Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 JULI 2016. - Decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-07-2016 en tekstbijwerking tot 08-08-2023)
Titre
15 JUILLET 2016. - Décret relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-07-2016 et mise à jour au 08-08-2023)
Documentinformatie
Numac: 2016036197
Datum: 2016-07-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016036197
Date: 2016-07-15
Moniteur: Voir
Tekst (81)
Texte (81)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. . - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
  1° bevoegde administratie : de entiteit binnen de Vlaamse administratie die door de Vlaamse Regering wordt belast met de uitvoering van de taken vermeld in dit decreet;
  2°[1 2А handelsgeheel: een geheel van kleinhandelsbedrijven binnen eenzelfde gebouw of in aaneengesloten bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen samen verkregen werd, ongeacht of:
   a) de kleinhandelsbedrijven zich op щщn perceel of op elkaar aansluitende percelen bevinden;
   b) dezelfde persoon de ontwikkelaar, eigenaar of uitbater van de kleinhandelsbedrijven is.]1

  3° kernwinkelgebied : een gebied afgebakend in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan waar via stedenbouwkundige voorschriften een stimulerend beleid inzake kleinhandel wordt gevoerd;
  4° kleinhandelsbedrijf : een distributie-eenheid waarvan de activiteit [1 volledig of gedeeltelijk]1 bestaat uit het te koop aanbieden of wederverkopen van goederen aan consumenten,[1 ...]1;
  5° kleinhandelslint : een opeenvolging van minstens drie kleinhandelsbedrijven langs een invals- of verbindingsweg zonder gemeenschappelijke parking of gemeenschappelijke in- en uitrit;
  6° kleinhandelszone : een specifiek door een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan afgebakend gebied voor de vestiging van kleinhandelsbedrijven en handelsgehelen;
  7° netto handelsoppervlakte : de oppervlakte, bestemd voor het te koop aanbieden of de verkoop die toegankelijk is voor het publiek, met inbegrip van de niet-overdekte oppervlakten. Die oppervlakte omvat eveneens de kassazones, de zones die zich achter de kassa's bevinden en de inkomruimte;
  8° winkelarm gebied : een gebied afgebakend in een provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan waar via stedenbouwkundige voorschriften beperkingen aan de kleinhandel worden opgelegd.
  
Art. 2. Pour l'application du présent décret, on entend par :
  1° administration compétente : l'entité au sein de l'administration flamande chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution des tâches visées par le présent décret;
  2°[1 2° ensemble commercial : un ensemble de commerces de détail situés dans le même bâtiment ou dans des bâtiments contigus pour lesquels un permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été obtenu ensemble, indépendamment du fait que :
   a) les commerces de détail sont situés sur une seule parcelle ou sur des parcelles contiguës ;
   b) la même personne est le développeur, le propriétaire ou l'exploitant des commerces de détail.]1
;
  3° noyau commercial principal : une zone délimitée dans un règlement communal sur l'urbanisme ou un plan d'exécution spatial communal où une politique d'encouragement du commerce de détail est menée par l'intermédiaire de prescriptions urbanistiques;
  4° commerce de détail : une entité de distribution dont l'activité consiste [1 , en tout ou en partie,]1 à mettre en vente ou à revendre des biens aux consommateurs[1 ...]1;
  5° ruban de commerces de détail : une succession d'au moins trois petits commerces situés sur une route d'accès ou de pénétration sans parking commun ou entrée ou sortie commune;
  6° zone de commerces de détail : une zone spécifiquement délimitée par un plan d'aménagement ou un plan d'exécution spatial pour l'implantation de petites entreprises de commerce de détail et d'ensembles commerciaux;
  7° superficie commerciale nette : la superficie destinée à la mise en vente ou à la vente accessible au public, y compris les superficies non couvertes. Cette superficie inclut également les zones des caisses, les zones qui se trouvent derrière les caisses et le hall d'entrée;
  8° zone pauvre en commerces : une zone délimitée dans un règlement communal ou provincial sur l'urbanisme ou un plan d'exécution spatial communal ou provincial où des limitations sont imposées au commerce de détail par l'intermédiaire de prescriptions urbanistiques;
  
Art. 3. Voor de toepassing van dit decreet worden volgende categorieën als categorieën van kleinhandelsactiviteiten beschouwd :
  1° verkoop van voeding;
  2° verkoop van goederen voor persoonsuitrusting;
  3° verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw;
  4°[1 verkoop van vervoers- en transportmiddelen;]1
  [1 5А verkoop van volumineuze goederen die niet vallen onder de categorieыn, vermeld in punt 1А tot en met 4А ;
   6А verkoop van niet-volumineuze goederen die niet vallen onder de categorieыn, vermeld in punt 1А tot en met 4А.]1

  [1 In het eerste lid wordt verstaan onder volumineuze goederen: goederen waarvan de som van de hoogte, de breedte en de diepte minimaal 2,5 meter of meer bedraagt.]1
  
Art. 3. Pour l'application du présent décret, les catégories suivantes sont considérées comme catégories d'activités de commerce de détail :
  1° vente de denrées alimentaires;
  2° vente de biens d'équipement personnel;
  3° vente de plantes, fleurs et matériel d'agriculture et d'horticulture;
  4°[1 la vente de matériel de transport et d'acheminement ; ]1
  [1 5° la vente de biens volumineux qui ne relèvent pas des catégories visées aux points 1° à 4° ;
   6° vente de biens non volumineux qui ne relèvent pas des catégories visées aux points 1° à 4°.]1

  [1 A l'alinéa 1er, on entend par biens volumineux : les biens dont la somme de la hauteur, de la largeur et de la profondeur est supérieure ou égale à 2,5 mètres.]1
  
Art. 4. Het Vlaamse Gewest voert in samenwerking met de gemeenten en provincies een integraal handelsvestigingsbeleid dat gericht is op :
  1° het creëren van duurzame vestigingsmogelijkheden voor kleinhandel, met inbegrip van het vermijden van ongewenste kleinhandelslinten;
  2° het waarborgen van een toegankelijk aanbod voor consumenten;
  3° het waarborgen en versterken van de leefbaarheid in het stedelijk milieu, met inbegrip van het versterken van kernwinkelgebieden;
  4° het bewerkstelligen van een duurzame mobiliteit.
Art. 4. La Région flamande mène, en coopération avec les communes et provinces, une politique d'implantation commerciale intégrale axée sur :
  1° la création de possibilités d'implantation durables pour le commerce de détail, y compris la prévention de rubans de commerces de détail non désirés ;
  2° la garantie d'une offre accessible pour les consommateurs;
  3° la garantie et le renforcement de la viabilité dans l'environnement urbain, y compris le renforcement de noyaux commerciaux principaux ;
  4° la réalisation d'une mobilité durable.
HOOFDSTUK 2. - Visievorming
CHAPITRE 2. - Développement d'une vision
Art. 5. De Vlaamse Regering kan in uitvoering van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, een Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid vaststellen. Zij maakt dit beleidskader bekend.
  Zij wint hierbij het advies in van het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8.
Art. 5. Le Gouvernement flamand peut, en exécution des objectifs visés à l'article 4, fixer un cadre politique flamand d'implantation commerciale intégrale. Il communique ce cadre politique.
  Il demande à cette fin l'avis du Comité pour le Commerce de détail visé à l'article 8.
Art. 6. Provincies en gemeenten kunnen in uitvoering van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, een lokale visie op het vlak van het integraal handelsvestigingsbeleid ontwikkelen. Zij maken deze lokale visie bekend.
  Provincies en gemeenten kunnen hierbij het advies inwinnen van het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8.
  De provinciale visie richt zich naar het Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid, als dit bestaat. De gemeentelijke visie richt zich naar het Vlaams beleidskader en naar de provinciale visie, als deze bestaan.
  Provincies en gemeenten passen zo nodig hun lokale visie aan aan het Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid na de bekendmaking ervan.
  Gemeenten passen zo nodig hun lokale visie aan aan het Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid of de lokale visie van de provincie na de bekendmaking ervan.
Art. 6. Les provinces et communes peuvent, en exécution des objectifs visés à l'article 4, développer une vision locale sur le plan de la politique d'implantation commerciale intégrale. Elles communiquent cette vision locale.
  Les Provinces et communes peuvent solliciter à cette fin l'avis du Comité pour le Commerce de détail visé à l'article 8.
  La vision provinciale s'oriente en fonction du cadre politique flamand d'implantation commerciale intégrale, s'il existe. La vision communale s'oriente en fonction du cadre politique flamand et de la vision provinciale, s'ils existent.
  Les provinces et communes adaptent au besoin leur vision locale au cadre politique flamand politique d'implantation intégrale après publication de ce dernier.
  Les communes adaptent au besoin leur vision locale au cadre politique flamand d'implantation commerciale intégrale ou à la vision locale de la province après publication de ces derniers.
Art. 7. Overheden kunnen de visie op het vlak van het integraal handelsvestigingsbeleid integreren in ruimtelijke structuurplannen.
Art. 7. Les autorités peuvent intégrer la vision en matière de politique d'implantation commerciale intégrale dans les schémas de structure d'aménagement.
Art. 8. Het Comité voor Kleinhandel bestaat uit :
  1° vier vertegenwoordigers van de Vlaamse administratie, waaronder een vertegenwoordiger van de bevoegde administratie die de vergaderingen voorzit;
  2° een vertegenwoordiger van representatieve verbruikersorganisaties;
  3° vier vertegenwoordigers van representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties.
  [1 De vertegenwoordigers, vermeld in het eerste lid, 2А en 3А, hebben binnen de organisatie een algemene functie of zijn actief op interprofessioneel vlak of voor het hele Vlaamse Gewest.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen omtrent de samenstelling en de werking van het Comité voor Kleinhandel.
  
