Artikel 1. [2 § 1. Dit besluit is van toepassing op communautaire zeelieden die door reders met een exploitatiezetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of met een exploitatiezetel in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte worden tewerkgesteld op zeeschepen met eigen voorstuwing waarvoor een certificaat van registratie in uitvoering van artikel 91 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982 wordt voorgelegd en die geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.
In het eerste lid wordt verstaan onder communautaire zeelieden: alle zeelieden aan boord van de schepen, vermeld in dit artikel, die voor hun tewerkstelling onderworpen zijn aan de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.]2
[2 Alleen zeelieden die werken aan boord van schepen, met inbegrip van roroveerboten, die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Economische Ruimte verzorgen, of alleen zeelieden die werken aan boord van schepen die gespecialiseerd zijn in de volgende activiteiten, komen in aanmerking voor de vrijstelling, vermeld in dit besluit:
1° kabels leggen op de voorbereide zeebodem;
2° pijpen leggen op de voorbereide zeebodem;
3° takel- en hefwerkzaamheden van infrastructuur in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
4° onderzoek van de zeebodem in het kader van installatie- en onderhoudswerken;
5° gericht storten van stenen op de zeebodem in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
6° vervoeren van onderdelen op zee in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee;
7° vervoeren en accommoderen van personen in het kader van installatie- en onderhoudswerken op zee.]2
[2 § 2. Passagiersschepen die niet meer dan 12 passagiers mogen vervoeren worden uitgesloten van dit besluit.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 SEPTEMBER 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vrijstelling van bepaalde werknemersbijdragen voor ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector en tot wijziging van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen voor ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector en de zeesleepvaartsector en tot wijziging van artikel 14bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-10-2016 en tekstbijwerking tot 22-03-2023)
Titre
23 SEPTEMBRE 2016. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant exonĂ©ration de certaines cotisations des travailleurs pour les entreprises appartenant au secteur de la marine marchande et modifiant l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 novembre 2015 portant exonĂ©ration de certaines cotisations patronales pour les entreprises relevant des secteurs de la marine marchande et du remorquage maritime et modifiant l'article 14bis, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 portant exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme de 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 18-10-2016 et mise Ă jour au 22-03-2023)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK 1. - Vrijstellingen van bepaalde werknemersbijdragen
CHAPITRE 1er. - Exonérations de certaines cotisations des travailleurs
Article 1er. [2 § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux marins communautaires employĂ©s par des armateurs avec un siĂšge d'exploitation sur le territoire de la RĂ©gion flamande ou avec un siĂšge d'exploitation dans autre Ă©tat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en sur des navires de mer automoteurs pour lesquels est produit un certificat d'enregistrement en exĂ©cution de l'article 91 de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer du 10 dĂ©cembre 1982, et qui sont enregistrĂ©s dans un Ă©tat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en.
Dans l'alinĂ©a 1er, on entend par marins communautaires : tous les marins Ă bord des navires, visĂ©s au prĂ©sent article, qui sont soumis pour leur emploi Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 7 fĂ©vrier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des marins de la marine marchande.]2
[2 Seuls les marins travaillant Ă bord de navires, y compris les transbordeurs rouliers, assurant des services rĂ©guliers de transport de passagers entre des ports de l'Espace Ă©conomique europĂ©en, ou seuls les marins travaillant Ă bord de navires spĂ©cialisĂ©s dans les activitĂ©s suivantes, sont Ă©ligibles Ă l'exonĂ©ration, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
1° la pose de cùbles sur le fond marin préparé ;
2° la pose de tuyaux sur le fond marin préparé ;
3° les travaux de hissage et de levage d'infrastructures dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
4° la recherche des fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance ;
5° le déversement ciblé de pierres sur les fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
6° le transport de piÚces en mer dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
7° le transport et l'hébergement des personnes dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer.]2
[2 § 2. Les navires Ă passagers autorisĂ©s Ă transporter au maximum 12 passagers sont exclus du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]2
