Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JUNI 2016. - Decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-08-2016 en tekstbijwerking tot 08-08-2025)
Titre
10 JUIN 2016. - Décret réglant certains aspects des formations en alternance(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-08-2016 et mise à jour au 08-08-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 3. - De overeenkomst van alternerende...
Afdeling 1. - Kenmerken van de overeenkomst van...
Afdeling 2. - Verbintenissen, rechten en plicht...
Afdeling 3. - Schorsing van de uitvoering van d...
Afdeling 4. - Beëindiging van de overeenkomst v...
HOOFDSTUK 4. - De stageovereenkomst alternerend...
HOOFDSTUK 5. - Toezicht
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet (I)...
Afdeling 2. - Wijziging van de programmawet van...
Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet van 7...
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 1...
Afdeling 5. - Wijzigingen van de Codex Secundai...
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
CHAPITRE 2. - Dispositions générales
CHAPITRE 3. - Le contrat de formation en altern...
Section 1re. - Caractéristiques du contrat de f...
Section 2. - Engagements, droits et devoirs des...
Section 3. - Suspension de l'exécution du contr...
Section 4. - Cessation du contrat de formation ...
CHAPITRE 4. - Le contrat de stage formation en ...
CHAPITRE 5. - Contrôle
CHAPITRE 6. - Dispositions modificatives
Section 1re. - Modifications à la loi-programme...
Section 2. - Modifications à la loi-programme d...
Section 3. - Modifications au décret du 7 mai 2...
Section 4. - Modifications au décret du 10 juil...
Section 5. - Modifications au Code de l'Enseign...
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Tekst (88)
Texte (88)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° [3 Agentschap voor Onderwijsdiensten: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Agentschap voor Onderwijsdiensten;]3
2° [2 alternerende opleiding: elke opleiding van het voltijds secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, die door de Vlaamse Regering als duaal wordt aangeduid en elke opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in de leertijd. In dergelijke opleiding worden contactonderwijs bij een opleidingsverstrekker en opleiding op de werkplek gecombineerd. Beide componenten beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan en zijn daarom inhoudelijk en organisatorisch op elkaar afgestemd;]2
[3 2°bis Departement Onderwijs en Vorming: het departement, vermeld in artikel 22, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]3
[3 2°ter Departement Werk en Sociale Economie: het departement, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]3
[4 2° quater duale opleiding: de duale opleiding, vermeld in artikel 2, 12° bis, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;]4
3° [1 mentor: de persoon die binnen de onderneming aangeduid wordt om de leerling op de werkplek op te leiden en te begeleiden;]1
4° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;
5° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;
6° opleidingsverstrekker: een opleidings- of onderwijsinstelling die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;
7° [3 sectoraal partnerschap: het orgaan, vermeld in artikel 2sexies;]3
8° [1 trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;]1
9° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens het onderwijs op school als in het centrum, als tijdens de opleiding op de werkplek;
10° [3 Vlaams Partnerschap Duaal Leren: het orgaan, vermeld in artikel 2bis;]3
[3 10°bis Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";]3
11° werkplek: een reële werkplek of een gesimuleerde werkplek buiten de school. Gesimuleerde werkplekken komen enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming en ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.
1° [3 Agentschap voor Onderwijsdiensten: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Agentschap voor Onderwijsdiensten;]3
2° [2 alternerende opleiding: elke opleiding van het voltijds secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, die door de Vlaamse Regering als duaal wordt aangeduid en elke opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in de leertijd. In dergelijke opleiding worden contactonderwijs bij een opleidingsverstrekker en opleiding op de werkplek gecombineerd. Beide componenten beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan en zijn daarom inhoudelijk en organisatorisch op elkaar afgestemd;]2
[3 2°bis Departement Onderwijs en Vorming: het departement, vermeld in artikel 22, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]3
[3 2°ter Departement Werk en Sociale Economie: het departement, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;]3
[4 2° quater duale opleiding: de duale opleiding, vermeld in artikel 2, 12° bis, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;]4
3° [1 mentor: de persoon die binnen de onderneming aangeduid wordt om de leerling op de werkplek op te leiden en te begeleiden;]1
4° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;
5° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;
6° opleidingsverstrekker: een opleidings- of onderwijsinstelling die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;
7° [3 sectoraal partnerschap: het orgaan, vermeld in artikel 2sexies;]3
8° [1 trajectbegeleider: het gemandateerde personeelslid van een aanbieder duaal leren, dat belast is met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;]1
9° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens het onderwijs op school als in het centrum, als tijdens de opleiding op de werkplek;
10° [3 Vlaams Partnerschap Duaal Leren: het orgaan, vermeld in artikel 2bis;]3
[3 10°bis Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";]3
11° werkplek: een reële werkplek of een gesimuleerde werkplek buiten de school. Gesimuleerde werkplekken komen enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming en ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.
Art. 2. Dans le présent décret, on entend par :
" 1° [3 Agence de Services d'Enseignement : l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne " Agence de Services d'Enseignement ";]3
2° [2 formation en alternance : toute formation de l'enseignement secondaire à temps plein et des formes d'enseignement 3 et 4 de l'enseignement secondaire spécial, qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et toute formation dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et dans l'apprentissage. Dans une telle formation, l'enseignement de contact donné par un dispensateur de formation est combiné avec une formation sur le lieu de travail. Les deux composantes visent ensemble à la mise en oeuvre d'un seul plan de formation et sont dès lors alignées tant sur le plan du contenu que sur le plan organisationnel;]2
[3 2°bis Département de l'Enseignement et de la Formation : le département visé à l'article 22, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande;]3
[3 2°ter Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le département visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande;]3
[4 2° quater formation duale : la formation duale visée à l'article 2, 12° bis, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes ; ]4
3° [1 tuteur : la personne désignée dans l'entreprise afin de former et d'accompagner l'élève sur le lieu de travail ; ]1
4° entreprise : toute personne physique, personne morale de droit privé ou de droit public qui forme un élève par le biais d'un contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance ;
5° plan de formation : un plan comprenant le parcours d'apprentissage personnalisé de l'élève ;
6° dispensateur de formation : un établissement de formation ou d'enseignement qui est agréé par la Communauté flamande ;
7° [3 partenariat sectoriel : l'organe visé à l'article 2sexies;]3;
8° [1 accompagnateur de parcours : le membre du personnel mandaté d'un prestataire de la formation duale, qui est chargé du suivi et de l'accompagnement de l'élève en vue de la réalisation entière du plan de formation ;]1
9° accompagnement de parcours : un processus continu d'accompagnement et de suivi du développement personnel et de la formation de l'élève, pendant l'enseignement à l'école tout comme dans le centre et pendant la formation sur le lieu de travail ;
10° [3 Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual : l'organe visé à l'article 2bis;]3
[3 10°bis Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle : l'Agence autonomisée externe de droit public dotée de la personnalité juridique, créée par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ";]3
11° lieu de travail : un lieu de travail réel ou un lieu de travail simulé en dehors de l'école. Des lieux de travail simulés n'entrent en ligne de compte que dans la mesure où ils sont propres au secteur ou à l'entreprise et doivent également être utilisés par les travailleurs au sein d'un secteur ou d'une entreprise.
" 1° [3 Agence de Services d'Enseignement : l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne " Agence de Services d'Enseignement ";]3
2° [2 formation en alternance : toute formation de l'enseignement secondaire à temps plein et des formes d'enseignement 3 et 4 de l'enseignement secondaire spécial, qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et toute formation dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et dans l'apprentissage. Dans une telle formation, l'enseignement de contact donné par un dispensateur de formation est combiné avec une formation sur le lieu de travail. Les deux composantes visent ensemble à la mise en oeuvre d'un seul plan de formation et sont dès lors alignées tant sur le plan du contenu que sur le plan organisationnel;]2
[3 2°bis Département de l'Enseignement et de la Formation : le département visé à l'article 22, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande;]3
[3 2°ter Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le département visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande;]3
[4 2° quater formation duale : la formation duale visée à l'article 2, 12° bis, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes ; ]4
3° [1 tuteur : la personne désignée dans l'entreprise afin de former et d'accompagner l'élève sur le lieu de travail ; ]1
4° entreprise : toute personne physique, personne morale de droit privé ou de droit public qui forme un élève par le biais d'un contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance ;
5° plan de formation : un plan comprenant le parcours d'apprentissage personnalisé de l'élève ;
6° dispensateur de formation : un établissement de formation ou d'enseignement qui est agréé par la Communauté flamande ;
7° [3 partenariat sectoriel : l'organe visé à l'article 2sexies;]3;
8° [1 accompagnateur de parcours : le membre du personnel mandaté d'un prestataire de la formation duale, qui est chargé du suivi et de l'accompagnement de l'élève en vue de la réalisation entière du plan de formation ;]1
9° accompagnement de parcours : un processus continu d'accompagnement et de suivi du développement personnel et de la formation de l'élève, pendant l'enseignement à l'école tout comme dans le centre et pendant la formation sur le lieu de travail ;
10° [3 Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual : l'organe visé à l'article 2bis;]3
[3 10°bis Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle : l'Agence autonomisée externe de droit public dotée de la personnalité juridique, créée par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ";]3
11° lieu de travail : un lieu de travail réel ou un lieu de travail simulé en dehors de l'école. Des lieux de travail simulés n'entrent en ligne de compte que dans la mesure où ils sont propres au secteur ou à l'entreprise et doivent également être utilisés par les travailleurs au sein d'un secteur ou d'une entreprise.
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions générales
Art.2bis.[1 § 1. De Vlaamse Regering richt een Vlaams Partnerschap Duaal Leren op.
§ 2. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren is samengesteld uit de volgende leden:
1° een voorzitter;
2° vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal- Economische Raad van Vlaanderen;
4° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
5° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
6° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
7° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
8° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
9° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
10° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
11° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen.
[2 "12° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs namens het volwassenenonderwijs;
13° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;
14° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs.]2
In het eerste lid wordt onder het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen verstaan: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen.
Het secretariaat wordt opgenomen door het Departement Werk en Sociale Economie en het Departement Onderwijs en Vorming.
De Vlaamse Regering regelt op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het werk, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de werking van het secretariaat.
De instanties, vermeld in het eerste lid, 4° tot en [3 met 14°]3, duiden een effectieve en een plaatsvervangende vertegenwoordiger aan.
[2 Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 12°, 13° en 14°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen]2.
[2 Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 4°, 5°, 6° en 9°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
Met uitzondering van het lid, vermeld in het eerste lid, 1°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.]2
§ 3. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren heeft de volgende opdrachten:
1° een onderneming erkennen of een erkenning opheffen;
2° een onderneming uitsluiten;
3° [2 de uitvoering van de overeenkomsten tot uitvoering van een alternerende opleiding en een duale opleiding wat betreft de opleiding op de werkplek controleren]2;
4° een jaarlijks monitoringsrapport opmaken over de stand van zaken van het duaal leren in Vlaanderen;
5° de nodige acties nemen om de ondernemingen te informeren over het duaal leren in Vlaanderen;
6° ondernemingen ondersteunen en mobiliseren om het aanbod aan werkplekken kwantitatief en kwalitatief te versterken;
7° advies verlenen over materies die het duaal leren aanbelangen.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, toevertrouwen aan een door de Vlaamse Regering aangewezen dienst. De Vlaamse Regering legt de nadere regels voor die opdrachtbepaling vast.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren stelt een huishoudelijk reglement op dat minstens de volgende inhoud heeft:
1° de regels voor de bijeenroeping van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;
2° de regels voor het voorzitterschap van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bij afwezigheid van de voorzitter;
3° de regels voor de samenwerking tussen het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen;
4° de regels die het Vlaams Partnerschap Duaal Leren in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;
5° de regels voor het uitnodigen van experten voor de toelichting van bepaalde agendapunten.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering, die binnen dertig dagen nadat ze het huishoudelijk reglement heeft ontvangen, beslist om het huishoudelijk reglement al of niet goed te keuren.
Als de Vlaamse Regering beslist het huishoudelijk reglement van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren niet goed te keuren, verricht het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de nodige aanpassingen en legt het huishoudelijk reglement opnieuw ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beslist binnen veertien dagen nadat ze het huishoudelijk reglement heeft ontvangen, om het huishoudelijk reglement al of niet goed te keuren.
De procedure bepaald in het tweede en derde lid is ook van toepassing als het huishoudelijk reglement wordt gewijzigd.]1
§ 2. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren is samengesteld uit de volgende leden:
1° een voorzitter;
2° vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal- Economische Raad van Vlaanderen;
4° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
5° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
6° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
7° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
8° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
9° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
10° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
11° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen.
[2 "12° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs namens het volwassenenonderwijs;
13° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;
14° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs.]2
In het eerste lid wordt onder het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen verstaan: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen.
Het secretariaat wordt opgenomen door het Departement Werk en Sociale Economie en het Departement Onderwijs en Vorming.
De Vlaamse Regering regelt op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het werk, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de werking van het secretariaat.
De instanties, vermeld in het eerste lid, 4° tot en [3 met 14°]3, duiden een effectieve en een plaatsvervangende vertegenwoordiger aan.
[2 Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 12°, 13° en 14°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen]2.
[2 Met uitzondering van de leden, vermeld in het eerste lid, 1°, 4°, 5°, 6° en 9°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
Met uitzondering van het lid, vermeld in het eerste lid, 1°, hebben alle leden, vermeld in het eerste lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.]2
§ 3. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren heeft de volgende opdrachten:
1° een onderneming erkennen of een erkenning opheffen;
2° een onderneming uitsluiten;
3° [2 de uitvoering van de overeenkomsten tot uitvoering van een alternerende opleiding en een duale opleiding wat betreft de opleiding op de werkplek controleren]2;
4° een jaarlijks monitoringsrapport opmaken over de stand van zaken van het duaal leren in Vlaanderen;
5° de nodige acties nemen om de ondernemingen te informeren over het duaal leren in Vlaanderen;
6° ondernemingen ondersteunen en mobiliseren om het aanbod aan werkplekken kwantitatief en kwalitatief te versterken;
7° advies verlenen over materies die het duaal leren aanbelangen.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, toevertrouwen aan een door de Vlaamse Regering aangewezen dienst. De Vlaamse Regering legt de nadere regels voor die opdrachtbepaling vast.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren stelt een huishoudelijk reglement op dat minstens de volgende inhoud heeft:
1° de regels voor de bijeenroeping van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;
2° de regels voor het voorzitterschap van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bij afwezigheid van de voorzitter;
3° de regels voor de samenwerking tussen het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen;
4° de regels die het Vlaams Partnerschap Duaal Leren in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;
5° de regels voor het uitnodigen van experten voor de toelichting van bepaalde agendapunten.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering, die binnen dertig dagen nadat ze het huishoudelijk reglement heeft ontvangen, beslist om het huishoudelijk reglement al of niet goed te keuren.
Als de Vlaamse Regering beslist het huishoudelijk reglement van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren niet goed te keuren, verricht het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de nodige aanpassingen en legt het huishoudelijk reglement opnieuw ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beslist binnen veertien dagen nadat ze het huishoudelijk reglement heeft ontvangen, om het huishoudelijk reglement al of niet goed te keuren.
De procedure bepaald in het tweede en derde lid is ook van toepassing als het huishoudelijk reglement wordt gewijzigd.]1
Art.2bis.[1 § 1. Le Gouvernement flamand établit un Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage Dual.
§ 2. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual se compose des membres suivants :
1° un président;
2° quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, présentés par les organisations représentatives des classes moyennes, des travailleurs indépendants et des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
3° quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, présentés par les organisations représentatives des travailleurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
4° un représentant de l'Enseignement communautaire;
5° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné;
6° un représentant des centres de formation agréés des indépendants et des petites et moyennes entreprises;
7° un représentant de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;
8° un représentant de l'Agence de Services d'Enseignement;
9° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
10° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
11° un représentant de l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes.
[2 12° un représentant de l'Enseignement communautaire au nom de l'éducation des adultes ;]2
[2 13° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné au nom de l'éducation des adultes ;]2
[2 14° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation au nom de l'éducation des adultes. ]2
Dans l'alinéa 1er, il est entendu par l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes : l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique établie par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'Agence autonomisée interne Agence de l'Enseignement supérieur, l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes.
Le secrétariat est assuré par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale et du Département de l'Enseignement et de la Formation.
Le Gouvernement flamand règle, sur la proposition du Ministre flamand ayant l'emploi dans ses attributions et du Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions, le fonctionnement du secrétariat.
Les instances visées à l'alinéa 1er, 4° [3 à 14°]3 inclus, désignent un représentant effectif et un représentant suppléant.
[2 A l'exception des membres visés à l'alinéa 1er, 1°, 12°, 13° et 14°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance. ]2.
[2 A l'exception des membres visés à l'alinéa 1er, 1°, 4°, 5°, 6° et 9°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations duales.
A l'exception du membre visé à l'alinéa 1er, 1°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance et des formations duales. ]2
§ 3. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage Dual a les missions suivantes :
1° reconnaître une entreprise ou supprimer la reconnaissance;
2° exclure une entreprise;
3° [2 3° contrôler l'exécution des contrats d'exécution d'une formation en alternance et d'une formation duale en ce qui concerne la formation sur le lieu de travail ]2;
4° établir un rapport de suivi annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre;
5° prendre les actions nécessaires pour informer les entreprises sur l'apprentissage dual en Flandre;
6° soutenir et mobiliser les entreprises afin de renforcer l'offre de lieux de travail sur les plans quantitatif et qualitatif;
7° donner des avis sur des matières qui concernent l'apprentissage dual.
Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual peut confier la mise en oeuvre des missions visées à l'alinéa 1er, à un service désigné par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette détermination de mission.
§ 4. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual établit un règlement d'ordre intérieur qui contient au moins les éléments suivants :
1° les règles de convocation du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual;
2° les règles pour la présidence du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual en cas d'absence du président;
3° les règles pour la collaboration entre le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual et let partenariats sectoriels;
4° les règles que le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual doit respecter lors de l'exercice de ses compétences;
5° les règles d'invitation d'experts pour l'explication de certains points à l'ordre du jour.
Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual soumet son règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand qui décide, dans les trente jours de la réception du règlement d'ordre intérieur, d'approuver ou non le règlement d'ordre intérieur.
Si le Gouvernement flamand décide de ne pas approuver le règlement d'ordre intérieur du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual, ce dernier effectue les adaptations nécessaires et soumet à nouveau le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand. Dans les quatorze jours de la réception du règlement d'ordre intérieur, le Gouvernement flamand décide d'approuver ou non le règlement d'ordre intérieur.
La procédure prévue aux alinéas 2 et 3 s'applique également en cas de modification du règlement d'ordre intérieur.]1
§ 2. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual se compose des membres suivants :
1° un président;
2° quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, présentés par les organisations représentatives des classes moyennes, des travailleurs indépendants et des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
3° quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, présentés par les organisations représentatives des travailleurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
4° un représentant de l'Enseignement communautaire;
5° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné;
6° un représentant des centres de formation agréés des indépendants et des petites et moyennes entreprises;
7° un représentant de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;
8° un représentant de l'Agence de Services d'Enseignement;
9° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
10° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
11° un représentant de l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes.
[2 12° un représentant de l'Enseignement communautaire au nom de l'éducation des adultes ;]2
[2 13° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné au nom de l'éducation des adultes ;]2
[2 14° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation au nom de l'éducation des adultes. ]2
Dans l'alinéa 1er, il est entendu par l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes : l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique établie par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'Agence autonomisée interne Agence de l'Enseignement supérieur, l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes.
Le secrétariat est assuré par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale et du Département de l'Enseignement et de la Formation.
Le Gouvernement flamand règle, sur la proposition du Ministre flamand ayant l'emploi dans ses attributions et du Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions, le fonctionnement du secrétariat.
Les instances visées à l'alinéa 1er, 4° [3 à 14°]3 inclus, désignent un représentant effectif et un représentant suppléant.
[2 A l'exception des membres visés à l'alinéa 1er, 1°, 12°, 13° et 14°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance. ]2.
[2 A l'exception des membres visés à l'alinéa 1er, 1°, 4°, 5°, 6° et 9°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations duales.
