Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 AUGUSTUS 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het zorgkrediet voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-09-2016 en tekstbijwerking tot 25-08-2020)
Titre
30 AOUT 2016. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif au crĂ©dit-soins pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 12-09-2016 et mise Ă jour au 25-08-2020)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden
HOOFDSTUK 3. - Volume van het zorgkrediet
HOOFDSTUK 4. - Duur van het zorgkrediet
HOOFDSTUK 5. - Administratieve stand
HOOFDSTUK 6. - Procedure
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het besluit van d...
Afdeling 2. - Wijziging aan het besluit van de ...
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het besluit van d...
Afdeling 4. - Wijziging aan het besluit van de ...
Afdeling 5. - Wijzigingen aan het besluit van d...
HOOFDSTUK 8. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Champ d'application
CHAPITRE 2. - Conditions
CHAPITRE 3. - Volume du crédit-soins
CHAPITRE 4. - Durée du crédit-soins
CHAPITRE 5. - Position administrative
CHAPITRE 6. - Procédure
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Section 1Ăšre. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Go...
Section 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
Section 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
Section 4. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
CHAPITRE 8. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (44)
Texte (44)
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 1er. - Champ d'application
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 2, 2° tot en met 8° van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet. De bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet zijn eveneens van toepassing.
Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux membres du personnel visĂ©s Ă l'article 2, 2° Ă 8° inclus, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins. Les dispositions de l'article 2, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins sont Ă©galement applicables.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions
Art. 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, hebben recht op zorgkrediet als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet. Het zorgkrediet eindigt in elk geval als de aanstelling eindigt.
Art. 2. Les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 1er ont droit au crĂ©dit-soins visĂ© Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins. Le crĂ©dit-soins prend fin en tout cas lorsqu'il est mis fin Ă la dĂ©signation.
HOOFDSTUK 3. - Volume van het zorgkrediet
CHAPITRE 3. - Volume du crédit-soins
Art. 3. Tijdens het zorgkrediet kan het personeelslid zijn arbeidsprestaties:
  1° volledig onderbreken;
  2° verminderen tot een halftijdse betrekking;
  3° verminderen met een vijfde van een voltijdse betrekking.
  De volledige onderbreking van de arbeidsprestaties omvat alle arbeidsprestaties die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding en waarvoor een zorgkrediet kan worden opgenomen.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop het zorgkrediet genomen kan worden, als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking blijft het personeelslid een of meer betrekkingen uitoefenen die samen de helft van het aantal prestaties of prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde moet het personeelslid een of meerdere betrekkingen uitoefenen die samen een betrekking met volledige prestaties vormen. Bovendien moet het personeelslid een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestaties of prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert voor het nemen van het zorgkrediet, worden voor het zorgkrediet eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenheden waarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
  1° volledig onderbreken;
  2° verminderen tot een halftijdse betrekking;
  3° verminderen met een vijfde van een voltijdse betrekking.
  De volledige onderbreking van de arbeidsprestaties omvat alle arbeidsprestaties die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding en waarvoor een zorgkrediet kan worden opgenomen.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop het zorgkrediet genomen kan worden, als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking blijft het personeelslid een of meer betrekkingen uitoefenen die samen de helft van het aantal prestaties of prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde moet het personeelslid een of meerdere betrekkingen uitoefenen die samen een betrekking met volledige prestaties vormen. Bovendien moet het personeelslid een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestaties of prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert voor het nemen van het zorgkrediet, worden voor het zorgkrediet eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenheden waarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
Art. 3. Durant le crédit-soins, le membre du personnel peut :
  1° interrompre complÚtement ses prestations de travail ;
  2° les réduire à un mi-temps ;
  3° les réduire d'un cinquiÚme temps.
  L'interruption complĂšte des prestations de travail comprend toutes les prestations que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des Ă©lĂšves et pour lesquelles un crĂ©dit-soins peut ĂȘtre pris.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles le crĂ©dit-soins peut ĂȘtre pris que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d'exercer.
  En cas de réduction des prestations de travail à un mi-temps, le membre du personnel continue d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre de prestations ou d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  En cas de réduction des prestations de travail d'un cinquiÚme, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble un emploi à prestations complÚtes. En outre, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquiÚmes du nombre de prestations ou d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail pour prendre un crĂ©dit-soins, sont d'abord prises en considĂ©ration pour le crĂ©dit-soins les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
  1° interrompre complÚtement ses prestations de travail ;
  2° les réduire à un mi-temps ;
  3° les réduire d'un cinquiÚme temps.
  L'interruption complĂšte des prestations de travail comprend toutes les prestations que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des Ă©lĂšves et pour lesquelles un crĂ©dit-soins peut ĂȘtre pris.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles le crĂ©dit-soins peut ĂȘtre pris que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d'exercer.
  En cas de réduction des prestations de travail à un mi-temps, le membre du personnel continue d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre de prestations ou d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  En cas de réduction des prestations de travail d'un cinquiÚme, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble un emploi à prestations complÚtes. En outre, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquiÚmes du nombre de prestations ou d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail pour prendre un crĂ©dit-soins, sont d'abord prises en considĂ©ration pour le crĂ©dit-soins les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
Art. 4. Om het aantal prestaties of prestatie-eenheden te bepalen, vermeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, worden de volgende prestaties ook als prestatie-eenheden beschouwd:
  1° [1 de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en van hoofdstuk 12, afdeling 2, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie]1;
  2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht als vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties, verstrekt voor in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk voor de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  4° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  5° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid, ter beschikking gesteld van zijn voorganger als vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest;
  7° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  8° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;
  10° de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de toekenning van een verlof voor het uitoefenen van een andere tewerkstelling voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
  11° de prestaties, verstrekt door een personeelslid bij een associatie, vermeld in artikel II.14 van de Codex hoger onderwijs;
  12° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met een verlof voor het uitoefenen van taken ten behoeve van de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.31 tot en met II.35 van de Codex hoger onderwijs;
  13° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden bij de Vlaamse Hogescholenraad, vermeld in artikel II.56 van de Codex hoger onderwijs;
  14° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, als vermeld in artikel IV.110 van de Codex hoger onderwijs;
  15° de prestaties verstrekt door personeelsleden die elders een opdracht uitoefenen, vermeld in artikel V.223 tot V.230 van de Codex hoger onderwijs;
  16° de prestaties verstrekt door personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties, vermeld in artikel V.253 van de Codex hoger onderwijs.
 Â
  1° [1 de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en van hoofdstuk 12, afdeling 2, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie]1;
  2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht als vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties, verstrekt voor in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk voor de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  4° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  5° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid, ter beschikking gesteld van zijn voorganger als vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest;
  7° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  8° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;
  10° de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de toekenning van een verlof voor het uitoefenen van een andere tewerkstelling voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
  11° de prestaties, verstrekt door een personeelslid bij een associatie, vermeld in artikel II.14 van de Codex hoger onderwijs;
  12° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met een verlof voor het uitoefenen van taken ten behoeve van de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.31 tot en met II.35 van de Codex hoger onderwijs;
  13° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden bij de Vlaamse Hogescholenraad, vermeld in artikel II.56 van de Codex hoger onderwijs;
  14° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, als vermeld in artikel IV.110 van de Codex hoger onderwijs;
  15° de prestaties verstrekt door personeelsleden die elders een opdracht uitoefenen, vermeld in artikel V.223 tot V.230 van de Codex hoger onderwijs;
  16° de prestaties verstrekt door personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties, vermeld in artikel V.253 van de Codex hoger onderwijs.
 Â
Wijzigingen
Art. 4. Pour déterminer le nombre de prestations ou d'unités de prestation visé à l'article 3, alinéas 4 et 5, les prestations suivantes sont également considérées comme unités de prestation :
  1° [1 les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, à l'article 77quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, et du chapitre 12, section 2 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base]1;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour mission syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s ;
  3° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
  4° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi ;
  5° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion ;
  7° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
  8° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire ;
  10° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© visĂ©s Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif Ă l'octroi d'un congĂ© pour l'exercice d'un autre emploi pour certains membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base ;
  11° les prestations dispensées par un membre du personnel auprÚs d'une association, visé à l'article II.14 du Code de l'enseignement supérieur ;
  12° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé pour l'exercice de tùches au profit de l'organisation d'accréditation, visés aux articles II.31 à II.35 inclus du Code de l'enseignement supérieur ;
  13° les prestations dispensées par les membres du personnel auprÚs du Vlaamse Hogescholenraad (Conseil des Instituts supérieurs flamands), visés à l'article II.56 du Code de l'enseignement supérieur ;
  14° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article IV.110 du Code de l'enseignement supérieur ;
  15° les prestations dispensées par des membres du personnel qui exercent une mission ailleurs, visés aux articles V.223 à V.230 du Code de l'enseignement supérieur ;
  16° les prestations dispensées par des membres du personnel occupés auprÚs des organisations syndicales représentatives, visés à l'article V.253 du Code de l'enseignement supérieur.
 Â
  1° [1 les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, à l'article 77quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, et du chapitre 12, section 2 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base]1;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour mission syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s ;
  3° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
  4° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi ;
  5° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion ;
  7° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
  8° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire ;
  10° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© visĂ©s Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif Ă l'octroi d'un congĂ© pour l'exercice d'un autre emploi pour certains membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base ;
  11° les prestations dispensées par un membre du personnel auprÚs d'une association, visé à l'article II.14 du Code de l'enseignement supérieur ;
  12° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé pour l'exercice de tùches au profit de l'organisation d'accréditation, visés aux articles II.31 à II.35 inclus du Code de l'enseignement supérieur ;
  13° les prestations dispensées par les membres du personnel auprÚs du Vlaamse Hogescholenraad (Conseil des Instituts supérieurs flamands), visés à l'article II.56 du Code de l'enseignement supérieur ;
  14° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article IV.110 du Code de l'enseignement supérieur ;
  15° les prestations dispensées par des membres du personnel qui exercent une mission ailleurs, visés aux articles V.223 à V.230 du Code de l'enseignement supérieur ;
  16° les prestations dispensées par des membres du personnel occupés auprÚs des organisations syndicales représentatives, visés à l'article V.253 du Code de l'enseignement supérieur.
 Â
Wijzigingen
Art. 5. Het ziekteverlof, het bevallingsverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte, de terbeschikkingstelling wegens ziekte, de afwezigheid wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming maken geen einde aan het zorgkrediet.
