
4° de andere zakelijke rechten en de persoonlijke rechten die eraan verbonden zijn;
5° een uitvoerige lijst van de bouw-, stedenbouwkundige, verkavelings- [2 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunningen]2, de stedenbouwkundige attesten betreffende het goed, alsook de meest recente en meest nauwkeurige stedenbouwkundige bestemming, met de benaming die in het gewestplan of de (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen voorkomt;
6° [1 de prijsopgave en de voorwaarden van de overwogen vervreemding, of, in het geval van een openbare verkoop, de nadere regels van verkoop, waaronder de eventuele inzet, en, bij een fysieke verkoop, dag, uur en plaats ervan of, bij een gedematerialiseerde verkoop, dag van aanvang en sluiting van het opbod;]1
7° bij gebrek aan de prijs, de conventionele waarde van de tegenprestatie die vastgesteld is ten laste van de koper van het zakelijk onroerend recht;
8° de vermelding dat de houders van het recht van voorkoop het recht hebben het goed te bezichtigen.
[1 De houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding kan de informatie bedoeld in lid 2, 5°, bij het gemeentebestuur opvragen. De informatie wordt door het gemeentebestuur overgemaakt binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. Wordt deze aanvraag niet binnen de voorziene termijn door betrokken bestuur beantwoord, dan vermeldt de houder van het zakelijk recht of de notaris belast met het verrichten van de vervreemding in de verklaring de datum van verzending van de aanvraag tot informatie of van het bericht van ontvangst ervan en wijst erop, dat bedoelde informatie niet is verstrekt.]1
§ 2. In het geval van een openbare verkoop, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring ten minste zestig dagen [1 voor de dag van aanvang van de biedingen]1 door de notaris die met de verkoop belast is, opgemaakt. In geval van herverkoop ingevolge de uitoefening van het recht op een hoger bod [1 aan de voorkoopgerechtigde die niet heeft afgezien van het uitoefenen van zijn recht]1, wordt de verklaring vlak na de ontvangst van het hoger bod door de notaris opgemaakt. Ze vermeldt bovendien de datum en de regels van de verkoop.
Art. D _VI.25.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Toute aliénation d'un droit réel immobilier soumis au droit de préemption est subordonnée à une déclaration préalable d'intention de son titulaire adressée par envoi simultanément au Gouvernement et à la commune.
La déclaration d'intention d'aliéner, dont le modèle est arrêté par le Gouvernement, contient obligatoirement :
1° l'identité et le domicile du titulaire d'un droit réel immobilier;
2° l'adresse de l'immeuble dont l'aliénation est projetée;
3° la description de l'immeuble et notamment sa désignation cadastrale, la superficie de la parcelle, la superficie au sol du bâti, la superficie de plancher et le nombre de niveaux;
4° les autres droits réels et les droits personnels qui y sont attachés;
5° la mention détaillée des permis de bâtir, d'urbanisme, de lotir [2 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]2, des certificats d'urbanisme relatifs au bien ainsi que la destination urbanistique la plus récente et la plus précise, en indiquant la dénomination prévue au plan de secteur ou aux schémas pluricommunaux ou communaux;
6° [1 l'indication du prix et des conditions de l'aliénation projetée ou, en cas de vente publique, les modalités de la vente dont l'éventuelle mise à prix, ainsi que, en cas de vente physique, le jour, l'heure et le lieu de celle-ci ou, en cas de vente dématérialisée, le jour du début et de clôture des enchères;]1
7° à défaut de prix, la valeur conventionnelle de la contre-prestation stipulée à charge de l'acquéreur du droit réel immobilier;
8° l'indication de ce que les titulaires du droit de préemption ont le droit de visiter le bien.
[1 Le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation peut demander à l'administration communale les informations visées à l'alinéa 2, 5°. Les informations sont transmises par l'administration communale dans les trente jours de la réception de la demande. A défaut de réponse de l'administration intéressée dans le délai prévu, le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation mentionne dans la déclaration la date de l'envoi contenant la demande d'informations ou du récépissé de la demande d'informations et indique que les informations n'ont pas été données]1
§ 2. En cas de vente publique, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite par le notaire chargé de procéder à la vente au moins soixante jours [1 avant le jour du début des enchères]1. En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la déclaration est faite par le notaire dès réception des surenchères [1 au bénéficiaire qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit]1. Elle indique en outre la date et les modalités de la vente.
§ 1er. Toute aliénation d'un droit réel immobilier soumis au droit de préemption est subordonnée à une déclaration préalable d'intention de son titulaire adressée par envoi simultanément au Gouvernement et à la commune.
La déclaration d'intention d'aliéner, dont le modèle est arrêté par le Gouvernement, contient obligatoirement :
1° l'identité et le domicile du titulaire d'un droit réel immobilier;
2° l'adresse de l'immeuble dont l'aliénation est projetée;
3° la description de l'immeuble et notamment sa désignation cadastrale, la superficie de la parcelle, la superficie au sol du bâti, la superficie de plancher et le nombre de niveaux;
4° les autres droits réels et les droits personnels qui y sont attachés;
5° la mention détaillée des permis de bâtir, d'urbanisme, de lotir [2 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]2, des certificats d'urbanisme relatifs au bien ainsi que la destination urbanistique la plus récente et la plus précise, en indiquant la dénomination prévue au plan de secteur ou aux schémas pluricommunaux ou communaux;
6° [1 l'indication du prix et des conditions de l'aliénation projetée ou, en cas de vente publique, les modalités de la vente dont l'éventuelle mise à prix, ainsi que, en cas de vente physique, le jour, l'heure et le lieu de celle-ci ou, en cas de vente dématérialisée, le jour du début et de clôture des enchères;]1
7° à défaut de prix, la valeur conventionnelle de la contre-prestation stipulée à charge de l'acquéreur du droit réel immobilier;
8° l'indication de ce que les titulaires du droit de préemption ont le droit de visiter le bien.
[1 Le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation peut demander à l'administration communale les informations visées à l'alinéa 2, 5°. Les informations sont transmises par l'administration communale dans les trente jours de la réception de la demande. A défaut de réponse de l'administration intéressée dans le délai prévu, le titulaire du droit réel immobilier ou le notaire chargé de procéder à l'aliénation mentionne dans la déclaration la date de l'envoi contenant la demande d'informations ou du récépissé de la demande d'informations et indique que les informations n'ont pas été données]1
§ 2. En cas de vente publique, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite par le notaire chargé de procéder à la vente au moins soixante jours [1 avant le jour du début des enchères]1. En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la déclaration est faite par le notaire dès réception des surenchères [1 au bénéficiaire qui n'a pas renoncé à l'exercice de son droit]1. Elle indique en outre la date et les modalités de la vente.
Afdeling 2. - Overdracht van de verklaring van het voornemen tot vervreemden
Section 2. - Transmission de la déclaration d'intention d'aliéner
Art. D. VI.26.Wanneer een intentieverklaring tot vervreemding aan de Regering of aan de persoon die zij daartoe machtigt, wordt gericht, bericht deze binnen twintig dagen ontvangst per zending en stuurt ze onmiddellijk een afschrift van de verklaring naar de voorkoopgerechtigden betreffende de goederen die in de omtrek gelegen zijn, met vermelding van de volgorde bedoeld in artikel D.VI.19.
[1 In geval van openbare verkoop stuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt onmiddellijk de lijst van de voorkoopgerechtigden aan de notaris belast met het verrichten van de verkoop, onder vermelding van de voorrang bedoeld in artikel D.VI.19.]1
[1 Elke voorkoopgerechtigde kan het advies inwinnen van ofwel de ontvanger der registratie ofwel het aankoopcomité. Dit advies wordt binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag aan de voorkoopgerechtigde gestuurd.]1
[1 In geval van openbare verkoop stuurt de Regering of de persoon die zij daartoe machtigt onmiddellijk de lijst van de voorkoopgerechtigden aan de notaris belast met het verrichten van de verkoop, onder vermelding van de voorrang bedoeld in artikel D.VI.19.]1
[1 Elke voorkoopgerechtigde kan het advies inwinnen van ofwel de ontvanger der registratie ofwel het aankoopcomité. Dit advies wordt binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag aan de voorkoopgerechtigde gestuurd.]1
Art. D. VI.26.Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin saisi d'une déclaration d'intention d'aliéner en accuse réception dans les vingt jours par envoi et en transmet immédiatement copie aux bénéficiaires du droit de préemption portant sur les biens situés dans le périmètre, en mentionnant l'ordre de priorité visé à l'article D.VI.19.
[1 En cas de vente publique, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin, envoie immédiatement au notaire chargé de procéder à la vente la liste des bénéficiaires du droit de préemption, en mentionnant l'ordre de priorité visé à l'article D.VI.19.]1
[1 Chacun des bénéficiaires du droit de préemption peut solliciter l'avis soit du receveur de l'enregistrement, soit du comité d'acquisition. L'avis est envoyé au bénéficiaire du droit de préemption dans les trente jours de la réception de la demande.]1
[1 En cas de vente publique, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin, envoie immédiatement au notaire chargé de procéder à la vente la liste des bénéficiaires du droit de préemption, en mentionnant l'ordre de priorité visé à l'article D.VI.19.]1
[1 Chacun des bénéficiaires du droit de préemption peut solliciter l'avis soit du receveur de l'enregistrement, soit du comité d'acquisition. L'avis est envoyé au bénéficiaire du droit de préemption dans les trente jours de la réception de la demande.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Beslissing van de voorkoopgerechtigden
Section 3. - Décision des bénéficiaires du droit de préemption
Art. D. VI.27.[1 § 1. Behoudens bij een openbare verkoop stuurt elke voorkoopgerechtigde de Regering uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van de intentieverklaring tot vervreemding, een document toe met zijn beslissing het goed te verwerven tegen de voorgestelde prijs en onder de gestelde voorwaarden.
Uiterlijk twintig dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de beslissing of het gebrek aan beslissing van de voorkoopgerechtigden door de Regering of door de persoon die zij daartoe machtigt, aan de houder gericht.
Bij gebreke hiervan wordt de voorkoopgerechtigde geacht af te zien van de uitoefening van zijn recht van voorkoop.
§ 2. Bij een openbare verkoop en wanneer hij van bij het begin beslist heeft, van de uitoefening van zijn recht af te zien, licht de voorkoopgerechtigde de notaris belast met het verrichten van de verkoop en de Regering daar uiterlijk voor aanvang van de biedingen over in.]1
Uiterlijk twintig dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt de beslissing of het gebrek aan beslissing van de voorkoopgerechtigden door de Regering of door de persoon die zij daartoe machtigt, aan de houder gericht.
Bij gebreke hiervan wordt de voorkoopgerechtigde geacht af te zien van de uitoefening van zijn recht van voorkoop.
§ 2. Bij een openbare verkoop en wanneer hij van bij het begin beslist heeft, van de uitoefening van zijn recht af te zien, licht de voorkoopgerechtigde de notaris belast met het verrichten van de verkoop en de Regering daar uiterlijk voor aanvang van de biedingen over in.]1
Art. D. VI.27.[1 § 1er. Hormis en cas de vente publique, chacun des bénéficiaires adresse au Gouvernement, au plus tard dans les cinquante jours de la réception de la déclaration d'intention d'aliéner, un document faisant apparaître sa décision d'acquérir aux prix et conditions proposés.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie au titulaire, au plus tard dans les vingt jours de l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er, la décision ou l'absence de décision des bénéficiaires du droit de préemption.
A défaut, le bénéficiaire est censé renoncer à l'exercice du droit de préemption.
§ 2. En cas de vente publique et lorsqu'il a décidé d'emblée de renoncer à l'exercice de son droit, le bénéficiaire en informe le notaire chargé de procéder à la vente et le Gouvernement, au plus tard avant le début des enchères.]1
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie au titulaire, au plus tard dans les vingt jours de l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er, la décision ou l'absence de décision des bénéficiaires du droit de préemption.
A défaut, le bénéficiaire est censé renoncer à l'exercice du droit de préemption.
§ 2. En cas de vente publique et lorsqu'il a décidé d'emblée de renoncer à l'exercice de son droit, le bénéficiaire en informe le notaire chargé de procéder à la vente et le Gouvernement, au plus tard avant le début des enchères.]1
Wijzigingen
Art. D. VI.28.[1 § 1. In geval van fysieke openbare verkoop moet de instrumenterende notaris, na het opbod en vóór de toewijzing, in het openbaar vragen of één van de voorkoopgerechtigden die niet van de uitoefening van zijn recht overeenkomstig artikel D.VI.27, § 2, heeft afgezien of diens afgevaardigde het voornemen heeft zijn recht van voorkoop tegen de prijs van het laatste bod uit te oefenen.
De voorkoopgerechtigde wordt in de plaats van de laatste bieder gesteld.
In geval van herverkoop ten gevolge van de uitoefening van het recht op hoger bod moet dezelfde vraag tijdens de opbodzitting in het openbaar gesteld worden.
Onverminderd een eventuele mogelijkheid tot het uitbrengen van een hoger bod beschikt de voorkoopgerechtigde of zijn afgevaardigde, wanneer hij zijn recht van voorkoop niet onmiddellijk uitoefent of wanneer hij niet van de uitoefening ervan heeft afgezien, over een termijn van tien dagen, te rekenen vanaf de toewijzing, om de instrumenterende notaris te verwittigen dat hij beslist heeft zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.
§ 2. Voor zover de voorkoopgerechtigde niet afgezien heeft van de uitoefening van zijn recht overeenkomstig artikel D.VI.27, § 2, gaat de notaris, bij een gedematerialiseerde openbare verkoop, tot de toewijzing over onder de opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van dat recht.
In dat geval beschikt de voorkoopgerechtigde of diens afgevaardigde over tien dagen te rekenen van de ontvangst van een door de notaris gestuurd uittreksel van de toewijzingsakte waarmee laatstgenoemde ingelicht wordt over zijn beslissing om zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.
Het uittreksel bevat de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor deze is verricht en de naam van de notaris die ze ontvangen heeft.
Bij wederverkoop als gevolg van de uitoefening van het recht op hoger bod wordt dezelfde procedure gevolgd.]1
De voorkoopgerechtigde wordt in de plaats van de laatste bieder gesteld.
In geval van herverkoop ten gevolge van de uitoefening van het recht op hoger bod moet dezelfde vraag tijdens de opbodzitting in het openbaar gesteld worden.
Onverminderd een eventuele mogelijkheid tot het uitbrengen van een hoger bod beschikt de voorkoopgerechtigde of zijn afgevaardigde, wanneer hij zijn recht van voorkoop niet onmiddellijk uitoefent of wanneer hij niet van de uitoefening ervan heeft afgezien, over een termijn van tien dagen, te rekenen vanaf de toewijzing, om de instrumenterende notaris te verwittigen dat hij beslist heeft zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.
§ 2. Voor zover de voorkoopgerechtigde niet afgezien heeft van de uitoefening van zijn recht overeenkomstig artikel D.VI.27, § 2, gaat de notaris, bij een gedematerialiseerde openbare verkoop, tot de toewijzing over onder de opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van dat recht.
In dat geval beschikt de voorkoopgerechtigde of diens afgevaardigde over tien dagen te rekenen van de ontvangst van een door de notaris gestuurd uittreksel van de toewijzingsakte waarmee laatstgenoemde ingelicht wordt over zijn beslissing om zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.
Het uittreksel bevat de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor deze is verricht en de naam van de notaris die ze ontvangen heeft.
Bij wederverkoop als gevolg van de uitoefening van het recht op hoger bod wordt dezelfde procedure gevolgd.]1
Art. D. VI.28.[1 § 1er. En cas de vente publique physique, le notaire instrumentant demande publiquement, à la fin des enchères et avant l'adjudication, si un des bénéficiaires n'ayant pas renoncé à l'exercice de son droit conformément à l'article D.VI.27., § 2, ou son représentant, envisage d'exercer son droit au prix de la dernière offre.
Celui-ci est subrogé au dernier enchérisseur.
En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la même question est posée publiquement à la séance de surenchère.
Sans préjudice d'une éventuelle faculté de surenchère, à défaut d'exercer immédiatement son droit de préemption ou d'avoir renoncé à son exercice, le bénéficiaire ou son représentant dispose d'un délai de dix jours à dater de l'adjudication pour informer le notaire instrumentant de sa décision de se subroger au dernier enchérisseur.
§ 2. En cas de vente publique dématérialisée, pour autant que le bénéficiaire n'ait pas renoncé à l'exercice de son droit conformément à l'article D.VI.27., § 2, le notaire procède à l'adjudication sous condition suspensive du non-exercice de ce droit.
Dans ce cas, le bénéficiaire ou son représentant dispose d'un délai de dix jours à dater de la réception d'un extrait de l'acte d'adjudication envoyé par le notaire pour informer ce dernier de sa décision de se subroger au dernier enchérisseur.
L'extrait contient le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la même procédure est suivie.]1
Celui-ci est subrogé au dernier enchérisseur.
En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la même question est posée publiquement à la séance de surenchère.
Sans préjudice d'une éventuelle faculté de surenchère, à défaut d'exercer immédiatement son droit de préemption ou d'avoir renoncé à son exercice, le bénéficiaire ou son représentant dispose d'un délai de dix jours à dater de l'adjudication pour informer le notaire instrumentant de sa décision de se subroger au dernier enchérisseur.
§ 2. En cas de vente publique dématérialisée, pour autant que le bénéficiaire n'ait pas renoncé à l'exercice de son droit conformément à l'article D.VI.27., § 2, le notaire procède à l'adjudication sous condition suspensive du non-exercice de ce droit.
Dans ce cas, le bénéficiaire ou son représentant dispose d'un délai de dix jours à dater de la réception d'un extrait de l'acte d'adjudication envoyé par le notaire pour informer ce dernier de sa décision de se subroger au dernier enchérisseur.
L'extrait contient le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
En cas de revente par suite de l'exercice du droit de surenchère, la même procédure est suivie.]1
Wijzigingen
Afdeling 4. - Verzaking aan de uitoefening van het recht van voorkoop
Section 4. - Renonciation à exercer le droit de préemption
Art. D. VI.29. Wanneer de voorkoopgerechtigde er afstand van doet, kan de houder van een zakelijk onroerend goed dat goed vervreemden zonder te voldoen aan de bepalingen van artikel D.VI.25, op voorwaarde dat :
1° de authentieke akte tot vaststelling van de vervreemding werd verleden binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de afstand;
2° de prijs van de vervreemding niet lager is dan die, welke vermeld is in de overeenkomstig artikel D.VI.25 ingediende verklaring.
De instrumenterende ambtenaar moet de Regering laten weten of de voorwaarden bedoeld in het eerste lid vervuld zijn.
1° de authentieke akte tot vaststelling van de vervreemding werd verleden binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de afstand;
2° de prijs van de vervreemding niet lager is dan die, welke vermeld is in de overeenkomstig artikel D.VI.25 ingediende verklaring.
De instrumenterende ambtenaar moet de Regering laten weten of de voorwaarden bedoeld in het eerste lid vervuld zijn.
Art. D. VI.29. Lorsque le bénéficiaire du droit de préemption a renoncé à l'exercice de son droit, le titulaire d'un droit réel immobilier peut aliéner le même bien sans satisfaire aux dispositions de l'article D.VI.25 pour autant que :
1° l'acte authentique constatant l'aliénation soit passé dans un délai de trois ans à dater de la renonciation;
2° le prix de l'aliénation ne soit pas inférieur à celui figurant dans la déclaration déposée en application de l'article D.VI.25.
L'officier instrumentant informe le Gouvernement du respect des conditions visées à l'alinéa 1er.
1° l'acte authentique constatant l'aliénation soit passé dans un délai de trois ans à dater de la renonciation;
2° le prix de l'aliénation ne soit pas inférieur à celui figurant dans la déclaration déposée en application de l'article D.VI.25.
L'officier instrumentant informe le Gouvernement du respect des conditions visées à l'alinéa 1er.
Afdeling 5. - Voorkoop en betaling van de prijs
Section 5. - Préemption et paiement du prix
Art. D. VI.30. In geval van aankoop betaalt de voorkoper de prijs binnen vier maanden na hetzij besloten te hebben het goed te kopen, hetzij de definitieve gerechtelijke beslissing, ofwel op de datum van de toewijzingsakte, en uiterlijk de dag waarop de akte wordt verleden.
De voorkoper bezorgt de Regering en de gemeente een afschrift van de verkoopakte.
De voorkoper bezorgt de Regering en de gemeente een afschrift van de verkoopakte.
Art. D. VI.30. En cas d'acquisition, le préempteur règle le prix dans les quatre mois qui suivent soit la décision d'acquérir le bien, soit la décision juridictionnelle définitive, soit la date de l'acte d'adjudication, et au plus tard le jour de la passation de l'acte.
Le préempteur adresse au Gouvernement et à la commune une copie de l'acte d'acquisition.
Le préempteur adresse au Gouvernement et à la commune une copie de l'acte d'acquisition.
HOOFDSTUK IV. - Verscheidene bepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses
Art. D. VI.31. Wanneer een zakelijk onroerend goed wordt vervreemd in overtreding van de bepalingen van deze Titel, kan de voorkoopgerechtigde de rechtbank vragen de nietigheid van de akte vast te stellen en de voorkoopgerechtigde als koper te erkennen in de plaats van de derde, mits inachtneming van de prijs en de voorwaarden bepaald in de akte.
De nietigheidsakte vervalt na vijf jaar.
De nietigheidsakte vervalt na vijf jaar.
Art. D. VI.31. Lorsque le droit réel immobilier a été aliéné en violation des dispositions du présent titre, le bénéficiaire peut demander au tribunal de constater la nullité de l'acte et de déclarer le bénéficiaire acquéreur en lieu et place du tiers moyennant le prix et les conditions stipulés dans l'acte.
L'action en nullité se prescrit par cinq ans.
L'action en nullité se prescrit par cinq ans.
Art. D. VI.32. § 1. Geen enkele authentieke akte betreffende de vervreemding, ten gunste van een andere persoon dan de voorkoopgerechtigde, van een goed dat onderworpen is aan een recht van voorkoop, kan verleden worden zolang niet vast staat dat de bepalingen van deze Titel in acht worden genomen.
Te dien einde bezorgt de Regering of elke persoon die zij daartoe machtigt, aan elke notaris of openbare ambtenaar die erom verzoekt, binnen dertig dagen na hun verzoek, een attest opgemaakt op grond van het door haar bepaalde model, waarbij het bestaan van elke verklaring van tekoopaanbieding en de hieraan voorbehouden gevolgen wordt bevestigd.
Na deze termijn kan de akte opgemaakt worden, zelfs bij gebrek aan attest.
§ 2. Elke minnelijke schikking of onderhandse akte betreffende de vervreemding van een goed dat onderworpen is aan een recht van voorkoop ten gunste van een andere persoon dan de voorkoopgerechtigde, wordt onweerlegbaar geacht bezwaard te zijn met een opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop.
Te dien einde bezorgt de Regering of elke persoon die zij daartoe machtigt, aan elke notaris of openbare ambtenaar die erom verzoekt, binnen dertig dagen na hun verzoek, een attest opgemaakt op grond van het door haar bepaalde model, waarbij het bestaan van elke verklaring van tekoopaanbieding en de hieraan voorbehouden gevolgen wordt bevestigd.
Na deze termijn kan de akte opgemaakt worden, zelfs bij gebrek aan attest.
§ 2. Elke minnelijke schikking of onderhandse akte betreffende de vervreemding van een goed dat onderworpen is aan een recht van voorkoop ten gunste van een andere persoon dan de voorkoopgerechtigde, wordt onweerlegbaar geacht bezwaard te zijn met een opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop.
Art. D. VI.32. § 1er. Aucun acte authentique relatif à une aliénation d'un bien soumis au droit de préemption au profit d'une personne autre qu'un bénéficiaire ne peut être passé sans que le respect des dispositions du présent titre n'ait été constaté.
A cette fin, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin délivre à tout notaire ou officier public qui en fait la demande, dans les trente jours de celle-ci, une attestation établie selon le modèle qu'il arrête et de nature à établir l'existence de toute déclaration de mise en vente et des suites réservées à celle-ci.
Passé ce délai, l'acte peut être reçu même à défaut d'attestation.
§ 2. Tout compromis ou acte sous seing privé relatif à une aliénation d'un bien soumis au droit de préemption au profit d'une personne autre qu'un bénéficiaire est irréfragablement réputé affecté d'une condition suspensive de non-exercice du droit de préemption.
A cette fin, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin délivre à tout notaire ou officier public qui en fait la demande, dans les trente jours de celle-ci, une attestation établie selon le modèle qu'il arrête et de nature à établir l'existence de toute déclaration de mise en vente et des suites réservées à celle-ci.
Passé ce délai, l'acte peut être reçu même à défaut d'attestation.
§ 2. Tout compromis ou acte sous seing privé relatif à une aliénation d'un bien soumis au droit de préemption au profit d'une personne autre qu'un bénéficiaire est irréfragablement réputé affecté d'une condition suspensive de non-exercice du droit de préemption.
HOOFDSTUK V. - Overgangsrecht
CHAPITRE V. - Droit transitoire
Art. D. VI.33. De voorkoopbesluiten die in werking waren op datum van inwerkingtreding van dit Wetboek, blijven van toepassing. De duur van het recht van voorkoop wordt evenwel op vijftien jaar gebracht te rekenen van de aanneming ervan.
Art. D. VI.33. Les arrêtés de préemption en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Code restent d'application. Toutefois, la durée du droit de préemption est portée à quinze ans à dater de leur adoption.
Art. D _VI.33.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 In afwijking van artikel D.VI.17 kan het recht van voorkoop ook gelden voor elk onroerend goed dat gelegen is in de volgende gebieden of omtrekken, voor zover ze op basis van een vóór 31 maart 2022 begonnen akte werden aangenomen en nog geldig zijn :
1° omtrekken voor stadsheropleving;
2° omtrekken voor stadsvernieuwing;
3° omtrekken voor een locatie met herstel van landschap en leefmilieu;
4° bevoorrechte initiatiefgebieden.]1
1° omtrekken voor stadsheropleving;
2° omtrekken voor stadsvernieuwing;
3° omtrekken voor een locatie met herstel van landschap en leefmilieu;
4° bevoorrechte initiatiefgebieden.]1
Art. D _VI.33.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Par dérogation à l'article D.VI.17 peut aussi être soumis au droit de préemption tout bien immeuble qui est situé dans les zones ou, selon le cas, les périmètres suivants, dans la mesure où ils ont été adoptés sur la base d'un dossier ouvert avant le 31 mars 2022 et sont encore valables :
1° les périmètres de revitalisation urbaine;
2° les périmètres de rénovation urbaine;
3° les périmètres de sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
4° les zones d'initiatives privilégiées.]1
1° les périmètres de revitalisation urbaine;
2° les périmètres de rénovation urbaine;
3° les périmètres de sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
4° les zones d'initiatives privilégiées.]1
Wijzigingen
TITEL III. - Ruilverkaveling en herverkaveling
TITRE III. - Remembrement et relotissement
Art. D. VI.34. In geval van ruilverkaveling of herverkaveling wordt het vroegere goed werkelijk vervangen door het verkavelde goed of de nieuwe kavel. Mits inachtneming van de onderstaande openbaarmakingsregels en onder voorbehoud van wijzigingen die voortvloeien uit bijzondere overeenkomsten :
1° gaan de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, erfdienstbaarheden uitgezonderd, die het vorige goed bezwaarden, de oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding van de titel van de eigenaar van bedoeld goed, alsmede de rechtsvorderingen van alle aard betreffende dat goed, van rechtswege over op het ruilverkavelend goed in zijn geheel, met inbegrip van de erbij gevoegde nieuwe delen, of op de nieuwe kavel die in de plaats treedt van het vorige perceel alsook in voorkomend geval op de prijs, de toegift of het saldo van de toegiften die aan de eigenaar van het vorig perceel mochten toekomen ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling als geheel genomen;
2° worden het perceel of de perceelsgedeelten die krachtens de ruilverkaveling of de herverkaveling in het vermogen komen van een of meer andere eigenaars, vrij van alle hierboven bedoelde rechten, oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding en rechtsvorderingen in dat vermogen opgenomen.
De overbedeelde kwijt zich op geldige wijze door de prijs of de toegift in de Deposito- en Consignatiekas te storten.
1° gaan de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, erfdienstbaarheden uitgezonderd, die het vorige goed bezwaarden, de oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding van de titel van de eigenaar van bedoeld goed, alsmede de rechtsvorderingen van alle aard betreffende dat goed, van rechtswege over op het ruilverkavelend goed in zijn geheel, met inbegrip van de erbij gevoegde nieuwe delen, of op de nieuwe kavel die in de plaats treedt van het vorige perceel alsook in voorkomend geval op de prijs, de toegift of het saldo van de toegiften die aan de eigenaar van het vorig perceel mochten toekomen ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling als geheel genomen;
2° worden het perceel of de perceelsgedeelten die krachtens de ruilverkaveling of de herverkaveling in het vermogen komen van een of meer andere eigenaars, vrij van alle hierboven bedoelde rechten, oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding en rechtsvorderingen in dat vermogen opgenomen.
De overbedeelde kwijt zich op geldige wijze door de prijs of de toegift in de Deposito- en Consignatiekas te storten.
Art. D. VI.34. En cas de remembrement ou de relotissement, l'immeuble remembré ou le lot nouveau est substitué réellement à l'immeuble ancien. Moyennant l'accomplissement des formalités de publicité ci-dessous prévues et sous réserve des modifications résultant des accords particuliers :
1° les privilèges et hypothèques et tous droits réels, à l'exception des servitudes, grevant le bien ancien, les causes d'annulation, de révocation ou de résolution qui affectaient le titre du propriétaire dudit bien, ainsi que les actions de toute nature exercées relativement à ce bien sont de plein droit reportés sur l'ensemble du bien remembré, y compris les parties nouvelles qui y sont incorporées, ou sur le lot nouveau substitué à l'immeuble ancien, de même que, le cas échéant, sur le prix, la soulte ou le solde des soultes pouvant revenir au propriétaire de l'immeuble ancien ensuite de l'opération de remembrement ou de relotissement envisagée dans son ensemble;
2° l'immeuble ou les parties d'immeubles qui passent, en vertu du remembrement ou du relotissement, dans le patrimoine d'un ou de plusieurs autres propriétaires entrent dans le patrimoine purgés de tous les droits, causes d'annulation, de révocation ou de résolution et actions ci-dessus visés.
Le débiteur est valablement libéré par le versement du prix ou de la soulte à la Caisse des dépôts et consignations.
1° les privilèges et hypothèques et tous droits réels, à l'exception des servitudes, grevant le bien ancien, les causes d'annulation, de révocation ou de résolution qui affectaient le titre du propriétaire dudit bien, ainsi que les actions de toute nature exercées relativement à ce bien sont de plein droit reportés sur l'ensemble du bien remembré, y compris les parties nouvelles qui y sont incorporées, ou sur le lot nouveau substitué à l'immeuble ancien, de même que, le cas échéant, sur le prix, la soulte ou le solde des soultes pouvant revenir au propriétaire de l'immeuble ancien ensuite de l'opération de remembrement ou de relotissement envisagée dans son ensemble;
2° l'immeuble ou les parties d'immeubles qui passent, en vertu du remembrement ou du relotissement, dans le patrimoine d'un ou de plusieurs autres propriétaires entrent dans le patrimoine purgés de tous les droits, causes d'annulation, de révocation ou de résolution et actions ci-dessus visés.
Le débiteur est valablement libéré par le versement du prix ou de la soulte à la Caisse des dépôts et consignations.
Art. D. VI.35. In geval van vernietiging, herroeping of ontbinding heeft de overdracht van ambtswege plaats onverminderd de vergoedingsregeling die tussen partijen moet worden getroffen telkens als het ruilverkaveld perceel of de nieuwe kavel meer waard is dan het vorige perceel.
Art. D. VI.35. En cas d'annulation, de révocation ou de résolution, le report d'office a lieu sans préjudice du règlement d'indemnité à intervenir entre parties toutes les fois que le bien remembré ou le lot nouveau a une valeur supérieure à celle de l'immeuble ancien.
Art. D. VI.36. De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel D.VI.34 zijn omschreven, kunnen aan derden niet worden tegengeworpen dan nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het hypotheekkantoor van de goederen is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het teniet gaan van de voorrechten en hypotheken betreft, niet dan vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst.
Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende overheid, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt :
1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;
2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;
3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld perceel;
4° de aanwijzingen voorgeschreven in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913.
De hypotheekbewaarder bezorgt de eiser de akte en één van de lijsten, waarop hij onderaan bevestigt de kanttekening te hebben aangebracht. Indien het Gewest de vastgoedverrichtingen voor haar rekening neemt, moet ze de kosten dragen voor de hypothecaire formaliteiten betreffende de rechten die de verkavelde of herverkavelde onroerende goederen bezwaren.
Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende overheid, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt :
1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;
2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;
3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld perceel;
4° de aanwijzingen voorgeschreven in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913.
De hypotheekbewaarder bezorgt de eiser de akte en één van de lijsten, waarop hij onderaan bevestigt de kanttekening te hebben aangebracht. Indien het Gewest de vastgoedverrichtingen voor haar rekening neemt, moet ze de kosten dragen voor de hypothecaire formaliteiten betreffende de rechten die de verkavelde of herverkavelde onroerende goederen bezwaren.
Art. D. VI.36. Les effets du remembrement, tels qu'ils sont prévus à l'article D.VI.34, ne sont opposables aux tiers qu'à compter de la transcription, au bureau des hypothèques de la situation des biens, de l'acte constatant le remembrement ou le relotissement, et, de plus, en ce qui concerne le report ou l'extinction des privilèges et hypothèques, à compter du jour où l'inscription relative à ces droits a fait l'objet d'une mention en marge.
Cet émargement est opéré à la requête du comité d'acquisition ou du pouvoir expropriant sur production de l'acte de remembrement ou de relotissement et d'un bordereau en double exemplaire contenant, outre l'indication des inscriptions à émarger :
1° les nom, prénoms, profession et domicile des parties ainsi que du créancier;
2° les actes en vertu desquels a lieu le report des privilèges ou des hypothèques;
3° la description nouvelle de l'immeuble remembré ou reloti;
4° les indications prescrites par l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Le conservateur remet au requérant l'acte et l'un des bordereaux, au pied duquel il certifie avoir opéré la mention. Si la Région prend les opérations immobilières à son compte, elle supporte le coût des formalités hypothécaires à l'égard des droits grevant les immeubles remembrés ou relotis.
Cet émargement est opéré à la requête du comité d'acquisition ou du pouvoir expropriant sur production de l'acte de remembrement ou de relotissement et d'un bordereau en double exemplaire contenant, outre l'indication des inscriptions à émarger :
1° les nom, prénoms, profession et domicile des parties ainsi que du créancier;
2° les actes en vertu desquels a lieu le report des privilèges ou des hypothèques;
3° la description nouvelle de l'immeuble remembré ou reloti;
4° les indications prescrites par l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Le conservateur remet au requérant l'acte et l'un des bordereaux, au pied duquel il certifie avoir opéré la mention. Si la Région prend les opérations immobilières à son compte, elle supporte le coût des formalités hypothécaires à l'égard des droits grevant les immeubles remembrés ou relotis.
Art. D. VI.36_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel D.VI.34 zijn omschreven, kunnen aan derden niet worden tegengeworpen dan nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het hypotheekkantoor van de goederen is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het teniet gaan van de voorrechten en hypotheken betreft, niet dan vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst.
Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende overheid, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt :
1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;
2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;
3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld perceel;
4° de aanwijzingen voorgeschreven in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913.
De hypotheekbewaarder bezorgt de eiser de akte en één van de lijsten, waarop hij onderaan bevestigt de kanttekening te hebben aangebracht. Indien [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 de vastgoedverrichtingen voor haar rekening neemt, moet ze de kosten dragen voor de hypothecaire formaliteiten betreffende de rechten die de verkavelde of herverkavelde onroerende goederen bezwaren.
De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel D.VI.34 zijn omschreven, kunnen aan derden niet worden tegengeworpen dan nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het hypotheekkantoor van de goederen is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het teniet gaan van de voorrechten en hypotheken betreft, niet dan vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst.
Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende overheid, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt :
1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;
2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;
3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld perceel;
4° de aanwijzingen voorgeschreven in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913.
De hypotheekbewaarder bezorgt de eiser de akte en één van de lijsten, waarop hij onderaan bevestigt de kanttekening te hebben aangebracht. Indien [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 de vastgoedverrichtingen voor haar rekening neemt, moet ze de kosten dragen voor de hypothecaire formaliteiten betreffende de rechten die de verkavelde of herverkavelde onroerende goederen bezwaren.
Art. D. VI.36_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les effets du remembrement, tels qu'ils sont prévus à l'article D.VI.34, ne sont opposables aux tiers qu'à compter de la transcription, au bureau des hypothèques de la situation des biens, de l'acte constatant le remembrement ou le relotissement, et, de plus, en ce qui concerne le report ou l'extinction des privilèges et hypothèques, à compter du jour où l'inscription relative à ces droits a fait l'objet d'une mention en marge.
Cet émargement est opéré à la requête du comité d'acquisition ou du pouvoir expropriant sur production de l'acte de remembrement ou de relotissement et d'un bordereau en double exemplaire contenant, outre l'indication des inscriptions à émarger :
1° les nom, prénoms, profession et domicile des parties ainsi que du créancier;
2° les actes en vertu desquels a lieu le report des privilèges ou des hypothèques;
3° la description nouvelle de l'immeuble remembré ou reloti;
4° les indications prescrites par l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Le conservateur remet au requérant l'acte et l'un des bordereaux, au pied duquel il certifie avoir opéré la mention. Si la [1 Communauté germanophone]1 prend les opérations immobilières à son compte, elle supporte le coût des formalités hypothécaires à l'égard des droits grevant les immeubles remembrés ou relotis.
Les effets du remembrement, tels qu'ils sont prévus à l'article D.VI.34, ne sont opposables aux tiers qu'à compter de la transcription, au bureau des hypothèques de la situation des biens, de l'acte constatant le remembrement ou le relotissement, et, de plus, en ce qui concerne le report ou l'extinction des privilèges et hypothèques, à compter du jour où l'inscription relative à ces droits a fait l'objet d'une mention en marge.
Cet émargement est opéré à la requête du comité d'acquisition ou du pouvoir expropriant sur production de l'acte de remembrement ou de relotissement et d'un bordereau en double exemplaire contenant, outre l'indication des inscriptions à émarger :
1° les nom, prénoms, profession et domicile des parties ainsi que du créancier;
2° les actes en vertu desquels a lieu le report des privilèges ou des hypothèques;
3° la description nouvelle de l'immeuble remembré ou reloti;
4° les indications prescrites par l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Le conservateur remet au requérant l'acte et l'un des bordereaux, au pied duquel il certifie avoir opéré la mention. Si la [1 Communauté germanophone]1 prend les opérations immobilières à son compte, elle supporte le coût des formalités hypothécaires à l'égard des droits grevant les immeubles remembrés ou relotis.
Wijzigingen
Art. D. VI.37. Het recht van huur betreffende ruilverkavelde of herverkavelde percelen, met uitzondering van de landpacht, die onderworpen blijft aan de bepalingen van de wet van 4 juli 1969 betreffende de landpacht, evenals van het decreet van 27 maart 2014 betreffende het Waalse Landbouwwetboek, gaat over op de nieuwe kavel die aan de verhuurder is toebedeeld, behoudens verlaging of verhoging van de huurprijs en tenzij de huurder de huurovereenkomst wenst op te zeggen.
Art. D. VI.37. Le droit de bail relatif à des immeubles remembrés ou relotis, exception faite du bail à ferme qui reste régi par les dispositions de la loi du 4 novembre 1969 sur le bail à ferme ainsi que du décret du 27 mars 2014 relatif au Code wallon de l'Agriculture, est reporté sur le lot nouveau attribué au bailleur, sauf diminution ou augmentation du prix du bail et à moins que le locataire n'opte pour la résiliation.
TITEL IV. - Het stelsel van de minderwaarden en de winsten
TITRE IV. - Régime des moins-values et des bénéfices
HOOFDSTUK I. - Vergoeding van de minderwaarden
CHAPITRE Ier. - Indemnisation des moins-values
Afdeling 1. - Beginsel
Section 1re. - Principe
Art. D. VI.38. Wanneer het bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 1°, of het verbod om te bebouwen in de zin van artikel D.IV.2 dat voortspruit uit de herziening of de opmaak van een gewestplan met bindende kracht, een einde maakt aan de bestemming die gegeven is aan het goed middels het plan dat van kracht is de dag vóór de inwerkingtreding van bedoeld plan op voorwaarde dat het goed op bedoelde dag in staat is om bebouwd te worden en aangrenst aan een weg die voldoende uitgerust is rekening houdend met de ligging, moet het Gewest een vergoeding betalen.
De waardevermindering wordt zonder vergoeding gedragen tot en met twintig percent van de geactualiseerde aankoopwaarde van het goed, vermeerderd overeenkomstig artikel D.VI.42.
De waardevermindering wordt zonder vergoeding gedragen tot en met twintig percent van de geactualiseerde aankoopwaarde van het goed, vermeerderd overeenkomstig artikel D.VI.42.
Art. D. VI.38. Il y a lieu à indemnité à charge de la Région lorsque l'interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes, au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, ou d'urbaniser au sens de l'article D.IV.2, résultant de la révision ou de l'élaboration d'un plan de secteur revêtu de la force obligatoire met fin à l'affectation donnée au bien par le plan en vigueur au jour précédant l'entrée en vigueur dudit plan, à condition qu'à ce jour, le bien soit apte à recevoir des constructions et riverain d'une voirie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux.
La diminution de valeur est supportée sans indemnité jusqu'à concurrence de vingt pour cent de la valeur d'acquisition du bien actualisée et majorée conformément à l'article D.VI.42.
La diminution de valeur est supportée sans indemnité jusqu'à concurrence de vingt pour cent de la valeur d'acquisition du bien actualisée et majorée conformément à l'article D.VI.42.
Art. D. VI.38_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer het bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 1°, of het [2 verbod om te ontsluiten of op te splitsen]2 in de zin van artikel D.IV.2 dat voortspruit uit de herziening of de opmaak van een gewestplan met bindende kracht, een einde maakt aan de bestemming die gegeven is aan het goed middels het plan dat van kracht is de dag vóór de inwerkingtreding van bedoeld plan op voorwaarde dat het goed op bedoelde dag in staat is om bebouwd te worden en aangrenst aan een weg die voldoende uitgerust is rekening houdend met de ligging, moet [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 een vergoeding betalen.
De waardevermindering wordt zonder vergoeding gedragen tot en met twintig percent van de geactualiseerde aankoopwaarde van het goed, vermeerderd overeenkomstig artikel D.VI.42.
Wanneer het bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 1°, of het [2 verbod om te ontsluiten of op te splitsen]2 in de zin van artikel D.IV.2 dat voortspruit uit de herziening of de opmaak van een gewestplan met bindende kracht, een einde maakt aan de bestemming die gegeven is aan het goed middels het plan dat van kracht is de dag vóór de inwerkingtreding van bedoeld plan op voorwaarde dat het goed op bedoelde dag in staat is om bebouwd te worden en aangrenst aan een weg die voldoende uitgerust is rekening houdend met de ligging, moet [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 een vergoeding betalen.
De waardevermindering wordt zonder vergoeding gedragen tot en met twintig percent van de geactualiseerde aankoopwaarde van het goed, vermeerderd overeenkomstig artikel D.VI.42.
Art. D. VI.38_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Il y a lieu à indemnité à charge de la [1 Communauté germanophone]1 lorsque l'interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes, au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, [2 ou d'urbaniser ou de diviser]2 au sens de l'article D.IV.2, résultant de la révision ou de l'élaboration d'un plan de secteur revêtu de la force obligatoire met fin à l'affectation donnée au bien par le plan en vigueur au jour précédant l'entrée en vigueur dudit plan, à condition qu'à ce jour, le bien soit apte à recevoir des constructions et riverain d'une voirie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux.
La diminution de valeur est supportée sans indemnité jusqu'à concurrence de vingt pour cent de la valeur d'acquisition du bien actualisée et majorée conformément à l'article D.VI.42.
Il y a lieu à indemnité à charge de la [1 Communauté germanophone]1 lorsque l'interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes, au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, [2 ou d'urbaniser ou de diviser]2 au sens de l'article D.IV.2, résultant de la révision ou de l'élaboration d'un plan de secteur revêtu de la force obligatoire met fin à l'affectation donnée au bien par le plan en vigueur au jour précédant l'entrée en vigueur dudit plan, à condition qu'à ce jour, le bien soit apte à recevoir des constructions et riverain d'une voirie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux.
La diminution de valeur est supportée sans indemnité jusqu'à concurrence de vingt pour cent de la valeur d'acquisition du bien actualisée et majorée conformément à l'article D.VI.42.
Afdeling 2. - Onverschuldigde vergoeding
Section 2. - Absence d'indemnisation
Art. D. VI.39. In de onderstaande gevallen is geen enkele vergoeding verschuldigd :
1° bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties of het verbod om te bebouwen ten gevolge van de geplande onteigening van een goed, onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.VI.15;
2° verbod tot oprichting op hetzelfde perceel van meer gebouwen dan is toegelaten in het plan of verbod tot overschrijding van de in het plan vastgelegde bebouwingscoëfficiënt;
3° verbod tot verdere uitbating van overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vergunnings- of aanmeldingsplichtige vestigingen na de periode waarvoor de uitbating gemachtigd is;
4° verbod tot bouwen op een grondstuk dat de in het plan vastgelegde minimale afmetingen niet in acht neemt;
5° verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, van een bouwwerk te voorzien of te bebouwen;
6° bouw- of bebouwingsverbod buiten de agglomeratie wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;
7° bouw- of bebouwingsverbod voor een terrein waarvoor een eerder toegekende stedenbouwkundige, verkavelings- of bebouwingsvergunning vervalt op de dag van inwerkingtreding van het plan waarbij het verbod is opgelegd;
8° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
9° bouw- of bebouwingsverbod voor een terrein dat onderhevig is aan een risico of aan een zware drukfactor, zoals bedoeld in artikel D.IV.57.
1° bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties of het verbod om te bebouwen ten gevolge van de geplande onteigening van een goed, onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.VI.15;
2° verbod tot oprichting op hetzelfde perceel van meer gebouwen dan is toegelaten in het plan of verbod tot overschrijding van de in het plan vastgelegde bebouwingscoëfficiënt;
3° verbod tot verdere uitbating van overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vergunnings- of aanmeldingsplichtige vestigingen na de periode waarvoor de uitbating gemachtigd is;
4° verbod tot bouwen op een grondstuk dat de in het plan vastgelegde minimale afmetingen niet in acht neemt;
5° verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, van een bouwwerk te voorzien of te bebouwen;
6° bouw- of bebouwingsverbod buiten de agglomeratie wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;
7° bouw- of bebouwingsverbod voor een terrein waarvoor een eerder toegekende stedenbouwkundige, verkavelings- of bebouwingsvergunning vervalt op de dag van inwerkingtreding van het plan waarbij het verbod is opgelegd;
8° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
9° bouw- of bebouwingsverbod voor een terrein dat onderhevig is aan een risico of aan een zware drukfactor, zoals bedoeld in artikel D.IV.57.
Art. D. VI.39. Aucune indemnité n'est due dans les cas suivants :
1° interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes ou d'urbaniser résultant d'une prévision d'expropriation du bien, et ce, sous réserve de l'application de l'article D.VI.15;
2° interdiction de couvrir une parcelle de constructions au-delà de ce qui est permis par le plan ou de dépasser la densité d'occupation fixée par le plan;
3° interdiction de continuer l'exploitation d'établissements soumis à permis d'environnement ou déclaration en application du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement au-delà de la période pour laquelle l'exploitation a été autorisée;
4° interdiction de construire sur un terrain ne possédant pas les dimensions minimales fixées par le plan;
5° interdiction de construire ou d'urbaniser un terrain n'ayant pas d'accès à une voie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux;
6° interdiction de construire ou d'urbaniser en dehors des agglomérations en raison des nécessités impérieuses résultant de la sécurité de la circulation;
7° interdiction de construire ou d'urbaniser un terrain pour lequel un permis d'urbanisme, de lotir ou d'urbanisation précédemment accordé était périmé à la date de l'entrée en vigueur du plan entraînant cette interdiction;
8° pour les bâtiments ou installations fixes détruits par une calamité naturelle, lorsque l'interdiction de leur reconstruction résulte de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 12, § 3, alinéa 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
9° interdiction de construire ou d'urbaniser sur un terrain exposé à un risque ou une contrainte visé à l'article D.IV.57.
1° interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes ou d'urbaniser résultant d'une prévision d'expropriation du bien, et ce, sous réserve de l'application de l'article D.VI.15;
2° interdiction de couvrir une parcelle de constructions au-delà de ce qui est permis par le plan ou de dépasser la densité d'occupation fixée par le plan;
3° interdiction de continuer l'exploitation d'établissements soumis à permis d'environnement ou déclaration en application du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement au-delà de la période pour laquelle l'exploitation a été autorisée;
4° interdiction de construire sur un terrain ne possédant pas les dimensions minimales fixées par le plan;
5° interdiction de construire ou d'urbaniser un terrain n'ayant pas d'accès à une voie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux;
6° interdiction de construire ou d'urbaniser en dehors des agglomérations en raison des nécessités impérieuses résultant de la sécurité de la circulation;
7° interdiction de construire ou d'urbaniser un terrain pour lequel un permis d'urbanisme, de lotir ou d'urbanisation précédemment accordé était périmé à la date de l'entrée en vigueur du plan entraînant cette interdiction;
8° pour les bâtiments ou installations fixes détruits par une calamité naturelle, lorsque l'interdiction de leur reconstruction résulte de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 12, § 3, alinéa 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
9° interdiction de construire ou d'urbaniser sur un terrain exposé à un risque ou une contrainte visé à l'article D.IV.57.
Art. D _VI.39.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In de onderstaande gevallen is geen enkele vergoeding verschuldigd :
1° bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties of het [1 verbod om te ontsluiten of op te splitsen]1 ten gevolge van de geplande onteigening van een goed, onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.VI.15;
2° verbod tot oprichting op hetzelfde perceel van meer gebouwen dan is toegelaten in het plan of verbod tot overschrijding van de in het plan vastgelegde bebouwingscoëfficiënt;
3° verbod tot verdere uitbating van overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vergunnings- of aanmeldingsplichtige vestigingen na de periode waarvoor de uitbating gemachtigd is;
4° verbod tot bouwen op een grondstuk dat de in het plan vastgelegde minimale afmetingen niet in acht neemt;
5° verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, van een bouwwerk te voorzien [1 , te ontsluiten of op te splitsen]1;
6° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 buiten de agglomeratie wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;
7° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 voor een terrein waarvoor een eerder toegekende stedenbouwkundige, verkavelings- [1 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vervalt op de dag van inwerkingtreding van het plan waarbij het verbod is opgelegd;
8° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
9° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 voor een terrein dat onderhevig is aan een risico of aan een zware drukfactor, zoals bedoeld in artikel D.IV.57.
In de onderstaande gevallen is geen enkele vergoeding verschuldigd :
1° bouwverbod of het verbod om een grondstuk te gebruiken voor de plaatsing van één of meerdere vaste installaties of het [1 verbod om te ontsluiten of op te splitsen]1 ten gevolge van de geplande onteigening van een goed, onder voorbehoud van de toepassing van artikel D.VI.15;
2° verbod tot oprichting op hetzelfde perceel van meer gebouwen dan is toegelaten in het plan of verbod tot overschrijding van de in het plan vastgelegde bebouwingscoëfficiënt;
3° verbod tot verdere uitbating van overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vergunnings- of aanmeldingsplichtige vestigingen na de periode waarvoor de uitbating gemachtigd is;
4° verbod tot bouwen op een grondstuk dat de in het plan vastgelegde minimale afmetingen niet in acht neemt;
5° verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, van een bouwwerk te voorzien [1 , te ontsluiten of op te splitsen]1;
6° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 buiten de agglomeratie wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;
7° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 voor een terrein waarvoor een eerder toegekende stedenbouwkundige, verkavelings- [1 , bebouwings-, ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 vervalt op de dag van inwerkingtreding van het plan waarbij het verbod is opgelegd;
8° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
9° [1 bouw-, ontsluitings- of opsplitsingsverbod]1 voor een terrein dat onderhevig is aan een risico of aan een zware drukfactor, zoals bedoeld in artikel D.IV.57.
Art. D _VI.39.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Aucune indemnité n'est due dans les cas suivants :
1° interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes [1 ou d'urbaniser ou de diviser]1 résultant d'une prévision d'expropriation du bien, et ce, sous réserve de l'application de l'article D.VI.15;
2° interdiction de couvrir une parcelle de constructions au-delà de ce qui est permis par le plan ou de dépasser la densité d'occupation fixée par le plan;
3° interdiction de continuer l'exploitation d'établissements soumis à permis d'environnement ou déclaration en application du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement au-delà de la période pour laquelle l'exploitation a été autorisée;
4° interdiction de construire sur un terrain ne possédant pas les dimensions minimales fixées par le plan;
5° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 un terrain n'ayant pas d'accès à une voie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux;
6° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 en dehors des agglomérations en raison des nécessités impérieuses résultant de la sécurité de la circulation;
7° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 un terrain pour lequel un permis d'urbanisme, de lotir [1 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]1 précédemment accordé était périmé à la date de l'entrée en vigueur du plan entraînant cette interdiction;
8° pour les bâtiments ou installations fixes détruits par une calamité naturelle, lorsque l'interdiction de leur reconstruction résulte de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 12, § 3, alinéa 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
9° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 sur un terrain exposé à un risque ou une contrainte visé à l'article D.IV.57.
Aucune indemnité n'est due dans les cas suivants :
1° interdiction de construire ou d'utiliser un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations fixes [1 ou d'urbaniser ou de diviser]1 résultant d'une prévision d'expropriation du bien, et ce, sous réserve de l'application de l'article D.VI.15;
2° interdiction de couvrir une parcelle de constructions au-delà de ce qui est permis par le plan ou de dépasser la densité d'occupation fixée par le plan;
3° interdiction de continuer l'exploitation d'établissements soumis à permis d'environnement ou déclaration en application du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement au-delà de la période pour laquelle l'exploitation a été autorisée;
4° interdiction de construire sur un terrain ne possédant pas les dimensions minimales fixées par le plan;
5° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 un terrain n'ayant pas d'accès à une voie suffisamment équipée compte tenu de la situation des lieux;
6° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 en dehors des agglomérations en raison des nécessités impérieuses résultant de la sécurité de la circulation;
7° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 un terrain pour lequel un permis d'urbanisme, de lotir [1 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]1 précédemment accordé était périmé à la date de l'entrée en vigueur du plan entraînant cette interdiction;
8° pour les bâtiments ou installations fixes détruits par une calamité naturelle, lorsque l'interdiction de leur reconstruction résulte de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 12, § 3, alinéa 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
9° interdiction de construire [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 sur un terrain exposé à un risque ou une contrainte visé à l'article D.IV.57.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Vermindering of weigering van de vergoeding
Section 3. - Réduction ou refus d'indemnisation
Art. D. VI.40. De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voor zover de aanvrager, de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed gegeven is, eigenaar is van één of meerdere onroerende goeden in het Gewest of aandelen in handen heeft van een vennootschap die als hoofdzakelijk doel heeft het beheer van onroerende goeden en die één of meer onroerende goeden beheert in het Gewest en bedoelde onroerende goeden gewonnen hebben bij de inwerkingtreding van een plan of van werken die op kosten van openbare besturen zijn uitgevoerd.
Art. D. VI.40. L'indemnisation est réduite ou refusée si et dans la mesure où, la veille de l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien, le demandeur est propriétaire d'un ou plusieurs biens immeubles dans la Région ou détient des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière et gérant un ou plusieurs immeubles situés dans la Région et que ces immeubles tirent profit de l'entrée en vigueur d'un plan ou de travaux exécutés aux frais d'administrations publiques.
Art. D. VI.40_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voor zover de aanvrager, de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed gegeven is, eigenaar is van één of meerdere onroerende goeden [1 in het Duitse taalgebied]1 of aandelen in handen heeft van een vennootschap die als hoofdzakelijk doel heeft het beheer van onroerende goeden en die één of meer onroerende goeden beheert [1 in het Duitse taalgebied]1 en bedoelde onroerende goeden gewonnen hebben bij de inwerkingtreding van een plan of van werken die op kosten van openbare besturen zijn uitgevoerd.
De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voor zover de aanvrager, de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed gegeven is, eigenaar is van één of meerdere onroerende goeden [1 in het Duitse taalgebied]1 of aandelen in handen heeft van een vennootschap die als hoofdzakelijk doel heeft het beheer van onroerende goeden en die één of meer onroerende goeden beheert [1 in het Duitse taalgebied]1 en bedoelde onroerende goeden gewonnen hebben bij de inwerkingtreding van een plan of van werken die op kosten van openbare besturen zijn uitgevoerd.
Art. D. VI.40_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'indemnisation est réduite ou refusée si et dans la mesure où, la veille de l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien, le demandeur est propriétaire d'un ou plusieurs biens immeubles [1 en région de langue allemande]1 ou détient des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière et gérant un ou plusieurs immeubles situés [1 en région de langue allemande]1 et que ces immeubles tirent profit de l'entrée en vigueur d'un plan ou de travaux exécutés aux frais d'administrations publiques.
L'indemnisation est réduite ou refusée si et dans la mesure où, la veille de l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien, le demandeur est propriétaire d'un ou plusieurs biens immeubles [1 en région de langue allemande]1 ou détient des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière et gérant un ou plusieurs immeubles situés [1 en région de langue allemande]1 et que ces immeubles tirent profit de l'entrée en vigueur d'un plan ou de travaux exécutés aux frais d'administrations publiques.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Ontstaan van het recht op de vergoeding
Section 4. - Naissance du droit à l'indemnisation
Art. D. VI.41. Het recht op vergoeding ontstaat ofwel op het ogenblik waarop het goed verkocht wordt, ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundige of bebouwingsvergunning, ofwel bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest dat daarop betrekking heeft.
Art. D. VI.41. Le droit à l'indemnisation naît soit au moment de la vente du bien, soit lors du refus d'un permis d'urbanisme ou d'urbanisation, soit lors de la délivrance d'un certificat d'urbanisme négatif s'y rapportant.
Art. D _VI.41.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het recht op vergoeding ontstaat ofwel op het ogenblik waarop het goed verkocht wordt, ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1, ofwel bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest dat daarop betrekking heeft.
Het recht op vergoeding ontstaat ofwel op het ogenblik waarop het goed verkocht wordt, ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1, ofwel bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest dat daarop betrekking heeft.
Art. D _VI.41.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le droit à l'indemnisation naît soit au moment de la vente du bien, soit lors du refus d'un permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1, soit lors de la délivrance d'un certificat d'urbanisme négatif s'y rapportant.
Le droit à l'indemnisation naît soit au moment de la vente du bien, soit lors du refus d'un permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1, soit lors de la délivrance d'un certificat d'urbanisme négatif s'y rapportant.
Wijzigingen
Afdeling 5. - Berekening van de vergoeding
Section 5. - Calcul de l'indemnité
Art. D. VI.42. De geschatte waardevermindering die in aanmerking komt voor de vergoeding, is het verschil tussen enerzijds de waarde van het goed bij de aankoop en anderzijds de waarde van het goed bij het ontstaan van het recht op vergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Alleen de waardevermindering die uit het plan voortvloeit, kan in aanmerking genomen worden voor de vergoeding.
Als waarde van het goed op het ogenblik van de aankoop wordt beschouwd het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de inning van de op de volle eigendom van het goed betrekking hebbende registratie-, successie- of overgangsrechten bij overlijden of, bij ontstentenis van een dergelijke inning, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is aangekocht.
Als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op vergoeding wordt beschouwd :
1° in geval van verkoop van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten op de volle eigendom van het goed of, bij ontstentenis van een dergelijke heffing, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is verkocht met minstens de overeengekomen waarde;
2° in geval van weigering van de stedenbouwkundige of bebouwingsvergunning of in het geval van een negatief stedenbouwkundig attest, de koopwaarde op bedoeld ogenblik.
De waarde van het goed bij de aankoop wordt geactualiseerd door bedoelde waarde te vermenigvuldigen met het gezondheidsindexcijfer van de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de vergoeding is vastgesteld en door het aldus verkregen cijfer te delen door het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het jaar waarin het goed is aangekocht door de rechthebbende op de vergoeding en die in voorkomend geval omgerekend is op dezelfde grondslag als het in de eerste plaats bedoelde indexcijfer. De aldus verkregen waarde wordt vermeerderd met de aankoopkosten en de uitgaven die de rechthebbende op de vergoeding gedragen heeft met het oog op de verwezenlijking van de bestemming van het goed de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed is gegeven.
Als waarde van het goed op het ogenblik van de aankoop wordt beschouwd het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de inning van de op de volle eigendom van het goed betrekking hebbende registratie-, successie- of overgangsrechten bij overlijden of, bij ontstentenis van een dergelijke inning, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is aangekocht.
Als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op vergoeding wordt beschouwd :
1° in geval van verkoop van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten op de volle eigendom van het goed of, bij ontstentenis van een dergelijke heffing, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is verkocht met minstens de overeengekomen waarde;
2° in geval van weigering van de stedenbouwkundige of bebouwingsvergunning of in het geval van een negatief stedenbouwkundig attest, de koopwaarde op bedoeld ogenblik.
De waarde van het goed bij de aankoop wordt geactualiseerd door bedoelde waarde te vermenigvuldigen met het gezondheidsindexcijfer van de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de vergoeding is vastgesteld en door het aldus verkregen cijfer te delen door het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het jaar waarin het goed is aangekocht door de rechthebbende op de vergoeding en die in voorkomend geval omgerekend is op dezelfde grondslag als het in de eerste plaats bedoelde indexcijfer. De aldus verkregen waarde wordt vermeerderd met de aankoopkosten en de uitgaven die de rechthebbende op de vergoeding gedragen heeft met het oog op de verwezenlijking van de bestemming van het goed de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed is gegeven.
Art. D. VI.42. La diminution de valeur, qui est prise en considération pour l'indemnisation, est estimée en tant que la différence entre, d'une part, la valeur du bien au moment de l'acquisition et, d'autre part, la valeur du bien au moment où naît le droit à l'indemnisation après l'entrée en vigueur du plan. Seule la diminution de valeur résultant du plan peut être prise en considération pour l'indemnisation.
Est considéré comme valeur du bien au moment de l'acquisition le montant qui a servi de base à la perception des droits d'enregistrement, de succession ou de mutation par décès sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de pareille perception, la valeur vénale du bien en pleine propriété le jour de l'acquisition.
Est considéré comme valeur du bien au moment de la naissance du droit à l'indemnisation :
1° en cas de vente du bien, le montant ayant servi de base au prélèvement des droits d'enregistrement sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de tel prélèvement, la valeur vénale du bien en pleine propriété au jour de la vente avec au minimum la valeur convenue;
2° en cas de refus du permis d'urbanisme ou d'urbanisation ou en cas de certificat d'urbanisme négatif, la valeur vénale à ce moment.
La valeur du bien au moment de l'acquisition est actualisée en la multipliant par l'indice santé du mois civil précédant celui de la fixation de l'indemnité et en divisant le chiffre ainsi obtenu par l'indice de santé de l'année de l'acquisition du bien par l'ayant droit à l'indemnité converti, le cas échéant, sur la même base que l'indice visé en premier lieu. La valeur ainsi obtenue est majorée des frais d'acquisition et des dépenses que l'ayant droit à l'indemnité a supportés en vue de réaliser la destination du bien au jour précédant l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien.
Est considéré comme valeur du bien au moment de l'acquisition le montant qui a servi de base à la perception des droits d'enregistrement, de succession ou de mutation par décès sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de pareille perception, la valeur vénale du bien en pleine propriété le jour de l'acquisition.
Est considéré comme valeur du bien au moment de la naissance du droit à l'indemnisation :
1° en cas de vente du bien, le montant ayant servi de base au prélèvement des droits d'enregistrement sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de tel prélèvement, la valeur vénale du bien en pleine propriété au jour de la vente avec au minimum la valeur convenue;
2° en cas de refus du permis d'urbanisme ou d'urbanisation ou en cas de certificat d'urbanisme négatif, la valeur vénale à ce moment.
La valeur du bien au moment de l'acquisition est actualisée en la multipliant par l'indice santé du mois civil précédant celui de la fixation de l'indemnité et en divisant le chiffre ainsi obtenu par l'indice de santé de l'année de l'acquisition du bien par l'ayant droit à l'indemnité converti, le cas échéant, sur la même base que l'indice visé en premier lieu. La valeur ainsi obtenue est majorée des frais d'acquisition et des dépenses que l'ayant droit à l'indemnité a supportés en vue de réaliser la destination du bien au jour précédant l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien.
Art. D _VI.42.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De geschatte waardevermindering die in aanmerking komt voor de vergoeding, is het verschil tussen enerzijds de waarde van het goed bij de aankoop en anderzijds de waarde van het goed bij het ontstaan van het recht op vergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Alleen de waardevermindering die uit het plan voortvloeit, kan in aanmerking genomen worden voor de vergoeding.
Als waarde van het goed op het ogenblik van de aankoop wordt beschouwd het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de inning van de op de volle eigendom van het goed betrekking hebbende registratie-, successie- of overgangsrechten bij overlijden of, bij ontstentenis van een dergelijke inning, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is aangekocht.
Als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op vergoeding wordt beschouwd :
1° in geval van verkoop van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten op de volle eigendom van het goed of, bij ontstentenis van een dergelijke heffing, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is verkocht met minstens de overeengekomen waarde;
2° in geval van weigering van de stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 of in het geval van een negatief stedenbouwkundig attest, de koopwaarde op bedoeld ogenblik.
De waarde van het goed bij de aankoop wordt geactualiseerd door bedoelde waarde te vermenigvuldigen met het gezondheidsindexcijfer van de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de vergoeding is vastgesteld en door het aldus verkregen cijfer te delen door het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het jaar waarin het goed is aangekocht door de rechthebbende op de vergoeding en die in voorkomend geval omgerekend is op dezelfde grondslag als het in de eerste plaats bedoelde indexcijfer. De aldus verkregen waarde wordt vermeerderd met de aankoopkosten en de uitgaven die de rechthebbende op de vergoeding gedragen heeft met het oog op de verwezenlijking van de bestemming van het goed de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed is gegeven.
De geschatte waardevermindering die in aanmerking komt voor de vergoeding, is het verschil tussen enerzijds de waarde van het goed bij de aankoop en anderzijds de waarde van het goed bij het ontstaan van het recht op vergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Alleen de waardevermindering die uit het plan voortvloeit, kan in aanmerking genomen worden voor de vergoeding.
Als waarde van het goed op het ogenblik van de aankoop wordt beschouwd het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de inning van de op de volle eigendom van het goed betrekking hebbende registratie-, successie- of overgangsrechten bij overlijden of, bij ontstentenis van een dergelijke inning, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is aangekocht.
Als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op vergoeding wordt beschouwd :
1° in geval van verkoop van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten op de volle eigendom van het goed of, bij ontstentenis van een dergelijke heffing, de koopwaarde van het goed in volle eigendom de dag waarop het is verkocht met minstens de overeengekomen waarde;
2° in geval van weigering van de stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 of in het geval van een negatief stedenbouwkundig attest, de koopwaarde op bedoeld ogenblik.
De waarde van het goed bij de aankoop wordt geactualiseerd door bedoelde waarde te vermenigvuldigen met het gezondheidsindexcijfer van de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de vergoeding is vastgesteld en door het aldus verkregen cijfer te delen door het gemiddelde gezondheidsindexcijfer van het jaar waarin het goed is aangekocht door de rechthebbende op de vergoeding en die in voorkomend geval omgerekend is op dezelfde grondslag als het in de eerste plaats bedoelde indexcijfer. De aldus verkregen waarde wordt vermeerderd met de aankoopkosten en de uitgaven die de rechthebbende op de vergoeding gedragen heeft met het oog op de verwezenlijking van de bestemming van het goed de dag vóór de inwerkingtreding van het plan waarmee een einde wordt gemaakt aan de bestemming die oorspronkelijk aan het goed is gegeven.
Art. D _VI.42.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La diminution de valeur, qui est prise en considération pour l'indemnisation, est estimée en tant que la différence entre, d'une part, la valeur du bien au moment de l'acquisition et, d'autre part, la valeur du bien au moment où naît le droit à l'indemnisation après l'entrée en vigueur du plan. Seule la diminution de valeur résultant du plan peut être prise en considération pour l'indemnisation.
Est considéré comme valeur du bien au moment de l'acquisition le montant qui a servi de base à la perception des droits d'enregistrement, de succession ou de mutation par décès sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de pareille perception, la valeur vénale du bien en pleine propriété le jour de l'acquisition.
Est considéré comme valeur du bien au moment de la naissance du droit à l'indemnisation :
1° en cas de vente du bien, le montant ayant servi de base au prélèvement des droits d'enregistrement sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de tel prélèvement, la valeur vénale du bien en pleine propriété au jour de la vente avec au minimum la valeur convenue;
2° en cas de refus du permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 ou en cas de certificat d'urbanisme négatif, la valeur vénale à ce moment.
La valeur du bien au moment de l'acquisition est actualisée en la multipliant par l'indice santé du mois civil précédant celui de la fixation de l'indemnité et en divisant le chiffre ainsi obtenu par l'indice de santé de l'année de l'acquisition du bien par l'ayant droit à l'indemnité converti, le cas échéant, sur la même base que l'indice visé en premier lieu. La valeur ainsi obtenue est majorée des frais d'acquisition et des dépenses que l'ayant droit à l'indemnité a supportés en vue de réaliser la destination du bien au jour précédant l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien.
La diminution de valeur, qui est prise en considération pour l'indemnisation, est estimée en tant que la différence entre, d'une part, la valeur du bien au moment de l'acquisition et, d'autre part, la valeur du bien au moment où naît le droit à l'indemnisation après l'entrée en vigueur du plan. Seule la diminution de valeur résultant du plan peut être prise en considération pour l'indemnisation.
Est considéré comme valeur du bien au moment de l'acquisition le montant qui a servi de base à la perception des droits d'enregistrement, de succession ou de mutation par décès sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de pareille perception, la valeur vénale du bien en pleine propriété le jour de l'acquisition.
Est considéré comme valeur du bien au moment de la naissance du droit à l'indemnisation :
1° en cas de vente du bien, le montant ayant servi de base au prélèvement des droits d'enregistrement sur la pleine propriété du bien, ou, à défaut de tel prélèvement, la valeur vénale du bien en pleine propriété au jour de la vente avec au minimum la valeur convenue;
2° en cas de refus du permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1 ou en cas de certificat d'urbanisme négatif, la valeur vénale à ce moment.
La valeur du bien au moment de l'acquisition est actualisée en la multipliant par l'indice santé du mois civil précédant celui de la fixation de l'indemnité et en divisant le chiffre ainsi obtenu par l'indice de santé de l'année de l'acquisition du bien par l'ayant droit à l'indemnité converti, le cas échéant, sur la même base que l'indice visé en premier lieu. La valeur ainsi obtenue est majorée des frais d'acquisition et des dépenses que l'ayant droit à l'indemnité a supportés en vue de réaliser la destination du bien au jour précédant l'entrée en vigueur du plan qui met fin à l'affectation donnée initialement au bien.
Wijzigingen
Afdeling 6. - Procedure
Section 6. - Procédure
Art. D. VI.43. De vorderingen tot betaling van vergoedingen ongeacht het bedrag ervan, behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg. Die vonnissen zijn vatbaar voor hoger beroep.
De rechtsvorderingen verjaren één jaar na de dag waarop het recht tot vergoeding overeenkomstig artikel D.VI.41 ontstaat, en tien jaar na de inwerkingtreding van het gewestplan. Deze laatste termijn wordt op vijftien jaar gebracht voor de in artikel D.VI.15, vierde lid, bedoelde vorderingen tot schadevergoeding.
De rechtsvorderingen verjaren één jaar na de dag waarop het recht tot vergoeding overeenkomstig artikel D.VI.41 ontstaat, en tien jaar na de inwerkingtreding van het gewestplan. Deze laatste termijn wordt op vijftien jaar gebracht voor de in artikel D.VI.15, vierde lid, bedoelde vorderingen tot schadevergoeding.
Art. D. VI.43. Les demandes d'indemnité sont, quel qu'en soit le montant, de la compétence des tribunaux de première instance. Ces jugements sont susceptibles d'appel.
Les actions sont prescrites un an après le jour où naît le droit à l'indemnisation conformément à l'article D.VI.41, et dix ans à compter de la date d'entrée en vigueur du plan de secteur. Ce dernier délai est porté à quinze ans pour l'action en indemnité visée à l'article D.VI.15, alinéa 4.
Les actions sont prescrites un an après le jour où naît le droit à l'indemnisation conformément à l'article D.VI.41, et dix ans à compter de la date d'entrée en vigueur du plan de secteur. Ce dernier délai est porté à quinze ans pour l'action en indemnité visée à l'article D.VI.15, alinéa 4.
Art. D. VI.44. Op straffe van een definitieve vervallenverklaring van het recht op een vergoeding moet de aanvrager binnen de zes maanden volgend op de indiening van de aanvraag en uiterlijk vóór afsluiting der debatten per zending een staat neerleggen bij de griffie van de bevoegde rechtbank waarin aangegeven wordt of hij de dag vóór de inwerkingtreding van het in artikel D.VI.38 bedoelde plan al dan niet eigenaar was van één of meer al dan niet bebouwde goeden in het Gewest dan wel of hij aandelen in handen had van een vennootschap die het beheer van onroerende goeden als hoofdzakelijk doel heeft. Indien dat het geval is, moet hij eveneens nauwkeurig de kadastrale gegevens vermelden met betrekking tot bedoelde gronden, en het aantal aandelen. Gelijk met de neerlegging van bedoelde staat bij de griffie deelt de aanvrager bedoelde staat op dezelfde wijze mee aan het bestuur of aan diens raadsman.
Art. D. VI.44. Sous peine de déchéance définitive du droit à l'indemnisation, le demandeur, dans les six mois qui suivent l'introduction de la demande et au plus tard avant la clôture des débats, dépose au greffe du tribunal compétent, par envoi, un état précisant si, la veille de l'entrée en vigueur du plan visé à l'article D.VI.38, il était ou n'était pas propriétaire d'un ou plusieurs biens, bâtis ou non, dans la Région ou détenait des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière. Si tel est le cas, il doit aussi fournir une indication précise des données cadastrales de ces terrains et du nombre d'actions. En même temps qu'il dépose cet état au greffe, le demandeur le communique, selon les mêmes modalités, à l'administration ou à son conseil.
Art. D. VI.44_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Op straffe van een definitieve vervallenverklaring van het recht op een vergoeding moet de aanvrager binnen de zes maanden volgend op de indiening van de aanvraag en uiterlijk vóór afsluiting der debatten per zending een staat neerleggen bij de griffie van de bevoegde rechtbank waarin aangegeven wordt of hij de dag vóór de inwerkingtreding van het in artikel D.VI.38 bedoelde plan al dan niet eigenaar was van één of meer al dan niet bebouwde goeden [1 in het Duitse taalgebied]1 dan wel of hij aandelen in handen had van een vennootschap die het beheer van onroerende goeden als hoofdzakelijk doel heeft. Indien dat het geval is, moet hij eveneens nauwkeurig de kadastrale gegevens vermelden met betrekking tot bedoelde gronden, en het aantal aandelen. Gelijk met de neerlegging van bedoelde staat bij de griffie deelt de aanvrager bedoelde staat op dezelfde wijze mee aan het bestuur of aan diens raadsman.
Op straffe van een definitieve vervallenverklaring van het recht op een vergoeding moet de aanvrager binnen de zes maanden volgend op de indiening van de aanvraag en uiterlijk vóór afsluiting der debatten per zending een staat neerleggen bij de griffie van de bevoegde rechtbank waarin aangegeven wordt of hij de dag vóór de inwerkingtreding van het in artikel D.VI.38 bedoelde plan al dan niet eigenaar was van één of meer al dan niet bebouwde goeden [1 in het Duitse taalgebied]1 dan wel of hij aandelen in handen had van een vennootschap die het beheer van onroerende goeden als hoofdzakelijk doel heeft. Indien dat het geval is, moet hij eveneens nauwkeurig de kadastrale gegevens vermelden met betrekking tot bedoelde gronden, en het aantal aandelen. Gelijk met de neerlegging van bedoelde staat bij de griffie deelt de aanvrager bedoelde staat op dezelfde wijze mee aan het bestuur of aan diens raadsman.
Art. D. VI.44_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous peine de déchéance définitive du droit à l'indemnisation, le demandeur, dans les six mois qui suivent l'introduction de la demande et au plus tard avant la clôture des débats, dépose au greffe du tribunal compétent, par envoi, un état précisant si, la veille de l'entrée en vigueur du plan visé à l'article D.VI.38, il était ou n'était pas propriétaire d'un ou plusieurs biens, bâtis ou non, [1 en région de langue allemande]1 ou détenait des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière. Si tel est le cas, il doit aussi fournir une indication précise des données cadastrales de ces terrains et du nombre d'actions. En même temps qu'il dépose cet état au greffe, le demandeur le communique, selon les mêmes modalités, à l'administration ou à son conseil.
Sous peine de déchéance définitive du droit à l'indemnisation, le demandeur, dans les six mois qui suivent l'introduction de la demande et au plus tard avant la clôture des débats, dépose au greffe du tribunal compétent, par envoi, un état précisant si, la veille de l'entrée en vigueur du plan visé à l'article D.VI.38, il était ou n'était pas propriétaire d'un ou plusieurs biens, bâtis ou non, [1 en région de langue allemande]1 ou détenait des actions d'une société ayant pour objet principal la gestion immobilière. Si tel est le cas, il doit aussi fournir une indication précise des données cadastrales de ces terrains et du nombre d'actions. En même temps qu'il dépose cet état au greffe, le demandeur le communique, selon les mêmes modalités, à l'administration ou à son conseil.
