Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 JULI 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-08-2016 en tekstbijwerking tot 31-10-2025)
Titre
26 JUILLET 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-08-2016 et mise à jour au 31-10-2025)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (54)
Texte (54)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° voltijdse arbeidsregeling : de voltijdse arbeidsregeling die van toepassing is op het personeelslid en die bepaald is in het statuut, de arbeidsovereenkomst of de uitvoeringsbesluiten.
  2° onderbreking : de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties;
  3° zorgkrediet : onderbreking van de arbeidsprestaties waarvoor een onderbrekingsuitkering wordt toegekend op basis van de voorwaarden bepaald in dit besluit;
  4° departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie.
  5° kind : het kind waarvan de afstamming van het personeelslid, of de partner met wie het personeelslid gehuwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd vaststaat of [1 het kind van wie het personeelslid, of de partner met wie het personeelslid gehuwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd de pleegvoogd is vermeld in artikel 475ter tot en met 475septies van het Burgerlijk Wetboek of]1 het pleegkind zoals bedoeld in het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg.
  
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° régime de travail à temps plein : le régime de travail à temps plein qui s'applique aux membres du personnel et qui est fixé dans son statut, son contrat de travail ou les arrêtés d'exécution.
  2° interruption : l'interruption complète ou partielle des prestations de travail ;
  3° crédit-soins : interruption des prestations de travail avec octroi d'une allocation d'interruption sur la base des conditions stipulées dans le présent arrêté ;
  4° département : le département Emploi et Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  5° enfant : l'enfant dont la filiation envers le membre du personnel, ou le partenaire avec lequel le membre du personnel est marié ou a fait une déclaration de cohabitation légale, est établie, ou [1 l'enfant dont le membre du personnel, ou le partenaire avec lequel le membre du personnel est marié ou a fait une déclaration de cohabitation légale, est le tuteur officieux, visé aux articles 475ter à 475septies inclus du Code civil ou]1 l'enfant placé tel que visé dans le décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement en famille d'accueil.
  
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art.2. Dit besluit is van toepassing op :
  1° de personeelsleden van de Diensten Vlaamse Overheid die vallen onder het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006;
  2° de personeelsleden vermeld in artikel 2 § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
  3° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
  4° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  5° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
  6° [2 de personeelsleden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie;]2
  7° de contractuele personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
  8° de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  9° de personeelsleden van provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de publiekrechtelijke agentschappen en verenigingen die ervan afhangen, alsook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden;
  10° de personeelsleden van SERV zoals bepaald door de raad ter uitvoering van artikel 7, § 3, 6bis, van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
  11° de personeelsleden van het UZ Gent zoals bepaald door de raad van bestuur ter uitvoering van artikel 6, § 2, 1° van het koninklijk besluit nr. 542 van 31 maart 1987 houdende de organisatie, de werking en het beheer van de rijksuniversitaire ziekenhuizen van Gent en Luik;
  12° de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
  13° de personeelsleden van de VRT, vermeld in artikel 27 en 28 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie;
  14° de personeelsleden van de Maatschappij van de Brugse Zeehaven;
  15° [3 de personeelsleden van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, zoals bepaald door de raad van bestuur in uitvoering van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1983 houdende oprichting van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;]3
  16° de personeelsleden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2013 tot vaststelling van de regeling van de rechtspositie van het personeel van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde;
  17° het secretariaatspersoneel van het Vlaams Fonds voor de letteren zoals bepaald door het dagelijks bestuur ter uitvoering van artikel 9, § 5 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de letteren;
  18° het personeel van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, vermeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;
  [1 19° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, vermeld in artikel 39 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;
   20° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, vermeld in artikel 30 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;
   21° de personeelsleden van Natuurinvest, Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos, vermeld in artikel 34 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie;
   22° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Flanders Hydraulics, vermeld in artikel 5 van het decreet van 31 januari 2003 betreffende de oprichting van een Eigen Vermogen "Flanders Hydraulics";
   23° [5 de personeelsleden van het Eigen Vermogen Digitaal Vlaanderen, vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Digitaal Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Digitaal Vlaanderen;]5
   24° de personeelsleden van het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, vermeld in de wet van 27 juni 1930 waarbij de rechtspersoonlijkheid wordt verleend aan de wetenschappelijke instellingen en kunstinrichtingen welke van het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen afhangen of in het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - Rechtspersoonlijkheid;]1

  [4 25° [7 de personeelsleden van de Vlaamse Nutsregulator, vermeld in artikel 30 van het decreet van 19 april 2024 houdende de operationalisering van een Vlaamse Nutsregulator.]7]4
  [6 26° de personeelsleden van het Vlaams Mensenrechteninstituut, vermeld in artikel 3, 9°, van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut]6;
  [8 27° de aangestelde personeelsleden zoals bepaald in artikel 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering.]8
  De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, zijn statutair of contractueel tewerkgesteld.
  Dit besluit is niet van toepassing op de personeelsleden vermeld in het eerste lid die aan al de volgende voorwaarden voldoen :
  1° ze vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° ze vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.
  
Art.2. Le présent arrêté s'applique aux personnes suivantes :
  1° les membres du personnel des services de l'Autorité flamande concernés par le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006 ;
  2° les membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991 ;
  3° les membres du personnel visés à l'article 4, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 ;
  4° les membres de l'inspection visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 concernant la qualité de l'enseignement ;
  5° les membres du personnel visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 concernant l'inspection et l'encadrement des matières philosophiques ;
  6° [2 les membres du personnel, visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base ;]2
  7° les membres du personnel contractuel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves ;
  8° les membres du personnel des universités et des instituts supérieurs en Communauté flamande ;
  9° les membres du personnel des provinces, des communes, des organismes publics et des agences et associations de droit public qui en dépendent, ainsi que les accords de coopération intercommunale ;
  10° les membres du personnel du SERV tels que déterminés par le conseil en application de l'article 7, § 3, 6bis, du décret du 7 mai 2004 concernant le Conseil socioéconomique de la Flandre ;
  11° les membres du personnel de l'hôpital universitaire de Gand tels que déterminés par le conseil d'administration en application de l'article 6, § 2, 1° de l'arrêté royal n° 542 du 31 mars 1987 portant organisation, fonctionnement et gestion des hôpitaux universitaires de l'Etat à Gand et Liège ;
  12° les membres du personnel de la Commission communautaire flamande ;
  13° les membres du personnel de la VRT, visés aux articles 27 et 28 du décret du 27 mars 2009 relatif à la radiodiffusion et à la télévision ;
  14° les membres du personnel de la " Maatschappij van de Brugse Zeehaven " (Société portuaire brugeoise) ;
  15° [3 les membres du personnel de la " Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening " (Société flamande de Distribution d'Eau), tels que déterminés par le conseil d'administration en exécution de l'article 17 du décret du 28 juin 1983 portant création de l'organisme " Société flamande de Distribution d'Eau " ;]3
  16° les membres du personnel de l'Académie royale de la Langue et de la Littérature néerlandaises, visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2013 fixant les règles du statut du personnel de l'Académie royale de la Langue et de la Littérature néerlandaises ;
  17° le personnel du secrétariat du " Vlaams Fonds voor de Letteren " (Fonds flamand pour les lettres) tel que déterminé par le comité de direction en application de l'article 9, § 5 du décret du 30 mars 1999 portant création d'un fonds flamand pour les lettres ;
  18° le personnel des collèges de droit administratif flamand, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant transfert de personnel de certains collèges de droit administratif flamands vers le service des collèges de droit administratif flamand et fixant le statut du personnel et des juges administratifs de certains collèges de droit administratif flamand;
  [1 19° les membres du personnel du Propre Patrimoine de l'" Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek ", visé à l'article 39 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006 ;
   20° les membres du personnel du Propre Patrimoine de l'" Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek ", visé à l'article 30 du décret du 23 décembre 2005 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2006 ;
   21° les membres du personnel de " Natuurinvest ", Centre d'appui de l'Agentschap voor Natuur en Bos, visé à l'article 34 du décret du 19 mai 2006 contenant diverses mesures en matière d'environnement et d'énergie ;
   22° les membres du personnel du Propre Patrimoine de " Flanders Hydraulics ", visé à l'article 5 du décret du 31 janvier 2003 portant création d'un propre Patrimoine " Flanders Hydraulics " ;
   23° [5 les membres du personnel des Fonds propres Flandre Numérique, visés à l'article 1, 5° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 portant création de l'agence autonomisée interne Flandre Numérique et détermination du fonctionnement, de la gestion et de la comptabilité des Fonds propres Flandre Numérique ;]5
   24° les membres du personnel du Propre Patrimoine du Musée royal des Beaux-Arts d'Anvers, visé à la loi du 27 juin 1930 accordant la personnalité civile aux établissements scientifiques et artistiques dépendant du Ministère des Sciences et des Arts ou à l'arrêté royal du 22 septembre 1931 accordant la personnalité civile au Musée royal des Beaux-Arts d'Anvers;]1