Art. 5. Le congé de maladie, le congé de maternité, l'absence pour cause d'accident du travail, d'accident survenu sur le chemin du travail, de maladie professionnelle, la mise en disponibilité pour cause de maladie, le congé d'écartement du risque de maladie professionnelle et le congé de protection de la maternité ne mettent pas fin au crédit-soins.
HOOFDSTUK 4. - Duur van het zorgkrediet
CHAPITRE 4. - Durée du crédit-soins
Art. 6. Het zorgkrediet moet worden opgenomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 2 [1 en afdeling 3]1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet.
  Met behoud van de toepassing van artikel 9, vierde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, kan het personeelslid zelf beslissen om zijn zorgkrediet stop te zetten vooraleer de termijn van zes maanden is verstreken.
 Â
  Met behoud van de toepassing van artikel 9, vierde lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, kan het personeelslid zelf beslissen om zijn zorgkrediet stop te zetten vooraleer de termijn van zes maanden is verstreken.
 Â
Wijzigingen
Art. 6. Le crĂ©dit-soins doit ĂȘtre pris conformĂ©ment aux dispositions du chapitre 3, [1 sections 2 et 3]1, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins.
  Sans prĂ©judice de l'application de l'article 9, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins, le membre du personnel peut dĂ©cider lui-mĂȘme de mettre fin Ă son crĂ©dit-soins avant l'expiration du dĂ©lai de six mois.
 Â
  Sans prĂ©judice de l'application de l'article 9, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins, le membre du personnel peut dĂ©cider lui-mĂȘme de mettre fin Ă son crĂ©dit-soins avant l'expiration du dĂ©lai de six mois.
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Administratieve stand
CHAPITRE 5. - Position administrative
Art. 7. Tijdens het zorgkrediet is het personeelslid met verlof. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  Voor het aantal prestatie-eenheden of voor de prestaties die niet worden gepresteerd omwille van het nemen van zorgkrediet, krijgt het personeelslid noch een salaris of salaristoelage, noch een wachtgeld of wachtgeldtoelage. Het personeelslid krijgt wel een onderbrekingsuitkering conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet.
  Voor het aantal prestatie-eenheden of voor de prestaties die niet worden gepresteerd omwille van het nemen van zorgkrediet, krijgt het personeelslid noch een salaris of salaristoelage, noch een wachtgeld of wachtgeldtoelage. Het personeelslid krijgt wel een onderbrekingsuitkering conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet.
Art. 7. Durant le crédit-soins, le membre du personnel est en congé. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Le membre du personnel ne reçoit ni traitement ou subvention-traitement, ni traitement d'attente ou subvention-traitement d'attente pour le nombre d'unitĂ©s de prestations ou pour les prestations qui ne sont pas prestĂ©es en raison de la prise de crĂ©dit-soins. Il reçoit cependant une allocation d'interruption conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins.
  Le membre du personnel ne reçoit ni traitement ou subvention-traitement, ni traitement d'attente ou subvention-traitement d'attente pour le nombre d'unitĂ©s de prestations ou pour les prestations qui ne sont pas prestĂ©es en raison de la prise de crĂ©dit-soins. Il reçoit cependant une allocation d'interruption conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crĂ©dit-soins.
HOOFDSTUK 6. - Procedure
CHAPITRE 6. - Procédure
Art. 8. § 1.Het personeelslid dat zorgkrediet wil opnemen, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, of aan het centrumbestuur of aan het hogeschool- of universiteitsbestuur.De personeelsleden van de inspectie doen hun mededeling aan de inspecteur-generaal. De inspecteur-generaal doet zijn mededeling aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Bij die mededeling moeten de gewenste begin- en einddatum van het zorgkrediet worden vermeld.
  § 2. Het zorgkrediet voor medische bijstand of palliatieve zorgen begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gedaan of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur of het hogeschool- of universiteitsbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
  Voor het opnemen van zorgkrediet om te zorgen voor een kind, voor een kind met een handicap of voor opleiding moet de mededeling, behalve voor de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen, gebeuren minstens een maand voor de ingangsdatum van de onderbreking, tenzij een kortere termijn met de inrichtende macht, het centrumbestuur, de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wordt overeengekomen.
  Voor de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse gemeenschap legt het instellingsbestuur bij reglement de aanvraagprocedure vast voor het nemen van een zorgkrediet om te zorgen voor een kind, voor een kind met een handicap of voor opleiding. Het procedurereglement heeft maar uitwerking wanneer hierover een protocol van akkoord afgesloten is binnen het bevoegde onderhandelingscomité.
  § 2. Het zorgkrediet voor medische bijstand of palliatieve zorgen begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gedaan of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of het centrumbestuur of het hogeschool- of universiteitsbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
  Voor het opnemen van zorgkrediet om te zorgen voor een kind, voor een kind met een handicap of voor opleiding moet de mededeling, behalve voor de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen, gebeuren minstens een maand voor de ingangsdatum van de onderbreking, tenzij een kortere termijn met de inrichtende macht, het centrumbestuur, de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wordt overeengekomen.
  Voor de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse gemeenschap legt het instellingsbestuur bij reglement de aanvraagprocedure vast voor het nemen van een zorgkrediet om te zorgen voor een kind, voor een kind met een handicap of voor opleiding. Het procedurereglement heeft maar uitwerking wanneer hierover een protocol van akkoord afgesloten is binnen het bevoegde onderhandelingscomité.
Art. 8. § 1er. Le membre du personnel dĂ©sireux de prendre un crĂ©dit-soins en avise le pouvoir organisateur de l'(des) Ă©tablissement(s) ou du(des) centre(s) oĂč il travaille, ou la direction du centre ou la direction de la haute Ă©cole ou de l'universitĂ©. Les membres du personnel de l'inspection en avisent l'inspecteur gĂ©nĂ©ral. L'inspecteur gĂ©nĂ©ral en avise le ministre flamand en charge de l'enseignement. Cette communication doit prĂ©ciser la date de dĂ©but et de fin souhaitĂ©e du crĂ©dit-soins.
  § 2. Le crédit-soins pour assistance médicale ou pour soins palliatifs prend cours le premier jour de la semaine suivant celle au cours laquelle la notification précitée a été faite ou plus tÎt, moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de la direction du centre ou de la direction de la haute école ou de l'université ou de l'inspecteur général ou du ministre flamand en charge de l'enseignement.
  La prise d'un crĂ©dit-soins pour s'occuper d'un enfant, d'un enfant handicapĂ© ou pour une formation doit ĂȘtre notifiĂ©e, sauf pour les membres du personnel des universitĂ©s et des hautes Ă©coles, au moins un mois avant la date de prise d'effet de l'interruption, Ă moins qu'il ne soit convenu d'un dĂ©lai plus court avec le pouvoir organisateur, la direction du centre, l'inspecteur gĂ©nĂ©ral ou le ministre flamand en charge de l'enseignement.
  Pour les membres du personnel des universités et des hautes écoles en Communauté flamande, la direction de l'établissement fixe par rÚglement la procédure de demande pour la prise d'un crédit-soins pour s'occuper d'un enfant, d'un enfant handicapé ou pour une formation. Le rÚglement de procédure ne sort ses effets que lorsqu'un protocole d'accord à ce sujet a été conclu au sein du comité de négociations compétent.
  § 2. Le crédit-soins pour assistance médicale ou pour soins palliatifs prend cours le premier jour de la semaine suivant celle au cours laquelle la notification précitée a été faite ou plus tÎt, moyennant l'accord du pouvoir organisateur ou de la direction du centre ou de la direction de la haute école ou de l'université ou de l'inspecteur général ou du ministre flamand en charge de l'enseignement.
  La prise d'un crĂ©dit-soins pour s'occuper d'un enfant, d'un enfant handicapĂ© ou pour une formation doit ĂȘtre notifiĂ©e, sauf pour les membres du personnel des universitĂ©s et des hautes Ă©coles, au moins un mois avant la date de prise d'effet de l'interruption, Ă moins qu'il ne soit convenu d'un dĂ©lai plus court avec le pouvoir organisateur, la direction du centre, l'inspecteur gĂ©nĂ©ral ou le ministre flamand en charge de l'enseignement.
  Pour les membres du personnel des universités et des hautes écoles en Communauté flamande, la direction de l'établissement fixe par rÚglement la procédure de demande pour la prise d'un crédit-soins pour s'occuper d'un enfant, d'un enfant handicapé ou pour une formation. Le rÚglement de procédure ne sort ses effets que lorsqu'un protocole d'accord à ce sujet a été conclu au sein du comité de négociations compétent.
Art. 9. § 1. Als het recht op onderbrekingsuitkeringen definitief wordt ontzegd aan een personeelslid dat zorgkrediet opneemt, deelt de bevoegde dienst van het Departement Werk en Sociale Economie dat onmiddellijk mee aan het personeelslid, zijn werkgever en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, met vermelding van de datum waarop de beslissing ingaat.
  § 2. Het verlof van een personeelslid dat zorgkrediet opneemt, maar definitief geen recht heeft op het aangevraagde zorgkrediet op basis van een beslissing van de bevoegde dienst van het Departement Werk en Sociale Economie of op basis van de bepalingen van dit besluit, wordt stopgezet. De reeds opgenomen periode wordt, naar keuze van het personeelslid, omgezet in een verlof zonder salaris of salaristoelage, een afwezigheid zonder salaris of salaristoelage of een terbeschikkingstelling zonder salaris of salaristoelage.
  In dat geval mag de duur overschreden worden van het verlof of de afwezigheid waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die ter zake op hem van toepassing zijn.
  § 2. Het verlof van een personeelslid dat zorgkrediet opneemt, maar definitief geen recht heeft op het aangevraagde zorgkrediet op basis van een beslissing van de bevoegde dienst van het Departement Werk en Sociale Economie of op basis van de bepalingen van dit besluit, wordt stopgezet. De reeds opgenomen periode wordt, naar keuze van het personeelslid, omgezet in een verlof zonder salaris of salaristoelage, een afwezigheid zonder salaris of salaristoelage of een terbeschikkingstelling zonder salaris of salaristoelage.
  In dat geval mag de duur overschreden worden van het verlof of de afwezigheid waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die ter zake op hem van toepassing zijn.
Art. 9. § 1er. Lorsque le droit aux allocations d'interruption est définitivement refusé à un membre du personnel qui prend un crédit-soins, le service compétent du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale en informe immédiatement le membre du personnel, son employeur et le ministre flamand en charge de l'enseignement, en précisant la date de prise d'effet de la décision.