Wijzigingen
Afdeling 7. - Uitvoering van de verplichting tot vergoeding
Section 7. - Exécution de l'obligation d'indemnisation
Art. D. VI.45. De verplichting tot vergoeding kan, zelfs in geval van een overdracht van de eigendom van het goed, worden voldaan door herziening van het plan met als doel bedoeld goed de bestemming terug te geven die het had de dag vóór de inwerkingtreding van het plan. In dat geval beslist de Regering bij gemotiveerd besluit tot de inschakeling van de herzieningsprocedure van bedoeld gewestplan, of geeft zij daarvoor de toelating en is de herzieningsprocedure van toepassing. Indien het bij het beëindigen van de procedure onmogelijk blijkt om het goed diens vroegere bestemming terug te geven, is de vergoeding verschuldigd.
Art. D. VI.45. Il peut être satisfait à l'obligation d'indemnisation, même en cas de transfert de propriété du bien, par la révision du plan de secteur dans le but de rendre au bien l'affectation qu'il avait au jour précédant l'entrée en vigueur du plan. Dans ce cas, le Gouvernement décide ou autorise la mise en révision dudit plan de secteur par un arrêté motivé et la procédure de révision du plan est applicable. Si, au terme de la procédure, il n'apparaît pas possible de rendre au bien l'affectation antérieure, l'indemnisation est due.
Art. D. VI.46. Indien, krachtens een plan dat bindende kracht heeft gekregen, een bouwverbod tegengesteld kan worden aan degene die een perceel in de omtrek van een bebouwingsvergunning heeft aangekocht, kan het Gewest zich van zijn verplichting tot vergoeding vrijstellen door bedoeld perceel van betrokkene af te kopen middels terugbetaling van de koopprijs, de lasten en de kosten die hij heeft betaald.
Indien de betrokkene enkel het hierboven bedoelde perceel in eigendom heeft, kan hij eisen dat het Gewest het afkoopt, hetgeen hij dient mee te delen, per zending die binnen twaalf maanden na de bekendmaking van voormeld plan toe te zenden is. In dat geval moet het perceel hem afgekocht en betaald worden binnen twaalf maanden na de mededeling. De Regering regelt de toepassing van deze bepaling.
Indien de betrokkene enkel het hierboven bedoelde perceel in eigendom heeft, kan hij eisen dat het Gewest het afkoopt, hetgeen hij dient mee te delen, per zending die binnen twaalf maanden na de bekendmaking van voormeld plan toe te zenden is. In dat geval moet het perceel hem afgekocht en betaald worden binnen twaalf maanden na de mededeling. De Regering regelt de toepassing van deze bepaling.
Art. D. VI.46. Lorsqu'en vertu d'un plan revêtu de la force obligatoire, une interdiction de construire peut être opposée à celui qui a acquis une parcelle dans le périmètre d'un permis d'urbanisation, la Région peut s'exonérer de son obligation d'indemniser en rachetant cette parcelle à l'intéressé moyennant remboursement du prix, des charges et des frais qu'il a payés.
Si l'intéressé n'est propriétaire que de la parcelle visée ci-dessus, il pourra exiger son rachat par la Région en signifiant sa volonté par envoi dans les douze mois de la publication du plan prévu ci-dessus. Dans ce cas, cette parcelle devra lui être rachetée et payée dans les douze mois de la signification. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de cette disposition.
Si l'intéressé n'est propriétaire que de la parcelle visée ci-dessus, il pourra exiger son rachat par la Région en signifiant sa volonté par envoi dans les douze mois de la publication du plan prévu ci-dessus. Dans ce cas, cette parcelle devra lui être rachetée et payée dans les douze mois de la signification. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de cette disposition.
Art. D. VI.46_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Indien, krachtens een plan dat bindende kracht heeft gekregen, een bouwverbod tegengesteld kan worden aan degene die een perceel in de omtrek van een [2 ontsluitingsvergunning]2 heeft aangekocht, kan [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 zich van zijn verplichting tot vergoeding vrijstellen door bedoeld perceel van betrokkene af te kopen middels terugbetaling van de koopprijs, de lasten en de kosten die hij heeft betaald.
Indien de betrokkene enkel het hierboven bedoelde perceel in eigendom heeft, kan hij eisen dat [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 het afkoopt, hetgeen hij dient mee te delen, per zending die binnen twaalf maanden na de bekendmaking van voormeld plan toe te zenden is. In dat geval moet het perceel hem afgekocht en betaald worden binnen twaalf maanden na de mededeling. De Regering regelt de toepassing van deze bepaling.
Indien, krachtens een plan dat bindende kracht heeft gekregen, een bouwverbod tegengesteld kan worden aan degene die een perceel in de omtrek van een [2 ontsluitingsvergunning]2 heeft aangekocht, kan [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 zich van zijn verplichting tot vergoeding vrijstellen door bedoeld perceel van betrokkene af te kopen middels terugbetaling van de koopprijs, de lasten en de kosten die hij heeft betaald.
Indien de betrokkene enkel het hierboven bedoelde perceel in eigendom heeft, kan hij eisen dat [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 het afkoopt, hetgeen hij dient mee te delen, per zending die binnen twaalf maanden na de bekendmaking van voormeld plan toe te zenden is. In dat geval moet het perceel hem afgekocht en betaald worden binnen twaalf maanden na de mededeling. De Regering regelt de toepassing van deze bepaling.
Art. D. VI.46_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsqu'en vertu d'un plan revêtu de la force obligatoire, une interdiction de construire peut être opposée à celui qui a acquis une parcelle dans le périmètre d'un [2 permis d'urbaniser]2, la [1 Communauté germanophone]1 peut s'exonérer de son obligation d'indemniser en rachetant cette parcelle à l'intéressé moyennant remboursement du prix, des charges et des frais qu'il a payés.
Si l'intéressé n'est propriétaire que de la parcelle visée ci-dessus, il pourra exiger son rachat par la [1 Communauté germanophone]1 en signifiant sa volonté par envoi dans les douze mois de la publication du plan prévu ci-dessus. Dans ce cas, cette parcelle devra lui être rachetée et payée dans les douze mois de la signification. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de cette disposition.
Lorsqu'en vertu d'un plan revêtu de la force obligatoire, une interdiction de construire peut être opposée à celui qui a acquis une parcelle dans le périmètre d'un [2 permis d'urbaniser]2, la [1 Communauté germanophone]1 peut s'exonérer de son obligation d'indemniser en rachetant cette parcelle à l'intéressé moyennant remboursement du prix, des charges et des frais qu'il a payés.
Si l'intéressé n'est propriétaire que de la parcelle visée ci-dessus, il pourra exiger son rachat par la [1 Communauté germanophone]1 en signifiant sa volonté par envoi dans les douze mois de la publication du plan prévu ci-dessus. Dans ce cas, cette parcelle devra lui être rachetée et payée dans les douze mois de la signification. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de cette disposition.
Afdeling 8. - Overgangsrecht
Section 8. - Droit transitoire
Art. D. VI.47. Ieder die voor 15 februari 1971 een goed heeft aangekocht om daarop een eigen woning te bouwen, en wie de bouwvergunning wordt geweigerd, kan aan het Waalse Gewest vragen om dat goed af te kopen wanneer het verbod voortvloeit uit de voorschriften van een gewestplan dat verordenende kracht heeft verkregen. De intercommunale vereniging of de gemeente kunnen, met de instemming van de Regering of haar gemachtigde, in de plaats treden van het Waalse Gewest.
Deze bepaling is slechts van toepassing op de personen die eigenaar zijn van dat enig goed en onder de voorwaarde dat zij met reden konden verwachten er een eigen woning op te mogen bouwen.
De afkoop geschiedt tegen terugbetaling van de door de rechthebbende betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en de kosten.
Deze bepaling is slechts van toepassing op de personen die eigenaar zijn van dat enig goed en onder de voorwaarde dat zij met reden konden verwachten er een eigen woning op te mogen bouwen.
De afkoop geschiedt tegen terugbetaling van de door de rechthebbende betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en de kosten.
Art. D. VI.47. Quiconque ayant acquis un bien avant le 15 février 1971, en vue d'y construire une habitation individuelle, se voit opposer un refus de permis d'urbanisme, peut demander à la Région de racheter ce bien, lorsque l'interdiction résulte des dispositions d'un plan de secteur ayant acquis force obligatoire. L'association intercommunale ou la commune, peuvent, avec l'accord du Gouvernement ou de son délégué, se substituer à la Région wallonne.
La présente disposition n'est applicable qu'aux personnes qui sont propriétaires de ce seul bien et à condition qu'elles aient pu légitimement escompter y construire une maison d'habitation individuelle.
Le rachat se fait moyennant remboursement du prix, des charges et des frais payés par le bénéficiaire.
La présente disposition n'est applicable qu'aux personnes qui sont propriétaires de ce seul bien et à condition qu'elles aient pu légitimement escompter y construire une maison d'habitation individuelle.
Le rachat se fait moyennant remboursement du prix, des charges et des frais payés par le bénéficiaire.
Art. D. VI.47_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Ieder die voor 15 februari 1971 een goed heeft aangekocht om daarop een eigen woning te bouwen, en wie de bouwvergunning wordt geweigerd, kan aan het Waalse Gewest vragen om dat goed af te kopen wanneer het verbod voortvloeit uit de voorschriften van een gewestplan dat verordenende kracht heeft verkregen. De intercommunale vereniging of de gemeente kunnen, met de instemming van de Regering of haar gemachtigde, in de plaats treden van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1.
Deze bepaling is slechts van toepassing op de personen die eigenaar zijn van dat enig goed en onder de voorwaarde dat zij met reden konden verwachten er een eigen woning op te mogen bouwen.
De afkoop geschiedt tegen terugbetaling van de door de rechthebbende betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en de kosten.
Ieder die voor 15 februari 1971 een goed heeft aangekocht om daarop een eigen woning te bouwen, en wie de bouwvergunning wordt geweigerd, kan aan het Waalse Gewest vragen om dat goed af te kopen wanneer het verbod voortvloeit uit de voorschriften van een gewestplan dat verordenende kracht heeft verkregen. De intercommunale vereniging of de gemeente kunnen, met de instemming van de Regering of haar gemachtigde, in de plaats treden van [1 de Duitstalige Gemeenschap]1.
Deze bepaling is slechts van toepassing op de personen die eigenaar zijn van dat enig goed en onder de voorwaarde dat zij met reden konden verwachten er een eigen woning op te mogen bouwen.
De afkoop geschiedt tegen terugbetaling van de door de rechthebbende betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en de kosten.
Art. D. VI.47_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Quiconque ayant acquis un bien avant le 15 février 1971, en vue d'y construire une habitation individuelle, se voit opposer un refus de permis d'urbanisme, peut demander à la [1 Communauté germanophone]1 de racheter ce bien, lorsque l'interdiction résulte des dispositions d'un plan de secteur ayant acquis force obligatoire. L'association intercommunale ou la commune, peuvent, avec l'accord du Gouvernement ou de son délégué, se substituer à la [1 Communauté germanophone]1.
La présente disposition n'est applicable qu'aux personnes qui sont propriétaires de ce seul bien et à condition qu'elles aient pu légitimement escompter y construire une maison d'habitation individuelle.
Le rachat se fait moyennant remboursement du prix, des charges et des frais payés par le bénéficiaire.
Quiconque ayant acquis un bien avant le 15 février 1971, en vue d'y construire une habitation individuelle, se voit opposer un refus de permis d'urbanisme, peut demander à la [1 Communauté germanophone]1 de racheter ce bien, lorsque l'interdiction résulte des dispositions d'un plan de secteur ayant acquis force obligatoire. L'association intercommunale ou la commune, peuvent, avec l'accord du Gouvernement ou de son délégué, se substituer à la [1 Communauté germanophone]1.
La présente disposition n'est applicable qu'aux personnes qui sont propriétaires de ce seul bien et à condition qu'elles aient pu légitimement escompter y construire une maison d'habitation individuelle.
Le rachat se fait moyennant remboursement du prix, des charges et des frais payés par le bénéficiaire.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Planwinstenstelsel
CHAPITRE II. - Régime des bénéfices résultant de la planification
Afdeling 1. - Gewestelijke retributie
Section 1re. - Taxe régionale
Onderafdeling 1. - Grondslag, vrijstellingen en opschortingen
Sous-section 1re. - Fondement, exemptions et suspensions
Art. D. VI.48. Er wordt een planwinstenretributie ingevoerd. Deze retributie is verschuldigd wanneer de twee onderstaande voorwaarden achtereenvolgens vervuld worden :
1° een perceel of deel ervan komt in aanmerking voor één of meerdere bestemmingswijzigingen ten gevolge van de opmaak of herziening van een gewestplan of deel ervan;
2° één van navolgende verrichtingen wordt uitgevoerd :
- de retributieplichtige draagt een zakelijk recht over dat verband houdt met dat perceel of perceelsdeel bij authentieke akte of onder bezwarende titel;
- dat perceel of perceelsdeel maakt het voorwerp in laatste administratieve instantie, van een stedenbouwkundige of bebouwingsvergunning van een enige of bedrijfsvergunning zoals bedoeld in artikel D.IV.107 die niet verkregen zou zijn voor de opmaak of de herziening van het gewestplan.
1° een perceel of deel ervan komt in aanmerking voor één of meerdere bestemmingswijzigingen ten gevolge van de opmaak of herziening van een gewestplan of deel ervan;
2° één van navolgende verrichtingen wordt uitgevoerd :
- de retributieplichtige draagt een zakelijk recht over dat verband houdt met dat perceel of perceelsdeel bij authentieke akte of onder bezwarende titel;
- dat perceel of perceelsdeel maakt het voorwerp in laatste administratieve instantie, van een stedenbouwkundige of bebouwingsvergunning van een enige of bedrijfsvergunning zoals bedoeld in artikel D.IV.107 die niet verkregen zou zijn voor de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Art. D. VI.48. Une taxe sur les bénéfices résultant de la planification est créée. La taxe est due lorsque les deux conditions suivantes sont réunies successivement :
1° une parcelle ou partie de parcelle bénéficie d'une ou plusieurs modifications de destination suite à l'élaboration ou à la révision de tout ou partie du plan de secteur;
2° une des opérations suivantes est réalisée :
- le redevable transmet un droit réel se rapportant à cette parcelle ou partie de parcelle par acte authentique et à titre onéreux;
- cette parcelle ou partie de parcelle fait l'objet en dernier ressort administratif, d'un permis d'urbanisme ou d'urbanisation, ou d'un permis unique ou intégré visés à l'article D.IV.107, et qui n'aurait pu être obtenu avant l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
1° une parcelle ou partie de parcelle bénéficie d'une ou plusieurs modifications de destination suite à l'élaboration ou à la révision de tout ou partie du plan de secteur;
2° une des opérations suivantes est réalisée :
- le redevable transmet un droit réel se rapportant à cette parcelle ou partie de parcelle par acte authentique et à titre onéreux;
- cette parcelle ou partie de parcelle fait l'objet en dernier ressort administratif, d'un permis d'urbanisme ou d'urbanisation, ou d'un permis unique ou intégré visés à l'article D.IV.107, et qui n'aurait pu être obtenu avant l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Art. D _VI.48.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Er wordt een planwinstenretributie ingevoerd. Deze retributie is verschuldigd wanneer de twee onderstaande voorwaarden achtereenvolgens vervuld worden :
1° een perceel of deel ervan komt in aanmerking voor één of meerdere bestemmingswijzigingen ten gevolge van de opmaak of herziening van een gewestplan of deel ervan;
2° één van navolgende verrichtingen wordt uitgevoerd :
- de retributieplichtige draagt een zakelijk recht over dat verband houdt met dat perceel of perceelsdeel bij authentieke akte of onder bezwarende titel;
- dat perceel of perceelsdeel maakt het voorwerp in laatste administratieve instantie, van een stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 van een enige of bedrijfsvergunning zoals bedoeld in artikel D.IV.107 die niet verkregen zou zijn voor de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Er wordt een planwinstenretributie ingevoerd. Deze retributie is verschuldigd wanneer de twee onderstaande voorwaarden achtereenvolgens vervuld worden :
1° een perceel of deel ervan komt in aanmerking voor één of meerdere bestemmingswijzigingen ten gevolge van de opmaak of herziening van een gewestplan of deel ervan;
2° één van navolgende verrichtingen wordt uitgevoerd :
- de retributieplichtige draagt een zakelijk recht over dat verband houdt met dat perceel of perceelsdeel bij authentieke akte of onder bezwarende titel;
- dat perceel of perceelsdeel maakt het voorwerp in laatste administratieve instantie, van een stedenbouwkundige [1 vergunning of ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 van een enige of bedrijfsvergunning zoals bedoeld in artikel D.IV.107 die niet verkregen zou zijn voor de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Art. D _VI.48.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Une taxe sur les bénéfices résultant de la planification est créée. La taxe est due lorsque les deux conditions suivantes sont réunies successivement :
1° une parcelle ou partie de parcelle bénéficie d'une ou plusieurs modifications de destination suite à l'élaboration ou à la révision de tout ou partie du plan de secteur;
2° une des opérations suivantes est réalisée :
- le redevable transmet un droit réel se rapportant à cette parcelle ou partie de parcelle par acte authentique et à titre onéreux;
- cette parcelle ou partie de parcelle fait l'objet en dernier ressort administratif, d'un permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1, ou d'un permis unique ou intégré visés à l'article D.IV.107, et qui n'aurait pu être obtenu avant l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Une taxe sur les bénéfices résultant de la planification est créée. La taxe est due lorsque les deux conditions suivantes sont réunies successivement :
1° une parcelle ou partie de parcelle bénéficie d'une ou plusieurs modifications de destination suite à l'élaboration ou à la révision de tout ou partie du plan de secteur;
2° une des opérations suivantes est réalisée :
- le redevable transmet un droit réel se rapportant à cette parcelle ou partie de parcelle par acte authentique et à titre onéreux;
- cette parcelle ou partie de parcelle fait l'objet en dernier ressort administratif, d'un permis d'urbanisme [1 , d'urbaniser ou de diviser]1, ou d'un permis unique ou intégré visés à l'article D.IV.107, et qui n'aurait pu être obtenu avant l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Wijzigingen
Art. D. VI.49.Onderstaande bestemmingswijzigingen hebben een winst tot gevolg die onderworpen is aan de retributie :
1° de omvorming van een landbouwgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
2° de omvorming van een bosgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
3° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
4° de omvorming van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of een domain van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
5° de omvorming van een recreatiegebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
6° de omvorming van een gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of van een gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
7° de omvorming van een gebied van aanhorigheden van ontginningen tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
8° de omvorming van een recreatiegebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
9° de omvorming van een landbouwgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
10° de omvorming van een bosgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
11° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
12° de omvorming van een landbouwgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
13° de omvorming van een bosgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
14° de omvorming van een groengebied, natuurgebied, parkgebied of ontginningsgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
15° de omvorming van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
16° de omvorming van een recreatiegebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
17° de omvorming van een gebied van aanhorigheden van een ontginning tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
18° de omvorming van een landbouwgebied tot gebied van aanhorigheden van een ontginning;
19° de omvorming van een bosgebied tot gebied van aanhorigheden van een ontginning;
20° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een gebied van aanhorigheden van een ontginning;
21° de omvorming van een landbouwgebied tot recreatiegebied;
22° de omvorming van een bosgebied tot recreatiegebied;
23° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een recreatiegebied;
24° de omvorming van een bosgebied tot landbouwgebied;
25° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een landbouwgebied.
1° de omvorming van een landbouwgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
2° de omvorming van een bosgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
3° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
4° de omvorming van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of een domain van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
5° de omvorming van een recreatiegebied tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
6° de omvorming van een gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of van een gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
7° de omvorming van een gebied van aanhorigheden van ontginningen tot woongebied, tot woongebied met een landelijk karakter, [1 tot groen woongebied,]1 tot gebied van gemeentelijk belang of tot gebied waarvan de inrichting onderworpen is aan gemeentelijk overleg;
8° de omvorming van een recreatiegebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
9° de omvorming van een landbouwgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
10° de omvorming van een bosgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
11° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens;
12° de omvorming van een landbouwgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
13° de omvorming van een bosgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
14° de omvorming van een groengebied, natuurgebied, parkgebied of ontginningsgebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
15° de omvorming van een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of een domein van spoorinfrastructuren, luchthaveninfrastructuren of autonome havens tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
16° de omvorming van een recreatiegebied tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
17° de omvorming van een gebied van aanhorigheden van een ontginning tot gemengde bedrijfsruimte, industriële bedrijfsruimte, specifieke bedrijfsruimte, gebied van gewestelijk belang of gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is;
18° de omvorming van een landbouwgebied tot gebied van aanhorigheden van een ontginning;
19° de omvorming van een bosgebied tot gebied van aanhorigheden van een ontginning;
20° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een gebied van aanhorigheden van een ontginning;
21° de omvorming van een landbouwgebied tot recreatiegebied;
22° de omvorming van een bosgebied tot recreatiegebied;
23° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een recreatiegebied;
24° de omvorming van een bosgebied tot landbouwgebied;
25° de omvorming van een groengebied, een natuurgebied, een parkgebied of een ontginningsgebied tot een landbouwgebied.
Art. D. VI.49.Donnent lieu à bénéfice soumis à la taxe les modifications de destination suivantes :
1° la modification d'une zone agricole en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
2° la modification d'une zone forestière en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
3° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
4° la modification d'une zone de services publics et d'équipements communautaires ou d'un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
5° la modification d'une zone de loisirs en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
6° la modification d'une zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
7° la modification d'une zone de dépendances d'extraction en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
8° la modification d'une zone de loisirs en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
9° la modification d'une zone agricole en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
10° la modification d'une zone forestière en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
11° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
12° la modification d'une zone agricole en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
13° la modification d'une zone forestière en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
14° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
15° la modification d'une zone de services publics et d'équipements communautaires ou d'un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
16° la modification d'une zone de loisirs en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
17° la modification d'une zone de dépendances d'extraction en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
18° la modification d'une zone agricole en zone de dépendances d'extraction;
19° la modification d'une zone forestière en zone de dépendances d'extraction;
20° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de dépendances d'extraction;
21° la modification d'une zone agricole en zone de loisirs;
22° la modification d'une zone forestière en zone de loisirs;
23° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de loisirs;
24° la modification d'une zone forestière en zone agricole;
25° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone agricole.
1° la modification d'une zone agricole en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
2° la modification d'une zone forestière en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
3° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
4° la modification d'une zone de services publics et d'équipements communautaires ou d'un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
5° la modification d'une zone de loisirs en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
6° la modification d'une zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
7° la modification d'une zone de dépendances d'extraction en zone d'habitat, d'habitat à caractère rural, [1 d'habitat vert]1 d'enjeu communal ou d'aménagement communal concerté;
8° la modification d'une zone de loisirs en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
9° la modification d'une zone agricole en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
10° la modification d'une zone forestière en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
11° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de services publics et d'équipements communautaires ou en un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes;
12° la modification d'une zone agricole en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
13° la modification d'une zone forestière en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
14° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
15° la modification d'une zone de services publics et d'équipements communautaires ou d'un domaine des infrastructures ferroviaires, aéroportuaires ou des ports autonomes en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
16° la modification d'une zone de loisirs en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
17° la modification d'une zone de dépendances d'extraction en zone d'activité économique mixte, industrielle, spécifique, d'enjeu régional ou d'aménagement communal concerté à caractère économique;
18° la modification d'une zone agricole en zone de dépendances d'extraction;
19° la modification d'une zone forestière en zone de dépendances d'extraction;
20° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de dépendances d'extraction;
21° la modification d'une zone agricole en zone de loisirs;
22° la modification d'une zone forestière en zone de loisirs;
23° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone de loisirs;
24° la modification d'une zone forestière en zone agricole;
25° la modification d'une zone d'espaces verts, naturelle, de parc ou d'extraction en zone agricole.
Wijzigingen
Art. D. VI.50.§ 1. In de onderstaande gevallen is geen enkele retributie verschuldigd :
1° wanneer de winst betrekking heeft op goeden die eigendom zijn van het Gewest, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales en de openbare instellingen en alle lichamen, bij wet of decreet bevoegd verklaard om ten algemenen nutte te onteigenen;
2° wanneer de bestemmingswijziging betrekking heeft op een perceel of deel ervan, kleiner dan 200 m2;
3° wanneer een gewestplanherziening wordt aangenomen om te voldoen aan de verplichting tot vergoeding als bedoeld in artikel D.VI.45;
4° wanneer een gewestplanherziening als bedoeld in artikel D.II.51 of D.II.52 aangenomen wordt, met name om een omtrek op te nemen als bedoeld in artikel D.V.2 of D.V.7 en het perceel in die omtrek opgenomen is;
5° wanneer het perceel waarop, de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan, een zonevreemde woning staat waarvan het bestaan wettelijk is en die nog bewoond wordt, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
6° wanneer een perceel, vervat in een niet-vervallen bebouwingsvergunning, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
7° onverminderd 5° en 6°, wanneer er één of meerdere gebouwen bestaan waarvan het bestaan wettelijk is en die overeenstemmen met het gebied zoals bij het plan gewijzigd.
§ 2. De percelen die onteigend worden of waarvan minnelijke afstand wordt gedaan om reden van openbaar nut worden van de retributie op de planwinsten vrijgesteld voor zover er overeenkomstig artikel D.VI.7 geen rekening gehouden wordt met de meerwaarde voortvloeiend uit de voorschriften van het plan voor de berekening van de waarde van het onteigend of om reden van openbaar nut minnelijk afgestane goed.
Als de onteigening of de minnelijke afstand om reden van openbaar nut plaatsvinden nadat de retributie of een deel ervan op de planwinsten reeds betaald is, worden de betaalde bedragen terugbetaald zonder nalatigheidsinterest.
[1 § 3. Zonder dat het minder mag bedragen dan nul, wordt het bedrag van de belasting verminderd ten belope van tien procent van het bedrag van de op het geheel van de percelen te verrichten investering, waarbij het perceel of perceelsgedeelte de bestemmingswijziging geniet.
Onder bedrag van de te verrichten investering, wordt verstaan het bedrag dag de belastingplichtige zal gebruiken voor de aankopen, onderzoeken, handelingen en werken binnen een periode van tien jaar te rekenen van het moment waarop de belasting verschuldigd is.
Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde vermindering, maakt de belastingplichtige een verklaring op erewoord ter bevestiging van het bedrag van de te verrichten investering alsook een financieel plan over aan de door de Regering aangewezen ambtenaar die krachtens artikel D.VI.57 met het vaststellen van de belasting belast is.
De in het eerste lid bedoelde vermindering is niet van toepassing in de volgende gevallen:
1° de in het vorige lid bedoelde documenten blijken niet overtuigend;
2° of het bedrag van de investering is niet binnen de periode van tien jaar verricht.
De Regering kan de modaliteiten betreffende de uitvoering van de vermindering van de belasting bepalen.]1
1° wanneer de winst betrekking heeft op goeden die eigendom zijn van het Gewest, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales en de openbare instellingen en alle lichamen, bij wet of decreet bevoegd verklaard om ten algemenen nutte te onteigenen;
2° wanneer de bestemmingswijziging betrekking heeft op een perceel of deel ervan, kleiner dan 200 m2;
3° wanneer een gewestplanherziening wordt aangenomen om te voldoen aan de verplichting tot vergoeding als bedoeld in artikel D.VI.45;
4° wanneer een gewestplanherziening als bedoeld in artikel D.II.51 of D.II.52 aangenomen wordt, met name om een omtrek op te nemen als bedoeld in artikel D.V.2 of D.V.7 en het perceel in die omtrek opgenomen is;
5° wanneer het perceel waarop, de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan, een zonevreemde woning staat waarvan het bestaan wettelijk is en die nog bewoond wordt, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
6° wanneer een perceel, vervat in een niet-vervallen bebouwingsvergunning, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
7° onverminderd 5° en 6°, wanneer er één of meerdere gebouwen bestaan waarvan het bestaan wettelijk is en die overeenstemmen met het gebied zoals bij het plan gewijzigd.
§ 2. De percelen die onteigend worden of waarvan minnelijke afstand wordt gedaan om reden van openbaar nut worden van de retributie op de planwinsten vrijgesteld voor zover er overeenkomstig artikel D.VI.7 geen rekening gehouden wordt met de meerwaarde voortvloeiend uit de voorschriften van het plan voor de berekening van de waarde van het onteigend of om reden van openbaar nut minnelijk afgestane goed.
Als de onteigening of de minnelijke afstand om reden van openbaar nut plaatsvinden nadat de retributie of een deel ervan op de planwinsten reeds betaald is, worden de betaalde bedragen terugbetaald zonder nalatigheidsinterest.
[1 § 3. Zonder dat het minder mag bedragen dan nul, wordt het bedrag van de belasting verminderd ten belope van tien procent van het bedrag van de op het geheel van de percelen te verrichten investering, waarbij het perceel of perceelsgedeelte de bestemmingswijziging geniet.
Onder bedrag van de te verrichten investering, wordt verstaan het bedrag dag de belastingplichtige zal gebruiken voor de aankopen, onderzoeken, handelingen en werken binnen een periode van tien jaar te rekenen van het moment waarop de belasting verschuldigd is.
Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde vermindering, maakt de belastingplichtige een verklaring op erewoord ter bevestiging van het bedrag van de te verrichten investering alsook een financieel plan over aan de door de Regering aangewezen ambtenaar die krachtens artikel D.VI.57 met het vaststellen van de belasting belast is.
De in het eerste lid bedoelde vermindering is niet van toepassing in de volgende gevallen:
1° de in het vorige lid bedoelde documenten blijken niet overtuigend;
2° of het bedrag van de investering is niet binnen de periode van tien jaar verricht.
De Regering kan de modaliteiten betreffende de uitvoering van de vermindering van de belasting bepalen.]1
Art. D. VI.50.§ 1er. Aucune taxe n'est due dans les cas suivants :
1° lorsque le bénéfice concerne des biens propriété de la Région, des provinces, des communes, des régies communales autonomes, des intercommunales et des établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique;
2° lorsque la modification de destination concerne une parcelle ou partie de parcelle de moins de 200 m2;
3° lorsqu'une révision du plan de secteur est adoptée pour satisfaire à l'obligation d'indemnisation visée à l'article D.VI.45;
4° lorsqu'une révision du plan de secteur visée à l'article D.II.51 ou D.II.52 est adoptée notamment pour inscrire un périmètre visé à l'article D.V.2 ou D.V.7 et que la parcelle est reprise dans ce périmètre;
5° lorsque la parcelle, sur laquelle est située le jour avant l'entrée en vigueur du plan de secteur une habitation non conforme à la destination de la zone, dont l'existence est légale et qui est encore habitée, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
6° lorsqu'une parcelle comprise dans un permis d'urbanisation non périmé, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
7° sans préjudice des 5° et 6°, lorsqu'il existe un ou plusieurs bâtiments dont l'existence est légale et qui sont conformes à la zone telle que modifiée par le plan.
§ 2. Les parcelles qui sont expropriées ou cédées à l'amiable pour cause d'utilité publique sont exemptées de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification, pour autant que, conformément à l'article D.VI.7, il ne soit pas tenu compte de la plus-value qui résulte des prescriptions du plan pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié ou cédé à l'amiable pour cause d'utilité publique.
Si l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique a lieu après que la taxe ou une partie de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale ait déjà été payée, les montants payés sont remboursés, sans intérêts moratoires.
[1 § 3. Sans qu'il ne puisse être inférieur à zéro, le montant de la taxe est réduit à concurrence de dix pour cent du montant de l'investissement à réaliser sur l'ensemble des parcelles, la parcelle ou partie de parcelle bénéficiant de la modification de destination.
Par le montant de l'investissement à réaliser, on entend le montant que le redevable affectera aux acquisitions, études, actes et travaux dans une période de dix ans prenant cours à dater du moment où la taxe est due.
Pour bénéficier de la réduction visée à l'alinéa 1er, le redevable transmet au fonctionnaire désigné par le Gouvernement, chargé d'établir la taxe en vertu de l'article D.VI.57, une déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser ainsi qu'un plan financier.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application dans les cas suivants :
1° les documents visés à l'alinéa précédent ne s'avèrent pas probants;
2° ou le montant de l'investissement n'a pas été réalisé dans la période de dix ans.
Le Gouvernement peut définir les modalités de mise en oeuvre de la réduction de la taxe.]1
1° lorsque le bénéfice concerne des biens propriété de la Région, des provinces, des communes, des régies communales autonomes, des intercommunales et des établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique;
2° lorsque la modification de destination concerne une parcelle ou partie de parcelle de moins de 200 m2;
3° lorsqu'une révision du plan de secteur est adoptée pour satisfaire à l'obligation d'indemnisation visée à l'article D.VI.45;
4° lorsqu'une révision du plan de secteur visée à l'article D.II.51 ou D.II.52 est adoptée notamment pour inscrire un périmètre visé à l'article D.V.2 ou D.V.7 et que la parcelle est reprise dans ce périmètre;
5° lorsque la parcelle, sur laquelle est située le jour avant l'entrée en vigueur du plan de secteur une habitation non conforme à la destination de la zone, dont l'existence est légale et qui est encore habitée, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
6° lorsqu'une parcelle comprise dans un permis d'urbanisation non périmé, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
7° sans préjudice des 5° et 6°, lorsqu'il existe un ou plusieurs bâtiments dont l'existence est légale et qui sont conformes à la zone telle que modifiée par le plan.
§ 2. Les parcelles qui sont expropriées ou cédées à l'amiable pour cause d'utilité publique sont exemptées de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification, pour autant que, conformément à l'article D.VI.7, il ne soit pas tenu compte de la plus-value qui résulte des prescriptions du plan pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié ou cédé à l'amiable pour cause d'utilité publique.
Si l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique a lieu après que la taxe ou une partie de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale ait déjà été payée, les montants payés sont remboursés, sans intérêts moratoires.
[1 § 3. Sans qu'il ne puisse être inférieur à zéro, le montant de la taxe est réduit à concurrence de dix pour cent du montant de l'investissement à réaliser sur l'ensemble des parcelles, la parcelle ou partie de parcelle bénéficiant de la modification de destination.
Par le montant de l'investissement à réaliser, on entend le montant que le redevable affectera aux acquisitions, études, actes et travaux dans une période de dix ans prenant cours à dater du moment où la taxe est due.
Pour bénéficier de la réduction visée à l'alinéa 1er, le redevable transmet au fonctionnaire désigné par le Gouvernement, chargé d'établir la taxe en vertu de l'article D.VI.57, une déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser ainsi qu'un plan financier.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application dans les cas suivants :
1° les documents visés à l'alinéa précédent ne s'avèrent pas probants;
2° ou le montant de l'investissement n'a pas été réalisé dans la période de dix ans.
Le Gouvernement peut définir les modalités de mise en oeuvre de la réduction de la taxe.]1
Wijzigingen
Art. D. VI.50_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. In de onderstaande gevallen is geen enkele retributie verschuldigd :
1° wanneer de winst betrekking heeft op goeden die eigendom zijn van [2 de Duitstalige Gemeenschap]2, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales en de openbare instellingen en alle lichamen, bij wet of decreet bevoegd verklaard om ten algemenen nutte te onteigenen;
2° wanneer de bestemmingswijziging betrekking heeft op een perceel of deel ervan, kleiner dan 200 m2;
3° wanneer een gewestplanherziening wordt aangenomen om te voldoen aan de verplichting tot vergoeding als bedoeld in artikel D.VI.45;
4° wanneer een gewestplanherziening als bedoeld in artikel D.II.51 of D.II.52 aangenomen wordt, met name om een omtrek op te nemen als bedoeld in [3 artikel D.II.57.4]3 en het perceel in die omtrek opgenomen is;
5° wanneer het perceel waarop, de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan, een zonevreemde woning staat waarvan het bestaan wettelijk is en die nog bewoond wordt, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
6° wanneer een perceel, vervat in een niet-vervallen [3 ontsluitingsvergunning]3, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
7° onverminderd 5° en 6°, wanneer er één of meerdere gebouwen bestaan waarvan het bestaan wettelijk is en die overeenstemmen met het gebied zoals bij het plan gewijzigd.
§ 2. De percelen die onteigend worden of waarvan minnelijke afstand wordt gedaan om reden van openbaar nut worden van de retributie op de planwinsten vrijgesteld voor zover er overeenkomstig artikel D.VI.7 geen rekening gehouden wordt met de meerwaarde voortvloeiend uit de voorschriften van het plan voor de berekening van de waarde van het onteigend of om reden van openbaar nut minnelijk afgestane goed.
Als de onteigening of de minnelijke afstand om reden van openbaar nut plaatsvinden nadat de retributie of een deel ervan op de planwinsten reeds betaald is, worden de betaalde bedragen terugbetaald zonder nalatigheidsinterest.
[1 § 3. Zonder dat het minder mag bedragen dan nul, wordt het bedrag van de belasting verminderd ten belope van tien procent van het bedrag van de op het geheel van de percelen te verrichten investering, waarbij het perceel of perceelsgedeelte de bestemmingswijziging geniet.
Onder bedrag van de te verrichten investering, wordt verstaan het bedrag dag de belastingplichtige zal gebruiken voor de aankopen, onderzoeken, handelingen en werken binnen een periode van tien jaar te rekenen van het moment waarop de belasting verschuldigd is.
Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde vermindering, maakt de belastingplichtige een verklaring op erewoord ter bevestiging van het bedrag van de te verrichten investering alsook een financieel plan over aan de door de Regering aangewezen ambtenaar die krachtens artikel D.VI.57 met het vaststellen van de belasting belast is.
De in het eerste lid bedoelde vermindering is niet van toepassing in de volgende gevallen:
1° de in het vorige lid bedoelde documenten blijken niet overtuigend;
2° of het bedrag van de investering is niet binnen de periode van tien jaar verricht.
De Regering kan de modaliteiten betreffende de uitvoering van de vermindering van de belasting bepalen.]1
§ 1. In de onderstaande gevallen is geen enkele retributie verschuldigd :
1° wanneer de winst betrekking heeft op goeden die eigendom zijn van [2 de Duitstalige Gemeenschap]2, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven, de intercommunales en de openbare instellingen en alle lichamen, bij wet of decreet bevoegd verklaard om ten algemenen nutte te onteigenen;
2° wanneer de bestemmingswijziging betrekking heeft op een perceel of deel ervan, kleiner dan 200 m2;
3° wanneer een gewestplanherziening wordt aangenomen om te voldoen aan de verplichting tot vergoeding als bedoeld in artikel D.VI.45;
4° wanneer een gewestplanherziening als bedoeld in artikel D.II.51 of D.II.52 aangenomen wordt, met name om een omtrek op te nemen als bedoeld in [3 artikel D.II.57.4]3 en het perceel in die omtrek opgenomen is;
5° wanneer het perceel waarop, de dag voor de inwerkingtreding van het gewestplan, een zonevreemde woning staat waarvan het bestaan wettelijk is en die nog bewoond wordt, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
6° wanneer een perceel, vervat in een niet-vervallen [3 ontsluitingsvergunning]3, een woonbestemming krijgt als gevolg van het plan;
7° onverminderd 5° en 6°, wanneer er één of meerdere gebouwen bestaan waarvan het bestaan wettelijk is en die overeenstemmen met het gebied zoals bij het plan gewijzigd.
§ 2. De percelen die onteigend worden of waarvan minnelijke afstand wordt gedaan om reden van openbaar nut worden van de retributie op de planwinsten vrijgesteld voor zover er overeenkomstig artikel D.VI.7 geen rekening gehouden wordt met de meerwaarde voortvloeiend uit de voorschriften van het plan voor de berekening van de waarde van het onteigend of om reden van openbaar nut minnelijk afgestane goed.
Als de onteigening of de minnelijke afstand om reden van openbaar nut plaatsvinden nadat de retributie of een deel ervan op de planwinsten reeds betaald is, worden de betaalde bedragen terugbetaald zonder nalatigheidsinterest.
[1 § 3. Zonder dat het minder mag bedragen dan nul, wordt het bedrag van de belasting verminderd ten belope van tien procent van het bedrag van de op het geheel van de percelen te verrichten investering, waarbij het perceel of perceelsgedeelte de bestemmingswijziging geniet.
Onder bedrag van de te verrichten investering, wordt verstaan het bedrag dag de belastingplichtige zal gebruiken voor de aankopen, onderzoeken, handelingen en werken binnen een periode van tien jaar te rekenen van het moment waarop de belasting verschuldigd is.
Om in aanmerking te komen voor de in het eerste lid bedoelde vermindering, maakt de belastingplichtige een verklaring op erewoord ter bevestiging van het bedrag van de te verrichten investering alsook een financieel plan over aan de door de Regering aangewezen ambtenaar die krachtens artikel D.VI.57 met het vaststellen van de belasting belast is.
De in het eerste lid bedoelde vermindering is niet van toepassing in de volgende gevallen:
1° de in het vorige lid bedoelde documenten blijken niet overtuigend;
2° of het bedrag van de investering is niet binnen de periode van tien jaar verricht.
De Regering kan de modaliteiten betreffende de uitvoering van de vermindering van de belasting bepalen.]1
Art. D. VI.50_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Aucune taxe n'est due dans les cas suivants :
1° lorsque le bénéfice concerne des biens propriété de la [2 Communauté germanophone]2, des provinces, des communes, des régies communales autonomes, des intercommunales et des établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique;
2° lorsque la modification de destination concerne une parcelle ou partie de parcelle de moins de 200 m2;
3° lorsqu'une révision du plan de secteur est adoptée pour satisfaire à l'obligation d'indemnisation visée à l'article D.VI.45;
4° lorsqu'une révision du plan de secteur visée à l'article D.II.51 ou D.II.52 est adoptée notamment pour inscrire un périmètre visé à [3 l'article D.II.57.4]3 et que la parcelle est reprise dans ce périmètre;
5° lorsque la parcelle, sur laquelle est située le jour avant l'entrée en vigueur du plan de secteur une habitation non conforme à la destination de la zone, dont l'existence est légale et qui est encore habitée, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
6° lorsqu'une parcelle comprise dans un [3 permis d'urbaniser]3 non périmé, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
7° sans préjudice des 5° et 6°, lorsqu'il existe un ou plusieurs bâtiments dont l'existence est légale et qui sont conformes à la zone telle que modifiée par le plan.
§ 2. Les parcelles qui sont expropriées ou cédées à l'amiable pour cause d'utilité publique sont exemptées de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification, pour autant que, conformément à l'article D.VI.7, il ne soit pas tenu compte de la plus-value qui résulte des prescriptions du plan pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié ou cédé à l'amiable pour cause d'utilité publique.
Si l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique a lieu après que la taxe ou une partie de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale ait déjà été payée, les montants payés sont remboursés, sans intérêts moratoires.
[1 § 3. Sans qu'il ne puisse être inférieur à zéro, le montant de la taxe est réduit à concurrence de dix pour cent du montant de l'investissement à réaliser sur l'ensemble des parcelles, la parcelle ou partie de parcelle bénéficiant de la modification de destination.
Par le montant de l'investissement à réaliser, on entend le montant que le redevable affectera aux acquisitions, études, actes et travaux dans une période de dix ans prenant cours à dater du moment où la taxe est due.
Pour bénéficier de la réduction visée à l'alinéa 1er, le redevable transmet au fonctionnaire désigné par le Gouvernement, chargé d'établir la taxe en vertu de l'article D.VI.57, une déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser ainsi qu'un plan financier.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application dans les cas suivants :
1° les documents visés à l'alinéa précédent ne s'avèrent pas probants;
2° ou le montant de l'investissement n'a pas été réalisé dans la période de dix ans.
Le Gouvernement peut définir les modalités de mise en oeuvre de la réduction de la taxe.]1
§ 1er. Aucune taxe n'est due dans les cas suivants :
1° lorsque le bénéfice concerne des biens propriété de la [2 Communauté germanophone]2, des provinces, des communes, des régies communales autonomes, des intercommunales et des établissements publics et organismes habilités par la loi ou le décret à exproprier pour cause d'utilité publique;
2° lorsque la modification de destination concerne une parcelle ou partie de parcelle de moins de 200 m2;
3° lorsqu'une révision du plan de secteur est adoptée pour satisfaire à l'obligation d'indemnisation visée à l'article D.VI.45;
4° lorsqu'une révision du plan de secteur visée à l'article D.II.51 ou D.II.52 est adoptée notamment pour inscrire un périmètre visé à [3 l'article D.II.57.4]3 et que la parcelle est reprise dans ce périmètre;
5° lorsque la parcelle, sur laquelle est située le jour avant l'entrée en vigueur du plan de secteur une habitation non conforme à la destination de la zone, dont l'existence est légale et qui est encore habitée, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
6° lorsqu'une parcelle comprise dans un [3 permis d'urbaniser]3 non périmé, reçoit une destination résidentielle en conséquence du plan;
7° sans préjudice des 5° et 6°, lorsqu'il existe un ou plusieurs bâtiments dont l'existence est légale et qui sont conformes à la zone telle que modifiée par le plan.
§ 2. Les parcelles qui sont expropriées ou cédées à l'amiable pour cause d'utilité publique sont exemptées de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification, pour autant que, conformément à l'article D.VI.7, il ne soit pas tenu compte de la plus-value qui résulte des prescriptions du plan pour le calcul de la valeur de l'immeuble exproprié ou cédé à l'amiable pour cause d'utilité publique.
Si l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique a lieu après que la taxe ou une partie de la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale ait déjà été payée, les montants payés sont remboursés, sans intérêts moratoires.
[1 § 3. Sans qu'il ne puisse être inférieur à zéro, le montant de la taxe est réduit à concurrence de dix pour cent du montant de l'investissement à réaliser sur l'ensemble des parcelles, la parcelle ou partie de parcelle bénéficiant de la modification de destination.
Par le montant de l'investissement à réaliser, on entend le montant que le redevable affectera aux acquisitions, études, actes et travaux dans une période de dix ans prenant cours à dater du moment où la taxe est due.
Pour bénéficier de la réduction visée à l'alinéa 1er, le redevable transmet au fonctionnaire désigné par le Gouvernement, chargé d'établir la taxe en vertu de l'article D.VI.57, une déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser ainsi qu'un plan financier.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas d'application dans les cas suivants :
1° les documents visés à l'alinéa précédent ne s'avèrent pas probants;
2° ou le montant de l'investissement n'a pas été réalisé dans la période de dix ans.
Le Gouvernement peut définir les modalités de mise en oeuvre de la réduction de la taxe.]1
Art. D. VI.51. De planwinstenretributie wordt in volgende gevallen opgeschort :
1° tijdens de periode waarin het gewestplan door de Raad van State geschorst wordt;
2° tijdens de periode waarin de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de Raad van State;
3° te rekenen van de zending naar de ambtenaar, aangewezen door de Regering, van het voornemen tot onteigening of minnelijke verwerving om reden van openbaar nut door één van de personen, instanties of instellingen waarvan de goederen vrijgesteld zijn van de retributie overeenkomstig artikel D.VI.50, § 1, 1°, tot in voorkomend geval de datum van de herroeping van dat voornemen;
4° tijdens de periode waarin het perceel niet bebouwd kan worden wegens het feit van een erfdienstbaarheid van openbaar nut.
De Regering stelt de modaliteiten vast betreffende de mededeling van het voornemen tot onteigening of minnelijke verwerving om reden van openbaar nut of de herroeping ervan, of van het bestaan van een erfdienstbaarheid van openbaar nut aan de ambtenaar die zij aanwijst en de berekeningwijze van de opschortingsperiode bedoeld in lid 1.
1° tijdens de periode waarin het gewestplan door de Raad van State geschorst wordt;
2° tijdens de periode waarin de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de Raad van State;
3° te rekenen van de zending naar de ambtenaar, aangewezen door de Regering, van het voornemen tot onteigening of minnelijke verwerving om reden van openbaar nut door één van de personen, instanties of instellingen waarvan de goederen vrijgesteld zijn van de retributie overeenkomstig artikel D.VI.50, § 1, 1°, tot in voorkomend geval de datum van de herroeping van dat voornemen;
4° tijdens de periode waarin het perceel niet bebouwd kan worden wegens het feit van een erfdienstbaarheid van openbaar nut.
De Regering stelt de modaliteiten vast betreffende de mededeling van het voornemen tot onteigening of minnelijke verwerving om reden van openbaar nut of de herroeping ervan, of van het bestaan van een erfdienstbaarheid van openbaar nut aan de ambtenaar die zij aanwijst en de berekeningwijze van de opschortingsperiode bedoeld in lid 1.
Art. D. VI.51. La taxe sur les bénéfices résultant de la planification est suspendue dans les cas suivants :
1° pendant la période au cours de laquelle le plan de secteur est suspendu par le Conseil d'Etat;
2° pendant la période au cours de laquelle le permis visé à l'article D.VI.48, 2°, fait l'objet d'un recours au Conseil d'Etat;
3° à partir de l'envoi au fonctionnaire désigné par le Gouvernement de l'intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique, par l'une des personnes, instances ou organismes dont les biens sont exemptés de la taxe en application de l'art. D.VI.50, § 1er, 1°, jusqu'à, le cas échéant, la date de la révocation de cette intention;
4° pendant la période au cours de laquelle la parcelle ne peut pas être bâtie du fait d'une servitude d'utilité publique.
Le Gouvernement fixe les modalités concernant la communication de l'intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique ou sa révocation, ou de l'existence d'une servitude d'utilité publique au fonctionnaire qu'il désigne et le mode de calcul de la période de suspension visée à l'alinéa 1er.
1° pendant la période au cours de laquelle le plan de secteur est suspendu par le Conseil d'Etat;
2° pendant la période au cours de laquelle le permis visé à l'article D.VI.48, 2°, fait l'objet d'un recours au Conseil d'Etat;
3° à partir de l'envoi au fonctionnaire désigné par le Gouvernement de l'intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique, par l'une des personnes, instances ou organismes dont les biens sont exemptés de la taxe en application de l'art. D.VI.50, § 1er, 1°, jusqu'à, le cas échéant, la date de la révocation de cette intention;
4° pendant la période au cours de laquelle la parcelle ne peut pas être bâtie du fait d'une servitude d'utilité publique.
Le Gouvernement fixe les modalités concernant la communication de l'intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique ou sa révocation, ou de l'existence d'une servitude d'utilité publique au fonctionnaire qu'il désigne et le mode de calcul de la période de suspension visée à l'alinéa 1er.
Onderafdeling 2. - De retributieplichtige
Sous-section 2. - Redevable
Art. D. VI.52. Retributieplichtig is de persoon die eigenaar of blote eigenaar is van het goed op het ogenblik van inwerkingtreding van het gewestplan.
Indien er meerdere retributieplichtigen zijn, zijn ze hoofdelijk gehouden tot de betaling van de retributie op de planwinsten.
De afdrachtplicht wordt overdragen op de natuurlijke of rechtspersoon aan wie het eigendoms- of blote eigendomsrecht kosteloos of door erfopvolging of schenking overgedragen wordt.
Indien er meerdere retributieplichtigen zijn, zijn ze hoofdelijk gehouden tot de betaling van de retributie op de planwinsten.
De afdrachtplicht wordt overdragen op de natuurlijke of rechtspersoon aan wie het eigendoms- of blote eigendomsrecht kosteloos of door erfopvolging of schenking overgedragen wordt.
Art. D. VI.52. Le redevable est la personne qui est propriétaire ou nu-propriétaire du bien au moment de l'entrée en vigueur du plan de secteur.
S'il y a plusieurs personnes redevables, elles sont solidairement responsables du paiement de la taxe des bénéfices résultant de la planification.
L'obligation de contribution est transmise à la personne physique ou morale à laquelle le droit de propriété ou de nue-propriété est transmis gratuitement ou par succession ou donation.
S'il y a plusieurs personnes redevables, elles sont solidairement responsables du paiement de la taxe des bénéfices résultant de la planification.
L'obligation de contribution est transmise à la personne physique ou morale à laquelle le droit de propriété ou de nue-propriété est transmis gratuitement ou par succession ou donation.
Onderafdeling 3. - Berekening van de retributie
Sous-section 3. - Calcul de la taxe
Art. D. VI.53. § 1. De retributie op de planwinsten wordt berekend vanuit de veronderstelde forfaitaire winst van het perceel ten gevolge van één of meerdere omvormingen bedoeld in artikel D.VI.49 op grond van de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte.
Als perceelsoppervlakte geldt de aangegeven en gekadastreerde oppervlakte.
§ 2. Het aan de retributie onderworpen deel van de veronderstelde forfaitaire winst van een perceel of perceelsgedeelte is gelijk aan vijftig percent van het forfaitaire bedrag opgenomen in volgende tabel :
Als perceelsoppervlakte geldt de aangegeven en gekadastreerde oppervlakte.
§ 2. Het aan de retributie onderworpen deel van de veronderstelde forfaitaire winst van een perceel of perceelsgedeelte is gelijk aan vijftig percent van het forfaitaire bedrag opgenomen in volgende tabel :
Art. D. VI.53. § 1er. La taxe sur les bénéfices de la planification est calculée à partir du bénéfice forfaitaire présumé de la parcelle suite à une ou plusieurs modifications visées à l'article D.VI.49 sur la base de la superficie de la parcelle ou partie de parcelle concernée.
La superficie de la parcelle est celle qui est déclarée et enregistrée au cadastre.
§ 2. La partie taxée du bénéfice forfaitaire présumé d'une parcelle ou partie de parcelle est égale à cinquante pour cent du montant forfaitaire figurant au tableau suivant :
La superficie de la parcelle est celle qui est déclarée et enregistrée au cadastre.
§ 2. La partie taxée du bénéfice forfaitaire présumé d'une parcelle ou partie de parcelle est égale à cinquante pour cent du montant forfaitaire figurant au tableau suivant :
| Aard van de bestemmingswijziging | Veronderstelde forfaitaire winst per m2 | Aan de retributie onderworpen deel per m2 |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 1° | 47,53 euro | 23,77 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 2° | 49,63 euro | 24,82 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 3° | 49,20 euro | 24,60 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 4° | 24,90 euro | 12,45 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 5° | 45,50 euro | 22,75 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 6° | 20,35 euro | 10,18 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 7° | 43,90 euro | 21,95 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 8° | 20,60 euro | 10,30 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 9° | 22,63 euro | 11,32 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 10° | 24,73 euro | 12,37 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 11° | 24,30 euro | 12,15 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 12° | 27,18 euro | 13,59 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 13° | 29,28 euro | 14,64 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 14° | 28,85 euro | 14,43 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 15° | 4,55 euro | 2,28 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 16° | 25,15 euro | 12,58 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 17° | 23,55 euro | 11,78 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 18° | 3,63 euro | 1,82 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 19° | 5,73 euro | 2,87 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 20° | 5,30 euro | 2,65 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 21° | 2,03 euro | 1,02 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 22° | 4,13 euro | 2,07 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 23° | 3,70 euro | 1,85 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 24° | 2,10 euro | 1,05 euro |
| Omvorming bedoeld in artikel D.VI.49, 25° | 1,68 euro | 0,84 euro |
§ 3. Als een perceel of een perceelsgedeelte tegelijk meerdere bestemmingswijzigingen ondergaat, is het aan de retributie onderworpen gedeelte de som van de producten van de respectievelijke oppervlakten van elke wijziging met vijftig percent van het forfaitaire bedrag per m2, opgenomen in de tabel van paragraaf 2.
§ 4. Voor de toepassing van artikel D.VI.49 wordt de veronderstelde forfaitaire winst van een perceel of perceelsgedeelte, wanneer het gewestplan opeenvolgende malen gewijzigd is en de retributie niet is gestort, berekend door rekening te houden met het verschil tussen de meest recente planbestemming na de wijziging en de oudste bestemming voor wijziging van het plan.
De Regering bepaalt de modaliteiten betreffende de mededeling van die informatie aan de ambtenaar bedoeld in artikel D.VI.57, lid 1.
| Nature de la modification de destination | Bénéfice présumé forfaitaire par m2 | Partie taxée par m2 |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 1° | 47,53 euros | 23,77 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 2° | 49,63 euros | 24,82 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 3° | 49,20 euros | 24,60 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 4° | 24,90 euros | 12,45 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 5° | 45,50 euros | 22,75 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 6° | 20,35 euros | 10,18 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 7° | 43,90 euros | 21,95 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 8° | 20,60 euros | 10,30 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 9° | 22,63 euros | 11,32 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 10° | 24,73 euros | 12,37 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 11° | 24,30 euros | 12,15 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 12° | 27,18 euros | 13,59 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 13° | 29,28 euros | 14,64 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 14° | 28,85 euros | 14,43 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 15° | 4,55 euros | 2,28 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 16° | 25,15 euros | 12,58 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 17° | 23,55 euros | 11,78 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 18° | 3,63 euros | 1,82 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 19° | 5,73 euros | 2,87 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 20 | 5,30 euros | 2,65 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 21 | 2,03 euros | 1,02 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 22 | 4,13 euros | 2,07 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 23 | 3,70 euros | 1,85 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 24° | 2,10 euros | 1,05 euros |
| Modification visée à l'article D.VI.49, 25° | 1,68 euros | 0,84 euros |
§ 3. Si une parcelle ou partie de parcelle fait l'objet de plusieurs modifications simultanées de destination, la partie taxée est la somme des produits des superficies respectives de chaque modification par cinquante pour cent du montant forfaitaire par m2 repris dans le tableau inclus dans le paragraphe 2.
§ 4. Pour l'application de l'article D.VI.49, lorsque le plan de secteur fait l'objet de modifications successives et que la taxe n'a pas été versée, le bénéfice forfaitaire présumé d'une parcelle ou partie de parcelle est calculé en prenant en compte la différence entre la destination du plan la plus récente après la modification et la destination la plus ancienne avant la modification du plan.
Le Gouvernement détermine les modalités concernant la communication de ces renseignements au fonctionnaire visé à l'article D.VI.57, alinéa 1er.
Art. D. VI.54. § 1. Het aan de retributie onderworpen gedeelte bedoeld in artikel D.VI.53, § 2, wordt opgedeeld in schijven die afzonderlijk onderworpen worden aan een specifiek heffingspercentage en de retributie wordt berekend op basis van volgende tabel :
Art. D. VI.54. § 1er. La partie taxée visée à l'article D.VI.53, § 2, est divisée en tranches, soumises séparément à un pourcentage d'imposition spécifique et la taxe est calculée sur la base du tableau suivant :
| Schijf van het aan de retributie onderworpen gedeelte | Percentage, van toepassing op de betrokken schijf | Maximumbedrag van de retributie voor de voorgaande schijf |
| van 0,01 tot 12.500 euro | 1 % | 0 euro |
| van 12.500 tot 25.000 euro | 2 % | 125 euro |
| van 25.000 tot 50.000 euro | 3 % | 375 euro |
| van 50.000 tot 100.000 euro | 5 % | 1.125 euro |
| van 100.000 tot 150.000 euro | 8 % | 3.625 euro |
| van 150.000 tot 200.000 euro | 14 % | 7.625 euro |
| van 200.000 tot 250.000 euro | 18 % | 14.625 euro |
| van 250.000 tot 500.000 euro | 24 % | 23.625 euro |
| boven de 500.000 euro | 30 % | 83.625 euro |
§ 2. Wanneer het bedrag van de verschuldigde retributie een breukdeel van euro met meer dan twee decimalen bevat, wordt dat breukdeel afgerond naar de hogere of lagere cent, indien de derde decimaal, al naar gelang, 5 bereikt of niet bereikt.
| Tranche de la partie taxée | Taux applicable à la tranche concernée | Montant maximal de la taxe pour la tranche précédente |
| de 0,01 à 12.500 euros | 1 % | 0 euro |
| de 12.500 à 25.000 euros | 2 % | 125 euros |
| de 25.000 à 50.000 euros | 3 % | 375 euros |
| de 50.000 à 100.000 euros | 5 % | 1.125 euros |
| de 100.000 à 150.000 euros | 8 % | 3.625 euros |
| de 150.000 à 200.000 euros | 14 % | 7.625 euros |
| de 200.000 à 250.000 euros | 18 % | 14.625 euros |
| de 250.000 à 500.000 euros | 24 % | 23.625 euros |
| au-dessus des 500.000 euros | 30 % | 83.625 euros |
§ 2. Lorsque le montant de la taxe due comprend une fraction d'euro avec plus de deux décimales, cette fraction doit être arrondie au cent supérieur ou inférieur, selon que la troisième décimale atteint ou n'atteint pas 5.
Art. D. VI.55. Het forfaitaire bedrag per m2, bedoeld in artikel D.VI.53, § 2, wordt om de vijf jaar, te rekenen van de inwerkingtreding van het Wetboek, aangepast.
Daartoe legt de Regering om de vijf jaar een voorstel tot aanpassing op grond van het verslag, bedoeld in artikel D.VI.61, aan het Parlement over.
Als de aanpassing niet is verricht op 31 december van het laatste jaar van de vijfjarige cyclus, bedoeld in lid 1, wordt het bedrag van de belasting, berekend overeenkomstig de artikelen D.VI.48 tot D.VI.54, aangepast vanaf 1 januari van het volgende jaar. Daartoe wordt het bedrag van de retributie vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand volgend op de maand waarin de verrichting bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, zich voorgedaan heeft, en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand volgend op de maand waarin het toepasbare bedrag van de veronderstelde forfaitaire winst per m2 voor het eerst vastgesteld of aangepast is.
Daartoe legt de Regering om de vijf jaar een voorstel tot aanpassing op grond van het verslag, bedoeld in artikel D.VI.61, aan het Parlement over.
Als de aanpassing niet is verricht op 31 december van het laatste jaar van de vijfjarige cyclus, bedoeld in lid 1, wordt het bedrag van de belasting, berekend overeenkomstig de artikelen D.VI.48 tot D.VI.54, aangepast vanaf 1 januari van het volgende jaar. Daartoe wordt het bedrag van de retributie vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand volgend op de maand waarin de verrichting bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, zich voorgedaan heeft, en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand volgend op de maand waarin het toepasbare bedrag van de veronderstelde forfaitaire winst per m2 voor het eerst vastgesteld of aangepast is.
Art. D. VI.55. Le montant forfaitaire par m2 visé à l'article D.VI.53, § 2, est actualisé tous les cinq ans à dater de l'entrée en vigueur du Code.
A cette fin, le Gouvernement présente tous les cinq ans au Parlement une proposition d'actualisation sur la base du rapport visé à l'article D.VI.61.
Si l'actualisation n'a pas été effectuée le 31 décembre de la dernière année du cycle de cinq ans mentionné à l'alinéa 1er, le montant de la taxe déterminé conformément aux articles D.VI.48 à D.IV.54 est actualisé à partir du 1er janvier de l'année suivante. Pour ce faire, le montant de la taxe est multiplié par l'indice de santé du mois suivant le mois durant lequel l'opération visée à l'article D.VI.48, alinéa 1er, 2°, est intervenue, et divisé par l'indice de santé du mois suivant le mois durant lequel le montant applicable du bénéfice forfaitaire présumé par m2 a été fixé ou adapté pour la dernière fois.
A cette fin, le Gouvernement présente tous les cinq ans au Parlement une proposition d'actualisation sur la base du rapport visé à l'article D.VI.61.
Si l'actualisation n'a pas été effectuée le 31 décembre de la dernière année du cycle de cinq ans mentionné à l'alinéa 1er, le montant de la taxe déterminé conformément aux articles D.VI.48 à D.IV.54 est actualisé à partir du 1er janvier de l'année suivante. Pour ce faire, le montant de la taxe est multiplié par l'indice de santé du mois suivant le mois durant lequel l'opération visée à l'article D.VI.48, alinéa 1er, 2°, est intervenue, et divisé par l'indice de santé du mois suivant le mois durant lequel le montant applicable du bénéfice forfaitaire présumé par m2 a été fixé ou adapté pour la dernière fois.
Onderafdeling 4. - Register van de grondwinsten
Sous-section 4. - Registre des bénéfices fonciers
Art. D. VI.56.Binnen de dertig dagen na de inwerkingtreding van het plan, stelt de Regering, of de persoon die zij [1 bij de administratie]1 daartoe machtigt, het register van de grondwinsten op waarin de percelen zijn opgelijst waarvan de bestemming is gewijzigd door de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Voor elk perceel of perceelsgedeelte van de omtrek van het opgemaakte dan wel herziene plan bevat het register minstens volgende gegevens :
1° de kadastrale inlichtingen, met :
a) het bij het kadaster gekende perceelsnummer, evenals de opgave van de betrokken gemeente, van haar bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
b) de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, uitgedrukt in hectare (ha) en are (a);
2° zijn bestemming(en) op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
3° zijn bestemming(en) op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° het punt (de punten) van artikel D.VI.49 dat (die) verband houdt (houden) met de betrokken vierkante meter;
5° de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
De Regering, of de persoon die zij daartoe machtigt, richt de gegevens aan de ambtenaar bedoeld in artikel D.VI.57, lid 1.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor vorm en inhoud van het register en kan de bekendmakingsregels ervan bepalen.
Voor elk perceel of perceelsgedeelte van de omtrek van het opgemaakte dan wel herziene plan bevat het register minstens volgende gegevens :
1° de kadastrale inlichtingen, met :
a) het bij het kadaster gekende perceelsnummer, evenals de opgave van de betrokken gemeente, van haar bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
b) de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, uitgedrukt in hectare (ha) en are (a);
2° zijn bestemming(en) op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
3° zijn bestemming(en) op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° het punt (de punten) van artikel D.VI.49 dat (die) verband houdt (houden) met de betrokken vierkante meter;
5° de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
De Regering, of de persoon die zij daartoe machtigt, richt de gegevens aan de ambtenaar bedoeld in artikel D.VI.57, lid 1.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor vorm en inhoud van het register en kan de bekendmakingsregels ervan bepalen.
Art. D. VI.56.Dans les trente jours de l'entrée en vigueur du plan, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin à [1 l'administration]1 établit le registre des bénéfices fonciers qui liste les parcelles dont la destination est modifiée par l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Pour chaque parcelle ou partie de parcelle du périmètre du plan élaboré ou révisé, le registre comprend au moins les éléments suivants :
1° les renseignements cadastraux, comportant :
a) le numéro cadastral de la parcelle ainsi que l'indication de la commune concernée, de sa division et de sa section cadastrale;
b) la contenance de la parcelle ou partie de parcelle concernée exprimée en hectares (ha) et en ares (a);
2° sa ou ses destinations au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
3° sa ou ses destinations au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
4° le ou les points de l'article D.VI.49 applicables en relation avec les mètres carrés concernés;
5° les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6° est d'application.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie les informations au fonctionnaire visé à l'article D.VI.57, alinéa 1er.
Le Gouvernement détermine les modalités quant à la forme et au contenu du registre et peut déterminer ses modalités de publication.
Pour chaque parcelle ou partie de parcelle du périmètre du plan élaboré ou révisé, le registre comprend au moins les éléments suivants :
1° les renseignements cadastraux, comportant :
a) le numéro cadastral de la parcelle ainsi que l'indication de la commune concernée, de sa division et de sa section cadastrale;
b) la contenance de la parcelle ou partie de parcelle concernée exprimée en hectares (ha) et en ares (a);
2° sa ou ses destinations au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
3° sa ou ses destinations au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
4° le ou les points de l'article D.VI.49 applicables en relation avec les mètres carrés concernés;
5° les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6° est d'application.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie les informations au fonctionnaire visé à l'article D.VI.57, alinéa 1er.
Le Gouvernement détermine les modalités quant à la forme et au contenu du registre et peut déterminer ses modalités de publication.
Wijzigingen
Art. D. VI.56_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Binnen de dertig dagen na de inwerkingtreding van het plan, stelt de Regering, of de persoon die zij [1 ...]1 daartoe machtigt, het register van de grondwinsten op waarin de percelen zijn opgelijst waarvan de bestemming is gewijzigd door de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Voor elk perceel of perceelsgedeelte van de omtrek van het opgemaakte dan wel herziene plan bevat het register minstens volgende gegevens :
1° de kadastrale inlichtingen, met :
a) het bij het kadaster gekende perceelsnummer, evenals de opgave van de betrokken gemeente, van haar bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
b) de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, uitgedrukt in hectare (ha) en are (a);
2° zijn bestemming(en) op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
3° zijn bestemming(en) op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° het punt (de punten) van artikel D.VI.49 dat (die) verband houdt (houden) met de betrokken vierkante meter;
5° de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
De Regering, of de persoon die zij daartoe machtigt, richt de gegevens aan de ambtenaar bedoeld in artikel D.VI.57, lid 1.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor vorm en inhoud van het register en kan de bekendmakingsregels ervan bepalen.
Binnen de dertig dagen na de inwerkingtreding van het plan, stelt de Regering, of de persoon die zij [1 ...]1 daartoe machtigt, het register van de grondwinsten op waarin de percelen zijn opgelijst waarvan de bestemming is gewijzigd door de opmaak of de herziening van het gewestplan.
Voor elk perceel of perceelsgedeelte van de omtrek van het opgemaakte dan wel herziene plan bevat het register minstens volgende gegevens :
1° de kadastrale inlichtingen, met :
a) het bij het kadaster gekende perceelsnummer, evenals de opgave van de betrokken gemeente, van haar bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
b) de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, uitgedrukt in hectare (ha) en are (a);
2° zijn bestemming(en) op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
3° zijn bestemming(en) op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° het punt (de punten) van artikel D.VI.49 dat (die) verband houdt (houden) met de betrokken vierkante meter;
5° de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
De Regering, of de persoon die zij daartoe machtigt, richt de gegevens aan de ambtenaar bedoeld in artikel D.VI.57, lid 1.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor vorm en inhoud van het register en kan de bekendmakingsregels ervan bepalen.
Art. D. VI.56_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Dans les trente jours de l'entrée en vigueur du plan, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin [1 ...]1 établit le registre des bénéfices fonciers qui liste les parcelles dont la destination est modifiée par l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Pour chaque parcelle ou partie de parcelle du périmètre du plan élaboré ou révisé, le registre comprend au moins les éléments suivants :
1° les renseignements cadastraux, comportant :
a) le numéro cadastral de la parcelle ainsi que l'indication de la commune concernée, de sa division et de sa section cadastrale;
b) la contenance de la parcelle ou partie de parcelle concernée exprimée en hectares (ha) et en ares (a);
2° sa ou ses destinations au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
3° sa ou ses destinations au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
4° le ou les points de l'article D.VI.49 applicables en relation avec les mètres carrés concernés;
5° les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6° est d'application.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie les informations au fonctionnaire visé à l'article D.VI.57, alinéa 1er.
Le Gouvernement détermine les modalités quant à la forme et au contenu du registre et peut déterminer ses modalités de publication.
Dans les trente jours de l'entrée en vigueur du plan, le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin [1 ...]1 établit le registre des bénéfices fonciers qui liste les parcelles dont la destination est modifiée par l'élaboration ou la révision du plan de secteur.
Pour chaque parcelle ou partie de parcelle du périmètre du plan élaboré ou révisé, le registre comprend au moins les éléments suivants :
1° les renseignements cadastraux, comportant :
a) le numéro cadastral de la parcelle ainsi que l'indication de la commune concernée, de sa division et de sa section cadastrale;
b) la contenance de la parcelle ou partie de parcelle concernée exprimée en hectares (ha) et en ares (a);
2° sa ou ses destinations au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
3° sa ou ses destinations au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
4° le ou les points de l'article D.VI.49 applicables en relation avec les mètres carrés concernés;
5° les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6° est d'application.
Le Gouvernement ou la personne qu'il délègue à cette fin envoie les informations au fonctionnaire visé à l'article D.VI.57, alinéa 1er.
Le Gouvernement détermine les modalités quant à la forme et au contenu du registre et peut déterminer ses modalités de publication.
Wijzigingen
Onderafdeling 5. - Vestiging, inning, vordering, betaaltermijnen en beroepen
Sous-section 5. - Etablissement, perception, recouvrement, délais de paiement et recours
Art. D. VI.57. De retributie wordt door de ambtenaar, aangewezen door de Regering, gevestigd door middel van kohieren die uitvoerbaar verklaard worden overeenkomstig artikel 17bis, § 1, a, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen en overeenkomstig de regels die in datzelfde decreet erop van toepassing zijn.
Voor de toepassing van dit decreet zijn het belastbaar tijdperk en het aanslagjaar het kalenderjaar tijdens welk één van de verrichtingen bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, wordt uitgevoerd.
De notaris die de authentieke akte bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, ontvangen heeft, licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, binnen de vijf dagen na het verlijden van de akte over in.
Het gemeentecollege, de afgevaardigd ambtenaar of de Regering die als al dan niet samengevoegde bevoegde overheid de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, heeft toegekend licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, over in zodra de vergunning definitief is op het vlak van de administratieve beroepen.
Het kohier wordt op basis van het register bedoeld in artikel D.VI.56 en van die informatie gevestigd.
De Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens die nodig zijn voor vestiging van de kohieren aan de ambtenaar belast met de vestiging van de retributie worden overgemaakt en wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributie en de controle van de inachtneming van de aan de retributie verbonden verplichtingen.
Voor de toepassing van dit decreet zijn het belastbaar tijdperk en het aanslagjaar het kalenderjaar tijdens welk één van de verrichtingen bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, wordt uitgevoerd.
De notaris die de authentieke akte bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, ontvangen heeft, licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, binnen de vijf dagen na het verlijden van de akte over in.
Het gemeentecollege, de afgevaardigd ambtenaar of de Regering die als al dan niet samengevoegde bevoegde overheid de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, heeft toegekend licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, over in zodra de vergunning definitief is op het vlak van de administratieve beroepen.
Het kohier wordt op basis van het register bedoeld in artikel D.VI.56 en van die informatie gevestigd.
De Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens die nodig zijn voor vestiging van de kohieren aan de ambtenaar belast met de vestiging van de retributie worden overgemaakt en wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributie en de controle van de inachtneming van de aan de retributie verbonden verplichtingen.
Art. D. VI.57. La taxe est établie par le fonctionnaire désigné par le Gouvernement, à l'aide de rôles rendus exécutoires conformément à l'article 17bis, § 1er, a, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, et conformément aux règles qui leurs sont applicables dans ce même décret.
Pour l'application de ce décret, la période imposable et l'exercice d'imposition sont l'année civile durant laquelle une des opérations visées à l'article D.VI.48, 2°, est réalisée.
Le notaire qui a reçu l'acte authentique visé à l'alinéa D.VI.48, 2°, est en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dans les cinq jours de la passation de l'acte.
Le collège communal, le fonctionnaire délégué ou le Gouvernement qui a octroyé en tant qu'autorité compétente, conjointe ou non, le permis visé à D.VI.48, alinéa 1er, 2°, en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dès que le permis est définitif en ce qui concerne les recours administratifs.
Le rôle est établi sur la base du registre visée à l'article D.VI.56, et de ces informations.
Le Gouvernement détermine les modalités de transmission des éléments nécessaires à l'établissement des rôles au fonctionnaire chargé de l'établissement de la taxe et désigne les fonctionnaires qui sont chargés de la perception et du recouvrement de la taxe et du contrôle du respect des obligations liées à la taxe.
Pour l'application de ce décret, la période imposable et l'exercice d'imposition sont l'année civile durant laquelle une des opérations visées à l'article D.VI.48, 2°, est réalisée.
Le notaire qui a reçu l'acte authentique visé à l'alinéa D.VI.48, 2°, est en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dans les cinq jours de la passation de l'acte.
Le collège communal, le fonctionnaire délégué ou le Gouvernement qui a octroyé en tant qu'autorité compétente, conjointe ou non, le permis visé à D.VI.48, alinéa 1er, 2°, en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dès que le permis est définitif en ce qui concerne les recours administratifs.
Le rôle est établi sur la base du registre visée à l'article D.VI.56, et de ces informations.
Le Gouvernement détermine les modalités de transmission des éléments nécessaires à l'établissement des rôles au fonctionnaire chargé de l'établissement de la taxe et désigne les fonctionnaires qui sont chargés de la perception et du recouvrement de la taxe et du contrôle du respect des obligations liées à la taxe.
Art. D. VI.57_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De retributie wordt door de ambtenaar, aangewezen door de Regering, gevestigd door middel van kohieren die uitvoerbaar verklaard worden overeenkomstig artikel 17bis, § 1, a, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen en overeenkomstig de regels die in datzelfde decreet erop van toepassing zijn.
Voor de toepassing van dit decreet zijn het belastbaar tijdperk en het aanslagjaar het kalenderjaar tijdens welk één van de verrichtingen bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, wordt uitgevoerd.
De notaris die de authentieke akte bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, ontvangen heeft, licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, binnen de vijf dagen na het verlijden van de akte over in.
Het gemeentecollege [1 ...]1 of de Regering die als al dan niet samengevoegde bevoegde overheid de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, heeft toegekend licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, over in zodra de vergunning definitief is op het vlak van de administratieve beroepen.
Het kohier wordt op basis van het register bedoeld in artikel D.VI.56 en van die informatie gevestigd.
De Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens die nodig zijn voor vestiging van de kohieren aan de ambtenaar belast met de vestiging van de retributie worden overgemaakt en wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributie en de controle van de inachtneming van de aan de retributie verbonden verplichtingen.
De retributie wordt door de ambtenaar, aangewezen door de Regering, gevestigd door middel van kohieren die uitvoerbaar verklaard worden overeenkomstig artikel 17bis, § 1, a, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen en overeenkomstig de regels die in datzelfde decreet erop van toepassing zijn.
Voor de toepassing van dit decreet zijn het belastbaar tijdperk en het aanslagjaar het kalenderjaar tijdens welk één van de verrichtingen bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, wordt uitgevoerd.
De notaris die de authentieke akte bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, ontvangen heeft, licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, binnen de vijf dagen na het verlijden van de akte over in.
Het gemeentecollege [1 ...]1 of de Regering die als al dan niet samengevoegde bevoegde overheid de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, lid 1, 2°, heeft toegekend licht er de ambtenaar, aangewezen in lid 1, over in zodra de vergunning definitief is op het vlak van de administratieve beroepen.