  [4 25° [7 les membres du personnel du Régulateur flamand des services d'utilité publique, visé à l'article 30 du décret du 19 avril 2024 relatif à l'opérationnalisation d'un Régulateur flamand des services d'utilité publique.]7]4
  [6 26° les membres du personnel de l'Institut flamand des droits de l'homme mentionné à l'article 3, 9°, du décret du 28 octobre 2022 portant création d'un Institut flamand des droits de l'homme;
  [8 27° les membres du personnel désignés tels que fixés par l'article 4, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant organisation des cabinets des membres du Gouvernement flamand.]8
  Les membres du personnel visés au premier alinéa sont soumis à un régime statutaire ou contractuel.]6

  Le présent arrêté ne s'applique pas aux membres du personnel visés au premier alinéa qui remplissent les conditions suivantes :
  1° ils entrent dans le champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux comités paritaires ;
  2° ils entrent dans le champ d'application de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 en application du chapitre IV de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de la vie concernant le système de crédit-temps, la diminution de carrière et la réduction des prestations de travail à mi-temps.
  
HOOFDSTUK 3. - Voorwaarden en modaliteiten
CHAPITRE 3. - Conditions et modalités
Afdeling 1. - Motief
Section 1. - Motif
Art.3. Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om voor een kind te zorgen tot en met de leeftijd van twaalf jaar.
  In geval van adoptie kan het zorgkrediet aanvangen vanaf de inschrijving in het bevolkings- of het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn woonplaats heeft.
Art.3. Une allocation d'interruption est attribuée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour s'occuper d'un enfant âgé de moins de 12 ans.
  En cas d'adoption, le crédit-soins peut démarrer à compter de l'inscription au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le membre du personnel est domicilié.
Art.4. Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om bijstand of verzorging te verlenen aan een zwaar ziek gezins- of familielid.
  In het eerste lid wordt verstaan onder :
  1° gezinslid : elke persoon die samenwoont met het personeelslid;
  2° familielid : zowel de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van het personeelslid als de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van de persoon met wie het personeelslid getrouwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd conform artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° zware ziekte : elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is.
Art.4. Une allocation d'interruption est attribuée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour prêter assistance ou dispenser des soins à un membre de son ménage ou de sa famille gravement malade.
  Au premier alinéa, on entend par :
  1° membre du ménage : toute personne cohabitant avec le membre du personnel.
  2° membre de la famille : aussi bien les parents ou alliés jusqu'au deuxième degré du membre du personnel que les parents ou alliés jusqu'au deuxième degré de la personne avec laquelle le membre du personnel est marié ou a fait une déclaration de cohabitation légale conformément à l'article 1476 du Code civil ;
  3° gravement malade : toute maladie ou intervention médicale ayant été jugée comme telle par le médecin traitant et pour laquelle le médecin estime qu'une assistance ou des soins s'imposent, qu'ils soient d'ordre social, familial ou émotionnel.
Art.5. Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om palliatieve verzorging te verlenen.
  In het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging verstaan :
  elke vorm van bijstand, meer bepaald van medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan en verzorging van een persoon die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevindt.
Art.5. Une allocation d'interruption est octroyée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour dispenser des soins palliatifs.
  Au premier alinéa, on entend par " soins palliatifs " :
  toute forme d'assistance, et en particulier une assistance médicale, sociale, administrative et psychologique, et la dispense de soins de même nature, à une personne qui souffre d'une maladie incurable et qui se trouve en phase terminale.
Art.6. Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om zorg te dragen voor een kind met handicap.
  In het eerste lid wordt onder een kind met handicap een van de volgende kinderen verstaan :
  1° een kind dat voor ten minste 66% getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid;
  2° een kind dat een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal als vermeld in de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
  3° een kind dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of voor wie Integrale Jeugdhulp een indicatiestellingsverslag heeft afgeleverd met een of meer geldige typemodules in het kader van de handicap.
Art.6. Une allocation d'interruption est attribuée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour s'occuper d'un enfant handicapé.
  Au premier alinéa, on entend par " enfant handicapé " l'un des enfants suivants :
  1° un enfant atteint d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % ;
  2° un enfant atteint d'une affection ayant pour conséquence qu'au moins quatre points ont été reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale tel que stipulé dans la réglementation concernant les allocations familiales.
  3° un enfant reconnu par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées ou pour lequel l'Aide intégrale à la jeunesse a réalisé une analyse des besoins avec un ou plusieurs modules type valides dans le cadre du handicap.
Art.7. Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om een opleiding te volgen die voldoet aan een van de volgende vereisten :
  1° elke vorm van onderwijs en opleiding die georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend wordt door de Vlaamse overheid, waarvan het programma minimaal 120 contacturen of negen studiepunten op jaarbasis omvat;
  2° elke opleiding die georganiseerd wordt door een opleidingsverstrekker die erkend is krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de opleidingscheques voor werknemers of het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten, waarvan het programma minimaal 120 contacturen of negen studiepunten op jaarbasis omvat.
  [1 De verstrekker van de opleidingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, moet geregistreerd zijn als dienstverlener conform artikel 4 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.]1
  
Art.7. Une allocation d'interruption est attribuée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour suivre une formation qui répond à l'une des exigences suivantes :
  1° toute forme de formation ou d'enseignement organisée, financée, subventionnée ou agréée par l'Autorité flamande et dont le programme comprend au minimum 120 heures de contact ou 9 unités d'études sur une base annuelle ;
  2° toute formation organisée par un opérateur de formation agréé en vertu de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2003 relatif aux chèques-formation pour travailleurs ou de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2008 portant octroi d'aides aux petites et moyennes entreprises pour des services promouvant l'entrepreneuriat, dont le programme comprend au minimum 120 heures de contact ou 9 unités d'études sur une base annuelle.
  [1 Le prestataire de formations visé au 1er alinéa, 1° et 2°, doit être enregistré en tant que prestataire de services conformément à l'article 4 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'économie sociale.]1
  