  § 2. Il est mis fin au congĂ© d'un membre du personnel qui prend un crĂ©dit-soins mais qui n'a dĂ©finitivement pas droit au crĂ©dit-soins demandĂ© en vertu d'une dĂ©cision du service compĂ©tent du DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale ou des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. La pĂ©riode dĂ©jĂ prise est convertie, au choix du membre du personnel, en un congĂ© sans traitement ou subvention-traitement, une absence sans traitement ou subvention-traitement ou une mise en disponibilitĂ© sans traitement ou subvention-traitement.
  Dans ce cas, la durĂ©e du congĂ© ou de l'absence Ă laquelle le membre du personnel concernĂ© peut prĂ©tendre en vertu des dispositions rĂ©glementaires qui lui sont applicables en la matiĂšre peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e.
  § 2. Il est mis fin au congĂ© d'un membre du personnel qui prend un crĂ©dit-soins mais qui n'a dĂ©finitivement pas droit au crĂ©dit-soins demandĂ© en vertu d'une dĂ©cision du service compĂ©tent du DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale ou des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. La pĂ©riode dĂ©jĂ prise est convertie, au choix du membre du personnel, en un congĂ© sans traitement ou subvention-traitement, une absence sans traitement ou subvention-traitement ou une mise en disponibilitĂ© sans traitement ou subvention-traitement.
  Dans ce cas, la durĂ©e du congĂ© ou de l'absence Ă laquelle le membre du personnel concernĂ© peut prĂ©tendre en vertu des dispositions rĂ©glementaires qui lui sont applicables en la matiĂšre peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
Section 1Ăšre. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s pour prestations rĂ©duites justifiĂ©s par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons de convenances personnelles, accordĂ©s aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves
Art. 10. Het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt vervangen door wat volgt:
  "Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties"
  "Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties"
Art. 10. L'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s pour prestations rĂ©duites justifiĂ©s par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons de convenances personnelles, accordĂ©s aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves est remplacĂ© par ce qui suit :
  " ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites "
  " ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif aux congĂ©s et aux absences pour prestations rĂ©duites "
Art. 11. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op:
  1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
  5° de personeelsleden, vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs."
  "Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op:
  1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
  2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
  3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
  5° de personeelsleden, vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs."
Art. 11. L'article 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique :
  1° aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° aux membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves ;
  3° aux membres de l'inspection visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
  4° aux membres du personnel visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des matiÚres philosophiques ;
  5° aux membres du personnel visés à l'article 127, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes ;
  " Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique :
  1° aux membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° aux membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves ;
  3° aux membres de l'inspection visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
  4° aux membres du personnel visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des matiÚres philosophiques ;
  5° aux membres du personnel visés à l'article 127, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes ;
Art. 12. Hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk II. Verlof voor verminderde prestaties.
  Art. 2. § 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, hebben recht op verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3.
  In afwijking van het eerste lid hebben tijdelijke personeelsleden enkel recht op het verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3 op voorwaarde dat ze 720 dagen dienstanciënniteit hebben opgebouwd, zoals bepaald in artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. Minimum 360 dagen daarvan moeten opgebouwd zijn bij het schoolbestuur of het centrumbestuur, of, indien het personeelslid is aangesteld of geaffecteerd bij een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, bij de scholengemeenschap.
  Voor tijdelijk aangestelde personeelsleden moet het verlof voor verminderde prestaties binnen hun aanstellingsperiode vallen.
  In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° recht op het verlof voor verminderde prestaties indien ze twee jaar diensten hebben gepresteerd in een functie zoals bepaald in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie. Van deze diensten moeten 360 dagen gepresteerd zijn bij het centrumbestuur bij wie het verlof wordt opgenomen.
  § 2. Het recht op verlof voor verminderde prestaties geldt als er een kandidaat-vervanger is die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij is in het bezit van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
  2° hij voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht.
  De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, 1°. Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op dezelfde wijze als de wijze die door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van de bepalingen van de hierna volgende decreten :
  1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
  2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
  In afwijking van het eerste lid geldt het recht op verlof voor verminderde prestaties voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° als er een kandidaat-vervanger is die aan de voorwaarden voldoet van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie.
  § 3. De voorwaarden zoals bedoeld in § 2 moeten niet vervuld zijn:
  1° voor een personeelslid in een wervingsambt dat het verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3° ;
  2° op de eerstvolgende ingangsdatum, voor een personeelslid in een wervingsambt dat een verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 1° en 2°, en van wie de oorspronkelijke en vóór 1 juni ingediende aanvraag met de ingangsdatum van 1 september niet werd goedgekeurd op basis van het niet voldaan zijn van de voorwaarden zoals bedoeld in § 2;
  3° voor de personeelsleden vermeld in artikel 2, 2°, 3°, 4°, 5° en 6° van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie, die het verlof voor verminderde prestaties opnemen zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3°.
  § 4. De personeelsleden die niet voldoen aan de bepalingen vermeld in § 1 en § 2, kunnen een verlof voor verminderde prestaties krijgen, op voorwaarde dat de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, daarmee instemt.
  § 5. Het verlof voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
  1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
  2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
  3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
  4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.
  Art. 3. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de arbeidsprestaties:
  1° volledig onderbreken;
  2° verminderen tot een halftijdse betrekking;
  3° verminderen met een vijfde van een voltijdse betrekking.
  In afwijking van het eerste lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op het volume van het verlof. De afwijking op het volume is een recht voor een personeelslid dat zijn overlevingspensioen of overgangsuitkering wil cumuleren met een salaris.
  De volledige onderbreking van de arbeidsprestaties omvat alle arbeidsprestaties in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop het verlof voor verminderde prestaties genomen kan worden, als als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking blijft het personeelslid een of meer betrekkingen uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde moet het personeelslid een betrekking met volledige prestaties uitoefenen. Bovendien moet het personeelslid een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenheden waarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
  Art. 4. Bij een volledige onderbreking van de arbeidsprestaties begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot de helft of met een vijfde begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september, 1 januari of 1 april en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.
  In afwijking van het eerste en tweede lid kan het verlof voor verminderde prestaties eveneens ingaan de dag na het beëindigen van een voorafgaande dienstonderbreking, op voorwaarde dat het verlof voor verminderde prestaties voor hetzelfde volume wordt opgenomen als de voorafgaande dienstonderbreking.
  In afwijking van het eerste en tweede lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de ingangsdatum en einddatum van het verlof.
  Art. 5. § 1. Het personeelslid kan een verlof voor verminderde prestaties als volgt opnemen:
  1° een verlof met volledige onderbreking van de arbeidsprestaties gedurende 24 maanden;
  2° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties gedurende 120 maanden. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde;
  3° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde en duurt tot aan de effectieve datum van het pensioen. Het personeelslid heeft eenmalig op 1 september de mogelijkheid om over te stappen van een vermindering met een vijfde naar een vermindering met de helft van de arbeidsprestaties of omgekeerd.
  Het personeelslid met een verlof verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar heeft éénmalig het recht om zijn verlof te beëindigen en zijn betrekking opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vanaf 1 september. Het personeelslid moet zijn voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei.
  In afwijking van het voorgaande lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de datum van 1 september.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de totale duur van het verlof voor verminderde prestaties, worden overschreden als de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in een verlof voor verminderde prestaties.
  Art. 6. Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin hij zijn arbeidsprestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de nog effectief uitgeoefende prestaties. Bij een volledige schorsing van de arbeidsprestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
  Art. 7. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties mag het personeelslid geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen.
  De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd : gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van de districtsraad.
  Art. 8. § 1. Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, of bij het centrumbestuur. De personeelsleden van de inspectie dienen hun aanvraag in bij de inspecteur-generaal. De inspecteur-generaal dient zijn aanvraag in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wil dat het verlof voor verminderde prestaties zou aanvangen en de duur ervan.
  De inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs dient zijn principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
  § 2. In geval van weigering moet de inrichtende macht of het centrumbestuur haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van het verlof voor verminderde prestaties meedelen zowel aan het personeelslid dat het verlof aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger.
  Art. 9. Om de totale duur te berekenen van het verlof voor verminderde prestaties dat een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017.
  "Hoofdstuk II. Verlof voor verminderde prestaties.
  Art. 2. § 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, hebben recht op verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3.
  In afwijking van het eerste lid hebben tijdelijke personeelsleden enkel recht op het verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig de bepalingen van § 2 en § 3 op voorwaarde dat ze 720 dagen dienstanciënniteit hebben opgebouwd, zoals bepaald in artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. Minimum 360 dagen daarvan moeten opgebouwd zijn bij het schoolbestuur of het centrumbestuur, of, indien het personeelslid is aangesteld of geaffecteerd bij een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, bij de scholengemeenschap.
  Voor tijdelijk aangestelde personeelsleden moet het verlof voor verminderde prestaties binnen hun aanstellingsperiode vallen.
  In afwijking van het eerste lid hebben de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° recht op het verlof voor verminderde prestaties indien ze twee jaar diensten hebben gepresteerd in een functie zoals bepaald in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie. Van deze diensten moeten 360 dagen gepresteerd zijn bij het centrumbestuur bij wie het verlof wordt opgenomen.
  § 2. Het recht op verlof voor verminderde prestaties geldt als er een kandidaat-vervanger is die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° hij is in het bezit van het vereiste bekwaamheidsbewijs;
  2° hij voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht.
  De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, 1°. Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op dezelfde wijze als de wijze die door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van de bepalingen van de hierna volgende decreten :
  1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
  2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
  In afwijking van het eerste lid geldt het recht op verlof voor verminderde prestaties voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° als er een kandidaat-vervanger is die aan de voorwaarden voldoet van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie.
  § 3. De voorwaarden zoals bedoeld in § 2 moeten niet vervuld zijn:
  1° voor een personeelslid in een wervingsambt dat het verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3° ;
  2° op de eerstvolgende ingangsdatum, voor een personeelslid in een wervingsambt dat een verlof voor verminderde prestaties opneemt zoals vermeld in artikel 5, § 1, 1° en 2°, en van wie de oorspronkelijke en vóór 1 juni ingediende aanvraag met de ingangsdatum van 1 september niet werd goedgekeurd op basis van het niet voldaan zijn van de voorwaarden zoals bedoeld in § 2;
  3° voor de personeelsleden vermeld in artikel 2, 2°, 3°, 4°, 5° en 6° van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie, die het verlof voor verminderde prestaties opnemen zoals vermeld in artikel 5, § 1, 3°.