Art. 8. Le Comité pour le Commerce de détail se compose :
  1° de quatre représentants de l'administration flamande, dont un représentant de l'administration compétente qui préside les séances ;
  2° d'un représentant d'organisations représentatives des consommateurs;
  3° de quatre représentants d'organisations représentatives des patrons et des travailleurs.
  [1 Les représentants visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, ont une fonction générale au sein de l'organisation ou sont actifs au niveau interprofessionnel ou pour l'ensemble de la Région flamande. ]1
  Le Gouvernement flamand définit les modalités plus précises concernant la composition et le fonctionnement du Comité pour le Commerce de détail.
  
Art. 9. Het Comité voor Kleinhandel kan advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot een integraal handelsvestigingsbeleid, op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering.
  Provincies of gemeenten kunnen aan het Comité voor Kleinhandel advies vragen over de aangelegenheden, vermeld in artikel 6.
Art. 9. Le Comité pour le commerce de détail peut formuler des avis, émettre des remarques ou soumettre des propositions concernant toutes les matières relatives à une politique d'implantation commerciale intégrale, de sa propre initiative ou à la demande du Gouvernement flamand.
  Les provinces ou communes peuvent solliciter l'avis du Comité pour le commerce de détail au sujet des matières visées à l'article 6.
HOOFDSTUK 3. - Planning
CHAPITRE 3. - Planning
Art. 10. § 1. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, kunnen gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen :
  1° kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden afbakenen;
  2° normen bevatten betreffende de oppervlakte van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in artikel 3;
  3° deze normen differentiëren al naargelang het bestaande, dan wel nieuwe kleinhandelsbedrijven en handelsgehelen betreft;
  4° de termijnen vanaf wanneer de omgevingsvergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten geldt, vastgesteld bij artikel 11, eerste lid, 2°, verkorten tot :
  a) 1, 30, 60, 90, 120 of 150 dagen per jaar in geval de handelsactiviteiten verenigbaar zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften;
  b) 1, 30 of 60 dagen per jaar in alle andere gevallen.
  Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, kunnen provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en provinciale stedenbouwkundige verordeningen :
  1° winkelarme gebieden afbakenen met een gemeentegrensoverschrijdende impact, in overleg met de betrokken gemeenten, en op vraag van minstens een betrokken gemeente;
  2° normen bevatten betreffende de oppervlakte van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in artikel 3;
  3° deze normen differentiëren al naargelang het bestaande, dan wel nieuwe kleinhandelsbedrijven en handelsgehelen betreft.
  De normen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen :
  1° geen beperkingen stellen aan geldende socio-economische vergunningen en geldende omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten;
  2° geen niet aan de vergunningsplicht onderworpen uitbreidingen van bestaande en vergunde handelsvestigingen verbieden.
  § 2. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, kunnen ruimtelijke uitvoeringsplannen kleinhandelszones afbakenen.
Art. 10. § 1er. En vue de la réalisation des objectifs visés à l'article 4, les plans communaux d'exécution spatiale et les règlements communaux sur l'urbanisme peuvent :
  1° délimiter des noyaux commerciaux principaux " et des zones pauvres en magasins ;
  2° inclure des normes concernant la superficie des catégories d'activités de commerce de détail visées à l'article 3;
  3° différencier ces normes selon qu'il s'agit de commerces au détail et ensembles de commerces existants ou nouveaux;
  4° raccourcir les délais d'application de l'obligation de permis d'environnement aux activités de commerce de détail fixés par l'article 11 premier alinéa, 2°, à :
  a) 1, 30, 60, 90, 120 ou 150 jours par an dans le cas où les activités commerciales sont compatibles avec les prescriptions urbanistiques;
  b) 1, 30 ou 60 jours par an dans tous les autres cas.
  En vue de la réalisation des objectifs visés à l'article 4, les plans communaux d'exécution spatiale et les règlements provinciaux sur l'urbanisme peuvent :
  1° délimiter des zones pauvres en commerces ayant un impact au-delà des frontières communales, en concertation avec les communes concernées et à la demande d'au moins une commune concernée;
  2° inclure des normes concernant la superficie des catégories d'activités de commerce de détail visées à l'article 3;
  3° différencier ces normes selon qu'il s'agit de commerces au détail et d'ensembles de commerces existants ou nouveaux.
  Les normes visées aux premier et deuxième alinéas ne peuvent :
  1° imposer de limitations aux permis socio-économiques et aux permis d'environnement en vigueur pour les activités de commerce de détail;
  2° interdire les agrandissements d'établissements commerciaux existants et autorisés non soumis à l'obligation d'autorisation.
  § 2. En vue de la réalisation des objectifs visés à l'article 4, les plans d'exécution spatiale et les règlements sur l'urbanisme peuvent délimiter des zones de commerce de détail.
HOOFDSTUK 4. - Omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten
CHAPITRE 4. - Permis d'environnement pour activités de commerce de détail
Art. 11. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten :
  1° kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m|F2 in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie;
  2° kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m|F2 in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies als de handelsactiviteiten uitgevoerd worden :
  a) gedurende meer dan honderdtachtig dagen per jaar in geval de handelsactiviteiten verenigbaar zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften;
  b) gedurende meer dan negentig dagen per jaar in alle andere gevallen;
  op voorwaarde dat de kleinhandelsactiviteiten in overeenstemming zijn met de uitdrukkelijke voorwaarden van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen;
  3° een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel uitbreiden als hierdoor de totale netto handelsoppervlakte :
  a) meer dan 300 m|F2 groter is dan de vergunde netto handelsoppervlakte, of;
  b) meer dan 20 percent groter is dan de vergunde netto handelsoppervlakte;
  4° kleinhandelsbedrijven of handelsgehelen samenvoegen waarbij de netto handelsoppervlakte na samenvoeging meer dan 400 m|F2 bedraagt;
  5° een belangrijke wijziging van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in artikel 3, doorvoeren in een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m|F2.
  [1 6° een kleinhandelsbedrijf van meer dan 400 vierkante meter, ongeacht of het zich in een handelsgeheel bevindt of niet, opsplitsen.]1
  Onder belangrijke wijziging van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt begrepen een wijziging waarbij een categorie van kleinhandelsactiviteiten het vergunde aantal vierkante meter netto handels|Upoppervlakte overschrijdt met minstens een van volgende oppervlakten :
  1° met 10 procent van de totale vergunde netto handelsoppervlakte;
  2° met 300 vierkante meter.
  De vergunning legt het aantal vierkante meter van de totale netto handelsoppervlakte per categorie van kleinhandelsactiviteiten vast.
  
Art. 11. Nul ne peut, sans permis d'environnement préalable pour les activités de commerce de détail :
  1° réaliser des activités de commerce de détail dans un commerce de détail ou un ensemble commercial dont la superficie commerciale nette excède 400 m|F2 dans une structure à construire à neuf et non exemptée de permis;
  2° réaliser des activités de commerce de détail dans un commerce de détail ou un ensemble commercial d'une superficie commerciale nette de plus de 400 m|F2 dans un immeuble existant, autorisé ou autorisé en principal, ou dans des structures temporairement autorisées ou exemptées d'autorisation si les activités commerciales sont exécutées :
  a) pendant plus de cent quatre-vingts jours par an dans le cas où les activités commerciales sont compatibles avec les prescriptions urbanistiques en vigueur;
  b) pendant plus de nonante jours par an dans tous les autres cas.
  à condition que les activités de commerce de détail soient en concordance avec les conditions expresses d'un permis d'environnement pour les actions d'urbanisme;
  3° agrandir un commerce de détail ou un ensemble commercial si, de ce fait, la superficie commerciale nette :
  a) excède de plus de 300 m|F2 celle de la superficie commerciale nette autorisée, ou
  b) excède de plus de 20% celle de la superficie commerciale nette autorisée;
  4° fusionner des commerces au détail ou des ensembles commerciaux dont la superficie commerciale nette s'établit, après fusion, à plus de 400 m|F2;
  5° apporter une modification significative aux catégories d'activités de commerce de détail visées à l'article 3 dans un commerce de détail ou un ensemble commercial dont la superficie commerciale nette excède 400 m|F2.
  [1 6° scinder un commerce de détail de plus de 400 mètres carrés, qu'il se trouve ou non dans un ensemble commercial.]1
  Par modification significative aux catégories de commerce de détail visées au premier alinéa, 5°, on entend une modification par laquelle une catégorie d'activités de commerce de détail excède le nombre autorisé de mètres carrés de superficie commerciale nette d'au moins une des superficies suivantes :
  1° 10 pour cent de la superficie commerciale nette totale autorisée;
  2° 300 mètres carrés.
  Le permis fixe le nombre de mètres carrés de la superficie commerciale nette totale par catégorie d'activités de commerce de détail.
  
