Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 DECEMBER 2016. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de integrale en sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringseenheden en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en installaties en van het besluit van 6 november 2008 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringsstations en -systemen geïnstalleerd in afwijking van de verplichting tot aansluiting op de riolering
Titre
1 DECEMBRE 2016. - Arrêté du Gouvernement wallon fixant les conditions intégrales et sectorielles relatives aux systèmes d'épuration individuelle et abrogeant les arrêtés du Gouvernement wallon du 25 septembre 2008 fixant les conditions intégrales relatives aux unités d'épuration individuelle et aux installations d'épuration individuelle et du 6 novembre 2008 fixant les conditions sectorielles relatives aux stations d'épuration individuelle et aux systèmes d'épuration individuelle installés en dérogation de l'obligation de raccordement à l'égout
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (29)
Texte (29)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater wordt bij dit besluit gedeeltelijk omgezet.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive du Conseil 91/271/CEE du 21 mai 1991 relative au traitement des eaux urbaines résiduaires.
Art. 2. Deze integrale en sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de individuele zuiveringseenheden, -installaties en -stations bedoeld in de rubrieken 90.11, 90.12, 90.13 en 90.14 van bijlage I bij het besluit van de Waalse regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
Art. 2. Les présentes conditions intégrales et sectorielles s'appliquent aux unités, aux installations et stations d'épuration individuelle visées par les rubriques 90.11, 90.12, 90.13 et 90.14 de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° een bestaande inrichting : een inrichting die behoorlijk vergund en aangegeven is vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
2° een individuele zuiveringseenheid : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht gelijk van 20 inwoner-equivalent of minder;
3° een individuele zuiveringsinstallatie : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht tussen 20 en 100 inwoner-equivalent;
4° een individueel zuiveringsstation : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht gelijk aan of groter dan 100 inwoner-equivalent;
5° een uitgebreid systeem : een individueel zuiveringssysteem waarin, voor de biologische behandeling, het geheel of een gedeelte van de beschadigingsprocessen die natuurlijk aanwezig zijn in een ecosysteem, uitgevoerd worden, zonder gebruik van andere elektromechanische uitrusting dan een opvoer van het afvalwater of van het gezuiverde water indien nodig;
6° een intensief systeem : een individueel zuiveringssysteem waarvan de biologische behandeling die het geheel of een gedeelte van de natuurlijk aanwezige beschadigingsprocessen uitvoert, versterkt wordt door een elektromechanische uitrusting, waarbij de beschadiging van de organische stoffen op kleine oppervlakten en/of in beperkte volumes mogelijk wordt gemaakt.
Wat 1° betreft, wordt de verandering of de uitbreiding van een inrichting die de exploitant voor de inwerkingtreding van dit besluit, in het in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoeld register heeft opgenomen, gelijkgesteld met een bestaande inrichting.
1° een bestaande inrichting : een inrichting die behoorlijk vergund en aangegeven is vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
2° een individuele zuiveringseenheid : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht gelijk van 20 inwoner-equivalent of minder;
3° een individuele zuiveringsinstallatie : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht tussen 20 en 100 inwoner-equivalent;
4° een individueel zuiveringsstation : een individueel zuiveringssysteem in staat tot behandeling van een hoeveelheid huishoudelijk afvalwater gelijk aan een vuilvracht gelijk aan of groter dan 100 inwoner-equivalent;
5° een uitgebreid systeem : een individueel zuiveringssysteem waarin, voor de biologische behandeling, het geheel of een gedeelte van de beschadigingsprocessen die natuurlijk aanwezig zijn in een ecosysteem, uitgevoerd worden, zonder gebruik van andere elektromechanische uitrusting dan een opvoer van het afvalwater of van het gezuiverde water indien nodig;
6° een intensief systeem : een individueel zuiveringssysteem waarvan de biologische behandeling die het geheel of een gedeelte van de natuurlijk aanwezige beschadigingsprocessen uitvoert, versterkt wordt door een elektromechanische uitrusting, waarbij de beschadiging van de organische stoffen op kleine oppervlakten en/of in beperkte volumes mogelijk wordt gemaakt.
Wat 1° betreft, wordt de verandering of de uitbreiding van een inrichting die de exploitant voor de inwerkingtreding van dit besluit, in het in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoeld register heeft opgenomen, gelijkgesteld met een bestaande inrichting.
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° un établissement existant : un établissement dûment autorisé ou déclaré avant l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° une unité d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante inférieure ou égale à vingt équivalent-habitant;
3° une installation d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante comprise entre vingt et cent équivalent-habitant;
4° une station d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante égale ou supérieure à cent équivalent-habitant;
5° un système extensif : un système d'épuration individuelle faisant intervenir, pour le traitement biologique des eaux usées, tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement dans un écosystème sans utilisation d'équipement électromécanique autre qu'un relevage des eaux usées ou des eaux épurées si nécessaire;
6° un système intensif : un système d'épuration individuelle dont le traitement biologique des eaux usées, faisant intervenir tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement, est intensifié par un équipement électromécanique permettant la dégradation de la matière organique sur des surfaces réduites et/ou dans des volumes restreints.
Concernant le 1°, la transformation ou l'extension d'un établissement que l'exploitant a, avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, consignée dans le registre prévu par l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement est assimilée à un établissement existant.
1° un établissement existant : un établissement dûment autorisé ou déclaré avant l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° une unité d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante inférieure ou égale à vingt équivalent-habitant;
3° une installation d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante comprise entre vingt et cent équivalent-habitant;
4° une station d'épuration individuelle : un système d'épuration individuelle capable de traiter un volume d'eaux usées domestiques correspondant à une charge polluante égale ou supérieure à cent équivalent-habitant;
5° un système extensif : un système d'épuration individuelle faisant intervenir, pour le traitement biologique des eaux usées, tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement dans un écosystème sans utilisation d'équipement électromécanique autre qu'un relevage des eaux usées ou des eaux épurées si nécessaire;
6° un système intensif : un système d'épuration individuelle dont le traitement biologique des eaux usées, faisant intervenir tout ou partie des processus de dégradation présents naturellement, est intensifié par un équipement électromécanique permettant la dégradation de la matière organique sur des surfaces réduites et/ou dans des volumes restreints.
Concernant le 1°, la transformation ou l'extension d'un établissement que l'exploitant a, avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, consignée dans le registre prévu par l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement est assimilée à un établissement existant.
HOOFDSTUK II. - Vestiging
CHAPITRE II. - Implantation
Art. 4. De behandelingscapaciteit uitgedrukt in inwoner-equivalent, hierna "IE" genoemd, wordt berekend op basis van de in bijlage 1 vermelde tabel. De behandelingscapaciteit is niet kleiner dan 5 IE.
Art. 4. La capacité de traitement exprimée en équivalent-habitant, dénommé ci-après "EH", est calculée en se basant sur le tableau repris à l'annexe 1re. La capacité de traitement n'est pas inférieure à cinq EH.
Art. 5. § 1. Elk individueel zuiveringsstation omvat een eenmalig voorbehandelingvolume dat op zijn minst de opslag van het primair slib garandeert en waarvan de afmetingen de voorwaarden van bijlage II naleven.
De toevoer van het afvalwater in de voorbehandeling en het terugvoeren van slib uit het afzuigsysteem worden onder het watervlak geleid om de geurrisico's te voorkomen en een goede bezinking te bevorderen.
De behandelingsvoorzieningen via ingestoken filters met verticale afvoer en via geactiveerd slib, die betrekking hebben op individuele zuiveringsstations, moeten niet met een voorbehandeling, met uitzondering van een screezerput, worden uitgerust. De voorbehandeling via primaire bezinking is verplicht voor de individuele zuiveringseenheden en -stations.
§ 2. Elke overbrenging van stoffen tussen compartimenten voor de voorbehandeling, de opslag, de behandeling of de zuivering van slib kan slechts gebeuren via de leidingen of reservaties die daartoe voorzien zijn zonder mogelijke overloop van een compartiment naar een ander.
Het overtollige slib wordt door een extractiesysteem efficiënt afgevoerd naar een opslagvolume via leidingen vastgemaakt aan de wanden of op een onbuigzaam dragermateriaal om op elk ogenblik een optimale afvoer te garanderen.
Het voorbehandelingsvolume kan gedimensioneerd worden om het primaire en secundaire of slechts het primaire slib te behandelen en op te slaan. In dat geval is een tweede opslagvolume voorzien voor het secundaire slib waarvan de overloop naar de voorbehandeling wordt geleid. De voorbehandelingsvolumes en, in voorkomend geval, de opslagvolumes worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2 gedimensioneerd.
Het voorbehandelingsvolume en het opslagvolume van het slib, wanneer het niet in het voorbehandelingsvolume inbegrepen is, is voorzien van een ventilatiesysteem met een minimumdoorsnede van 80 mm. Dat systeem wordt gescheiden van het circuit van het gezuiverde water en van het regenwater van de inrichting en wordt hoog genoeg geplaatst om geurhinder te voorkomen.
In geval van opvoer van het huishoudelijk afvalwater vóór de voorbehandeling en de behandeling mag het instantdebiet dat op het zuiveringsapparaat wordt toegepast de goede werking ervan niet storen en blijft het zodoende aan de emissievoorwaarden voldoen.
De kuipen, bekkens, bassins, leidingen en aansluitingen zijn waterdicht.
§ 3. Het is verboden huishoudelijk afvalwater met een anaërobe bacteriefilter of een aërobe percolatie te behandelen.
De infiltratievoorzieningen worden niet als behandelingselement beschouwd.
§ 4. De gesloten elementen van het individueel zuiveringssysteem zijn voorzien van openingen met een nominale afmeting van minimum 60 cm en van een afneembaar en toegankelijk deksel om te kunnen controleren of de apparatuur functioneert en om ze te onderhouden.