  § 4. De personeelsleden die niet voldoen aan de bepalingen vermeld in § 1 en § 2, kunnen een verlof voor verminderde prestaties krijgen, op voorwaarde dat de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, daarmee instemt.
  § 5. Het verlof voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
  1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
  2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
  3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
  4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.
  Art. 3. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de arbeidsprestaties:
  1° volledig onderbreken;
  2° verminderen tot een halftijdse betrekking;
  3° verminderen met een vijfde van een voltijdse betrekking.
  In afwijking van het eerste lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op het volume van het verlof. De afwijking op het volume is een recht voor een personeelslid dat zijn overlevingspensioen of overgangsuitkering wil cumuleren met een salaris.
  De volledige onderbreking van de arbeidsprestaties omvat alle arbeidsprestaties in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop het verlof voor verminderde prestaties genomen kan worden, als als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking blijft het personeelslid een of meer betrekkingen uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde moet het personeelslid een betrekking met volledige prestaties uitoefenen. Bovendien moet het personeelslid een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een betrekking met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid, naargelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenheden waarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
  Art. 4. Bij een volledige onderbreking van de arbeidsprestaties begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.
  Bij vermindering van de arbeidsprestaties tot de helft of met een vijfde begint het verlof voor verminderde prestaties op 1 september, 1 januari of 1 april en eindigt het op 31 augustus van hetzelfde schooljaar.
  In afwijking van het eerste en tweede lid kan het verlof voor verminderde prestaties eveneens ingaan de dag na het beëindigen van een voorafgaande dienstonderbreking, op voorwaarde dat het verlof voor verminderde prestaties voor hetzelfde volume wordt opgenomen als de voorafgaande dienstonderbreking.
  In afwijking van het eerste en tweede lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de ingangsdatum en einddatum van het verlof.
  Art. 5. § 1. Het personeelslid kan een verlof voor verminderde prestaties als volgt opnemen:
  1° een verlof met volledige onderbreking van de arbeidsprestaties gedurende 24 maanden;
  2° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties gedurende 120 maanden. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde;
  3° een verlof met vermindering van de arbeidsprestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar. De periode van vermindering omvat zowel de vermindering van de prestaties tot de helft als met een vijfde en duurt tot aan de effectieve datum van het pensioen. Het personeelslid heeft eenmalig op 1 september de mogelijkheid om over te stappen van een vermindering met een vijfde naar een vermindering met de helft van de arbeidsprestaties of omgekeerd.
  Het personeelslid met een verlof verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar heeft éénmalig het recht om zijn verlof te beëindigen en zijn betrekking opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vanaf 1 september. Het personeelslid moet zijn voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei.
  In afwijking van het voorgaande lid kan de inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs een afwijking toestaan op de datum van 1 september.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de totale duur van het verlof voor verminderde prestaties, worden overschreden als de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in een verlof voor verminderde prestaties.
  Art. 6. Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin hij zijn arbeidsprestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de nog effectief uitgeoefende prestaties. Bij een volledige schorsing van de arbeidsprestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
  Art. 7. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties mag het personeelslid geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen.
  De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd : gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van de districtsraad.
  Art. 8. § 1. Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, of bij het centrumbestuur. De personeelsleden van de inspectie dienen hun aanvraag in bij de inspecteur-generaal. De inspecteur-generaal dient zijn aanvraag in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wil dat het verlof voor verminderde prestaties zou aanvangen en de duur ervan.
  De inrichtende macht of het schoolbestuur of het centrumbestuur of de inspecteur-generaal of de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs dient zijn principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
  § 2. In geval van weigering moet de inrichtende macht of het centrumbestuur haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van het verlof voor verminderde prestaties meedelen zowel aan het personeelslid dat het verlof aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger.
  Art. 9. Om de totale duur te berekenen van het verlof voor verminderde prestaties dat een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017.
Art. 12. Le chapitre II du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Chapitre II. Congé pour prestations réduites.
  Art. 2. § 1er. Les membres du personnel visés à l'article 1er ont droit au congé pour prestations réduites conformément aux dispositions des §§ 2 et 3.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, les membres du personnel temporaires n'ont droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites conformĂ©ment aux dispositions des §§ 2 et 3 qu'Ă condition d'avoir acquis 720 jours d'anciennetĂ© de service tel que prĂ©vu Ă l'article 4 du dĂ©cret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et Ă l'article 6 du dĂ©cret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionnĂ©. Un minimum de 360 jours doit en ĂȘtre acquis auprĂšs de la direction de l'Ă©cole ou de la direction du centre ou, si le membre du personnel a Ă©tĂ© nommĂ© ou affectĂ© auprĂšs d'un Ă©tablissement appartenant Ă une communautĂ© scolaire, auprĂšs de la communautĂ© scolaire.
  En ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre temporaire, le congé pour prestations réduites doit tomber dans la période de leur nomination.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 1er, 5°, ont droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites s'ils ont prestĂ© deux annĂ©es de service dans une fonction prĂ©vue par l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base. De ces services, 360 jours doivent avoir Ă©tĂ© prestĂ©s auprĂšs de la direction du centre auprĂšs duquel le congĂ© est pris.
  § 2. Le droit au congé pour prestations réduites s'applique lorsqu'il y a un candidat remplaçant qui remplit les conditions suivantes :
  1° il est en possession du titre requis ;
  2° il remplit les conditions du projet éducatif du pouvoir organisateur.
  Le pouvoir organisateur peut vérifier si le candidat remplaçant dispose de l'expérience utile éventuellement requise pour le titre visé à l'alinéa 1er, 1°. Cette vérification s'effectue d'une maniÚre identique à celle suivie par le pouvoir organisateur en cas de recrutement d'un membre du personnel sur la base des dispositions des décrets suivants :
  1° le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, le droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites s'applique aux membres du personnel visĂ©s Ă l'article 1er, 5°, lorsqu'il y a un candidat remplaçant qui remplit les conditions de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base.
  § 3. Les conditions visĂ©es au § 2 ne doivent pas ĂȘtre remplies :
  1° pour un membre du personnel dans une fonction de recrutement qui prend le congé pour prestations réduites tel que visé à l'article 5, § 1er, 3° ;
  2° à la premiÚre date de prise d'effet suivante, pour un membre du personnel dans une fonction de recrutement qui prend un congé pour prestations réduites tel que visé à l'article 5, § 1er, 1° et 2°, et dont la demande initiale introduite avant le 1er juin n'a pas été approuvée à la date de prise d'effet du 1er septembre au motif que les conditions visées au § 2 ne sont pas remplies ;
  3° pour les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 2, 2°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base qui prennent le congĂ© pour prestations rĂ©duites tel que visĂ© Ă l'article 5, § 1er, 3°.
  § 4. Les membres du personnel qui ne satisfont pas aux dispositions visées aux §§ 1er et 2 peuvent obtenir un congé pour prestations réduites à condition que le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement y consente.
  § 5. Le congé pour prestations réduites est accordé par :
  1° le pouvoir organisateur ou la direction de l'école pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 1° et 2° ;
  2° l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur ;
  3° le Ministre flamand en charge de l'enseignement ou son délégué pour l'inspecteur général et les membres du personnel visés à l'article 1er, 4° ;
  4° la direction du centre pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°.
  Art. 3. Durant le congé pour prestations réduites, le membre du personnel peut :
  1° interrompre complÚtement ses prestations de travail ;
  2° les réduire à un mi-temps ;
  3° les réduire d'un cinquiÚme temps.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation au volume du congé. La dérogation au volume est un droit pour le un membre du personnel désireux de cumuler sa pension de survie ou son allocation de transition avec un traitement.
  L'interruption complÚte des prestations de travail comprend toutes les prestations dans des fonctions financées et subventionnées par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élÚves.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles le congĂ© pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre pris que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d' exercer.
  En cas de réduction des prestations de travail à un mi-temps, le membre du personnel continue d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  En cas de réduction des prestations de travail d'un cinquiÚme, le membre du personnel doit exercer un emploi à prestations complÚtes. En outre, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquiÚmes du nombre d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail, sont d'abord prises en considĂ©ration les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
  Art. 4. En cas d'interruption complĂšte des prestations de travail, le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute le 1er septembre et prend fin le 31 aoĂ»t de la mĂȘme annĂ©e scolaire.
  En cas de rĂ©duction des prestations de travail de moitiĂ© ou d'un cinquiĂšme, le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute le 1er septembre, le 1er janvier ou le 1er avril et prend fin le 31 aoĂ»t de la mĂȘme annĂ©e scolaire.
  Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 2, le congĂ© pour prestations rĂ©duites peut Ă©galement dĂ©buter le lendemain de la fin d'une interruption de service prĂ©cĂ©dente Ă condition que le congĂ© pour prestations rĂ©duites soit pris pour le mĂȘme volume que l'interruption de service prĂ©cĂ©dente.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation à la date de prise d'effet et à la date de fin du congé.
  Art. 5. § 1er. Le membre du personnel peut prendre un congé pour prestations réduites comme suit :
  1° un congé avec interruption complÚte des prestations de travail durant 24 mois ;
  2° un congé avec réduction des prestations de travail durant 120 mois. La période de réduction comprend tant la réduction des prestations de moitié que d'un cinquiÚme ;
  3° un congé avec réduction des prestations de travail à partir de l'ùge de 55 ans. La période de réduction comprend tant la réduction des prestations de moitié que d'un cinquiÚme et dure jusqu'à la date effective de la retraite. Le membre du personnel dispose à titre unique, au 1er septembre, de la faculté de passer d'une réduction d'un cinquiÚme à une réduction de moitié des prestations de travail et inversement.
  Le membre du personnel en congé pour prestations réduites à partir de l'ùge de 55 ans dispose à titre unique du droit de mettre fin à son congé et de réintégrer son emploi ou de l'exercer à nouveau complÚtement à partir du 1er septembre. Le membre du personnel doit notifier son intention au pouvoir organisateur avant le 1er mai.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation à la date du 1er septembre.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, la durĂ©e totale du congĂ© pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e lorsque l'absence d'un membre du personnel qui a pris un crĂ©dit-soins sans avoir droit Ă une allocation d'interruption est convertie en un congĂ© pour prestations rĂ©duites.