Art. 12. De vergunning wordt verleend overeenkomstig de gewone en vereenvoudigde procedure, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Art. 12. Le permis est délivré conformément à la procédure habituelle et simplifiée visée dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
Art. 13. Een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten wordt geweigerd als het aangevraagde onverenigbaar is met stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken.
  Een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten kan worden geweigerd als het aangevraagde onverenigbaar is met de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid, vermeld in artikel 4.
  De overheid die belast is met het afleveren van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten houdt bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag rekening met de in de omgeving bestaande toestand en beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid, vermeld in artikel 4.
  De beoordeling van een aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten kan niet gebeuren op basis van de toepassing per geval van economische criteria waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelstelling wordt nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.
Art. 13. Un permis d'environnement pour les activités de commerce de détail est refusé si la demande est inconciliable avec les prescriptions urbanistiques ou les prescriptions de lotissement, pour autant qu'il n'y ait pas été dérogé valablement.
  Un permis d'environnement pour les activités de commerce de détail peut être refusé si la demande est inconciliable avec les objectifs de la politique d'implantation commerciale intégrale visés à l'article 4.
  En évaluant la demande de permis, l'autorité chargée de délivrer le permis d'environnement pour les activités de commerce de détail tient compte de la situation existante des environs et des développements stratégiques souhaités concernant les objectifs de la politique d'implantation commerciale intégrale visée à l'article 4.
  L'évaluation d'une demande d'obtention d'un permis d'environnement pour activités de commerce de détail ne peut être réalisée sur la base de l'application au cas par cas de critères économiques dans le cadre desquels la délivrance du permis est subordonnée à la preuve qu'il existe un besoin économique ou une demande du marché, d'une évaluation des conséquences possibles ou actuelles de l'activité ou d'une évaluation de l'adéquation de l'activité aux objectifs de planification économique fixés par l'instance compétente ; cette interdiction ne porte pas sur les exigences de planification qui ne visent pas un objectif économique, mais qui découlent de raisons impérieuses d'intérêt général.
HOOFDSTUK 5. - Handelsvestigingsconvenanten
CHAPITRE 5. - Conventions d'implantation commerciale
Art. 14. § 1. Een of meer gemeenten en een of meer ontwikkelaars of exploitanten van kleinhandelsbedrijven of handelsgehelen kunnen op vrijwillige basis handelsvestigingsconvenanten sluiten.
  Handelsvestigingsconvenanten zijn overeenkomsten naar burgerlijk recht waarin afspraken kunnen worden gemaakt over :
  1° een rationeel aanbod- en locatiebeleid;
  2° gezamenlijke initiatieven en de bekostiging daarvan;
  3° de participatie in het kernversterkende beleid van de betrokken gemeenten;
  4° inspanningsverbintenissen van de gemeenten op het vlak van de facilitering van de stabiliteit van het lokale handelsvestigingsbeleid.
  De afspraken, vermeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op de inhoud van goedkeuringen, machtigingen, vergunningen of subsidies.
  De ontwikkelaars en exploitanten die partij zijn bij een handelsvestigingsconvenant, nemen de relevante bepalingen op afdwingbare wijze op in hun verdere overeenkomsten met betrekking tot het kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel, met inbegrip van :
  1° overeenkomsten tot overdracht van het eigendomsrecht aan derden;
  2° overeenkomsten tot overdracht van elk recht van gebruik of genot aan derden;
  3° het vestigen van een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal;
  4° de fusie of splitsing van rechtspersonen.
  § 2. Een handelsvestigingsconvenant kan het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8, aanwijzen als bemiddelende instantie bij geschillen over de toepassing van het convenant.
Art. 14. § 1er. Une ou plusieurs communes et un ou plusieurs promoteurs ou exploitants de commerces au détail ou d'ensembles de commerces peuvent conclure des conventions d'implantation commerciale sur une base volontaire.
  Les conventions d'implantation commerciale sont des conventions de droit civil permettant d'établir des accords concernant :
  1° une politique rationnelle en matière d'offre et d'emplacement;
  2° des initiatives communes et leur financement;
  3° la participation à la politique de renforcement des noyaux urbains des communes concernées;
  4° des obligations de moyens de la part des communes au niveau de la facilitation de la stabilité de la politique en matière d'implantation commerciale locale.
  Les conventions visées au deuxième alinéa ne portent pas sur le contenu des approbations, habilitations, permis ou subsides.
  Les promoteurs et exploitants parties à une convention d'implantation commerciale incluent les dispositions pertinentes à titre contraignant dans leurs conventions ultérieures relatives au commerce de détail ou à l'ensemble commercial, y compris :
  1° les conventions de transfert du droit de propriété à des tiers;
  2° les conventions de transfert de tout droit d'usage ou de jouissance à des tiers;
  3° l'établissement d'un droit d'usufruit, d'emphytéose ou de superficie;
  4° la fusion ou la scission de personnes morales.
  § 2. Une convention d'implantation commerciale peut désigner le Comité pour le commerce de détail visé à l'article 8 comme instance médiatrice pour les litiges découlant de l'application de la convention.
HOOFDSTUK 6. - Handhaving van het handelsvestigingsbeleid
CHAPITRE 6. - Maintien de la politique d'implantation commerciale
Afdeling 1. - Toezichthouders
Section 1re. - Superviseurs
Art. 15. § 1. De Vlaamse Regering wijst onder de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot de een van de beleidsdomeinen, vermeld in [2 artikel III.1, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]2, toezichthouders aan die toezien op de naleving van de vergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten en van de voorwaarden van de verstrekte omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten. Zij worden gewestelijke toezichthouders genoemd.
  Personeelsleden van een politiezone die worden aangewezen door het bevoegde orgaan, kunnen eveneens toezichthouder zijn. Zij worden toezichthouders van politiezones genoemd. Zij kunnen enkel toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot de politiezone.
  [4 De volgende toezichthouders kunnen alleen toezicht uitoefenen op het grondgebied van de gemeente of gemeenten waarvoor ze zijn aangewezen:
   1А gemeentelijke toezichthouders: de personeelsleden van een gemeente die door het college van burgemeester en schepenen worden aangewezen;
   2А intergemeentelijke toezichthouders: de personeelsleden die door het bevoegde orgaan van een intergemeentelijk samenwerkingsverband worden aangewezen.]4

  De toezichthouders oefenen het toezicht onafhankelijk en neutraal uit.
  Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de Vlaamse Regering. Als hij daarom wordt verzocht, toont de toezichthouder zijn legitimatiebewijs onmiddellijk.
  § 2. Bij de vaststelling van een inbreuk omschreven in dit hoofdstuk kunnen de toezichthouders een verslag van vaststelling opstellen.
  De toezichthouders bezorgen het verslag van vaststelling onmiddellijk aan de ambtenaar vermeld in artikel 19, eerste lid, alsook verzenden zij een kopie aan de vermoedelijke overtreder binnen een maand.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het verslag van vaststelling.
  § 3. De toezichthouders beschikken over de toezichtrechten vermeld in de artikelen 16.3.10 tot en met 16.3.21 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen milieubeleid.
  § 4. Al de toezichthouders kunnen raadgevingen en aanmaningen geven conform de bepalingen van afdeling 2 en de gewestelijke toezichthouders kunnen conform de bepalingen van afdeling 4 bestuurlijke maatregelen opleggen.
  [1 § 5. [3 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
   De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
   Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
   Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
   Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]3
]1

  
Art. 15. § 1er. Le Gouvernement flamand désigne, parmi les membres du personnel du département et des agences qui relèvent d'un des domaines politiques visés à [2 l'article III.1, premier alinéa du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]2, des superviseurs qui veillent au respect de l'obligation d'autorisation pour les activités de commerce de détail et des conditions des permis d'environnement délivrés pour les activités de commerce de détail. Ils sont nommés superviseurs régionaux.
  Les membres du personnel d'une zone de police désignés par l'organe compétent peuvent également être superviseurs. Ils sont nommés superviseurs de zones de police. Ils ne peuvent exercer le contrôle que dans les communes qui font partie de la zone de police.
  [4 Les fonctionnaires de surveillance suivants ne peuvent surveiller que le territoire de la ou des communes pour lesquelles ils ont été désignés :
   1° les fonctionnaires de surveillance communaux : les membres du personnel d'une commune désignés par le collège des bourgmestre et échevins ;
   2° les fonctionnaires de surveillance intercommunaux : les membres du personnel désignés par l'instance compétente d'un partenariat intercommunal. ]4

  Les superviseurs exercent le contrôle de manière indépendante et neutre.
  Dans l'exercice de sa mission, le superviseur porte sur soi une preuve de légitimation délivrée par le Gouvernement flamand. Le superviseur produit immédiatement sa preuve de légitimation s'il y est invité.
  § 2. En cas de constatation d'une infraction décrite dans le présent chapitre, les superviseurs peuvent établir un rapport de constatation.
  Les superviseurs transmettent immédiatement le rapport de constatation au fonctionnaire visé à l'article 19, premier alinéa, et envoient une copie au contrevenant présumé dans un mois.
  Le Gouvernement flamand peut définir des modalités pour le rapport de constatation.
  § 3. Les superviseurs disposent des droits de supervision visés aux articles 16.3.10 à 16.3.21 inclus du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  § 4. Tous les superviseurs peuvent formuler des conseils et des avertissements conformément aux dispositions de la section 2, et les superviseurs régionaux peuvent imposer des mesures administratives conformément aux dispositions de la section 4.
  [1 § 5. [3 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les membres du personnel visés au paragraphe 1er peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 10 sont remplies.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des membres du personnel visés au paragraphe 1er, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
   Les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
   Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des membres du personnel visés au paragraphe 1er, sans préjudice de l'application de l'alinéa 8. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
   Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
   Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]3
]1