Dans l'alinĂ©a 1er, on entend par marins communautaires : tous les marins Ă bord des navires, visĂ©s au prĂ©sent article, qui sont soumis pour leur emploi Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 7 fĂ©vrier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des marins de la marine marchande.]2
[2 Seuls les marins travaillant Ă bord de navires, y compris les transbordeurs rouliers, assurant des services rĂ©guliers de transport de passagers entre des ports de l'Espace Ă©conomique europĂ©en, ou seuls les marins travaillant Ă bord de navires spĂ©cialisĂ©s dans les activitĂ©s suivantes, sont Ă©ligibles Ă l'exonĂ©ration, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ© :
1° la pose de cùbles sur le fond marin préparé ;
2° la pose de tuyaux sur le fond marin préparé ;
3° les travaux de hissage et de levage d'infrastructures dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
4° la recherche des fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance ;
5° le déversement ciblé de pierres sur les fonds marins dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
6° le transport de piÚces en mer dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer ;
7° le transport et l'hébergement des personnes dans le cadre de travaux d'installation et de maintenance en mer.]2
[2 § 2. Les navires Ă passagers autorisĂ©s Ă transporter au maximum 12 passagers sont exclus du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]2
Art. 2. [1 De reders, vermeld in artikel 2, § 1, 2°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, worden toegelaten de zeeliedenbijdragen, berekend op basis van een dagloon van 1/360ste van het bedrag, vermeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust en overlevingspensioen voor werknemers, van toepassing gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan het lopende jaar, te betalen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en ook het bedrag te behouden dat overeenstemt met de persoonlijke bijdragen, dat is berekend op basis van het verschil tussen het begrensde dagloon en het dagloon.]1
Wijzigingen
Art. 2. [1 Les armateurs visĂ©s Ă l'article 2, § 1er, 2°, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 7 fĂ©vrier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des marins de la marine marchande, sont autorisĂ©s Ă payer les cotisations des marins, calculĂ©es sur la base d'un salaire journalier de 1/360Ăšme du montant visĂ© Ă l'article 7, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif Ă la pension de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s, applicable pendant l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dant l'annĂ©e en cours, Ă l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale, et Ă garder le montant correspondant aux cotisations personnelles, calculĂ©es sur la diffĂ©rence entre le salaire limitĂ© et le salaire journalier.]1
Wijzigingen
Art. 3. § 1. De reders waarborgen minimaal zestig arbeidsplaatsen voor de zeelieden en shoregangers[1 die tewerkgesteld zijn aan boord van koopvaardijschepen en schepen die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Unie verzorgen, met inbegrip van roroveerboten, ]1 die ingeschreven zijn op de Poollijst van de Zeelieden ter Koopvaardij, en 256 arbeidsplaatsen voor de officieren [1 die tewerkgesteld zijn aan boord van koopvaardijschepen en schepen die geregelde passagiersdiensten tussen havens van de Europese Unie verzorgen, met inbegrip van roroveerboten,]1 die ingeschreven zijn op de Poollijst van de Zeelieden ter Koopvaardij. [1 De reders waarborgen minimaal 48 arbeidsplaatsen voor de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van zeeschepen, vermeld in artikel 1, tweede lid, 2°. Dat aantal wordt vermeerderd met 40 arbeidsplaatsen over een periode van vier jaar, die begint op 1 juli 2020.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsplaats: een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend koopvaardijpersoneelslid. Dat betekent 60 x 1,7 = 102 tewerkstellingen voor zeelieden en shoregangers, en 256 x 1,7 = 435 tewerkstellingen voor officieren.
[1 In het tweede lid wordt verstaan onder arbeidsplaats voor de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van zeeschepen, vermeld in artikel 1, tweede lid, 2° : een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend personeelslid. Dat betekent 48 x 2,5 = 120 tewerkstellingen voor zeelieden. ]1
§ 2. Bij de evaluatie van de naleving van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, wordt geen rekening gehouden met de varende werknemers, vermeld in artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.
§ 3. Het Paritair Comité van de Koopvaardij onderzoekt jaarlijks of voldaan is aan de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1. De voorzitter van het bevoegde paritair comité bezorgt het jaarlijkse evaluatierapport voor 30 april aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid.
§ 4. Als de reders overmacht inroepen, kan van de naleving van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, worden afgeweken. In dat geval bevat het verslag van het paritair comité de gronden voor overmacht.
