Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 MAART 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu
Titre
18 MARS 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand portant modification de divers arrêtés en matière d'environnement
Documentinformatie
Numac: 2016036115
Datum: 2016-03-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016036115
Date: 2016-03-18
Moniteur: Voir
Tekst (332)
Texte (332)
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de omzetting van richtlijn 2014/99/EU van de Commissie van 21 oktober 2014 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 2009/126/EG inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations.
Article 1er. Le présent arrêté prévoit la transposition de la directive 2014/99/UE de la Commission du 21 octobre 2014 modifiant, aux fins de son adaptation au progrès technique, la directive 2009/126/CE concernant la phase II de la récupération des vapeurs d'essence, lors du ravitaillement en carburant des véhicules à moteur dans les stations-service.
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM
CHAPITRE 1er. - Modifications au titre II du VLAREM
Art. 2. In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, worden de woorden "ozonafbrekende stoffen" telkens vervangen door de woorden "ozonlaagafbrekende stoffen".
Art. 2. Dans la version néerlandaise de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié dernièrement par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, les mots "ozonafbrekende stoffen" sont chaque fois remplacés par les mots "ozonlaagafbrekende stoffen".
Art. 3. In artikel 1.1.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in definities dieren/opslag mest (Hoofdstukken 5.9. en 5.28.) wordt de definitie "inheemse grote zoogdieren" vervangen door wat volgt :
  "-"grote zoogdieren" : dieren zoals paarden en runderachtigen, die gespeend zijn;";
  2° in definities dieren/opslag mest (Hoofdstukken 5.9. en 5.28.) wordt in de definitie "inheemse kleine zoogdieren" het woord "inheemse" opgeheven;
  3° in definities ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen wordt de definitie "gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door wat volgt :
  "- "gefluoreerde broeikasgassen" : fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's), zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten, vermeld in bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006, afzonderlijk of in een mengsel;";
  4° in definities ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen wordt de definitie "fluorkoolwaterstoffen(HFK's)" vervangen door wat volgt :
  "- "fluorkoolwaterstoffen (HFK's)" : de fluorkoolwaterstoffen (HFK's), vermeld in deel 1 van bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006;";
  5° in definities ozonlaagafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen wordt de definitie "perfluorkoolstoffen (PFK's)" vervangen door wat volgt :
  "- "perfluorkoolstoffen (PFK's)" : de perfluorkoolstoffen (PFK's), vermeld in deel 2 van bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006.";
  6° in definities koelinstallaties wordt de definitie "nominale koelmiddelinhoud" vervangen door wat volgt :
  "- "nominale koelmiddelinhoud" : de hoeveelheid koelmiddel waarmee een koelsysteem is gevuld om te functioneren onder de voorwaarden waarvoor het is ontworpen en waarbij de hoeveelheid koelmiddel in een buffer- of reservevat dat met de koelinstallatie is verbonden, wordt meegerekend; dat is normaliter de hoeveelheid die is ingebracht bij de eerste indienststelling;";
  7° in definities koelinstallaties wordt de definitie "bevoegde koeltechnicus" vervangen door wat volgt :
  "- "bevoegde koeltechnicus" : een technicus die is aangewezen om werkzaamheden aan koelinstallaties op een verantwoorde manier uit te voeren, ofwel rechtstreeks door de exploitant, ofwel door het koeltechnisch bedrijf dat werkzaamheden aan de koelinstallatie uitvoert. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden aan koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1 en artikel 6.8.1.1, beschikt de bevoegde koeltechnicus bovendien over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL voor de desbetreffende categorie I, II, III of IV;";
  8° in definities koelinstallaties wordt de definitie "nominaal koelvermogen" vervangen door wat volgt :
  "- "nominaal koelvermogen" : het totaal opgesteld koelvermogen, aangegeven door de fabrikant en berekend volgens de standaardvoorwaarden, zoals bepaald in EN 14511-2. Als het airconditioningsysteem op gebouwniveau bestaat uit een aantal individuele installaties, worden de vermogens van de verschillende individuele installaties opgeteld;";
  9° aan definities koelinstallaties worden de volgende definities toegevoegd :
  "- "ton CO2-equivalent" : een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan;
  -"aardopwarmingsvermogen" : het klimaatopwarmingsvermogen van een broeikasgas in verhouding tot dat van CO2, berekend in termen van het opwarmingsvermogen in een periode van honderd jaar van één kilogram van een broeikasgas in verhouding tot één kilogram CO2, als opgenomen in bijlage I, II en IV van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 of, voor mengsels, berekend volgens de methode, vermeld in bijlage IV van diezelfde verordening.";
  10° in definities geluid (Hoofdstukken 2.2, 4.5, 5.32 en 6.7) worden in de definitie van "A-weging" de woorden "gedefinieerd in de Belgische norm NBN C 97-122 "geluidspeilmeters"" vervangen door de woorden "gedefinieerd in de norm IEC 61672-1";
  11° in definities geluid (Hoofdstukken 2.2, 4.5, 5.32 en 6.7) wordt in de definitie van "tonaal geluid" het woord "smalbandanalyse" vervangen door de zinsnede "smalbandanalyse in 1/24-octaafbanden";
  12° in definities geluid (Hoofdstukken 2.2, 4.5, 5.32 en 6.7) wordt in de definitie van "meetperiode" het woord "meetduren" vervangen door het woord "metingen";
  13° aan definities geluid (Hoofdstukken 2.2, 4.5, 5.32 en 6.7) worden de volgende definities toegevoegd :
  "Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen, ingedeeld volgens rubriek 16.3.1 (afdeling 4.5.7)
  1° laad- en losverrichtingen : de verrichtingen die bestaan uit het laden en lossen van goederen én het manoeuvreren van de vrachtwagen om de inrichtingen, vermeld in artikel 4.5.7.0.1, te bevoorraden;
  2° het laden en lossen van goederen : het laden en lossen van goederen uit een geparkeerde vrachtwagen aan de bedrijfseigen laad- en losplaats, inclusief de handelingen die dit mogelijk moeten maken, zoals het openen en sluiten van deuren en poorten. Pauzes en andere onderbrekingen worden hierbij niet omvat;
  3° manoeuvreren van de vrachtwagen : de bewegingen en manoeuvres van de vrachtwagen op het perceel of de percelen, gebruikt door de inrichting, met als doel de bedrijfseigen laad- en losplaats te bereiken om goederen te laden en te lossen of het terrein na het laden en lossen van goederen aan de laad- en losplaats te verlaten, inclusief het stilleggen en het opstarten van de motor en het stationair draaien van de motor in afwachting van de uitvoering van bewegingen en manoeuvres;
  4° dagrand :
  a) ochtenddagrand : de periode van 6 tot 7 uur;
  b) avonddagrand : de periode van 19 tot 23 uur;
  5° een inpandige laad- en losplaats : een laad- en losplaats in een afgesloten gebouw, waarbij de volledige vrachtwagen in dat gebouw geparkeerd wordt en waarbij goederen alleen geladen en gelost worden als de toegangspoorten van het gebouw gesloten zijn;
  6° een overdekte laad- en losplaats : een laad- en losplaats met een overkapping die altijd minstens de volledige laadruimte van de vrachtwagen overdekt;
  7° een laad- en losplaats in open lucht : een laad- en losplaats die geen overdekte of inpandige laad- en losplaats is;
  8° laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel : de laad- en losverrichtingen waarbij materiaal gebruikt wordt overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 4.5.7.4;
  9° één belevering : de uitvoering van laad- en losverrichtingen waarbij één vrachtwagen de inrichting bevoorraadt met één lading van goederen;
  10° de dichtstbijzijnde woningen : de woningen waar ter hoogte van de ramen het hoogste geluidsniveau wordt verwacht ten gevolge van de laad- en losverrichtingen;";
  14° aan definities ontspanningsinrichtingen (hoofdstuk 5.32), Schietstanden in open lucht, worden de volgende definities toegevoegd :
  "- "traditioneel buksschieten" : het schieten met een zware buks vanaf een vaste aanlegpaal op een hark in de buitenlucht. Het schieten vindt plaats in een schietstand, gekoppeld aan een folkloristische schuttersgilde;
  - "HLTS" : de handreiking Limburgs traditioneel schieten opgemaakt onder de hoede van het college van gedeputeerde staten van Limburg (Nederland);
  - "aanlegpaal" : een paal met bovenaan een horizontale steunbalk waarop de zware buks steunt tijdens het schieten;
  - "hark" : schietdoel dat bestaat uit drie of vijf staanders, die elk weer voorzien zijn van dwarslatjes waarop houten bolletjes of blokjes zijn aangebracht;
  - "schietboom" : een paal waarop de hark is aangebracht;
  - "ogief" : de voorkant van een kogel;
  - "affuit" : voorziening waarin de buks wordt geklemd op de aanlegpaal en die zo kan worden afgesteld dat de bewegingsvrijheid van de buks voldoende beperkt wordt om alle kogels in de kogelvanger af te vangen;
  - "buksmeester" : functionaris die er tijdens schietactiviteiten verantwoordelijk voor is dat de regelgeving wordt nageleefd.";
  15° in definities zeehavengebieden (hoofdstuk 5.48) worden in de definitie van "zeehavengebied" de woorden "begrensd overeenkomstig bijlage I van het koninklijk besluit van 2 februari 1993 tot vaststelling van de lijst van de havens en hun aanhorigheden overgedragen van de Staat aan het Vlaamse Gewest" vervangen door de woorden "zoals begrensd in de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen met betrekking tot de afbakening van de zeehavengebieden overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens";
  16° aan definities emissies van broeikasgassen (hoofdstuk 4.10) wordt de volgende definitie toegevoegd :
  "- "registeradministrateur" : de persoon of personen, vermeld in artikel 1, eerste lid, 29°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen;".
  17° aan definities windturbines (afdeling 5.20.6) wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "6° "tiphoogte" : masthoogte, vermeerderd met de helft van de rotordiameter.";
  18° er wordt een subtitel "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen" toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen (hoofdstuk 4.4 (afdeling 4.4.8), hoofdstuk 5.2 (artikel 5.2.2.5.2, § 9), hoofdstuk 5.15 (artikel 5.15.0.8), hoofdstuk 5.16 (artikel 5.16.3.3, § 1bis), hoofdstuk 5bis.15.5 (artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, en artikel 5bis.15.5.4.5.7, § 2), hoofdstuk 5bis.19.8 (artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, en artikel 5bis.19.8.4.8.7, § 2) en hoofdstuk 6.8 (artikel 6.8.1.1 en afdeling 6.8.2 tot en met 6.8.5)
  1° "installatie" : het samenvoegen van twee of meer delen van apparatuur of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, om een systeem te monteren op de plaats waar het zal worden geëxploiteerd, dat met zich meebrengt dat gastransporterende geleiders van een systeem worden samengevoegd om een circuit te voltooien, ongeacht of het systeem na montage moet worden gevuld of niet;
  2° "onderhoud" : alle activiteiten, met uitsluiting van terugwinning en controles op lekken als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, die met zich brengen dat de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, worden geopend, namelijk het toevoegen aan het systeem van gefluoreerde broeikasgassen, het verwijderen van een of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, het opnieuw monteren van twee of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, alsook het repareren van lekkages;
  3° "reparatie" : het herstel van beschadigde of lekkende producten of apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan, en waarvan een onderdeel zulke gassen bevat dan wel daartoe ontworpen is;
  4° "buitendienststelling" : het definitieve stilleggen en buiten werking of gebruik stellen van een product of deel van de apparatuur dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat;
  5° "terugwinning" : het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit producten, waaronder houders, en apparatuur gedurende het onderhoud, dan wel voorafgaand aan de verwijdering van de producten of de apparatuur;
  6° "koelinstallatie" : het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem. Het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;
  7° "brandbeveiligingsapparatuur" : de apparatuur en de systemen die worden gebruikt bij brandbeveiligings- en brandblustoepassingen. Brandblussers maken hier ook deel van uit;
  8° "elektrische schakelinrichtingen" : schakeltoestellen en combinaties daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en reguleringsapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met de bijbehorende koppelingen, accessoires, behuizingen en ondersteunende structuren, die bedoeld zijn voor gebruik in verband met het opwekken, het overbrengen, de distributie en de omzetting van elektrische energie.".
Art. 3. A l'article 1.1.2 du même arrêté, modifié pour la dernière fois par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans les définitions " animaux/stockage d'effluents d'élevage (Chapitres 5.9. en 5.28.) la définition de "gros mammifères indigènes" est remplacée par ce qui suit :
  "gros mammifères" : des animaux tels les chevaux et animaux de l'espèce bovine qui sont sevrés ; ";
  2° dans les définitions des animaux/stockage d'effluents d'élevage (chapitres 5.9 et 5.28), le terme " indigène " est supprimé dans la définition de " petits mammifères indigènes " ;
  3° dans les définitions relatives aux substances appauvrissant la couche d'ozone et aux gaz à effet de serre fluorés, la définition de " gaz à effet de serre fluorés " est remplacé par ce qui suit :
  "- gaz à effet de serre flurorés" : les hydrofluorocarbones (HFC), les hydrocarbures perfluorés (PFC), l'hexafluorure de soufre et les autres gaz à effet de serre contenant du fluor, énumérés à l'annexe I du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006, isolés ou dans un mélange ; " ;
  4° dans les définitions relatives aux substances appauvrissant la couche d'ozone et aux gaz à effet de serre fluorés, la définition de " hydrofluorocarbones (HFC) " est remplacée par ce qui suit :
  "hydrofluorocarbones (HFC)" : les hydrofluorocarbones (HFC), visés à la partie 1ère de l'annexe 1re du règlement (UE) n ° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n ° 842/2006 ; " ;
  5° dans les définitions relatives aux substances appauvrissant la couche d'ozone et aux gaz à effet de serre fluorés, la définition de " hydrocarbures perfluorés (PFC) " est remplacé par ce qui suit :
  "les hydrocarbures perfluorés (PFC) énumérés dans la partie 2 de l'annexe Ire du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006. " ;
  6° dans les "définitions installations de réfrigération", la définition " contenance nominale en fluide réfrigérant " est remplacée par ce qui suit :
  "contenance nominale en fluide réfrigérant" : la quantité de liquide réfrigérant dont est rempli un système frigorifique pour qu'il puisse fonctionner aux conditions pour lesquelles il a été conçu, y compris la quantité de réfrigérant présente dans un réservoir tampon ou de réserve relié avec l'installation de réfrigération ; cette quantité correspond normalement à la quantité qui a été introduite lors de la première mise en service ; " ;
  7° Dans " Définitions installations de réfrigération ", la définition de " frigoriste " est remplacée par ce qui suit :
  " - " frigoriste compétent " : un technicien désigné en vue d'exécuter des travaux à des installations de réfrigération de manière justifiée, soit directement par l'exploitant, soit par l'entreprise frigorifique exécutant les travaux à l'installation de réfrigération. Lors de l'exécution des travaux aux installations de réfrigération utilisant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, telles que visées à l'article 5.2.2.5.2, § 9, l'article 5.16.3.3, § 1bis, l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 1er, l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 1 et l'article 6.8.1.1, le frigoriste compétent dispose en plus d'un agrément comme frigoriste, tel que visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL pour la catégorie I, II, III ou IV respective ; " ;
  8° Dans les définitions " installations de réfrigération ", la définition " puissance frigorifique nominale " est remplacée par ce qui suit :
  " " puissance frigorifique nominale " : le total de la puissance frigorifique installée, indiquée par le fabricant et calculée conformément aux conditions standard, telles que visées à la EN 14511-2. Si le système de climatisation au niveau du bâtiment comprend des installations individuelles, les capacités des différentes installations individuelles sont comptabilisées ; ";
  9° aux définitions installations de réfrigération, sont ajoutées les définitions suivantes :
  "- "tonne d'équivalent-dioxyde de carbone" : une quantité de gaz à effet de serre, exprimée comme le produit du poids des gaz à effet de serre en tonnes métriques et leur potentiel de réchauffement planétaire ;
  - "potentiel de réchauffement planétaire" : le potentiel de réchauffement climatique d'un gaz à effet de serre par rapport à celui du dioxyde de carbone (CO2), calculé comme le potentiel de réchauffement sur un siècle d'un kilogramme d'un gaz à effet de serre par rapport à un kilogramme de CO2, comme énoncé aux annexes I, II et IV du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ou, pour les mélanges, calculé conformément à la méthode figurant à l'annexe IV dudit règlement. " ;
  10° dans les définitions bruit (Chapitres 2.2, 4.5, 5.32 et 6.7), les mots "telle que définie dans la norme belge NBN C 97-122 sonomètres" dans la définition de "pondération A", sont remplacés par les mots " telle que définie à la norme CEI 61672-1 " ;
  11° dans les définitions originales (chapitres 2.2, 4.5, 5.32 et 6.7), la définition de " bruit à tonalité marquée du mot " smalbandanalyse " est remplacé par le membre de phrase " smalbandanalyse en 1/24-octaafbanden ";
  12° dans les définitions bruit (chapitres 2.2, 4.5, 5.32 et 6.7), les mots "durées de mesurage" dans la définition de " période de mesurage ", sont remplacés par le mot " mesurages " ;
  13° dans les définitions bruit (chapitres 2.2, 4.5, 5.32 et 6.7), les définitions suivantes sont ajoutées :
  " Conditions d'opérations de chargement et de déchargement pour certains établissements classés selon la rubrique 16.3.1 (section 4.5.7)
  1° opérations de chargement et de déchargement : les opérations qui consistent dans le chargement et le déchargement de marchandises, ainsi que les manoeuvres du camion pour approvisionner les équipements énumérés à l'article 4.5.7.0.1 ;
  2° le chargement et le déchargement de marchandises : le chargement et le déchargement de marchandises à partir d'un camion en stationnement au quai de chargement et de déchargement de l'entreprise, y compris les actes qui doivent les permettre, ainsi que l'ouverture et la fermeture de portes et portails. Les temps de pause et autres interruptions n'y sont pas compris ;
  3° de manoeuvrer les camions : les mouvements et les manoeuvres camion sur le lot ou les lots utilisés par l'établissement, dans le but d'atteindre le quai de chargement-déchargement de l'entreprise pour charger et décharger des marchandises ou de quitter le site après le chargement et le déchargement de marchandises au quai de chargement/déchargement, y compris l'arrêt et le démarrage du moteur et le tournage au ralenti du moteur en attendant la mise en oeuvre de mouvements et de manoeuvres ;
  4° heures creuses :
  a) heures creuses matinales : la période entre 6 et 7 heures ;
  b) heures creuses vespérales : la période entre 19 et 23 heures ;
  5° un quai de chargement et de déchargement à l'intérieur d'un bâtiment : un quai de chargement et de déchargement dans un bâtiment fermé, dans lequel l'ensemble du camion est garé et dans lequel les marchandises ne sont chargées et déchargées que lorsque les portes d'accès du bâtiment sont fermées ;
  6° un quai de chargement et de déchargement couvert : un quai de chargement et de déchargement couvert d'une toiture couvrant à tout temps au moins l'espace complet de chargement du camion ;
  7° un quai de chargement et de déchargement en plein air : un quai de chargement et de déchargement autre qu'un quai de chargement et de déchargement couvert ou dans un bâtiment ;
  8° opérations de chargement et de déchargement à l'aide d'engins silencieux : les opérations de chargement et de déchargement lors desquelles des engins sont utilisés conformément aux critères, visés à l'annexe 4.5.7.4 ;
  Une fourniture à 9° : L'exécution des opérations de chargement et de déchargement d'un camion qui approvisionne l'établissement avec un chargement de marchandises;
  10° les habitations avoisinantes : les habitations susceptibles de souffrir d'un niveau sonore le plus élevé à hauteur des fenêtres en provenance des opérations de chargement et de déchargement; ";
  14° les définitions suivantes sont ajoutées aux définitions des établissements de relaxation (chapitre 5.32), Stands de tir en plein air :
  " - "tir à la carabine traditionnel" : le tir à la carabine lourde à partir d'un support de tir ou d'un râteau en plein air. Le tir a lieu dans un stand de tir associé à une confrérie folklorique de tireurs ;
  - "HLTS" : le "handreiking Limburgs traditioneel schieten" établi sous l'égide du "college van gedeputeerde staten van Limburg" (Pays-Bas) ;
  - "support de tir" : un support intégrant un racinal au-dessus, sur lequel repose la carabine lourde au cours du tir ;
  - "râteau" : cible de tir composée de trois ou cinq supports, qui sont chacun pourvu de traverses sur lesquelles des petites boules ou de petits cubes ont été apposés ;
  - "perche de tir" : une perche sur laquelle est monté le râteau ;
  - "ogive" : la face avant d'une balle ;
  - "affût" : dispositif dans lequel la carabine est serrée sur le support de tir et qui peut être réglé de telle façon que la marge de manoeuvre de la carabine est suffisamment réduite pour que toutes les balles aboutissent dans le pare-balles ;
  - "maître du tir à la carabine" : un fonctionnaire qui assure que la réglementation est respectée au cours des activités de tir. " ;
  15° dans les définitions zones portuaires (chapitre 5.48), les mots "limitée conformément à l'annexe I de l'arrêté royal du 2 février 1993 dressant la liste des ports et de leurs dépendances transférés de l'Etat à la région flamande " dans la définition de "zone portuaire" sont remplacés par les mots " telle que délimitée dans les plans d'exécution spatiaux régionaux relatifs à la délimitation des zones portuaires conformément à l'article 3 du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes " ;
  16° aux définitions émissions des gaz à effet de serre (chapitre 4.10), les définitions suivantes sont ajoutées :
  " - "administrateur du registre : la personne ou les personnes visées à l'article 1er, premier alinéa, 29° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif à l'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes, les opérations aéronautiques et l'introduction de mécanismes de flexibilité ; ".
  17° aux définitions d'éoliennes (section 5.20.6) il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
  "6° "apogée de rotation" : la hauteur du mât, majorée de la moitié du diamètre du rotor. " ;
  18° un sous-titre " définitions des travaux aux certaines installations contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone " est ajouté, rédigé comme suit :
  "Définitions des travaux à certaines installations avec des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant l'ozone (chapitre 4.4 (section 4.4.8), chapitre 5.2 (article 5.2.2.5.2, § 9), chapitre 5.15 (article 5.15.0.8), chapitre 5.16 (article 5.16.3.3, § 1bis), chapitre 5bis.15.5 (article 5bis.15.5.2.3, § 1er, article 5bis.15.5.4.5.4, § 1er, et article 5bis.15.5.4.5.7, § 2), chapitre 5bis.19.8 (article 5bis.19.8.4.8.4, § 1er, et article 5bis.19.8.4.8.7, § 2) et chapitre 6.8 (article 6.8.1.1 et section 6.8.2 à 6.8.5 incluse)
  1° "installation : l'assemblage d'au moins deux pièces d'équipement ou de circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, en vue de monter un système sur le lieu même de son utilisation future, et qui implique de connecter les conduites de gaz d'un système pour compléter un circuit, qu'il faille ou non charger le système après l'assemblage ;
  2° "entretien" : toutes les activités, à l'exclusion de la récupération et les contrôles d'étanchéité au sens de l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances qui appauvrissent la couche d'ozone, qui impliquent que les circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, sont accédés, notamment l'ajout au système de gaz à effet de serre fluorés, l'enlèvement d'une ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement, le ré-assemblage de deux ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement de même que la réparation de fuites ;
  3° "réparation" : la réparation de produits ou d'équipements contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ou qui en sont tributaires, qui sont endommagés ou présentent une fuite et dont une partie contient ou est conçue pour contenir de tels gaz ;
  4° "mise hors service" : l'arrêt définitif d'un produit ou d'une pièce d'équipement contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et son retrait du service ou la fin de son utilisation ;
  5° "récupération" : la collecte et le stockage des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone contenus dans des produits, y compris les conteneurs, et des équipements lors de la maintenance ou de l'entretien de ces produits ou équipements ou préalablement à leur élimination ;
  6° "installation frigorifique" : l'ensemble des pièces et équipements nécessaires au fonctionnement d'un système frigorifique. Il s'agit également d'installations de conditionnement d'air et les pompes à chaleur incluses dans le système frigorifique;
  7° "équipements de protection contre l'incendie" : 'équipement et les systèmes utilisés dans les applications de prévention des incendies ou de lutte contre l'incendie. Les extincteurs d'incendie en font également partie;
  8° "appareils de commutation électrique" : les dispositifs de commutation et les équipements de contrôle, de mesure, de protection et de régulation auxquels ils sont associés, ainsi que les assemblages de ces dispositifs et équipements avec les interconnexions, accessoires, enceintes et structures de support qui les accompagnent, destinés à être utilisés à des fins de production, de transmission, de distribution et de conversion d'énergie électrique. ".
Art. 4. In artikel 1.3.1.1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
  " § 4. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° milieudeskundige in de discipline elektrische installaties : een erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI);
  2° milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas : een erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats, voor het domein controles van gasrecipiënten;
  3° milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk : een erkende aangemelde instantie of keuringsdienst van gebruikers als vermeld in hoofdstuk VIII van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur, voor de toepassing van de procedures, vermeld in de Europese richtlijn 97/23/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur ofwel een erkende aangemelde instantie als vermeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 11 juni 1990 betreffende het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, voor de toepassing van de procedures, vermeld in de Europese richtlijn 2009/105/EG inzake drukvaten van eenvoudige vorm.".