Afdeling 2. - Duur van het zorgkrediet
Section 2. - Durée du crédit-soins
Art.8. Het personeelslid ontvangt een onderbrekingsuitkering voor de onderbreking van zijn arbeidsprestaties, met al dan niet opeenvolgende periodes, gedurende een van de volgende termijnen :
  1° 18 maanden in geval van volledige onderbreking van de arbeidsprestaties;
  2° 36 maanden bij onderbreking tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling;
  3° 90 maanden bij onderbreking van de voltijdse arbeidsprestaties met een vijfde.
  Als het personeelslid een onderbrekingsuitkering voor de onderbreking van zijn arbeidsprestaties ontvangt, heeft het de mogelijkheid om gebruik te maken van de modaliteiten uit het eerste lid. Bij wijziging van opnamevorm moet er rekening mee worden gehouden dat één maand onderbreking van de arbeidsprestaties gelijk is aan twee maanden halftijdse onderbreking van de arbeidsprestaties en gelijk is aan vijf maanden onderbreking van de arbeidsprestaties met een vijfde.
  Bij de berekening van het resterende krediet wordt afgerond op de hogere maandeenheid.
  Om de maximale termijn van de onderbreking, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt gerekend vanaf 2 september 2016.
  Als het zorgkrediet wordt stopgezet door het departement of op verzoek van het personeelslid voor afloop van de toegekende duur, wordt bij de berekening van het aantal opgenomen maanden afgerond naar de hogere maandeenheid.
Art.8. Une allocation d'interruption est octroyée à un membre du personnel lorsqu'il interrompt ses prestations de travail pour des périodes consécutives ou non, dans les limites des durées suivantes :
  1° 18 mois en cas d'interruption complète des prestations de travail ;
  2° 36 mois en cas d'interruption jusqu'à la moitié d'un régime de travail à temps plein normal ;
  3° 90 mois en cas d'interruption des prestations de travail à temps plein à raison d'un cinquième.
  Lorsqu'une personne bénéficie de l'allocation d'interruption pour interrompre ses prestations de travail, elle dispose de la possibilité de faire usage des modalités du premier alinéa. Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe selon lequel un mois d'interruption complète des prestations de travail équivaut à deux mois d'interruption à mi-temps des prestations de travail et à cinq mois d'interruption des prestations de travail à raison d'un cinquième.
  Pour le calcul du crédit restant, le montant est arrondi à l'unité mensuelle supérieure.
  Pour déterminer la durée maximale de l'interruption, visée au premier alinéa, le calcul s'effectue à partir du 2 septembre 2016.
  Si le crédit-soins est arrêté par le département ou à la demande du membre du personnel du fait de l'expiration de la durée reconnue, pour le calcul du nombre de mois pris, il convient d'arrondir à l'unité mensuelle supérieure.
Art.9. Het personeelslid kan de onderbrekingsuitkering omwille van zorgkrediet voor een periode van minimaal drie en maximaal twaalf maanden aanvragen, waarbij de aanvraag bestaat uit een geheel aantal maanden.
  [1 In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag bestaan uit niet gehele maanden in een van de volgende gevallen:
   1° de periode waarvoor zorgkrediet wordt aangevraagd, eindigt de dag voordat het kind voor wie zorgkrediet wordt opgenomen, de leeftijd van dertien jaar bereikt;
   2° het zorgkrediet wordt opgenomen om een opleiding te volgen conform artikel 7;
   3° het tijdelijke personeelslid vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, neemt zorgkrediet op dat start na 1 april en afloopt omdat de tijdelijke aanstelling wordt beëindigd op het einde van het schooljaar.
   Een tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, kan zorgkrediet aanvragen voor minder dan drie maanden als het zorgkrediet start na 1 april en afloopt omdat de tijdelijke aanstelling wordt beëindigd op het einde van het schooljaar.]1

  Als de minimumduur van drie maanden voor een aanvraag het personeelslid verhindert de maximumduur van zijn zorgkrediet op te nemen, wordt de minimumduur verminderd tot één maand.
  In afwijking van het eerste lid van dit artikel kan zorgkrediet aangevraagd worden om palliatieve verzorging te verlenen voor minimaal één maand en maximaal drie maanden.
  In geval van overlijden van de persoon voor wie het zorgkrediet werd opgenomen, blijft de onderbrekingsuitkering behouden voor de duur van de lopende onderbrekingsperiode tot maximaal zes maanden na de dag van het overlijden.
  
Art.9. Le membre du personnel peut demander l'allocation d'interruption pour cause de crédit-soins pour une période minimale de trois mois et maximale de douze mois, étant entendu que la demande se compose d'un nombre de mois entier.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, la demande peut comprendre des mois non entiers dans un des cas suivants :
   1° la période pour laquelle le crédit-soins est demandé, prend fin le jour avant que l'enfant pour lequel le crédit-soins est pris, atteint l'âge de treize ans ;
   2° le crédit-soins est pris afin de suivre une formation conformément à l'article 7 ;
   3° le membre du personnel temporaire, visé à l'article 2, alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, prend un crédit-soins qui commence après le 1er avril et prend fin parce que la désignation temporaire est terminée à la fin de l'année scolaire.
   Un membre du personnel temporaire, visé à l'article 2, alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8°, peut demander un crédit-soins pour moins de trois mois si le crédit-soins commence après le 1er avril et prend fin parce que la désignation temporaire est terminée à la fin de l'année scolaire.]1

  Si la durée minimale de trois mois pour une demande empêche le membre du personnel de prendre la durée maximale de son crédit-soins, la durée minimale sera réduite d'un mois.
  Par dérogation au premier alinéa du présent article, un crédit-soins peut être demandé pour dispenser des soins palliatifs pour une durée minimale d'un mois et maximale de trois mois.
  En cas de décès de la personne pour laquelle le crédit-soins est pris, l'allocation d'interruption subsiste pour la durée de la période d'interruption en cours jusqu'à maximum six mois à compter du jour du décès.
  
Art.10. Als het personeelslid geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen omdat het personeelslid niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit besluit, wordt de onderbreking van de arbeidsprestaties door het departement niet beschouwd als een opname van zorgkrediet.
Art.10. Si le membre du personnel n'a pas droit à l'allocation d'interruption parce qu'il ne remplit pas les conditions mentionnées dans le présent arrêté, l'interruption des prestations de travail n'est pas considérée par le département comme une utilisation du crédit-soins.
Afdeling 3. [1 - Omzetting naar corona-ouderschapsverlof]1
Section 3. [1 - Conversion en congé parental corona]1
Art.10/1. [1 Als een personeelslid een lopend zorgkrediet omzet naar corona-ouderschapsverlof, wordt de lopende onderbrekingsuitkering gedurende de opname van het corona-ouderschapsverlof geschorst. De periode van schorsing wordt niet aangerekend op de termijnen, vermeld in artikel 8, eerste lid.
   Als de lopende onderbrekingsuitkering een voorziene duur heeft tot na de einddatum van het corona-ouderschapsverlof, wordt de onderbrekingsuitkering vanaf de dag na het corona-ouderschapsverlof hernomen tot en met de oorspronkelijk aangevraagde einddatum.
   Het personeelslid kan de resterende duur van het omgezette zorgkrediet op een later moment opnemen. In afwijking van artikel 9, eerste lid, is dit ook mogelijk als de resterende periode minder dan drie maanden bedraagt.
   In dit artikel wordt verstaan onder corona-ouderschapsverlof: het corona-ouderschapsverlof, vermeld in artikel X 97 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.]1

  
Art.10/1. [1 Si un membre du personnel convertit un crédit-soins en cours en congé parental corona, l'allocation d'interruption en cours est suspendue pour la durée du congé parental corona. La période de suspension n'est pas comptabilisée dans les délais prévus à l'article 8, alinéa premier.
   Si la durée de l'allocation d'interruption en cours dépasse la date de fin du congé parental corona, l'allocation d'interruption reprend à partir du lendemain du congé parental corona jusqu'à la date de fin initialement demandée.
   Le membre du personnel peut prendre ultérieurement la période restante du crédit-soins converti. Par dérogation à l'article 9, premier alinéa, cela est également possible si la période restante est inférieure à trois mois.
   Dans le présent article, on entend par congé parental corona : le congé parental corona visé à l'article X 97 du Statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.]1