Het kohier wordt op basis van het register bedoeld in artikel D.VI.56 en van die informatie gevestigd.
De Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens die nodig zijn voor vestiging van de kohieren aan de ambtenaar belast met de vestiging van de retributie worden overgemaakt en wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributie en de controle van de inachtneming van de aan de retributie verbonden verplichtingen.
Art. D. VI.57_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La taxe est établie par le fonctionnaire désigné par le Gouvernement, à l'aide de rôles rendus exécutoires conformément à l'article 17bis, § 1er, a, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, et conformément aux règles qui leurs sont applicables dans ce même décret.
Pour l'application de ce décret, la période imposable et l'exercice d'imposition sont l'année civile durant laquelle une des opérations visées à l'article D.VI.48, 2°, est réalisée.
Le notaire qui a reçu l'acte authentique visé à l'alinéa D.VI.48, 2°, est en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dans les cinq jours de la passation de l'acte.
Le collège communal [1 ...]1 ou le Gouvernement qui a octroyé en tant qu'autorité compétente, conjointe ou non, le permis visé à D.VI.48, alinéa 1er, 2°, en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dès que le permis est définitif en ce qui concerne les recours administratifs.
Le rôle est établi sur la base du registre visée à l'article D.VI.56, et de ces informations.
Le Gouvernement détermine les modalités de transmission des éléments nécessaires à l'établissement des rôles au fonctionnaire chargé de l'établissement de la taxe et désigne les fonctionnaires qui sont chargés de la perception et du recouvrement de la taxe et du contrôle du respect des obligations liées à la taxe.
La taxe est établie par le fonctionnaire désigné par le Gouvernement, à l'aide de rôles rendus exécutoires conformément à l'article 17bis, § 1er, a, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, et conformément aux règles qui leurs sont applicables dans ce même décret.
Pour l'application de ce décret, la période imposable et l'exercice d'imposition sont l'année civile durant laquelle une des opérations visées à l'article D.VI.48, 2°, est réalisée.
Le notaire qui a reçu l'acte authentique visé à l'alinéa D.VI.48, 2°, est en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dans les cinq jours de la passation de l'acte.
Le collège communal [1 ...]1 ou le Gouvernement qui a octroyé en tant qu'autorité compétente, conjointe ou non, le permis visé à D.VI.48, alinéa 1er, 2°, en informe le fonctionnaire désigné à l'alinéa 1er dès que le permis est définitif en ce qui concerne les recours administratifs.
Le rôle est établi sur la base du registre visée à l'article D.VI.56, et de ces informations.
Le Gouvernement détermine les modalités de transmission des éléments nécessaires à l'établissement des rôles au fonctionnaire chargé de l'établissement de la taxe et désigne les fonctionnaires qui sont chargés de la perception et du recouvrement de la taxe et du contrôle du respect des obligations liées à la taxe.
Wijzigingen
Art. D. VI.58. De retributie op de planwinsten moet betaald worden binnen de termijn bedoeld in artikel 23, § 1, van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen.
Wanneer de stedenbouwkundige vergunning, de bebouwingsvergunning, de enige of bedrijfsvergunning gefaseerd wordt toegekend, wordt de te betalen retributie voor elke fase vastgesteld naar verhouding tot de betrokken oppervlakte; de betaaltermijn wordt voor elke andere fase dan de eerste berekend te rekenen van de dag, vastgesteld door de vergunning als aanvangsdatum van de vervaltermijn.
Wanneer de stedenbouwkundige vergunning, de bebouwingsvergunning, de enige of bedrijfsvergunning gefaseerd wordt toegekend, wordt de te betalen retributie voor elke fase vastgesteld naar verhouding tot de betrokken oppervlakte; de betaaltermijn wordt voor elke andere fase dan de eerste berekend te rekenen van de dag, vastgesteld door de vergunning als aanvangsdatum van de vervaltermijn.
Art. D. VI.58. La taxe sur les bénéfices de la planification doit être payée dans le délai prévu à l'article 23, § 1er, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
Lorsque le permis d'urbanisme, le permis d'urbanisation, le permis unique ou intégré est octroyé par phases, la taxe à payer est fixée pour chacune des phases au prorata de la surface concernée; le délai à payer se calcule pour chaque phase autre que la première à dater du jour fixé par le permis comme point de départ du délai de péremption.
Lorsque le permis d'urbanisme, le permis d'urbanisation, le permis unique ou intégré est octroyé par phases, la taxe à payer est fixée pour chacune des phases au prorata de la surface concernée; le délai à payer se calcule pour chaque phase autre que la première à dater du jour fixé par le permis comme point de départ du délai de péremption.
Art. D _VI.58.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De retributie op de planwinsten moet betaald worden binnen de termijn bedoeld in artikel 23, § 1, van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen.
Wanneer de stedenbouwkundige vergunning, [1 de ontsluitingsvergunning, de opsplitsingsvergunning,]1 de enige of bedrijfsvergunning gefaseerd wordt toegekend, wordt de te betalen retributie voor elke fase vastgesteld naar verhouding tot de betrokken oppervlakte; de betaaltermijn wordt voor elke andere fase dan de eerste berekend te rekenen van de dag, vastgesteld door de vergunning als aanvangsdatum van de vervaltermijn.
De retributie op de planwinsten moet betaald worden binnen de termijn bedoeld in artikel 23, § 1, van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen.
Wanneer de stedenbouwkundige vergunning, [1 de ontsluitingsvergunning, de opsplitsingsvergunning,]1 de enige of bedrijfsvergunning gefaseerd wordt toegekend, wordt de te betalen retributie voor elke fase vastgesteld naar verhouding tot de betrokken oppervlakte; de betaaltermijn wordt voor elke andere fase dan de eerste berekend te rekenen van de dag, vastgesteld door de vergunning als aanvangsdatum van de vervaltermijn.
Art. D _VI.58.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La taxe sur les bénéfices de la planification doit être payée dans le délai prévu à l'article 23, § 1er, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
Lorsque le permis d'urbanisme, [1 le permis d'urbaniser, le permis de diviser]1, le permis unique ou intégré est octroyé par phases, la taxe à payer est fixée pour chacune des phases au prorata de la surface concernée; le délai à payer se calcule pour chaque phase autre que la première à dater du jour fixé par le permis comme point de départ du délai de péremption.
La taxe sur les bénéfices de la planification doit être payée dans le délai prévu à l'article 23, § 1er, du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
Lorsque le permis d'urbanisme, [1 le permis d'urbaniser, le permis de diviser]1, le permis unique ou intégré est octroyé par phases, la taxe à payer est fixée pour chacune des phases au prorata de la surface concernée; le délai à payer se calcule pour chaque phase autre que la première à dater du jour fixé par le permis comme point de départ du délai de péremption.
Wijzigingen
Art. D. VI.59. De administratieve en gerechtelijke beroepen die de retributieplichtige openstaan zijn die, welke zijn bepaald in de artikelen 25 tot 28 van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen.
De Regering bepaalt het protocol voor de raadpleging en de mededeling van de informatie nodig voor de behandeling van de beroepen.
De Regering bepaalt het protocol voor de raadpleging en de mededeling van de informatie nodig voor de behandeling van de beroepen.
Art. D. VI.59. Les recours administratifs et judiciaires ouverts au redevable sont ceux prévus aux articles 25 à 28 du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes
Le Gouvernement détermine le protocole de consultation et de communication des informations nécessaires au traitement des recours.
Le Gouvernement détermine le protocole de consultation et de communication des informations nécessaires au traitement des recours.
Art. D. VI.60. Onverminderd de bepalingen van dit Hoofdstuk zijn de bepalingen van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen van toepassing op de retributie op de planwinsten en meer bepaald de artikelen 20 tot 24bis betreffende de aanslagtermijnen en de eisbaarheid van de retributies, de artikelen 29 en volgende betreffende de nalatigheidsintresten, de artikelen 35 en volgende betreffende de vervolgingen, de artikelen 53 en volgende betreffende de gevolgen van de beroepen op de inningen, de artikelen 56 en volgende betreffende de verjaring, de artikelen 57bis en volgende betreffende het oninvorderbaar karakter van sommige schuldvorderingen, de artikelen 58 en volgende betreffende het recht en het voorrecht van de schatkist inzake de invordering, de artikelen 63 en volgende betreffende de administratieve sancties.
Art. D. VI.60. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les dispositions du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes s'appliquent à la taxe des bénéfices résultant de la planification et notamment les articles 20 à 24bis relatifs aux délais d'imposition et d'exigibilité des taxes, les articles 29 et suivants relatifs aux intérêts de retard, les articles 35 et suivants relatifs aux poursuites, les articles 53 et suivants relatifs aux effets des recours sur les recouvrements, les articles 56 et suivants relatifs à la prescription, les articles 57bis et suivants relatifs à l'irrécouvrabilité de certaines créances, les articles 58 et suivants relatifs au droit et privilège du trésor en matière de recouvrement, les articles 63 et suivants relatifs aux sanctions administratives.
Onderafdeling 6. - Evaluatie
Sous-section 6. - Evaluation
Art. D. VI.61. De Regering stelt om de vijf jaar een evaluatieverslag op, dat de opvolging en de doeltreffendheid van het planwinstenstelsel mogelijk maakt.
Art. D. VI.61. Le Gouvernement établit tous les cinq ans un rapport d'évaluation permettant d'assurer le suivi et l'efficacité du régime des bénéfices résultant de la planification.
Onderafdeling 7. - Overgangsrecht
Sous-section 7. - Droit transitoire
Art. D. VI.62. De gewestelijke retributie op de planwinsten is van toepassing op elke opmaak en herziening van gewestplannen waarvan het ontwerp door de Regering is aangenomen na de inwerkingtreding van het Wetboek.
Art. D. VI.62. La taxe régionale sur les bénéfices de la planification s'applique aux élaborations et révisions de plans de secteur dont le projet a été adopté par le Gouvernement après l'entrée en vigueur du Code.
Art. D. VI.62.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Ongeacht alle andersluidende bepalingen wordt vanaf 1 januari 2020 geen gewestelijke retributie op de planwinsten geheven.]1
[1 Ongeacht alle andersluidende bepalingen wordt vanaf 1 januari 2020 geen gewestelijke retributie op de planwinsten geheven.]1
Art. D. VI.62.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Nonobstant toute disposition contraire, aucune taxe régionale n'est prélevée sur les bénéfices de la planification à partir du 1er janvier 2020]1
[1 Nonobstant toute disposition contraire, aucune taxe régionale n'est prélevée sur les bénéfices de la planification à partir du 1er janvier 2020]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Gemeentelijke retributies
Section 2. - Taxes communales
Art. D. VI.63.De gemeenten maken een inventaris op van alle op hun grondgebied gelegen onbebouwde terreinpercelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning of bebouwingsvergunning bestaat, alsook van alle onbebouwde terreinpercelen die gelegen zijn binnen de omtrek van een woongebied, van een woongebied met landelijk karakter, van een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen, ontsloten in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning, van een gebied van gemeentelijk belang bestemd voor bewoning, [1 een centrumgebied vastgesteld door het ruimtelijk ontwikkelingsplan, een meergemeentelijk plan of een gemeentelijk plan]1 met uitzondering van een bedrijfsruimte zoals voorzien in het gewestplan. Iedereen die daarom verzoekt, kan deze inventaris ter plaatse inzien.
Art. D. VI.63.Les communes tiennent un inventaire de toutes les parcelles de terrain sises sur leur territoire, pour lesquelles il existe un permis de lotir ou d'urbanisation non frappé de caducité et qui ne sont pas encore bâties, ainsi que de toutes les parcelles de terrain non bâties situées dans une zone d'habitat, une zone d'habitat à caractère rural, une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectée à l'habitat, une zone d'enjeu communal, une zone d'enjeu régional affectée à l'habitat, [1 dans une centralité établie par le schéma de développement du territoire, un schéma pluricommunal ou un schéma communal]1 à l'exception d'une zone d'activité économique telle qu'elle est prévue au plan de secteur. Toute personne qui en fait la demande peut prendre connaissance sur place de cet inventaire.
Wijzigingen
Art. D _VI.63.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De gemeenten maken een inventaris op van alle op hun grondgebied gelegen onbebouwde terreinpercelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning [1 , bebouwingsvergunning, ontsluitingsvergunning of opsplitsingsvergunning]1 bestaat, alsook van alle onbebouwde terreinpercelen die gelegen zijn binnen de omtrek van een woongebied, van een woongebied met landelijk karakter, van een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen, ontsloten in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning, van een gebied van gemeentelijk belang bestemd voor bewoning, met uitzondering van een bedrijfsruimte zoals voorzien in het gewestplan. Iedereen die daarom verzoekt, kan deze inventaris ter plaatse inzien.
De gemeenten maken een inventaris op van alle op hun grondgebied gelegen onbebouwde terreinpercelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning [1 , bebouwingsvergunning, ontsluitingsvergunning of opsplitsingsvergunning]1 bestaat, alsook van alle onbebouwde terreinpercelen die gelegen zijn binnen de omtrek van een woongebied, van een woongebied met landelijk karakter, van een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen, ontsloten in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning, van een gebied van gemeentelijk belang bestemd voor bewoning, met uitzondering van een bedrijfsruimte zoals voorzien in het gewestplan. Iedereen die daarom verzoekt, kan deze inventaris ter plaatse inzien.
Art. D _VI.63.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les communes tiennent un inventaire de toutes les parcelles de terrain sises sur leur territoire, pour lesquelles il existe un permis de lotir [1 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]1 non frappé de caducité et qui ne sont pas encore bâties, ainsi que de toutes les parcelles de terrain non bâties situées dans une zone d'habitat, une zone d'habitat à caractère rural, une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectée à l'habitat, une zone d'enjeu communal, une zone d'enjeu régional affectée à l'habitat, à l'exception d'une zone d'activité économique telle qu'elle est prévue au plan de secteur. Toute personne qui en fait la demande peut prendre connaissance sur place de cet inventaire.
Les communes tiennent un inventaire de toutes les parcelles de terrain sises sur leur territoire, pour lesquelles il existe un permis de lotir [1 , d'urbanisation, d'urbaniser ou de diviser]1 non frappé de caducité et qui ne sont pas encore bâties, ainsi que de toutes les parcelles de terrain non bâties situées dans une zone d'habitat, une zone d'habitat à caractère rural, une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectée à l'habitat, une zone d'enjeu communal, une zone d'enjeu régional affectée à l'habitat, à l'exception d'une zone d'activité économique telle qu'elle est prévue au plan de secteur. Toute personne qui en fait la demande peut prendre connaissance sur place de cet inventaire.
Wijzigingen
Art. D. VI.64.§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd om, naast de opcentiemen van de onroerende voorheffing, een jaarlijkse retributie te heffen op de onbebouwde percelen gelegen :
1° in de niet-vervallen bebouwingsomtrek in een gebied van gemeentelijk belang;
2° in een gebied van gemeentelijk belang en langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
3° in de omtrek van een niet-vervallen bebouwingsvergunning buiten een gebied van gemeentelijk belang;
4° langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging en :
a) ofwel gelegen in een woongebied of woongebied met een landelijk karakter, opgenomen op het gewestplan of gelegen in de omtrek van de plannen bedoeld in artikel D.II.66, § 3, leden 1 en 2, en besteld voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
[1 5° in een centrumgebied dat is vastgesteld na de aanneming van een meergemeentelijk ruimtelijk plan of een gemeentelijk ruimtelijkplan, ook in de gevallen die niet onder 4° vallen.]1
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 3°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 1° niet overschrijden.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 4°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 2° niet overschrijden.
§ 2. Vrijgesteld zijn :
1° van de in § 1, 1° en 3°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel onder uitsluiting van enig ander onroerend goed;
2° van de in § 1, 2° en 4°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
3° van beide retributies, de openbare huisvestingsmaatschappijen.
De vrijstelling bedoeld in 1° en 2° geldt slechts voor de vijf aanslagjaren na de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de eerste vijf aanslagjaren na de inwerkingtreding van de belastingverordening indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. Die termijnen worden geschorst tijdens de procedure wanneer een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend is tegen een vergunning betreffende dat goed of een aanvraag tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde.
§ 3. De belasting bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°, is niet van toepassing op percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de huurpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.
De belasting bedoeld in paragraaf § 1, 2° en 4°, is niet van toepassing op gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd, of wanneer de gronden daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt voor landbouw- en tuinbouwdoeleinden.
1° in de niet-vervallen bebouwingsomtrek in een gebied van gemeentelijk belang;
2° in een gebied van gemeentelijk belang en langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
3° in de omtrek van een niet-vervallen bebouwingsvergunning buiten een gebied van gemeentelijk belang;
4° langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging en :
a) ofwel gelegen in een woongebied of woongebied met een landelijk karakter, opgenomen op het gewestplan of gelegen in de omtrek van de plannen bedoeld in artikel D.II.66, § 3, leden 1 en 2, en besteld voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
[1 5° in een centrumgebied dat is vastgesteld na de aanneming van een meergemeentelijk ruimtelijk plan of een gemeentelijk ruimtelijkplan, ook in de gevallen die niet onder 4° vallen.]1
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 3°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 1° niet overschrijden.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 4°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 2° niet overschrijden.
§ 2. Vrijgesteld zijn :
1° van de in § 1, 1° en 3°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel onder uitsluiting van enig ander onroerend goed;
2° van de in § 1, 2° en 4°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
3° van beide retributies, de openbare huisvestingsmaatschappijen.
De vrijstelling bedoeld in 1° en 2° geldt slechts voor de vijf aanslagjaren na de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de eerste vijf aanslagjaren na de inwerkingtreding van de belastingverordening indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. Die termijnen worden geschorst tijdens de procedure wanneer een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend is tegen een vergunning betreffende dat goed of een aanvraag tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde.
§ 3. De belasting bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°, is niet van toepassing op percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de huurpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.
De belasting bedoeld in paragraaf § 1, 2° en 4°, is niet van toepassing op gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd, of wanneer de gronden daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt voor landbouw- en tuinbouwdoeleinden.
Art. D. VI.64.§ 1er. Les communes sont autorisées à établir, outre les centimes additionnels au précompte immobilier, une taxe annuelle sur les parcelles non bâties situées :
1° dans le périmètre d'urbanisation non périmé au sein d'une zone d'enjeu communal;
2° dans une zone d'enjeu communal et en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° dans le périmètre d'un permis d'urbanisation non périmé en dehors d'une zone d'enjeu communal;
4° en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et :
a) soit dans une zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural inscrite au plan de secteur ou dans le périmètre des plans visés à l'article D.II.66, § 3, alinéas 1er et 2 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
[1 5° dans une centralité établie suite à l'adoption d'un schéma pluricommunal ou d'un schéma communal, en ce compris dans des hypothèses non visées au 4°.]1
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 1°.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 4°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 2°.
§ 2. Sont dispensés :
1° de la taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, les propriétaires d'une seule parcelle non bâtie à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
2° de la taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, les propriétaires d'un seul terrain non bâti à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
3° de l'une et l'autre taxe, les sociétés de logement de service public.
La dispense prévue aux 1° et 2° ne vaut que durant les cinq exercices qui suivent l'acquisition du bien. Elle vaut durant les cinq exercices qui suivent l'entrée en vigueur du règlement-taxe, lorsque le bien est déjà acquis à ce moment. Ces délais sont suspendus durant tout le temps de la procédure lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre d'un permis relatif audit bien devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire.
§ 3. La taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, n'est pas applicable aux parcelles qui, en raison des dispositions de la loi sur le bail à ferme, ne peuvent être affectées actuellement à la bâtisse.
La taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, n'est pas applicable aux terrains sur lesquels il n'est pas permis de bâtir en vertu d'une décision de l'autorité ou lorsqu'il n'est pas possible de le faire ou lorsque les terrains sont effectivement utilisés professionnellement à des fins agricoles et horticoles.
1° dans le périmètre d'urbanisation non périmé au sein d'une zone d'enjeu communal;
2° dans une zone d'enjeu communal et en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° dans le périmètre d'un permis d'urbanisation non périmé en dehors d'une zone d'enjeu communal;
4° en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et :
a) soit dans une zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural inscrite au plan de secteur ou dans le périmètre des plans visés à l'article D.II.66, § 3, alinéas 1er et 2 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
[1 5° dans une centralité établie suite à l'adoption d'un schéma pluricommunal ou d'un schéma communal, en ce compris dans des hypothèses non visées au 4°.]1
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 1°.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 4°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 2°.
§ 2. Sont dispensés :
1° de la taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, les propriétaires d'une seule parcelle non bâtie à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
2° de la taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, les propriétaires d'un seul terrain non bâti à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
3° de l'une et l'autre taxe, les sociétés de logement de service public.
La dispense prévue aux 1° et 2° ne vaut que durant les cinq exercices qui suivent l'acquisition du bien. Elle vaut durant les cinq exercices qui suivent l'entrée en vigueur du règlement-taxe, lorsque le bien est déjà acquis à ce moment. Ces délais sont suspendus durant tout le temps de la procédure lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre d'un permis relatif audit bien devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire.
§ 3. La taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, n'est pas applicable aux parcelles qui, en raison des dispositions de la loi sur le bail à ferme, ne peuvent être affectées actuellement à la bâtisse.
La taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, n'est pas applicable aux terrains sur lesquels il n'est pas permis de bâtir en vertu d'une décision de l'autorité ou lorsqu'il n'est pas possible de le faire ou lorsque les terrains sont effectivement utilisés professionnellement à des fins agricoles et horticoles.
Wijzigingen
Art. D _VI.64.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd om, naast de opcentiemen van de onroerende voorheffing, een jaarlijkse retributie te heffen op de onbebouwde percelen gelegen :
1° in de niet-vervallen bebouwingsomtrek in een gebied van gemeentelijk belang;
2° in een gebied van gemeentelijk belang en langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
3° in de omtrek van een niet-vervallen [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 buiten een gebied van gemeentelijk belang;
4° langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging en :
a) ofwel gelegen in een woongebied of woongebied met een landelijk karakter, opgenomen op het gewestplan of gelegen in de omtrek van de plannen bedoeld in artikel D.II.66, § 3, leden 1 en 2, en besteld voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 3°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 1° niet overschrijden.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 4°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 2° niet overschrijden.
§ 2. Vrijgesteld zijn :
1° van de in § 1, 1° en 3°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel onder uitsluiting van enig ander onroerend goed;
2° van de in § 1, 2° en 4°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
3° van beide retributies, de openbare huisvestingsmaatschappijen.
De vrijstelling bedoeld in 1° en 2° geldt slechts voor de vijf aanslagjaren na de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de eerste vijf aanslagjaren na de inwerkingtreding van de belastingverordening indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. Die termijnen worden geschorst tijdens de procedure wanneer een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend is tegen een vergunning betreffende dat goed of een aanvraag tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde.
§ 3. De belasting bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°, is niet van toepassing op percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de huurpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.
De belasting bedoeld in paragraaf § 1, 2° en 4°, is niet van toepassing op gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd, of wanneer de gronden daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt voor landbouw- en tuinbouwdoeleinden.
§ 1. De gemeenten zijn gemachtigd om, naast de opcentiemen van de onroerende voorheffing, een jaarlijkse retributie te heffen op de onbebouwde percelen gelegen :
1° in de niet-vervallen bebouwingsomtrek in een gebied van gemeentelijk belang;
2° in een gebied van gemeentelijk belang en langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en voldoende breed is, rekening houdende met de ligging;
3° in de omtrek van een niet-vervallen [1 ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1 buiten een gebied van gemeentelijk belang;
4° langs een openbare weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, met een wegverharding en die voldoende breed is, rekening houdende met de ligging en :
a) ofwel gelegen in een woongebied of woongebied met een landelijk karakter, opgenomen op het gewestplan of gelegen in de omtrek van de plannen bedoeld in artikel D.II.66, § 3, leden 1 en 2, en besteld voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg onderworpen is, in de zin van artikel D.II.42 en bestemd voor bewoning of bewoning met een landelijk karakter.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 3°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 1° niet overschrijden.
Het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in lid 1, 4°, mag de helft van het bedrag vastgesteld overeenkomstig 2° niet overschrijden.
§ 2. Vrijgesteld zijn :
1° van de in § 1, 1° en 3°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel onder uitsluiting van enig ander onroerend goed;
2° van de in § 1, 2° en 4°, bedoelde retributie, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;
3° van beide retributies, de openbare huisvestingsmaatschappijen.
De vrijstelling bedoeld in 1° en 2° geldt slechts voor de vijf aanslagjaren na de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de eerste vijf aanslagjaren na de inwerkingtreding van de belastingverordening indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. Die termijnen worden geschorst tijdens de procedure wanneer een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend is tegen een vergunning betreffende dat goed of een aanvraag tot onderbreking van de vergunde werken hangende is bij een rechtbank van de gerechtelijke orde.
§ 3. De belasting bedoeld in paragraaf 1, 1° en 3°, is niet van toepassing op percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de huurpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.
De belasting bedoeld in paragraaf § 1, 2° en 4°, is niet van toepassing op gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd, of wanneer de gronden daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt voor landbouw- en tuinbouwdoeleinden.
Art. D _VI.64.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Les communes sont autorisées à établir, outre les centimes additionnels au précompte immobilier, une taxe annuelle sur les parcelles non bâties situées :
1° dans le périmètre d'urbanisation non périmé au sein d'une zone d'enjeu communal;
2° dans une zone d'enjeu communal et en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° dans le périmètre d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 non périmé en dehors d'une zone d'enjeu communal;
4° en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et :
a) soit dans une zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural inscrite au plan de secteur ou dans le périmètre des plans visés à l'article D.II.66, § 3, alinéas 1er et 2 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 1°.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 4°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 2°.
§ 2. Sont dispensés :
1° de la taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, les propriétaires d'une seule parcelle non bâtie à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
2° de la taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, les propriétaires d'un seul terrain non bâti à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
3° de l'une et l'autre taxe, les sociétés de logement de service public.
La dispense prévue aux 1° et 2° ne vaut que durant les cinq exercices qui suivent l'acquisition du bien. Elle vaut durant les cinq exercices qui suivent l'entrée en vigueur du règlement-taxe, lorsque le bien est déjà acquis à ce moment. Ces délais sont suspendus durant tout le temps de la procédure lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre d'un permis relatif audit bien devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire.
§ 3. La taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, n'est pas applicable aux parcelles qui, en raison des dispositions de la loi sur le bail à ferme, ne peuvent être affectées actuellement à la bâtisse.
La taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, n'est pas applicable aux terrains sur lesquels il n'est pas permis de bâtir en vertu d'une décision de l'autorité ou lorsqu'il n'est pas possible de le faire ou lorsque les terrains sont effectivement utilisés professionnellement à des fins agricoles et horticoles.
§ 1er. Les communes sont autorisées à établir, outre les centimes additionnels au précompte immobilier, une taxe annuelle sur les parcelles non bâties situées :
1° dans le périmètre d'urbanisation non périmé au sein d'une zone d'enjeu communal;
2° dans une zone d'enjeu communal et en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux;
3° dans le périmètre d'un [1 permis d'urbaniser ou de diviser]1 non périmé en dehors d'une zone d'enjeu communal;
4° en bordure d'une voie publique suffisamment équipée en eau et électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante, compte tenu de la situation des lieux et :
a) soit dans une zone d'habitat ou d'habitat à caractère rural inscrite au plan de secteur ou dans le périmètre des plans visés à l'article D.II.66, § 3, alinéas 1er et 2 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre au sens de l'article D.II.42 et affectées à l'habitat ou à l'habitat à caractère rural.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 1°.
Le montant de la taxe annuelle visée à l'alinéa 1er, 4°, ne peut dépasser la moitié de celui fixé en application du 2°.
§ 2. Sont dispensés :
1° de la taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, les propriétaires d'une seule parcelle non bâtie à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
2° de la taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, les propriétaires d'un seul terrain non bâti à l'exclusion de tout autre bien immobilier;
3° de l'une et l'autre taxe, les sociétés de logement de service public.
La dispense prévue aux 1° et 2° ne vaut que durant les cinq exercices qui suivent l'acquisition du bien. Elle vaut durant les cinq exercices qui suivent l'entrée en vigueur du règlement-taxe, lorsque le bien est déjà acquis à ce moment. Ces délais sont suspendus durant tout le temps de la procédure lorsqu'un recours en annulation a été introduit à l'encontre d'un permis relatif audit bien devant le Conseil d'Etat ou qu'une demande d'interruption des travaux autorisés par le permis est pendante devant une juridiction de l'ordre judiciaire.
§ 3. La taxe visée au paragraphe 1er, 1° et 3°, n'est pas applicable aux parcelles qui, en raison des dispositions de la loi sur le bail à ferme, ne peuvent être affectées actuellement à la bâtisse.
La taxe visée au paragraphe 1er, 2° et 4°, n'est pas applicable aux terrains sur lesquels il n'est pas permis de bâtir en vertu d'une décision de l'autorité ou lorsqu'il n'est pas possible de le faire ou lorsque les terrains sont effectivement utilisés professionnellement à des fins agricoles et horticoles.
Wijzigingen
BOEK VII. - Overtredingen en straffen
LIVRE VII. - Infractions et sanctions
HOOFDSTUK I. - Strafbare handelingen
CHAPITRE Ier. - Actes infractionnels
Art. D. VII.1.§ 1. Strafbaar zijn volgende feiten :
1° de uitvoering van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken of de bebouwing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, zonder voorafgaande vergunning, na het verval ervan of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of nog zonder overeenstemming met de vergunning, met uitzondering van de handelingen gesteld met miskenning van het perceelsgewijs plann van de bebouwingsvergunning wanneer ze geen wijziging van de bebouwingsvergunning overeenkomstig artikel D.IV.94, § 2, vereisen;
2° de voortzetting van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken of de bebouwing van een goed in de zin van artikel D.IV.2 zonder voorafgaande vergunning, na het verval ervan of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning;
3° [2 de instandhouding van de werken, na 21 april 1962 uitgevoerd,]2 de instandhouding van de werken, na 21 april 1962 uitgevoerd, zonder de vereiste vergunning of in miskenning ervan;
4° uitgezonderd de handelingen en werken die ter afwijking zijn vergund of vrijgesteld zijn van vergunning, de niet-inachtneming van voorschriften van de gewestplannen en van de normen van de stedenbouwkundige handleiding;
5° de niet-nakoming van de regels betreffende de aanplakking van de vergunning bedoeld in artikel D.IV.70 of de reclameregels bedoeld in artikel D.IV.76 en in Boek VIII;
6° de ontstentenis van kennisgeving van de aanvang van de werken zoals bedoeld in artikel D.IV.71;
7° [5 ...]5.
§ 2. [6 ...]6
§ 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6.
§ 3. De bepalingen van het eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op bovenbedoelde misdrijven evenals op die welke in de artikelen D.VII.7 en D.VII.11 zijn omschreven.
1° de uitvoering van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken of de bebouwing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, zonder voorafgaande vergunning, na het verval ervan of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of nog zonder overeenstemming met de vergunning, met uitzondering van de handelingen gesteld met miskenning van het perceelsgewijs plann van de bebouwingsvergunning wanneer ze geen wijziging van de bebouwingsvergunning overeenkomstig artikel D.IV.94, § 2, vereisen;
2° de voortzetting van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken of de bebouwing van een goed in de zin van artikel D.IV.2 zonder voorafgaande vergunning, na het verval ervan of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning;
3° [2 de instandhouding van de werken, na 21 april 1962 uitgevoerd,]2 de instandhouding van de werken, na 21 april 1962 uitgevoerd, zonder de vereiste vergunning of in miskenning ervan;
4° uitgezonderd de handelingen en werken die ter afwijking zijn vergund of vrijgesteld zijn van vergunning, de niet-inachtneming van voorschriften van de gewestplannen en van de normen van de stedenbouwkundige handleiding;
5° de niet-nakoming van de regels betreffende de aanplakking van de vergunning bedoeld in artikel D.IV.70 of de reclameregels bedoeld in artikel D.IV.76 en in Boek VIII;
6° de ontstentenis van kennisgeving van de aanvang van de werken zoals bedoeld in artikel D.IV.71;
7° [5 ...]5.
§ 2. [6 ...]6
§ 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6.
§ 3. De bepalingen van het eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op bovenbedoelde misdrijven evenals op die welke in de artikelen D.VII.7 en D.VII.11 zijn omschreven.
Wijzigingen
Art. D. VII.1.§ 1er. Sont constitutifs d'infraction les faits suivants :
1° l'exécution des actes et des travaux visés à l'article D.IV.4 ou l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à l'arrêt de suspension du permis ou encore non conformément au permis, à l'exclusion des actes posés en méconnaissance du parcellaire du permis d'urbanisation lorsqu'ils ne nécessitent pas une modification du permis d'urbanisation conformément à l'article D.IV.94, § 2;
2° la poursuite des actes et travaux visés à l'article D.IV.4 ou de l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à l'arrêt de suspension du permis;
3° [2 sans préjudice de l'article D.VII.lbis,]2 le maintien des travaux exécutés après le 21 avril 1962 sans le permis qui était requis ou en méconnaissance de celui-ci;
4° à l'exception des actes et travaux autorisés en dérogation ou exonérés de permis, le non-respect des prescriptions des plans de secteur et des normes du guide régional d'urbanisme;
5° le non-respect des règles d'affichage du permis visées à l'article D.IV.70 ou de publicité visées à l'article D.IV.76. et au Livre VIII;
6° l'absence de notification du début des travaux visée à l'article D.IV.71;
7° [5 ...]5
§ 2. [6 ...]6
[3 § 2/1. [6 ...]6.
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, en ce compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables auxdites infractions ainsi qu'à celles prévues aux articles D.VII.7 et D.VII.11.
1° l'exécution des actes et des travaux visés à l'article D.IV.4 ou l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à l'arrêt de suspension du permis ou encore non conformément au permis, à l'exclusion des actes posés en méconnaissance du parcellaire du permis d'urbanisation lorsqu'ils ne nécessitent pas une modification du permis d'urbanisation conformément à l'article D.IV.94, § 2;
2° la poursuite des actes et travaux visés à l'article D.IV.4 ou de l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à l'arrêt de suspension du permis;
3° [2 sans préjudice de l'article D.VII.lbis,]2 le maintien des travaux exécutés après le 21 avril 1962 sans le permis qui était requis ou en méconnaissance de celui-ci;
4° à l'exception des actes et travaux autorisés en dérogation ou exonérés de permis, le non-respect des prescriptions des plans de secteur et des normes du guide régional d'urbanisme;
5° le non-respect des règles d'affichage du permis visées à l'article D.IV.70 ou de publicité visées à l'article D.IV.76. et au Livre VIII;
6° l'absence de notification du début des travaux visée à l'article D.IV.71;
7° [5 ...]5
§ 2. [6 ...]6
[3 § 2/1. [6 ...]6.
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, en ce compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables auxdites infractions ainsi qu'à celles prévues aux articles D.VII.7 et D.VII.11.
Wijzigingen
Art. D. VII.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [6 Strafbaar zijn volgende feiten :
1° de uitvoering van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken, de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, of de opsplitsing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 3, zonder voorafgaande vergunning, na het verval van de vergunning of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of nog zonder naleving van de vergunning of de regularisatiebeslissing in de zin van artikel D.VII.18, § 2, 1° en 2°, met uitzondering van :
a) de handelingen gesteld met miskenning van de indeling van de percelen volgens de ontsluitingsvergunning wanneer ze geen wijziging van de ontsluitingsvergunning overeenkomstig artikel D.IV.94, § 2, vereisen;
b) [7 de werken en handelingen die het voorwerp uitmaken van een verklaring overeenkomstig artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 2°;]7
2° de voortzetting van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken, de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, of de opsplitsing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 3, zonder voorafgaande vergunning, na het verval van de vergunning of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of zonder naleving van de vergunning of de regularisatiebeslissing in de zin van artikel D.VII.18, § 2, 1° en 2°;
3° onverminderd artikel D.VII.1bis, de instandhouding van de werken die zonder de vereiste vergunning of met miskenning van de vereiste vergunning zijn uitgevoerd;
4° de niet-inachtneming van de voorschriften van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw, met uitzondering van handelingen en werken die in afwijking zijn vergund, die vrijgesteld zijn van vergunning of die niet onder de vergunningsplicht vallen;
5° de niet-nakoming van de regels betreffende de aanplakking van de vergunning bedoeld in artikel D.IV.70 of de reclameregels bedoeld in artikel D.IV.76 en in Boek VIII;
6° de ontstentenis van kennisgeving van de aanvang van de werken zoals bedoeld in artikel D.IV.71;
7° [7 het niet indienen van de stukken overeenkomstig artikel D.IV.73 of het opstellen van stukken overeenkomstig artikel D.IV.73 die niet overeenstemmen met de werkelijke situatie;]7
8° de uitvoering van de handelingen of werken vermeld in artikel D.IV.4 of de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, met miskenning van de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd. De vervolging van die overtredingen op grond van dit boek sluit de vervolging van dezelfde overtredingen op grond van het erfgoeddecreet uit.]6
§ 2. [6 ...]6
[1 De instandhouding van een woning opgericht zonder de vergunning die was vereist maakt geen overtreding uit na de inwerkingtreding van het groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64.]1
[3 § 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. De bepalingen van het eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op bovenbedoelde misdrijven evenals op die welke in de artikelen D.VII.7 en D.VII.11 zijn omschreven.
§ 1. [6 Strafbaar zijn volgende feiten :
1° de uitvoering van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken, de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, of de opsplitsing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 3, zonder voorafgaande vergunning, na het verval van de vergunning of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of nog zonder naleving van de vergunning of de regularisatiebeslissing in de zin van artikel D.VII.18, § 2, 1° en 2°, met uitzondering van :
a) de handelingen gesteld met miskenning van de indeling van de percelen volgens de ontsluitingsvergunning wanneer ze geen wijziging van de ontsluitingsvergunning overeenkomstig artikel D.IV.94, § 2, vereisen;
b) [7 de werken en handelingen die het voorwerp uitmaken van een verklaring overeenkomstig artikel D.IV.73.1, § 1, tweede lid, 2°;]7
2° de voortzetting van de in artikel D.IV.4 bedoelde handelingen en werken, de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, of de opsplitsing van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 3, zonder voorafgaande vergunning, na het verval van de vergunning of na de akte of het besluit tot opschorting van de vergunning of zonder naleving van de vergunning of de regularisatiebeslissing in de zin van artikel D.VII.18, § 2, 1° en 2°;
3° onverminderd artikel D.VII.1bis, de instandhouding van de werken die zonder de vereiste vergunning of met miskenning van de vereiste vergunning zijn uitgevoerd;
4° de niet-inachtneming van de voorschriften van het gewestplan of van de normen van de gewestelijke leidraad voor stedenbouw, met uitzondering van handelingen en werken die in afwijking zijn vergund, die vrijgesteld zijn van vergunning of die niet onder de vergunningsplicht vallen;
5° de niet-nakoming van de regels betreffende de aanplakking van de vergunning bedoeld in artikel D.IV.70 of de reclameregels bedoeld in artikel D.IV.76 en in Boek VIII;
6° de ontstentenis van kennisgeving van de aanvang van de werken zoals bedoeld in artikel D.IV.71;
7° [7 het niet indienen van de stukken overeenkomstig artikel D.IV.73 of het opstellen van stukken overeenkomstig artikel D.IV.73 die niet overeenstemmen met de werkelijke situatie;]7
8° de uitvoering van de handelingen of werken vermeld in artikel D.IV.4 of de ontsluiting van een goed in de zin van artikel D.IV.2, § 1, met miskenning van de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd. De vervolging van die overtredingen op grond van dit boek sluit de vervolging van dezelfde overtredingen op grond van het erfgoeddecreet uit.]6
§ 2. [6 ...]6
[1 De instandhouding van een woning opgericht zonder de vergunning die was vereist maakt geen overtreding uit na de inwerkingtreding van het groen woongebied aangewezen overeenkomstig artikel D.II.64.]1
[3 § 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. De bepalingen van het eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op bovenbedoelde misdrijven evenals op die welke in de artikelen D.VII.7 en D.VII.11 zijn omschreven.
Wijzigingen
Art. D. VII.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [6 Sont constitutifs d'infraction les faits suivants :
1° l'exécution des actes ou travaux mentionnés à l'article D.IV.4, l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, ou la division d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 3, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à la décision de suspension du permis ou encore en cas de non-respect du permis ou de la décision de régularisation au sens de l'article D.VII.18, § 2, 1° et 2°, sauf :
a) les actes qui ont été accomplis en ne respectant pas le parcellaire prévu par le permis d'urbaniser lorsqu'ils n'exigent aucune modification dudit permis conformément à l'article D.IV.94, § 2;
b) [7 les actes et travaux qui font l'objet d'une déclaration conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 2°;]7
2° la poursuite des actes et travaux mentionnés à l'article D.IV.4, de l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, ou de la division d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 3, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à la décision de suspension du permis ou encore en cas de non-respect du permis ou de la décision de régularisation au sens de l'article D.VII.18, § 2, 1° et 2°;
3° sans préjudice de l'article D.VII.1bis, le maintien des travaux exécutés sans le permis qui était requis ou en mépris de celui-ci;
4° le non-respect des prescriptions du plan de secteur et des normes du guide régional d'urbanisme, à l'exception des actes et travaux autorisés par dérogation, dispensés de permis ou non soumis à l'obligation de permis;
5° le non-respect des règles d'affichage du permis visées à l'article D.IV.70 ou de publicité visées à l'article D.IV.76 et au Livre VIII;
6° l'absence de notification du début des travaux mentionnée à l'article D.IV.71;
7° [7 le défaut de dépôt des documents conformément à l'article D.IV.73 ou l'établissement de documents conformément à l'article D.IV.73 qui ne correspondent pas à la situation réelle;]7
8° l'exécution des actes ou travaux mentionnés à l'article D.IV.4 ou l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, au mépris des mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine. La poursuite de ces infractions sur la base des dispositions du présent Livre exclut la poursuite des mêmes infractions sur la base du décret sur le patrimoine.]6
§ 2. [6 ...]6
[1 Le maintien d'un logement créé sans le permis qui était requis n'est pas constitutif d'infraction après l'entrée en vigueur de la zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64.]1
[3 § 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, en ce compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables auxdites infractions ainsi qu'à celles prévues aux articles D.VII.7 et D.VII.11.
§ 1er. [6 Sont constitutifs d'infraction les faits suivants :
1° l'exécution des actes ou travaux mentionnés à l'article D.IV.4, l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, ou la division d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 3, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à la décision de suspension du permis ou encore en cas de non-respect du permis ou de la décision de régularisation au sens de l'article D.VII.18, § 2, 1° et 2°, sauf :
a) les actes qui ont été accomplis en ne respectant pas le parcellaire prévu par le permis d'urbaniser lorsqu'ils n'exigent aucune modification dudit permis conformément à l'article D.IV.94, § 2;
b) [7 les actes et travaux qui font l'objet d'une déclaration conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 2°;]7
2° la poursuite des actes et travaux mentionnés à l'article D.IV.4, de l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, ou de la division d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 3, sans permis préalable, postérieurement à sa péremption ou postérieurement à l'acte ou à la décision de suspension du permis ou encore en cas de non-respect du permis ou de la décision de régularisation au sens de l'article D.VII.18, § 2, 1° et 2°;
3° sans préjudice de l'article D.VII.1bis, le maintien des travaux exécutés sans le permis qui était requis ou en mépris de celui-ci;
4° le non-respect des prescriptions du plan de secteur et des normes du guide régional d'urbanisme, à l'exception des actes et travaux autorisés par dérogation, dispensés de permis ou non soumis à l'obligation de permis;
5° le non-respect des règles d'affichage du permis visées à l'article D.IV.70 ou de publicité visées à l'article D.IV.76 et au Livre VIII;
6° l'absence de notification du début des travaux mentionnée à l'article D.IV.71;
7° [7 le défaut de dépôt des documents conformément à l'article D.IV.73 ou l'établissement de documents conformément à l'article D.IV.73 qui ne correspondent pas à la situation réelle;]7
8° l'exécution des actes ou travaux mentionnés à l'article D.IV.4 ou l'urbanisation d'un bien au sens de l'article D.IV.2, § 1er, au mépris des mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine. La poursuite de ces infractions sur la base des dispositions du présent Livre exclut la poursuite des mêmes infractions sur la base du décret sur le patrimoine.]6
§ 2. [6 ...]6
[1 Le maintien d'un logement créé sans le permis qui était requis n'est pas constitutif d'infraction après l'entrée en vigueur de la zone d'habitat vert désignée en application de l'article D.II.64.]1
[3 § 2/1. [6 ...]6
§ 2/2. [6 ...]6]3
§ 3. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, en ce compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables auxdites infractions ainsi qu'à celles prévues aux articles D.VII.7 et D.VII.11.
Wijzigingen
HOOFDSTUK Ibis. [1 - De handelingen en werken die in overeenstemming zijn geacht te zijn met het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw]1
CHAPITRE Ierbis. [1 - Les actes et travaux présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme]1
Art. D. VII.1bis.[1 De handelingen en werken uitgevoerd of opgericht vóór 1 maart 1998 worden onweerlegbaar geacht in overeenstemming te zijn met het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
Dit vermoeden is niet van toepassing op :
1° de handelingen en werken die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van het gebied van het gewestplan waarop ze zich bevinden, behalve als ze kunnen genieten van een afwijkingsstelsel op basis hetzij van de vigerende reglementering tijdens de uitvoering van de handelingen en werken hetzij van een latere reglementering die vóór 1 maart 1998 in werking is getreden;
2° de handelingen en werken die erin bestaan om één of meerdere woningen op te richten na 20 augustus 1994;
3° de handelingen en werken uitgevoerd binnen een locatie erkend bij of krachten de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
4° [2 de handelingen en werken uitgevoerd op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek]2;
5° de handelingen en werken die het voorwerp kunnen uitmaken van een aantijging krachtens een andere administratieve ordehandhaving;
6° de handelingen en werken die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of van een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing die de niet-conformiteit van handelingen en werken vaststelt met de regels van het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek.]1
Dit vermoeden is niet van toepassing op :
1° de handelingen en werken die niet in overeenstemming zijn met de bestemming van het gebied van het gewestplan waarop ze zich bevinden, behalve als ze kunnen genieten van een afwijkingsstelsel op basis hetzij van de vigerende reglementering tijdens de uitvoering van de handelingen en werken hetzij van een latere reglementering die vóór 1 maart 1998 in werking is getreden;
2° de handelingen en werken die erin bestaan om één of meerdere woningen op te richten na 20 augustus 1994;
3° de handelingen en werken uitgevoerd binnen een locatie erkend bij of krachten de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
4° [2 de handelingen en werken uitgevoerd op een beschermd of gelijkgesteld goed in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek]2;
5° de handelingen en werken die het voorwerp kunnen uitmaken van een aantijging krachtens een andere administratieve ordehandhaving;
6° de handelingen en werken die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of van een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing die de niet-conformiteit van handelingen en werken vaststelt met de regels van het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek.]1
Art. D. VII.1erbis.[1 Les actes et travaux réalisés ou érigés avant le 1er mars 1998 sont irréfragablement présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
Cette présomption ne s'applique pas :
1° aux actes et travaux qui ne sont pas conformes à la destination de la zone du plan de secteur sur laquelle ils se trouvent, sauf s'ils peuvent bénéficier d'un système dérogatoire sur la base soit de la réglementation en vigueur lors de l'accomplissement des actes et travaux soit d'une réglementation ultérieure entrée en vigueur avant le 1er mars 1998;
2° aux actes et travaux qui consistent à créer un ou plusieurs logements après le 20 août 1994;
3° aux actes et travaux réalisés au sein d'un site reconnu par ou en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° [2 aux actes et travaux réalisés sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine]2;
5° aux actes et travaux pouvant faire l'objet d'une incrimination en vertu d'une autre police administrative;
6° aux actes et travaux ayant fait l'objet d'un procès-verbal de constat d'infraction ou d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée constatant la non-conformité d'actes et travaux aux règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
Cette présomption ne s'applique pas :
1° aux actes et travaux qui ne sont pas conformes à la destination de la zone du plan de secteur sur laquelle ils se trouvent, sauf s'ils peuvent bénéficier d'un système dérogatoire sur la base soit de la réglementation en vigueur lors de l'accomplissement des actes et travaux soit d'une réglementation ultérieure entrée en vigueur avant le 1er mars 1998;
2° aux actes et travaux qui consistent à créer un ou plusieurs logements après le 20 août 1994;
3° aux actes et travaux réalisés au sein d'un site reconnu par ou en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° [2 aux actes et travaux réalisés sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine]2;
5° aux actes et travaux pouvant faire l'objet d'une incrimination en vertu d'une autre police administrative;
6° aux actes et travaux ayant fait l'objet d'un procès-verbal de constat d'infraction ou d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée constatant la non-conformité d'actes et travaux aux règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
Art. D _VII.1bis.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Er wordt onweerlegbaar vermoed dat handelingen en werken krachtens artikel D.VII.1 in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, als ze minstens dertig jaar geleden zijn voltooid.
Dat vermoeden is niet van toepassing op :
1° handelingen en werken die erin bestaan na 20 augustus 1994 één of meer woningen op te richten die niet voldoen aan de criteria voor het verkrijgen van een huurvergunning of aan de criteria inzake gezondheid en veiligheid;
2° handelingen en werken binnen de omtrek van een gebied dat is erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° handelingen en werken [2 aan een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1]2;
4° handelingen en werken die vóór 1 februari 2023 het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijke beslissing waarbij werd vastgesteld dat handelingen en werken niet in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, zelfs als er nog beroepsprocedures tegen de gerechtelijke beslissing lopen [2 ;]2
[2 5° handelingen en werken die na 1 februari 2023 het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve administratieve maatregel in de zin van artikel D.VII.19 of D.VII.20, of van een definitieve gerechtelijke beslissing waarbij werd vastgesteld dat handelingen en werken niet in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.]2
Onverminderd het tweede lid wordt de in het eerste lid vermelde termijn verlaagd tot minstens twintig jaar voor handelingen en werken die overeenstemmen met de op het gewestplan aangegeven bestemming van het gebied waarin ze plaatsvinden.
Onverminderd het tweede lid en in afwijking van het derde lid wordt de in het eerste lid vermelde termijn voor de volgende overtredingen verlaagd tot minstens tien jaar :
A. handelingen en werken, voor zover die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° ze worden beschouwd als handelingen en werken met een beperkte impact overeenkomstig artikel D.IV.1, § 2;
2° ze stemmen overeen met de op het gewestplan aangegeven bestemming van het gebied waarin ze plaatsvinden;
3° ze stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
B. andere handelingen en werken dan die vermeld onder A, voor zover die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de overtreding werd begaan :
a) ofwel in een op het gewestplan voor bebouwing bestemd gebied in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, dat ontsloten is en dat betrekking heeft op één of meer gebieden bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
c) ofwel op bouwwerken, installaties of gebouwen of hun aanvullende en bijkomende inrichtingen, die voor de inwerkingtreding van het gewestplan bestaan, of waarvan de bestemming met het gebied overeenstemt of waarvan de bestemming in afwijking van het gewestplan is toegestaan;
2° de in overtreding zijnde handelingen en werken stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
3° op de in overtreding zijnde handelingen en werken is één van de volgende gevallen van toepassing :
a) in geval van niet-naleving van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning of ontsluitingsvergunning, is de omvang van de verschillen kleiner dan twintig procent:
i) van de vergunde grondinneming;
ii) van de vergunde goot- en nokhoogten;
iii) van de vergunde diepte;
iv) van het vergunde bouwvolume;
v) van de vergunde vloeroppervlakte;
vi) van de afmetingen van de vestiging van de bouwwerken;
vii) van de minimale of maximale afmeting van het perceel;
b) in geval van aanbouw van een luifel als uitbreiding van een vergunde landbouwloods voor zover:
i) de nokhoogte van de luifel kleiner is dan de goothoogte van de loods;
ii) de loods een dergelijke luifel op één enkele van zijn opgaande muren heeft;
iii) de luifel een maximale diepte van zeven meter, gemeten vanaf de opgaande muur van de loods, heeft;
c) in geval van niet-naleving van de toegelaten openingen;
d) in geval van niet-naleving van de kleurschakeringen die door de stedenbouwkundige vergunning zijn toegestaan.
§ 2 - De bewijslast voor het vervullen van de voorwaarden en voor het tijdstip van de voltooiing van de handelingen en werken ligt bij de overtreder.]1
Dat vermoeden is niet van toepassing op :
1° handelingen en werken die erin bestaan na 20 augustus 1994 één of meer woningen op te richten die niet voldoen aan de criteria voor het verkrijgen van een huurvergunning of aan de criteria inzake gezondheid en veiligheid;
2° handelingen en werken binnen de omtrek van een gebied dat is erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° handelingen en werken [2 aan een goed bedoeld in artikel D.IV.14.1]2;
4° handelingen en werken die vóór 1 februari 2023 het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijke beslissing waarbij werd vastgesteld dat handelingen en werken niet in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, zelfs als er nog beroepsprocedures tegen de gerechtelijke beslissing lopen [2 ;]2
[2 5° handelingen en werken die na 1 februari 2023 het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve administratieve maatregel in de zin van artikel D.VII.19 of D.VII.20, of van een definitieve gerechtelijke beslissing waarbij werd vastgesteld dat handelingen en werken niet in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.]2
Onverminderd het tweede lid wordt de in het eerste lid vermelde termijn verlaagd tot minstens twintig jaar voor handelingen en werken die overeenstemmen met de op het gewestplan aangegeven bestemming van het gebied waarin ze plaatsvinden.
Onverminderd het tweede lid en in afwijking van het derde lid wordt de in het eerste lid vermelde termijn voor de volgende overtredingen verlaagd tot minstens tien jaar :
A. handelingen en werken, voor zover die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° ze worden beschouwd als handelingen en werken met een beperkte impact overeenkomstig artikel D.IV.1, § 2;
2° ze stemmen overeen met de op het gewestplan aangegeven bestemming van het gebied waarin ze plaatsvinden;
3° ze stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
B. andere handelingen en werken dan die vermeld onder A, voor zover die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de overtreding werd begaan :
a) ofwel in een op het gewestplan voor bebouwing bestemd gebied in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, dat ontsloten is en dat betrekking heeft op één of meer gebieden bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
c) ofwel op bouwwerken, installaties of gebouwen of hun aanvullende en bijkomende inrichtingen, die voor de inwerkingtreding van het gewestplan bestaan, of waarvan de bestemming met het gebied overeenstemt of waarvan de bestemming in afwijking van het gewestplan is toegestaan;
2° de in overtreding zijnde handelingen en werken stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
3° op de in overtreding zijnde handelingen en werken is één van de volgende gevallen van toepassing :
a) in geval van niet-naleving van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning of ontsluitingsvergunning, is de omvang van de verschillen kleiner dan twintig procent:
i) van de vergunde grondinneming;
ii) van de vergunde goot- en nokhoogten;
iii) van de vergunde diepte;
iv) van het vergunde bouwvolume;
v) van de vergunde vloeroppervlakte;
vi) van de afmetingen van de vestiging van de bouwwerken;
vii) van de minimale of maximale afmeting van het perceel;
b) in geval van aanbouw van een luifel als uitbreiding van een vergunde landbouwloods voor zover:
i) de nokhoogte van de luifel kleiner is dan de goothoogte van de loods;
ii) de loods een dergelijke luifel op één enkele van zijn opgaande muren heeft;
iii) de luifel een maximale diepte van zeven meter, gemeten vanaf de opgaande muur van de loods, heeft;
c) in geval van niet-naleving van de toegelaten openingen;
d) in geval van niet-naleving van de kleurschakeringen die door de stedenbouwkundige vergunning zijn toegestaan.
§ 2 - De bewijslast voor het vervullen van de voorwaarden en voor het tijdstip van de voltooiing van de handelingen en werken ligt bij de overtreder.]1
Art. D _VII.1erbis.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Il est présumé de manière irréfragable que des actes et travaux ont été accomplis conformément au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme en vertu de l'article D.VII.1 lorsqu'ils ont été achevés il y a trente ans au moins.
Cette présomption ne s'applique pas :
1° aux actes et travaux consistant à créer, après le 20 août 1994, un ou plusieurs logements qui ne répondent pas aux critères mis à l'obtention d'un permis de location ou aux critères de salubrité et de sécurité;
2° aux actes et travaux situés dans le périmètre d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou de ses arrêtés d'exécution;
3° aux actes et travaux menés [2 sur un bien mentionné à l'article D.IV.14.1]2;
4° aux actes et travaux qui, avant le 1er février 2023, ont fait l'objet d'une décision de justice constatant la non-conformité d'actes et de travaux avec les règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, même si la décision de justice est concernée par des procédures d'appel encore en cours [2 ;]2
[2 5° aux actes et travaux qui, après le 1er février 2023, ont fait l'objet d'une mesure administrative définitive au sens de l'article D.VII.19 ou D.VII.20 ou d'une décision de justice définitive constatant la non-conformité d'actes et de travaux avec les règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.]2
Sans préjudice de l'alinéa 2, le délai mentionné à l'alinéa 1er pour des actes et travaux conformes à l'affectation de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent est ramené à au moins vingt ans.
Sans préjudice de l'alinéa 2 et par dérogation à l'alinéa 3, le délai mentionné à l'alinéa 1er est ramené à au moins dix ans pour les infractions suivantes :
A. actes et travaux pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies cumulativement :
1° ils sont considérés comme étant d'impact limité conformément à l'article D.IV.1, § 2;
2° leur affectation correspond à celle de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent;
3° ils répondent aux normes du guide régional.
B. autres actes et travaux que ceux repris sous A pour autant que les conditions suivantes soient remplies cumulativement :
1° l'infraction a été commise :
a) soit dans une zone reprise au plan de secteur en tant que zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté qui a été mise en oeuvre et porte sur une ou plusieurs affectations d'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
c) soit sur des constructions, installations ou bâtiments ou, selon le cas, leurs aménagements accessoires ou complémentaires, existant avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, ou dont l'affectation est conforme à la zone ou a été autorisée en dérogation au plan de secteur;
2° les actes et travaux en infraction sont conformes aux normes du guide régional;
3° les actes et travaux en infraction rencontrent l'une des hypothèses suivantes :
a) en cas de non-respect du permis d'urbanisme ou d'urbaniser délivré, l'ampleur des écarts est inférieure à vingt pour cent :
i) de l'emprise au sol autorisée;
ii) de la hauteur sous corniche et au faite du toit autorisée;
iii) de la profondeur autorisée;
iv) de la volumétrie autorisée;
v) de la superficie de planchers autorisée;
vi) des cotes d'implantation des constructions;
vii) de la dimension minimale ou maximale de la parcelle;
b) en cas de réalisation d'un auvent en extension d'un hangar agricole autorisé, pour autant que :
i) la hauteur du faite de l'auvent soit inférieure à celle sous corniche du hangar;
ii) le hangar présente un tel auvent sur une seule de ses élévations;
iii) l'auvent présente une profondeur maximale de sept mètres, mesurés à partir de l'élévation du hangar;
c) en cas de non-respect des ouvertures autorisées;
d) en cas de non-respect des tonalités autorisées par le permis d'urbanisme.
§ 2 - La charge de la preuve incombe au contrevenant en ce qui concerne le respect des conditions et le moment de l'achèvement des actes et travaux.]1
Cette présomption ne s'applique pas :
1° aux actes et travaux consistant à créer, après le 20 août 1994, un ou plusieurs logements qui ne répondent pas aux critères mis à l'obtention d'un permis de location ou aux critères de salubrité et de sécurité;
2° aux actes et travaux situés dans le périmètre d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou de ses arrêtés d'exécution;
3° aux actes et travaux menés [2 sur un bien mentionné à l'article D.IV.14.1]2;
4° aux actes et travaux qui, avant le 1er février 2023, ont fait l'objet d'une décision de justice constatant la non-conformité d'actes et de travaux avec les règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, même si la décision de justice est concernée par des procédures d'appel encore en cours [2 ;]2
[2 5° aux actes et travaux qui, après le 1er février 2023, ont fait l'objet d'une mesure administrative définitive au sens de l'article D.VII.19 ou D.VII.20 ou d'une décision de justice définitive constatant la non-conformité d'actes et de travaux avec les règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.]2
Sans préjudice de l'alinéa 2, le délai mentionné à l'alinéa 1er pour des actes et travaux conformes à l'affectation de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent est ramené à au moins vingt ans.
Sans préjudice de l'alinéa 2 et par dérogation à l'alinéa 3, le délai mentionné à l'alinéa 1er est ramené à au moins dix ans pour les infractions suivantes :
A. actes et travaux pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies cumulativement :
1° ils sont considérés comme étant d'impact limité conformément à l'article D.IV.1, § 2;
2° leur affectation correspond à celle de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent;
3° ils répondent aux normes du guide régional.
B. autres actes et travaux que ceux repris sous A pour autant que les conditions suivantes soient remplies cumulativement :
1° l'infraction a été commise :
a) soit dans une zone reprise au plan de secteur en tant que zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté qui a été mise en oeuvre et porte sur une ou plusieurs affectations d'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
c) soit sur des constructions, installations ou bâtiments ou, selon le cas, leurs aménagements accessoires ou complémentaires, existant avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, ou dont l'affectation est conforme à la zone ou a été autorisée en dérogation au plan de secteur;
2° les actes et travaux en infraction sont conformes aux normes du guide régional;
3° les actes et travaux en infraction rencontrent l'une des hypothèses suivantes :
a) en cas de non-respect du permis d'urbanisme ou d'urbaniser délivré, l'ampleur des écarts est inférieure à vingt pour cent :
i) de l'emprise au sol autorisée;
ii) de la hauteur sous corniche et au faite du toit autorisée;
iii) de la profondeur autorisée;
iv) de la volumétrie autorisée;
v) de la superficie de planchers autorisée;
vi) des cotes d'implantation des constructions;
vii) de la dimension minimale ou maximale de la parcelle;
b) en cas de réalisation d'un auvent en extension d'un hangar agricole autorisé, pour autant que :
i) la hauteur du faite de l'auvent soit inférieure à celle sous corniche du hangar;
ii) le hangar présente un tel auvent sur une seule de ses élévations;
iii) l'auvent présente une profondeur maximale de sept mètres, mesurés à partir de l'élévation du hangar;
c) en cas de non-respect des ouvertures autorisées;
d) en cas de non-respect des tonalités autorisées par le permis d'urbanisme.
§ 2 - La charge de la preuve incombe au contrevenant en ce qui concerne le respect des conditions et le moment de l'achèvement des actes et travaux.]1
HOOFDSTUK Iter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Verklaring betreffende de overeenstemming van handelingen en werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw]1
CHAPITRE Ierter.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Déclaration de conformité d'actes ou de travaux avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme]1
Art. D. VII.1ter_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 § 1 - Overeenkomstig de bepalingen die de Regering kan vastleggen, kan de vergunninghouder of de eigenaar van een goed bij de Regering een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw aanvragen.
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 2 - Bij ontvangst van de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, stelt de Regering een indieningsbewijs overeenkomstig artikel D.IV.32 op.
Binnen vijfenzeventig dagen na de datum van het indieningsbewijs verklaart de Regering op basis van de stukken en de informatie in de aanvraag:
1° ofwel dat de in de aanvraag genoemde handelingen of werken overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, in voorkomend geval met toepassing van het vermoeden vermeld in artikel D.VII.1bis;
2° ofwel dat bepaalde handelingen of werken niet overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en moeten worden vergund door middel van een nieuwe aanvraag. In dat geval verbindt de Regering een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan het verkrijgen van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
3° ofwel dat bepaalde handelingen of werken niet overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en niet kunnen worden vergund. In dat geval verbindt de Regering een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan de aanpassing aan de geldende voorschriften en vergunningen. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
4° ofwel dat de met de aanvraag toegezonden informatie het niet mogelijk maakt de verklaring betreffende de overeenstemming van handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw op te stellen. In dat geval stelt de Regering een lijst op van de vereiste informatie en stukken. De indiening van de op deze lijst vermelde informatie en stukken maakt het voorwerp uit van een nieuw indieningsbewijs, dat het indieningsbewijs vermeld in het eerste lid vervangt.]1
De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 2 - Bij ontvangst van de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, stelt de Regering een indieningsbewijs overeenkomstig artikel D.IV.32 op.
Binnen vijfenzeventig dagen na de datum van het indieningsbewijs verklaart de Regering op basis van de stukken en de informatie in de aanvraag:
1° ofwel dat de in de aanvraag genoemde handelingen of werken overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, in voorkomend geval met toepassing van het vermoeden vermeld in artikel D.VII.1bis;
2° ofwel dat bepaalde handelingen of werken niet overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en moeten worden vergund door middel van een nieuwe aanvraag. In dat geval verbindt de Regering een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan het verkrijgen van de vergunning. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
3° ofwel dat bepaalde handelingen of werken niet overeenstemmen met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en niet kunnen worden vergund. In dat geval verbindt de Regering een termijn van minstens drie maanden en hoogstens twee jaar aan de aanpassing aan de geldende voorschriften en vergunningen. Deze verklaring geldt als voorafgaande waarschuwing overeenkomstig artikel D.VII.4;
4° ofwel dat de met de aanvraag toegezonden informatie het niet mogelijk maakt de verklaring betreffende de overeenstemming van handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw op te stellen. In dat geval stelt de Regering een lijst op van de vereiste informatie en stukken. De indiening van de op deze lijst vermelde informatie en stukken maakt het voorwerp uit van een nieuw indieningsbewijs, dat het indieningsbewijs vermeld in het eerste lid vervangt.]1
Art. D. VII.1ter.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 § 1er - Conformément aux dispositions pouvant être arrêtées par le Gouvernement, le titulaire du permis ou le propriétaire d'un bien peut introduire auprès du Gouvernement une demande de déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
Le Gouvernement détermine la forme et le contenu de la demande de déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
§ 2 - Le Gouvernement délivre un avis de dépôt dès réception de la demande de déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme conformément à l'article D.IV.32.
Dans un délai de septante-cinq jours à compter de la date de l'avis de dépôt, le Gouvernement déclare sur la base des informations et documents figurant dans la demande :
1° ou bien que les actes ou travaux mentionnés dans la demande sont conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, le cas échéant en appliquant la présomption mentionnée à l'article D.VII.1bis;
2° ou bien que certains actes ou travaux ne sont pas conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et qu'ils doivent être approuvés au moyen d'une nouvelle demande. Dans ce cas, le Gouvernement fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour l'obtention d'un permis. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
3° ou bien que certains actes ou travaux ne sont pas conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et qu'ils ne peuvent pas être approuvés. Dans ce cas, le Gouvernement fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour la mise en conformité avec les règles et permis en vigueur. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
4° ou bien que les informations fournies dans la demande ne permettent pas de délivrer la déclaration de conformité avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme. Dans ce cas, le Gouvernement établit une liste des informations et documents nécessaires. Le dépôt des informations et documents conformément à cette liste fait l'objet d'un nouvel avis de dépôt qui remplace l'avis de dépôt mentionné à l'alinéa 1er.]1
Le Gouvernement détermine la forme et le contenu de la demande de déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
§ 2 - Le Gouvernement délivre un avis de dépôt dès réception de la demande de déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme conformément à l'article D.IV.32.
Dans un délai de septante-cinq jours à compter de la date de l'avis de dépôt, le Gouvernement déclare sur la base des informations et documents figurant dans la demande :
1° ou bien que les actes ou travaux mentionnés dans la demande sont conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, le cas échéant en appliquant la présomption mentionnée à l'article D.VII.1bis;
2° ou bien que certains actes ou travaux ne sont pas conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et qu'ils doivent être approuvés au moyen d'une nouvelle demande. Dans ce cas, le Gouvernement fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour l'obtention d'un permis. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
3° ou bien que certains actes ou travaux ne sont pas conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et qu'ils ne peuvent pas être approuvés. Dans ce cas, le Gouvernement fixe un délai d'au moins trois mois et de deux ans au plus pour la mise en conformité avec les règles et permis en vigueur. Cette déclaration vaut avertissement préalable conformément à l'article D.VII.4;
4° ou bien que les informations fournies dans la demande ne permettent pas de délivrer la déclaration de conformité avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme. Dans ce cas, le Gouvernement établit une liste des informations et documents nécessaires. Le dépôt des informations et documents conformément à cette liste fait l'objet d'un nouvel avis de dépôt qui remplace l'avis de dépôt mentionné à l'alinéa 1er.]1
Art. D. VII.1/1. [1 § 1. Tien jaar na hun voltooiing worden handelingen en werken die zonder de vereiste vergunning of in strijd met een dergelijke vergunning zijn uitgevoerd, onweerlegbaar geacht in overeenstemming te zijn met de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, op voorwaarde dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1° de overtredende handelingen en werkzaamheden werden uitgevoerd :
a) ofwel in een gebied dat in het gewestplan is aangewezen voor bebouwingstedelijke ontwikkeling overeenkomstig artikel D.II.23, lid 2;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
c) ofwel op bouwwerken, installaties en gebouwen of hun aanvullende en bijkomende inrichtingen, die vóór de inwerkingtreding van het gewestplan bestaan, of waarvan de bestemming met het gebied overeenstemt of waarvan de bestemming in afwijking van het gewestplan is toegestaan;
2° de in overtreding zijnde handelingen en werken stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
3° de in overtreding zijnde handelingen en werken vervullen één van de volgende hypothesen:
a) in geval van niet-naleving van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning of bebouwingsvergunning, is de omvang van de verschillen kleiner dan twintig procent:
(1) van de vergunde grondinneming;
(2) van de vergunde goot- en nokhoogten;
(3) van de vergunde diepte;
(4) van de vergunde volumetrie;
(5) van de vergunde vloeroppervlakte;
(6) van de vestigingspiegels van de bouwwerken;
(7) van de minimale of maximale afmeting van het perceel;
b) in geval van aanbouw van een luifel als uitbreiding van een vergunde landbouwloods voor zover:
(1) de nokhoogte van de luifel kleiner is dan de goothoogte van de loods;
(2) de loods een dergelijke luifel op één enkele van zijn opgaande muren heeft;
(3) de luifel een maximale diepte van zeven meter, gemeten vanaf de opgaande muur van de loods, heeft;
c) in geval van niet-naleving van de toegelaten openingen;
d) in geval van niet-naleving van de bij de stedenbouwkundige vergunningen vergunde kleurschakering.
§ 2. Tien jaar na hun voltooiing worden handelingen en werken die zonder de vereiste vergunning of in strijd met een dergelijke vergunning zijn uitgevoerd, onweerlegbaar geacht in overeenstemming te zijn met de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw
§ 3. De vermoedens in de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing: 1° handelingen en werken die niet beantwoorden aan de bestemming van het gebied in het gewestplan waarin ze zich bevinden, tenzij ze in voorkomend geval in aanmerking komen voor een vrijstellingsregeling op basis van een reglementering die niet meer van kracht is;
2° handelingen en werken die bestaan in het creëren van een of meer woningen na 20 augustus 1994, tenzij die handelingen en werken bestaan in het creëren van een of meer woningen na 20 augustus 1994 in een groen woongebied dat niet meer omkeerbaar is overeenkomstig artikel D.II.64, § 1, tweede lid;
3° de handelingen en werken uitgevoerd binnen een locatie erkend bij of krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
4° handelingen en werken uitgevoerd op beschermd of gelijkgesteld onroerend goed in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek;
5° de handelingen en werken die het voorwerp kunnen uitmaken van een aantijging krachtens een andere administratieve ordehandhaving;
6° de handelingen en werken die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of van een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing die de niet-conformiteit van handelingen en werken vaststelt met de regels van het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek.]1
1° de overtredende handelingen en werkzaamheden werden uitgevoerd :
a) ofwel in een gebied dat in het gewestplan is aangewezen voor bebouwingstedelijke ontwikkeling overeenkomstig artikel D.II.23, lid 2;
b) ofwel in een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, tweede lid;
c) ofwel op bouwwerken, installaties en gebouwen of hun aanvullende en bijkomende inrichtingen, die vóór de inwerkingtreding van het gewestplan bestaan, of waarvan de bestemming met het gebied overeenstemt of waarvan de bestemming in afwijking van het gewestplan is toegestaan;
2° de in overtreding zijnde handelingen en werken stemmen overeen met de normen van de gewestelijke leidraad;
3° de in overtreding zijnde handelingen en werken vervullen één van de volgende hypothesen:
a) in geval van niet-naleving van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning of bebouwingsvergunning, is de omvang van de verschillen kleiner dan twintig procent:
(1) van de vergunde grondinneming;
(2) van de vergunde goot- en nokhoogten;
(3) van de vergunde diepte;
(4) van de vergunde volumetrie;
(5) van de vergunde vloeroppervlakte;
(6) van de vestigingspiegels van de bouwwerken;
(7) van de minimale of maximale afmeting van het perceel;
b) in geval van aanbouw van een luifel als uitbreiding van een vergunde landbouwloods voor zover:
(1) de nokhoogte van de luifel kleiner is dan de goothoogte van de loods;
(2) de loods een dergelijke luifel op één enkele van zijn opgaande muren heeft;
(3) de luifel een maximale diepte van zeven meter, gemeten vanaf de opgaande muur van de loods, heeft;
c) in geval van niet-naleving van de toegelaten openingen;
d) in geval van niet-naleving van de bij de stedenbouwkundige vergunningen vergunde kleurschakering.
§ 2. Tien jaar na hun voltooiing worden handelingen en werken die zonder de vereiste vergunning of in strijd met een dergelijke vergunning zijn uitgevoerd, onweerlegbaar geacht in overeenstemming te zijn met de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw
§ 3. De vermoedens in de paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing: 1° handelingen en werken die niet beantwoorden aan de bestemming van het gebied in het gewestplan waarin ze zich bevinden, tenzij ze in voorkomend geval in aanmerking komen voor een vrijstellingsregeling op basis van een reglementering die niet meer van kracht is;
2° handelingen en werken die bestaan in het creëren van een of meer woningen na 20 augustus 1994, tenzij die handelingen en werken bestaan in het creëren van een of meer woningen na 20 augustus 1994 in een groen woongebied dat niet meer omkeerbaar is overeenkomstig artikel D.II.64, § 1, tweede lid;
3° de handelingen en werken uitgevoerd binnen een locatie erkend bij of krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
4° handelingen en werken uitgevoerd op beschermd of gelijkgesteld onroerend goed in de zin van de Waalse Erfgoedwetboek;
5° de handelingen en werken die het voorwerp kunnen uitmaken van een aantijging krachtens een andere administratieve ordehandhaving;
6° de handelingen en werken die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of van een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing die de niet-conformiteit van handelingen en werken vaststelt met de regels van het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek.]1
Art. D. VII.1/1. [1 § 1er. Dix ans après leur achèvement, les actes et les travaux réalisés sans le permis qui était requis ou en méconnaissance de celui-ci sont irréfragablement présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme pour autant que les conditions cumulatives suivantes soient réunies :
1° les actes et travaux en infraction ont été réalisés :
a) soit dans une zone destinée à l'urbanisation au plan de secteur au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre et qui porte sur une ou plusieurs affectations destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
c) soit sur des constructions, installations ou bâtiments, ou leurs aménagements accessoires ou complémentaires, existant avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, ou dont l'affectation est conforme à la zone, ou dont l'affectation a été autorisée en dérogation au plan de secteur;
2° les actes et travaux en infraction sont conformes aux normes du guide régional;
3° les actes et travaux en infraction rencontrent l'une des hypothèses suivantes :
a) en cas de non-respect du permis d'urbanisme ou du permis d'urbanisation délivré, l'ampleur des écarts est inférieure à vingt pour cent :
(1) de l'emprise au sol autorisée;
(2) de la hauteur sous corniche et au faîte du toit autorisée;
(3) de la profondeur autorisée;
(4) de la volumétrie autorisée;
(5) de la superficie de planchers autorisée;
(6) des cotes d'implantation des constructions;
(7) de la dimension minimale ou maximale de la parcelle;
b) en cas de réalisation d'un auvent en extension d'un hangar agricole autorisé, pour autant que :
(1) la hauteur du faîte de l'auvent soit inférieure à celle sous corniche du hangar;
(2) le hangar présente un tel auvent sur une seule de ses élévations;
(3) l'auvent présente une profondeur maximale de sept mètres mesurés à partir de l'élévation du hangar;
c) en cas de non-respect des ouvertures autorisées;
d) en cas de non-respect des tonalités autorisées par le permis d'urbanisme.
§ 2. Vingt ans après leur achèvement, les actes et travaux autres que ceux visés au paragraphe 1er réalisés sans le permis qui était requis ou en méconnaissance de celui-ci sont irréfragablement présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
§ 3. Les présomptions établies aux paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas : 1° aux actes et travaux qui ne sont pas conformes à la destination de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent, sauf s'ils peuvent bénéficier d'un système dérogatoire, le cas échéant, sur la base d'une réglementation qui n'est plus en vigueur;
2° aux actes et travaux qui consistent à créer un ou plusieurs logements après le 20 août 1994, sauf si ces actes et travaux consistent à avoir créé, en zone d'habitat vert qui n'est plus susceptible de réversibilité en application de l'article D.II.64, § 1er, alinéa 2, un ou plusieurs logements après le 20 août 1994;
3° aux actes et travaux réalisés au sein d'un site reconnu par ou en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° aux actes et travaux réalisés sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine;
5° aux actes et travaux pouvant faire l'objet d'une incrimination en vertu d'une autre police administrative;
6° aux actes et travaux ayant fait l'objet d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée constatant la non-conformité d'actes et travaux aux règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
1° les actes et travaux en infraction ont été réalisés :
a) soit dans une zone destinée à l'urbanisation au plan de secteur au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
b) soit dans une zone d'aménagement communal concerté mise en oeuvre et qui porte sur une ou plusieurs affectations destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 2;
c) soit sur des constructions, installations ou bâtiments, ou leurs aménagements accessoires ou complémentaires, existant avant l'entrée en vigueur du plan de secteur, ou dont l'affectation est conforme à la zone, ou dont l'affectation a été autorisée en dérogation au plan de secteur;
2° les actes et travaux en infraction sont conformes aux normes du guide régional;
3° les actes et travaux en infraction rencontrent l'une des hypothèses suivantes :
a) en cas de non-respect du permis d'urbanisme ou du permis d'urbanisation délivré, l'ampleur des écarts est inférieure à vingt pour cent :
(1) de l'emprise au sol autorisée;
(2) de la hauteur sous corniche et au faîte du toit autorisée;
(3) de la profondeur autorisée;
(4) de la volumétrie autorisée;
(5) de la superficie de planchers autorisée;
(6) des cotes d'implantation des constructions;
(7) de la dimension minimale ou maximale de la parcelle;
b) en cas de réalisation d'un auvent en extension d'un hangar agricole autorisé, pour autant que :
(1) la hauteur du faîte de l'auvent soit inférieure à celle sous corniche du hangar;
(2) le hangar présente un tel auvent sur une seule de ses élévations;
(3) l'auvent présente une profondeur maximale de sept mètres mesurés à partir de l'élévation du hangar;
c) en cas de non-respect des ouvertures autorisées;
d) en cas de non-respect des tonalités autorisées par le permis d'urbanisme.