Art. 4. Dans l'article 1.3.1.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° expert environnemental dans la discipline des installations électriques : un organisme reconnu, tel que précisé à l'article 275 de l'AREI (le règlement général sur les Installations Electriques) ;
  2° expert environnemental dans la discipline de récipients pour gaz comprimés, liquéfiés ou dissolus : un service externe agréé pour contrôles techniques sur le lieu de travail, tel que visé à l'arrêté royal du 29 avril 1999 concernant l'agrément de services externes pour les contrôles techniques sur le lieu de travail, pour le domaine des contrôles de récipients pour gaz ;
  3° expert environnemental dans la discipline d'appareils à pression : un organisme notifié ou un service d'inspection d'un utilisateur visé au chapitre VIII de l'arrêté royal du 13 juin 1999 concernant la mise à disposition sur le marché des équipements sous pression pour l'application des procédures visées dans la directive 97/23/CE concernant le rapprochement des législations des Etats membres concernant les équipements sous pression, soit un organisme notifié visé à l'article 12 de l'arrêté royal du 11 juin 1990 concernant la mise à disposition sur le marché des récipients à pression simples, aux fins des procédures visées dans la directive 2009/105/CE relative aux récipients à pression simples. ".
Art. 5. In het opschrift van hoofdstuk 2.8 van hetzelfde besluit worden de woorden "ter zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging" vervangen door de woorden "met betrekking tot beste beschikbare technieken".
Art. 5. Dans l'intitulé du chapitre 2.8 du même arrêté, les mots " de prévention intégrée et de lutte contre la pollution " sont remplacés par les mots " relatives aux meilleures techniques disponibles ".
Art. 6. In deel 2, hoofdstuk 2.8, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 24 april 2009 en 7 juni 2013, wordt afdeling 2.8.0, die bestaat uit artikel 2.8.0.1 tot en met 2.8.0.4, opgeheven.
Art. 6. Dans la partie 2, chapitre 2.8, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008, 24 avril 2009 et 7 juin 2013, la section 2.8.0 comprenant l'article 2.8.0.1 à 2.8.0.4 inclus, est abrogée.
Art. 7. Aan hoofdstuk 2.8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 24 april 2009 en 7 juni 2013, wordt een afdeling 2.8.2, die bestaat uit artikel 2.8.2.1 tot en met 2.8.2.4, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 2.8.2. Beleidstaken met betrekking tot de opmaak van Vlaamse BBT-studies
  Art. 2.8.2.1.Ter. ondersteuning van de vaststelling van milieuvoorwaarden kunnen er Vlaamse BBT-studies opgemaakt worden :
  1° indien na grondige evaluatie geoordeeld wordt dat dit voor de specifieke Vlaamse situatie noodzakelijk is. Dit kan in volgende gevallen :
  a) wegens een Vlaamse beleidsprioriteit, of
  b) het betreft een Vlaamse milieuprobleem (overschrijdingen van één of meerdere Europese milieukwaliteitsnormen), of
  c) een sector vraagt nieuwe of bijgestelde Vlaamse sectorale milieuvoorwaarden (die niet Europees werden bepaald);
  2° indien de als hinderlijke ingedeelde inrichtingen als de voornaamste oorzaak zijn geïdentificeerd (zoniet moet de BBT-filosofie eerst op de belangrijkere bronnen worden toegepast).
  In deze afdeling wordt verstaan onder een Vlaamse BBT-studie : een document dat het resultaat is van de conform artikel 2.8.2.2, tweede lid, georganiseerde uitwisseling van informatie, dat is opgesteld voor welomschreven activiteiten en meer bepaald een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van beste beschikbare technieken, alsook aanbevelingen voor milieuregelgeving en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18 van titel I van het VLAREM.
  Art. 2.8.2.2. De Vlaamse BBT-studies worden opgesteld of herzien door de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.
  Per Vlaamse BBT-studie wordt door de stuurgroep, vermeld in artikel 2.8.2.3, een begeleidingscomité samengesteld. Om de Vlaamse BBT-studies op te stellen, te herzien en waar nodig te actualiseren, organiseert en coördineert de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling de uitwisseling van informatie binnen het begeleidingscomité tussen de technische deskundigen die optreden als vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, § 1, van titel I van het VLAREM, de afdeling Milieu-Inspectie, de betrokken bedrijfstakken, de niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, en andere betrokken partijen.
  Het begeleidingscomité komt minstens drie keer samen, één keer bij het opstarten van de Vlaamse BBT-studie en minstens twee keer om opeenvolgende ontwerpversies van de Vlaamse BBT-studie te bespreken.
  Tijdens de bespreking over het pre-finale ontwerp wordt gestreefd naar consensus binnen het begeleidingscomité over de Vlaamse BBT-studie. De door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling houdt rekening met de standpunten van het begeleidingscomité bij het opstellen van het finale ontwerp van de Vlaamse BBT-studie, en legt het finale ontwerp schriftelijk voor aan het begeleidingscomité. Als er binnen het begeleidingscomité geen consensus is over het finale ontwerp, worden de afwijkende standpunten en de argumentatie daarvoor vastgelegd in een bijlage van de Vlaamse BBT-studie, samen met een repliek daarop van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.
  Het finale ontwerp wordt ook voorgelegd aan de stuurgroep, vermeld in artikel 2.8.2.3. Eventuele opmerkingen van de stuurgroep en de argumentatie daarvoor worden vastgelegd in een bijlage van de Vlaamse BBT-studie, samen met een repliek daarop van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.
  De afgewerkte Vlaamse BBT-studie wordt toegankelijk gemaakt voor het publiek, ten minste via het internet.
  Art. 2.8.2.3. Er wordt een stuurgroep opgericht. Die stuurgroep wordt voorgezeten door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en bestaat uit vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, § 1, van titel I van het VLAREM, en de afdeling Milieu-Inspectie. De stuurgroep bepaalt de richtlijnen en de werkwijze van de informatie-uitwisseling. De stuurgroep maakt een voorstel op van het werkprogramma van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling om Vlaamse BBT-studies op te stellen of te herzien.
  De stuurgroep consulteert jaarlijks de leden van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen over het voorstel van het werkprogramma voor het komende jaar.
  De stuurgroep legt het voorstel van het werkprogramma voor het komende jaar ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister.
  Art. 2.8.2.4. Na iedere Vlaamse BBT-studie evalueert de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, in overleg met de betrokken adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, § 1, van titel I van het VLAREM, en de afdeling Milieu-Inspectie, de noodzaak om aan de Vlaamse minister een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot het bepalen van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden te bezorgen. In voorkomend geval, legt de Vlaamse minister het ontwerp van besluit tot het bepalen van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden voor aan de Vlaamse Regering.
  Na iedere Vlaamse BBT-studie stelt de Vlaamse minister richtlijnen op voor de betrokken overheden voor de aanbevelingen die via bijzondere milieuvoorwaarden kunnen worden opgelegd.".
Art. 7. Au chapitre 2.8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008, 24 avril 2009 et 7 juin 2013, est insérée une section 2.8.2, constituée des articles 2.8.2.1 à 2.8.2.4 inclus, rédigée comme suit :
  " Section 2.8.2. Mesures stratégiques relatives à l'établissement d'études flamandes sur les MTD
  Art. 2.8.2.1. A l'appui de l'établissement des conditions environnementales, des études flamandes sur les MTD peuvent être rédigées :
  1° Lorsqu'après une évaluation approfondie il est estimé que la situation flamande spécifique l'impose. Ce peut arriver dans les cas suivants :
  a) 1° en raison d'une priorité politique flamande, ou
  b) 2° dans le cas d'un problème environnemental flamand (dépassement d'une ou de plusieurs normes de qualité environnementale européennes), ou
  c) 3° lorsqu'un secteur demande des conditions environnementales nouvelles ou révisées (qui n'ont pas été définies au niveau européen) ;
  2° lorsque les installations réputées incommodes ont été identifiées comme la cause principale (autrement, la philosophie MTD doit d'abord être appliquée aux sources plus importantes).
  Dans la présente section, il faut entendre par une étude flamande sur les MTD : un document qui est le résultat de l'échange d'information organisé conformément à l'article 2.8.2.2, alinéa deux, établi pour des activités bien définies et décrivant, notamment les techniques appliquées, les niveaux actuels d'émission et de consommation, les techniques envisagées pour la définition des meilleures techniques disponibles, ainsi que des recommandations portant sur la législation environnementale et les éventuelles techniques émergentes, accordant une attention particulière aux critères énumérés à l'annexe 18 du titre I du Vlarem.
  Art. 2.8.2.2. Les études flamandes sur les MTD sont établies ou révisées par l'institution de recherche désignée par le Gouvernement flamand.
  Par étude flamande sur les MTD, un comité d'accompagnement est composé par le groupe de pilotage visé à l'article 2.8.2.3. En vue de rédiger, de réviser ou, le cas échéant, de mettre à jour les études flamandes sur les MTD, l'institution de recherche désignée par le Gouvernement flamand organise et coordonne l'échange d'information au sein du comité d'accompagnement entre les experts techniques agissant comme des représentants des organes publics consultatifs, visés à l'article 20, § 1er du titre Ier du VLAREM, la " afdeling Milieu-inspectie ", les branches d'activité concernées, les organisations non gouvernementales oeuvrant pour la protection de l'environnement et d'autres parties concernées.
  Le comité d'accompagnement se réunit au moins trois fois, une fois lors du démarrage de l'étude flamande sur les MTD et au moins deux fois pour discuter des versions brouillon successives de l'étude flamande sur les MTD.
  Lors de la discussion du projet préfinal, on tente à atteindre un consensus au niveau de l'étude flamande sur les MTD au sein du comité d'accompagnement. L'institution de recherche désignée par le Gouvernement flamand tient compte des points de vue du comité d'accompagnement lors de l'établissement du projet final de l'étude flamande sur les MTD et soumet le projet final au comité d'accompagnement par écrit. A défaut d'un consensus sur le projet final au sein du comité d'accompagnement, les points de vue divergents et les justifications de ceux-ci sont établis dans une annexe de l'étude flamande sur les MTD, accompagnée d'une réplique par l'institution de recherche désignée par le gouvernement flamand.
  Le projet final est présenté également au comité de pilotage, prévu à l'article 2.8.2.3. Les commentaires éventuels du comité de pilotage et les arguments avancés à cet égard sont définis dans une annexe de l'étude flamande sur les MTD, accompagnée d'une réplique par l'institution de recherche désignée par le Gouvernement flamand.
  La version finale de l'étude flamande sur les MTD est mise à la disposition du public, au minimum via l'Internet.
  Art. 2.8.2.3. Un groupe de pilotage est créé. Ce comité de pilotage est présidé par le service chargé des permis d'environnement, et est composé de représentants des organismes consultatifs mentionnés à l'article 20, § 1er, du Titre I du VLAREM, et de la division de l'inspection environnementale. Le groupe de pilotage fixe les lignes directrices et les modalités de l'échange d'informations. Le groupe de pilotage établit un projet du programme de travail de l'institution de recherche désignée par le Gouvernement flamand pour ce cui concerne l'établissement ou la révision d'études flamandes sur les MTD.
  Chaque année, le groupe de pilotage consulte les membres de la " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " sur le projet du programme de travail pour l'année à venir.
  Le groupe de pilotage soumet le projet du programme de travail pour l'année à venir, à l'approbation du ministre flamand.
  Art. 2.8.2.4. Suite à chaque étude flamande sur les MTD, la division compétente des permis d'environnement, évalue la nécessité de remettre au ministre flamand un projet d'arrêté du Gouvernement flamand portant sur l'établissement des conditions environnementales générales ou sectorielles, en concertation avec les organismes consultatifs publics concernés, visés à l'article 20, § 1er du titre I du VLAREM et de la " Afdeling Milieu-inspectie ". Le cas échéant, le ministre flamand soumet le projet d'arrêté portant sur l'établissement des conditions environnementales générales ou sectorielles au Gouvernement flamand.
  Suite à chaque étude flamande sur les MTD, le Ministre flamand établit des directives relatives aux recommandations qui peuvent être imposées au moyen de conditions environnementales particulières pour les administrations concernées. "
Art. 8. In artikel 3.2.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het artikel nummer "5.6.2.3.6" vervangen door het artikel nummer "5.6.1.3.6", de zinsnede "5.7.1.4, § 2" vervangen door de zinsnede "5.7.1.4, § 1" en wordt de zinsnede "5.17.4.1.16, §§ §§ 3, 4, 5, 6" vervangen door de zinsnede "5.17.4.1.16".
Art. 8. Dans l'article 3.2.3.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le numéro d'article " 5.6.2.3.6 " est remplacé par le numéro d'article " 5.6.1.3.6 ", la partie de phrase " 5.7.1.4, § 2 " est remplacée par la partie de phrase " 5.7.1.4, § 1er " et la partie de phrase " 5.17.4.1.16, §§ §§ 3, 4, 5, 6 " est remplacée par la partie de phrase " 5.17.4.1.16 ".
Art. 9. In artikel 4.1.7.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "gevaarlijke stoffen" vervangen door de woorden "gevaarlijke producten".
Art. 9. Dans la version néerlandaise de l'article 4.1.7.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " gevaarlijke stoffen " sont remplacés par les mots " gevaarlijke producten ".
Art. 10. In artikel 4.1.9.1.3, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 oktober 2014, wordt de zinsnede "en de naleving van de meldingsplicht bedoeld in de artikel en 17 tot en met 21 en 23" vervangen door de zinsnede "en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30".
Art. 10. A l'article 4.1.9.1.3, § 1, 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 octobre 2014, la partie de phrase " et le respect de l'obligation de notification visée aux articles 17 à 21 et 23 " est remplacée par la partie de phrase " et le registre des matériaux et le respect de l'obligation de notification, visée aux articles 6, 23 à 25 inclus et 30 ".
Art. 11. In artikel 4.2.5.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  "Koelwater, van de inrichtingen die een maximale hoeveelheid koelwater lozen van meer dan 2 mo per uur, wordt geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde koelwater te kunnen controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Voor inrichtingen tot en met 100 mo per uur wordt aan deze bepaling voldaan tegen 1 september 2018. Voor de inrichtingen die meer dan 100 mo per uur koelwater lozen, wordt daarnaast het debiet continu geregistreerd, waarbij naast het ogenblikkelijke debiet ook het totale debiet per uur, per etmaal en per jaar weergegeven wordt.".
Art. 11. Dans l'article 4.2.5.1.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, le premier alinéa est remplacé par le texte suivant :
  " Des eaux de refroidissement, en provenance des équipements déversant une quantité maximale d'eaux de refroidissement supérieure à 2 mo par heure, sont rejetées à travers un système de contrôle assurant le contrôle à 100% des eaux réellement déversées et permettant des échantillonnages aisés des eaux usées en particulier. Les établissements déversant des eaux à 100 mo par heure satisfont à cette disposition pour le 1 septembre 2018. Pour les équipements déversant plus de 100 mo d'eaux de refroidissement par heure, le débit est en plus enregistré de manière continue, qui comprend outre le débit instantané, le débit total par heure, par jour et par an. ".
Art. 12. In artikel 4.2.8.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
  " § 4. Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan, als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.
  Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht.".
Art. 12. Dans l'article 4.2.8.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, le paragraphe 4 est remplacé par le texte suivant :
  " § 4. Pour les rejets dans l'espace rural à optimiser collectivement, il est présumé que les conditions définies au paragraphe 1er sont remplies, lorsque les eaux usées sont au moins épurées à l'aide d'une installation de prédigestion de déchets, construite et exploitée conformément au code de bonnes pratiques.
  Pour le rejet des eaux usées domestiques provenant de plus de dix installations sanitaires temporaires placées en plein air auprès d'un équipement accessible au public, les eaux usées sont au minimum épurées au moyen d'une installation de traitement individuel dont la capacité est alignée sur la charge polluée qui y sera raccordée.
Art. 13. Aan subafdeling 4.2.8.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt een artikel 4.2.8.2.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 4.2.8.2.2. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden.
  In de aktename van de melding kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.".
Art. 13. A la sous-section 4.2.8.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, il est ajouté un article 4.2.8.2.2, rédigé comme suit :
  " Art. 4.2.8.2.2. Pour les rejets des eaux usées domestiques provenant d'une installation sanitaire temporaire placée en plein air auprès d'un équipement accessible au public, une autorisation explicite écrite de l'exploitant de l'installation d'épuration d'eaux d'égout doit être obtenue.
  Dans la prise d'acte de la notification, des conditions supplémentaires peuvent être imposées en vue du fonctionnement optimal du système d'égouts en aval, y compris des trop-plein existants, et de l'installation d'épuration d'eaux d'égout. ".
Art. 14. In artikel 4.4.2.3, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 14. A l'article 4.4.2.3, § 1, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 15. In artikel 4.4.4.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "parameters SO2" vervangen door de zinsnede "parameters SOx" en wordt de zinsnede "SO2/h" vervangen door de zinsnede "SOx/h, uitgedrukt als SO2";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "stoffen, vermeld in paragraaf 1" vervangen door de zinsnede "parameters SO2, NOx en totaal stof";
  3° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Als de emissiewaarden voor zwaveldioxide continu gemeten worden, kan in de milieuvergunning bepaald worden op welke wijze de emissiewaarden voor zwaveltrioxide bepaald worden en inbegrepen worden in de toetsing aan de emissiegrenswaarde voor zwaveloxiden.";
  4° in paragraaf 2 worden in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, de woorden "vermeld in het eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "vermeld in het eerste lid";
  5° in paragraaf 2, laatste lid, worden de woorden "in het tweede lid" vervangen door de woorden "in het derde lid".
Art. 15. Dans l'article 4.4.4.1 du même arrêté, remplacé par les arrêtés du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " paramètres SO2 " est remplacé par le membre de phrase " paramètres SOx " et le membre de phrase " SO2/h " est remplacé par le membre de phrase " SOx/h, exprimé en tant que SO2 " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " les substances définies au paragraphe 1er " est remplacé par le membre de phrase " paramètres de SO2, de NOx et le total des poussières " ;
  3° au paragraphe 2, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas premier et deux, rédigé comme suit :
  " Si les valeurs d'émission pour le dioxyde de soufre sont mesurées en continu, le permis d'environnement peut établir les modalités selon lesquelles les valeurs limites d'émission applicables au trioxyde de soufre sont déterminées et incluses dans l'examen des valeurs limites d'émission applicables aux oxydes de soufre. " ;
  4° au paragraphe 2, dans l'alinéa deux existant, qui devient l'alinéa trois, les mots " visés au premier et au deuxième alinéas " sont remplacés par les mots " visés à l'alinéa premier " ;
  5° au paragraphe 2, dernier alinéa, les mots " au deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " au troisième alinéa ".
Art. 16. Aan artikel 4.4.4.2, § 4, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk" toegevoegd.
Art. 16. A l'article 4.4.4.2, paragraphe 4, quatrième alinéa, du même décret, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les termes " et les dispositions complémentaires du code de bonnes pratiques " est ajouté.
Art. 17. In artikel 4.4.4.4, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die onder hetzelfde punt in bijlage 4.4.2 zijn geklasseerd, gelden de meetfrequenties die per stof zijn voorgeschreven, ook voor de som van de verschillende stoffen die onder hetzelfde punt in de voormelde bijlage geklasseerd zijn, behalve voor de stoffen, vermeld in punt 2°, 3°, 4° en 5°, van de voormelde bijlage.".
Art. 17. A l'article 4.4.4.4, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est inséré un alinéa entre le premier et le deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Dans le cas de la présence de plusieurs substances qui relèvent du même point dans l'annexe 4.4.2, s'appliquent les fréquences de mesure qui ont été prescrites par substance, y compris pour la somme des différentes substances relevant du même point de l'annexe précitée, sauf pour les substances énumérées aux points 2°, 3°, 4° et 5°, de ladite annexe. ".
Art. 18. In artikel 4.4.6.1.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de inleidende zin "De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de proces en de op- en overslaginstallaties van :" vervangen door de zin "Met uitzondering van verticale bovengrondse vaste houders, is deze afdeling van toepassing op de proces- en de op- en overslaginstallaties van :".
Art. 18. A l'article 4.4.6.1.1, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la phrase introductive " Les dispositions de cette section s'appliquent au processus et aux installations de stockage et de chargement :" est remplacée par la phrase " A l'exception des réservoirs fixes verticaux de surface, la présente section s'applique au processus et aux installations de chargement : "
Art. 19. In artikel 4.4.6.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het eerste lid opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 4.4.6.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, l'alinéa premier est abrogé.
Art. 20. In artikel 4.4.7.2.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in het aanvraagformulier, op voor de volgende inrichtingen :
  1° inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m grondoppervlakte. Het stofrapport wordt, voorafgaand aan het overschrijden van de drempel van de opslagcapaciteit, bij de aanvraag van een milieuvergunning gevoegd of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
  2° inrichtingen met een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700.000 ton per jaar. Het stofrapport wordt uiterlijk op 31 juli van het lopende jaar bij de aanvraag van een milieuvergunning gevoegd of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.".
Art. 20. Dans l'article 4.4.7.2.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 janvier 2013, le paragraphe 1er est remplacé par le texte suivant :
  " § 1er. L'exploitant établit un rapport sur les substances pulvérulentes, comme indiqués dans le formulaire de demande, pour les équipements suivants :
  1° les équipements d'une capacité de stockage de plus de 50.000 m de surface au sol. Avant le franchissement du seuil de la capacité de stockage, le rapport sur les substances pulvérulentes est annexé à la demande d'un permis d'environnement ou est remis à la section compétente pour les permis d'environnement par lettre recommandée ;
  2° les équipements ayant une capacité de stockage moyenne de substances pulvérulentes sur les trois années civiles précédentes de plus de 700.000 tonnes par an. Le rapport sur les substances pulvérulentes est annexé à la demande d'un permis d'environnement ou remis à la section, compétente des permis d'environnement par lettre recommandée au plus tard le 31 juillet de l'année en cours. ".
Art. 21. Aan hoofdstuk 4.4 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een afdeling 4.4.8, die bestaat uit artikel 4.4.8.1 tot en met 4.4.8.3, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 4.4.8. Installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen
  Art. 4.4.8.1. De volgende werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur werkt, erkend als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om een certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/2, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen.
  Art. 4.4.8.2. De volgende werkzaamheden aan elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/3, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen.
  Het eerste lid is tot 1 juli 2017 niet van toepassing voor de installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen en voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan de hoogspanningsschakelaars.
  Art. 4.4.8.3. De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/4, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.".
Art. 21. Au chapitre 4.4 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté une section 4.4.8, comprenant les articles 4.4.8.1 à 4.4.8.3 inclus, rédigés comme suit :
  " Section 4.4.8. Les installations de gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone
  Art. 4.4.8.1. Les travaux suivants aux équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrisant la couche d'ozone ne peuvent être effectués que par un technicien agréé pour les équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f), du VLAREL :
  1° l'installation, l'entretien, la réparation et la mise hors service ;
  2° les contrôles d'étanchéité des équipements de protection contre l'incendie, visés à l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  3° la récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service des équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, l'entreprise où travaille le technicien d'équipements de protection contre l'incendie, est agréée comme entreprise d'équipements de protection contre l'incendie, comme indiqué à l'article 6, 7°, c), du VLAREL.
  L'alinéa premier ne s'applique pas, en ce qui concerne les équipements de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'inscription en vue d'une formation pour lui permettre d'obtenir un certificat visé à l'article 17/2, 2°, du VLAREL, à condition qu'il effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date de l'inscription en vue de la formation et prend fin lorsque la personne obtient un agrément comme technicien d'équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, l'intéressé soumet une attestation d'inscription.
  Le premier alinéa ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les lieux d'établissement du fabricant en ce qui concerne les conteneurs ou les composants associés des équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés.
  Art. 4.4.8.2. Les travaux suivants sur les appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ne peuvent être effectués que par un technicien agréé pour les appareils de commutation électrique visés à l'article 6, 2°, g) du VLAREL :
  1° l'installation, l'entretien, la réparation et la mise hors service ;
  2° la récupération des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui est en possession d'un certificat d'inscription en vue d'une formation pour obtenir le certificat visé à l'article 17/3, 2°, du VLAREL, à condition qu'il effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien agréé pour appareils de commutation électrique et que celui-ci assume l'entière responsabilité de la bonne exécution des travaux. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'inscription en vue de la formation et prend fin lorsque la personne obtient un agrément comme technicien d'appareils de commutation électrique, tel que visé à l'article 6, 2°, g) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, l'intéressé soumet une attestation d'inscription.
  Le premier alinéa ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les établissements du fabricant en ce qui concerne les appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  Jusqu'au 1 juillet 2017, l'alinéa premier ne s'applique pas à l'installation, à l'entretien, à la réparation et à la mise hors service des appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ni à la récupération de gaz à effet de serre fluorés en provenance d'appareils de commutation électrique autres que les commutateurs de haute tension.
  Art. 4.4.8.3. La récupération de gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone présents dans les équipements fixes contenant des solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone ne peut être effectuée que par un technicien agréé pour les équipements contenant des solvants visés à l'article 6, 2°, h) du VLAREL.
  Le premier alinéa n'est pas applicable en ce qui concerne les équipements fixes contenant des solvants à base de gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'inscription pour une formation en vue d'obtenir le certificat visé à l'article 17/4, 2°, du VLAREL, à condition qu'elle procède à la récupération sous le contrôle d'un technicien agréé pour les équipements contenant des solvants. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'inscription pour la formation et prend fin si la personne obtient un agrément comme technicien pour les équipements contenant des solvants visés à l'article 6, 2°, h) du VLAREL. A la demande de l'autorité de surveillance l'intéressé présente une attestation d'inscription.".
Art. 22. Aan deel 4, hoofdstuk 4.5, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een afdeling 4.5.7, die bestaat uit artikel 4.5.7.0.1 tot en met 4.5.7.1.5, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 4.5.7. Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen ingedeeld volgens rubriek 16.3.1
  Toepassingsgebied en algemene bepalingen
  Art. 4.5.7.0.1. Deze afdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen met vrachtwagens bij inrichtingen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de inrichting valt onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008). Deze categorie wordt omschreven als detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotsmiddelen overheersen;
  2° de inrichting omvat een activiteit als vermeld in rubriek 16.3.1;
  3° de inrichting is uitgerust met een bedrijfseigen laad- en losplaats. Een bedrijfseigen laad- en losplaats is een specifieke plaats binnen de perceelsgrenzen van de inrichting die ingericht is voor het laden en lossen van goederen.