De toegang tot het voorbehandelingsvolume, indien het verband houdt met andere delen, garandeert het onttrekken van het slib zonder risico van beschadiging van de apparatuur en leidingen. De behandelings- en de secundaire zuiveringsvolumes kunnen een gemeenschappelijke toegang hebben.
De afmeting van de bezoekopeningen laat toe om de regeling van de werking, het onderhoud en de vervanging van de versleten stukken uit te voeren.
§ 5. In het geval van bassins of andere behandelingsvoorzieningen in open lucht wordt de toegang tot de site streng gecontroleerd.
In het geval van ingegraven voorzieningen wordt de toegankelijkheid tot de kuipen alsook tot de bijkomende apparatuur gecontroleerd
De site moet toegankelijk zijn met het oog op onderhoudshandelingen.
De toevoer van het afvalwater in de voorbehandeling en het terugvoeren van slib uit het afzuigsysteem worden onder het watervlak geleid om de geurrisico's te voorkomen en een goede bezinking te bevorderen.
De behandelingsvoorzieningen via ingestoken filters met verticale afvoer en via geactiveerd slib, die betrekking hebben op individuele zuiveringsstations, moeten niet met een voorbehandeling, met uitzondering van een screezerput, worden uitgerust. De voorbehandeling via primaire bezinking is verplicht voor de individuele zuiveringseenheden en -stations.
§ 2. Elke overbrenging van stoffen tussen compartimenten voor de voorbehandeling, de opslag, de behandeling of de zuivering van slib kan slechts gebeuren via de leidingen of reservaties die daartoe voorzien zijn zonder mogelijke overloop van een compartiment naar een ander.
Het overtollige slib wordt door een extractiesysteem efficiënt afgevoerd naar een opslagvolume via leidingen vastgemaakt aan de wanden of op een onbuigzaam dragermateriaal om op elk ogenblik een optimale afvoer te garanderen.
Het voorbehandelingsvolume kan gedimensioneerd worden om het primaire en secundaire of slechts het primaire slib te behandelen en op te slaan. In dat geval is een tweede opslagvolume voorzien voor het secundaire slib waarvan de overloop naar de voorbehandeling wordt geleid. De voorbehandelingsvolumes en, in voorkomend geval, de opslagvolumes worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2 gedimensioneerd.
Het voorbehandelingsvolume en het opslagvolume van het slib, wanneer het niet in het voorbehandelingsvolume inbegrepen is, is voorzien van een ventilatiesysteem met een minimumdoorsnede van 80 mm. Dat systeem wordt gescheiden van het circuit van het gezuiverde water en van het regenwater van de inrichting en wordt hoog genoeg geplaatst om geurhinder te voorkomen.
In geval van opvoer van het huishoudelijk afvalwater vóór de voorbehandeling en de behandeling mag het instantdebiet dat op het zuiveringsapparaat wordt toegepast de goede werking ervan niet storen en blijft het zodoende aan de emissievoorwaarden voldoen.
De kuipen, bekkens, bassins, leidingen en aansluitingen zijn waterdicht.
§ 3. Het is verboden huishoudelijk afvalwater met een anaërobe bacteriefilter of een aërobe percolatie te behandelen.
De infiltratievoorzieningen worden niet als behandelingselement beschouwd.
§ 4. De gesloten elementen van het individueel zuiveringssysteem zijn voorzien van openingen met een nominale afmeting van minimum 60 cm en van een afneembaar en toegankelijk deksel om te kunnen controleren of de apparatuur functioneert en om ze te onderhouden.
De toegang tot het voorbehandelingsvolume, indien het verband houdt met andere delen, garandeert het onttrekken van het slib zonder risico van beschadiging van de apparatuur en leidingen. De behandelings- en de secundaire zuiveringsvolumes kunnen een gemeenschappelijke toegang hebben.
De afmeting van de bezoekopeningen laat toe om de regeling van de werking, het onderhoud en de vervanging van de versleten stukken uit te voeren.
§ 5. In het geval van bassins of andere behandelingsvoorzieningen in open lucht wordt de toegang tot de site streng gecontroleerd.
In het geval van ingegraven voorzieningen wordt de toegankelijkheid tot de kuipen alsook tot de bijkomende apparatuur gecontroleerd
De site moet toegankelijk zijn met het oog op onderhoudshandelingen.
Art. 5. § 1er. Tout système d'épuration individuelle comprend un volume de prétraitement unique assurant à minima le stockage des boues primaires, dimensionné dans le respect de l'annexe 2.
L'arrivée des eaux usées dans le prétraitement et le retour des boues provenant du système d'extraction sont dirigés sous le plan d'eau de manière à éviter les risques d'odeur et favoriser une bonne décantation.
Les dispositifs de traitement par filtres plantés à écoulement vertical et par boues activées relatifs à des stations d'épuration individuelles peuvent ne pas être équipés d'un prétraitement à l'exception d'un dégrilleur. Le prétraitement par décantation primaire est obligatoire pour les unités et les installations d'épuration individuelle.
§ 2. Tout transfert de matières entre compartiments de prétraitement et stockage des boues, de traitement ou de clarification se fait uniquement via les canalisations ou réservations prévues à cet effet sans possibilité de débordement d'un compartiment vers l'autre.
Un système d'extraction assure la reprise efficace de toutes les boues en excès vers un volume de stockage au moyen de canalisations fixées aux parois ou sur support rigide pour garantir en tout temps un écoulement optimal.
Le volume de prétraitement peut être dimensionné pour recevoir et stocker les boues primaires et secondaires ou les seules boues primaires. Dans ce dernier cas, un second volume de stockage est prévu pour les boues secondaires dont le trop plein est dirigé vers le prétraitement. Les volumes de prétraitement et, le cas échéant, de stockage sont dimensionnés conformément aux dispositions de l'annexe 2.
Le volume de prétraitement et de stockage des boues, lorsqu'il n'est pas compris dans le volume de prétraitement, est muni d'un système de ventilation d'un diamètre minimum de 80 millimètres, séparé du circuit des eaux épurées et des eaux pluviales de l'établissement et débouchant à une hauteur suffisante pour éviter les nuisances olfactives.
En situation de relevage des eaux usées domestiques avant prétraitement et traitement, le débit instantané appliqué sur l'appareil épuratoire ne peut perturber son bon fonctionnement avec dégradation des conditions d'émission.
Les cuves, bassins, lagunes, canalisations et raccordements sont étanches.
§ 3. Le traitement des eaux usées domestiques par lit bactérien anaérobie est interdit.
Les dispositifs d'infiltration ne sont pas considérés comme éléments de traitement.
§ 4. Les éléments fermés composant le système d'épuration individuelle sont équipés d'orifices de dimension nominale de 60 centimètres minimum et munis d'un couvercle amovible et accessible permettant la vérification du fonctionnement et l'entretien du dispositif.
L'accès au volume de prétraitement, s'il est commun avec d'autres parties, garantit le soutirage des boues sans risque de détérioration des équipements et canalisations. Les volumes de traitement et de clarification secondaire peuvent avoir un accès commun.
La dimension des orifices de visite permet de procéder aux réglages de fonctionnement, à l'entretien et au remplacement des pièces d'usures.
§ 5. Dans le cas de lagunes ou de tout autre dispositif de traitement à l'air libre, l'accès au site est contrôlé.
Dans le cas de dispositifs enterrés, l'accessibilité aux cuves ainsi qu'aux appareils annexes est contrôlée.
Le site est accessible aux fins d'opérations de maintenance et d'entretien.
L'arrivée des eaux usées dans le prétraitement et le retour des boues provenant du système d'extraction sont dirigés sous le plan d'eau de manière à éviter les risques d'odeur et favoriser une bonne décantation.
Les dispositifs de traitement par filtres plantés à écoulement vertical et par boues activées relatifs à des stations d'épuration individuelles peuvent ne pas être équipés d'un prétraitement à l'exception d'un dégrilleur. Le prétraitement par décantation primaire est obligatoire pour les unités et les installations d'épuration individuelle.
§ 2. Tout transfert de matières entre compartiments de prétraitement et stockage des boues, de traitement ou de clarification se fait uniquement via les canalisations ou réservations prévues à cet effet sans possibilité de débordement d'un compartiment vers l'autre.
Un système d'extraction assure la reprise efficace de toutes les boues en excès vers un volume de stockage au moyen de canalisations fixées aux parois ou sur support rigide pour garantir en tout temps un écoulement optimal.
Le volume de prétraitement peut être dimensionné pour recevoir et stocker les boues primaires et secondaires ou les seules boues primaires. Dans ce dernier cas, un second volume de stockage est prévu pour les boues secondaires dont le trop plein est dirigé vers le prétraitement. Les volumes de prétraitement et, le cas échéant, de stockage sont dimensionnés conformément aux dispositions de l'annexe 2.
Le volume de prétraitement et de stockage des boues, lorsqu'il n'est pas compris dans le volume de prétraitement, est muni d'un système de ventilation d'un diamètre minimum de 80 millimètres, séparé du circuit des eaux épurées et des eaux pluviales de l'établissement et débouchant à une hauteur suffisante pour éviter les nuisances olfactives.
En situation de relevage des eaux usées domestiques avant prétraitement et traitement, le débit instantané appliqué sur l'appareil épuratoire ne peut perturber son bon fonctionnement avec dégradation des conditions d'émission.
Les cuves, bassins, lagunes, canalisations et raccordements sont étanches.
§ 3. Le traitement des eaux usées domestiques par lit bactérien anaérobie est interdit.
Les dispositifs d'infiltration ne sont pas considérés comme éléments de traitement.