  
Afdeling 2. - Raadgeving en aanmaning
Section 2. - Conseil et avertissement
Art. 16. Als een toezichthouder vaststelt dat een inbreuk omschreven in dit hoofdstuk dreigt te worden gepleegd, kan hij alle raadgevingen geven die hij nuttig acht om dat te voorkomen.
Art. 16. Si un superviseur constate qu'une infraction décrite dans le présent chapitre risque d'être commise, il peut fournir tous les conseils qu'il estime utiles pour l'empêcher.
Art. 17. Als een toezichthouder een inbreuk omschreven in dit hoofdstuk vaststelt, kan hij de vermoedelijke overtreder aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen of een herhaling ervan te voorkomen.
Art. 17. Si un superviseur constate une infraction décrite dans le présent chapitre, il peut avertir le contrevenant potentiel de prendre les mesures nécessaires pour mettre fin à l'infraction ou empêcher qu'elle se reproduise.
Afdeling 3. - Bestuurlijke handhaving
Section 3. - Maintien administratif
Art. 18. Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan eenieder die de vergunningsplicht, vermeld in artikel 11, miskent, of die handelt in strijd met de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten. Als overtreder wordt beschouwd degene die de inbreuk heeft gepleegd, alsook diegene die de opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een inbreuk uitmaken.
  Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan ook worden opgelegd in geval van het voortzetten van kleinhandelsactiviteiten in strijd met een bevel tot staking, vermeld in artikel 23, de bekrachtigingsbeslissing ervan of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding.
Art. 18. Une amende administrative exclusive peut être infligée à quiconque méconnaît l'obligation d'autorisation visée à l'article 11 ou contrevient au permis d'environnement pour les activités de commerce de détail. Est considéré comme contrevenant celui qui a commis l'infraction, ainsi que celui qui a donné l'ordre de poser des actes constituant une infraction.
  Une amende administrative exclusive peut également être infligée en cas de poursuite d'activités de commerce de détail contrevenant à un ordre de cessation, visé à l'article 23, à la décision de confirmation de celui-ci ou, le cas échéant, à la décision en référé.
Art. 19. Een exclusieve bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de daartoe door de Vlaamse Regering aangestelde ambtenaar van de bevoegde administratie een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van het bedrag in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder de schending heeft gepleegd of beëindigd. De exclusieve bestuurlijke geldboete bedraagt maximaal 10.000 euro.
  De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de exclusieve bestuurlijke geldboeten bedoeld bij dit decreet.
  De ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, maakt in zijn beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het getal dat het gevolg is van deze verhoging.
  Samen met de exclusieve bestuurlijke geldboete kan een voordeelontneming worden opgelegd. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij de overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de schending is verkregen.
  De ambtenaar die de boete oplegt, mag nooit zelf de auteur zijn van het verslag van vaststelling. Hij kan de toezichthouder wel verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.
Art. 19. Une amende administrative exclusive est une sanction par laquelle le fonctionnaire de l'administration compétente désigné à cet effet par le Gouvernement flamand contraint un contrevenant à verser une somme d'argent.
  Le Gouvernement flamand détermine le montant en fonction de la nature, de l'ampleur et de la gravité de l'infraction. Il est également tenu compte de la fréquence et des circonstances dans lesquelles le contrevenant a commis la violation ou y a mis fin. L'amende administrative exclusive s'élève à 10 000 euros au maximum.
  Les décimes additionnels visés à l'article 1er, premier alinéa de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent également aux amendes administratives exclusives visées par le présent décret.
  Dans sa décision, le fonctionnaire visé à l'article 19, premier alinéa, mentionne la multiplication résultant de la loi du 5 mars 1952 ci-dessus et mentionne le nombre résultant de cette augmentation.
  L'amende administrative exclusive peut s'accompagner d'un dessaisissement d'avantages. Un dessaisissement d'avantages est une sanction par laquelle le contrevenant est contraint au versement d'une somme évaluée ou non à concurrence de l'avantage brut de fortune obtenu par l'infraction.
  Le fonctionnaire qui inflige l'amende ne peut jamais être l'auteur du rapport de constatation. Il peut toutefois prier le superviseur de fournir un complément d'information.
Art. 20. § 1. De exclusieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd door de ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, conform de procedure zoals bepaald in artikel 16.4.41, § 1, en 16.4.43, van het decreet houdende algemene bepalingen milieubeleid van 5 april 1995.
  Het verslag van vaststelling betreft het verslag dat is vermeld in artikel 15, § 2.
  § 2. Tegen de beslissing waarbij de ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, een exclusieve bestuurlijke geldboete oplegt, kan degene aan wie de boete werd opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure voorgeschreven in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1 en 2, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de or|Upganisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing van de ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, aan de overtreder ter kennis wordt gebracht. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
  § 3. Wanneer een exclusieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de opsteller van het verslag van vaststelling daarvan in kennis gesteld.
  § 4. Op vraag van de overtreder, kan de exclusieve bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
  Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuwe inbreuk omschreven in dit hoofdstuk wordt gepleegd, met het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete tot gevolg.
  § 5. De bevoegdheid tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete alsook de voordeelontneming verjaart na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de inbreuk werd beëindigd.
  Exclusieve bestuurlijke geldboeten kunnen alleen worden opgelegd voor feiten die in strijd zijn met wettelijke voorschriften die voorafgaandelijk aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden.
Art. 20. § 1er. L'amende administrative exclusive est infligée par le fonctionnaire visé à l'article 19, premier alinéa, conformément à la procédure fixée aux articles 16.4.41, § 1 et 16.4.43, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Le rapport de constatation concerne le rapport visé à l'article 15, § 2.
  § 2. Celui à qui le fonctionnaire visé à l'article 19, premier alinéa, inflige une amende administrative exclusive peut déposer un recours contre la décision auprès du Collège de maintien visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement selon la procédure prescrite au chapitre 3, sections 1 et 2, et chapitre 4, sections 1 et 2, du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes. Le recours est introduit dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle la décision du fonctionnaire visé à l'article 19, premier alinéa, est portée à la connaissance du contrevenant. Le recours est suspensif de la décision contestée.
  § 3. Lorsqu'une amende administrative exclusive est infligée, le rédacteur du rapport de constatation en est informé.
  § 4. A la demande du contrevenant, l'amende administrative exclusive peut être infligée avec report d'exécution durant une période d'essai qui ne peut être inférieure à un an ni excéder trois ans.
  Le report est révoqué de plein droit si, pendant la période de mise à l'épreuve, une nouvelle infraction décrite dans le présent chapitre est commise, entraînant une amende administrative exclusive.
  § 5. La compétence d'infliger une amende administrative exclusive, ainsi que le dessaisissement d'avantages, sont prescrits après trois ans à compter du jour où il a été mis fin à l'infraction.
  Les amendes administratives exclusives ne peuvent être infligées que pour des faits contrevenant aux prescriptions légales définies et entrées en vigueur préalablement à ces faits.
Art. 21. § 1. De opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboete en voordeelontneming worden door het Departement [1 Omgeving]1 van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het [2 Fonds voor Innoveren en Ondernemen]2. Zij beslissen over de gemotiveerde verzoeken tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedurele regels voor de behandeling van die verzoeken.
  § 2. Bij gebrek aan voldoening van de exclusieve bestuurlijke geldboete en desgevallend voordeelontneming, vermeerderd met de invorderingskosten, wordt door de ambtenaar die belast is met de invordering, een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daarvoor is aangewezen door de Vlaamse Regering.
  De betekening en uitvoering van het dwangbevel geschiedt volgens de procedure die is voorzien in hoofdstuk V van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
  § 3. De vordering tot betaling van de verschuldigde bedragen en kosten verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop deze moesten worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
  
Art. 21. § 1er. L'amende administrative exclusive et le dessaisissement d'avantages sont perçus par le Département [1 de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]1 de l'Autorité flamande, et recouvrés au profit du [2 Fonds pour l'Innovation et l'Entrepreneuriat]2. Ceux-ci statuent quant aux demandes motivées de remise, réduction ou report de paiement. Le Gouvernement flamand définit les modalités de procédure pour le traitement de ces demandes.
  § 2. S'il n'est pas satisfait à l'amende administrative exclusive et, le cas échéant, au dessaisissement d'avantages majoré des frais de recouvrement, le fonctionnaire chargé du recouvrement délivre une contrainte. La contrainte est visée et déclarée exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand.
  La signification et l'exécution de la contrainte a lieu selon la procédure prévue au chapitre V du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  § 3. La demande de paiement des montants et frais dus est prescrite au bout de trois cent soixante-cinq jours. Ce délai entre en vigueur le lendemain du jour où ceux-ci devaient être payés. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
  