  Art. 4.5.7.0.2. De exploitant treft de nodige maatregelen met toepassing van de beste beschikbare technieken om het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen, te beperken en te verhinderen dat het geluid, voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving.
  Voorwaarden tijdens het laden en lossen van goederen
  Art. 4.5.7.0.3. Tijdens het laden en lossen van goederen ligt de motor van de vrachtwagen stil.
  In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 gelden voor het laden en lossen van goederen tussen 6 uur en 23 uur de volgende voorwaarden :
  1° het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.1. Het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA05,T, waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat;
  2° het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.2. Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA01,T, waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat.
  Voorwaarden tijdens het manoeuvreren van de vrachtwagen
  Art. 4.5.7.0.4. In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 wordt het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand, beperkt tot de richtwaarden, vermeld in bijlage 4.5.4, vermeerderd met 30 dB(A). Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt gemeten als LA01,T, waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het manoeuvreren van de vrachtwagen beslaat.
  De bepalingen vermeld in afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5, zijn niet van toepassing voor het manoeuvreren van de vrachtwagen tussen 7 uur en 19 uur.
  Subafdeling 4.5.7.1. Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen in de dagrand
  Algemene bepalingen
  Art. 4.5.7.1.1. § 1. Deze subafdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen, vermeld in artikel 4.5.7.0.1, die uitgevoerd worden tijdens de dagrand.
  Tijdens het laden en lossen van goederen liggen de motor van de vrachtwagen en de aandrijving van koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is, stil, tenzij de koelgroepen aangesloten zijn op het elektriciteitsnet. Radio's zijn uitgeschakeld.
  Tijdens de ochtenddagrand mag er hoogstens één belevering uitgevoerd worden en tijdens de avonddagrand mogen er maximaal twee beleveringen plaatsvinden.
  Conform bijlage 4.5.7.3 treft de exploitant de nodige maatregelen om de hinder, veroorzaakt door laad- en losverrichtingen, in de dagrand te beperken.
  Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een laad- en losplaats in open lucht
  Art. 4.5.7.1.2. Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een laad- en losplaats in openlucht de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2° :
  1° voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel : 40 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
  2° voor alle andere laad- en losverrichtingen : 50 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.
  De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.
  Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats
  Art. 4.5.7.1.3. Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2° :
  1° voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel : 20 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
  2° voor alle andere laad- en losverrichtingen : 30 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.
  De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.
  Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats
  Art. 4.5.7.1.4. Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstanden tussen de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.
  Manoeuvreren van de vrachtwagen
  Art. 4.5.7.1.5. Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand een minimale afstand van 10 meter tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.
  De afstand, vermeld in het eerste lid, kan na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.4, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.
  Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstand tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd volledig in een afgesloten gebouw ligt en als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°. ".
Art. 22. A la partie 4, chapitre 4.5 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté une section 4.5.7, comprenant les articles 4.5.7.0.1 à 4.5.7.1.5, rédigés comme suit :
  "Section 4.5.7. Conditions applicables aux opérations de chargement et de déchargement pour certains établissements classés selon la rubrique 16.3.1
  Champ d'application et dispositions générales
  Art. 4.5.7.0.1. La présente section s'applique aux opérations de chargement et de déchargement de camions auprès d'établissements remplissant les conditions suivantes cumulativement :
  1° l'établissement relève de la catégorie 47.11 du cadre de référence pour la production et la diffusion des statistiques relatives aux activités économiques dans l'UE (NACE 2008). Cette catégorie est définie comme commerce de détail en magasin non spécialisé à prédominance alimentaire ;
  2° l'établissement comprend une activité telle qu'indiquée à la rubrique 16.3.1 ;
  3° l'établissement est équipé d'un quai de chargement et de déchargement de l'entreprise. Un quai de chargement et de déchargement de l'entreprise est un endroit spécifique endéans les limites de parcelle de l'établissement prévu pour le chargement et le déchargement de marchandises.
  Art. 4.5.7.0.2. L'exploitant prend les mesures nécessaires tout en appliquant les meilleures techniques disponibles pour limiter le bruit produit par les opérations de chargement et de déchargement et pour empêcher que le bruit produit par les opérations de chargement et de déchargement constituent une source de nuisances pour l'environnement.
  Conditions à respecter lors des opérations de chargement et de déchargement des biens
  Art. 4.5.7.0.3. Pendant le chargement et le déchargement des biens le moteur du camion est coupé.
  Par dérogation aux sections 4.5.2 à 4.5.5 incluses, les conditions suivantes s'appliquent au chargement et au déchargement des biens entre 6 heures et 23 heures :
  1° le niveau moyen des augmentations du son en plein air de courte durée causées par le chargement et le déchargement de marchandises, doit être limité aux valeurs limites indiquées à l'annexe 4.5.7.1. Le niveau moyen des augmentations du son en plein air de courte durée causées par le chargement et le déchargement de marchandises, est mesuré en tant que LA05,T, l'intervalle de temps T étant la durée du chargement et du déchargement des marchandises ;
  2° le niveau des augmentations les plus élevées du son en plein air, de courte durée, générées par le chargement et le déchargement de marchandises, doit être limité aux valeurs limites indiquées à l'annexe 4.5.7.2. Le niveau des augmentations les plus élevées du son en plein air, de courte durée, générées par le chargement et le déchargement de marchandises, est mesuré en tant que LA01,T, , l'intervalle de temps T étant la durée nécessaire pour le chargement et le déchargement des marchandises.
  Conditions applicables pendant les manoeuvres du camion
  Art. 4.5.7.0.4. Par dérogation aux sections 4.5.2 à 4.5.5 incluses, le niveau le plus élevé des augmentations du son de courte durée en plein air, générées par les manoeuvres du camion dans les heures creuses, est limité aux valeurs directrices figurant à l'annexe 4.5.4, majorées de 30 dB (A). Le niveau le plus élevé des augmentations du son de courte durée en plein air générées par les manoeuvres du camion est mesurée en tant que LA01,T, , l'intervalle de temps T étant la durée nécessaire pour les manoeuvres du camion.
  Les dispositions visées à la section 4.5.2 à 4.5.5 incluses ne sont pas applicables aux manoeuvres du camion entre 7 heures et 19 heures.
  Sous-section 4.5.7.1. - Conditions applicables aux opérations de chargement et de déchargement pendant les heures creuses
  Dispositions générales
  Art. 4.5.7.1.1. § 1. La présente sous-section s'applique aux opérations de chargement et de déchargement, visées à l'article 4.5.7.0.1, qui sont réalisées pendant les heures creuses.
  Pendant le chargement et le déchargement des marchandises, le moteur du camion et l'alimentation des groupes frigorifiques dont le camion est équipé, sont à l'arrêt, sauf si les groupes frigorifiques sont raccordés au réseau électrique. Les radios sont éteintes.
  Pendant les heures creuses matinales, au maximum une livraison ne peut être réalisée et pendant les heures creuses vespérales au maximum deux livraisons peuvent avoir lieu.
  Conformément à l'annexe 4.5.7.3, l'exploitant prend les mesures nécessaires afin que les nuisances causées par des opérations de chargement et de déchargement, soient limitées.
  Le chargement et le déchargement de marchandises auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement en plein air
  Art. 4.5.7.1.2. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.7.0.3, les distances minimales suivantes s'appliquent pour le chargement et le déchargement de marchandises dans les heures creuses auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement en plein air, lorsque les habitations les plus proches sont situées dans une zone telle que visée à l'annexe 2.2.1, 2° :
  1° pour les opérations de chargement et de déchargement utilisant du matériel peu bruyant : 40 mètres entre le milieu de la partie arrière du camion en stationnement sur le quai de chargement et de déchargement et les habitations les plus proches ;
  2° pour toutes les autres opérations de chargement et de déchargement : 50 mètres entre le milieu de la partie arrière du camion en stationnement sur le quai de chargement et de déchargement et les habitations les plus proches.
  Les distances, visées à l'alinéa premier, peuvent être réduites suite à la prise de mesures antibruit supplémentaires et structurelles, comme la pose d'un écran antibruit lorsqu'il est démontré que les conditions énumérées à l'article 4.5.7.0.3, alinéa deux sont remplies. Ceci est démontré au moyen d'une étude acoustique, établie par un expert environnemental agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), a), du VLAREL.
  Le chargement et le déchargement de marchandises auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement couvert
  Art. 4.5.7.1.3. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.7.0.3 les distances minimales s'appliquent pour le chargement et le déchargement de marchandises pendant les heures creuses auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement couvert, lorsque les habitations les plus proches sont situées dans une zone, telle que visée à l'annexe 2.2.1, 2° :
  1° pour les opérations de chargement et de déchargement utilisant du matériel peu bruyant : 20 mètres entre le milieu de la partie arrière du camion en stationnement sur le quai de chargement et de déchargement et les habitations les plus proches ;
  2° pour toutes les autres opérations de chargement et de déchargement : 30 mètres entre le milieu de la partie arrière du camion en stationnement sur le quai de chargement et de déchargement et les habitations les plus proches.
  Les distances, visées à l'alinéa premier, peuvent être réduites suite à la prise de mesures antibruit supplémentaires et structurelles, comme la pose d'un écran antibruit lorsqu'il est démontré que les conditions énumérées à l'article 4.5.7.0.3, alinéa deux sont remplies. Ceci est démontré au moyen d'une étude acoustique, établie par un expert environnemental agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), a), du VLAREL.
  Le chargement et le déchargement de marchandises auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement à l'intérieur d'un bâtiment
  Art. 4.5.7.1.4. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.7.0.3, le chargement et le déchargement de marchandises pendant les heures creuses auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement à l'intérieur d'un bâtiment ne sont pas soumis à des distances minimales entre le quai de chargement et de déchargement et les habitations les plus proches, lorsque les habitations les plus proches sont situées dans une zone, telle que visée à l'annexe 2.2.1, 2° :
  La manoeuvre du camion
  Art. 4.5.7.1.5. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.7.0.4 une distance minimale de 10 mètres entre la trajectoire décrite par les manoeuvres du camion et les habitations les plus proches s'appliquent dans les heures creuses pour ce qui est des manoeuvres du camion, lorsque les habitations les plus proches sont situées dans une zone, telle que visée à l'annexe 2.2.1, 2°.
  La distance visée à l'alinéa premier peut, après l'adoption de mesures structurelles supplémentaires de réduction du bruit, telles le placement d'un écran antibruit, être réduite lorsqu'il est démontré que les conditions énumérées à l'article 4.5.7.0.4, sont remplies. Ceci est démontré au moyen d'une étude acoustique, établie par un expert environnemental agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), a), du VLAREL.
  Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.7.0.4 les manoeuvres du camion auprès d'établissements équipés d'un quai de chargement et de déchargement à l'intérieur d'un bâtiment pendant les heures creuses ne sont assujetties à aucune distance minimale entre la trajectoire décrite par les manoeuvres du camion et les habitations les plus proches, lorsque la trajectoire décrite par les manoeuvres du camion est entièrement effectuée dans un bâtiment séparé et que es habitations les plus proches sont situées dans une zone, telle que visée à l'annexe 2.2.1, 2°. ".
Art. 23. In artikel 4.9.1.2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen de woorden "kan de termijn verlengd worden" en de woorden "In het verzoek" worden de woorden "of kan vrijstelling verleend worden voor de uitvoering van die maatregelen" ingevoegd;
  2° de zinsnede "of dat de interne rentevoet lager geworden is dan de interne rentevoet, vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010" wordt toegevoegd.
Art. 23. A l'article 4.9.1.2, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° entre les mots " le délai peut être prolongé " et les mots " Dans la demande ", les mots " ou une dispense peut être accordée pour la mise en oeuvre de ces mesures, " sont insérés ;
  2° la partie de phrase " ou que le taux d'intérêt interne diminué est devenu inférieur au taux d'intérêt interne, visé à l'article 6.5.4, § 1er, 7°, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010. " est ajoutée.
Art. 24. In artikel 4.9.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt tussen het woord "waar" en het woord "meer" het woord "ofwel" ingevoegd;
  2° in het eerste lid worden de woorden "werkzaam zijn of" vervangen door de zinsnede "werkzaam zijn, ofwel";
  3° in het eerste lid worden de woorden "overschrijdt of" vervangen door de woorden "overschrijdt en";
  4° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het eerste lid zijn de ingedeelde inrichtingen die beschikken over een geldig energieprestatiecertificaat publieke gebouwen zoals vermeld in artikel 9.2.12 tot en met 9.2.16 van het Energiebesluit van 19 november 2010, vrijgesteld van deze afdeling.".
Art. 24. A l'article 4.9.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au premier alinéa, le mot " ou " est inséré entre le mot " personnes " et le mot " , dont " ;
  2° Au premier alinéa, les mots " qui emploient plus de 250 personnes, dont " sont remplacés par le membre de phrase " qui emploient plus de 250 personnes ou dont " ;
  3° Au premier alinéa dans la version néerlandaise, les mots " overschrijdt of " sont remplacés par les mots " overschrijdt en " ;
  4° il est ajouté un alinéa cinq, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa premier les établissements classés qui disposent d'un certificat de performance énergétique valable des bâtiments publics tel qu'indiqué aux articles 9.2.12 à 9.2.16 inclus de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, sont dispensés des obligations de cette section. ".
Art. 25. Artikel 4.9.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 4.9.3.4. De gegevens in de webapplicatie zijn confidentieel en alleen toegankelijk voor het Vlaams Energieagentschap en de toezichthouder. De exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon die daarvoor door de exploitant gemachtigd is, heeft alleen en steeds toegang tot de gegevens van zijn eigen energieplan of energieaudit.
  In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Energieagentschap in het kader van rapporteringsverplichtingen geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens uit de webapplicatie ter beschikking stellen van de bevoegde instanties waarbij het aggregatieniveau voldoende confidentialiteit waarborgt. De individuele data beschikbaar in deze webapplicatie zijn confidentieel en kunnen, noch door het Vlaams Energieagentschap, noch door enige andere partij, gebruikt worden zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de exploitant.".
Art. 25. L'article 4.9.3.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.9.3.4. Les données figurant dans l'application web sont confidentielles et uniquement accessibles pour la " Vlaams Energieagentschap " et l'autorité de contrôle. L'exploitant de l'établissement classé ou une personne autorisée à cette fin par l'exploitant, est le seul ou la seule à avoir accès à tout temps aux données de son propre plan ou audit énergétique.
  Par dérogation à l'alinéa premier, la " Vlaams Energieagentschap " peut dans le cadre des obligations de faire rapport mettre à la disposition des instances compétentes des données anonymisées et agrégées extraites de l'application web, dont le niveau d'agrégation assure suffisamment de confidentialité. Les données individuelles disponibles dans cette application web sont confidentielles et ne peuvent être utilisées, ni par la " Vlaams Energieagentschap " ni par une autre partie, sans l'autorisation préalable et écrite de l'exploitant. ".
Art. 26. In artikel 4.10.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "gevalideerde" wordt vervangen door het woord "goedgekeurde";
  2° de zinsnede "artikel 4.10.1.2" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.10.1.2, § 2";
  3° de zinsnede "artikel 4.10.1.5" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.10.1.5, § 3;
  4° de volgende zin wordt toegevoegd :
  "In voorkomend geval is de hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, § 2, gelijk aan de conservatieve schatting, vermeld in artikel 4.10.1.5, § 7.".
Art. 26. A l'article 4.10.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le mot " validé " est remplacé par le mot " approuvé " ;
  2° la partie de phrase " article 4.10.1.2 " est remplacée par la partie de phrase " article 4.10.1.2, § 2 " ;
  3° la partie de phrase " article 4.10.1.5 " est remplacée par la partie de phrase " article 4.10.1.5, § 3 " ;
  4° la phrase suivante est ajoutée :
  " Le cas échéant, la quantité d'émissions de gaz à effet de serre, visée à l'article 4.10.1.2, § 2, est égale à l'estimation prudente, visée à l'article 4.10.1.5, § 7. ".
Art. 27. In artikel 4.10.1.4, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zin "Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging conform artikel 45 van titel I van het VLAREM het monitoringplan bij de milieuvergunning." vervangen door de zin "Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij besluit bij de milieuvergunning voegt.".
Art. 27. A l'article 4.10.1.4, § 2, alinéa premier, du même arrêté, ajouté par l'arrêté du gouvernement flamand du 12 mai 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, la phrase " Pour les installations BKG qui n'actualisent pas leur autorisation écologique en 2013, la division compétente pour la pollution atmosphérique joint, conformément à l'article 45 du titre Ier du VLAREM, le plan de monitoring à l'autorisation écologique." est remplacée par la phrase "Pour les installations BKG qui n'actualisent pas leur autorisation écologique en 2013, la division compétente pour la pollution atmosphérique remet le plan de monitoring à l'autorité compétente, qui le joint au permis d'environnement par arrêté.".
Art. 28. In artikel 4.10.1.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 2 worden de volgende zinnen toegevoegd :
  "De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, geeft de BKG-emissies, vervat in deze emissiejaarrapporten, door aan de registeradministrateur. De geverifieerde emissiejaarrapporten liggen ter inzage bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, onderwerpt de geverifieerde emissiejaarrapporten, vermeld in paragraaf 2, aan een steekproefsgewijze controle om na te gaan of de geverifieerde emissiejaarrapporten conform zijn aan de bepalingen van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van emissies van broeikasgassen, en keurt de BKG-emissies, die erin staan, in voorkomend geval, goed, uiterlijk op 15 april van het lopende kalenderjaar. De afdeling brengt de exploitant daarvan op de hoogte. Als de afdeling vaststelt dat een geverifieerd emissiejaarrapport niet voldoet aan de bepalingen van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, keurt de afdeling het geverifieerde emissiejaarrapport niet goed, en maakt ze een conservatieve schatting conform paragraaf 7.";
  3° er worden een paragraaf 7 en paragraaf 8 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 7. Conform artikel 70 van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, kan, in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een conservatieve schatting maken van de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten en wordt dat cijfer door de afdeling doorgegeven aan de registeradministrateur. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, brengt de exploitant daarvan op de hoogte.
  § 8. De conform paragraaf 3 goedgekeurde BKG-emissies en de conform paragraaf 7 gemaakte conservatieve schattingen worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, op het internet bekendgemaakt.".
Art. 28. A l'article 4.10.1.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2005 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, les phrases suivantes sont ajoutées :
  " La division compétente pour la pollution atmosphérique remet les émissions de gaz à effet de serre contenues dans ces rapports annuels d'émissions à l'administrateur du registre. Les rapports annuels d'émissions vérifiés peuvent être consultés auprès de la division compétente de la pollution atmosphérique. " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. La division compétente de la pollution atmosphérique, soumet les rapports annuels d'émissions vérifiés, visés au paragraphe 2, à un contrôle aléatoire pour vérifier si les rapports annuels d'émissions vérifiés sont conformes aux dispositions du Règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre et, le cas échéant, approuve les émissions de gaz à effet de serre qui y sont répertoriés, au plus tard le 15 avril de l'année civile en cours. La division en informe l'exploitant. Si la division constate qu'un rapport annuel d'émissions vérifié ne satisfait pas aux dispositions du règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil, la division n'approuve pas le rapport annuel d'émissions vérifié et elle établit une estimation prudente conformément au paragraphe 7. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 7 et un paragraphe 8, rédigés comme suit :
  " § 7. Conformément à l'article 70 du règlement (UE) n° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif à la surveillance et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre conformément à la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil, la division compétente de la pollution atmosphérique peut, le cas échéant, faire une estimation prudente des émissions de gaz à effet de serre émis par l'installation de gaz à effet de serre au cours de l'année civile précédente, le chiffre de l'estimation étant transmis à l'administrateur du registre. La division compétente de la pollution atmosphérique, en informe l'exploitant.
  § 8. Les émissions de gaz à effet de serre approuvées conformément au paragraphe 3 et les estimations prudentes faites conformément au paragraphe 7 sont publiées sur l'Internet par la division chargée de la pollution atmosphérique. ".
Art. 29. In artikel 5.2.1.2, § 3, van hetzelfde besluit, wordt het woord "afvalstoffenaanvoer" vervangen door de woorden "afvalstoffenaanvoer en -afvoer".
Art. 29. A l'article 5.2.1.2, § 3, du même arrêté, les mots " acheminement de déchets " sont remplacés par les mots " acheminement et élimination de déchets ".
Art. 30. In artikel 5.2.1.7, § 3, van hetzelfde besluit worden de woorden "voor het milieu schadelijke vloeistoffen" vervangen door de zinsnede "vloeistoffen van bijlage 2B van titel I van het VLAREM of gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening".
Art. 30. A l'article 5.2.1.7, § 3, du même arrêté, les mots " substances liquides nocives pour l'environnement " sont remplacés par le membre de phrase " liquides de l'annexe 2B du titre I du VLAREM ou des liquides dangereux selon le règlement CLP ".
Art. 31. In artikel 5.2.1.9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Bij de opslag van afvalstoffen met een ontvlambaar of ontplofbaar karakter als vermeld in Verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, worden de nodige maatregelen getroffen om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen, waaronder :
  1° de vorming van elektrostatische ladingen voorkomen bij de opslag en behandeling;
  2° de opslag beschermen tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestraling;
  3° de opslag niet laten plaatsvinden op plaatsen binnen de inrichting waar de temperatuur 40 ° C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong;
  4° de lokalen waarin de opslag plaatsvindt, alleen verwarmen met toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen;
  5° een openvuurverbod en rookverbod toepassen in de buurt van de opslag, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat daarvoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen. Deze bepalingen worden verduidelijkt aan de hand van reglementaire veiligheidspictogrammen;
  6° de opslagplaatsen op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig ventileren.".
Art. 31. Dans l'article 5.2.1.9 du même arrêté, modifié par les arrêtés du gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, le paragraphe 2 est remplacé par le texte suivant :
  " § 2. Lors du stockage de déchets à caractère explosif ou inflammable, tels que décrits dans le règlement (UE) n° 1357/2014, du 18 décembre 2014, remplaçant l'annexe III de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil relative aux déchets et abrogeant certaines directives, les mesures nécessaires sont prises pour prévenir le risque d'incendie et d'explosion, y compris :
  1° la prévention de la création de charges électrostatiques lors du stockage et du traitement ;
  2° la protection du stockage contre les conséquences négatives de l'action du rayonnement solaire ;
  3° l'abandon de l'entreposage à des endroits au sein de l'établissement où la température peut dépasser les 40 ° C en raison de la chaleur d'origine technologique ;
  4° le chauffage exclusif des locaux dans lesquels le stockage est réalisé au moyen d'appareils dont l'installation et l'utilisation offrent des garanties suffisantes pour prévenir le risque d'incendie et d'explosion ;
  5° l'application d'une interdiction de feu nu et d'une interdiction de fumer dans les environs du stockage, sauf dans le cas de travaux d'entretien ou de réparation à condition que des mesures de précaution appropriées sont mises en place. Ces dispositions sont clarifiées à l'aide de pictogrammes de sécurité réglementaires ;
  6° la ventilation adéquate, soit naturelle, soit artificielle des lieux de stockage. ".
Art. 32. In artikel 5.2.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003 en 12 mei 2006, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
  " § 4. De afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, worden altijd gescheiden opgeslagen in aangepaste recipiënten of stockageruimten.".
Art. 32. Dans l'article 5.2.2.1.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 28 novembre 2003 et 12 mai 2006, le paragraphe 4 est remplacé par le texte suivant :
  " § 4. Les déchets, visés au paragraphe 1er, sont toujours stockés séparément dans des récipients ou espaces de stockage appropriés. ".
Art. 33. In artikel 5.2.2.5.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Voor afval van brandbare vloeistoffen gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.6 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling. Voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.17 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen zijn zo geconstrueerd dat accidenteel uit de recipiënten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen in een inkuiping. Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, hoeven niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert voor de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. De inkuiping kan de vloeistofmassa die bij lekkage kan vrijkomen, weerstaan. Tenzij het anders vermeld is in de milieuvergunning, moet de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.";
  3° aan paragraaf 9 worden een derde tot en met zevende lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire koelinstallaties mag alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie.
  Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de terugwinning. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de overeenkomstige categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
  Het derde lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.
  Het derde lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.".
Art. 33. A l'article 5.2.2.5.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Pour les déchets en provenance de liquides inflammables, les conditions correspondantes du chapitre 5.6 s'appliquent en sus des conditions de la présente sous-section. Aux déchets qui présentent des propriétés dangereuses, tels que visés au règlement (UE) n° 1357/2014 du 18 décembre 2014 remplaçant l'annexe III de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil relative aux déchets et abrogeant certaines directives, s'appliquent les conditions correspondantes du chapitre 5.17 en sus des conditions de la présente sous-section. " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Les espaces de traitement et de stockage pour les déchets liquides sont construits de telle sorte que les fluides accidentellement échappés des récipients et les liquides renversés sont recueillis dans un encuvement. Les réservoirs à double paroi et équipé d'un système de détection de fuites permanent ne doivent pas être placés dans ou au-dessus d'un encuvement. Le revêtement de sol, les caniveaux, les puits collecteurs et l'encuvement sont étanches et chimiquement inertes vis-à-vis des matières liquides qui peuvent entrer en contact avec ceux-ci. L'encuvement est résistant à la masse liquide, qui peut se dégager en cas de fuites. Sauf indication contraire dans le permis d'environnement, le contenu des puits collecteurs ou de l'encuvement est au moins égal à la quantité de liquides stockés dans le compartiment concerné. " ;
  3° au paragraphe 9, des alinéas trois à sept sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " La récupération de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone d'installations frigorifiques stationnaires ne peut être effectuée que par un technicien frigoriste agréé, tel que visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL, qui est en possession d'un certificat de la catégorie correspondante.
