Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
28 OKTOBER 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten, wat betreft het bepalen van de nadere regels voor het opsporen en het winnen van aardwarmte en voor het opmaken van een structuurvisie inzake de diepe ondergrond, en tot wijziging van diverse besluiten
Titre
28 OCTOBRE 2016. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s, en ce qui concerne la dĂ©termination des modalitĂ©s pour la prospection et l'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique et pour l'Ă©tablissement d'une vision structurelle du sous-sol profond, et modifiant divers arrĂȘtĂ©s
Documentinformatie
Numac: 2016036613
Datum: 2016-10-28
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016036613
Date: 2016-10-28
Moniteur: Voir
Tekst (41)
Texte (41)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten
Section 1re. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s
Artikel 1. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 2° wordt tussen het woord "koolwaterstoffen" en het woord "betreft" de zinsnede "of aardwarmte, of de structuurvisie inzake de diepe ondergrond" ingevoegd;
  2° een punt 3° en een punt 4° worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  "3° afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen: de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie;
  4° beveiligde zending: een van de onderstaande betekeningswijzen:
  a) een analoge zending: een aangetekende zending of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  b) een digitale zending: een zending via een uitwisselingsplatform van het departement waar de afdeling bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen onder ressorteert.".
Article 1er. A l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 2°, le membre de phrase " ou d'énergie géothermique, ou de la vision structurelle du sous-sol profond " est inséré entre les mots " d'hydrocarbures " et les mots " ou le ministre flamand compétent " ;
  2° il est ajouté un point 3° et un point 4°, rédigés comme suit :
  " 3° division, compétente pour les ressources naturelles : la " Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen " (Division du Sol, de la Protection du Sol, du Sous-sol et des Ressources naturelles) du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie ;
  4° envoi sécurisé : un des modes de notification suivants :
  a) un envoi analogue : une lettre recommandée ou une remise contre récépissé ;
  b) un envoi numérique : un envoi via une plate-forme d'échange du département dont relÚve la division compétente pour les ressources naturelles. ".
Art. 2. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3. Een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen wordt ingediend bij de minister met een beveiligde zending. Als de beveiligde zending gebeurt in de vorm van een analoge zending wordt de aanvraag ook op een elektronische drager ingediend, inclusief het kaartenmateriaal in shape-, grid-, dwg-, dxf- of dgn-formaat.".
Art. 2. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 3. La demande d'une autorisation de prospection ou d'exploitation pour hydrocarbures est introduite auprÚs du Ministre par envoi sécurisé. Si l'envoi sécurisé se fait sous la forme d'un envoi analogue, la demande est également introduite sur support électronique, y compris le matériel cartographique en format shape, grid, dwg, dxf ou dgn. ".
Art. 3. In artikel 4, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° het volumegebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;";
  2° in punt 4° wordt het woord "winningsvergunning" vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen".
Art. 3. A l'article 4, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  3° la zone volume pour laquelle l'autorisation est demandée ; " ;
  2° dans le point 4°, les mots " autorisation d'exploitation " sont remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures ".
Art. 4. In artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3° wordt het woord "gebied" vervangen door het woord "volumegebied";
  2° in punt 6°, a), wordt het woord "opsporingsvergunning" vervangen door de woorden "opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen";
  3° in punt 6°, b), wordt het woord "winningsvergunning" vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen", wordt het woord "opsporingsvergunning" vervangen door de woorden "opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen" en wordt het woord "winningsplan" vervangen door de woorden "winningsplan voor koolwaterstoffen";
  4° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
  "8° voor het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, en tien kilometer daarbuiten, een overzicht van alle verleende vergunningen, vermeld in hoofdstuk II, III en III/1 van het decreet van 8 mei 2009, alle verleende vergunningen, vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, en alle vergunningen voor de ondergrondse berging van radioactief afval, met inbegrip van een modellering die de drukeffecten van de voorgenomen activiteit in de ondergrond op korte en lange afstand duidelijk maakt met het oog op mogelijke drukinteracties tussen de bestaande en de geplande activiteiten.".
Art. 4. A l'article 5, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 3°, le mot " zone " est remplacé par les mots " zone volume " ;
  2° dans le point 6°, a), les mots " autorisation de prospection " sont remplacés par les mots " autorisation de prospection pour hydrocarbures " ;
  3° dans le point 6°, b), les mots " autorisation d'exploitation " sont remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures ", les mots " autorisation de prospection " sont remplacés par les mots " autorisation de prospection pour hydrocarbures ", et les mots " plan d'exploitation " sont remplacés par les mots " plan d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  4° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  " 8° pour la zone volume faisant l'objet de la demande et à un périmÚtre de dix kilomÚtres de celle-ci, un aperçu de toutes les autorisations accordées, visées aux chapitres II, III et III/1 du décret du 8 mai 2009, de toutes les autorisations accordées, visées à la loi du 18 juillet 1975 relative à la prospection et à l'exploitation des sites-réservoirs souterrains destinés au stockage de gaz, et de toutes les autorisations pour le stockage souterrain de déchets radioactifs, y compris une modélisation explicitant les effets de la pression de l'activité envisagée dans le sous-sol à courte et longue distance en vue d'interactions potentielles de pression entre les activités existantes et prévues. ".
Art. 5. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede tot en met het vierde lid, wordt het woord "gebied" vervangen door het woord "volumegebied";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "gebieden" vervangen door het woord "volumegebieden";
  3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "In geval van toepassing van artikel 7, § 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 wordt de procedure, vermeld in artikel 6 van het voormelde decreet, niet gevolgd. Als de aanvrager ook de houder van de reeds verleende opslagvergunning of opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte is, beoordeelt de minister in het bijzonder of de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, gecombineerd kan worden met de reeds vergunde activiteit, en neemt de Vlaamse Regering, op voorstel van de minister, een beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van honderdtwintig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is. Als de aanvrager niet de houder van de reeds verleende opslagvergunning of opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte is, deelt de minister binnen een termijn van zestig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is, aan de aanvrager mee dat de vergunningsaanvraag afgewezen wordt omdat de aanvraag betrekking heeft op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al aan een ander een opslagvergunning als vermeld in hoofdstuk III van het decreet van 8 mei 2009, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte als vermeld in hoofdstuk III/1 van het voormelde decreet, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval of een vergunning als vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, is verleend.".
Art. 5. A l'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéas 2 à 4 inclus, le mot " zone " est remplacé par les mots " zone volume " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le mot " zone " est remplacé par les mots " zone volume " ;
  3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Lors de l'application de l'article 7, § 2, 2° du dĂ©cret du 8 mai 2009, la procĂ©dure visĂ©e Ă  l'article 6 du dĂ©cret prĂ©citĂ©, n'est pas suivie. Lorsque le demandeur est aussi le titulaire de l'autorisation de stockage ou de l'autorisation de prospection ou d'exploitation dĂ©jĂ  accordĂ©e pour l'Ă©nergie gĂ©othermique, le Ministre Ă©value en particulier si l'activitĂ© pour laquelle l'autorisation est demandĂ©e peut ĂȘtre combinĂ©e avec l'activitĂ© dĂ©jĂ  autorisĂ©e, et le Gouvernement flamand, sur la proposition du Ministre, prend une dĂ©cision sur la demande d'autorisation dans un dĂ©lai de cent vingt jours aprĂšs l'introduction d'un dossier de demande jugĂ© complet. Lorsque le demandeur n'est pas le titulaire de l'autorisation de stockage ou de l'autorisation de prospection ou d'exploitation dĂ©jĂ  accordĂ©e pour l'Ă©nergie gĂ©othermique, le Ministre notifie au demandeur dans un dĂ©lai de soixante jours aprĂšs l'introduction d'un dossier de demande jugĂ© complet que la demande d'autorisation est rejetĂ©e parce que la demande se rĂ©fĂšre Ă  une zone volume pour laquelle Ă  ce moment une autorisation de stockage telle que visĂ©e au chapitre III du dĂ©cret du 8 mai 2009 ou une autorisation de prospection ou d'exploitation pour l'Ă©nergie gĂ©othermique, telle que visĂ©e au chapitre III/1 du dĂ©cret prĂ©citĂ©, une autorisation pour le stockage souterrain de dĂ©chets radioactifs ou une autorisation telle que visĂ©e Ă  la loi du 18 juillet 1975 relative Ă  la prospection et Ă  l'exploitation des sites-rĂ©servoirs souterrains destinĂ©s au stockage de gaz, a dĂ©jĂ  Ă©tĂ© octroyĂ©e Ă  quelqu'un d'autre. ".
Art. 6. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 en 3 wordt het woord "winningsvergunning" vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen";
  2° het woord "winningsplan" wordt telkens vervangen door de woorden "winningsplan voor koolwaterstoffen";
  3° in paragraaf 2 wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° een beschrijving van de wijze en de duur van de winning en de daarmee verband houdende activiteiten, inclusief de technieken die daarbij worden gebruikt;";
  4° in paragraaf 2 wordt tussen punt 10° en punt 11° een punt 10° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "10° /1 een raming van de kosten van het veilig afsluiten en verlaten van de boorgaten;";
  5° in paragraaf 4 worden de woorden "per aangetekende" vervangen door de woorden "met een beveiligde";
  6° in paragraaf 4 wordt het woord "voorstellen" vervangen door het woord "opleggen".
Art. 6. A l'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans les paragraphes 1er et 3, les mots " autorisation d'exploitation " sont remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  2° les mots " plan d'exploitation " sont chaque fois remplacés par les mots " plan d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  3° dans le paragraphe 2, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° une description du mode et de la durée de l'exploitation et des activités y afférentes, y compris les techniques utilisées à cet effet ; " ;
  4° dans le paragraphe 2, entre le point 10° et le point 11°, il est inséré un point 10° /1, rédigé comme suit :
  " 10° /1 une estimation des frais pour l'obturation et l'abandon sûrs des trous de forage ; " ;
  5° dans le paragraphe 4, les mots " par lettre recommandée " sont remplacés par les mots " par envoi sécurisé " ;
  6° dans le paragraphe 4, le mot " proposer " est remplacé par le mot " imposer ".
Art. 7. In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 3, 4 en 5 wordt het woord "winningsvergunning" telkens vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen";
  2° in paragraaf 4 en 5 worden de woorden "per aangetekende" vervangen door de woorden "met een beveiligde".
Art. 7. A l'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans les paragraphes 1er, 3, 4 et 5, les mots " autorisation d'exploitation " sont chaque fois remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  2° dans les paragraphes 4 et 5, les mots " par lettre recommandée " sont remplacés par les mots " par envoi sécurisé ".
Art. 8. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de woorden "per aangetekende" vervangen door de woorden "met een beveiligde".
Art. 8. Dans l'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 9. In artikel 13 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "winningsvergunning" telkens vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen";
  2° in paragraaf 3, tweede lid, wordt het woord "opsporingsvergunning" vervangen door de woorden "opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen".