Afdeling 4. - Bestuurlijke maatregelen
Section 4. - Mesures administratives
Onderafdeling 1. - Basisbepalingen
Sous-section 1. - Dispositions de base
Art. 22. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.
Art. 22. Pour l'application de cette section, la signification par lettre recommandée est censée avoir eu lieu le troisième jour ouvrable après délivrance par la poste, sauf preuve du contraire.
Onderafdeling 2. - Het stakingsbevel
Sous-section 2. - Ordre de cessation
Art. 23. § 1. Een gewestelijke toezichthouder kan ter plaatse mondeling de staking van kleinhandelsactiviteiten inclusief de daarmee verbonden activiteiten bevelen als hij vaststelt dat die niet in overeenstemming zijn met de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten of zonder vergunning worden uitgevoerd. Een dergelijk stakingsbevel is een preventieve maatregel. Als de gewestelijke toezichthouder ter plaatse niemand aantreft, brengt hij ter plaatse het schriftelijke bevel tot onmiddellijke staking van kleinhandelsactiviteiten op een zichtbare plaats aan, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.
  Onder de daarmee verbonden activiteiten wordt niet limitatief gedoeld op het ontvangen van leveringen van de betrokken producten, het inruilen en terug nemen van de betrokken producten, het aanbieden en verdelen van de betrokken producten die in het kleinhandelsbedrijf zijn opgeslagen via een webshop of andere multimedia, het voeren van reclame voor de betrokken producten en het gebruiksklaar maken van het kleinhandelsbedrijf of een deel ervan, alsook de aanhorigheden met het oog op de kleinhandelsactiviteiten.
  Het stakingsbevel wordt, op straffe van verval, binnen tien dagen bekrachtigd door de leidend ambtenaar van de bevoegde administratie. De bekrachtiging wordt binnen een termijn van twee werkdagen met een beveiligde zending verzonden aan de vermoedelijke overtreder.
  § 2. Een gewestelijke toezichthouder is bevoegd om alle maatregelen te treffen, met inbegrip van de verzegeling, om de onmiddellijke toepassing van het bevel tot staking van kleinhandelsactiviteiten alsook de bevestiging daarvan, te waarborgen.
  § 3. Elke belanghebbende of overtreder kan zoals in kort geding de opheffing van het bevel tot staking van de kleinhandelsactiviteiten, alsook tegen de bekrachtiging daarvan, vorderen tegen het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het ambtsgebied waarin de kleinhandelsactiviteiten zijn uitgevoerd. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.
Art. 23. § 1er. Un superviseur régional peut ordonner oralement sur place la cessation des activités de commerce de détail, y compris les activités qui y sont liées, s'il constate qu'elles ne sont pas conformes au permis d'environnement pour les activités de commerce de détail ou sont exécutées sans permis. Cet ordre de cessation est une mesure préventive. Si le superviseur régional ne trouve personne sur place, il appose sur place l'ordre écrit de cessation immédiate des activités de commerce de détail dans un endroit visible, ou l'ordre de cessation est donné oralement lors d'une audition du contrevenant.
  Les activités liées visent, sans limitation, la réception de livraisons des produits concernés, l'échange et la reprise des produits concernés, l'offre et la distribution des produits concernés qui sont stockés dans le commerce de détail via une boutique en ligne ou autre multimédia, la publicité pour les produits concernés et la préparation du commerce de détail ou d'une partie de celui-ci, ainsi que les dépendances en vue des activités de commerce de détail.
  A peine de déchéance, l'ordre de cessation est ratifié dans les dix jours par le fonctionnaire dirigeant de l'administration compétente. La ratification est envoyée au contrevenant présumé dans un délai de deux jours ouvrables par envoi sécurisé.
  § 2. Un superviseur régional a compétence pour prendre toutes mesures, y compris l'apposition de scellés, afin de garantir l'application immédiate de l'ordre de cessation d'activités de commerce de détail ainsi que sa confirmation.
  § 3. Tout intéressé ou contrevenant peut, comme en référé, demander à la Région flamande la suspension de l'ordre de cessation des activités de commerce de détail ainsi que sa ratification. La demande est soumise au président du tribunal de première instance du ressort où se poursuivent les activités de commerce de détail. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et au traitement de la requête.
Onderafdeling 3. - Het bevel tot bestuurlijke maatregelen
Sous-section 3. - L'ordre de mesures administratives
Art. 24. § 1. Na de vaststelling van een inbreuk omschreven in dit hoofdstuk kan een gewestelijke toezichthouder bestuurlijke maatregelen opleggen door middel van een bestuurlijk besluit.
  De bestuurlijke maatregelen in het bestuurlijk besluit kunnen het volgende inhouden :
  1° het bevel de kleinhandelsactiviteiten en daarmee verbonden activiteiten geheel of gedeeltelijk stop te zetten;
  2° het bevel tot verwijderen van de betrokken producten die vallen onder één of meer categorieën van kleinhandelsactiviteiten, hetzij het ambtshalve verwijderen ervan op kosten van de overtreder;
  3° het verbod het kleinhandelsbedrijf of een gedeelte ervan, zowel wat de gebouwen als de terreinen betreft en alles wat zich daarop bevindt, te betreden;
  4° het verbod tot exploitatie van het kleinhandelsbedrijf, geheel dan wel gedeeltelijk.
  Een gewestelijke toezichthouder kan in het besluit een uitvoeringstermijn opleggen. Is er geen uitvoeringstermijn opgelegd dan dienen de maatregelen onverwijld uitgevoerd te worden.
  Een gewestelijke toezichthouder kan in het besluit een dwangsom opleggen. Hij stelt de dwangsom vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de maatregel niet is uitgevoerd of per overtreding van de maatregel. De toezichthouder kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
  Een dwangsom wordt pas verbeurd verklaard na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.
  Een gewestelijke toezichthouder is bevoegd om het bestuurlijk besluit in te trekken of te wijzigen, zowel ambtshalve als op verzoek van elke belanghebbende of overtreder.
  § 2. Een bestuurlijk besluit bevat minstens :
  1° de locatie van de uitbating van het kleinhandelsbedrijf en de aanhorigheden en het KBO-nummer van het kleinhandelsbedrijf;
  2° de identificatie van de overtreder of belanghebbende en zijn relatie tot het kleinhandelsbedrijf;
  3° de vermelding van de inbreuk en de categorie van producten;
  4° een overzicht van de raadgevingen, aanmaningen en vaststellingen van de schending;
  5° een omschrijving van de bestuurlijke maatregelen en desgevallend de uitvoeringstermijn ervan;
  6° desgevallend de dwangsom;
  7° de beroepsmogelijkheden.
  De Vlaamse Regering kan bepalen welke overheden op de hoogte moeten gebracht worden van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de wijze waarop dit dient te gebeuren.
  § 3. Elke belanghebbende of overtreder kan tegen het besluit beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
  Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending betekend. Het beroep schorst de maatregelen niet.
  Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er uitspraak over gedaan. De beslissing over het beroep wordt binnen vijf werkdagen met een beveiligde zending verstuurd aan de persoon die beroep heeft ingesteld.
  § 4. Elke belanghebbende of overtreder brengt de bevoegde administratie onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen.
  Een gewestelijke toezichthouder gaat onmiddellijk ter plaatse voor een controle en stelt een verslag van uitvoering op. Hij verzendt een kopie hiervan binnen een maand aan de betrokkene.
  Het verslag van uitvoering geldt als bewijs van de stopzetting van de inbreuk en van de datum van de stopzetting.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het verslag van uitvoering.
  § 5. Een bestuurlijk besluit is onmiddellijk uitvoerbaar en houdt het recht op ambtshalve uitvoering op kosten van de overtreder in wanneer binnen de gestelde uitvoeringstermijn geen gevolg wordt gegeven aan de bestuurlijke maatregelen.
  De ambtshalve uitvoering in de plaats en op kosten van de overtreder is enkel mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na de betekening van het uitvoerbare besluit en desgevallend de beslissing in beroep.
  Om aan het besluit uitvoering te geven hebben de personen die daartoe zijn aangewezen door de gerechtsdeurwaarder toegang tot elke plaats die redelijkerwijze voor de vervulling van hun taak nodig is.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en teruggave van de meegevoerde zaken aan de rechthebbende.
  De verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, worden verder ingevorderd via de gerechtsdeurwaarder.
  § 6. Een bestuurlijk besluit mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing.
  § 7. De verjaring van de bestuurlijke maatregel neemt een aanvang vanaf de betekening van het besluit of vanaf de dag na het verstrijken van de uitvoeringstermijn, voor zover de dag komt na de betekening van het besluit.
  § 8. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.
Art. 24. § 1er. Après constatation d'une infraction décrite dans le présent chapitre, un superviseur régional peut imposer des mesures administratives au moyen d'une décision administrative.
  Les mesures administratives de cette décision peuvent inclure ce qui suit :
  1° l'ordre de cessation totale ou partielle des activités de commerce de détail et les activités qui y sont liées;
  2° l'ordre de retirer les produits concernés relevant d'une ou de plusieurs catégories d'activités de commerce de détail, soit le retrait d'office de ceux-ci aux frais du contrevenant;
  3° l'interdiction de pénétrer dans le commerce de détail ou une partie de celui-ci, tant en ce qui concerne les immeubles que les terrains et tout ce qui s'y trouve;
  4° l'interdiction d'exploiter, en tout ou en partie, le commerce de détail.
  Un superviseur régional peut imposer un délai d'exécution dans la décision. Si aucun délai d'exécution n'est imposé, les mesures seront exécutées immédiatement.
  Un superviseur régional peut imposer une astreinte dans la décision. Il fixe l'astreinte soit à une somme unique, soit à une somme déterminée par unité de temps durant laquelle la mesure n'est pas exécutée, soit par infraction de la mesure. Le superviseur peut établir un montant au-delà duquel aucune astreinte n'est encourue.
  Une astreinte n'est déclarée acquise qu'après signification de la décision d'exécution visée au premier alinéa, le cas échéant, avec la décision sur le recours.
  Un superviseur régional est compétent pour retirer ou modifier la décision administrative, tant d'office qu'à la requête de tout intéressé ou contrevenant.
  § 2. Une décision administrative contient au moins :
  1° l'emplacement de l'exploitation du commerce de détail et les dépendances ainsi que le numéro BCE du commerce de détail;
  2° l'identification du contrevenant ou de l'intéressé et sa relation avec le commerce de détail;
  3° la mention de l'infraction et la catégorie de produits;
  4° un relevé des conseils, avertissements et constatations de l'infraction;
  5° une description des mesures administratives et, le cas échéant, de leur délai d'exécution;
  6° le cas échéant, l'astreinte;
  7° les possibilités de recours.
  Le Gouvernement flamand peut définir quelles autorités doivent être informées des mesures administratives imposées ainsi que de la manière de procéder.
  § 3. Tout intéressé ou contrevenant peut contester la décision en déposant un recours auprès du Gouvernement flamand.
  L'appel n'est recevable que s'il est introduit par lettre motivée dans un délai de trente jours à partir du lendemain de la signification de la décision. Si le demandeur souhaite être entendu, il le précise dans sa déclaration de recours. La déclaration de recours doit être signifiée par envoi sécurisé. Le recours n'est pas suspensif des mesures.
  Une décision est rendue dans un délai de nonante jours suivant la signification de la déclaration de recours. La décision concernant le recours est signifiée à la personne ayant déposé un recours dans les cinq jours ouvrables par envoi sécurisé.
  § 4. Tout intéressé ou contrevenant informe immédiatement l'administration compétente par envoi sécurisé de l'exécution volontaire des mesures imposées.
  Un superviseur régional se rend immédiatement sur place pour un contrôle et rédige un rapport d'exécution. Il en transmet une copie à l'intéressé dans le mois.
  Le rapport d'exécution fait foi de la cessation de l'infraction et de la date de la cessation.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités du rapport d'exécution.