  L'alinéa trois ne s'applique pas pour les installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement pour une formation en vue d'obtenir le certificat de la catégorie correspondante, visée à l'article 17/1, 2°, du VLAREL, à condition qu'il effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien frigoriste agréé qui est titulaire d'un certificat de la catégorie concernée et qui assume l'entière responsabilité de la mise en oeuvre correcte de la récupération. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une période maximale de deux ans à compter de la date d'enregistrement pour la formation et prend fin si la personne obtient un agrément comme technicien frigoriste pour la catégorie correspondante, telle que visée à l'article 6, 2°, e) du VLAREL. L'intéressé soumet une attestation d'inscription à la demande de l'autorité de contrôle compétente.
  L'alinéa trois n'est pas applicable, pour les installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui satisfait à la condition, visée à l'article 3, alinéa 3, du règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, ainsi que de systèmes de réfrigération de camions et remorques frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés, ainsi qu'à la certification des entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa trois ne s'applique pas à une personne récupérant des substances appauvrissant la couche d'ozone mais non pas de gaz à effet de serre fluorés d'installations frigorifiques ayant une capacité nominale de réfrigérants de moins de trois kilogrammes à condition que l'intéressé ait suivi une formation appropriée et puisse en attester par un diplôme ou certificat. La formation porte au moins sur les points énumérés à l'annexe au règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067, relatif à la récupération des substances appauvrissant la couche d'ozone. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, l'intéressé en soumet une preuve.
  L'alinéa trois n' est également pas d'application aux activités de fabrication et de réparation effectuées au sein des installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés du fabricant. ".
Art. 34. In artikel 5.2.2.6.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, 9 februari 2007 en 19 september 2008, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De volgende activiteiten worden duidelijk van elkaar gescheiden in ruimten die specifiek daarvoor bestemd en ingericht zijn :
  1° de inzameling van de voertuigwrakken;
  2° de tijdelijke opslag van de niet-gedepollueerde voertuigwrakken;
  3° de tijdelijke opslag van de gedepollueerde voertuigwrakken;
  4° de opslag van vloeistoffen en andere materialen;
  5° de opslag van onderdelen;
  6° de opslag van afval;
  7° de verwerking.
  In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, mogen niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wel gezamenlijk worden opgeslagen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
  1° de inrichting beschikt niet over een shredderinstallatie;
  2° elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanaf de begane grond.
  Het verwerkingsproces is zo georganiseerd dat de stoffen die gevaarlijk zijn voor het milieu, zo snel mogelijk verwerkt worden.".
Art. 34. A l'article 5.2.2.6.4 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 5 décembre 2003, 9 février 2007 et 19 septembre 2008, le paragraphe 1er est remplacé par le texte suivant :
  " § 1er. Les activités suivantes sont clairement séparées l'une de l'autre dans des espaces spécifiquement destinés et aménagés à cette fin :
  1° la collecte des épaves ;
  2° l'entreposage temporaire des épaves non dépolluées ;
  3° l'entreposage temporaire des épaves dépolluées ;
  4° l'entreposage de liquides et d'autres matériaux ;
  5° l'entreposage de pièces ;
  6° l'entreposage de déchets ;
  7° le traitement.
  Par dérogation à l'alinéa premier, 2° et 3°, les épaves non dépolluées et les épaves dépolluées peuvent bien être entreposées ensemble si les conditions suivantes sont respectées :
  1° l'établissement ne dispose pas d'un broyeur ;
  2° chaque épave dépolluée est identifiée au moyen d'une étiquette clairement visible à partir du sol.
  Le processus de traitement est organisé de manière à assurer que les substances dangereuses pour l'environnement, sont traitées dans les plus brefs délais. ".
Art. 35. In afdeling 5.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een subafdeling 5.2.2.9bis, die bestaat uit artikel 5.2.2.9bis.1 en artikel 5.2.2.9bis.2, ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Subafdeling 5.2.2.9bis. Inrichtingen voor de verwerking van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen
  Art. 5.2.2.9bis.1. Deze subafdeling is van toepassing op de volgende activiteiten :
  1° de voorbehandeling van extern aangevoerde vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen waarbij afvalwater ontstaat, en de zuivering van dat afvalwater;
  2° de zuivering van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater.
  Art. 5.2.2.9bis.2. Voor geleide emissiepunten van procesonderdelen en handelingen die afgedekt en afgezogen worden, geldt er voor vluchtige organische stoffen met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 ° C een emissiegrenswaarde voor de som van de organische stoffen van 20 mg/Nmo in het geloosde afgas.".
Art. 35. Dans la section 5.2.2 du même arrêté, modifié dernièrement par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est inséré une sous-section 5.2.2.9bis, constituée de l'article 5.2.2.9bis.1 et de l'article 5.2.2.9bis.2 et rédigée comme suit :
  " Sous-section 5.2.2.9 bis. Installations de traitement d'eaux usées industrielles externes et de flux de déchets industriels liquides ou boueux
  Art. 5.2.2.9bis.1. La présente sous-section s'applique aux activités suivantes :
  1° le prétraitement de flux de déchets industriels liquides ou boueux externes, générant des effluents et l'épuration de ces effluents ;
  2° l'épuration des eaux usées industrielles externes.
  Art. 5.2.2.9bis.2. Pour les points d'émission par conduction de composantes des processus et d'actes qui sont couverts et extraits, il s'applique une valeur limite d'émission pour les composés organiques volatils ayant une pression de vapeur de plus de 13,3 kPa à une température de 35° C, pour la somme des composés organiques de 20 mg/Nmo dans le gaz résiduaire rejeté. ".
Art. 36. Aan artikel 5.2.3bis.1.12, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.".
Art. 36. A article 5.2.3bis.1.12, § 2, alinéa premier du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si l'analyse des coûts et rendements tient compte des points potentiels de demande de chaleur et de froid et que les rendements s'avèrent supérieurs aux coûts, il suffit que, pour ce qui est des points potentiels de demande de chaleur ou de froid, seules les options dotant l'installation de combustion de possibilités de raccordement pour le déclenchement futur de chaleur ou de froid soient appliquées. ".
Art. 37. In artikel 5.2.3bis.1.24, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt tussen de woorden "de CEN-normen" en de woorden "De geautomatiseerde meetsystemen" de zin "Aanvullend aan de CEN-normen wordt ook de code van goede praktijk toegepast." ingevoegd.
Art. 37. Dans l'article 5.2.3bis.1.24, § 3, alinéa premier du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " Complémentairement aux normes CEN, le code de bonne pratique est également appliqué." sont insérés entre les mots " aux normes CEN " et les mots " Les systèmes de mesure automatisés ".
Art. 38. In artikel 5.2.3bis.3.8, § 1, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "om de zes maanden" vervangen door de woorden "om de twee jaar".
Art. 38. Dans l'article 5.2.3bis.3.8, § 1er, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " tous les six mois " sont remplacés par les mots " tous les deux ans ".
Art. 39. In artikel 5.2.3bis.4.10, § 5, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "in afwijking van hoofdstuk 4.4 voldoet de installatie aan" vervangen door de woorden "de installatie voldoet aan".
Art. 39. Dans l'article 5.2.3bis.4.10, § 5, 5°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " en dérogation du chapitre 4.4, l'installation répond aux " est remplacé par les mots " l'installation répond aux ".
Art. 40. In artikel 5.2.3bis.4.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt de bepaling "5.19.1.4, § 2bis" vervangen door de bepaling "5.19.1.4, § 3";
  2° in paragraaf 2 wordt de bepaling "5.19.1.4, § 6" vervangen door de bepaling "5.19.1.4, § 7".
Art. 40. Dans l'article 5.2.3bis.4.11 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au paragraphe 1er, la disposition " 5.19.1.4, § 2bis " est remplacée par la disposition " 5.19.1.4, § 3 " ;
  2° au paragraphe 2, la disposition " 5.19.1.4, § 6 " est remplacée par la disposition " 5.19.1.4, § 7 ".
Art. 41. In artikel 5.2.4.1.2, § 2, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 1° wordt opgeheven;
  2° in punt 2° wordt het woord "ofwel" opgeheven.
Art. 41. A l'article 5.2.4.1.2, § 2, du même arrêté, modifié dernièrement par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est abrogé ;
  2° au point 2°, le mot " ou " est supprimé.
Art. 42. In artikel 5.2.5.5.4, § 1, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden "boven de tussenafdek" opgeheven.
Art. 42. Dans la version néerlandaise de l'article 5.2.5.5.4, § 1er, du même arrêté, restauré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " boven de tussenafdek " sont abrogés.
Art. 43. Artikel 5.2.5.6.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5.2.5.6.4. Water-, percolaat- en gascontrole
  Monsters van percolaat en eventueel aanwezig oppervlaktewater worden op representatieve plaatsen vergaard. Het percolaat wordt afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt, bemonsterd en gemeten (volume en samenstelling). Het eventueel aanwezige oppervlaktewater wordt op ten minste twee punten gecontroleerd, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats.
  De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats.
  Om percolaat en water te controleren wordt een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling.
  Als er percolaat wordt opgevangen, wordt het percolaatwater volgens de frequentie aangegeven in de onderstaande tabel bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), 1), van het VLAREL. Het gezuiverde percolaat dat wordt geloosd wordt minstens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd. Die controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg tot zolang percolaatwater wordt gevormd. De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.
  Op stortplaatsen met een actieve ontgassing wordt de samenstelling van het stortgas bepaald volgens de frequentie, aangegeven in de volgende tabel :
Art. 43. L'article 5.2.5.6.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.2.5.6.4. Contrôle des eaux, des lixiviats et des gaz
  Des échantillons des lixiviats et, le cas échéant, des eaux de surface, doivent être recueillis à des endroits représentatifs. Le prélèvement d'échantillons et les mesures (volume et composition) des lixiviats doivent être réalisés séparément à chaque point où un lixiviat est rejeté du site. Le contrôle des éventuelles eaux de surface est effectué à deux points au moins, un en amont de la décharge et un en aval.
  Le contrôle des gaz doit être représentatif de chaque section de la décharge.
  Pour les lixiviats et les eaux, un échantillon représentatif de la composition moyenne est prélevé pour la surveillance.
  Lors de la collecte de lixiviats, les eaux de lixiviats sont échantillonnées et analysées par un laboratoire agréé dans la discipline des eaux, du sous-domaine des eaux usées, tel que visé à l'article 6, 5°, a), 1), du VLAREL. L'échantillonnage et l'analyse des lixiviats épurés rejetés doivent être effectués au minimum une fois par mois. Ces contrôles (échantillonnage et analyse) doivent se poursuivre pendant la période d'entretien autant qu'il y a des eaux de lixiviats. Les substances à analyser comprennent au moins les paramètres de qualité généraux (température, pH, conductivité, cations et anions normaux) complétés des paramètres de pollution pertinents (métaux lourds, substances organiques) qui sont fixés en fonction de la composition des déchets déchargés. La liste de paramètres définis lors des analyses est approuvée par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " (l'Agence publique flamande des déchets).
  Sur les décharges à dégazage actif, la composition du gaz de décharge est définie selon la fréquence indiquée dans le tableau suivant :
 exploitatiefase nazorgfase
hoeveelheid percolaat maandelijks (1), (3) halfjaarlijks (3)
samenstelling percolaat (2) driemaandelijks(3) halfjaarlijks
hoeveelheid en samenstelling van het-oppervlaktewater(7) driemaandelijks(3) halfjaarlijks
potentiële gasuitstoot en atmosferische druk (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,...) maandelijks (1), (5) halfjaarlijks (6)
exploitatiefase nazorgfasehoeveelheid percolaat maandelijks (1), (3)halfjaarlijks (3)samenstelling percolaat (2)driemaandelijks(3)halfjaarlijkshoeveelheid en samenstelling van het-oppervlaktewater(7)driemaandelijks(3)halfjaarlijkspotentiële gasuitstoot en atmosferische druk (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,...) maandelijks (1), (5)halfjaarlijks (6)
(1) De frequentie kan worden aangepast aan de hand van de morfologie van het gestorte afval in tumulusvorm, bedolven ...
  Dat moet in de vergunning worden vermeld
  (2) De te meten parameters en te analyseren stoffen variëren naargelang van de samenstelling van het gestorte afval. Ze worden vermeld in de vergunning en weerspiegelen de uitloogkenmerken van de afvalstoffen
  (3) Als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn, kunnen de tussenpozen worden aangepast. Voor percolaten wordt de geleidbaarheid minstens eenmaal per jaar bepaald
  (4) De metingen hebben hoofdzakelijk betrekking op het gehalte organisch materiaal in de afvalstoffen
  (5) CH4, CO2, O2 regelmatig, andere gassen naar behoefte, afhankelijk van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen, waarbij ernaar gestreefd wordt de uitloogeigenschappen te weerspiegelen
  (6) De doelmatigheid van het gasopvangsysteem wordt regelmatig gecontroleerd
  (7) Op grond van de kenmerken van het stortterrein mag de bevoegde instantie bepalen dat de metingen niet vereist zijn.
  Met het oog op het opmaken van een waterbalans worden door meting op de stortplaats of via het dichtstbijzijnde meteorologische station de volgende gegevens verzameld :
 Phase d'exploitation Phase d'entretien
Quantité de lixiviats mensuellement (1), (3) tous les six mois (3)
composition des lixiviats (2) trimestriellement (3) tous les six mois
la quantité et la composition des eaux de surface (7) trimestriellement (3) tous les six mois
émission potentielle de gaz et pression atmosphérique (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,...) mensuellement (1), (5) tous les six mois (6)
Phase d'exploitation Phase d'entretienQuantité de lixiviats mensuellement (1), (3)tous les six mois (3)composition des lixiviats (2)trimestriellement (3)tous les six moisla quantité et la composition des eaux de surface (7)trimestriellement (3)tous les six moisémission potentielle de gaz et pression atmosphérique (4) (CH4, CO2, O2, H2S, H2,...) mensuellement (1), (5)tous les six mois (6)
(1) La fréquence peut être adaptée à l'aide de la morphologie des déchets déchargés en forme de tumulus, enfouissement...
  Ceci doit être précisé dans le permis
  (2) Les paramètres à mesurer et les substances à analyser varient en fonction de la composition des déchets déchargés. Ils doivent figurer dans le permis et refléter les caractéristiques de lixiviation des déchets.
  (3) Si l'évaluation des données indique que des intervalles plus longs sont aussi efficaces, la fréquence peut être adaptée. Pour les lixiviats, la conductivité doit être mesurée au moins une fois par an.
  (4) Les mesures concernent principalement la teneur en matières organiques dans les déchets.
  (5) CH4, CO2, O2 régulièrement, les autres gaz suivant la fréquence nécessaire, compte tenu de la composition des déchets déchargés avec une attention particulière aux caractéristiques de lixiviation
  (6) L'efficacité du système d' extraction des gaz doit être vérifiée régulièrement
  (7) Sur la base des caractéristiques du site de mise en décharge, l'autorité compétente peut décider que ces mesures ne sont pas requises.
  Afin de permettre l'élaboration d'un bilan hydrologique par mesurage à l'endroit de la décharge ou à travers la station météorologique la plus proche, les données suivantes sont collectées :
 exploitatiefase nazorgfase
neerslaghoeveelheid dagelijks dagelijkse waarden, opgeteld tot maandwaarden
temperatuur (min. max., 14.00 h MET) dagelijks maandgemiddelde
heersende windrichting en -kracht dagelijks niet vereist
verdamping lysimeter (1) dagelijks dagelijkse waarden, opgeteld tot maandgemiddelden
luchtvochtigheid (14.00h MET ) dagelijks maandgemiddelde
exploitatiefase nazorgfaseneerslaghoeveelheid dagelijks dagelijkse waarden, opgeteld tot maandwaardentemperatuur (min. max., 14.00 h MET) dagelijks maandgemiddeldeheersende windrichting en -kracht dagelijks niet vereistverdamping lysimeter (1)dagelijks dagelijkse waarden, opgeteld tot maandgemiddeldenluchtvochtigheid (14.00h MET ) dagelijks maandgemiddelde
(1) of met een ander geschikte methode".
 phase d'exploitation phase d'entretien
volume des précipitations quotidiennement valeurs quotidiennes, additionnées en vue d'obtenir des valeurs mensuelles
Température (min., max., 14.00 h HEC) quotidiennement moyenne mensuelle
Direction et force du vent prédominant quotidiennement Non requis
évaporation (lysimètre) (1) quotidiennement valeurs quotidiennes, additionnées en vue d'obtenir des moyennes mensuelles
humidité atmosphérique (14.00 h HEC) quotidiennement moyenne mensuelle
phase d'exploitation phase d'entretienvolume des précipitations quotidiennement valeurs quotidiennes, additionnées en vue d'obtenir des valeurs mensuellesTempérature (min., max., 14.00 h HEC) quotidiennement moyenne mensuelleDirection et force du vent prédominant quotidiennement Non requisévaporation (lysimètre) (1)quotidiennement valeurs quotidiennes, additionnées en vue d'obtenir des moyennes mensuelleshumidité atmosphérique (14.00 h HEC) quotidiennement moyenne mensuelle
(1) ou par d'autres méthodes appropriées ".
Art. 44. Aan artikel 5.4.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt een paragraaf 6 toegevoegd die luidt als volgt :
  " § 6. De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het uitharden van poederlakken in moffelovens.".
Art. 44. A l'article 5.4.1.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. Les interdictions visées au paragraphe 1er, 2° et au paragraphe 2, ne sont pas applicables aux établissements, visés à la section 4.4 de la liste de classification, destinés au séchage de peinture poudre dans des fours à moufle. ".
Art. 45. In artikel 5.4.2.3, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing op de geloosde afgassen :" vervangen door de zinsnede : "De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen :".
Art. 45. A l'article 5.4.2.3, § 3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " Sauf mention contraire dans l'autorisation écologique, les valeurs limites d'émission suivantes sont d'application aux gaz résiduaires rejetés : " est remplacé par le membre de phrase : Les valeurs limites d'émission suivantes sont applicables aux gaz résiduaires rejetés : ".
Art. 46. In artikel 5.6.1.2.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.2.7" vervangen door de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.2.8";
  2° in het derde lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of aanleiding hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder of als, volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat, nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.".
Art. 46. A l'article 5.6.1.2.9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au premier alinéa, les mots " lors du placement ou des vérifications périodiques visées à l'article 5.6.1.2.7 " sont remplacés par le membre de phrase " lors du placement ou des vérifications périodiques visées à l'article 5.6.1.2.8 ";
  2° à l'alinéa trois, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° rouge, lorsque le réservoir et l'installation ne satisfont pas à cet arrêté et que les défaillances constatées peuvent donner lieu, ou ont donné lieu à une pollution en dehors du réservoir ou lorsque, après une période d'au maximum six mois au label ou à l'indication orange, les mêmes défaillances sont encore constatées au réservoir et à l'installation. ".
Art. 47. Aan artikel 5.6.1.2.10, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende leden toegevoegd :
  "Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever.
  In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.".
Art. 47. A l'article 5.6.1.2.10,alinéa deux du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les alinéas suivants sont ajoutés :
  " Le label ou l'indication orange sont octroyés à titre unique à la suite des défaillances constatées ; en d'autres termes le label ou l'indication oranges sont suivis par un label vert ou rouge, en fonction du respect ou non des défaillances constatées précédemment, aux prescriptions du présent règlement.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa deux, cette période transitoire de six mois peut à titre exceptionnel être rallongée par l'expert ou le technicien agréé pour les mesures qui ne peuvent pas être mises en oeuvre dans les six mois. Les mesures et les délais sont dans ce cas consignés par écrit. L'expert ou le technicien agréé suit la mise en oeuvre des mesures et décide si des contrôles intermédiaires plus fréquents du réservoir et de l'installation concernés sont nécessaires. Si, après l'expiration de la période transitoire, les défaillances initialement constatées n'ont pas été rémédiées, le réservoir et l'installation sont pourvus d'un label ou d'une indication rouge. ".
Art. 48. In artikel 5.6.1.3.15 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.3.4" vervangen door de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.6.1.3.14";
  2° in het derde lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of aanleiding hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder of als, volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat, nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.".
Art. 48. A l'article 5.6.1.3.15 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " lors du placement ou des vérifications périodiques, visés à l'article 5.6.1.3.4 ", est remplacé par le membre de phrase " lors du placement ou des vérifications périodiques, visés à l'article 5.6.1.3.14 ";
  2° à l'alinéa trois, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° rouge, lorsque le réservoir et l'installation ne satisfont pas à cet arrêté et que les défaillances constatées peuvent donner lieu, ou ont donné lieu à une pollution en dehors du réservoir ou lorsque, après une période d'au maximum six mois au label ou à l'indication orange, les mêmes défaillances sont encore constatées au réservoir et à l'installation. ".
Art. 49. Aan artikel 5.6.1.3.16, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende leden toegevoegd :
  "Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever.
  In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.".
Art. 49. A l'article 5.6.1.3.16,alinéa deux du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les alinéas suivants sont ajoutés :
  " Le label ou l'indication orange sont octroyés à titre unique à la suite des défaillances constatées ; en d'autres termes le label ou l'indication oranges sont suivis par un label vert ou rouge, en fonction du respect ou non des défaillances constatées précédemment, aux prescriptions du présent règlement.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa deux, cette période transitoire de six mois peut à titre exceptionnel être rallongée par l'expert ou le technicien agréé pour les mesures qui ne peuvent pas être mises en oeuvre dans les six mois. Les mesures et les délais sont dans ce cas consignés par écrit. L'expert ou le technicien agréé suit la mise en oeuvre des mesures et décide si des contrôles intermédiaires plus fréquents du réservoir et de l'installation concernés sont nécessaires. Si, après l'expiration de la période transitoire, les défaillances initialement constatées n'ont pas été remédiées, le réservoir et l'installation sont pourvus d'un label ou d'une indication rouge. ".
Art. 50. In artikel 5.6.2.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  "Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is door de producent gecertificeerd conform de norm EN 16321-1 :2013.";
  2° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het eerste lid is het fase II-benzinedampterugwinningssysteem door de producent gecertificeerd conform de TÜV-keuringsmethode voor benzinedampterugwinningssystemen of conform andere relevante Europese technische normen of typegoedkeuringsprocedures voor benzinedampterugwinningssystemen van bestaande benzinetankstations die gecertificeerd zijn voor 1 september 2015.";
  3° in paragraaf 1 wordt in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, de woorden "In afwijking van het tweede lid" vervangen door de woorden "In afwijking van het derde lid";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zin "Eenmaal per jaar wordt de overeenstemming van de damp-benzineverhouding van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem met de damp-benzineverhouding, vermeld in artikel 5.6.2.3.3, § 4, gemeten conform de procedure, vermeld in bijlage 5.6.3." vervangen door de zin "Eenmaal per kalenderjaar wordt, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende metingen vijftien maanden mag overschrijden, de overeenstemming van de damp-benzineverhouding van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem met de damp-benzineverhouding, vermeld in artikel 5.6.2.3.3, § 4, gemeten conform de norm EN 16321-2 :2013.".
Art. 50. A l'article 5.6.2.3.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au paragraphe 1er, l'alinéa premier est remplacé par le texte suivant :
  " Le système de la phase II de la récupération des vapeurs d'essence est certifié par le fabricant conformément à la norme EN 16321-1 : 2013. " ;
  2° au paragraphe 1er, il est inséré un alinéa entre les alinéas premier et deux, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa premier, le système de la phase II de la récupération des vapeurs d'essence est certifié par le producteur conformément à la méthode de contrôle TUV pour des systèmes de la récupération des vapeurs d'essence ou conformément à d'autres normes techniques européennes, ou à des procédures de réception pour systèmes de de récupération de vapeurs d'essence de stations-service certifiées avant le 1 septembre 2015. ".
  3° A l'actuel alinéa trois du paragraphe 1er, qui devient l'alinéa quatre, les mots " Par dérogation à l'alinéa deux " sont remplacés par les mots " par dérogation à l'alinéa trois " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa premier, la phrase " Une fois par an, la conformité de la proportion vapeurs/essence du système de récupération des vapeurs d'essence de phase II avec la proportion vapeurs/essence visée à l'article 5.6.2.3.3, § 4, est mesurée conformément à la procédure visée en annexe 5.6.3. " est remplacée par la phrase " Une fois par année civile, l'intervalle entre deux mesures consécutives ne pouvant toutefois pas dépasser quinze mois, la conformité de la proportion vapeur-essence du système de la phase II de la récupération des vapeurs d'essence avec la proportion de vapeur/essence, visée à l'article 5.6.2.3.3, § 4, est mesurée conformément à la norme EN 16321-2 : 2013. ".
Art. 51. In artikel 5.6.2.3.6, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "met uitzondering van de test" vervangen door de woorden "in voorkomend geval met inbegrip van de test".
Art. 51. A l'article 5.6.2.3.6, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " à l'exception du test " sont remplacés par les mots " dont, le cas échéant, le test ".
Art. 52. In artikel 5.7.5.1, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "De toelating tot verdere toepassing van het "kaliumchloride (KCl)"-procedé na 2010 is afhankelijk van de naleving van de volgende voorwaarden :
  1° de inrichting is behoorlijk vergund voor de verlengde periode waarin het procedé wordt toegepast;
  2° de exploitant brengt de overheid die bevoegd is voor de milieuvergunning, er vóór 1 januari 2011 schriftelijk van op de hoogte dat het "kaliumchloride (KCl)"-procedé na 2010 verder zal worden toegepast met vermelding van de beoogde definitieve stopzettingsdatum die vóór 1 januari 2016 moet vallen. De bevoegde overheid bezorgt onmiddellijk een kopie van de voormelde schriftelijke kennisgeving aan :
  a) de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
  b) de afdeling, bevoegd voor milieu-inspectie;
  3° de exploitant bezorgt samen met de schriftelijke kennisgeving, vermeld in punt 2°, aan de overheid die bevoegd is voor de milieuvergunning, een plan voor de definitieve stopzetting van de kwikcelinstallaties. Dat plan bevat inzonderheid :
  a) een verbintenis tot definitieve stopzetting uiterlijk op 31 december 2015 van de vermelde kwikcelinstallaties;
  b) een stappenplan met de maatregelen die zullen worden getroffen voor :
  1) de definitieve stopzetting op de vooropgestelde datum;
  2) de reconversie van de installaties;
  3) de beoogde kwikemissiereducties;
  4) de veilige opslag en afvoer van het kwik.";
  2° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "Het plan, vermeld in het tweede lid, 3°, is niet vereist als de betrokken bedrijfsorganisaties vóór 1 januari 2011 met het Vlaamse Gewest een definitief goedgekeurde milieubeleidsovereenkomst als vermeld in het decreet van 15 juni 1994 betreffende de milieubeleidsovereenkomsten, hebben gesloten die alle aangelegenheden, vermeld in het tweede lid, 3°, a) en b), voor de beschouwde sector tot voorwerp heeft.