Art. 9. A l'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " autorisation d'exploitation " sont chaque fois remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots " autorisation de prospection " sont remplacés par les mots " autorisation de prospection pour hydrocarbures ".
Art. 10. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "winningsvergunning" vervangen door de woorden "winningsvergunning voor koolwaterstoffen";
  2° in paragraaf 1, 2 en 3 wordt het woord "aangetekende" vervangen door het woord "beveiligde".
Art. 10. A l'article 14 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " autorisation d'exploitation " sont remplacés par les mots " autorisation d'exploitation pour hydrocarbures " ;
  2° dans les paragraphes 1er, 2, et 3, les mots " par lettre recommandée " sont remplacés par les mots " par envoi sécurisé ".
Art. 11. Artikel 14/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 14/1. Een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag wordt ingediend bij de minister met een beveiligde zending. Als de beveiligde zending gebeurt in de vorm van een analoge zending wordt de aanvraag ook op een elektronische drager ingediend, inclusief het kaartenmateriaal in shape-, grid-, dwg-, dxf- of dgn-formaat.".
Art. 11. L'article 14/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 14/1. La demande d'une autorisation de prospection pour le stockage de dioxyde de carbone est adressée au Ministre par envoi sécurisé. Si l'envoi sécurisé se fait sous la forme d'un envoi analogue, la demande est également introduite sur support électronique, y compris le matériel cartographique en format shape, grid, dwg, dxf ou dgn. ".
Art. 12. In artikel 14/2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° het volumegebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.".
Art. 12. Dans l'article 14/2, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le point 2° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 2° la zone volume pour laquelle l'autorisation est demandée. ".
Art. 13. In artikel 14/3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 4° wordt het woord "gebied" vervangen door het woord "volumegebied";
  2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
  "8° voor het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, en tien kilometer daarbuiten, een overzicht van alle verleende vergunningen, vermeld in hoofdstuk II, III en III/1 van het decreet van 8 mei 2009, alle verleende vergunningen, vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, en alle vergunningen voor de ondergrondse berging van radioactief afval, met inbegrip van een modellering die de drukeffecten van de voorgenomen activiteit in de ondergrond op korte en lange afstand duidelijk maakt met het oog op mogelijke drukinteracties tussen de bestaande en de geplande activiteiten.".
Art. 13. A l'article 14/3, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 4°, le mot " zone " est remplacé par les mots " zone volume " ;
  2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  " 8° pour la zone volume faisant l'objet de la demande et à un périmÚtre de dix kilomÚtres de celle-ci, un aperçu de toutes les autorisations accordées, visées aux chapitres II, III et III/1 du décret du 8 mai 2009, de toutes les autorisations accordées, visées à la loi du 18 juillet 1975 relative à la prospection et à l'exploitation des sites-réservoirs souterrains destinés au stockage de gaz, et de toutes les autorisations pour le stockage souterrain de déchets radioactifs, y compris une modélisation explicitant les effets de la pression de l'activité envisagée dans le sous-sol à courte et longue distance en vue d'interactions potentielles de pression entre les activités existantes et prévues. ".
Art. 14. Artikel 14/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 14/7. Een aanvraag voor een opslagvergunning wordt ingediend bij de minister met een beveiligde zending. Als de beveiligde zending gebeurt in de vorm van een analoge zending wordt de aanvraag ook op een elektronische drager ingediend, inclusief het kaartenmateriaal in shape-, grid-, dwg-, dxf- of dgn-formaat.".
Art. 14. L'article 14/7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 14/7. La demande d'une autorisation de stockage est adressée au Ministre par envoi sécurisé. Si l'envoi sécurisé se fait sous la forme d'un envoi analogue, la demande est également introduite sur support électronique, y compris le matériel cartographique en format shape, grid, dwg, dxf ou dgn. ".
Art. 15. In artikel 14/8, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° het volumegebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;".
Art. 15. Dans l'article 14/8, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° la zone volume pour laquelle l'autorisation est demandée ; ".
Art. 16. In artikel 14/9, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt punt 16° vervangen door wat volgt:
  "16° voor het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, en tien kilometer daarbuiten, een overzicht van alle verleende vergunningen, vermeld in hoofdstuk II, III en III/1 van het decreet van 8 mei 2009, alle verleende vergunningen, vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, en alle vergunningen voor de ondergrondse berging van radioactief afval, met inbegrip van een modellering die de drukeffecten van de voorgenomen activiteit in de ondergrond op korte en lange afstand duidelijk maakt met het oog op mogelijke drukinteracties tussen de bestaande en de geplande activiteiten.".
Art. 16. Dans l'article 14/9, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le point 16° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 16° pour la zone volume faisant l'objet de la demande et à un périmÚtre de dix kilomÚtres de celle-ci, un aperçu de toutes les autorisations accordées, visées aux chapitres II, III et III/1 du décret du 8 mai 2009, de toutes les autorisations accordées, visées à la loi du 18 juillet 1975 relative à la prospection et à l'exploitation des sites-réservoirs souterrains destinés au stockage de gaz, et de toutes les autorisations pour le stockage souterrain de déchets radioactifs, y compris une modélisation explicitant les effets de la pression de l'activité envisagée dans le sous-sol à courte et longue distance en vue d'interactions potentielles de pression entre les activités existantes et prévues. ".
Art. 17. In artikel 14/16, § 2 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 17. Dans l'article 14/16, §§ 2 et 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 18. In artikel 14/17, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" telkens vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 18. Dans l'article 14/17, § 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 19. In artikel 14/19 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" telkens vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 19. Dans l'article 14/19 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 20. In artikel 14/21, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 20. Dans l'article 14/21, § 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 21. In artikel 14/22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende" vervangen door de woorden "met een beveiligde".
Art. 21. Dans l'article 14/22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 22. In artikel 14/23 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie" vervangen door de zinsnede "de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen".
Art. 22. Dans l'article 14/23 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, le membre de phrase " la division compĂ©tente pour les ressources naturelles, du DĂ©partement de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie " est remplacĂ© par le membre de phrase " la division compĂ©tente pour les ressources naturelles ".
Art. 23. In artikel 14/24, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 23. Dans l'article 14/24, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e adressĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© adressĂ© ".
Art. 24. In artikel 14/25, § 1 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 24. Dans l'article 14/25, §§ 1er et 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e adressĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© adressĂ© " et les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 25. In artikel 14/26, § 1 en § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden "per aangetekende brief" vervangen door de woorden "met een beveiligde zending".
Art. 25. Dans l'article 14/26, §§ 1er et 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, les mots " par lettre recommandĂ©e adressĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© adressĂ© " et les mots " par lettre recommandĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par envoi sĂ©curisĂ© ".
Art. 26. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt een hoofdstuk 2/2, dat bestaat uit artikel 14/28 tot en met 14/39, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 2/2. - Het opsporen en het winnen van aardwarmte
  Afdeling 1. - Het indienen van een vergunningsaanvraag
  Art. 14/28. Een aanvraag van een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte wordt ingediend bij de minister met een beveiligde zending. Als de beveiligde zending gebeurt in de vorm van een analoge zending wordt de aanvraag ook op een elektronische drager ingediend, inclusief het kaartenmateriaal in shape-, grid-, dwg-, dxf- of dgn-formaat.
  Art. 14/29. § 1. De aanvraag vermeldt de volgende gegevens:
  1° de voornaam, de achternaam, het beroep, de woonplaats en de nationaliteit van de aanvrager als de aanvrager een natuurlijke persoon is;
  2° de naam, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel, de statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van de aanvraag, en de contactgegevens van een contactpersoon, als de aanvrager een rechtspersoon is.
  Als de aanvrager een buitenlandse natuurlijke persoon of rechtspersoon is, kiest hij een adres in België, dat dienst doet als correspondentieadres.
  § 2. Naast de gegevens, vermeld in paragraaf 1, bevat de aanvraag de volgende gegevens:
  1° de aard van de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;
  2° het volumegebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;
  3° de duur waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, en een motivering daarvoor, alsook een raming van de hoeveelheid winbare aardwarmte en van de hoeveelheid aardwarmte die zal worden gewonnen, inclusief de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses, als het een aanvraag van een winningsvergunning voor aardwarmte betreft.
  Art. 14/30. De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
  1° een nota met de gegevens op basis waarvan beoordeeld kan worden hoe de aanvrager zich voorneemt de nodige technische middelen te verwerven voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Die nota bevat ten minste de volgende gegevens:
  a) een beschrijving van de technische middelen waarover de aanvrager beschikt en die aangewend zullen worden bij de uitvoering van en het toezicht op de activiteiten;
  b) in voorkomend geval, een beschrijving van de technische middelen die, zodra de vergunning is verleend, door een derde partij aan de aanvrager ter beschikking zullen worden gesteld voor de uitvoering van en het toezicht op de activiteiten;
  c) in voorkomend geval, de technische middelen van de rechtspersonen waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is, of die behoren tot de groep waartoe de aanvrager behoort, als blijkt dat die technische middelen ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager;
  2° een nota met de gegevens op basis waarvan beoordeeld kan worden hoe de aanvrager zich voorneemt de nodige financiële middelen te verwerven voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Die nota bevat ten minste de volgende gegevens:
  a) de jaarrekeningen van de laatste drie jaar. Als de aanvrager kan aantonen dat hij niet in staat is die documenten te verstrekken, kan hem worden toegestaan andere geschikte gegevens voor te leggen op basis waarvan zijn financiële soliditeit beoordeeld kan worden;
  b) een beschrijving van de wijze waarop de aanvrager zich voorneemt de voorgenomen activiteiten te financieren;
  c) in voorkomend geval, de financiële middelen van de rechtspersonen waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is, of die behoren tot de groep waartoe de aanvrager behoort, als blijkt dat die financiële middelen ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager;
  3° een overzicht van de relevante professionele ervaring, met inbegrip van relevante opsporings- en winningsactiviteiten met telkens een korte beschrijving van die activiteiten, en de technische ontwikkeling en training van de aanvrager en van alle personeel, of van de personen die door een derde partij ter beschikking zullen worden gesteld van de aanvrager zodra de vergunning is verleend;
  4° een digitaal plan met een relevante en werkbare schaal, waarop de grenzen van het volumegebied zijn aangeduid. Het plan vermeldt waar de aanvrager van plan is om geologisch onderzoek te verrichten, inclusief de geologische lagen en de stratigrafische intervallen, en geeft een raming van het aantal, de locatie, de diepte en de methode van de voorgenomen boringen, en de ligging van de seismische tracés en de voorgenomen techniek van het seismische onderzoek;
  5° een nota met daarin een uitvoerige beschrijving van de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
  6° een tijdschema van alle voorgenomen activiteiten, inclusief een raming van de investeringen, van de kosten en, in geval van winning, van de opbrengsten en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
  7° een geologische nota met daarin een beschrijving van de lokale en regionale geologie, en bovendien op zijn minst:
  a) een beschrijving van de verkenningsonderzoeken of andere geologische gegevens waarmee de aanvraag onderbouwd is, de interpretatie van die gegevens en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses als het gaat om een aanvraag van een opsporingsvergunning voor aardwarmte of een aanvraag van een winningsvergunning voor aardwarmte die niet volgt op een voorafgaande opsporingsvergunning voor aardwarmte;
  b) een overzicht van de resultaten die voortvloeien uit de voorafgaande opsporingsvergunning als het gaat om een aanvraag van een winningsvergunning voor aardwarmte die volgt op een voorafgaande opsporingsvergunning voor aardwarmte;
  8° een ontwerp van winningsplan voor aardwarmte als het een aanvraag van een winningsvergunning voor aardwarmte betreft;
  9° een nota met daarin een beschrijving van de impact van de geplande activiteiten op het milieu en de boven- en ondergrondse omgeving, en een beschrijving van de middelen die zullen worden aangewend om die impact tot een minimum te beperken;
  10° voor het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, en tien kilometer daarbuiten, een overzicht van alle verleende vergunningen, vermeld in hoofdstuk II, III en III/1 van het decreet van 8 mei 2009, alle verleende vergunningen, vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, en alle vergunningen voor de ondergrondse berging van radioactief afval, met inbegrip van een modellering die de effecten van de voorgenomen activiteit in de ondergrond op korte en lange afstand duidelijk maakt met het oog op mogelijke interacties tussen de bestaande en de geplande activiteiten;
  11° een nota met daarin een beschrijving van de mate waarin de gewonnen aardwarmte efficiënt en duurzaam zal worden aangewend.