  
HOOFDSTUK 4. - Onderbrekingsuitkeringen
CHAPITRE 4. - Allocations d'interruption
Art.11. De onderbrekingsuitkering voor het zorgkrediet bedraagt :
  1° 527 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties volledig onderbreekt. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling volledig onderbreekt, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;
  2° 275 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt tot de helft. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling onderbreekt tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;
  3° 131 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt met een vijfde.
  Bij opname van een onvolledige maand wordt het bedrag van de onderbrekingsuitkering in verhouding tot het aantal opgenomen dagen verrekend. De berekening gebeurt als volgt : het aantal dagen waarop zorgkrediet werd opgenomen wordt gedeeld door 30,4. Dit aantal wordt vermenigvuldigd met het brutobedrag van toepassing op de vermindering, rekening houdend met het tewerkstellingspercentage.
Art.11. L'allocation d'interruption pour crédit-soins s'élève à :
  1° 527 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel interrompant entièrement ses prestations à temps plein. Un membre du personnel interrompant complètement son régime de travail à temps partiel se voit attribuer chaque mois une partie du montant, calculée par rapport aux prestations de ce régime de travail à temps partiel.
  2° 275 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel interrompant ses prestations à temps plein à raison de la moitié. Un membre du personnel interrompant son régime de travail à temps partiel à raison de la moitié d'un régime de travail à temps plein normal se voit attribuer chaque mois une partie du montant, calculé par rapport aux prestations de ce régime de travail à temps partiel.
  3° 131 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel qui interrompt ses prestations complètes à raison d'un cinquième.
  En cas de mois incomplet, le montant de l'allocation d'interruption est calculé au pro rata du nombre de jours pris. Le calcul se fait comme suit : le nombre de jours où le crédit-soins a été pris est divisé par 30,4. Ce nombre est multiplié par le montant brut applicable à la réduction, compte tenu du taux d'occupation.
Art.12. § 1. De onderbrekingsuitkering voor het zorgkrediet bedraagt voor een alleenstaande ouder :
  1° 527 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties volledig onderbreekt. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling volledig onderbreekt, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;
  2° 330 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt tot de helft. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling onderbreekt tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;
  3° 200 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt met een vijfde.
  In het eerste lid wordt verstaan onder alleenstaande ouder : ofwel het personeelslid dat alleen woont en minstens één kind heeft dat recht geeft op kinderbijslag ofwel uitsluitend en daadwerkelijk samenwoont met een of meer van zijn kinderen die allemaal recht geven op kinderbijslag.
  § 2. Bij opname van een onvolledige maand wordt het bedrag van de onderbrekingsuitkering in verhouding tot het aantal opgenomen dagen verrekend. De berekening gebeurt als volgt : het aantal dagen waarop zorgkrediet werd opgenomen wordt gedeeld door 30,4. Dit aantal wordt vermenigvuldigd met het brutobedrag van toepassing op de vermindering, rekening houdend met het tewerkstellingspercentage.
Art.12. § 1er. L'allocation d'interruption pour crédit-soins s'élève, pour un parent isolé, à :
  1° 527 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel interrompant entièrement ses prestations à temps plein. Un membre du personnel interrompant complètement son régime de travail à temps partiel se voit attribuer chaque mois une partie du montant, calculée par rapport aux prestations de ce régime de travail à temps partiel.
  2° 330 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel interrompant ses prestations à temps plein à raison de la moitié. Un membre du personnel interrompant son régime de travail à temps partiel à raison de la moitié d'un régime de travail à temps plein normal se voit attribuer chaque mois une partie du montant, calculé par rapport aux prestations de ce régime de travail à temps partiel.
  3° 200 euros bruts par mois complet pour le membre du personnel qui interrompt ses prestations complètes à raison d'un cinquième.
  Au premier alinéa, on entend par " parent isolé " : soit le membre du personnel vivant seul et ayant au moins un enfant bénéficiaire d'allocations familiales, soit le membre du personnel vivant exclusivement et réellement avec l'un ou plusieurs de ses enfants étant tous bénéficiaires d'allocations familiales.
  § 2. En cas de mois incomplet, le montant de l'allocation d'interruption est calculé au pro rata du nombre de jours pris. Le calcul se fait comme suit : le nombre de jours où le crédit-soins a été pris est divisé par 30,4. Ce nombre est multiplié par le montant brut applicable à la réduction, compte tenu du taux d'occupation.
Art.13. § 1. De onderbrekingsuitkeringen worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex, overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen met als basis mei 2016 = 100. Bij overschrijding van de spilindex wordt de verhoging toegepast vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
  De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de onderbrekingsuitkeringen, in de periode van 1 april 2015 tot aan de refertemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde koninklijk besluit.
  § 2. Het nieuwe bedrag wordt verkregen door de onderbrekingsuitkeringen te vermenigvuldigen met een multiplicator die gelijk is aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding doorgevoerd wordt. De spilindex die volgt op de spilindex, vermeld in de eerste paragraaf, wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door vier cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer als het vijf of meer is.
  Als het bedrag van de onderbrekingsuitkeringen, berekend conform het eerste lid van paragraaf 2, een gedeelte van een cent bevat, wordt het op de hogere of de lagere cent afgerond naargelang het gedeelte meer of minder dan 0,5 is.
Art.13. § 1er. L'allocation d'interruption est couplée à l'indice santé lissé, conformément à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, avec pour base mai 2016 = 100. En cas de dépassement de l'indice-pivot, l'augmentation est appliquée à partir du premier mois qui suit le mois au cours duquel l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.
  L'application du premier alinéa ne saurait entraîner une diminution nominale de l'allocation d'interruption durant la période du 1er avril 2015 jusqu'au mois de référence, visé à l'article 2, § 4, de l'arrêté royal précité.
  § 2. Le nouveau montant est obtenu par la multiplication des allocations d'interruption par un multiplicateur égal à 1,0200n, où n représente le rang de l'indice-pivot atteint, sans qu'il y ait arrondissement intermédiaire. L'indice-pivot qui suit celui mentionné à l'alinéa précédent est considéré comme rang 1. Le multiplicateur est exprimé en unités, suivies de 4 chiffres. Le cinquième chiffre après la virgule est supprimé et entraîne une augmentation du chiffre précédent d'une unité lorsqu'il atteint au moins 5.
  Lorsque le montant des allocations d'interruption, calculé conformément au premier alinéa du paragraphe 2, comporte une fraction de cent, il est arrondi au cent supérieur ou inférieur selon que la fraction atteint ou n'atteint pas 0,5.
HOOFDSTUK 5. - Cumulatie
CHAPITRE 5. - Cumul
Art.14. § 1. De onderbrekingsuitkeringen kunnen niet gecumuleerd worden met :
  1° een bijkomende activiteit als loontrekkende, behalve als die al, samen met de activiteit waarvoor het zorgkrediet wordt opgenomen, uitgeoefend werd gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de onderbreking van de arbeidsprestaties, vermeld in dit besluit;
  2° de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit, behalve in geval van volledige onderbreking van de arbeidsprestaties als de zelfstandige activiteit al, samen met de activiteit waarvoor het zorgkrediet wordt opgenomen, uitgeoefend werd gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de volledige onderbreking van de arbeidsprestaties. De cumulatie wordt dan toegelaten gedurende een periode van maximaal twaalf maanden;
  3° een werkloosheidsuitkering, behalve als er bij gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties sprake is van tijdelijke werkloosheid. De cumulatie wordt dan toegelaten voor de resterende tewerkstelling tijdens het zorgkrediet;
  4° een uitkering voor een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties voor dezelfde periode bij dezelfde werkgever ter uitvoering van een of meer van de volgende artikelen :
  a) artikel 4, 6, § 3, artikel 7bis of 8, § 2bis, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;
  b) artikel 3, § 2, 3, § 4, of artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;
  c) artikel 9, 10, 11, 11bis, 12 of 13 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen;
  5° een pensioen, met uitzondering van :
  a) een overgangsuitkering, overeenkomstig boek I, titel 1, hoofdstuk IIbis, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of hoofdstuk IV van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
  b) een overlevingspensioen gedurende een periode van maximaal twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.
  In het eerste lid, 1°, wordt niet verstaan onder een bijkomende activiteit als loontrekkende : een bijkomende activiteit als loontrekkende waardoor het personeelslid onder het toepassingsgebied van dit besluit valt.
  In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder bijkomende zelfstandige activiteit : de activiteit waardoor volgens de ter zake geldende reglementering de betrokken persoon verplicht is zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen.
  De periode van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 5°, b), wordt verminderd met het aantal maanden waarin een van de volgende vergoedingen of inkomens wordt ontvangen :
  a) een vergoeding als vermeld in artikel 64quinquies van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
  b) een vergoeding als vermeld in artikel 107quater van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
  c) een vervangingsinkomen als vermeld in artikel 76, 10°, van de programmawet van 28 juni 2013, gecumuleerd met het genot van een overlevingspensioen.
  In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder pensioen : het ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, en andere als dusdanig geldende voordelen die worden toegekend :
  1° door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;
  2° door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.
  § 2. Het personeelslid, dat een bijkomende activiteit als loontrekkende of als zelfstandige uitoefent of dat een werkloosheidsuitkering ontvangt of dat een uitkering voor loopbaanonderbreking ontvangt als vermeld in paragraaf 1, 4°, of dat een pensioen als vermeld in paragraaf 1, 5°, geniet, doet daarvan aangifte op het ogenblik van zijn aanvraag van een onderbrekingsuitkering. Bij gebrek aan aangifte of in geval van laattijdige aangifte worden de al betaalde onderbrekingsuitkeringen teruggevorderd vanaf de aanvangsdatum van het zorgkrediet tot op de dag van de eventuele laattijdige aangifte.
Art.14. § 1er. Les allocations d'interruption ne peuvent être cumulées avec :
  1° une activité complémentaire salariée, à moins que celle-ci n'ait été exercée en même temps que l'activité pour laquelle le crédit-soins a été pris pendant au moins trois mois précédant le début de l'interruption des prestations de travail visée dans le présent arrêté ;
  2° l'exercice d'une activité complémentaire indépendante, sauf en cas d'interruption complète des prestations de travail lorsque l'activité indépendante a été exercée en même temps que l'activité pour laquelle le crédit-soins a été pris pendant au moins trois mois avant le début de l'interruption complète des prestations de travail. Le cumul est alors autorisé pendant une période maximale de douze mois ;
  3° une allocation de chômage, à moins qu'en cas d'interruption partielle des prestations de travail, il s'agisse d'un chômage temporaire. Le cumul est alors autorisé pour l'emploi restant pendant le crédit-soins ;
  4° une allocation pour une interruption complète ou partielle des prestations de travail pour la même période et versée par le même employeur en application de l'un ou plusieurs des articles suivants :
  a) article 4, 6, § 3, article 7bis ou 8, § 2bis, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption ;
  b) articles 3, § 2, 3, § 4, ou 4, § 3, de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux ;
  c) article 9, 10, 11, 11bis, 12 ou 13 de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations ;
  5° une pension, à l'exception de :
  a) une allocation de transition, conformément au livre I, titre 1er, chapitre IIbis, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, au chapitre II de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants ou au chapitre IV de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés ;
  b) une pension de survie pendant une période maximale de douze mois calendaires, qu'ils soient consécutifs ou non.
  Au premier alinéa, on n'entend pas par " activité complémentaire " : une activité complémentaire salariée relevant du champ d'application du présent arrêté.
  Au premier alinéa, on entend par " activité complémentaire indépendante " : l'activité pour laquelle, suivant la réglementation en vigueur, la personne concernée est tenue de s'inscrire auprès de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
  La période de douze mois visée au premier alinéa, 5°, b), est réduite du nombre de mois au cours duquel l'une des indemnités ou l'un des revenus suivants est perçu :
  a) une indemnité telle que visée à l'article 64 quinquies de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 fixant le règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés ;
  b) une indemnité telle que visée à l'article 107 quater de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants ;
  c) un revenu de remplacement tel que visé à l'article 76, 10°, de la loi-programme du 28 juin 2013, cumulé à la jouissance d'une pension de survie.
  Au premier alinéa, 5°, on entend par " pension " : les pensions de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, et tout autre avantage en tenant lieu, accordés :
  1° par ou en vertu d'une loi belge ou étrangère ;
  2° par un organisme de sécurité sociale, un pouvoir public, un établissement public ou d'utilité publique, belge ou étranger.
  § 2. Le membre du personnel qui exerce une activité complémentaire salariée ou indépendante ou qui perçoit une allocation de chômage ou une allocation d'interruption de carrière telle que visée au paragraphe 1er, 4°, ou qui jouit d'une pension telle que visée au paragraphe 1er, 5°, doit en faire la déclaration au moment de sa demande d'allocation d'interruption. A défaut de déclaration ou en cas de déclaration tardive, les allocations d'interruption déjà versées seront recouvrées à partir de la date de début du crédit-soins jusqu'au jour de l'éventuelle déclaration tardive.
Art.15. Het recht op een onderbrekingsuitkering gaat verloren vanaf de dag waarop het personeelslid dat een onderbrekingsuitkering ontvangt, om het even welke bezoldigde of zelfstandige activiteit aanvangt of een bestaande bijkomende bezoldigde activiteit uitbreidt.
  Het personeelslid dat toch een activiteit als vermeld in het eerste lid, uitoefent, brengt het departement daarvan vooraf op de hoogte. Als het personeelslid dat niet doet, worden de al betaalde onderbrekingsuitkeringen teruggevorderd vanaf de dag van de uitoefening of de uitbreiding van die activiteit.
Art.15. Le droit à une allocation d'interruption expire à compter du jour où le membre du personnel qui perçoit une allocation d'interruption démarre une activité indépendante ou salariée de quelque nature que ce soit, ou qu'il étend une activité salariée existante.
  Le membre du personnel qui exerce quand même une activité telle que visée au premier alinéa est tenu d'en avertir préalablement le département. A défaut, les allocations d'interruption déjà versées seront recouvrées à partir du jour de l'exercice ou de l'extension de l'activité.
HOOFDSTUK 6. - Procedure
CHAPITRE 6. - Procédure
Afdeling 1. - Wijze van indiening
Section 1. - Modalités de dépôt de la demande
Art.16. Personeelsleden die hun arbeidsprestaties onderbreken, dienen bij het departement een aanvraag in om een onderbrekingsuitkering voor zorgkrediet te verkrijgen.
  [1 De aanvraag wordt ingediend met een elektronisch aanvraagformulier dat door het departement ter beschikking wordt gesteld.
   Indien het voor de werknemer onmogelijk is om gebruik te maken van een elektronisch aanvraagformulier, neemt het personeelslid of de werkgever contact op met het departement. Het departement zoekt in overleg met het personeelslid of de werkgever naar een passende oplossing om de aanvraag in te dienen.]1