§ 2. Vingt ans après leur achèvement, les actes et travaux autres que ceux visés au paragraphe 1er réalisés sans le permis qui était requis ou en méconnaissance de celui-ci sont irréfragablement présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
§ 3. Les présomptions établies aux paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas : 1° aux actes et travaux qui ne sont pas conformes à la destination de la zone au plan de secteur sur laquelle ils se trouvent, sauf s'ils peuvent bénéficier d'un système dérogatoire, le cas échéant, sur la base d'une réglementation qui n'est plus en vigueur;
2° aux actes et travaux qui consistent à créer un ou plusieurs logements après le 20 août 1994, sauf si ces actes et travaux consistent à avoir créé, en zone d'habitat vert qui n'est plus susceptible de réversibilité en application de l'article D.II.64, § 1er, alinéa 2, un ou plusieurs logements après le 20 août 1994;
3° aux actes et travaux réalisés au sein d'un site reconnu par ou en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° aux actes et travaux réalisés sur un bien classé ou assimilé au sens du Code wallon du Patrimoine;
5° aux actes et travaux pouvant faire l'objet d'une incrimination en vertu d'une autre police administrative;
6° aux actes et travaux ayant fait l'objet d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée constatant la non-conformité d'actes et travaux aux règles du droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
HOOFDSTUK II. - Overtreders
CHAPITRE II. - Contrevenants
Art. D. VII.2. Onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek kunnen de gepleegde overtredingen ten laste worden gesteld van :
1° de bouwheer;
2° de eigenaar van het goed, eveneens indien hij ingestemd heeft met de plaatsing van vaste of mobiele installaties of ze gedoogd heeft;
3° de personen die om redenen van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, bebouwen, te koop of te huur aanbieden, verkopen of verhuren, vaste of mobiele installaties bouwen of plaatsen of die bij deze verrichtingen tussenbeide komen.
1° de bouwheer;
2° de eigenaar van het goed, eveneens indien hij ingestemd heeft met de plaatsing van vaste of mobiele installaties of ze gedoogd heeft;
3° de personen die om redenen van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, bebouwen, te koop of te huur aanbieden, verkopen of verhuren, vaste of mobiele installaties bouwen of plaatsen of die bij deze verrichtingen tussenbeide komen.
Art. D. VII.2. Sans préjudice des dispositions du Code pénal, les infractions commises peuvent être imputées :
1° au maître d'ouvrage;
2° au propriétaire du bien en ce compris lorsqu'il y a consenti ou toléré le placement d'installations fixes ou mobiles;
3° aux personnes qui, en raison de leur profession ou de leur activité, achètent, procèdent à l'urbanisation, offrent en vente ou en location, vendent ou donnent en location des immeubles, construisent ou placent des installations fixes ou mobiles ou qui interviennent dans ces opérations.
1° au maître d'ouvrage;
2° au propriétaire du bien en ce compris lorsqu'il y a consenti ou toléré le placement d'installations fixes ou mobiles;
3° aux personnes qui, en raison de leur profession ou de leur activité, achètent, procèdent à l'urbanisation, offrent en vente ou en location, vendent ou donnent en location des immeubles, construisent ou placent des installations fixes ou mobiles ou qui interviennent dans ces opérations.
Art. D _VII.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek kunnen de gepleegde overtredingen ten laste worden gesteld van :
1° de bouwheer;
2° de eigenaar van het goed, eveneens indien hij ingestemd heeft met de plaatsing van vaste of mobiele installaties of ze gedoogd heeft;
3° de personen die om redenen van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, [1 ontsluiten]1, te koop of te huur aanbieden, verkopen of verhuren, vaste of mobiele installaties bouwen of plaatsen of die bij deze verrichtingen tussenbeide komen.
Onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek kunnen de gepleegde overtredingen ten laste worden gesteld van :
1° de bouwheer;
2° de eigenaar van het goed, eveneens indien hij ingestemd heeft met de plaatsing van vaste of mobiele installaties of ze gedoogd heeft;
3° de personen die om redenen van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, [1 ontsluiten]1, te koop of te huur aanbieden, verkopen of verhuren, vaste of mobiele installaties bouwen of plaatsen of die bij deze verrichtingen tussenbeide komen.
Art.D_VII.2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. (Concerne le texte allemand.)
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de overtredingen
CHAPITRE III. - Constat des infractions
Afdeling 1. - Vaststellende beambten
Section 1re. - Agents constatateurs
Art. D. VII.3.Behalve de [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren van gerechtelijke politie zijn de volgende personen bevoegd om de overtredingen omschreven in de artikelen D.VII.1, D.VII.7, derde lid, en D.VII.11, tweede lid, op te sporen en vast te stellen, in voorkomend geval, bij proces-verbaal :
1° de [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten belast met het wegbeheer en de wegpolitie;
2° de technische [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten van de gemeenten, aangewezen door de gemeenteraad;
3° de [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten van het Gewest, opgenomen op de lijst bepaald door de Gouverneur.
De Regering verstrekt de [1 statutaire of contractuele]1 gewestelijke personeelsleden een bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte.
1° de [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten belast met het wegbeheer en de wegpolitie;
2° de technische [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten van de gemeenten, aangewezen door de gemeenteraad;
3° de [1 statutaire of contractuele]1 ambtenaren en beambten van het Gewest, opgenomen op de lijst bepaald door de Gouverneur.
De Regering verstrekt de [1 statutaire of contractuele]1 gewestelijke personeelsleden een bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte.
Art. D. VII.3.Indépendamment des officiers de police judiciaire, ont la qualité d'agents constatateurs pour rechercher et constater, le cas échéant par procès-verbal, les infractions déterminées aux articles D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et D.VII.11, alinéa 2 :
1° les fonctionnaires et agents [1 statutaires ou contractuels]1 chargés de l'administration et de la police de la voirie;
2° les fonctionnaires et agents techniques [1 statutaires ou contractuels]1 des communes désignés par le conseil communal;
3° les fonctionnaires et agents [1 statutaires ou contractuels]1 de la Région repris sur la liste arrêtée par le Gouvernement.
Le Gouvernement délivre aux agents régionaux [1 statutaires ou contractuels]1 un document attestant la qualité d'agent constatateur.
1° les fonctionnaires et agents [1 statutaires ou contractuels]1 chargés de l'administration et de la police de la voirie;
2° les fonctionnaires et agents techniques [1 statutaires ou contractuels]1 des communes désignés par le conseil communal;
3° les fonctionnaires et agents [1 statutaires ou contractuels]1 de la Région repris sur la liste arrêtée par le Gouvernement.
Le Gouvernement délivre aux agents régionaux [1 statutaires ou contractuels]1 un document attestant la qualité d'agent constatateur.
Wijzigingen
Art. D. VII.3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie [2 en onverminderd de bepalingen van het samenwerkingsakkoord]2 zijn de volgende personen bevoegd om de overtredingen omschreven in de artikelen D.VII.1, D.VII.7, derde lid, en D.VII.11, tweede lid, op te sporen en vast te stellen, in voorkomend geval, bij proces-verbaal :
1° de ambtenaren en beambten belast met het wegbeheer en de wegpolitie;
2° de technische ambtenaren en beambten van de gemeenten, aangewezen door de gemeenteraad;
3° [1 de ambtenaren en beambten van de Duitstalige Gemeenschap, opgenomen op de lijst bepaald door de Regering;]1
[1 4° de officieren van gerechtelijke politie die overeenkomstig artikel 44 van het erfgoeddecreet door de Regering zijn aangewezen.]1
De Regering verstrekt de [1 personeelsleden van de Duitstalige Gemeenschap]1 een bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte.
Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie [2 en onverminderd de bepalingen van het samenwerkingsakkoord]2 zijn de volgende personen bevoegd om de overtredingen omschreven in de artikelen D.VII.1, D.VII.7, derde lid, en D.VII.11, tweede lid, op te sporen en vast te stellen, in voorkomend geval, bij proces-verbaal :
1° de ambtenaren en beambten belast met het wegbeheer en de wegpolitie;
2° de technische ambtenaren en beambten van de gemeenten, aangewezen door de gemeenteraad;
3° [1 de ambtenaren en beambten van de Duitstalige Gemeenschap, opgenomen op de lijst bepaald door de Regering;]1
[1 4° de officieren van gerechtelijke politie die overeenkomstig artikel 44 van het erfgoeddecreet door de Regering zijn aangewezen.]1
De Regering verstrekt de [1 personeelsleden van de Duitstalige Gemeenschap]1 een bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte.
Art. D. VII.3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Indépendamment des officiers de police judiciaire, [2 et sans préjudice des dispositions de l'accord de coopération]2 ont la qualité d'agents constatateurs pour rechercher et constater, le cas échéant par procès-verbal, les infractions déterminées aux articles D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et D.VII.11, alinéa 2 :
1° les fonctionnaires et agents chargés de l'administration et de la police de la voirie;
2° les fonctionnaires et agents techniques des communes désignés par le conseil communal;
3° les fonctionnaires et agents de la [1 Communauté germanophone]1 repris sur la liste arrêtée par le Gouvernement.
[1 4° les officiers de police judiciaire désignés par le Gouvernement conformément à l'article 44 du décret sur le patrimoine.]1
Le Gouvernement délivre aux [1 agents de la Communauté germanophone]1 un document attestant la qualité d'agent constatateur.
Indépendamment des officiers de police judiciaire, [2 et sans préjudice des dispositions de l'accord de coopération]2 ont la qualité d'agents constatateurs pour rechercher et constater, le cas échéant par procès-verbal, les infractions déterminées aux articles D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et D.VII.11, alinéa 2 :
1° les fonctionnaires et agents chargés de l'administration et de la police de la voirie;
2° les fonctionnaires et agents techniques des communes désignés par le conseil communal;
3° les fonctionnaires et agents de la [1 Communauté germanophone]1 repris sur la liste arrêtée par le Gouvernement.
[1 4° les officiers de police judiciaire désignés par le Gouvernement conformément à l'article 44 du décret sur le patrimoine.]1
Le Gouvernement délivre aux [1 agents de la Communauté germanophone]1 un document attestant la qualité d'agent constatateur.
Afdeling 2. - Voorafgaande waarschuwing en het in overeenstemming brengen
Section 2. - Avertissement préalable et mise en conformité
Art. D. VII.4.[1 De vaststellende beambten een voorafgaande waarschuwing aan de vermoedelijke overtreder of aan de eigenaar van het goed waar de overtreding begaan werd en stellen een termijn met een duur tussen één maand en twee jaar vast om zich in overeenstemming te brengen]1.
Wordt die waarschuwing mondeling gedaan, dan wordt de waarschuwing per zending binnen de vijftien dagen door de gemachtigd ambtenaar of de burgemeester, volgens het geval, bevestigd.
Aan het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn en bij gebrek aan het in overeenstemming brengen wordt overeenkomstig artikel D.VII.5 een proces-verbaal tot vaststelling opgesteld en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
Wordt die waarschuwing mondeling gedaan, dan wordt de waarschuwing per zending binnen de vijftien dagen door de gemachtigd ambtenaar of de burgemeester, volgens het geval, bevestigd.
Aan het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn en bij gebrek aan het in overeenstemming brengen wordt overeenkomstig artikel D.VII.5 een proces-verbaal tot vaststelling opgesteld en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
Art. D. VII.4.[1 Les agents constatateurs adressent un avertissement préalable à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où elle a été commise et fixent un délai de mise en conformité compris entre un mois et deux ans]1.
Lorsqu'il est donné verbalement, l'avertissement est confirmé par envoi dans les quinze jours par le fonctionnaire délégué ou le bourgmestre selon le cas.
Au terme du délai visé à l'alinéa 1er et à défaut de mise en conformité, un procès-verbal de constat, conforme à l'article D.VII.5, est dressé et transmis au procureur du Roi.
Lorsqu'il est donné verbalement, l'avertissement est confirmé par envoi dans les quinze jours par le fonctionnaire délégué ou le bourgmestre selon le cas.
Au terme du délai visé à l'alinéa 1er et à défaut de mise en conformité, un procès-verbal de constat, conforme à l'article D.VII.5, est dressé et transmis au procureur du Roi.
Wijzigingen
Art. D. VII.4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Bij overtreding [2 ...]2, richten de vaststellende beambten een voorafgaande waarschuwing aan de vermoedelijke overtreder of aan de eigenaar van het goed waar de overtreding begaan werd en stellen een termijn met een duur tussen drie maanden en twee jaar vast om zich in overeenstemming te brengen.
[2 De waarschuwing bevat de opsomming van de ten laste gelegde overtredingen, met verwijzing naar de toe te passen bepalingen. In de waarschuwing staat ook welke diensten aanvullende inlichtingen kunnen verstrekken.]2
Wordt die waarschuwing mondeling gedaan, dan wordt de waarschuwing per zending binnen de vijftien dagen door [1 de Regering]1 of de burgemeester, volgens het geval, bevestigd.
Aan het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn en bij gebrek aan het in overeenstemming brengen wordt overeenkomstig artikel D.VII.5 een proces-verbaal tot vaststelling opgesteld en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
Bij overtreding [2 ...]2, richten de vaststellende beambten een voorafgaande waarschuwing aan de vermoedelijke overtreder of aan de eigenaar van het goed waar de overtreding begaan werd en stellen een termijn met een duur tussen drie maanden en twee jaar vast om zich in overeenstemming te brengen.
[2 De waarschuwing bevat de opsomming van de ten laste gelegde overtredingen, met verwijzing naar de toe te passen bepalingen. In de waarschuwing staat ook welke diensten aanvullende inlichtingen kunnen verstrekken.]2
Wordt die waarschuwing mondeling gedaan, dan wordt de waarschuwing per zending binnen de vijftien dagen door [1 de Regering]1 of de burgemeester, volgens het geval, bevestigd.
Aan het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn en bij gebrek aan het in overeenstemming brengen wordt overeenkomstig artikel D.VII.5 een proces-verbaal tot vaststelling opgesteld en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
Art. D. VII.4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
En cas d'infraction [2 ...]2, les agents constatateurs adressent un avertissement préalable à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où elle a été commise et fixent un délai de mise en conformité compris entre trois mois et deux ans.
[2 L'avertissement reprend la liste des infractions reprochées avec un renvoi aux dispositions applicables. Il doit également indiquer les services qui peuvent fournir des informations supplémentaires.]2
Lorsqu'il est donné verbalement, l'avertissement est confirmé par envoi dans les quinze jours par le [1 Gouvernement]1 ou le bourgmestre selon le cas.
Au terme du délai visé à l'alinéa 1er et à défaut de mise en conformité, un procès-verbal de constat, conforme à l'article D.VII.5, est dressé et transmis au procureur du Roi.
En cas d'infraction [2 ...]2, les agents constatateurs adressent un avertissement préalable à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où elle a été commise et fixent un délai de mise en conformité compris entre trois mois et deux ans.
[2 L'avertissement reprend la liste des infractions reprochées avec un renvoi aux dispositions applicables. Il doit également indiquer les services qui peuvent fournir des informations supplémentaires.]2
Lorsqu'il est donné verbalement, l'avertissement est confirmé par envoi dans les quinze jours par le [1 Gouvernement]1 ou le bourgmestre selon le cas.
Au terme du délai visé à l'alinéa 1er et à défaut de mise en conformité, un procès-verbal de constat, conforme à l'article D.VII.5, est dressé et transmis au procureur du Roi.
Afdeling 3. - Proces-verbaal
Section 3. - Procès-verbal
Art. D. VII.5. Het proces-verbaal beschrijft de vastgestelde strafbare handelingen en werken en vermeldt de overtreden bepaling(en) van het Wetboek.
De Regering kan de vorm en de inhoud van het proces-verbaal bepalen.
De Regering kan de vorm en de inhoud van het proces-verbaal bepalen.
Art. D. VII.5. Le procès-verbal décrit le ou les actes et travaux infractionnels constatés et la ou les dispositions du Code non respectées.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu du procès-verbal.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu du procès-verbal.
Afdeling 4. - Zending van het proces-verbaal van vaststelling
Section 4. - Envoi du procès-verbal de constat
Art. D. VII.6. Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie, zendt elk vaststellende beambte het proces-verbaal uiterlijk tien dagen na de vaststelling van de in artikel D.VII.I. bedoelde overtreding aan de overtreders, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek en genotspand uitgezonderd, aan elke persoon die gebruik maakt van het onroerend goed, aan het gemeentecollege, aan de gemachtigd ambtenaar en aan de Procureur des Konings.
Zodra een proces-verbaal opgesteld door een ambtenaar van gerechtelijke politie of door een vaststellende beambte in ontvangst is genomen, stelt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege of de Regering in kennis daarvan, indien een beroep bij haar aanhangig wordt gemaakt of zou kunnen worden gemaakt over een aanvraag voor een regularisatievergunning betreffende de handelingen en werken of de bebouwing die het voorwerp hebben uitgemaakt van het proces-verbaal.
Zodra een proces-verbaal opgesteld door een ambtenaar van gerechtelijke politie of door een vaststellende beambte in ontvangst is genomen, stelt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege of de Regering in kennis daarvan, indien een beroep bij haar aanhangig wordt gemaakt of zou kunnen worden gemaakt over een aanvraag voor een regularisatievergunning betreffende de handelingen en werken of de bebouwing die het voorwerp hebben uitgemaakt van het proces-verbaal.
Art. D. VII.6. Hormis les officiers de police judiciaire, tout agent constatateur envoie le procès-verbal au plus tard dix jours après le constat de l'infraction visée à l'article D.VII.I, aux contrevenants, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque ou de l'antichrèse, à toute personne qui fait usage du bien immobilier, au collège communal, au fonctionnaire délégué et au procureur du Roi.
Dès réception d'un procès-verbal dressé par un officier de police judiciaire ou par un agent constatateur, le fonctionnaire délégué en avise le collège communal et le Gouvernement si celui-ci est saisi ou est susceptible d'être saisi d'un recours sur une demande de permis de régularisation relative aux actes et travaux ou à l'urbanisation objets du procès-verbal.
Dès réception d'un procès-verbal dressé par un officier de police judiciaire ou par un agent constatateur, le fonctionnaire délégué en avise le collège communal et le Gouvernement si celui-ci est saisi ou est susceptible d'être saisi d'un recours sur une demande de permis de régularisation relative aux actes et travaux ou à l'urbanisation objets du procès-verbal.
Art. D. VII.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie, zendt elk vaststellende beambte het proces-verbaal uiterlijk tien dagen na de vaststelling van de in artikel D.VII.I. bedoelde overtreding aan de overtreders, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek [2 ...]2 uitgezonderd, aan elke persoon die gebruik maakt van het onroerend goed, aan het gemeentecollege, aan [1 de Regering]1 en aan de Procureur des Konings.
Zodra een proces-verbaal opgesteld door een ambtenaar van gerechtelijke politie of door een vaststellende beambte in ontvangst is genomen, stelt [1 de Regering]1 het gemeentecollege [1 ...]1 in kennis daarvan [2 ...]2.
Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie, zendt elk vaststellende beambte het proces-verbaal uiterlijk tien dagen na de vaststelling van de in artikel D.VII.I. bedoelde overtreding aan de overtreders, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek [2 ...]2 uitgezonderd, aan elke persoon die gebruik maakt van het onroerend goed, aan het gemeentecollege, aan [1 de Regering]1 en aan de Procureur des Konings.
Zodra een proces-verbaal opgesteld door een ambtenaar van gerechtelijke politie of door een vaststellende beambte in ontvangst is genomen, stelt [1 de Regering]1 het gemeentecollege [1 ...]1 in kennis daarvan [2 ...]2.
Art. D. VII.6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Hormis les officiers de police judiciaire, tout agent constatateur envoie le procès-verbal au plus tard dix jours après le constat de l'infraction visée à l'article D.VII.I, aux contrevenants, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque [2 ...]2, à toute personne qui fait usage du bien immobilier, au collège communal, au [1 Gouvernement]1 et au procureur du Roi.
Dès réception d'un procès-verbal dressé par un officier de police judiciaire ou par un agent constatateur, le [1 Gouvernement]1 en avise le collège communal [1 ...]1 [2 ...]2.
Hormis les officiers de police judiciaire, tout agent constatateur envoie le procès-verbal au plus tard dix jours après le constat de l'infraction visée à l'article D.VII.I, aux contrevenants, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque [2 ...]2, à toute personne qui fait usage du bien immobilier, au collège communal, au [1 Gouvernement]1 et au procureur du Roi.
Dès réception d'un procès-verbal dressé par un officier de police judiciaire ou par un agent constatateur, le [1 Gouvernement]1 en avise le collège communal [1 ...]1 [2 ...]2.
Afdeling 5. - Toegang
Section 5. - Accès
Art. D. VII.7. De vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3 hebben toegang tot de werken en de bouwwerken en installaties om alle nuttige onderzoeken en vaststellingen te doen. Ze mogen alle ruimtes bezichtigen, zelfs gesloten en overdekte, waar boringen of opgravingen plaatsvinden, en zich alle gegevens laten verstrekken die zij nuttig achten.
Indien de bezichtiging het karakter aanneemt van een huiszoeking, mogen de vaststellende beambten alleen te werk gaan als er aanwijzingen van een overtreding zijn en op voorwaarde dat ze daartoe door de politierechtbank gemachtigd zijn.
Onverminderd de toepassing van de strengere straffen die in de artikelen 269 en 275 van het Strafwetboek zijn bepaald, wordt al wie zich tegen de uitoefening van het hierboven bedoelde recht van huiszoeking heeft verzet, gestraft met een geldboete van 50 tot 300 euro en een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen of met slechts één van deze straffen.
Indien de bezichtiging het karakter aanneemt van een huiszoeking, mogen de vaststellende beambten alleen te werk gaan als er aanwijzingen van een overtreding zijn en op voorwaarde dat ze daartoe door de politierechtbank gemachtigd zijn.
Onverminderd de toepassing van de strengere straffen die in de artikelen 269 en 275 van het Strafwetboek zijn bepaald, wordt al wie zich tegen de uitoefening van het hierboven bedoelde recht van huiszoeking heeft verzet, gestraft met een geldboete van 50 tot 300 euro en een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen of met slechts één van deze straffen.
Art. D. VII.7. Les agents constatateurs visés à l'article D.VII.3 ont accès au chantier et aux constructions et installations pour faire toutes recherches et constatations utiles. Ils peuvent visiter tous les lieux, même clos et couverts, où s'effectuent des sondages ou des fouilles et se faire communiquer tous les renseignements qu'ils jugent utiles.
Lorsque les opérations revêtent le caractère de visites domiciliaires, les agents constatateurs ne peuvent y procéder que s'il y a des indices d'infraction et à la condition d'y être autorisés par le tribunal de police.
Sans préjudice de l'application des peines plus fortes déterminées aux articles 269 et 275 du Code pénal, quiconque aura mis obstacle à l'exercice du droit de visite prévu ci-dessus sera puni d'une amende de 50 à 300 euros et de huit à quinze jours d'emprisonnement ou l'une de ces peines seulement.
Lorsque les opérations revêtent le caractère de visites domiciliaires, les agents constatateurs ne peuvent y procéder que s'il y a des indices d'infraction et à la condition d'y être autorisés par le tribunal de police.
Sans préjudice de l'application des peines plus fortes déterminées aux articles 269 et 275 du Code pénal, quiconque aura mis obstacle à l'exercice du droit de visite prévu ci-dessus sera puni d'une amende de 50 à 300 euros et de huit à quinze jours d'emprisonnement ou l'une de ces peines seulement.
Afdeling 6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Rechtsgevolgen]1
Section 6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Effets juridiques]1
Art. D. VII.7.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 Elke vergunningsaanvraag die betrekking heeft op handelingen of werken waarvoor overeenkomstig artikel D.VII.5 een proces-verbaal van vaststelling is overgezonden en die niet werd ingediend in het kader van een regularisatieonderzoek overeenkomstig artikel D.VII.18 wordt niet-ontvankelijk verklaard totdat :
1° een regularisatiebeslissing overeenkomstig artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°, in kracht van gewijsde is gegaan;
2° een beslissing tot uitvoering van administratieve maatregelen overeenkomstig artikel D.VII.19 of van compenserende maatregelen overeenkomstig artikel D.VII.20, eventueel gepaard gaand met een administratieve geldboete overeenkomstig artikel D.VII.21, in kracht van gewijsde is gegaan;
3° een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan [2 ;]2]1
[2 4° een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw overeenkomstig artikel D.VII.1ter, § 2, tweede lid, 1°, is afgegeven.]2
1° een regularisatiebeslissing overeenkomstig artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°, in kracht van gewijsde is gegaan;
2° een beslissing tot uitvoering van administratieve maatregelen overeenkomstig artikel D.VII.19 of van compenserende maatregelen overeenkomstig artikel D.VII.20, eventueel gepaard gaand met een administratieve geldboete overeenkomstig artikel D.VII.21, in kracht van gewijsde is gegaan;
3° een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan [2 ;]2]1
[2 4° een verklaring betreffende de overeenstemming van reeds uitgevoerde handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw overeenkomstig artikel D.VII.1ter, § 2, tweede lid, 1°, is afgegeven.]2
Art. D. VII.7.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 Toute demande relative à des actes ou travaux pour lesquels un procès-verbal de constat a été transmis conformément à l'article D.VII.5 et qui n'a pas été introduite dans le cadre d'un contrôle de régularisation conformément à l'article D.VII.18 est déclarée irrecevable jusqu'à ce que :
1° une décision de régularisation soit coulée en force de chose jugée conformément à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°;
2° une décision ordonnant la mise en oeuvre de mesures administratives conformément à l'article D.VII.19 ou de mesures compensatoires conformément à l'article D.VII.20, assorties ou non d'une amende administrative conformément à l'article D.VII.21, soit coulée en force de chose jugée;
3° un jugement exécutoire soit prononcé [2 ;]2 ]1
[2 4° une déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme ait été émise conformément à l'article D.VII.1ter, § 2, alinéa 2, 1°.]2
1° une décision de régularisation soit coulée en force de chose jugée conformément à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°;
2° une décision ordonnant la mise en oeuvre de mesures administratives conformément à l'article D.VII.19 ou de mesures compensatoires conformément à l'article D.VII.20, assorties ou non d'une amende administrative conformément à l'article D.VII.21, soit coulée en force de chose jugée;
3° un jugement exécutoire soit prononcé [2 ;]2 ]1
[2 4° une déclaration de conformité d'actes ou de travaux existants avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme ait été émise conformément à l'article D.VII.1ter, § 2, alinéa 2, 1°.]2
HOOFDSTUK IV. - Bevel tot onderbreking van de werken
CHAPITRE IV. - Ordre d'interruption des travaux
Afdeling 1. - Mondeling bevel tot onderbreking
Section 1re. - Ordre verbal d'interruption
Art. D. VII.8. De vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3 kunnen mondeling en ter plaatse de onderbreking van de werken bevelen, alsmede de stopzetting van het gebruik van het gebouw of van de uitvoering van handelingen wanneer ze vaststellen dat een overtreding gaande is of dat ze een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing schenden.
Zodra het bevel gegeven is, wordt er een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding, zoals vermeld in artikel D.VII.5, opgesteld.
Zodra het bevel gegeven is, wordt er een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding, zoals vermeld in artikel D.VII.5, opgesteld.
Art. D. VII.8. Les agents constatateurs visés à l'article D.VII.3 peuvent ordonner verbalement et sur place l'interruption des travaux, la cessation de l'utilisation du bâtiment ou l'accomplissement d'actes lorsqu'ils constatent que ceux-ci sont en infraction ou violent une décision judiciaire passée en force de chose jugée.
Dès l'ordre donné, il est dressé procès-verbal de constat de l'infraction tel que repris à l'article D.VII.5.
Dès l'ordre donné, il est dressé procès-verbal de constat de l'infraction tel que repris à l'article D.VII.5.
Art. D _VII.8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3 kunnen mondeling en ter plaatse de onderbreking van de werken bevelen, alsmede de stopzetting van het gebruik van het gebouw of van de uitvoering van handelingen wanneer ze vaststellen dat een overtreding gaande is of dat ze een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing schenden. [1 In de tussentijd mogen de bouwmachines en/of bouwmaterialen van de bouwplaats worden verwijderd.]1
Zodra het bevel gegeven is, wordt er een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding, zoals vermeld in artikel D.VII.5, opgesteld.
De vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3 kunnen mondeling en ter plaatse de onderbreking van de werken bevelen, alsmede de stopzetting van het gebruik van het gebouw of van de uitvoering van handelingen wanneer ze vaststellen dat een overtreding gaande is of dat ze een in kracht van gewijsde getreden rechtsbeslissing schenden. [1 In de tussentijd mogen de bouwmachines en/of bouwmaterialen van de bouwplaats worden verwijderd.]1
Zodra het bevel gegeven is, wordt er een proces-verbaal van vaststelling van de overtreding, zoals vermeld in artikel D.VII.5, opgesteld.
Art. D _VII.8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les agents constatateurs visés à l'article D.VII.3 peuvent ordonner verbalement et sur place l'interruption des travaux, la cessation de l'utilisation du bâtiment ou l'accomplissement d'actes lorsqu'ils constatent que ceux-ci sont en infraction ou violent une décision judiciaire passée en force de chose jugée. [1 Les machines et/ou matériaux de construction peuvent entretemps être évacués du chantier.]1
Dès l'ordre donné, il est dressé procès-verbal de constat de l'infraction tel que repris à l'article D.VII.5.
Les agents constatateurs visés à l'article D.VII.3 peuvent ordonner verbalement et sur place l'interruption des travaux, la cessation de l'utilisation du bâtiment ou l'accomplissement d'actes lorsqu'ils constatent que ceux-ci sont en infraction ou violent une décision judiciaire passée en force de chose jugée. [1 Les machines et/ou matériaux de construction peuvent entretemps être évacués du chantier.]1
Dès l'ordre donné, il est dressé procès-verbal de constat de l'infraction tel que repris à l'article D.VII.5.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Schriftelijke bevestiging
Section 2. - Confirmation écrite
Art. D. VII.9. Het bevel wordt binnen vijf dagen bevestigd door de burgemeester of de gemachtigde ambtenaar, op straffe van verval.
Het proces-verbaal van vaststelling en de bekrachtigingsbeslissing worden gezonden aan de opdrachtgever, aan de persoon of de aannemer die het werk uitvoert, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek en genotspand uitgezonderd of aan de projectontwerper indien hij de uitvoering van de werken controleert, of aan de persoon die het gebouw gebruikt. Een afschrift van die documenten wordt tegelijkertijd aan het college, aan de gemachtigd ambtenaar en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de beslissing tot bekrachtiging vaststellen.
Het proces-verbaal van vaststelling en de bekrachtigingsbeslissing worden gezonden aan de opdrachtgever, aan de persoon of de aannemer die het werk uitvoert, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek en genotspand uitgezonderd of aan de projectontwerper indien hij de uitvoering van de werken controleert, of aan de persoon die het gebouw gebruikt. Een afschrift van die documenten wordt tegelijkertijd aan het college, aan de gemachtigd ambtenaar en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de beslissing tot bekrachtiging vaststellen.
Art. D. VII.9. L'ordre, à peine de péremption, est confirmé dans les cinq jours par le bourgmestre ou le fonctionnaire délégué.
Le procès-verbal de constat et la décision de confirmation sont envoyés au maître de l'ouvrage, à la personne ou l'entrepreneur qui exécute les travaux, à l'auteur de projet s'il a le contrôle de l'exécution des travaux, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque ou de l'antichrèse ou à la personne qui fait usage du bâtiment. Une copie de ces documents est adressée en même temps au collège, au fonctionnaire délégué et au procureur du Roi.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de la décision de confirmation.
Le procès-verbal de constat et la décision de confirmation sont envoyés au maître de l'ouvrage, à la personne ou l'entrepreneur qui exécute les travaux, à l'auteur de projet s'il a le contrôle de l'exécution des travaux, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque ou de l'antichrèse ou à la personne qui fait usage du bâtiment. Une copie de ces documents est adressée en même temps au collège, au fonctionnaire délégué et au procureur du Roi.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de la décision de confirmation.
Art. D. VII.9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het bevel wordt binnen vijf dagen bevestigd door de burgemeester of [1 de Regering]1, op straffe van verval.
Het proces-verbaal van vaststelling en de bekrachtigingsbeslissing worden gezonden aan de opdrachtgever, aan de persoon of de aannemer die het werk uitvoert, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek [2 ...]2 uitgezonderd of aan de projectontwerper indien hij de uitvoering van de werken controleert, of aan de persoon die het gebouw gebruikt. Een afschrift van die documenten wordt tegelijkertijd aan het college, aan [1 de Regering]1 en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de beslissing tot bekrachtiging vaststellen.
Het bevel wordt binnen vijf dagen bevestigd door de burgemeester of [1 de Regering]1, op straffe van verval.
Het proces-verbaal van vaststelling en de bekrachtigingsbeslissing worden gezonden aan de opdrachtgever, aan de persoon of de aannemer die het werk uitvoert, aan elke houder van een zakelijk recht op het onroerend goed, hypotheek [2 ...]2 uitgezonderd of aan de projectontwerper indien hij de uitvoering van de werken controleert, of aan de persoon die het gebouw gebruikt. Een afschrift van die documenten wordt tegelijkertijd aan het college, aan [1 de Regering]1 en aan de Procureur des Konings overgemaakt.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de beslissing tot bekrachtiging vaststellen.
Art. D. VII.9_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'ordre, à peine de péremption, est confirmé dans les cinq jours par le bourgmestre ou le [1 Gouvernement]1.
Le procès-verbal de constat et la décision de confirmation sont envoyés au maître de l'ouvrage, à la personne ou l'entrepreneur qui exécute les travaux, à l'auteur de projet s'il a le contrôle de l'exécution des travaux, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque [2 ...]2 ou à la personne qui fait usage du bâtiment. Une copie de ces documents est adressée en même temps au collège, au [1 Gouvernement]1 et au procureur du Roi.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de la décision de confirmation.
L'ordre, à peine de péremption, est confirmé dans les cinq jours par le bourgmestre ou le [1 Gouvernement]1.
Le procès-verbal de constat et la décision de confirmation sont envoyés au maître de l'ouvrage, à la personne ou l'entrepreneur qui exécute les travaux, à l'auteur de projet s'il a le contrôle de l'exécution des travaux, à tout titulaire de droit réel sur le bien immobilier à l'exclusion de l'hypothèque [2 ...]2 ou à la personne qui fait usage du bâtiment. Une copie de ces documents est adressée en même temps au collège, au [1 Gouvernement]1 et au procureur du Roi.
Le Gouvernement peut arrêter la forme et le contenu de la décision de confirmation.
Afdeling 3. - Verzoeken tot opheffen van het bevel
Section 3. - Demande de levée de l'ordre
Art. D. VII.10. De betrokkene kan in kort geding de afschaffing vragen van de maatregel t.o.v. het Gewest of de gemeente, naargelang de beslissing tot bevestiging door de gemachtigde ambtenaar of door de burgemeester wordt betekend. Het verzoek wordt voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied gebracht, waar de handelingen en werken werden uitgevoerd. De artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de indiening en de behandeling van de aanvraag.
Art. D. VII.10. L'intéressé peut, par la voie du référé, demander la suppression de la mesure à l'encontre de la Région ou de la commune selon que la décision de confirmation a été notifiée par le fonctionnaire délégué ou par le bourgmestre. La demande est portée devant le président du tribunal de première instance dans le ressort duquel les travaux et actes ont été accomplis. Les articles 1035 à 1041 du Code judiciaire sont applicables à l'introduction et à l'instruction de la demande.
Art. D. VII.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De betrokkene kan in kort geding de afschaffing vragen van de maatregel t.o.v. [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 of de gemeente, naargelang de beslissing tot bevestiging door [1 de Regering]1 of door de burgemeester wordt betekend. Het verzoek wordt voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied gebracht, waar de handelingen en werken werden uitgevoerd. De artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de indiening en de behandeling van de aanvraag.
De betrokkene kan in kort geding de afschaffing vragen van de maatregel t.o.v. [1 de Duitstalige Gemeenschap]1 of de gemeente, naargelang de beslissing tot bevestiging door [1 de Regering]1 of door de burgemeester wordt betekend. Het verzoek wordt voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied gebracht, waar de handelingen en werken werden uitgevoerd. De artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de indiening en de behandeling van de aanvraag.
Art. D. VII.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'intéressé peut, par la voie du référé, demander la suppression de la mesure à l'encontre de la [1 Communauté germanophone]1 ou de la commune selon que la décision de confirmation a été notifiée par le [1 Gouvernement]1 ou par le bourgmestre. La demande est portée devant le président du tribunal de première instance dans le ressort duquel les travaux et actes ont été accomplis. Les articles 1035 à 1041 du Code judiciaire sont applicables à l'introduction et à l'instruction de la demande.
L'intéressé peut, par la voie du référé, demander la suppression de la mesure à l'encontre de la [1 Communauté germanophone]1 ou de la commune selon que la décision de confirmation a été notifiée par le [1 Gouvernement]1 ou par le bourgmestre. La demande est portée devant le président du tribunal de première instance dans le ressort duquel les travaux et actes ont été accomplis. Les articles 1035 à 1041 du Code judiciaire sont applicables à l'introduction et à l'instruction de la demande.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Aanvullende maatregelen
Section 4. - Mesures complémentaires
Art. D. VII.11. De bovenbedoelde vaststellende beambten zijn gerechtigd tot het treffen van alle maatregelen, verzegeling inbegrepen, om te voorzien in de onmiddellijke toepassing van het bevel tot staking, van de bekrachtigingsbeslissing of in voorkomend geval, van de beschikking van de voorzitter.
Ieder die het werk of de handelingen heeft voortgezet in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of de beschikking van de voorzitter, wordt, onverminderd de in artikel D.VII.1 op de misdrijven gestelde straffen, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand.
Ieder die het werk of de handelingen heeft voortgezet in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of de beschikking van de voorzitter, wordt, onverminderd de in artikel D.VII.1 op de misdrijven gestelde straffen, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand.
Art. D. VII.11. Les agents constatateurs précités sont habilités à prendre toutes mesures, en ce compris la mise sous scellés, pour assurer l'application immédiate de l'ordre d'interrompre, de la décision de confirmation ou, le cas échéant, de l'ordonnance du président.
Quiconque aura poursuivi les travaux ou actes de violation de l'ordre d'interrompre, de la décision de confirmation ou de l'ordonnance du président, est puni, indépendamment des peines prévues pour les infractions à l'article D.VII.1, d'un emprisonnement de huit jours à un mois.
Quiconque aura poursuivi les travaux ou actes de violation de l'ordre d'interrompre, de la décision de confirmation ou de l'ordonnance du président, est puni, indépendamment des peines prévues pour les infractions à l'article D.VII.1, d'un emprisonnement de huit jours à un mois.
Art. D _VII.11.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Met uitzondering van de inbeslagneming van de bouwmachines en/of bouwmaterialen die in de tussentijd van de bouwplaats mogen worden verwijderd, zijn de vaststellende beambten gemachtigd alle maatregelen te nemen, met inbegrip van het aanbrengen van zegels, om ervoor te zorgen dat het bevel tot staking van de werkzaamheden, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waar de werken en handelingen werden uitgevoerd, onmiddellijk wordt toegepast.]1
Ieder die het werk of de handelingen heeft voortgezet in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of de beschikking van de voorzitter, wordt, onverminderd de in artikel D.VII.1 op de misdrijven gestelde straffen, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand.
[1 Met uitzondering van de inbeslagneming van de bouwmachines en/of bouwmaterialen die in de tussentijd van de bouwplaats mogen worden verwijderd, zijn de vaststellende beambten gemachtigd alle maatregelen te nemen, met inbegrip van het aanbrengen van zegels, om ervoor te zorgen dat het bevel tot staking van de werkzaamheden, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waar de werken en handelingen werden uitgevoerd, onmiddellijk wordt toegepast.]1
Ieder die het werk of de handelingen heeft voortgezet in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of de beschikking van de voorzitter, wordt, onverminderd de in artikel D.VII.1 op de misdrijven gestelde straffen, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand.
Art. D _VII.11.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 A l'exception de la saisie des machines et/ou matériaux de construction qui peuvent entretemps être évacués du chantier, les agents constatateurs sont habilités à prendre toute mesure, y compris l'apposition de scellés, afin de garantir l'application immédiate de l'ordre d'interruption, de la décision de confirmation ou, le cas échéant, de l'ordonnance prise par le président du tribunal de première instance dans le ressort duquel les travaux et actes ont été exécutés.]1
Quiconque aura poursuivi les travaux ou actes de violation de l'ordre d'interrompre, de la décision de confirmation ou de l'ordonnance du président, est puni, indépendamment des peines prévues pour les infractions à l'article D.VII.1, d'un emprisonnement de huit jours à un mois.
[1 A l'exception de la saisie des machines et/ou matériaux de construction qui peuvent entretemps être évacués du chantier, les agents constatateurs sont habilités à prendre toute mesure, y compris l'apposition de scellés, afin de garantir l'application immédiate de l'ordre d'interruption, de la décision de confirmation ou, le cas échéant, de l'ordonnance prise par le président du tribunal de première instance dans le ressort duquel les travaux et actes ont été exécutés.]1
Quiconque aura poursuivi les travaux ou actes de violation de l'ordre d'interrompre, de la décision de confirmation ou de l'ordonnance du président, est puni, indépendamment des peines prévues pour les infractions à l'article D.VII.1, d'un emprisonnement de huit jours à un mois.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Vervolging voor de correctionele rechtbank
CHAPITRE V. - Poursuite devant le tribunal correctionnel
Art. D. VII.12. Wanneer de Procureur des Konings de overtreder voor de correctionele rechtbank vervolgt, worden de overtredingen, in geval van burgerlijke-partijstelling voor de onderzoeksrechter of bij rechtstreekse dagvaarding, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een boete van 100 tot 50.000 euro of slechts met één van deze straffen.
De straffen zijn echter gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 2.000 tot 100.000 euro, of één van deze straffen alleen, indien de schuldigen aan de misdrijven, personen zijn die wegens hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, bebouwen, te koop of te huur zetten, verkopen of in huur geven, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen opstellen. Hetzelfde geldt voor degenen die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreden.
De straffen zijn echter gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 2.000 tot 100.000 euro, of één van deze straffen alleen, indien de schuldigen aan de misdrijven, personen zijn die wegens hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, bebouwen, te koop of te huur zetten, verkopen of in huur geven, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen opstellen. Hetzelfde geldt voor degenen die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreden.
Art. D. VII.12. Lorsque le procureur du Roi poursuit le contrevenant devant le tribunal correctionnel, en cas de constitution de partie civile devant le juge d'instruction ou en cas de citation directe, les infractions sont punies d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 100 à 50.000 euros ou d'une de ces peines seulement.
Toutefois, les peines sont de quinze jours à six mois d'emprisonnement et de 2.000 à 100.000 euros d'amende ou de l'une de ces peines seulement, lorsque les coupables des infractions sont des personnes qui, en raison de leur profession ou de leur activité, achètent, procèdent à l'urbanisation, offrent en vente ou en location, vendent ou donnent en location des immeubles, construisent ou placent des installations fixes ou mobiles. Il en est de même pour ceux qui interviennent dans ces opérations.
Toutefois, les peines sont de quinze jours à six mois d'emprisonnement et de 2.000 à 100.000 euros d'amende ou de l'une de ces peines seulement, lorsque les coupables des infractions sont des personnes qui, en raison de leur profession ou de leur activité, achètent, procèdent à l'urbanisation, offrent en vente ou en location, vendent ou donnent en location des immeubles, construisent ou placent des installations fixes ou mobiles. Il en est de même pour ceux qui interviennent dans ces opérations.
Art. D _VII.12.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de Procureur des Konings de overtreder voor de correctionele rechtbank vervolgt, worden de overtredingen, in geval van burgerlijke-partijstelling voor de onderzoeksrechter of bij rechtstreekse dagvaarding, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een boete van 100 tot 50.000 euro of slechts met één van deze straffen.
De straffen zijn echter gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 2.000 tot 100.000 euro, of één van deze straffen alleen, indien de schuldigen aan de misdrijven, personen zijn die wegens hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, [1 ontsluiten]1, te koop of te huur zetten, verkopen of in huur geven, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen opstellen. Hetzelfde geldt voor degenen die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreden.
Wanneer de Procureur des Konings de overtreder voor de correctionele rechtbank vervolgt, worden de overtredingen, in geval van burgerlijke-partijstelling voor de onderzoeksrechter of bij rechtstreekse dagvaarding, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een boete van 100 tot 50.000 euro of slechts met één van deze straffen.
De straffen zijn echter gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 2.000 tot 100.000 euro, of één van deze straffen alleen, indien de schuldigen aan de misdrijven, personen zijn die wegens hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, [1 ontsluiten]1, te koop of te huur zetten, verkopen of in huur geven, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen opstellen. Hetzelfde geldt voor degenen die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreden.
Art. D. VII.13.Outre la pénalité, le tribunal ordonne, à la demande motivée du fonctionnaire délégué ou du collège communal :
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement pour autant que les actes et travaux ou l'urbanisation à maintenir et les ouvrages ou travaux d'aménagement à exécuter respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
3° soit le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction pour autant qu'il ne soit ni inscrit sur la liste de sauvegarde, ni classé en vertu du Code wallon du Patrimoine, et que les actes et travaux ou l'urbanisation réalisés en infraction respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
La motivation du fonctionnaire délégué ou du collège communal porte notamment sur l'impact du mode de réparation choisi sur l'environnement au regard [1 de l'article D.62, § 2, et en tenant compte des critères de sélection pertinents visés à l'annexe III ]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement et sur le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, 2° ou 3°.
Le tribunal fixe à cette fin un délai qui, dans les cas visés aux 1° et 2°, ne peut dépasser un an. En cas de condamnation au paiement d'une somme, le tribunal fixe celle-ci à tout ou partie de la plus-value acquise par le bien et ordonne que le condamné puisse s'exécuter valablement en remettant les lieux en état dans le délai d'un an. Le paiement de la somme se fait à un compte spécial du budget de la Région.
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement pour autant que les actes et travaux ou l'urbanisation à maintenir et les ouvrages ou travaux d'aménagement à exécuter respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
3° soit le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction pour autant qu'il ne soit ni inscrit sur la liste de sauvegarde, ni classé en vertu du Code wallon du Patrimoine, et que les actes et travaux ou l'urbanisation réalisés en infraction respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.
La motivation du fonctionnaire délégué ou du collège communal porte notamment sur l'impact du mode de réparation choisi sur l'environnement au regard [1 de l'article D.62, § 2, et en tenant compte des critères de sélection pertinents visés à l'annexe III ]1 du Livre Ier du Code de l'Environnement et sur le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, 2° ou 3°.
Le tribunal fixe à cette fin un délai qui, dans les cas visés aux 1° et 2°, ne peut dépasser un an. En cas de condamnation au paiement d'une somme, le tribunal fixe celle-ci à tout ou partie de la plus-value acquise par le bien et ordonne que le condamné puisse s'exécuter valablement en remettant les lieux en état dans le délai d'un an. Le paiement de la somme se fait à un compte spécial du budget de la Région.
Wijzigingen
Art. D. VII.13.Naast de straf beveelt de rechtbank op met redenen omkleed verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege :
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werken of inrichtingswerken voor zover de handelingen en werken of de te handhaven bebouwing en de uit te voeren werken of inrichtingswerken het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, voor zover het noch op de beschermingslijst noch op de monumentenlijst voorkomt krachtens het Waals Erfgoedwetboek en voor zover de in overtreding uitgevoerde handelingen en werken of de uitgevoerde bebouwing het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven.
De motivering van de gemachtigd ambtenaar of van het gemeentecollege heeft met name betrekking op de impact van de gekozen wijze van herstel op het leefmilieu ten opzichte [1 van artikel D.62, § 2, rekening houdend met de in bijlage III bedoelde relevante selectiecriteria]1 van Boek I van het Milieuwetboek en op de naleving van de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde voorwaarden.
De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijven. In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. De som wordt gestort op een speciale rekening van de begroting van het Gewest.
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werken of inrichtingswerken voor zover de handelingen en werken of de te handhaven bebouwing en de uit te voeren werken of inrichtingswerken het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, voor zover het noch op de beschermingslijst noch op de monumentenlijst voorkomt krachtens het Waals Erfgoedwetboek en voor zover de in overtreding uitgevoerde handelingen en werken of de uitgevoerde bebouwing het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven.
De motivering van de gemachtigd ambtenaar of van het gemeentecollege heeft met name betrekking op de impact van de gekozen wijze van herstel op het leefmilieu ten opzichte [1 van artikel D.62, § 2, rekening houdend met de in bijlage III bedoelde relevante selectiecriteria]1 van Boek I van het Milieuwetboek en op de naleving van de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde voorwaarden.
De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijven. In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. De som wordt gestort op een speciale rekening van de begroting van het Gewest.
Art. D. VII.13_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Outre la pénalité, le tribunal - à la demande motivée du Gouvernement ou du collège communal - ordonne pour chaque infraction, de manière isolée ou cumulative :]2
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement pour autant que les actes et travaux [2 ou la division ou l'urbanisation]2 à maintenir et les ouvrages ou travaux d'aménagement à exécuter respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
3° soit le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction pour autant [1 ...]1 que les actes et travaux [2 ou la division ou l'urbanisation]2 réalisés en infraction respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme [2 ;]2
[2 4° soit des mesures compensatoires au sens de l'article D.VII.20.]2
La motivation du [1 Gouvernement]1 ou du collège communal porte notamment sur l'impact du mode de réparation choisi sur l'environnement [3 au regard de l'article D.62, § 2, et des critères de sélection pertinents conformément à l'annexe III du Livre Ier du Code de l'Environnement,]3 et sur le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, 2° ou 3° [1 ainsi que sur les mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine]1.
Le tribunal fixe à cette fin un délai qui, dans les cas visés aux 1° et 2°, ne peut dépasser un an. En cas de condamnation au paiement d'une somme, le tribunal fixe celle-ci à tout ou partie de la plus-value acquise par le bien et ordonne que le condamné puisse s'exécuter valablement en remettant les lieux en état dans le délai d'un an. [2 Le paiement de la somme s'effectue en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.]2.
[2 Outre la pénalité, le tribunal - à la demande motivée du Gouvernement ou du collège communal - ordonne pour chaque infraction, de manière isolée ou cumulative :]2
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement pour autant que les actes et travaux [2 ou la division ou l'urbanisation]2 à maintenir et les ouvrages ou travaux d'aménagement à exécuter respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme;
3° soit le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction pour autant [1 ...]1 que les actes et travaux [2 ou la division ou l'urbanisation]2 réalisés en infraction respectent le plan de secteur et les normes du guide régional d'urbanisme, ou respectent les conditions de dérogation au plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme [2 ;]2
[2 4° soit des mesures compensatoires au sens de l'article D.VII.20.]2
La motivation du [1 Gouvernement]1 ou du collège communal porte notamment sur l'impact du mode de réparation choisi sur l'environnement [3 au regard de l'article D.62, § 2, et des critères de sélection pertinents conformément à l'annexe III du Livre Ier du Code de l'Environnement,]3 et sur le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, 2° ou 3° [1 ainsi que sur les mesures de protection imposées en application du décret sur le patrimoine]1.
Le tribunal fixe à cette fin un délai qui, dans les cas visés aux 1° et 2°, ne peut dépasser un an. En cas de condamnation au paiement d'une somme, le tribunal fixe celle-ci à tout ou partie de la plus-value acquise par le bien et ordonne que le condamné puisse s'exécuter valablement en remettant les lieux en état dans le délai d'un an. [2 Le paiement de la somme s'effectue en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.]2.
Art. D. VII.13_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 Naast de straf beveelt de rechtbank - op met redenen omkleed verzoek van de Regering of het gemeentecollege - voor elke overtreding afzonderlijk of cumulatief :]2
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werken of inrichtingswerken voor zover de handelingen en werken of de te handhaven [2 opsplitsing of ontsluiting]2 en de uit te voeren werken of inrichtingswerken het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft [1 ...]1 voor zover de in overtreding uitgevoerde handelingen en werken of de uitgevoerde [2 ]2 het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven [2 ;]2
[2 4° ofwel compenserende maatregelen in de zin van artikel D.VII.20.]2
De motivering van [1 de Regering]1 of van het gemeentecollege heeft met name betrekking op de impact van de gekozen wijze van herstel op het leefmilieu [3 ten opzichte van artikel D.62, § 2, en de relevante selectiecriteria overeenkomstig bijlage III bij Boek I van het Milieuwetboek]3 en op de naleving van de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde voorwaarden [1 , alsook op de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd.]1.
De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijven. In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. [2 De som wordt gestort ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.]2.
[2 Naast de straf beveelt de rechtbank - op met redenen omkleed verzoek van de Regering of het gemeentecollege - voor elke overtreding afzonderlijk of cumulatief :]2
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werken of inrichtingswerken voor zover de handelingen en werken of de te handhaven [2 opsplitsing of ontsluiting]2 en de uit te voeren werken of inrichtingswerken het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft [1 ...]1 voor zover de in overtreding uitgevoerde handelingen en werken of de uitgevoerde [2 ]2 het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven [2 ;]2
[2 4° ofwel compenserende maatregelen in de zin van artikel D.VII.20.]2
De motivering van [1 de Regering]1 of van het gemeentecollege heeft met name betrekking op de impact van de gekozen wijze van herstel op het leefmilieu [3 ten opzichte van artikel D.62, § 2, en de relevante selectiecriteria overeenkomstig bijlage III bij Boek I van het Milieuwetboek]3 en op de naleving van de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde voorwaarden [1 , alsook op de beschermingsmaatregelen die met toepassing van het erfgoeddecreet zijn opgelegd.]1.
De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijven. In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. [2 De som wordt gestort ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.]2.
Art. D. VII.14. Sans préjudice de l'application du chapitre XXIII du Livre IV de la quatrième partie du Code judiciaire, le jugement ordonne que, lorsque les lieux ne sont pas remis en état ou les travaux et ouvrages ne sont pas exécutés dans le délai prescrit, le fonctionnaire délégué, le collège communal et éventuellement la partie civile pourront pourvoir d'office à son exécution.
L'administration ou la partie civile qui exécute le jugement a le droit de vendre les matériaux et objets résultant de la remise en état des lieux, de les transporter, de les entreposer et de procéder à leur destruction en un lieu qu'elle choisit.
Le condamné est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution, déduction faite du prix de la vente des matériaux et objets, sur présentation d'un état taxé et rendu exécutoire par le juge des saisies.
L'administration ou la partie civile qui exécute le jugement a le droit de vendre les matériaux et objets résultant de la remise en état des lieux, de les transporter, de les entreposer et de procéder à leur destruction en un lieu qu'elle choisit.
Le condamné est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution, déduction faite du prix de la vente des matériaux et objets, sur présentation d'un état taxé et rendu exécutoire par le juge des saisies.
Art. §. D.VII.14. Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van Boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek beveelt het vonnis dat, wanneer de plaats niet in haar oorspronkelijke staat wordt hersteld of wanneer de werken en werkzaamheden niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar, het gemeentecollege en eventueel de burgerlijke partij, van ambtswege de uitvoering daarvan kunnen vorderen.
Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.
De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat.
Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.
De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat.
Art. D. VII.14_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sans préjudice de l'application du chapitre XXIII du Livre IV de la quatrième partie du Code judiciaire, le jugement ordonne que, lorsque les lieux ne sont pas remis en état ou les travaux et ouvrages ne sont pas exécutés dans le délai prescrit, le [1 Gouvernement]1, le collège communal et éventuellement la partie civile pourront pourvoir d'office à son exécution.
L'administration ou la partie civile qui exécute le jugement a le droit de vendre les matériaux et objets résultant de la remise en état des lieux, de les transporter, de les entreposer et de procéder à leur destruction en un lieu qu'elle choisit.
Le condamné est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution, déduction faite du prix de la vente des matériaux et objets, sur présentation d'un état taxé et rendu exécutoire par le juge des saisies.
Sans préjudice de l'application du chapitre XXIII du Livre IV de la quatrième partie du Code judiciaire, le jugement ordonne que, lorsque les lieux ne sont pas remis en état ou les travaux et ouvrages ne sont pas exécutés dans le délai prescrit, le [1 Gouvernement]1, le collège communal et éventuellement la partie civile pourront pourvoir d'office à son exécution.
L'administration ou la partie civile qui exécute le jugement a le droit de vendre les matériaux et objets résultant de la remise en état des lieux, de les transporter, de les entreposer et de procéder à leur destruction en un lieu qu'elle choisit.
Le condamné est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution, déduction faite du prix de la vente des matériaux et objets, sur présentation d'un état taxé et rendu exécutoire par le juge des saisies.
Wijzigingen
Art. D. VII.14_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van Boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek beveelt het vonnis dat, wanneer de plaats niet in haar oorspronkelijke staat wordt hersteld of wanneer de werken en werkzaamheden niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, [1 de Regering]1, het gemeentecollege en eventueel de burgerlijke partij, van ambtswege de uitvoering daarvan kunnen vorderen.
Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.
De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat.
Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van Boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek beveelt het vonnis dat, wanneer de plaats niet in haar oorspronkelijke staat wordt hersteld of wanneer de werken en werkzaamheden niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, [1 de Regering]1, het gemeentecollege en eventueel de burgerlijke partij, van ambtswege de uitvoering daarvan kunnen vorderen.
Het bestuur of de burgerlijke partij die het vonnis ten uitvoer legt, heeft het recht om de na het herstel van de plaats overblijvende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een plaats die ze zelf kiezen.
De veroordeelde is gedwongen tot de terugbetaling van alle uitvoeringskosten, na aftrek van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen, op vertoon van een door de beslagrechter uitvoerbaar verklaarde geschatte staat.
Art. D. VII.15. Lorsque le jugement ordonne, à la demande du fonctionnaire délégué ou du collège communal conformément à l'article D.VII.13, soit la remise en état des lieux, soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement, le jugement vaut permis et la remise en état des lieux ou les ouvrages et travaux d'aménagement sont exécutés par le condamné sans qu'il doive obtenir le permis visé à l'article D.IV.4.
Toutefois, le condamné prévient le collège communal, huit jours avant le début des travaux; le collège peut imposer des conditions d'exécution, notamment en ce qui concerne la sécurité et la salubrité publique.
Le jugement ordonnant le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction vaut permis à dater du paiement.
Toutefois, le condamné prévient le collège communal, huit jours avant le début des travaux; le collège peut imposer des conditions d'exécution, notamment en ce qui concerne la sécurité et la salubrité publique.
Le jugement ordonnant le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction vaut permis à dater du paiement.
Art. D. VII.15. Wanneer het vonnis, op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege overeenkomstig artikel D.VII.13, hetzij het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat, hetzij de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken beveelt, geldt het vonnis als vergunning en worden het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de werkzaamheden en inrichtingswerken door de veroordeelde uitgevoerd zonder dat hij in het bezit van de in artikel D.IV.4 bedoelde vergunning moet zijn.
De veroordeelde moet het gemeentecollege evenwel acht dagen voor de aanvang van de werken verwittigen. Het college kan uitvoeringsvoorwaarden opleggen, met name wat betreft de openbare veiligheid en volksgezondheid.
Het vonnis dat de betaling beveelt van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, geldt als vergunning vanaf de betaling.
De veroordeelde moet het gemeentecollege evenwel acht dagen voor de aanvang van de werken verwittigen. Het college kan uitvoeringsvoorwaarden opleggen, met name wat betreft de openbare veiligheid en volksgezondheid.
Het vonnis dat de betaling beveelt van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, geldt als vergunning vanaf de betaling.
Art. D. VII.15_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsque le jugement ordonne, à la demande du [1 Gouvernement]1 ou du collège communal conformément à l'article D.VII.13, soit la remise en état des lieux, soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement, le jugement vaut permis et la remise en état des lieux ou les ouvrages et travaux d'aménagement sont exécutés par le condamné sans qu'il doive obtenir le permis visé à l'article D.IV.4.
Toutefois, le condamné prévient le collège communal, huit jours avant le début des travaux; le collège peut imposer des conditions d'exécution, notamment en ce qui concerne la sécurité et la salubrité publique.
Le jugement ordonnant le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction vaut permis à dater du paiement.
Lorsque le jugement ordonne, à la demande du [1 Gouvernement]1 ou du collège communal conformément à l'article D.VII.13, soit la remise en état des lieux, soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement, le jugement vaut permis et la remise en état des lieux ou les ouvrages et travaux d'aménagement sont exécutés par le condamné sans qu'il doive obtenir le permis visé à l'article D.IV.4.
Toutefois, le condamné prévient le collège communal, huit jours avant le début des travaux; le collège peut imposer des conditions d'exécution, notamment en ce qui concerne la sécurité et la salubrité publique.
Le jugement ordonnant le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction vaut permis à dater du paiement.
Wijzigingen
Art. D.VII.15_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VI. - Transaction et mesures de restitution
HOOFDSTUK VI. - Vergelijk en teruggavemaatregelen
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Mesures extrajudiciaires après verbalisation]1
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Buitengerechtelijke maatregelen na het opstellen van een proces-verbaal]1
Section 1re. - Absence de poursuite
Afdeling 1. - Afwezigheid van vervolgingen
Art. D.VII.16. Si, dans les nonante jours de la réception du procès-verbal de constat, le procureur du Roi n'a pas marqué son intention de poursuivre le contrevenant, il est réputé classer le dossier sans suite.
Art. D. VII.16. Indien de Procureur des Konings niet binnen de negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling blijk geeft van het voornemen om de overtreder te vervolgen, wordt hij geacht het dossier zonder gevolg te klasseren.
Art. D _VII.16.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Si, dans les [1 soixante]1 jours de la réception du procès-verbal de constat, le procureur du Roi n'a pas marqué son intention de poursuivre le contrevenant, il est réputé classer le dossier sans suite.
[1 Dans ce cas, le Gouvernement peut décider :
1° d'entamer la procédure de contrôle de régularisation conformément à l'article D.VII.18;
2° ou d'imposer des mesures administratives conformément à l'article D.VII.19 ou des mesures compensatoires conformément à l'article D.VII.20, le cas échéant, assorties ou non d'une amende administrative conformément à l'article D.VII.21.]1
Si, dans les [1 soixante]1 jours de la réception du procès-verbal de constat, le procureur du Roi n'a pas marqué son intention de poursuivre le contrevenant, il est réputé classer le dossier sans suite.
[1 Dans ce cas, le Gouvernement peut décider :
1° d'entamer la procédure de contrôle de régularisation conformément à l'article D.VII.18;
2° ou d'imposer des mesures administratives conformément à l'article D.VII.19 ou des mesures compensatoires conformément à l'article D.VII.20, le cas échéant, assorties ou non d'une amende administrative conformément à l'article D.VII.21.]1
Wijzigingen
Art. D_VII.16.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. - Concertation
Afdeling 2. - Overleg
Art. D.VII.17. A défaut pour le procureur du Roi d'avoir marqué son intention de poursuivre dans les nonante jours de la réception du procès-verbal de constat, le contrevenant peut être convoqué par le collège communal ou le fonctionnaire délégué, dans les trois mois, à une réunion de concertation en présence du fonctionnaire délégué et du collège communal ou de leur représentant.
Art. D. VII.17. Indien de Procureur des Konings niet binnen de negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling blijk geeft van het voornemen om vervolging in te stellen, kan de overtreder binnen drie maanden door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar voor een overlegvergadering opgeroepen worden in aanwezigheid van de gemachtigd ambtenaar en het gemeentecollege of hun vertegenwoordiger.
Na afloop van de overlegvergadering wordt in het proces-verbaal geacteerd :
1° hetzij de overeenkomst tussen de overtreder, de gemachtigd ambtenaar en het gemeentecollege over de verbintenis van de overtreder om een aanvraag voor een regularisatievergunning in te dienen;
2° hetzij het uitblijven van overeenkomst.
De overheid die de vergadering heeft opgeroepen, zendt het akte nemen van de overeenkomst of het uitblijven van overeenkomst bedoeld in het tweede lid aan de overtreder, het gemeentecollege of aan de gemachtigd ambtenaar. In geval van overeenkomst dient de overtreder de aanvraag voor een regularisatievergunning in binnen een termijn van zes maanden na de zending van de inaktname. Zoniet vervalt de overeenkomst.
Bij gebrek aan overeenkomst of indien de overeenkomst vervalt, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22.
Na afloop van de overlegvergadering wordt in het proces-verbaal geacteerd :
1° hetzij de overeenkomst tussen de overtreder, de gemachtigd ambtenaar en het gemeentecollege over de verbintenis van de overtreder om een aanvraag voor een regularisatievergunning in te dienen;
2° hetzij het uitblijven van overeenkomst.
De overheid die de vergadering heeft opgeroepen, zendt het akte nemen van de overeenkomst of het uitblijven van overeenkomst bedoeld in het tweede lid aan de overtreder, het gemeentecollege of aan de gemachtigd ambtenaar. In geval van overeenkomst dient de overtreder de aanvraag voor een regularisatievergunning in binnen een termijn van zes maanden na de zending van de inaktname. Zoniet vervalt de overeenkomst.
Bij gebrek aan overeenkomst of indien de overeenkomst vervalt, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22.
Art. D. VII.17_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Le]2 contrevenant peut être convoqué par le collège communal ou le [1 Gouvernement]1 [2 ...]2 à une réunion de concertation en présence du [1 Gouvernement]1 et du collège communal ou de leur représentant.
Au terme de la réunion de concertation, est acté :
1° soit l'accord entre le contrevenant, le [1 Gouvernement]1 et le collège communal sur l'engagement du contrevenant d'introduire une demande de [2 contrôle de régularisation]2;
2° soit l'absence d'accord.
L'autorité qui a convoqué la réunion envoie la prise d'acte de l'accord ou du désaccord visé à l'alinéa 2 au contrevenant, au collège communal ou au [1 Gouvernement]1. En cas d'accord, le contrevenant introduit la demande de [2 contrôle de régularisation]2 dans un délai de six mois à dater de l'envoi de la prise d'acte. A défaut, l'accord est caduc.
A défaut d'accord ou si l'accord est caduc, la procédure se poursuit selon [2 l'article D.VII.12, D.VII.19, D.VII.20 ou D.VII.22]2.
[2 Le]2 contrevenant peut être convoqué par le collège communal ou le [1 Gouvernement]1 [2 ...]2 à une réunion de concertation en présence du [1 Gouvernement]1 et du collège communal ou de leur représentant.
Au terme de la réunion de concertation, est acté :
1° soit l'accord entre le contrevenant, le [1 Gouvernement]1 et le collège communal sur l'engagement du contrevenant d'introduire une demande de [2 contrôle de régularisation]2;
2° soit l'absence d'accord.
L'autorité qui a convoqué la réunion envoie la prise d'acte de l'accord ou du désaccord visé à l'alinéa 2 au contrevenant, au collège communal ou au [1 Gouvernement]1. En cas d'accord, le contrevenant introduit la demande de [2 contrôle de régularisation]2 dans un délai de six mois à dater de l'envoi de la prise d'acte. A défaut, l'accord est caduc.
A défaut d'accord ou si l'accord est caduc, la procédure se poursuit selon [2 l'article D.VII.12, D.VII.19, D.VII.20 ou D.VII.22]2.
Art. D.VII.17_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 3. [1 Régularisation et transaction]1
Afdeling 3. [1 Regularisatie en vergelijk]1
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Contrôle de régularisation et transaction]1
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Regularisatieonderzoek en vergelijk]1
Sous-section 1re.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 ...]1
Art. D.VII.18.[1 § 1er. Une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 de régularisation peut être déposée ou envoyée conformément à l'article D.IV.32 avant ou après le procès-verbal de constat.
Art. D. VII.18.[1 § 1. Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 voor regularisatie kan worden ingediend of opgestuurd overeenkomstig artikel D.IV.32 voor of na het proces-verbaal.
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 voor het begin van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen, ontvangt, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de eerste dag van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen tot:
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 ontvangt wanneer de termijn loopt waarover de bevoegde overheid beschikt om te beslissen, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de datum van ontvangst door de gemachtigd ambtenaar van het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 tot:
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 ontvangt tijdens de periode waarin een beroep ingediend kan worden of tijdens de periode waarin het verzoek om het beroep te behandelen kan worden gezonden en indien de bevoegde overheid over het beroep moet beslissen, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de eerste dag van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen tot:"
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
§ 2. Op de datum waarop een veroordelend vonnis in kracht van gewijsde is getreden, wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 geacht te zijn geweigerd en als de bevoegde overheid een overheid van eerste aanleg is, is er geen beroep mogelijk bij de beroepsinstantie.
§ 3. Indien de procureur des Konings niet binnen de negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal zijn voornemen heeft meegedeeld om verder te gaan, wordt de aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 tot regularisatie onderzocht en beslist de bevoegde overheid hetzij op basis van de reglementering die van kracht was op het ogenblik dat de handelingen en werken werden uitgevoerd, hetzij op basis van de reglementering die van kracht was op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend, in voorkomend geval in toepassing van de artikelen D.IV.5 tot en met D.IV.13 en met inachtneming van de specifieke aard van het project en de belangrijkste kenmerken van het bebouwde en onbebouwde landschap ten tijde van de indiening van de aanvraag.
Indien de vergunning of het attest wordt geweigerd, wordt de procedure voortgezet volgens artikel D.VII.12 of D.VII.22..
Als de vergunning of het certificaat wordt verleend, worden de effecten ervan opgeschort tot de datum van volledige betaling van het vergelijk.
§ 4. Als het de bevoegde overheid is, stuurt het gemeentecollege een kopie van de beslissing naar de gemachtigd ambtenaar en formuleert het een advies over een vergelijk.
De gemachtigd ambtenaar zal, in overleg met het gemeentecollege, een vergelijk voorstellen aan de overtreder.
Als er onenigheid bestaat tussen het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar over het bedrag van het vergelijk wordt het voorstel van de overheid die de overtreding heeft vastgesteld, in acht genomen.
§ 5. Als de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is, of als hij bevoegd is voor het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16 en dat de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt verleend, vraagt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege naar een vergelijk. De beslissing van het gemeentecollege over het vergelijk wordt binnen de zestig dagen na de zending van de gemachtigd ambtenaar overgemaakt. Bij ontstentenis wordt de beslissing gunstig geacht.
Als er onenigheid bestaat tussen het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar over het bedrag van het vergelijk wordt het voorstel van de overheid die de overtreding heeft vastgesteld, in acht genomen.
§ 6. De gemachtigd ambtenaar stelt het vergelijk voor aan de overtreder.
§ 7. In het kader van de beroepsprocedure bedoeld in de artikelen D.IV.63 en volgende en bij gebrek aan vergelijk voorgesteld door de gemachtigd ambtenaar kan de Regering in overeenstemming met het gemeentecollege, een vergelijk voorstellen aan de overtreder.]1
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 voor het begin van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen, ontvangt, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de eerste dag van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen tot:
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 ontvangt wanneer de termijn loopt waarover de bevoegde overheid beschikt om te beslissen, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de datum van ontvangst door de gemachtigd ambtenaar van het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 tot:
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
Indien de gemachtigd ambtenaar het proces-verbaal tot vaststelling overeenkomstig artikel D.VII.6 ontvangt tijdens de periode waarin een beroep ingediend kan worden of tijdens de periode waarin het verzoek om het beroep te behandelen kan worden gezonden en indien de bevoegde overheid over het beroep moet beslissen, worden de termijnen voor de zending van de beslissing opgeschort vanaf de eerste dag van de termijn waarover de bevoegde overheid beschikte om te beslissen tot:"
1° de in kracht van gewijsde getreden uitspraak, indien de procureur des Konings zijn voornemen tot vervolging kenbaar maakt binnen negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling;
2° het verstrijken van negentig dagen na de datum van ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling door de procureur des Konings indien hij niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is te vervolgen.
§ 2. Op de datum waarop een veroordelend vonnis in kracht van gewijsde is getreden, wordt de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 geacht te zijn geweigerd en als de bevoegde overheid een overheid van eerste aanleg is, is er geen beroep mogelijk bij de beroepsinstantie.
§ 3. Indien de procureur des Konings niet binnen de negentig dagen na ontvangst van het proces-verbaal zijn voornemen heeft meegedeeld om verder te gaan, wordt de aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 tot regularisatie onderzocht en beslist de bevoegde overheid hetzij op basis van de reglementering die van kracht was op het ogenblik dat de handelingen en werken werden uitgevoerd, hetzij op basis van de reglementering die van kracht was op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend, in voorkomend geval in toepassing van de artikelen D.IV.5 tot en met D.IV.13 en met inachtneming van de specifieke aard van het project en de belangrijkste kenmerken van het bebouwde en onbebouwde landschap ten tijde van de indiening van de aanvraag.
Indien de vergunning of het attest wordt geweigerd, wordt de procedure voortgezet volgens artikel D.VII.12 of D.VII.22..
Als de vergunning of het certificaat wordt verleend, worden de effecten ervan opgeschort tot de datum van volledige betaling van het vergelijk.
§ 4. Als het de bevoegde overheid is, stuurt het gemeentecollege een kopie van de beslissing naar de gemachtigd ambtenaar en formuleert het een advies over een vergelijk.
De gemachtigd ambtenaar zal, in overleg met het gemeentecollege, een vergelijk voorstellen aan de overtreder.
Als er onenigheid bestaat tussen het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar over het bedrag van het vergelijk wordt het voorstel van de overheid die de overtreding heeft vastgesteld, in acht genomen.
§ 5. Als de gemachtigd ambtenaar de bevoegde overheid is, of als hij bevoegd is voor het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16 en dat de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt verleend, vraagt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege naar een vergelijk. De beslissing van het gemeentecollege over het vergelijk wordt binnen de zestig dagen na de zending van de gemachtigd ambtenaar overgemaakt. Bij ontstentenis wordt de beslissing gunstig geacht.
Als er onenigheid bestaat tussen het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar over het bedrag van het vergelijk wordt het voorstel van de overheid die de overtreding heeft vastgesteld, in acht genomen.
§ 6. De gemachtigd ambtenaar stelt het vergelijk voor aan de overtreder.
§ 7. In het kader van de beroepsprocedure bedoeld in de artikelen D.IV.63 en volgende en bij gebrek aan vergelijk voorgesteld door de gemachtigd ambtenaar kan de Regering in overeenstemming met het gemeentecollege, een vergelijk voorstellen aan de overtreder.]1
Art. D. VII.18_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Fait l'objet de la procédure décrite dans le présent article l'examen permettant de vérifier si les actes et travaux effectués irrégulièrement peuvent être approuvés ultérieurement à certaines conditions, soit sur la base de la règle applicable au moment de leur exécution, soit sur la base de celle applicable lors de l'examen, le cas échéant en application des articles D.IV.5 à D.IV.13.
Si le Gouvernement décide d'entamer la procédure relative au contrôle de régularisation, il invite le contrevenant et, le cas échéant, le propriétaire du bien concerné à introduire, dans un délai qu'il fixe, une demande de contrôle de régularisation. Selon le cas, la demande est traitée conformément à la procédure prévue au Livre IV pour les demandes de permis d'urbanisme, d'urbaniser ou de diviser relevant de la compétence du Gouvernement conformément à l'article D.IV.22.
L'invitation peut comprendre une proposition d'adaptation des actes et des travaux effectués irrégulièrement, proposition dont il est tenu compte dans la demande à introduire.
La demande introduite mentionne qu'il s'agit d'une demande de contrôle de régularisation au sens du présent article.
§ 2 - Dans sa décision relative à la demande de contrôle de régularisation, le Gouvernement peut déterminer que les actes et travaux effectués irrégulièrement :
1° peuvent être approuvés ultérieurement sans modification, le cas échéant moyennant le respect de conditions fixées dans la décision en question;
2° peuvent être approuvés ultérieurement grâce à la réalisation de travaux de modification, le cas échéant moyennant le respect de conditions fixées dans la décision en question;
3° ne peuvent être approuvés ultérieurement.
§ 3 - Dans le cas visé au § 2, 1°, le Gouvernement propose une transaction. La transaction s'opère par le paiement d'une somme dont le montant est établi selon les règles arrêtées par le Gouvernement. Par infraction, le montant ne peut être inférieur à 250 euros ni supérieur à 25 000 euros.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant n'est pas plafonné lors d'infractions en lien avec des modifications sensibles du relief du sol.
Le Gouvernement fixe le délai dans lequel le paiement du montant doit intervenir, ce délai ne pouvant être supérieur à douze mois.