  De minister kan op elk moment aanvullende informatie vragen als hij dat voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk acht.
  Afdeling 2. - De behandeling van een vergunningsaanvraag
  Art. 14/31. In geval van toepassing van artikel 63/2 of 63/4 van het decreet van 8 mei 2009 neemt de minister het initiatief om een uitnodiging te publiceren in het Belgisch Staatsblad.
  De Vlaamse Regering neemt, op voorstel van de minister, een beslissing over de vergunningsaanvragen binnen een termijn van honderdtwintig dagen na het aflopen van de termijn van negentig dagen, vermeld in artikel 63/2, § 2, of in artikel 63/4, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009.
  Art. 14/32. § 1. In geval van toepassing van artikel 63/3, § 1, 1°, 4° en 5°, van het decreet van 8 mei 2009 neemt de Vlaamse Regering, op voorstel van de minister, een beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van honderdtwintig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is.
  In geval van toepassing van artikel 63/3, § 1, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 deelt de minister binnen een termijn van zestig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is, aan de aanvrager mee dat de vergunningsaanvraag afgewezen wordt omdat er voor dat volumegebied al een soortgelijke vergunning of een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag, als vermeld in hoofdstuk III van het decreet van 8 mei 2009, is verleend.
  In geval van toepassing van artikel 63/3, § 1, 3°, van het decreet van 8 mei 2009 deelt de minister binnen een termijn van honderdtwintig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is, aan de aanvrager mee dat de Vlaamse Regering het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, niet openstelt voor de opsporing of de winning van aardwarmte.
  § 2. In geval van toepassing van artikel 63/3, § 2, 1°, van het decreet van 8 mei 2009 nodigt de minister de houders van vergunningen voor eventuele aangrenzende volumegebieden uit om binnen een termijn van negentig dagen ook een aanvraag in te dienen of hun opmerkingen mee te delen. De Vlaamse Regering neemt, op voorstel van de minister, een beslissing over de vergunningsaanvragen binnen een termijn van honderdtwintig dagen na het aflopen van de termijn van negentig dagen waarin de andere vergunninghouders ook een aanvraag konden indienen of hun opmerkingen konden meedelen.
  In geval van toepassing van artikel 63/3, § 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 wordt de procedure, vermeld in artikel 63/2 van het voormelde decreet, niet gevolgd. Als de aanvrager de houder is van de reeds verleende vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of opslagvergunning, beoordeelt de minister in het bijzonder of de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, gecombineerd kan worden met de reeds vergunde activiteit, en neemt de Vlaamse Regering, op voorstel van de minister, een beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van honderdtwintig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is. Als de aanvrager niet de houder is van de reeds verleende vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of opslagvergunning, deelt de minister binnen een termijn van zestig dagen nadat de aanvraag ingediend is en volledig bevonden is, aan de aanvrager mee dat de vergunningsaanvraag afgewezen wordt omdat de aanvraag betrekking heeft op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al aan een ander een vergunning voor het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen als vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 8 mei 2009, een opslagvergunning als vermeld in hoofdstuk III van het decreet van 8 mei 2009, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval of een vergunning als vermeld in de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas, is verleend.
  Art. 14/33. Een besluit van de Vlaamse Regering waarbij een vergunning wordt verleend of geweigerd, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Afdeling 3. - Vergunningscriteria
  Art. 14/34. § 1. Bij de beoordeling van de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de nodige technische middelen te verwerven voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd als vermeld in artikel 63/6, eerste lid, 1°, van het decreet van 8 mei 2009, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende criteria:
  1° de technische middelen waarover de aanvrager beschikt en die aangewend zullen worden bij de uitvoering van en het toezicht op de activiteiten;
  2° in voorkomend geval, de technische middelen en de relevante professionele ervaring die door een derde partij ter beschikking zullen worden gesteld zodra de vergunning is verleend;
  3° in voorkomend geval, de technische middelen en de relevante professionele ervaring van de rechtspersonen waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is, of die behoren tot de groep waartoe de aanvrager behoort, als blijkt dat die technische middelen en relevante professionele ervaring ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager.
  § 2. Bij de beoordeling van de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de nodige financiële middelen te verwerven voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd als vermeld in artikel 63/6, eerste lid, 1°, van het decreet van 8 mei 2009, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende criteria:
  1° de financiële middelen waarover de aanvrager beschikt;
  2° de wijze waarop de aanvrager de voorgenomen activiteiten zal financieren;
  3° in voorkomend geval, de financiële middelen van de rechtspersonen waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is, of die behoren tot de groep waartoe de aanvrager behoort, als blijkt dat die financiële middelen ter beschikking staan of zullen staan van de aanvrager.
  § 3. Bij de beoordeling van de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten te verrichten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd als vermeld in artikel 63/6, eerste lid, 2°, van het decreet van 8 mei 2009, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende criteria:
  1° de mate waarin de geplande activiteiten beantwoorden aan een efficiënte en rationele opsporing of winning van aardwarmte;
  2° de geologische onderbouwing en de praktische uitvoerbaarheid van de geplande activiteiten;
  3° de impact van de geplande activiteiten op het milieu en de boven- en ondergrondse omgeving, en de middelen die zullen worden aangewend om die impact tot een minimum te beperken;
  4° de rentabiliteit van de geplande activiteiten.
  Afdeling 4. - Het winnen van koolwaterstoffen en andere stoffen die onvermijdelijk meekomen met het winnen van aardwarmte
  Art. 14/35. In geval van toepassing van artikel 63/8, § 1, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 zijn artikel 13 en 14 van dit besluit van overeenkomstige toepassing.
  Afdeling 5. - Bewijsstukken met betrekking tot de vereiste middelen en professionele ervaring
  Art. 14/36. Ter uitvoering van artikel 63/9 van het decreet van 8 mei 2009 bezorgt de houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van aardwarmte aan de minister bewijsstukken dat hij over de nodige technische en financiële middelen en relevante professionele ervaring beschikt, eventueel door samenwerking met een derde partij, om de activiteiten te verrichten waarvoor de vergunning is verleend. Die verplichting geldt zowel voor de aanleg van boorgaten voor het opsporen van aardwarmte als voor de eventuele aanleg van bijkomende boorgaten voor het winnen van aardwarmte.
  De minister stuurt zijn instemming naar de vergunninghouder binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid.
  Na de ontvangst van de instemming van de minister mag de vergunninghouder boorgaten voor het opsporen of winnen van aardwarmte aanleggen, op voorwaarde dat hij voldoet aan alle andere toepasselijke regelgeving en vergunningsplichten.
  Afdeling 6. - Het winningsplan voor aardwarmte
  Art. 14/37. Samen met de aanvraag van een winningsvergunning voor aardwarmte wordt een ontwerp van een winningsplan voor aardwarmte als vermeld in artikel 63/12 van het decreet van 8 mei 2009, ingediend bij de minister.
  Het ontwerp van winningsplan voor aardwarmte bevat minstens de volgende gegevens:
  1° een beschrijving van de verwachte hoeveelheid winbare aardwarmte (in J) en de hoeveelheid aardwarmte die daarvan gewonnen zal worden en de spreiding ervan, onderverdeeld in totaal reservoir en verwachte productieve zones, het verwachte thermisch of elektrisch vermogen, het verwachte debiet bij vollast, het aantal vollasturen, de beoogde productie- en injectietemperatuur, de pompdruk bij de putten en de hoeveelheid energie die het systeem vergt;
  2° een beschrijving van de structuur van het geothermisch reservoir, onderverdeeld in totaal reservoir en verwachte productieve zones, met de bijbehorende gedetailleerde geologische, geochemische, geofysische en petrofysische studies en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
  3° een beschrijving van de wijze en duur van de winning en de daarmee verband houdende activiteiten, inclusief de technieken die daarbij worden gebruikt;
  4° een planning van het aantal boorgaten dat bij de winning gebruikt zal worden, met vermelding van het beoogde gebruik (productieput of injectieput), inclusief de ligging en het ondergrondse traject en de gedetailleerde technische specificaties ervan;
  5° een planning van de volgorde en het tijdsbestek van het maken van de boorgaten;
  6° een opgave van de plaats waar en de wijze waarop het warm water in de verbuizing treedt;
  7° een raming van de samenstelling en hoeveelheid van de stoffen die jaarlijks onvermijdelijk bij de winning van aardwarmte meekomen;
  8° een raming van de hoeveelheden onvermijdelijk gewonnen koolwaterstoffen die jaarlijks bij de winning van aardwarmte in de ondergrond worden teruggebracht of bovengronds worden gebruikt, afgeblazen of afgefakkeld;
  9° een raming van de samenstelling en hoeveelheden van andere onvermijdelijk gewonnen stoffen dan koolwaterstoffen, die jaarlijks bij de winning van aardwarmte in de ondergrond worden teruggebracht of aan de oppervlakte worden afgevoerd;
  10° een raming van de jaarlijkse kosten van de winning, onderverdeeld in kosten voor investeringen, onderhoud en bedrijfsvoering;
  11° een raming van de kosten voor het veilig afsluiten en verlaten van de boorgaten;
  12° een risicoanalyse met betrekking tot bodembeweging als gevolg van de winning van aardwarmte;
  13° een beschrijving van de mogelijke omvang en de verwachte aard van de schade door bodembeweging;
  14° een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om bodembeweging en de daaruit voortvloeiende schade te voorkomen of te beperken.