  Art. 6. Le congé pour prestations réduites est assimilé à une période d'activité de service. Durant la période pendant laquelle il réduit ses prestations de travail, le membre du personnel reçoit un traitement correspondant au volume des prestations encore effectivement exercées. En cas de suspension complÚte des prestations de travail, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
  Art. 7. Durant le congé pour prestations réduites, le membre du personnel ne peut exercer aucune activité lucrative de remplacement.
  Les mandats politiques suivants ne sont pas considérés comme activité lucrative de remplacement : conseiller communal, conseiller provincial, membre du bureau du conseil de l'aide sociale, membre du conseil de l'aide sociale ou membre du conseil de district.
  Art. 8. § 1er. Le membre du personnel dĂ©sireux de prendre un congĂ© pour prestations rĂ©duites introduit Ă cet effet une demande auprĂšs du pouvoir organisateur de l'(des) Ă©tablissement(s) ou du/des centre(s) oĂč il travaille ou auprĂšs de la direction du centre. Les membres du personnel de l'inspection introduisent leur demande auprĂšs de l'inspecteur gĂ©nĂ©ral. L'inspecteur gĂ©nĂ©ral introduit sa demande auprĂšs du Ministre flamand en charge de l'enseignement. Lors de la demande, le membre du personnel prĂ©cise la date Ă laquelle il souhaite que le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute ainsi que sa durĂ©e.
  Le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement doit communiquer sa décision de principe au membre du personnel dans les quinze jours calendrier de la réception de la demande.
  § 2. En cas de refus, le pouvoir organisateur ou la direction du centre doit motiver son refus par écrit et le communiquer, au plus tard sept jours calendrier avant le début du congé pour prestations réduites, tant au membre du personnel qui demande le congé qu'au candidat remplaçant.
  Art. 9. Pour calculer la durée totale du congé pour prestations réduites pris par un membre du personnel sur l'ensemble de sa carriÚre, seule la durée des congés pour prestations réduites prenant cours à partir du 1er septembre 2017 est prise en compte.
  " Chapitre II. Congé pour prestations réduites.
  Art. 2. § 1er. Les membres du personnel visés à l'article 1er ont droit au congé pour prestations réduites conformément aux dispositions des §§ 2 et 3.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, les membres du personnel temporaires n'ont droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites conformĂ©ment aux dispositions des §§ 2 et 3 qu'Ă condition d'avoir acquis 720 jours d'anciennetĂ© de service tel que prĂ©vu Ă l'article 4 du dĂ©cret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et Ă l'article 6 du dĂ©cret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionnĂ©. Un minimum de 360 jours doit en ĂȘtre acquis auprĂšs de la direction de l'Ă©cole ou de la direction du centre ou, si le membre du personnel a Ă©tĂ© nommĂ© ou affectĂ© auprĂšs d'un Ă©tablissement appartenant Ă une communautĂ© scolaire, auprĂšs de la communautĂ© scolaire.
  En ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre temporaire, le congé pour prestations réduites doit tomber dans la période de leur nomination.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 1er, 5°, ont droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites s'ils ont prestĂ© deux annĂ©es de service dans une fonction prĂ©vue par l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base. De ces services, 360 jours doivent avoir Ă©tĂ© prestĂ©s auprĂšs de la direction du centre auprĂšs duquel le congĂ© est pris.
  § 2. Le droit au congé pour prestations réduites s'applique lorsqu'il y a un candidat remplaçant qui remplit les conditions suivantes :
  1° il est en possession du titre requis ;
  2° il remplit les conditions du projet éducatif du pouvoir organisateur.
  Le pouvoir organisateur peut vérifier si le candidat remplaçant dispose de l'expérience utile éventuellement requise pour le titre visé à l'alinéa 1er, 1°. Cette vérification s'effectue d'une maniÚre identique à celle suivie par le pouvoir organisateur en cas de recrutement d'un membre du personnel sur la base des dispositions des décrets suivants :
  1° le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, le droit au congĂ© pour prestations rĂ©duites s'applique aux membres du personnel visĂ©s Ă l'article 1er, 5°, lorsqu'il y a un candidat remplaçant qui remplit les conditions de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base.
  § 3. Les conditions visĂ©es au § 2 ne doivent pas ĂȘtre remplies :
  1° pour un membre du personnel dans une fonction de recrutement qui prend le congé pour prestations réduites tel que visé à l'article 5, § 1er, 3° ;
  2° à la premiÚre date de prise d'effet suivante, pour un membre du personnel dans une fonction de recrutement qui prend un congé pour prestations réduites tel que visé à l'article 5, § 1er, 1° et 2°, et dont la demande initiale introduite avant le 1er juin n'a pas été approuvée à la date de prise d'effet du 1er septembre au motif que les conditions visées au § 2 ne sont pas remplies ;
  3° pour les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 2, 2°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 fixant les fonctions, titres et Ă©chelles de traitement des membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base qui prennent le congĂ© pour prestations rĂ©duites tel que visĂ© Ă l'article 5, § 1er, 3°.
  § 4. Les membres du personnel qui ne satisfont pas aux dispositions visées aux §§ 1er et 2 peuvent obtenir un congé pour prestations réduites à condition que le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement y consente.
  § 5. Le congé pour prestations réduites est accordé par :
  1° le pouvoir organisateur ou la direction de l'école pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 1° et 2° ;
  2° l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur ;
  3° le Ministre flamand en charge de l'enseignement ou son délégué pour l'inspecteur général et les membres du personnel visés à l'article 1er, 4° ;
  4° la direction du centre pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°.
  Art. 3. Durant le congé pour prestations réduites, le membre du personnel peut :
  1° interrompre complÚtement ses prestations de travail ;
  2° les réduire à un mi-temps ;
  3° les réduire d'un cinquiÚme temps.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation au volume du congé. La dérogation au volume est un droit pour le un membre du personnel désireux de cumuler sa pension de survie ou son allocation de transition avec un traitement.
  L'interruption complÚte des prestations de travail comprend toutes les prestations dans des fonctions financées et subventionnées par la Communauté flamande que le membre du personnel exerce dans l'enseignement et dans les centres d'encadrement des élÚves.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles le congĂ© pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre pris que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d' exercer.
  En cas de réduction des prestations de travail à un mi-temps, le membre du personnel continue d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble la moitié du nombre d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  En cas de réduction des prestations de travail d'un cinquiÚme, le membre du personnel doit exercer un emploi à prestations complÚtes. En outre, le membre du personnel doit continuer d'exercer un ou plusieurs emplois formant ensemble quatre cinquiÚmes du nombre d'unités de prestations requises pour un emploi à prestations complÚtes. Les prestations restant à accomplir sont toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une période de cours ou à une heure complÚte.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail, sont d'abord prises en considĂ©ration les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
  Art. 4. En cas d'interruption complĂšte des prestations de travail, le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute le 1er septembre et prend fin le 31 aoĂ»t de la mĂȘme annĂ©e scolaire.
  En cas de rĂ©duction des prestations de travail de moitiĂ© ou d'un cinquiĂšme, le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute le 1er septembre, le 1er janvier ou le 1er avril et prend fin le 31 aoĂ»t de la mĂȘme annĂ©e scolaire.
  Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 2, le congĂ© pour prestations rĂ©duites peut Ă©galement dĂ©buter le lendemain de la fin d'une interruption de service prĂ©cĂ©dente Ă condition que le congĂ© pour prestations rĂ©duites soit pris pour le mĂȘme volume que l'interruption de service prĂ©cĂ©dente.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation à la date de prise d'effet et à la date de fin du congé.
  Art. 5. § 1er. Le membre du personnel peut prendre un congé pour prestations réduites comme suit :
  1° un congé avec interruption complÚte des prestations de travail durant 24 mois ;
  2° un congé avec réduction des prestations de travail durant 120 mois. La période de réduction comprend tant la réduction des prestations de moitié que d'un cinquiÚme ;
  3° un congé avec réduction des prestations de travail à partir de l'ùge de 55 ans. La période de réduction comprend tant la réduction des prestations de moitié que d'un cinquiÚme et dure jusqu'à la date effective de la retraite. Le membre du personnel dispose à titre unique, au 1er septembre, de la faculté de passer d'une réduction d'un cinquiÚme à une réduction de moitié des prestations de travail et inversement.
  Le membre du personnel en congé pour prestations réduites à partir de l'ùge de 55 ans dispose à titre unique du droit de mettre fin à son congé et de réintégrer son emploi ou de l'exercer à nouveau complÚtement à partir du 1er septembre. Le membre du personnel doit notifier son intention au pouvoir organisateur avant le 1er mai.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement peut accorder une dérogation à la date du 1er septembre.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, la durĂ©e totale du congĂ© pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e lorsque l'absence d'un membre du personnel qui a pris un crĂ©dit-soins sans avoir droit Ă une allocation d'interruption est convertie en un congĂ© pour prestations rĂ©duites.
  Art. 6. Le congé pour prestations réduites est assimilé à une période d'activité de service. Durant la période pendant laquelle il réduit ses prestations de travail, le membre du personnel reçoit un traitement correspondant au volume des prestations encore effectivement exercées. En cas de suspension complÚte des prestations de travail, le membre du personnel ne reçoit pas de traitement, de subvention-traitement, de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
  Art. 7. Durant le congé pour prestations réduites, le membre du personnel ne peut exercer aucune activité lucrative de remplacement.
  Les mandats politiques suivants ne sont pas considérés comme activité lucrative de remplacement : conseiller communal, conseiller provincial, membre du bureau du conseil de l'aide sociale, membre du conseil de l'aide sociale ou membre du conseil de district.
  Art. 8. § 1er. Le membre du personnel dĂ©sireux de prendre un congĂ© pour prestations rĂ©duites introduit Ă cet effet une demande auprĂšs du pouvoir organisateur de l'(des) Ă©tablissement(s) ou du/des centre(s) oĂč il travaille ou auprĂšs de la direction du centre. Les membres du personnel de l'inspection introduisent leur demande auprĂšs de l'inspecteur gĂ©nĂ©ral. L'inspecteur gĂ©nĂ©ral introduit sa demande auprĂšs du Ministre flamand en charge de l'enseignement. Lors de la demande, le membre du personnel prĂ©cise la date Ă laquelle il souhaite que le congĂ© pour prestations rĂ©duites dĂ©bute ainsi que sa durĂ©e.
  Le pouvoir organisateur ou la direction de l'école ou la direction du centre ou l'inspecteur général ou le Ministre flamand en charge de l'enseignement doit communiquer sa décision de principe au membre du personnel dans les quinze jours calendrier de la réception de la demande.