Le versement du montant de la transaction se fait :
1° [3 soit auprès de la commune lorsque l'infraction, à l'instigation de la commune, a été constatée par les officiers de police judiciaire et agents constatateurs visés à l'article D.VII.3, 1°, ou par les fonctionnaires et agents techniques visés à l'article D.VII.3, 2°]3;
2° soit, dans des cas particuliers, auprès de la Communauté germanophone en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
Dès réception du montant de la transaction, la décision de régularisation devient exécutoire et vaut permis conformément à l'article D.IV.1.
Le versement du montant de la transaction éteint l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
§ 4 - Dans le cas mentionné au § 2, 2°, le Gouvernement propose une transaction. Cette transaction s'opère par le paiement d'une somme dont le montant est établi selon les règles arrêtées par le Gouvernement, et par l'exécution des travaux de modification. Par infraction, le montant de l'amende ne peut être inférieur à 250 euros ni supérieur à 25 000 euros. Le cout de la réalisation des travaux de modification peut être imputé sur le montant de la transaction.
Le Gouvernement fixe le délai dans lequel le paiement du montant doit intervenir, ainsi que le délai pour mener les travaux de modification, celui-ci ne pouvant être supérieur à douze mois.
Le versement du montant de la transaction se fait :
1° [3 soit auprès de la commune lorsque l'infraction, à l'instigation de la commune, a été constatée par les officiers de police judiciaire et agents constatateurs visés à l'article D.VII.3, 1°, ou par les fonctionnaires et agents techniques visés à l'article D.VII.3, 2°]3;
2° soit, dans des cas particuliers, auprès de la Communauté germanophone en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
[2 Le demandeur informe le Gouvernement de l'achèvement des travaux de modification à réaliser dans les trente jours calendrier suivant leur achèvement et soumet les documents requis conformément à l'article D.IV.73.]2 A défaut de contrôle dans le délai imparti, les travaux de modification sont censés être conformes. Les articles D.IV.73 et D.IV.73.1 sont applicables mutatis mutandis.
Dès réception du montant de la transaction et présentation [2 de la déclaration conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 1° ou 2°,]2 ou, selon le cas, au terme du délai d'exécution du contrôle, la décision de régularisation est coulée en force de chose jugée et vaut permis au sens de l'article D.IV.1.
Le versement du montant de la transaction et la réalisation conforme des travaux de modification éteignent l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
§ 5 - Dans le cas mentionné au § 2, 3°, le Gouvernement exige des mesures administratives au sens de l'article D.VII.19 ou des mesures compensatoire conformément à l'article D.VII.20 et inflige, le cas échéant, une amende administrative conformément à l'article D.VII.21 ou entame une procédure judiciaire conformément à l'article D.VII.22.
§ 6 - La décision relative à la demande de contrôle de régularisation est transmise par recommandé aux personnes et organismes suivants :
1° au demandeur;
2° au propriétaire du bien concerné, s'il ne s'agit pas du demandeur;
3° au procureur du Roi;
4° au collège communal.]1
Si le Gouvernement décide d'entamer la procédure relative au contrôle de régularisation, il invite le contrevenant et, le cas échéant, le propriétaire du bien concerné à introduire, dans un délai qu'il fixe, une demande de contrôle de régularisation. Selon le cas, la demande est traitée conformément à la procédure prévue au Livre IV pour les demandes de permis d'urbanisme, d'urbaniser ou de diviser relevant de la compétence du Gouvernement conformément à l'article D.IV.22.
L'invitation peut comprendre une proposition d'adaptation des actes et des travaux effectués irrégulièrement, proposition dont il est tenu compte dans la demande à introduire.
La demande introduite mentionne qu'il s'agit d'une demande de contrôle de régularisation au sens du présent article.
§ 2 - Dans sa décision relative à la demande de contrôle de régularisation, le Gouvernement peut déterminer que les actes et travaux effectués irrégulièrement :
1° peuvent être approuvés ultérieurement sans modification, le cas échéant moyennant le respect de conditions fixées dans la décision en question;
2° peuvent être approuvés ultérieurement grâce à la réalisation de travaux de modification, le cas échéant moyennant le respect de conditions fixées dans la décision en question;
3° ne peuvent être approuvés ultérieurement.
§ 3 - Dans le cas visé au § 2, 1°, le Gouvernement propose une transaction. La transaction s'opère par le paiement d'une somme dont le montant est établi selon les règles arrêtées par le Gouvernement. Par infraction, le montant ne peut être inférieur à 250 euros ni supérieur à 25 000 euros.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant n'est pas plafonné lors d'infractions en lien avec des modifications sensibles du relief du sol.
Le Gouvernement fixe le délai dans lequel le paiement du montant doit intervenir, ce délai ne pouvant être supérieur à douze mois.
Le versement du montant de la transaction se fait :
1° [3 soit auprès de la commune lorsque l'infraction, à l'instigation de la commune, a été constatée par les officiers de police judiciaire et agents constatateurs visés à l'article D.VII.3, 1°, ou par les fonctionnaires et agents techniques visés à l'article D.VII.3, 2°]3;
2° soit, dans des cas particuliers, auprès de la Communauté germanophone en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
Dès réception du montant de la transaction, la décision de régularisation devient exécutoire et vaut permis conformément à l'article D.IV.1.
Le versement du montant de la transaction éteint l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
§ 4 - Dans le cas mentionné au § 2, 2°, le Gouvernement propose une transaction. Cette transaction s'opère par le paiement d'une somme dont le montant est établi selon les règles arrêtées par le Gouvernement, et par l'exécution des travaux de modification. Par infraction, le montant de l'amende ne peut être inférieur à 250 euros ni supérieur à 25 000 euros. Le cout de la réalisation des travaux de modification peut être imputé sur le montant de la transaction.
Le Gouvernement fixe le délai dans lequel le paiement du montant doit intervenir, ainsi que le délai pour mener les travaux de modification, celui-ci ne pouvant être supérieur à douze mois.
Le versement du montant de la transaction se fait :
1° [3 soit auprès de la commune lorsque l'infraction, à l'instigation de la commune, a été constatée par les officiers de police judiciaire et agents constatateurs visés à l'article D.VII.3, 1°, ou par les fonctionnaires et agents techniques visés à l'article D.VII.3, 2°]3;
2° soit, dans des cas particuliers, auprès de la Communauté germanophone en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
[2 Le demandeur informe le Gouvernement de l'achèvement des travaux de modification à réaliser dans les trente jours calendrier suivant leur achèvement et soumet les documents requis conformément à l'article D.IV.73.]2 A défaut de contrôle dans le délai imparti, les travaux de modification sont censés être conformes. Les articles D.IV.73 et D.IV.73.1 sont applicables mutatis mutandis.
Dès réception du montant de la transaction et présentation [2 de la déclaration conformément à l'article D.IV.73.1, § 1er, alinéa 2, 1° ou 2°,]2 ou, selon le cas, au terme du délai d'exécution du contrôle, la décision de régularisation est coulée en force de chose jugée et vaut permis au sens de l'article D.IV.1.
Le versement du montant de la transaction et la réalisation conforme des travaux de modification éteignent l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
§ 5 - Dans le cas mentionné au § 2, 3°, le Gouvernement exige des mesures administratives au sens de l'article D.VII.19 ou des mesures compensatoire conformément à l'article D.VII.20 et inflige, le cas échéant, une amende administrative conformément à l'article D.VII.21 ou entame une procédure judiciaire conformément à l'article D.VII.22.
§ 6 - La décision relative à la demande de contrôle de régularisation est transmise par recommandé aux personnes et organismes suivants :
1° au demandeur;
2° au propriétaire du bien concerné, s'il ne s'agit pas du demandeur;
3° au procureur du Roi;
4° au collège communal.]1
Art. D.VII.18_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - De in dit artikel beschreven procedure wordt gebruikt om na te gaan of in overtreding uitgevoerde handelingen en werken onder bepaalde voorwaarden achteraf kunnen worden vergund, hetzij op grond van de regeling die van toepassing was op het tijdstip waarop zij werden uitgevoerd, hetzij op grond van de regeling die van toepassing is op het tijdstip van het onderzoek, in voorkomend geval met toepassing van de artikelen D.IV.5 tot D.IV.13.
Section 4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures administratives]1
Afdeling 4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Administratieve maatregelen]1
Art. D.VII.19.La transaction a lieu moyennant le paiement d'une somme d'argent dont le montant est établi selon les règles arrêtées par le Gouvernement, sans que ce montant ne puisse être inférieur à deux cent cinquante euros ni supérieur à vingt-cinq mille euros.
Art. D. VII.19.Het vergelijk wordt getroffen via de betaling van een geldsom waarvan het bedrag bepaald wordt volgens de door de Regering vastgelegde regels, zonder dat dit bedrag minder mag bedragen dan tweehonderdvijftig euro of meer dan vijfentwintig duizend euro.
De storting van het bedrag van het vergelijk geschiedt :
1° ofwel in handen van de fincancieel directeur van de gemeenten indien de overtreding is vastgesteld door de ambtenaren van gerechtelijke politie en de vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3, 1° en 2°;
2° ofwel in handen van de ontvanger der registratie op een bijzondere rekening van de gewestbegroting in de andere gevallen.
De strafvordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de betaling.
[1 ...]1.
De storting van het bedrag van het vergelijk geschiedt :
1° ofwel in handen van de fincancieel directeur van de gemeenten indien de overtreding is vastgesteld door de ambtenaren van gerechtelijke politie en de vaststellende beambten bedoeld in artikel D.VII.3, 1° en 2°;
2° ofwel in handen van de ontvanger der registratie op een bijzondere rekening van de gewestbegroting in de andere gevallen.
De strafvordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de betaling.
[1 ...]1.
Art. D. VII.19_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Sans préjudice des autres mesures prévues dans le présent chapitre, le Gouvernement peut ordonner les mesures administratives suivantes, seules ou combinées :
1° le retour complet ou partiel au pristin état ou, selon le cas, la réalisation de mesures de modification dans le délai fixé par lui, délai ne pouvant dépasser douze mois;
2° la mise sous scellés du bien concerné et, si nécessaire, sa fermeture temporaire immédiate;
3° toute autre mesure utile afin d'éliminer ou d'empêcher tout dommage causé au bien ou par le bien.
La décision du Gouvernement vaut permis conformément à l'article D.IV.1.
§ 2 - Si le Gouvernement décide que des mesures administratives doivent être prises, il communique par recommandé au contrevenant :
1° les faits et leur qualification;
2° que celui-ci a la possibilité, dans un délai de trente jours calendrier à dater de la notification, d'exposer ses moyens de défense par recommandé et qu'il a le droit, à cette occasion, de demander au Gouvernement de pouvoir se défendre oralement;
3° que celui-ci a le droit de se faire assister ou représenter par son conseil;
4° que celui-ci a le droit de consulter le dossier;
5° une copie du procès-verbal de constat.
Le Gouvernement détermine le jour où le contrevenant est invité à se défendre oralement.
§ 3 - Au terme du délai fixé au § 2, 2°, ou avant son échéance si le contrevenant fait savoir qu'il ne conteste pas les faits ou, le cas échéant, après défense orale ou écrite de la cause par le contrevenant ou son conseil, le Gouvernement peut imposer les mesures administratives.
Le Gouvernement peut obliger le contrevenant à déposer une caution ou garantie comme sécurité pour les mesures à exécuter.
§ 4 - La décision du Gouvernement est transmise par recommandé aux personnes et organismes suivants :
1° au contrevenant;
2° au propriétaire du bien concerné, s'il ne s'agit pas du contrevenant;
3° au procureur du Roi;
4° au collège communal.
§ 5 - Dans les trente jours calendrier suivant la transmission de la décision, le contrevenant peut introduire un recours en adressant une demande écrite au tribunal correctionnel. La demande mentionne l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision contestée ainsi que les moyens invoqués.
Le tribunal correctionnel statue sur la régularité des mesures administratives ordonnées.
§ 6 - Si le contrevenant omet de mettre en oeuvre les mesures administratives dans le délai prescrit, le Gouvernement peut mettre d'office en oeuvre les mesures administratives, et ce, à charge dudit contrevenant.]1
1° le retour complet ou partiel au pristin état ou, selon le cas, la réalisation de mesures de modification dans le délai fixé par lui, délai ne pouvant dépasser douze mois;
2° la mise sous scellés du bien concerné et, si nécessaire, sa fermeture temporaire immédiate;
3° toute autre mesure utile afin d'éliminer ou d'empêcher tout dommage causé au bien ou par le bien.
La décision du Gouvernement vaut permis conformément à l'article D.IV.1.
§ 2 - Si le Gouvernement décide que des mesures administratives doivent être prises, il communique par recommandé au contrevenant :
1° les faits et leur qualification;
2° que celui-ci a la possibilité, dans un délai de trente jours calendrier à dater de la notification, d'exposer ses moyens de défense par recommandé et qu'il a le droit, à cette occasion, de demander au Gouvernement de pouvoir se défendre oralement;
3° que celui-ci a le droit de se faire assister ou représenter par son conseil;
4° que celui-ci a le droit de consulter le dossier;
5° une copie du procès-verbal de constat.
Le Gouvernement détermine le jour où le contrevenant est invité à se défendre oralement.
§ 3 - Au terme du délai fixé au § 2, 2°, ou avant son échéance si le contrevenant fait savoir qu'il ne conteste pas les faits ou, le cas échéant, après défense orale ou écrite de la cause par le contrevenant ou son conseil, le Gouvernement peut imposer les mesures administratives.
Le Gouvernement peut obliger le contrevenant à déposer une caution ou garantie comme sécurité pour les mesures à exécuter.
§ 4 - La décision du Gouvernement est transmise par recommandé aux personnes et organismes suivants :
1° au contrevenant;
2° au propriétaire du bien concerné, s'il ne s'agit pas du contrevenant;
3° au procureur du Roi;
4° au collège communal.
§ 5 - Dans les trente jours calendrier suivant la transmission de la décision, le contrevenant peut introduire un recours en adressant une demande écrite au tribunal correctionnel. La demande mentionne l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision contestée ainsi que les moyens invoqués.
Le tribunal correctionnel statue sur la régularité des mesures administratives ordonnées.
§ 6 - Si le contrevenant omet de mettre en oeuvre les mesures administratives dans le délai prescrit, le Gouvernement peut mettre d'office en oeuvre les mesures administratives, et ce, à charge dudit contrevenant.]1
Wijzigingen
Art. DVII.19_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Onverminderd de overige in dit hoofdstuk bepaalde maatregelen kan de Regering, afzonderlijk of in combinatie, volgende administratieve maatregelen bevelen :
Sous-section 2.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 ...]1
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 ...]1
Section 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures compensatoires]1
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Compenserende maatregelen]1
Art. D.VII.20.[1 § 1er. Lorsqu'elle est informée du paiement de la transaction, l'autorité compétente le notifie au titulaire du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2 et à l'auteur de projet.
Art. D. VII.20.[1 § 1. Wanneer ze op de hoogte wordt gebracht van de betaling van het vergelijk, zal de bevoegde overheid de houder van de vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 en de projectontwerper op de hoogte brengen.
Wanneer een betaling wordt gedaan aan de financieel directeur van de gemeente, stelt het gemeentecollege de gemachtigd ambtenaar daarvan in kennis
Wanneer een betaling wordt gedaan aan de ontvanger der registratie directeur van de gemeente, stelt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege daarvan in kennis.
Als het vergelijk niet wordt betaald binnen zes maanden na het verzoek van de overheid aan de overtreder, vervalt de vergunning of is de beoordeling in het stedenbouwkundig attest plancertificaat nr. 2 niet langer geldig. De procedure wordt voortgezet overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22. Deze periode kan op verzoek van de overtreder worden verlengd tot maximaal achttien maanden, waarbij de betalingen worden gespreid.
§ 2. Een aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 en een aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 tot regularisatie kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingediend indien de bij de twee aanvragen betrokken handelingen en werken fysisch en functioneel volledig autonoom zijn.]1
Wanneer een betaling wordt gedaan aan de financieel directeur van de gemeente, stelt het gemeentecollege de gemachtigd ambtenaar daarvan in kennis
Wanneer een betaling wordt gedaan aan de ontvanger der registratie directeur van de gemeente, stelt de gemachtigd ambtenaar het gemeentecollege daarvan in kennis.
Als het vergelijk niet wordt betaald binnen zes maanden na het verzoek van de overheid aan de overtreder, vervalt de vergunning of is de beoordeling in het stedenbouwkundig attest plancertificaat nr. 2 niet langer geldig. De procedure wordt voortgezet overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22. Deze periode kan op verzoek van de overtreder worden verlengd tot maximaal achttien maanden, waarbij de betalingen worden gespreid.
§ 2. Een aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 en een aanvraag tot vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 tot regularisatie kunnen onafhankelijk van elkaar worden ingediend indien de bij de twee aanvragen betrokken handelingen en werken fysisch en functioneel volledig autonoom zijn.]1
Art. D. VII.20_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Lorsque ni la régularisation ni le retour au pristin état ne sont possibles, le Gouvernement peut imposer des mesures compensatoires qui ne nécessitent pas de permis d'urbanisme, telles que la plantation d'arbres ou de haies, la modification non sensible du relief du sol ou la démolition de constructions litigieuses, et qui peuvent assurer le respect du bon aménagement des lieux. Dans ce cas, le Gouvernement prescrit ces mesures au contrevenant ainsi que le délai d'exécution.
§ 2 - Si les mesures compensatoires concernent :
1° un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant d'imposer la mesure;
2° un bien mentionné à l'article D.IV.14.2, un simple avis relatif au patrimoine est demandé avant d'imposer la mesure.
L'avis relatif aux mesures compensatoires est transmis dans les trente jours de l'envoi par le Gouvernement. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3 - Au terme du délai fixé, le Gouvernement acte l'exécution des mesures compensatoires conformes à sa décision[2 ...]2. [2 Les articles D.IV.73 et D.IV.73.1 sont applicables mutatis mutandis.]2
L'exécution conforme des mesures compensatoires éteint l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
A défaut d'exécution dans le délai et conformément à la décision imposant les mesures compensatoires, la procédure se poursuit conformément aux articles D.VII.12 ou D.VII.22.]1
§ 2 - Si les mesures compensatoires concernent :
1° un bien mentionné à l'article D.IV.14.1, un avis conforme relatif au patrimoine est demandé avant d'imposer la mesure;
2° un bien mentionné à l'article D.IV.14.2, un simple avis relatif au patrimoine est demandé avant d'imposer la mesure.
L'avis relatif aux mesures compensatoires est transmis dans les trente jours de l'envoi par le Gouvernement. A défaut, l'avis est réputé favorable.
§ 3 - Au terme du délai fixé, le Gouvernement acte l'exécution des mesures compensatoires conformes à sa décision[2 ...]2. [2 Les articles D.IV.73 et D.IV.73.1 sont applicables mutatis mutandis.]2
L'exécution conforme des mesures compensatoires éteint l'action publique et le droit pour les autorités publiques à demander toute autre réparation pour l'infraction concernée.
A défaut d'exécution dans le délai et conformément à la décision imposant les mesures compensatoires, la procédure se poursuit conformément aux articles D.VII.12 ou D.VII.22.]1
Art. D.VII.20_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Wanneer noch de regularisatie, noch het herstellen in de oorspronkelijke staat mogelijk zijn, kan de Regering compenserende maatregelen opleggen die geen stedenbouwkundige vergunning vereisen, zoals de aanplanting van bomen of hagen, de niet-significante wijziging van het bodemreliëf of het slopen van omstreden bouwwerken, en die een goede inrichting van de plaats kunnen waarborgen. In dat geval schrijft de Regering de overtreder voor welke maatregelen hij moet uitvoeren en binnen welke termijn hij ze moet uitvoeren.
Section 4. - Mesures de restitution
Afdeling 4. - Teruggavemaatregelen
Section 6. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Amendes administratives
Afdeling 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Administratieve geldboetes]1
Art. D.VII.21. Lorsque ni la régularisation, ni le retour au pristin état ne sont possibles mais que des mesures de restitution qui ne nécessitent pas de permis d'urbanisme telles que la plantation d'arbres ou de haies, la modification non sensible du relief du sol ou la démolition de constructions litigieuses peuvent assurer le respect du bon aménagement des lieux, le fonctionnaire délégué, de commun accord avec le collège communal, impose au contrevenant ces dernières et le délai dans lequel elles sont exécutées.
Art. D. VII.21. Wanneer noch de regularisatie, noch de terugkeer naar de vroegere staat mogelijk zijn maar indien teruggavemaatregelen die geen vergunningsvergunning vereisen, zoals de aanplanting van bomen of hagen, de niet-significante wijziging van de bodemreliëf of het slopen van omstreden bouwwerken, de naleving van de goede inrichting van de plaats kunnen waarborgen, legt de gemachtigd ambtenaar, in overeenstemming met het gemeentecollege, die maatregelen en de termijn waarin ze worden uitgevoerd, aan de overtreder op.
Na afloop van de bepaalde termijn akteert de gemachtigd ambtenaar de uitvoering van de teruggavemaatregelen die met zijn beslissing overeenstemmen. De strafvordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de uitvoering van de teruggavemaatregelen.
Indien de maatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd en overeenkomstig de beslissing tot oplegging van de teruggavemaatregelen wordt de procedure overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22. voortgezet.
Na afloop van de bepaalde termijn akteert de gemachtigd ambtenaar de uitvoering van de teruggavemaatregelen die met zijn beslissing overeenstemmen. De strafvordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de uitvoering van de teruggavemaatregelen.
Indien de maatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd en overeenkomstig de beslissing tot oplegging van de teruggavemaatregelen wordt de procedure overeenkomstig artikel D.VII.12 of D.VII.22. voortgezet.
Art. D. VII.21_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Les infractions constatées peuvent être poursuivies au moyen d'amendes administratives, sauf si :
1° dans les soixante jours calendrier suivant la demande qui lui a été adressée, le procureur du Roi a communiqué son intention de poursuivre l'infraction pénalement;
2° une décision de régularisation est coulée en force de chose jugée conformément à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°.
Les poursuites pénales, tout comme la transaction, excluent l'imposition d'une amende administrative.
§ 2 - L'amende administrative s'élève à 250 euros au moins et 100 000 euros au plus.
Si une nouvelle infraction est constatée dans les cinq ans suivant l'établissement du procès-verbal de constat, l'amende mentionnée à l'alinéa 1er est doublée.
§ 3 - Le Gouvernement dispose d'un délai de douze mois à dater de la réception du procès-verbal constatant l'infraction ou, selon le cas, de l'expiration du délai visé à l'article D.VII.18, § 1er, alinéa 2, § 3, alinéa 3, ou § 4, alinéa 2, pour infliger une amende administrative.
§ 4 - Si le Gouvernement décide qu'une amende administrative doit être infligée, il communique par recommandé au contrevenant :
1° les faits et leur qualification;
2° que celui-ci a la possibilité, dans un délai de trente jours calendrier à dater de la notification, d'exposer ses moyens de défense par recommandé et qu'il a le droit, à cette occasion, de demander au Gouvernement de pouvoir se défendre oralement;
3° que celui-ci a le droit de se faire assister ou représenter par son conseil;
4° que celui-ci a le droit de consulter le dossier;
5° une copie du procès-verbal de constat.
Le Gouvernement détermine le jour où le contrevenant est invité à se défendre oralement.
Si une amende administrative est assortie de mesures administratives, le Gouvernement le mentionne dans sa communication conformément à l'article D.VII.19, § 2, en vue de l'organisation d'une audition commune.
§ 5 - Au terme du délai fixé au § 4, 2°, ou avant son échéance si le contrevenant fait savoir qu'il ne conteste pas les faits ou, le cas échéant, après défense orale ou écrite de la cause par le contrevenant ou son conseil, le Gouvernement peut infliger les amendes administratives.
Le Gouvernement notifie sa décision par recommandé au contrevenant.
Les informations mentionnées aux articles 13 et 15 ainsi que 16 à 19 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) sont également reprises dans la notification.
§ 6 - La décision infligeant une amende administrative est exécutoire au terme d'un délai de trente jours calendrier à compter du jour de sa notification, à moins qu'un recours ne soit introduit conformément au § 7.
L'amende administrative est recouvrée en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
Dans les trente jours calendrier suivant le jour où la décision a acquis force exécutoire, l'amende est acquittée par versement ou virement sur un compte ad hoc au moyen d'un formulaire de versement ou de virement.
§ 7 - Dans les trente jours calendrier suivant la notification de la décision, le contrevenant peut introduire un recours en adressant une demande écrite au tribunal correctionnel. La demande mentionne l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision contestée ainsi que les moyens invoqués.
Le tribunal correctionnel statue sur la régularité et la proportionnalité de l'amende infligée. Il peut soit confirmer soit modifier la décision du Gouvernement.
La décision du tribunal correctionnel n'est pas susceptible d'appel.]1
1° dans les soixante jours calendrier suivant la demande qui lui a été adressée, le procureur du Roi a communiqué son intention de poursuivre l'infraction pénalement;
2° une décision de régularisation est coulée en force de chose jugée conformément à l'article D.VII.18, § 2, 1° ou 2°.
Les poursuites pénales, tout comme la transaction, excluent l'imposition d'une amende administrative.
§ 2 - L'amende administrative s'élève à 250 euros au moins et 100 000 euros au plus.
Si une nouvelle infraction est constatée dans les cinq ans suivant l'établissement du procès-verbal de constat, l'amende mentionnée à l'alinéa 1er est doublée.
§ 3 - Le Gouvernement dispose d'un délai de douze mois à dater de la réception du procès-verbal constatant l'infraction ou, selon le cas, de l'expiration du délai visé à l'article D.VII.18, § 1er, alinéa 2, § 3, alinéa 3, ou § 4, alinéa 2, pour infliger une amende administrative.
§ 4 - Si le Gouvernement décide qu'une amende administrative doit être infligée, il communique par recommandé au contrevenant :
1° les faits et leur qualification;
2° que celui-ci a la possibilité, dans un délai de trente jours calendrier à dater de la notification, d'exposer ses moyens de défense par recommandé et qu'il a le droit, à cette occasion, de demander au Gouvernement de pouvoir se défendre oralement;
3° que celui-ci a le droit de se faire assister ou représenter par son conseil;
4° que celui-ci a le droit de consulter le dossier;
5° une copie du procès-verbal de constat.
Le Gouvernement détermine le jour où le contrevenant est invité à se défendre oralement.
Si une amende administrative est assortie de mesures administratives, le Gouvernement le mentionne dans sa communication conformément à l'article D.VII.19, § 2, en vue de l'organisation d'une audition commune.
§ 5 - Au terme du délai fixé au § 4, 2°, ou avant son échéance si le contrevenant fait savoir qu'il ne conteste pas les faits ou, le cas échéant, après défense orale ou écrite de la cause par le contrevenant ou son conseil, le Gouvernement peut infliger les amendes administratives.
Le Gouvernement notifie sa décision par recommandé au contrevenant.
Les informations mentionnées aux articles 13 et 15 ainsi que 16 à 19 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) sont également reprises dans la notification.
§ 6 - La décision infligeant une amende administrative est exécutoire au terme d'un délai de trente jours calendrier à compter du jour de sa notification, à moins qu'un recours ne soit introduit conformément au § 7.
L'amende administrative est recouvrée en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1.
Dans les trente jours calendrier suivant le jour où la décision a acquis force exécutoire, l'amende est acquittée par versement ou virement sur un compte ad hoc au moyen d'un formulaire de versement ou de virement.
§ 7 - Dans les trente jours calendrier suivant la notification de la décision, le contrevenant peut introduire un recours en adressant une demande écrite au tribunal correctionnel. La demande mentionne l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision contestée ainsi que les moyens invoqués.
Le tribunal correctionnel statue sur la régularité et la proportionnalité de l'amende infligée. Il peut soit confirmer soit modifier la décision du Gouvernement.
La décision du tribunal correctionnel n'est pas susceptible d'appel.]1
Wijzigingen
Art. D. VII.21_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - De vastgestelde overtredingen kunnen vervolgd worden met administratieve geldboetes, behalve indien :
1° de procureur des Konings binnen zestig kalenderdagen na de aan hem gerichte aanvraag meegedeeld heeft dat hij van plan is om de vastgestelde overtreding strafrechtelijk te vervolgen;
2° een regularisatiebeslissing overeenkomstig artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°, in kracht van gewijsde is getreden.
In geval van een strafrechtelijke vervolging of een vergelijk kan geen administratieve geldboete worden opgelegd.
§ 2 - De administratieve geldboete bedraagt minstens 250 euro en hoogstens 100.000 euro.
Als binnen vijf jaar na het opstellen van het proces-verbaal van vaststelling een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt de geldboete vermeld in het eerste lid verdubbeld.
§ 3 - Te rekenen vanaf de ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of, naargelang van het geval, vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel D.VII.18 § 1, tweede lid, § 3, derde lid, of § 4, tweede lid, heeft de Regering twaalf maanden de tijd om een administratieve geldboete op te leggen.
§ 4 - Als de Regering beslist dat een administratieve geldboete wordt opgelegd, deelt ze de overtreder per aangetekend schrijven het volgende mee :
1° de feiten en de kwalificatie van de feiten;
2° dat de overtreder de mogelijkheid heeft zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat vanaf de dag van de aangetekende kennisgeving en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft de Regering te vragen om zich mondeling te mogen verdedigen;
3° dat de overtreder het recht heeft zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° dat de overtreder recht heeft op inzage in het dossier;
5° een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling.
De Regering bepaalt op welke dag de overtreder opgeroepen wordt om zich mondeling te verdedigen.
Als de administratieve geldboete in combinatie met administratieve maatregelen wordt geëist, vermeldt de Regering dat in haar kennisgeving overeenkomstig artikel D.VII.19, § 2, om een gemeenschappelijke hoorzitting te organiseren.
§ 5 - De Regering kan de administratieve geldboete opleggen na afloop van de termijn bepaald in § 4, 2°, of vóór afloop van die termijn als de overtreder laat weten dat hij de feiten niet betwist of, in voorkomend geval, na de mondelinge of schriftelijke verdediging van de overtreder of zijn raadsman.
De Regering brengt haar beslissing per aangetekend schrijven ter kennis van de overtreder.
De kennisgeving bevat ook de inlichtingen vermeld in artikel 13, artikel 15 en de artikelen 16 tot 19 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
§ 6 - De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen is uitvoerbaar na afloop van een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving, tenzij overeenkomstig paragraaf 7 beroep wordt ingesteld.
De administratieve geldboete wordt geïnd ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
De boete wordt betaald binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop de beslissing uitvoerbaar is geworden, door storting of overschrijving op een daartoe bestemde rekening door middel van een stortings- of overschrijvingsformulier.
§ 7 - De overtreder kan beroep instellen door een verzoekschrift in te dienen bij de correctionele rechtbank binnen dertig kalenderdagen na kennisgeving van de beslissing. In het verzoekschrift worden de identiteit en het adres van de overtreder, de benaming van de aangevochten beslissing en de aangevoerde verweermiddelen vermeld.
De correctionele rechtbank doet uitspraak over de rechtmatigheid en de evenredigheid van de opgelegde geldboete. Ze kan de beslissing van de Regering ofwel bekrachtigen, ofwel wijzigen.
Tegen de uitspraak van de correctionele rechtbank kan geen beroep worden ingesteld.]1
1° de procureur des Konings binnen zestig kalenderdagen na de aan hem gerichte aanvraag meegedeeld heeft dat hij van plan is om de vastgestelde overtreding strafrechtelijk te vervolgen;
2° een regularisatiebeslissing overeenkomstig artikel D.VII.18, § 2, 1° of 2°, in kracht van gewijsde is getreden.
In geval van een strafrechtelijke vervolging of een vergelijk kan geen administratieve geldboete worden opgelegd.
§ 2 - De administratieve geldboete bedraagt minstens 250 euro en hoogstens 100.000 euro.
Als binnen vijf jaar na het opstellen van het proces-verbaal van vaststelling een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt de geldboete vermeld in het eerste lid verdubbeld.
§ 3 - Te rekenen vanaf de ontvangst van het proces-verbaal van vaststelling van de overtreding of, naargelang van het geval, vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel D.VII.18 § 1, tweede lid, § 3, derde lid, of § 4, tweede lid, heeft de Regering twaalf maanden de tijd om een administratieve geldboete op te leggen.
§ 4 - Als de Regering beslist dat een administratieve geldboete wordt opgelegd, deelt ze de overtreder per aangetekend schrijven het volgende mee :
1° de feiten en de kwalificatie van de feiten;
2° dat de overtreder de mogelijkheid heeft zijn verweermiddelen uiteen te zetten binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat vanaf de dag van de aangetekende kennisgeving en dat hij bij die gelegenheid het recht heeft de Regering te vragen om zich mondeling te mogen verdedigen;
3° dat de overtreder het recht heeft zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° dat de overtreder recht heeft op inzage in het dossier;
5° een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling.
De Regering bepaalt op welke dag de overtreder opgeroepen wordt om zich mondeling te verdedigen.
Als de administratieve geldboete in combinatie met administratieve maatregelen wordt geëist, vermeldt de Regering dat in haar kennisgeving overeenkomstig artikel D.VII.19, § 2, om een gemeenschappelijke hoorzitting te organiseren.
§ 5 - De Regering kan de administratieve geldboete opleggen na afloop van de termijn bepaald in § 4, 2°, of vóór afloop van die termijn als de overtreder laat weten dat hij de feiten niet betwist of, in voorkomend geval, na de mondelinge of schriftelijke verdediging van de overtreder of zijn raadsman.
De Regering brengt haar beslissing per aangetekend schrijven ter kennis van de overtreder.
De kennisgeving bevat ook de inlichtingen vermeld in artikel 13, artikel 15 en de artikelen 16 tot 19 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
§ 6 - De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen is uitvoerbaar na afloop van een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving, tenzij overeenkomstig paragraaf 7 beroep wordt ingesteld.
De administratieve geldboete wordt geïnd ten gunste van het Duurzaamheidsfonds vermeld in artikel D.I.12.1.
De boete wordt betaald binnen dertig kalenderdagen na de dag waarop de beslissing uitvoerbaar is geworden, door storting of overschrijving op een daartoe bestemde rekening door middel van een stortings- of overschrijvingsformulier.
§ 7 - De overtreder kan beroep instellen door een verzoekschrift in te dienen bij de correctionele rechtbank binnen dertig kalenderdagen na kennisgeving van de beslissing. In het verzoekschrift worden de identiteit en het adres van de overtreder, de benaming van de aangevochten beslissing en de aangevoerde verweermiddelen vermeld.
De correctionele rechtbank doet uitspraak over de rechtmatigheid en de evenredigheid van de opgelegde geldboete. Ze kan de beslissing van de Regering ofwel bekrachtigen, ofwel wijzigen.
Tegen de uitspraak van de correctionele rechtbank kan geen beroep worden ingesteld.]1
Art. D. VII.21.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Le Gouvernement désigne les personnes chargées de recouvrer les amendes administratives dues et non contestées ainsi que les éventuels frais de recouvrement.
Les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont habilitées à :
1° délivrer un ordre de paiement;
2° viser l'ordre de paiement, le déclarer exécutoire et le notifier au contrevenant, le cas échéant par voie d'huissier;
3° accorder un report de paiement ou un échelonnement aux débiteurs qui peuvent prouver une situation particulièrement difficile.]1
Les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont habilitées à :
1° délivrer un ordre de paiement;
2° viser l'ordre de paiement, le déclarer exécutoire et le notifier au contrevenant, le cas échéant par voie d'huissier;
3° accorder un report de paiement ou un échelonnement aux débiteurs qui peuvent prouver une situation particulièrement difficile.]1
Art. D. VII.21.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De Regering wijst de personen aan die belast zijn met de invordering van onbetwiste en opeisbare administratieve geldboetes en met de invordering van eventuele invorderingskosten.
De personen vermeld in het eerste lid zijn gemachtigd om :
1° een betalingsbevel uit te vaardigen;
2° het betalingsbevel te viseren, uitvoerbaar te verklaren en, in voorkomend geval, bij exploot van een gerechtsdeurwaarder aan de overtreder te betekenen;
3° de schuldenaars die een bijzondere noodsituatie kunnen aantonen, uitstel van betaling of gespreide betalingen toe te staan.]1
De personen vermeld in het eerste lid zijn gemachtigd om :
1° een betalingsbevel uit te vaardigen;
2° het betalingsbevel te viseren, uitvoerbaar te verklaren en, in voorkomend geval, bij exploot van een gerechtsdeurwaarder aan de overtreder te betekenen;
3° de schuldenaars die een bijzondere noodsituatie kunnen aantonen, uitstel van betaling of gespreide betalingen toe te staan.]1
Art. D. VII.21.2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Les amendes administratives se prescrivent par cinq ans à partir de la date à laquelle elles doivent être payées.
Ce délai peut être interrompu, soit tel que prévu aux articles 2244 et suivants du Code civil, soit par un renoncement à la prescription. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, sauf s'il y a instance en justice.]1
Ce délai peut être interrompu, soit tel que prévu aux articles 2244 et suivants du Code civil, soit par un renoncement à la prescription. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, sauf s'il y a instance en justice.]1
Art. D.VII.21.2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De administratieve geldboeten verjaren na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop ze betaald moeten worden.
CHAPITRE VII. - Poursuite devant le tribunal civil
HOOFDSTUK VII. - Vervolging voor de burgerlijke rechtbank
Art. D.VII.22. A défaut d'action pénale, lorsque ni la transaction, ni l'imposition de mesures de restitution ne sont possibles, le fonctionnaire délégué ou le collège communal poursuit, devant le tribunal civil :
Art. D. VII.22. Bij gebrek aan strafvordering en indien noch het vergelijk, noch het opleggen van teruggavemaatregelen mogelijk zijn, vervolgt de gemachtigd ambtenaar of het gemeentecollege voor de burgelijke rechtbank :
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verkregen heeft.
De bepalingen van de artikelen D.VII.13 tot D.VII.15 zijn eveneens van toepassing wanneer een rechtsvordering bij de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.
1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik;
2° ofwel de uitvoering van werkzaamheden of inrichtingswerken;
3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verkregen heeft.
De bepalingen van de artikelen D.VII.13 tot D.VII.15 zijn eveneens van toepassing wanneer een rechtsvordering bij de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.
Art. D. VII.22_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 A défaut de poursuite pénale, lorsque ni la transaction au sens de l'article D.VII.18 ni l'imposition de mesures administratives au sens de l'article D.VII.19 ne sont possibles ou qu'elles ne sont pas exécutées par le contrevenant, le Gouvernement ou le collège communal poursuit, devant le tribunal civil, pour chaque infraction, seule ou combinée :]2
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement;
3° soit le paiement [2 , en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1,]2 d'une somme représentant tout ou partie de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction [2 ;]2
[2 4° soit des mesures compensatoires au sens de l'article D.VII.20.]2
Les dispositions des articles D.VII.13 à D.VII.15 sont également applicables en cas d'action introduite devant le tribunal civil.
[2 A défaut de poursuite pénale, lorsque ni la transaction au sens de l'article D.VII.18 ni l'imposition de mesures administratives au sens de l'article D.VII.19 ne sont possibles ou qu'elles ne sont pas exécutées par le contrevenant, le Gouvernement ou le collège communal poursuit, devant le tribunal civil, pour chaque infraction, seule ou combinée :]2
1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation abusive;
2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement;
3° soit le paiement [2 , en faveur du Fonds pour la durabilité mentionné à l'article D.I.12.1,]2 d'une somme représentant tout ou partie de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction [2 ;]2
[2 4° soit des mesures compensatoires au sens de l'article D.VII.20.]2
Les dispositions des articles D.VII.13 à D.VII.15 sont également applicables en cas d'action introduite devant le tribunal civil.
Art. D.VII.22_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VIII. - Droit des tiers et dispositions diverses
HOOFDSTUK VIII. - Rechten van de derden en diverse bepalingen
Art. D.VII.23. Les droits du tiers lésé agissant soit concurremment avec les autorités publiques, soit séparément d'elles, sont limités pour la réparation directe à celle choisie par l'autorité compétente, sans préjudice du droit à l'indemnisation à charge du condamné.
Art. D. VII.23. De rechten van de derde benadeelde, die samen met de openbare overheid of afzonderlijk optreedt, zijn in geval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel, onverminderd het recht om vergoeding van schade te eisen van de veroordeelde.
Art. D. VII.24. A la demande des cessionnaires ou des locataires, le tribunal peut annuler leur titre de cession ou de location, sans préjudice du droit à l'indemnisation à charge du coupable.
Art. D. VII.24. Op verzoek van de verkrijgers of huurders kan de rechtbank hun overdracht- of verhuurtitel nietig verklaren, onverminderd het recht op schadeloosstelling ten laste van de schuldige.
Art. D. VII.25. La citation devant le tribunal correctionnel en vertu de l'article D.VII.12 ou l'exploit introductif d'instance prévu par l'article D.VII.22 est transcrit à la conservation des hypothèques de la situation des biens, à la diligence de l'huissier de justice auteur de l'exploit.
La citation ou l'exploit contient la désignation cadastrale de l'immeuble objet de l'infraction et en identifie le propriétaire dans la forme et sous la sanction prévues à l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription de la citation ou de l'exploit, selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Il en est de même du certificat du fonctionnaire délégué attestant que le jugement a été exécuté, qu'une transaction a été obtenue ou que l'intéressé a obtenu de façon définitive le permis prescrit et a exécuté les travaux conformément aux dispositions réglementaires et au permis ou que des travaux de restitution ont été réalisés.
Lorsque les pouvoirs publics ou les tiers sont obligés, par suite de la carence du condamné, de pourvoir à l'exécution du jugement, la créance naissant de ce chef à leur profit est garantie par une hypothèque légale dont l'inscription, le renouvellement, la réduction et la radiation totale ou partielle sont opérés conformément aux dispositions des chapitres IV et V de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Cette garantie s'étend à la créance résultant de l'avance faite par eux du coût des formalités hypothécaires, lequel est à charge du condamné.
La citation ou l'exploit contient la désignation cadastrale de l'immeuble objet de l'infraction et en identifie le propriétaire dans la forme et sous la sanction prévues à l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription de la citation ou de l'exploit, selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Il en est de même du certificat du fonctionnaire délégué attestant que le jugement a été exécuté, qu'une transaction a été obtenue ou que l'intéressé a obtenu de façon définitive le permis prescrit et a exécuté les travaux conformément aux dispositions réglementaires et au permis ou que des travaux de restitution ont été réalisés.
Lorsque les pouvoirs publics ou les tiers sont obligés, par suite de la carence du condamné, de pourvoir à l'exécution du jugement, la créance naissant de ce chef à leur profit est garantie par une hypothèque légale dont l'inscription, le renouvellement, la réduction et la radiation totale ou partielle sont opérés conformément aux dispositions des chapitres IV et V de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Cette garantie s'étend à la créance résultant de l'avance faite par eux du coût des formalités hypothécaires, lequel est à charge du condamné.
Art. D. VII.25. De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel D.VII.12, of het exploot tot inleiding van het geding op grond van artikel D.VII.22 wordt in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn, overgeschreven ten verzoeke van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.
De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp van het misdrijf is, en identificeert de eigenaar ervan in de vorm en onder de sanctie die in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913 zijn bepaald.
Iedere in de zaak gewezen beslissing wordt in de rand van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot vermeld op de wijze bij artikel 84 van de wet van 16 december 1851 betreffende de herziening van het hypotheekstelsel voorgeschreven.
Hetzelfde geldt voor de certificaat van de gemachtigde ambtenaar, waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis uitgevoerd is, dat een vergelijk tot stand is gekomen of dat de betrokkene de voorgeschreven vergunning definitief heeft verkregen en de werken overeenkomstig de verordenende bepalingen en de vergunning heeft uitgevoerd of dat teruggavewerken zijn verricht.
Wanneer openbare besturen of derden wegens het in gebreke blijven van de veroordeelde genoopt zijn in de tenuitvoerlegging van het vonnis te voorzien, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk doorgehaald wordt overeenkomstig het bepaalde in de hoofdstukken IV en V van de wet van 16 december 1851 betreffende de herziening van het hypotheekstelsel.
Die waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten der hypothecaire formaliteiten, die door hen zijn voorgeschoten en die ten laste van de veroordeelde komen.
De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp van het misdrijf is, en identificeert de eigenaar ervan in de vorm en onder de sanctie die in artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913 zijn bepaald.
Iedere in de zaak gewezen beslissing wordt in de rand van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot vermeld op de wijze bij artikel 84 van de wet van 16 december 1851 betreffende de herziening van het hypotheekstelsel voorgeschreven.
Hetzelfde geldt voor de certificaat van de gemachtigde ambtenaar, waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis uitgevoerd is, dat een vergelijk tot stand is gekomen of dat de betrokkene de voorgeschreven vergunning definitief heeft verkregen en de werken overeenkomstig de verordenende bepalingen en de vergunning heeft uitgevoerd of dat teruggavewerken zijn verricht.
Wanneer openbare besturen of derden wegens het in gebreke blijven van de veroordeelde genoopt zijn in de tenuitvoerlegging van het vonnis te voorzien, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk doorgehaald wordt overeenkomstig het bepaalde in de hoofdstukken IV en V van de wet van 16 december 1851 betreffende de herziening van het hypotheekstelsel.
Die waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten der hypothecaire formaliteiten, die door hen zijn voorgeschoten en die ten laste van de veroordeelde komen.
Art. D. VII.25_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La citation devant le tribunal correctionnel en vertu de l'article D.VII.12 ou l'exploit introductif d'instance prévu par l'article D.VII.22 est transcrit à la conservation des hypothèques de la situation des biens, à la diligence de l'huissier de justice auteur de l'exploit.
La citation ou l'exploit contient la désignation cadastrale de l'immeuble objet de l'infraction et en identifie le propriétaire dans la forme et sous la sanction prévues à l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription de la citation ou de l'exploit, selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Il en est de même du certificat du [1 Gouvernement]1 attestant que le jugement a été exécuté, qu'une transaction a été obtenue ou que l'intéressé a obtenu de façon définitive le permis prescrit et a exécuté les travaux conformément aux dispositions réglementaires et au permis ou que des travaux de restitution ont été réalisés.
Lorsque les pouvoirs publics ou les tiers sont obligés, par suite de la carence du condamné, de pourvoir à l'exécution du jugement, la créance naissant de ce chef à leur profit est garantie par une hypothèque légale dont l'inscription, le renouvellement, la réduction et la radiation totale ou partielle sont opérés conformément aux dispositions des chapitres IV et V de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Cette garantie s'étend à la créance résultant de l'avance faite par eux du coût des formalités hypothécaires, lequel est à charge du condamné.
La citation devant le tribunal correctionnel en vertu de l'article D.VII.12 ou l'exploit introductif d'instance prévu par l'article D.VII.22 est transcrit à la conservation des hypothèques de la situation des biens, à la diligence de l'huissier de justice auteur de l'exploit.
La citation ou l'exploit contient la désignation cadastrale de l'immeuble objet de l'infraction et en identifie le propriétaire dans la forme et sous la sanction prévues à l'article 12 de la loi du 10 octobre 1913.
Toute décision rendue en la cause est mentionnée en marge de la transcription de la citation ou de l'exploit, selon la procédure prévue par l'article 84 de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Il en est de même du certificat du [1 Gouvernement]1 attestant que le jugement a été exécuté, qu'une transaction a été obtenue ou que l'intéressé a obtenu de façon définitive le permis prescrit et a exécuté les travaux conformément aux dispositions réglementaires et au permis ou que des travaux de restitution ont été réalisés.
Lorsque les pouvoirs publics ou les tiers sont obligés, par suite de la carence du condamné, de pourvoir à l'exécution du jugement, la créance naissant de ce chef à leur profit est garantie par une hypothèque légale dont l'inscription, le renouvellement, la réduction et la radiation totale ou partielle sont opérés conformément aux dispositions des chapitres IV et V de la loi du 16 décembre 1851 sur la révision du régime hypothécaire.
Cette garantie s'étend à la créance résultant de l'avance faite par eux du coût des formalités hypothécaires, lequel est à charge du condamné.
Wijzigingen
Art. D.VII.25_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
Art. D.VII.26.[1 Les procès-verbaux ayant fait l'objet d'une notification au procureur du Roi avant la date d'entrée en vigueur du présent Code sont traités sur la base des dispositions en vigueur à la date de la notification, et des articles D.VII.1, [2 D.VII.1/1]2, D.VII.7, alinéa 3, D.VII.11, alinéa 2, D.VII.12 et D.VII.19, alinéa 1er]1
Art. D. VII.26.[1 De processen-verbaal die het voorwerp hebben uitgemaakt van een betekening aan de Procureur des Konings na de inwerkingtreding van dit Wetboek worden behandeld op grond van de bepalingen die van toepassing zijn op de datum van de betekening, en van de artikelen D.VII.1, [2 D.VII.1/1]2, D.VII.7, lid 3, D.VII.11, lid 2, D.VII.12 en D.VII.19, lid 1.]1
De gewestelijke beambten belast met het opsporen en vaststellen van overtredingen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek blijven gemachtigd om de overtredingen op te sporen en vast te stellen tot het verkrijgen van het in artikel D.VII.3 bedoelde attest.
De gewestelijke beambten belast met het opsporen en vaststellen van overtredingen vóór de inwerkingtreding van het Wetboek blijven gemachtigd om de overtredingen op te sporen en vast te stellen tot het verkrijgen van het in artikel D.VII.3 bedoelde attest.
Art. D _VII.26.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Les procès-verbaux qui ont été notifiés au Procureur du Roi avant le 1er février 2023 sont traités sur la base des dispositions en vigueur au moment de la notification, à moins que de nouvelles dispositions soient plus favorables pour le contrevenant. Les mesures mentionnées aux articles D.VII.1bis, D.VII.11, alinéa 1er, D.VII.12 et D.VII.13, D.VII.16 à D.VII.21.2 ainsi que D.VII.22, dans leur version au 1er février 2023, sont, dans tous les cas, considérées comme plus favorables pour le contrevenant.]2
Les agents régionaux chargés de la recherche et de la constatation des infractions avant l'entrée en vigueur du Code restent habilités pour rechercher et constater les infractions jusqu'à l'obtention de l'attestation visée à l'article D.VII.3
[2 Les procès-verbaux qui ont été notifiés au Procureur du Roi avant le 1er février 2023 sont traités sur la base des dispositions en vigueur au moment de la notification, à moins que de nouvelles dispositions soient plus favorables pour le contrevenant. Les mesures mentionnées aux articles D.VII.1bis, D.VII.11, alinéa 1er, D.VII.12 et D.VII.13, D.VII.16 à D.VII.21.2 ainsi que D.VII.22, dans leur version au 1er février 2023, sont, dans tous les cas, considérées comme plus favorables pour le contrevenant.]2
Les agents régionaux chargés de la recherche et de la constatation des infractions avant l'entrée en vigueur du Code restent habilités pour rechercher et constater les infractions jusqu'à l'obtention de l'attestation visée à l'article D.VII.3
Art. D_VII.26.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
LIVRE VIII. - Participation du public et évaluation des incidences des plans et programmes
BOEK VIII. - Inspraak en evaluatie van de gevolgen van de plannen en programma's
TITRE Ier. - Participation du public
TITEL I. - Inspraak
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Classification des plans, périmètres, schémas, guides, permis et certificats d'urbanisme n° 2
Afdeling 1. - Indeling van de plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen, leidraden, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2
Art. D.VIII.1.Sans préjudice des articles D.II.66, § 2 et § 4, D.II.68, § 2, D.III.7, § 3, D.III.14 et D.V.2, § 10, et D.V.11, § 4, les plans, périmètres, schémas, guides, permis et certificats d'urbanisme n° 2 dont l'adoption, l'approbation ou l'autorisation, la révision ou l'abrogation comporte une phase de participation du public, sont :
Art. D. VIII.1.Onverminderd de artikelen D.II.66, § 2 en § 4, D.II.68, § 2, D.III.7, § 3, D.III.14 en D.V.2, § 10, en D.V.11, § 4, zijn de plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen, leidraden, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 waarvan de aanneming, de goedkeuring of de toelating, de herziening of de opheffing een fase van inspraak omvat :
1° het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
2° het gewestplan;
3° de volgende plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen en leidraden :
a) het meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
b) het gemeentelijk ontwikkelingsplan;
c) het lokaal beleidsontwikkelingsplan;
d) de gemeentelijke [3 en gewestelijke]3 leidraad voor stedenbouw;
e) de omtrek van de te herontwikkelen locatie;
f) de omtrek voor landschappelijk en milieuherstel;
g) de stedelijke verkavelingsomtrek;
h) [3 ...]3;
i) de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18 wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in dit artikel of wanneer hij niet van een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in dit artikel afhangt;
4° voor zover ze niet onderworpen worden aan een effectenonderzoek overeenkomstig [2 de artikelen D.64 en D.65]2, van Boek I van het Milieuwetboek en wanneer ze onderworpen worden aan een openbaar onderzoek of aan een aankondiging van een project overeenkomstig artikel D.VI.40, de volgende projecten :
a) de stedenbouwkundige vergunningen;
a) de bebouwingvergunningen;
c) de stedenbouwkundige attesten nr. 2.
1° het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
2° het gewestplan;
3° de volgende plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen en leidraden :
a) het meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
b) het gemeentelijk ontwikkelingsplan;
c) het lokaal beleidsontwikkelingsplan;
d) de gemeentelijke [3 en gewestelijke]3 leidraad voor stedenbouw;
e) de omtrek van de te herontwikkelen locatie;
f) de omtrek voor landschappelijk en milieuherstel;
g) de stedelijke verkavelingsomtrek;
h) [3 ...]3;
i) de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18 wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in dit artikel of wanneer hij niet van een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in dit artikel afhangt;
4° voor zover ze niet onderworpen worden aan een effectenonderzoek overeenkomstig [2 de artikelen D.64 en D.65]2, van Boek I van het Milieuwetboek en wanneer ze onderworpen worden aan een openbaar onderzoek of aan een aankondiging van een project overeenkomstig artikel D.VI.40, de volgende projecten :
a) de stedenbouwkundige vergunningen;
a) de bebouwingvergunningen;
c) de stedenbouwkundige attesten nr. 2.
Art. D _VIII.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sans préjudice des articles D.II.66, § 2 et § 4, D.II.68, § 2, D.III.7, § 3, D.III.14 et [2 D.II.57.6, § 2]2, les plans, périmètres, schémas, guides, permis et certificats d'urbanisme n° 2 dont l'adoption, l'approbation ou l'autorisation, la révision ou l'abrogation comporte une phase de participation du public, sont :
1° le schéma de développement du territoire;
2° le plan de secteur;
3° les plans, périmètres, schémas, et guides suivants :
a) le schéma de développement pluricommunal;
b) le schéma de développement communal;
c) le schéma d'orientation local;
d) le guide communal d'urbanisme;
e) [2 le périmètre d'un site à réaménager;]2
f) [2 ...]2
g) le périmètre de remembrement urbain;
h) [2 le plan d'expropriation visé à l'article 7, § 1er, du décret de la Région wallonne du 22 novembre 2018 relatif à la procédure d'expropriation lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, un périmètre ou un schéma au sens du présent chapitre;]2
i) le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18 lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé au présent article ou lorsqu'il est indépendant d'un plan, périmètre ou schéma visé au présent article;
4° pour autant qu'ils ne soient pas soumis à une étude d'incidences conformément [3 aux articles D.64 et D.65]3, du Livre Ier du Code de l'Environnement, et lorsqu'ils sont soumis à enquête publique ou à annonce de projet en application de l'article D.IV.40, les projets suivants :
a) les permis d'urbanisme;
b) les [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2;
c) les certificats d'urbanisme n° 2.
Sans préjudice des articles D.II.66, § 2 et § 4, D.II.68, § 2, D.III.7, § 3, D.III.14 et [2 D.II.57.6, § 2]2, les plans, périmètres, schémas, guides, permis et certificats d'urbanisme n° 2 dont l'adoption, l'approbation ou l'autorisation, la révision ou l'abrogation comporte une phase de participation du public, sont :
1° le schéma de développement du territoire;
2° le plan de secteur;
3° les plans, périmètres, schémas, et guides suivants :
a) le schéma de développement pluricommunal;
b) le schéma de développement communal;
c) le schéma d'orientation local;
d) le guide communal d'urbanisme;
e) [2 le périmètre d'un site à réaménager;]2
f) [2 ...]2
g) le périmètre de remembrement urbain;
h) [2 le plan d'expropriation visé à l'article 7, § 1er, du décret de la Région wallonne du 22 novembre 2018 relatif à la procédure d'expropriation lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, un périmètre ou un schéma au sens du présent chapitre;]2
i) le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18 lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé au présent article ou lorsqu'il est indépendant d'un plan, périmètre ou schéma visé au présent article;
4° pour autant qu'ils ne soient pas soumis à une étude d'incidences conformément [3 aux articles D.64 et D.65]3, du Livre Ier du Code de l'Environnement, et lorsqu'ils sont soumis à enquête publique ou à annonce de projet en application de l'article D.IV.40, les projets suivants :
a) les permis d'urbanisme;
b) les [2 permis d'urbaniser ou de diviser]2;
c) les certificats d'urbanisme n° 2.
Art. D_VIII.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. - Principes généraux de la participation du public
Afdeling 2. - Algemene principes van de inspraak
Art. D.VIII.2. § 1er. La participation du public à l'élaboration de plans, périmètres, schémas, guides et au processus décisionnel des permis et certificats d'urbanisme n° 2 est assurée conformément au titre 1er sans préjudice de l'application des dispositions concernant l'accès à l'information en matière d'environnement.
Art. D. VIII.2. § 1. De inspraak bij de uitwerking van plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen, leidraden en de besluitvorming van de vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 wordt gewaarborgd overeenkomstig titel 1 onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de toegang tot de informatie inzake leefmilieu.
De resultaten van het inspraakproces worden behoorlijk in aanmerking genomen.
§ 2. Wanneer eenzelfde project krachtens verschillende wetgevingen aan een openbaar onderzoek onderworpen moet worden, kunnen slechts één openbaar onderzoek, en in voorkomend geval, één enkele informatie- of overlegvergadering georganiseerd worden om de eisen van bedoelde wetgevingen te vervullen.
Daartoe omvat het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier, naast de documenten vereist bij andere wetgevingen, de documenten vereist bij artikel D.VIII.15. De modaliteiten voor de inspraak worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die een maximale deelneming waarborgen.
De resultaten van het inspraakproces worden behoorlijk in aanmerking genomen.
§ 2. Wanneer eenzelfde project krachtens verschillende wetgevingen aan een openbaar onderzoek onderworpen moet worden, kunnen slechts één openbaar onderzoek, en in voorkomend geval, één enkele informatie- of overlegvergadering georganiseerd worden om de eisen van bedoelde wetgevingen te vervullen.
Daartoe omvat het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier, naast de documenten vereist bij andere wetgevingen, de documenten vereist bij artikel D.VIII.15. De modaliteiten voor de inspraak worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die een maximale deelneming waarborgen.
Art. D. VIII.3. Si le permis ou le certificat d'urbanisme n° 2 nécessite une annonce de projet et une enquête publique, le dossier est soumis à enquête publique.
Art. D. VIII.3. Indien de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 een aankondiging van project en een openbaar onderzoek vereist, wordt het dossier aan een openbaar onderzoek onderworpen.
Art. D. VIII.4. Pour les plans de secteur, le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin précise, sur la base du projet de plan et du rapport sur les incidences environnementales, les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étend la révision, susceptibles d'être affectées par la révision et sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.
Art. D.VIII.4. Voor de gewestplannen bepaalt de Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon op basis van het ontwerp van plan en van het verslag over de milieueffecten de gemeenten, met inbegrip van de gemeente(n) waartoe de herziening zich uitbreidt, die betrokken kunnen zijn door de herziening en op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.
CHAPITRE II. - Réunion d'information préalable
HOOFDSTUK II. - Voorafgaandelijke informatievergadering
Section 1e. [1 Réunion d'information préalable à la révision du plan de secteur]1
Afdeling 1. [1 Informatievergadering voorafgaand aan de herziening van het gewestplan]1
Art. D.VIII.5.[1 § 1er. Pour les plans de secteur dont la révision est d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique en application des articles D.II.47, D.II.48, et D.II.52, une réunion d'information préalable est réalisée avant l'envoi de la demande au Gouvernement.
Art. D. VIII.5.[1 § 1. Voor de gewestplannen waarvan de herziening op initiatief van de gemeente of van een overeenkomstig de artikelen D.II.47, D.II.48, en D.II.52, private of publieke natuurlijke of rechtspersoon wordt bepaald, vindt een voorafgaandelijke informatievergadering plaats voor de verzending van de aanvraag aan de Regering
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 uiteen te zetten;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in het verslag over de milieueffecten te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
§ 2. De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bepaalt wat volgt: 1° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen en hun fysieke en elektronische adressen, bij wie de informatie kan worden verkregen
§ 3. De informatievergadering vindt plaats in de gemeente op het grondgebied waarvan de geplande herziening van het gewestplan in oppervlakte de grootste is of op het grondgebied waarvan het op te nemen tracé het langste is.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, maakt de in paragraaf 2 bedoelde informatie over aan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, en ter informatie aan de administratie.
§ 4. Elk gemeentecollege zal ten minste vijftien dagen voor de informatievergadering en tot de dag na de vergadering op de gebruikelijke plaatsen een aankondiging ophangen. Ze zal de aankondiging ook ophangen op vier plaatsen in de buurt van het gebied in kwestie, langs een openbare weg die gebruikt kan worden door voertuigen of personen op doorreis. Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente.";
Het bericht vermeldt:
1° de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen
2° de aard van het project en de locatie, het doel van de vergadering en de datum, het uuren de plaats van de informatievergadering;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, en hun fysieke en elektronische adressen, bij wie de informatie kan worden verkregen
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, verspreidt het bericht in twee gewestelijke dagbladen en in een huis-aan-huisblad in de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 5. De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, nodigt de volgende personen of instellingen op de vergadering uit:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ;
3° een vertegenwoordiger van het bestuur bevoegd voor leefmilieu; 4° de Beleidsgroep Leefmilieu
5° de gemeentelijke commissie van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 6. Een vertegenwoordiger van het gemeentecollege van de gemeente waarin de informatievergadering plaatsvindt, zit de vergadering voor. De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, stelt het ontwerp van herziening van het gewestplan voor.
De vergadering wordt gefilmd door de persoon of overheid die het initiatief neemt tot de herziening, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening neemt, is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven enhet publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen;
b) de vertegenwoordigers van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland en adviseurs inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu;
c) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
§ 7. De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in paragraaf 8 bedoelde periode van vijftien dagen
De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.
§ 8. Elke persoon kan binnen vijftien dagen na de vergadering zijn opmerkingen en suggestiesover het ontwerp van herziening van het gewestplan schriftelijk richten aan het gemeentecollege van elke gemeente. Elke persoon kan eveneens op bijzondere punten wijzen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
Opmerkingen en suggesties moeten per post, fax of e-mail naar het door de gemeente opgegeven adres worden gestuurd.
Elk gemeentecollege richt aan de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, het afschrift van de eventuele opmerkingen, suggesties en voorstellen binnen dertig dagen na de informatievergadering. Het gemeentecollege waar de informatievergadering wordt gehouden, notuleert de bijeenkomst en stelt een verklaring op dat de video de in paragraaf 6, zesde alinea, bedoelde informatie bevatte, en zendt deze binnen dezelfde termijn aan de persoon of overheid die het initiatief tot de herziening heeft genomen en stelt deze ter beschikking van het publiek.]1
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 uiteen te zetten;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in het verslag over de milieueffecten te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
§ 2. De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bepaalt wat volgt: 1° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen en hun fysieke en elektronische adressen, bij wie de informatie kan worden verkregen
§ 3. De informatievergadering vindt plaats in de gemeente op het grondgebied waarvan de geplande herziening van het gewestplan in oppervlakte de grootste is of op het grondgebied waarvan het op te nemen tracé het langste is.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, maakt de in paragraaf 2 bedoelde informatie over aan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, en ter informatie aan de administratie.
§ 4. Elk gemeentecollege zal ten minste vijftien dagen voor de informatievergadering en tot de dag na de vergadering op de gebruikelijke plaatsen een aankondiging ophangen. Ze zal de aankondiging ook ophangen op vier plaatsen in de buurt van het gebied in kwestie, langs een openbare weg die gebruikt kan worden door voertuigen of personen op doorreis. Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente.";
Het bericht vermeldt:
1° de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen
2° de aard van het project en de locatie, het doel van de vergadering en de datum, het uuren de plaats van de informatievergadering;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, en hun fysieke en elektronische adressen, bij wie de informatie kan worden verkregen
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, verspreidt het bericht in twee gewestelijke dagbladen en in een huis-aan-huisblad in de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 5. De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, nodigt de volgende personen of instellingen op de vergadering uit:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ;
3° een vertegenwoordiger van het bestuur bevoegd voor leefmilieu; 4° de Beleidsgroep Leefmilieu
5° de gemeentelijke commissie van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 6. Een vertegenwoordiger van het gemeentecollege van de gemeente waarin de informatievergadering plaatsvindt, zit de vergadering voor. De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, stelt het ontwerp van herziening van het gewestplan voor.
De vergadering wordt gefilmd door de persoon of overheid die het initiatief neemt tot de herziening, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening neemt, is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven enhet publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen;
b) de vertegenwoordigers van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland en adviseurs inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu;
c) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
§ 7. De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in paragraaf 8 bedoelde periode van vijftien dagen
De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.
§ 8. Elke persoon kan binnen vijftien dagen na de vergadering zijn opmerkingen en suggestiesover het ontwerp van herziening van het gewestplan schriftelijk richten aan het gemeentecollege van elke gemeente. Elke persoon kan eveneens op bijzondere punten wijzen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
Opmerkingen en suggesties moeten per post, fax of e-mail naar het door de gemeente opgegeven adres worden gestuurd.
Elk gemeentecollege richt aan de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, het afschrift van de eventuele opmerkingen, suggesties en voorstellen binnen dertig dagen na de informatievergadering. Het gemeentecollege waar de informatievergadering wordt gehouden, notuleert de bijeenkomst en stelt een verklaring op dat de video de in paragraaf 6, zesde alinea, bedoelde informatie bevatte, en zendt deze binnen dezelfde termijn aan de persoon of overheid die het initiatief tot de herziening heeft genomen en stelt deze ter beschikking van het publiek.]1
Art. D. VIII.5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Pour les plans de secteur dont la révision est d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique en application des articles D.II.47 D.II.48, et D.II.52, une réunion d'information préalable est réalisée avant l'envoi de la demande au Gouvernement.
La réunion d'information a pour objet :
1° de permettre au demandeur de présenter le dossier de base visé à l'article D.II.44;
2° de permettre au public de s'informer et d'émettre ses observations sur le projet de révision du plan de secteur;
3° de mettre en évidence, le cas échéant, les points particuliers qui pourraient être abordés dans le rapport sur les incidences environnementales;
4° de présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées pour le demandeur afin qu'il en soit tenu compte dans le rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision fixe la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information et les personnes, ainsi que leurs adresses, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur projetée est, en superficie, la plus importante ou sur le territoire de laquelle le tracé à inscrire a la longueur la plus importante.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision transmet les informations visées à l'alinéa 1er au collège communal de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée, et [1 au Gouvernement]1 pour information.
§ 3. Chaque collège communal affiche un avis aux endroits habituels d'affichage au moins quinze jours avant la tenue de la réunion d'information et jusqu'au lendemain de celle-ci. Il affiche l'avis à quatre endroits proches du périmètre concerné, le long d'une voie publique carrossable ou de passage. L'avis peut être publié sur le site Internet de la commune concernée.
L'avis mentionne au minimum la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision, la nature du projet et son lieu d'implantation, l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information, et les personnes, ainsi que leurs adresses, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision diffuse l'avis dans [1 au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande et un journal toute boîte de langue allemande]1 couvrant la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° [1 ...]1
3° un représentant [1 du Gouvernement wallon]1;
4° le pôle "Environnement";
5° la commission communale de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée;
6° [1 le conseil consultatif]1;
7° les représentants de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée.
§ 4. Un représentant du collège communal de la commune dans laquelle la réunion d'information a lieu préside la réunion. Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
§ 5. La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision présente le projet de révision de plan de secteur.
§ 6. Toute personne peut adresser par écrit au collège communal de chaque commune, dans les quinze jours de la réunion, ses observations et suggestions concernant le projet de révision du plan de secteur. Elle peut également mettre en évidence des points particuliers, et présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées par la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision, afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
Chaque collège communal adresse à la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information. Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information, l'envoie dans le même délai à la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision et le tient à la disposition du public.
§ 1er. Pour les plans de secteur dont la révision est d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique en application des articles D.II.47 D.II.48, et D.II.52, une réunion d'information préalable est réalisée avant l'envoi de la demande au Gouvernement.
La réunion d'information a pour objet :
1° de permettre au demandeur de présenter le dossier de base visé à l'article D.II.44;
2° de permettre au public de s'informer et d'émettre ses observations sur le projet de révision du plan de secteur;
3° de mettre en évidence, le cas échéant, les points particuliers qui pourraient être abordés dans le rapport sur les incidences environnementales;
4° de présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées pour le demandeur afin qu'il en soit tenu compte dans le rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision fixe la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information et les personnes, ainsi que leurs adresses, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur projetée est, en superficie, la plus importante ou sur le territoire de laquelle le tracé à inscrire a la longueur la plus importante.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision transmet les informations visées à l'alinéa 1er au collège communal de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée, et [1 au Gouvernement]1 pour information.
§ 3. Chaque collège communal affiche un avis aux endroits habituels d'affichage au moins quinze jours avant la tenue de la réunion d'information et jusqu'au lendemain de celle-ci. Il affiche l'avis à quatre endroits proches du périmètre concerné, le long d'une voie publique carrossable ou de passage. L'avis peut être publié sur le site Internet de la commune concernée.
L'avis mentionne au minimum la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision, la nature du projet et son lieu d'implantation, l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information, et les personnes, ainsi que leurs adresses, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision diffuse l'avis dans [1 au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande et un journal toute boîte de langue allemande]1 couvrant la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée.
La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° [1 ...]1
3° un représentant [1 du Gouvernement wallon]1;
4° le pôle "Environnement";
5° la commission communale de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée;
6° [1 le conseil consultatif]1;
7° les représentants de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est projetée.
§ 4. Un représentant du collège communal de la commune dans laquelle la réunion d'information a lieu préside la réunion. Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
§ 5. La personne ou l'autorité à l'initiative de la révision présente le projet de révision de plan de secteur.
§ 6. Toute personne peut adresser par écrit au collège communal de chaque commune, dans les quinze jours de la réunion, ses observations et suggestions concernant le projet de révision du plan de secteur. Elle peut également mettre en évidence des points particuliers, et présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées par la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision, afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
Chaque collège communal adresse à la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information. Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information, l'envoie dans le même délai à la personne ou l'autorité à l'initiative de la révision et le tient à la disposition du public.
Wijzigingen
Art. D.VIII.5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. [1 Réunion d'information préalable à une procédure conjointe plan permis]1
Afdeling 2. [1 Informatievergadering voorafgaand aan een gezamenlijke procedure vergunning/plan]1
Art. D.VIII.5/1. [1 Pour les demandes visées à l'article D.II.54, une réunion d'information préalable est réalisée avant l'envoi de la demande au Gouvernement.
Art. D. VIII.5/1. [1 Voor de aanvragen bedoeld in artikel D.II.54 wordt vóór de indiening van de aanvraag bij de Regering een informatievergadering belegd.
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 en het project voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan en over het project;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in de gezamenlijke milieueffectenbeoodeling te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in de gezamenlijke milieueffectenbeoodeling.]1
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 en het project voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan en over het project;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in de gezamenlijke milieueffectenbeoodeling te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in de gezamenlijke milieueffectenbeoodeling.]1
Art. D. VIII.5/2. [1 Le demandeur adresse au Gouvernement les informations visées à l'article D.29-5, § 2, alinéa 1er, 2°, du Livre Ier du Code de l'Environnement et la demande de révision du plan de secteur, accompagnée du dossier de base.
Il l'informe :
1° de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'information;
2° des modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
3° des personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues;
4° de l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Dans les vingt-cinq jours de la réception de ces informations, le Gouvernement ou son délégué détermine les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étendent le projet et la révision du plan de secteur, susceptibles d'être affectées par lesdits projet et révision du plan de secteur, sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée. Il en informe le demandeur par envoi recommandé.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur projetée est, en superficie, la plus importante ou sur le territoire de laquelle le tracé à inscrire a la longueur la plus importante.]1
Il l'informe :
1° de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'information;
2° des modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
3° des personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues;
4° de l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Dans les vingt-cinq jours de la réception de ces informations, le Gouvernement ou son délégué détermine les communes, en ce compris la ou les communes auxquelles s'étendent le projet et la révision du plan de secteur, susceptibles d'être affectées par lesdits projet et révision du plan de secteur, sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée. Il en informe le demandeur par envoi recommandé.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur projetée est, en superficie, la plus importante ou sur le territoire de laquelle le tracé à inscrire a la longueur la plus importante.]1
Art. D. VIII.5/2. [1 De aanvrager bezorgt de Regering de informatie bedoeld in artikel D.29-5, § 2, eerste lid, 2°, van Boek I van de milieuwet en de aanvraag tot herziening van het gewestplan, vergezeld van het basisdossier.
Hij informeert haar:
1° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen, en hun fysiek en elektronisch adres, bij wie de informatie kan worden verkregen;
4° de identiteit van de persoon die gekozen is om de gezamenlijke effectbeoordeling uit te voeren.
Binnen vijfentwintig dagen na ontvangst van deze informatie bepaalt de Regering of haar afgevaardigde de gemeenten, met inbegrip van de gemeente of gemeenten waartoe het project en de herziening van het gewestplan zich uitstrekken, die door het genoemde project en de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen, op wier grondgebied een openbaar onderzoek zal worden gehouden. De Dienst licht de persoon bij aangetekend schrijven erover in.
De informatievergadering vindt plaats in de gemeente op het grondgebied waarvan de geplande herziening van het gewestplan in oppervlakte de grootste is of op het grondgebied waarvan het op te nemen tracé het langste is.]1
Hij informeert haar:
1° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen, en hun fysiek en elektronisch adres, bij wie de informatie kan worden verkregen;
4° de identiteit van de persoon die gekozen is om de gezamenlijke effectbeoordeling uit te voeren.
Binnen vijfentwintig dagen na ontvangst van deze informatie bepaalt de Regering of haar afgevaardigde de gemeenten, met inbegrip van de gemeente of gemeenten waartoe het project en de herziening van het gewestplan zich uitstrekken, die door het genoemde project en de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen, op wier grondgebied een openbaar onderzoek zal worden gehouden. De Dienst licht de persoon bij aangetekend schrijven erover in.
De informatievergadering vindt plaats in de gemeente op het grondgebied waarvan de geplande herziening van het gewestplan in oppervlakte de grootste is of op het grondgebied waarvan het op te nemen tracé het langste is.]1
Art. D. VIII.5/3. [1 Le demandeur transmet les informations et supports visés à l'article D.VIII.5/2, alinéa 2, au collège communal de chaque commune susceptible d'être affectée, et à l'administration pour information.
Le demandeur invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° un représentant de l'administration et le fonctionnaire délégué; 3° un représentant de l'administration de l'environnement;
4° le pôle " Environnement ";
5° les commissions communales des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou la révision du plan de secteur;
6° le pôle " Aménagement du territoire ";
7° les représentants des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou la révision du plan de secteur;
8° la personne choisie par le demandeur pour réaliser l'évaluation des incidences.]1
Le demandeur invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° un représentant de l'administration et le fonctionnaire délégué; 3° un représentant de l'administration de l'environnement;
4° le pôle " Environnement ";
5° les commissions communales des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou la révision du plan de secteur;
6° le pôle " Aménagement du territoire ";
7° les représentants des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou la révision du plan de secteur;
8° la personne choisie par le demandeur pour réaliser l'évaluation des incidences.]1
Art. D. VIII.5/3. [1 De aanvrager stuurt de informatie en informatiedragers als bedoeld in artikel D.VIII.5/2, lid 2, naar het gemeentecollege van elke gemeente die kan worden getroffen, en ter informatie naar de administratie .
De aanvrager nodigt uit voor deze vergadering:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ; 3° een vertegenwoordiger van de leefmilieu-administratie;
4° de Beleidsgroep Leefmilieu;
5° de gemeentelijke commissies van de gemeenten die door het project of de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeenten die door het project of de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen;
8° de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren.]1
De aanvrager nodigt uit voor deze vergadering:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ; 3° een vertegenwoordiger van de leefmilieu-administratie;
4° de Beleidsgroep Leefmilieu;
5° de gemeentelijke commissies van de gemeenten die door het project of de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeenten die door het project of de herziening van het gewestplan kunnen worden getroffen;
8° de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren.]1
Art. D. VIII.5/4. [1 D'initiative ou à la demande de l'une des personnes ou instances invitées par le demandeur, le Gouvernement peut, après l'avoir entendue, récuser la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences si elle se trouve dans des conditions susceptibles de mettre en cause l'indépendance de l'exercice de sa mission.
La demande est adressée au Gouvernement dans les dix jours de la réception de l'invitation.
Le Gouvernement statue dans les quinze jours de la réception de la demande ou de la réception de l'invitation s'il statue d'office.
La décision de récusation est notifiée à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences ainsi qu'au demandeur de permis, par envoi.]1
La demande est adressée au Gouvernement dans les dix jours de la réception de l'invitation.
Le Gouvernement statue dans les quinze jours de la réception de la demande ou de la réception de l'invitation s'il statue d'office.
La décision de récusation est notifiée à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences ainsi qu'au demandeur de permis, par envoi.]1
Art. D. VIII.5/4. [1 Op eigen initiatief of op verzoek van een van de personen of instanties die door de aanvrager zijn uitgenodigd, kan de Regering, na de aanvrager te hebben gehoord, de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling, wraken indien deze persoon in een positie verkeert die de onafhankelijkheid van de uitoefening van zijn opdracht in het gedrang kan brengen.
Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst.
De Regering neemt een beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek of na ontvangst van de uitnodiging indien zij ambtshalve een beslissing neemt.
Het besluit tot wraking wordt verstuurd naar de auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvrager van de vergunning.]1
Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst.
De Regering neemt een beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek of na ontvangst van de uitnodiging indien zij ambtshalve een beslissing neemt.
Het besluit tot wraking wordt verstuurd naar de auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvrager van de vergunning.]1
Art. D. VIII.5/5. [1 Chaque collège communal affiche un avis au moins quinze jours avant la tenue de la réunion d'information et jusqu'au lendemain de celle-ci.
L'avis est affiché aux endroits habituels d'affichage, à quatre endroits proches du périmètre concerné par la demande visée à l'article D.II.54, et le long d'une voie publique carrossable ou de passage.
L'avis est publié sur le site internet de chaque commune concernée. L'avis mentionne :
1° l'identité du demandeur;
2° la nature de la demande de modification du plan de secteur et du projet et leur lieu d'implantation;
3° l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information;
4° les modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
5° les personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues et l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Le demandeur diffuse l'avis dans deux journaux régionaux et un journal toute boîte couvrant chaque commune susceptible d'être affectée.
Le demandeur adresse copie des avis publiés à chaque collège communal.]1
L'avis est affiché aux endroits habituels d'affichage, à quatre endroits proches du périmètre concerné par la demande visée à l'article D.II.54, et le long d'une voie publique carrossable ou de passage.
L'avis est publié sur le site internet de chaque commune concernée. L'avis mentionne :
1° l'identité du demandeur;
2° la nature de la demande de modification du plan de secteur et du projet et leur lieu d'implantation;
3° l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information;
4° les modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
5° les personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues et l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Le demandeur diffuse l'avis dans deux journaux régionaux et un journal toute boîte couvrant chaque commune susceptible d'être affectée.
Le demandeur adresse copie des avis publiés à chaque collège communal.]1
Art. D. VIII.5/5. [1 Elk gemeentecollege plakt een bericht aan de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aan minstens vijftien dagen voor het houden van de informatievergadering en tot de dag volgend op die vergadering.
Het bericht wordt aangeplakt op de gebruikelijke aanplakkingsplaatsen, op vier plaatsen dicht bij de omtrek waarop de aanvraag betrekking heeft zoals bedoeld in artikel D.II.54, en langs een berijdbare of druk gebruikte openbare weg.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente. Het bericht vermeldt:
1° de identiteit van de aanvrager;
2° de aard van de aanvraag tot wijziging van het gewestplan en het project, en de locatie van het project;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, met hun fysiek adres en elektroniscadres, bij wie informatie kan worden verkregen en de identiteit van de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling.
De aanvrager publiceert het bericht in twee regionale dagbladen en één huis-aan-huisblad in elke gemeente waarvoor dit waarschijnlijk gevolgen heeft.
De aanvrager richt een afschrift van de gepubliceerde berichten aan het gemeentecollege.]1
Het bericht wordt aangeplakt op de gebruikelijke aanplakkingsplaatsen, op vier plaatsen dicht bij de omtrek waarop de aanvraag betrekking heeft zoals bedoeld in artikel D.II.54, en langs een berijdbare of druk gebruikte openbare weg.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente. Het bericht vermeldt:
1° de identiteit van de aanvrager;
2° de aard van de aanvraag tot wijziging van het gewestplan en het project, en de locatie van het project;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, met hun fysiek adres en elektroniscadres, bij wie informatie kan worden verkregen en de identiteit van de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling.
De aanvrager publiceert het bericht in twee regionale dagbladen en één huis-aan-huisblad in elke gemeente waarvoor dit waarschijnlijk gevolgen heeft.
De aanvrager richt een afschrift van de gepubliceerde berichten aan het gemeentecollege.]1
Art. D. VIII.5/6. [1 Un représentant du collège communal de la commune dans laquelle la réunion d'information a lieu préside la réunion.
Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
Le demandeur présente la demande de révision de plan de secteur et le projet.
La réunion est filmée par le demandeur, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
Le demandeur est responsable du traitement des données à caractère personnel opéré par l'enregistrement de la vidéo et par sa consultation.
L'enregistrement et sa consultation possible ont pour finalité d'assurer une publicité active maximale en accroissant le niveau de participation du public en lui permettant de s'informer et d'émettre des observations en consultant ultérieurement la vidéo de la réunion d'information préalable.
L'enregistrement comporte :
1° une captation audio et vidéo des interventions :
a) du demandeur;
b) de la personne choisie pour réaliser l'évaluation des incidences;
c) des représentants et des conseillers en aménagement du territoire ou en environnement de la commune dans laquelle a lieu la réunion;
d) du représentant du Gouvernement;
2° une captation audio de toutes les autres interventions.
La vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors de celle-ci sont consultables à la commune sur rendez-vous et à distance, à partir du surlendemain de la réunion et jusqu'à l'échéance du délai de quinze jours visé à l'article D.VIII.5/7. La vidéo est détruite au terme de ce délai par le responsable du traitement des données à caractère personnel.]1
Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
Le demandeur présente la demande de révision de plan de secteur et le projet.
La réunion est filmée par le demandeur, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
Le demandeur est responsable du traitement des données à caractère personnel opéré par l'enregistrement de la vidéo et par sa consultation.
L'enregistrement et sa consultation possible ont pour finalité d'assurer une publicité active maximale en accroissant le niveau de participation du public en lui permettant de s'informer et d'émettre des observations en consultant ultérieurement la vidéo de la réunion d'information préalable.
L'enregistrement comporte :
1° une captation audio et vidéo des interventions :
a) du demandeur;
b) de la personne choisie pour réaliser l'évaluation des incidences;
c) des représentants et des conseillers en aménagement du territoire ou en environnement de la commune dans laquelle a lieu la réunion;
d) du représentant du Gouvernement;
2° une captation audio de toutes les autres interventions.
La vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors de celle-ci sont consultables à la commune sur rendez-vous et à distance, à partir du surlendemain de la réunion et jusqu'à l'échéance du délai de quinze jours visé à l'article D.VIII.5/7. La vidéo est détruite au terme de ce délai par le responsable du traitement des données à caractère personnel.]1
Art. D. VIII.5/6. [1 Een vertegenwoordiger van het gemeentecollege van de gemeente waarin de informatievergadering plaatsvindt, zit de vergadering voor.
De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De aanvrager presenteert de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het project.
De vergadering wordt gefilmd door de aanvrager, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De aanvrager is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven en het publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de aanvrager;
b) de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren
c) van de vertegenwoordigers en adviseurs op het gebied van ruimtelijke ordening of milieu van de gemeente waar de bijeenkomst wordt gehouden;
d) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in artikel D.VIII.5/7 bedoelde periode van vijftien dagen De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.]1
De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De aanvrager presenteert de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het project.
De vergadering wordt gefilmd door de aanvrager, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De aanvrager is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven en het publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de aanvrager;
b) de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren
c) van de vertegenwoordigers en adviseurs op het gebied van ruimtelijke ordening of milieu van de gemeente waar de bijeenkomst wordt gehouden;
d) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in artikel D.VIII.5/7 bedoelde periode van vijftien dagen De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.]1
Art. D. VIII.5/7. [1 Dans les quinze jours de la réunion, toute personne peut adresser par écrit au collège communal de chaque commune ses observations et suggestions concernant la demande visée à l'article D.II.54. Elle peut également mettre en évidence des points particuliers, et présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées par le demandeur, afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation de l'évaluation conjointe des incidences.
Les observations et suggestions sont adressées par courrier, par télécopie, ou par courrier électronique à l'adresse définie par la commune à cet effet.
Chaque collège communal adresse au demandeur la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information.
Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information et une attestation de ce que la vidéo comportait les éléments visés à l'article D.VIII.5/6, alinéa 7. Il les envoie dans le même délai au demandeur et à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences et le tient à la disposition du public.]1
Les observations et suggestions sont adressées par courrier, par télécopie, ou par courrier électronique à l'adresse définie par la commune à cet effet.
Chaque collège communal adresse au demandeur la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information.
Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information et une attestation de ce que la vidéo comportait les éléments visés à l'article D.VIII.5/6, alinéa 7. Il les envoie dans le même délai au demandeur et à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences et le tient à la disposition du public.]1
Art. D.VIII.5/7. [1 Binnen vijftien dagen na de vergadering kan eenieder schriftelijke opmerkingen en suggesties met betrekking tot de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54 bezorgen aan het gemeentecollege van elke gemeente. Eenieder kan eveneens op bijzondere punten wijzen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de aanvrager opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
Section 3. [1 Réunion d'information préalable à une procédure conjointe périmètre permis]1
Afdeling 3. [1 Informatievergadering voorafgaand aan een gezamenlijke procedure omtrek/vergunning]1
Art. D.VIII.5/8. [1 Pour les demandes visées à l'article D.V.16, une réunion d'information préalable est réalisée lorsque le Gouvernement décide de soumettre la demande conjointe à l'évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article D.V.16/3.
Art. D. VIII.5/8. [1 Voor de aanvragen bedoeld in artikel D.V.16 wordt een voorafgaande informatievergadering gehouden wanneer de Regering beslist om de gezamenlijke aanvraag te onderwerpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig artikel D.V.16/3.
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 en het project voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van de omtrek en over het project;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling.]1
De informatievergadering heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 en het project voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van de omtrek en over het project;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling.]1
Art. D. VIII.5/9. [1 Le demandeur informe le Gouvernement : 1° de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'information;
2° des modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
3° des personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues;
4° de l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle le périmètre projeté est, en superficie, le plus important.]1
2° des modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
3° des personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles les informations peuvent être obtenues;
4° de l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
La réunion d'information a lieu dans la commune sur le territoire de laquelle le périmètre projeté est, en superficie, le plus important.]1
Art. D. VIII.5/9. [1 De aanvrager licht de Regering in over: 1° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen, en hun fysiek en elektronisch adres, bij wie de informatie kan worden verkregen;
4° de identiteit van de persoon die gekozen is om de gezamenlijke effectbeoordeling uit te voeren.
De informatievergadering wordt gehouden in de gemeente waar de ontworpen omtrek de grootste oppervlakte dekt.]1
2° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
3° de personen, en hun fysiek en elektronisch adres, bij wie de informatie kan worden verkregen;
4° de identiteit van de persoon die gekozen is om de gezamenlijke effectbeoordeling uit te voeren.
De informatievergadering wordt gehouden in de gemeente waar de ontworpen omtrek de grootste oppervlakte dekt.]1
Art. D. VIII.5/10. [1 Le demandeur transmet les informations et supports visés à l'article D.VIII.5/9, au collège communal de chaque commune susceptible d'être affectée, et à l'administration pour information.
Le demandeur invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° un représentant de l'administration et le fonctionnaire délégué; 3° un représentant de l'administration de l'environnement;
4° le pôle " Environnement ";
5° les commissions communales des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou le périmètre;
6° le pôle " Aménagement du territoire ";
7° les représentants des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou le périmètre;
8° la personne choisie par le demandeur pour réaliser l'évaluation des incidences.]1
Le demandeur invite à la réunion :
1° le Gouvernement ou son représentant;
2° un représentant de l'administration et le fonctionnaire délégué; 3° un représentant de l'administration de l'environnement;
4° le pôle " Environnement ";
5° les commissions communales des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou le périmètre;
6° le pôle " Aménagement du territoire ";
7° les représentants des communes susceptibles d'être affectées par le projet ou le périmètre;
8° la personne choisie par le demandeur pour réaliser l'évaluation des incidences.]1
Art. D. VIII.5/10. [1 De aanvrager stuurt de informatie en informatiedragers als bedoeld in artikel D.VIII.5/2, lid 2, naar het gemeentecollege van elke gemeente die kan worden getroffen, en ter informatie naar de administratie.
De aanvrager nodigt uit voor deze vergadering:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ; 3° een vertegenwoordiger van de leefmilieu-administratie;
4° de Beleidsgroep Leefmilieu;
5° de gemeentelijke commissies van de gemeenten die door het project of de omtrek kunnen worden getroffen;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeente(n) die het voorwerp van het kunnen uitmaken van het project of de omtrek;
8° de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren.]1
De aanvrager nodigt uit voor deze vergadering:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de administratie en de gemachtigde ambtenaar ; 3° een vertegenwoordiger van de leefmilieu-administratie;
4° de Beleidsgroep Leefmilieu;
5° de gemeentelijke commissies van de gemeenten die door het project of de omtrek kunnen worden getroffen;
6° de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening;
7° de vertegenwoordigers van de gemeente(n) die het voorwerp van het kunnen uitmaken van het project of de omtrek;
8° de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren.]1
Art. D. VIII.5/11. [1 D'initiative ou à la demande de l'une des personnes ou instances invitées par le demandeur, le Gouvernement peut, après l'avoir entendue, récuser la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences si elle se trouve dans des conditions susceptibles de mettre en cause l'indépendance de l'exercice de sa mission.
La demande est adressée au Gouvernement dans les dix jours de la réception de l'invitation.
Le Gouvernement statue dans les quinze jours de la réception de la demande ou de la réception de l'invitation s'il statue d'office.
La décision de récusation est notifiée à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences ainsi qu'au demandeur de permis, par envoi.]1
La demande est adressée au Gouvernement dans les dix jours de la réception de l'invitation.
Le Gouvernement statue dans les quinze jours de la réception de la demande ou de la réception de l'invitation s'il statue d'office.
La décision de récusation est notifiée à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences ainsi qu'au demandeur de permis, par envoi.]1
Art. D. VIII.5/11. [1 Op eigen initiatief of op verzoek van een van de personen of instanties die door de aanvrager zijn uitgenodigd, kan de Regering, na de aanvrager te hebben gehoord, de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling, wraken indien deze persoon in een positie verkeert die de onafhankelijkheid van de uitoefening van zijn opdracht in het gedrang kan brengen.
Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst.
De Regering neemt een beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek of na ontvangst van de uitnodiging indien zij ambtshalve een beslissing neemt.
Het besluit tot wraking wordt verstuurd naar de auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvrager van de vergunning.]1
Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst.
De Regering neemt een beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek of na ontvangst van de uitnodiging indien zij ambtshalve een beslissing neemt.
Het besluit tot wraking wordt verstuurd naar de auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvrager van de vergunning.]1
Art. D. VIII.5/12. [1 Chaque collège communal affiche un avis au moins quinze jours avant la tenue de la réunion d'information et jusqu'au lendemain de celle-ci.
L'avis est affiché aux endroits habituels d'affichage, à quatre endroits proches du périmètre concerné par la demande visée à l'article D.V.16, et le long d'une voie publique carrossable ou de passage.
L'avis est publié sur le site Internet de chaque commune concernée. L'avis mentionne :
1° l'identité du demandeur;
2° la nature de la demande de modification du périmètre et du projet et leur lieu d'implantation;
3° l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information;
4° les modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
5° les personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues et l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Le demandeur diffuse l'avis dans deux journaux régionaux et un journal toute boîte couvrant chaque commune susceptible d'être affectée.
Le demandeur adresse une copie des avis publiés à chaque collège communal.]1
L'avis est affiché aux endroits habituels d'affichage, à quatre endroits proches du périmètre concerné par la demande visée à l'article D.V.16, et le long d'une voie publique carrossable ou de passage.
L'avis est publié sur le site Internet de chaque commune concernée. L'avis mentionne :
1° l'identité du demandeur;
2° la nature de la demande de modification du périmètre et du projet et leur lieu d'implantation;
3° l'objet de la réunion, la date, l'heure et le lieu de la réunion d'information;
4° les modalités particulières de consultation à distance de la vidéo de la réunion et des documents et supports utilisés lors de celle-ci;
5° les personnes, ainsi que leurs adresses physiques et courriels, auprès desquelles des informations peuvent être obtenues et l'identité de la personne choisie en qualité d'auteur de l'évaluation conjointe des incidences.
Le demandeur diffuse l'avis dans deux journaux régionaux et un journal toute boîte couvrant chaque commune susceptible d'être affectée.
Le demandeur adresse une copie des avis publiés à chaque collège communal.]1
Art. D. VIII.5/12. [1 Elk gemeentecollege plakt een bericht aan de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aan minstens vijftien dagen voor het houden van de informatievergadering en tot de dag volgend op die vergadering.
Het bericht wordt aangeplakt op de gebruikelijke aanplakkingsplaatsen, op vier plaatsen dicht bij de omtrek waarop de aanvraag betrekking heeft zoals bedoeld in artikel D.V.16, en langs een berijdbare of druk gebruikte openbare weg.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van elke betrokken gemeente. Het bericht vermeldt:
1° de identiteit van de aanvrager;
2° de aard van de aanvraag tot wijziging van de omtrek en van het project, en de locatie van het project;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, met hun fysiek adres en elektroniscadres, bij wie informatie kan worden verkregen en de identiteit van de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling.
De aanvrager publiceert het bericht in twee regionale dagbladen en één huis-aan-huisblad in elke gemeente waarvoor dit waarschijnlijk gevolgen heeft.
De aanvrager richt een afschrift van de gepubliceerde berichten aan het gemeentecollege.]1
Het bericht wordt aangeplakt op de gebruikelijke aanplakkingsplaatsen, op vier plaatsen dicht bij de omtrek waarop de aanvraag betrekking heeft zoals bedoeld in artikel D.V.16, en langs een berijdbare of druk gebruikte openbare weg.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van elke betrokken gemeente. Het bericht vermeldt:
1° de identiteit van de aanvrager;
2° de aard van de aanvraag tot wijziging van de omtrek en van het project, en de locatie van het project;
3° het onderwerp van de vergadering, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
4° de nadere regels voor het op afstand bekijken van de video van de vergadering en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergadering worden gebruikt;
5° de personen, met hun fysiek adres en elektroniscadres, bij wie informatie kan worden verkregen en de identiteit van de persoon die is gekozen als auteur van de gezamenlijke effectbeoordeling.
De aanvrager publiceert het bericht in twee regionale dagbladen en één huis-aan-huisblad in elke gemeente waarvoor dit waarschijnlijk gevolgen heeft.
De aanvrager richt een afschrift van de gepubliceerde berichten aan het gemeentecollege.]1
Art. D. VIII.5/13. [1 Un représentant du collège communal de la commune dans laquelle la réunion d'information a lieu préside la réunion.
Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
Le demandeur présente la demande de périmètre et le projet.
La réunion est filmée par le demandeur, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
Le demandeur est responsable du traitement des données à caractère personnel opéré par l'enregistrement de la vidéo et par sa consultation.
L'enregistrement et sa consultation possible ont pour finalité d'assurer une publicité active maximale en accroissant le niveau de participation du public en lui permettant de s'informer et d'émettre des observations en consultant ultérieurement la vidéo de la réunion d'information préalable.
L'enregistrement comporte :
1° une captation audio et vidéo des interventions :
a) du demandeur;
b) de la personne choisie pour réaliser l'évaluation des incidences;
c) des représentants et des conseillers en aménagement du territoire ou en environnement de la commune dans laquelle a lieu la réunion;
d) du représentant du Gouvernement;
2° une captation audio de toutes les autres interventions.
La vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors de celle-ci sont consultables à la commune sur rendez-vous et à distance, à partir du surlendemain de la réunion et jusqu'à l'échéance du délai de quinze jours visé à l'article D.VIII.5/7. La vidéo est détruite au terme de ce délai par le responsable du traitement des données à caractère personnel.]1
Le conseiller en aménagement du territoire ou le conseiller en environnement ou un représentant du collège communal assure le secrétariat de la réunion, établit la liste des présences et dresse le procès-verbal.
Le demandeur présente la demande de périmètre et le projet.
La réunion est filmée par le demandeur, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
Le demandeur est responsable du traitement des données à caractère personnel opéré par l'enregistrement de la vidéo et par sa consultation.
L'enregistrement et sa consultation possible ont pour finalité d'assurer une publicité active maximale en accroissant le niveau de participation du public en lui permettant de s'informer et d'émettre des observations en consultant ultérieurement la vidéo de la réunion d'information préalable.
L'enregistrement comporte :
1° une captation audio et vidéo des interventions :
a) du demandeur;
b) de la personne choisie pour réaliser l'évaluation des incidences;
c) des représentants et des conseillers en aménagement du territoire ou en environnement de la commune dans laquelle a lieu la réunion;
d) du représentant du Gouvernement;
2° une captation audio de toutes les autres interventions.
La vidéo de la réunion et les documents et supports utilisés lors de celle-ci sont consultables à la commune sur rendez-vous et à distance, à partir du surlendemain de la réunion et jusqu'à l'échéance du délai de quinze jours visé à l'article D.VIII.5/7. La vidéo est détruite au terme de ce délai par le responsable du traitement des données à caractère personnel.]1
Art. D. VIII.5/13. [1 Een vertegenwoordiger van het gemeentecollege van de gemeente waarin de informatievergadering plaatsvindt, zit de vergadering voor.
De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De aanvrager presenteert de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het project.
De vergadering wordt gefilmd door de aanvrager, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De aanvrager is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven enhet publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de aanvrager;
b) de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren
c) van de vertegenwoordigers en adviseurs op het gebied van ruimtelijke ordening of milieu van de gemeente waar de bijeenkomst wordt gehouden;
d) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in artikel D.VIII.5/7 bedoelde periode van vijftien dagen De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.]1
De adviseur inzake ruimtelijke ordening of de adviseur inzake leefmilieu of een vertegenwoordiger van het gemeentecollege neemt het secretariaat van de vergadering waar, bepaalt de presentielijst en maakt de notulen op.
De aanvrager presenteert de aanvraag tot herziening van het gewestplan en het project.
De vergadering wordt gefilmd door de aanvrager, volgens de nadere regels die zijn vastgelegd door de Regering.
De aanvrager is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven enhet publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de aanvrager;
b) de persoon die door de aanvrager is gekozen om de effectbeoordeling uit te voeren
c) van de vertegenwoordigers en adviseurs op het gebied van ruimtelijke ordening of milieu van de gemeente waar de bijeenkomst wordt gehouden;
d) van de vertegenwoordiger van de Regering;
2° een audio-opname van alle overige tussenkomsten.
De video van de vergadering en de tijdens de vergadering gebruikte documenten en informatiedragers kunnen op afspraak en op afstand bij de gemeente worden geraadpleegd vanaf de dag na de vergadering tot het einde van de in artikel D.VIII.5/7 bedoelde periode van vijftien dagen De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.]1
Art. D. VIII.5/14. [1 Dans les quinze jours de la réunion, toute personne peut adresser par écrit au collège communal de chaque commune ses observations et suggestions concernant la demande visée à l'article D.V.16. Elle peut également mettre en évidence des points particuliers, et présenter des alternatives pouvant raisonnablement être envisagées par le demandeur, afin qu'il en soit tenu compte lors de la réalisation de l'évaluation conjointe des incidences.
Les observations et suggestions sont adressées par courrier, par télécopie, ou par courrier électronique à l'adresse définie par la commune à cet effet.
Chaque collège communal adresse au demandeur la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information.
Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information et une attestation de ce que la vidéo comportait les éléments visés à l'article D.VIII5/13, alinéa 7, l'envoie dans le même délai au demandeur, à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences et le tient à la disposition du public.]1
Les observations et suggestions sont adressées par courrier, par télécopie, ou par courrier électronique à l'adresse définie par la commune à cet effet.
Chaque collège communal adresse au demandeur la copie des éventuelles observations, suggestions et propositions dans les trente jours de la réunion d'information.
Le collège communal de la commune dans laquelle a lieu la réunion d'information établit le procès-verbal de la réunion d'information et une attestation de ce que la vidéo comportait les éléments visés à l'article D.VIII5/13, alinéa 7, l'envoie dans le même délai au demandeur, à l'auteur de l'évaluation conjointe des incidences et le tient à la disposition du public.]1
Art. D.VIII.5/14. [1 Binnen vijftien dagen na de vergadering kan eenieder schriftelijke opmerkingen en suggesties met betrekking tot de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 bezorgen aan het gemeentecollege van elke gemeente. Eenieder kan eveneens op bijzondere punten wijzen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de aanvrager opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
CHAPITRE III. - Annonce de projet
HOOFDSTUK III. - Aankondiging van een project
Art. D.VIII.6.L'annonce de projet s'effectue par l'apposition d'un avis indiquant qu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 a été introduite. L'avis est affiché par le demandeur sur le terrain à front de voirie et lisible à partir de celle-ci, [1 à la date fixée par l'administration communale]1 et pour une durée de trois semaines. Dans le même délai et pour la même durée, l'administration communale affiche l'avis aux endroits habituels d'affichage. Elle peut le publier sur son site Internet.
Art. D. VIII.6.De aankondiging van het project wordt uitgevoerd door de aanplakking van een bericht waarin wordt vermeld dat een aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 is ingediend. De aanvrager plakt voor een duur van drie weken een leesbaar bericht op het terrein langs de openbare weg aan op [1 op de door de gemeente vastgestelde datum]1. Binnen dezelfde termijn en voor dezelfde duur plakt het gemeentebestuur het bericht op de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aan. Het kan het op zijn website publiceren.
De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanplakking van het bericht op zijn terrein en voor zijn instandhouding in goede staat tijdens de periode van drie weken.
[1 ...]1.
Het bericht omvat minstens een omschrijving van de wezenlijke kenmerken van het project, het feit dat het project afwijkt van een gemeentelijk plan van aanleg aangenomen voor de inwerkingtreding van het Wetboek en lokaal beleidsontwikkelingsplan geworden, van een verordening aangenomen voor de inwerkingtreding van het Wetboek en leidraad of bebouwingsvergunning geworden, de periode waarin de bezwaren en opmerkingen aan het college kunnen worden gezonden alsook de dagen, uren en plaats [1 of op andere wijze waarop]1 waar de persoon het dossier kan raadplegen.
Het aan een aankondiging van een project onderworpen dossier kan kosteloos ingezien worden bij het gemeentebestuur op de openingsuren van de kantoren en onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen D.VIII.15 en D.VIII.16. [1 Wanneer de gemeente over een volledige elektronische versie van het dossier beschikt, kan ze ook raadpleging op afstand toestaan.]1 Elke persoon kan bij de daartoe aangewezen persoon uitleg over het project verkrijgen.
De bezwaren en opmerkingen worden tijdens de in het bericht bepaalde periode van vijftien dagen aan het gemeentecollege gericht. De aanplakking wordt uiterlijk binnen vijf dagen voor de periode waarin de bezwaren en opmerkingen aan het gemeentecollege kunnen worden gericht, uitgevoerd.
De artikelen D.VIII.13 en D.VIII.21 zijn op de aankondiging van het project van toepassing.
De Regering bepaalt het model van bericht van de aankondiging van het project. Ze kan de inhoud ervan bepalen en de modaliteiten van het attest ter bevestiging van de aankondiging van het project vaststellen.
[1 Zij kan ook de voorwaarden en procedures voor raadpleging van de dossiers op afstand vaststellen.]1
De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanplakking van het bericht op zijn terrein en voor zijn instandhouding in goede staat tijdens de periode van drie weken.
[1 ...]1.
Het bericht omvat minstens een omschrijving van de wezenlijke kenmerken van het project, het feit dat het project afwijkt van een gemeentelijk plan van aanleg aangenomen voor de inwerkingtreding van het Wetboek en lokaal beleidsontwikkelingsplan geworden, van een verordening aangenomen voor de inwerkingtreding van het Wetboek en leidraad of bebouwingsvergunning geworden, de periode waarin de bezwaren en opmerkingen aan het college kunnen worden gezonden alsook de dagen, uren en plaats [1 of op andere wijze waarop]1 waar de persoon het dossier kan raadplegen.
Het aan een aankondiging van een project onderworpen dossier kan kosteloos ingezien worden bij het gemeentebestuur op de openingsuren van de kantoren en onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen D.VIII.15 en D.VIII.16. [1 Wanneer de gemeente over een volledige elektronische versie van het dossier beschikt, kan ze ook raadpleging op afstand toestaan.]1 Elke persoon kan bij de daartoe aangewezen persoon uitleg over het project verkrijgen.
De bezwaren en opmerkingen worden tijdens de in het bericht bepaalde periode van vijftien dagen aan het gemeentecollege gericht. De aanplakking wordt uiterlijk binnen vijf dagen voor de periode waarin de bezwaren en opmerkingen aan het gemeentecollege kunnen worden gericht, uitgevoerd.
De artikelen D.VIII.13 en D.VIII.21 zijn op de aankondiging van het project van toepassing.
De Regering bepaalt het model van bericht van de aankondiging van het project. Ze kan de inhoud ervan bepalen en de modaliteiten van het attest ter bevestiging van de aankondiging van het project vaststellen.
[1 Zij kan ook de voorwaarden en procedures voor raadpleging van de dossiers op afstand vaststellen.]1
Art. D. VIII.6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'annonce de projet s'effectue par l'apposition d'un avis indiquant qu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 a été introduite. L'avis est affiché par le demandeur sur le terrain à front de voirie et lisible à partir de celle-ci, le lendemain de la réception [2 de l'avis de complétude formelle]2 et pour une durée de trois semaines. Dans le même délai et pour la même durée, l'administration communale affiche l'avis aux endroits habituels d'affichage. Elle peut le publier sur son site Internet.
Le demandeur est responsable de l'affichage de l'avis sur son terrain et de son maintien en bon état pendant la période de trois semaines. [2 Au plus tard le lendemain du jour de l'affichage, il fait parvenir à l'autorité compétente une photo prouvant l'affichage, et ce, par courrier électronique ou postal.]2
Lorsque l'autorité compétente est [1 ...]1 le Gouvernement ou lorsque, à défaut de l'envoi dans le délai de vingt jours au demandeur de [2 l'avis de complétude formelle]2 ou du relevé des pièces manquantes visés à l'article D.IV.33, la demande est considérée comme recevable, l'administration communale fixe la date du premier jour de l'affichage.
L'avis comporte au minimum une description des caractéristiques essentielles du projet, le fait que le projet [2 s'écarte d'un schéma d'orientation local, d'un guide ou d'un permis d'urbaniser]2, la période durant laquelle les réclamations et observations peuvent être envoyées au collège ainsi que les jours, heures et lieu où toute personne peut consulter le dossier.
[2 Pour des projets relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, l'annonce comporte une visualisation 3D du projet d'urbanisme. Pour des projets relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, l'annonce comporte une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.]2
Le dossier soumis à annonce de projet peut être consulté gratuitement à l'administration communale, aux heures d'ouverture des bureaux, et aux conditions visées aux articles D.VIII.15 et D.VIII.16. Toute personne peut obtenir des explications relatives au projet auprès de la personne désignée à cette fin.
Les réclamations et observations sont adressées au collège communal pendant la période de quinze jours déterminée dans l'avis. L'affichage est réalisé au plus tard cinq jours avant la période durant laquelle les réclamations et observations peuvent être envoyées au collège communal.
Les articles D.VIII.13 et D.VIII.21 sont applicables à l'annonce de projet.
Le Gouvernement arrête le modèle d'avis de l'annonce de projet. Il peut en préciser le contenu et fixer les modalités d'attestation certifiant l'annonce de projet.
L'annonce de projet s'effectue par l'apposition d'un avis indiquant qu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 a été introduite. L'avis est affiché par le demandeur sur le terrain à front de voirie et lisible à partir de celle-ci, le lendemain de la réception [2 de l'avis de complétude formelle]2 et pour une durée de trois semaines. Dans le même délai et pour la même durée, l'administration communale affiche l'avis aux endroits habituels d'affichage. Elle peut le publier sur son site Internet.
Le demandeur est responsable de l'affichage de l'avis sur son terrain et de son maintien en bon état pendant la période de trois semaines. [2 Au plus tard le lendemain du jour de l'affichage, il fait parvenir à l'autorité compétente une photo prouvant l'affichage, et ce, par courrier électronique ou postal.]2
Lorsque l'autorité compétente est [1 ...]1 le Gouvernement ou lorsque, à défaut de l'envoi dans le délai de vingt jours au demandeur de [2 l'avis de complétude formelle]2 ou du relevé des pièces manquantes visés à l'article D.IV.33, la demande est considérée comme recevable, l'administration communale fixe la date du premier jour de l'affichage.
L'avis comporte au minimum une description des caractéristiques essentielles du projet, le fait que le projet [2 s'écarte d'un schéma d'orientation local, d'un guide ou d'un permis d'urbaniser]2, la période durant laquelle les réclamations et observations peuvent être envoyées au collège ainsi que les jours, heures et lieu où toute personne peut consulter le dossier.
[2 Pour des projets relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, l'annonce comporte une visualisation 3D du projet d'urbanisme. Pour des projets relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, l'annonce comporte une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.]2
Le dossier soumis à annonce de projet peut être consulté gratuitement à l'administration communale, aux heures d'ouverture des bureaux, et aux conditions visées aux articles D.VIII.15 et D.VIII.16. Toute personne peut obtenir des explications relatives au projet auprès de la personne désignée à cette fin.
Les réclamations et observations sont adressées au collège communal pendant la période de quinze jours déterminée dans l'avis. L'affichage est réalisé au plus tard cinq jours avant la période durant laquelle les réclamations et observations peuvent être envoyées au collège communal.
Les articles D.VIII.13 et D.VIII.21 sont applicables à l'annonce de projet.
Le Gouvernement arrête le modèle d'avis de l'annonce de projet. Il peut en préciser le contenu et fixer les modalités d'attestation certifiant l'annonce de projet.
Art. D.VIII.6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE IV. - Enquête publique
HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek
Section 1re. - Mesures d'annonce générale de l'enquête publique
Afdeling 1. - Maatregelen inzake de algemene aankondiging van het openbaar onderzoek
Art. D.VIII.7.§ 1er. [1 Des avis d'enquête sont apposées dans les communes sur le territoire desquelles s'étend le plan, le périmètre, le schéma, le guide, le permis et le certificat d'urbanisme n° 2, ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4 aux endroits habituels d'affichage.
Art. D. VIII.7.§ 1. [1 Berichten van openbaar onderzoek worden op de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aangeplakt in de gemeenten op het grondgebied waarvan het plan, de omtrek, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning en het stedenbouwkundig attest nr.2 zich uitstrekken of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr.2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare of druk gebruikte weg of met een maximum van vier berichten.
De gemeentecolleges verrichten de aanplakking op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking.
Elders wordt dit verricht:
1° door de gemeentelijke colleges wanneer het onderzoek betrekking heeft op een plan, een omtrek, een beleidsontwikkelingsplan of een leidraad;
2° door de aanvrager wanneer het onderzoek betrekking heeft op een stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente]1.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient, met een maximum van vier berichten.
§ 2. Het bericht van openbaar onderzoek wordt uiterlijk vijf dagen voor het begin van het openbaar onderzoek en tijdens de duur ervan aangeplakt.
Het omvat minimum :
1° de identificatie van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de bepaling krachtens welke de aanvraag aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen;
2° de identificatie van de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad of van de aanvrager;
3° de datum van het begin en het einde van het openbaar onderzoek;
4° [1 de dagen, uren en plaats waar de persoon het dossier kan raadplegen]1;
5° de naam en de personalia van de persoon verantwoordelijk voor de organisatie van de in artikel D.VIII.17, derde lid, bedoelde afspraken, of indien het om het ruimtelijk ontwikkelingsplan gaat, het adres en de openingstijden van de diensten, alsook de personalia van de door de Regering daartoe aangewezen ambtenaar die uitleg over het ontwikkelingsplan kan verstrekken;
6° de bestemmeling aan wie en het adres waar de klachten en opmerkingen gericht kunnen worden en de uiterste verzenddatum ervan;
7° de datum, het uur en de plaats van de afsluitende vergadering van het openbaar onderzoek;
8° de aard van de beslissing tot tussenkomst en de identificatie van de bevoegde overheid;
9° in voorkomend geval, het bestaan van een milieueffectonderzoek of -rapport;
10° [1 in voorkomend geval, het feit dat het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek het voorwerp uitmaakt van een milieueffectbeoordelingsprocedure in grensoverschrijdend verband]1;
11° de naam en persoonsgegevens van de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en van de milieuadviseur van de gemeente op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek georganiseerd wordt.
De Regering bepaalt het model van bericht van het openbaar onderzoek en kan de inhoud ervan bepalen.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr.2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare of druk gebruikte weg of met een maximum van vier berichten.
De gemeentecolleges verrichten de aanplakking op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking.
Elders wordt dit verricht:
1° door de gemeentelijke colleges wanneer het onderzoek betrekking heeft op een plan, een omtrek, een beleidsontwikkelingsplan of een leidraad;
2° door de aanvrager wanneer het onderzoek betrekking heeft op een stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2.
Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de website van betrokken gemeente]1.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient, met een maximum van vier berichten.
§ 2. Het bericht van openbaar onderzoek wordt uiterlijk vijf dagen voor het begin van het openbaar onderzoek en tijdens de duur ervan aangeplakt.
Het omvat minimum :
1° de identificatie van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de bepaling krachtens welke de aanvraag aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen;
2° de identificatie van de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad of van de aanvrager;
3° de datum van het begin en het einde van het openbaar onderzoek;
4° [1 de dagen, uren en plaats waar de persoon het dossier kan raadplegen]1;
5° de naam en de personalia van de persoon verantwoordelijk voor de organisatie van de in artikel D.VIII.17, derde lid, bedoelde afspraken, of indien het om het ruimtelijk ontwikkelingsplan gaat, het adres en de openingstijden van de diensten, alsook de personalia van de door de Regering daartoe aangewezen ambtenaar die uitleg over het ontwikkelingsplan kan verstrekken;
6° de bestemmeling aan wie en het adres waar de klachten en opmerkingen gericht kunnen worden en de uiterste verzenddatum ervan;
7° de datum, het uur en de plaats van de afsluitende vergadering van het openbaar onderzoek;
8° de aard van de beslissing tot tussenkomst en de identificatie van de bevoegde overheid;
9° in voorkomend geval, het bestaan van een milieueffectonderzoek of -rapport;
10° [1 in voorkomend geval, het feit dat het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek het voorwerp uitmaakt van een milieueffectbeoordelingsprocedure in grensoverschrijdend verband]1;
11° de naam en persoonsgegevens van de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en van de milieuadviseur van de gemeente op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek georganiseerd wordt.
De Regering bepaalt het model van bericht van het openbaar onderzoek en kan de inhoud ervan bepalen.
Art. D _VIII.7.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Les collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend le plan, le périmètre, le schéma, le guide, le permis et le certificat d'urbanisme n° 2, ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4, affichent, aux endroits habituels d'affichage, un avis d'enquête publique. L'avis peut être publié sur le site Internet de la commune concernée.
En outre, pour les plans, périmètres, schémas d'orientation locaux, permis et certificats d'urbanisme n° 2 qui couvrent un territoire de moins de cinq hectares, ils affichent dans le territoire concerné, un avis d'enquête publique, visible depuis le domaine public, à raison d'un avis par cinquante mètres de terrain situé le long d'une voie publique carrossable ou de passage, avec un maximum de quatre avis.
§ 2. L'avis d'enquête publique est affiché au plus tard cinq jours avant le début de l'enquête publique et pendant toute la durée de celle-ci.
Il comporte au minimum :
1° l'identification du plan, périmètre, schéma, du guide, permis ou certificat d'urbanisme n° 2 et la disposition en vertu de laquelle la demande est soumise à enquête publique;
2° l'identification de la personne ou de l'autorité à l'initiative du plan, périmètre, schéma, du guide ou du demandeur;
3° la date du début et de la fin de l'enquête publique;
4° les jours, heures et lieu où toute personne peut consulter le dossier;
5° le nom et les coordonnées de la personne responsable de l'organisation des rendez-vous visés à l'article D.VIII.17, alinéa 3, ou, s'il s'agit du schéma de développement du territoire, les coordonnées et horaires d'ouverture des services ainsi que les coordonnées de la personne désignée à cette fin par le Gouvernement auprès desquels toute personne peut obtenir des explications relatives au schéma;
6° le destinataire et l'adresse auxquels les réclamations et observations peuvent être envoyées et la date ultime de leur envoi;
7° la date, l'heure et le lieu de la séance de clôture de l'enquête publique;
8° la nature de la décision à intervenir et l'identification de l'autorité compétente;
9° le cas échéant, l'existence d'un rapport sur les incidences environnementales;
10° le cas échéant, le fait que le plan ou le schéma fait l'objet d'une procédure d'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière;
11° le cas échéant, le nom et les coordonnées du conseiller en aménagement du territoire et urbanisme ou du conseiller en environnement de la commune sur le territoire de laquelle est organisée une enquête publique [1 ;]1
[1 12° pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, une visualisation 3D du projet d'urbanisme;
13° pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.]1
§ 3. Le Gouvernement arrête le modèle d'avis d'enquête publique et peut en préciser le contenu.
§ 1er. Les collèges communaux des communes sur le territoire desquelles s'étend le plan, le périmètre, le schéma, le guide, le permis et le certificat d'urbanisme n° 2, ou qui ont été désignées en application de l'article D.VIII.4, affichent, aux endroits habituels d'affichage, un avis d'enquête publique. L'avis peut être publié sur le site Internet de la commune concernée.
En outre, pour les plans, périmètres, schémas d'orientation locaux, permis et certificats d'urbanisme n° 2 qui couvrent un territoire de moins de cinq hectares, ils affichent dans le territoire concerné, un avis d'enquête publique, visible depuis le domaine public, à raison d'un avis par cinquante mètres de terrain situé le long d'une voie publique carrossable ou de passage, avec un maximum de quatre avis.
§ 2. L'avis d'enquête publique est affiché au plus tard cinq jours avant le début de l'enquête publique et pendant toute la durée de celle-ci.
Il comporte au minimum :
1° l'identification du plan, périmètre, schéma, du guide, permis ou certificat d'urbanisme n° 2 et la disposition en vertu de laquelle la demande est soumise à enquête publique;
2° l'identification de la personne ou de l'autorité à l'initiative du plan, périmètre, schéma, du guide ou du demandeur;
3° la date du début et de la fin de l'enquête publique;
4° les jours, heures et lieu où toute personne peut consulter le dossier;
5° le nom et les coordonnées de la personne responsable de l'organisation des rendez-vous visés à l'article D.VIII.17, alinéa 3, ou, s'il s'agit du schéma de développement du territoire, les coordonnées et horaires d'ouverture des services ainsi que les coordonnées de la personne désignée à cette fin par le Gouvernement auprès desquels toute personne peut obtenir des explications relatives au schéma;
6° le destinataire et l'adresse auxquels les réclamations et observations peuvent être envoyées et la date ultime de leur envoi;
7° la date, l'heure et le lieu de la séance de clôture de l'enquête publique;
8° la nature de la décision à intervenir et l'identification de l'autorité compétente;
9° le cas échéant, l'existence d'un rapport sur les incidences environnementales;
10° le cas échéant, le fait que le plan ou le schéma fait l'objet d'une procédure d'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière;
11° le cas échéant, le nom et les coordonnées du conseiller en aménagement du territoire et urbanisme ou du conseiller en environnement de la commune sur le territoire de laquelle est organisée une enquête publique [1 ;]1
[1 12° pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1° à 5°, une visualisation 3D du projet d'urbanisme;
13° pour des permis relatifs à des actes et travaux conformément à l'article D.IV.2, une représentation du parcellaire prévu et, le cas échéant, l'impression graphique des objectifs poursuivis en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme au niveau de la partie concernée de la zone.]1
§ 3. Le Gouvernement arrête le modèle d'avis d'enquête publique et peut en préciser le contenu.
Wijzigingen
Art. D _VIII.7.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De gemeentecolleges van de gemeenten op het grondgebied waarvan het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2 zich uitstrekken of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn, plakken een bericht van openbaar onderzoek op de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aan. Het bericht kan op de website van de betrokken gemeente bekendgemaakt worden.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient, met een maximum van vier berichten.
§ 2. Het bericht van openbaar onderzoek wordt uiterlijk vijf dagen voor het begin van het openbaar onderzoek en tijdens de duur ervan aangeplakt.
Het omvat minimum :
1° de identificatie van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de bepaling krachtens welke de aanvraag aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen;
2° de identificatie van de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad of van de aanvrager;
3° de datum van het begin en het einde van het openbaar onderzoek;
4° de dagen, uren en plaats waar de persoon het dossier kan raadplegen;
5° de naam en de personalia van de persoon verantwoordelijk voor de organisatie van de in artikel D.VIII.17, derde lid, bedoelde afspraken, of indien het om het ruimtelijk ontwikkelingsplan gaat, het adres en de openingstijden van de diensten, alsook de personalia van de door de Regering daartoe aangewezen ambtenaar die uitleg over het ontwikkelingsplan kan verstrekken;
6° de bestemmeling aan wie en het adres waar de klachten en opmerkingen gericht kunnen worden en de uiterste verzenddatum ervan;
7° de datum, het uur en de plaats van de afsluitende vergadering van het openbaar onderzoek;
8° de aard van de beslissing tot tussenkomst en de identificatie van de bevoegde overheid;
9° in voorkomend geval, het bestaan van een milieueffectonderzoek of -rapport;
10° in voorkomend geval, het feit dat het plan of het ontwikkelingsplan het voorwerp uitmaakt van een milieueffectbeoordelingsprocedure in grensoverschrijdend verband;
11° de naam en persoonsgegevens van de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en van de milieuadviseur van de gemeente op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek georganiseerd wordt [1 ;]1
[1 12° bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.4, eerste lid, 1° tot 5°: een 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project;
13° bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.2: een afbeelding van de geplande indeling van de percelen en, in voorkomend geval, de grafische weergave van de doeleinden die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw voor het betrokken gedeelte van het gebied worden nagestreefd.]1
De Regering bepaalt het model van bericht van het openbaar onderzoek en kan de inhoud ervan bepalen.
§ 1. De gemeentecolleges van de gemeenten op het grondgebied waarvan het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning en het stedenbouwkundig attest nr. 2 zich uitstrekken of die overeenkomstig artikel D.VIII.4 aangewezen zijn, plakken een bericht van openbaar onderzoek op de gewoonlijke aanplakkingplaatsen aan. Het bericht kan op de website van de betrokken gemeente bekendgemaakt worden.
Voor de plannen, omtrekken, lokale beleidsontwikkelingsplannen, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2 die een grondgebied van minder dan vijf ha bestrijken, plakken ze bovendien in het betrokken grondgebied een vanaf het openbaar domein leesbaar bericht van openbaar onderzoek aan, op basis van één bericht per vijftig meter terrein gelegen langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient, met een maximum van vier berichten.
§ 2. Het bericht van openbaar onderzoek wordt uiterlijk vijf dagen voor het begin van het openbaar onderzoek en tijdens de duur ervan aangeplakt.
Het omvat minimum :
1° de identificatie van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad, de vergunning of het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de bepaling krachtens welke de aanvraag aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen;
2° de identificatie van de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan, de leidraad of van de aanvrager;
3° de datum van het begin en het einde van het openbaar onderzoek;
4° de dagen, uren en plaats waar de persoon het dossier kan raadplegen;
5° de naam en de personalia van de persoon verantwoordelijk voor de organisatie van de in artikel D.VIII.17, derde lid, bedoelde afspraken, of indien het om het ruimtelijk ontwikkelingsplan gaat, het adres en de openingstijden van de diensten, alsook de personalia van de door de Regering daartoe aangewezen ambtenaar die uitleg over het ontwikkelingsplan kan verstrekken;
6° de bestemmeling aan wie en het adres waar de klachten en opmerkingen gericht kunnen worden en de uiterste verzenddatum ervan;
7° de datum, het uur en de plaats van de afsluitende vergadering van het openbaar onderzoek;
8° de aard van de beslissing tot tussenkomst en de identificatie van de bevoegde overheid;
9° in voorkomend geval, het bestaan van een milieueffectonderzoek of -rapport;
10° in voorkomend geval, het feit dat het plan of het ontwikkelingsplan het voorwerp uitmaakt van een milieueffectbeoordelingsprocedure in grensoverschrijdend verband;
11° de naam en persoonsgegevens van de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en van de milieuadviseur van de gemeente op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek georganiseerd wordt [1 ;]1
[1 12° bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.4, eerste lid, 1° tot 5°: een 3D-visualisatie van het stedenbouwkundig project;
13° bij vergunningen voor handelingen en werken overeenkomstig artikel D.IV.2: een afbeelding van de geplande indeling van de percelen en, in voorkomend geval, de grafische weergave van de doeleinden die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw voor het betrokken gedeelte van het gebied worden nagestreefd.]1
De Regering bepaalt het model van bericht van het openbaar onderzoek en kan de inhoud ervan bepalen.
Art. D. VIII.8.§ 1er. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le schéma de développement du territoire [1 ou pour le guide régional d'urbanisme]1 est annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° par un avis au Moniteur belge ;
2° par un avis sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1;
3° par un avis dans au moins trois journaux diffusés dans l'ensemble de la Région wallonne [1 ...]1;
4° par un communiqué diffusé à trois reprises par la Radio-Télévision belge de la Communauté française [1 ...]1.
§ 2. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le plan de secteur est également annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° par un avis inséré dans les pages locales de deux journaux ayant une large diffusion en Région wallonne, dont l'un au moins est diffusé sur le territoire de chaque commune sur laquelle l'enquête publique est organisée;
2° par un avis inséré dans un bulletin communal d'information ou un journal publicitaire toutes boîtes distribué gratuitement à la population des communes auxquelles s'étend la révision du plan de secteur, si un tel bulletin ou journal publicitaire existe.
[1 ...]1.
§ 3. L'avis comporte au minimum les indications visées à l'article D.VIII.7, § 2.
§ 4. [1 Le projet de plan de secteur, le projet de schéma de développement du territoire ou le projet de guide régional est inséré sur le site internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de l'administration]1.
1° par un avis au Moniteur belge ;
2° par un avis sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1;
3° par un avis dans au moins trois journaux diffusés dans l'ensemble de la Région wallonne [1 ...]1;
4° par un communiqué diffusé à trois reprises par la Radio-Télévision belge de la Communauté française [1 ...]1.
§ 2. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le plan de secteur est également annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° par un avis inséré dans les pages locales de deux journaux ayant une large diffusion en Région wallonne, dont l'un au moins est diffusé sur le territoire de chaque commune sur laquelle l'enquête publique est organisée;
2° par un avis inséré dans un bulletin communal d'information ou un journal publicitaire toutes boîtes distribué gratuitement à la population des communes auxquelles s'étend la révision du plan de secteur, si un tel bulletin ou journal publicitaire existe.
[1 ...]1.
§ 3. L'avis comporte au minimum les indications visées à l'article D.VIII.7, § 2.
§ 4. [1 Le projet de plan de secteur, le projet de schéma de développement du territoire ou le projet de guide régional est inséré sur le site internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de l'administration]1.
Wijzigingen
Art. D. VIII.8.§ 1. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onder voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan [1 of voor de gewestelijke stedenbouwkundige leidraad]1 aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° via een bericht op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening [1 van de administratie]1;
3° via een bericht in minstens drie dagbladen verspreid in het geheel van het Waalse Gewest [1 ...]1;
4° via een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door de Belgische Radiotelevisie van de Franse Gemeenschap [1 ...]1.
§ 2. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onderzoek voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht op de bladzijden voor plaatselijk nieuws van twee dagbladen met een ruime verspreiding in het Waalse Gewest, waarvan minstens één verspreid wordt op het grondgebied van elke gemeente waarin het openbaar onderzoek wordt georganiseerd;
2° via een bericht in een gemeentelijk informatieblad of in een reclamekrant die gratis aan de bevolking van de gemeenten wordt uitgedeeld waarover de herziening van het gewestplan zich uitstrekt, indien een dergelijk blad of krant bestaat.
[1 ...]1.
§ 3. Het bericht omvat ministens de aanwijzingen bedoeld in artikel D.VIII.7, § 2.
§ 4. [1 Het ontwerp van gewestplan, het ontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan of het ontwerp van gewestelijke leidraad wordt bekendgemaakt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie.]1.
1° via een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° via een bericht op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening [1 van de administratie]1;
3° via een bericht in minstens drie dagbladen verspreid in het geheel van het Waalse Gewest [1 ...]1;
4° via een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door de Belgische Radiotelevisie van de Franse Gemeenschap [1 ...]1.
§ 2. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onderzoek voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht op de bladzijden voor plaatselijk nieuws van twee dagbladen met een ruime verspreiding in het Waalse Gewest, waarvan minstens één verspreid wordt op het grondgebied van elke gemeente waarin het openbaar onderzoek wordt georganiseerd;
2° via een bericht in een gemeentelijk informatieblad of in een reclamekrant die gratis aan de bevolking van de gemeenten wordt uitgedeeld waarover de herziening van het gewestplan zich uitstrekt, indien een dergelijk blad of krant bestaat.
[1 ...]1.
§ 3. Het bericht omvat ministens de aanwijzingen bedoeld in artikel D.VIII.7, § 2.
§ 4. [1 Het ontwerp van gewestplan, het ontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan of het ontwerp van gewestelijke leidraad wordt bekendgemaakt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie.]1.
Art. D. VIII.8_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le schéma de développement du territoire est annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° par un avis au Moniteur belge ;
2° par un avis sur le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1;
3° par un avis dans au moins [1 au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande]1;
4° par un communiqué diffusé à trois reprises [1 ...]1 par le Centre belge pour la radiodiffusion télévision de langue allemande.
§ 2. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le plan de secteur est également annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° [1 par un avis inséré dans au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande;]1
2° [1 ...]1
Lorsque l'une des communes visées à l'alinéa 1er est de langue allemande, au moins un des deux journaux est de langue allemande.
§ 3. L'avis comporte au minimum les indications visées à l'article D.VIII.7, § 2.
§ 4. Le projet de plan de secteur ou le projet de schéma de développement du territoire est inséré sur le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1.
§ 1er. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le schéma de développement du territoire est annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° par un avis au Moniteur belge ;
2° par un avis sur le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1;
3° par un avis dans au moins [1 au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande]1;
4° par un communiqué diffusé à trois reprises [1 ...]1 par le Centre belge pour la radiodiffusion télévision de langue allemande.
§ 2. Outre les modalités prévues à l'article D.VIII.7, l'enquête publique pour le plan de secteur est également annoncée, à l'initiative du Gouvernement ou de la personne qu'il désigne à cette fin :
1° [1 par un avis inséré dans au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande;]1
2° [1 ...]1
Lorsque l'une des communes visées à l'alinéa 1er est de langue allemande, au moins un des deux journaux est de langue allemande.
§ 3. L'avis comporte au minimum les indications visées à l'article D.VIII.7, § 2.
§ 4. Le projet de plan de secteur ou le projet de schéma de développement du territoire est inséré sur le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Art. D. VIII.8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onder voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° via een bericht op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1;
3° via een bericht in [1 minstens één in het Duitse taalgebied verspreid Duitstalig dagblad]1;
4° via een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door [1 het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap]1.
§ 2. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onderzoek voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht [1 het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° via een bericht in een gemeentelijk informatieblad of in een reclamekrant die gratis aan de bevolking van de gemeenten wordt uitgedeeld waarover de herziening van het gewestplan zich uitstrekt, indien een dergelijk blad of krant bestaat.
[1 ...]1
§ 3. Het bericht omvat ministens de aanwijzingen bedoeld in artikel D.VIII.7, § 2.
§ 4. Het ontwerp van gewestplan of het ontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt bekendgemaakt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
§ 1. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onder voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° via een bericht op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1;
3° via een bericht in [1 minstens één in het Duitse taalgebied verspreid Duitstalig dagblad]1;
4° via een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door [1 het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap]1.
§ 2. Naast de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.7 wordt het openbaar onderzoek voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan aangekondigd op initiatief van de Regering of door de persoon die daartoe door haar wordt aangewezen :
1° via een bericht [1 het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap]1;
2° via een bericht in een gemeentelijk informatieblad of in een reclamekrant die gratis aan de bevolking van de gemeenten wordt uitgedeeld waarover de herziening van het gewestplan zich uitstrekt, indien een dergelijk blad of krant bestaat.
[1 ...]1
§ 3. Het bericht omvat ministens de aanwijzingen bedoeld in artikel D.VIII.7, § 2.
§ 4. Het ontwerp van gewestplan of het ontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt bekendgemaakt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Art. D. VIII.9. Les avis ou communiqués sont publiés ou diffusés dans les huit jours précédant le début de l'enquête.
Art. D.VIII.9. De adviezen of berichten worden bekendgemaakt of verspreid binnen acht dagen voor het begin van het onderzoek.
Section 2. - Séance de présentation du schéma de développement du territoire
Afdeling 2. - Informatievergadering over het ruimtelijk ontwikkelingsplan
Art. D.VIII.10.Dès l'annonce de l'enquête publique, le Gouvernement organise une séance de présentation du projet de schéma de développement du territoire au chef-lieu de chaque arrondissement administratif [1 ...]1.
Art. D. VIII.10.Kort na de aankondiging van het openbaar onderzoek organiseert de Regering een informatievergadering over het ontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan in de hoofdplaats van elk arrondissement [1 ...]1.
[1 De vergaderingen worden gefilmd volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
De Regering of haar afgevaardigde is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven en het publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de vertegenwoordiger van de Regering;
b) van de vertegenwoordiger van de administratie en de gedelegeerd ambtenaar; 2° een audio-opname van alle andere tussenkomsten.
De video-opname en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergaderingen zijn gebruikt, kunnen vanaf de dag na de vergadering gedurende een periode van vijfenveertig dagen op afspraak en op afstand worden geraadpleegd bij de gemachtigde ambtenaren.
De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.
De Regering kan de voorwaarden voor raadpleging met de gemachtigde ambtenaren nader bepalen.]1
[1 De vergaderingen worden gefilmd volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
De Regering of haar afgevaardigde is verantwoordelijk voor het verwerken van de persoonsgegevens die betrokken zijn bij het opnemen en raadplegen van de video.
Het doel van de opname en de eventuele raadpleging ervan is te zorgen voor maximale actieve publiciteit door het publiek meer inspraak te geven en het publiek in staat te stellen informatie te verkrijgen en opmerkingen te maken door de video van de voorafgaande informatiebijeenkomst op een later tijdstip te raadplegen.
De opname bevat :
1° een audio- en video-opname van de tussenkomsten ;
a) van de vertegenwoordiger van de Regering;
b) van de vertegenwoordiger van de administratie en de gedelegeerd ambtenaar; 2° een audio-opname van alle andere tussenkomsten.
De video-opname en de documenten en informatiedragers die tijdens de vergaderingen zijn gebruikt, kunnen vanaf de dag na de vergadering gedurende een periode van vijfenveertig dagen op afspraak en op afstand worden geraadpleegd bij de gemachtigde ambtenaren.
De video wordt aan het einde van deze periode vernietigd door de beheerder van de persoonsgegevens.
De Regering kan de voorwaarden voor raadpleging met de gemachtigde ambtenaren nader bepalen.]1
Art. D. VIII.10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Dès l'annonce de l'enquête publique, le Gouvernement organise une séance de présentation du projet de schéma de développement du territoire [1 au nord et au sud de la région de langue allemande]1.
Dès l'annonce de l'enquête publique, le Gouvernement organise une séance de présentation du projet de schéma de développement du territoire [1 au nord et au sud de la région de langue allemande]1.
Wijzigingen
Art. D.VIII.10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 3. - Mesures d'annonce individuelle de l'enquête publique
Afdeling 3. - Maatregelen inzake de individuele aankondiging van het openbaar onderzoek
Art. D.VIII.11.Pour les permis et certificats d'urbanisme n° 2, dans les huit jours de l'envoi de l'accusé de réception de la demande complète ou de la demande de l'autorité compétente ou de l'autorité qui instruit le dossier, l'administration communale envoie individuellement aux [1 propriétaires et aux]1 occupants des immeubles situés dans un rayon de cinquante mètres mesuré à partir des limites de la ou des parcelles cadastrales concernées par le projet, un avis relatif à l'introduction de la demande d'autorisation et à la tenue de l'enquête publique.
Art. D. VIII.11. Voor de vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. stuurt het gemeentebestuur binnen acht dagen na de zending van het ontvangstbewijs van de volledige aanvraag of de aanvraag van de bevoegde overheid of van de overheid die het dossier behandelt, individueel een bericht betreffende de indiening van de vergunningsaanvraag en het houden van het openbaar onderzoek [1 eigenaars en]1 aan de bewoners van de panden gelegen binnen een straal van 50 meter gemeten vanaf de grenzen van het (de) betrokken perceel (percelen) waarop het project betrekking heeft.
[1 De eigenaars krijgen de kennisgeving thuis toegestuurd en op basis van de kadastrale legger die beschikbaar is bij het begin van het onderzoek.]1
Wanneer de bewoners [1 of de eigenaars]1 van de betrokken panden een elektronisch adres aan het gemeentebestuur hebben medegedeeld met het oog op het krijgen van kennisgevingen, kan de kennisgeving bedoeld in lid 1via dit elektronisch adres plaatsvinden.
[1 De eigenaars krijgen de kennisgeving thuis toegestuurd en op basis van de kadastrale legger die beschikbaar is bij het begin van het onderzoek.]1
Wanneer de bewoners [1 of de eigenaars]1 van de betrokken panden een elektronisch adres aan het gemeentebestuur hebben medegedeeld met het oog op het krijgen van kennisgevingen, kan de kennisgeving bedoeld in lid 1via dit elektronisch adres plaatsvinden.
Art. D _VIII.11.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Pour les permis et certificats d'urbanisme n° 2, dans les huit jours de l'envoi [1 de l'avis de complétude formelle]1 ou de la demande de l'autorité compétente ou de l'autorité qui instruit le dossier, l'administration communale envoie individuellement aux occupants des immeubles situés dans un rayon de cinquante mètres mesuré à partir des limites de la ou des parcelles cadastrales concernées par le projet, un avis relatif à l'introduction de la demande d'autorisation et à la tenue de l'enquête publique.
Lorsque les occupants des immeubles concernés ont transmis à l'administration communale une adresse électronique à des fins de notification, l'envoi prévu à l'alinéa 1er peut s'effectuer par cette adresse électronique.
Pour les permis et certificats d'urbanisme n° 2, dans les huit jours de l'envoi [1 de l'avis de complétude formelle]1 ou de la demande de l'autorité compétente ou de l'autorité qui instruit le dossier, l'administration communale envoie individuellement aux occupants des immeubles situés dans un rayon de cinquante mètres mesuré à partir des limites de la ou des parcelles cadastrales concernées par le projet, un avis relatif à l'introduction de la demande d'autorisation et à la tenue de l'enquête publique.
Lorsque les occupants des immeubles concernés ont transmis à l'administration communale une adresse électronique à des fins de notification, l'envoi prévu à l'alinéa 1er peut s'effectuer par cette adresse électronique.
Wijzigingen
Art. D _VIII.11_.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
11. Voor de vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. stuurt het gemeentebestuur binnen acht dagen na de zending van het [1 bericht van formele volledigheid]1 of de aanvraag van de bevoegde overheid of van de overheid die het dossier behandelt, individueel een bericht betreffende de indiening van de vergunningsaanvraag en het houden van het openbaar onderzoek aan de bewoners van de panden gelegen binnen een straal van 50 meter gemeten vanaf de grenzen van het (de) betrokken perceel (percelen) waarop het project betrekking heeft.
Wanneer de bewoners van de betrokken panden een elektronisch adres aan het gemeentebestuur hebben medegedeeld met het oog op het krijgen van kennisgevingen, kan de kennisgeving bedoeld in lid 1via dit elektronisch adres plaatsvinden.
11. Voor de vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2. stuurt het gemeentebestuur binnen acht dagen na de zending van het [1 bericht van formele volledigheid]1 of de aanvraag van de bevoegde overheid of van de overheid die het dossier behandelt, individueel een bericht betreffende de indiening van de vergunningsaanvraag en het houden van het openbaar onderzoek aan de bewoners van de panden gelegen binnen een straal van 50 meter gemeten vanaf de grenzen van het (de) betrokken perceel (percelen) waarop het project betrekking heeft.
Wanneer de bewoners van de betrokken panden een elektronisch adres aan het gemeentebestuur hebben medegedeeld met het oog op het krijgen van kennisgevingen, kan de kennisgeving bedoeld in lid 1via dit elektronisch adres plaatsvinden.
Art. D. VIII.12.[1 Lorsqu'un plan, un schéma, un guide ou un périmètre est soumis à rapport sur les incidences environnementales et que l'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre constate]1 qu'il est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, ou lorsqu'une autre Région, un autre Etat membre de l'Union européenne ou un autre Etat partie à la Convention précitée en fait la demande, [1 l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre]1 accompagné du rapport sur les incidences environnementales et des informations éventuelles sur les incidences transfrontières du dossier, est transmis aux autorités compétentes de cette autre Région, de cet autre Etat membre de l'Union européenne ou de cet autre Etat partie à la Convention d'Espoo.
Outre les documents prévus à l'alinéa 1er, sont transmis aux autres Régions, Etats membres de l'Union européenne ou autres Etats parties à la Convention d'Espoo, les informations suivantes :
1° les coordonnées des autorités compétentes pour prendre la décision, de celles auprès desquelles peuvent être obtenus des renseignements pertinents, de celles auxquelles des observations ou questions peuvent être adressées ainsi que des précisions sur les délais de transmission des observations ou des questions;
2° la nature des décisions possibles ou, lorsqu'il existe, le projet de décision;
3° l'indication de la date et du lieu où les renseignements pertinents sont mis à la disposition du public et des moyens par lesquels ils le sont;
4° les modalités précises de la participation et de la consultation du public;
5° les principaux rapports et avis adressés à l'autorité ou aux autorités compétentes au moment où le public a été informé.
Le Gouvernement peut déterminer :
1° les instances chargées de la transmission de l'avant-projet ou [1 du projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre]1 aux autorités visées à l'alinéa 1er;
2° les modalités suivant lesquelles les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat susceptibles d'être affectés peuvent participer à la procédure d'évaluation des incidences sur l'environnement;
3° les modalités suivant lesquelles les informations visées à l'article D.VIII.27 sont communiquées aux autorités visées à l'alinéa 1er.
Outre les documents prévus à l'alinéa 1er, sont transmis aux autres Régions, Etats membres de l'Union européenne ou autres Etats parties à la Convention d'Espoo, les informations suivantes :
1° les coordonnées des autorités compétentes pour prendre la décision, de celles auprès desquelles peuvent être obtenus des renseignements pertinents, de celles auxquelles des observations ou questions peuvent être adressées ainsi que des précisions sur les délais de transmission des observations ou des questions;
2° la nature des décisions possibles ou, lorsqu'il existe, le projet de décision;
3° l'indication de la date et du lieu où les renseignements pertinents sont mis à la disposition du public et des moyens par lesquels ils le sont;
4° les modalités précises de la participation et de la consultation du public;
5° les principaux rapports et avis adressés à l'autorité ou aux autorités compétentes au moment où le public a été informé.
Le Gouvernement peut déterminer :
1° les instances chargées de la transmission de l'avant-projet ou [1 du projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre]1 aux autorités visées à l'alinéa 1er;
2° les modalités suivant lesquelles les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat susceptibles d'être affectés peuvent participer à la procédure d'évaluation des incidences sur l'environnement;
3° les modalités suivant lesquelles les informations visées à l'article D.VIII.27 sont communiquées aux autorités visées à l'alinéa 1er.
Wijzigingen
Art. D.VIII.12.[1 Wanneer een plan, ontwikkelingsplan, leidraad of omtrek is onderworpen aan een milieueffectenverslag en de autoriteit die verantwoordelijk is voor het aannemen van het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek vaststelt]1 dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, of wanneer een ander Gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die verdragsluitende partij, wordt het voorontwerp of [1 het voorontwerp of ontwerp van plan, leidraad of omtrek]1 samen met het milieueffectenverslag en de eventuele informaties over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo.
Section 4. - Publicité supplémentaire
Afdeling 4. - Bijkomende bekendmaking
Art. D.VIII.13. L'autorité compétente pour adopter le plan, périmètre, schéma ou le guide et pour délivrer les permis et certificats d'urbanisme n° 2, ainsi que les collèges communaux des communes organisant l'annonce de projet ou l'enquête publique, peuvent procéder à toute forme supplémentaire de publicité et d'information dans le respect des délais de décision qui sont impartis à l'autorité compétente.
Art. D.VIII.13. De overheid die bevoegd is om het plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan of de leidraad aan te nemen en om de vergunningen en de stedenbouwkundige attesten nr. 2 af te leveren, alsook de gemeentecolleges van de gemeenten die de aankondiging van project of het openbaar onderzoek organiseren, kunnen gebruik maken van elke bijkomende vorm van bekendmaking en raadpleging binnen de voorgeschreven beslissingstermijnen.
Section 5. - Durée de l'enquête publique
Afdeling 5. - Duur van het openbaar onderzoek
Art. D.VIII.14. La durée de l'enquête publique est de :
Art. D.VIII.14. De duur van het openbaar onderzoek is :
Section 6. - Modalités de l'accès à l'information dans le cadre de l'enquête publique
Afdeling 6. - Modaliteiten van de toegang tot de informatie in het kader van het openbaar onderzoek
Art. D.VIII.15. § 1er. Sans préjudice de l'article D.VIII.16, le dossier soumis à enquête publique comprend le projet de plan, périmètre, schéma, ou guide, ou la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Art. D. VIII.15. § 1. Onverminderd artikel D.VIII.16 omvat het aan openbaar onderzoek onderworpen dossier het ontwerp van plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan of de leidraad of de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.
In voorkomend geval omvat het dossier :
1° de milieueffectenverslag ering;
2° het verslag over de milieueffecten;
3° de aanvulling op de milieueffectenverslag ering;
4° het afschrift van de opmerkingen en voorstellen uitgebracht in het kader van de informatievergadering en het in artikel D.VIII.5 bedoelde proces-verbaal;
5° het afschrift van de adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen uitgebracht overeenkomstig de toepasselijke regelgeving. Deze adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen worden, zodra ze door de bevoegde overheid worden ontvangen, door haar opgenomen in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier of overgemaakt aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek wordt georganiseerd om in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier opgenomen te worden.
§ 2. De Regering kan naast de documenten bedoeld in § 1 de stukken bepalen die het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier omvat.
In voorkomend geval omvat het dossier :
1° de milieueffectenverslag ering;
2° het verslag over de milieueffecten;
3° de aanvulling op de milieueffectenverslag ering;
4° het afschrift van de opmerkingen en voorstellen uitgebracht in het kader van de informatievergadering en het in artikel D.VIII.5 bedoelde proces-verbaal;
5° het afschrift van de adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen uitgebracht overeenkomstig de toepasselijke regelgeving. Deze adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen worden, zodra ze door de bevoegde overheid worden ontvangen, door haar opgenomen in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier of overgemaakt aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek wordt georganiseerd om in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier opgenomen te worden.
§ 2. De Regering kan naast de documenten bedoeld in § 1 de stukken bepalen die het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier omvat.
Art. D _VIII.15.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Sans préjudice de l'article D.VIII.16, le dossier soumis à enquête publique comprend le projet de plan, périmètre, schéma, ou guide, ou la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Le dossier comporte le cas échéant :
1° la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement;
2° le rapport sur les incidences environnementales;
3° le complément à la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement;
4° [1 la copie des observations et suggestions émises dans le cadre de la réunion d'information préalable ainsi que le procès-verbal de celle-ci;]1
5° la copie des avis, observations, suggestions et décisions émis en application de la réglementation applicable. Ces avis, observations, suggestions et décisions sont, dès leur réception par l'autorité compétente, insérés par celle-ci dans le dossier soumis à enquête publique ou transmis à la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles l'enquête publique est organisée afin d'être insérés dans le dossier soumis à enquête publique.
§ 2. Le Gouvernement peut préciser les documents qui, outre ceux visés au paragraphe 1er, composent le dossier soumis à enquête publique.
§ 1er. Sans préjudice de l'article D.VIII.16, le dossier soumis à enquête publique comprend le projet de plan, périmètre, schéma, ou guide, ou la demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2.
Le dossier comporte le cas échéant :
1° la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement;
2° le rapport sur les incidences environnementales;
3° le complément à la notice d'évaluation des incidences sur l'environnement;
4° [1 la copie des observations et suggestions émises dans le cadre de la réunion d'information préalable ainsi que le procès-verbal de celle-ci;]1
5° la copie des avis, observations, suggestions et décisions émis en application de la réglementation applicable. Ces avis, observations, suggestions et décisions sont, dès leur réception par l'autorité compétente, insérés par celle-ci dans le dossier soumis à enquête publique ou transmis à la ou les communes sur le territoire de laquelle ou desquelles l'enquête publique est organisée afin d'être insérés dans le dossier soumis à enquête publique.
§ 2. Le Gouvernement peut préciser les documents qui, outre ceux visés au paragraphe 1er, composent le dossier soumis à enquête publique.
Wijzigingen
Art. D _VIII.15.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Onverminderd artikel D.VIII.16 omvat het aan openbaar onderzoek onderworpen dossier het ontwerp van plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan of de leidraad of de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.
In voorkomend geval omvat het dossier :
1° de milieueffectenverslag ering;
2° het verslag over de milieueffecten;
3° de aanvulling op de milieueffectenverslag ering;
4° [1 het afschrift van de opmerkingen en voorstellen uitgebracht in het kader van de vorige informatievergadering en de notulen van de informatievergadering;]1
5° het afschrift van de adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen uitgebracht overeenkomstig de toepasselijke regelgeving. Deze adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen worden, zodra ze door de bevoegde overheid worden ontvangen, door haar opgenomen in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier of overgemaakt aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek wordt georganiseerd om in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier opgenomen te worden.
§ 2. De Regering kan naast de documenten bedoeld in § 1 de stukken bepalen die het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier omvat.
§ 1. Onverminderd artikel D.VIII.16 omvat het aan openbaar onderzoek onderworpen dossier het ontwerp van plan, de omtrek, het ontwikkelingsplan of de leidraad of de aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2.
In voorkomend geval omvat het dossier :
1° de milieueffectenverslag ering;
2° het verslag over de milieueffecten;
3° de aanvulling op de milieueffectenverslag ering;
4° [1 het afschrift van de opmerkingen en voorstellen uitgebracht in het kader van de vorige informatievergadering en de notulen van de informatievergadering;]1
5° het afschrift van de adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen uitgebracht overeenkomstig de toepasselijke regelgeving. Deze adviezen, opmerkingen, voorstellen en beslissingen worden, zodra ze door de bevoegde overheid worden ontvangen, door haar opgenomen in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier of overgemaakt aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek wordt georganiseerd om in het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier opgenomen te worden.
§ 2. De Regering kan naast de documenten bedoeld in § 1 de stukken bepalen die het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier omvat.
Art. D. VIII.16. Lorsqu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est introduite, l'instance chargée d'apprécier le caractère complet de cette demande décide s'il convient de soustraire à l'enquête publique certaines données, au regard des motifs et critères de limitation du droit d'accès à l'information de l'article D.19 du Livre Ier du Code de l'Environnement et des articles 6 et 9 du décret du 30 mars 1995 relatif à la publicité de l'administration.
Le dossier de demande soumis à enquête publique mentionne le fait que l'instance chargée d'apprécier le caractère complet de cette demande a décidé de soustraire certaines données à l'enquête.
Le dossier de demande soumis à enquête publique mentionne le fait que l'instance chargée d'apprécier le caractère complet de cette demande a décidé de soustraire certaines données à l'enquête.
Art. D. VIII.16.Als een aanvraag voor een vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 ingediend wordt, beslist de instantie die moet nagaan of de aanvraag [1 formeel volledig]1 is of het past bepaalde gegevens aan het openbaar onderzoek te onttrekken op grond van de motieven en criteria inzake de beperking van het recht op toegang tot de informatie van artikel D.19 van Boek I van het Milieuwetboek en de artikelen 6 en 9 van het decreet van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur.
Het aan een openbaar onderzoek onderworpen aanvraagdossier vermeldt het feit dat de instantie die moet oordelen of die aanvraag [1 formeel volledig]1 is, beslist heeft bepaalde gegevens aan het onderzoek te onttrekken.
Het aan een openbaar onderzoek onderworpen aanvraagdossier vermeldt het feit dat de instantie die moet oordelen of die aanvraag [1 formeel volledig]1 is, beslist heeft bepaalde gegevens aan het onderzoek te onttrekken.
Art. D _VIII.16.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Lorsqu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est introduite, l'instance chargée d'apprécier [1 la complétude formelle]1 de cette demande décide s'il convient de soustraire à l'enquête publique certaines données, au regard des motifs et critères de limitation du droit d'accès à l'information de l'article D.19 du Livre Ier du Code de l'Environnement et des articles 6 et 9 du décret du 30 mars 1995 relatif à la publicité de l'administration.
Le dossier de demande soumis à enquête publique mentionne le fait que l'instance chargée d'apprécier [1 la complétude formelle]1 de cette demande a décidé de soustraire certaines données à l'enquête.
Lorsqu'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 est introduite, l'instance chargée d'apprécier [1 la complétude formelle]1 de cette demande décide s'il convient de soustraire à l'enquête publique certaines données, au regard des motifs et critères de limitation du droit d'accès à l'information de l'article D.19 du Livre Ier du Code de l'Environnement et des articles 6 et 9 du décret du 30 mars 1995 relatif à la publicité de l'administration.
Le dossier de demande soumis à enquête publique mentionne le fait que l'instance chargée d'apprécier [1 la complétude formelle]1 de cette demande a décidé de soustraire certaines données à l'enquête.
Wijzigingen
Art. D. VIII.17.Vanaf de aankondiging tot de afsluiting van het openbaar onderzoek kan het dossier dat het voorwerp uitmaakt van het openbaar onderzoek kosteloos ingezien worden op het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het onderzoek georganiseerd wordt.
Het dossier bedoeld in het eerste lid ligt ter inzage op de kantooruren? alsook één dag per week tot twintig uur of op zaterdagochtend.