  Samen met het besluit waarbij de Vlaamse Regering een winningsvergunning voor aardwarmte verleent, hecht de minister zijn goedkeuring aan het winningsplan voor aardwarmte. De minister kan beperkingen en voorwaarden verbinden aan zijn goedkeuring.
  Een aanvraag tot wijziging of actualisering van het winningsplan voor aardwarmte wordt, voorzien van de nodige motivering, met een beveiligde zending ter goedkeuring bij de minister ingediend. De minister kan zelf ook wijzigingen of actualiseringen van het winningsplan voor aardwarmte opleggen.
  Afdeling 7. - Het meten van bodembeweging
  Art. 14/38. § 1. In geval van toepassing van artikel 63/14, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 worden de metingen die de houder van een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte moet verrichten om de kans op bodembeweging als gevolg van het opsporen of winnen van aardwarmte in te schatten, verricht overeenkomstig een meetplan.
  In voorkomend geval wordt na het verlenen van de opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte een ontwerp van een meetplan ingediend bij de minister.
  Het meetplan beslaat de duur van de opsporings- of winningsvergunning.
  § 2. Het meetplan bevat minstens de volgende gegevens:
  1° een beschrijving van de tijdstippen waarop de metingen worden verricht, waarbij een van die tijdstippen voor de aanvang van de opsporing of winning valt, of een beschrijving van het tijdstip van de aanvang van de metingen in geval van continue metingen;
  2° de plaatsen waar gemeten wordt;
  3° de gehanteerde meetmethoden;
  4° een inschatting van de kans op schade door bodembeweging als gevolg van het opsporen of winnen van aardwarmte.
  § 3. In voorkomend geval hecht de minister zijn goedkeuring aan het meetplan of wijst hij het meetplan af binnen een termijn van zestig dagen nadat het is ingediend. De minister kan beperkingen en voorwaarden verbinden aan zijn goedkeuring.
  In voorkomend geval wordt de verleende opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte van rechtswege geschorst tot het meetplan door de minister is goedgekeurd.
  § 4. Tijdens de duur van de opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan tweejaarlijks geactualiseerd, en tijdens de duur van de winningsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan vijfjaarlijks geactualiseerd. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld. Als de minister niet akkoord gaat met die actualiseringen, meldt hij dat binnen een termijn van zestig dagen aan de houder van de vergunning. De minister kan ook altijd zelf actualiseringen van het meetplan opleggen.
  § 5. De houder van de vergunning draagt er zorg voor dat de metingen op een nauwkeurige en betrouwbare wijze verricht worden.
  De resultaten van de metingen worden jaarlijks aan de minister gerapporteerd.
  De minister kan de houder van de opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte altijd maatregelen opleggen om de kans op bodembeweging te verminderen, of om de gevolgen ervan ongedaan te maken of te beperken.
  Afdeling 8. - De wijziging, overdracht of afstand van een vergunning
  Art. 14/39. Een aanvraag van een wijziging, een overdracht of een afstand van een vergunning wordt met een beveiligde zending ingediend bij de minister. De aanvraag wordt gemotiveerd.
  De Vlaamse Regering doet, op voorstel van de minister, binnen een termijn van honderdtwintig dagen een uitspraak over de aanvraag.".
Art. 26. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, il est insĂ©rĂ© un chapitre 2/2, comprenant les articles 14/28 Ă  14/39 inclus, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " CHAPITRE 2/2. - La prospection et l'exploitation d'énergie géothermique
  Section 1re. - Introduction d'une demande d'autorisation
  Art. 14/28. La demande d'une autorisation de prospection ou d'exploitation d'énergie géothermique est introduite auprÚs du Ministre par envoi sécurisé. Si l'envoi sécurisé se fait sous la forme d'un envoi analogue, la demande est également introduite sur support électronique, y compris le matériel cartographique en format shape, grid, dwg, dxf ou dgn.
  Art. 14/29. § 1er. La demande comprend les éléments suivants :
  1° le prénom, le nom, la profession, le domicile et la nationalité du demandeur si le demandeur est une personne physique ;
  2° le nom, la forme juridique, le siÚge social, les statuts et les documents attestant les pouvoirs des signataires de la demande, ainsi que les données de contact d'une personne de contact, si le demandeur est une personne morale.
  Si le demandeur est une personne physique ou morale étrangÚre, il est tenu d'élire une adresse en Belgique faisant office d'adresse de correspondance.
  § 2. Outre les données, visées au paragraphe 1er, la demande comporte les données suivantes :
  1° la nature de l'activité pour laquelle l'autorisation est demandée ;
  2° la zone volume pour laquelle l'autorisation est demandée ;
  3° la durée pour laquelle l'autorisation est demandée et sa motivation, ainsi qu'une estimation de la quantité d'énergie géothermique exploitable et de la quantité d'énergie géothermique qui sera exploitée, y compris les analyses d'incertitude adoptées dans ce contexte, s'il s'agit d'une autorisation d'exploitation d'énergie géothermique.
  Art. 14/30. Les documents suivants sont joints à la demande :
  1° une note contenant les données sur la base desquelles on pourra évaluer la maniÚre dont le demandeur compte acquérir les moyens techniques nécessaires pour les activités pour lesquelles l'autorisation est demandée. Cette note comporte au moins les données suivantes :
  a) une description des moyens techniques dont dispose le demandeur et qui seront utilisés pour l'exécution et le suivi des activités ;
  b) le cas échéant, une description des moyens techniques qui, dÚs que l'autorisation sera accordée, seront mis à disposition du demandeur par une tierce partie, pour l'exécution et le suivi des activités ;
  c) le cas échéant, les moyens techniques des personnes morales auxquelles le demandeur ressortit en tant que filiale, ou faisant partie du groupe auquel le demandeur ressortit, pour autant que ces moyens techniques sont ou seront à la disposition du demandeur ;
  2° une note contenant les données sur la base desquelles on pourra évaluer la maniÚre dont le demandeur compte acquérir les ressources financiÚres nécessaires pour les activités pour lesquelles l'autorisation est demandée. Cette note comporte au moins les données suivantes :
  a) les comptes annuels des trois derniĂšres annĂ©es. Si le demandeur peut dĂ©montrer qu'il n'est pas en mesure de fournir ces documents, il peut ĂȘtre autorisĂ© de prouver sa soliditĂ© financiĂšre au moyen d'autres donnĂ©es appropriĂ©es ;
  b) une description de la façon dont le demandeur compte financer les activités envisagées ;
  c) le cas échéant, les ressources financiÚres des personnes morales auxquelles le demandeur ressortit en tant que filiale, ou faisant partie du groupe auquel le demandeur ressortit, pour autant que ces ressources financiÚres sont ou seront à la disposition du demandeur ;
  3° un aperçu de l'expérience professionnelle, y compris les activités pertinentes de prospection ou d'exploitation, accompagné d'une description sommaire de ces activités, et le développement technique et le training du demandeur et de tous les membres du personnel, ou des personnes qui seront mises à disposition du demandeur par une tierce partie dÚs que l'autorisation sera accordée ;
  4° un plan numĂ©rique Ă  une Ă©chelle adĂ©quate et maniable, sur lequel les limites de la zone volume sont indiquĂ©es. Le plan prĂ©cise le lieu oĂč le demandeur a l'intention de faire des examens gĂ©ologiques, y compris l'indication des couches gĂ©ologiques et des intervalles stratigraphiques, une estimation du nombre, de l'endroit, de la profondeur et de la mĂ©thode des forages envisagĂ©s, la situation des tracĂ©s sĂ©ismiques et la technique envisagĂ©e pour l'examen sĂ©ismique ;
  5° une note contenant une description exhaustive de la façon dont le demandeur envisage d'exécuter les activités pour lesquelles l'autorisation est demandée ;
  6° un calendrier de toutes les activités envisagées, y compris une estimation des investissements, des frais et, en cas d'exploitation, des rapports, et les analyses d'incertitude adoptées dans ce contexte ;
  7° une note géologique contenant une description de la géologie locale et régionale et en outre au moins :
  a) une description des examens de prospection ou d'autres données géologiques étayant la demande, l'interprétation de ces données et les analyses d'incertitude adoptées dans ce contexte lorsqu'il s'agit d'une demande d'autorisation de prospection d'énergie géothermique ou d'une demande d'autorisation d'exploitation d'énergie géothermique qui ne suit pas une demande de prospection précédente pour l'énergie géothermique ;
  b) un aperçu des résultats de l'autorisation de prospection précédente lorsqu'il s'agit d'une demande d'autorisation d'exploitation d'énergie géothermique qui suit une autorisation de prospection précédente pour l'énergie géothermique ;
  8° un projet de plan d'exploitation d'énergie géothermique lorsqu'il s'agit d'une autorisation d'exploitation d'énergie géothermique ;
  9° une note contenant une description de l'impact des activités envisagées sur l'environnement et l'entourage de surface et souterrain, et une description des moyens qui seront affectés à réduire cet impact à un minimum ;
  10° pour la zone volume faisant l'objet de la demande et à un périmÚtre de dix kilomÚtres de celle-ci, un aperçu de toutes les autorisations accordées, visées aux chapitres II, III et III/1 du décret du 8 mai 2009, de toutes les autorisations accordées, visées à la loi du 18 juillet 1975 relative à la prospection et à l'exploitation des sites-réservoirs souterrains destinés au stockage de gaz, et de toutes les autorisations pour le stockage souterrain de déchets radioactifs, y compris une modélisation explicitant les effets de l'activité envisagée dans le sous-sol à courte et longue distance en vue d'interactions potentielles entre les activités existantes et prévues ;
  11° une note contenant une description de la mesure oĂč l'Ă©nergie gĂ©othermique captĂ©e sera utilisĂ©e efficacement et durablement.
  Le Ministre peut à tout moment demander des informations supplémentaires lorsqu'il le juge nécessaire pour l'évaluation de la demande.
  Section 2. - Traitement d'une demande d'autorisation
  Art. 14/31. Lors de l'application de l'article 63/2 ou 63/4 du décret du 8 mai 2009, le Ministre prend l'initiative de publier une invitation dans le Moniteur belge.
  Le Gouvernement flamand, sur la proposition du Ministre, prend une décision sur les demandes d'autorisation dans un délai de cent vingt jours aprÚs l'échéance du délai de quatre-vingt-dix jours, visé à l'article 63/2, § 2 ou à l'article 63/4, alinéa deux du décret du 8 mai 2009.