  Om de emissies van kwik te beperken en om het ontstaan van met kwik vervuild afval tijdens de buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is op 1 september 2016 een buitengebruikstellingsplan beschikbaar en wordt dat uitgevoerd. Al de volgende kenmerken zijn in het buitengebruikstellingsplan verwerkt :
  1° het betrekken van een deel van het personeel dat ervaring heeft met het beheer van de voormalige installatie, bij alle fasen van uitwerking en uitvoering;
  2° het voorzien in procedures en instructies voor alle uitvoeringsfasen;
  3° het voorzien in een gedetailleerd trainings- en toezichtprogramma voor personeel zonder ervaring met het werken met kwik;
  4° het bepalen van de hoeveelheid metallisch kwik dat moet worden teruggewonnen en het schatten van de hoeveelheid afval die moet worden afgevoerd, en van de kwikvervuiling die zich daarin bevindt;
  5° het voorzien in werkzones die :
  a) zijn voorzien van een overdakking;
  b) zijn uitgerust met een gladde, aflopende en ondoordringbare vloer om gemorste kwik naar een opvangbak te leiden;
  c) goed verlicht zijn;
  d) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  e) zijn uitgerust met een watertoevoer voor wassen;
  f) zijn aangesloten op een afvalwaterbehandelingssysteem;
  6° het legen van de cellen en overbrengen van metallisch kwik naar houders door :
  a) het systeem gesloten te houden als dat mogelijk is;
  b) het kwik te wassen;
  c) kwik over te brengen onder invloed van de zwaartekracht als dat mogelijk is;
  d) vaste onzuiverheden te verwijderen uit het kwik, als dat noodzakelijk is;
  e) de houders te vullen tot ? 80 % van hun volumetrische inhoud;
  f) de houders hermetisch af te dichten na het vullen;
  g) de lege cellen te wassen en vervolgens te vullen met water;
  7° het uitvoeren van alle ontmantelings- en sloopactiviteiten door :
  a) hete methoden om uitrusting te slopen, te vervangen door koude methoden, als dat mogelijk is;
  b) vervuilde uitrusting op te slaan in daarvoor geschikte zones;
  c) de vloer in het werkgebied regelmatig te wassen;
  d) gemorst kwik snel op te ruimen door middel van ademhalingsuitrusting met actievekoolfilters;
  e) afvalstromen te registreren;
  f) afval dat met kwik is vervuild, te scheiden van afval dat niet met kwik is vervuild;
  g) afval dat met kwik vervuild is geraakt, te decontamineren door mechanische en fysieke behandelingstechnieken, chemische behandelingstechnieken of thermische behandelingstechnieken te gebruiken;
  h) gedecontamineerde uitrusting te hergebruiken of te recyclen, als dat mogelijk is;
  i) het gebouw waarin de cellenzaal zich bevindt, te reinigen, door de muren en de vloer schoon te maken, en vervolgens te coaten of te verven, zodat ze een ondoordringbaar oppervlak hebben als het gebouw opnieuw zal worden gebruikt;
  j) de afvalwateropvangsystemen in of rond de installatie te reinigen of te vervangen;
  k) het werkgebied af te sluiten en ventilatielucht te zuiveren als er hoge concentraties kwik worden verwacht. Zuiveringstechnieken voor ventilatielucht zijn onder meer adsorptie op jodium- of zwavelhoudende actieve kool, gasreinigen met hypochloriet of gechloreerd pekel, of het toevoegen van chloor om vast dikwikdichloride te vormen;
  l) kwikhoudend afvalwater, waaronder waswater dat afkomstig is van het reinigen van beschermende uitrusting, te behandelen;
  m) kwik in lucht, water en afval te monitoren, onder meer gedurende een gepaste tijd na de afronding van de buitengebruikstelling of ombouw;
  8° indien nodig, tussentijdse opslag van metallisch kwik op de locatie in opslagruimtes die :
  a) goed verlicht en weerbestendig zijn;
  b) zijn uitgerust met een geschikte secondaire insluiting die 110% van het vloeistofvolume van een afzonderlijke houder kan vasthouden;
  c) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  d) zijn uitgerust met ademhalingsuitrusting met actievekoolfilters;
  e) periodiek worden geïnspecteerd, zowel visueel als met kwikbewakingsapparatuur;
  9° indien nodig, het transport, mogelijke verdere behandeling en afvoer van afval.".
Art. 52. A l'article 5.7.5.1, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " L'autorisation de continuer à appliquer le " procédé de chlorure de potassium (KCl) " après 2010 est soumise au respect des conditions suivantes :
  1° l'établissement est dûment autorisé pour la prolongation de la période au cours de laquelle le procédé est appliqué ;
  2° l'exploitant informe l'autorité chargée du permis d'environnement par écrit avant le 1 janvier 2011, que le procédé de " chlorure de potassium (KCl) " sera maintenu après 2010, tout en indiquant la date prévue de l'arrêt définitif avant le 1 janvier 2016. L'autorité compétente transmet sans tarder une copie de la notification écrite précitée :
  a) à la division compétente pour les permis d'environnement ;
  b) à la division compétente pour l'inspection de l'environnement ;
  3° l'exploitant remet, ensemble avec la notification écrite, visée au point 2°, un plan pour la cessation définitive des installations des cellules d'électrolyse à l'autorité qui est compétente pour le permis d'environnement. Ce plan comprend notamment :
  a) un engagement de mise à l'arrêt définitif pour le 31 décembre 2015 au plus tard, des installations des cellules d'électrolyse précitées ;
  b) une feuille de route contenant les mesures qui seront prises pour :
  1) l'arrêt définitif à la date prévue ;
  2) la reconversion des installations ;
  3) les réductions d'émission de mercure ;
  4) le stockage en toute sécurité et l'élimination du mercure. " ;
  2° des alinéas trois et quatre sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " Le plan visé à l'alinéa deux, 3°, n'est pas requis si, avant le 1 janvier 2011, les organisations professionnelles concernées ont conclu avec la Région flamande une convention environnementale définitivement approuvée, telle que visée au décret du 15 juin 1994 relatif aux conventions environnementales, couvrant toutes les matières visées à l'alinéa deux, 3°, a) et b) pour le secteur concerné.
  Afin de réduire les émissions de mercure et la production de déchets contaminés par le mercure pendant le démantèlement ou la conversion des unités utilisant l'électrolyse à mercure, un plan de démantèlement est disponible pour le 1 septembre 2016 et est mis en oeuvre. Toutes les caractéristiques suivantes ont été intégrées dans le plan de démantèlement :
  1° l'association d'une partie du personnel qui a de l'expérience avec la gestion de l'ancienne installation, à tous les stades de l'élaboration et de la mise en oeuvre ;
  2° un dispositif de procédures et d'instructions pour toutes les phases d'exécution ;
  3° la disponibilité d'un programme détaillé de formation et de supervision destiné aux membres du personnel sans expérience du traitement de mercure ;
  4° la détermination de la quantité de mercure métallique à récupérer et l'estimation de la quantité de déchets à éliminer et de leur teneur en mercure ;
  5° des zones de travail :
  a) couvertes par un toit ;
  b) équipées d'un sol lisse, incliné et imperméable de façon à diriger les déversements de mercure vers un puisard ;
  c) bien éclairées;
  d) exemptes de tout obstacle et débris susceptibles d'absorber le mercure ;
  e) équipées d'une alimentation en eau pour le lavage ;
  f) raccordées à un système d'épuration des eaux résiduaires ;
  6° la vidange des cellules et le transfert du mercure métallique dans les conteneurs par :
  a) le maintien du système clos, si possible ;
  b) le lavage du mercure ;
  c) le recours au transfert par gravité, si possible ;
  d) si nécessaire, l'élimination des impuretés solides présentes dans le mercure ;
  e) le remplissage des conteneurs à ≤ 80 % de leur capacité volumétrique ;
  f) la fermeture hermétique des conteneurs après remplissage ;
  g) le lavage des cellules vides, suivi par le remplissage à l'eau ;
  7° l'exécution de toutes les opérations de démantèlement et de démolition par :
  a) le remplacement de la découpe à chaud des équipements par la découpe à froid, si possible ;
  b) le stockage des équipements contaminés dans des zones appropriées ;
  c) le lavage fréquent du sol de la zone de travail ;
  d) le nettoyage rapide des déversements de mercure à l'aide d'un dispositif de respiration équipé de filtres à charbon actif ;
  e) la comptabilisation des flux de déchets ;
  f) la séparation des déchets contaminés par le mercure et des déchets non contaminés ;
  g) la décontamination des déchets contaminés par le mercure par des techniques de traitement mécaniques et physiques, des techniques de traitement chimiques ou thermiques ;
  h) la réutilisation ou le recyclage des équipements décontaminés, si possible ;
  i) la décontamination du bâtiment dans lequel se trouve la salle de cellules par le nettoyage des murs et du sol, suivi de l'application d'un revêtement ou de peinture afin d'obtenir une surface imperméable, si le bâtiment est destiné à être réutilisé ;
  j) le nettoyage ou le remplacement des systèmes de collecte des eaux résiduaires dans ou à proximité de l'installation ;
  k) le confinement de la zone de travail et l'épuration de l'air de ventilation lorsque des concentrations élevées de mercure sont attendues. Les techniques d'épuration de l'air de ventilation comprennent l'adsorption sur charbon actif imprégné d'iode ou de soufre, le lavage à l'hypochlorite ou à la saumure chlorée ou l'ajout de chlore pour obtenir du dichlorure de dimercure solide ;
  l) le traitement des eaux résiduaires contenant du mercure, dont les eaux de lessive provenant du lavage des équipements de protection ;
  m) la surveillance du mercure dans l'air, dans l'eau et dans les déchets, y compris un certain temps après la fin du démantèlement ou de la conversion ;
  8° si nécessaire, le stockage temporaire du mercure métallique sur le site, dans des installations de stockage qui sont :
  a) bien éclairées et protégées des intempéries ;
  b) équipées d'un confinement secondaire approprié capable d'arrêter 110 % du volume de liquide d'un seul conteneur ;
  c) exemptes de tout obstacle et débris susceptibles d'absorber le mercure ;
  d) équipées de dispositifs de respiration dotés de filtres à charbon actif ;
  e) périodiquement inspectées, à la fois visuellement et à l'aide d'un équipement de surveillance du mercure ;
  9° si nécessaire, le transport, d'autres traitements éventuels et l'élimination des déchets. ".
Art. 53. Het opschrift van afdeling 5.9.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Afdeling 5.9.2. Bijkomende voorwaarden voor de beperking van ammoniakemissie".
Art. 53. L'intitulé de la section 5.9.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Section 5.9.2. Conditions supplémentaires pour la réduction des émissions d'ammoniac ".
Art. 54. Aan artikel 5.9.2.1.bis van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 5. De inlaat en de uitlaat van een luchtwassysteem is bereikbaar en toegankelijk met het oog op de veilige en praktische uitvoering van controlemetingen conform een code van goede praktijk. Voor installaties die voor 1 juli 2016 vergund zijn, geldt deze verplichting, vanaf 1 september 2018.".
Art. 54. A article 5.9.2.1.bis du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, un paragraphe 5 est ajouté, rédigé comme suit :
  " § 5. L'admission et l'échappement d'un système de nettoyage d'air est accessible, en vue de la gestion sûre et de mise en oeuvre pratique des mesures de contrôle effectuées conformément à un code de bonnes pratiques. Pour les installations qui ont été autorisés, avant le 1 juillet 2016, cette obligation est applicable à partir du 1 septembre 2018. ".
Art. 55. Aan artikel 5.9.2.2, § 2, van hetzelfde besluit, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De plaatsing wordt zo gekozen dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt de de helling en de afvloeirichting van de vloer van de mestopslagplaats niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd. Die verplichting geldt alleen voor mestopslagplaatsen die na 1 juli 2016 vergund zijn.".
Art. 55. A l'article 5.9.2.2, § 2, du même arrêté, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " L'emplacement est choisi de manière à éviter le risque de pollution des eaux de surface au maximum. Sauf indication contraire figurant dans les permis d'environnement, l'inclination et le sens du déversement du sol de l'aire de stockage du fumier ne sont pas orientés dans la direction des eaux de surface. Cette obligation ne s'applique qu'aux aires de stockage du fumier autorisées après le 1 juillet 2016. ".
Art. 56. Aan artikel 5.9.8.4, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
  "Het reinigingswater van pluimveestallen is geen meststof. Er wordt in voldoende opslagcapaciteit voorzien zodat het reinigingswater kan worden uitgereden op het land. Elke lozing van het reinigingswater in de openbare riolering, in een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of in een oppervlaktewater is verboden, tenzij de nodige vergunning is verleend.".
Art. 56. A l'article 5.9.8.4, § 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " L'eau de nettoyage en provenance des poulaillers n'est pas considérée comme un engrais. Une capacité de stockage suffisante est prévue pour que l'eau de nettoyage peut être épandue sur les terres. Tout rejet de l'eau de rinçage dans les égouts publics, dans une voie artificielle d'écoulement pour les eaux de pluie ou dans les eaux de surface est interdit, sauf si l'autorisation nécessaire a été accordée. ".
Art. 57. In artikel 5.9.8.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt tussen de woorden "het percolaat van" en de woorden "dierlijke mest" het woord "vaste" ingevoegd;
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "dient" vervangen door het woord "wordt" en wordt het woord "in" vervangen door het woord "binnen";
  3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "en/of" vervangen door het woord "of";
  4° in paragraaf 4 en 5 wordt het woord "rundveehouderij" vervangen door het woord "veeteelt";
  5° in paragraaf 5 wordt het woord "sappen" vervangen door het woord "silosappen";
  6° aan paragraaf 5 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Deze verplichting geldt alleen voor inrichtingen die na 1 juli 2016 vergund zijn.";
  7° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 6. De kuilplaat wordt zo geplaatst dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt de helling en de afvloeirichting van de vloer van de kuilplaat niet in de richting van oppervlaktewater georiënteerd.
  Deze verplichting geldt alleen voor kuilplaten die na 1 juli 2016 vergund zijn.".
Art. 57. A l'article 5.9.8.5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003 et 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au paragraphe 2, le mot " solides " est inséré après les mots " le lixiviat de lisiers " ;
  2° Au paragraphe 2, les mots " doit être " sont remplacés par le mot " est " et le mot " dans " est remplacé par les mots " au sein de ".
  3° au paragraphe 3, le membre de phrase " et/ou " est remplacé par le mot " ou " ;
  4° aux paragraphes 4 et 5, les mots " élevage de bovins " sont remplacés par le mot " élevage " ;
  5° au paragraphe 5, le mot " effluents " est remplacé par les mots " effluents d'ensilage " ;
  6° au paragraphe 5, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Cette obligation s'applique uniquement aux établissements qui ont été autorisés après le 1 juillet 2016. " ;
  7° il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. La dalle d'ensilage est placée de telle manière que le risque de pollution des eaux de surface est limité au maximum. Sauf indication contraire mentionné dans le permis d'environnement, l'inclination et le sens du déversement du sol de la dalle d'ensilage ne sont pas orientés dans la direction des eaux de surface.
  Cette obligation ne s'applique qu'aux dalles d'ensilage autorisées après le 1 juillet 2016. ".
Art. 58. In artikel 5.11.0.3, § 1, van hetzelfde besluit, worden de zinnen "De vloer van dit lokaal moet voorzien zijn van een opvanggoot en een of meer opvangputten. De vloer, de opvanggoot en de opvangputten moeten uitgevoerd zijn in voor de erop terechtkomende stoffen ondoorlatend en chemisch inert materiaal." vervangen door de zin "De vloer is uitgevoerd in een materiaal dat ondoorlatend en chemisch inert is voor de stoffen die erop terechtkomen.".
Art. 58. A l'article 5.11.0.3, § 1er du même arrêté, les phrases " Une rigole d'écoulement et un ou plusieurs puits collecteurs doivent être aménagés dans le sol de ce local. Le sol, la rigole d'écoulement et les puits collecteurs doivent être constitués de matériaux imperméables et chimiquement inertes pour les substances avec lesquels ils entreront en contact. " sont remplacées par la phrase " Le sol est réalisé dans un matériau imperméable et chimiquement inerte aux substances qui y sont déversées. ".
Art. 59. In artikel 5.11.0.4, § 3, van hetzelfde besluit wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt :
  "Als er producten, gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, worden gebruikt of geproduceerd :".
Art. 59. A l'article 5.11.0.4, § 3, du même arrêté, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  " Si des produits, caractérisés par le pictogramme de danger GHS02 selon le règlement CLP, sont utilisés ou produits : ".
Art. 60. In artikel 5.11.0.5, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden in de tabel de punten 1°, a), 2° en 3° opgeheven.
Art. 60. A l'article 5.11.0.5, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les points 1°, a), 2° et 3° du tableau sont abrogés.
Art. 61. In artikel 5.13.0.4, § 3, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "De verwarming van de lokalen waarin ontvlambare stoffen worden gebruikt en/of ontvlambare produkten worden geproduceerd," vervangen door de zinsnede "De verwarming van de lokalen waarin producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening worden gebruikt of geproduceerd,".
Art. 61. A l'article 5.13.0.4, § 3 du même arrêté, le membre de phrase " Le chauffage des locaux dans lesquels des substances inflammables sont utilisées et/ou des produits inflammables sont produits " sont remplacés par le membre de phrase " Le chauffage des locaux dans lesquels les produits caractérisés par le pictogramme de danger GHS02 selon le règlement CLP sont utilisés ou produits, ".
Art. 62. In artikel 5.15.0.5, § 2, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° gemakkelijk brandbare materialen of producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, met uitzondering van de gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, op te stapelen;".
Art. 62. A l'article 5.15.0.5, § 2, du même décret, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° d'y stocker des matériaux ou produits facilement inflammables caractérisés par le pictogramme de dangerGHS02 selon le règlement CLP, à l'exception des liquides dangereux du groupe 2 ; ".
Art. 63. Artikel 5.15.0.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5.15.0.8. De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.".
Art. 63. L'article 5.15.0.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.15.0.8. La récupération des gaz à effet de serre fluorés provenant de systèmes de climatisation dans des véhicules à moteur relevant du champ d'application, visé à l'article 1er du règlement (CE) n° 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certaines catégories de véhicules à moteur, ne peut être effectué que par un ingénieur agréé pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur visés à l'article 6, 2°, i) du vlarel.
  Le paragraphe premier ne s'applique pas à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement en vue d'une formation en vue d'obtenir le certificat visé à l'article 17/5, 2°, du vlarel, à condition qu'il procède à la récupération sous le contrôle d'un technicien, agréé pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Cette exemption de obligation d'agrément, pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'enregistrement de la formation prend fin si la personne autorisée et l'agrément d'un technicien pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur visés à l'article 6, 2°, i) du vlarel y réalise des bénéfices. A la demande de l'autorité de surveillance l'intéressé présente une attestation d'inscription.".
Art. 64. In artikel 5.16.1.2, § 3, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de zinnen "Wanneer gassen effectief aanwezig zijn, wordt het gehalte aan brandbaar gas in de werkzone onder de grens van één vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens gehouden. Dit gehalte moet tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd worden;;" vervangen door de zinnen "Als ontvlambare gassen volgens de CLP-verordening effectief aanwezig zijn, wordt het gehalte aan ontvlambaar gas in de werkzone onder de grens van een vijfde van de laagste ontvlambaarheidsgrens gehouden. Dat gehalte wordt tijdens de uitvoering van de werken voortdurend gecontroleerd;".
Art. 64. A l'article 5.16.1.2, § 3, 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les phrases " Lorsque des gaz inflammables sont effectivement présents, la teneur en gaz combustible dans la zone de travail doit être maintenue sous le seuil d'un cinquième de la limite inférieure d'inflammabilité. Au cours de l'exécution des travaux, cette teneur doit être contrôlée en permanence; " sont remplacées par les phrases " Lorsque des gaz inflammables sont effectivement présents selon le règlement CLP, la teneur en gaz combustible dans la zone de travail est maintenue sous le seuil d'un cinquième de la limite inférieure d'inflammabilité. Cette teneur est contrôlée en permanence pendant l'exécution des travaux ; ".
Art. 65. In artikel 5.16.1.8, § 1, 4°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt punt 4) vervangen door wat volgt :
  "4) Voor houders met samengeperste lucht waarvan het product van de toelaatbare druk (PS) en het volume (V) groter is dan 3000 bar.liter, als de toelaatbare druk (PS) meer dan 4 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), of waarvan PS groter is dan 3000 bar, is altijd een inwendig onderzoek vereist.".
Art. 65. A l'article 5.16.1.8, § 1er, 4°, b), du même décret, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le point 4) est remplacé par ce qui suit :
  " 4) pour les réservoirs à air comprimé dont le produit de la pression admissible (PS) et du volume (V) dépasse les 3 000 bar.litre, ou lorsque la pression admissible (PS) est supérieure de plus de 4 bar à la pression atmosphérique normale (1013 mbar), ou dont la PS est supérieure à 3 000 bar, un examen interne est toujours exigé. ".
Art. 66. In artikel 5.16.3.2, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "de druk bij de maximaal toelaatbare temperatuur" vervangen door de woorden "de toelaatbare druk (PS)".
Art. 66. A l'article 5.16.3.2, § 1er du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " la pression à la température maximale admissible " sont remplacés par les mots " la pression admissible (PS) ".
Art. 67. In artikel 5.16.3.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 1bis. De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.".";
  2° in paragraaf 3, 2°, worden de woorden `volgens een code van goede praktijk" vervangen door de woorden "volgens de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk";
  3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "en/of gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "en op koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer";
  4° aan paragraaf 5 wordt de zin "De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen van dit artikel zijn niet van toepassing op hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg mits dergelijke installaties als hermetisch afgesloten zijn geëtiketteerd." toegevoegd;
  5° in paragraaf 7, 1°, wordt de zinsnede "artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006";
  6° in paragraaf 8, 2°, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) aan punt a) worden de zinnen "Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf" toegevoegd;
  b) punt d) wordt vervangen door wat volgt :
  "d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;";
  c) punt g) tot en met i) worden vervangen door wat volgt :
  "g) significante periodes van buitenbedrijfstelling;
  h) indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
  i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;";
  d) er wordt een punt j) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.".
Art. 67. A l'article 5.16.3.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un paragraphe 1bis, rédigé comme suit :
  " § 1bis. Les travaux suivants aux installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ne peuvent être effectués que par un technicien frigoriste agréé visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL, qui est en possession d'un certificat pour la catégorie correspondante :
  1° installation, entretien, réparation ou mise hors service ;
  2° contrôles d'étanchéité des équipements de réfrigération tels que visés à l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et à l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  3° récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service des équipements frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés, substances ozonlaagafbrekende ou l'établissement dans lequel le technicien frigoriste, reconnue comme exploitation koeltechnisch visés à l'article 6, 7°, b), du vlarel.
  Le premier paragraphe ne s'applique pas, en ce qui concerne les équipements frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement en vue d'une formation en vue d'obtenir le certificat de la catégorie, prévue à l'article 17/1, 2°, du vlarel, à condition qu'il effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien frigoriste agréé qui est titulaire d'un certificat de la catégorie concernée et qui assume l'entière responsabilité de la bonne exécution des travaux. Cette exemption de obligation d'agrément, pendant une période maximale de deux ans à compter de la date d'enregistrement de la formation prend fin si la personne autorisée et une reconnaissance du statut de Technicien frigoriste pour la catégorie concernée, comme indiqué dans son article 6, point 2° e), du vlarel y réalise des bénéfices. L'intéressé soumet une attestation d'inscription à la demande de l'autorité de contrôle compétente.
  Le premier paragraphe ne s'applique pas à une personne qui exerce les activités de réfrigération contenant des gaz à effet de serre mais pas des substances ozonlaagafbrekende et qui satisfait à la condition, prévue à l'article 3, paragraphe 3, du règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification de personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, ainsi que de systèmes de réfrigération de camions et remorques frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés, ainsi que pour la certification des entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui récupère des substances appauvrissant la couche d'ozone mais non pas de gaz à effet de serre fluorés à partir d'installations frigorifiques ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de trois kilogrammes, à condition que la personne a suivi une formation appropriée et qu il puisse en attester par un diplôme ou un certificat. La formation porte au moins sur les points énumérés à l'annexe au règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067, relative à la récupération des substances appauvrissant la couche d'ozone. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, l'intéressé en soumet une preuve.