  § 5. Une décision administrative est immédiatement exécutable et inclut le droit d'exécution d'office aux frais du contrevenant s'il n'est pas donné suite aux mesures administratives dans le délai d'exécution fixé.
  L'exécution d'office en lieu et place et aux frais du contrevenant n'est possible que par huissier de justice après signification de la décision exécutable et, le cas échéant, de la décision en recours.
  Pour exécuter la décision, les personnes désignées à cet effet par l'huissier de justice ont accès à tout lieu raisonnablement nécessaire à l'accomplissement de leur tâche.
  Le Gouvernement flamand définit les modalités pour la conservation et la restitution à l'ayant droit des objets emportés.
  Les frais dus, majorés des frais de recouvrement, sont recouvrés par l'intermédiaire de l'huissier de justice.
  § 6. Une décision administrative ne peut contrevenir à la force de la chose jugée d'une décision judiciaire prise antérieurement.
  § 7. La prescription de la mesure administrative prend effet dès la signification de l'arrêté ou le lendemain de l'expiration du délai d'exécution, pour autant que ce jour soit postérieur à la signification de l'arrêté.
  § 8. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités d'exécution du présent article.
Onderafdeling 4. - De minnelijke schikking
Sous-section 4. - L'accord à l'amiable
Art. 25. § 1. Een gewestelijke toezichthouder kan met elke belanghebbende of overtreder een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
  1° de maatregel in de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 24, § 1;
  2° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van eerdere bestuurlijke maatregelen;
  3° de overtreder of belanghebbende verbindt zichzelf en maakt zich sterk voor andere belanghebbenden en overtreders;
  4° de termijn voor de uitvoering van de maatregelen bedraagt niet meer dan zes maanden.
  § 2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.
  § 3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaringstermijn van het opleggen van een bevel tot bestuurlijke maatregelen zoals voorzien in onderafdeling 3.
  De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de gewestelijke toezichthouder. De schorsing neemt een einde vanaf :
  1° de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt;
  2° de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.
Art. 25. § 1er. Un superviseur régional peut convenir avec tout intéressé ou contrevenant d'un accord à l'amiable moyennant les conditions suivantes :
  1° la mesure d'accord à l'amiable est conforme à l'article 24, § 1er;
  2° l'accord à l'amiable ne contrevient pas à la force de la chose jugée d'une décision judiciaire prise antérieurement, ni à une décision d'application de mesures administratives antérieures;
  3° le contrevenant ou l'intéressé s'engage et se porte fort pour les autres intéressés et contrevenants;
  4° le délai d'exécution des mesures n'excède pas six mois.
  § 2. L'accord à l'amiable est demandé par les personnes qui souhaitent s'engager par celui-ci, en fonction des règles établies par le Gouvernement flamand.
  § 3. Une demande d'accord à l'amiable suspend le délai de prescription de l'imposition d'un ordre de mesures administratives comme prévu à la sous-section 3.
  La suspension commence dès la date de signification de la requête au superviseur régional. La suspension prend fin à partir :
  1° de la date à laquelle l'accord à l'amiable intervient;
  2° de la date à laquelle l'accord à l'amiable est refusé.
Art. 26. De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud en vorm van de minnelijke schikking.
  Bij uitvoering van de minnelijke schikking is artikel 24, § 4, van overeenkomstige toepassing. De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in een verslag van uitvoering, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de schendingen die er in omschreven zijn.
  De miskenning van de verplichtingen die in de minnelijke schikking zijn opgenomen, vormt ten aanzien van de overtreders of andere belanghebbenden die de minnelijke schikking hebben ondertekend, een grondslag voor de toepassing van bestuurlijke maatregelen zoals voorzien in onderafdeling 3.
Art. 26. L'accord à l'amiable est consigné par écrit.
  Le Gouvernement flamand peut définir des modalités relatives au contenu et à la forme de l'accord à l'amiable.
  L'article 24, § 4, s'applique mutatis mutandis lors de la mise en oeuvre de l'accord à l'amiable. La mise en oeuvre de l'accord à l'amiable, confirmée dans un rapport d'exécution, éteint tout droit ultérieur à réparation ou indemnisation d'un préjudice subi par l'intérêt commun à l'occasion des violations qui y sont décrites.
  La méconnaissance des obligations reprises dans l'accord à l'amiable constitue dans le chef des contrevenants ou autres intéressés ayant signé l'accord à l'amiable un motif d'application des mesures administratives comme prévu à la sous-section 3.
Afdeling 5. - Diverse bepalingen.
Section 5. - Dispositions diverses
Art. 27. De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging, van verkrijging van een zakelijk genotsrecht of van huur van een goed dat een locatie voor de uitbating van kleinhandelsactiviteiten uitmaakt, vernietigen op vordering van een medecontractant, wanneer deze kleinhandelsactiviteiten het voorwerp uitmaken of kunnen uitmaken van een bestuurlijke maatregel als vermeld in dit hoofdstuk, onverminderd hun rechten om schadevergoeding te eisen.
  De vordering tot vernietiging op basis van het eerste lid kan niet worden ingesteld tegen de titel, vermeld in het eerste lid, wanneer in deze titel expliciet melding is gemaakt van de inbreuk en de betreffende partij in deze titel uitdrukkelijk verzaakt heeft aan de vordering tot nietigverklaring. De vordering tot vernietiging op basis van het eerste lid, kan evenmin worden ingesteld door de overtreder.
Art. 27. Le tribunal peut annuler le titre d'acquisition de propriété, d'acquisition d'un droit réel de jouissance ou de location d'un bien qui constitue un emplacement pour l'exploitation d'activités de commerce de détail à la requête d'un cocontractant, si ces activités de commerce de détail font ou peuvent faire l'objet d'une mesure administrative telle que mentionnée dans le présent chapitre, sans préjudice de leurs droits à demander indemnisation.
  La requête en annulation sur la base du premier alinéa ne peut être introduite à l'égard du titre mentionné au premier paragraphe si ce titre mentionne explicitement l'infraction et que la partie concernée a expressément renoncé dans ce titre à la requête en annulation. La requête en annulation sur la base du premier alinéa ne peut pas davantage être introduite par le contrevenant.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Section 1re. - Modifications du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 28. In artikel 16.1.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 30 april 2009, 8 mei 2009, 23 december 2010, 23 december 2010, 8 februari 2013, 14 februari 2014, 28 februari 2014 en 28 maart 2014, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel is van toepassing op hoofdstuk VI van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.".
Art. 28. A l'article 16.1.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement remplacé par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets des 12 décembre 2008, 30 avril 2009, 8 mai 2009, 23 décembre 2010, 23 décembre 2010, 8 février 2013, 14 février 2014, 28 février 2014 et 28 mars 2014, est ajouté un quatrième alinéa qui s'énonce comme suit :
  " Le chapitre IV, sections III et V, du présent titre s'applique au chapitre VI du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale. ".
Art. 29. In artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 23 december 2010 en 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, 3°, wordt de zinsnede "12 juli 2013.".'' vervangen door de zinsnede "12 juli 2013;";
  2° in paragraaf 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "4° de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke ambtenaar, vermeld in artikel 19, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, over de oplegging van een exclusieve bestuurlijke geldboete en, in voorkomend geval, een voordeelontneming als vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet.".
Art. 29. A l'article 16.4.19 du décret contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets des 30 avril 2009, du 23 décembre 2010 et du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 2, 3°, la partie de phrase " 12 juillet 2013. " est remplacée par la partie de phrase " 12 juillet 2013; " ;
  2° au paragraphe 2 est ajouté un point 4°, qui s'énonce comme suit :
  " 4° les recours introduits contre les décisions du fonctionnaire régional visé à l'article 19, premier alinéa du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale, concernant l'imposition d'une amende administrative exclusive et, le cas échéant, d'un dessaisissement d'avantages tel que mentionné à l'article 18 du décret susmentionné. ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Section 2. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 30. In artikel 2.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt tussen het zesde en zevende lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "De Vlaamse Regering onderwerpt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.".
Art. 30. Un nouvel alinéa est inséré entre les sixième et septième alinéas de l'article 2.3.1. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire. Il est rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand soumet le projet de règlement régional sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur Belge. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'enquête publique. ".
Art. 31. In artikel 2.3.2 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt tussen het vierde en vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "De deputatie onderwerpt het ontwerp van provinciale stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.";
  2° in paragraaf 2 wordt tussen het zesde en zevende lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt dertig dagen en wordt minstens aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering stelt nadere regels voor het openbaar onderzoek vast.".
Art. 31. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 2.3.2 du même décret :
  1° au paragraphe 1er, un nouvel alinéa est inséré entre les quatrième et cinquième alinéas, qui est rédigé suit :
  " La députation soumet le projet de règlement provincial sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur Belge. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de l'enquête publique. " ;
  2° au paragraphe 2, un nouvel alinéa inséré entre les sixième et septième alinéas, qui est rédigé comme suit :
  " Le collège des bourgmestre et échevins soumet le projet de règlement communal sur l'urbanisme à une enquête publique. L'enquête publique durera trente jours et sera au minimum annoncée par un avis au Moniteur belge. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités de l'enquête publique. ".
Art. 32. In artikel 5.6.7 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "van een ingedeelde inrichting of activiteit" en de woorden "kan gunstig geadviseerd worden" de woorden "of voor kleinhandelsactiviteiten" ingevoegd;
  2° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "een ingedeelde inrichting of activiteit" en de woorden "kan ongunstig geadviseerd" de woorden "of voor kleinhandelsactiviteiten" ingevoegd.
Art. 32. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 5.6.7 de ce même code, remplacé par le décret du 25 avril 2014 :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " ou pour des activités de commerce de détail " sont insérés entre les mots " d'une exploitation ou d'une activité classée " et les mots " peut faire l'objet d'un avis favorable ";
  2° au paragraphe 2, les mots suivants " ou pour des activités de commerce de détail " sont insérés entre les mots " d'une exploitation ou d'une activité classée " et les mots " peut faire l'objet d'un avis défavorable "
Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechts|Upcolleges
Section 3. - Modifications du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes
Art. 33. [1 In artikel 21 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
   " § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of het Agentschap Innoveren en Ondernemen, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, respectievelijk 5° tot en met 7°, van het -decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.".]1