A l'exception du membre visé à l'alinéa 1er, 1°, tous les membres visés à l'alinéa 1er jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance et des formations duales. ]2
§ 3. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage Dual a les missions suivantes :
1° reconnaître une entreprise ou supprimer la reconnaissance;
2° exclure une entreprise;
3° [2 3° contrôler l'exécution des contrats d'exécution d'une formation en alternance et d'une formation duale en ce qui concerne la formation sur le lieu de travail ]2;
4° établir un rapport de suivi annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre;
5° prendre les actions nécessaires pour informer les entreprises sur l'apprentissage dual en Flandre;
6° soutenir et mobiliser les entreprises afin de renforcer l'offre de lieux de travail sur les plans quantitatif et qualitatif;
7° donner des avis sur des matières qui concernent l'apprentissage dual.
Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual peut confier la mise en oeuvre des missions visées à l'alinéa 1er, à un service désigné par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette détermination de mission.
§ 4. Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual établit un règlement d'ordre intérieur qui contient au moins les éléments suivants :
1° les règles de convocation du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual;
2° les règles pour la présidence du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual en cas d'absence du président;
3° les règles pour la collaboration entre le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual et let partenariats sectoriels;
4° les règles que le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual doit respecter lors de l'exercice de ses compétences;
5° les règles d'invitation d'experts pour l'explication de certains points à l'ordre du jour.
Le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual soumet son règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand qui décide, dans les trente jours de la réception du règlement d'ordre intérieur, d'approuver ou non le règlement d'ordre intérieur.
Si le Gouvernement flamand décide de ne pas approuver le règlement d'ordre intérieur du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual, ce dernier effectue les adaptations nécessaires et soumet à nouveau le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand. Dans les quatorze jours de la réception du règlement d'ordre intérieur, le Gouvernement flamand décide d'approuver ou non le règlement d'ordre intérieur.
La procédure prévue aux alinéas 2 et 3 s'applique également en cas de modification du règlement d'ordre intérieur.]1
Art.2ter. [1 Op voordracht van de stemgerechtigde leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren benoemt de Vlaamse Regering de voorzitter van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.]1
Art.2ter. [1 Sur la proposition des membres ayant voix délibérative du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual, le Gouvernement flamand nomme le président du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual.]1
Art.2quater. [1 De Vlaamse Regering stelt de voorzitter en de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, vermeld in artikel 2bis, § 2, eerste lid, 2° en 3°, aan voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
Als in de loop van de termijn, vermeld in het eerste lid, een mandaat vrijkomt, stelt de Vlaamse Regering, op voordracht van de organisatie in kwestie, een nieuwe mandataris aan die het mandaat overneemt voor de nog resterende looptijd ervan.]1
Als in de loop van de termijn, vermeld in het eerste lid, een mandaat vrijkomt, stelt de Vlaamse Regering, op voordracht van de organisatie in kwestie, een nieuwe mandataris aan die het mandaat overneemt voor de nog resterende looptijd ervan.]1
Art.2quater. [1 Le Gouvernement flamand désigne le président et les membres du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual visés à l'article 2bis, § 2, 1er alinéa, 2° et 3°, pour une période renouvelable de cinq ans.
Si, dans le courant du délai, visé à l'alinéa 1er, un mandat est libéré, le Gouvernement flamand désigne, sur la proposition de l'organisation en question, un nouveau mandataire qui reprend le mandat pour la durée restante de celui-ci.]1
Si, dans le courant du délai, visé à l'alinéa 1er, un mandat est libéré, le Gouvernement flamand désigne, sur la proposition de l'organisation en question, un nouveau mandataire qui reprend le mandat pour la durée restante de celui-ci.]1
Art.2quinquies. [1 De Vlaamse Regering kan een vergoeding toekennen aan de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.]1
Art.2quinquies. [1 Le Gouvernement flamand peut octroyer une indemnité aux membres du Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual.]1
Art.2sexies.[1 [2 Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten voor de overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende opleiding en de duale opleiding een samenwerkingsakkoord sluiten met een sectoraal partnerschap. Het samenwerkingsakkoord bepaalt de opdrachten van het sectorale partnerschap]2.
Het sectoraal partnerschap is samengesteld uit de volgende leden:
1° minstens drie vertegenwoordigers van de representatieve middenstands-, zelfstandigenen werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
2° minstens drie vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
5° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
6° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
7° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
8° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
9° een secretaris, personeelslid van het Departement Werk en Sociale Economie.
In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, wordt het sectoraal partnerschap in sectoren zonder representatieve werkgevers en werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, samengesteld uit minstens drie vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties en minstens drie vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de raad van bestuur van het sectorfonds van de betrokken sector.
[2 Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook bevoegdheden over de overeenkomsten ter uitvoering van duale opleidingen bevat, worden, in afwijking van het tweede lid, de volgende leden toegevoegd:
1° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs namens het volwassenenonderwijs;
2° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;
3° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs. ]2
De instanties, vermeld [3 in het tweede, het derde en het vierde lid]3, duiden hun effectieve en plaatsvervangende vertegenwoordiger(s) aan.
De leden, vermeld [3 in het tweede, het derde en het vierde lid]3, kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter, die niet tot dezelfde geleding behoren.
[2 Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het vierde lid, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.]2.
[2 Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld [3 in het tweede lid, 3°, 4°, 5° en 7°]3, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.]2
Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 2bis, § 3, eerste lid, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben, in afwijking van het[2 zesde]2 lid, voor die bevoegdheden alleen de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.
Het sectoraal partnerschap stelt een huishoudelijk reglement op.]1
Het sectoraal partnerschap is samengesteld uit de volgende leden:
1° minstens drie vertegenwoordigers van de representatieve middenstands-, zelfstandigenen werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
2° minstens drie vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
5° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
6° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
7° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
8° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
9° een secretaris, personeelslid van het Departement Werk en Sociale Economie.
In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, wordt het sectoraal partnerschap in sectoren zonder representatieve werkgevers en werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, samengesteld uit minstens drie vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties en minstens drie vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de raad van bestuur van het sectorfonds van de betrokken sector.
[2 Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook bevoegdheden over de overeenkomsten ter uitvoering van duale opleidingen bevat, worden, in afwijking van het tweede lid, de volgende leden toegevoegd:
1° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs namens het volwassenenonderwijs;
2° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs namens het volwassenenonderwijs;
3° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming namens het volwassenenonderwijs. ]2
De instanties, vermeld [3 in het tweede, het derde en het vierde lid]3, duiden hun effectieve en plaatsvervangende vertegenwoordiger(s) aan.
De leden, vermeld [3 in het tweede, het derde en het vierde lid]3, kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter, die niet tot dezelfde geleding behoren.
[2 Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld in het vierde lid, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen.]2.
[2 Met uitzondering van de secretaris en de leden, vermeld [3 in het tweede lid, 3°, 4°, 5° en 7°]3, hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de duale opleidingen.
Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden, vermeld in het tweede lid en het vierde lid, stemrecht over de bevoegdheden in het kader van de alternerende opleidingen en de duale opleidingen.]2
Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 2bis, § 3, eerste lid, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben, in afwijking van het[2 zesde]2 lid, voor die bevoegdheden alleen de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.
Het sectoraal partnerschap stelt een huishoudelijk reglement op.]1
Art.2sexies.[1 [2 Pour l'exercice de ses missions relatives aux contrats d'exécution de la formation en alternance et de la formation duale, le Partenariat flamand pour l'Apprentissage dual peut conclure un accord de coopération avec un partenariat sectoriel. L'accord de coopération définit les missions du partenariat sectoriel]2.
Le partenariat sectoriel est composé des membres suivants :
1° au moins trois représentants des organisations représentatives des classes moyennes, des travailleurs indépendants et des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
2° au moins trois représentants des organisations représentatives des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
3° un représentant de l'Enseignement communautaire;
4° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné;
5° un représentant des centres de formation agréés des indépendants et des petites et moyennes entreprises;
6° un représentant de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;
7° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
8° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
9° un secrétaire, membre du personnel du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale.
Par dérogation à l'alinéa 2, 1° et 2°, le partenariat sectoriel dans des secteurs sans organisations représentatives des employeurs et des travailleurs est représenté au sein du Conseil socio-économique de la Flandre, composé d'au moins trois représentants des organisations des employeurs et d'au moins trois représentants des organisations des travailleurs représentées au sein du conseil d'administration du fonds sectoriel du secteur concerné.
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, si l'accord de coopération avec le Partenariat flamand pour l'Apprentissage dual comporte également des compétences relatives aux contrats d'exécution de formations duales, les membres suivants sont ajoutés :
1° un représentant de l'Enseignement communautaire au nom de l'éducation des adultes ;
2° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné au nom de l'éducation des adultes ;
3° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation au nom de l'éducation des adultes.]2
Les instances visées [3 aux alinéas 2, 3 et 4]3, désignent leur(s) représentant(s) effectif(s) et suppléant(s).
Les membres visés [3 aux alinéas 2, 3 et 4]3, élisent entre eux un président et un vice-président, qui n'appartiennent pas à la même catégorie.
[2 A l'exception du secrétaire et des membres visés à l'alinéa 4, tous les membres visés à l'alinéa 2 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance.]2.
[2 A l'exception du secrétaire et des membres visés [3 à l'alinéa 2, 3°, 4°, 5° et 7°]3, tous les membres visés aux alinéas 2 et 4 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations duales.
A l'exception du secrétaire, tous les membres visés aux alinéas 2 et 4 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance et des formations duales. ]2
Par dérogation à [2 l'alinéa 7 ]2, lorsque l'accord de coopération avec le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual comprend également les compétences, visées à l'article 2bis, § 3, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, seuls les membres visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, ont droit de vote pour ces compétences.
Le partenariat sectoriel établit un règlement d'ordre intérieur.]1
Le partenariat sectoriel est composé des membres suivants :
1° au moins trois représentants des organisations représentatives des classes moyennes, des travailleurs indépendants et des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
2° au moins trois représentants des organisations représentatives des employeurs représentées au Conseil socio-économique de la Flandre;
3° un représentant de l'Enseignement communautaire;
4° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné;
5° un représentant des centres de formation agréés des indépendants et des petites et moyennes entreprises;
6° un représentant de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;
7° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
8° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
9° un secrétaire, membre du personnel du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale.
Par dérogation à l'alinéa 2, 1° et 2°, le partenariat sectoriel dans des secteurs sans organisations représentatives des employeurs et des travailleurs est représenté au sein du Conseil socio-économique de la Flandre, composé d'au moins trois représentants des organisations des employeurs et d'au moins trois représentants des organisations des travailleurs représentées au sein du conseil d'administration du fonds sectoriel du secteur concerné.
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, si l'accord de coopération avec le Partenariat flamand pour l'Apprentissage dual comporte également des compétences relatives aux contrats d'exécution de formations duales, les membres suivants sont ajoutés :
1° un représentant de l'Enseignement communautaire au nom de l'éducation des adultes ;
2° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné au nom de l'éducation des adultes ;
3° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation au nom de l'éducation des adultes.]2
Les instances visées [3 aux alinéas 2, 3 et 4]3, désignent leur(s) représentant(s) effectif(s) et suppléant(s).
Les membres visés [3 aux alinéas 2, 3 et 4]3, élisent entre eux un président et un vice-président, qui n'appartiennent pas à la même catégorie.
[2 A l'exception du secrétaire et des membres visés à l'alinéa 4, tous les membres visés à l'alinéa 2 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance.]2.
[2 A l'exception du secrétaire et des membres visés [3 à l'alinéa 2, 3°, 4°, 5° et 7°]3, tous les membres visés aux alinéas 2 et 4 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations duales.
A l'exception du secrétaire, tous les membres visés aux alinéas 2 et 4 jouissent du droit de vote sur les compétences dans le cadre des formations en alternance et des formations duales. ]2
Par dérogation à [2 l'alinéa 7 ]2, lorsque l'accord de coopération avec le Partenariat flamand relatif à l'Apprentissage dual comprend également les compétences, visées à l'article 2bis, § 3, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, seuls les membres visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, ont droit de vote pour ces compétences.
Le partenariat sectoriel établit un règlement d'ordre intérieur.]1
Art. 3. Voor de uitvoering van de alternerende opleiding, voor zover de opleiding op de werkplek via een reguliere tewerkstelling wordt ingevuld, sluit de leerling met een opleidingsverstrekker en een onderneming:
1° een overeenkomst van alternerende opleiding als de opleiding gemiddeld op jaarbasis minstens 20 uur per week opleiding op een reële werkplek omvat, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
2° een stageovereenkomst alternerende opleiding:
a) als de opleiding door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
b) als de opleiding uitsluitend plaatsvindt op een gesimuleerde werkplek.
[2 In afwijking van het eerste lid kan een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding in de volgende gevallen een deeltijdse arbeidsovereenkomst sluiten:
1° als de onderneming valt onder het toepassingsgebied van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; voor deze overeenkomsten gelden de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° als de onderneming ressorteert onder het paritair comité 143 voor de zeevisserij; voor deze overeenkomsten gelden de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser.]2
In afwijking van het eerste lid sluit een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding een deeltijdse arbeidsovereenkomst waarvoor de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gelden, als het een opleiding betreft van het deeltijds beroepssecundair onderwijs die niet door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen, en uiterlijk tot een datum bepaald door de Vlaamse Regering.
[2 In afwijking van het eerste lid kan een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding, met een onderneming die is gevestigd buiten de Vlaamse Gemeenschap een overeenkomst sluiten die volgens de aldaar toepasselijke regelgeving in aanmerking komt voor een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken. Voor deze overeenkomst gelden de bepalingen van de aldaar toepasselijke regelgeving.]2
1° een overeenkomst van alternerende opleiding als de opleiding gemiddeld op jaarbasis minstens 20 uur per week opleiding op een reële werkplek omvat, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
2° een stageovereenkomst alternerende opleiding:
a) als de opleiding door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;
b) als de opleiding uitsluitend plaatsvindt op een gesimuleerde werkplek.
[2 In afwijking van het eerste lid kan een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding in de volgende gevallen een deeltijdse arbeidsovereenkomst sluiten:
1° als de onderneming valt onder het toepassingsgebied van artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector; voor deze overeenkomsten gelden de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° als de onderneming ressorteert onder het paritair comité 143 voor de zeevisserij; voor deze overeenkomsten gelden de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser.]2
In afwijking van het eerste lid sluit een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding een deeltijdse arbeidsovereenkomst waarvoor de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gelden, als het een opleiding betreft van het deeltijds beroepssecundair onderwijs die niet door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen, en uiterlijk tot een datum bepaald door de Vlaamse Regering.
[2 In afwijking van het eerste lid kan een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding, met een onderneming die is gevestigd buiten de Vlaamse Gemeenschap een overeenkomst sluiten die volgens de aldaar toepasselijke regelgeving in aanmerking komt voor een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken. Voor deze overeenkomst gelden de bepalingen van de aldaar toepasselijke regelgeving.]2
Art. 3. Pour la mise en oeuvre de la formation en alternance, pour autant que la formation soit réalisée sur le lieu de travail sous forme d'un emploi régulier, l'élève conclut avec un dispensateur de formation et une entreprise :
1° un contrat de formation en alternance si la formation comprend par année calendaire en moyenne 20 heures de formation par semaine sur un lieu de travail réel, sans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux ;
2° un contrat de stage formation en alternance :
a) si la formation est qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et comprend sur le lieu de travail par année calendaire en moyenne moins de 20 heures par semaine, sans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux ;
b) si la formation se déroule uniquement sur un lieu de travail simulé.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève peut, pour l'accomplissement de sa formation en alternance, conclure un contrat de travail à temps partiel dans les cas suivants :
1° si l'entreprise relève du champ d'application de l'article 1er de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ; les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent à ces contrats ;
2° si l'entreprise relève de la commission paritaire 143 de la pêche maritime ; les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur s'appliquent à ces contrats.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève conclut, pour l'accomplissement de sa formation en alternance, un contrat de travail à temps partiel, auquel s'appliquent les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, s'il s'agit d'une formation de l'enseignement secondaire professionnel n'étant pas qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et comprenant sur le lieu de travail par année calendaire en moyenne moins de 20 heures par semaine, dans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux, et au plus tard jusqu'à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève peut, pour l'accomplissement de sa formateur en alternance, conclure avec une entreprise située en dehors de la Communauté flamande un contrat qui, selon la réglementation qui y est applicable, entre en ligne de compte pour un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance. Les dispositions de la réglementation qui y est applicable, s'appliquent à ce contrat.]2
1° un contrat de formation en alternance si la formation comprend par année calendaire en moyenne 20 heures de formation par semaine sur un lieu de travail réel, sans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux ;
2° un contrat de stage formation en alternance :
a) si la formation est qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et comprend sur le lieu de travail par année calendaire en moyenne moins de 20 heures par semaine, sans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux ;
b) si la formation se déroule uniquement sur un lieu de travail simulé.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève peut, pour l'accomplissement de sa formation en alternance, conclure un contrat de travail à temps partiel dans les cas suivants :
1° si l'entreprise relève du champ d'application de l'article 1er de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ; les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail s'appliquent à ces contrats ;
2° si l'entreprise relève de la commission paritaire 143 de la pêche maritime ; les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 mai 2003 portant réglementation du contrat d'engagement maritime pour la pêche maritime et améliorant le statut social du marin pêcheur s'appliquent à ces contrats.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève conclut, pour l'accomplissement de sa formation en alternance, un contrat de travail à temps partiel, auquel s'appliquent les dispositions du présent chapitre et les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, s'il s'agit d'une formation de l'enseignement secondaire professionnel n'étant pas qualifiée de duale par le Gouvernement flamand et comprenant sur le lieu de travail par année calendaire en moyenne moins de 20 heures par semaine, dans tenir compte des jours fériés et de vacances légaux, et au plus tard jusqu'à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève peut, pour l'accomplissement de sa formateur en alternance, conclure avec une entreprise située en dehors de la Communauté flamande un contrat qui, selon la réglementation qui y est applicable, entre en ligne de compte pour un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance. Les dispositions de la réglementation qui y est applicable, s'appliquent à ce contrat.]2
Art. 4. De overeenkomsten, vermeld in artikel 3, kunnen enkel worden gesloten door:
1° een leerling die overeenkomstig de vigerende onderwijsdecreten of -regelgeving een regelmatige leerling is of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2° een overeenkomstig artikel 7, §§ 1 tot en met 3, erkende onderneming;
3° een opleidingsverstrekker.
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, kan een overeenkomst worden gesloten met een onderneming die is gevestigd buiten de Vlaamse Gemeenschap en die aldaar door de betrokken bevoegde instantie is erkend als werkplek in het kader van een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken.]1
[2 In afwijking van het eerste lid, kan een overeenkomst als vermeld in artikel 3, worden gesloten door een leerling die is ingeschreven in een onderwijs-of opleidingsinstelling, gevestigd in de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België of in het buitenland en aldaar erkend door de betrokken bevoegde instantie als lesplek in het kader van een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken. Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de leerling, de betrokken onderwijs-of opleidingsinstelling en een overeenkomstig artikel 7, § 1 tot en met § 3, erkende onderneming.]2
1° een leerling die overeenkomstig de vigerende onderwijsdecreten of -regelgeving een regelmatige leerling is of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2° een overeenkomstig artikel 7, §§ 1 tot en met 3, erkende onderneming;
3° een opleidingsverstrekker.