§ 4. Les éléments fermés composant le système d'épuration individuelle sont équipés d'orifices de dimension nominale de 60 centimètres minimum et munis d'un couvercle amovible et accessible permettant la vérification du fonctionnement et l'entretien du dispositif.
L'accès au volume de prétraitement, s'il est commun avec d'autres parties, garantit le soutirage des boues sans risque de détérioration des équipements et canalisations. Les volumes de traitement et de clarification secondaire peuvent avoir un accès commun.
La dimension des orifices de visite permet de procéder aux réglages de fonctionnement, à l'entretien et au remplacement des pièces d'usures.
§ 5. Dans le cas de lagunes ou de tout autre dispositif de traitement à l'air libre, l'accès au site est contrôlé.
Dans le cas de dispositifs enterrés, l'accessibilité aux cuves ainsi qu'aux appareils annexes est contrôlée.
Le site est accessible aux fins d'opérations de maintenance et d'entretien.
Art. 6. De elektromechanische toestellen die nodig zijn voor de vlotte werking van het individueel zuiveringssysteem worden op een droge, verluchte plek geïnstalleerd en zijn voorzien van de reglementaire beschermingen bedoeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties.
Het individueel zuiveringssysteem wordt uitgerust met een behuizing voor de centralisatie van de defecten van de elektromechanische bestanddelen. Elk defect wordt via een hoorbaar of zichtbaar alarm gesignaleerd; dit alarm wordt zodanig geplaatst dat het voor de exploitant zichtbaar is of door hem gehoord kan worden. Het voordoen van defecten maakt het voorwerp uit van een voorgeschiedenislijst die door de personen belast met de controle en het onderhoud op het centraal alarmsysteem geraadpleegd kan worden. De totale werkingsduur van het systeem tussen twee onderhoudsbeurten wordt geregistreerd.
Voor de individuele zuiveringsstations is de controle op de werking en op het voordoen van defecten op afstand mogelijk.
Het individueel zuiveringssysteem wordt uitgerust met een behuizing voor de centralisatie van de defecten van de elektromechanische bestanddelen. Elk defect wordt via een hoorbaar of zichtbaar alarm gesignaleerd; dit alarm wordt zodanig geplaatst dat het voor de exploitant zichtbaar is of door hem gehoord kan worden. Het voordoen van defecten maakt het voorwerp uit van een voorgeschiedenislijst die door de personen belast met de controle en het onderhoud op het centraal alarmsysteem geraadpleegd kan worden. De totale werkingsduur van het systeem tussen twee onderhoudsbeurten wordt geregistreerd.
Voor de individuele zuiveringsstations is de controle op de werking en op het voordoen van defecten op afstand mogelijk.
Art. 6. Les appareils électromécaniques nécessaires au bon fonctionnement du système d'épuration individuelle sont installés dans un endroit sec, aéré, et munis des protections réglementaires prévues par le Règlement général des installations électriques.
Le système d'épuration individuelle est équipé d'un boîtier de centralisation de défauts des organes électromécaniques. Tout défaut est signalé par alarme sonore ou visuelle positionnée de telle manière à être visible ou entendue de l'exploitant. L'apparition de défauts fait l'objet d'un historique consultable sur le boîtier de centralisation d'alarmes par les personnes habilitées au contrôle et à l'entretien. Le temps total de fonctionnement du système entre deux entretiens est enregistré.
Pour les stations d'épuration individuelle, le contrôle de fonctionnement et d'apparition de défauts est rendu possible à distance.
Le système d'épuration individuelle est équipé d'un boîtier de centralisation de défauts des organes électromécaniques. Tout défaut est signalé par alarme sonore ou visuelle positionnée de telle manière à être visible ou entendue de l'exploitant. L'apparition de défauts fait l'objet d'un historique consultable sur le boîtier de centralisation d'alarmes par les personnes habilitées au contrôle et à l'entretien. Le temps total de fonctionnement du système entre deux entretiens est enregistré.
Pour les stations d'épuration individuelle, le contrôle de fonctionnement et d'apparition de défauts est rendu possible à distance.
Art. 7. Als het huishoudelijk afvalwater voornamelijk uit het restaurantwezen komt, moet voorzien worden in de installatie van een ontvetter met een minimumvolume van 500 liter voor een individuele zuiveringseenheid, van 800 liter voor een individuele zuiveringsinstallatie of van 1 200 liter voor een individueel zuiveringsstation.
Art. 7. Lorsque les eaux usées domestiques sont constituées principalement d'eaux issues du secteur de la restauration alimentaire, le placement d'un dégraisseur d'un volume minimum de 500 litres pour une unité d'épuration individuelle, d'un volume minimum de 800 litres pour une installation d'épuration individuelle ou d'un volume minimum de 1 200 litres pour une station d'épuration individuelle est obligatoire.
Art. 8. Met uitzondering van de eventuele ontvetter en van de elektromechanische elementen worden de elementen van het individuele zuiveringssysteem buiten de bediende gebouwen geplaatst, behalve de voorzieningen die specifiek in de gebouwen geplaatst moeten worden.
Art. 8. A l'exception de l'éventuel dégraisseur et des éléments électromécaniques, les éléments constituant le système d'épuration individuelle sont placés à l'extérieur des immeubles desservis, sauf dispositifs conçus spécifiquement pour être placés à l'intérieur des immeubles.
Art. 9. De controlevoorziening laat een monsterneming met een flesje van minstens 1 liter toe en voldoet aan de voorschriften opgenomen in bijlage 3.
Art. 9. Le dispositif de contrôle permet le prélèvement d'un flacon d'une contenance minimale de 1 litre et répond aux prescriptions de l'annexe 3.
Art. 10. Het gezuiverde water afkomstig van het individueel zuiveringssysteem wordt desnoods d.m.v. een opvoerpomp afgevoerd volgens de voorwaarden bedoeld in artikel R.279, § 2, van het reglementair deel van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt.
In geval van insijpeling in de grond wordt rekening gehouden met de berekening van de dimensionering van de afvoervoorzieningen via infiltratie bedoeld in bijlage 4.
De hydraulische leiding van de werking van het systeem wordt gewaarborgd ongeacht het waterniveau op het lozingspunt.
Om elk gevaar voor opvulling te voorkomen is de aanleg van een filter aanbevolen wanneer het gezuiverde water door infiltratie wordt afgevoerd.
Water dat gezuiverd wordt door een individuele zuiveringseenheid die zich buiten een winningsbeschermingsgebied bevindt, mag via een zinkput afgevoerd worden indien het niet anders kan.
Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie gezuiverd wordt, mag niet via een zinkput afgevoerd worden.
Het is verboden gezuiverd water in een badzone te lozen.
Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie of een individueel zuiveringsstation gezuiverd wordt, mag niet in een badzone stroomopwaarts geloosd worden, tenzij het eerst wordt ontsmet.
In geval van insijpeling in de grond wordt rekening gehouden met de berekening van de dimensionering van de afvoervoorzieningen via infiltratie bedoeld in bijlage 4.
De hydraulische leiding van de werking van het systeem wordt gewaarborgd ongeacht het waterniveau op het lozingspunt.
Om elk gevaar voor opvulling te voorkomen is de aanleg van een filter aanbevolen wanneer het gezuiverde water door infiltratie wordt afgevoerd.
Water dat gezuiverd wordt door een individuele zuiveringseenheid die zich buiten een winningsbeschermingsgebied bevindt, mag via een zinkput afgevoerd worden indien het niet anders kan.
Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie gezuiverd wordt, mag niet via een zinkput afgevoerd worden.
Het is verboden gezuiverd water in een badzone te lozen.
Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie of een individueel zuiveringsstation gezuiverd wordt, mag niet in een badzone stroomopwaarts geloosd worden, tenzij het eerst wordt ontsmet.
Art. 10. Les eaux épurées provenant du système d'épuration individuelle sont évacuées, au besoin à l'aide d'une pompe de relevage, selon les conditions reprises à l'article R.279, § 2, de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement contenant le Code de l'Eau.
En cas d'infiltration dans le sol, il sera tenu compte du calcul de dimensionnement des dispositifs autorisés d'évacuation par infiltration repris à l'annexe 4.
La ligne hydraulique de fonctionnement du système est assurée quel que soit le niveau des eaux au point de rejet.
Afin de prévenir tout risque de colmatage, l'installation d'un filtre est requise lorsque l'évacuation des eaux épurées s'effectue par infiltration.
L'évacuation par un puits perdant des eaux épurées par une unité d'épuration individuelle non située dans une zone de protection de captage est autorisée si aucun autre mode d'évacuation n'est possible.
L'évacuation par un puits perdant des eaux épurées par une installation ou une station d'épuration individuelle est interdite.
Le rejet des eaux épurées dans une zone de baignade est interdit.
Le rejet des eaux épurées par une installation ou une station d'épuration individuelle dans une zone amont de baignade est interdit, sauf si ces eaux sont désinfectées avant rejet.
En cas d'infiltration dans le sol, il sera tenu compte du calcul de dimensionnement des dispositifs autorisés d'évacuation par infiltration repris à l'annexe 4.
La ligne hydraulique de fonctionnement du système est assurée quel que soit le niveau des eaux au point de rejet.
Afin de prévenir tout risque de colmatage, l'installation d'un filtre est requise lorsque l'évacuation des eaux épurées s'effectue par infiltration.
L'évacuation par un puits perdant des eaux épurées par une unité d'épuration individuelle non située dans une zone de protection de captage est autorisée si aucun autre mode d'évacuation n'est possible.
L'évacuation par un puits perdant des eaux épurées par une installation ou une station d'épuration individuelle est interdite.
Le rejet des eaux épurées dans une zone de baignade est interdit.
Le rejet des eaux épurées par une installation ou une station d'épuration individuelle dans une zone amont de baignade est interdit, sauf si ces eaux sont désinfectées avant rejet.