  
Art.16. Les membres du personnel qui interrompent leurs prestations de travail doivent déposer une demande auprès du département afin de percevoir une allocation d'interruption pour crédit-soins.
  [1 La demande est introduite à l'aide d'un formulaire de demande électronique qui est mis à disposition par le département.
   S'il est impossible pour l'employé d'utiliser un formulaire de demande électronique, le membre du personnel ou l'employeur prend contact avec le département. En concertation avec le membre du personnel ou l'employeur, le département recherche une solution appropriée afin d'introduire la demande.]1

  
Art.17. Het departement stelt de aanvraagformulieren ter beschikking van de personeelsleden.
  Op het aanvraagformulier worden de volgende gegevens gevraagd over het personeelslid dat de aanvraag indient :
  1° zijn identiteit;
  2° zijn tewerkstellingsgegevens;
  3° zijn gezinssituatie;
  4° zijn motief voor het zorgkrediet;
  5° de gewenste arbeidsregeling : een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties;
  6° de duur van het zorgkrediet;
  7° gegevens over cumulatie;
  8° betalingsgegevens;
  9° de identiteit van de werkgever;
  10° de bevestiging van het motief voor het zorgkrediet door de werkgever;
  11° de bevestiging van de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties door de werkgever;
  12° de bevestiging van de duur van het zorgkrediet door de werkgever;
  13° het bewijs of de bewijzen voor het motief;
  14° het bewijs van het recht op een verhoogde onderbrekingsuitkering.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor Werk, kan de gegevens van het aanvraagformulier uitbreiden.
Art.17. Le département met le formulaire de demande à la disposition des membres du personnel.
  Le formulaire de demande collecte les informations suivantes sur le membre du personnel qui dépose la demande :
  1° son identité ;
  2° les données concernant son emploi ;
  3° sa situation familiale ;
  4° le motif de sa demande d'un crédit-soins ;
  5° le régime de travail souhaité : une interruption complète ou partielle de ses prestations de travail ;
  6° la durée du crédit-soins ;
  7° données sur le cumul :
  8° données de paiement ;
  9° l'identité de l'employeur ;
  10° la confirmation du motif de la demande d'un crédit-soins par l'employeur ;
  11° la confirmation de l'interruption complète ou partielle des prestations de travail par l'employeur ;
  12° la confirmation de la durée du crédit-soins par l'employeur ;
  13° la(les) preuve(s) du motif ;
  14° la preuve du droit à une augmentation de l'allocation d'interruption.
  Le ministre flamand qui a l'Emploi dans ses attributions peut augmenter la quantité d'informations demandées dans le formulaire de demande.
Art.18. De aanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden :
  1° het aanvraagformulier wordt volledig correct ingevuld en ondertekend;
  2° alle verplichte bewijsstukken worden bij het aanvraagformulier gevoegd, overeenkomstig de vereisten die zijn opgenomen in het aanvraagformulier.
Art.18. La demande n'est recevable que si elle remplit les conditions suivantes :
  1° le formulaire de demande est dûment rempli et signé ;
  2° tous les documents justificatifs obligatoires sont joints au formulaire de demande, conformément aux exigences énoncées dans le formulaire de demande.
Art.19. Afhankelijk van het motief waarvoor het zorgkrediet wordt aangevraagd, is minstens een van de volgende bewijsstukken verplicht :
  1° een attest van de behandelende geneesheer van de zwaar zieke persoon die medische bijstand of verzorging nodig heeft, waarin wordt bevestigd dat de patiënt die bijstand of verzorging nodig heeft en dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard aan de zwaar zieke persoon bijstand of verzorging te verlenen;
  2° een attest van de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft, waarin wordt bevestigd dat de patiënt die verzorging nodig heeft en dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard die palliatieve verzorging te verlenen;
  3° een attest van de kinderbijslag waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, 1° of 2° ;
  4° een attest van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, Integrale Jeugdhulp, waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, 3° ;
  5° een attest van inschrijving, waarmee wordt aangetoond dat de opleiding voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 7;
  6° een attest van gezinssamenstelling, uitgereikt door de gemeente;
  7° een attest van pleegzorg;
  8° de geboorteakte of de akte van de burgerlijke stand waaruit de afstamming blijkt.
  [1 9° de authentieke overeenkomst waarbij de pleegvoogdij tot stand komt en bekrachtigd is conform artikel 475ter van het Burgerlijk Wetboek.]1
Art.19. Selon le motif de demande d'un crédit-soins, au moins l'un des documents justificatifs suivants est obligatoire :
  1° une attestation du médecin traitant de la personne gravement malade ayant besoin d'une assistance médicale ou de soins, confirmant que le patient a besoin d'une assistance ou de soins et que le membre du personnel s'est déclaré prêt à prêter assistance à la personne gravement malade ou à lui dispenser les soins dont elle a besoin ;
  2° une attestation du médecin traitant de la personne ayant besoin de soins palliatifs, confirmant que le patient a besoin de ces soins palliatifs et que le membre du personnel s'est déclaré prêt à dispenser ces soins ;
  3° une attestation des allocations familiales attestant que l'enfant remplit les conditions visées à l'article 6, deuxième alinéa, 1° ou 2° ;
  4° une attestation de l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, Aide intégrale à la jeunesse, attestant que l'enfant remplit les conditions visées à l'article 6, deuxième alinéa, 3° ;
  5° une attestation d'inscription attestant que la formation répond aux exigences visées à l'article 7 ;
  6° une attestation de la composition de ménage délivrée par l'administration communale ;
  7° une attestation de placement en famille d'accueil ;
  8° un acte de naissance ou l'acte de l'état civil faisant état de la descendance;
  [1 9° la convention authentique instituant la tutelle officieuse et ratifiée conformément à l'article 475ter du Code civil.]1
Art.20. Om geldig te zijn, kan de aanvraag van een onderbrekingsuitkering voor zorgkrediet op zijn vroegst ingediend worden zes maanden voor de gewenste aanvangsdatum van de onderbrekingsuitkering, zoals aangegeven op het aanvraagformulier.
Art.20. Pour être valide, la demande d'allocation d'interruption pour crédit-soins peut être déposée au plus tôt six mois avant la date de début souhaitée de l'allocation d'interruption, comme indiqué dans le formulaire de demande.
Art.21. Het recht op een onderbrekingsuitkering gaat in op de dag die aangegeven is in het aanvraagformulier als alle nodige documenten behoorlijk en volledig ingevuld verstuurd zijn aan het departement binnen een termijn van twee maanden, die ingaat op de dag die is aangegeven in het aanvraagformulier, en die berekend is van datum tot datum. Als de documenten behoorlijk en volledig ingevuld verzonden worden na die termijn, gaat het recht op een onderbrekingsuitkering pas in op de dag van de verzending ervan.
Art.21. Le droit à une allocation d'interruption débute le jour indiqué dans le formulaire de demande, à condition que tous les documents requis soient complets et qu'ils aient été dûment complétés et envoyés au département dans un délai de deux mois, qui prend cours le jour indiqué dans le formulaire de demande, et qui est calculé de date à date. Si les documents requis sont complets et qu'ils ont été dûment complétés mais envoyés hors délai, le droit à une allocation d'interruption prend effet le jour de l'envoi.
Art.22. Elke verlenging of nieuwe aanvraag wordt ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als de eerste aanvraag. Als een verlenging of nieuwe aanvraag nodig is vanwege de zorg voor een kind met handicap, is een attest waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, alleen vereist als het attest gegevens bevat die nieuw zijn voor het departement.
Art.22. Tout renouvellement ou toute nouvelle demande est soumis(e) aux mêmes formalités et aux mêmes délais de dépôt que la première demande. Si un renouvellement ou une nouvelle demande est nécessaire dans le but de s'occuper d'un enfant handicapé, une attestation attestant que l'enfant remplit toutes les conditions visées à l'article 6, deuxième alinéa, n'est exigée que si cette attestation contient des données nouvelles pour le département.
Art.23. Het departement neemt alle beslissingen over de toekenning of de weigering van het recht op een onderbrekingsuitkering na het nodige onderzoek. Het departement brengt het personeelslid en zijn werkgever schriftelijk op de hoogte van zijn beslissing.
Art.23. Le département prend toutes les décisions relatives à l'octroi ou au refus d'une allocation d'interruption après avoir procédé à l'examen nécessaire. Le département informe le membre du personnel et son employeur de sa décision par écrit.
Art.24. Het departement betaalt de onderbrekingsuitkeringen maandelijks uit.
Art.24. Le département verse l'allocation d'interruption chaque mois.
Art.25. Wanneer een onderbrekingsuitkering met toepassing van artikel 7 wordt toegekend, dient het personeelslid bij het departement binnen twintig kalenderdagen na elk kwartaal een attest in dat het bewijs levert van zijn regelmatige aanwezigheid in de opleiding tijdens dat kwartaal. De dagen schoolvakantie in de loop van of aansluitend op een periode van opleiding worden gelijkgesteld met dagen van regelmatige aanwezigheid in een opleiding. Regelmatige aanwezigheid in de zin van deze bepaling betekent dat het personeelslid niet meer dan een tiende van de duur van de opleiding in dat kwartaal ongewettigd afwezig mag zijn. Als het personeelslid een opleiding met afstandsonderwijs volgt, dient hij bij het departement binnen twintig kalenderdagen na elk kwartaal een attest in dat het bewijs levert dat hij is ingeschreven voor de opleiding tijdens dat kwartaal.
  Het personeelslid verliest zijn recht op een onderbrekingsuitkering als hij het attest niet tijdig voorlegt, of als hij zijn regelmatige aanwezigheid of inschrijving niet aantoont.
Art.25. Lorsqu'une allocation d'interruption est accordée en application de l'article 7, le membre du personnel doit envoyer au département, dans les vingt jours calendaires à compter de chaque fin de trimestre, une attestation attestant de son assiduité à la formation pendant le trimestre en question. Les jours de vacances scolaires au cours ou à la suite d'une période de formation sont assimilés à des jours d'assiduité à une formation. L'assiduité au sens de la présente disposition signifie que le membre du personnel ne doit pas être absent sans justification plus d'un dixième de la durée de la formation au cours du trimestre en question. Si le membre du personnel suit une formation à distance, il est tenu de fournir au département, dans les vingt jours calendaires à compter de chaque fin de trimestre, une attestation attestant qu'il était bien inscrit à la formation pendant le trimestre en question.
  Le membre du personnel perd son droit à une allocation d'interruption s'il ne présente pas cette attestation dans les délais impartis ou si son assiduité ou son inscription n'a pas été attestée.
Art.26. Het personeelslid dat onderbrekingsuitkeringen ontvangt, is ertoe gehouden om elke verandering in de situatie zoals hij die heeft omschreven in het aanvraagformulier, te melden aan het departement.
Art.26. Le membre du personnel qui perçoit des allocations d'interruption est tenu d'informer le département de tout changement de sa situation telle qu'il l'a décrite dans le formulaire de demande.
Art.27. Onrechtmatig verkregen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd.
  Het departement ziet af van de terugvordering als het personeelslid dat onderbrekingsuitkeringen ontvangt, is overleden.
Art.27. Toute allocation d'interruption indûment perçue sera recouvrée.
  Le département renonce au recouvrement en cas de décès du membre du personnel ayant perçu des allocations d'interruption.
Art.28. Het departement hoort het personeelslid voor het beslist om het recht op onderbrekingsuitkeringen stop te zetten of om de onderbrekingsuitkeringen terug te vorderen, als het personeelslid daarom verzoekt en als de stopzetting of terugvordering niet het gevolg is van :
  1° een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, van een cumulatie die niet wordt toegestaan, of van het feit dat het personeelslid de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet, terwijl hij de uitoefening ervan al gedurende een jaar heeft gecumuleerd met het recht op onderbrekingsuitkeringen;
  2° de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van artikel 11 en 12.
  Het departement brengt het personeelslid schriftelijk op de hoogte van de voorgenomen beslissing en van het recht om gehoord te worden.
  Het personeelslid dat wordt gehoord, kan zich bij de uitoefening van zijn recht om te worden gehoord, laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.
Art.28. Le département entend la décision du membre du personnel s'il souhaite mettre fin à son droit aux allocations d'interruption ou rembourser les allocations d'interruption perçues si le membre du personnel en fait la demande et si cet arrêt ou ce remboursement n'est pas la conséquence de :
  1° une reprise de service, une mise à la retraite ou une cessation du contrat de travail, d'un cumul non autorisé ou du fait que le membre du personnel poursuit l'exercice d'une activité indépendante alors qu'il a cumulé l'exercice de cette activité avec son droit aux allocations d'interruption pendant un an ;
  2° l'octroi d'un montant d'allocations non conforme aux dispositions des articles 11 et 12.
  Le département informe le membre du personnel par écrit de sa décision et de son droit à être entendu.
  Le membre du personnel qui est entendu peut se faire assister ou représenter dans l'exercice de son droit d'être entendu par une personne de son choix.
Art.29. Het personeelslid wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van het departement, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd. De beslissing vermeldt voor welke periode er wordt teruggevorderd, alsook welk bedrag wordt teruggevorderd.
Art.29. Le membre du personnel est informé de la décision du département dans le cas où des allocations d'interruption indûment perçues sont recouvrées. La décision précise la période concernée par le recouvrement, ainsi que le montant recouvré.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Art.30. In het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 3, 2°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 maart 1996 en 10 augustus 1998;