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, kan een overeenkomst worden gesloten met een onderneming die is gevestigd buiten de Vlaamse Gemeenschap en die aldaar door de betrokken bevoegde instantie is erkend als werkplek in het kader van een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken.]1
[2 In afwijking van het eerste lid, kan een overeenkomst als vermeld in artikel 3, worden gesloten door een leerling die is ingeschreven in een onderwijs-of opleidingsinstelling, gevestigd in de Franse of Duitstalige Gemeenschap van België of in het buitenland en aldaar erkend door de betrokken bevoegde instantie als lesplek in het kader van een gelijkwaardig opleidingssysteem van alternerend leren en werken. Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de leerling, de betrokken onderwijs-of opleidingsinstelling en een overeenkomstig artikel 7, § 1 tot en met § 3, erkende onderneming.]2
Art. 4. Les moyens visés à l'article 3, peuvent seulement être utilisés :
1° par un élève étant un élève conformément aux décrets ou à la réglementation relatifs à l'enseignement ou par son représentant légal ;
2° par une entreprise agréée conformément à l'article 7, §§ 1er à 3 ;
3° par un dispensateur de formation.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, un contrat peut être conclu avec une entreprise qui est située en dehors de la Communauté flamande et qui est agréée par l'instance compétente concernée comme lieu de travail dans le cadre d'un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa premier, un contrat tel que visé à l'article 3 peut être conclu par un élève qui est inscrit dans un établissement d'enseignement ou de formation, établi en Communauté française ou germanophone de Belgique ou à l'étranger où il est agréé par l'instance compétente concernée comme lieu de cours dan le cadre d'un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance. Ce contrat est conclu entre l'élève, l'établissement d'enseignement ou de formation concerné, et une entreprise agréée conformément à l'article 7, § 1er au § 3.]2
1° par un élève étant un élève conformément aux décrets ou à la réglementation relatifs à l'enseignement ou par son représentant légal ;
2° par une entreprise agréée conformément à l'article 7, §§ 1er à 3 ;
3° par un dispensateur de formation.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, un contrat peut être conclu avec une entreprise qui est située en dehors de la Communauté flamande et qui est agréée par l'instance compétente concernée comme lieu de travail dans le cadre d'un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa premier, un contrat tel que visé à l'article 3 peut être conclu par un élève qui est inscrit dans un établissement d'enseignement ou de formation, établi en Communauté française ou germanophone de Belgique ou à l'étranger où il est agréé par l'instance compétente concernée comme lieu de cours dan le cadre d'un système de formation équivalent d'apprentissage et de travail en alternance. Ce contrat est conclu entre l'élève, l'établissement d'enseignement ou de formation concerné, et une entreprise agréée conformément à l'article 7, § 1er au § 3.]2
Art. 5. De overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding moet voor elke leerling afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de leerling zijn alternerende opleiding in de onderneming aanvat.
De stageovereenkomst alternerende opleiding en de overeenkomst van alternerende opleiding moeten worden opgesteld volgens het model dat vastgelegd is door de Vlaamse Regering.
De stageovereenkomst alternerende opleiding en de overeenkomst van alternerende opleiding moeten worden opgesteld volgens het model dat vastgelegd is door de Vlaamse Regering.
Art. 5. Le contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance doit être établi par écrit pour chaque élève individuel, au plus tard au moment où l'élève commence sa formation en alternance auprès de l'entreprise.
Le contrat de stage formation en alternance et le contrat de formation en alternance doivent être rédigés suivant le modèle fixé par le Gouvernement flamand.
Le contrat de stage formation en alternance et le contrat de formation en alternance doivent être rédigés suivant le modèle fixé par le Gouvernement flamand.
Art. 6. De overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding is een overeenkomst van bepaalde duur die schooljaaroverschrijdend kan zijn.
De leerling kan om zijn opleidingsplan uit te voeren, opeenvolgende overeenkomsten met verschillende ondernemingen sluiten.
De duur van alle overeenkomsten samen mag niet meer bedragen dan de duur van de alternerende opleiding waarop de overeenkomsten betrekking hebben en dit vanaf het moment dat de alternerende opleiding voor de leerling ingevuld is met een werkplekcomponent.
De leerling kan om zijn opleidingsplan uit te voeren, opeenvolgende overeenkomsten met verschillende ondernemingen sluiten.
De duur van alle overeenkomsten samen mag niet meer bedragen dan de duur van de alternerende opleiding waarop de overeenkomsten betrekking hebben en dit vanaf het moment dat de alternerende opleiding voor de leerling ingevuld is met een werkplekcomponent.
Art. 6. Le contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance est un contrat de travail de durée déterminée pouvant dépasser le cadre de l'année scolaire.
Pour réaliser son plan de formation, l'élève peut conclure plusieurs contrats successifs avec différentes entreprises.
La durée totale des différents contrats ne peut dépasser la durée de la formation en alternance sur laquelle portent les contrats, et ce à compter du moment où la formation en alternance est concrétisée par une composante lieu de travail.
Pour réaliser son plan de formation, l'élève peut conclure plusieurs contrats successifs avec différentes entreprises.
La durée totale des différents contrats ne peut dépasser la durée de la formation en alternance sur laquelle portent les contrats, et ce à compter du moment où la formation en alternance est concrétisée par une composante lieu de travail.
Art.6bis. [1 De onderneming kan om het opleidingsplan van de leerling uit te voeren een onderdeel van de opleiding overlaten aan een andere erkende onderneming waarmee zij een samenwerkingsovereenkomst sluit. Dit is enkel mogelijk gedurende de termijn en voor de onderdelen die door het sectoraal partnerschap, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap in de betrokken sector het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, zijn vastgelegd. Het afsluiten van zo een samenwerkingsovereenkomst kan enkel met onderling akkoord van alle betrokken partijen, inclusief de opleidingsverstrekker. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren of het sectorale partnerschap wordt steeds op de hoogte gesteld van het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst.]1
Art.6bis. [1 Pour réaliser le plan de formation de l'élève, l'entreprise peut laisser une partie de la formation à une autre entreprise agréée avec laquelle elle conclut un contrat de coopération. Ceci est uniquement possible pendant le délai et pour les parties qui sont établis par le partenariat sectoriel ou, en l'absence d'un partenariat sectoriel dans le secteur concerné, par le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". La conclusion d'un contrat de coopération pareil est uniquement possible par commun accord de toutes les parties concernées, y compris le dispensateur de formation. Le " Vlaams Parnterschap Duaal Leren "ou le partenariat sectoriel est toujours informé de la conclusion d'un contrat de coopération.]1
Art. 7. § 1. Om erkend te kunnen worden [1 of te blijven]1, moet de onderneming minimaal voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° zij moet binnen de onderneming een mentor aanduiden die:
a) van onberispelijk gedrag is [1 zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven]1;
b) ten volle 25 jaar oud is en ten minste vijf jaar praktijkervaring heeft in het beroep;
[1 c) een mentoropleiding moet volgen [2 behalve als hij daarvan wordt vrijgesteld]2;]1
2° zij moet op het vlak van de organisatie en de bedrijfsuitrusting voldoen om de opleiding op de werkplek van een leerling mogelijk te maken overeenkomstig het opleidingsplan;
3° zij moet voldoende financiële draagkracht hebben om de continuïteit van de onderneming te waarborgen;
4° zij mag geen veroordelingen hebben opgelopen.
In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren:
1° de leeftijd terugbrengen tot 23 jaar als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;
2° een afwijking verlenen van de vereiste praktijkervaring in het beroep als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;
3° beslissen dat de veroordeling niet relevant is om de erkenning van de onderneming te weigeren.
De Vlaamse Regering zal de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen en zal voorwaarden opleggen om de kwaliteit van de opleiding en van het mentorschap in de onderneming te garanderen.
§ 2. De onderneming moet een aanvraag tot erkenning indienen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.
De aanvraag tot erkenning moet gebeuren voor elke alternerende opleiding waarvoor de onderneming een overeenkomst wil sluiten en voor elke vestiging waar zij leerlingen wil opleiden.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren neemt binnen veertien dagen na de ontvangst van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, een beslissing over de erkenning van de onderneming.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 geldt de erkenning van de onderneming voor een duur van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing tot erkenning.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan de erkenning van de onderneming opheffen als de onderneming niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of als de onderneming haar verbintenissen en plichten niet naleeft.
Opheffing van de erkenning van de onderneming houdt in dat de onderneming geen overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende overeenkomst kan sluiten zolang zij niet opnieuw erkend is.
§ 5. De onderneming kan tegen de niet-erkenning of tegen de opheffing van de erkenning een beroep aantekenen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
§ 6. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan bij de opheffing van de erkenning van de onderneming beslissen tot uitsluiting van de onderneming als zij haar verbintenissen of verplichtingen niet naleeft. De uitsluiting kan tijdelijk of definitief zijn.
Uitsluiting van de onderneming houdt in dat zij geen nieuwe erkenning kan aanvragen.
De onderneming kan beroep aantekenen tegen de uitsluiting.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
1° zij moet binnen de onderneming een mentor aanduiden die:
a) van onberispelijk gedrag is [1 zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven]1;
b) ten volle 25 jaar oud is en ten minste vijf jaar praktijkervaring heeft in het beroep;
[1 c) een mentoropleiding moet volgen [2 behalve als hij daarvan wordt vrijgesteld]2;]1
2° zij moet op het vlak van de organisatie en de bedrijfsuitrusting voldoen om de opleiding op de werkplek van een leerling mogelijk te maken overeenkomstig het opleidingsplan;
3° zij moet voldoende financiële draagkracht hebben om de continuïteit van de onderneming te waarborgen;
4° zij mag geen veroordelingen hebben opgelopen.
In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren:
1° de leeftijd terugbrengen tot 23 jaar als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;
2° een afwijking verlenen van de vereiste praktijkervaring in het beroep als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;
3° beslissen dat de veroordeling niet relevant is om de erkenning van de onderneming te weigeren.
De Vlaamse Regering zal de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen en zal voorwaarden opleggen om de kwaliteit van de opleiding en van het mentorschap in de onderneming te garanderen.
§ 2. De onderneming moet een aanvraag tot erkenning indienen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.
De aanvraag tot erkenning moet gebeuren voor elke alternerende opleiding waarvoor de onderneming een overeenkomst wil sluiten en voor elke vestiging waar zij leerlingen wil opleiden.
Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren neemt binnen veertien dagen na de ontvangst van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, een beslissing over de erkenning van de onderneming.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 geldt de erkenning van de onderneming voor een duur van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing tot erkenning.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan de erkenning van de onderneming opheffen als de onderneming niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of als de onderneming haar verbintenissen en plichten niet naleeft.
Opheffing van de erkenning van de onderneming houdt in dat de onderneming geen overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende overeenkomst kan sluiten zolang zij niet opnieuw erkend is.
§ 5. De onderneming kan tegen de niet-erkenning of tegen de opheffing van de erkenning een beroep aantekenen.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
§ 6. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan bij de opheffing van de erkenning van de onderneming beslissen tot uitsluiting van de onderneming als zij haar verbintenissen of verplichtingen niet naleeft. De uitsluiting kan tijdelijk of definitief zijn.
Uitsluiting van de onderneming houdt in dat zij geen nieuwe erkenning kan aanvragen.
De onderneming kan beroep aantekenen tegen de uitsluiting.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
Art. 7. § 1er. Pour être agréée [1 ou pour rester agréée]1, l'entreprise doit au moins remplir les conditions suivantes :
1° désigner un tuteur au sein de l'entreprise qui :
a) est de conduite irréprochable [1 attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum ]1;
b) est âgé de 25 ans accomplis, et a au moins cinq ans d'expérience pratique dans la profession ;
[1 c) doit suivre une formation de tuteur [2 sauf s'il en est exempté]2]1
2° répondre aux exigences en matière d'organisation et d'équipement d'entreprise pour permettre la formation sur le lieu de travail d'un élève conformément au plan de formation ;
3° posséder une capacité de résistance financière suffisante pour garantir la continuité de l'entreprise ;
4° ne pas avoir encouru de condamnation.
Par dérogation à l'alinéa premier, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " :
1° peut reporter l'âge à 23 ans si le tuteur produit une preuve de formation préalable dans la profession ;
2° peut accorder une dérogation à l'expérience pratique requise dans la profession si le tuteur produit une preuve de formation préalable dans la profession ;
3° peut décider que la condamnation n'est pas pertinente pour refuser l'agrément de l'entreprise.
Le Gouvernement flamand précisera les conditions visées à l'alinéa premier et imposera des conditions pour garantir la qualité de la formation et du tutorat dans l'entreprise.
§ 2. L'entreprise doit introduire une demande d'agrément auprès du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ".
La demande d'agrément doit être faite pour chaque formation en alternance pour laquelle l'entreprise entend conclure un contrat et pour chaque implantation où elle souhaite former des élèves.
Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " statue sur l'agrément de l'entreprise dans les quatorze jours de la réception de la demande visée à l'alinéa premier.
§ 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 4, l'agrément de l'entreprise vaut pour une durée de cinq ans à compter de la date de la décision d'agrément.
§ 4. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut suspendre l'agrément de l'entreprise si l'entreprise ne répond plus aux conditions d'agrément ou si l'entreprise n'observe pas ses engagements et obligations.
La suspension de l'agrément de l'entreprise signifie que l'entreprise ne peut pas conclure des contrats visant la mise en oeuvre de la formation en alternance aussi longtemps qu'elle n'est pas agrée à nouveau.
§ 5. L'entreprise peut introduire un recours contre le non-agrément ou contre la suspension de l'agrément.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
§ 6. En cas de suspension de l'agrément de l'entreprise, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut décider d'exclure l'entreprise si elle n'observe pas ses engagements ou obligations. Cet exclusion peut être soit temporaire soit définitive.
L'exclusion de l'entreprise signifie qu'elle ne peut pas introduire une nouvelle demande d'agrément.
L'entreprise peut introduire un recours contre l'exclusion.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
1° désigner un tuteur au sein de l'entreprise qui :
a) est de conduite irréprochable [1 attestée par un extrait du casier juridique délivré depuis un an au maximum ]1;
b) est âgé de 25 ans accomplis, et a au moins cinq ans d'expérience pratique dans la profession ;
[1 c) doit suivre une formation de tuteur [2 sauf s'il en est exempté]2]1
2° répondre aux exigences en matière d'organisation et d'équipement d'entreprise pour permettre la formation sur le lieu de travail d'un élève conformément au plan de formation ;
3° posséder une capacité de résistance financière suffisante pour garantir la continuité de l'entreprise ;
4° ne pas avoir encouru de condamnation.
Par dérogation à l'alinéa premier, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " :
1° peut reporter l'âge à 23 ans si le tuteur produit une preuve de formation préalable dans la profession ;
2° peut accorder une dérogation à l'expérience pratique requise dans la profession si le tuteur produit une preuve de formation préalable dans la profession ;
3° peut décider que la condamnation n'est pas pertinente pour refuser l'agrément de l'entreprise.
Le Gouvernement flamand précisera les conditions visées à l'alinéa premier et imposera des conditions pour garantir la qualité de la formation et du tutorat dans l'entreprise.
§ 2. L'entreprise doit introduire une demande d'agrément auprès du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ".
La demande d'agrément doit être faite pour chaque formation en alternance pour laquelle l'entreprise entend conclure un contrat et pour chaque implantation où elle souhaite former des élèves.
Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " statue sur l'agrément de l'entreprise dans les quatorze jours de la réception de la demande visée à l'alinéa premier.
§ 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 4, l'agrément de l'entreprise vaut pour une durée de cinq ans à compter de la date de la décision d'agrément.
§ 4. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut suspendre l'agrément de l'entreprise si l'entreprise ne répond plus aux conditions d'agrément ou si l'entreprise n'observe pas ses engagements et obligations.
La suspension de l'agrément de l'entreprise signifie que l'entreprise ne peut pas conclure des contrats visant la mise en oeuvre de la formation en alternance aussi longtemps qu'elle n'est pas agrée à nouveau.
§ 5. L'entreprise peut introduire un recours contre le non-agrément ou contre la suspension de l'agrément.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
§ 6. En cas de suspension de l'agrément de l'entreprise, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut décider d'exclure l'entreprise si elle n'observe pas ses engagements ou obligations. Cet exclusion peut être soit temporaire soit définitive.
L'exclusion de l'entreprise signifie qu'elle ne peut pas introduire une nouvelle demande d'agrément.
L'entreprise peut introduire un recours contre l'exclusion.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
HOOFDSTUK 3. - De overeenkomst van alternerende opleiding
CHAPITRE 3. - Le contrat de formation en alternance
Afdeling 1. - Kenmerken van de overeenkomst van alternerende opleiding
Section 1re. - Caractéristiques du contrat de formation en alternance
Art. 9. De overeenkomst van alternerende opleiding is een voltijdse overeenkomst en heeft betrekking op het volledige leertraject, zowel de lescomponent als de werkplekcomponent. Voor de berekening van het aantal uren binnen de overeenkomst telt een les of een activiteit die gelijkgesteld is met een les, mee voor zestig minuten.
Art. 9. Le contrat de formation en alternance est un contrat à temps plein et porte sur le parcours d'apprentissage entier, tant la composante cours que la composante lieu de travail. Pour le calcul du nombre d'heures comprises dans le contrat, un cours ou une activité assimilée à un cours sont comptés à soixante minutes.
Art. 10. De overeenkomst van alternerende opleiding moet de volgende vermeldingen en bepalingen omvatten:
1° de datum van de inwerkingtreding, de einddatum en het voorwerp van de overeenkomst;
2° de naam van de onderneming en van de persoon die de onderneming vertegenwoordigt;
3° de naam van de mentor in de onderneming;
4° de identiteit van de leerling;
5° de naam van de opleidingsverstrekker waar de leerling de lessen volgt en van de trajectbegeleider van de opleidingsverstrekker;
6° het bedrag van de leervergoeding, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid;
7° het uurrooster, waarin enerzijds de tijdstippen worden vermeld waarop de leerling de opleiding volgt in de onderneming, en anderzijds de tijdstippen waarop de leerling de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen, volgt bij de opleidingsverstrekker;
8° de plaats van de uitvoering van de opleiding op de werkplek;
9° de verwijzing naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die van toepassing zijn op de onderneming;
10° de beperkte aansprakelijkheid van de leerling bij schade ten aanzien van de onderneming of derden.
Maken integraal deel uit van de overeenkomst van alternerende opleiding:
1° het opleidingsplan opgesteld door de opleidingsverstrekker in overleg met de onderneming;
2° de rechten en plichten van de leerling, de onderneming en de opleidingsverstrekker;
3° de integrale tekst van de artikelen van dit decreet met betrekking tot de schorsing en de beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding;
4° het arbeidsreglement.
De overeenkomst mag geen bedingen bevatten die de rechten van de leerling beperken of zijn verplichtingen verzwaren.
1° de datum van de inwerkingtreding, de einddatum en het voorwerp van de overeenkomst;
2° de naam van de onderneming en van de persoon die de onderneming vertegenwoordigt;
3° de naam van de mentor in de onderneming;
4° de identiteit van de leerling;
5° de naam van de opleidingsverstrekker waar de leerling de lessen volgt en van de trajectbegeleider van de opleidingsverstrekker;
6° het bedrag van de leervergoeding, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid;
7° het uurrooster, waarin enerzijds de tijdstippen worden vermeld waarop de leerling de opleiding volgt in de onderneming, en anderzijds de tijdstippen waarop de leerling de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen, volgt bij de opleidingsverstrekker;
8° de plaats van de uitvoering van de opleiding op de werkplek;
9° de verwijzing naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die van toepassing zijn op de onderneming;
10° de beperkte aansprakelijkheid van de leerling bij schade ten aanzien van de onderneming of derden.
Maken integraal deel uit van de overeenkomst van alternerende opleiding:
1° het opleidingsplan opgesteld door de opleidingsverstrekker in overleg met de onderneming;
2° de rechten en plichten van de leerling, de onderneming en de opleidingsverstrekker;
3° de integrale tekst van de artikelen van dit decreet met betrekking tot de schorsing en de beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding;
4° het arbeidsreglement.
De overeenkomst mag geen bedingen bevatten die de rechten van de leerling beperken of zijn verplichtingen verzwaren.
Art. 10. Le contrat de formation en alternance doit comprendre les mentions et dispositions suivantes :
1° la date de l'entrée en vigueur, la date de fin et l'objet du contrat ;
2° le nom de l'entreprise et de la personne représentant l'entreprise ;
3° le nom du tuteur dans l'entreprise ;
4° l'identité de l'élève ;
5° le nom du dispensateur de formation auprès duquel l'élève suit les cours et le nom de l'accompagnateur de parcours du dispensateur de formation ;
6° le montant de l'allocation d'apprentissage, visée à l'article 17, § 1er, alinéa premier ;
7° l'horaire de cours, mentionnant d'une part les instants où l'élève suit la formation dans l'entreprise, et d'autre part les instants où l'élève suit les cours et les activités assimilées à des cours auprès du dispensateur de formation ;
8° l'endroit de la mise en oeuvre de la formation sur le lieu de travail ;
9° la référence à toutes les dispositions légales, réglementaires et conventionnelles, plus particulièrement les règles relatives à la sécurité sociale, à la législation du travail et relative au bien-être et aux assurances, s'appliquant à l'entreprise ;
10° la responsabilité limitée de l'élève en cas de dommages à l'entreprise ou à des tiers.