Art. 11. Enkel huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van regenwater en helder parasietwater, stroomt langs het individueel zuiveringssysteem en wordt erin behandeld.
In afwijking van het eerste lid, kan afvalwater afgevoerd worden via een bestaande unitaire riolering als verschillende woningen aangesloten zijn op hetzelfde individuele zuiveringssysteem, met inachtneming van de volgende bepalingen :
1° er vloeit geen helder parasietwater door de unitaire riolering die de individuele zuiveringsinstallatie bevoorraadt;
2° het regenwater komt eerst terecht in een voorziening voor het beheer van regenwater, zoals een overstort, een vergaarkom of een opslagvoorziening die voor een gereguleerde teruggave van het regenwater in het opvangmilieu zorgt vooraleer het de individuele zuiveringsinstallatie bereikt;
3° de individuele zuiveringsinstallatie en de voorziening voor het beheer van het regenwater zijn gedimensioneerd zodat het eventuele bijkomende regenwaterdebiet de werking ervan niet kan hinderen en blijft voldoen aan de emissievoorwaarden bedoeld in artikel 12.
In afwijking van het eerste lid, kan afvalwater afgevoerd worden via een bestaande unitaire riolering als verschillende woningen aangesloten zijn op hetzelfde individuele zuiveringssysteem, met inachtneming van de volgende bepalingen :
1° er vloeit geen helder parasietwater door de unitaire riolering die de individuele zuiveringsinstallatie bevoorraadt;
2° het regenwater komt eerst terecht in een voorziening voor het beheer van regenwater, zoals een overstort, een vergaarkom of een opslagvoorziening die voor een gereguleerde teruggave van het regenwater in het opvangmilieu zorgt vooraleer het de individuele zuiveringsinstallatie bereikt;
3° de individuele zuiveringsinstallatie en de voorziening voor het beheer van het regenwater zijn gedimensioneerd zodat het eventuele bijkomende regenwaterdebiet de werking ervan niet kan hinderen en blijft voldoen aan de emissievoorwaarden bedoeld in artikel 12.
Art. 11. Seules les eaux usées domestiques à l'exception des eaux pluviales et des eaux claires parasites transitent et sont traitées par le système d'épuration individuelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque plusieurs habitations sont raccordées sur une même installation d'épuration individuelle, les eaux usées peuvent être acheminées par un égout unitaire existant en respectant les dispositions suivantes :
1° aucune eau claire parasite ne peut transiter dans l'égout unitaire alimentant l'installation d'épuration individuelle;
2° l'installation d'épuration individuelle est précédée d'un dispositif de gestion des eaux pluviales tel qu'un déversoir d'orage, un bassin d'orage ou un dispositif de stockage temporaire assurant une restitution régulée des eaux pluviales dans le milieu récepteur;
3° l'installation d'épuration individuelle et le dispositif de gestion des eaux pluviales sont dimensionnés de telle manière que le débit supplémentaire éventuel de temps de pluie alimentant le système ne puisse entraîner de détérioration du fonctionnement avec dégradation des conditions d'émission visées à l'article 12.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque plusieurs habitations sont raccordées sur une même installation d'épuration individuelle, les eaux usées peuvent être acheminées par un égout unitaire existant en respectant les dispositions suivantes :
1° aucune eau claire parasite ne peut transiter dans l'égout unitaire alimentant l'installation d'épuration individuelle;
2° l'installation d'épuration individuelle est précédée d'un dispositif de gestion des eaux pluviales tel qu'un déversoir d'orage, un bassin d'orage ou un dispositif de stockage temporaire assurant une restitution régulée des eaux pluviales dans le milieu récepteur;
3° l'installation d'épuration individuelle et le dispositif de gestion des eaux pluviales sont dimensionnés de telle manière que le débit supplémentaire éventuel de temps de pluie alimentant le système ne puisse entraîner de détérioration du fonctionnement avec dégradation des conditions d'émission visées à l'article 12.
HOOFDSTUK III. - Exploitatie, onderhoud
CHAPITRE III. - Exploitation, entretien
Art. 12. Water waarvan een monster wordt genomen via de controlevoorziening omschreven in bijlage 3 voldoet aan de volgende emissievoorwaarden :
Art. 12. Les eaux prélevées au dispositif de contrôle défini à l'annexe 3 respectent les conditions d'émission suivantes :
| Parameters | Concentratie | Referentiemeetmethode |
| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C) zonder nitrificatie) | 30 mg/l O2 (1) of 50 mg/l O2 (2) | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 125 mg/l O2 (1) of 50 mg/l O2 (2) | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen Facultatief | 40 mg/l O2 (1) of 50 mg/l O2 (2) | |
| De analyses betreffende lozingen uit bezinkbassins worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van de totale gesuspendeerde vaste stoffen in ongefilterde watermonsters is evenwel niet hoger dan 150 mg/l. | ||
(1) Gemiddeld over 24 uur.
(2) (2) Maximum op een punctuele monsterneming.
| Paramètres | Concentration | Méthode de mesure de référence |
| Demande biochimique en oxygène (DBO5 à 20 °C) sans nitrification | 30 mg/l O2 (1) ou 50 mg/l O2 (2) | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Demande chimique en oxygène (DCO) | 125 mg/l O2 (1) ou 160 mg/l O2 (2) | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Total des matières solides en suspension (MES) Facultatif | 40 mg/l O2 (1) ou 60 mg/l O2 (2) | |
| Les analyses relatives aux rejets provenant du lagunage sont effectuées sur des échantillons filtrés, toutefois, la concentration du total des matières solides en suspension dans les échantillons d'eau non filtrée ne dépasse pas 150 mg/l | ||
(1) En moyenne sur 24 heures.
(2) Maximum sur un échantillon ponctuel.
Art. 13. De exploitant zorgt voor de goede staat van werking van zijn individueel zuiveringssysteem.
De opeenvolgende onderhoudsbeurten worden uitgevoerd binnen hoogstens :
1° achttien maanden voor de systemen betreffende de individuele zuiveringseenheden;
2° negen maanden voor de individuele zuiveringsinstallaties;
3° vier maanden voor de individuele zuiveringsstations;
De onderhoudsbeurten dienen om de goede werking van het systeem te controleren, om de defecte stukken te vervangen en om de slibhoogte te evalueren om een lediging op te starten.
Het onderhoud wordt gedekt door een onderhoudscontract gesloten tussen de exploitant en een dienstverlener waarvan de minimale inhoud in bijlage 5 wordt bepaald.
De exploitant van het systeem heeft de verantwoordelijkheid om het onderhoud uit te voeren en om zich ervan te vergewissen dat de dienstverlener het onderhoudsverslag aan de "SPGE" overmaakt.
Individuele zuiveringssystemen en ontvetters worden door erkende ruimers geledigd.
De lediging van het slib van het individuele zuiveringssysteem wordt uitgevoerd vóór het bereiken van de maximale slibhoogte aangegeven door de fabrikant. In het onderhoudsverslag of de periodieke controle wordt vermeld of dat het geval is of indien deze toestand voorzienbaar is voor het volgende periodieke onderhoud op grond van een raming van de vulsnelheid over de periode tussen de laatste lediging en de controle- of onderhoudsdatum.
De opeenvolgende onderhoudsbeurten worden uitgevoerd binnen hoogstens :
1° achttien maanden voor de systemen betreffende de individuele zuiveringseenheden;
2° negen maanden voor de individuele zuiveringsinstallaties;
3° vier maanden voor de individuele zuiveringsstations;
De onderhoudsbeurten dienen om de goede werking van het systeem te controleren, om de defecte stukken te vervangen en om de slibhoogte te evalueren om een lediging op te starten.
Het onderhoud wordt gedekt door een onderhoudscontract gesloten tussen de exploitant en een dienstverlener waarvan de minimale inhoud in bijlage 5 wordt bepaald.
De exploitant van het systeem heeft de verantwoordelijkheid om het onderhoud uit te voeren en om zich ervan te vergewissen dat de dienstverlener het onderhoudsverslag aan de "SPGE" overmaakt.
Individuele zuiveringssystemen en ontvetters worden door erkende ruimers geledigd.
De lediging van het slib van het individuele zuiveringssysteem wordt uitgevoerd vóór het bereiken van de maximale slibhoogte aangegeven door de fabrikant. In het onderhoudsverslag of de periodieke controle wordt vermeld of dat het geval is of indien deze toestand voorzienbaar is voor het volgende periodieke onderhoud op grond van een raming van de vulsnelheid over de periode tussen de laatste lediging en de controle- of onderhoudsdatum.
Art. 13. L'exploitant veille au bon état de fonctionnement de son système d'épuration individuelle.
Les entretiens successifs sont effectués dans un laps de temps ne dépassant pas :
1° dix huit mois pour les systèmes relatifs à des unités d'épuration individuelle;
2° neuf mois pour les installations d'épuration individuelle;
3° quatre mois pour les stations d'épuration individuelle.
Les entretiens permettent de vérifier le bon fonctionnement du système, de remplacer les pièces défectueuses et d'évaluer la hauteur de boue pour le déclenchement d'une vidange.
L'entretien est couvert par un contrat d'entretien conclu entre l'exploitant et un prestataire de services dont le contenu minimum est précisé à l'annexe 5.
L'exploitant du système a la responsabilité d'effectuer l'entretien et de s'assurer que, conformément au Code de l'Eau, le prestataire transmet le rapport d'entretien à la SPGE.
Les systèmes d'épuration individuelle ainsi que les dégraisseurs sont vidangés par des vidangeurs agréés.
La vidange des boues du système d'épuration individuelle est effectuée avant atteinte de la hauteur maximale de boue renseignée par le fabricant. Le rapport d'entretien ou le contrôle périodique indique si tel est le cas ou si cette situation est prévisible avant le prochain entretien périodique sur base d'une estimation de la vitesse de remplissage sur la période écoulée entre la dernière vidange et la date du contrôle ou de l'entretien.