§ 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, en over de eventuele gehele of gedeeltelijke invordering van de vrijgestelde bijdragen voor het afgelopen jaar in kwestie. Die termijn begint te lopen de dag nadat de voorzitter van het bevoegde paritair comité het jaarlijkse evaluatierapport heeft bezorgd, en op 30 april als de voorzitter van het bevoegde comité het jaarlijkse evaluatierapport niet of niet tijdig heeft bezorgd. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, binnen die termijn geen beslissing neemt, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
[1 § 6. Na de periode van vier jaar, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt de tewerkstellingsdrempel opnieuw geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technologische ontwikkelingen binnen de sector. ]1
In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsplaats: een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend koopvaardijpersoneelslid. Dat betekent 60 x 1,7 = 102 tewerkstellingen voor zeelieden en shoregangers, en 256 x 1,7 = 435 tewerkstellingen voor officieren.
[1 In het tweede lid wordt verstaan onder arbeidsplaats voor de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van zeeschepen, vermeld in artikel 1, tweede lid, 2° : een vacante plaats gedurende 365 dagen per jaar voor een varend personeelslid. Dat betekent 48 x 2,5 = 120 tewerkstellingen voor zeelieden. ]1
§ 2. Bij de evaluatie van de naleving van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, wordt geen rekening gehouden met de varende werknemers, vermeld in artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.
§ 3. Het Paritair Comité van de Koopvaardij onderzoekt jaarlijks of voldaan is aan de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1. De voorzitter van het bevoegde paritair comité bezorgt het jaarlijkse evaluatierapport voor 30 april aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid.
§ 4. Als de reders overmacht inroepen, kan van de naleving van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, worden afgeweken. In dat geval bevat het verslag van het paritair comité de gronden voor overmacht.
§ 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de tewerkstellingsnorm, vermeld in paragraaf 1, en over de eventuele gehele of gedeeltelijke invordering van de vrijgestelde bijdragen voor het afgelopen jaar in kwestie. Die termijn begint te lopen de dag nadat de voorzitter van het bevoegde paritair comité het jaarlijkse evaluatierapport heeft bezorgd, en op 30 april als de voorzitter van het bevoegde comité het jaarlijkse evaluatierapport niet of niet tijdig heeft bezorgd. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, binnen die termijn geen beslissing neemt, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
[1 § 6. Na de periode van vier jaar, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt de tewerkstellingsdrempel opnieuw geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de economische en technologische ontwikkelingen binnen de sector. ]1
Wijzigingen
Art. 3. § 1er. Les armateurs garantissent au moins soixante postes d'emplois pour les marins et les shoregangers [1 employés à bord de navires marchands et de navires assurant des services réguliers de transport de passagers entre des ports de l'Union européenne, y compris les transbordeurs rouliers]1 inscrits sur la liste du Pool des marins de la marine marchande, et 256 postes d'emplois pour les officiers [1 employés à bord de navires marchands et de navires assurant des services réguliers de transport de passagers entre des ports de l'Union européenne, y compris les transbordeurs rouliers]1 inscrits sur la liste du Pool des marins de la marine marchande. [1 Les armateurs garantissent un minimum de 48 emplois pour les marins employés à bord des navires de mer visés à l'article 1, deuxiÚme alinéa, 2°. Ce nombre est augmenté de 40 emplois sur une période de quatre ans à compter du 1 juillet 2020. ]1
Dans l'alinéa 1er, on entend par poste d'emploi : une place vacante pendant 365 jours par an pour un membre navigant du personnel de la marine marchande. Cela signifie 60 x 1,7 = 102 emplois pour les marins et shoregangers et 256 x 1,7 = 435 emplois pour les officiers.
[1 Au deuxiÚme alinéa, on entend par emploi pour les marins employés à bord des navires de mer visés à l'article 1, deuxiÚme alinéa, 2° : un poste vacant pour un membre du personnel marin pendant 365 jours par an. Cela revient à 48 x 2,5 = 120 emplois pour marins.]1
§ 2. Lors de l'Ă©valuation du respect de la norme d'emploi, visĂ©e au paragraphe 1er, les travailleurs navigants, visĂ©s Ă l'article 2quater de l'arrĂȘtĂ©-loi du 7 fĂ©vrier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des marins de la marine marchande, ne sont pas pris en considĂ©ration.