Font partie intégrante du contrat de formation en alternance :
1° le plan de formation établi par le dispensateur de formation en concertation avec l'entreprise ;
2° les droits et obligations de l'élève, de l'entreprise et du dispensateur de formation ;
3° le texte intégral des articles du présent décret pour ce qui est de la suspension et de la cessation du contrat de formation en alternance ;
4° le règlement de travail.
Le contrat ne peut pas comprendre des clauses qui limitent les droits de l'élève ou qui alourdissent ses obligations.
1° la date de l'entrée en vigueur, la date de fin et l'objet du contrat ;
2° le nom de l'entreprise et de la personne représentant l'entreprise ;
3° le nom du tuteur dans l'entreprise ;
4° l'identité de l'élève ;
5° le nom du dispensateur de formation auprès duquel l'élève suit les cours et le nom de l'accompagnateur de parcours du dispensateur de formation ;
6° le montant de l'allocation d'apprentissage, visée à l'article 17, § 1er, alinéa premier ;
7° l'horaire de cours, mentionnant d'une part les instants où l'élève suit la formation dans l'entreprise, et d'autre part les instants où l'élève suit les cours et les activités assimilées à des cours auprès du dispensateur de formation ;
8° l'endroit de la mise en oeuvre de la formation sur le lieu de travail ;
9° la référence à toutes les dispositions légales, réglementaires et conventionnelles, plus particulièrement les règles relatives à la sécurité sociale, à la législation du travail et relative au bien-être et aux assurances, s'appliquant à l'entreprise ;
10° la responsabilité limitée de l'élève en cas de dommages à l'entreprise ou à des tiers.
Font partie intégrante du contrat de formation en alternance :
1° le plan de formation établi par le dispensateur de formation en concertation avec l'entreprise ;
2° les droits et obligations de l'élève, de l'entreprise et du dispensateur de formation ;
3° le texte intégral des articles du présent décret pour ce qui est de la suspension et de la cessation du contrat de formation en alternance ;
4° le règlement de travail.
Le contrat ne peut pas comprendre des clauses qui limitent les droits de l'élève ou qui alourdissent ses obligations.
Afdeling 2. - Verbintenissen, rechten en plichten van de partijen
Section 2. - Engagements, droits et devoirs des parties
Art. 11. De onderneming:
1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding op een werkplek aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding in kwestie van toepassing is;
2° verbindt zich ertoe de professionalisering van de mentor te bevorderen;
3° [2 ...]2
4° betaalt aan de leerling een leervergoeding conform artikel 17, § 1;
5° zorgt ervoor dat de leerling de lessen kan volgen die noodzakelijk zijn voor zijn opleiding, en dat de leerling aan de activiteiten kan deelnemen die gelijkgesteld zijn met lessen;
6° waakt over het verloop van het opleidingstraject, volgt de vorderingen van de leerling op en is betrokken bij de evaluatie van de leerling;
7° geeft aan de trajectbegeleider alle nodige informatie over het verloop van de opleiding en de vorderingen van de leerling;
8° verbindt zich ertoe de vigerende wetgeving [1 over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1 na te leven;
9° waakt erover dat de mentor die uit hoofde van zijn opdracht toegang heeft tot persoonsgegevens van leerlingen, deze enkel zal aanwenden met betrekking tot de correcte uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding en zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na de beëindiging ervan geen enkele vertrouwelijke informatie met betrekking tot de leerling op welke wijze dan ook zal bekendmaken aan derden;
10° zorgt er als een goed huisvader voor dat de opleiding op de werkplek plaatsvindt in omstandigheden die voldoen aan de vereisten van de wetgeving over welzijn op het werk;
11° stelt aan de leerling de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werkkledij, collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking en staat in voor het onderhoud ervan zonder dat dat beschouwd mag worden als een voordeel in natura;
12° besteedt de nodige aandacht aan het onthaal, de opvang en de integratie van de leerling op de werkplek;
13° zorgt te allen tijde voor een aanspreekpunt voor de jongere;
14° laat de leerling geen taken verrichten die niets te maken hebben met het opleidingsplan, die gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn of die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen verboden zijn;
15° meldt elke wijziging van de beroepsactiviteit of de uitbatingszetel, die gevolgen heeft voor de opleiding van de leerling, binnen tien dagen aan de trajectbegeleider;
16° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider.
1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding op een werkplek aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding in kwestie van toepassing is;
2° verbindt zich ertoe de professionalisering van de mentor te bevorderen;
3° [2 ...]2
4° betaalt aan de leerling een leervergoeding conform artikel 17, § 1;
5° zorgt ervoor dat de leerling de lessen kan volgen die noodzakelijk zijn voor zijn opleiding, en dat de leerling aan de activiteiten kan deelnemen die gelijkgesteld zijn met lessen;
6° waakt over het verloop van het opleidingstraject, volgt de vorderingen van de leerling op en is betrokken bij de evaluatie van de leerling;
7° geeft aan de trajectbegeleider alle nodige informatie over het verloop van de opleiding en de vorderingen van de leerling;
8° verbindt zich ertoe de vigerende wetgeving [1 over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1 na te leven;
9° waakt erover dat de mentor die uit hoofde van zijn opdracht toegang heeft tot persoonsgegevens van leerlingen, deze enkel zal aanwenden met betrekking tot de correcte uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding en zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na de beëindiging ervan geen enkele vertrouwelijke informatie met betrekking tot de leerling op welke wijze dan ook zal bekendmaken aan derden;
10° zorgt er als een goed huisvader voor dat de opleiding op de werkplek plaatsvindt in omstandigheden die voldoen aan de vereisten van de wetgeving over welzijn op het werk;
11° stelt aan de leerling de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werkkledij, collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking en staat in voor het onderhoud ervan zonder dat dat beschouwd mag worden als een voordeel in natura;
12° besteedt de nodige aandacht aan het onthaal, de opvang en de integratie van de leerling op de werkplek;
13° zorgt te allen tijde voor een aanspreekpunt voor de jongere;
14° laat de leerling geen taken verrichten die niets te maken hebben met het opleidingsplan, die gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn of die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen verboden zijn;
15° meldt elke wijziging van de beroepsactiviteit of de uitbatingszetel, die gevolgen heeft voor de opleiding van de leerling, binnen tien dagen aan de trajectbegeleider;
16° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider.
Art. 11. L'entreprise :
1° s'engage à enseigner à l'élève des compétences de la formation sur le lieu du travail conformément au décret ou à la réglementation s'appliquant à la concrétisation de la formation en question ;
2° s'engage à stimuler la professionnalisation du tuteur ;
3° [2 ...]2;
4° paie à l'élève une allocation d'apprentissage conformément à l'article 17, § 1er ;
5° veille à ce que l'élève puisse suivre les cours étant nécessaires pour sa formation, et qu'il puisse participer aux activités assimilées à des cours ;
6° veille au déroulement du parcours de formation, suit les progrès de l'élève et est associé à l'évaluation de l'élève ;
7° donne à l'accompagnateur de parcours toutes les informations nécessaires sur le déroulement de la formation et les progrès de l'élève ;
8° s'engage à respecter la législation en vigueur [1 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1 ;
9° veille à ce que le tuteur ayant, de par le chef de sa charge, accès aux données personnelles d'élèves, ne les utilisera que dans le but d'une exécution correcte du contrat de formation en alternance et qu'il ne communiquera jamais des informations confidentielles à des tiers, de quelle manière que ce soit, ni pendant la durée du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
10° veille en bon père de famille à ce que la formation ait lieu sur le lieu de travail dans des conditions répondant aux exigences de la législation relative au bien-être au travail ;
11° met à la disposition de l'élève l'aide, les outils, matières premières, vêtements de travail, moyens de protection collectifs et personnels nécessaires et se charge de leur entretien, sans que cela ne puisse être considéré comme des avantages en nature ;
12° consacrer l'attention nécessaire à l'accueil et à l'intégration de l'élève sur le lieu de travail ;
13° garantit un point de contact permanent au jeune ;
14° ne confie pas à l'élève des tâches qui ne sont pas en rapport avec le plan de formation, qui peuvent être dangereuses ou nuisibles, ou qui sont interdites en vertu de dispositions légales ou réglementaires ;
15° communique à l'accompagnateur de parcours toute modification concernant l'activité professionnelle ou le siège d'exploitation, ayant des conséquences pour la formation de l'élève, et ce dans les dix jours ;
16° communique immédiatement à l'accompagnateur de parcours les problèmes qui émergent pendant l'exécution du contrat de formation en alternance.
1° s'engage à enseigner à l'élève des compétences de la formation sur le lieu du travail conformément au décret ou à la réglementation s'appliquant à la concrétisation de la formation en question ;
2° s'engage à stimuler la professionnalisation du tuteur ;
3° [2 ...]2;
4° paie à l'élève une allocation d'apprentissage conformément à l'article 17, § 1er ;
5° veille à ce que l'élève puisse suivre les cours étant nécessaires pour sa formation, et qu'il puisse participer aux activités assimilées à des cours ;
6° veille au déroulement du parcours de formation, suit les progrès de l'élève et est associé à l'évaluation de l'élève ;
7° donne à l'accompagnateur de parcours toutes les informations nécessaires sur le déroulement de la formation et les progrès de l'élève ;
8° s'engage à respecter la législation en vigueur [1 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel]1 ;
9° veille à ce que le tuteur ayant, de par le chef de sa charge, accès aux données personnelles d'élèves, ne les utilisera que dans le but d'une exécution correcte du contrat de formation en alternance et qu'il ne communiquera jamais des informations confidentielles à des tiers, de quelle manière que ce soit, ni pendant la durée du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
10° veille en bon père de famille à ce que la formation ait lieu sur le lieu de travail dans des conditions répondant aux exigences de la législation relative au bien-être au travail ;
11° met à la disposition de l'élève l'aide, les outils, matières premières, vêtements de travail, moyens de protection collectifs et personnels nécessaires et se charge de leur entretien, sans que cela ne puisse être considéré comme des avantages en nature ;
12° consacrer l'attention nécessaire à l'accueil et à l'intégration de l'élève sur le lieu de travail ;
13° garantit un point de contact permanent au jeune ;
14° ne confie pas à l'élève des tâches qui ne sont pas en rapport avec le plan de formation, qui peuvent être dangereuses ou nuisibles, ou qui sont interdites en vertu de dispositions légales ou réglementaires ;
15° communique à l'accompagnateur de parcours toute modification concernant l'activité professionnelle ou le siège d'exploitation, ayant des conséquences pour la formation de l'élève, et ce dans les dix jours ;
16° communique immédiatement à l'accompagnateur de parcours les problèmes qui émergent pendant l'exécution du contrat de formation en alternance.
Art. 12. De leerling:
1° verbindt zich ertoe om als regelmatige leerling met het oog op het behalen van de studiebekrachtiging:
a) het contactonderwijs bij de opleidingsverstrekker te volgen;
b) de opleiding op de werkplek onder het gezag en toezicht van de mentor te volgen;
2° sluit de overeenkomst en voert de overeenkomst uit met de bedoeling het opleidingstraject te voleindigen;
3° volgt zijn vorderingen op overeenkomstig de richtlijnen van de opleidingsverstrekker en de mentor;
4° verricht de opgedragen taken zorgvuldig, eerlijk en nauwgezet op de tijd, plaats en wijze die is overeengekomen;
5° handelt op de werkplek volgens de richtlijnen van de mentor;
6° onthoudt zich van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de collega's, de onderneming of derden;
7° geeft het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan de onderneming terug;
8° maakt geen fabrieksgeheimen, zakengeheimen en geheimen over persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden bekend, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
9° stelt geen daden van oneerlijke concurrentie of werkt daaraan niet mee, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
10° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider en de mentor.
1° verbindt zich ertoe om als regelmatige leerling met het oog op het behalen van de studiebekrachtiging:
a) het contactonderwijs bij de opleidingsverstrekker te volgen;
b) de opleiding op de werkplek onder het gezag en toezicht van de mentor te volgen;
2° sluit de overeenkomst en voert de overeenkomst uit met de bedoeling het opleidingstraject te voleindigen;
3° volgt zijn vorderingen op overeenkomstig de richtlijnen van de opleidingsverstrekker en de mentor;
4° verricht de opgedragen taken zorgvuldig, eerlijk en nauwgezet op de tijd, plaats en wijze die is overeengekomen;
5° handelt op de werkplek volgens de richtlijnen van de mentor;
6° onthoudt zich van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de collega's, de onderneming of derden;
7° geeft het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan de onderneming terug;
8° maakt geen fabrieksgeheimen, zakengeheimen en geheimen over persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden bekend, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
9° stelt geen daden van oneerlijke concurrentie of werkt daaraan niet mee, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;
10° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider en de mentor.
Art. 12. L'élève :
1° s'engage, comme élève régulier en vue d'obtenir la validation d'études :
a) à suivre l'enseignement de contact auprès du dispensateur de formation ;
b) à suivre la formation sur le lieu de travail sous l'autorité et le contrôle du tuteur ;
2° conclut le contrat et l'exécute dans le but d'accomplir le parcours de formation ;
3° assure le suivi de ses progrès conformément aux directives du dispensateur de formation et du tuteur ;
4° effectue de manière précise, honnête et méticuleuse les missions qui lui sont confiées aux heures et lieux et selon les modalités convenus ;
5° agit sur le lieu du travail conformément aux directives données par le tuteur ;
6° s'abstient de tout ce qui risque de porter atteinte à sa propre sécurité, celle des collègues, de l'entreprise ou de tiers ;
7° rend les outils confiés, les vêtements de travail et les matières premières non utilisées en bon état à l'entreprise ;
8° ne rend pas publics des secrets d'entreprise, secrets professionnels ou secrets relatifs à des matières personnelles ou confidentielles, ni pendant l'exécution du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
9° ne pose pas des actes de concurrence déloyale ou n'y collabore pas, ni pendant l'exécution du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
10° communique immédiatement à l'accompagnateur de parcours et au tuteur les problèmes qui émergent pendant l'exécution du contrat de formation en alternance.
1° s'engage, comme élève régulier en vue d'obtenir la validation d'études :
a) à suivre l'enseignement de contact auprès du dispensateur de formation ;
b) à suivre la formation sur le lieu de travail sous l'autorité et le contrôle du tuteur ;
2° conclut le contrat et l'exécute dans le but d'accomplir le parcours de formation ;
3° assure le suivi de ses progrès conformément aux directives du dispensateur de formation et du tuteur ;
4° effectue de manière précise, honnête et méticuleuse les missions qui lui sont confiées aux heures et lieux et selon les modalités convenus ;
5° agit sur le lieu du travail conformément aux directives données par le tuteur ;
6° s'abstient de tout ce qui risque de porter atteinte à sa propre sécurité, celle des collègues, de l'entreprise ou de tiers ;
7° rend les outils confiés, les vêtements de travail et les matières premières non utilisées en bon état à l'entreprise ;
8° ne rend pas publics des secrets d'entreprise, secrets professionnels ou secrets relatifs à des matières personnelles ou confidentielles, ni pendant l'exécution du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
9° ne pose pas des actes de concurrence déloyale ou n'y collabore pas, ni pendant l'exécution du contrat, ni après la cessation de celui-ci ;
10° communique immédiatement à l'accompagnateur de parcours et au tuteur les problèmes qui émergent pendant l'exécution du contrat de formation en alternance.
Art. 13. De opleidingsverstrekker:
1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding in de vorm van lessen of activiteiten die daarmee gelijkgesteld zijn, aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding van toepassing is;
2° onderhandelt over de overeenkomst, maakt de overeenkomst op en begeleidt de toepassing ervan;
3° voorziet in trajectbegeleiding voor de leerling over het hele opleidingstraject;
4° bewaakt de competentieverwerving in samenspraak met de mentor;
5° houdt tijdens de periodes waarin de leerling de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de opleidingsverstrekker bij wie de leerling is ingeschreven, voor de leerling bereikbaar. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden;
6° levert maximale inspanningen om na de beëindiging van een overeenkomst van alternerende opleiding voor de leerling een nieuwe overeenkomst van alternerende opleiding te sluiten;
7° bezorgt aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de gevraagde gegevens voor zijn jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duale leren in Vlaanderen.
[1 8° bezorgt een exemplaar van de overeenkomst van alternerende opleiding aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.]1
1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding in de vorm van lessen of activiteiten die daarmee gelijkgesteld zijn, aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding van toepassing is;
2° onderhandelt over de overeenkomst, maakt de overeenkomst op en begeleidt de toepassing ervan;
3° voorziet in trajectbegeleiding voor de leerling over het hele opleidingstraject;
4° bewaakt de competentieverwerving in samenspraak met de mentor;
5° houdt tijdens de periodes waarin de leerling de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de opleidingsverstrekker bij wie de leerling is ingeschreven, voor de leerling bereikbaar. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden;
6° levert maximale inspanningen om na de beëindiging van een overeenkomst van alternerende opleiding voor de leerling een nieuwe overeenkomst van alternerende opleiding te sluiten;
7° bezorgt aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de gevraagde gegevens voor zijn jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duale leren in Vlaanderen.
[1 8° bezorgt een exemplaar van de overeenkomst van alternerende opleiding aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.]1
Art. 13. Le dispensateur de formation :
1° s'engage à enseigner à l'élève des compétences de la formation sous forme de cours ou d'activités y assimilées, conformément au décret ou à la réglementation s'appliquant à la concrétisation de la formation en question ;
2° négocie le contrat, établit le contrat et assure l'accompagnement de l'application de celui-ci ;
3° pourvoit en l'accompagnement de parcours de l'élève tout au long du parcours de formation ;
4° veille à l'acquisition d'expérience professionnelle en concertation avec le tuteur ;
5° veille à ce que, pendant les périodes que l'élève remplit effectivement la composante lieu de travail, un représentant du dispensateur de formation où l'élève est inscrit puisse toujours être contacté par l'élève. Cette obligation ne peut toutefois pas porter préjudice aux droits statutaires des membres du personnel individuellement ;
6° s'efforce au maximum à conclure pour un élève, après la cessation d'un contrat de formation en alternance, un nouveau contrat de formation en alternance ;
7° transmet au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " les données sollicitées pour son rapport de monitoring annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre.
[1 8° transmet un exemplaire du contrat de formation en alternance au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ".]1
1° s'engage à enseigner à l'élève des compétences de la formation sous forme de cours ou d'activités y assimilées, conformément au décret ou à la réglementation s'appliquant à la concrétisation de la formation en question ;
2° négocie le contrat, établit le contrat et assure l'accompagnement de l'application de celui-ci ;
3° pourvoit en l'accompagnement de parcours de l'élève tout au long du parcours de formation ;
4° veille à l'acquisition d'expérience professionnelle en concertation avec le tuteur ;
5° veille à ce que, pendant les périodes que l'élève remplit effectivement la composante lieu de travail, un représentant du dispensateur de formation où l'élève est inscrit puisse toujours être contacté par l'élève. Cette obligation ne peut toutefois pas porter préjudice aux droits statutaires des membres du personnel individuellement ;
6° s'efforce au maximum à conclure pour un élève, après la cessation d'un contrat de formation en alternance, un nouveau contrat de formation en alternance ;
7° transmet au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " les données sollicitées pour son rapport de monitoring annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre.
[1 8° transmet un exemplaire du contrat de formation en alternance au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ".]1
Wijzigingen
Art. 14. De onderneming moet zich schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die van toepassing zijn op de onderneming.
Art. 14. L'entreprise doit se conformer à toutes les dispositions légales, réglementaires et conventionnelles, plus particulièrement les règles relatives à la sécurité sociale, à la législation du travail et relative au bien-être et aux assurances, s'appliquant à l'entreprise.
Art. 15. De tijd die de leerling moet besteden aan de uitvoering van zijn overeenkomst van alternerende opleiding in haar totaliteit, overeenkomstig het uurrooster, vermeld in artikel 10, eerste lid, 7°, van dit decreet, mag niet meer bedragen dan de maximale arbeidsduur, vermeld in de Arbeidswet van 16 maart 1971, of, krachtens die wet, in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke arbeidsreglement.