  Art. 14/32. § 1er. Lors de l'application de l'article 63/3, § 1er, 1°, 4° et 5°, du décret du 8 mai 2009, le Gouvernement flamand, sur la proposition du Ministre, prend une décision sur la demande d'autorisation dans un délai de cent vingt jours aprÚs l'introduction d'un dossier de demande jugé complet.
  Lors de l'application de l'article 63/3, § 1er, 2° du décret du 8 mai 2009, le Ministre notifie au demandeur dans un délai de soixante jours aprÚs l'introduction d'un dossier de demande jugé complet que la demande d'autorisation est rejetée parce qu'une autorisation similaire ou une autorisation de prospection pour le stockage de dioxyde de carbone pour cette zone volume a déjà été accordée, telle que visée au chapitre III du décret du 8 mai 2009.
  Lors de l'application de l'article 63/3, § 1er, 3° du décret du 8 mai 2009, le Ministre notifie au demandeur dans un délai de cent vingt jours aprÚs l'introduction d'un dossier de demande jugé complet que le Gouvernement flamand renonce à ouvrir la zone volume faisant l'objet de la demande à la prospection ou à l'exploitation d'énergie géothermique.
  § 2. Lors de l'application de l'article 63/3, § 2, 1° du décret du 8 mai 2009, le Ministre invite les titulaires d'autorisations pour d'éventuelles zones volume limitrophes à aussi introduire une demande ou communiquer leurs remarques dans un délai de quatre-vingt-dix jours. Sur la proposition du Ministre, le Gouvernement flamand prend une décision sur les demandes d'autorisation dans un délai de cent vingt jours aprÚs l'échéance du délai de quatre-vingt-dix jours endéans lesquels les autres titulaires d'autorisation pouvaient aussi introduire une demande ou communiquer leurs remarques.
  Lors de l'application de l'article 63/3, § 2, 2° du dĂ©cret du 8 mai 2009, la procĂ©dure visĂ©e Ă  l'article 63/2 du dĂ©cret prĂ©citĂ©, n'est pas suivie. Lorsque le demandeur est le titulaire de l'autorisation de prospection ou d'exploitation d'hydrocarbures ou de l'autorisation de stockage dĂ©jĂ  accordĂ©e, le Ministre Ă©value en particulier si l'activitĂ© pour laquelle l'autorisation est demandĂ©e, peut ĂȘtre combinĂ©e avec l'activitĂ© dĂ©jĂ  autorisĂ©e, et le Gouvernement flamand, sur la proposition du Ministre, prend une dĂ©cision sur la demande d'autorisation dans un dĂ©lai de cent vingt jours aprĂšs l'introduction d'un dossier de demande jugĂ© complet. Lorsque le demandeur n'est pas le titulaire de l'autorisation de prospection ou d'exploitation d'hydrocarbures ou de l'autorisation de stockage dĂ©jĂ  accordĂ©e, le Ministre notifie au demandeur dans un dĂ©lai de soixante jours aprĂšs l'introduction d'un dossier de demande jugĂ© complet que la demande d'autorisation est rejetĂ©e parce que la demande se rĂ©fĂšre Ă  une zone volume pour laquelle Ă  ce moment une autorisation de prospection ou d'exploitation d'hydrocarbures, telle que visĂ©e au chapitre II du dĂ©cret du 8 mai 2009, ou une autorisation de stockage telle que visĂ©e au chapitre III du dĂ©cret du 8 mai 2009, une autorisation pour le stockage souterrain de dĂ©chets radioactifs ou une autorisation telle que visĂ©e Ă  la loi du 18 juillet 1975 relative Ă  la prospection et Ă  l'exploitation des sites-rĂ©servoirs souterrains destinĂ©s au stockage de gaz, a dĂ©jĂ  Ă©tĂ© octroyĂ©e Ă  quelqu'un d'autre.
  Art. 14/33. Un arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand en vertu duquel une autorisation est accordĂ©e ou refusĂ©e, est publiĂ© au Moniteur belge.
  Section 3. - CritÚres d'autorisation
  Art. 14/34. § 1er. Lors de l'évaluation de la maniÚre dont le demandeur envisage d'acquérir les moyens techniques nécessaires pour les activités pour laquelle l'autorisation est demandée, telle que visée à l'article 63/6, alinéa premier, 1° du décret du 8 mai 2009, il est de toute façon tenu compte des critÚres suivants :
  1° les moyens techniques dont dispose le demandeur et qui seront utilisés pour l'exécution et le suivi des activités ;
  2° le cas échéant, les moyens techniques et l'expérience professionnelle pertinente qui seront mise à disposition par une tierce partie dÚs que l'autorisation sera accordée ;
  3° le cas échéant, les moyens techniques et l'expérience professionnelle pertinente des personnes morales auxquelles le demandeur ressortit en tant que filiale, ou faisant partie du groupe auquel le demandeur ressortit, pour autant que ces moyens techniques et cette expérience professionnelle pertinente sont ou seront à la disposition du demandeur.
  § 2. Lors de l'évaluation de la maniÚre dont le demandeur envisage d'acquérir les ressources financiÚres nécessaires pour les activités pour laquelle l'autorisation est demandée, telle que visée à l'article 63/6, alinéa premier, 1° du décret du 8 mai 2009, il est de toute façon tenu compte des critÚres suivants :
  1° les ressources financiÚres dont dispose le demandeur ;
  2° la façon dont le demandeur financera les activités envisagées ;
  3° le cas échéant, les ressources financiÚres des personnes morales auxquelles le demandeur ressortit en tant que filiale, ou faisant partie du groupe auquel le demandeur ressortit, pour autant que ces ressources financiÚres sont ou seront à la disposition du demandeur.
  § 3. Lors de l'évaluation de la maniÚre dont le demandeur envisage d'exécuter les activités pour laquelle l'autorisation est demandée, visée à l'article 6, alinéa premier, 2° du décret du 8 mai 2009, il est de toute façon tenu compte des critÚres suivants :
  1° la mesure dont les activités envisagées répondent à une prospection ou exploitation efficace et rationnelle d'énergie géothermique ;
  2° l'étayage géologique et la faisabilité pratique des activités envisagées ;
  3° l'impact des activités envisagées sur l'environnement et les alentours aériens et souterrains et les moyens qui seront affectés à réduire cet impact à un minimum ;
  4° la rentabilité des activités envisagées.
  Section 4. - L'exploitation d'hydrocarbures et d'autres substances qui sont inĂ©vitablement collectĂ©s en mĂȘme temps que l'Ă©nergie gĂ©othermique
  Art. 14/35. Lors de l'application de l'article 63/8, § 1er, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 8 mai 2009, les articles 13 et 14 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'appliquent par analogie.
  Section 5. - PiÚces justificatives relatives aux moyens et à l'expérience professionnelle requis
  Art. 14/36. En exécution de l'article 63/9 du décret du 8 mai 2009, le titulaire d'une autorisation de prospection ou d'exploitation d'énergie géothermique transmet au Ministre les piÚces justificatives démontrant qu'il dispose des ressources techniques et financiÚres requises et de l'expérience professionnelle pertinente, éventuellement en collaboration avec une tierce partie, pour procéder aux activités pour lesquelles l'autorisation a été accordée. Cette obligation vaut tant pour l'aménagement de trous de forage pour la prospection d'énergie géothermique que pour l'aménagement éventuel de trous de forage supplémentaires pour l'exploitation d'énergie géothermique.
  Le Ministre envoie son consentement au titulaire de l'autorisation dans un délai de trente jours aprÚs l'introduction des piÚces justificatives, visées à l'alinéa 1er.
  AprÚs la réception du consentement du Ministre, le titulaire de l'autorisation peut aménager des trous de forage pour la prospection ou l'exploitation d'énergie géothermique, à condition qu'il satisfasse à toute autre réglementation et obligation d'autorisation applicable.
  Section 6. - Le plan d'exploitation pour l'énergie géothermique
  Art. 14/37. Un projet de plan d'exploitation d'énergie géothermique, tel que visé à l'article 63/12 du décret du 8 mai 2009, est soumis au Ministre, ensemble avec la demande d'une autorisation d'exploitation d'énergie géothermique.
  Le projet de plan d'exploitation d'énergie géothermique comprend au moins les éléments suivants :
  1° une description de la quantité anticipée d'énergie géothermique exploitable (en J) et la quantité d'énergie géothermique qui sera exploitée, et sa distribution, divisée en réservoir total et zones productives attendues, la puissance thermique ou électrique attendue, le débit attendu à pleine charge, le nombre d'heures à pleine charge, la température de production et d'injection envisagée, la pression de la pompe auprÚs des puits et la quantité d'énergie que le systÚme requiert ;
  2° une description de la structure du réservoir géothermique, divisée en réservoir total et zones productives attendues, assortie des études géologiques, géochimiques, géophysiques et pétrophysiques détaillées y afférentes, ainsi que les analyses d'incertitude adoptées dans ce contexte ;
  3° une description du mode et de la durée de l'exploitation et des activités y afférentes, y compris les techniques utilisées à cet effet ;
  4° un planning du nombre de forages que l'on utilisera lors de l'exploitation, avec mention de l'utilisation envisagée (puits de production ou puits d'injection), y compris leurs endroit et trajet souterrain et leurs spécifications techniques détaillées ;
  5° un planning indiquant l'ordre et le calendrier des forages ;
  6° une indication de l'endroit et de la façon dont l'eau chaude entre dans les tuyauteries ;
  7° une estimation de la composition et de la quantité annuelle de substances inévitablement recueillies lors de l'exploitation d'énergie géothermique ;
  8° une estimation des quantités d'hydrocarbures inévitablement recueillies qui sont annuellement enfouies dans le sous-sol ou utilisées à la surface, soufflées ou brûlées lors de l'exploitation d'énergie géothermique ;
  9° une estimation de la composition et des quantités de substances inévitablement recueillies autres que les hydrocarbures, qui sont annuellement enfouies dans le sous-sol ou évacuées à la surface ;
  10° une estimation des coûts annuels de l'exploitation, ventilée en investissements, entretien et gestion ;
  11° une estimation des frais pour l'obturation et l'abandon sûrs des trous de forage ;
  12° une analyse des risques relative au mouvement du sol résultant de l'exploitation d'énergie géothermique ;
  13° une description de l'ampleur possible et de la nature anticipée des dégùts résultant du mouvement du sol ;
  14° une description des mesures qui sont prises pour prévenir ou limiter le mouvement du sol et les dégùts qui en résultent.
  Le Ministre approuve le plan d'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique en mĂȘme temps que l'arrĂȘtĂ© par lequel le Gouvernement flamand accorde une autorisation d'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique. Le Ministre peut subordonner son approbation Ă  des restrictions et conditions.
  Une demande de modification ou d'actualisation du plan d'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique, dĂ»ment motivĂ©e, est soumise Ă  l'approbation du Ministre par envoi sĂ©curisĂ©. Le Ministre peut lui-mĂȘme aussi imposer des modifications ou actualisations du plan d'exploitation pour l'Ă©nergie gĂ©othermique.