Les entretiens successifs sont effectués dans un laps de temps ne dépassant pas :
1° dix huit mois pour les systèmes relatifs à des unités d'épuration individuelle;
2° neuf mois pour les installations d'épuration individuelle;
3° quatre mois pour les stations d'épuration individuelle.
Les entretiens permettent de vérifier le bon fonctionnement du système, de remplacer les pièces défectueuses et d'évaluer la hauteur de boue pour le déclenchement d'une vidange.
L'entretien est couvert par un contrat d'entretien conclu entre l'exploitant et un prestataire de services dont le contenu minimum est précisé à l'annexe 5.
L'exploitant du système a la responsabilité d'effectuer l'entretien et de s'assurer que, conformément au Code de l'Eau, le prestataire transmet le rapport d'entretien à la SPGE.
Les systèmes d'épuration individuelle ainsi que les dégraisseurs sont vidangés par des vidangeurs agréés.
La vidange des boues du système d'épuration individuelle est effectuée avant atteinte de la hauteur maximale de boue renseignée par le fabricant. Le rapport d'entretien ou le contrôle périodique indique si tel est le cas ou si cette situation est prévisible avant le prochain entretien périodique sur base d'une estimation de la vitesse de remplissage sur la période écoulée entre la dernière vidange et la date du contrôle ou de l'entretien.
Art. 14. De bewijsstukken inzake het onderhoud en de door een erkende opruimer opgemaakte opruimingsattesten worden bij elke controle door de exploitant overgelegd aan de personen of instellingen die de Waalse Regering daartoe gemachtigd heeft.
Art. 14. L'exploitant produit lors de tout contrôle aux personnes ou organismes habilités à cette fin par le Gouvernement wallon, les justificatifs d'entretien et les attestations de vidange établies par un vidangeur agréé.
HOOFDSTUK IV. - Opheffings- overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 15. Opgeheven worden :
1° het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 6 november 2008 en 12 februari 2009, met uitzondering van de artikelen 5 en 6 die van toepassing blijven tot 31 december 2018;
2° het besluit van de Waalse Regering van 6 november 2008 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringsstations en -systemen geïnstalleerd in afwijking van de verplichting tot aansluiting op de riolering, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 12 februari 2009, met uitzondering van de artikelen 5 en 6 die van toepassing blijven tot 31 december 2018.
1° het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 6 november 2008 en 12 februari 2009, met uitzondering van de artikelen 5 en 6 die van toepassing blijven tot 31 december 2018;
2° het besluit van de Waalse Regering van 6 november 2008 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de individuele zuiveringsstations en -systemen geïnstalleerd in afwijking van de verplichting tot aansluiting op de riolering, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 12 februari 2009, met uitzondering van de artikelen 5 en 6 die van toepassing blijven tot 31 december 2018.
Art. 15. Sont abrogés :
1° l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 septembre 2008 fixant les conditions intégrales relatives aux unités d'épuration individuelle et aux installations d'épuration individuelle, modifié par les arrêtés du Gouvernement wallon du 6 novembre 2008 et du 12 février 2009 à l'exclusion des articles 5 et 6 qui restent d'application jusqu'au 31 décembre 2018;
2° l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 novembre 2008 fixant les conditions sectorielles relatives aux stations d'épuration individuelle et aux systèmes d'épuration individuelle installés en dérogation de l'obligation de raccordement à l'égout, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 février 2009 à l'exclusion des articles 5 et 6 qui restent d'application jusqu'au 31 décembre 2018.
1° l'arrêté du Gouvernement wallon du 25 septembre 2008 fixant les conditions intégrales relatives aux unités d'épuration individuelle et aux installations d'épuration individuelle, modifié par les arrêtés du Gouvernement wallon du 6 novembre 2008 et du 12 février 2009 à l'exclusion des articles 5 et 6 qui restent d'application jusqu'au 31 décembre 2018;
2° l'arrêté du Gouvernement wallon du 6 novembre 2008 fixant les conditions sectorielles relatives aux stations d'épuration individuelle et aux systèmes d'épuration individuelle installés en dérogation de l'obligation de raccordement à l'égout, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 février 2009 à l'exclusion des articles 5 et 6 qui restent d'application jusqu'au 31 décembre 2018.
Art. 16. De artikelen 5 en 6 van dit besluit zijn van toepassing op de individuele zuiveringssystemen geïnstalleerd vanaf 1 januari 2019.
Gezuiverd water uit de bestaande inrichtingen die voor 1 januari 2009 bestaan, voldoet aan de emissievoorwaarden van bijlage 6.
Gezuiverd water uit de bestaande inrichtingen die voor 1 januari 2009 bestaan, voldoet aan de emissievoorwaarden van bijlage 6.
Art. 16. Les articles 5 et 6 du présent arrêté s'appliquent aux systèmes d'épuration individuelle installés à partir du 1er janvier 2019.
Les eaux épurées issues des établissements existant avant le 1er janvier 2009 répondent aux conditions d'émission de l'annexe 6.
Les eaux épurées issues des établissements existant avant le 1er janvier 2009 répondent aux conditions d'émission de l'annexe 6.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur au 1er janvier 2017.
Art. 18. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre de l'Environnement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Begrip inwonerequivalent
De nuttige capaciteit van het individuele zuiveringssysteem wordt bepaald op grond van het aantal inwonerequivalenten (IE) van de op het individuele zuiveringssysteem aangesloten woning of wooncomplexen. Ze bedraagt ministens 5 IE.
Er wordt vanuit gegaan dat de dagelijks voortgebrachte vuilvracht voor eengezinswoningen die slechts huishoudelijk afvalwater voortbrengen, gelijk is aan een aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met het aantal bewoners. Als verschillende woningen op hetzelfde individueel zuiveringssysteem aangesloten zijn, wordt uitgegaan van minimum 4 IE per woning voor de berekening van de vuilvracht.
Voor de andere gebouwen wordt het aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met de vuilvracht van het huishoudelijk afvalwater, berekend als volgt :
De nuttige capaciteit van het individuele zuiveringssysteem wordt bepaald op grond van het aantal inwonerequivalenten (IE) van de op het individuele zuiveringssysteem aangesloten woning of wooncomplexen. Ze bedraagt ministens 5 IE.
Er wordt vanuit gegaan dat de dagelijks voortgebrachte vuilvracht voor eengezinswoningen die slechts huishoudelijk afvalwater voortbrengen, gelijk is aan een aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met het aantal bewoners. Als verschillende woningen op hetzelfde individueel zuiveringssysteem aangesloten zijn, wordt uitgegaan van minimum 4 IE per woning voor de berekening van de vuilvracht.
Voor de andere gebouwen wordt het aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met de vuilvracht van het huishoudelijk afvalwater, berekend als volgt :
Art. N1. Notion d'équivalent-habitant
La capacité utile du système d'épuration individuelle est déterminée en fonction du nombre d'équivalent-habitant (EH) de l'habitation ou du groupe d'habitations desservies par le système. Elle est d'au moins 5 EH.
Pour les habitations unifamiliales qui ne génèrent que des eaux usées domestiques, la charge polluante produite quotidiennement s'exprime par un nombre d'équivalent-habitant égal au nombre d'occupants. Dans le cas de raccordement de plusieurs habitations sur le même système d'épuration individuelle, la charge polluante est comptabilisée sur un nombre minimum de 4 EH par habitation.
Pour les autres habitations, le nombre d'équivalent-habitant correspondant à la charge polluante contenue dans les eaux usées domestiques est évalué comme suit :
La capacité utile du système d'épuration individuelle est déterminée en fonction du nombre d'équivalent-habitant (EH) de l'habitation ou du groupe d'habitations desservies par le système. Elle est d'au moins 5 EH.
Pour les habitations unifamiliales qui ne génèrent que des eaux usées domestiques, la charge polluante produite quotidiennement s'exprime par un nombre d'équivalent-habitant égal au nombre d'occupants. Dans le cas de raccordement de plusieurs habitations sur le même système d'épuration individuelle, la charge polluante est comptabilisée sur un nombre minimum de 4 EH par habitation.
Pour les autres habitations, le nombre d'équivalent-habitant correspondant à la charge polluante contenue dans les eaux usées domestiques est évalué comme suit :
| Gebouw of complex | Aantal inwonersequivalent (IE) |
| Fabriek, werkplaats | 1 werkman = 1/2 IE |
| Kantoor | 1 bediende = 1/3 IE |
| School zonder baden, stortbaden of keuken (externaat)* | 1 leerling = 1/10 IE |
| School met baden en zonder keuken (externaat)* | 1 leerling = 1/5 IE |
| School met baden en keuken (externaat)* | 1 leerling = 1/3 IE |
| School met baden en keuken (internaat)* | 1 leerling = 1 IE |
| Hotel, pension* | 1 bed = 1 IE |
| Camping - doorreisplaats | 1 plaats = 1,5 IE |
| Camping - verblijfplaats | 1 verblijfplaats = 2 IE |
| Kazerne | 1 persoon (voorzien) = 1 IE |
| Restaurant* | 1 opgediende maaltijd = 1/4 IE Aantal IE = 1/4 IE x gemiddeld aantal maaltijden opgediend per dag |
| Theater, bioscoop, feestzaal, slijterijen van dranken | 1 plaats = 1/30 IE |
| Sportpark* | 1 plaats = 1/20 IE |
| Home, centrum voor specifieke verzorging, gevangenissen* | 1 bed = 1,5 IE |
Voor de met een * aangeduide gebouwen of complexen wordt het op grond van de tabel berekend aantal IE verhoogd met 1/2 IE per personeelslid dat in de instelling tewerkgesteld is. Voor de bepaling van de vereiste nuttige capaciteit wordt rekening gehouden met een eventuele vermeerdering van het aantal gebruikers van het aangesloten gebouw of complex.