  L'alinéa premier ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les sites du fabricant où sont aménagées des installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés. ". " ;
  2° Au paragraphe 3, 2°, les mots " selon un code de bonne pratique " sont remplacés par les mots " selon la norme EN 378 ou un code équivalent de bonne pratiques " ;
  3° au paragraphe 5, le membre de phrase " et/ou de gaz à effet de serre fluorés " est remplacé par le membre de phrase " et aux installations frigorifiques contenant des gaz à effet de serre ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus " ;
  4° au paragraphe 5, la phrase " Les dispositions des paragraphes suivants du présent article ne s'appliquent pas aux installations frigorifiques hermétiquement closes contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kilogrammes, à condition que ces installations soient étiquetées comme étant hermétiquement closes. " est ajoutée ;
  5° Au paragraphe 7, 1°, le membre de phrase " article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés " est remplacé par le membre de phrase " article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 " ;
  6° au paragraphe 8, 2°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point a), les phrases " Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés en tant que réfrigérant, la capacité nominale de liquide réfrigérant est exprimée tant en unités métriques qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le journal de bord avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération " sont ajoutées ;
  b) le point d) est remplacé par le texte suivant :
  " d) la quantité de liquide réfrigérant ajoutée à une installation frigorifique et le taux de fuite après chaque remplissage ; ";
  c) les points g) à i) sont remplacés par ce qui suit :
  " g) des périodes significatives de mise hors service ;
  h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever le réfrigérant ;
  i) les nom et prénom et, le cas échéant, le numéro du certificat de la personne qui a effectué les travaux et les constatations, tels que visés aux points a) à h) inclus et, le cas échéant, le nom et le numéro du certificat de l'entreprise employant la personne ; " ;
  d) il est ajouté un point j), rédigé comme suit :
  " j) si d'application, une attestation délivrée par la personne visée au point i), faisant état des opérations qu'elle a effectuées. ".
Art. 68. In artikel 5.16.3.4, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "gassen ingedeeld in groep 2a)1° of in groep 4" telkens vervangen door de woorden "gassen van groep 2 of groep 4".
Art. 68. A l'article 5.16.3.4, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " gaz classés dans le groupe 2a) 1° ou au groupe 4 " sont remplacés par les mots " gaz de groupe 2 ou de groupe 4 ".
Art. 69. In artikel 5.16.4.4.2, § 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "afleverzuilen" vervangen door het woord "verdeelzuilen".
Art. 69. A l'article 5.16.4.4.2, § 4, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " colonnes-citernes " sont remplacés par les mots " colonnes distributrices ".
Art. 70. Aan artikel 5.16.4.4.7, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende zinsnede en de volgende zin toegevoegd :
  ", die gelegen is op de inrichting. De exploitant organiseert het toezicht op een manier die waarborgt dat de vuloperaties kunnen worden gestopt bij onregelmatigheden.".
Art. 70. A l'article 5.16.4.4.7, § 3, alinéa deux, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le membre de phrase et la phrase suivante sont ajoutés :
  ", qui est située sur le site de l'installation. L'exploitant procède à la surveillance d'une manière qui garantit que les opérations de remplissage puissent être coupées en cas d'irrégularités. ".
Art. 71. In artikel 5.17.3.3.8, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "In afwijking van" vervangen door de zinsnede "Met behoud van de controles, vermeld in".
Art. 71. A l'article 5.17.3.3.8, § 3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " Par dérogation à " sont remplacés par le membre de phrase " Sans préjudice des contrôles visés à ".
Art. 72. In artikel 5.17.4.2.9, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder, of als volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.".
Art. 72. A l'article 5.17.4.2.9, alinéa trois, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° rouge, si le réservoir et l'installation ne répondent pas aux dispositions du présent arrêté et que les vices constatés peuvent engendrer ou ont engendré une pollution en dehors du réservoir ou si, suite à une période d'au maximum six mois pendant laquelle une étiquette ou plaque orange ou plaque y était apposée, les mêmes défaillances sont toujours constatées au réservoir et à l'installation. ".
Art. 73. In artikel 5.17.4.2.10, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan het tweede lid wordt de zin "Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit besluit, gevolgd door een groene of rode klever." toegevoegd;
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.".
Art. 73. A l'article 5.17.4.2.10, alinéa deux du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa deux, la phrase " L'étiquette ou la plaquette orange est apposée à titre unique en raison des défaillances constatées, en d'autres termes, l'étiquette ou la plaquette orange est suivie d'une étiquette verte ou rouge, en fonction du respect ou du non-respect futurs des dispositions du présent arrêté. " est ajoutée.
  2° il est inséré un alinéa entre les alinéas deux et trois, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa deux, cette période transitoire de six mois peut à titre exceptionnel être rallongée par l'expert ou le technicien agréé pour les mesures qui ne peuvent pas être mises en oeuvre dans les six mois. Les mesures et les délais sont dans ce cas consignés par écrit. L'expert ou le technicien agréé suit la mise en oeuvre des mesures et décide si des contrôles intermédiaires plus fréquents du réservoir et de l'installation concernés sont nécessaires. Si, après l'expiration de la période transitoire, les défaillances initialement constatées n'ont pas été rémédiées, le réservoir et l'installation sont pourvus d'une étiquette ou d'une plaquette rouge. ".
Art. 74. In artikel 5.17.4.3.17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.17.4.3.4" vervangen door de zinsnede "bij de plaatsing of de periodieke onderzoeken, vermeld in artikel 5.17.4.3.16";
  2° in het derde lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° rood, als de houder en de installatie niet voldoen aan dit besluit en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder of als volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje label of plaat nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.".
Art. 74. A l'article 5.17.4.3.17 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " lors du placement ou des vérifications périodiques, visées à l'article 5.17.4.3.4 " est remplacée par le membre de phrase " lors du placement ou des vérifications périodiques, visées à l'article 5.17.4.3.16 " ;
  2° à l'alinéa trois, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° rouge, si le réservoir et l'installation ne répondent pas aux dispositions du présent arrêté et que les vices constatés peuvent donner lieu ou ont donné lieu à une pollution en dehors du réservoir ou si, suite à une période d'au maximum six mois pendant laquelle une étiquette ou une plaquette orange y a été apposée, les mêmes défaillances sont toujours constatées au réservoir et à l'installation. ".
Art. 75. In artikel 5.17.4.3.18, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan het tweede lid wordt de zin "Het verlenen van een oranje klever of plaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje klever of plaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit reglement, gevolgd door een groene of rode klever." toegevoegd;
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.".
Art. 75. A l'article 5.17.4.3.18, alinéa deux du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa deux, la phrase " L'étiquette ou la plaquette orange est apposée à titre unique en raison des défaillances constatées, en d'autres termes, l'étiquette ou la plaquette orange est suivie d'une étiquette verte ou rouge, en fonction du respect ou du non-respect futurs des dispositions du présent arrêté. " est ajoutée ;
  2° il est inséré un alinéa entre les alinéas deux et trois, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa deux, cette période transitoire de six mois peut à titre exceptionnel être rallongée par l'expert ou le technicien agréé pour les mesures qui ne peuvent pas être mises en oeuvre dans les six mois. Les mesures et les délais sont dans ce cas consignés par écrit. L'expert ou le technicien agréé suit la mise en oeuvre des mesures et décide si des contrôles intermédiaires plus fréquents du réservoir et de l'installation concernés sont nécessaires. Si, après l'expiration de la période transitoire, les défaillances initialement constatées n'ont pas été remédiées, le réservoir et l'installation sont pourvus d'une étiquette ou d'une plaquette rouge. ".
Art. 76. Aan artikel 5.17.4.3.19, § 7, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede ", zoals van toepassing vóór 1 juni 2015" toegevoegd.
Art. 76. A l'article 5.17.4.3.19, § 7, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase ", comme d'application avant le 1 juin 2015 " est ajouté.
Art. 77. Aan afdeling 5.17.4 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een subafdeling 5.17.4.5, die bestaat uit artikel 5.17.4.5.1 tot en met 5.17.4.5.5, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Subafdeling 5.17.4.5. Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) door lekverliezen in bovengrondse vaste houders
  Art. 5.17.4.5.1. Deze subafdeling is van toepassing op de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 17 van de indelingslijst, als het bovengrondse vaste houders betreffen die organische vloeibare producten bevatten met een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 ° C.
  Deze subafdeling is niet van toepassing op de activiteiten van de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, noch op koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst.
  Art. 5.17.4.5.2. § 1. Houders die periodiek of continu vloeistoffen, vermeld in artikel 5.17.4.1.9, § 1, of vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08, bevatten, worden jaarlijks, zonder dat een periode van zestien maanden tussen twee opeenvolgende controles wordt overschreden, met behulp van een IR-camera, op emissies naar de atmosfeer gecontroleerd zoals vermeld in de Nederlandse technische afspraak (NTA) 8399 :2015.
  Houders met een volume kleiner dan 100 mo zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.
  § 2. Voor houders die andere vloeistoffen bevatten dan vermeld in paragraaf 1, geldt een tweejaarlijkse controle, zonder dat een periode van tweeëndertig maanden tussen twee opeenvolgende controles wordt overschreden.
  Houders met een volume kleiner dan 500 mo zijn vrijgesteld van de verplichting, vermeld in het eerste lid.
  § 3. De controle wordt uitgevoerd op het moment dat de houders producten bevatten met een damspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C.
  § 4. Horizontale en bolvormige houders die reeds periodiek gecontroleerd worden op lekken in uitvoering van het meet- en beheersprogramma zoals vermeld in afdeling 4.4.6, zijn vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2.
  § 5. De controles met de IR-camera, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden een eerste maal uitgevoerd uiterlijk op 31 december 2016.
  § 6. Voor houders die niet voorzien zijn van een vlottend dak en waarvan alle potentiële emissiebronnen bereikbaar zijn met een meettoestel, vermeld in methode EN 15446 :2008, kan deze methode gehanteerd worden in plaats van de methode, vermeld in paragraaf 1. In dat geval worden de metingen uitgevoerd door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b) van het VLAREL, of door de exploitant conform artikel 4.4.6.2.3, § 3. Exploitanten die opteren voor dit alternatief, maken hiervan melding bij de toezichthouder.
  Art. 5.17.4.5.3. De controles met de IR-camera worden uitgevoerd door een meettechnicus die over basiskennis thermografie beschikt als vermeld in de NTA 8399 :2015.
  Art. 5.17.4.5.4. Van elke houder wordt door de meettechnicus een inspectierapport opgemaakt waarin de informatie van bijlage D van NTA 8399 :2015 is opgenomen.
  Daarnaast wordt van elke controle een video-opname bewaard waaruit duidelijk blijkt dat alle onderdelen van de houder zijn gecontroleerd op lekken.
  De rapporten en video-opnames worden door de exploitant voor een periode van vijf jaar ter beschikking gehouden van de toezichthouder.
  Art. 5.17.4.5.5. § 1. Alle emissiebronnen van houders, vermeld in artikel 5.17.4.5.2, § 1, worden, voor zover mogelijk, direct na de controle gedicht. Alle andere emissiebronnen worden, voor zover mogelijk, binnen de drie maanden gedicht.
  § 2. Alle emissiebronnen die niet binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, kunnen hersteld worden, worden door de exploitant opgenomen in een herstelplan waarin per emissiebron wordt aangegeven waarom de herstelling niet mogelijk is binnen deze termijn, en wanneer de herstelling dan wel zal uitgevoerd worden.
  § 3. Voor emissiebronnen die afkomstig zijn van apparaten die zodanig ontworpen zijn dat de waargenomen emissie als normaal kan beschouwd worden, wordt per bron gedocumenteerd waarom herstel niet mogelijk is.".
Art. 77. A la section 5.17.4 du même arrêté, modifié pour la en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, une sous-section 5.17.4.5, constituée des articles 5.17.4.5.1 à 5.17.4.5.5 inclus, est ajoutée, rédigée comme suit :
  " Sous-section 5.17.4.5. Lutte contre les émissions de composés organiques volatils (COV) par des fuites dans les réservoirs fixes de surface
  Art. 5.17.4.5.1. La présente sous-section s'applique aux entrepôts, visés dans la rubrique 17 de la liste de classification, dans le cas de réservoirs fixes de surface contenant des produits organiques fluides dont la tension de vapeur est supérieure à 13,3 kPa à une température de 35 ° C.
  La présente sous-section ne s'applique pas aux activités des installations, énumérées à la rubrique 59 de la liste de classification, ni aux installations frigorifiques visées à la rubrique 16.3 de la liste de classification.
  Art. 5.17.4.5.2. § 1er. Les réservoirs contenant de manière périodique ou continue des liquides, visés à l'article 5.17.4.1.9, § 1er, marqués par le pictogramme de danger GHS08 sont contrôlés annuellement, sans qu'une période de seize mois entre deux contrôles consécutifs soit dépassée, sur la présence d'émissions dans l'atmosphère contrôlée, au moyen d'un caméra IR, comme indiqué dans l'accord technique néerlandaise (NTA) 8399 : 2015.
  Les réservoirs d'une capacité inférieure à 100 mo sont exemptés de l'obligation, stipulée à l'alinéa premier.
  § 2. Les réservoirs contenant d'autres liquides que ceux visés au paragraphe 1er, font l'objet d'un contrôle biennal, sans qu'une période de trente-deux mois entre deux contrôles consécutifs ne soit dépassée.
  Les réservoirs d'une capacité inférieure à 500 mo sont exemptés de l'obligation, stipulée à l'alinéa premier.
  § 3. Le contrôle est effectué au moment où les réservoirs contiennent des produits ayant une tension de vapeur supérieure à 13,3 kPa à une température de 35 ° C.
  § 4. Les réservoirs horizontaux et sphériques qui sont déjà périodiquement contrôlés sur la présence de fuites en exécution du programme de mesure et de gestion, visé à la section 4.4.6, sont exemptés des obligations visées aux sections 1 et 2.
  § 5. Les premiers contrôles à l'aide du caméra IR, visés aux paragraphes 1er et 2, sont effectués au plus tard le 31 décembre 2016.
  § 6. Pour les réservoirs qui ne sont pas équipés d'un toit flottant et dont toutes les sources potentielles d'émissions sont accessibles à l'aide d'un dispositif de mesurage, visé dans la méthode EN 15446 : 2008, cette méthode peut être utilisée au lieu de la méthode, visée au paragraphe 1er. Dans ce cas, les mesures sont effectuées par un laboratoire agréé à cette fin dans la discipline de l'air visé à l'article 6, 5°, b) du VLAREL ou par l'exploitant, conformément à l'article 4.4.6.2.3, § 3. Les exploitants optant pour cette alternative, doivent en informer l'autorité de contrôle.
  Art. 5.17.4.5.3. Les contrôles à l'aide d'un caméra IR sont effectués par un technicien de mesure possédant une connaissance de base en thermographie, comme indiqué dans le NTA 8399 : 2015.
  Art. 5.17.4.5.4. Chaque réservoir fait l'objet de l'établissement d'un rapport d'inspection par le technicien de mesure, dans lequel les informations de l'annexe D du NTA 8399 : 2015 ont été reprises.
  En plus, pour chaque contrôle, un enregistrement vidéo prouvant clairement que tous les éléments du réservoir ont été contrôlés sur la présence de fuites, est conservé.
  L'exploitant met les rapports et les enregistrements vidéo à la disposition de l'autorité de contrôle pendant une période de cinq ans.
  Art. 5.17.4.5.5. § 1er. Toutes les sources d'émission en provenance de réservoirs, visés à l'article 5.17.4.5.2, § 1er, sont, dans la mesure du possible, colmatées immédiatement après le contrôle. Toutes les autres sources d'émissions sont, dans la mesure du possible, colmatées dans les trois mois.
  § 2. Toutes les sources d'émission qui ne peuvent pas être réparées dans les délais visés au paragraphe 1er, sont reprises par l'exploitant dans un plan de réparation indiquant par source d'émission les raisons pour lesquelles la réparation n'est pas possible dans ce délai, et le calendrier de sa réparation effective.
  § 3. Pour les sources d'émission en provenance d'équipements qui ont été conçus de telle manière que les émissions observées peuvent être considérées comme étant normales, la raison de l'impossibilité de la réparation est indiquée par source. ".
Art. 78. In artikel 5.18.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 juni 2013, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 1bis. In geval de ontginning gelegen is in een ontginningsgebied waarvan de nabestemming landbouw is, worden de voorschriften van de code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw, vermeld in het tweede lid, stipt gevolgd.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, stelt de code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw vast.".
Art. 78. A l'article 5.18.1.2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et du 7 juin 2013, il est inséré un paragraphe 1 bis est inséré, rédigé comme suit :
  " § 1bis. Dans le cas où l'extraction est située dans un site d'extraction à destination secondaire d'agriculture, les prescriptions du code de bonnes pratiques relatif au réaménagement correct d'une extraction en fonction de l'agriculture, visé à l'alinéa deux, est scrupuleusement suivi.
  Le Ministre flamand compétent de l'environnement et de la politique de l'eau, établit le code de bonnes pratiques pour le réaménagement correct d'une extraction en fonction de l'agriculture. ".
Art. 79. In artikel 5.19.1.4, § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt na de tabel een voetnoot (1) ingevoegd, die luidt als volgt :
  "(1) som = Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Sn, Ni, V, Mn".
Art. 79. A l'article 5.19.1.4, § 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, une note de bas de page (1), rédigée comme suit, est insérée après le tableau :
  " (1) somme = Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Sn, Ni, V, Mn ".
Art. 80. Artikel 5.20.6.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 december, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5.20.6.2.3. Voor relevante slagschaduwgevoelige objecten in industriegebied, met uitzondering van woningen, geldt een maximum van dertig uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag.
  Voor relevante slagschaduwgevoelige objecten in alle andere gebieden, en voor woningen in industriegebied, geldt een maximum van acht uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag.".
Art. 80. L'article 5.20.6.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.20.6.2.3. Pour les objets pertinents sensibles à l'ombre portée dans des zones industrielles, à l'exclusion des habitations, l'ombre portée effective ne peut pas dépasser trente heures par an et trente minutes par jour.
  Pour les objets pertinents sensibles à l'ombre portée dans tous les autres domaines, et pour les habitations en zone industrielle, l'ombre portée effective ne peut pas dépasser huit heures par an et trente minutes par jour. ".
Art. 81. In artikel 5.20.6.4.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de woorden "de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied" vervangen door de woorden "het dichtstbijzijnde bewoonde gebouw vreemd aan de inrichting of het dichtstbijzijnde woongebied of woonuitbreidingsgebied".
Art. 81. A l'article 5.20.6.4.2, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les mots " habitation ou zone résidentielle la plus proche " sont remplacés par les mots " habitation habitée la plus proche externe à l'établissement ou de la zone d'habitat ou de la zone résidentielle d'extension les plus proches ".
Art. 82. In artikel 5.23.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 5°, worden de woorden "125 mg/Nm3" vervangen door de woorden "1350 mg/Nm3";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 82. A l'article 5.23.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, 5°, les mots " 125 mg/Nm3 " sont remplacés par les mots " 1 350 mg/Nm3 " ;
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 83. In artikel 5.23.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "a, b en c" vervangen door de zinsnede "1°, 2° en 3° ".
Art. 83. A l'article 5.23.1.2, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " a, b, c " est remplacée par le membre de phrase " 1°, 2° et 3° ".
Art. 84. In artikel 5.25.0.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt paragraaf 1 opgeheven.
Art. 84. A l'article 5.25.0.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le paragraphe 1er est abrogé.
Art. 85. Aan artikel 5.28.2.3, § 1, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "en artikel 5.9.8.5, § 1, § 2 en § 3" toegevoegd.
Art. 85. A l'article 5.28.2.3, § 1er, du même arrêté, le membre de phrase " et l'article 5.9.8.5, § 1er, § 2 et § 3 " est ajouté.
Art. 86. In artikel 5.29.0.4, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt in de tabel de bepaling "- chroom III-, strontium- en zinkchromaat, uitgedrukt in Cr" opgeheven.
Art. 86. A l'article 5.29.0.4, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la disposition dans le tableau " chromates de chrome III, de strontium et de zinc, exprimés en Cr " est supprimée.
Art. 87. In afdeling 5.30.0 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een artikel 5.30.0.7bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 5.30.0.7bis. Voor de geloosde afgassen van hoogovenslakdroogprocessen geldt een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nmo.".
Art. 87. Dans la section 5.30.0 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est inséré un article 5.30.0.7 bis, rédigé comme suit :
  " Art. 5.30.0.7bis. Pour les gaz résiduaires rejetés en provenance de processus de séchage de laitier de haut-fourneau, une valeur limite d'émissions pour CO de 500 mg/Nmo s'applique. ".
Art. 88. In artikel 5.30.2.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de tabel vervangen door wat volgt :
  "
Art. 88. A l'article 5.30.2.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
parameter emissiegrenswaarden (mg/Nm3)
CO 500
stof 20
SO2 75 (1)
NOx, uitgedrukt als NO2 75 (1)
organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 100
parameter emissiegrenswaarden (mg/Nm3)CO 500stof 20SO275 (1)NOx, uitgedrukt als NO275 (1)organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 100
(1) In afwijking van deze emissiegrenswaarden geldt tot 1 september 2018 voor inrichtingen die voor 1 september 2015 vergund zijn een emissiegrenswaarde van 200 mg per Nmo voor SO2 en van 200 mg per Nmo voor NOx.".
paramètre valeurs limites d'émission (mg/Nm3)
CO 500
poussières 20
SO2 75 (1)
NOx, exprimé en tant que NO2 75 (1)
substances organiques, exprimées comme total de carbone organique 100
paramètre valeurs limites d'émission (mg/Nm3)CO 500poussières 20SO275 (1)NOx, exprimé en tant que NO275 (1)substances organiques, exprimées comme total de carbone organique 100
(1) Par dérogation à ces valeurs limites d'émission, une valeur limite d'émission de 200 mg/Nmo s'applique pour le SO2 et de 200 mg/Nmo pour les NOx jusqu'au 1 septembre 2018 pour les établissements qui ont été autorisés avant le 1 septembre 2015. "
Art. 89. Artikel 5.30.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5.30.2.3. Om de diffuse VOS-emissies optimaal te beperken :
  1° zijn de bitumentanks voorzien van watersloten;
  2° zijn de geïsoleerde silo's voor het bewaren van warm asfalt voorzien van automatisch openende en sluitende laaddeuren;
  3° wordt het traject vanaf de mixer tot en met de laadinstallatie voor de asfaltwachtsilo's ingekapseld;
  4° wordt de uitgang van de asfaltwachtsilo's voorzien van een afzuiginstallatie. De afgezogen afvalgassen worden, eventueel via de centrale zuiveringsinstallatie, geleid in de atmosfeer geloosd via een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de omgeving niet gehinderd wordt.
  Voor installaties die voor 1 september 2015 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, vanaf 1 september 2018.".
Art. 89. L'article 5.30.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.30.2.3. Afin de limiter au maximum les émissions de COV diffuses :
  1° les cuves de bitume sont dotées de sas ;
  2° les silos isolés pour la conservation de l'asphalte chaud sont équipés de portes de chargement à ouverture et fermeture automatiques ;
  3° le trajet à partir du mixeur jusqu'à l'installation de chargement pour les silos d'attente de bitume est enveloppé ;
  4° la sortie des silos d'attente pour bitume est munie d'une installation hottes. L'air rejeté aspiré est évacué, éventuellement à travers l'installation centrale d'épuration, de manière contrôlée dans l'atmosphère au moyen d'une cheminée d'une telle hauteur que l'environnement n'en souffre pas.
  Pour les installations autorisées avant le 1 septembre 2015, les obligations visées à l'alinéa premier, 3° et 4°, s'appliquent à compter du 1 septembre 2018. ".
Art. 90. In artikel 5.32.2.2bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.";
  2° aan paragraaf 2, 3°, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.".
Art. 90. A l'article 5.32.2.2 bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si les normes sonores sont dépassées, le niveau sonore maximal dans l'établissement est immédiatement abaissé à un niveau rendant le dépassement des normes sonores impossible et ce par dérogation à l'article 4.1.5.3. " ;
  2° la phrase suivante est ajoutée au paragraphe 2, 3° :
  " Si les normes sonores sont dépassées, le niveau sonore maximal dans l'établissement est immédiatement abaissé à un niveau rendant le dépassement des normes sonores impossible et ce par dérogation à l'article 4.1.5.3. ".
Art. 91. Aan artikel 5.32.3.10, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als de geluidsnormen overschreden worden, wordt in afwijking van artikel 4.1.5.3 het maximale geluidsniveau in de inrichting onmiddellijk verlaagd tot een niveau waarbij de geluidsnormen niet meer overschreden worden.".
Art. 91. A l'article 5.32.3.10, § 3, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si les normes sonores sont dépassées, le niveau sonore maximal dans l'établissement est immédiatement abaissé à un niveau rendant le dépassement des normes sonores impossible et ce par dérogation à l'article 4.1.5.3. ".
Art. 92. In artikel 5.32.7.2.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
  " § 3. De kogelvanger wordt regelmatig en ten minste om de drie maanden op zijn goede staat nagezien. Bij de uitvoering, vermeld in paragraaf 2, 1° en 2°, wordt nagegaan of er zich in de staalplaten putjes hebben gevormd en in voorkomend geval worden de platen bijgeslepen. Bij de uitvoering, vermeld in paragraaf 2, 3° en 4°, worden de kogels die eventueel in de rubberen strippen of in het zandlichaam zijn blijven zitten, regelmatig verwijderd. Beschadigde strippen worden vervangen.".
Art. 92. A l'article 5.32.7.2.3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et du 7 mars 2008, le paragraphe 3 est remplacé par le texte suivant :
  " § 3. Le bon état du pare-balles est contrôlé régulièrement et au moins tous les trois mois. Lors de la mise en oeuvre, visée au paragraphe 2, 1° et 2°, les tôles sont contrôlées sur la présence de petits trous et sont, le cas échéant, repolis. Lors de la mise en oeuvre, visée au paragraphe 2, 3° et 4°, les balles éventuelles logées dans les bandes de caoutchouc ou dans les tas de sable sont régulièrement enlevées. Les bandes endommagées sont remplacées. ".
Art. 93. Artikel 5.32.8.1.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5.32.8.1.2. Behalve voor kleiduifschietstands en traditioneel buksschieten gelden voor het geluid en de trillingen de voorschriften, vermeld in artikel 5.32.7.2.7. Voor kleiduifschietstands gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.2.7. Voor buksen gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.8.3.5.".