  Section 7. - Le mesurage du mouvement de terrain
  Art. 14/38. § 1er. Lors de l'application de l'article 63/14, alinéa 1er, du décret du 8 mai 2009, les mesurages que le titulaire d'une autorisation de prospection ou d'exploitation d'énergie géothermique doit effectuer afin d'estimer l'éventualité d'un mouvement du sol résultant de la prospection ou de l'exploitation d'énergie géothermique, sont effectués conformément à un plan de mesurage.
  Le cas échéant, un projet de plan de mesurage est introduit auprÚs du Ministre aprÚs l'octroi de l'autorisation de prospection ou d'exploitation d'énergie géothermique.
  Le plan de mesurage couvre la durée de l'autorisation de prospection ou d'exploitation.
  § 2. Le plan de mesurage comprend au moins les données suivantes :
  1° une description des dates auxquelles les mesurages sont effectuĂ©s, une des dates devant ĂȘtre antĂ©rieure au commencement de la prospection ou de l'exploitation, ou une description de la date de commencement des mesurages en cas de mesurages en continu ;
  2° les endroits oĂč les mesurages sont effectuĂ©s ;
  3° les méthodes de mesurage adoptées ;
  4° une estimation de l'éventualité de dégùts dus au mouvement du sol résultant de la prospection ou de l'exploitation d'énergie géothermique.
  § 3. Le cas échéant, le Ministre approuve ou rejette le plan de mesurage dans un délai de soixante jours aprÚs son introduction. Le Ministre peut subordonner son approbation à des restrictions et conditions.
  Le cas échéant, l'autorisation de prospection ou d'exploitation accordée pour l'énergie géothermique est suspendue de plein droit jusqu'à l'approbation du plan de mesurage par le Ministre.
  § 4. Pendant la durĂ©e de l'autorisation de prospection d'Ă©nergie gĂ©othermique, le plan de mesurage est actualisĂ© tous les deux ans et, pendant la durĂ©e de l'autorisation d'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique, le plan de mesurage est actualisĂ© tous les cinq ans. Ces actualisations sont notifiĂ©es au Ministre par envoi sĂ©curisĂ©. Lorsque le Ministre dĂ©sapprouve ces actualisations, il le notifie au titulaire de l'autorisation dans un dĂ©lai de soixante jours. Le Ministre lui-mĂȘme peut aussi imposer des actualisations au plan de mesurage Ă  tout temps.
  § 5. Le titulaire de l'autorisation veille à ce que les mesurages soient effectués de façon correcte et fiable.
  Les résultats des mesurages sont rapportés annuellement au Ministre.
  Le Ministre peut à tout temps imposer des mesures au titulaire de l'autorisation de prospection ou d'exploitation d'énergie géothermique afin de réduire l'éventualité d'un mouvement du sol ou d'en réparer ou réduire les conséquences.
  Section 8. - Modification, transfert ou abandon d'une autorisation
  Art. 14/39. La demande d'une modification, d'un transfert ou d'un abandon d'une autorisation est soumise au Ministre par envoi sécurisé. La demande est motivée.
  Sur la proposition du Ministre, le Gouvernement flamand se prononce sur la demande dans un délai de cent vingt jours. ".
Art. 27. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt een hoofdstuk 2/3, dat bestaat uit artikel 14/40, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 2/3. - Structuurvisie inzake de diepe ondergrond
  Art. 14/40. § 1. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, vraagt aan de federale administraties die bevoegd zijn voor de toepassingen in de diepe ondergrond, vermeld in artikel 63/26, § 2, 1°, d), e) en f), van het decreet van 8 mei 2009, de informatie op die nuttig kan zijn voor de opmaak van een structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  § 2. De minister maakt een ontwerp van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond op en bezorgt dat voor advies aan de federale administraties, vermeld in paragraaf 1, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening.
  § 3. De Vlaamse ministers, vermeld in paragraaf 2, bepalen zelf welke administraties, instellingen en organisaties uit hun bevoegdheidsdomein een advies uitbrengen.
  De Vlaamse ministers, vermeld in paragraaf 2, verlenen een vanuit hun bevoegdheidsdomein of -domeinen gecoördineerd advies.
  De adviezen worden binnen negentig dagen na de datum van de ontvangst van het ontwerp naar de minister gestuurd. Als binnen die termijn geen advies is verleend, wordt het als gunstig beschouwd.
  De adviezen worden verwerkt door de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  § 4. De minister legt het ontwerp samen met de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de principiële vastlegging van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  § 5. Over het principieel vastgelegde ontwerp van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond wordt een raadpleging van de bevolking georganiseerd. De raadpleging wordt uiterlijk één week voor het begin ervan aangekondigd in het Belgisch Staatsblad. De aankondiging wordt ook bekendgemaakt in het gemeentehuis en op de website van elke gemeente.
  Het principieel vastgelegde ontwerp kan worden geraadpleegd op de website van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, en kan bij die afdeling ook worden opgevraagd.
  Binnen een termijn van zestig dagen vanaf het begin van de raadpleging kunnen met een brief of met een e-mail opmerkingen over het principieel vastgelegde ontwerp worden bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. Het adres daarvan wordt vermeld in de aankondiging van de raadpleging. De opmerkingen bevatten een duidelijke vermelding van de auteur en zijn adres en een verwijzing naar de specifieke titel of passage uit het principieel vastgelegde ontwerp waarop ze betrekking hebben.
  § 6. Samen met de raadpleging van de bevolking wordt het principieel vastgelegde ontwerp van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond ter advies voorgelegd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
  De opmerkingen ingevolge de raadpleging van de bevolking en de adviezen van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen worden verwerkt door de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  De minister legt het ontwerp samen met de opmerkingen en de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de definitieve vastlegging van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  § 7. De definitief vastgelegde structuurvisie inzake de diepe ondergrond wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Ze kan in integrale vorm worden geraadpleegd op de website van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
  § 8. De minister evalueert de structuurvisie inzake de diepe ondergrond vijfjaarlijks. Die evaluatie kan aanleiding geven tot een herziening van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond.
  De regels voor de totstandkoming van de structuurvisie inzake de diepe ondergrond zijn ook van toepassing op de herziening ervan.".
Art. 27. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juin 2014, il est insĂ©rĂ© un chapitre 2/3, comprenant l'article 14/40, rĂ©digĂ© comme suit :
  " CHAPITRE 2/3. - Vision structurelle du sous-sol profond
  Art. 14/40. § 1er. La division compĂ©tente pour les ressources naturelles demande aux administrations fĂ©dĂ©rales compĂ©tentes pour les applications dans le sous-sol profond, visĂ©es Ă  l'article 63/26, § 2, 1°, d), e) et f), du dĂ©cret du 8 mai 2009, les informations susceptibles d'ĂȘtre utiles Ă  l'Ă©tablissement d'une vision structurelle du sous-sol profond.
  § 2. Le Ministre établit un projet de vision structurelle du sous-sol profond et le transmet pour avis aux administrations fédérales, visées au paragraphe 1er, et au Ministre flamand compétent pour l'économie, au Ministre flamand compétent pour l'environnement et la politique de l'eau, au Ministre flamand compétent pour la politique énergétique, et au Ministre flamand compétent pour l'aménagement du territoire.
  § 3. Les Ministres flamands visĂ©s au paragraphe 2, dĂ©finissent eux-mĂȘmes quelles administrations, institutions et organisations relevant de leur domaine de compĂ©tence Ă©mettent un avis.
  Les ministres flamands visés au paragraphe 2, émettent un avis coordonné, représentant l'ensemble de leur(s) domaine(s) de compétence.
  Les avis sont envoyés au Ministre dans les quatre-vingt-dix jours aprÚs la date de réception du projet. Faute d'avis endéans ce délai, il est considéré comme favorable par rapport au projet.
  Les avis sont traités par la division compétente pour les ressources naturelles, et peuvent donner lieu à une adaptation du projet de vision structurelle du sous-sol profond.
  § 4. Le Ministre soumet le projet avec les avis émis au Gouvernement flamand en vue de la fixation de principe de la vision structurelle du sous-sol profond.
  § 5. Une consultation populaire est organisée à propos du projet de principe de la vision structurelle du sous-sol profond. La consultation est annoncée dans le Moniteur belge au plus tard une semaine avant le début de celle-ci. L'annonce est aussi affichée à la maison communale et sur le site web de chaque commune.
  Le projet de principe peut ĂȘtre consultĂ© sur le site web de la division compĂ©tente pour les richesses naturelles et peut Ă©galement ĂȘtre rĂ©clamĂ© auprĂšs de cette division.
  Les remarques Ă  propos du projet de principe peuvent ĂȘtre envoyĂ©es Ă  la division compĂ©tente pour les ressources naturelles endĂ©ans un dĂ©lai de soixante jours Ă  partir de la date du dĂ©but de la consultation, soit par lettre, soit par e-mail. L'adresse Ă  laquelle les remarques peuvent ĂȘtre envoyĂ©es est mentionnĂ©e dans l'annonce de la consultation. Les remarques doivent inclure une mention claire de l'auteur et de son adresse ainsi qu'une rĂ©fĂ©rence au titre ou au passage spĂ©cifique du projet de principe auquel elles ont trait.
  § 6. Le projet de principe de la vision structurelle du sous-sol profond, assorti des résultats de la consultation populaire, est soumis à l'avis du " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " et du " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ".
  Les remarques issues de la consultation populaire et les avis du " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " et du " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " sont traitées par la division compétente pour les ressources naturelles et peuvent conduire à une adaptation du projet de la vision structurelle du sous-sol profond.
  Le Ministre soumet le projet avec les remarques et les avis émis au Gouvernement flamand en vue de la fixation définitive de la vision structurelle du sous-sol profond.
  § 7. La vision structurelle dĂ©finitive du sous-sol profond est publiĂ©e par extrait au Moniteur belge. Elle peut ĂȘtre consultĂ©e dans son intĂ©gralitĂ© sur le site web de la division compĂ©tente pour les ressources naturelles.
  § 8. Le Ministre évalue la vision structurelle du sous-sol profond tous les cinq ans. Cette évaluation peut donner lieu à une révision de la vision structurelle du sous-sol profond.
  Les rÚgles applicables à l'établissement de la vision structurelle du sous-sol profond s'appliquent également à leur révision. ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van diverse besluiten
Section 2. - Modification de divers arrĂȘtĂ©s
Art. 28. Aan artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen die het grondwater kunnen verontreinigen, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir, op voorwaarde dat dergelijke injecties van water plaatsvinden conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.".