Art. 15. Le temps que l'élève doit consacrer à l'exécution de son contrat de formation en alternance en sa totalité, selon l'horaire de cours visé à l'article 1er, alinéa premier, 7°, du présent décret, ne peut excéder la durée de travail maximale visée dans la Loi sur le Travail du 16 mars 1971, ou en vertu de ladite loi, dans la convention collective de travail applicable ou le règlement de travail applicable.
Art. 16. § 1. Als de leerling bij de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.
Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.
[1 De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld]1.
De onderneming is een aansteller [1 als vermeld in artikel 6.14, § 1,]1 van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van deze paragraaf strijdige bedingen zijn nietig.
§ 2. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.
Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.
[1 De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de minderjarige leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de leerling conform de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld]1.
De onderneming is een aansteller [1 als vermeld in artikel 6.14, § 1,]1 van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van deze paragraaf strijdige bedingen zijn nietig.
§ 2. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.
Art. 16. § 1er. Si, pendant l'exercice du contrat de formation en alternance, l'élève cause des dommages à l'entreprise ou à des tiers ou s'il livre un travail défectueux, il ne sera responsable qu'en cas de fraude ou de faute grave.
Il ne doit répondre de faute légère que si cette faute se manifeste plutôt habituellement que par hasard.
[1 La responsabilité des titulaires de l'autorité sur la personne des mineurs, visée à l'article 6.12 du Code civil, s'applique uniquement lorsque l'élève mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés aux alinéas 1er et 2. La responsabilité des personnes chargées de la surveillance d'autrui, visée à l'article 6.13 du Code civil, s'applique uniquement lorsque l'élève peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés aux alinéas 1er et 2]1.
L'entreprise est un commettant [1 tel que visé à l'article 6.14, § 1er,]1 du Code civil.
Toutes les clauses contraires aux dispositions du présent paragraphe sont nulles.
§ 2. L'élève n'est pas responsable pour les dommages ou l'usure dus à l'usage régulier de l'objet, ni pour la perte accidentelle de celui-ci.
Il ne doit répondre de faute légère que si cette faute se manifeste plutôt habituellement que par hasard.
[1 La responsabilité des titulaires de l'autorité sur la personne des mineurs, visée à l'article 6.12 du Code civil, s'applique uniquement lorsque l'élève mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés aux alinéas 1er et 2. La responsabilité des personnes chargées de la surveillance d'autrui, visée à l'article 6.13 du Code civil, s'applique uniquement lorsque l'élève peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas visés aux alinéas 1er et 2]1.
L'entreprise est un commettant [1 tel que visé à l'article 6.14, § 1er,]1 du Code civil.
Toutes les clauses contraires aux dispositions du présent paragraphe sont nulles.
§ 2. L'élève n'est pas responsable pour les dommages ou l'usure dus à l'usage régulier de l'objet, ni pour la perte accidentelle de celui-ci.
Wijzigingen
Art. 17. § 1. De leerling ontvangt maandelijks een leervergoeding van de onderneming.
De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte, de wijze van toekenning en de berekeningswijze van de leervergoeding.
§ 2. De leervergoeding is door de onderneming verschuldigd, zowel voor de opleiding in de onderneming als voor het volgen van de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen.
[1 Als de onderneming met toepassing van artikel 6bis een onderdeel van de opleiding overlaat aan een andere erkende onderneming, blijft zij de leervergoeding verschuldigd voor de dagen dat de leerling in die andere onderneming wordt opgeleid.]1
§ 3. De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de leervergoeding.
§ 4. De onderneming die de overeenkomst beëindigt op een wijze die strijdig is met de bepalingen van dit decreet, is een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor een maand.
De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte, de wijze van toekenning en de berekeningswijze van de leervergoeding.
§ 2. De leervergoeding is door de onderneming verschuldigd, zowel voor de opleiding in de onderneming als voor het volgen van de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen.
[1 Als de onderneming met toepassing van artikel 6bis een onderdeel van de opleiding overlaat aan een andere erkende onderneming, blijft zij de leervergoeding verschuldigd voor de dagen dat de leerling in die andere onderneming wordt opgeleid.]1
§ 3. De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de leervergoeding.
§ 4. De onderneming die de overeenkomst beëindigt op een wijze die strijdig is met de bepalingen van dit decreet, is een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor een maand.
Art. 17. § 1er. L'élève reçoit chaque mois une allocation d'apprentissage de l'entreprise.
Le Gouvernement flamand détermine le mode d'attribution et le mode de calcul de l'allocation d'apprentissage.
§ 2. L'allocation d'apprentissage est due par l'entreprise, tant pour la formation dans l'entreprise que pour les cours à suivre et les activités assimilées à des cours.
[1 Si l'entreprise laisse une partie de la formation à une autre entreprise agréée, en application de l'article 6bis, elle doit continuer à payer l'allocation d'apprentissage pour les jours auxquels l'élève reçoit sa formation dans l'autre entreprise.]1
§ 3. Les dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs salariés s'appliquent à l'allocation d'apprentissage.
§ 4. L'entreprise qui met fin au contrat selon des modalités contraires aux dispositions du présent décret, est tenu au paiement d'une allocation qui correspond à une allocation d'apprentissage d'un mois.
Le Gouvernement flamand détermine le mode d'attribution et le mode de calcul de l'allocation d'apprentissage.
§ 2. L'allocation d'apprentissage est due par l'entreprise, tant pour la formation dans l'entreprise que pour les cours à suivre et les activités assimilées à des cours.
[1 Si l'entreprise laisse une partie de la formation à une autre entreprise agréée, en application de l'article 6bis, elle doit continuer à payer l'allocation d'apprentissage pour les jours auxquels l'élève reçoit sa formation dans l'autre entreprise.]1
§ 3. Les dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs salariés s'appliquent à l'allocation d'apprentissage.
§ 4. L'entreprise qui met fin au contrat selon des modalités contraires aux dispositions du présent décret, est tenu au paiement d'une allocation qui correspond à une allocation d'apprentissage d'un mois.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding
Section 3. - Suspension de l'exécution du contrat de formation en alternance
Art. 18. De uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde gevallen, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding behoudt de leerling de leervergoeding onder dezelfde waarborgen als die welke gelden voor het loon van een werknemer met een arbeidsovereenkomst.
Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding behoudt de leerling de leervergoeding onder dezelfde waarborgen als die welke gelden voor het loon van een werknemer met een arbeidsovereenkomst.
Art. 18. L'exécution du contrat de formation en alternance est suspendue dans les mêmes cas et aux mêmes conditions prévus par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Pendant la suspension de l'exécution du contrat de formation en alternance, l'élève maintient l'allocation d'apprentissage aux mêmes conditions que celles prévues pour le salaire d'un travailleur engagé sous les liens d'un contrat de travail.
Pendant la suspension de l'exécution du contrat de formation en alternance, l'élève maintient l'allocation d'apprentissage aux mêmes conditions que celles prévues pour le salaire d'un travailleur engagé sous les liens d'un contrat de travail.
Art. 19. [1 De leerling volgt de schoolvakantieregeling zoals bepaald in artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In afwijking hiervan:
1° kan het sectoraal partnerschap in de betrokken sector, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, omwille van seizoensgebonden activiteiten een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling vastleggen die door de Vlaamse Regering wordt goedgekeurd;
2° kunnen de partijen overeenkomen dat de leerling omwille van een leeropportuniteit wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie;
3° kan het sectoraal partnerschap, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, in consensus de schoolvakantieregeling in een opleiding van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd, de kwalificatiefase en integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3, in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs verminderen tot twaalf schoolvakantieweken. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor criteria op voorstel van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren. In sectoren waar er een sectoraal partnerschap is, doet het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het voorstel na advies van dit Sectoraal partnerschap;
4° wordt de schoolvakantie gereduceerd tot acht schoolvakantieweken op schooljaarbasis voor leerlingen in een duaal structuuronderdeel ingericht op niveau van Se-n-Se of het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs, al dan niet ingericht in de vorm van een specialisatie.
De leerling die met toepassing van het eerste lid, 1° of 2°, wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie, moet deze opleidingsdagen recupereren tijdens de lesweken op dagen waarop hij volgens het uurrooster in de onderneming moet worden opgeleid en dit binnen hetzelfde schooljaar.
De vakantiedagen zijn onbetaald met uitzondering van de vakantiedagen die de leerling opbouwt conform de regelgeving inzake betaalde vakantie die op hem van toepassing is.
[2 De betaalde vakantiedagen, vermeld in het derde lid, moeten worden opgenomen in de volgende gevallen:
1° tijdens de schoolvakanties;
2° tijdens de lesweken op dagen dat de leerling niet kan worden opgeleid in de onderneming door collectieve sluiting wegens jaarlijkse vakantie en na uitputting van de recuperatie, vermeld in het tweede lid.]2]1
1° kan het sectoraal partnerschap in de betrokken sector, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, omwille van seizoensgebonden activiteiten een structurele afwijking op de schoolvakantieregeling vastleggen die door de Vlaamse Regering wordt goedgekeurd;
2° kunnen de partijen overeenkomen dat de leerling omwille van een leeropportuniteit wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie;
3° kan het sectoraal partnerschap, of bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren op verzoek van een onderneming, in consensus de schoolvakantieregeling in een opleiding van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de leertijd, de kwalificatiefase en integratiefase van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3, in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs verminderen tot twaalf schoolvakantieweken. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor criteria op voorstel van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren. In sectoren waar er een sectoraal partnerschap is, doet het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het voorstel na advies van dit Sectoraal partnerschap;
4° wordt de schoolvakantie gereduceerd tot acht schoolvakantieweken op schooljaarbasis voor leerlingen in een duaal structuuronderdeel ingericht op niveau van Se-n-Se of het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds secundair onderwijs, al dan niet ingericht in de vorm van een specialisatie.
De leerling die met toepassing van het eerste lid, 1° of 2°, wordt opgeleid tijdens een schoolvakantie, moet deze opleidingsdagen recupereren tijdens de lesweken op dagen waarop hij volgens het uurrooster in de onderneming moet worden opgeleid en dit binnen hetzelfde schooljaar.
De vakantiedagen zijn onbetaald met uitzondering van de vakantiedagen die de leerling opbouwt conform de regelgeving inzake betaalde vakantie die op hem van toepassing is.
[2 De betaalde vakantiedagen, vermeld in het derde lid, moeten worden opgenomen in de volgende gevallen:
1° tijdens de schoolvakanties;
2° tijdens de lesweken op dagen dat de leerling niet kan worden opgeleid in de onderneming door collectieve sluiting wegens jaarlijkse vakantie en na uitputting van de recuperatie, vermeld in het tweede lid.]2]1
Art. 19. [1 L'élève suit le régime des vacances scolaires tel que visé à l'article 12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ; ". Par dérogation à cette règle:
1° le partenariat sectoriel ou en l'absence d'un partenariat sectoriel le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, en raison d'activités saisonnières, autoriser une dérogation structurelle au régime des vacances scolaires qui doit être approuvée par le Gouvernement flamand ;
2° les parties peuvent convenir que l'élève sera formé pendant les vacances scolaires en raison d'une opportunité d'apprentissage ;
3° le partenariat sectoriel, ou en l'absence de partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, par consensus, réduire à douze semaines de vacances scolaires, le régime des vacances scolaires dans une formation de l'enseignement professionnel secondaire à temps partiel, dans l'apprentissage, dans la phase de qualification et la phase d'intégration de l'enseignement secondaire spécial forme de formation 3, dans les première et deuxième années d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein. Le Gouvernement flamand définit les critères à cet effet sur la proposition du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". Dans les secteurs où il existe un partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " fait la proposition après avis de ce partenariat sectoriel ;
4° les vacances scolaires sont réduites à huit semaines de vacances scolaires par année scolaire pour les élèves d'une subdivision structurelle duale organisée au niveau de Se-n-Se ou de la troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein, qu'elle soit ou non organisée sous la forme d'une spécialisation.
L'élève qui est formé conformément à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, pendant les vacances scolaires, doit récupérer ces jours de formation pendant les semaines de cours aux jours où il doit être formé dans l'entreprise selon l'horaire, et ce, au cours de la même année scolaire.
Les jours de vacances ne sont pas payés, à l'exception des jours de vacances accumulés par l'élève conformément aux règles sur les vacances payées qui lui sont applicables.
[2 Les jours de vacances payés, visés à l'alinéa trois, doivent être pris dans les cas suivants :
1° pendant les vacances scolaires ;
2° pendant les semaines de cours aux jours où l'élève ne peut pas être formé dans l'entreprise en raison d'une fermeture collective pour vacances annuelles et après l'épuisement de la récupération visée à l'alinéa deux.]2]1
1° le partenariat sectoriel ou en l'absence d'un partenariat sectoriel le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, en raison d'activités saisonnières, autoriser une dérogation structurelle au régime des vacances scolaires qui doit être approuvée par le Gouvernement flamand ;
2° les parties peuvent convenir que l'élève sera formé pendant les vacances scolaires en raison d'une opportunité d'apprentissage ;
3° le partenariat sectoriel, ou en l'absence de partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut, à la demande d'une entreprise, par consensus, réduire à douze semaines de vacances scolaires, le régime des vacances scolaires dans une formation de l'enseignement professionnel secondaire à temps partiel, dans l'apprentissage, dans la phase de qualification et la phase d'intégration de l'enseignement secondaire spécial forme de formation 3, dans les première et deuxième années d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein. Le Gouvernement flamand définit les critères à cet effet sur la proposition du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". Dans les secteurs où il existe un partenariat sectoriel, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " fait la proposition après avis de ce partenariat sectoriel ;
4° les vacances scolaires sont réduites à huit semaines de vacances scolaires par année scolaire pour les élèves d'une subdivision structurelle duale organisée au niveau de Se-n-Se ou de la troisième année du troisième degré de l'enseignement secondaire à temps plein, qu'elle soit ou non organisée sous la forme d'une spécialisation.
L'élève qui est formé conformément à l'alinéa 1er, 1° ou 2°, pendant les vacances scolaires, doit récupérer ces jours de formation pendant les semaines de cours aux jours où il doit être formé dans l'entreprise selon l'horaire, et ce, au cours de la même année scolaire.
Les jours de vacances ne sont pas payés, à l'exception des jours de vacances accumulés par l'élève conformément aux règles sur les vacances payées qui lui sont applicables.
[2 Les jours de vacances payés, visés à l'alinéa trois, doivent être pris dans les cas suivants :
1° pendant les vacances scolaires ;
2° pendant les semaines de cours aux jours où l'élève ne peut pas être formé dans l'entreprise en raison d'une fermeture collective pour vacances annuelles et après l'épuisement de la récupération visée à l'alinéa deux.]2]1
Art. 20. [2 In afwijking van artikel 17, § 2, eerste lid, is de onderneming in de volgende gevallen geen leervergoeding verschuldigd voor het volgen van de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen:
1° tijdens het facultatief gedeelte van het pre-en postnataal verlof als de leerling de lescomponent volgt maar niet de werkplekcomponent;
2° bij profylactisch verlof van de leerling tijdens de werkplekcomponent;
3° bij tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid waarbij de leerling niet geschikt wordt bevonden om opgeleid te worden tijdens de werkplekcomponent, maar wel tijdens de lescomponent en na eventuele uitputting van de gewaarborgde leervergoeding.]2
[1 In afwijking van artikel 18, tweede lid, is de onderneming in de volgende gevallen geen leervergoeding verschuldigd:
1° bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte;
2° bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor arbeidsongeschiktheidsdagen die samenvallen met onbetaalde vakantiedagen zoals vermeld in artikel 19, derde lid.]1
1° tijdens het facultatief gedeelte van het pre-en postnataal verlof als de leerling de lescomponent volgt maar niet de werkplekcomponent;
2° bij profylactisch verlof van de leerling tijdens de werkplekcomponent;
3° bij tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid waarbij de leerling niet geschikt wordt bevonden om opgeleid te worden tijdens de werkplekcomponent, maar wel tijdens de lescomponent en na eventuele uitputting van de gewaarborgde leervergoeding.]2
[1 In afwijking van artikel 18, tweede lid, is de onderneming in de volgende gevallen geen leervergoeding verschuldigd:
1° bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte;
2° bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor arbeidsongeschiktheidsdagen die samenvallen met onbetaalde vakantiedagen zoals vermeld in artikel 19, derde lid.]1
Art. 20. [2 Par dérogation à l'article 17, § 2, alinéa premier, l'entreprise est dispensée de payer une allocation d'apprentissage pour les cours à suivre et les activités assimilées à des cours, dans les cas suivants :
1° pendant la partie facultative du congé prénatal et postnatal si l'élève suit la composante cours mais non pas la composante lieu de travail ;
2° en cas de congé prophylactique de l'élève pendant la composante lieu de travail ;
3° en cas d'incapacité de travail partielle temporaire lorsqu'un élève est déclaré inapte à être formé pendant la composante lieu de travail, mais apte à être formé pendant la composante cours et après l'épuisement éventuel de l'allocation d'apprentissage garantie.]2
[1 Par dérogation à l'article 18, alinéa 2, l'entreprise est dispensée de payer une allocation d'apprentissage dans les cas suivants :
1° en cas d'incapacité de travail due à un accident du travail ou une maladie professionnelle ;
2° en cas d'incapacité de travail pour cause de maladie pour les jours d'incapacité de travail coïncidant avec les jours de vacances non payés visés à l'article 19, alinéa 3.]1
1° pendant la partie facultative du congé prénatal et postnatal si l'élève suit la composante cours mais non pas la composante lieu de travail ;
2° en cas de congé prophylactique de l'élève pendant la composante lieu de travail ;
3° en cas d'incapacité de travail partielle temporaire lorsqu'un élève est déclaré inapte à être formé pendant la composante lieu de travail, mais apte à être formé pendant la composante cours et après l'épuisement éventuel de l'allocation d'apprentissage garantie.]2
[1 Par dérogation à l'article 18, alinéa 2, l'entreprise est dispensée de payer une allocation d'apprentissage dans les cas suivants :
1° en cas d'incapacité de travail due à un accident du travail ou une maladie professionnelle ;
2° en cas d'incapacité de travail pour cause de maladie pour les jours d'incapacité de travail coïncidant avec les jours de vacances non payés visés à l'article 19, alinéa 3.]1
Art. 21. De uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst:
1° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 1°, of artikel 123/11, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 tijdelijk uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker;
2° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 2°, of artikel 123/11, § 1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 definitief uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker en de leerling tegen deze uitsluiting een ontvankelijk beroep heeft ingesteld;
3° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 2, of artikel 123/11, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 door de opleidingsverstrekker preventief geschorst wordt.
Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding in de gevallen vermeld in het eerste lid, is de onderneming geen leervergoeding verschuldigd aan de leerling.
1° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 1°, of artikel 123/11, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 tijdelijk uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker;
2° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 2°, of artikel 123/11, § 1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 definitief uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker en de leerling tegen deze uitsluiting een ontvankelijk beroep heeft ingesteld;
3° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 2, of artikel 123/11, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 door de opleidingsverstrekker preventief geschorst wordt.
Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding in de gevallen vermeld in het eerste lid, is de onderneming geen leervergoeding verschuldigd aan de leerling.
Art. 21. L'exécution du contrat de formation en alternance est suspendue :
1° si l'élève est temporairement suspendu par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 1er, 1°, ou à l'article 123/11, § 1er, 1°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
2° si l'élève est définitivement exclu par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 1er, 2°, ou à l'article 123/11, § 1er, 2°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 et si l'élève a introduit un recours recevable contre cette exclusion ;
3° si l'élève est suspendu à titre préventif par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 2, ou à l'article 123/11, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010.
Dans les cas cités à l'alinéa 1er, l'entreprise n'est pas redevable d'une allocation d'apprentissage à l'élève pendant la suspension de l'exécution du contrat de formation en alternance.
1° si l'élève est temporairement suspendu par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 1er, 1°, ou à l'article 123/11, § 1er, 1°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
2° si l'élève est définitivement exclu par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 1er, 2°, ou à l'article 123/11, § 1er, 2°, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 et si l'élève a introduit un recours recevable contre cette exclusion ;
3° si l'élève est suspendu à titre préventif par le dispensateur de formation conformément à l'article 123/10, § 2, ou à l'article 123/11, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010.