| Bâtiment ou complexe | Nombre d'équivalent-habitant (EH) |
| Usine, atelier | 1 ouvrier = 1/2 EH |
| Bureau | 1 employé = 1/3 EH |
| Ecole sans bains, douche ni cuisine (externat)* | 1 élève = 1/10 EH |
| Ecole avec bains sans cuisine (externat)* | 1 élève = 1/5 EH |
| Ecole avec bains et cuisine (externat)* | 1 élève = 1/3 EH |
| Ecole avec bains et cuisine (internat)* | 1 élève = 1 EH |
| Hôtel, pension* | 1 lit = 1 EH |
| Camping - emplacements de passage | 1 emplacement = 1,5 EH |
| Camping - emplacements résidentiels | 1 emplacement résidentiel = 2 EH |
| Caserne | 1 personne (prévue) = 1 EH |
| Restaurant* | 1 couvert servi = 1/4 EH Nbre EH = 1/4 EH x nombre moyen de couverts servis chaque jour |
| Théâtre, cinéma, salle de fêtes, débits de boissons | 1 place = 1/30 EH |
| Plaine de sport* | 1 place = 1/20 EH |
| Home, centre spécifique de soins, prisons* | 1 lit = 1,5 EH |
Pour les bâtiments ou complexes annotés d'un astérisque, le nombre d'EH calculé d'après le tableau est augmenté de 1/2 EH par membre du personnel attaché à l'établissement. Dans la détermination de la capacité utile nécessaire, il y a lieu de tenir compte d'une augmentation éventuelle du nombre d'usagers du bâtiment ou du complexe raccordé.
Art. N2. Bepalingen betreffende de elementen inzake voorbehandeling en slibopslag
Art. N2. Dispositions relatives aux éléments de prétraitement et de stockage des boues
| Nominale zuiveringscapaciteit (IE) | Minimum bruikbaar volume, in m3, alleen het primair slib | Minimum bruikbaar volume, in m3, alleen het gemengd slib (gemengd primair en secundair slib) |
| 5 - 10 | 320 l/IE met een minimum van 3 m3 | 560 l/IE met een minimum van 3 m3 |
| 11 - 20 | 215 l/IE met een minimum van 3.2 m3 | 350 l/IE met een minimum van 5.6 m3 |
| 21 - 50 | 150 l/IE met een minimum van 4.3 m3 | 240 l/IE met een minimum van 7 m3 |
| 51 en meer | 120 l/IE met een minimum van 7.5 m3 | 180 l/IE met een minimum van 12 m3 |
| Capacité nominale d'épuration (EH) | Volume utile minimum, en m3 Boues primaires seules | Volume utile minimum, en m3 Boues mixtes (primaires et secondaires mélangées) |
| 5 - 10 | 320 l/EH avec un minimum de 3 m3 | 560 l/EH avec un minimum de 3 m3 |
| 11 - 20 | 215 l/EH avec un minimum de 3.2 m3 | 350 l/EH avec un minimum de 5.6 m3 |
| 21 - 50 | 150 l/EH avec un minimum de 4.3 m3 | 240 l/EH avec un minimum de 7 m3 |
| 51 et au-delà | 120 l/EH avec un minimum de 7.5 m3 | 180 l/EH avec un minimum de 12 m3 |
Art. N3. Controlevoorziening
De controlevoorziening bedoeld in artikel 9 voldoet aan de volgende eisen :
1° een vlotte monsterneming van het geloosde gezuiverde water mogelijk maken volgens een door de fabrikant van het systeem gebruikte methode;
2° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit, zonder besmettingsrisico door gesuspendeerde stoffen afkomstig van de onmiddellijke omgeving van het monsternemingspunt;
3° gemakkelijk toegankelijk zijn en op de site gemarkeerd zijn.
Het monsternemingspunt wordt :
a) ofwel geïntegreerd in het zuiveringscompartiment : het wordt op de uitgangsvoorziening aangebracht en moet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf het toegangsluik;
b) hetzij in het mangat geïntegreerd op een afstand van maximum 2 meter na het laatste element van de behandeling : het mangat laat de rechtstreekse monsterneming toe onder de leiding van het water dat in het mangat binnenkomt.
De controlevoorziening bedoeld in artikel 9 voldoet aan de volgende eisen :
1° een vlotte monsterneming van het geloosde gezuiverde water mogelijk maken volgens een door de fabrikant van het systeem gebruikte methode;
2° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit, zonder besmettingsrisico door gesuspendeerde stoffen afkomstig van de onmiddellijke omgeving van het monsternemingspunt;
3° gemakkelijk toegankelijk zijn en op de site gemarkeerd zijn.
Het monsternemingspunt wordt :
a) ofwel geïntegreerd in het zuiveringscompartiment : het wordt op de uitgangsvoorziening aangebracht en moet gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf het toegangsluik;
b) hetzij in het mangat geïntegreerd op een afstand van maximum 2 meter na het laatste element van de behandeling : het mangat laat de rechtstreekse monsterneming toe onder de leiding van het water dat in het mangat binnenkomt.
Art. N3. Dispositif de contrôle
Le dispositif de contrôle visé à l'article 9 répond aux exigences suivantes :
1° permettre le prélèvement aisé d'échantillons des eaux épurées déversées suivant le mode opératoire fixé par le fabricant du système;
2° être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux prélevées sans risque de contamination par des MES provenant de l'environnement immédiat du point de prélèvement;
3° être d'accès facile et repéré sur le site.
Le point de prélèvement est :
a) soit intégré dans le compartiment de clarification : il est réalisé sur le dispositif de sortie et doit être d'un accès aisé depuis la trappe de visite;
b) ou intégré dans la chambre de visite posée à une distance n'excédant pas 2 mètres après le dernier élément de traitement de la filière : la chambre de visite permet le prélèvement direct sous la conduite d'entrée des eaux dans ladite chambre de visite.
Le dispositif de contrôle visé à l'article 9 répond aux exigences suivantes :
1° permettre le prélèvement aisé d'échantillons des eaux épurées déversées suivant le mode opératoire fixé par le fabricant du système;
2° être placé à un endroit offrant toute garantie quant à la quantité et la qualité des eaux prélevées sans risque de contamination par des MES provenant de l'environnement immédiat du point de prélèvement;
3° être d'accès facile et repéré sur le site.
Le point de prélèvement est :
a) soit intégré dans le compartiment de clarification : il est réalisé sur le dispositif de sortie et doit être d'un accès aisé depuis la trappe de visite;
b) ou intégré dans la chambre de visite posée à une distance n'excédant pas 2 mètres après le dernier élément de traitement de la filière : la chambre de visite permet le prélèvement direct sous la conduite d'entrée des eaux dans ladite chambre de visite.
Art. N4. Dimensionering van de afvoervoorzieningen via infiltratie
De dimensionering van de afvoervoorziening via infiltratie maakt het voorwerp uit van een berekeningsnota waarin verschillende parameters betreffende de kenmerken van de bodem opgenomen worden.
Als het regenwater langs dezelfde voorziening afgevoerd wordt, houden de dimensioneringsgrondslagen rekening met het bijkomende regenwaterdebiet.
a) Bodemtype en infiltratiesnelheid :
- Zandbodem : infiltratiesnelheid tussen 4.10-3 m/s en 2.10-5 m/s
- Zand-leembodem : infiltratiesnelheid tussen 2.10-5 m/s en 6.10-6 m/s
- Leembodem : infiltratiesnelheid tussen 6.10-6 m/s en 10-6 m/s
De infiltratie kan niet overwogen worden voor infiltratiesnelheden hoger dan 4.10-3 m/s en lager dan 10-6 m/s.
De infiltratiesnelheid wordt in situ gemeten via een permeabiliteitstest.
b) diepte van het grondwater :
Als het grondwater niet dieper is dan 1 m, kan het gezuiverde water uitsluitend afgevoerd worden via een bovengrondse infiltratieheuvel of via een andere toegelaten afvoerwijze.
c) Infiltratiesleuven of dispersiedraineerbuizen :
Maximumlengte : 30 meter vanaf het voedingspunt.
Minimale sectie van 0,6 x 0,6m.
De asafstand tussen elke sleuf of draineerbuis mag niet minder dan 2 m bedragen.
De dimensionering van de afvoervoorziening via infiltratie maakt het voorwerp uit van een berekeningsnota waarin verschillende parameters betreffende de kenmerken van de bodem opgenomen worden.
Als het regenwater langs dezelfde voorziening afgevoerd wordt, houden de dimensioneringsgrondslagen rekening met het bijkomende regenwaterdebiet.
a) Bodemtype en infiltratiesnelheid :
- Zandbodem : infiltratiesnelheid tussen 4.10-3 m/s en 2.10-5 m/s
- Zand-leembodem : infiltratiesnelheid tussen 2.10-5 m/s en 6.10-6 m/s
- Leembodem : infiltratiesnelheid tussen 6.10-6 m/s en 10-6 m/s
De infiltratie kan niet overwogen worden voor infiltratiesnelheden hoger dan 4.10-3 m/s en lager dan 10-6 m/s.
De infiltratiesnelheid wordt in situ gemeten via een permeabiliteitstest.
b) diepte van het grondwater :
Als het grondwater niet dieper is dan 1 m, kan het gezuiverde water uitsluitend afgevoerd worden via een bovengrondse infiltratieheuvel of via een andere toegelaten afvoerwijze.
c) Infiltratiesleuven of dispersiedraineerbuizen :
Maximumlengte : 30 meter vanaf het voedingspunt.
Minimale sectie van 0,6 x 0,6m.