  2° artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 augustus 1998 en 28 december 2011.
Art.30. Dans l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, les articles suivants sont abrogés :
  1° article 3, 2°, modifié par les arrêtés royaux des 14 mars 1996 et 10 août 1998 ;
  2° article 5, remplacé par l'arrêté royal du 14 mars 1996 et modifié par les arrêtés royaux des 10 août 1998 et 28 décembre 2011.
Art.31. In artikel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2005, worden paragraaf 1 en 2 opgeheven.
Art.31. A l'article 6 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 juillet 2005, les paragraphes 1er et 2 sont abrogés.
Art.32. In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998, wordt § 1, 1° opgeheven.
Art.32. A l'article 7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 14 mars 1996 et modifié par l'arrêté royal du 10 août 1998, le § 1er, 1° est abrogé.
Art.33. In artikel 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 mei 2014, worden paragraaf 1, 2, 3 en 4 opgeheven.
Art.33. A l'article 8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 14 mars 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 12 mai 2014, les paragraphes 1, 2, 3 et 4 sont abrogés.
Art.34. In het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 3, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;
  2° artikel 4, vervangen bij het koninklijk besluit van 4 juni 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 september 2012 en 12 mei 2014.
Art.34. Dans l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, les articles suivants sont abrogés :
  1° article 3, remplacé par l'arrêté royal du 25 août 2012 ;
  2° article 4, remplacé par l'arrêté royal du vendredi 4 juin 1999 et modifié par les arrêtés royaux des lundi 3 septembre 2012 et lundi 12 mai 2014.
Art.35. In het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2011;
  2° artikel 5;
  3° artikel 6, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 2001 en 25 augustus 2012;
  4° artikel 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;
  5° artikel 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;
  6° artikel 8bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2015 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 mei 2014;
  7° artikel 21.
Art.35. Dans l'arrêté royal du 7 mai 1999 concernant l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, les articles suivants sont abrogés :
  1° article 4, remplacé par l'arrêté royal du 28 décembre 2011 ;
  2° article 5 ;
  3° article 6, modifié par les arrêtés royaux des 28 décembre 2001 et 25 août 2012 ;
  4° article 7, modifié par l'arrêté royal du 25 août 2012 ;
  5° article 8, modifié par l'arrêté royal du 25 août 2012 ;
  6° l'article 8bis, inséré par l'arrêté royal du 25 août 2015 et modifié par l'arrêté royal du 12 mai 2014 ;
  7° article 21.
Art.36. Het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid, gewijzigd bij de besluiten van 10 juni 2005, 19 december 2008, 25 oktober 2013, 20 juni 2014 en 22 januari 2016, wordt opgeheven.
Art.36. L'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 1998 portant création d'une prime d'encouragement pour interruption de carrière pour les membres du personnel du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone dans le cadre des mesures de redistribution du travail, modifié par les arrêts des 10 juin 2005, 19 décembre 2008, 25 octobre 2013, 20 juin 2014 et 22 janvier 2016, est abrogé.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art.37. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, 5, 6, 7, 8, § 1 8bis, 9 en 11 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016 [1 of vanaf 2 september 2016 de beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017 voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten en die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest en voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest]1 blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 [1 of de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten en die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest en de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest, en die vanaf 2 september 2016 op basis van beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017,]1 een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 of § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 [1 of na hun overdracht aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op 1 januari 2017 ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen]1 stopzetten [2 om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
  De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1 en artikel 4, § 1, § 2, § 4, § 5, § 6, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 stopzetten [2 om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.
  De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 4, 5, 6, 7, en 21 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016 [1 of vanaf 2 september 2016 de beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017 voor de personeelsleden die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen]1, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 [1 of de personeelsleden die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en vanaf 2 september 2016 op grond van beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017]1 een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 [1 of na hun overdracht aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op 1 januari 2017 ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen]1 stopzetten [2 om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.
  De beslissingen, genomen ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, blijven van kracht voor de toegestane periode. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 een aanmoedigingspremie ontvangen voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking ter uitvoering van een van de hierna opgesomde artikelen en een gedeeltelijke loopbaanonderbreking na 2 september 2016 stopzetten [2 om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4 behouden het recht op een aanmoedigingspremie voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking ter uitvoering van een van volgende artikelen :
  1° artikel 8, § 2, § 3 of § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
  2° artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
  3° artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  
Art.37. Les décisions prises en application des articles 3, 5, 6, 7, 8, § 1er 8bis, 9 et 11 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, concernant une suspension ou une interruption complète de carrière prenant effet avant le 2 septembre 2016 [1 ou à partir du 2 septembre 2016 les décisions ayant pris effet avant le 1er janvier 2017 pour les membres du personnel détachés dans les agences locales pour l'emploi dans les communes et qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamandeet pour les membres du personnel exerçant la mission de coordination ALE qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande]1, restent en vigueur pour la période autorisée. Les décisions prises en application de l'article 8, § 2, § 3 et § 4, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, restent en vigueur jusqu'à la date effective de la pension. Les membres du personnel qui [1 ou les membres du personnel détachés dans les agences locales pour l'emploi dans les communes et qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamandeet les membres du personnel exerçant la mission de coordination ALE qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande, qui, à partir du 2 septembre 2016 sur la base de décisions ayant pris effet avant le 1er janvier 2017,]1 perçoivent une allocation d'interruption en application de l'article 8, § 2, § 3 et § 4, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption avant le 2 septembre 2016 et qui mettent fin à l'allocation d'interruption après le 2 septembre 2016 [1 ou après leur transfert à la Région flamande ou à la Communauté flamande le 1er janvier 2017 suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel détachés dans les agences locales pour l'emploi dans les communes, ou l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel exerçant la mission de coordination ALE]1 [2 afin de dispenser des soins palliatifs sur la base de l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 jusqu'au 31 août 2021]3 inclus]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4, conservent leur droit à une allocation d'interruption en application de l'article 8, § 2, § 3 et § 4, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption.
  Les décisions prises en application des articles 3, § 1er et 4, § 1er, § 2, § 4, § 5, § 6, de l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'une allocation d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, concernant une suspension ou une interruption complète de carrière prenant effet avant le 2 septembre 2016, restent en vigueur pour la période autorisée. Les décisions prises en application des articles 3, § 2, § 3 et § 4, et 4, § 3 de l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'une allocation d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, restent en vigueur jusqu'à la date effective de la pension. Les membres du personnel qui perçoivent une allocation d'interruption en application des articles 3, § 2, § 3 et § 4, et 4, § 3 de l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'une allocation d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux avant le 2 septembre 2016 et qui mettent fin à l'allocation d'interruption après le 2 septembre 2016 [2 afin de dispenser des soins palliatifs sur la base de l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 jusqu'au 31 août 2021 ]3]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4,conservent leur droit à une allocation d'interruption en application des articles 3, § 2, § 3 et § 4, et 4, § 3 de l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'une allocation d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux.
  Les décisions prises en application des articles 4, 5, 6, 7 et 21 de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, concernant une suspension ou une interruption complète de carrière prenant effet avant le 2 septembre 2016 [1 ou à partir du 2 septembre 2016 les décisions ayant pris effet avant le 1er septembre 2017 pour les membres du personnel qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel détachés dans les agences locales pour l'emploi dans les communes, ou l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel exerçant la mission de coordination ALE]1, restent en vigueur pour la période autorisée. Les décisions prises en application des articles 8 et 8bis de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, restent en vigueur jusqu'à la date effective de la pension. Les membres du personnel qui [1 ou les membres du personnel qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel détachés dans les agences locales de l'emploi dans les communes ou suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande exerçant la mission de coordination ALE, et qui, à partir du 2 septembre 2016 sur la base de décisions ayant pris effet avant le 1er janvier 2017]1 perçoivent une allocation d'interruption en application des articles 8 et 8bis de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations avant le 2 septembre 2016 et qui mettent fin à l'allocation d'interruption après le 2 septembre 2016 [1 ou à partir du 2 septembre 2016 les décisions ayant pris effet avant le 1er septembre 2017 pour les membres du personnel qui sont transférés à la Région flamande ou à la Communauté flamande suite à l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel détachés dans les agences locales pour l'emploi dans les communes, ou l'arrêté royal du 25 décembre 2016 portant transfert de membres du personnel de l'Office national de l'Emploi à la Région flamande pour les membres du personnel exerçant la mission de coordination ALE]1 [2 afin de dispenser des soins palliatifs sur la base de l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 jusqu'au 31 août 2021 ]3 inclus]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4, conservent leur droit à une allocation d'interruption en application des articles 8 et 8bis de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations.
  Les décisions prises en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 1998 portant création d'une prime d'encouragement pour interruption de carrière pour les membres du personnel du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone dans le cadre des mesures de redistribution du travail, concernant une suspension ou une interruption complète de carrière prenant effet avant le 2 septembre 2016, restent en vigueur pour la période autorisée. Les membres du personnel qui perçoivent une prime d'encouragement pour une interruption partielle de carrière en application de l'un des articles énumérés ci-après avant le 2 septembre 2016 et qui mettent fin à une interruption partielle de carrière après le 2 septembre 2016 [2 afin de dispenser des soins palliatifs sur la base de l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 jusqu'au 31 août 2021 ]3 inclus]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4, conservent leur droit à une allocation d'interruption pour une interruption partielle de carrière en application de l'un des articles suivants :
  1° article 8, § 2, § 3 ou § 4 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, tel qu'il s'applique à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté ;
  2° articles 3, § 2, § 3 et § 4, et 4, § 3 de l'arrêté royal du 12 août 1991 concernant l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, tels qu'ils s'appliquent à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté ;
  3° articles 8 et 8bis de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, tels qu'ils s'appliquent à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  
Art. 37/1. [1 De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 3, 5, 6, 7, 8, § 1, artikel 8bis, 9 en 11, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en die vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 of § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen en die de onderbrekingsuitkering [2 na datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
   De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 4, 5, 6, 7, en 21, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en die vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen en die de onderbrekingsuitkering [2 na datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [3 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]3]2 [4 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]4, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.]1