Art. 93. L'article 5.32.8.1.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5.32.8.1.2. Sauf pour les stands de tir aux claies et les stands de tir traditionnel à la carabine, les prescriptions visées à l'article 5.32.7.2.7. s'appliquent en matière de son et de vibrations. Pour les stands de tir aux claies, les conditions visées à l'article 5.32.8.2.7. s'appliquent. Les conditions visées à l'article 5.32.8.3.5 s'appliquent aux carabines. ".
Art. 94. Aan afdeling 5.32.8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een subafdeling 5.32.8.3, die bestaat uit artikel 5.32.8.3.1 tot en met 5.32.8.6, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Subafdeling 5.32.8.3. Traditioneel buksschieten
  Art. 5.32.8.3.1. Het schietterrein en de inrichting van de schietstand.
  Het schietterrein is volledig eigendom van of in zijn geheel gehuurd door de exploitant van de schietstand. Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.
  De schietstand is uitgerust met een of meer schietbomen, elk voorzien van een kogelvanger, en een of meer aanlegpalen. Die worden oordeelkundig geschikt om de geluidsoverdracht naar de omliggende woningen te beperken en de veiligheid van de omwonenden te garanderen.
  De horizontale afstand van de aanlegpaal tot de as van de overeenkomstige schietboom mag niet minder dan 8 meter en niet meer dan 10 meter bedragen.
  Het hoogteverschil tussen de onderkant van de hark en het bodemoppervlak bedraagt minstens 14 meter.
  De hark is uit hout vervaardigd. De hoogte en de breedte van de hark bedragen niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 1,5 meter.
  Het hoogteverschil tussen de bovenkant van de aanlegpaal en het bodemoppervlak bedraagt minstens 2 meter.
  De toeschouwers en de schutters die niet aan de beurt zijn, bevinden zich achter een materiële hindernis, die minstens 5 meter achter de schietplaats ligt.
  De onveilige zone, vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid - reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, wordt afgebakend met een materiële hindernis.
  Art. 5.32.8.3.2. De wapens en de munitie
  Als er geen schietactiviteiten plaatsvinden, worden de buksen opgeborgen buiten het bereik van onbevoegden.
  Het ogief van de kogel mag niet puntig zijn. De lengte van het ogief mag niet groter zijn dan de halve diameter van de kogel.
  Het kogelgewicht mag niet meer dan 45 gram bedragen.
  De lading van de kogel wordt los gestort en voldoet chemisch aan het type "rookzwak".
  Er wordt alleen geschoten met buksen met kaliber 12, kaliber 16 of luchtbuksen met kaliber 4,5.
  Art. 5.32.8.3.3. De schietactiviteit
  Er wordt altijd op een zodanige wijze geschoten dat alle kogels afgevangen worden door de kogelvanger.
  Tijdens het schieten rust de buks altijd op de aanlegpaal. Ongeoefende schutters mogen alleen schieten met toepassing van een affuit. De buksmeester oordeelt of er sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.
  Voor de aanvang van de schietactiviteit worden de kogelvangers door de exploitant gecontroleerd op hun goede toestand en werking. Bij twijfel wordt er niet geschoten. Als de kogelvanger tijdens het schieten abnormaal reageert, wordt het schieten gestaakt.
  De kogelvanger wordt altijd op zijn hoogste punt geplaatst voor het begin van de schietactiviteit.
  De buks mag alleen verplaatst worden op de schietstand door de buksmeester of zijn helper. Dat gebeurt altijd in ongeladen toestand.
  Aan de aanlegpalen bevinden zich alleen de schutters die aan de beurt zijn, de buksmeester of de helpers.
  Er bevinden zich tijdens de schietactiviteit geen personen achter de schietboom.
  De buksmeester, de helper en iedere schutter zijn verplicht er zorg voor te dragen dat het schieten met de buks en het laden ervan zo verloopt dat er geen gevaar voor de omgeving kan ontstaan. Er mag alleen geschoten, geladen en ontgrendeld worden als de buks op de aanlegpaal rust en als de loopmonding gericht is op de kogelvanger waarop geschoten wordt. Alleen het gebruik van de munitie van de vereniging is toegestaan. Die munitie wordt door de buksmeester klaargezet.
  Een schutter mag geen alcoholische dranken nuttigen zolang hij aan de schietactiviteit deelneemt. Elke schutter ondertekent het aanwezige schietregister of aanwezigheidsregister voor hij begint te schieten.
  Het is verboden te schieten door het vlak dat gevormd wordt door de as van de aanlegpaal en de as van de overeenstemmende schietboom.
  Personen bij wie een overtreding van de voorwaarden in deze subafdeling wordt vastgesteld, worden gestraft met een definitieve uitsluiting van de schietingen.
  Art. 5.32.8.3.4. Veiligheid
  De maatregelen vermeld in hoofdstuk C1. Veiligheid - reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.
  Art. 5.32.8.3.5. Geluid
  § 1. Tenzij het anders is vermeld in de milieuvergunning, zijn de geluidsnormen, vermeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op het traditionele buksschieten.
  § 2. De schietactiviteiten zijn alleen toegelaten van 10 uur tot 21 uur op werkdagen en zon- en feestdagen. Het aantal schietactiviteiten is beperkt tot maximaal één activiteit per week, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. De maximale duur van een activiteit is beperkt tot drie uur, met uitzondering van vijf weekends per jaar waarbij in het kader van de schuttersfeesten of schietwedstrijden geoefend of geschoten wordt. Die weekends worden voor het begin van elk schietseizoen bekendgemaakt aan de toezichthouder en het gemeentebestuur.
  § 3. Tenzij het anders is vermeld in de milieuvergunning, wordt het aantal schoten per uur beperkt tot 120.
  § 4. De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht in de omgeving te beperken en vermeldt die in een register. Ook de controle en de wijze van controle op die maatregelen worden in het register vermeld. Het register wordt door de exploitant altijd ter beschikking gehouden van de toezichthouder.
  Rekening houdend met de beste beschikbare technieken wordt bij de keuze van de maatregelen gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme buksen en kogelvangers, geluidsisolatie of -absorptie of -afscherming.
  Art. 5.32.8.3.6. Bodembescherming
  De maatregelen, vermeld in hoofdstuk B1. Bodem - reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS, zijn van toepassing.".
Art. 94. A la section 5.32.8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté une sous-section 5.32.8.3, constituée des articles 5.32.8.3.1 à 5.32.8.6, rédigés comme suit :
  " Sous-section 5.32.8.3. Tir à la carabine traditionnel
  Art. 5.32.8.3.1. Le terrain de tir et l'aménagement du stand de tir.
  Le terrain de tir appartient pleinement à l'exploitant ou est loué dans son intégralité par l'exploitant du stand de tir. La preuve du bail éventuel est tenue à la disposition de l'autorité de contrôle.
  Le stand de tir est équipé d'une ou de plusieurs perches de tir, chacune munies d'un pare-balles et d'un ou de plusieurs supports de tir. Ceux-ci sont aménagés judicieusement afin de réduire la transmission des sons vers les propriétés voisines et de garantir la sécurité des habitants.
  La distance horizontale du support de tir jusqu'à l'axe de la perche de tir correspondante ne doit pas être inférieure à 8 mètres et ne pas excéder 10 mètres.
  L'écart de hauteur entre le fond du râteau et le sol est d'au moins 14 mètres.
  Le râteau est en bois. La hauteur et la largeur du râteau ne dépassent pas 2,5 mètres et 1,5 mètres respectivement.
  La différence de hauteur entre le dessus du support de tir et le sol est d'au moins 2 mètres.
  Les spectateurs et les tireurs qui attendent leur tour se trouvent derrière une barrière matérielle d'au moins 5 mètres, qui se situe derrière l'endroit de tir.
  La zone dangereuse, visée à la section C1. Sécurité - activités régulières (au sein de l'établissement) des HLTS est balisée par une barrière physique.
  Art. 5.32.8.3.2. Les armes et les munitions
  En l'absence d'activités de tir, les carabines sont rangées hors de portée des personnes non autorisées.
  L'ogive de la balle ne peut pas être pointue. La longueur de l'ogive ne peut pas être supérieure à la moitié du diamètre de la balle.
  Le poid de la balle ne peut pas dépasser 45 grammes.
  La charge de la balle et est ??? et est conforme à la description chimique du type " pauvre en fumée ".
  Les tirs sont exclusivement effectués par des carabines de calibre 12, de calibre 16 ou par des carabines à air comprimé de calibre 4,5.
  Art. 5.32.8.3.3. L'activité de tir
  Il est toujours tiré de manière à ce que toutes les balles soient captées par le pare-balles.
  Pendant le tir, la carabine repose toujours sur le support de tir. Les tireurs non expérimentés ne peuvent tirer qu'avec application d'un affût. Le maître du tir à la carabine évalue si un tireur est expérimenté ou non-expérimenté.
  Avant le début de l'activité de tir, le bon état et le fonctionnement des pare-balles sont contrôlés par l'exploitant. En cas de doute, le tir n'a pas lieu. Si le pare-balles réagit anormalement pendant lle tir, le tir est annulé.
  Le pare-balles est toujours positionné à son point le plus haut avant le début de l'activité de tir.
  La carabine ne peut être déplacée sur le stand de tir que par le maître du tir à la carabine ou par son assistant. Le déplacement se fait toujours à l'état non chargé.
  Seuls les tireurs en train d'effectuer un tir, le maître du tir à la carabine ou ses assistants se trouvent aux abords des supports de tir.
  Il n'y a personne derrière la perche de tir pendant l'activité de tir.
  Le maître du tir à la carabine, l'assistant et chaque tireur sont obligés d'assurer que le tir à la carabine et le chargement de la carabine se font de telle manière qu'il n'y ait aucun risque pour les environs. Le tir, le chargement et le déclenchement n'ont lieu que lorsque la carabine repose sur le support de tir et que la bouche de la carabine vise au pare-balles ciblé. L'utilisation de seules les munitions de l'association est autorisée. Ces munitions sont apprêtées par le maître du tir à la carabine.
  Tant qu'il participe à l'activité de tir, un tireur ne peut pas consommer de boissons alcooliques. Chaque tireur signe le registre de tir présent ou le registre de présence avant de commencer le tir.
  Il est interdit de tirer à travers la surface formée par l'axe du support de tir et l'axe de la perche de tir correspondante.
  Les personnes chez qui une infraction aux conditions prévues dans la présente sous-section est constatées, sont punissables d'une exclusion définitive des tirs.
  Art. 5.32.8.3.4. Sécurité
  Les mesures visées au chapitre C1. Sécurité - activités régulières (au sein de l'établissement) des HLTS, sont d'application.
  Art. 5.32.8.3.5. Sons
  § 1er. Sauf indication contraire dans le permis d'environnement, les normes sonores, visées à la section 4.5, ne s'appliquent pas au tir à la carabine traditionnel.
  § 2. Les activités de tir sont uniquement autorisées entre 10 heures et 21 heures les jours ouvrables, les dimanches et jours fériés. Le nombre d'activités de tir est limité à au maximum une seule activité par semaine, à l'exclusion de cinq week-ends, pendant lesquels on peut s'entrainer ou pratiquer le tir dans le cadre de fêtes de tir ou de compétitions de tir. La durée maximale d'une activité est limitée à trois heures, à l'exclusion de cinq week-ends par an, pendant lesquels on peut s'entrainer ou pratiquer le tir dans le cadre de fêtes de tir ou de compétitions de tir. Ces week-ends sont portés à la connaissance de l'autorité de contrôle et à l'administration communale avant le début de chaque saison de tir.
  § 3. Sauf indication contraire dans le permis d'environnement, le nombre de décharges par heure est limité à 120.
  § 4. L'exploitant prend les dispositions nécessaires pour limiter la production de bruit à la source et la transmission des sons dans les environs et en fait état dans un registre. Le contrôle et les modalités de contrôle de ces mesures sont également indiqués dans le registre. L'exploitant tient le registre toujours à la disposition de l'autorité de contrôle.
  Tenant compte des meilleures techniques disponibles, les mesures privilégiées se basent sur un (ré)aménagement judicieux des sources sonores, sur un choix pour des carabines produisant peu de bruit, pour des pare-balles, de l'isolation, de l'absorption ou de la protection acoustiques.
  Art. 5.32.8.3.6. Protection du sol
  Les mesures, visées au chapitre B1. Sols - activités régulières (au sein de l'établissement, de l'HLTS) sont applicables. ".
Art. 95. In artikel 5.32.9.4.2, § 1, c, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 23 december 2011, wordt de rij :
  "
Art. 95. A l'article 5.32.9.4.2, § 1er, c, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 23 décembre 2011, la ligne :
  "
volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) mo > 2
volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) mo > 2
"
  vervangen door de rij :
  "
volume d'eau en circulation par baigneur (valeur moyenne sur les heures d'ouverture d'une journée) mo > 2
volume d'eau en circulation par baigneur (valeur moyenne sur les heures d'ouverture d'une journée) mo > 2
"
  est remplacée par la ligne :
  "
volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) mo ≥ 2
volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) mo ≥ 2
".
Volume d'eau en circulation par baigneur (valeur moyenne sur les heures d'ouverture d'une journée) mo ≥ 2
Volume d'eau en circulation par baigneur (valeur moyenne sur les heures d'ouverture d'une journée) mo ≥ 2
".
Art. 96. In artikel 5.38.0.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Tenzij het anders is vermeld in de milieuvergunning, is de constructie van gebouwen waarin springstoffen worden opgeslagen, bereid, behandeld of verwerkt, zo berekend en uitgevoerd volgens een code van goede praktijk dat de verticale wanden en muren ten aanzien van een overdruk binnen het gebouw een weerstandsvermogen hebben dat ten minste drie keer hoger ligt dan het weerstandsvermogen van de zoldering en/of het dak van het gebouw.".
Art. 96. Dans l'article 5.38.0.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le paragraphe 1er est remplacé par le texte suivant :
  " § 1er. Sauf disposition contraire stipulée dans le permis d'environnement, la construction de bâtiments dans lesquels sont stockés, préparés, traités ou transformés des explosifs, est calculée et réalisée conformément à un code de bonnes pratiques de sorte que les parois verticales et les murs ont une capacité de résistance face à une surpression à l'intérieur du bâtiment d'au moins trois fois supérieure à la capacité de résistance des plafonds et/ou du toit du bâtiment. ".
Art. 97. In artikel 5.43.2.27 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "artikel 5.43.3.25" vervangen door de zinsnede "artikel 5.43.3.25, § 1".
Art. 97. A l'article 5.43.2.27 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " article 5.43.3.25 " est remplacé par le membre de phrase " article 5.43.3.25, § 1er ".
Art. 98. In artikel 5.43.2.31 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "In afwijking van hoofdstuk 4.4 voldoet de installatie" vervangen door de woorden "De installatie voldoet".
Art. 98. A l'article 5.43.2.31 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " En dérogation au chapitre 4.4, l'installation répond " est remplacés par les mots " L'installation répond ".
Art. 99. Aan artikel 5.43.2.34, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.".
Art. 99. A l'article 5.43.2.34, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si l'analyse des coûts et rendements tient compte des points potentiels de demande de chaleur et de froid et que les rendements s'avèrent supérieurs aux coûts, il suffit que, pour ce qui est des points potentiels de demande de chaleur ou de froid, seules les options dotant l'installation de combustion de possibilités de raccordement pour le déclenchement futur de chaleur ou de froid soient appliquées. ".
Art. 100. In artikel 5.43.3.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt in de tabel na het getal "200" de zinsnede "(2)" toegevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt onder de tabel een voetnoot (2) toegevoegd, die luidt als volgt :
  "(2) Voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die minder dan 150 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 400 mg/Nmo.";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt in de tabel na het getal "200" de zinsnede "(2)" toegevoegd;
  4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt onder de tabel een voetnoot (2) toegevoegd, die luidt als volgt :
  "(2) Voor gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties die minder dan 150 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 400 mg/Nmo.".
Art. 100. A l'article 5.43.3.7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa premier, le membre de phrase " (2) " est ajouté dans le tableau après le nombre " 200 " ;
  2° Au paragraphe 1er, une note de bas de page (2), est ajoutée sous le tableau, rédigée comme suit :
  " (2) Pour les turbines à gaz et les installations à vapeur et les installations à turbines à gaz, qui sont en service pendant moins de 150 heures par an, une valeur limite d'émission de 400 mg/Nmo pour les NOx est d'application. " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " (2) " est ajouté dans le tableau après le nombre " 200 " ;
  4° au paragraphe 2, alinéa premier, une note de bas de page (2) est ajoutée en-dessous du tableau, rédigée comme suit :
  "(2) Pour les turbines à gaz et les installations à vapeur et les installations à turbines à gaz, qui sont en service pendant moins de 150 heures par an, une valeur limite d'émission de 400 mg/Nmo pour les NOx est d'application. " ;
Art. 101. Aan artikel 5.43.3.19, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.".
Art. 101. A l'article 5.43.3.19, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la phrase suivante est ajoutée :
  " Si l'analyse des coûts et rendements tient compte des points potentiels de demande de chaleur et de froid et que les rendements s'avèrent supérieurs aux coûts, il suffit que, pour ce qui est des points potentiels de demande de chaleur ou de froid, seules les options dotant l'installation de combustion de possibilités de raccordement pour le déclenchement futur de chaleur ou de froid soient appliquées. ".
Art. 102. In artikel 5.43.3.25 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 3 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De periodieke metingen, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in de volgende gevallen :
  1° voor SO2 en stof van gasturbines en gasmotoren die gestookt worden met aardgas of met ontzwaveld raffinaderijgas waarvan het zwavelgehalte minder dan 150 ppm bedraagt;
  2° voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die minder dan vijfhonderd bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn.";
  2° in paragraaf 4 wordt tussen de woorden "van het VLAREL" en de woorden "worden gebruikt" de zinsnede "of door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5)" ingevoegd;3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "Als voor de polluent emissiegrenswaarden zijn bepaald in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14, wordt," vervangen door de zinsnede "De concentratie organische stoffen in de afgassen van elke stookinstallatie wordt, als voor de polluent emissiegrenswaarden zijn bepaald in artikel 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14,".
Art. 102. A l'article 5.43.3.25 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Les mesures périodiques, visées à l'alinéa premier, ne sont pas requises dans les cas suivants :
  1° pour les SO2 et les poussières de turbines à gaz et des moteurs à gaz alimentés de gaz naturel ou de gaz de raffinerie désulfuré à teneur en soufre inférieure à 150 ppm ;
  2° pour les turbines à gaz, les moteurs à gaz et les moteurs diesel qui sont en service moins de cinq cents heures par an. " ;
  2° au paragraphe 4, le membre de phrase " ou par un expert MER agréé dans la discipline air, tel que visé à l'article 6, 1°, d), 5) " est inséré entre les mots " du VLAREL " et les mots " soient utilisées " 3° au paragraphe 5, le membre de phrase " si des valeurs limites d'émission sont définies pour le polluant à l'article 5.43.3.3 jusqu'à 5.43.3.14, " est remplacé par le membre de phrase " La concentration en substances organiques dans les gaz résiduaires de chaque installation de combustion est, si des valeurs limites d'émission sont définies pour le polluant à l'article 5.43.3.3 jusqu'à 5.43.3.14, ".
Art. 103. In artikel 5.43.3.30, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt tussen de woorden "de CEN-normen" en de woorden "De geautomatiseerde meetsystemen" de zin "Aanvullend aan de CEN-normen wordt ook de code van goede praktijk toegepast." ingevoegd.
Art. 103. A l'article 5.43.3.30, § 1er, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, la phrase "Complémentairement aux normes CEN, le code de bonne pratique est également appliqué." est insérée entre les mots " aux normes CEN " et les mots " Les systèmes de mesure automatisés ".
Art. 104. In artikel 5.43.3.33 tot en met artikel 5.43.3.35 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "in afwijking van hoofdstuk 4.4" opgeheven.
Art. 104. Aux articles 5.43.3.33 à 5.43.3.35 inclus du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " en dérogation des dispositions du chapitre 4.4 " est supprimé.
Art. 105. In artikel 5.43.3.38 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede "In afwijking van hoofdstuk 4.4 en als" vervangen door het woord "Als".
Art. 105. A l'article 5.43.3.38 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, le membre de phrase " en dérogation au chapitre 4.4 et si " est remplacé par le mot " si ".
Art. 106. Aan hoofdstuk 5.45 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een afdeling 5.45.7, die bestaat uit artikel 5.45.7.1 tot en met 5.45.7.3, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 5.45.7. Opslagplaatsen voor granen en groenvoeders in het kader van mest(co)vergistingsinstallaties.
  Art. 5.45.7.1. Opslagplaatsen voor granen en groenvoeders worden uitgerust met een vloeistofdichte vloer. De silosappen van de kuilplaat worden opgevangen en uitgereden op het land of verwijderd op een gelijkwaardige wijze. Deze verplichting geldt alleen voor inrichtingen die na 1 juli 2016 vergund zijn.
  Art. 5.45.7.2. Er worden doeltreffende maatregelen genomen om de vervuiling te beperken van het hemelwater dat afvloeit van de kuilplaat.
  Art. 5.45.7.3. De kuilplaat wordt zo geplaatst dat het risico op verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt de helling en de afvloeirichting van de vloer van de opslagplaats niet in de richting van het oppervlaktewater georiënteerd. Deze verplichting geldt alleen voor kuilplaten die na 1 juli 2016 vergund zijn.".
Art. 106. Au chapitre 5.45 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté une section 5.45.7, constituée des articles 5.45.7.1 à 5.45.7.3, rédigée comme suit :
  " Section 5.45.7. Endroits d'entreposage pour céréales et plantes fourragères dans le cadre d'installation de co-digestion d'effluents d'élevage
  Art. 5.45.7.1. Les endroits d'entreposage pour céréales et plantes fourragères sont équipés d'un sol étanche aux liquides. Les effluents de silage de la dalle d'ensilage sont collectés et épandus sur les terres ou évacués d'une manière similaire. Cette obligation s'applique uniquement aux établissements qui ont été autorisés après le 1 juillet 2016.
  Art. 5.45.7.2. Des mesures efficaces sont prises pour limiter la pollution de l'eau de pluie qui se déverse de la dalle d'ensilage.
  Art. 5.45.7.3. La dalle d'ensilage est placée de telle manière que le risque de pollution des eaux de surface est limité au maximum. Sauf indication contraire mentionnée dans le permis d'environnement, l'inclination et le sens de déversement du sol de l'endroit d'ensilage ne sont pas orientés dans la direction des eaux de surface. Cette obligation ne s'applique qu'aux dalles d'ensilage autorisées après le 1 juillet 2016. ".
Art. 107. In artikel 5.53.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 1 maart 2013, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, a) of b)" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, a), 1) of 2)".
Art. 107. A l'article 5.53.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et du 1 mars 2013, le membre de phrase " visé à l'article 6, 7°, a) ou b) " sont remplacés par le membre de phrase " visé à l'article 6, 7°, a), 1), ou 2) ".
Art. 108. In artikel 5.53.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Deze afdeling is alleen van toepassing op inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse.".
Art. 108. A l'article 5.53.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. La présente section s'applique uniquement aux établissements qui ont été classées dans la première catégorie. ".
Art. 109. Aan artikel 5.53.6.3.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 6. In afwijking van paragraaf 2 worden, voor grondwaterwinningen waarbij het grondwater door middel van één pomp of hevelsysteem uit meerdere productieputten in dezelfde watervoerende laag tegelijk wordt aangetrokken, de parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, en de parameters, vermeld in paragraaf 1, bepaald op een mengstaal per pomp of hevelsysteem.".
Art. 109. A l'article 5.53.6.3.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. Par dérogation au paragraphe 2 et dans le cas du captage d'eau souterraine, dans lequel processus les eaux souterraines sont extraites de plusieurs puits de production dans le même aquifère simultanément, les paramètres visés à l'article 5.53.4.5, et les paramètres visés au paragraphe 1er sont établis sur la base d'un échantillon mixte par pompe ou système de siphon. ".
Art. 110. In artikel 5.53.6.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en 16 mei 2014, worden de woorden "Het boren van reservegrondwaterwinningsputten is" vervangen door de zinsnede "In afwijking van artikel 5.53.2.3 is het herboren van grondwaterwinningsputten en het boren van reservegrondwaterwinningsputten".
Art. 110. A l'article 5.53.6.3.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 mai 2006 et 16 mai 2014, les mots " Des puits de captage de reserve peuvent être forés " sont remplacés par le membre de phrase " Par dérogation à l'article 5.53.2.3, des puits de captage d'eaux souterraines et des puits de captage d'eaux souterraines de réserve peuvent être forés ".
Art. 111. In artikel 5.55.1.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e)" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, a), 3), 4) of 5)".
Art. 111. A l'article 5.55.1.2, alinéa premier, du même arrêté, inséré par le arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le membre de phrase " visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e) " sont remplacés par le membre de phrase " visée à l'article 6, 7°, a), 3), 4) ou 5) ".
Art. 112. In artikel 5.59.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en 7 juni 2013, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Te dien einde berekent en controleert de exploitant jaarlijks de VOS-emissies ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen. Hij stelt jaarlijks en uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin de emissies hebben plaatsgevonden, een document op.
  Voor inrichtingen met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van minder dan of gelijk aan 100 ton, worden in het document de volgende gegevens opgenomen :
  1° een beschrijving van de inrichting, met opgave van alle nodige gegevens, relevant voor de berekening van de emissies;
  2° een overzicht van de resultaten van de metingen, uitgevoerd overeenkomstig artikel 5.59.3.1 (voor zover van toepassing);
  3° de berekening van de emissiewaarden en controle aan de in paragraaf 1 vermelde voorschriften.
  Voor inrichtingen met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 100 ton, worden in het document de volgende gegevens opgenomen :
  1° een beschrijving van de inrichting, met opgave van alle nodige gegevens, rekening houdend met de geschatte onnauwkeurigheden, relevant voor de berekening van de emissies;
  2° een overzicht van de resultaten van de metingen, uitgevoerd overeenkomstig artikel 5.59.3.1 (voor zover van toepassing);
  3° de berekening van de emissiewaarden en controle aan de voorschriften, vermeld in paragraaf 1.