De asafstand tussen elke sleuf of draineerbuis mag niet minder dan 2 m bedragen.
Art. N4. Dimensionnement des dispositifs d'évacuation par infiltration
Le dimensionnement du dispositif d'évacuation par infiltration fait l'objet d'une note de calcul intégrant plusieurs paramètres liés aux caractéristiques du sol en place.
En cas d'évacuation des eaux pluviales par le même dispositif, les bases de dimensionnement prennent en compte le débit supplémentaire généré par les eaux pluviales.
a) Type de sol et vitesse d'infiltration :
- Sol sableux : vitesse d'infiltration comprise entre 4.10-3 m/s et 2.10-5 m/s.
- Sol sablo-limoneux : vitesse d'infiltration comprise entre 2.10-5 m/s et 6.10-6 m/s.
- Sol limoneux : vitesse comprise entre 6.10-6 m/s et 10-6 m/s.
L'infiltration ne peut être envisagée pour des vitesses d'infiltration supérieures à 4.10-3 m/s et inférieures à 10-6 m/s.
La vitesse d'infiltration est mesurée in situ via un test de perméabilité.
b) Profondeur de la nappe phréatique :
Si la profondeur de la nappe phréatique est inférieure à un mètre, l'évacuation des eaux épurées ne peut s'effectuer que par un tertre d'infiltration hors-sol ou par un autre mode d'évacuation autorisé que l'infiltration.
c) Tranchées d'infiltration ou drains dispersants :
Longueur maximum : 30 mètres à partir du point d'alimentation.
Section minimale de 0,6 m x 0,6 m.
L'entre axe entre chaque tranchée ou drain ne peut être inférieure à 2 m.
Le dimensionnement du dispositif d'évacuation par infiltration fait l'objet d'une note de calcul intégrant plusieurs paramètres liés aux caractéristiques du sol en place.
En cas d'évacuation des eaux pluviales par le même dispositif, les bases de dimensionnement prennent en compte le débit supplémentaire généré par les eaux pluviales.
a) Type de sol et vitesse d'infiltration :
- Sol sableux : vitesse d'infiltration comprise entre 4.10-3 m/s et 2.10-5 m/s.
- Sol sablo-limoneux : vitesse d'infiltration comprise entre 2.10-5 m/s et 6.10-6 m/s.
- Sol limoneux : vitesse comprise entre 6.10-6 m/s et 10-6 m/s.
L'infiltration ne peut être envisagée pour des vitesses d'infiltration supérieures à 4.10-3 m/s et inférieures à 10-6 m/s.
La vitesse d'infiltration est mesurée in situ via un test de perméabilité.
b) Profondeur de la nappe phréatique :
Si la profondeur de la nappe phréatique est inférieure à un mètre, l'évacuation des eaux épurées ne peut s'effectuer que par un tertre d'infiltration hors-sol ou par un autre mode d'évacuation autorisé que l'infiltration.
c) Tranchées d'infiltration ou drains dispersants :
Longueur maximum : 30 mètres à partir du point d'alimentation.
Section minimale de 0,6 m x 0,6 m.
L'entre axe entre chaque tranchée ou drain ne peut être inférieure à 2 m.
| Bodem | Diepte van het grondwater in m (N) | Min. totaallengte van de draineerbuizen in m, voor een capaciteit van 5 IE | Bijkomende lengte in m per IE |
| Zandbodem | 1 < N 1,5 | 35 25 | 8 |
| Zand-leembodem | 1 < N 1,5 | 50 42 | 13 |
| Leembodem | 1 < N 1,5 | 85 70 | 17 |
d) Infiltratieheuvel - Minimale hoogte van 0,70 m.
| Sol | Profondeur de la nappe en m (N) | Longueur totale min. des drains en m, pour une capacité de 5 EH | Longueur supplémentaire en m par EH |
| Sableux | 1 < N 1,5 | 35 25 | 8 |
| Sablo limoneux | 1 < N 1,5 | 50 42 | 13 |
| Limoneux | 1 < N 1,5 | 85 70 | 17 |
d) Tertre d'infiltration - Hauteur minimale de 0,70 m.
| Bodem | Min oppervlakte van de filter in m2 voor een capaciteit van 5 IE | Bijkomende oppervlakte per IE in m2 |
| Zandbodem | 35 | 6,5 |
| Zand-leembodem | 55 | 11 |
| Leembodem | 75 | 16,6 |
e) Zandfilter - Minimale dikte van 0,75 m.
| Sol | Surface min. du filtre en m2 pour une capacité de 5 EH | Surface supplémentaire par EH en m2 |
| Sableux | 35 | 6,5 |
| Sablo limoneux | 55 | 11 |
| Limoneux | 75 | 16,6 |
e) Filtre à sable - Epaisseur minimale de 0,75 m.
| Bodem | Min oppervlakte van de filter in m2 voor een capaciteit van 5 IE | Bijkomende oppervlakte per IE in m2 |
| Zandbodem | 40 | 8,5 |
| Zand-leembodem | ||
| Leembodem |
Leembodem
| Sol | Surface min. du filtre en m2 pour une capacité de 5 EH | Surface supplémentaire par EH en m2 |
| Sableux | 40 | 8,5 |
| Sablo limoneux | ||
| Limoneux |
Limoneux
Art. N5. Verplichte onderhoudsprestaties
Al naar gelang van het soort uitrusting hebben de onderhoudsprestaties hoe dan ook betrekking op de volgende verificaties en controles, die in een onderhoudsverslag worden opgenomen :
- Kennisneming van de datum van de laatste sliblediging.
- Kennisneming van de datum en de inhoud van het laatste onderhoudsverslag.
- Functionele controle van elk elektromechanisch bestanddeel.
- Verificatie van de staat van de leidingen en aansluitingen; water, lucht, slib.
- Verificatie van de afwezigheid van opvulling van de verschillende filters, filtreermiddelen en dragers.
- Verificatie van de staat van de goede werking van de distributie- en verdelingsvoorzieningen op de filters.
- Verifiëren of de controlevoorziening en de aanvang van de draineerbuizen schoon zijn.
- Verificatie van de vegetatiestaat (dichtheid, noodzakelijkheid om met de biezenzeis te maaien,...).
- Meting van het zuurstofgehalte van de beluchte bassins.
- Meting van het chemisch zuurstofverbruik(CZV) met een systeem aangepast aan het voorziene concentratiebereik.
- Gezichts- en reukcontrole van het gezuiverde water aan het uiteinde van het individuele zuiveringssysteem.
- Verifiëren of het slib en drijvende stoffen zich niet in de tweede bezinktank opstapelen.
- Verificatie van de exacte hoogte van het slib in het opslagcompartiment waarbij een termijn wordt bepaald om de procedure inzake afvoer van het slib door een erkende opruimer op te starten.
- Aflezing van de werkingsteller en van de alarmen.
- Uitvoering van de algemene reinigingswerken en van de nodige verbeteringsmaatregelen.
- Vervanging van de stukken van normale slijtage tijdens de periode tussen twee onderhouden.
De uitgevoerde en uit te voeren onderhoudswerken alsook de vervanging van elk stuk moeten in een onderhoudsverslag opgenomen worden.
Al naar gelang van het soort uitrusting hebben de onderhoudsprestaties hoe dan ook betrekking op de volgende verificaties en controles, die in een onderhoudsverslag worden opgenomen :
- Kennisneming van de datum van de laatste sliblediging.
- Kennisneming van de datum en de inhoud van het laatste onderhoudsverslag.
- Functionele controle van elk elektromechanisch bestanddeel.
- Verificatie van de staat van de leidingen en aansluitingen; water, lucht, slib.
- Verificatie van de afwezigheid van opvulling van de verschillende filters, filtreermiddelen en dragers.
- Verificatie van de staat van de goede werking van de distributie- en verdelingsvoorzieningen op de filters.
- Verifiëren of de controlevoorziening en de aanvang van de draineerbuizen schoon zijn.
- Verificatie van de vegetatiestaat (dichtheid, noodzakelijkheid om met de biezenzeis te maaien,...).
- Meting van het zuurstofgehalte van de beluchte bassins.
- Meting van het chemisch zuurstofverbruik(CZV) met een systeem aangepast aan het voorziene concentratiebereik.
- Gezichts- en reukcontrole van het gezuiverde water aan het uiteinde van het individuele zuiveringssysteem.
- Verifiëren of het slib en drijvende stoffen zich niet in de tweede bezinktank opstapelen.
- Verificatie van de exacte hoogte van het slib in het opslagcompartiment waarbij een termijn wordt bepaald om de procedure inzake afvoer van het slib door een erkende opruimer op te starten.
- Aflezing van de werkingsteller en van de alarmen.
- Uitvoering van de algemene reinigingswerken en van de nodige verbeteringsmaatregelen.
- Vervanging van de stukken van normale slijtage tijdens de periode tussen twee onderhouden.
De uitgevoerde en uit te voeren onderhoudswerken alsook de vervanging van elk stuk moeten in een onderhoudsverslag opgenomen worden.
Art. N5. Prestations obligatoires d'entretien
Selon le type d'équipement, les prestations d'entretien portent au minimum sur les vérifications et contrôles suivants qui sont consignés dans rapport d'entretien :
- Prise de connaissance de la date de la dernière vidange des boues.
- Prise de connaissance de la date et du contenu du dernier rapport d'entretien.
- Contrôle fonctionnel de tous les composants électromécaniques.
- Vérification de l'état des conduites et raccords : eau, air, boues.
- Vérification de l'absence de colmatage des différents filtres, massifs et supports.
- Vérification de l'état de bon fonctionnement des organes de distribution et de répartition sur les filtres.
- Vérification du bon état de propreté du dispositif de contrôle et du départ des drains.
- Vérification de l'état de la végétation (densité, nécessité de faucardage,...).