Art. 28. L'article 2, alinĂ©a premier, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 rĂ©glementant les opĂ©rations susceptibles de polluer les eaux souterraines, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, est complĂ©tĂ© par un point 4°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 4° la rĂ©injection de l'eau puisĂ©e lors de l'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique dans le mĂȘme rĂ©servoir gĂ©othermique, Ă  condition que de pareilles rĂ©injections d'eau aient lieu conformĂ©ment au dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond. ".
Art. 29. Aan artikel 4.3.1.1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir, op voorwaarde dat dergelijke injecties van water plaatsvinden conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.".
Art. 29. L'article 4.3.1.1., § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre de l'hygiĂšne de l'environnement, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011, est complĂ©tĂ© par un point 5°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 5° la rĂ©injection de l'eau puisĂ©e lors de l'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique dans le mĂȘme rĂ©servoir gĂ©othermique, Ă  condition que de pareilles rĂ©injections d'eau aient lieu conformĂ©ment au dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond. ".
Art. 30. Bijlage XXIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 30. L'annexe XXIV Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 et remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, est remplacĂ©e par l'annexe 1re, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 31. Bijlage XXV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 31. L'annexe XXV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011, est remplacĂ©e par l'annexe 2, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 32. In bijlage 1, 14°, bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt de zinsnede "400 meter ten opzichte van het TAW-niveau" vervangen door de zinsnede "500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt".
Art. 32. Dans l'annexe 1re, 14°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 fĂ©vrier 2015 portant dĂ©signation des projets flamands et provinciaux en exĂ©cution du dĂ©cret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, le membre de phrase " 400 mĂštres par rapport au niveau DNG (DeuxiĂšme nivellement gĂ©nĂ©ral) " est remplacĂ© par le membre de phrase " 500 mĂštres par rapport au point de rĂ©fĂ©rence DNG (DeuxiĂšme nivellement gĂ©nĂ©ral) ".
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 33. De volgende regelgevende teksten treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad:
  1° het decreet van 25 maart 2016 tot wijziging van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, wat betreft het invoegen van een hoofdstuk over het opsporen en het winnen van aardwarmte en een hoofdstuk over een structuurvisie inzake de diepe ondergrond;
  2° dit besluit.
Art. 33. Les textes rĂ©glementaires suivants entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'un dĂ©lai de dix jours, qui prend cours le jour suivant la publication de cet arrĂȘtĂ© au Moniteur belge :
  1° le décret du 25 mars 2016 modifiant le décret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond, pour ce qui est de l'insertion d'un chapitre sur la recherche et l'extraction d'énergie géothermique et d'un chapitre sur une vision structurelle du sous-sol profond ;
  2° le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 34. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 34. Le Ministre flamand ayant l'environnement et la politique des eaux dans ses attributions et le Ministre flamand ayant les ressources naturelles dans ses attributions, sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten, wat betreft het bepalen van de nadere regels voor het opsporen en winnen van aardwarmte en voor het opmaken van een structuurvisie inzake de diepe ondergrond, en tot wijziging van diverse besluiten
  Bijlage XXIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXIV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N1. Annexe 1re Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s, en ce qui concerne la dĂ©termination des modalitĂ©s pour la prospection et l'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique et pour l'Ă©tablissement d'une vision structurelle du sous-sol profond, et modifiant divers arrĂȘtĂ©s
  Annexe XXIV de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXIV. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article 1. Article unique. Le non-respect des obligations légales ci-aprÚs, visées au décret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond, est considéré comme une infraction environnementale :
artikel wettelijke verplichting
14 De houder van een vergunning deelt elke substantiële wijziging in een vergunningscriterium, vermeld in artikelen 9 en 10, onmiddellijk met een aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering.
16 De houder van een vergunning dient jaarlijks met een aangetekende brief een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.
20, eerste lid, eerste volzin Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering.
45, eerste lid, eerste volzin De exploitant informeert de Vlaamse Regering over alle geplande wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant.
47, § 2, tweede lid De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.
49 Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister : 1° alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie; 2° de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig artikel 47, § 2, tweede lid; 3° het bewijs dat een financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en artikel 43, 9° ; 4° alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te beoordelen en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie.
51, § 1, eerste lid, eerste deel van de eerste volzin Bij lekkages of significante onregelmatigheden stelt [...] de exploitant de minister onmiddellijk met een aangetekende brief in kennis (...)
51, § 1, eerste lid, laatste volzin In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook de afdeling van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor luchtverontreiniging, daarvan in kennis.
63/11 De houder van een vergunning deelt elke wijziging in een vergunningscriterium, vermeld in artikel 63/5 en 63/6, onmiddellijk mee aan de Vlaamse Regering.
63/13 De houder van een vergunning dient jaarlijks een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.
63/17, eerste lid, eerste volzin Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering.
artikel wettelijke verplichting14 De houder van een vergunning deelt elke substantiële wijziging in een vergunningscriterium, vermeld in artikelen 9 en 10, onmiddellijk met een aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering.16 De houder van een vergunning dient jaarlijks met een aangetekende brief een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.20, eerste lid, eerste volzin Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering.45, eerste lid, eerste volzin De exploitant informeert de Vlaamse Regering over alle geplande wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant.47, § 2, tweede lid De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.49 Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister : 1° alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie; 2° de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig artikel 47, § 2, tweede lid; 3° het bewijs dat een financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en artikel 43, 9° ; 4° alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te beoordelen en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie.51, § 1, eerste lid, eerste deel van de eerste volzin Bij lekkages of significante onregelmatigheden stelt [...] de exploitant de minister onmiddellijk met een aangetekende brief in kennis (...)51, § 1, eerste lid, laatste volzin In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook de afdeling van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor luchtverontreiniging, daarvan in kennis.63/11 De houder van een vergunning deelt elke wijziging in een vergunningscriterium, vermeld in artikel 63/5 en 63/6, onmiddellijk mee aan de Vlaamse Regering.63/13 De houder van een vergunning dient jaarlijks een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.63/17, eerste lid, eerste volzin Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering.
article obligation légale
14 Le titulaire d'une autorisation notifie sans délai tout changement substantiel dans un critÚre d'autorisation, visé aux articles 9 et 10, au Gouvernement flamand au moyen d'une lettre recommandée.
16 Chaque annĂ©e, le titulaire d'une autorisation envoie un rapport en recommandĂ© au Gouvernement flamand, donnant un aperçu des activitĂ©s effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e et un aperçu des activitĂ©s planifiĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante. Lorsque d'aucunes activitĂ©s n'ont Ă©tĂ© effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e ou que d'aucunes activitĂ©s ne sont envisagĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante, le titulaire d'autorisation n'est pas exemptĂ© de son obligation de le notifier au Gouvernement flamand dans un rapport annuel. Le rapport annuel est remis au plus tard avant la fin du troisiĂšme mois aprĂšs qu'une pĂ©riode annuelle est Ă©chue Ă  compter de la date de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand, en vertu duquel l'autorisation a Ă©tĂ© accordĂ©e.
20, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase Une autorisation ne peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e, y compris le transfert par suite de modifications dans la structure de la sociĂ©tĂ©, qu'aprĂšs l'accord Ă©crit du Gouvernement flamand.
45, alinéa premier, premiÚre phrase L'exploitant notifie toutes les modifications envisagées dans l'exploitation d'un site de stockage, y compris les modifications afférentes à l'exploitant, au Gouvernement flamand.
47, § 2, deuxiÚme alinéa L'exploitant tient un registre des quantités et des caractéristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectés, avec inclusion de leur composition.
49 Chaque année, ou plus fréquemment si le Gouvernement flamand le juge nécessaire dans le cadre d'une autorisation de stockage définie, l'exploitant remet les données suivantes au Ministre : 1° tous les résultats du monitoring pendant la période couverte par le rapport, conformément à l'article 48, y compris l'information sur la technologie de monitoring adoptée ; 2° les quantités et caractéristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectés pendant la période couverte par le rapport, y compris la composition de ces flux, telle que enregistrée conformément à l'article 47, § 2, alinéa deux ; 3° la preuve qu'une sécurité financiÚre ou une garantie équivalente a été établie et est maintenue conformément aux article 57 et 43, 9° ; 4° toute autre information que le Ministre juge pertinente pour évaluer le respect des conditions d'autorisation de stockage et pour accroßtre la connaissance relative au comportement du dioxyde de carbone dans le site de stockage.
51, § 1er, alinéa premier, premiÚre partie de la premiÚre phrase L'exploitant notifie [...] sans délai d'éventuelles fuites ou irrégularités significatives au Ministre par lettre recommandée, (...)
51, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase En cas de fuites et d'irrégularités significatives qui renferment un risque potentiel de survenance de fuite, l'exploitant en informe aussi la division au sein du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour la pollution atmosphérique.
63/11 Le titulaire d'une autorisation notifie, sans délai, au Gouvernement flamand, tout changement substantiel dans un critÚre d'autorisation, visé aux articles 63/5 et 63/6.
63/13 Chaque annĂ©e, le titulaire d'un permis soumet au Gouvernement flamand un rapport donnant un aperçu des activitĂ©s de l'annĂ©e Ă©coulĂ©e et un aperçu des activitĂ©s planifiĂ©es pour l'annĂ©e suivante. Lorsqu'aucune activitĂ© n'a Ă©tĂ© effectuĂ©e dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e ou aucune activitĂ© n'est planifiĂ©e pour l'annĂ©e suivante, le titulaire du permis n'est pas exemptĂ© de son obligation d'en faire mention dans un rapport annuel au Gouvernement flamand. Le rapport annuel est soumis au plus tard avant la fin du troisiĂšme mois suivant l'expiration d'une pĂ©riode annuelle Ă  compter de la date de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand, en vertu duquel le permis a Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©.