  
Art. 33. [1 Dans l'article 21 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
   " § 2. Le fonctionnaire dirigeant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ou de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat, ou en leur absence leurs mandataires intervenant en application de l'article 105, § 2, respectivement 5° à 7°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont exemptés du paiement de tout droit de rôle. ". ]1

  
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Section 4. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
Art. 34. In artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt punt 8° vervangen door wat volgt :
  "8° project : het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5 :
  a) stedenbouwkundige handelingen;
  b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten;
  c) kleinhandelsactiviteiten;
  dan wel het verkavelen van gronden;";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Tenzij bij dit decreet een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit decreet :
  1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
  2° de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
  3° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.".
Art. 34. A l'article 2, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  " 8° projet : l'ensemble des éléments suivants, ou au moins l'un d'eux, soumis à l'obligation d'autorisation ou de notification visée à l'article 5 :
  a) actions d'urbanisme;
  b) l'exploitation d'installations ou d'activités classées ;
  c) activités de commerce de détail;
  ou le lotissement de terrains. ".
  2° le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Sauf définition contraire dans le présent décret, les définitions suivantes sont applicables au présent décret :
  1° les définitions visées aux articles 1.1.2 et 4.1.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire (VCRO) ;
  2° les définitions visées aux articles 5.1.1 et 5.1.2 du décret sur la politique de l'environnement (DABM) ;
  3° les définitions énumérées à l'article 2 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Art. 35. In artikel 3 van hetzelfde decreet worden het eerste en het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Dit decreet beoogt een efficiënte, doelgerichte en geïntegreerde vergunningverlening die bijdraagt tot de doelstellingen, vermeld in :
  1° artikel 1.1.4 van de VCRO;
  2° artikel 5.1.3 van het DABM;
  3° artikel 4 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
  Dit decreet doet geen afbreuk aan de inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens :
  1° titel IV van de VCRO;
  2° titel V van het DABM;
  3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.".
Art. 35. A l'article 3 du même décret, les premier et deuxième alinéas sont remplacés par ce qui suit :
  " Le présent décret vise un octroi de permis efficace, ciblé et intégré qui contribue aux objectifs visés à :
  1° l'article 1.1.4 du VCRO;
  2° l'article 5.1.3 du DABM;
  3° l'article 4 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
  Ce décret n'affecte en rien les obligations de contenu constatées par ou en vertu :
  1° du titre IV du VCRO;
  2° du titre IV du DABM;
  3° du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Art. 36. Aan artikel 5, 1°, van hetzelfde decreet wordt een punt d) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "d) vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten als vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;".
Art. 36. A l'article 5,1° du même décret, est ajouté un point d) qui s'énonce comme suit :
  " d) les activités de commerce de détail soumises à l'obligation d'autorisation visées à l'article 11 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
Art. 37. In artikel 18 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend voor de betrokken aspecten gezamenlijk.".
Art. 37. A l'article 18 du même décret, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Si le projet contient des éléments soumis à plusieurs obligations d'autorisation, par ou en vertu des décrets visés à l'article 5, et que ces aspects sont indissociablement liés, la demande d'autorisation est introduite pour l'ensemble des aspects concernés.
Art. 38. In hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, wordt een artikel 27/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 27/1. Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.".
Art. 38. Un article 27/1 est ajouté au même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015. Il s'énonce comme suit :
  " Art. 27/1. Si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à l'obligation d'autorisation, dont la superficie commerciale nette excède 20 000 mètres carrés, et situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, et que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est l'autorité compétente, le fonctionnaire environnement communal ou provincial en informe le Gouvernement flamand par envoi sécurisé, en vue de répondre aux obligations reprises à l'article 6, § 5bis de la Loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980. ".
Art. 39. In artikel 29 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen de woorden "de aanvraag" en de woorden "aan de beoordelingsgronden" wordt de zinsnede ", in voorkomend geval," ingevoegd;
  2° de woorden "vermeld in titel IV van de VCRO en titel V van het DABM" worden vervangen door de zinsnede "bepaald bij of krachtens :
  1° titel IV van de VCRO;
  2° titel V van het DABM;
  3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid".
Art. 39. A l'article 29 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° entre les mots " la requête " et les mots " aux motifs de l'évaluation " est insérée la partie de phrase " le cas échéant ";
  2° les mots " visé au titre IV du VCRO et au titre V du DABM " sont remplacés par la partie de phrase " défini par ou en vertu " :
  1° du titre IV du VCRO;
  2° du titre IV du DABM;
  3° le décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ".
Art. 40. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend voor de betrokken aspecten gezamenlijk.".
Art. 40. A l'article 37 du même décret, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Si le projet contient des éléments soumis à plusieurs obligations d'autorisation, par ou en vertu des décrets visés à l'article 5, et que ces aspects sont indissociablement liés, la demande d'autorisation est introduite pour l'ensemble des aspects concernés.
Art. 41. In hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 18 december 2015, wordt een artikel 43/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 43/1. Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.".
Art. 41. Un article 43/1 est ajouté au même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015. Il s'énonce comme suit :
  " Art. 43/1. Si le projet inclut des activités soumises à l'obligation d'autorisation dont la superficie commerciale nette excède 20 000 mètres carrés, et situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, et que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est l'autorité compétente, le fonctionnaire environnement communal ou provincial en informe le Gouvernement flamand par envoi sécurisé, en vue de répondre aux obligations reprises à l'article 6, § 5bis de la Loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980. ".
Art. 42. In artikel 44 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen de woorden "de aanvraag" en de woorden "aan de beoordelingsgronden" wordt de zinsnede ", in voorkomend geval," ingevoegd;
  2° de woorden "vermeld in titel IV van de VCRO en titel V van het DABM" worden vervangen door de zinsnede "bepaald bij of krachtens :
  1° titel IV van de VCRO;
  2° titel V van het DABM;
  3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid".
Art. 42. A l'article 44 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° Entre les mots " la requête " et les mots " aux motifs de l'évaluation " est insérée la partie de phrase " le cas échéant ";
  2° les mots " visé au titre IV du VCRO et au titre V du DABM " sont remplacés par la partie de phrase " définis par ou en vertu "
  1° du titre IV du VCRO;
  2° du titre IV du DABM;
  3° le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique intégrale d'implantation commerciale ".
Art. 43. Aan artikel 53 van hetzelfde decreet wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.".
Art. 43. A l'article 53 du même décret, est ajouté un point 7° qui s'énonce comme suit :
  " 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation. ".
Art. 44. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 57/1 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 57/1. Beroepen inzake omgevingsvergunningen die uitsluitend kleinhandelsactiviteiten omvatten en die louter gebaseerd zijn op economische criteria in functie van economische doelstellingen, zijn onontvankelijk.".
Art. 44. Un article 57/1 est ajouté au même décret. Il s'énonce comme suit :
  " Art. 57/1. Les recours en matière de permis d'environnement qui incluent uniquement des activités de commerce de détail et qui sont uniquement basés sur des critères économiques en fonction d'objectifs économiques sont irrecevables. ".
Art. 45. Aan artikel 68, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.".
Art. 45. Un point 10 est ajouté à l'article 68, deuxième alinéa, du même décret. Il s'énonce comme suit :
  " 10° pour les projets qui incluent des activités de commerce de détail et ne sont pas autorisés pour plus de 12 mois dans un bâtiment existant, autorisé ou autorisé en principal, ou dans des structures temporairement autorisées ou exemptées d'autorisation. ".
Art. 46. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 73/1 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 73/1. De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van kleinhandelsactiviteiten.".
Art. 46. Un article 73/1 est ajouté au même décret. Il s'énonce comme suit :
  " Art. 73/1. L'autorité compétente peut soumettre l'exécution d'activités de commerce de détail à des conditions. ".
Art. 47. Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk 8 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  "Afdeling 1. Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen, de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit of de uitvoering van kleinhandelsactiviteiten".
Art. 47. L'intitulé de la section 1ère du chapitre 8 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Section 1re. Expiration du permis d'environnement pour l'exécution d'actions d'urbanisme, l'exploitation d'une installation ou d'une activité classée, ou l'exécution d'activités de commerce de détail ".
Art. 48. In artikel 99 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen.";
  2° tussen paragraaf 2 en paragraaf 3 wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2/1. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van kleinhandelsactiviteiten vervalt van rechtswege als de kleinhandelsactiviteiten meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken.".
Art. 48. A l'article 99 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° un point 5° est ajouté au paragraphe 1er, premier alinéa. Il s'énonce comme suit :
  " 5° si les activités de commerce de détail ne commencent pas dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif. " ;
  2° un paragraphe 2/1 est inséré entre les paragraphes 2 et 3, qui s'énonce comme suit :
  " § 2/1. Le permis d'environnement pour l'exécution d'activités de commerce de détail expire de plein droit si les activités de commerce de détail sont interrompues pendant plus de cinq années consécutives. ".
Art. 49. Aan artikel 105, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.".
Art. 49. A l'article 105, § 2, premier alinéa, du même décret est ajouté un point 7° qui s'énonce comme suit :
  " 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation. ".
Art. 50. Artikel 106 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 106. Een melding kan slechts gedaan worden voor meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen, een meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die het project omvat of een combinatie hiervan.".
Art. 50. L'article 106 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 106. Une notification ne peut être émise pour les actes d'urbanisme soumis à obligation de notification, une exploitation soumise à obligation de notification d'installations ou d'activités classées qu'inclut le projet, ou une combinaison de celles-ci. ".
HOOFDSTUK 8. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 8. - Disposition abrogatoire
Art. 51. De wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2005, 22 december 2009 en 29 maart 2012, wordt opgeheven.
Art. 51. La loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales, modifiée par les lois du 27 décembre 2005, du 22 décembre 2009 et du 29 mars 2012 est abrogée.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 52. De vervaltermijn voorzien in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen voor nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die verleend werden met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  Dezelfde vervaltermijn, wanneer van toepassing op een socio-economische vergunning voor een handelsvestiging waarvoor eveneens een stedenbouwkundige of een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning of de milieuvergunning niet definitief werd verleend. In dat geval gaat de termijn bepaald in artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen pas in op de dag dat de stedenbouwkundige vergunning en/of de milieuvergunning definitief wordt verleend.
Art. 52. L'échéance prévue à l'article 13 de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales pour les autorisations d'implantations commerciales encore valables octroyées en application de la loi du 29 juin 1975 sur les implantations commerciales et la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales est suspendue tant qu'un recours en annulation de l'autorisation est en instance auprès du Conseil d'Etat et tant qu'un appel en annulation d'éventuels autres permis, habilitations ou autorisations requis pour le projet est en instance au Conseil d'Etat ou au Conseil de Contestations d'Autorisation.
  La même échéance, si elle s'applique à un permis socio-économique pour une exploitation commerciale pour laquelle un permis d'urbanisme ou un permis d'environnement sont également requis, est suspendue tant que le permis d'urbanisme ou le permis d'environnement n'ont pas été définitivement octroyés. Dans ce cas, l'échéance prévue à l'article 13 de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales ne commence qu'au jour où le permis d'urbanisme et/ou le permis d'environnement sont définitivement délivrés.
Art. 53. Alle nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen verleend met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen en de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen worden vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel 11 beschouwd als omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten overeenkomstig dit decreet en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
  Als deze vergunningen voor handelsvestigingen meer gedetailleerde categorieën van kleinhandelsactiviteiten bevatten dan deze voorzien in artikel 3, dan worden deze vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel 11 van rechtswege terug herleid naar de in artikel 3 opgesomde categorieën van kleinhandelsactiviteiten.
  De vergunningen, vermeld in het eerste lid, vervallen als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen ervan aanvangen of meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken vanaf de de dag van inwerkingtreding van artikel 11.
  Deze termijnen van vijf jaar worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning aanhangig is bij de Raad van State en zolang een beroep tot vernietiging van eventuele andere vergunningen, machtigingen of toelatingen, benodigd voor het project, aanhangig is bij de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
Art. 53. Toutes les autorisations encore valables pour les implantations commerciales délivrées en application de la loi du 29 juin 1975 sur les implantations commerciales et de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales sont considérées, à dater du jour de l'entrée en vigueur de l'article 11, comme un permis d'environnement pour les activités de commerce de détail conformément au présent décret et au décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
  Si ces autorisations d'implantations commerciales incluent des catégories d'activités de commerce de détail plus détaillées que celles prévues à l'article 3, celles-ci sont ramenées de plein droit à dater du jour d'entrée en vigueur de l'article 11 aux catégories d'activités de commerce de détail énumérées à l'article 3.
  Les autorisations mentionnées à l'alinéa 1er expirent si les activités de commerce de détail ne commencent pas dans les cinq ans suivant l'octroi de celles-ci ou sont interrompues pendant plus de cinq années consécutives à dater de l'entrée en vigueur de l'article 11.
  Ces échéances de cinq ans sont suspendues tant qu'un recours en annulation de l'autorisation est en instance au Conseil d'Etat et tant qu'un recours en annulation d'éventuels autres permis, habilitations ou autorisations nécessaires au projet est en instance au Conseil d'Etat ou au Conseil de Contestations d'Autorisation.
Art. 54. De handelsvestigingen die stedenbouwkundig hoofdzakelijk vergund of vergund geacht zijn en geen vergunning voor handelsvestigingen dienden aan te vragen op basis van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen, worden vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel 11 voor de toepassing van dit decreet geacht te beschikken over een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten.
  Als de in het eerste lid bedoelde handelsvestigingen sindsdien geen vergunning dienden te bekomen voor aanmerkelijke wijzigingen van het assortiment, dan worden de op de dag van inwerkingtreding van artikel 11 aanwezige categorieën van kleinhandelsactiviteiten, zoals opgesomd in artikel 3, geacht vergund te zijn met de op dat ogenblik aanwezige oppervlakten en percentages.
  De vergunningen, vermeld in het eerste lid, vervallen als de kleinhandelsactiviteiten meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 11.
Art. 54. Les implantations commerciales qui sont autorisées en principal pour l'urbanisme ou sont censées l'être et n'étaient pas tenues de demander une autorisation pour implantation commerciale sur la base de la loi du 29 juillet 1975 sur les implantations commerciales sont, à dater du jour d'entrée en vigueur de l'article 11, censées disposer pour l'application du présent décret d'un permis d'environnement pour activités de commerce de détail.
  Si les implantations commerciales visées au premier alinéa n'ont pas été, depuis lors, tenues d'obtenir une autorisation pour des modifications notables de l'assortiment, les catégories d'activités de commerce de détail présentes au jour d'entrée en vigueur de l'article 11 telles qu'énumérées à l'article 3, elles sont censées être autorisées avec les superficies et pourcentages présents à ce moment.
  Les autorisations mentionnées à l'alinéa 1er expirent si les activités de commerce de détail sont interrompues pendant plus de cinq années consécutives à dater de l'entrée en vigueur de l'article 11.
Art. 55. Aanvragen tot vergunning voor handelsvestigingen, vermeld in de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 11 van dit decreet zijn ingediend, worden behandeld volgens de procedureregels van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen zoals die golden op het ogenblik van indiening van de aanvraag.
Art. 55. Les demandes d'autorisation d'implantations commerciales mentionnées à la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales introduites avant la date d'entrée en vigueur de l'article 11 du présent décret sont traitées selon les règles de procédure de la loi du 13 août 2004 relative à l'autorisation d'implantations commerciales en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
Art. 56. [1 Artikel 30 en 31]1 van dit decreet zijn niet van toepassing op ontwerpen van verordeningen die reeds een eerste maal door de Vlaamse Regering, de deputatie of het college van burgemeester en schepenen zijn vastgesteld voor de inwerkingtreding van de nadere regels rond het openbaar onderzoek, vermeld in deze artikelen.
  