- Mesure de la teneur en oxygène des bassins aérés.
- Mesure de la DCO sur site avec un système adapté à la gamme de concentration prévue.
- Contrôle visuel et olfactif de l'eau traitée en sortie du système d'épuration individuelle.
- Vérification d'absence d'accumulation de boues et de flottants dans le décanteur secondaire.
- Vérification de la hauteur précise des boues dans le compartiment de stockage avec la fixation du délai pour le déclenchement d'une procédure d'évacuation des boues par un vidangeur agréé.
- Relevé du totalisateur de fonctionnement et des alarmes.
- Réalisation des travaux de nettoyage d'ordre général et des mesures correctives nécessaires.
- Le remplacement des pièces d'usure normale couvrant la période entre deux entretiens.
Les travaux de maintenance réalisés et à réaliser, ainsi que le remplacement de toute pièce doivent être consignés dans le rapport d'entretien.
Selon le type d'équipement, les prestations d'entretien portent au minimum sur les vérifications et contrôles suivants qui sont consignés dans rapport d'entretien :
- Prise de connaissance de la date de la dernière vidange des boues.
- Prise de connaissance de la date et du contenu du dernier rapport d'entretien.
- Contrôle fonctionnel de tous les composants électromécaniques.
- Vérification de l'état des conduites et raccords : eau, air, boues.
- Vérification de l'absence de colmatage des différents filtres, massifs et supports.
- Vérification de l'état de bon fonctionnement des organes de distribution et de répartition sur les filtres.
- Vérification du bon état de propreté du dispositif de contrôle et du départ des drains.
- Vérification de l'état de la végétation (densité, nécessité de faucardage,...).
- Mesure de la teneur en oxygène des bassins aérés.
- Mesure de la DCO sur site avec un système adapté à la gamme de concentration prévue.
- Contrôle visuel et olfactif de l'eau traitée en sortie du système d'épuration individuelle.
- Vérification d'absence d'accumulation de boues et de flottants dans le décanteur secondaire.
- Vérification de la hauteur précise des boues dans le compartiment de stockage avec la fixation du délai pour le déclenchement d'une procédure d'évacuation des boues par un vidangeur agréé.
- Relevé du totalisateur de fonctionnement et des alarmes.
- Réalisation des travaux de nettoyage d'ordre général et des mesures correctives nécessaires.
- Le remplacement des pièces d'usure normale couvrant la période entre deux entretiens.
Les travaux de maintenance réalisés et à réaliser, ainsi que le remplacement de toute pièce doivent être consignés dans le rapport d'entretien.
Art. N6. Bestaande inrichtingen - Emissievoorwaarden
a) Individuele zuiveringseenheid
a) Individuele zuiveringseenheid
Art. N6. Etablissements existants - Conditions d'émission
a) Unités d'épuration individuelle
a) Unités d'épuration individuelle
| Parameters | Concentratie (2) | Referentiemethode voor de analyse (1) |
| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C zonder nitrificatie) | 70 mg/l O2 | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 180 mg/l O2 | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Totale hoeveelheid gesuspendeerde vaste stoffen | 60 mg/l | |
| (1) De analyses betreffende lozingen uit bezinkbassins worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van de totale gesuspendeerde vaste stoffen in ongefilterde watermonsters is evenwel niet hoger dan 150 mg/l (2) De numerieke waarden hebben betrekking op punctuele monsternemingen | ||
b) Individuele zuiveringsinstallaties
| Paramètres | Concentration (2) | Méthode de mesure de référence (1) |
| Demande biochimique en oxygène (DBO5 à 20 °C) sans nitrification | 70 mg/l O2 | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Demande chimique en oxygène (DCO) | 180 mg/l O2 | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Total des matières solides en suspension | 60 mg/l | |
| (1) Les analyses relatives aux rejets provenant du lagunage sont effectuées sur des échantillons filtrés; toutefois, la concentration du total des matières solides en suspension dans les échantillons d'eau non filtrée ne dépasse pas 150 mg/l (2) Les valeurs numériques se réfèrent à des échantillons ponctuels | ||
b) Installations d'épuration individuelle
| Parameters | Concentratie (2) | Referentiemethode voor de analyse (1) |
| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C zonder nitrificatie) | 50 mg/l O2 | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 160 mg/l O2 | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster |
| Totale hoeveelheid gesuspendeerde vaste stoffen | 60 mg/l | |
| (1) De analyses betreffende lozingen uit bezinkbassins worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van de totale gesuspendeerde vaste stoffen in ongefilterde watermonsters is evenwel niet hoger dan 150 mg/l (2) De numerieke waarden hebben betrekking op punctuele monsternemingen | ||
c) Individuele zuiveringsstations
| Paramètres | Concentration (2) | Méthode de mesure de référence (1) |
| Demande biochimique en oxygène (DBO5 à 20 °C) sans nitrification | 50 mg/l O2 | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Demande chimique en oxygène (DCO) | 160 mg/l O2 | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté |
| Total des matières solides en suspension | 60 mg/l | |
| (1) Les analyses relatives aux rejets provenant du lagunage sont effectuées sur des échantillons filtrés; toutefois, la concentration du total des matières solides en suspension dans les échantillons d'eau non filtrée ne dépasse pas 150 mg/l (2) Les valeurs numériques se réfèrent à des échantillons ponctuels | ||
c) Stations d'épuration individuelle
| Parameters | Concentratie | Minimaal verminderingspercentage | Referentiemethode voor de analyse (2) |
| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C) zonder nitrificatie (3) | 30 mg/l O2 (5) of 50 mg/l O2 (6) | 70 | Bepaling van het zuurstof opgelost vóór en na een incubatie van 5 dagen bij 20 °C + 1 °C in volledige duisternis. Toevoeging van een nitrificatieremmer |
| Chemisch zuurstofverbruik(CZV) | 125 mg/l O2 (5) of 50 mg/l O2 (6) | 75 | Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster Kaliumbichromaat |
| Totale hoeveelheid gesuspendeerde vaste stoffen | 60 mg/l (4) | 90 (4) | Filtrering van een representatief monster op een membraan van 0,45 µm, droging bij 105 ° C en weging Centrifugeren van een representatief monster (gedurende minstens 5 minuten met een gemiddelde versnelling van 2 800 à 3 200 g), droging bij 105 ° C en weging |
| PH | 6,5 | ||
| T° | < 30 °C | ||
| niet polaire koolwaterstoffen | < 3 mg/l | ||
| Een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen | |||
verminderingspercentage Referentiemethode voor de analyse (2)Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C) zonder nitrificatie (3) 30 mg/l O2 (5) of 50 mg/l O2 (6) 70 Bepaling van het zuurstof opgelost vóór en na een incubatie van 5 dagen bij 20 °C + 1 °C in volledige duisternis.
Toevoeging van een nitrificatieremmerChemisch zuurstofverbruik(CZV) 125 mg/l O2 (5) of 50 mg/l O2 (6) 75 Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster KaliumbichromaatTotale hoeveelheid gesuspendeerde vaste stoffen 60 mg/l (4) 90 (4) Filtrering van een representatief monster op een membraan van 0,45 µm, droging bij 105 ° C en weging Centrifugeren van een representatief monster (gedurende minstens 5 minuten met een gemiddelde versnelling van 2 800 à 3 200 g), droging bij 105 ° C en wegingPH 6,5 T° < 30 °C niet polaire koolwaterstoffen < 3 mg/l Een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen
(1) Vermindering in vergelijking met de ingang
(2) De analyses betreffende lozingen uit bezinkbassins worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van de totale gesuspendeerde vaste stoffen in ongefilterde watermonsters is evenwel niet hoger dan 150 mg/l.
(3) Deze parameter kan door een andere vervangen worden : totaal organieke koolstof (COT) of totale zuurstofvraag (DTO) indien een verband tussen de DBO5 en de vervangingsparameter gelegd kan worden.
(4) Deze vereiste is facultatief.
(5) Gemiddeld over 24 uur.
(6) Maximum.
| Paramètres | Concentration | % minimal de réduction (1) | Méthode de mesure de référence (2) |
| Demande biochimique en oxygène (DBO5 à 20 °C) sans nitrification (3) | 30 mg/l O2 (5) ou 50 mg/l O2 (6) | 70 | ° Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté ° Détermination de l'oxygène dissous avant et après une incubation de 5 jours à 20 °C + 1 °C dans l'obscurité complète Addition d'un inhibiteur de nitrification |
| Demande chimique en oxygène (DCO) | 125 mg/l O2 (5) 160 mg/l O2 (6) | 75 | Echantillon homogénéisé, non filtré, non décanté Bichromate de potassium |
| Total des matières solides en suspension | 60 mg/l (4) | 90 (4) | ° Filtration d'un échantillon représentatif sur une membrane de 0,45 µm, séchage à 105 °C et pesée ° Centrifugation d'un échantillon représentatif (pendant 5 minutes au moins avec accélération moyenne de 2 800 à 3 200 g), séchage à 105 °C et pesée |
| pH | 6,5 | ||
| T° | < 30 °C | ||
| hydrocarbures non polaires | < 3 mg/l | ||
| Un échantillon représentatif des eaux déversées ne peut contenir des huiles, des graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque | |||
(1) Réduction par rapport à l'entrée.
(2) Les analyses relatives aux rejets provenant du lagunage sont effectuées sur des échantillons filtrés; toutefois, la concentration du total des matières solides en suspension dans les échantillons d'eau non filtrée ne doit pas dépasser 150 mg/l.
(3) Ce paramètre peut être remplacé par un autre : carbone organique total (COT) ou demande totale en oxygène (DTO) si une relation peut être établie entre la DBO5 et le paramètre de substitution.
(4) Cette exigence est facultative.
(5) En moyenne sur 24 heures.
(6) Maximum.