Dans les cas cités à l'alinéa 1er, l'entreprise n'est pas redevable d'une allocation d'apprentissage à l'élève pendant la suspension de l'exécution du contrat de formation en alternance.
Art. 22. Als de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding meer dan veertien dagen geschorst wordt, moet de onderneming de trajectbegeleider op de hoogte brengen.
Als na een schorsing van meer dan veertien dagen de uitvoering van de overeenkomst wordt hervat, moet de onderneming uiterlijk drie dagen na de hervatting de trajectbegeleider op de hoogte brengen.
Als na een schorsing van meer dan veertien dagen de uitvoering van de overeenkomst wordt hervat, moet de onderneming uiterlijk drie dagen na de hervatting de trajectbegeleider op de hoogte brengen.
Art. 22. Si l'exécution du contrat de formation en alternance est suspendue pour une période dépassant quatorze jours, l'entreprise doit en aviser l'accompagnateur de parcours.
Si l'exécution du contrat est reprise après une suspension de plus de quatorze jours, l'entreprise doit en aviser l'accompagnateur de parcours au plus tard trois jours après la reprise.
Si l'exécution du contrat est reprise après une suspension de plus de quatorze jours, l'entreprise doit en aviser l'accompagnateur de parcours au plus tard trois jours après la reprise.
Afdeling 4. - Beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding
Section 4. - Cessation du contrat de formation en alternance
Art. 23. Met behoud van de toepassing van de wijzen waarop verbintenissen in het algemeen eindigen, neemt de uitvoering van de overeenkomst een einde:
1° als de termijn verstreken is;
2° als de leerling de opleiding met vrucht heeft beëindigd;
3° als de mentor overlijdt en geen andere mentor kan worden aangesteld;
4° als er overmacht is, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk wordt;
5° op verzoek van de leerling in geval van faillissement of na overname van de onderneming, tenzij de overeenkomst door het overnemende bedrijf overgenomen wordt. Dat laatste is alleen mogelijk als ook het overnemende bedrijf aan alle voorwaarden voldoet;
6° als de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst langer dan zestig dagen aanhoudt en de ondernemer of de leerling de wens uit de overeenkomst niet verder uit te voeren;
7° bij definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel van de onderwijs- of opleidingsverstrekker, in voorkomend geval na de uitputting van het beroep, vermeld in artikel 123/12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
8° bij vroegtijdige stopzetting van de opleiding;
9° als de erkenning van de onderneming wordt opgeheven.
[1 10° als de opleidingsverstrekker conform artikel 110/11, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 de leerling heeft ingeschreven onder ontbindende voorwaarde en de inschrijving ontbindt.]1
1° als de termijn verstreken is;
2° als de leerling de opleiding met vrucht heeft beëindigd;
3° als de mentor overlijdt en geen andere mentor kan worden aangesteld;
4° als er overmacht is, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk wordt;
5° op verzoek van de leerling in geval van faillissement of na overname van de onderneming, tenzij de overeenkomst door het overnemende bedrijf overgenomen wordt. Dat laatste is alleen mogelijk als ook het overnemende bedrijf aan alle voorwaarden voldoet;
6° als de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst langer dan zestig dagen aanhoudt en de ondernemer of de leerling de wens uit de overeenkomst niet verder uit te voeren;
7° bij definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel van de onderwijs- of opleidingsverstrekker, in voorkomend geval na de uitputting van het beroep, vermeld in artikel 123/12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
8° bij vroegtijdige stopzetting van de opleiding;
9° als de erkenning van de onderneming wordt opgeheven.
[1 10° als de opleidingsverstrekker conform artikel 110/11, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 de leerling heeft ingeschreven onder ontbindende voorwaarde en de inschrijving ontbindt.]1
Art. 23. Sans préjudice de l'application des modalités selon lesquelles les engagements prennent généralement fin, il est mis fin au contrat :
1° lorsque le délai a expiré ;
2° lorsque l'élève a terminé avec succès la formation ;
3° en cas de décès du tuteur et si aucun autre tuteur ne peut être désigné ;
4° en cas de force majeur, rendant définitivement impossible l'exécution du contrat ;
5° à la demande de l'élève, en cas de faillite ou après reprise de l'entreprise, à moins que le contrat ne soit repris par l'entreprise repreneuse. Cela n'est possible que si l'entreprise repreneuse elle aussi remplit toutes les conditions ;
6° si la suspension de l'exécution du contrat a une durée de plus de soixante jours et si l'entrepreneur ou l'élève exprime le souhait de résilier le contrat ;
7° lors d'une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire par le dispensateur d'enseignement ou de formation, le cas échéant après l'épuisement du recours visé à l'article 123/12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
8° lors d'un arrêté précoce de la formation ;
9° lorsque l'agrément de l'entreprise est abrogé.
[1 10° si le dispensateur de formation a inscrit l'élève sous condition résolutoire, conformément à l'article 110/11, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, et dissout l'inscription.]1
1° lorsque le délai a expiré ;
2° lorsque l'élève a terminé avec succès la formation ;
3° en cas de décès du tuteur et si aucun autre tuteur ne peut être désigné ;
4° en cas de force majeur, rendant définitivement impossible l'exécution du contrat ;
5° à la demande de l'élève, en cas de faillite ou après reprise de l'entreprise, à moins que le contrat ne soit repris par l'entreprise repreneuse. Cela n'est possible que si l'entreprise repreneuse elle aussi remplit toutes les conditions ;
6° si la suspension de l'exécution du contrat a une durée de plus de soixante jours et si l'entrepreneur ou l'élève exprime le souhait de résilier le contrat ;
7° lors d'une exclusion définitive à titre de mesure disciplinaire par le dispensateur d'enseignement ou de formation, le cas échéant après l'épuisement du recours visé à l'article 123/12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ;
8° lors d'un arrêté précoce de la formation ;
9° lorsque l'agrément de l'entreprise est abrogé.
[1 10° si le dispensateur de formation a inscrit l'élève sous condition résolutoire, conformément à l'article 110/11, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, et dissout l'inscription.]1
Wijzigingen
Art. 24. Bij een vroegtijdige beëindiging brengt de trajectbegeleider het Vlaams Partnerschap Duaal Leren hiervan op de hoogte.
Art. 24. Lors d'une cessation précoce, l'accompagnateur de parcours en avise le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ".
Art. 25. Tijdens de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding kan de onderneming of de leerling de overeenkomst van alternerende opleiding opzeggen. Er moet wel een opzegtermijn van zeven dagen in acht worden genomen, die ingaat de dag na de ontvangst van de schriftelijke opzegging.
Als de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst tijdens de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst, wordt de periode van de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst verlengd met de duur van de schorsing.
Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst voor of tijdens de opzegtermijn schorst de opzegtermijn niet.
Als de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst tijdens de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst, wordt de periode van de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst verlengd met de duur van de schorsing.
Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst voor of tijdens de opzegtermijn schorst de opzegtermijn niet.
Art. 25. Durant les trente premiers jours de l'exécution du contrat de formation en alternance, l'entreprise ou l'élève ont la possibilité de résilier le contrat de formation en alternance. Il faut toutefois respecter un délai de préavis de sept jours, commençant le lendemain de la réception de la résiliation écrite.
Si l'exécution du contrat de formation en alternance est suspendue pendant les trente premiers jours de la mise en oeuvre du contrat, la période des trente premiers jours de l'exécution du contrat est prolongée de la durée de la suspension.
Une suspension de l'exécution du contrat avant ou pendant le délai de préavis ne suspend pas le délai de préavis.
Si l'exécution du contrat de formation en alternance est suspendue pendant les trente premiers jours de la mise en oeuvre du contrat, la période des trente premiers jours de l'exécution du contrat est prolongée de la durée de la suspension.
Une suspension de l'exécution du contrat avant ou pendant le délai de préavis ne suspend pas le délai de préavis.
Art. 26. § 1. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen het bestaan van een reden inroepen die de verbreking van de uitvoering van de overeenkomst wettigt, als de leerling, respectievelijk onderneming, ernstig tekortschiet in de verplichtingen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst, als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren of als de leerling wil overschakelen naar een andere opleiding.
§ 2. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger moeten de reden, vermeld in paragraaf 1, schriftelijk mededelen aan de trajectbegeleider. De trajectbegeleider bemiddelt en probeert de partijen te verzoenen. Daarvoor beschikt de trajectbegeleider over een termijn van maximaal drie weken. Die termijn neemt een aanvang vanaf de ontvangst van de schriftelijke mededeling. Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst tijdens de verzoeningstermijn schorst de verzoeningstermijn niet.
Tijdens de verzoeningstermijn moeten de partijen de uitvoering van de overeenkomst voortzetten.
Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.
Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, ook effectief overgaan tot de beëindiging van de overeenkomst. De beëindiging gaat in de dag na de ontvangst van de schriftelijke mededeling.
§ 3. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren [1 als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van alternerende opleiding niet wettigt of als hij van oordeel is dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd]1.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat [1 de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding door de onderneming niet wettigt of als het oordeelt dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd,]1 is aan de leerling die beroep heeft aangetekend een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.
§ 2. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger moeten de reden, vermeld in paragraaf 1, schriftelijk mededelen aan de trajectbegeleider. De trajectbegeleider bemiddelt en probeert de partijen te verzoenen. Daarvoor beschikt de trajectbegeleider over een termijn van maximaal drie weken. Die termijn neemt een aanvang vanaf de ontvangst van de schriftelijke mededeling. Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst tijdens de verzoeningstermijn schorst de verzoeningstermijn niet.
Tijdens de verzoeningstermijn moeten de partijen de uitvoering van de overeenkomst voortzetten.
Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.
Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, ook effectief overgaan tot de beëindiging van de overeenkomst. De beëindiging gaat in de dag na de ontvangst van de schriftelijke mededeling.
§ 3. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren [1 als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van alternerende opleiding niet wettigt of als hij van oordeel is dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd]1.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.
Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat [1 de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding door de onderneming niet wettigt of als het oordeelt dat de overeenkomst niet conform paragraaf 2 of artikel 25 is beëindigd,]1 is aan de leerling die beroep heeft aangetekend een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.
Art. 26. § 1er. L'entreprise ou l'élève ou son représentant légal peuvent invoquer l'existence d'un motif justifiant la cessation de l'exécution du contrat, lorsque l'élève, respectivement l'entreprise manquent gravement à leurs obligations en matière d'exécution du contrat, s'il y a des circonstances entravant gravement le bon déroulement de la formation sur le lieu de travail ou si l'élève souhaite changer de formation.
§ 2. L'entreprise ou l'élève ou son représentant légal doivent communiquer le motif visé au paragraphe 1er, par écrit, à l'accompagnateur de parcours. L'accompagnateur de parcours intervient comme médiateur et essaie de réconcilier les parties. Pour ce faire, l'accompagnateur de parcours dispose d'un délai de trois semaines au maximum. Ce délai prend cours à partir de la réception de la communication écrite. Une suspension de l'exécution du contrat pendant le délai de réconciliation ne suspend pas le délai de préavis.
Durant le délai de réconciliation, les parties sont tenues de poursuivre l'exécution du contrat.
Si les parties se réconcilient, l'exécution du contrat est poursuivie.
Si les parties n'atteignent pas une réconciliation, la partie ayant exprimé le désir de cesser le contrat peut effectivement procéder à la cessation de celui-ci. La cessation commence le lendemain de la réception de la communication écrite.
§ 3. L'entreprise ou l'élève ou son représentant légal, suivant le cas, peuvent introduire un recours auprès du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " [1 s'il estime que le motif invoqué ne justifie pas la cessation de l'exécution de la formation en alternante ou s'il estime que le contrat n'a pas été cessé conformément au paragraphe 2 ou à l'article 25]1.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
Si le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " estime que [1 le motif invoqué ne justifie pas la cessation de l'exécution du contrat de formation en alternance par l'entreprise ou s'il estime que le contrat n'a pas été cessé conformément au paragraphe 2 ou à l'article 25,]1 l'entreprise est tenue au paiement d' indemnisation à l'élève, conformément à l'article 17, § 4.
§ 2. L'entreprise ou l'élève ou son représentant légal doivent communiquer le motif visé au paragraphe 1er, par écrit, à l'accompagnateur de parcours. L'accompagnateur de parcours intervient comme médiateur et essaie de réconcilier les parties. Pour ce faire, l'accompagnateur de parcours dispose d'un délai de trois semaines au maximum. Ce délai prend cours à partir de la réception de la communication écrite. Une suspension de l'exécution du contrat pendant le délai de réconciliation ne suspend pas le délai de préavis.
Durant le délai de réconciliation, les parties sont tenues de poursuivre l'exécution du contrat.
Si les parties se réconcilient, l'exécution du contrat est poursuivie.
Si les parties n'atteignent pas une réconciliation, la partie ayant exprimé le désir de cesser le contrat peut effectivement procéder à la cessation de celui-ci. La cessation commence le lendemain de la réception de la communication écrite.
§ 3. L'entreprise ou l'élève ou son représentant légal, suivant le cas, peuvent introduire un recours auprès du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " [1 s'il estime que le motif invoqué ne justifie pas la cessation de l'exécution de la formation en alternante ou s'il estime que le contrat n'a pas été cessé conformément au paragraphe 2 ou à l'article 25]1.
Le Gouvernement flamand fixe la procédure du recours.
Si le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " estime que [1 le motif invoqué ne justifie pas la cessation de l'exécution du contrat de formation en alternance par l'entreprise ou s'il estime que le contrat n'a pas été cessé conformément au paragraphe 2 ou à l'article 25,]1 l'entreprise est tenue au paiement d' indemnisation à l'élève, conformément à l'article 17, § 4.
Wijzigingen
Art. 27. De opleidingsverstrekker kan de overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding schriftelijk en gemotiveerd beëindigen:
1° bij zware inbreuken van de onderneming of de leerling tegen de uitvoering van de overeenkomst;
2° wanneer de fysieke of geestelijke gezondheid van de leerling gevaar loopt;
3° als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren.
De opleidingsverstrekker kan aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren voorstellen om de erkenning van de onderneming op te heffen.
1° bij zware inbreuken van de onderneming of de leerling tegen de uitvoering van de overeenkomst;
2° wanneer de fysieke of geestelijke gezondheid van de leerling gevaar loopt;
3° als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren.
De opleidingsverstrekker kan aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren voorstellen om de erkenning van de onderneming op te heffen.
Art. 27. Le dispensateur de formation peut résilier le contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance par écrit et de manière motivée :
1° en cas d'infractions graves de l'entreprise ou de l'élève contre l'exécution du contrat ;
2° lorsque la santé physique ou mentale de l'élève court des risques ;
3° s'il y a des circonstances entravant gravement le bon déroulement de la formation sur le lieu de travail.
Le dispensateur de formation peut proposer au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " d'abroger l'agrément de l'entreprise.
1° en cas d'infractions graves de l'entreprise ou de l'élève contre l'exécution du contrat ;
2° lorsque la santé physique ou mentale de l'élève court des risques ;
3° s'il y a des circonstances entravant gravement le bon déroulement de la formation sur le lieu de travail.
Le dispensateur de formation peut proposer au " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " d'abroger l'agrément de l'entreprise.
HOOFDSTUK 4. - De stageovereenkomst alternerende opleiding
CHAPITRE 4. - Le contrat de stage formation en alternance
Art. 28. Alle bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van toepassing op de stageovereenkomst alternerende opleiding met uitzondering van [2 artikel 9,]2 artikel 11, 4°, artikel 17, artikel 18, tweede lid, [1 artikel 19, eerste lid, 3°,]1 artikel 20, en artikel 26, § 3, derde lid.
Art. 28. Toutes les dispositions du chapitre 3 s'appliquent au contrat de stage formation en alternance, à l'exception [2 de l'article 9,]2 de l'article 11, 4°, de l'article 17, de l'article 18, alinéa 2, [1 de l'article 19, alinéa 1er, 3°]1, de l'article 20, et de l'article 26, § 3, alinéa 3.
Art. 29. [1 De stageovereenkomst alternerende opleiding wordt gesloten voor minstens 28 uur per week en maximaal de gemiddelde wekelijkse voltijdse arbeidsduur die van toepassing is in de onderneming. De overeenkomst heeft betrekking op het volledige leertraject, zowel de lescomponent als de werkplekcomponent. Voor de berekening van het aantal uren binnen de overeenkomst telt een les of een activiteit die gelijkgesteld is met een les, mee voor zestig minuten.]1
Art. 29. [1 Le contrat de stage formation en alternance est conclu pour au moins 28 heures par semaine et au maximum la durée de travail moyenne hebdomadaire de prestations à temps plein applicable dans l'entreprise. Le contrat porte sur le parcours d'apprentissage complet, tant la composante cours que la composante lieu de travail. Pour le calcul du nombre d'heures comprises dans le contrat, un cours ou une activité assimilée à un cours compte pour soixante minutes.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Toezicht
CHAPITRE 5. - Contrôle
Art. 30. Onverminderd de vigerende decretale en reglementaire bepalingen met betrekking tot het toezicht in het onderwijs, met inbegrip van de leertijd door de onderwijsinspectie en de bevoegde onderwijsadministratie, wordt het toezicht op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan uitgeoefend door[2 de afdeling Vlaamse Sociale Inspectie van het Departement Werk en Sociale Economie]2]1.
[2 "Het in het eerste lid bedoelde toezicht verloopt met toepassing van de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.]2.
[2 "Het in het eerste lid bedoelde toezicht verloopt met toepassing van de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.]2.
Art. 30. Sans préjudice des dispositions décrétales et réglementaires relatives au contrôle dans l'enseignement, y compris l'apprentissage, par l'inspection de l'Enseignement et l'administration de l'enseignement compétente, le contrôle de l'exécution du présent décret et des arrêtés d'exécution est exercé par [1 [2 la division Inspection sociale flamande du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ]2]1.
[2 Le contrôle visé à l'alinéa 1er est exercé en application des dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales du 30 avril 2004. ]2.
[2 Le contrôle visé à l'alinéa 1er est exercé en application des dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales du 30 avril 2004. ]2.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet (I) van 24 december 2002
Section 1re. - Modifications à la loi-programme (I) du 24 décembre 2002
Art. 31. In artikel 346, § 3, van de programmawet van 24 december 2002, vervangen door het decreet van 4 maart 2016, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
" § 3. De werkgevers, vermeld in artikel 335 van deze wet, genieten van een doelgroepvermindering bij de tewerkstelling van jongeren in één van de volgende categorieën:
1° leerlingen als vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° jongeren tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, derde lid, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.".
" § 3. De werkgevers, vermeld in artikel 335 van deze wet, genieten van een doelgroepvermindering bij de tewerkstelling van jongeren in één van de volgende categorieën:
1° leerlingen als vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° jongeren tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, derde lid, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.".
Art. 31. A l'article 346, § 3, de la loi-programme du 24 décembre 2002, remplacé par le décret du 4 mars 2016, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les employeurs visés à l'article 335 de la présent loi, bénéficient d'une réduction groupe-cible lors de l'engagement de jeunes dans une des catégories suivantes :
1° élèves tels que visés à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
2° jeunes engagés sous les liens d'un contrat de travail tel que visé à l'article 3, alinéa 3, du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance. ".
" § 3. Les employeurs visés à l'article 335 de la présent loi, bénéficient d'une réduction groupe-cible lors de l'engagement de jeunes dans une des catégories suivantes :
1° élèves tels que visés à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ;
2° jeunes engagés sous les liens d'un contrat de travail tel que visé à l'article 3, alinéa 3, du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance. ".
Afdeling 2. - Wijziging van de programmawet van 2 augustus 2002
Section 2. - Modifications à la loi-programme du 2 août 2002
Art. 32. Aan artikel 104 van de programmawet van 2 augustus 2002 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"6° opleidingen met een werkplekcomponent waarvoor beroepsinlevingsovereenkomsten in het betrokken decreet of de betrokken regelgeving impliciet of expliciet worden uitgesloten.".
"6° opleidingen met een werkplekcomponent waarvoor beroepsinlevingsovereenkomsten in het betrokken decreet of de betrokken regelgeving impliciet of expliciet worden uitgesloten.".
Art. 32. L'article 104 de la loi-programme du 2 août 2002 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° formations avec une composante lieu de travail pour lesquelles des conventions d'immersion professionnelle sont implicitement ou explicitement exclues par le décret concerné ou la réglementation concernée. ".