63/17, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase Une autorisation ne peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e, y compris le transfert par suite de modifications dans la structure de la sociĂ©tĂ©, qu'aprĂšs l'accord Ă©crit du Gouvernement flamand.
article obligation lĂ©gale14 Le titulaire d'une autorisation notifie sans dĂ©lai tout changement substantiel dans un critĂšre d'autorisation, visĂ© aux articles 9 et 10, au Gouvernement flamand au moyen d'une lettre recommandĂ©e.16 Chaque annĂ©e, le titulaire d'une autorisation envoie un rapport en recommandĂ© au Gouvernement flamand, donnant un aperçu des activitĂ©s effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e et un aperçu des activitĂ©s planifiĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante. Lorsque d'aucunes activitĂ©s n'ont Ă©tĂ© effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e ou que d'aucunes activitĂ©s ne sont envisagĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante, le titulaire d'autorisation n'est pas exemptĂ© de son obligation de le notifier au Gouvernement flamand dans un rapport annuel. Le rapport annuel est remis au plus tard avant la fin du troisiĂšme mois aprĂšs qu'une pĂ©riode annuelle est Ă©chue Ă  compter de la date de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand, en vertu duquel l'autorisation a Ă©tĂ© accordĂ©e.20, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase Une autorisation ne peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e, y compris le transfert par suite de modifications dans la structure de la sociĂ©tĂ©, qu'aprĂšs l'accord Ă©crit du Gouvernement flamand.45, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase L'exploitant notifie toutes les modifications envisagĂ©es dans l'exploitation d'un site de stockage, y compris les modifications affĂ©rentes Ă  l'exploitant, au Gouvernement flamand.47, § 2, deuxiĂšme alinĂ©a L'exploitant tient un registre des quantitĂ©s et des caractĂ©ristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectĂ©s, avec inclusion de leur composition.49 Chaque annĂ©e, ou plus frĂ©quemment si le Gouvernement flamand le juge nĂ©cessaire dans le cadre d'une autorisation de stockage dĂ©finie, l'exploitant remet les donnĂ©es suivantes au Ministre : 1° tous les rĂ©sultats du monitoring pendant la pĂ©riode couverte par le rapport, conformĂ©ment Ă  l'article 48, y compris l'information sur la technologie de monitoring adoptĂ©e ; 2° les quantitĂ©s et caractĂ©ristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectĂ©s pendant la pĂ©riode couverte par le rapport, y compris la composition de ces flux, telle que enregistrĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 47, § 2, alinĂ©a deux ; 3° la preuve qu'une sĂ©curitĂ© financiĂšre ou une garantie Ă©quivalente a Ă©tĂ© Ă©tablie et est maintenue conformĂ©ment aux article 57 et 43, 9° ; 4° toute autre information que le Ministre juge pertinente pour Ă©valuer le respect des conditions d'autorisation de stockage et pour accroĂźtre la connaissance relative au comportement du dioxyde de carbone dans le site de stockage.51, § 1er, alinĂ©a premier, premiĂšre partie de la premiĂšre phrase L'exploitant notifie [...] sans dĂ©lai d'Ă©ventuelles fuites ou irrĂ©gularitĂ©s significatives au Ministre par lettre recommandĂ©e, (...)51, § 1er, alinĂ©a premier, derniĂšre phrase En cas de fuites et d'irrĂ©gularitĂ©s significatives qui renferment un risque potentiel de survenance de fuite, l'exploitant en informe aussi la division au sein du DĂ©partement de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compĂ©tente pour la pollution atmosphĂ©rique.63/11 Le titulaire d'une autorisation notifie, sans dĂ©lai, au Gouvernement flamand, tout changement substantiel dans un critĂšre d'autorisation, visĂ© aux articles 63/5 et 63/6.63/13 Chaque annĂ©e, le titulaire d'un permis soumet au Gouvernement flamand un rapport donnant un aperçu des activitĂ©s de l'annĂ©e Ă©coulĂ©e et un aperçu des activitĂ©s planifiĂ©es pour l'annĂ©e suivante. Lorsqu'aucune activitĂ© n'a Ă©tĂ© effectuĂ©e dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e ou aucune activitĂ© n'est planifiĂ©e pour l'annĂ©e suivante, le titulaire du permis n'est pas exemptĂ© de son obligation d'en faire mention dans un rapport annuel au Gouvernement flamand. Le rapport annuel est soumis au plus tard avant la fin du troisiĂšme mois suivant l'expiration d'une pĂ©riode annuelle Ă  compter de la date de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand, en vertu duquel le permis a Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©.63/17, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase Une autorisation ne peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e, y compris le transfert par suite de modifications dans la structure de la sociĂ©tĂ©, qu'aprĂšs l'accord Ă©crit du Gouvernement flamand.
Art. N2. Bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten, wat betreft het bepalen van de nadere regels voor het opsporen en winnen van aardwarmte en voor het opmaken van een structuurvisie inzake de diepe ondergrond, en tot wijziging van diverse besluiten
  Bijlage XXV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXV. Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond en tot wijziging van diverse besluiten, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N2. Annexe 2 Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s, en ce qui concerne la dĂ©termination des modalitĂ©s pour la prospection et l'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique et pour l'Ă©tablissement d'une vision structurelle du sous-sol profond, et modifiant divers arrĂȘtĂ©s
  Annexe XXV Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  ANNEXE XXV. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article 1. Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales citĂ©es ci-aprĂšs, telles que visĂ©es Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond et portant modification de divers arrĂȘtĂ©s, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
artikel wettelijke verplichting
11, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de winningsvergunning voor koolwaterstoffen en de eerste vijf jaar na het beëindigen van de winning wordt het meetplan jaarlijks geactualiseerd, en daarna vijfjaarlijks. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.
11, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks met een beveiligde zending aan de minister gerapporteerd.
14, § 1, eerste lid De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen dient jaarlijks voor het einde van de derde maand na het aflopen van een winningsperiode per beveiligde zending een aangifte in bij de minister met daarin een opgave van de in de voorbije winningsperiode gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onverdeeld per type koolwaterstof.
14, § 1, tweede lid De vergunninghouder noteert maandelijks de gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onderverdeeld per type koolwaterstof, in een daartoe bijgehouden register. Als hij daar om verzocht wordt, legt de vergunninghouder alle documenten en gegevens voor die nodig zijn om de juistheid van de aangegeven gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen te controleren.
14/38, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan tweejaarlijks geactualiseerd, en tijdens de duur van de winningsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan vijfjaarlijks geactualiseerd. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.
14/38, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks aan de minister gerapporteerd.
artikel wettelijke verplichting11, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de winningsvergunning voor koolwaterstoffen en de eerste vijf jaar na het beëindigen van de winning wordt het meetplan jaarlijks geactualiseerd, en daarna vijfjaarlijks. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.11, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks met een beveiligde zending aan de minister gerapporteerd.14, § 1, eerste lid De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen dient jaarlijks voor het einde van de derde maand na het aflopen van een winningsperiode per beveiligde zending een aangifte in bij de minister met daarin een opgave van de in de voorbije winningsperiode gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onverdeeld per type koolwaterstof.14, § 1, tweede lid De vergunninghouder noteert maandelijks de gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, in voorkomend geval onderverdeeld per type koolwaterstof, in een daartoe bijgehouden register. Als hij daar om verzocht wordt, legt de vergunninghouder alle documenten en gegevens voor die nodig zijn om de juistheid van de aangegeven gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen te controleren.14/38, § 4, eerste en tweede volzin Tijdens de duur van de opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan tweejaarlijks geactualiseerd, en tijdens de duur van de winningsvergunning voor aardwarmte wordt het meetplan vijfjaarlijks geactualiseerd. Die actualiseringen worden met een beveiligde zending aan de minister gemeld.14/38, § 5, tweede lid De resultaten van de metingen worden jaarlijks aan de minister gerapporteerd.
article obligation légale
11, § 4, premiĂšre et deuxiĂšme phrase Pendant la durĂ©e de l'autorisation d'exploitation pour hydrocarbures et les cinq premiĂšres annĂ©es aprĂšs l'arrĂȘt de l'exploitation, le plan de mesurage est actualisĂ© chaque annĂ©e, et par aprĂšs, tous les cinq ans. Ces actualisations sont notifiĂ©es au Ministre par envoi sĂ©curisĂ©.
11, § 5, alinéa deux Les résultats des mesurages sont rapportés annuellement au Ministre par envoi sécurisé.
14, § 1er, alinéa premier Chaque année, avant la fin du troisiÚme mois aprÚs l'échéance d'une période d'exploitation, le titulaire d'une autorisation d'exploitation pour hydrocarbures remet une déclaration par envoi sécurisé au Ministre, faisant état de la quantité d'hydrocarbures exploitée dans la période d'exploitation écoulée, le cas échéant ventilée par type d'hydrocarbure.
14, § 1er, alinéa deux Le titulaire de l'autorisation entre la quantité mensuelle d'hydrocarbures exploitée, le cas échéant ventilée par type d'hydrocarbure dans un registre tenu à cet effet. Lorsqu'il y est invité, le titulaire de l'autorisation produit tous les documents et données nécessaires au contrÎle de l'exactitude de la quantité déclarée d'hydrocarbures exploités.
14/38, § 4, premiÚre et deuxiÚme phrase Pendant la durée de l'autorisation de prospection d'énergie géothermique, le plan de mesurage est actualisé tous les deux ans et, pendant la durée de l'autorisation d'exploitation d'énergie géothermique, le plan de mesurage est actualisé tous les cinq ans. Ces actualisations sont notifiées au Ministre par envoi sécurisé.
14/38, § 5, alinéa deux Les résultats des mesurages sont rapportés annuellement au Ministre.
article obligation lĂ©gale11, § 4, premiĂšre et deuxiĂšme phrase Pendant la durĂ©e de l'autorisation d'exploitation pour hydrocarbures et les cinq premiĂšres annĂ©es aprĂšs l'arrĂȘt de l'exploitation, le plan de mesurage est actualisĂ© chaque annĂ©e, et par aprĂšs, tous les cinq ans. Ces actualisations sont notifiĂ©es au Ministre par envoi sĂ©curisĂ©.11, § 5, alinĂ©a deux Les rĂ©sultats des mesurages sont rapportĂ©s annuellement au Ministre par envoi sĂ©curisĂ©.14, § 1er, alinĂ©a premier Chaque annĂ©e, avant la fin du troisiĂšme mois aprĂšs l'Ă©chĂ©ance d'une pĂ©riode d'exploitation, le titulaire d'une autorisation d'exploitation pour hydrocarbures remet une dĂ©claration par envoi sĂ©curisĂ© au Ministre, faisant Ă©tat de la quantitĂ© d'hydrocarbures exploitĂ©e dans la pĂ©riode d'exploitation Ă©coulĂ©e, le cas Ă©chĂ©ant ventilĂ©e par type d'hydrocarbure.14, § 1er, alinĂ©a deux Le titulaire de l'autorisation entre la quantitĂ© mensuelle d'hydrocarbures exploitĂ©e, le cas Ă©chĂ©ant ventilĂ©e par type d'hydrocarbure dans un registre tenu Ă  cet effet. Lorsqu'il y est invitĂ©, le titulaire de l'autorisation produit tous les documents et donnĂ©es nĂ©cessaires au contrĂŽle de l'exactitude de la quantitĂ© dĂ©clarĂ©e d'hydrocarbures exploitĂ©s.14/38, § 4, premiĂšre et deuxiĂšme phrase Pendant la durĂ©e de l'autorisation de prospection d'Ă©nergie gĂ©othermique, le plan de mesurage est actualisĂ© tous les deux ans et, pendant la durĂ©e de l'autorisation d'exploitation d'Ă©nergie gĂ©othermique, le plan de mesurage est actualisĂ© tous les cinq ans. Ces actualisations sont notifiĂ©es au Ministre par envoi sĂ©curisĂ©.14/38, § 5, alinĂ©a deux Les rĂ©sultats des mesurages sont rapportĂ©s annuellement au Ministre.