§ 3. La Commission paritaire de la marine marchande contrÎle annuellement si la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, est respectée. Le président de la commission paritaire compétente transmet le rapport d'évaluation annuel avant le 30 avril au Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi.
§ 4. Il peut ĂȘtre abrogĂ© du respect de la norme d'emploi, visĂ©e au paragraphe 1er, lorsque les armateurs invoquent la force majeure. Dans ce cas le rapport de la commission paritaire mentionne les causes de la force majeure.
§ 5. Le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dispose d'un délai de trente jours civils pour se prononcer sur le respect de la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, et sur l'éventuel recouvrement partiel ou total des cotisations exonérées de l'année découlée en question. Ce délai prend cours le jour suivant la date de transmission du rapport d'évaluation annuel par le président de la commission paritaire compétente et le 30 avril si le président de la commission paritaire compétente n'a pas transmis le rapport d'évaluation annuel à temps. Faute de décision du Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dans ce délai, la décision est réputée positive.
[1 § 6. AprÚs la période de quatre ans visée au paragraphe 1, premier alinéa, le seuil d'emploi est réévalué en tenant compte de l'évolution économique et technologique du secteur.]1
Dans l'alinéa 1er, on entend par poste d'emploi : une place vacante pendant 365 jours par an pour un membre navigant du personnel de la marine marchande. Cela signifie 60 x 1,7 = 102 emplois pour les marins et shoregangers et 256 x 1,7 = 435 emplois pour les officiers.
[1 Au deuxiÚme alinéa, on entend par emploi pour les marins employés à bord des navires de mer visés à l'article 1, deuxiÚme alinéa, 2° : un poste vacant pour un membre du personnel marin pendant 365 jours par an. Cela revient à 48 x 2,5 = 120 emplois pour marins.]1
§ 2. Lors de l'Ă©valuation du respect de la norme d'emploi, visĂ©e au paragraphe 1er, les travailleurs navigants, visĂ©s Ă l'article 2quater de l'arrĂȘtĂ©-loi du 7 fĂ©vrier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des marins de la marine marchande, ne sont pas pris en considĂ©ration.
§ 3. La Commission paritaire de la marine marchande contrÎle annuellement si la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, est respectée. Le président de la commission paritaire compétente transmet le rapport d'évaluation annuel avant le 30 avril au Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi.
§ 4. Il peut ĂȘtre abrogĂ© du respect de la norme d'emploi, visĂ©e au paragraphe 1er, lorsque les armateurs invoquent la force majeure. Dans ce cas le rapport de la commission paritaire mentionne les causes de la force majeure.
§ 5. Le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dispose d'un délai de trente jours civils pour se prononcer sur le respect de la norme d'emploi, visée au paragraphe 1er, et sur l'éventuel recouvrement partiel ou total des cotisations exonérées de l'année découlée en question. Ce délai prend cours le jour suivant la date de transmission du rapport d'évaluation annuel par le président de la commission paritaire compétente et le 30 avril si le président de la commission paritaire compétente n'a pas transmis le rapport d'évaluation annuel à temps. Faute de décision du Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi dans ce délai, la décision est réputée positive.
[1 § 6. AprÚs la période de quatre ans visée au paragraphe 1, premier alinéa, le seuil d'emploi est réévalué en tenant compte de l'évolution économique et technologique du secteur.]1
Wijzigingen
Art. 4. De reder deelt aan de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1 de volgende gegevens mee:
1° het aantal dagen waarvoor de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, namelijk:
a) elke vaart- en bijwerkdag voor de zeevarenden;
b) elke arbeidsdag voor de shoregangers;
c) elke dag waarvoor de opzeggingsvergoeding door de reder verschuldigd is;
2° [2 het betaalde brutoloon voor de dagen, vermeld in punt 1°, waarop de zeeman door zijn dienstbetrekking recht heeft.]2
In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder brutoloon van de zeeman: de standaardgage, vermeerderd met de overuren en alle vergoedingen, opzeggingsvergoedingen inbegrepen.