  
Art. 37/1. [1 Les décisions ayant pris effet avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, qui concernent les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24°, du présent arrêté, et qui sont prises en exécution de l'article 3, 5, 6, 7, 8, § 1er, article 8bis, 9 et 11, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, en ce qui concerne une suspension totale ou une réduction de la carrière professionnelle, restent en vigueur pour la période autorisée. Les décisions ayant pris effet avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, qui concernent les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24°, du présent arrêté, et qui sont prises en exécution de l'article 8, § 2, § 3 et § 4, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, restent en vigueur jusqu'à la date effective de la mise à la retraite. Les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24° du présent arrêté qui, avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, bénéficient d'une allocation d'interruption en exécution de l'article 8, § 2, § 3 ou § 4, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, et [2 qui, après la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, arrêtent l'allocation d'interruption afin de fournir des soins palliatifs tels que visés à l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 au 31 août 2021]3 inclus]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4, maintiennent le droit à une allocation d'interruption en exécution de l'article 8, § 2, § 3 et § 4, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption.
   Les décisions ayant pris effet avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, qui concernent les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24°, du présent arrêté, et qui sont prises en exécution de l'article 4, 5, 6, 7, et 21, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, en ce qui concerne une suspension totale ou une réduction de la carrière professionnelle, restent en vigueur pour la période autorisée. Les décisions ayant pris effet avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, qui concernent les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24°, du présent arrêté, et qui sont prises en exécution de l'article 8 et 8bis, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, restent en vigueur jusqu'à la date effective de la mise à la retraite. Les membres du personnel visés à l'article 2, alinéa 1er, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° ou 24° du présent arrêté qui, avant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, bénéficient d'une allocation d'interruption en exécution de l'article 8 et 8bis, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations, et [2 qui, après la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017 modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins, arrêtent l'allocation d'interruption afin de fournir des soins palliatifs tels que visés à l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ou qui modifient le pourcentage d'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et qui renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [3 16 mars 2020 jusqu'au 1 juillet 2020 ou du 3 mai 2021 au 31 août 2021 ]3 inclus]2 [4 ou qui modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]4, maintiennent le droit à une allocation d'interruption en exécution des articles 8 et 8bis, tels qu'en vigueur avant le 2 septembre 2016, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel des administrations.]1