  § 2. En cas de refus, le pouvoir organisateur ou la direction du centre doit motiver son refus par écrit et le communiquer, au plus tard sept jours calendrier avant le début du congé pour prestations réduites, tant au membre du personnel qui demande le congé qu'au candidat remplaçant.
  Art. 9. Pour calculer la durée totale du congé pour prestations réduites pris par un membre du personnel sur l'ensemble de sa carriÚre, seule la durée des congés pour prestations réduites prenant cours à partir du 1er septembre 2017 est prise en compte.
Art. 13. Hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk III. Afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Art. 10. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen een afwezigheid voor verminderde prestaties aanvragen.
  Voor tijdelijk of contractueel aangestelde personeelsleden geldt dit enkel voor zover de afwezigheid binnen hun aanstellingsperiode valt.
  Art. 11. De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
  1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
  2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
  3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
  4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.
  Art. 12. De afwezigheid voor verminderde prestaties kan worden toegestaan voor al de prestaties of voor een gedeelte van de prestaties waarmee het personeelslid in de instelling, het centrum of de dienst belast is. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de prestaties waarvoor het personeelslid vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld is.
  In afwijking van het eerste lid wordt er voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° geen onderscheid gemaakt of zij voor bepaalde of onbepaalde duur zijn aangesteld.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop de afwezigheid voor verminderde prestaties genomen kan worden, als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenhedenwaarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
  Art. 13. § 1. De totale duur van de afwezigheid, in een keer of in verschillende keren genomen, mag tijdens de volledige loopbaan van het personeelslid niet meer bedragen dan 60 maanden, ongeacht of de afwezigheid werd verkregen voor al de uitgeoefende prestaties of voor een deel ervan.
  Om de totale duur te berekenen van de afwezigheid voor verminderde prestaties die een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de totale duur van zestig maanden worden overschreden als :
  1° het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in artikel 20, § 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
  2° het opvangverlof van een personeelslid ambtshalve wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties omdat bij de terugkeer uit het buitenland blijkt dat geen adoptie heeft plaatsgehad, zoals vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
  3° een personeelslid gebruik maakt van de overgangsmaatregelen, als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  4° de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Art. 14. Tijdens de afwezigheid voor verminderde prestaties is het personeelslid in de stand non-activiteit. Het heeft voor de prestatie of prestaties waarvoor het afwezig is, geen recht op salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
  "Hoofdstuk III. Afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Art. 10. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen een afwezigheid voor verminderde prestaties aanvragen.
  Voor tijdelijk of contractueel aangestelde personeelsleden geldt dit enkel voor zover de afwezigheid binnen hun aanstellingsperiode valt.
  Art. 11. De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt toegestaan door:
  1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
  2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
  3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
  4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.
  Art. 12. De afwezigheid voor verminderde prestaties kan worden toegestaan voor al de prestaties of voor een gedeelte van de prestaties waarmee het personeelslid in de instelling, het centrum of de dienst belast is. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de prestaties waarvoor het personeelslid vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld is.
  In afwijking van het eerste lid wordt er voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 5° geen onderscheid gemaakt of zij voor bepaalde of onbepaalde duur zijn aangesteld.
  Het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, kan zowel in aanmerking worden genomen als prestatie-eenheden waarop de afwezigheid voor verminderde prestaties genomen kan worden, als prestatie-eenheden die het personeelslid nog moet blijven uitoefenen.
  Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het de arbeidsprestaties vermindert, worden eerst de prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, en vervolgens de prestatie-eenhedenwaarvoor het wel gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een niet-organieke betrekking.
  Art. 13. § 1. De totale duur van de afwezigheid, in een keer of in verschillende keren genomen, mag tijdens de volledige loopbaan van het personeelslid niet meer bedragen dan 60 maanden, ongeacht of de afwezigheid werd verkregen voor al de uitgeoefende prestaties of voor een deel ervan.
  Om de totale duur te berekenen van de afwezigheid voor verminderde prestaties die een personeelslid over zijn hele loopbaan neemt, wordt alleen rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die zijn ingegaan vanaf 1 september 2017.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag de totale duur van zestig maanden worden overschreden als :
  1° het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties als vermeld in artikel 20, § 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
  2° het opvangverlof van een personeelslid ambtshalve wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties omdat bij de terugkeer uit het buitenland blijkt dat geen adoptie heeft plaatsgehad, zoals vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
  3° een personeelslid gebruik maakt van de overgangsmaatregelen, als vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  4° de afwezigheid van een personeelslid dat zorgkrediet heeft genomen, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt omgezet in afwezigheid voor verminderde prestaties.
  Art. 14. Tijdens de afwezigheid voor verminderde prestaties is het personeelslid in de stand non-activiteit. Het heeft voor de prestatie of prestaties waarvoor het afwezig is, geen recht op salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Art. 13. Le chapitre III du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Chapitre III. Absence pour prestations réduites.
  Art. 10. Les membres du personnel visés à l'article 1er peuvent demander une absence pour prestations réduites.
  En ce qui concerne les membres du personnel nommĂ©s Ă titre temporaire ou contractuel, cette disposition s'applique dans la mesure oĂč l'absence tombe dans la pĂ©riode de leur nomination.
  Art. 11. L'absence pour prestations réduites est accordée par :
  1° le pouvoir organisateur ou la direction de l'école pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 1° et 2° ;
  2° l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur ;
  3° le Ministre flamand en charge de l'enseignement ou son délégué pour l'inspecteur général et les membres du personnel visés à l'article 1er, 4° ;
  4° la direction du centre pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°.
  Art. 12. L'absence pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre accordĂ©e pour l'ensemble ou pour une partie des prestations dont le membre du personnel a la charge au sein de l'Ă©tablissement, du centre ou du service, sans distinction entre les prestations pour lesquelles le membre du personnel est nommĂ© Ă titre dĂ©finitif, admis au stage ou dĂ©signĂ© Ă titre temporaire.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune distinction n'est faite en ce qui concerne les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°, selon qu'ils ont été nommés à durée déterminée ou indéterminée.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ©, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles l'absence pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre prise que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d'exercer.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail, sont d'abord prises en considĂ©ration les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
  Art. 13. § 1er. La durée totale de l'absence pour prestations réduites, prise en une ou plusieurs fois, ne peut excéder 60 mois sur la carriÚre complÚte du membre du personnel, que l'absence ait été acquise pour l'ensemble ou pour une partie des prestations exercées.
  Pour calculer la durée totale de l'absence pour prestations réduites prise par un membre du personnel sur l'ensemble de sa carriÚre, seule la durée des absences pour prestations réduites prenant cours à partir du 1er septembre 2017 est prise en compte.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, la durĂ©e totale de soixante mois peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e lorsque :
  1° le congĂ© d'un membre du personnel qui a interrompu sa carriĂšre professionnelle sans avoir droit Ă une allocation d'interruption est convertie d'office en une absence pour prestations rĂ©duites tel que prĂ©vu Ă l'article 20, § 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  2° le congĂ© d'accueil d'un membre du personnel est converti d'office en une absence pour prestations rĂ©duites parce qu'il apparaĂźt au retour de l'Ă©tranger qu'aucune adoption n'a eu lieu tel que prĂ©vu Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congĂ© d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux ;
  3° un membre du personnel fait usage des mesures transitoires visĂ©es au chapitre 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 fĂ©vrier 2000 relatif Ă la mise en disponibilitĂ© complĂšte pour convenances personnelles prĂ©alable Ă la pension de retraite pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  4° l'absence d'un membre du personnel qui a pris un crédit-soins sans avoir droit à une allocation d'interruption est convertie en une absence pour prestations réduites.
  Art. 14. Durant l'absence pour prestations réduites, le membre du personnel est en position de non-activité. Il n'a pas droit, pour la ou les prestations pour lesquelles il est absent, au traitement, à la subvention-traitement, au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente.
  " Chapitre III. Absence pour prestations réduites.
  Art. 10. Les membres du personnel visés à l'article 1er peuvent demander une absence pour prestations réduites.
  En ce qui concerne les membres du personnel nommĂ©s Ă titre temporaire ou contractuel, cette disposition s'applique dans la mesure oĂč l'absence tombe dans la pĂ©riode de leur nomination.
  Art. 11. L'absence pour prestations réduites est accordée par :
  1° le pouvoir organisateur ou la direction de l'école pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 1° et 2° ;
  2° l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur ;
  3° le Ministre flamand en charge de l'enseignement ou son délégué pour l'inspecteur général et les membres du personnel visés à l'article 1er, 4° ;
  4° la direction du centre pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°.
  Art. 12. L'absence pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre accordĂ©e pour l'ensemble ou pour une partie des prestations dont le membre du personnel a la charge au sein de l'Ă©tablissement, du centre ou du service, sans distinction entre les prestations pour lesquelles le membre du personnel est nommĂ© Ă titre dĂ©finitif, admis au stage ou dĂ©signĂ© Ă titre temporaire.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune distinction n'est faite en ce qui concerne les membres du personnel visés à l'article 1er, 5°, selon qu'ils ont été nommés à durée déterminée ou indéterminée.
  Le nombre d'unitĂ©s de prestation pour lequel le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif Ă la rĂ©partition de fonctions, Ă la mise en disponibilitĂ©, Ă la rĂ©affectation, Ă la remise au travail et Ă l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, et pour lequel il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, peut ĂȘtre pris en considĂ©ration tant comme unitĂ©s de prestation sur lesquelles l'absence pour prestations rĂ©duites peut ĂȘtre prise que comme unitĂ©s de prestation que le membre du personnel doit encore continuer d'exercer.
  Si le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut partiel d'emploi au moment oĂč il rĂ©duit ses prestations de travail, sont d'abord prises en considĂ©ration les unitĂ©s de prestations pour lesquelles le membre du personnel est mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi et pour lesquelles il n'a pas Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail, et ensuite les unitĂ©s de prestations pour lesquelles il a bel et bien Ă©tĂ© rĂ©affectĂ© ou remis au travail dans un emploi non organique.
  Art. 13. § 1er. La durée totale de l'absence pour prestations réduites, prise en une ou plusieurs fois, ne peut excéder 60 mois sur la carriÚre complÚte du membre du personnel, que l'absence ait été acquise pour l'ensemble ou pour une partie des prestations exercées.