" 6° formations avec une composante lieu de travail pour lesquelles des conventions d'immersion professionnelle sont implicitement ou explicitement exclues par le décret concerné ou la réglementation concernée. ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen"
Section 3. - Modifications au décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen "
Art. 33. In artikel 5 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen", gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"f) het uitbouwen en beheren van een duurzaam netwerk van erkende leerondernemingen;";
2° in paragraaf 1, 2°, o), worden de woorden "de leer- en stageovereenkomsten" vervangen door de woorden "de stageovereenkomsten".
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"f) het uitbouwen en beheren van een duurzaam netwerk van erkende leerondernemingen;";
2° in paragraaf 1, 2°, o), worden de woorden "de leer- en stageovereenkomsten" vervangen door de woorden "de stageovereenkomsten".
Art. 33. A l'article 5 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen " (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre), modifié par le décret du 20 avril 2012, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, 1°, il est ajouté un point f), rédigé comme suit :
" f) développer et gérer un réseau durable d'entreprises d'apprentissage agréées ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, o), les mots " des contrats d'apprentissage et de stage " sont remplacés par les mots " des contrats de stage ".
1° au paragraphe 1er, 1°, il est ajouté un point f), rédigé comme suit :
" f) développer et gérer un réseau durable d'entreprises d'apprentissage agréées ; " ;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, o), les mots " des contrats d'apprentissage et de stage " sont remplacés par les mots " des contrats de stage ".
Art. 34. In artikel 6, § 2, 9°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, worden de woorden "de leer- en stageovereenkomsten" vervangen door de woorden "de stageovereenkomsten" en wordt de zinsnede ", de leertrajectbegeleider" geschrapt.
Art. 34. Dans l'article 6, § 2, 9°, du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, les mots " des contrats d'apprentissage et de stage " sont remplacés par les mots " des contrats de stage " et le membre de phrase " , de l'accompagnateur du parcours d'apprentissage " est supprimé.
Art. 35. In hoofdstuk IV van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 20 april 2012, wordt het opschrift van afdeling 2 vervangen door wat volgt:
"Afdeling 2. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen".
"Afdeling 2. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen".
Art. 35. Dans le chapitre IV du même décret, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 20 avril 2012, l'intitulé de la section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Section 2. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " et les partenariats sectoriels "
" Section 2. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " et les partenariats sectoriels "
Art. 36. Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 13. § 1. Binnen het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen wordt een Vlaams Partnerschap Duaal Leren opgericht.
§ 2. Binnen de voorwaarden en conform de modaliteiten, vastgesteld door de Vlaamse Regering, heeft het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de volgende bevoegdheden:
1° de erkenning of opheffing van erkenning van een onderneming;
2° de uitsluiting van een onderneming;
3° de uitoefening van controle op de uitvoering van de overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding wat betreft de opleiding op de werkplek;
4° het opmaken van een jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duaal leren in Vlaanderen;
5° het nemen van de nodige acties om de ondernemingen te informeren over het duaal leren in Vlaanderen;
6° het ondersteunen en mobiliseren van ondernemingen met het oog op een versterking, zowel kwantitatief als kwalitatief, van het aanbod aan werkplekken;
7° het verlenen van advies over alle materies die de werkplekcomponent van het duaal leren aanbelangen.
§ 3. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren is samengesteld uit volgende leden:
1° een voorzitter;
2° vier leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° vier leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
4° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
5° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
6° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
7° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of zijn vertegenwoordiger;
8° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
9° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
10° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
11° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
12° een secretaris, personeelslid van het agentschap.
Met uitzondering van de voorzitter en de secretaris hebben alle leden als vermeld in het eerste lid stemrecht.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren stelt een huishoudelijk reglement op dat minstens de volgende inhoud heeft:
1° de regels voor de bijeenroeping van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;
2° de regels voor het voorzitterschap van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bij afwezigheid van de voorzitter;
3° de regels voor de samenwerking tussen het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen;
4° de regels voor de delegatie van bevoegdheid aan personeelsleden van het agentschap;
5° de regels die het Vlaams Partnerschap Duaal Leren in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Het Vlaams Partnerschap legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering, die binnen de dertig dagen na de ontvangst van het huishoudelijk reglement haar beslissing tot al dan niet goedkeuring meedeelt.
De Vlaamse Regering motiveert haar beslissing tot niet-goedkeuring van het huishoudelijk reglement. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren verricht de nodige aanpassingen en legt het huishoudelijk reglement opnieuw ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.
De procedure voorzien in het tweede en derde lid is ook van toepassing bij wijziging van het huishoudelijk reglement.".
"Art. 13. § 1. Binnen het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen wordt een Vlaams Partnerschap Duaal Leren opgericht.
§ 2. Binnen de voorwaarden en conform de modaliteiten, vastgesteld door de Vlaamse Regering, heeft het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de volgende bevoegdheden:
1° de erkenning of opheffing van erkenning van een onderneming;
2° de uitsluiting van een onderneming;
3° de uitoefening van controle op de uitvoering van de overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding wat betreft de opleiding op de werkplek;
4° het opmaken van een jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duaal leren in Vlaanderen;
5° het nemen van de nodige acties om de ondernemingen te informeren over het duaal leren in Vlaanderen;
6° het ondersteunen en mobiliseren van ondernemingen met het oog op een versterking, zowel kwantitatief als kwalitatief, van het aanbod aan werkplekken;
7° het verlenen van advies over alle materies die de werkplekcomponent van het duaal leren aanbelangen.
§ 3. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren is samengesteld uit volgende leden:
1° een voorzitter;
2° vier leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° vier leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
4° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
5° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
6° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
7° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of zijn vertegenwoordiger;
8° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
9° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;
10° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
11° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
12° een secretaris, personeelslid van het agentschap.
Met uitzondering van de voorzitter en de secretaris hebben alle leden als vermeld in het eerste lid stemrecht.
§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren stelt een huishoudelijk reglement op dat minstens de volgende inhoud heeft:
1° de regels voor de bijeenroeping van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;
2° de regels voor het voorzitterschap van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bij afwezigheid van de voorzitter;
3° de regels voor de samenwerking tussen het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en de sectorale partnerschappen;
4° de regels voor de delegatie van bevoegdheid aan personeelsleden van het agentschap;
5° de regels die het Vlaams Partnerschap Duaal Leren in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Het Vlaams Partnerschap legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering, die binnen de dertig dagen na de ontvangst van het huishoudelijk reglement haar beslissing tot al dan niet goedkeuring meedeelt.
De Vlaamse Regering motiveert haar beslissing tot niet-goedkeuring van het huishoudelijk reglement. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren verricht de nodige aanpassingen en legt het huishoudelijk reglement opnieuw ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.
De procedure voorzien in het tweede en derde lid is ook van toepassing bij wijziging van het huishoudelijk reglement.".
Art. 36. L'article 13 du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 13. § 1er. Il est créé un " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " au sein de la " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen ".
§ 2. Aux conditions et conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement flamand, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " a les compétences suivantes :
1° l'agrément ou l'abrogation de l'agrément d'une entreprise ;
2° l'exclusion d'une entreprise ;
3° l'exercice de contrôle sur l'exécution du contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance pour ce qui est de la formation sur le lieu du travail ;
4° l'établissement d'un rapport de monitoring annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre ;
5° la prise des actions nécessaires pour informer les entreprises sur l'apprentissage dual en Flandre ;
6° le soutien et la mobilisation d'entreprises en vue de promouvoir, tant sur le plan quantitatif que sur le plan qualitatif, l'offre de lieux de travail ;
7° l'émission d'avis sur toutes les matières regardant la composante lieu de travail de l'apprentissage dual.
§ 3. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " se compose des membres suivants :
1° un président ;
2° quatre membres désignés par les organisations représentatives des classes moyennes, des indépendants et des employeurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
3° quatre membres désignés par les organisations représentatives des travailleurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
4° un représentant de l'Enseignement communautaire ;
5° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné ;
6° un représentant des centres agréés de formation d'indépendants et de PME ;
7° l'administrateur délégué de l'agence ou son représentant ;
8° un représentant du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ;
9° un représentant de l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten " ;
10° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation ;
11° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
12° un secrétaire, membre du personnel de l'agence.
A l'exception du président et du secrétaire, tous les membres visés à l'alinéa 1er ont droit de vote.
§ 4. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " établit un règlement d'ordre intérieur qui comprend au moins les mentions suivantes :
1° les règles relatives à la convocation du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " ;
2° les règles relatives à la présidence du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " en cas d'absence du président ;
3° les règles relatives à la coopération entre le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " et les partenariats sectoriels ;
4° les règles relatives à la délégation de compétence à des membres du personnel de l'agence ;
5° les règles à respecter par le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " lors de l'exercice de ses compétences.
Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " soumet son règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand, qui communique sa décision d'approbation ou d'improbation dans les trente jours suivant la réception du règlement d'ordre intérieur.
Le Gouvernement flamand motive sa décision d'improbation du règlement d'ordre intérieur. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " apporte les adaptations nécessaires et soumet à nouveau le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand.
La procédure prévue aux alinéas 2 et 3 s'applique également en cas de modification du règlement d'ordre intérieur. ".
" Art. 13. § 1er. Il est créé un " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " au sein de la " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen ".
§ 2. Aux conditions et conformément aux modalités arrêtées par le Gouvernement flamand, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " a les compétences suivantes :
1° l'agrément ou l'abrogation de l'agrément d'une entreprise ;
2° l'exclusion d'une entreprise ;
3° l'exercice de contrôle sur l'exécution du contrat visant la mise en oeuvre d'une formation en alternance pour ce qui est de la formation sur le lieu du travail ;
4° l'établissement d'un rapport de monitoring annuel sur l'état d'avancement de l'apprentissage dual en Flandre ;
5° la prise des actions nécessaires pour informer les entreprises sur l'apprentissage dual en Flandre ;
6° le soutien et la mobilisation d'entreprises en vue de promouvoir, tant sur le plan quantitatif que sur le plan qualitatif, l'offre de lieux de travail ;
7° l'émission d'avis sur toutes les matières regardant la composante lieu de travail de l'apprentissage dual.
§ 3. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " se compose des membres suivants :
1° un président ;
2° quatre membres désignés par les organisations représentatives des classes moyennes, des indépendants et des employeurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
3° quatre membres désignés par les organisations représentatives des travailleurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
4° un représentant de l'Enseignement communautaire ;
5° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné ;
6° un représentant des centres agréés de formation d'indépendants et de PME ;
7° l'administrateur délégué de l'agence ou son représentant ;
8° un représentant du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ;
9° un représentant de l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten " ;
10° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation ;
11° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
12° un secrétaire, membre du personnel de l'agence.
A l'exception du président et du secrétaire, tous les membres visés à l'alinéa 1er ont droit de vote.
§ 4. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " établit un règlement d'ordre intérieur qui comprend au moins les mentions suivantes :
1° les règles relatives à la convocation du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " ;
2° les règles relatives à la présidence du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " en cas d'absence du président ;
3° les règles relatives à la coopération entre le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " et les partenariats sectoriels ;
4° les règles relatives à la délégation de compétence à des membres du personnel de l'agence ;
5° les règles à respecter par le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " lors de l'exercice de ses compétences.
Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " soumet son règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand, qui communique sa décision d'approbation ou d'improbation dans les trente jours suivant la réception du règlement d'ordre intérieur.
Le Gouvernement flamand motive sa décision d'improbation du règlement d'ordre intérieur. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " apporte les adaptations nécessaires et soumet à nouveau le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand.
La procédure prévue aux alinéas 2 et 3 s'applique également en cas de modification du règlement d'ordre intérieur. ".
Art. 37. Artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 14. Op voordracht van de stemgerechtigde leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren benoemt de Vlaamse Regering de voorzitter van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.".
"Art. 14. Op voordracht van de stemgerechtigde leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren benoemt de Vlaamse Regering de voorzitter van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.".
Art. 37. L'article 14 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 14. Le Gouvernement flamand désigne le président du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " sur la proposition des membres ayant voix délibérative du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". ".
" Art. 14. Le Gouvernement flamand désigne le président du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " sur la proposition des membres ayant voix délibérative du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren ". ".
Art. 38. Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 15. De voorzitter en de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, 2° en 3°, worden door de Vlaamse Regering aangesteld voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
Als in de loop van de termijn, vermeld in het eerste lid, een mandaat vrijkomt, stelt de Vlaamse Regering, op voordracht van de organisatie in kwestie, een nieuwe mandataris aan die het mandaat overneemt voor de nog resterende looptijd ervan.".
"Art. 15. De voorzitter en de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, 2° en 3°, worden door de Vlaamse Regering aangesteld voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
Als in de loop van de termijn, vermeld in het eerste lid, een mandaat vrijkomt, stelt de Vlaamse Regering, op voordracht van de organisatie in kwestie, een nieuwe mandataris aan die het mandaat overneemt voor de nog resterende looptijd ervan.".
Art. 38. L'article 15 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. Le président et les membres du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " visés à l'article 13, § 3, alinéa 1er, 2° et 3°, sont désignés par le Gouvernement flamand pour une nouvelle période de cinq ans.
Lorsqu'un mandat devient vacant au cours du délai mentionné à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand désigne, sur la proposition de l'organisation en question, un nouveau mandataire qui reprend le mandat pour sa durée restante.
" Art. 15. Le président et les membres du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " visés à l'article 13, § 3, alinéa 1er, 2° et 3°, sont désignés par le Gouvernement flamand pour une nouvelle période de cinq ans.
Lorsqu'un mandat devient vacant au cours du délai mentionné à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand désigne, sur la proposition de l'organisation en question, un nouveau mandataire qui reprend le mandat pour sa durée restante.
Art. 39. Artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 16. De Vlaamse Regering kan een vergoeding toekennen aan de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.".
"Art. 16. De Vlaamse Regering kan een vergoeding toekennen aan de leden van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.".
Art. 39. L'article 16 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 16. Le Gouvernement flamand peut accorder une indemnité aux membres du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren. ".
" Art. 16. Le Gouvernement flamand peut accorder une indemnité aux membres du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren. ".
Art. 40. Artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 17. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten met betrekking tot de overeenkomst van alternerende opleiding een samenwerkingsakkoord sluiten met een sectoraal partnerschap. Het samenwerkingsakkoord bepaalt de opdrachten van het sectoraal partnerschap.
Het sectoraal partnerschap is samengesteld uit volgende leden:
1° vier leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
2° vier leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
5° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
6° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of zijn vertegenwoordiger;
7° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
8° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
9° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
10° een secretaris, personeelslid van het agentschap.
Elke geleding duidt haar vertegenwoordiger(s) aan.
De leden kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter die niet tot dezelfde geleding behoren.
Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden stemrecht.
Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 13, § 2, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben in afwijking op het vorige lid, voor die bevoegdheden enkel de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.
Het sectoraal partnerschap stelt een huishoudelijk reglement op.".
"Art. 17. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten met betrekking tot de overeenkomst van alternerende opleiding een samenwerkingsakkoord sluiten met een sectoraal partnerschap. Het samenwerkingsakkoord bepaalt de opdrachten van het sectoraal partnerschap.
Het sectoraal partnerschap is samengesteld uit volgende leden:
1° vier leden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
2° vier leden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vereniging van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs;
5° een vertegenwoordiger van de erkende centra voor de vorming van zelfstandigen en kmo;
6° de gedelegeerd bestuurder van het agentschap of zijn vertegenwoordiger;
7° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
8° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
9° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
10° een secretaris, personeelslid van het agentschap.
Elke geleding duidt haar vertegenwoordiger(s) aan.
De leden kiezen onder elkaar een voorzitter en een ondervoorzitter die niet tot dezelfde geleding behoren.
Met uitzondering van de secretaris hebben alle leden stemrecht.
Als het samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap Duaal Leren ook de bevoegdheden, vermeld in artikel 13, § 2, 1°, 2° en 3°, omvat, hebben in afwijking op het vorige lid, voor die bevoegdheden enkel de leden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, stemrecht.
Het sectoraal partnerschap stelt een huishoudelijk reglement op.".
Art. 40. L'article 17 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 17. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut conclure un accord de coopération avec un partenariat sectoriel pour la réalisation de ses missions relatives au contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance. L'accord de coopération fixe les missions du partenariat sectoriel.
Le partenariat sectoriel se compose des membres suivants :
1° quatre membres désignés par les organisations représentatives des classes moyennes, des indépendants et des employeurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
2° quatre membres désignés par les organisations représentatives des travailleurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
3° un représentant de l'Enseignement communautaire ;
4° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné ;
5° un représentant des centres agréés de formation d'indépendants et de PME ;
6° l'administrateur délégué de l'agence ou son représentant ;
7° un représentant du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ;
8° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation ;
9° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
10° un secrétaire, membre du personnel de l'agence.
Chaque groupement désigne son (ses) représentant(s).
Les membres désignent parmi eux un président et un vice-président n'appartenant pas au même groupement.
A l'exception du secrétaire, tous les membres ont droit de vote.
Si l'accord de coopération conclu avec le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " comprend également les compétences visées à l'article 13, § 2, 1°, 2° et 3°, seuls les membres visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, ont droit de vote pour ces compétences, par dérogation à l'alinéa précédent.
Le partenariat sectoriel établit un règlement d'ordre intérieur. ".
" Art. 17. Le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut conclure un accord de coopération avec un partenariat sectoriel pour la réalisation de ses missions relatives au contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance. L'accord de coopération fixe les missions du partenariat sectoriel.
Le partenariat sectoriel se compose des membres suivants :
1° quatre membres désignés par les organisations représentatives des classes moyennes, des indépendants et des employeurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
2° quatre membres désignés par les organisations représentatives des travailleurs, représentées dans le Conseil socio-économique de la Flandre ;
3° un représentant de l'Enseignement communautaire ;
4° un représentant de chaque association représentative d'autorités scolaires de l'enseignement subventionné ;
5° un représentant des centres agréés de formation d'indépendants et de PME ;
6° l'administrateur délégué de l'agence ou son représentant ;
7° un représentant du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ;
8° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation ;
9° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
10° un secrétaire, membre du personnel de l'agence.
Chaque groupement désigne son (ses) représentant(s).
Les membres désignent parmi eux un président et un vice-président n'appartenant pas au même groupement.
A l'exception du secrétaire, tous les membres ont droit de vote.
Si l'accord de coopération conclu avec le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " comprend également les compétences visées à l'article 13, § 2, 1°, 2° et 3°, seuls les membres visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, ont droit de vote pour ces compétences, par dérogation à l'alinéa précédent.
Le partenariat sectoriel établit un règlement d'ordre intérieur. ".
Art. 41. Artikel 18 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 18. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten betreffende de overeenkomst van alternerende opleiding een delegatie van bevoegdheid verlenen aan personeelsleden van het agentschap.".
"Art. 18. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten betreffende de overeenkomst van alternerende opleiding een delegatie van bevoegdheid verlenen aan personeelsleden van het agentschap.".
Art. 41. L'article 18 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 18. Pour la réalisation de ses missions dans le cadre du contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut accorder une délégation de compétence à des membres du personnel de l'agence. ".
" Art. 18. Pour la réalisation de ses missions dans le cadre du contrat visant la mise en oeuvre de la formation en alternance, le " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " peut accorder une délégation de compétence à des membres du personnel de l'agence. ".
Art. 42. In artikel 19 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "en/of deze van de praktijkcommissie" opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "sector-, beroeps- en leertijdcommissies" vervangen door de woorden "sector- en beroepscommissies" en wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie in hun taak" vervangen door de woorden "in zijn taak".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "en/of deze van de praktijkcommissie" opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "sector-, beroeps- en leertijdcommissies" vervangen door de woorden "sector- en beroepscommissies" en wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie in hun taak" vervangen door de woorden "in zijn taak".
Art. 42. A l'article 19 du même décret, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 20 avril 2012, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " et en celui de la commission de pratique " est abrogé ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " des commissions de secteur, de profession et d'apprentissage " est remplacé par le membre de phrase " des commissions de secteur et de profession " et le membre de phrase " et/ou la commission de pratique dans leur tâche " est remplacé par le membre de phrase " dans sa tâche ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " et en celui de la commission de pratique " est abrogé ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " des commissions de secteur, de profession et d'apprentissage " est remplacé par le membre de phrase " des commissions de secteur et de profession " et le membre de phrase " et/ou la commission de pratique dans leur tâche " est remplacé par le membre de phrase " dans sa tâche ".