Als de raadpleging op een werkdag na zestien uur of op zaterdagochtend plaatsvindt, maakt de persoon die inzage van het dossier wenst te nemen uiterlijk vierentwintig uur op voorhand een afspraak bij de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of de milieuadviseur of bij het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte. Bij gebrek aan afspraak mag de dienstwaarneming afgeschaft worden.
[1 Wanneer de gemeente over een volledige elektronische versie van het dossier beschikt, kan ze ook raadpleging op afstand toestaan.
De Regering kan de voorwaarden en nadere regels van die raadpleging vaststellen.]1
Het dossier bedoeld in het eerste lid ligt ter inzage op de kantooruren? alsook één dag per week tot twintig uur of op zaterdagochtend.
Als de raadpleging op een werkdag na zestien uur of op zaterdagochtend plaatsvindt, maakt de persoon die inzage van het dossier wenst te nemen uiterlijk vierentwintig uur op voorhand een afspraak bij de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of de milieuadviseur of bij het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte. Bij gebrek aan afspraak mag de dienstwaarneming afgeschaft worden.
[1 Wanneer de gemeente over een volledige elektronische versie van het dossier beschikt, kan ze ook raadpleging op afstand toestaan.
De Regering kan de voorwaarden en nadere regels van die raadpleging vaststellen.]1
Art. D. VIII.17.Dès l'annonce de l'enquête publique et jusqu'au jour de la clôture de celle-ci, le dossier soumis à enquête publique peut être consulté gratuitement à l'administration communale de la commune sur le territoire de laquelle l'enquête publique est organisée.
Le dossier visé à l'alinéa 1er peut être consulté aux heures d'ouverture des bureaux ainsi qu'un jour par semaine jusqu'à vingt heures ou le samedi matin.
Lorsque la consultation a lieu un jour ouvrable après seize heures ou le samedi matin, la personne souhaitant consulter le dossier prend rendez-vous au plus tard vingt-quatre heures à l'avance auprès du conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou du conseiller en environnement ou auprès du collège communal ou de l'agent communal désigné à cette fin. Si personne n'a pris rendez-vous, la permanence peut être supprimée.
[1 Lorsque la commune dispose d'une version informatique complète du dossier soumis à enquête, elle peut en permettre la consultation à distance.
Le Gouvernement peut préciser les conditions et les modalités de cette consultation à distance.]1
Le dossier visé à l'alinéa 1er peut être consulté aux heures d'ouverture des bureaux ainsi qu'un jour par semaine jusqu'à vingt heures ou le samedi matin.
Lorsque la consultation a lieu un jour ouvrable après seize heures ou le samedi matin, la personne souhaitant consulter le dossier prend rendez-vous au plus tard vingt-quatre heures à l'avance auprès du conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou du conseiller en environnement ou auprès du collège communal ou de l'agent communal désigné à cette fin. Si personne n'a pris rendez-vous, la permanence peut être supprimée.
[1 Lorsque la commune dispose d'une version informatique complète du dossier soumis à enquête, elle peut en permettre la consultation à distance.
Le Gouvernement peut préciser les conditions et les modalités de cette consultation à distance.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.18. Elke persoon kan uitleg krijgen bij de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of de milieuadviseur of bij het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte. Als het om het ruimtelijk ontwikkelingsplan gaat, kan elke persoon uitleg krijgen bij de diensten of de daartoe door de Regering aangewezen persoon.
Art. D. VIII.18. Toute personne peut obtenir des explications auprès du conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou du conseiller en environnement ou auprès du collège ou de l'agent communal désigné à cette fin. S'il s'agit du schéma de développement du territoire, toute personne peut obtenir des explications auprès des services ou de la personne désignée à cette fin par le Gouvernement.
Art. D. VIII.19.[1 Bezwaren en bemerkingen worden vóór het afsluiten van het onderzoek of de dag van de sluitingszitting per fax, e-mail, als de gemeente daartoe een adres heeft vastgelegd, of per gewone post verzonden of aan de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, aan de milieuadviseur, het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte overgelegd]1.
Op straffe van nietigheid worden de verzendingen per post of fax gedagtekend en ondertekend terwijl elektronische verzendingen [1 of andere elektronische informatiedragers]1 duidelijk geïdentificeerd en gedateerd worden.
Mondelinge bezwaren en bemerkingen worden eveneens na afspraak ingezameld door de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of door de milieuadviseur of door het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte, die ze optekent en vóór het afsluiten van het onderzoek aan het gemeentecollege overmaakt.
Op straffe van nietigheid worden de verzendingen per post of fax gedagtekend en ondertekend terwijl elektronische verzendingen [1 of andere elektronische informatiedragers]1 duidelijk geïdentificeerd en gedateerd worden.
Mondelinge bezwaren en bemerkingen worden eveneens na afspraak ingezameld door de adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of door de milieuadviseur of door het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte, die ze optekent en vóór het afsluiten van het onderzoek aan het gemeentecollege overmaakt.
Art. D. VIII.19.[1 Les réclamations et observations sont envoyées avant la clôture de l'enquête ou le jour de la séance de clôture par télécopie, par courrier électronique à l'adresse définie par la commune à cet effet, par tout autre support informatique mis à disposition par la commune, par courrier ordinaire ou remises au conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme, au conseiller en environnement, au collège communal ou à l'agent communal désigné à cette fin]1.
A peine de nullité, les envois par courriers ou télécopie sont datés et signés; ceux par courrier électronique [1 ou autres supports informatiques]1 sont clairement identifiés et datés.
Les réclamations et observations verbales sont également recueillies sur rendez-vous par le conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou par le conseiller en environnement ou par l'agent communal désigné à cette fin, qui les consigne et les transmet au collège communal avant la clôture de l'enquête.
A peine de nullité, les envois par courriers ou télécopie sont datés et signés; ceux par courrier électronique [1 ou autres supports informatiques]1 sont clairement identifiés et datés.
Les réclamations et observations verbales sont également recueillies sur rendez-vous par le conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou par le conseiller en environnement ou par l'agent communal désigné à cette fin, qui les consigne et les transmet au collège communal avant la clôture de l'enquête.
Wijzigingen
Art. D. VIII.20. Op de laatste dag van het openbaar onderzoek organiseert een lid van het gemeentecollege of een daartoe aangewezen gemeentebeambte een sluitingszitting waarop iedereen die het wenst gehoord wordt. De adviseur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw of, bij ontstentenis, de milieuadviseur of, bij ontstentenis, het gemeentecollege of de daartoe aangewezen gemeentebeambte zit de vergadering voor. Deze beambte maakt binnen vijf dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek proces-verbaal van afsluiting op waarin hij melding maakt van de geformuleerde opmerkingen en commentaren en ondertekent het.
Art. D. VIII.20. Le dernier jour de l'enquête publique, un membre du collège communal ou un agent communal désigné à cette fin organise une séance de clôture au cours de laquelle sont entendus tous ceux qui le désirent. Le conseiller en aménagement du territoire et en urbanisme ou, à défaut, le conseiller en environnement ou, à défaut, le membre du collège communal ou l'agent communal désigné à cette fin préside la séance. Celui-ci, dans les cinq jours de la clôture de l'enquête publique, dresse le procès-verbal de clôture en y consignant les remarques et observations émises et le signe.
Afdeling 7. - Vervangingsbevoegdheid
Section 7. - Pouvoir de substitution
Art. D. VIII.21. Als de gemeente niet voldoet aan de verplichtingen inzake de organisatie van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project, kan de Regering of de door haar aangewezen persoon een gemotiveerde waarschuwing aan betrokken gemeentecollege richten waarin het gewezen wordt op de nog te nemen maatregelen en op de termijn waarin het die moet nemen, en waarin het zijn houding moet rechtvaardigen.
Als er geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, kan de Regering of de gemachtigd ambtenaar of de door haar aangewezen persoon beroep doen op een gerechtsdeurwaarder van zijn keuze om het bericht van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project aan te plakken.
De kosten i.v.m. de formaliteiten van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project worden gedragen door het in gebreke gebleven gemeentecollege.
Als er geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, kan de Regering of de gemachtigd ambtenaar of de door haar aangewezen persoon beroep doen op een gerechtsdeurwaarder van zijn keuze om het bericht van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project aan te plakken.
De kosten i.v.m. de formaliteiten van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project worden gedragen door het in gebreke gebleven gemeentecollege.
Art. D. VIII.21. A défaut pour la commune de satisfaire à ses obligations dans l'organisation de l'enquête publique ou de l'annonce de projet, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut envoyer au collège communal de la commune concernée, un avertissement motivé lui précisant les mesures qu'il reste en défaut de prendre et lui donnant un délai pour prendre celles-ci et pour justifier son attitude.
Au cas où il n'est pas donné suite à cet avertissement, le Gouvernement ou le fonctionnaire délégué, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut avoir recours pour l'affichage de l'avis d'enquête publique ou de l'annonce de projet, à un huissier de justice de son choix.
Les frais inhérents à l'accomplissement des formalités d'enquête publique ou d'annonce de projet sont à charge du collège communal défaillant.
Au cas où il n'est pas donné suite à cet avertissement, le Gouvernement ou le fonctionnaire délégué, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut avoir recours pour l'affichage de l'avis d'enquête publique ou de l'annonce de projet, à un huissier de justice de son choix.
Les frais inhérents à l'accomplissement des formalités d'enquête publique ou d'annonce de projet sont à charge du collège communal défaillant.
Art. D. VIII.21_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Als de gemeente niet voldoet aan de verplichtingen inzake de organisatie van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project, kan de Regering of de door haar aangewezen persoon een gemotiveerde waarschuwing aan betrokken gemeentecollege richten waarin het gewezen wordt op de nog te nemen maatregelen en op de termijn waarin het die moet nemen, en waarin het zijn houding moet rechtvaardigen.
Als er geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, kan de Regering [1 ...]1 of de door haar aangewezen persoon beroep doen op een gerechtsdeurwaarder van zijn keuze om het bericht van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project aan te plakken.
De kosten i.v.m. de formaliteiten van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project worden gedragen door het in gebreke gebleven gemeentecollege.
Als de gemeente niet voldoet aan de verplichtingen inzake de organisatie van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project, kan de Regering of de door haar aangewezen persoon een gemotiveerde waarschuwing aan betrokken gemeentecollege richten waarin het gewezen wordt op de nog te nemen maatregelen en op de termijn waarin het die moet nemen, en waarin het zijn houding moet rechtvaardigen.
Als er geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, kan de Regering [1 ...]1 of de door haar aangewezen persoon beroep doen op een gerechtsdeurwaarder van zijn keuze om het bericht van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project aan te plakken.
De kosten i.v.m. de formaliteiten van het openbaar onderzoek of van de aankondiging van project worden gedragen door het in gebreke gebleven gemeentecollege.
Art. D. VIII.21_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
A défaut pour la commune de satisfaire à ses obligations dans l'organisation de l'enquête publique ou de l'annonce de projet, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut envoyer au collège communal de la commune concernée, un avertissement motivé lui précisant les mesures qu'il reste en défaut de prendre et lui donnant un délai pour prendre celles-ci et pour justifier son attitude.
Au cas où il n'est pas donné suite à cet avertissement, le Gouvernement [1 ...]1, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut avoir recours pour l'affichage de l'avis d'enquête publique ou de l'annonce de projet, à un huissier de justice de son choix.
Les frais inhérents à l'accomplissement des formalités d'enquête publique ou d'annonce de projet sont à charge du collège communal défaillant.
A défaut pour la commune de satisfaire à ses obligations dans l'organisation de l'enquête publique ou de l'annonce de projet, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut envoyer au collège communal de la commune concernée, un avertissement motivé lui précisant les mesures qu'il reste en défaut de prendre et lui donnant un délai pour prendre celles-ci et pour justifier son attitude.
Au cas où il n'est pas donné suite à cet avertissement, le Gouvernement [1 ...]1, ou la personne qu'il désigne à cette fin, peut avoir recours pour l'affichage de l'avis d'enquête publique ou de l'annonce de projet, à un huissier de justice de son choix.
Les frais inhérents à l'accomplissement des formalités d'enquête publique ou d'annonce de projet sont à charge du collège communal défaillant.
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Bekendmaking betreffende de beslissing
CHAPITRE V. - Publicité relative à la décision
Art. D. VIII.22.[1 Het besluit van de Regering tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten of de gezamenlijke milieueffectenbeoordeling, het besluit van de Regering tot aanneming van het ontwerp of tot definitieve aanneming van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan, de gewestelijke stedenbouwkundige leidraad, de te herontwikkelen omtrek, de omtrek inzake landschappelijk en milieuherstel, de omtrek van de stedelijke verkaveling evenals in voorkomend geval de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring en het advies van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ontwikkeling wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt]1.
[1 ...]1.
Het besluit van de Regering tot aanneming of tot goedkeuring van het onteigeningsplan of tot opheffing van [1 ...]1 de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18, wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. of wanneer hij niet van een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. afhangt, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De besluiten van de Regering tot goedkeuring van de aanneming, de herziening of de opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad alsook de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De beslissing van de gemeenteraad tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, de beslissing van de gemeenteraad tot aanneming, herziening of opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring worden bekendgemaakt overeenkomstig Hoofdstuk III van Titel III van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
[1 ...]1.
Het besluit van de Regering tot aanneming of tot goedkeuring van het onteigeningsplan of tot opheffing van [1 ...]1 de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18, wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. of wanneer hij niet van een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. afhangt, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De besluiten van de Regering tot goedkeuring van de aanneming, de herziening of de opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad alsook de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De beslissing van de gemeenteraad tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, de beslissing van de gemeenteraad tot aanneming, herziening of opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring worden bekendgemaakt overeenkomstig Hoofdstuk III van Titel III van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
Art. D. VIII.22.[1 L'arrêté du Gouvernement exemptant de rapport sur les incidences environnementales ou d'évaluation conjointe des incidences, l'arrêté du Gouvernement adoptant le projet ou adoptant définitivement le schéma de développement du territoire, le plan de secteur, le guide régional d'urbanisme, le périmètre de site à réaménager, le périmètre de réhabilitation paysagère et environnementale, le périmètre de remembrement urbain ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi, la déclaration environnementale et l'avis du pôle " Aménagement du territoire ", est publié au Moniteur belge]1.
[1 ...]1.
L'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant [1 ...]1 le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18, lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I. ou lorsqu'il est indépendant d'un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I est publié par mention au Moniteur belge.
Les arrêtés du Gouvernement approuvant l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal ainsi que les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs sont publiés par mention au Moniteur belge.
La décision du conseil communal exemptant de rapport sur les incidences environnementales, la décision du conseil communal adoptant, révisant ou abrogeant un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi et la déclaration environnementale sont publiés conformément au chapitre III du titre III du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
[1 ...]1.
L'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant [1 ...]1 le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18, lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I. ou lorsqu'il est indépendant d'un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I est publié par mention au Moniteur belge.
Les arrêtés du Gouvernement approuvant l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal ainsi que les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs sont publiés par mention au Moniteur belge.
La décision du conseil communal exemptant de rapport sur les incidences environnementales, la décision du conseil communal adoptant, révisant ou abrogeant un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi et la déclaration environnementale sont publiés conformément au chapitre III du titre III du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
Wijzigingen
Art. D. VIII.22_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het besluit van de Regering tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, het besluit van de Regering tot aanneming van het ontwerp of tot definitieve aanneming van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring en het advies van de [1 Adviesraad]1 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het besluit van de Regering tot voorlopige aanneming of tot definitieve aanneming of tot opheffing [2 van de omtrek voor een saneringslocatie]2 of de stedelijke verkavelingsomtrek alsook, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het besluit van de Regering tot aanneming of tot goedkeuring van het onteigeningsplan of tot opheffing van het onteigeningpslan bedoeld in [2 artikel 7, § 1, van het decreet van het Waals Gewest van 22 november 2018 betreffende de onteigeningsprocedure]2 of de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18, wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. [2 ...]2, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De besluiten van de Regering tot goedkeuring van de aanneming, de herziening of de opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad alsook de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De beslissing van de gemeenteraad tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, de beslissing van de gemeenteraad tot aanneming, herziening of opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring worden bekendgemaakt overeenkomstig [1 artikel 74 van het gemeentedecreet van 23 april 2018]1.
Het besluit van de Regering tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, het besluit van de Regering tot aanneming van het ontwerp of tot definitieve aanneming van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, het gewestplan en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring en het advies van de [1 Adviesraad]1 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het besluit van de Regering tot voorlopige aanneming of tot definitieve aanneming of tot opheffing [2 van de omtrek voor een saneringslocatie]2 of de stedelijke verkavelingsomtrek alsook, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het besluit van de Regering tot aanneming of tot goedkeuring van het onteigeningsplan of tot opheffing van het onteigeningpslan bedoeld in [2 artikel 7, § 1, van het decreet van het Waals Gewest van 22 november 2018 betreffende de onteigeningsprocedure]2 of de omtrek van voorkoop bedoeld in artikel D.VI.18, wanneer hij opgemaakt wordt na een plan, omtrek of ontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.VI.I. [2 ...]2, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De besluiten van de Regering tot goedkeuring van de aanneming, de herziening of de opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad alsook de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De beslissing van de gemeenteraad tot vrijstelling van een verslag over de milieueffecten, de beslissing van de gemeenteraad tot aanneming, herziening of opheffing van een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een lokaal beleidsontwikkelingsplan of van een gemeentelijke leidraad en, in voorkomend geval, de onteigeningsplannen en de desbetreffende omtrekken van voorkoop, de getroffen maatregelen inzake de opvolging, de milieuverklaring worden bekendgemaakt overeenkomstig [1 artikel 74 van het gemeentedecreet van 23 april 2018]1.
Art. D. VIII.22_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'arrêté du Gouvernement exemptant de rapport sur les incidences environnementales, l'arrêté du Gouvernement adoptant le projet ou adoptant définitivement le schéma de développement du territoire, le plan de secteur, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi, la déclaration environnementale et l'avis du [1 conseil consultatif]1, est publié au Moniteur belge.
L'arrêté du Gouvernement adoptant provisoirement ou adoptant définitivement ou abrogeant [2 le périmètre d'un site à réaménager]2 ou le périmètre de remembrement urbain, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, est publié par mention au Moniteur belge.
L'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant le plan d'expropriation, ou abrogeant ou approuvant l'abrogation du plan d'expropriation visé à l'[2 article 7, § 1er, du décret de la Région wallonne du 22 novembre 2018 relatif à la procédure d'expropriation]2 ou le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18, lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I. [2 ...]2 est publié par mention au Moniteur belge.
Les arrêtés du Gouvernement approuvant l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal ainsi que les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs sont publiés par mention au Moniteur belge.
La décision du conseil communal exemptant de rapport sur les incidences environnementales, la décision du conseil communal adoptant, révisant ou abrogeant un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi et la déclaration environnementale sont publiés conformément [1 à l'article 74 du décret communal du 23 avril 2018]1.
L'arrêté du Gouvernement exemptant de rapport sur les incidences environnementales, l'arrêté du Gouvernement adoptant le projet ou adoptant définitivement le schéma de développement du territoire, le plan de secteur, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi, la déclaration environnementale et l'avis du [1 conseil consultatif]1, est publié au Moniteur belge.
L'arrêté du Gouvernement adoptant provisoirement ou adoptant définitivement ou abrogeant [2 le périmètre d'un site à réaménager]2 ou le périmètre de remembrement urbain, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, est publié par mention au Moniteur belge.
L'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant le plan d'expropriation, ou abrogeant ou approuvant l'abrogation du plan d'expropriation visé à l'[2 article 7, § 1er, du décret de la Région wallonne du 22 novembre 2018 relatif à la procédure d'expropriation]2 ou le périmètre de préemption visé à l'article D.VI.18, lorsqu'il est dressé postérieurement à un plan, périmètre ou schéma visé à l'article D.VI.I. [2 ...]2 est publié par mention au Moniteur belge.
Les arrêtés du Gouvernement approuvant l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal ainsi que les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs sont publiés par mention au Moniteur belge.
La décision du conseil communal exemptant de rapport sur les incidences environnementales, la décision du conseil communal adoptant, révisant ou abrogeant un schéma de développement pluricommunal ou communal, un schéma d'orientation local ou un guide communal, ainsi que, le cas échéant, les plans d'expropriation et les périmètres de préemption y relatifs, les mesures arrêtées concernant le suivi et la déclaration environnementale sont publiés conformément [1 à l'article 74 du décret communal du 23 avril 2018]1.
Art. D. VIII.23. In de gevallen bedoeld in de artikelen D.II.49, § 6, en D.II.52, § 4, of bij gebrek aan beslissing van de Regering binnen de voorgeschreven termijnen maakt de Regering het advies waarmee de bevoegde overheid vaststelt dat het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad geacht wordt goedgekeurd of geweigerd te zijn, in het Belgisch Staatsblad bekend.
Art. D. VIII.23. Dans les cas visés aux articles D.II.49, § 6, et D.II 52, § 4, ou en l'absence de décision du Gouvernement dans les délais prescrits, celui-ci publie au Moniteur belge l'avis par lequel l'autorité compétente constate que le plan, périmètre, schéma ou le guide est réputé approuvé ou refusé.
Art. D. VIII.24.Het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad en, in voorkomend geval, het onteigeningsplan en de desbetreffende omtrek van voorkoop kunnen worden geraadpleegd op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw [1 van de administratie]1. Hun opheffing of uitdoving wordt ook vermeld.
Art. D. VIII.24.Le plan, périmètre, schéma ou le guide ainsi que, le cas échéant, le plan d'expropriation et le périmètre de préemption y relatif sont accessibles via le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1. Leur abrogation ou extinction est également renseignée.
Wijzigingen
Art. D. VIII.24_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad en, in voorkomend geval, het onteigeningsplan en de desbetreffende omtrek van voorkoop kunnen worden geraadpleegd op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1. Hun opheffing of uitdoving wordt ook vermeld.
Het plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad en, in voorkomend geval, het onteigeningsplan en de desbetreffende omtrek van voorkoop kunnen worden geraadpleegd op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1. Hun opheffing of uitdoving wordt ook vermeld.
Art. D. VIII.24_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le plan, périmètre, schéma ou le guide ainsi que, le cas échéant, le plan d'expropriation et le périmètre de préemption y relatif sont accessibles via le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1. Leur abrogation ou extinction est également renseignée.
Le plan, périmètre, schéma ou le guide ainsi que, le cas échéant, le plan d'expropriation et le périmètre de préemption y relatif sont accessibles via le site Internet du [1 Ministère de la Communauté germanophone]1. Leur abrogation ou extinction est également renseignée.
Wijzigingen
Art. D. VIII.25. Het besluit van de Regering tot voorlopige of definitieve aanneming of tot opheffing van een omtrek van een te herontwikkelen locatie of een omtrek voor landschappelijk en milieuherstel en het besluit tot aanneming of tot voorlopige of definitieve goedkeuring van een omtrek van voorkoop worden overgeschreven op het hypotheekkantoor.
Het nieuwe besluit vervangt het vorige besluit.
Het nieuwe besluit vervangt het vorige besluit.
Art. D. VIII.25. L'arrêté du Gouvernement adoptant provisoirement ou définitivement ou abrogeant un périmètre de site à réaménager ou un périmètre de site de réhabilitation paysagère et environnementale et l'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant, provisoirement ou définitivement, un périmètre de préemption sont transcrits au bureau de conservation des hypothèques.
Le nouvel arrêté se substitue à l'arrêté précédent.
Le nouvel arrêté se substitue à l'arrêté précédent.
Art. D _VIII.25.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het besluit van de Regering tot voorlopige of definitieve aanneming of tot opheffing [1 van een omtrek voor een saneringslocatie]1 en het besluit tot aanneming of tot voorlopige of definitieve goedkeuring van een omtrek van voorkoop worden overgeschreven op het hypotheekkantoor.
Het nieuwe besluit vervangt het vorige besluit.
Het besluit van de Regering tot voorlopige of definitieve aanneming of tot opheffing [1 van een omtrek voor een saneringslocatie]1 en het besluit tot aanneming of tot voorlopige of definitieve goedkeuring van een omtrek van voorkoop worden overgeschreven op het hypotheekkantoor.
Het nieuwe besluit vervangt het vorige besluit.
Art. D _VIII.25.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'arrêté du Gouvernement adoptant provisoirement ou définitivement ou abrogeant un périmètre de site à réaménager [1 ...]1 et l'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant, provisoirement ou définitivement, un périmètre de préemption sont transcrits au bureau de conservation des hypothèques.
Le nouvel arrêté se substitue à l'arrêté précédent.
L'arrêté du Gouvernement adoptant provisoirement ou définitivement ou abrogeant un périmètre de site à réaménager [1 ...]1 et l'arrêté du Gouvernement adoptant ou approuvant, provisoirement ou définitivement, un périmètre de préemption sont transcrits au bureau de conservation des hypothèques.
Le nouvel arrêté se substitue à l'arrêté précédent.
Wijzigingen
Art. D. VIII.26. De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan, omtrek, ontwikkelingsplan of leidraad bedoeld in artikel D.VIII.1, eerste lid, 3°, maakt het voorwerp uit van een bericht dat gedurende twintig dagen op de gebruikelijke aanplakplaatsen aangeplakt wordt in de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt. De beslissing kan op de website van de gemeente bekendgemaakt worden.
Voor de ontwerpen bedoeld in artikel D.VIII.1, eerste lid, 4° wordt artikel D.IV.70 toegepast.
Voor de ontwerpen bedoeld in artikel D.VIII.1, eerste lid, 4° wordt artikel D.IV.70 toegepast.
Art. DVIII.26. La décision d'adoption ou d'approbation d'un plan, périmètre, schéma ou d'un guide visés à l'article D.VIII.1, alinéa 1er, 3°, fait l'objet d'un avis affiché durant vingt jours aux endroits habituels d'affichage dans la commune sur le territoire de laquelle l'enquête publique a été organisée. La décision peut être publiée sur le site Internet de la commune.
Pour les projets visés à l'article D.VIII.1, alinéa 1er, 4°, il est fait application de l'article D.IV.70.
Pour les projets visés à l'article D.VIII.1, alinéa 1er, 4°, il est fait application de l'article D.IV.70.
Art. D. VIII.27. Gedurende de hele aanplakperiode kan de beslissing of het document waarin ze vastligt, en in voorkomend geval, het onteigeningsplan en de desbetreffende omtrek van voorkoop, de vastgelegde opvolgingsmaatregelen en de milieuverklaring ingezien worden volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.17.
Na afloop van de aanplaktermijn maakt de burgemeester een attest op ter bevestiging van de aanplakking.
Na afloop van de aanplaktermijn maakt de burgemeester een attest op ter bevestiging van de aanplakking.
Art. D. VIII.27. Durant toute la période d'affichage, la décision ou le document en tenant lieu, et le cas échéant, le plan d'expropriation et le périmètre de préemption y relatif, les mesures arrêtées concernant le suivi et la déclaration environnementale sont accessibles selon les modalités fixées à l'article D.VIII.17.
A la fin du délai d'affichage, le bourgmestre établit une attestation certifiant cet affichage.
A la fin du délai d'affichage, le bourgmestre établit une attestation certifiant cet affichage.
HOOFDSTUK VI.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - INFORMATIEVERGADERING VIA VIDEOPRESENTATIE]1
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Réunion d'information par vidéo de présentation]1
Art. D. VIII.27.1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 ...]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.27.1. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent pour la durée des mesures d'urgence adoptées par l'autorité fédérale en vue de contenir la propagation du coronavirus (COVID-19). Le Gouvernement fixe la date de fin des dispositions mentionnées.]1
Art. D. VIII.27.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 De in artikel D.VIII.5 vermelde 'voorafgaandelijke informatievergadering' voor de gewestplannen waarvan de herziening met toepassing van de artikelen D.II.47, D.II.48 en D.II.52 op initiatief van de gemeente of van een private of publieke natuurlijke of rechtspersoon wordt bepaald, kan, naar keuze van die persoon of overheid, ofwel overeenkomstig artikel D.VIII.5 als fysieke vergadering worden georganiseerd of overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden georganiseerd.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art. D _VIII.27.1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 ...]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.27.3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De persoon of overheid die het initiatief tot wijziging van het gewestplan heeft genomen, kan nog andere deelnemingsregels toepassen.]1
Art. D _VIII.27.2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Pour les plans de secteur dont la révision intervient, en application des articles D.II.47, D.II.48 et D.II.52, sur initiative communale ou sur initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, la réunion d'information préalable mentionnée à l'article D.VIII.5 peut être organisée, au choix de cette personne ou de cette autorité, soit conformément aux dispositions dudit article D.VIII.5 en présentiel, soit conformément aux dispositions du présent chapitre.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art. D. VIII.27.4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1. Voor de gewestplannen waarvan de herziening met toepassing van de artikelen D.II.47, D.II.48 en D.II.52 op initiatief van de gemeente of van een private of publieke natuurlijke of rechtspersoon wordt bepaald, wordt een videopresentatie van het ontwerp van herziening van het gewestplan gemaakt voordat de aanvraag aan de Regering wordt verzonden.
De videopresentatie heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in het verslag over de milieueffecten te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen - en het publiek in staat te stellen alternatieven voor te stellen - die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
§ 2 - De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bepaalt:
1° de datums waarop de videopresentatie op het internet wordt bekendgemaakt;
2° de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt;
3° de personen bij wie inlichtingen kunnen worden ingewonnen en hun telefoonnummer;
4° de termijn van vijftien dagen waarin de opmerkingen en suggesties als bedoeld in § 6 kunnen worden meegedeeld.
De videopresentatie moet gedurende twee opeenvolgende werkdagen op het internet beschikbaar zijn. Tijdens die twee dagen kunnen telefonisch, tussen 8 uur en 17 uur, nadere inlichtingen worden ingewonnen.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, maakt de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ter informatie over aan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, en aan de Regering. Deze persoon of overheid bezorgt hun ook een begrijpelijke schriftelijke versie van de uiteenzettingen en een afschrift van de in de videopresentatie voorgestelde documenten.
§ 3 - Elk gemeentecollege plakt aan de gewoonlijke aanplakkingplaatsen een bericht van bekendmaking aan en dit minstens vijftien dagen voordat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt en tot de dag na die bekendmaking op het internet. Het plakt het bericht van bekendmaking op vier plaatsen aan naast de betrokken omtrek langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient.
In het bericht van bekendmaking wordt minstens het volgende vermeld:
1° de persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, met vermelding van zijn of haar adres;
2° de aard van het project en de plaats ervan;
3° het doel van de videopresentatie;
4° de datums waarop de videopresentatie op het internet beschikbaar is;
5° de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt;
6° de personen bij wie inlichtingen kunnen worden ingewonnen, met vermelding van hun telefoonnummer, en de datums en tijdstippen waarop ze bereikbaar zijn;
7° de termijn van vijftien dagen waarin de opmerkingen en suggesties als bedoeld in § 6 kunnen worden meegedeeld, met vermelding van het adres en het e-mailadres waarop die opmerkingen en suggesties toekomen.
In het bericht van bekendmaking worden de bewoordingen van § 4 weergegeven en wordt uitdrukkelijk naar dit hoofdstuk verwezen.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, verspreidt het bericht van bekendmaking:
1° in minstens één in het Duitse taalgebied verspreid Duitstalig dagblad en Duitstalig huis-aan-huisblad in de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
2° op de website van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
3° op de eigen website.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bezorgt de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt en de datums waarop die videopresentatie beschikbaar is, aan:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de Waalse Regering;
3° de Beleidsgroep Leefmilieu;
4° de gemeentelijke commissie van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
5° de adviescommissie;
6° de vertegenwoordigers van de gemeenten op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 4 - Elke persoon kan de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, aangetekend vragen om hem een afschrift van de schriftelijke versie van de uiteenzettingen en van de in de videopresentatie voorgestelde documenten te bezorgen. De aanvraag moet uiterlijk drie dagen vóór de bekendmaking op het internet in ontvangst worden genomen. Twee dagen vóór de bekendmaking op het internet bezorgt de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, aan de aanvrager aangetekend een exemplaar van de documenten.
Elke persoon kan het afschrift van de schriftelijke versie van de uiteenzettingen en van de in de videopresentatie voorgestelde documenten op afspraak inkijken bij de gemeente [2 ...]2.
§ 5 - De videopresentatie die is gemaakt door de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, begint met een uitleg van het doel ervan overeenkomstig § 1, tweede lid, en stelt daarna het ontwerp van herziening van het gewestplan voor.
§ 6 - Elke persoon kan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, binnen vijftien dagen na de laatste dag dat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt, zijn opmerkingen en suggesties over het ontwerp van herziening van het gewestplan schriftelijk meedelen. Hij kan ook bijzondere punten onderstrepen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
Elk gemeentecollege richt het afschrift van de eventuele opmerkingen, suggesties en voorstellen binnen dertig dagen na de laatste dag dat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt, aan de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen.]1
De videopresentatie heeft als doel:
1° de aanvrager in staat te stellen het basisdossier bedoeld in artikel D.II.44 voor te stellen;
2° het publiek in staat te stellen zich te informeren en zijn opmerkingen te uiten over het ontwerp van herziening van het gewestplan;
3° in voorkomend geval de bijzondere punten die zouden kunnen worden besproken in het verslag over de milieueffecten te onderstrepen;
4° alternatieven voor te stellen - en het publiek in staat te stellen alternatieven voor te stellen - die redelijkerwijs voor de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
§ 2 - De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bepaalt:
1° de datums waarop de videopresentatie op het internet wordt bekendgemaakt;
2° de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt;
3° de personen bij wie inlichtingen kunnen worden ingewonnen en hun telefoonnummer;
4° de termijn van vijftien dagen waarin de opmerkingen en suggesties als bedoeld in § 6 kunnen worden meegedeeld.
De videopresentatie moet gedurende twee opeenvolgende werkdagen op het internet beschikbaar zijn. Tijdens die twee dagen kunnen telefonisch, tussen 8 uur en 17 uur, nadere inlichtingen worden ingewonnen.
De persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, maakt de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ter informatie over aan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, en aan de Regering. Deze persoon of overheid bezorgt hun ook een begrijpelijke schriftelijke versie van de uiteenzettingen en een afschrift van de in de videopresentatie voorgestelde documenten.
§ 3 - Elk gemeentecollege plakt aan de gewoonlijke aanplakkingplaatsen een bericht van bekendmaking aan en dit minstens vijftien dagen voordat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt en tot de dag na die bekendmaking op het internet. Het plakt het bericht van bekendmaking op vier plaatsen aan naast de betrokken omtrek langs een berijdbare weg of een weg die als doorgang dient.
In het bericht van bekendmaking wordt minstens het volgende vermeld:
1° de persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, met vermelding van zijn of haar adres;
2° de aard van het project en de plaats ervan;
3° het doel van de videopresentatie;
4° de datums waarop de videopresentatie op het internet beschikbaar is;
5° de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt;
6° de personen bij wie inlichtingen kunnen worden ingewonnen, met vermelding van hun telefoonnummer, en de datums en tijdstippen waarop ze bereikbaar zijn;
7° de termijn van vijftien dagen waarin de opmerkingen en suggesties als bedoeld in § 6 kunnen worden meegedeeld, met vermelding van het adres en het e-mailadres waarop die opmerkingen en suggesties toekomen.
In het bericht van bekendmaking worden de bewoordingen van § 4 weergegeven en wordt uitdrukkelijk naar dit hoofdstuk verwezen.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, verspreidt het bericht van bekendmaking:
1° in minstens één in het Duitse taalgebied verspreid Duitstalig dagblad en Duitstalig huis-aan-huisblad in de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
2° op de website van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
3° op de eigen website.
De persoon of overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen, bezorgt de link naar de website waar de videopresentatie wordt bekendgemaakt en de datums waarop die videopresentatie beschikbaar is, aan:
1° de Regering of haar vertegenwoordiger;
2° een vertegenwoordiger van de Waalse Regering;
3° de Beleidsgroep Leefmilieu;
4° de gemeentelijke commissie van de gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland;
5° de adviescommissie;
6° de vertegenwoordigers van de gemeenten op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland.
§ 4 - Elke persoon kan de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, aangetekend vragen om hem een afschrift van de schriftelijke versie van de uiteenzettingen en van de in de videopresentatie voorgestelde documenten te bezorgen. De aanvraag moet uiterlijk drie dagen vóór de bekendmaking op het internet in ontvangst worden genomen. Twee dagen vóór de bekendmaking op het internet bezorgt de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, aan de aanvrager aangetekend een exemplaar van de documenten.
Elke persoon kan het afschrift van de schriftelijke versie van de uiteenzettingen en van de in de videopresentatie voorgestelde documenten op afspraak inkijken bij de gemeente [2 ...]2.
§ 5 - De videopresentatie die is gemaakt door de persoon of overheid die het initiatief tot herziening van het gewestplan heeft genomen, begint met een uitleg van het doel ervan overeenkomstig § 1, tweede lid, en stelt daarna het ontwerp van herziening van het gewestplan voor.
§ 6 - Elke persoon kan het gemeentecollege van elke gemeente op het grondgebied waarvan de herziening van het gewestplan wordt gepland, binnen vijftien dagen na de laatste dag dat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt, zijn opmerkingen en suggesties over het ontwerp van herziening van het gewestplan schriftelijk meedelen. Hij kan ook bijzondere punten onderstrepen en alternatieven voorstellen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen opdat ermee rekening zou worden gehouden in het verslag over de milieueffecten.
Elk gemeentecollege richt het afschrift van de eventuele opmerkingen, suggesties en voorstellen binnen dertig dagen na de laatste dag dat de presentatievideo op het internet wordt bekendgemaakt, aan de persoon of de overheid die het initiatief van de herziening heeft genomen.]1
Art. D _VIII.27.3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision du plan de secteur peut mettre en place d'autres modalités de participation.]1
Art. D. VIII.27.5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 De overeenkomstig artikel D.VIII.27.4 gevolgde inspraakprocedure geldt als voorafgaande informatievergadering voor de toepassing van artikel D.II.47, § 1, tweede lid, artikel D.II.48, § 2, en artikel D.II.54, § 2, zesde lid, 5°, alsook voor de toepassing van artikel D.VIII.2, § 2.]1
Art. D _VIII.27.4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Pour les plans de secteur dont la révision intervient, en application des articles D.II.47, D.II.48 et D.II.52, sur initiative communale ou sur initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, une vidéo de présentation du projet de révision du plan de secteur est réalisée avant l'envoi de la demande au Gouvernement.
La vidéo de présentation a pour objet :
1° de permettre au demandeur de présenter le dossier de base au sens de l'article D.II.44;
2° de permettre au public de s'informer et d'exprimer des remarques en ce qui concerne le projet de révision du plan de secteur;
3° de mettre en évidence, le cas échéant, les points particuliers qui pourraient être soulevés dans le rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement;
4° de proposer des solutions alternatives et de permettre au public d'en proposer qui peuvent être raisonnablement envisagées pour que le demandeur en tienne compte dans le rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement.
§ 2 - La personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision détermine :
1° les dates auxquelles la vidéo de présentation sera publiée sur Internet;
2° le lien vers la vidéo de présentation;
3° les personnes, y compris leur numéro de téléphone, auprès desquelles il est possible d'obtenir des informations;
4° le délai de quinze jours pendant lequel des remarques ou des suggestions peuvent être communiquées conformément au § 6.
La vidéo de présentation doit être disponible sur Internet pendant deux jours ouvrables consécutifs. Il est possible d'obtenir des informations par téléphone pendant ces deux jours entre 8 h et 17 h.
La personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision transmet les données mentionnées à l'alinéa 1er en vue d'informer le collège communal de toute commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée et le Gouvernement. Elle leur transmet également une transcription intelligible des développements et une copie des documents affichés dans la vidéo de présentation.
§ 3 - Chaque collège communal affiche un avis aux endroits habituels d'affichage au moins quinze jours avant la mise en ligne de la vidéo de présentation sur Internet et jusqu'au lendemain de cette mise en ligne. Il affiche l'avis à quatre endroits à proximité de la zone concernée, le long d'une voirie publique carrossable ou d'un grand axe.
L'avis mentionne au moins :
1° la personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision, y compris son adresse;
2° la nature du projet et le lieu;
3° l'objet de la vidéo de présentation;
4° les dates auxquelles la vidéo de présentation sera disponible sur Internet;
5° le lien vers la vidéo de présentation;
6° les personnes auprès desquelles il est possible d'obtenir des informations, y compris leur numéro de téléphone ainsi que les dates et heures auxquelles elles sont joignables;
7° le délai de quinze jours pendant lequel des remarques ou des suggestions peuvent être communiquées conformément au § 6, y compris les adresses postale et électronique fixées pour la réception de ces remarques et suggestions.
L'avis reprend le libellé du § 4 et renvoie expressément au présent chapitre.
La personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision s'opère publie l'avis :
1° dans au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande et un journal toute boîte de langue allemande qui couvre le territoire de la commune où la révision du plan de secteur est envisagée;
2° sur le site Internet de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée;
3° sur son propre site Internet.
La personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision a lieu transmet le lien vers la vidéo de présentation et les dates à laquelle elle sera disponible :
1° au Gouvernement ou à son représentant;
2° au représentant du Gouvernement wallon;
3° au pôle " Environnement ";
4° à la commission communale de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée;
5° à la commission consultative;
6° aux représentants des communes sur le territoire desquelles la révision du plan de secteur est envisagée.
§ 4 - Toute personne peut demander, par lettre recommandée, à la personne ou à l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère que lui soit transmise une copie de la transcription intelligible des développements et des documents affichés dans la vidéo de présentation. La demande doit être réceptionnée au plus tard trois jours avant la publication sur Internet. Deux jours avant la publication sur Internet, la personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère transmet au demandeur, par lettre recommandée, un exemplaire des documents.
Toute personne peut consulter, auprès de la commune et sur rendez-vous, une copie de la transcription intelligible des développements et des documents affichés dans la vidéo de présentation [2 ...]2.
§ 5 - La vidéo de présentation réalisée par la personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère commence par une explication concernant son objet conformément au § 1er, alinéa 2, et présente ensuite le projet de révision du plan de secteur.
§ 6 - Toute personne peut transmettre par écrit ses remarques et suggestions au collège communal de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée, et ce, dans les quinze jours suivant le dernier jour de la publication de la vidéo de présentation. Elle peut également mettre en évidence les points particuliers et proposer des alternatives qui peuvent être raisonnablement envisagées pour que le demandeur en tienne compte dans le rapport sur les incidences notables sur l'environnement.
Chaque collège communal transmet à la personne ou à l'autorité à l'initiative de laquelle la révision s'opère la copie des éventuelles remarques, suggestions et propositions dans les trente jours suivant le dernier jour de la publication de la vidéo de présentation.]1
La vidéo de présentation a pour objet :
1° de permettre au demandeur de présenter le dossier de base au sens de l'article D.II.44;
2° de permettre au public de s'informer et d'exprimer des remarques en ce qui concerne le projet de révision du plan de secteur;
3° de mettre en évidence, le cas échéant, les points particuliers qui pourraient être soulevés dans le rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement;
4° de proposer des solutions alternatives et de permettre au public d'en proposer qui peuvent être raisonnablement envisagées pour que le demandeur en tienne compte dans le rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement.
§ 2 - La personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision détermine :
1° les dates auxquelles la vidéo de présentation sera publiée sur Internet;
2° le lien vers la vidéo de présentation;
3° les personnes, y compris leur numéro de téléphone, auprès desquelles il est possible d'obtenir des informations;
4° le délai de quinze jours pendant lequel des remarques ou des suggestions peuvent être communiquées conformément au § 6.
La vidéo de présentation doit être disponible sur Internet pendant deux jours ouvrables consécutifs. Il est possible d'obtenir des informations par téléphone pendant ces deux jours entre 8 h et 17 h.
La personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision transmet les données mentionnées à l'alinéa 1er en vue d'informer le collège communal de toute commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée et le Gouvernement. Elle leur transmet également une transcription intelligible des développements et une copie des documents affichés dans la vidéo de présentation.
§ 3 - Chaque collège communal affiche un avis aux endroits habituels d'affichage au moins quinze jours avant la mise en ligne de la vidéo de présentation sur Internet et jusqu'au lendemain de cette mise en ligne. Il affiche l'avis à quatre endroits à proximité de la zone concernée, le long d'une voirie publique carrossable ou d'un grand axe.
L'avis mentionne au moins :
1° la personne ou l'autorité qui a pris l'initiative de révision, y compris son adresse;
2° la nature du projet et le lieu;
3° l'objet de la vidéo de présentation;
4° les dates auxquelles la vidéo de présentation sera disponible sur Internet;
5° le lien vers la vidéo de présentation;
6° les personnes auprès desquelles il est possible d'obtenir des informations, y compris leur numéro de téléphone ainsi que les dates et heures auxquelles elles sont joignables;
7° le délai de quinze jours pendant lequel des remarques ou des suggestions peuvent être communiquées conformément au § 6, y compris les adresses postale et électronique fixées pour la réception de ces remarques et suggestions.
L'avis reprend le libellé du § 4 et renvoie expressément au présent chapitre.
La personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision s'opère publie l'avis :
1° dans au moins un journal de langue allemande diffusé en région de langue allemande et un journal toute boîte de langue allemande qui couvre le territoire de la commune où la révision du plan de secteur est envisagée;
2° sur le site Internet de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée;
3° sur son propre site Internet.
La personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision a lieu transmet le lien vers la vidéo de présentation et les dates à laquelle elle sera disponible :
1° au Gouvernement ou à son représentant;
2° au représentant du Gouvernement wallon;
3° au pôle " Environnement ";
4° à la commission communale de la commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée;
5° à la commission consultative;
6° aux représentants des communes sur le territoire desquelles la révision du plan de secteur est envisagée.
§ 4 - Toute personne peut demander, par lettre recommandée, à la personne ou à l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère que lui soit transmise une copie de la transcription intelligible des développements et des documents affichés dans la vidéo de présentation. La demande doit être réceptionnée au plus tard trois jours avant la publication sur Internet. Deux jours avant la publication sur Internet, la personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère transmet au demandeur, par lettre recommandée, un exemplaire des documents.
Toute personne peut consulter, auprès de la commune et sur rendez-vous, une copie de la transcription intelligible des développements et des documents affichés dans la vidéo de présentation [2 ...]2.
§ 5 - La vidéo de présentation réalisée par la personne ou l'autorité à l'initiative de laquelle la révision du plan de secteur s'opère commence par une explication concernant son objet conformément au § 1er, alinéa 2, et présente ensuite le projet de révision du plan de secteur.
§ 6 - Toute personne peut transmettre par écrit ses remarques et suggestions au collège communal de chaque commune sur le territoire de laquelle la révision du plan de secteur est envisagée, et ce, dans les quinze jours suivant le dernier jour de la publication de la vidéo de présentation. Elle peut également mettre en évidence les points particuliers et proposer des alternatives qui peuvent être raisonnablement envisagées pour que le demandeur en tienne compte dans le rapport sur les incidences notables sur l'environnement.
Chaque collège communal transmet à la personne ou à l'autorité à l'initiative de laquelle la révision s'opère la copie des éventuelles remarques, suggestions et propositions dans les trente jours suivant le dernier jour de la publication de la vidéo de présentation.]1
Art. D. VIII.27.6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 Als de inspraak van het publiek heeft plaatsgevonden overeenkomstig de procedure vermeld in artikel D.VIII.27.4, dan bevat het dossier vermeld in artikel D.VIII.15, § 1, een afschrift van de opmerkingen en suggesties die in het kader van die procedure werden afgegeven.]1
Art. D _VIII.27.5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 La procédure de participation à l'enquête publique tenue conformément à l'article D.VIII.27.4 vaut comme réunion d'information préalable aux fins d'application des articles D.II.47, § 1er, alinéa 2, D.II.48, § 2, et D.II.54, § 2, alinéa 6, 5°, ainsi que de l'article D.VIII.2, § 2.]1
TITEL II. [1 Beoordeling van de impact van plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden, omtrekken en gezamenlijke aanvragen.]1
Art. D_VIII.27.6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 Si la participation à l'enquête publique a été menée conformément à l'article D.VIII.27.4, le dossier mentionné à l'article D.VIII.15, § 1er, contient une copie des remarques et suggestions remises dans le cadre de la même procédure.]1
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen
TITRE II. - [1 Evaluation des incidences des plans, schémas, guides, périmètres et demandes conjointes]1
Art. D.VIII.28.De uitvoering van de in titel II voorziene procedures heeft voornamelijk als doel :
CHAPITRE Ier. - Objectifs
HOOFDSTUK II. [1 Systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van de plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden en omtrekken op het leefmilieu]1
Art. D.VIII.28.La mise en oeuvre des procédures prévues par le titre II a principalement pour but :
Art. D.VIII.29.[1 De milieueffectenbeoordeling van de plannen of ontwikkelingsplannen, leidraden of omtrekken op het leefmilieu wordt tijdens de opmaking van het plan, van het ontwikkelingsplan, van de leidraad of de omtrek en voor zijn aanneming uitgevoerd.]1
CHAPITRE II. [1 Système d'évaluation des incidences des plans, schémas, guides et périmètres sur l'environnement]1
Art. D. VIII.30. De Beleidsgroep Leefmilieu of de door hem afgevaardigde persoon, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en, behalve voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan, de gemeentecommissie worden regelmatig geïnformeerd over de ontwikkeling van de voorafgaande analysen en van de opmaking van het verslag over de milieueffecten en verkrijgen elke informatie die ze vragen over het verloop van de milieueffectenbeoordeling bij de betrokken openbare overheden, de aanvrager en de persoon die de beoordeling uitvoert. Ze kunnen op elk ogenblik opmerkingen formuleren of voorstellen doen.
Art. D. VIII.29.[1 L'évaluation des incidences des plans, ou schémas, guides ou périmètres sur l'environnement est effectuée pendant l'élaboration du plan, du schéma, du guide ou du périmètre et avant son adoption.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.30_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Beleidsgroep Leefmilieu of de door hem afgevaardigde persoon, de [1 Adviesraad]1 en, behalve voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan, de gemeentecommissie worden regelmatig geïnformeerd over de ontwikkeling van de voorafgaande analysen en van de opmaking van het verslag over de milieueffecten en verkrijgen elke informatie die ze vragen over het verloop van de milieueffectenbeoordeling bij de betrokken openbare overheden, de aanvrager en de persoon die de beoordeling uitvoert. Ze kunnen op elk ogenblik opmerkingen formuleren of voorstellen doen.
De Beleidsgroep Leefmilieu of de door hem afgevaardigde persoon, de [1 Adviesraad]1 en, behalve voor het ruimtelijk ontwikkelingsplan, de gemeentecommissie worden regelmatig geïnformeerd over de ontwikkeling van de voorafgaande analysen en van de opmaking van het verslag over de milieueffecten en verkrijgen elke informatie die ze vragen over het verloop van de milieueffectenbeoordeling bij de betrokken openbare overheden, de aanvrager en de persoon die de beoordeling uitvoert. Ze kunnen op elk ogenblik opmerkingen formuleren of voorstellen doen.
Art. D. VIII.30. Le pôle "Environnement" ou la personne qu'il délègue à cette fin, le pôle "Aménagement du territoire" et, hormis pour le schéma de développement du territoire, la commission communale, sont régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction du rapport sur les incidences environnementales et obtiennent toute information qu'ils sollicitent sur le déroulement de l'évaluation environnementale, auprès des autorités publiques concernées, du demandeur et de la personne qui réalise l'évaluation. Ils peuvent, à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Art. D. VIII.31.[1 § 1. Onverminderd de artikelen D.II.66, §§ 2 en 4, en D.II.68, § 2, wordt een milieueffectenbeoordeling voor de volgende plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden en omtrekken uitgevoerd:
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan ; 2° het gewestplan;
3° het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan ; 4° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan;
5° het lokale ontwikkelingsplan; (6) de regionale planningsgids;
7° 15 dagen voor de omtrek van de her in te richten locatie.
9° de landschaps- en milieuherstelomtrek; 10° de stedelijke herverkavelingsomtrek.
§ 2. Wanneer een plan, een ontwikkelingsplan, een leidraad of een omtrek het gebruik van kleine gebieden op plaatselijk niveau bepaalt of geringe wijzigingen van de in § 1 bedoelde plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden of omttrekken inhoudt of het kader niet bepaalt waarin de uitvoering van de projecten vermeld in de krachtens artikel 64, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek bepaalde lijst in de toekomst kan worden toegelaten en als de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan, ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek acht dat het te verwaarlozen effecten kan hebben op het milieu, kan die persoon of overheid de overheid bevoegd om het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, erom verzoeken bedoeld plan, ontwikkelingsplan, bedoelde leidraad of omtrek vrij te stellen van de milieueffectenbeoordeling. De persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan, ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek rechtvaardigt zijn/haar aanvraag ten opzichte van de in artikel D.VIII.32 bedoelde criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald.
§ 3. Een gewestplan waarbinnen zich een gebied bevindt dat is aangewezen overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, hierna "Richtlijn 2009/147/EG" genoemd, en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, hierna "Richtlijn 92/43/EEG" genoemd, wordt geacht aanzienlijke milieueffecten te hebben of dat beoogt de uitvoering van een project mogelijk te maken waarvoor een milieueffectbeoordeling vereist is of dat betrekking heeft op gebieden waar zich inrichtingen kunnen bevinden die een groot risico inhouden voor personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad, hierna
"Richtlijn 2012/18/EU" genoemd of die voorziet in de opnemingvan woongebieden en gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van dergelijke inrichtingen.
Het gewestplan dat ertoe strekt een gebied, aangewezen overeenkomstig richtlijnen 2009/147/EEG en 92/43/EEG geheel of gedeeltelijk op te nemen als bosgebied, groengebied of natuurgebied, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan gepland voor de uitvoering van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen niet bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, derde lid, 1° tot 5°, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
§ 4. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen vraagt het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen. Bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek worden de adviezen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag overgemaakt. Na die termijn worden de adviezen geacht gunstig te zijn. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, stelt et plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek van de milieueffectenbeoordeling vrij of weigert het vrij te stellen binnen dertig dagen na de afsluiting van de raadplegingen, bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek.]1
1° het ruimtelijke ontwikkelingsplan ; 2° het gewestplan;
3° het meergemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan ; 4° het gemeentelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan;
5° het lokale ontwikkelingsplan; (6) de regionale planningsgids;
7° 15 dagen voor de omtrek van de her in te richten locatie.
9° de landschaps- en milieuherstelomtrek; 10° de stedelijke herverkavelingsomtrek.
§ 2. Wanneer een plan, een ontwikkelingsplan, een leidraad of een omtrek het gebruik van kleine gebieden op plaatselijk niveau bepaalt of geringe wijzigingen van de in § 1 bedoelde plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden of omttrekken inhoudt of het kader niet bepaalt waarin de uitvoering van de projecten vermeld in de krachtens artikel 64, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek bepaalde lijst in de toekomst kan worden toegelaten en als de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan, ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek acht dat het te verwaarlozen effecten kan hebben op het milieu, kan die persoon of overheid de overheid bevoegd om het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, erom verzoeken bedoeld plan, ontwikkelingsplan, bedoelde leidraad of omtrek vrij te stellen van de milieueffectenbeoordeling. De persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan, ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek rechtvaardigt zijn/haar aanvraag ten opzichte van de in artikel D.VIII.32 bedoelde criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald.
§ 3. Een gewestplan waarbinnen zich een gebied bevindt dat is aangewezen overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, hierna "Richtlijn 2009/147/EG" genoemd, en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, hierna "Richtlijn 92/43/EEG" genoemd, wordt geacht aanzienlijke milieueffecten te hebben of dat beoogt de uitvoering van een project mogelijk te maken waarvoor een milieueffectbeoordeling vereist is of dat betrekking heeft op gebieden waar zich inrichtingen kunnen bevinden die een groot risico inhouden voor personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad, hierna
"Richtlijn 2012/18/EU" genoemd of die voorziet in de opnemingvan woongebieden en gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van dergelijke inrichtingen.
Het gewestplan dat ertoe strekt een gebied, aangewezen overeenkomstig richtlijnen 2009/147/EEG en 92/43/EEG geheel of gedeeltelijk op te nemen als bosgebied, groengebied of natuurgebied, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan gepland voor de uitvoering van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen niet bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23, derde lid, 1° tot 5°, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
§ 4. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen vraagt het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen. Bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek worden de adviezen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag overgemaakt. Na die termijn worden de adviezen geacht gunstig te zijn. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, stelt et plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek van de milieueffectenbeoordeling vrij of weigert het vrij te stellen binnen dertig dagen na de afsluiting van de raadplegingen, bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek.]1
Art. D. VIII.30_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le pôle "Environnement" ou la personne qu'il délègue à cette fin, le [1 conseil consultatif]1 et, hormis pour le schéma de développement du territoire, la commission communale, sont régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction du rapport sur les incidences environnementales et obtiennent toute information qu'ils sollicitent sur le déroulement de l'évaluation environnementale, auprès des autorités publiques concernées, du demandeur et de la personne qui réalise l'évaluation. Ils peuvent, à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Le pôle "Environnement" ou la personne qu'il délègue à cette fin, le [1 conseil consultatif]1 et, hormis pour le schéma de développement du territoire, la commission communale, sont régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction du rapport sur les incidences environnementales et obtiennent toute information qu'ils sollicitent sur le déroulement de l'évaluation environnementale, auprès des autorités publiques concernées, du demandeur et de la personne qui réalise l'évaluation. Ils peuvent, à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions.
Wijzigingen
Art. D. VIII.31_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Onverminderd de artikelen D.II.66, §§ 2 en 4, en D.II.68, § 2, wordt een milieueffectenbeoordeling voor de volgende plannen en ontwikkelingsplannen uitgevoerd :
1° het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
2° het gewestplan;
3° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
4° het gemeentelijk ontwikkelingsplan;
5° het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
[2 De bepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op de plannen en ontwikkelingsplannen vermeld in het eerste lid zijn mutatis mutandis ook van toepassing [3 op de omtrekken voor een saneringslocatie en op de omtrekken voor een stedelijke verkaveling]3.]2
§ 2. Wanneer een plan of een ontwikkelingsplan het gebruik van kleine gebieden op plaatselijk niveau bepaalt of geringe wijzigingen van de in § 1 bedoelde plannen of ontwikkelingsplannen inhoudt of het kader niet bepaalt waarin de uitvoering van de projecten vermeld in de krachtens [4 artikel D.64]4, van Boek I van het Milieuwetboek bepaalde lijst in de toekomst kan worden toegelaten en als de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan acht dat het te verwaarlozen effecten kan hebben op het milieu, kan die persoon of overheid de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen, erom verzoeken bedoeld plan of ontwikkelingsplan vrij te stellen van de milieueffectenbeoordeling. De persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan rechtvaardigt zijn/haar aanvraag ten opzichte van de in artikel D.VIII.32 bedoelde criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald.
§ 3. Het vooropgestelde gewestplan in de omtrek waarvan er zich een gebied bevindt dat aangewezen is overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, hierna "Richtlijn 2009/147/EG", en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, hierna "Richtlijn 92/43/EEG", of die de verwezenlijking van een aan een milieueffectenstudie onderworpen ontwerp beoogt mogelijk te maken of nog die betrekking heeft op gebieden waarin zich bedrijven zouden kunnen vestigen die een hoog risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn, hierna "Richtlijn 96/82/EG" of die in de opneming voorziet van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden, wordt geacht niet te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het gewestplan dat een gebied beoogt, aangewezen overeenkomstig Richtlijnen 2009/147/EEG en 92/43/EEG geheel of gedeeltelijk op te nemen als bosgebied, groengebied of natuurgebied, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan gepland voor de uitvoering van een ontsloten gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen niet bestemd voor [3 ontsluiting]3 in de zin van artikel D.II.23, derde lid, 1° tot 5°, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
§ 4. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen vraagt het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de [2 Adviesraad]2 en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen. Bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan, worden de adviezen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag overgemaakt. Als die termijn eenmaal verstreken is, worden de adviezen gunstig geacht. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen, stelt bedoeld plan of ontwikkelingsplan van de milieueffectenbeoordeling vrij of weigert het vrij te stellen binnen dertig dagen na de afsluiting van de raadplegingen, bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan.
§ 1. Onverminderd de artikelen D.II.66, §§ 2 en 4, en D.II.68, § 2, wordt een milieueffectenbeoordeling voor de volgende plannen en ontwikkelingsplannen uitgevoerd :
1° het ruimtelijk ontwikkelingsplan;
2° het gewestplan;
3° het meergemeentelijk ontwikkelingsplan;
4° het gemeentelijk ontwikkelingsplan;
5° het lokaal beleidsontwikkelingsplan.
[2 De bepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op de plannen en ontwikkelingsplannen vermeld in het eerste lid zijn mutatis mutandis ook van toepassing [3 op de omtrekken voor een saneringslocatie en op de omtrekken voor een stedelijke verkaveling]3.]2
§ 2. Wanneer een plan of een ontwikkelingsplan het gebruik van kleine gebieden op plaatselijk niveau bepaalt of geringe wijzigingen van de in § 1 bedoelde plannen of ontwikkelingsplannen inhoudt of het kader niet bepaalt waarin de uitvoering van de projecten vermeld in de krachtens [4 artikel D.64]4, van Boek I van het Milieuwetboek bepaalde lijst in de toekomst kan worden toegelaten en als de persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan acht dat het te verwaarlozen effecten kan hebben op het milieu, kan die persoon of overheid de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen, erom verzoeken bedoeld plan of ontwikkelingsplan vrij te stellen van de milieueffectenbeoordeling. De persoon of de overheid die het initiatief heeft genomen van de aanvraag tot opmaking, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan rechtvaardigt zijn/haar aanvraag ten opzichte van de in artikel D.VIII.32 bedoelde criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald.
§ 3. Het vooropgestelde gewestplan in de omtrek waarvan er zich een gebied bevindt dat aangewezen is overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, hierna "Richtlijn 2009/147/EG", en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, hierna "Richtlijn 92/43/EEG", of die de verwezenlijking van een aan een milieueffectenstudie onderworpen ontwerp beoogt mogelijk te maken of nog die betrekking heeft op gebieden waarin zich bedrijven zouden kunnen vestigen die een hoog risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn, hierna "Richtlijn 96/82/EG" of die in de opneming voorziet van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden, wordt geacht niet te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het gewestplan dat een gebied beoogt, aangewezen overeenkomstig Richtlijnen 2009/147/EEG en 92/43/EEG geheel of gedeeltelijk op te nemen als bosgebied, groengebied of natuurgebied, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
Het lokaal beleidsontwikkelingsplan gepland voor de uitvoering van een ontsloten gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen en dat betrekking heeft op één of verschillende bestemmingen niet bestemd voor [3 ontsluiting]3 in de zin van artikel D.II.23, derde lid, 1° tot 5°, wordt geacht te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.
§ 4. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen vraagt het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de [2 Adviesraad]2 en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen. Bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan, worden de adviezen binnen dertig dagen na de zending van de aanvraag overgemaakt. Als die termijn eenmaal verstreken is, worden de adviezen gunstig geacht. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen, stelt bedoeld plan of ontwikkelingsplan van de milieueffectenbeoordeling vrij of weigert het vrij te stellen binnen dertig dagen na de afsluiting van de raadplegingen, bij gebrek aan een andere termijn bedoeld in de procedure voor de aanneming, herziening of opheffing van het plan of ontwikkelingsplan.
Art. D. VIII.31.[1 § 1er. Sans préjudice des articles D.II.66, §§ 2 et 4, et D.II.68, § 2, une évaluation des incidences sur l'environnement est effectuée pour les plans, schémas, guides et périmètres qui suivent :
1° le schéma de développement du territoire; 2° le plan de secteur;
3° le schéma de développement pluricommunal; 4° le schéma de développement communal;
5° le schéma d'orientation local; 6° le guide régional d'urbanisme;
7° le guide communal d'urbanisme; 8° le périmètre de site à réaménager;
9° le périmètre de réhabilitation paysagère et environnementale; 10° le périmètre de remembrement urbain.
§ 2. Lorsqu'un plan, un schéma, un guide ou un périmètre détermine l'utilisation de petites zones au niveau local ou constitue des modifications mineures des plans, schémas, guides ou périmètres visés au paragraphe 1er ou ne définit pas le cadre dans lequel la mise en oeuvre des projets repris dans la liste établie en vertu de l'article 64, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement pourra être autorisée à l'avenir, et que la personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre estime que celui-ci est susceptible d'avoir des incidences négligeables sur l'environnement, elle peut demander à l'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre de l'exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement. La personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.32.
§ 3. Est présumé avoir des incidences non négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté dans le périmètre duquel se situe une zone désignée conformément à la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, ci-après " directive 2009/147/CE ", et à la directive 92/43/C.E.E. du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ci-après " directive 92/43/C.E.E. ", ou qui vise à permettre la réalisation d'un projet soumis à étude d'incidences sur l'environnement ou encore qui concerne des zones dans lesquelles peuvent s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la directive 96/82/CE du Conseil, ci-après
" directive 2012/18/UE ", ou qui prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté pour inscrire en zone forestière, d'espaces verts ou naturelle, tout ou partie d'une zone désignée conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/C.E.E.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le schéma d'orientation local projeté pour mettre en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté et qui porte uniquement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3, 1° à 5°.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre sollicite l'avis du pôle " Environnement ", du pôle " Aménagement du territoire " et de toute personne ou instance qu'elle juge utile de consulter. A défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre, les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. Passé ce délai, les avis sont réputés favorables. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre exempte ce dernier de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou refuse de l'exempter dans les trente jours de la clôture des consultations, à défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre.]1
1° le schéma de développement du territoire; 2° le plan de secteur;
3° le schéma de développement pluricommunal; 4° le schéma de développement communal;
5° le schéma d'orientation local; 6° le guide régional d'urbanisme;
7° le guide communal d'urbanisme; 8° le périmètre de site à réaménager;
9° le périmètre de réhabilitation paysagère et environnementale; 10° le périmètre de remembrement urbain.
§ 2. Lorsqu'un plan, un schéma, un guide ou un périmètre détermine l'utilisation de petites zones au niveau local ou constitue des modifications mineures des plans, schémas, guides ou périmètres visés au paragraphe 1er ou ne définit pas le cadre dans lequel la mise en oeuvre des projets repris dans la liste établie en vertu de l'article 64, § 2, du Livre Ier du Code de l'Environnement pourra être autorisée à l'avenir, et que la personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre estime que celui-ci est susceptible d'avoir des incidences négligeables sur l'environnement, elle peut demander à l'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre de l'exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement. La personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.32.
§ 3. Est présumé avoir des incidences non négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté dans le périmètre duquel se situe une zone désignée conformément à la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, ci-après " directive 2009/147/CE ", et à la directive 92/43/C.E.E. du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ci-après " directive 92/43/C.E.E. ", ou qui vise à permettre la réalisation d'un projet soumis à étude d'incidences sur l'environnement ou encore qui concerne des zones dans lesquelles peuvent s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, modifiant puis abrogeant la directive 96/82/CE du Conseil, ci-après
" directive 2012/18/UE ", ou qui prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté pour inscrire en zone forestière, d'espaces verts ou naturelle, tout ou partie d'une zone désignée conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/C.E.E.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le schéma d'orientation local projeté pour mettre en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté et qui porte uniquement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3, 1° à 5°.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre sollicite l'avis du pôle " Environnement ", du pôle " Aménagement du territoire " et de toute personne ou instance qu'elle juge utile de consulter. A défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre, les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. Passé ce délai, les avis sont réputés favorables. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre exempte ce dernier de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou refuse de l'exempter dans les trente jours de la clôture des consultations, à défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan, du schéma, du guide ou du périmètre.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.32.[1 Om te bepalen of de plannen, beleidsontwikkelingsplannen, de leidraden of de omtrekken te verwaarlozen effecten op het leefmilieu kunnen hebben, wordt er rekening gehouden met de volgende criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald:
1° de kenmerken van de plannen, beleidsontwikkelingsplannen, leidraden of omtrekken, met name:
a) de maatregel waarin het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door een toewijzing van maatregelen;
b) de maatregel waarin het plan, het beleidontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel
c) de overeenstemming tussen het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) milieuproblemen met betrekking tot het plan, het beleidsonwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek;
e) de overeenstemming tussen het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
a) de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
b) het cumulatief karakter van de gevolgen;
c) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
d) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
e) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
f) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
g) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.]1
1° de kenmerken van de plannen, beleidsontwikkelingsplannen, leidraden of omtrekken, met name:
a) de maatregel waarin het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door een toewijzing van maatregelen;
b) de maatregel waarin het plan, het beleidontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel
c) de overeenstemming tussen het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) milieuproblemen met betrekking tot het plan, het beleidsonwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek;
e) de overeenstemming tussen het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
a) de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
b) het cumulatief karakter van de gevolgen;
c) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
d) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
e) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
f) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
g) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.]1
Art. D. VIII.31_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Sans préjudice des articles D.II.66, §§ 2 et 4, et D.II.68, § 2, une évaluation des incidences sur l'environnement est effectuée pour les plans et schémas qui suivent :
1° le schéma de développement du territoire;
2° le plan de secteur;
3° le schéma de développement pluricommunal;
4° le schéma de développement communal;
5° le schéma d'orientation local.
[2 Les dispositions du présent chapitre applicables aux plans et schémas mentionnes à l'alinéa 1er s'appliquent aussi mutatis mutandis aux périmètres [3 de site à réaménager et aux périmètres]3 de remembrement urbain.]2
§ 2. Lorsqu'un plan ou un schéma détermine l'utilisation de petites zones au niveau local ou constitue des modifications mineures des plans ou schémas visés au paragraphe 1er ou ne définit pas le cadre dans lequel la mise en oeuvre des projets repris dans la liste établie en vertu [4 de l'article D.64]4, du Livre Ier du Code de l'Environnement pourra être autorisée à l'avenir, et que la personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma estime que celui-ci est susceptible d'avoir des incidences négligeables sur l'environnement, elle peut demander à l'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma de l'exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement. La personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.32.
§ 3. Est présumé avoir des incidences non négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté dans le périmètre duquel se situe une zone désignée conformément à la Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, ci-après "Directive 2009/147/CE", et à la Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ci-après "Directive 92/43/CEE", ou qui vise à permettre la réalisation d'un projet soumis à étude d'incidences sur l'environnement ou encore qui concerne des zones dans lesquelles peuvent s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE du Conseil du 9 décembre 1996 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, ci-après "Directive 96/82/CE", ou qui prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté pour inscrire en zone forestière, d'espaces verts ou naturelle, tout ou partie d'une zone désignée conformément aux Directives 2009/147/CE et 92/43/CEE.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le schéma d'orientation local projeté pour mettre en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté et qui porte uniquement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3, 1° à 5°.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma sollicite l'avis du pôle "Environnement", du [2 conseil consultatif]2 et de toute personne ou instance qu'elle juge utile de consulter. A défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma, les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. Passé ce délai, les avis sont réputés favorables. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma exempte ce dernier de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou refuse de l'exempter dans les trente jours de la clôture des consultations, à défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma.
§ 1er. Sans préjudice des articles D.II.66, §§ 2 et 4, et D.II.68, § 2, une évaluation des incidences sur l'environnement est effectuée pour les plans et schémas qui suivent :
1° le schéma de développement du territoire;
2° le plan de secteur;
3° le schéma de développement pluricommunal;
4° le schéma de développement communal;
5° le schéma d'orientation local.
[2 Les dispositions du présent chapitre applicables aux plans et schémas mentionnes à l'alinéa 1er s'appliquent aussi mutatis mutandis aux périmètres [3 de site à réaménager et aux périmètres]3 de remembrement urbain.]2
§ 2. Lorsqu'un plan ou un schéma détermine l'utilisation de petites zones au niveau local ou constitue des modifications mineures des plans ou schémas visés au paragraphe 1er ou ne définit pas le cadre dans lequel la mise en oeuvre des projets repris dans la liste établie en vertu [4 de l'article D.64]4, du Livre Ier du Code de l'Environnement pourra être autorisée à l'avenir, et que la personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma estime que celui-ci est susceptible d'avoir des incidences négligeables sur l'environnement, elle peut demander à l'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma de l'exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement. La personne ou l'autorité à l'initiative de la demande d'élaboration, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.32.
§ 3. Est présumé avoir des incidences non négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté dans le périmètre duquel se situe une zone désignée conformément à la Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, ci-après "Directive 2009/147/CE", et à la Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ci-après "Directive 92/43/CEE", ou qui vise à permettre la réalisation d'un projet soumis à étude d'incidences sur l'environnement ou encore qui concerne des zones dans lesquelles peuvent s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE du Conseil du 9 décembre 1996 concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, ci-après "Directive 96/82/CE", ou qui prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le plan de secteur projeté pour inscrire en zone forestière, d'espaces verts ou naturelle, tout ou partie d'une zone désignée conformément aux Directives 2009/147/CE et 92/43/CEE.
Est présumé avoir des incidences négligeables sur l'environnement le schéma d'orientation local projeté pour mettre en oeuvre une zone d'aménagement communal concerté et qui porte uniquement sur une ou plusieurs affectations non destinées à l'urbanisation visées à l'article D.II.23, alinéa 3, 1° à 5°.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma sollicite l'avis du pôle "Environnement", du [2 conseil consultatif]2 et de toute personne ou instance qu'elle juge utile de consulter. A défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma, les avis sont transmis dans les trente jours de l'envoi de la demande. Passé ce délai, les avis sont réputés favorables. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma exempte ce dernier de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou refuse de l'exempter dans les trente jours de la clôture des consultations, à défaut d'un autre délai prévu dans la procédure d'adoption, de révision ou d'abrogation du plan ou du schéma.
Art. D. VIII.33.[1 § 1. Als een milieueffectenbeoordeling van een plan, een beleidsontwikkelingsplan, een leidraad of een omtrek gevorderd wordt, wordt een milieueffectenverslag opgesteld waarin de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten geïdentificeerd, omschreven en geëvalueerd worden als gevolg van de uitvoering van het plan het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek alsmede de redelijke alternatieven, die rekening houden met de doelstellingen en het geografische toepassingsveld van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek
§ 2. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, waarbij daartoe rekening gehouden wordt met de bestaande kennis en de methodes ter zake van rapportering, de inhoud en de nauwkeurigheidsgraad van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek, van het stadium dat is bereikt in het beslissingsproces en met het feit dat het eventueel verkieslijker is om bepaalde aspecten te beoordelen in andere stadia van dat proces om te voorkomen dat de beoordeling herhaald wordt.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
"1° een samenvatting van de inhoud, een omschrijving van de voornaasmte doelstellingen van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
2° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand en van de toestand van het leefmilieu, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek niet ten uitvoer wordt gebracht;
3° de impact van het plan of het beleidsontwikkelingsplan op de ruimtelijke optimalisatie;
4° de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
5° in geval van aanneming of herziening van een ruimtelijk ontwikkelingsplan, een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk beleidsontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een leidraad, een herontwikkelingsgebied of een stedelijke herverkavelingsgebied, de gevolgen voor gebieden die van bijzonder belang zijn voor het milieu zoals aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG van 30 november 2009 en 92/43/EEG van 21 mei 1992;
6° in geval van aanneming of herziening van een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, de aanzienlijke gevolgen wanneer in de opneming van gebieden waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG wordt voorzien of wanneer in de opneming wordt voorzien van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden ;
7° de relevante doelstellingen ter zake van de milieubescherming en de wijze waarop bedoelde doelstellingen en de milieuoverwegingen in overweging zijn genomen in het kader van de opstelling van het plan, het beleidsontwikkelingpslan, de leidraad of de omtrek;
8° de milieuproblemen gebonden aan het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek met inbegrip van de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, namelijk de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, de effecten op korte, middellange en lange termijn, de permanente en tijdelijke, zowel positieve als negatieve effecten, daarbij inbegrepen de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het cultureel erfgoed daarbij inbegrepen het architectonisch en archeologisch erfgoed, de landschappen en de interacties tussen bedoelde factoren;
9° in geval van aanneming of herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan of een stedenbouwkundige leidraad, de gevolgen op de landbouw- en bosactiviteit;
10° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek op het leefmilieu;
11° bij aanneming of herziening van een gewestplan, de door de Regering voorgestelde evaluatie van de compensaties overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
12° het voorstellen van mogelijke alternatieven en de verantwoording ervan naar gelang van de punten 1° tot en met 11° ;
13° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
14° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.35; 15° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
De nuttige informatie van de plannen en programma's op de milieueffecten die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen worden, kan gebruikt worden om de in het vorige lid bedoelde gegevens te verstrekken.
§ 4. De overheid bevoegd om het voorontwerp of het plan, het beleidsontwikkelingplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, of de door haar daartoe aangewezen persoon, onderwerpt de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan, beleidsontwikkelingsplan, leidraad of omtrek aan het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen.
De gemeentelijke commissies worden niet geraadpleegd als het gaat om het ruimtelijk ontwikkelingsplan, een gewestplan of een regionale leidraad die zich over het gehele gewestelijke grondgebied uitbreidt.
De ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten, alsmede het voorontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan, van plan, van meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van lokaal beleidsontwikkelingsplan, van leidraad, van te herontwikkelen site van een stedelijke herverkavelingsomtrek worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien het voorontwerp of het ontwerp een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied, een dergelijke ruimte of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
§ 5."D.VIII.12. Indien de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon vaststelt dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo."