Art. 56. [1 Les articles 30 et 31]1 du présent décret ne s'appliquent pas aux projets de règlements qui ont déjà été établis une première fois par le Gouvernement flamand, la députation ou le collège des bourgmestre et échevins pour l'entrée en vigueur des modalités relatives à l'enquête publique visées à ces articles.
  
Art. 57. De bevelen tot onderbreking die werden opgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet worden van rechtswege beschouwd als een stakingsbevel zoals voorzien in artikel 23 wanneer de feiten nog bestuurlijk beboet kunnen worden als vermeld in artikel 18.
Art. 57. Les ordres d'interruption imposés avant la date d'entrée en vigueur de l'article 23 du présent décret sont considérés de plein droit comme un ordre de cessation comme prévu à l'article 23 lorsque les faits peuvent encore faire l'objet d'une amende administrative telle que visée à l'article 18.
Art. 58. De voorzitter van de rechtbank van koophandel die zetelt als in kortgeding kan de vorderingen die regelmatig bij hem aanhangig zijn gemaakt nog steeds inwilligen als de feiten bewezen worden geacht en deze feiten op het ogenblik van de uitspraak nog bestuurlijk beboet kunnen worden als vermeld in artikel 18.
Art. 58. Le président du tribunal de commerce siégeant comme en référé peut toujours accéder aux requêtes qui lui sont soumises régulièrement si les faits sont censés avérés et qu'ils peuvent encore faire l'objet d'une amende administrative telle que visée à l'article 18 au moment du jugement.
Art. 59. Dit decreet treedt in werking op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
  1° artikel 10, § 1. Deze paragraaf treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, en ten vroegste op de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering dat uitvoering geeft aan de bepalingen in artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals gewijzigd door artikelen 30 en 31 van dit decreet;
  2° hoofdstukken 4 en 6. Deze hoofdstukken treden in werking op [1 een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum]1;
  3° hoofdstukken 7 en 8. Deze hoofdstukken treden in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum;
  4° artikel 52. Dit artikel heeft uitwerking vanaf 1 juli 2014.
Art. 59. Le présent décret entre en vigueur à la date de publication au Moniteur belge, à l'exception de :
  1° l'article 10, § 1er. Ce paragraphe entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand, et au plus tôt à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand donnant exécution aux dispositions des articles 2.3.1 et 2.3.2 du Code flamand de l'Aménagement du territoire tel que modifié par les articles 30 et 31 du présent décret.
  2° les chapitres 4 et 6. Ces chapitres entreront en vigueur [1 à une date à fixer pour chaque article par le Gouvernement flamand]1
  3° les chapitres 7 et 8. Ces chapitres entreront en vigueur à une date à fixer par article par le Gouvernement flamand.
  4° l'article 52. Le présent article produit ses effets à partir du 1er juillet 2014.
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 10, § 1er; 30; 31 fixée au 01-05-2017 par AGF 2017-02-10/15, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 11 ; 12 ; 13 ; 32 à 51 fixée au 01-08-2018 par AGF 2018-03-09/09, art. 80)
(NOTA : bij arrest nr. 51/2018 van 26-04-2018 (B.St. 22-05-2018, p. 41917), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 59, 4° vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 51/2018 du 26-04-2018 (M.B. 22-05-2018, p. 41917), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 59, 4°)