  Pour calculer la durée totale de l'absence pour prestations réduites prise par un membre du personnel sur l'ensemble de sa carriÚre, seule la durée des absences pour prestations réduites prenant cours à partir du 1er septembre 2017 est prise en compte.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, la durĂ©e totale de soixante mois peut ĂȘtre dĂ©passĂ©e lorsque :
  1° le congĂ© d'un membre du personnel qui a interrompu sa carriĂšre professionnelle sans avoir droit Ă une allocation d'interruption est convertie d'office en une absence pour prestations rĂ©duites tel que prĂ©vu Ă l'article 20, § 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  2° le congĂ© d'accueil d'un membre du personnel est converti d'office en une absence pour prestations rĂ©duites parce qu'il apparaĂźt au retour de l'Ă©tranger qu'aucune adoption n'a eu lieu tel que prĂ©vu Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congĂ© d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux ;
  3° un membre du personnel fait usage des mesures transitoires visĂ©es au chapitre 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 fĂ©vrier 2000 relatif Ă la mise en disponibilitĂ© complĂšte pour convenances personnelles prĂ©alable Ă la pension de retraite pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  4° l'absence d'un membre du personnel qui a pris un crédit-soins sans avoir droit à une allocation d'interruption est convertie en une absence pour prestations réduites.
  Art. 14. Durant l'absence pour prestations réduites, le membre du personnel est en position de non-activité. Il n'a pas droit, pour la ou les prestations pour lesquelles il est absent, au traitement, à la subvention-traitement, au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente.
Art. 14. Hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 15. Om het aantal prestatie-eenheden te bepalen, vermeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, of het aantal prestaties, vermeld in artikel 12, worden de volgende prestaties ook in aanmerking genomen of als prestatie-eenheden beschouwd:
  1° de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
  2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht als vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties, verstrekt voor in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk voor de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  4° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  5° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid, ter beschikking gesteld van zijn voorganger als vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest;
  7° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen als vermeld in artikel IV.110 van de Codex hoger onderwijs;
  8° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
  11° de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de toekenning van een verlof voor het uitoefenen van een andere tewerkstelling voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
  Art. 16. Het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties worden opgeschort zodra het personeelslid, binnen de bepalingen die op hem van toepassing zijn, de volgende verloven verkrijgt :
  1° bevallingsverlof;
  2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
  3° onbezoldigd ouderschapsverlof;
  4° geboorteverlof;
  5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
  6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
  7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
  8° zorgkrediet.
  Art. 17. Voor het vaststellen van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage bij terbeschikkingstelling wegens ziekte is, voor de periode gedurende welke het personeelslid verminderde prestaties verricht, de activiteitswedde of de activiteitsweddentoelage die welke voor de nog werkelijk uitgeoefende prestaties verschuldigd is.
  HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 15. Om het aantal prestatie-eenheden te bepalen, vermeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, of het aantal prestaties, vermeld in artikel 12, worden de volgende prestaties ook in aanmerking genomen of als prestatie-eenheden beschouwd:
  1° de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht als vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
  2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht als vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de prestaties, verstrekt voor in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk voor de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
  4° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
  5° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid, ter beschikking gesteld van zijn voorganger als vermeld in artikel 8, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest;
  7° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen als vermeld in artikel IV.110 van de Codex hoger onderwijs;
  8° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 166, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;
  10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 69 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs.
  11° de prestaties verstrekt door personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende de toekenning van een verlof voor het uitoefenen van een andere tewerkstelling voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie;
  Art. 16. Het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties worden opgeschort zodra het personeelslid, binnen de bepalingen die op hem van toepassing zijn, de volgende verloven verkrijgt :
  1° bevallingsverlof;
  2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
  3° onbezoldigd ouderschapsverlof;
  4° geboorteverlof;
  5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
  6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;
  7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;
  8° zorgkrediet.
  Art. 17. Voor het vaststellen van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage bij terbeschikkingstelling wegens ziekte is, voor de periode gedurende welke het personeelslid verminderde prestaties verricht, de activiteitswedde of de activiteitsweddentoelage die welke voor de nog werkelijk uitgeoefende prestaties verschuldigd is.
Art. 14. Le chapitre IV du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  CHAPITRE IV. - Dispositions communes
  Art. 15. Pour déterminer le nombre d'unités de prestation visé à l'article 3, alinéas 4 et 5, ou le nombre de prestations visé à l'article 12, les prestations suivantes sont également prises en considération ou considérées comme unités de prestation :
  1° les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51 quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et à l'article 77 quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour mission syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s ;
  3° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
  4° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi ;
  5° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion ;
  7° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article IV.110 du Code de l'enseignement supérieur ;
  8° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ;
  10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire ;
  11° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© visĂ©s Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif Ă l'octroi d'un congĂ© pour l'exercice d'un autre emploi pour certains membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base.
  Art. 16. Le congé et l'absence pour prestations réduites sont suspendus dÚs que le membre du personnel obtient, dans le cadre des dispositions qui lui sont applicables, les congés suivants :
  1° congé de maternité ;
  2° congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
  3° congé parental non rémunéré ;
  4° congé de naissance ;
  5° interruption de carriÚre pour congé parental ;
  6° interruption de carriÚre pour assistance médicale ;
  7° interruption de carriÚre pour soins palliatifs ;
  8° crédit-soins.
  Art. 17. En ce qui concerne la fixation du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente pour cause de maladie, le traitement d'activité ou la subvention-traitement d'activité pour la période durant laquelle le membre du personnel accomplit des prestations réduites est celui(celle) qui est dû(due) pour les prestations encore réellement exercées.
  CHAPITRE IV. - Dispositions communes
  Art. 15. Pour déterminer le nombre d'unités de prestation visé à l'article 3, alinéas 4 et 5, ou le nombre de prestations visé à l'article 12, les prestations suivantes sont également prises en considération ou considérées comme unités de prestation :
  1° les prestations dispensées par des membres du personnel en congé pour mission spéciale ou en congé pour mission, tels que visés à l'article 51 quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et à l'article 77 quater, §§ 2 et 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  2° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© pour mission syndicale, tels que visĂ©s Ă l'article 17 de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s et Ă l'article 77 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 septembre 1984 portant exĂ©cution de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s ;
  3° les prestations dispensĂ©es au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat et des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif au congĂ© accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux pour accomplir certaines prestations au bĂ©nĂ©fice de groupes politiques reconnus dans les chambres lĂ©gislatives de l'Etat, des CommunautĂ©s ou des RĂ©gions, ou au bĂ©nĂ©fice des prĂ©sidents de ces groupes ;
  4° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ©, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 1980 relatif au congĂ© accordĂ© Ă certains membres du personnel des services de l'Etat mis Ă disposition du Roi ;
  5° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel dans un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement communautaire ou rĂ©gional, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, tels que visĂ©s Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congĂ© pour l'exercice d'une fonction auprĂšs d'un cabinet ministĂ©riel d'un membre d'un gouvernement de communautĂ© ou de rĂ©gion, d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral ou d'un secrĂ©taire d'Etat rĂ©gional, et auprĂšs d'un secrĂ©tariat, de la cellule de Coordination gĂ©nĂ©rale de la Politique et d'une cellule de Politique gĂ©nĂ©rale auprĂšs d'un membre du Gouvernement fĂ©dĂ©ral, par des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves ;
  6° les prestations dispensĂ©es par des membres du personnel en tant que collaborateur qu'un membre du Gouvernement a mis Ă disposition de son prĂ©dĂ©cesseur, tels que visĂ©s Ă l'article 8, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2001 relatif Ă l'installation des organes stratĂ©giques des services publics fĂ©dĂ©raux et relatif aux membres du personnel des services publics fĂ©dĂ©raux dĂ©signĂ©s pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un CollĂšge d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion ;
  7° les prestations dispensées par un membre du personnel à l'appui du collÚge des commissaires du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs, tel que visé à l'article IV.110 du Code de l'enseignement supérieur ;
  8° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 166, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
  9° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 53 du décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné ;
  10° les prestations dispensées par les membres du personnel en congé visés à l'article 69 de la codification relative à l'enseignement secondaire ;
  11° les prestations dispensĂ©es par les membres du personnel en congĂ© visĂ©s Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif Ă l'octroi d'un congĂ© pour l'exercice d'un autre emploi pour certains membres du personnel des centres d'Ă©ducation de base.
  Art. 16. Le congé et l'absence pour prestations réduites sont suspendus dÚs que le membre du personnel obtient, dans le cadre des dispositions qui lui sont applicables, les congés suivants :
  1° congé de maternité ;
  2° congé pour l'accueil en vue d'adoption et de tutelle officieuse ;
  3° congé parental non rémunéré ;
  4° congé de naissance ;
  5° interruption de carriÚre pour congé parental ;
  6° interruption de carriÚre pour assistance médicale ;
  7° interruption de carriÚre pour soins palliatifs ;
  8° crédit-soins.
  Art. 17. En ce qui concerne la fixation du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente pour cause de maladie, le traitement d'activité ou la subvention-traitement d'activité pour la période durant laquelle le membre du personnel accomplit des prestations réduites est celui(celle) qui est dû(due) pour les prestations encore réellement exercées.
Art. 15. De artikelen 17, 17bis, 18 en 19 van hetzelfde besluit worden geschrapt.
Art. 15. Les articles 17, 17 bis, 18 et 19 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont supprimĂ©s.
Afdeling 2. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij
Section 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congĂ© d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves
Art. 16. In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 1994 betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding met het oog op adoptie en pleegvoogdij worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties" en worden de woorden "terbeschikkingstelling" vervangen door de woorden "afwezigheid".
Art. 16. A l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 1994 relatif au congĂ© d'accueil en vue d'une adoption ou d'une tutelle officieuse, accordĂ© aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves, les mots " une mise en disponibilitĂ© pour convenance(s) personnelle(s) " et " de (la) mise en disponibilitĂ© pour convenance(s) personnelle(s) " sont remplacĂ©s respectivement par les mots " une absence pour prestations rĂ©duites " et " de l'absence pour prestations rĂ©duites " et les mots " mise en disponibilitĂ© " sont remplacĂ©s par le mot " absence ".