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag overgemaakt aan de overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek of aan de door haar daartoe aangewezen persoon aan te nemen.]1
§ 2. De overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, waarbij daartoe rekening gehouden wordt met de bestaande kennis en de methodes ter zake van rapportering, de inhoud en de nauwkeurigheidsgraad van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek, van het stadium dat is bereikt in het beslissingsproces en met het feit dat het eventueel verkieslijker is om bepaalde aspecten te beoordelen in andere stadia van dat proces om te voorkomen dat de beoordeling herhaald wordt.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
"1° een samenvatting van de inhoud, een omschrijving van de voornaasmte doelstellingen van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
2° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand en van de toestand van het leefmilieu, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek niet ten uitvoer wordt gebracht;
3° de impact van het plan of het beleidsontwikkelingsplan op de ruimtelijke optimalisatie;
4° de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
5° in geval van aanneming of herziening van een ruimtelijk ontwikkelingsplan, een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk beleidsontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een leidraad, een herontwikkelingsgebied of een stedelijke herverkavelingsgebied, de gevolgen voor gebieden die van bijzonder belang zijn voor het milieu zoals aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG van 30 november 2009 en 92/43/EEG van 21 mei 1992;
6° in geval van aanneming of herziening van een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, de aanzienlijke gevolgen wanneer in de opneming van gebieden waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG wordt voorzien of wanneer in de opneming wordt voorzien van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden ;
7° de relevante doelstellingen ter zake van de milieubescherming en de wijze waarop bedoelde doelstellingen en de milieuoverwegingen in overweging zijn genomen in het kader van de opstelling van het plan, het beleidsontwikkelingpslan, de leidraad of de omtrek;
8° de milieuproblemen gebonden aan het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek met inbegrip van de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, namelijk de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, de effecten op korte, middellange en lange termijn, de permanente en tijdelijke, zowel positieve als negatieve effecten, daarbij inbegrepen de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het cultureel erfgoed daarbij inbegrepen het architectonisch en archeologisch erfgoed, de landschappen en de interacties tussen bedoelde factoren;
9° in geval van aanneming of herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan of een stedenbouwkundige leidraad, de gevolgen op de landbouw- en bosactiviteit;
10° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek op het leefmilieu;
11° bij aanneming of herziening van een gewestplan, de door de Regering voorgestelde evaluatie van de compensaties overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
12° het voorstellen van mogelijke alternatieven en de verantwoording ervan naar gelang van de punten 1° tot en met 11° ;
13° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
14° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.35; 15° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
De nuttige informatie van de plannen en programma's op de milieueffecten die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen worden, kan gebruikt worden om de in het vorige lid bedoelde gegevens te verstrekken.
§ 4. De overheid bevoegd om het voorontwerp of het plan, het beleidsontwikkelingplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen, of de door haar daartoe aangewezen persoon, onderwerpt de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan, beleidsontwikkelingsplan, leidraad of omtrek aan het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, van de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening en van elke persoon of instantie die ze nuttig acht te raadplegen.
De gemeentelijke commissies worden niet geraadpleegd als het gaat om het ruimtelijk ontwikkelingsplan, een gewestplan of een regionale leidraad die zich over het gehele gewestelijke grondgebied uitbreidt.
De ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten, alsmede het voorontwerp van ruimtelijk ontwikkelingsplan, van plan, van meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van lokaal beleidsontwikkelingsplan, van leidraad, van te herontwikkelen site van een stedelijke herverkavelingsomtrek worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien het voorontwerp of het ontwerp een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied, een dergelijke ruimte of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
§ 5."D.VIII.12. Indien de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon vaststelt dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo."
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag overgemaakt aan de overheid bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek of aan de door haar daartoe aangewezen persoon aan te nemen.]1
Art. D. VIII.32.[1 Pour déterminer si les plans, les schémas, les guides ou les périmètres sont susceptibles d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences qui suivent :
1° les caractéristiques des plans, des schémas, des guides ou des périmètres, notamment :
a) la mesure dans laquelle le plan, le schéma, le guide ou le périmètre définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le plan, le schéma, le guide ou le périmètre influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le plan, le schéma, le guide ou le périmètre et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au plan, au schéma, au guide ou au périmètre;
e) l'adéquation entre le plan, le schéma, le guide ou le périmètre et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
a) la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b) le caractère cumulatif des incidences;
c) la nature transfrontalière des incidences;
d) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
e) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
f) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
g) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.]1
1° les caractéristiques des plans, des schémas, des guides ou des périmètres, notamment :
a) la mesure dans laquelle le plan, le schéma, le guide ou le périmètre définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le plan, le schéma, le guide ou le périmètre influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le plan, le schéma, le guide ou le périmètre et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au plan, au schéma, au guide ou au périmètre;
e) l'adéquation entre le plan, le schéma, le guide ou le périmètre et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
a) la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b) le caractère cumulatif des incidences;
c) la nature transfrontalière des incidences;
d) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
e) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
f) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
g) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.33_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Als een milieueffectenbeoordeling van een plan of ontwikkelingsplan gevorderd wordt,wordt een milieueffectenverslag opgesteld waarin de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten geïdentificeerd, omschreven en geëvalueerd worden als gevolg van de uitvoering van het plan of het ontwikkelingsplan alsmede de redelijke alternatieven, die rekening houden met de doelstellingen en het geografische toepassingsveld van het plan of het ontwikkelingsplan.
§ 2. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, waarbij daartoe rekening gehouden wordt met de bestaande kennis en de methodes ter zake van rapportering, de inhoud en de nauwkeurigheidsgraad van het plan of het ontwikkelingsplan, van het stadium dat is bereikt in het beslissingsproces en met het feit dat het eventueel verkieslijker is om bepaalde aspecten te beoordelen in andere stadia van dat proces om te voorkomen dat de beoordeling herhaald wordt.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen :
1° een samenvatting van de inhoud, een omschrijving van de voornamelijke doelstellingen van het plan of van het ontwikkelingsplan, evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
2° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien het plan of het ontwikkelingsplan niet ten uitvoer wordt gebracht;
3° de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
4° in geval van aanneming of herziening van een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, de aanzienlijke gevolgen wanneer in de opneming van gebieden waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG wordt voorzien of wanneer in de opneming wordt voorzien van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
5° de relevante doelstellingen ter zake van de milieubescherming en de wijze waarop zij en de milieuoverwegingen in overweging zijn genomen in het kader van de opstelling van het plan of het ontwikkelingpslan;
6° de milieuproblemen gebonden aan het plan of het ontwikkelingsplan met inbegrip van de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, namelijk de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, de effecten op korte, middellange en lange termijn, de permanente en tijdelijke, zowel positieve als negatieve effecten, daarbij inbegrepen de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het cultureel erfgoed daarbij inbegrepen het architectonisch en archeologisch erfgoed, de landschappen en de interacties tussen bedoelde factoren;
7° in geval van aanneming of herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan, de gevolgen op de landbouw- en bosactiviteit;
8° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het plan of het ontwikkelingsplan op het leefmilieu;
9° bij herziening of uitwerking van een gewestplan, de door de Regering voorgestelde evaluatie van de compensaties overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
10° het voorstellen van mogelijke alternatieven en de verantwoording ervan naar gelang van de punten 1° tot en met 9°;
11° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de ontstane problemen;
12° de geplande opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.35;
13° een niet-technische samenvatting van bovenbedoelde informaties.
De nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en ontwikkelingsplannen die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt, kan gebruikt worden om de in het vorige lid bedoelde gegevens te verstrekken.
§ 4. De overheid bevoegd om het voorontwerp of het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen, of de door haar daartoe aangewezen persoon, onderwerpt de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan aan het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, van de [1 Adviesraad]1 en van elke persoon of instantie [2 die ze nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
De gemeentelijke commissies worden niet geraadpleegd als het gaat om het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan.
De ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten, alsmede het voorontwerp van plan, van meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van lokaal beleidsontwikkelingsplan worden ter advies voorgelegd aan [1 de Waalse Regering]1 ofwel indien het voorontwerp of het ontwerp van plan of van ontwikkelingsplan een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
D.VIII.12. Indien de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon vaststelt dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag overgemaakt aan de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan of aan de door haar daartoe aangewezen persoon aan te nemen.
§ 1. Als een milieueffectenbeoordeling van een plan of ontwikkelingsplan gevorderd wordt,wordt een milieueffectenverslag opgesteld waarin de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten geïdentificeerd, omschreven en geëvalueerd worden als gevolg van de uitvoering van het plan of het ontwikkelingsplan alsmede de redelijke alternatieven, die rekening houden met de doelstellingen en het geografische toepassingsveld van het plan of het ontwikkelingsplan.
§ 2. De overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, waarbij daartoe rekening gehouden wordt met de bestaande kennis en de methodes ter zake van rapportering, de inhoud en de nauwkeurigheidsgraad van het plan of het ontwikkelingsplan, van het stadium dat is bereikt in het beslissingsproces en met het feit dat het eventueel verkieslijker is om bepaalde aspecten te beoordelen in andere stadia van dat proces om te voorkomen dat de beoordeling herhaald wordt.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen :
1° een samenvatting van de inhoud, een omschrijving van de voornamelijke doelstellingen van het plan of van het ontwikkelingsplan, evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
2° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien het plan of het ontwikkelingsplan niet ten uitvoer wordt gebracht;
3° de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
4° in geval van aanneming of herziening van een gewestplan, een meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, de aanzienlijke gevolgen wanneer in de opneming van gebieden waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG wordt voorzien of wanneer in de opneming wordt voorzien van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
5° de relevante doelstellingen ter zake van de milieubescherming en de wijze waarop zij en de milieuoverwegingen in overweging zijn genomen in het kader van de opstelling van het plan of het ontwikkelingpslan;
6° de milieuproblemen gebonden aan het plan of het ontwikkelingsplan met inbegrip van de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, namelijk de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, de effecten op korte, middellange en lange termijn, de permanente en tijdelijke, zowel positieve als negatieve effecten, daarbij inbegrepen de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodem, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het cultureel erfgoed daarbij inbegrepen het architectonisch en archeologisch erfgoed, de landschappen en de interacties tussen bedoelde factoren;
7° in geval van aanneming of herziening van het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan, de gevolgen op de landbouw- en bosactiviteit;
8° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het plan of het ontwikkelingsplan op het leefmilieu;
9° bij herziening of uitwerking van een gewestplan, de door de Regering voorgestelde evaluatie van de compensaties overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
10° het voorstellen van mogelijke alternatieven en de verantwoording ervan naar gelang van de punten 1° tot en met 9°;
11° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de ontstane problemen;
12° de geplande opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.35;
13° een niet-technische samenvatting van bovenbedoelde informaties.
De nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en ontwikkelingsplannen die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt, kan gebruikt worden om de in het vorige lid bedoelde gegevens te verstrekken.
§ 4. De overheid bevoegd om het voorontwerp of het plan of het ontwikkelingplan aan te nemen, of de door haar daartoe aangewezen persoon, onderwerpt de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan aan het advies van de Beleidsgroep Leefmilieu, van de gemeentelijke commissie of, bij gebrek, van de [1 Adviesraad]1 en van elke persoon of instantie [2 die ze nuttig acht te raadplegen of die op grond van het samenwerkingsakkoord om advies moeten worden verzocht]2.
De gemeentelijke commissies worden niet geraadpleegd als het gaat om het ruimtelijk ontwikkelingsplan of van een gewestplan.
De ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten, alsmede het voorontwerp van plan, van meergemeentelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan, van lokaal beleidsontwikkelingsplan worden ter advies voorgelegd aan [1 de Waalse Regering]1 ofwel indien het voorontwerp of het ontwerp van plan of van ontwikkelingsplan een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 96/82/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
D.VIII.12. Indien de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon vaststelt dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag overgemaakt aan de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan of aan de door haar daartoe aangewezen persoon aan te nemen.
Art. D. VIII.33.[1 § 1er. Lorsqu'une évaluation des incidences sur l'environnement d'un plan, d'un schéma, d'un guide ou d'un périmètre est requise, un rapport sur les incidences environnementales est rédigé, dans lequel les incidences non négligeables probables de la mise en oeuvre du plan, du schéma, du guide ou du périmètre, ainsi que les solutions de substitution raisonnables tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du plan, du schéma, du guide ou du périmètre sont identifiées, décrites et évaluées.
§ 2. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan, du schéma, du guide ou du périmètre, du stade atteint dans le processus de décision et du fait qu'il peut être préférable d'évaluer certains aspects à d'autres stades de ce processus afin d'éviter une répétition de l'évaluation.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan, du schéma, du guide ou du périmètre et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et avec l'article D.I.1;
2° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le plan, le schéma, le guide ou le périmètre n'est pas mis en oeuvre;
3° l'incidence du plan ou du schéma sur l'optimisation spatiale;
4° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
5° en cas d'adoption ou de révision d'un schéma de développement du territoire, d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide, d'un périmètre de site à réaménager ou d'un périmètre de remembrement urbain, les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE du 30 novembre 2009 et 92/43/CEE du 21 mai 1992;
6° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, d'un périmètre de site à réaménager ou d'un périmètre de remembrement urbain, les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription ou la détermination d'une zone ou d'un espace dans lesquels pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
7° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du plan, du schéma, du guide ou du périmètre;
8° les problèmes environnementaux liés au plan, au schéma, au guide ou au périmètre en ce compris les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
9° en cas d'adoption ou de révision du schéma de développement du territoire, d'un plan de secteur ou d'un guide d'urbanisme, les incidences sur l'activité agricole et forestière;
10° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du plan, du schéma, du guide ou du périmètre sur l'environnement;
11° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
12° la présentation des alternatives possibles et de leur justification en fonction des points 1° à 11° ;
13° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
14° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.35; 15° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Les renseignements utiles concernant les incidences des plans et programmes sur l'environnement obtenus à d'autres niveaux de décision ou en vertu d'autres législations peuvent être utilisés pour fournir les informations énumérées à l'alinéa 1er.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter l'avant-projet ou le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, soumet le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre pour avis au pôle " Environnement ", à la commission communale, ou, à défaut, au pôle " Aménagement du territoire ", et aux personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
Les commissions communales ne sont pas consultées lorsqu'il s'agit du schéma de développement du territoire d'un plan de secteur ou d'un guide régional qui s'étend à tout le territoire régional.
Le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de schéma de développement du territoire, de plan, de schéma de développement pluricommunal ou communal, de schéma d'orientation local, de guide, de périmètre de site à réaménager ou de périmètre de remembrement urbain sont soumis, pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque l'avant-projet ou le projet comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE, soit lorsqu'il prévoit l'inscription ou la détermination de zones ou d'espaces destinées à l'habitat ainsi que de zones, d'espaces ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone, d'un tel espace ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE, pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
§ 5. Lorsque l'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, constate qu'il est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que le rapport sur les incidences environnementales contient.
Les avis sont transmis à l'autorité compétente pour adopter le plan ou schéma, le guide ou le périmètre, ou à la personne qu'elle désigne à cette fin, dans les trente jours de la demande.]1
§ 2. L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan, du schéma, du guide ou du périmètre, du stade atteint dans le processus de décision et du fait qu'il peut être préférable d'évaluer certains aspects à d'autres stades de ce processus afin d'éviter une répétition de l'évaluation.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan, du schéma, du guide ou du périmètre et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et avec l'article D.I.1;
2° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le plan, le schéma, le guide ou le périmètre n'est pas mis en oeuvre;
3° l'incidence du plan ou du schéma sur l'optimisation spatiale;
4° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
5° en cas d'adoption ou de révision d'un schéma de développement du territoire, d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide, d'un périmètre de site à réaménager ou d'un périmètre de remembrement urbain, les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE du 30 novembre 2009 et 92/43/CEE du 21 mai 1992;
6° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, d'un périmètre de site à réaménager ou d'un périmètre de remembrement urbain, les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription ou la détermination d'une zone ou d'un espace dans lesquels pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
7° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du plan, du schéma, du guide ou du périmètre;
8° les problèmes environnementaux liés au plan, au schéma, au guide ou au périmètre en ce compris les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
9° en cas d'adoption ou de révision du schéma de développement du territoire, d'un plan de secteur ou d'un guide d'urbanisme, les incidences sur l'activité agricole et forestière;
10° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du plan, du schéma, du guide ou du périmètre sur l'environnement;
11° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
12° la présentation des alternatives possibles et de leur justification en fonction des points 1° à 11° ;
13° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
14° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.35; 15° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Les renseignements utiles concernant les incidences des plans et programmes sur l'environnement obtenus à d'autres niveaux de décision ou en vertu d'autres législations peuvent être utilisés pour fournir les informations énumérées à l'alinéa 1er.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter l'avant-projet ou le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, soumet le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre pour avis au pôle " Environnement ", à la commission communale, ou, à défaut, au pôle " Aménagement du territoire ", et aux personnes et instances qu'elle juge utile de consulter.
Les commissions communales ne sont pas consultées lorsqu'il s'agit du schéma de développement du territoire d'un plan de secteur ou d'un guide régional qui s'étend à tout le territoire régional.
Le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de schéma de développement du territoire, de plan, de schéma de développement pluricommunal ou communal, de schéma d'orientation local, de guide, de périmètre de site à réaménager ou de périmètre de remembrement urbain sont soumis, pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque l'avant-projet ou le projet comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE, soit lorsqu'il prévoit l'inscription ou la détermination de zones ou d'espaces destinées à l'habitat ainsi que de zones, d'espaces ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone, d'un tel espace ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE, pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
§ 5. Lorsque l'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, constate qu'il est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma, de guide ou de périmètre sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que le rapport sur les incidences environnementales contient.
Les avis sont transmis à l'autorité compétente pour adopter le plan ou schéma, le guide ou le périmètre, ou à la personne qu'elle désigne à cette fin, dans les trente jours de la demande.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.34.Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de Regering, kiest de Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectenverslag belast.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de gemeente of van een natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon, kiest de gemeenteraad of de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectverslag belast en zendt hij onmiddellijk de naam van de aangewezen persoon aan [1 de administratie]1. De Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon beschikt over vijftien dagen na ontvangst van de zending om de gekozen persoon te weigeren.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de gemeente of van een natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon, kiest de gemeenteraad of de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectverslag belast en zendt hij onmiddellijk de naam van de aangewezen persoon aan [1 de administratie]1. De Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon beschikt over vijftien dagen na ontvangst van de zending om de gekozen persoon te weigeren.
Art. D. VIII.33_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Lorsqu'une évaluation des incidences sur l'environnement d'un plan ou d'un schéma est requise, un rapport sur les incidences environnementales est rédigé, dans lequel les incidences non négligeables probables de la mise en oeuvre du plan ou du schéma, ainsi que les solutions de substitution raisonnables tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du plan ou du schéma sont identifiées, décrites et évaluées.
§ 2. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan ou du schéma, du stade atteint dans le processus de décision et du fait qu'il peut être préférable d'évaluer certains aspects à d'autres stades de ce processus afin d'éviter une répétition de l'évaluation.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan ou du schéma et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1.;
2° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le plan ou le schéma n'est pas mis en oeuvre;
3° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
4° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/C.E. ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
5° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du plan ou du schéma;
6° les problèmes environnementaux liés au plan ou au schéma en ce compris les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
7° en cas d'adoption ou de révision du schéma de développement du territoire ou d'un plan de secteur, les incidences sur l'activité agricole et forestière;
8° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du plan ou du schéma sur l'environnement;
9° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
10° la présentation des alternatives possibles et de leur justification en fonction des points 1° à 9°;
11° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
12° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.35;
13° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Les renseignements utiles concernant les incidences des plans et programmes sur l'environnement obtenus à d'autres niveaux de décision ou en vertu d'autres législations peuvent être utilisés pour fournir les informations énumérées à l'alinéa 1er.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter l'avant-projet ou le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, soumet le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant projet ou le projet de plan ou de schéma pour avis au pôle "Environnement", à la commission communale, ou, à défaut, au [1 conseil consultatif]1, et aux personnes et instances qu'elle juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les commissions communales ne sont pas consultées lorsqu'il s'agit du schéma de développement du territoire ou d'un plan de secteur.
Le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma de développement pluricommunal ou communal, de schéma d'orientation local sont soumis, pour avis, [1 au Gouvernement wallon]1 soit lorsque l'avant-projet ou le projet de plan ou de schéma comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE, soit lorsqu'il prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE, pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Lorsque l'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, constate qu'il est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan ou de schéma sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que le rapport sur les incidences environnementales contient.
Les avis sont transmis à l'autorité compétente pour adopter le plan ou schéma, ou à la personne qu'elle désigne à cette fin, dans les trente jours de la demande.
§ 1er. Lorsqu'une évaluation des incidences sur l'environnement d'un plan ou d'un schéma est requise, un rapport sur les incidences environnementales est rédigé, dans lequel les incidences non négligeables probables de la mise en oeuvre du plan ou du schéma, ainsi que les solutions de substitution raisonnables tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du plan ou du schéma sont identifiées, décrites et évaluées.
§ 2. L'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan ou du schéma, du stade atteint dans le processus de décision et du fait qu'il peut être préférable d'évaluer certains aspects à d'autres stades de ce processus afin d'éviter une répétition de l'évaluation.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan ou du schéma et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1.;
2° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le plan ou le schéma n'est pas mis en oeuvre;
3° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
4° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal ou communal, d'un schéma d'orientation local, les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/C.E. ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
5° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du plan ou du schéma;
6° les problèmes environnementaux liés au plan ou au schéma en ce compris les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
7° en cas d'adoption ou de révision du schéma de développement du territoire ou d'un plan de secteur, les incidences sur l'activité agricole et forestière;
8° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du plan ou du schéma sur l'environnement;
9° en cas d'adoption ou de révision d'un plan de secteur, l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
10° la présentation des alternatives possibles et de leur justification en fonction des points 1° à 9°;
11° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
12° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.35;
13° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Les renseignements utiles concernant les incidences des plans et programmes sur l'environnement obtenus à d'autres niveaux de décision ou en vertu d'autres législations peuvent être utilisés pour fournir les informations énumérées à l'alinéa 1er.
§ 4. L'autorité compétente pour adopter l'avant-projet ou le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, soumet le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant projet ou le projet de plan ou de schéma pour avis au pôle "Environnement", à la commission communale, ou, à défaut, au [1 conseil consultatif]1, et aux personnes et instances qu'elle juge utile de consulter [2 ou, selon le cas, dont l'avis doit être demandé conformément à l'accord de coopération]2.
Les commissions communales ne sont pas consultées lorsqu'il s'agit du schéma de développement du territoire ou d'un plan de secteur.
Le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan, de schéma de développement pluricommunal ou communal, de schéma d'orientation local sont soumis, pour avis, [1 au Gouvernement wallon]1 soit lorsque l'avant-projet ou le projet de plan ou de schéma comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE, soit lorsqu'il prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la Directive 96/82/CE, pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Lorsque l'autorité compétente pour adopter le plan ou le schéma, ou la personne qu'elle désigne à cette fin, constate qu'il est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu du rapport sur les incidences environnementales ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan ou de schéma sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que le rapport sur les incidences environnementales contient.
Les avis sont transmis à l'autorité compétente pour adopter le plan ou schéma, ou à la personne qu'elle désigne à cette fin, dans les trente jours de la demande.
Art. D. VIII.34_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de Regering, kiest de Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectenverslag belast.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de gemeente of van een natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon, kiest de gemeenteraad of de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectverslag belast en zendt hij onmiddellijk de naam van de aangewezen persoon aan [1 de Regering]1. De Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon beschikt over vijftien dagen na ontvangst van de zending om de gekozen persoon te weigeren.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de Regering, kiest de Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectenverslag belast.
Bij opmaking of herziening van het gewestplan op initiatief van de gemeente of van een natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon, kiest de gemeenteraad of de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon uit de personen, erkend krachtens artikel D.I.11, de natuurlijke of privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon die zij met de uitvoering van het milieueffectverslag belast en zendt hij onmiddellijk de naam van de aangewezen persoon aan [1 de Regering]1. De Regering of de door haar daartoe aangewezen persoon beschikt over vijftien dagen na ontvangst van de zending om de gekozen persoon te weigeren.
Art. D. VIII.34.En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative gouvernementale, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, le conseil communal ou la personne physique ou morale, privée ou publique désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales et envoie immédiatement le nom de la personne désignée à [1 l'administration]1. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin dispose d'un délai de quinze jours à dater de la réception de l'envoi pour récuser la personne choisie.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, le conseil communal ou la personne physique ou morale, privée ou publique désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales et envoie immédiatement le nom de la personne désignée à [1 l'administration]1. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin dispose d'un délai de quinze jours à dater de la réception de l'envoi pour récuser la personne choisie.
Wijzigingen
Art. D. VIII.35.[1 De persoon bevoegd om het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan te nemen houdt rekening met het milieueffectverslag, de resultaten van het openbaar onderzoek, de uitgebrachte adviezen alsook de krachtens artikel D.VIII.12 uitgevoerde grensoverschrijdende raadplegingen tijdens de opmaking van het betrokken plan, het betrokken beleidsontwikkelingsplan, de betrokken leidraad of de betrokken omtrek en voor de aanneming ervan.
Ze bepaalt ook de voornaamste opvolgingsmaatregelen van de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek om in een vroegtijdig stadium de onvoorziene negatieve effecten duidelijk te maken en om in staat te zijn de geschikte correctiemaatregelen in te voeren.
Op basis van die elementen wordt het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan aanneming onderworpen.]1
Ze bepaalt ook de voornaamste opvolgingsmaatregelen van de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan, van het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek om in een vroegtijdig stadium de onvoorziene negatieve effecten duidelijk te maken en om in staat te zijn de geschikte correctiemaatregelen in te voeren.
Op basis van die elementen wordt het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek aan aanneming onderworpen.]1
Art. D. VIII.34_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative gouvernementale, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, le conseil communal ou la personne physique ou morale, privée ou publique désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales et envoie immédiatement le nom de la personne désignée [1 au Gouvernement]1. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin dispose d'un délai de quinze jours à dater de la réception de l'envoi pour récuser la personne choisie.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative gouvernementale, le Gouvernement, ou la personne qu'il désigne à cette fin, désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales.
En cas d'établissement ou de révision du plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique, le conseil communal ou la personne physique ou morale, privée ou publique désigne parmi les personnes agréées en vertu de l'article D.I.11, la personne physique ou morale, privée ou publique, qu'il charge de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales et envoie immédiatement le nom de la personne désignée [1 au Gouvernement]1. Le Gouvernement ou la personne qu'il désigne à cette fin dispose d'un délai de quinze jours à dater de la réception de l'envoi pour récuser la personne choisie.
Wijzigingen
Art. D. VIII.36.[1 De beslissing tot aanneming van het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek gaat vergezeld van een milieuverklaring die een samenvatting is van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek en waarop het milieueffectenverslag, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen alsook de redenen het plan, het beleidsontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek zoals aangenomen rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.]1
Art. D. VIII.35.[1 L'autorité compétente pour adopter le plan, le schéma, le guide ou le périmètre prend en considération le rapport sur les incidences environnementales, les résultats de l'enquête publique, les avis exprimés, ainsi que les consultations transfrontières effectuées en vertu de l'article D.VIII.12, pendant l'élaboration du plan, du schéma, du guide ou du périmètre concerné et avant son adoption.
Elle détermine également les principales mesures de suivi des incidences non négligeables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan, du schéma, du guide ou du périmètre afin d'identifier notamment, à un stade précoce, les impacts négatifs imprévus et d'être en mesure d'engager les actions correctrices qu'elle juge appropriées.
Sur la base de ces éléments, le plan, le schéma, le guide ou le périmètre est soumis à adoption.]1
Elle détermine également les principales mesures de suivi des incidences non négligeables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan, du schéma, du guide ou du périmètre afin d'identifier notamment, à un stade précoce, les impacts négatifs imprévus et d'être en mesure d'engager les actions correctrices qu'elle juge appropriées.
Sur la base de ces éléments, le plan, le schéma, le guide ou le périmètre est soumis à adoption.]1
Wijzigingen
Art. D. VIII.37.[1 De projecten gepland krachtens een plan, een beleidsontwikkelingsplan, een leidraad of eenomtrek die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieueffectenbeoordeling van de plannen en programma's en die onderworpen worden aan het in Hoofdstuk III van Deel V van Boek I van het Milieuwetboek bedoelde systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van projecten worden niet vrijgesteld van die beoordeling.
Wanneer de plannen, de beleidsontwikkelingsplannen, de leidraden of de omtrekken deel uitmaken van een hiërarchisch geheel om de herhaling van de beoordeling van de milieueffectbeoordeling te voorkomen, kan ze gegrond worden op de nuttige gegevens verkregen bij de beoordeling die vroeger is uitgevoerd tijdens de aanneming van een ander plan, beleidsontwikkelingsplan, een andere leidraad of omtrek van hetzelfde hiërarchisch geheel.]1
Wanneer de plannen, de beleidsontwikkelingsplannen, de leidraden of de omtrekken deel uitmaken van een hiërarchisch geheel om de herhaling van de beoordeling van de milieueffectbeoordeling te voorkomen, kan ze gegrond worden op de nuttige gegevens verkregen bij de beoordeling die vroeger is uitgevoerd tijdens de aanneming van een ander plan, beleidsontwikkelingsplan, een andere leidraad of omtrek van hetzelfde hiërarchisch geheel.]1
Art. D. VIII.36.[1 La décision d'adoption du plan, du schéma, du guide ou du périmètre est accompagnée d'une déclaration environnementale résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan, le schéma, le guide ou le périmètre et dont le rapport sur les incidences environnementales, les avis, les réclamations et observations ont été pris en considération ainsi que les raisons du choix du plan, du schéma, du guide ou du périmètre tel qu'adopté, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. [1 Beoordelingssysteem van effecten van de gezamenlijke aanvragen plan-vergunning]1
Art. D.VIII.56.[1 La décision d'adopter le périmètre est accompagnée d'une déclaration environnementale résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le périmètre et dont l'évaluation conjointe des incidences, les avis, les réclamations et observations ont été pris en considération ainsi que les raisons du choix du plan adopté, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.]1
Art. D..[1 De aanvragen bedoeld in artikel D.II.54 zijn onderworpen aan een gezamenlijke effectenstudie tenzij de Regering, in antwoord aan de aanvrager, zowel vaststelt dat de herziening van het gewestplan een geringe wijziging van het gewestplan is en geen belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu, als dat project geen belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu ten aanzien van de criteria bepaald bij en in toepassing van artikel D.65, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek en dat het niet onderworpen is aan een effectenstudie overeenkomstig artikel D.64 van Boek I van het Milieuwetboek.
CHAPITRE III. [1 Système d'évaluation des incidences des demandes conjointes plan-permis]1
Art. D. VIII.39. [1 Het ontwerp-gewestplan in de omtrek waarvan er zich een gebied bevindt dat aangewezen is overeenkomstig de Richtlijnen 2009/147/EEG en 92/43/EEG of die de verwezenlijking van een aan een milieueffectenstudie onderworpen ontwerp beoogt mogelijk te maken of nog die betrekking heeft op gebieden waarin zich bedrijven zouden kunnen vestigen die een hoog risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de Richtlijn 2012/18/EG of die in de opneming voorziet van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden, wordt geacht niet te verwaarlozen effecten te hebben op het leefmilieu.]1
Art. D. VIII.38.[1 Les demandes visées à l'article D.II.54 sont soumises à évaluation conjointe des incidences sauf si, en réponse au demandeur, le Gouvernement constate, à la fois, que la révision du plan de secteur constitue une modification mineure du plan de secteur et n'est pas susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, et que le projet n'est pas susceptible d'incidences notables sur l'environnement au regard des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement et n'est pas soumis à étude d'incidences en application de l'article D.64 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Le demandeur justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.41.]1
Le demandeur justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.41.]1
Art. D. VIII.40. [1 De regering wint het advies in van de Beleidsgroep Leefmilieu, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de diensten die zij heeft aangeduid voor hun expertise en elke persoon of instantie die zij nuttig acht om te raadplegen overeenkomstig artikel D.II.54/4, en beslist vervolgens of de aanvraag wordt onderworpen aan een gezamenlijke effectbeoordeling of dat zij daarvan wordt vrijgesteld, overeenkomstig artikel D.II.54/5, eerste lid.]1
Art. D. VIII.39.[1 Est présumé avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, le plan de secteur projeté dans le périmètre duquel se situe une zone désignée conformément à la directive 2009/147/CE et à la directive 92/43/CEE, ou qui vise à permettre la réalisation d'un projet soumis à étude d'incidences sur l'environnement ou encore qui concerne des zones dans lesquelles peuvent s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE, ou qui prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements.]1
Art. D. VIII.41. [1 Om te bepalen of plannen te verwaarlozen effecten op het leefmilieu kunnen hebben, wordt er rekening gehouden met de volgende criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald:
1° de kenmerken van het plan, met name:
a) de maatregel waarin het plan een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten, wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door de beschikbare maatregelen;
b) de maatregel waarin het plan andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel;
c) de overeenstemming tussen het plan en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) de milieuproblemen gebonden aan het plan;
e) de overeenstemming tussen het plan en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
a) het cumulatief karakter van de gevolgen;
b) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
c) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
d) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
e) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
f) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.
Om te bepalen of het project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, wordt rekening gehouden met de criteria die zijn opgenomen bij en krachtens artikel D.65, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek.]1
1° de kenmerken van het plan, met name:
a) de maatregel waarin het plan een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten, wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door de beschikbare maatregelen;
b) de maatregel waarin het plan andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel;
c) de overeenstemming tussen het plan en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) de milieuproblemen gebonden aan het plan;
e) de overeenstemming tussen het plan en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
a) het cumulatief karakter van de gevolgen;
b) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
c) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
d) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
e) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
f) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.
Om te bepalen of het project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, wordt rekening gehouden met de criteria die zijn opgenomen bij en krachtens artikel D.65, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek.]1
Art. DVIII.40. [1 Le Gouvernement sollicite l'avis du pôle " Environnement ", du pôle " Aménagement du territoire " des services désignés par lui en raison de leur expertise et de toute personne ou instance qu'il juge utile de consulter conformément à l'article D.II.54/4 puis décide de soumettre la demande à évaluation conjointe des incidences ou de l'en exempter, conformément à l'article D.II.54/5, alinéa 1er.]1
Art. D. VIII.42. [1 § 1."In het gezamenlijke milieueffectenverslag worden zowel de vermoedelijke niet te verwaarlozen effecten, voortvloeiend uit de uitvoering van het plan en het ontwerp, als de redelijke vervangingsoplossingen vastgesteld, omschreven en beoordeeld, rekening houdend met de doelstellingen en het geografisch toepassingsgebied van het plan
§ 2. De Regering bepaalt welke informatie in de gezamenlijke effectbeoordeling moet worden opgenomen, rekening houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmede nauwkeurigheidsgraad van het plan en het ontwerp.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
1° een samenvatting van de inhoud en een omschrijving van:
a) de voornamelijke doelstellingen van het gewestplan, evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
b) van het ontwerp, en in voorkomend geval, van de sloopwerken met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang, de dimensies en andere relevante kenmerken;
c) de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
2° een omschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van de herziening van het gewestplan en het project, met inbegrip van :
a) de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, met name de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, zowel de positieve als de negatieve, incluis in domeinen als de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodems, de wateren, de lucht, de klimatische factoren, de materiële goederen, het culturele erfgoed, incluis het architecturale en het archeologische erfgoed, de landschappen en de interacties tussen die factoren;
b) de impact op de gebieden die voor het leefmilieu bijzonder belangrijk zijn, zoals die aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG en 92/43EEG;
c) de vermoedelijke niet te verwaarlozen specifieke effecten wanneer de opneming voorzien is van een gebied waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG of wanneer de opneming voorzien is van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
d) de impact op de land- en bosbouwbedrijvigheid;
3° de beoordeling van de compensaties, voorgesteld door de Regering overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
4° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand en van de toestand van het leefmilieu, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien de herziening van het gewestplan niet ten uitvoer wordt gebracht;
5° de impact van het plan of het beleidsontwikkelingsplan op de ruimtelijke optimalisatie;
6° de maatregelen overwogen om elk niet te verwaarlozen negatief effect ingevolge de uitvoering van het ontwerp en de herziening van het gewestplan te voorkomen, te beperken en, voor zover mogelijk, te compenseren ;
7° een beschrijving van de redelijke vervangende oplossingen of van de mogelijke alternatieven die de aanvrager naar gelang van de punten 1° tot 5° en een aanwijzing van de voornaamste redenen van de keuze daarvoor heeft onderzocht, in het licht van de milieueffecten van zijn aanvraag;
8° alle door de Regering bepaalde bijkomende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed;
9° de relevante doelstellingen inzake de milieubescherming en de wijze waarop die doelstellingen en de milieuoverwegingen in aanmerking genomen werden bij de herziening van het gewestplan ;
10° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
11° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.46; 12° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
Wanneer het project betrekking heeft op een installatie of een activiteit die een risico inhoudt voor de bodem in de zin van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, bevat de omschrijving van het in 1° bedoelde project in elk geval:
1° een eensluidend verklaard uittreksel van de databank betreffende de toestand van de bodems bedoeld in artikel 17 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
2° een omschrijving van de eventuele impacten van de gegevens van de databank betreffende de toestand van de bodems over het bedoelde project en een verantwoording van de maatregelen voorzien om bedoelde gegevens in het kader van het betrokken project in aanmerking te nemen.
§ 4. Voorzover zij relevant en actueel zijn, kunnen de gehele of gedeeltelijke resultaten en gegevens die ingezameld werden tijdens een eerder uitgevoerde milieuevaluatie, opgenomen worden in het effectenonderzoek. Deze worden als dusdanig in het onderzoek opgenomen.]1
§ 2. De Regering bepaalt welke informatie in de gezamenlijke effectbeoordeling moet worden opgenomen, rekening houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmede nauwkeurigheidsgraad van het plan en het ontwerp.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
1° een samenvatting van de inhoud en een omschrijving van:
a) de voornamelijke doelstellingen van het gewestplan, evenals het verband ervan met andere relevante plannen of programma's en met name met artikel D.I.1;
b) van het ontwerp, en in voorkomend geval, van de sloopwerken met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang, de dimensies en andere relevante kenmerken;
c) de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
2° een omschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van de herziening van het gewestplan en het project, met inbegrip van :
a) de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, met name de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, zowel de positieve als de negatieve, incluis in domeinen als de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodems, de wateren, de lucht, de klimatische factoren, de materiële goederen, het culturele erfgoed, incluis het architecturale en het archeologische erfgoed, de landschappen en de interacties tussen die factoren;
b) de impact op de gebieden die voor het leefmilieu bijzonder belangrijk zijn, zoals die aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG en 92/43EEG;
c) de vermoedelijke niet te verwaarlozen specifieke effecten wanneer de opneming voorzien is van een gebied waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG of wanneer de opneming voorzien is van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
d) de impact op de land- en bosbouwbedrijvigheid;
3° de beoordeling van de compensaties, voorgesteld door de Regering overeenkomstig artikel D.II.45, § 3;
4° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand en van de toestand van het leefmilieu, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien de herziening van het gewestplan niet ten uitvoer wordt gebracht;
5° de impact van het plan of het beleidsontwikkelingsplan op de ruimtelijke optimalisatie;
6° de maatregelen overwogen om elk niet te verwaarlozen negatief effect ingevolge de uitvoering van het ontwerp en de herziening van het gewestplan te voorkomen, te beperken en, voor zover mogelijk, te compenseren ;
7° een beschrijving van de redelijke vervangende oplossingen of van de mogelijke alternatieven die de aanvrager naar gelang van de punten 1° tot 5° en een aanwijzing van de voornaamste redenen van de keuze daarvoor heeft onderzocht, in het licht van de milieueffecten van zijn aanvraag;
8° alle door de Regering bepaalde bijkomende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed;
9° de relevante doelstellingen inzake de milieubescherming en de wijze waarop die doelstellingen en de milieuoverwegingen in aanmerking genomen werden bij de herziening van het gewestplan ;
10° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
11° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.46; 12° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
Wanneer het project betrekking heeft op een installatie of een activiteit die een risico inhoudt voor de bodem in de zin van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, bevat de omschrijving van het in 1° bedoelde project in elk geval:
1° een eensluidend verklaard uittreksel van de databank betreffende de toestand van de bodems bedoeld in artikel 17 van het decreet van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
2° een omschrijving van de eventuele impacten van de gegevens van de databank betreffende de toestand van de bodems over het bedoelde project en een verantwoording van de maatregelen voorzien om bedoelde gegevens in het kader van het betrokken project in aanmerking te nemen.
§ 4. Voorzover zij relevant en actueel zijn, kunnen de gehele of gedeeltelijke resultaten en gegevens die ingezameld werden tijdens een eerder uitgevoerde milieuevaluatie, opgenomen worden in het effectenonderzoek. Deze worden als dusdanig in het onderzoek opgenomen.]1
Art. D. VIII.41. [1 Pour déterminer si le plan est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences qui suivent :
1° les caractéristiques du plan, notamment :
a) la mesure dans laquelle le plan définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le plan influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le plan et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au plan;
e) l'adéquation entre le plan et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
a) le caractère cumulatif des incidences;
b) la nature transfrontalière des incidences;
c) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
d) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
e) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
f) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.
Pour déterminer si le projet est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
1° les caractéristiques du plan, notamment :
a) la mesure dans laquelle le plan définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le plan influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le plan et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au plan;
e) l'adéquation entre le plan et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
a) le caractère cumulatif des incidences;
b) la nature transfrontalière des incidences;
c) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
d) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
e) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
f) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.
Pour déterminer si le projet est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Art. D. VIII.43. [1 De Regering legt de ontwerp - inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54 voor advies voor aan de Beleidsgroep Leefmilieu, de BeleidsgroepRuimtelijke Ordening, de overeenkomstig artikel D.II.54/4 geraadpleegde organen, diensten en overheden en alle andere personen en instanties die zij nuttig acht om te raadplegen.
De aanvraag bedoeld in artikel D.II.54 en de ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien de wijziging van het gewestplan een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat. De adviezen worden binnen de dertig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
De aanvraag bedoeld in artikel D.II.54 en de ontwerp-inhoud van het verslag over de milieueffecten worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien de wijziging van het gewestplan een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat. De adviezen worden binnen de dertig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
Art. D. VIII.42. [1 § 1er. L'évaluation conjointe des incidences identifie, décrit et évalue les incidences non négligeables probables de la mise en oeuvre du plan et du projet, ainsi que les solutions de substitution raisonnables tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du plan.
§ 2. Le Gouvernement détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan et du projet.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu et une description :
a) des objectifs principaux de la révision du plan de secteur et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1;
b) du projet, et, le cas échéant, des travaux de démolition, comportant des informations relatives à son site d'implantation, à sa conception, à ses dimensions et à ses caractéristiques pertinentes;
c) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
2° une description des incidences notables probables sur l'environnement de la révision du plan de secteur et du projet en ce compris :
a) les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
b) les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/CEE;
c) les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
d) les incidences sur l'activité agricole et forestière;
3° l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
4° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si la révision du plan de secteur n'est pas mise en oeuvre;
5° l'incidence de la révision du plan de secteur et du projet sur l'optimisation spatiale;
6° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du projet et de la révision du plan de secteur sur l'environnement;
7° une description des solutions de substitution raisonnables ou des alternatives possibles qui ont été examinées par le demandeur, en fonction des points 1° à 5°, et une indication des principales raisons du choix de ce dernier, eu égard aux effets de sa demande sur l'environnement;
8° toute information supplémentaire précisée par le Gouvernement, en fonction des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projets particulier et des éléments de l'environnement sur lesquels une incidence pourrait se produire;
9° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de la révision du plan de secteur;
10° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
11° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.46; 12° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Lorsque le projet concerne une installation ou une activité présentant un risque pour le sol au sens du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, la description du projet visée au 1° comporte en tout cas :
1° un extrait conforme de la banque de données de l'état des sols visé à l'article 17 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
2° un descriptif des éventuels impacts des données de la banque de données de l'état des sols sur le projet visé et un justificatif des mesures prévues pour prendre en compte lesdites données dans le cadre du projet visé.
§ 4. Pour autant qu'ils soient pertinents et actuels, tout ou partie des résultats et des données obtenus lors d'une évaluation environnementale effectuée précédemment peuvent être intégrés dans l'évaluation des incidences. Ceux- ci sont identifiés comme tels dans l'évaluation.]1
§ 2. Le Gouvernement détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du plan et du projet.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu et une description :
a) des objectifs principaux de la révision du plan de secteur et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1;
b) du projet, et, le cas échéant, des travaux de démolition, comportant des informations relatives à son site d'implantation, à sa conception, à ses dimensions et à ses caractéristiques pertinentes;
c) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
2° une description des incidences notables probables sur l'environnement de la révision du plan de secteur et du projet en ce compris :
a) les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
b) les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/CEE;
c) les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
d) les incidences sur l'activité agricole et forestière;
3° l'évaluation des compensations proposées par le Gouvernement en application de l'article D.II.45, § 3;
4° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si la révision du plan de secteur n'est pas mise en oeuvre;
5° l'incidence de la révision du plan de secteur et du projet sur l'optimisation spatiale;
6° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du projet et de la révision du plan de secteur sur l'environnement;
7° une description des solutions de substitution raisonnables ou des alternatives possibles qui ont été examinées par le demandeur, en fonction des points 1° à 5°, et une indication des principales raisons du choix de ce dernier, eu égard aux effets de sa demande sur l'environnement;
8° toute information supplémentaire précisée par le Gouvernement, en fonction des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projets particulier et des éléments de l'environnement sur lesquels une incidence pourrait se produire;
9° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de la révision du plan de secteur;
10° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
11° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.46; 12° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Lorsque le projet concerne une installation ou une activité présentant un risque pour le sol au sens du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, la description du projet visée au 1° comporte en tout cas :
1° un extrait conforme de la banque de données de l'état des sols visé à l'article 17 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
2° un descriptif des éventuels impacts des données de la banque de données de l'état des sols sur le projet visé et un justificatif des mesures prévues pour prendre en compte lesdites données dans le cadre du projet visé.
§ 4. Pour autant qu'ils soient pertinents et actuels, tout ou partie des résultats et des données obtenus lors d'une évaluation environnementale effectuée précédemment peuvent être intégrés dans l'évaluation des incidences. Ceux- ci sont identifiés comme tels dans l'évaluation.]1
Art. D. VIII.44. [1 De Beleidsgroep Leefmilieu, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de gemeentelijke commissie van elk van de gemeenten die kunnen worden getroffen, de diensten die door de Regering zijn aangeduid voor hun expertise en alle instanties die worden geraadpleegd om de inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling te bepalen, worden regelmatig op de hoogte gebracht van de voortgang van de voorafgaande analyses en de opstelling van de gezamenlijke beoordelingvan de effecten en verkrijgen alle gevraagde informatie over het verloop van de milieubeoordeling bij de betrokken overheidsinstanties, de aanvrager en de persoon die de beoordeling uitvoert, Ze kunnen op elk ogenblik opmerkingen formuleren of voorstellen doen aan de Regering.]1
Art. D. VIII.43. [1 Le Gouvernement soumet le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences ainsi que la demande visée à l'article D.II.54 pour avis au pôle " Environnement ", au pôle " Aménagement du territoire ", aux instances, services et autorités consultées conformément à l'article D.II.54/4 et aux autres personnes et instances qu'il juge utile de consulter.
La demande visée à l'article D.II.54 et le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont aussi soumis pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque la modification du plan de secteur comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE soit lorsqu'elle prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Ils sont transmis au Gouvernement dans les trente jours de la demande.]1
La demande visée à l'article D.II.54 et le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont aussi soumis pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque la modification du plan de secteur comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE soit lorsqu'elle prévoit l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Ils sont transmis au Gouvernement dans les trente jours de la demande.]1
Art. D. VIII.45. [1 D.VIII.12. Indien de overheid bevoegd om het plan of het ontwikkelingsplan aan te nemen of de door haar daartoe aangewezen persoon vaststelt dat het significante effecten zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag age in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo."
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
Art. D. VIII.44. [1 Le pôle " Environnement ", le pôle " Aménagement du territoire ", la commission communale de chacune des communes susceptibles d'être affectées, les services désignés par le Gouvernement en raison de leur expertise et toutes instances consultées en vue de la détermination du contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction de l'évaluation conjointe des incidences et obtiennent toute information qu'ils sollicitent sur le déroulement de l'évaluation environnementale, auprès des autorités publiques concernées, du demandeur et de la personne qui réalise l'évaluation. Ils peuvent, à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions au Gouvernement.]1
Art. D. VIII.46. [1 Wanneer de Regering beslist over de aanvraag bedoeld in artikel D.II.54, wordt rekening gehouden met de nota of de gezamenlijke effectbeoordeling, de resultaten van het openbaar onderzoek, de tot uiting gekomen opinies, de grensoverschrijdende raadplegingen uitgevoerd krachtens artikel D.VIII.45 tijdens de behandeling van de aanvraag en iedere andere informatie die zij nuttig acht.
Wanneer ze niet over de vereiste informatie beschikken, kunnen de door de Regering aangewezen bevoegde overheden en diensten die in de behandeling van de aanvraag tussenkomen, de aanvrager om bijkomende informatie verzoeken.
De Regering bepaalt eveneens de voornaamste opvolgingsmaatregelen van de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan en van het project om in een vroegtijdig stadium de onvoorziene negatieve effecten duidelijk te maken en om in staat te zijn de geschikte correctiemaatregelen in te voeren.]1
Wanneer ze niet over de vereiste informatie beschikken, kunnen de door de Regering aangewezen bevoegde overheden en diensten die in de behandeling van de aanvraag tussenkomen, de aanvrager om bijkomende informatie verzoeken.
De Regering bepaalt eveneens de voornaamste opvolgingsmaatregelen van de aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan en van het project om in een vroegtijdig stadium de onvoorziene negatieve effecten duidelijk te maken en om in staat te zijn de geschikte correctiemaatregelen in te voeren.]1
Art. D. VIII.45. [1 Lorsque le Gouvernement constate que le plan ou le projet sont susceptibles d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu d'évaluation conjointe des incidences ainsi que l'avant-projet ou le projet de plan et le projet sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient.
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours de la demande.]1
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient.
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours de la demande.]1
Art. D. VIII.47. [1 De beslissing tot wijziging van het gewestplan gaat vergezeld van een milieuverklaring die een samenvatting is van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in het plan en waarop de gezamenlijke effectenbeoordeling, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen alsook de redenen van het aangenomen plan, rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.]1
Art. D. VIII.46. [1 Lorsqu'il statue sur la demande visée à l'article D.II.54, le Gouvernement prend en considération la notice ou l'évaluation conjointe des incidences, les résultats de l'enquête publique, les avis exprimés, ainsi que les consultations transfrontières effectuées en vertu de l'article D.VIII.45, pendant l'instruction de la demande et toute autre information qu'il juge utile.
Lorsqu'ils ne disposent pas des informations requises, le Gouvernement ou les instances et services intervenant dans l'instruction de la demande que le Gouvernement désigne peuvent exiger du demandeur des informations supplémentaires.
Le Gouvernement détermine également les principales mesures de suivi des incidences non négligeables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan et du projet afin d'identifier notamment, à un stade précoce, les impacts négatifs imprévus et d'être en mesure d'engager les actions correctrices qu'il juge appropriées.]1
Lorsqu'ils ne disposent pas des informations requises, le Gouvernement ou les instances et services intervenant dans l'instruction de la demande que le Gouvernement désigne peuvent exiger du demandeur des informations supplémentaires.
Le Gouvernement détermine également les principales mesures de suivi des incidences non négligeables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan et du projet afin d'identifier notamment, à un stade précoce, les impacts négatifs imprévus et d'être en mesure d'engager les actions correctrices qu'il juge appropriées.]1
HOOFDSTUK IV. [1 Systeem voor de beoordeling van de effecten van de gezamenlijke aanvragen omtrek - vergunning]1
Art. D.VIII.47. [1 La décision de modifier le plan de secteur est accompagnée d'une déclaration environnementale résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan et dont l'évaluation conjointe des incidences, les avis, les réclamations et les observations ont été pris en considération ainsi que les raisons du choix du plan adopté, compte tenu des autres solutions raisonnables envisagées.]1
Art. D.VIII.48. [1 De aanvragen bedoeld in artikel D.V.16 zijn onderworpen aan een gezamenlijke effectenbeoordeling tenzij de Regering, in antwoord aan de aanvrager, tegelijk vaststelt dat de omtrek een geringe wijziging van een plan of programma is en geen belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu, en dat dat project geen belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu ten aanzien van de criteria bepaald bij en in toepassing van artikel D.65, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek en dat het niet onderworpen is aan een effectenstudie overeenkomstig artikel D.64 van Boek I van het Milieuwetboek.
CHAPITRE IV. [1 Système d'évaluation des incidences des demandes conjointes périmètre - permis]1
Art. D. VIII.49. [1 De Regering wint het advies in van de Beleidsgroep Leefmilieu, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de diensten die zij heeft aangeduid voor hun expertise en elke persoon of instantie die zij nuttig acht om te raadplegen overeenkomstig artikel D.V.16/2, en beslist vervolgens of de aanvraag wordt onderworpen aan een gezamenlijke effectbeoordeling of dat zij daarvan wordt vrijgesteld, overeenkomstig artikel D.V.16/3.]1
Art. D. VIII.48.[1 Les demandes visées à l'article D.V.16 sont soumises à évaluation conjointe des incidences sauf si, en réponse au demandeur, le Gouvernement constate, à la fois, que le périmètre constitue une modification mineure d'un plan ou programme et n'est pas susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, et que le projet n'est pas susceptible d'incidences notables sur l'environnement au regard des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement et n'est pas obligatoirement soumis à étude d'incidences en application de l'article D.64 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Le demandeur justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.50.]1
Le demandeur justifie sa demande par rapport aux critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences, visés à l'article D.VIII.50.]1
Art. D. VIII.50. [1 Om te bepalen of domtrek niet te verwaarlozen effecten op het leefmilieu kan hebben, wordt er rekening gehouden met de volgende criteria waarmee de vermoedelijke omvang van de gevolgen kan worden bepaald:"
1° de kenmerken van de omtrek, met name:
a) de maatregel waarin de omtrek een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten, wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door de beschikbare maatregelen;
b) de maatregel waarin de omtrek andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel;
c) de overeenstemming tussen de omtrek en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) de milieuproblemen gebonden aan de omtrek;
e) de overeenstemming tussen de omtrek en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
a) de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
b) het cumulatief karakter van de gevolgen;
c) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
d) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
e) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
f) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
g) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.
Om te bepalen of het project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, wordt rekening gehouden met de criteria die zijn opgenomen bij en overeenkomstig artikel D.65, § 1er, van Boek Ier van het Milieuwetboek.]1
1° de kenmerken van de omtrek, met name:
a) de maatregel waarin de omtrek een kader bepaalt voor andere projecten of activiteiten, wat betreft de ligging, de aard, de omvang en de werkingsvoorwaarden of door de beschikbare maatregelen;
b) de maatregel waarin de omtrek andere plannen of programma's beïnvloedt, met inbegrip van degene die deel uitmaken van een hiërarchisch geheel;
c) de overeenstemming tussen de omtrek en de opneming van de milieuoverwegingen om met name een duurzame ontwikkeling te bevorderen;
d) de milieuproblemen gebonden aan de omtrek;
e) de overeenstemming tussen de omtrek en de uitvoering van de wetgeving betreffende het leefmilieu en de natuur;
2° de kenmerken van de gevolgen en van het gebied dat getroffen kan worden, met name:
a) de waarschijnlijkheid, de duur, de frequentie en het omkeerbaar karakter van de gevolgen;
b) het cumulatief karakter van de gevolgen;
c) de grensoverschrijdende aard van de gevolgen;
d) de risico's voor de menselijke gezondheid of voor het leefmilieu;
e) de kracht en de geografische uitgestrektheid van de effecten, namelijk de geografische zone en de omvang van de bevolking die eronder zou kunnen lijden;
f) de waarde en de kwetsbaarheid van het gebied dat getroffen kan worden vanwege:
i. natuurlijke kenmerken of een bepaald cultureel erfgoed;
ii. een overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van de grenswaarden;
iii. een intensief grondgebruik;
g) de effecten op gebieden en landschappen die op nationaal, Europees of internationaal niveau als beschermd gebied zijn erkend.
Om te bepalen of het project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, wordt rekening gehouden met de criteria die zijn opgenomen bij en overeenkomstig artikel D.65, § 1er, van Boek Ier van het Milieuwetboek.]1
Art. D. VIII.49. [1 Le Gouvernement sollicite l'avis du pôle " Environnement ", du pôle " Aménagement du territoire ", des services désignés par lui en raison de leur expertise et de toute personne ou instance qu'il juge utile de consulter conformément à l'article D.V.16/2 puis décide de soumettre la demande à évaluation conjointe des incidences ou de l'en exempter, conformément à l'article D.V.16/3.]1
Art. D. VIII.51. [1 § 1. In de gezamenlijke effectenbeoordeling worden zowel de vermoedelijke niet te verwaarlozen effecten, voortvloeiend uit de uitvoering van de omtrek en van het project, als de redelijke vervangingsoplossingen vastgesteld, omschreven en beoordeeld, rekening houdend met de doelstellingen en het geografisch toepassingsgebied van de omtrek.
§ 2. De Regering bepaalt welke informatie in de gezamenlijke effectbeoordeling moet worden opgenomen, rekening houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes, de inhoud ende nauwkeurigheidsgraad van de omtrek en het ontwerp.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
1° een samenvatting van de inhoud en een omschrijving van:
a) de voornamelijke doelstellingen van de omtrek, evenals het verband ervan met andere relevante plannen e programma's en met name met artikel D.I.1;
b) van het ontwerp, en in voorkomend geval, van de sloopwerken met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang, de dimensies en andere relevante kenmerken;
c) de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
2° een omschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van de herziening van de omtrek en het project, met inbegrip van :
a) de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, met name de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, zowel de positieve als de negatieve, incluis in domeinen als de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodems, de wateren, de lucht, de klimatische factoren, de materiële goederen, het culturele erfgoed, incluis het architecturale en het archeologische erfgoed, de landschappen en de interacties tussen die factoren;
b) de gebieden die voor het leefmilieu bijzonder belangrijk zijn, zoals die aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG en 92/43/EG;
c) de vermoedelijke niet te verwaarlozen specifieke effecten wanneer de opneming voorzien is van een gebied waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG of wanneer de opneming voorzien is van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
d) de impact op de land- en bosbouwbedrijvigheid;
3° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien de omtrek niet ten uitvoer wordt gebracht;"
4° de impact van de omtrek of het project op de ruimtelijke optimalisatie;
5° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het project of de omtrek op het leefmilieu;"
6° een beschrijving van de redelijke of mogelijke alternatieven die de aanvrager naar gelang van de punten 1° tot 5° heeft onderzocht, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de aanvraag;
7° alle door de Regering bepaalde aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.
8° de relevante doelstellingen inzake de milieubescherming en de wijze waarop die doelstellingen en de milieuoverwegingen in aanmerking genomen werden bij het uitwerken van de omtrek;
9° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
10° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.55; 11° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
Wanneer het project betrekking heeft op een installatie of een activiteit die een risico inhoudt voor de bodem in de zin van het decreet van 1 maart 201betreffende bodembeheer en bodemsanering, bevat de omschrijving van het in 1° bedoelde project in elk geval:
1° een eensluidend verklaard uittreksel van de databank betreffende de toestand van de bodems bedoeld in artikel 17 van het decreet van 1 maart 2018betreffende bodembeheer en bodemsanering;
2° een omschrijving van de eventuele impacten van de gegevens van de databank betreffende de toestand van de bodems over het bedoelde project en een verantwoording van de maatregelen voorzien om bedoelde gegevens in het kader van het betrokken project in aanmerking te nemen..
§ 4. Voorzover zij relevant en actueel zijn, kunnen de gehele of gedeeltelijke resultaten en gegevens die ingezameld werden tijdens een eerder uitgevoerde milieuevaluatie, opgenomen worden in het effectenonderzoek. Deze worden als dusdanig in het onderzoek opgenomen.]1
§ 2. De Regering bepaalt welke informatie in de gezamenlijke effectbeoordeling moet worden opgenomen, rekening houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes, de inhoud ende nauwkeurigheidsgraad van de omtrek en het ontwerp.
§ 3. De krachtens § 2 te verstrekken informatie omvat minstens de volgende elementen:
1° een samenvatting van de inhoud en een omschrijving van:
a) de voornamelijke doelstellingen van de omtrek, evenals het verband ervan met andere relevante plannen e programma's en met name met artikel D.I.1;
b) van het ontwerp, en in voorkomend geval, van de sloopwerken met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang, de dimensies en andere relevante kenmerken;
c) de leefmilieukenmerken van de gebieden die op aanzienlijke wijze beïnvloed zouden kunnen worden;
2° een omschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van de herziening van de omtrek en het project, met inbegrip van :
a) de vermoedelijke niet te verwaarlozen milieueffecten, met name de secundaire, cumulatieve, synergische effecten, op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, zowel de positieve als de negatieve, incluis in domeinen als de biologische diversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodems, de wateren, de lucht, de klimatische factoren, de materiële goederen, het culturele erfgoed, incluis het architecturale en het archeologische erfgoed, de landschappen en de interacties tussen die factoren;
b) de gebieden die voor het leefmilieu bijzonder belangrijk zijn, zoals die aangewezen overeenkomstig de richtlijnen 2009/147/EG en 92/43/EG;
c) de vermoedelijke niet te verwaarlozen specifieke effecten wanneer de opneming voorzien is van een gebied waarin bedrijven zich zouden kunnen vestigen die een hoog risico vertonen voor de personen, de goederen of het leefmilieu in de zin van richtlijn 2012/18/EG of wanneer de opneming voorzien is van gebieden die bestemd zijn als woongebieden, evenals van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht en zich in de nabijheid van zulke bedrijven bevinden;
d) de impact op de land- en bosbouwbedrijvigheid;
3° de relevante aspecten van de sociaal-economische toestand, evenals de vermoedelijke evolutie ervan indien de omtrek niet ten uitvoer wordt gebracht;"
4° de impact van de omtrek of het project op de ruimtelijke optimalisatie;
5° de maatregelen die overwogen worden ter voorkoming, vermindering en, voor zover mogelijk, compensatie van elk aanzienlijk negatief effect van de uitvoering van het project of de omtrek op het leefmilieu;"
6° een beschrijving van de redelijke of mogelijke alternatieven die de aanvrager naar gelang van de punten 1° tot 5° heeft onderzocht, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de aanvraag;
7° alle door de Regering bepaalde aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.
8° de relevante doelstellingen inzake de milieubescherming en de wijze waarop die doelstellingen en de milieuoverwegingen in aanmerking genomen werden bij het uitwerken van de omtrek;
9° een omschrijving van de gekozen evaluatiemethode en van de gerezen problemen;
10° de beoogde opvolgingsmaatregelen overeenkomstig artikel D.VIII.55; 11° een niet-technische samenvatting van de hierboven bedoelde informatie.
Wanneer het project betrekking heeft op een installatie of een activiteit die een risico inhoudt voor de bodem in de zin van het decreet van 1 maart 201betreffende bodembeheer en bodemsanering, bevat de omschrijving van het in 1° bedoelde project in elk geval:
1° een eensluidend verklaard uittreksel van de databank betreffende de toestand van de bodems bedoeld in artikel 17 van het decreet van 1 maart 2018betreffende bodembeheer en bodemsanering;
2° een omschrijving van de eventuele impacten van de gegevens van de databank betreffende de toestand van de bodems over het bedoelde project en een verantwoording van de maatregelen voorzien om bedoelde gegevens in het kader van het betrokken project in aanmerking te nemen..
§ 4. Voorzover zij relevant en actueel zijn, kunnen de gehele of gedeeltelijke resultaten en gegevens die ingezameld werden tijdens een eerder uitgevoerde milieuevaluatie, opgenomen worden in het effectenonderzoek. Deze worden als dusdanig in het onderzoek opgenomen.]1
Art. D. VIII.50. [1 Pour déterminer si le périmètre est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères permettant de déterminer l'ampleur probable des incidences qui suivent :
1° les caractéristiques du périmètre, notamment :
a) la mesure dans laquelle le périmètre définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le périmètre influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le périmètre et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au périmètre;
e) l'adéquation entre le périmètre et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
a) la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b) le caractère cumulatif des incidences;
c) la nature transfrontalière des incidences;
d) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
e) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
f) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
g) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.
Pour déterminer si le projet est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
1° les caractéristiques du périmètre, notamment :
a) la mesure dans laquelle le périmètre définit un cadre pour d'autres projets ou activités, en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement ou par une allocation de ressources;
b) la mesure dans laquelle le périmètre influence d'autres plans ou programmes, y compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchisé;
c) l'adéquation entre le périmètre et l'intégration des considérations environnementales, en vue, notamment, de promouvoir un développement durable;
d) les problèmes environnementaux liés au périmètre;
e) l'adéquation entre le périmètre et la mise en oeuvre de la législation relative à l'environnement et à la nature;
2° les caractéristiques des incidences et de la zone susceptible d'être touchée, notamment :
a) la probabilité, la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b) le caractère cumulatif des incidences;
c) la nature transfrontalière des incidences;
d) les risques pour la santé humaine ou pour l'environnement;
e) la magnitude et l'étendue spatiale géographique des incidences, à savoir la zone géographique et la taille de la population susceptible d'être touchée;
f) la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être touchée, en raison :
i. de caractéristiques naturelles ou d'un patrimoine culturel particulier;
ii. d'un dépassement des normes de qualité environnementales ou des valeurs limites;
iii. de l'exploitation intensive des sols;
g) les incidences pour des zones ou des paysages jouissant d'un statut de protection reconnu au niveau national, européen ou international.
Pour déterminer si le projet est susceptible d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement, il est tenu compte des critères fixés par et en application de l'article D.65, § 1er, du Livre Ier du Code de l'Environnement.]1
Art. D. VIII.52. [1 De Regering legt de ontwerp - inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling en de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 voor advies voor aan de Beleidsgroep Leefmilieu, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de overeenkomstig artikel D.V.16/2 geraadpleegde organen, diensten en overheden en alle andere personen en instanties die zij nuttig acht om te raadplegen.
De aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 en de ontwerp-inhoud van de gezamenlijke beoordeling van de effecten worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien de omtrek een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat. De adviezen worden binnen de dertig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
De aanvraag bedoeld in artikel D.V.16 en de ontwerp-inhoud van de gezamenlijke beoordeling van de effecten worden ter advies voorgelegd aan de milieuadministratie ofwel indien de omtrek een gebied inhoudt of betreft bedoeld in artikel D.II.31, § 2, of dat een inrichting moet ontvangen die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, ofwel indien het in de opneming voorziet van gebieden bestemd als woongebieden alsook van gebieden of infrastructuren die door het publiek worden bezocht in de nabijheid van een dergelijk gebied of van een inrichting die een hoog risico vertoont voor de personen, goederen of het milieu in de zin van Richtlijn 2012/18/EG, voor zover die opneming het risico zou kunnen verhogen op een zwaar ongeval.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die het milieueffectverslag bevat. De adviezen worden binnen de dertig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
Art. D. VIII.51. [1 § 1er. L'évaluation conjointe des incidences identifie, décrit et évalue les incidences non négligeables probables de la mise en oeuvre du périmètre et du projet, ainsi que les solutions de substitution raisonnables tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du périmètre.
§ 2. Le Gouvernement détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du périmètre et du projet.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu et une description :
a) des objectifs principaux du périmètre et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1;
b) du projet, et, le cas échéant, des travaux de démolition, comportant des informations relatives à son site d'implantation, à sa conception, à ses dimensions et à ses caractéristiques pertinentes;
c) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
2° une description des incidences notables probables sur l'environnement du périmètre et du projet en ce compris :
a) les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
b) les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/CEE;
c) les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
d) les incidences sur l'activité agricole et forestière;
3° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le périmètre n'est pas mis en oeuvre;
4° l'incidence du périmètre et du projet sur l'optimisation spatiale;
5° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du projet et du périmètre sur l'environnement;
6° une description des solutions de substitution raisonnables ou des alternatives possibles qui ont été examinées par le demandeur, en fonction des points 1° à 5°, et une indication des principales raisons du choix de ce dernier, eu égard aux effets de sa demande sur l'environnement;
7° toute information supplémentaire précisée par le Gouvernement, en fonction des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projets particulier et des éléments de l'environnement sur lesquels une incidence pourrait se produire;
8° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du périmètre;
9° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
10° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.55; 11° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Lorsque le projet concerne une installation ou une activité présentant un risque pour le sol au sens du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, la description du projet visée au 1° comporte en tout cas :
1° un extrait conforme de la banque de données de l'état des sols visé à l'article 17 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
2° un descriptif des éventuels impacts des données de la banque de données de l'état des sols sur le projet visé et un justificatif des mesures prévues pour prendre en compte lesdites données dans le cadre du projet visé.
§ 4. Pour autant qu'ils soient pertinents et actuels, tout ou partie des résultats et des données obtenus lors d'une évaluation environnementale effectuée précédemment peuvent être intégrés dans l'évaluation des incidences. Ceux-ci sont identifiés comme tels dans l'évaluation.]1
§ 2. Le Gouvernement détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient, en tenant compte, à cet effet, des connaissances et des méthodes d'évaluation existantes, du contenu et du degré de précision du périmètre et du projet.
§ 3. Les informations à fournir en vertu du paragraphe 2 comprennent à tout le moins les éléments suivants :
1° un résumé du contenu et une description :
a) des objectifs principaux du périmètre et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents, et notamment avec l'article D.I.1;
b) du projet, et, le cas échéant, des travaux de démolition, comportant des informations relatives à son site d'implantation, à sa conception, à ses dimensions et à ses caractéristiques pertinentes;
c) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable;
2° une description des incidences notables probables sur l'environnement du périmètre et du projet en ce compris :
a) les incidences non négligeables probables, à savoir les effets secondaires, cumulatifs, synergiques, à court, à moyen et à long terme, permanents et temporaires, tant positifs que négatifs, sur l'environnement, y compris sur des thèmes comme la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, y compris le patrimoine architectural et archéologique, les paysages et les interactions entre ces facteurs;
b) les incidences sur les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement telles que celles désignées conformément aux directives 2009/147/CE et 92/43/CEE;
c) les incidences non négligeables probables spécifiques lorsqu'est prévue l'inscription d'une zone dans laquelle pourraient s'implanter des établissements présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE ou lorsqu'est prévue l'inscription de zones destinées à l'habitat ainsi que de zones ou d'infrastructures fréquentées par le public à proximité de tels établissements;
d) les incidences sur l'activité agricole et forestière;
3° les aspects pertinents de la situation socio-économique et environnementale ainsi que son évolution probable si le périmètre n'est pas mis en oeuvre;
4° l'incidence du périmètre et du projet sur l'optimisation spatiale;
5° les mesures envisagées pour éviter, réduire et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative non négligeable de la mise en oeuvre du projet et du périmètre sur l'environnement;
6° une description des solutions de substitution raisonnables ou des alternatives possibles qui ont été examinées par le demandeur, en fonction des points 1° à 5°, et une indication des principales raisons du choix de ce dernier, eu égard aux effets de sa demande sur l'environnement;
7° toute information supplémentaire précisée par le Gouvernement, en fonction des caractéristiques spécifiques d'un projet ou d'un type de projets particulier et des éléments de l'environnement sur lesquels une incidence pourrait se produire;
8° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de l'élaboration du périmètre;
9° une description de la méthode d'évaluation retenue et des difficultés rencontrées;
10° les mesures de suivi envisagées conformément à l'article D.VIII.55; 11° un résumé non technique des informations visées ci-dessus.
Lorsque le projet concerne une installation ou une activité présentant un risque pour le sol au sens du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, la description du projet visée au 1° comporte en tout cas :
1° un extrait conforme de la banque de données de l'état des sols visé à l'article 17 du décret du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols;
2° un descriptif des éventuels impacts des données de la banque de données de l'état des sols sur le projet visé et un justificatif des mesures prévues pour prendre en compte lesdites données dans le cadre du projet visé.
§ 4. Pour autant qu'ils soient pertinents et actuels, tout ou partie des résultats et des données obtenus lors d'une évaluation environnementale effectuée précédemment peuvent être intégrés dans l'évaluation des incidences. Ceux-ci sont identifiés comme tels dans l'évaluation.]1
Art. D. VIII.53. [1 De Beleidsgroep Leefmilieu, de Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening, de gemeentelijke commissie van elk van de gemeenten die kunnen worden getroffen, de diensten die door de Regering zijn aangeduid voor hun expertise en alle instanties die worden geraadpleegd om de inhoud van de gezamenlijke effectbeoordeling te bepalen, worden regelmatig op de hoogte gebracht van de voortgang van de voorafgaande analyses en de opstelling van de gezamenlijke bvan de effecten en krijgen alle informatie die ze aanvragen over het verloop van de milieubeoordeling bij de betrokken overheden, de aanvrager en de uitvoerder van de beoordeling. Ze kunnen op elk ogenblik opmerkingen formuleren of voorstellen doen aan de Regering.]1
Art. D. VIII.52. [1 Le Gouvernement soumet le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences ainsi que la demande visée à l'article D.V.16 pour avis au pôle " Environnement ", au pôle " Aménagement du territoire ", aux instances, services et autorités ayant été consultées conformément à l'article D.V.16/2 et aux autres personnes et instances qu'il juge utile de consulter.
La demande visée à l'article D.V.16 et le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont aussi soumis pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque le périmètre comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE soit lorsqu'il prévoit des espaces destinés à l'habitat ou à des infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Ils sont transmis au Gouvernement dans les trente jours de la demande.]1
La demande visée à l'article D.V.16 et le projet de contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont aussi soumis pour avis, à l'administration de l'environnement soit lorsque le périmètre comporte ou porte sur une zone visée à l'article D.II.31, § 2, ou qui accueille un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE soit lorsqu'il prévoit des espaces destinés à l'habitat ou à des infrastructures fréquentées par le public à proximité d'une telle zone ou d'un établissement présentant un risque majeur pour les personnes, les biens ou l'environnement au sens de la directive 2012/18/UE pour autant que cette inscription soit susceptible d'aggraver les conséquences d'un risque d'accident majeur.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Ils sont transmis au Gouvernement dans les trente jours de la demande.]1
Art. D. VIII.54. [1 Indien de Regering vaststelt dat de omtrek of het project significante effecten zouden kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectenverslag in grensoverschrijdend verband, worden de ontwerp-inhoud van het milieueffectverslag evenals het voorontwerp of het ontwerp van plan of ontwikkelingsplan ter advies overgemaakt aan de bevoegde overheden van bedoeld ander Gewest, bedoelde andere lidstaat van de Europese Unie of bedoelde andere staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo.
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die de gezamenlijke effectbeoordeling bevat.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de gegevens die de gezamenlijke effectbeoordeling bevat.
De adviezen worden binnen de zestig dagen na de aanvraag aan de Regering overgemaakt.]1
Art. D. VIII.53. [1 Le pôle " Environnement ", le pôle " Aménagement du territoire ", la commission communale de chacune des communes susceptibles d'être affectées, les services désignés par le Gouvernement en raison de leur expertise et toutes instances consultées en vue de la détermination du contenu de l'évaluation conjointe des incidences sont régulièrement informés de l'évolution des analyses préalables et de la rédaction de l'évaluation conjointe des incidences et obtiennent toute information qu'ils sollicitent sur le déroulement de l'évaluation environnementale, auprès des autorités publiques concernées, du demandeur et de la personne qui réalise l'évaluation. Ils peuvent, à tout moment, formuler des observations ou présenter des suggestions au Gouvernement.]1
Art. D. VIII.55.[1 Wanneer de Regering beslist over de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16, wordt rekening gehouden met de nota of de gezamenlijke effectbeoordeling, de resultaten van het openbaar onderzoek, de tot uiting gekomen opinies, de grensoverschrijdende raadplegingen uitgevoerd krachtens artikel D.VIII.54 tijdens de behandeling van de aanvraag en iedere andere informatie die zij nuttig acht.
Wanneer ze niet over de vereiste informatie beschikken, kunnen de Regering of de door de Regering aangewezen instanties en diensten die in de behandeling van de aanvraag tussenkomen, de aanvrager om bijkomende informatie verzoeken.]1
Wanneer ze niet over de vereiste informatie beschikken, kunnen de Regering of de door de Regering aangewezen instanties en diensten die in de behandeling van de aanvraag tussenkomen, de aanvrager om bijkomende informatie verzoeken.]1
Art. D. VIII.54. [1 Lorsque le Gouvernement constate que le périmètre ou le projet sont susceptibles d'avoir des incidences non négligeables sur l'environnement d'une autre Région, d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un autre Etat partie à la Convention d'Espoo du 25 février 1991 sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, le projet de contenu d'évaluation conjointe des incidences ainsi que le projet de périmètre et le projet sont soumis, pour avis, aux autorités compétentes de la Région, l'Etat membre de l'Union européenne ou l'Etat partie à la Convention d'Espoo concerné.
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient.
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours de la demande.]1
Les avis portent sur l'ampleur et la précision des informations que l'évaluation conjointe des incidences contient.
Les avis sont transmis au Gouvernement dans les soixante jours de la demande.]1
Art. D. VIII.56.[1 De beslissing tot aanneming van de omtrek gaat vergezeld van een milieuverklaring die een samenvatting is van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in de omtrek en waarop het milieueffectenverslag, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen alsook de redenen van het plan zoals aangenomen rekening houdende met de andere geplande redelijke oplossingen.]1
Art. D. VIII.55. [1 Lorsqu'il statue sur la demande visée à l'article D.V.16, le Gouvernement prend en considération la notice ou l'évaluation conjointe des incidences, les résultats de l'enquête publique, les avis exprimés, ainsi que les consultations transfrontières effectuées en vertu de l'article D.VIII.54, pendant l'instruction de la demande et toute autre information qu'il juge utile.
Lorsqu'ils ne disposent pas des informations requises, le Gouvernement ou les instances et services intervenant dans l'instruction de la demande que le Gouvernement désigne peuvent exiger du demandeur des informations supplémentaires.]1
Lorsqu'ils ne disposent pas des informations requises, le Gouvernement ou les instances et services intervenant dans l'instruction de la demande que le Gouvernement désigne peuvent exiger du demandeur des informations supplémentaires.]1