Art. 43. In artikel 20 van hetzelfde decreet worden de woorden "en de praktijkcommissie" vervangen door de woorden "en het Vlaams Partnerschap Duaal Leren".
Art. 43. A l'article 20 du même décret, les mots " et de la commission de pratique " sont remplacés par les mots " et du " Vlaams Partnerschap Duaal Leren " ".
Art. 44. In artikel 22 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie," opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie" opgeheven;
3° in paragraaf 1, 5°, wordt de zinsnede ", de praktijkcommissie en de eventuele andere commissies" vervangen door de woorden "en de eventuele commissies";
4° in paragraaf 1, 6°, worden de woorden "de praktijkcommissie en de eventuele andere commissies" vervangen door de woorden "de eventuele commissies";
5° in paragraaf 1, 7°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie moet, respectievelijk moeten," vervangen door het woord "moet";
6° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De raad van bestuur legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie," opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie" opgeheven;
3° in paragraaf 1, 5°, wordt de zinsnede ", de praktijkcommissie en de eventuele andere commissies" vervangen door de woorden "en de eventuele commissies";
4° in paragraaf 1, 6°, worden de woorden "de praktijkcommissie en de eventuele andere commissies" vervangen door de woorden "de eventuele commissies";
5° in paragraaf 1, 7°, wordt de zinsnede "en/of de praktijkcommissie moet, respectievelijk moeten," vervangen door het woord "moet";
6° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De raad van bestuur legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.".
Art. 44. A l'article 22 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " et/ou de la commission de pratique " est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 2°, le membre de phrase " et/ou la commission de pratique " est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, 5°, le membre de phrase " , la commission de pratique et les éventuelles autres commissions " est remplacé par les mots " et les éventuelles commissions " ;
4° au paragraphe 1er, 6°, le membre de phrase " , la commission de pratique et les éventuelles autres commissions " est remplacé par les mots " les éventuelles commissions " ;
5° au paragraphe 1er, 7°, le membre de phrase " et/ou la commission de pratique doit respecter " est remplacé par les mots " doit respecter " ;
6° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le conseil d'administration soumet le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand. ".
1° au paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " et/ou de la commission de pratique " est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 2°, le membre de phrase " et/ou la commission de pratique " est abrogé ;
3° au paragraphe 1er, 5°, le membre de phrase " , la commission de pratique et les éventuelles autres commissions " est remplacé par les mots " et les éventuelles commissions " ;
4° au paragraphe 1er, 6°, le membre de phrase " , la commission de pratique et les éventuelles autres commissions " est remplacé par les mots " les éventuelles commissions " ;
5° au paragraphe 1er, 7°, le membre de phrase " et/ou la commission de pratique doit respecter " est remplacé par les mots " doit respecter " ;
6° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le conseil d'administration soumet le règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Gouvernement flamand. ".
Art. 45. In artikel 23 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 45. A l'article 23 du même décret, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 46. Artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 28. De praktijkopleiding in de leertijd omvat het sluiten van een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of deeltijdse arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.".
"Art. 28. De praktijkopleiding in de leertijd omvat het sluiten van een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of deeltijdse arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.".
Art. 46. L'article 28 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 28. La formation pratique dans l'apprentissage comprend la conclusion d'un contrat de stage formation en alternance, d'un contrat de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel conformément aux dispositions du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance. ".
" Art. 28. La formation pratique dans l'apprentissage comprend la conclusion d'un contrat de stage formation en alternance, d'un contrat de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel conformément aux dispositions du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance. ".
Art. 47. Artikel 39 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 39. De leertrajectbegeleiders:
1° houden de nodige gegevens bij over de ondernemingen in de leertijd, de ondernemingshoofden-opleiders in de ondernemerschapstrajecten, de leerlingen leertijd die een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst willen sluiten en de cursisten-stagiairs die een stageovereenkomst willen sluiten;
2° staan de kandidaat-leerlingen leertijd en de cursisten-stagiairs bij met advies over de keuze van beroep, van onderneming en van de duurtijd van de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding, de deeltijdse arbeidsovereenkomst en de stageovereenkomst;
3° staan de ondernemingen en de ondernemingshoofden-opleiders bij met advies over de keuze van de leerling leertijd en de cursist-stagiair;
4° zorgen ervoor dat de leerlingen leertijd zich inschrijven voor passende vorming, georganiseerd door de centra;
5° treden op als tussenpersonen tussen de onderneming en de leerling leertijd of zijn wettelijke vertegenwoordiger of tussen het ondernemingshoofd en de cursist-stagiair bij het sluiten van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst in de leertijd of bij het sluiten van stageovereenkomsten;
6° oefenen toezicht uit op de door hun bemiddeling gesloten stageovereenkomsten alternerende opleiding, overeenkomsten van alternerende opleiding en deeltijdse arbeidsovereenkomsten in de leertijd of op de stageovereenkomsten in de onderneming;
7° zorgen voor pedagogische, morele en sociale begeleiding van de leerling leertijd en de cursist-stagiair;
8° treden op als bemiddelaars in geval van geschillen tussen de onderneming of het ondernemingshoofd-opleider en de leerling leertijd of de cursist-stagiair;
9° wonen pedagogische activiteiten bij die verband houden met de voormelde opdrachten.".
"Art. 39. De leertrajectbegeleiders:
1° houden de nodige gegevens bij over de ondernemingen in de leertijd, de ondernemingshoofden-opleiders in de ondernemerschapstrajecten, de leerlingen leertijd die een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst willen sluiten en de cursisten-stagiairs die een stageovereenkomst willen sluiten;
2° staan de kandidaat-leerlingen leertijd en de cursisten-stagiairs bij met advies over de keuze van beroep, van onderneming en van de duurtijd van de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding, de deeltijdse arbeidsovereenkomst en de stageovereenkomst;
3° staan de ondernemingen en de ondernemingshoofden-opleiders bij met advies over de keuze van de leerling leertijd en de cursist-stagiair;
4° zorgen ervoor dat de leerlingen leertijd zich inschrijven voor passende vorming, georganiseerd door de centra;
5° treden op als tussenpersonen tussen de onderneming en de leerling leertijd of zijn wettelijke vertegenwoordiger of tussen het ondernemingshoofd en de cursist-stagiair bij het sluiten van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst in de leertijd of bij het sluiten van stageovereenkomsten;
6° oefenen toezicht uit op de door hun bemiddeling gesloten stageovereenkomsten alternerende opleiding, overeenkomsten van alternerende opleiding en deeltijdse arbeidsovereenkomsten in de leertijd of op de stageovereenkomsten in de onderneming;
7° zorgen voor pedagogische, morele en sociale begeleiding van de leerling leertijd en de cursist-stagiair;
8° treden op als bemiddelaars in geval van geschillen tussen de onderneming of het ondernemingshoofd-opleider en de leerling leertijd of de cursist-stagiair;
9° wonen pedagogische activiteiten bij die verband houden met de voormelde opdrachten.".
Art. 47. L'article 39 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 39. Les accompagnateurs du parcours d'apprentissage :
1° tiennent à jours les données nécessaires sur les entreprises se chargeant de l'apprentissage, sur les chefs d'entreprises-formateurs, les élèves en apprentissage désirant conclure un contrat de stage formation en alternance, un contrat de formation en alternance ou un contrat de travail à temps partiel, ainsi que sur les apprenants-stagiaires désirant conclure un contrat de stage ;
2° accompagnent les élèves candidats en apprentissage et les apprenants-stagiaires avec des avis concernant le choix d'une profession, d'une entreprise et de la durée du contrat de stage formation en alternance, du contrat de formation en alternance, du contrat de travail à temps partiel et du contrat de stage ;
3° accompagnent les entreprises et les chefs d'entreprise-formateurs avec des avis concernant le choix de l'élève en apprentissage et de l'apprenant-stagiaire ;
4° veillent à ce que les élèves en apprentissage s'inscrivent pour une formation adéquate, organisée par les centres ;
5° interviennent en tant que personnes intermédiaires entre l'entreprise et l'élève en apprentissage ou son représentant légal ou entre le chef d'entreprise et l'apprenant-stagiaire en ce qui concerne la conclusion d'un contrat de formation en alternance, d'un contrat de stage de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel pendant l'apprentissage ou en ce qui concerne la conclusion de contrats de stage ;
6° exercent un contrôle sur les contrats de stage formation en alternance, les contrats de formation en alternance et les contrats de travail à temps partiel pendant l'apprentissage ou les contrats de stage dans l'entreprise conclus grâce à leur intervention ;
7° assurent l'accompagnement pédagogique, morale et sociale de l'élève en apprentissage et de l'apprenant-stagiaire ;
8° agissent en tant qu'intermédiaires dans le cas de litiges entre le chef d'entreprise-formateur et l'élève en apprentissage ou l'apprenant-stagiaire ;
9° assistent à des activités pédagogiques qui concernent les missions susmentionnées. ".
" Art. 39. Les accompagnateurs du parcours d'apprentissage :
1° tiennent à jours les données nécessaires sur les entreprises se chargeant de l'apprentissage, sur les chefs d'entreprises-formateurs, les élèves en apprentissage désirant conclure un contrat de stage formation en alternance, un contrat de formation en alternance ou un contrat de travail à temps partiel, ainsi que sur les apprenants-stagiaires désirant conclure un contrat de stage ;
2° accompagnent les élèves candidats en apprentissage et les apprenants-stagiaires avec des avis concernant le choix d'une profession, d'une entreprise et de la durée du contrat de stage formation en alternance, du contrat de formation en alternance, du contrat de travail à temps partiel et du contrat de stage ;
3° accompagnent les entreprises et les chefs d'entreprise-formateurs avec des avis concernant le choix de l'élève en apprentissage et de l'apprenant-stagiaire ;
4° veillent à ce que les élèves en apprentissage s'inscrivent pour une formation adéquate, organisée par les centres ;
5° interviennent en tant que personnes intermédiaires entre l'entreprise et l'élève en apprentissage ou son représentant légal ou entre le chef d'entreprise et l'apprenant-stagiaire en ce qui concerne la conclusion d'un contrat de formation en alternance, d'un contrat de stage de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel pendant l'apprentissage ou en ce qui concerne la conclusion de contrats de stage ;
6° exercent un contrôle sur les contrats de stage formation en alternance, les contrats de formation en alternance et les contrats de travail à temps partiel pendant l'apprentissage ou les contrats de stage dans l'entreprise conclus grâce à leur intervention ;
7° assurent l'accompagnement pédagogique, morale et sociale de l'élève en apprentissage et de l'apprenant-stagiaire ;
8° agissent en tant qu'intermédiaires dans le cas de litiges entre le chef d'entreprise-formateur et l'élève en apprentissage ou l'apprenant-stagiaire ;
9° assistent à des activités pédagogiques qui concernent les missions susmentionnées. ".
Art. 48. Artikel 40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt opgeheven.
Art. 48. L'article 40 du même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, est abrogé.
Art. 49. In artikel 42, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 april 2012, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding, de deeltijdse arbeidsovereenkomst en de stageovereenkomst;".
"3° de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding, de deeltijdse arbeidsovereenkomst en de stageovereenkomst;".
Art. 49. A l'article 42, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 20 avril 2012, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° le contrat de stage formation en alternance, le contrat de formation en alternance, le contrat de travail à temps partiel et le contrat de stage ; ".
" 3° le contrat de stage formation en alternance, le contrat de formation en alternance, le contrat de travail à temps partiel et le contrat de stage ; ".
Art. 50. In artikel 44, tweede lid, 2°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 april 2012, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) de opheffing of intrekking van de erkenning van de stageovereenkomst;".
"b) de opheffing of intrekking van de erkenning van de stageovereenkomst;".
Art. 50. A l'article 44, alinéa 2, 2°, du même décret, inséré par le décret du 20 avril 2012, le point b) est remplacé par la disposition suivante :
" b) le retrait ou l'annulation de l'agrément du contrat de stage ; ".
" b) le retrait ou l'annulation de l'agrément du contrat de stage ; ".
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken
Section 4. - Modifications au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail
Art. 51. In artikel 3 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 19 juli 2013 en 21 maart 2014, wordt punt 13° opgeheven.
Art. 51. A l'article 3 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 19 juillet 2013 et 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
Art. 52. In artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, 2°, worden de woorden "de leerovereenkomst" vervangen door de woorden "de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;".
1° in paragraaf 1, derde lid, 2°, worden de woorden "de leerovereenkomst" vervangen door de woorden "de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;".
Art. 52. A l'article 6 du même décret, modifié par le décret du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, les mots " du contrat d'apprentissage " sont remplacés par les mots " du contrat de stage formation en alternance, du contrat de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'emploi régulier sur la base d'un contrat de formation en alternance, d'un contrat de stage formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel conformément aux dispositions du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ; ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, les mots " du contrat d'apprentissage " sont remplacés par les mots " du contrat de stage formation en alternance, du contrat de formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'emploi régulier sur la base d'un contrat de formation en alternance, d'un contrat de stage formation en alternance ou d'un contrat de travail à temps partiel conformément aux dispositions du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ; ".
Art. 53. In artikel 31, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "een leerovereenkomst" vervangen door de woorden "een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst".
Art. 53. A l'article 31, alinéa 2, du même décret, les mots " un contrat d'apprentissage " sont remplacés par les mots " un contrat de stage formation en alternance, un contrat de formation en alternance ou un contrat de travail à temps partiel ".
Art. 54. In artikel 77 van hetzelfde decreet worden de woorden "de leerovereenkomst" telkens vervangen door de woorden "de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of de deeltijdse arbeidsovereenkomst".
Art. 54. A l'article 77 du même décret, les mots " le contrat d'apprentissage " sont chaque fois remplacés par les mots " le contrat de stage formation en alternance, le contrat de formation en alternance ou le contrat de travail à temps partiel ".
Art. 55. In artikel 78 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "door de afgevaardigde van Syntra Vlaanderen bezorgd aan de praktijkcommissie, die een beslissing neemt" vervangen door de zinsnede "bezorgd aan Syntra Vlaanderen, dat een beslissing neemt".
Art. 55. A l'article 78 du même décret, le membre de phrase " par le représentant de Syntra Vlaanderen à la commission de pratique, qui prend une décision " est remplacé par le membre de phrase " à Syntra Vlaanderen, qui prend une décision ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010
Section 5. - Modifications au Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010
Art. 56. In artikel 123/10 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
2° aan paragraaf 1, 2°, worden volgende zinnen toegevoegd:
"Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
3° aan paragraaf 2 wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.".
1° aan paragraaf 1, 1°, wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
2° aan paragraaf 1, 2°, worden volgende zinnen toegevoegd:
"Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
3° aan paragraaf 2 wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.".
Art. 56. A l'article 123/10 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, inséré par le décret du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, 1°, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
2° au paragraphe 1er, 2°, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
3° au paragraphe 2, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. ".
1° au paragraphe 1er, 1°, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
2° au paragraphe 1er, 2°, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
3° au paragraphe 2, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. ".
Art. 57. In artikel 123/11 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) aan punt 1° wordt na de laatste zin volgende zin toegevoegd:
"Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
b) aan punt 2° worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
c) punt 3° wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
3° in paragraaf 3 wordt punt 3° opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) aan punt 1° wordt na de laatste zin volgende zin toegevoegd:
"Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
b) aan punt 2° worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
c) punt 3° wordt opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt na de laatste zin de volgende zin toegevoegd:
"Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.";
3° in paragraaf 3 wordt punt 3° opgeheven.
Art. 57. A l'article 123/11 du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
b) au point 2°, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
c) le point 3° est abrogé ;
2° au paragraphe 2, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
3° au paragraphe 3, le point 3° est abrogé.
1° au paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une exclusion temporaire implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
b) au point 2°, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Une exclusion définitive implique également que, le cas échéant, il est mis fin à tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, de plein droit et dès qu'il apparaît que soit aucun recours recevable n'a été introduit, soit l'exclusion est confirmée par une cour d'appel. L'exclusion définitive faisant l'objet d'un recours recevable implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
c) le point 3° est abrogé ;
2° au paragraphe 2, la dernière phrase est suivie par la phrase suivante :
" Une suspension préventive implique également que, le cas échéant, tout contrat, quelle qu'en soit la forme, sur lequel est basé l'apprentissage sur le lieu de travail pour l'élève concerné, est suspendu de plein droit et immédiatement. " ;
3° au paragraphe 3, le point 3° est abrogé.
Art. 58. In artikel 123/13, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, wordt na het woord "op" de volgende zinsnede toegevoegd:
", onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde".
", onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde".
Art. 58. L'article 123/13, § 4, du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, est complété par le membre de phrase suivant :
" sans préjudice des dispositions de l'article 123/10, § 1er, 2°, et de l'article 123/11, § 1er, 2°, ".
" sans préjudice des dispositions de l'article 123/10, § 1er, 2°, et de l'article 123/11, § 1er, 2°, ".
Art. 59. Artikel 123/14 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 59. L'article 123/14 du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, est abrogé.
Art. 60. In artikel 123/15, § 1, derde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "over de algemene vorming" opgeheven.
Art. 60. A l'article 123/15, § 1er, alinéa 3, du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, les mots " sur la formation générale " sont abrogés.
Art. 61. Artikel 123/16 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 61. L'article 123/16 du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, est abrogé.
Art. 62. In artikel 123/17, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "indien het een evaluatiebeslissing over de algemene vorming betreft" opgeheven.
Art. 62. A l'article 123/17, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, les mots " s'il s'agit d'une décision d'évaluation sur la formation générale " sont abrogés.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 63. De overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van dit decreet gesloten zijn met lesvolging in het stelsel leren en werken, blijven lopen tot de einddatum ervan.
Art. 63. Les contrats ayant été conclus avant l'entrée en vigueur du présent décret et portant sur une formation dans le système d'apprentissage et de travail, continuent à valoir jusqu'à leur date de fin.
Art. 64. De wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 april 2015, wordt opgeheven.
In afwijking van het eerste lid blijft dezelfde wet van 19 juli 1983 van kracht voor de overeenkomsten die met toepassing van deze wet zijn gesloten vóór 1 september 2016 en tot hun einddatum. Op die overeenkomsten zijn de bepalingen van dit decreet niet van toepassing.
In afwijking van het eerste lid blijft dezelfde wet van 19 juli 1983 van kracht voor de overeenkomsten die met toepassing van deze wet zijn gesloten vóór 1 september 2016 en tot hun einddatum. Op die overeenkomsten zijn de bepalingen van dit decreet niet van toepassing.
Art. 64. La loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, modifiée en dernier lieu par le décret du 24 avril 2015, est abrogée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la même loi du 19 juillet 1083 reste d'application pour les contrats conclus par application de ladite loi avant le 1er septembre 2016 et jusqu'à leur date de fin. Les dispositions du présent décret ne s'appliquent pas à ces contrats.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la même loi du 19 juillet 1083 reste d'application pour les contrats conclus par application de ladite loi avant le 1er septembre 2016 et jusqu'à leur date de fin. Les dispositions du présent décret ne s'appliquent pas à ces contrats.
Art. 65. In afwijking van artikel 7, §§ 1 en 2, worden de ondernemingen die bij de inwerkingtreding van dit decreet erkend waren in het stelsel leren en werken of in het schooljaar 2015-2016 verbonden waren door een overeenkomst met een leerling in het stelsel leren en werken erkend voor één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 65. Par dérogation à l'article 7, §§ 1er et 2, les entreprises qui, à l'entrée en vigueur du présent décret, étaient agréées dans le système d'apprentissage et de travail ou qui, pendant l'année scolaire 2015-2016, étaient liées par un contrat avec un élève dans le système d'apprentissage et de travail, sont agréées pour une (1) année à partir de l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 66. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2016, met uitzondering van de artikelen 2, 7, 8, 33, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 55, 57, 59, 60, 61 en 62, die in werking treden op 1 juli 2016.
Art. 66. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2016, à l'exception des articles 2, 7, 8, 33, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 55, 57, 59, 60, 61 et 62, qui entrent en vigueur le 1er juillet 2016.