  
Art.38. De personeelsleden die op 1 september 2016 een verlof genieten in het kader van de vermindering van arbeidsprestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar als vermeld in artikel 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, en die op 1 september 2016 nog geen 55 jaar zijn, hebben tot aan de effectieve datum van het pensioen recht op een onderbrekingsuitkering conform artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
  Wanneer deze personeelsleden de onderbrekingsuitvoering na 2 september 2016 stopzetten [1 om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken ingevolge de coronacrisis en nadien de loopbaanonderbreking hervatten, binnen de periode van [2 16 maart 2020 tot en met 1 juli 2020 of 3 mei 2021 tot en met 31 augustus 2021]2]1 [3 of het onderbrekingspercentage van de loopbaanonderbreking wijzigen om hun tewerkstelling te hervatten of meer te gaan werken vanaf 1 september 2022]3, behouden ze het recht op een onderbrekingsuitkering.
  
Art.38. Les membres du personnel qui bénéficient d'un congé au 1er septembre 2016 dans le cadre de la réduction des prestations de travail à partir de l'âge de 50 ans, tel que visé à l'article 1er, deuxième alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009 relatif au congé pour interruption ou diminution des prestations de travail pour certains membres du personnel des centres d'éducation de base, et qui n'ont pas encore atteint l'âge de 55 ans au 1er septembre 2016, ont droit, jusqu'à la date effective de leur pension, à une allocation d'interruption conformément à l'article 8, § 2, de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption.
  Si ces membres du personnel mettent fin à l'allocation d'interruption après le 2 septembre 2016 [1 afin de dispenser des soins palliatifs sur la base de l'article 100bis ou 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou pour travailler plus à la suite de la crise du coronavirus et renouent avec l'interruption de carrière par après, endéans la période du [2 16 mars 2020 jusqu'au 1er juillet 2020 ou du 3 mai 2021 jusqu'au 31 août 2021]2]1 [3 ou modifient le pourcentage d'interruption de l'interruption de carrière pour reprendre leur emploi ou travailler davantage à partir du 1er septembre 2022]3, elles conservent leur droit à une allocation d'interruption.
  
Art.39. Dit besluit treedt in werking op 2 september 2016.
Art.39. Le présent arrêté entre en vigueur le 2 septembre 2016.
Art. 40. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 40. Le ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.