1° het aantal dagen waarvoor de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, namelijk:
a) elke vaart- en bijwerkdag voor de zeevarenden;
b) elke arbeidsdag voor de shoregangers;
c) elke dag waarvoor de opzeggingsvergoeding door de reder verschuldigd is;
2° [2 het betaalde brutoloon voor de dagen, vermeld in punt 1°, waarop de zeeman door zijn dienstbetrekking recht heeft.]2
In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder brutoloon van de zeeman: de standaardgage, vermeerderd met de overuren en alle vergoedingen, opzeggingsvergoedingen inbegrepen.
Art. 4. L'armateur transmet à [1 l'Office national de Sécurité sociale]1 les données suivantes :
1° le nombre de jours pour lesquels les cotisations de sécurité sociale sont dues, à savoir :
a) chaque jour de navigation et de travail accessoire pour les navigants ;
b) chaque jour de travail pour les shoregangers ;
c) chaque jour au titre duquel l'indemnité de préavis est due par l'armateur ;
2° [2 le traitement brut payé pour les jours, visés au point 1°, auquel le marin a droit en vertu de son emploi.]2
Dans l'alinéa 1er, 2°, on entend par traitement brut du marin : la rétribution standard, majorée d'heures supplémentaires et de toutes indemnités, y compris les indemnités de préavis.
1° le nombre de jours pour lesquels les cotisations de sécurité sociale sont dues, à savoir :
a) chaque jour de navigation et de travail accessoire pour les navigants ;
b) chaque jour de travail pour les shoregangers ;
c) chaque jour au titre duquel l'indemnité de préavis est due par l'armateur ;
2° [2 le traitement brut payé pour les jours, visés au point 1°, auquel le marin a droit en vertu de son emploi.]2
Dans l'alinéa 1er, 2°, on entend par traitement brut du marin : la rétribution standard, majorée d'heures supplémentaires et de toutes indemnités, y compris les indemnités de préavis.
Art. 5. Aan artikel 1, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen voor ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector en de zeesleepvaartsector worden de woorden "die geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte" toegevoegd.
Art. 5. A l'article 1er, § 1er, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 novembre 2015 portant exonĂ©ration de certaines cotisations patronales pour les entreprises relevant des secteurs de la marine marchande, sont ajoutĂ©s les mots " qui sont enregistrĂ©s dans un Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en ".
HOOFDSTUK 2. - Doelgroepverminderingen
CHAPITRE 2. - Réductions pour groupes-cibles
Art. 6. In artikel 14bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk 28 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2016, wordt de zinsnede "artikel 9bis" vervangen door de zinsnede "artikelen 9 en 9bis".
Art. 6. A l'article 14bis, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 portant exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), relative Ă l'harmonisation et la simplification des rĂšglements relatifs aux rĂ©ductions des contributions de sĂ©curitĂ© sociale, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 janvier 2004 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 2007 et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, le membre de phrase " l'article 9bis " est remplacĂ© par le membre de phrase " les articles 9 et 9bis ".
Art. 7. In artikel 14bis, eerste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk van 28 maart 2007, en het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2016, en 23 september 2016, wordt de zinsnede "artikelen 9 en 9bis" vervangen door de zinsnede "artikel 9bis".
Art. 7. Dans l'article 14bis, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 janvier 2004 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 2007, et les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 10 juin 2016 et 23 septembre 2016, le membre de phrase " les articles 9 et 9bis " est remplacĂ© par le membre de phrase " l'article 9bis ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 8. Hoofdstuk 1 van dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2015 en treedt buiten werking op [1 31 december 2032]1.
Hoofdstuk 2 van dit besluit treedt inwerking op 1 januari 2019, met uitzondering van artikel 6 dat uitwerking heeft op 2 juli 2016.
Hoofdstuk 2 van dit besluit treedt inwerking op 1 januari 2019, met uitzondering van artikel 6 dat uitwerking heeft op 2 juli 2016.
Wijzigingen
Art. 8. Le chapitre 1er du prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er juillet 2015 et cesse de produire ses effets le [1 31 dĂ©cembre 2032]1.
Le chapitre 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă l'exception de l'article 6, qui produit ses effets le 2 juillet 2016.
Le chapitre 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă l'exception de l'article 6, qui produit ses effets le 2 juillet 2016.
Wijzigingen
Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le Ministre flamand ayant la politique de l'emploi dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.