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool
Section 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif Ă l'interruption de la carriĂšre professionnelle des membres du personnel des instituts supĂ©rieurs en CommunautĂ© flamande et de la " Hogere Zeevaartschool "
Art. 17. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012 en 6 september 2013, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van artikel 5, 11 en 17 kan een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking, een loopbaanonderbreking voor het volgen van een beroepsopleiding en een deeltijdse loopbaanonderbreking vanaf 55 jaar uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
  "In afwijking van artikel 5, 11 en 17 kan een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking, een loopbaanonderbreking voor het volgen van een beroepsopleiding en een deeltijdse loopbaanonderbreking vanaf 55 jaar uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
Art. 17. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 mai 2002 relatif Ă l'interruption de la carriĂšre professionnelle des membres du personnel des instituts supĂ©rieurs en CommunautĂ© flamande et de la " Hogere Zeevaartschool ", modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 12 octobre 2012 et 6 septembre 2013, il est ajoutĂ© un alinĂ©a 4 libellĂ© comme suit :
  " Par dérogation aux articles 5, 11 et 17, une interruption de carriÚre complÚte ou partielle, une interruption de carriÚre pour suivre une formation professionnelle et une interruption de carriÚre partielle à partir de l'ùge de 55 ans peut prendre cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
  " Par dérogation aux articles 5, 11 et 17, une interruption de carriÚre complÚte ou partielle, une interruption de carriÚre pour suivre une formation professionnelle et une interruption de carriÚre partielle à partir de l'ùge de 55 ans peut prendre cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
Art. 18. In artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "De bepalingen, vermeld in artikel 2 en artikel 10, tweede lid" vervangen door de zinsnede "De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid".
Art. 18. A l'article 12, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " Les dispositions visĂ©es Ă l'article 2 et Ă l'article 10, alinĂ©a 2 " est remplacĂ© par le membre de phrase " La disposition visĂ©e Ă l'article 2 et la condition " en tant que fonction principale " visĂ©e Ă l'article 10, alinĂ©a 2 ".
Art. 19. In artikel 13, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "De bepalingen, vermeld in artikel 2 en artikel 10, tweede lid" vervangen door de zinsnede "De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid".
Art. 19. A l'article 13, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " Les dispositions visĂ©es Ă l'article 2 et Ă l'article 10, alinĂ©a 2 " est remplacĂ© par le membre de phrase " La disposition visĂ©e Ă l'article 2 et la condition " en tant que fonction principale " visĂ©e Ă l'article 10, alinĂ©a 2 ".
Art. 20. In artikel 15, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "De bepalingen, vermeld in artikel 2 en artikel 10, tweede lid" vervangen door de zinsnede "De bepaling, vermeld in artikel 2, en de voorwaarde "in hoofdambt", vermeld in artikel 10, tweede lid".
Art. 20. A l'article 15, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " Les dispositions visĂ©es Ă l'article 2 et Ă l'article 10, alinĂ©a 2 " est remplacĂ© par le membre de phrase " La disposition visĂ©e Ă l'article 2 et la condition " en tant que fonction principale " visĂ©e Ă l'article 10, alinĂ©a 2 ".
Art. 21. Aan artikel 18, § 5, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, mits akkoord van het hogeschoolbestuur."
  "De loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, mits akkoord van het hogeschoolbestuur."
Art. 21. A l'article 18, § 5, il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
  " L'interruption de carriÚre pour la prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille malade prend cours le premier jour de la semaine suivant celle au cours laquelle la notification précitée a été faite ou plus tÎt, moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur. "
  " L'interruption de carriÚre pour la prestation de soins à un membre du ménage ou de la famille malade prend cours le premier jour de la semaine suivant celle au cours laquelle la notification précitée a été faite ou plus tÎt, moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur. "
Afdeling 4. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende bepaalde aspecten van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde personeelsleden van het onderwijs die opnieuw in actieve dienst treden of prestaties leveren die als overwerk of bijbetrekking worden beschouwd
Section 4. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif Ă certains aspects des statuts administratif et pĂ©cuniaire de certains membres du personnel de l'enseignement qui rentrent en service actif ou fournissent des prestations considĂ©rĂ©es comme travail supplĂ©mentaire ou fonction accessoire
Art. 22. In artikel 11, § 1, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende bepaalde aspecten van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde personeelsleden van het onderwijs die opnieuw in actieve dienst treden of prestaties leveren die als overwerk of bijbetrekking worden beschouwd worden de woorden "met verlof is voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen, of afwezig is voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid" vervangen door de woorden "met verlof of afwezigheid is voor verminderde prestaties".
Art. 22. A l'article 11, § 1er, 1°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif Ă certains aspects des statuts administratif et pĂ©cuniaire de certains membres du personnel de l'enseignement qui rentrent en service actif ou fournissent des prestations considĂ©rĂ©es comme travail supplĂ©mentaire ou fonction accessoire, les mots " est en congĂ© pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons sociales ou familiales, ou absent pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons personnelles " sont remplacĂ©s par les mots " est en congĂ© ou absent pour prestations rĂ©duites ".
Art. 23. Artikel 11, § 1, 2° van hetzelfde besluit wordt geschrapt.
Art. 23. L'article 11, § 1er, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ© est supprimĂ©.
Afdeling 5. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding
Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves
Art. 24. In het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012, 6 september 2013, 12 juni 2015 en 3 juli 2015, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 1/1. In afwijking van artikel 12 en 13 kunnen de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in hoofdstuk 2, uiterlijk ingaan op 1 september 2016.".
  "Art. 1/1. In afwijking van artikel 12 en 13 kunnen de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in hoofdstuk 2, uiterlijk ingaan op 1 september 2016.".
Art. 24. Dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011 relatif Ă l'interruption de carriĂšre des membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 12 octobre 2012, 6 septembre 2013, 12 juin 2015 et 3 juillet 2015, il est insĂ©rĂ© un article 1/1 libellĂ© comme suit :
  " Art. 1/1. Par dérogation aux articles 12 et 13, les régimes d'interruption de carriÚre visés au chapitre 2 peuvent prendre cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
  " Art. 1/1. Par dérogation aux articles 12 et 13, les régimes d'interruption de carriÚre visés au chapitre 2 peuvent prendre cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
Art. 25. In artikel 20, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden" vervangen door de woorden "afwezigheid voor verminderde prestaties" en wordt het woord "terbeschikkingstelling" vervangen door het woord "afwezigheid".
Art. 25. A l'article 20, § 3, alinéa 2, les mots " la mise en disponibilité pour convenances personnelles " sont remplacés par les mots " l'absence pour prestations réduites " et les mots " mise en disponibilité " sont remplacés par le mot " absence ".
Art. 26. Aan artikel 37/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012, vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
  "Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
Art. 26. A l'article 37/2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 octobre 2012, renumĂ©rotĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 septembre 2013 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, il est ajoutĂ© un alinĂ©a 2 libellĂ© comme suit :
  " L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
  " L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
Art. 27. Aan artikel 37/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2015, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
  "Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.".
Art. 27. A l'article 37/3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 septembre 2013, et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 juillet 2015, il est ajoutĂ© un alinĂ©a 2 libellĂ© comme suit :
  " L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
  " L'alinéa 1er s'applique uniquement aux demandes prenant cours le 1er septembre 2016 au plus tard. ".
HOOFDSTUK 8. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions abrogatoires
Art. 28. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 25 november 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981 en 12 juli 1983, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 21 januari 1977;
  2° het koninklijk besluit van 25 november 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981, 8 juni 1983 en 13 januari 1988, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 3 februari 1977;
  3° het koninklijk besluit van 20 december 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981, 4 juli 1983 en 1 februari 1988;
  4° het koninklijk besluit van 14 april 1977 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, van de gesubsidieerde personeelsleden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 januari 1979, 23 juni 1981 en 12 juli 1983;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs.
  1° het koninklijk besluit van 25 november 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981 en 12 juli 1983, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 21 januari 1977;
  2° het koninklijk besluit van 25 november 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981, 8 juni 1983 en 13 januari 1988, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 3 februari 1977;
  3° het koninklijk besluit van 20 december 1976 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 1981, 4 juli 1983 en 1 februari 1988;
  4° het koninklijk besluit van 14 april 1977 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, van de gesubsidieerde personeelsleden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 januari 1979, 23 juni 1981 en 12 juli 1983;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs.
Art. 28. Les rÚglements suivants sont abrogés :
  1° l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981 et 12 juillet 1983 et publiĂ© au Moniteur belge le 21 janvier 1977 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981, 8 juin 1983 et 13 janvier 1988 et publiĂ© au Moniteur belge le 3 fĂ©vrier 1977 ;
  3° l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981, 4 juillet 1983 et 1er fĂ©vrier 1988 ;
  4° l'arrĂȘtĂ© royal du 14 avril 1977 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, des membres du personnel subsidiĂ©s, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 31 janvier 1979, 23 juin 1981 et 12 juillet 1983 ;
  5° l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif Ă l'interruption de la carriĂšre professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux ;
  6° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 octobre 2009 relatif Ă la mise en disponibilitĂ© pour convenance personnelle pour les membres du personnel de l'enseignement.
  1° l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981 et 12 juillet 1983 et publiĂ© au Moniteur belge le 21 janvier 1977 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981, 8 juin 1983 et 13 janvier 1988 et publiĂ© au Moniteur belge le 3 fĂ©vrier 1977 ;
  3° l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1976 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 fĂ©vrier 1981, 4 juillet 1983 et 1er fĂ©vrier 1988 ;
  4° l'arrĂȘtĂ© royal du 14 avril 1977 relatif aux absences de longue durĂ©e justifiĂ©es par des raisons familiales, des membres du personnel subsidiĂ©s, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 31 janvier 1979, 23 juin 1981 et 12 juillet 1983 ;
  5° l'arrĂȘtĂ© de l'ExĂ©cutif flamand du 19 dĂ©cembre 1991 relatif Ă l'interruption de la carriĂšre professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-mĂ©dico-sociaux ;
  6° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 octobre 2009 relatif Ă la mise en disponibilitĂ© pour convenance personnelle pour les membres du personnel de l'enseignement.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 29. Dit besluit treedt in werking op 2 september 2016, met uitzondering van artikel 17 en 24, die in werking treden op 31 augustus 2016 en de artikelen 10 tot en met 16 en artikel 22, 23, 25 en 28, die in werking treden op 1 september 2017.
Art. 29. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en vigueur le 2 septembre 2016, Ă l'exception des articles 17 et 24, qui entrent en vigueur le 31 aoĂ»t 2016 et des articles 10 Ă 16 inclus, 22, 23, 25 et 28, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2017.
Art. 30. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 30. La Ministre flamande compĂ©tente pour l'enseignement est chargĂ©e de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.