  4° een overzicht van de emissiebronnen;
  5° een beschrijving van het ventilatiesysteem en het eventueel aanwezige afgasbehandelingssysteem;
  6° een overzicht van de gebruikte stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F is of zijn toegekend en van de gehalogeneerde VOS waaraan de gevarenaanduidingen H341 of H351 zijn toegekend en een overzicht van de maatregelen om deze solventen binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels te vervangen.
  De exploitant bezorgt een afschrift van dit document aan de toezichthouder of de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen wanneer die daarom verzoekt.".
Art. 112. A l'article 5.59.3.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2001 et modifié par les arrêtés du gouvernement flamand du 28 novembre 2003 et du 7 juin 2013, le paragraphe 2 est remplacé par le texte suivant :
  " § 2. A cette fin, l'exploitant procède à un calcul et à un contrôle annuels des émissions de COV dues à l'utilisation de solvants organiques. Chaque année, et au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année pendant laquelle les émissions ont eu lieu, il établit un document.
  Pour les équipements ayant une consommation annuelle de solvants inférieure ou égale à 100 tonnes, le document contient les données suivantes :
  1° une description de l'installation avec indication de toutes les données nécessaires, qui sont pertinentes pour le calcul des émissions ;
  2° un aperçu des résultats des mesures effectué conformément à l'article 5.59.3.1 (si d'application) ;
  3° le calcul des valeurs d'émission et la confrontation aux prescriptions visées au paragraphe 1er.
  Pour les équipements ayant une consommation annuelle de solvants supérieure à 100 tonnes, le document contient les données suivantes :
  1° une description de l'installation avec indication de toutes les données nécessaires, pertinentes pour le calcul des émissions, tenant compte des imprécisions estimées ;
  2° un aperçu des résultats des mesures, effectué conformément à l'article 5.59.3.1 (si d'application) ;
  3° le calcul des valeurs d'émission et la confrontation aux prescriptions visées au paragraphe 1er.
  4° un aperçu des sources d'émission ;
  5° une description du système de ventilation et du système éventuel de traitement de gaz résiduaires ;
  6° un aperçu des substances ou mélanges utilisés auxquels une ou plusieurs des mentions de danger H340, H350, H350i, H360D ou H360F a été attribuée et des COV halogénés auxquels les mentions de danger H341 ou H351 ont été attribuées et un aperçu des mesures pour remplacer ces solvants dans les meilleurs délais par des substances ou des mélanges moins nocifs.
  L'exploitant transmet une copie de ce document à l'autorité de contrôle ou à la division compétente des permis d'environnement, lorsque celles-ci en font la demande. ".
Art. 113. In artikel 5.62.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "deze afdeling" vervangen door de woorden "dit hoofdstuk".
Art. 113. A l'article 5.62.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " de la présente section " sont remplacés par les mots " du présent chapitre ".
Art. 114. In artikel 5BIS.15.5.2.1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen de zinsnede "en dergelijke meer)" en de woorden "Deze verplichting" de zin "Bij de bepaling van de BBT worden de criteria, vermeld in bijlage 3.3, in aanmerking genomen." ingevoegd.
Art. 114. A l'article 5BIS.15.5.2.1, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la phrase " Lors de la définition des MTD, les critères visés à l'annexe 3.3 sont pris en compte " sont insérés entre le membre de phrase " e.a.) " et les mots " Cette obligation ".
Art. 115. In het opschrift tussen artikel 5BIS.15.5.2.1 en artikel 5BIS.15.5.2.2 van hetzelfde besluit worden de woorden "risico- en hinderbeheersing" vervangen door de woorden "hinderbeheersing en beheersing van buiten bedrijf gestelde installaties".
Art. 115. Dans l'intitulé entre l'article 5BIS.15.5.2.1 et l'article 5BIS.15.5.2.2 du même arrêté, les mots " des risques et des nuisances " sont remplacés par les mots " des risques et des installations mises hors service ".
Art. 116. Artikel 5BIS.15.5.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.15.5.2.2. De inrichting wordt zindelijk gehouden en verkeert in goede staat van onderhoud. Telkens als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven, worden doeltreffende maatregelen genomen tegen ongedierte.".
Art. 116. L'article 5BIS.15.5.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5bis.15.5.2.2. L'établissement est maintenu dans un état propre et se trouve en bon état d'entretien. Chaque fois que les circonstances le demandent, des mesures efficaces contre la vermine sont prises. ".
Art. 117. Artikel 5BIS.15.5.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 en 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.15.5.2.3. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 5BIS.15.5.2.1 treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om :
  1° de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer;
  2° de lekkage van gefluoreerde broeikasgassen te voorkomen of tot een minimum te beperken. De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen in motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL. In afwijking daarvan is een persoon vrijgesteld van de erkenningsverplichting op voorwaarde dat hij in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, en dat de terugwinning uitgevoerd wordt onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  § 2. Op de inrichting is voldoende parkeerruimte om alle wagens die hersteld moeten worden of die afgewerkt zijn, te parkeren. Bovendien is er ook voldoende parkeerruimte voor de bezoekers. De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegenis is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden. De hele inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimte en de wegenis worden regelmatig grondig gereinigd. De in- en uitrit voor voertuigen zijn voldoende breed om gevaarlijke verkeerssituaties te vermijden.".
Art. 117. L'article 5BIS.15.5.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 et du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.15.5.2.3. § 1er. Sans préjudice de l'article 5BIS.15.5.2.1, l'exploitant en tant que personne normalement attentive prend toutes les mesures nécessaires pour :
  1° ne pas gêner le voisinage par les odeurs, les fumées, les poussières, le bruit, les vibrations, les rayons non ionisants, la lumière, e.a. ;
  2° prévenir ou réduire au minimum les fuites de gaz à effet de serre fluorés. La récupération des gaz à effet de serre fluorés dans des véhicules à moteur relevant du champ d'application de l'article 1 du règlement (CE) n° 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certaines catégories de véhicules à moteur, ne peut être effectuée que par un technicien agréé pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur visés à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. Par dérogation à cette disposition, une personne est dispensée de l'obligation d'agrément, à condition qu'elle soit en possession d'un certificat d'inscription pour une formation en vue d'obtenir le certificat visé à l'article 17/5, 2° du VLAREL et que la récupération est effectuée sous la surveillance d'un technicien agréé pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur. Cette dispense est valable pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'inscription à la formation et échoit si la personne obtient un agrément de technicien pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur visés à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  § 2. L'équipement dispose de suffisamment de places de stationnement pour les véhicules qui doivent être réparés ou achevés. Il y a également suffisamment de places de stationnement pour les visiteurs. La largeur, la stabilité et l'entretien de la voirie sont tels que la sécurité routière est garantie dans toutes les conditions météorologiques. L'ensemble de l'équipement, y compris l'entrée et la sortie, les places de stationnement et la voirie sont régulièrement nettoyées en profondeur. L'entrée et la sortie des véhicules sont d'une largeur suffisante pour éviter des situations de circulation dangereuses. ".
Art. 118. Artikel 5BIS.15.5.2.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.15.5.2.4. Bij hinder treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om die toestand te verhelpen.".
Art. 118. L'article 5BIS.15.5.2.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.15.5.2.4. En cas de nuisances, l'exploitant doit immédiatement prendre les mesures nécessaires pour remédier à cette situation. ".
Art. 119. Artikel 5BIS.15.5.2.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.15.5.2.5. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen en bijzondere milieuvoorwaarden worden de installaties of onderdelen ervan die definitief buiten bedrijf zijn gesteld, binnen 36 maanden na de buitengebruikstelling zo aangepast dat schade aan het milieu of hinder en risico's uitgesloten zijn.".
Art. 119. L'article 5BIS.15.5.2.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 mars 2008 et du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5bis.15.5.2.5. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales et de conditions environnementales particulières, les équipements ou parties de ceux-ci qui ont été définitivement mis hors service, sont adaptés dans un délai de 36 mois après leur mise hors service de façon à exclure des dommages à l'environnement ou des nuisances et des risques. ".
Art. 120. Artikel 5BIS.15.5.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Informatieplicht.
  Art. 5BIS.15.5.2.6. § 1. De exploitant verschaft de toezichthouders op eenvoudig verzoek de hem bekende relevante gegevens over de grondstoffen, producten, afvalstromen of emissies die in de inrichting gebruikt en voortgebracht worden.
  § 2. Als de toezichthouder ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid van de gegevens kan hij door een daarvoor erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, van het VLAREL, op kosten van de exploitant, monsternames, metingen en analyses laten uitvoeren van de bedoelde grondstoffen, producten, afvalstromen of emissies. De exploitant wordt op voorhand schriftelijk op de hoogte gebracht van de gemotiveerde beslissing van de toezichthouder.".
Art. 120. L'article 5BIS.15.5.2.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Obligation d'information.
  Art. 5BIS.15.5.2.6. § 1er. L'exploitant fournit aux autorités de contrôle, sur simple demande, les données pertinentes à sa connaissance, sur les matières premières, les produits, les flux de déchets ou les émissions utilisés et produits dans l'établissement.
  § 2. Si l'autorité de contrôle a des raisons sérieuses de douter de l'exhaustivité ou de l'exactitude des données, elle peut faire exécuter par un laboratoire agréé à cet effet, tel que visé à l'article 6, 5° du VLAREL, des échantillonnages, des mesures et des analyses des matières premières, produits, flux de déchets ou émissions concernés, aux frais de l'exploitant. L'exploitant est informé au préalable par écrit de la décision motivée de l'autorité de contrôle. ".
Art. 121. Artikel 5BIS.15.5.2.7 en 5BIS.15.5.2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.15.5.2.7. Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
  Art. 5BIS.15.5.2.8. Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of wegens een andere oorzaak uitvallen, of als om een andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte.".
Art. 121. L'article 5BIS.15.5.2.7 et l'article 5BIS.15.5.2.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.15.5.2.7. Tous les documents et données qui, en application du présent arrêté, doivent être fournis à l'autorité, sont mis à la disposition de la représentation des travailleurs au sein du conseil d'entreprise et du comité pour la prévention et la protection au travail. En l'absence de ces deux organes, les documents et les données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
  Art. 5BIS.15.5.2.8. Si les installations techniques de dépollution d'un établissement sont à l'arrêt en raison de pannes ou pour une autre cause, ou si, pour une toute autre raison, les normes d'émission ou d'immission sont dépassées, l'exploitant en informe l'autorité de contrôle sans délai. ".
Art. 122. Artikel 5BIS.15.5.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van 21 maart 2012, wordt opgeheven.
Art. 122. L'article 5BIS.15.5.2.11 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du 21 mars 2012, est abrogé.
Art. 123. Aan afdeling 5BIS.15.5.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een rubriek "Risicobeheersing", die bestaat uit artikel 5BIS.15.5.2.18 tot en met 5BIS.15.5.2.22, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Risicobeheersing
  Art. 5BIS.15.5.2.18. § 1. De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.
  Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet :
  1° hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, een waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;
  2° hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;
  3° hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen.
  De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.
  De brandbestrijdingsmiddelen verkeren in een goede staat, zijn beschermd tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren.
  § 2. De exploitant kan op elk moment aan de toezichthouders aantonen dat hij in de nodige maatregelen heeft voorzien.
  Art. 5BIS.15.5.2.19. § 1. Bij een voorval of bij de onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen.
  § 2. De exploitant doet zo spoedig mogelijk, en met gebruikmaking van de meest passende middelen, melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  § 3. Bij een voorval waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.
  Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.
  Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.
  Art. 5BIS.15.5.2.20. Met behoud van de toepassing van artikel 5BIS.15.5.2.19, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving :
  1° de algemene gegevens over de exploitant;
  2° het tijdstip, de aard, de omstandigheden en de oorzaken van het voorval;
  3° de betrokken producten;
  4° de beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;
  5° de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen.
  De exploitant gebruikt voor de informatieverstrekking, vermeld in het eerste lid, het formulier, opgenomen in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.
  Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  Art. 5BIS.15.5.2.21. Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en conform de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.
  De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.
  Art. 5BIS.15.5.2.22. Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.
  De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.".
Art. 123. A la section 5BIS.15.5.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté une rubrique intitulée " Maîtrise des risques ", constituée des articles 5BIS.15.5.2.18 à 5BIS.15.5.2.22 inclus, rédigée comme suit :
  " Maîtrise des risques
  Art. 5bis.15.5.2.18. § 1er. L'exploitant prévoit les mesures nécessaires pour prévenir des incidents et les conséquences qui en résultent pour l'homme et l'environnement ou pour les réduire au minimum.
  Cela signifie entre autres que l'exploitant :
  1° prévoit les mesures nécessaires pour éviter que les substances accidentellement dispersées ou des eaux d'extinction polluées sont directement évacuées dans les eaux souterraines, les égouts publics, un cours d'eau ou toute sorte de collecte d' eaux de surface ;
  2° Il prévoit les mesures nécessaires de prévention contre l'incendie ;
  3° il prévoit les mesures nécessaires de détection, d'urgence et d'intervention.
  L'exploitant règle l'organisation de la lutte contre l'incendie, les moyens de lutte contre l'incendie et la capacité de captage des eaux d'extinction polluées conformément à un code de bonnes pratiques et consulte les pompiers compétents dans ce cadre.
  Les moyens de lutte contre l'incendie se trouvent dans un bon état, sont protégés contre le gel, signalisés de façon efficace, facilement accessibles, judicieusement répartis et doivent pouvoir être utilisés immédiatement.
  § 2. L'exploitant peut à tout moment démontrer aux autorités qu'il a prévu les mesures nécessaires.
  Art. 5BIS.15.5.2.19. § 1er. En cas d'incident ou de menace imminente, l'exploitant prend immédiatement les mesures nécessaires pour contenir et maîtriser l'incident afin d'en réduire les conséquences pour l'homme et l'environnement au minimum et de prévenir d' éventuels autres incidents.
  § 2. L'exploitant notifie l'incident et les mesures prises et envisagées à la division chargée du maintien environnemental sans délai, en utilisant les moyens les plus adéquats.
  § 3. En cas d'incident, l'exploitant avertit les tierces parties qui pourraient être affectées par les émissions, en indiquant les mesures qu'elles peuvent prendre pour écarter la menace ou en atténuer les conséquences.
  L'alinéa premier ne s'applique pas si les prescriptions, établies par le gouvernement fédéral dans le cadre de la protection civile s'appliquent.
  Si le fonctionnement d'une station d'épuration des eaux usées risque d'être négativement impacté par l'effet de l'incident, l'exploitant en informe en plus le gestionnaire de l'installation concernée sans délai.
  Art. 5BIS.15.5.2.20. Sans préjudice de l'application de l'article 5BIS.15.5.2.19, § 2, l'exploitant transmet les informations suivantes à la division compétente pour le maintien environnemental et ce, dans les meilleurs délais :
  1° les données générales concernant l'exploitant ;
  2° la date, la nature, les circonstances et les causes de l'incident ;
  3° les produits concernés ;
  4° les données disponibles sur la base desquelles les conséquences de l'incident pour l'homme et l'environnement peuvent être évaluées ;
  5° les mesures qui ont été prises pour contenir et maîtriser l'incident.
  Pour la transmission des informations visée à l'alinéa premier, l'exploitant utilise le formulaire repris à l'annexe 4.1.12, ou un autre support contenant les mêmes informations.
  Si un examen plus approfondi révèle de nouvelles données susceptibles de modifier les informations fournies ou les conclusions qui en ont été tirées, l'exploitant procède à la miseà jour de ces informations et les transmet à la division chargée du maintien environnemental.
  Art. 5BIS.15.5.2.21. Après un incident, l'exploitant prend les mesures nécessaires au nettoyage et à la réparation de l'environnement en fonction des conséquences qui peuvent se manifester, soit immédiatement, soit après un certain temps et conformément à la réglementation applicable.
  L'exploitant informe la division chargée du maintien environnemental, des mesures prévues et informe la division de leur mise en oeuvre.
  Art. 5BIS.15.5.2.22. Après un incident, l'exploitant prend les mesures nécessaires afin d'éviter que l'incident se reproduise.
  L'exploitant informe la division chargée du maintien environnemental, des mesures prévues et informe la division de leur mise en oeuvre. ".
Art. 124. In artikel 5BIS.15.5.3.1, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt in de tabel de rij
  "
Art. 124. Dans le tableau à l'article 5BIS.15.5.3.1, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, dans le tableau, la rangée
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
"
  vervangen door de volgende rij :
  "
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
"
  est remplacée par la rangée suivante :
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruikmaken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruikmaken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
".
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kg hermétiquement closes et qui sont étiquetées comme étant hermétiquement closes. Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kg hermétiquement closes et qui sont étiquetées comme étant hermétiquement closes. Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
" .
Art. 125. In artikel 5BIS.15.5.3.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt in de tabel de rij
  "
Art. 125. Dans le tableau à l'article 5BIS.15.5.3.1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, la rangée
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Periodieke lekdichtheidscontrole door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)
 Bepaling van het "relatief lekverlies" door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Periodieke lekdichtheidscontrole door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)Bepaling van het "relatief lekverlies" door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
"
  vervangen door de volgende rij :
  "
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)
 Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
"
  est remplacée par la rangée suivante :
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruikmaken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Periodieke lekdichtheidscontrole door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)
 Bepaling van het "relatief lekverlies" door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruikmaken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Periodieke lekdichtheidscontrole door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)Bepaling van het "relatief lekverlies" door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
".
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kg hermétiquement closes et qui sont étiquetées comme étant hermétiquement closes. Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)
 Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des installations de refroidissement contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kg hermétiquement closes et qui sont étiquetées comme étant hermétiquement closes. Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
" .
Art. 126. In artikel 5BIS.15.5.4.5.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt paragraaf 1 opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " § 1. De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de betreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.".".
Art. 126. A l'article 5BIS.15.5.4.5.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le paragraphe 1er est restauré dans la lecture suivante :
  " § 1er. Les travaux suivants aux installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ne peuvent être effectués que par un technicien frigoriste agréé visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL, qui est en possession d'un certificat pour la catégorie correspondante :
  1° installation, entretien, réparation et mise hors service ;
  2° contrôles d'étanchéité des équipements de réfrigération tels que visés à l'article 4 du règlement (UE) no 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  3° récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service d'équipements frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, l'éxploitation dans laquelle le technicien frigoriste travaille est agréée comme exploitation de refroidissement, telle que visée à l'article 6, 7°, b), du VLAREL.
  L'alinéa premier ne s'applique pas, en ce qui concerne les équipements frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'inscription pour une formation en vue d'obtenir le certificat de la catégorie concernée, visée à l'article 17/1, 2°, du VLAREL, à condition qu'elle effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien frigoriste agréé titulaire d'un certificat de la catégorie concernée et qui assume l'entière responsabilité de la bonne exécution des travaux. Cette dispense de obligation d'agrément est autorisée pendant une période maximale de deux ans à compter de la date d'inscription pour la formation et échoit si la personne obtient un agrément comme technicien frigoriste pour la catégorie concernée, telle que visée à l'article 6, 2°, e) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  Le premier alinéa ne s'applique pas à une personne qui exerce les activités aux installations de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés mais non pas des substances appauvrissant la couche d'ozone et qui satisfait à la condition, prévue à l'article 3, alinéa 3, du règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification de personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, ainsi que de systèmes de réfrigération de wagons réfrigérants et remorques réfrigérantes qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés, ainsi que pour la certification d'entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui récupère des substances appauvrissant la couche d'ozone mais non pas de gaz à effet de serre fluorés à partir d'installations de réfrigération ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de trois kilogrammes, à condition que la personne ait suivi une formation appropriée et qu'elle puisse en attester par un diplôme ou un certificat. La formation porte au minimum sur les aspects énumérés à l'annexe au règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067, relative à la récupération de substances appauvrissant la couche d'ozone. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée en soumet une preuve.
  Le premier alinéa ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les lieux d'établissement du fabricant pour des installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés. ". ".
Art. 127. In artikel 5BIS.15.5.4.5.5, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de woorden "of gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "en op koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg mits dergelijke installaties als hermetisch afgesloten zijn geëtiketteerd".
Art. 127. A l'article 5BIS.15.5.4.5.5, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les mots " ou de gaz à effet de serre fluorés " sont remplacés par le membre de phrase " et équipements frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, sauf les équipements de réfrigération hermétiquement clos contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kilogrammes, pour autant que ces équipements soient étiquetés comme étant hermétiquement clos. ".
Art. 128. In artikel 5BIS.15.5.4.5.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006".
Art. 128. A l'article 5BIS.15.5.4.5.6, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " article 3 du règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés " est remplacé par le membre de phrase " article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ".
Art. 129. In artikel 5BIS.15.5.4.5.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan punt 1° worden de zinnen "Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;" toegevoegd;
  2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
  "4° de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;";
  3° punt 7° tot en met 9° worden vervangen door wat volgt :
  "7° significante periodes van buitenbedrijfstelling;
  8° indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
  9° de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder 1° tot en met 8° en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;";
  4° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "10° indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder 9° bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.".
Art. 129. A l'article 5BIS.19.8.4.8.7, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, les phrases " Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés en tant que réfrigérant, la capacité nominale de liquide réfrigérant est exprimée tant en unités métriques qu'en tonnes d'équivalent CO2. 1° au point 1°, les phrases " Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés en tant que réfrigérant, la capacité nominale de liquide réfrigérant est exprimée tant en unités métriques qu'en tonnes d'équivalent CO2.
  2° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° la quantité de liquide réfrigérant ajouté à une installation de réfrigération et les pertes relatives par fuite après chaque remplissage ; " ;
  3° les points 7° à 9° inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " 7° les périodes significatives de mise hors service ;
  8° si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever le réfrigérant ;
  9° le nom et le prénom, ainsi que, si d'application, le numéro de certificati de la personne qui a effectué les travaux et les observations visés aux points 1° à 8° inclus et, si d'application, le nom et le numéro de certificat de l'entreprise employant la personne ; " ;
  4° il est ajouté un point 10°, rédigé comme suit :
  " 10° Si d'application, une attestation délivrée par la personne visée au 9°, en ce qui concerne les opérations qu'elle a effectuées. ".
Art. 130. In het opschrift van artikel 5BIS.15.4.8.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "gevaarlijke vloeistoffen" en de woorden "in vaste ondergrondse houders" de woorden "en brandbare vloeistoffen" ingevoegd.
Art. 130. Dans l'intitulé de l'article 5BIS.15.4.8.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " et liquides inflammables " sont insérés entre les mots " liquides dangereux " et les mots " dans des récipients fixes souterrains ".
Art. 131. In artikel 5BIS.15.4.8.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "voorwaarden van subafdeling 5.17.4.2" en de woorden "zijn onverminderd van toepassing" de woorden "en subafdeling 5.6.1.2" ingevoegd.
Art. 131. A l'article 5BIS.15.4.8.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, les mots " et de la sous-section 5.6.1.2 " sont insérés entre les mots " conditions de la sous-section 5.17.4.2 " et les mots " s'appliquent sans préjudice ".
Art. 132. In het opschrift van artikel 5BIS.15.4.8.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "gevaarlijke vloeistoffen" en de woorden "in vaste bovengrondse houders" de woorden "en brandbare vloeistoffen" ingevoegd.
Art. 132. Dans l'intitulé de l'article 5BIS.15.4.8.11 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " et liquides inflammables " sont insérés entre les mots " liquides dangereux " et les mots " dans des récipients fixes en surface ".
Art. 133. In artikel 5BIS.15.4.8.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "voorwaarden van subafdeling 5.17.4.3" en de woorden "zijn onverminderd van toepassing" de woorden "en subafdeling 5.6.1.3" ingevoegd.
Art. 133. A l'article 5BIS.19.8.4.11.du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, les mots " et de la sous-section 5.6.1.3 " sont insérés entre les mots " conditions de la sous-section 5.17.4.3 " et les mots " s'appliquent sans préjudice ".
Art. 134. Artikel 5BIS.19.8.2.1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen de zinsnede "en dergelijke meer)" en de woorden "Deze verplichting" de zin "Bij de bepaling van de BBT worden de criteria, vermeld in bijlage 3.3, in aanmerking genomen." ingevoegd.
Art. 134. A l'article 5BIS.19.8.2.1, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la phrase " Lors de la définition des MTD, les critères visés à l'annexe 3.3 sont pris en compte " est insérée entre le membre de phrase " e.a.) " et les mots " Cette obligation ".
Art. 135. In het opschrift tussen artikel 5BIS.19.8.2.1 en artikel 5BIS.19.8.2.2 van hetzelfde besluit worden de woorden "risico- en hinderbeheersing" vervangen door de woorden "hinderbeheersing en beheersing van buiten bedrijf gestelde installaties".
Art. 135. Dans l'intitulé entre l'article 5BIS.19.8.2.1 et de l'article 5BIS.19.8.2.2 du même arrêté, les mots " des risques et des nuisances " sont remplacés par les mots " des nuisances et d'installations mises hors service ".
Art. 136. Artikel 5BIS.19.8.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.19.8.2.2. De inrichting wordt zindelijk gehouden en verkeert in goede staat van onderhoud. Telkens als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven, worden doeltreffende maatregelen genomen tegen ongedierte.".
Art. 136. L'article 5BIS.19.8.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.19.8.2.2. L'établissement est maintenu dans un état propre et se trouve en bon état d'entretien. Chaque fois que les circonstances le demandent, des mesures efficaces contre la vermine sont prises. ".
Art. 137. Artikel 5BIS.19.8.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.19.8.2.3. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 5BIS.19.8.2.1 treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.
  § 2. Er is ook voldoende parkeerruimte voor de bezoekers. De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegenis is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden. De hele inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimte en de wegenis worden regelmatig grondig gereinigd. De in- en uitrit voor voertuigen zijn voldoende breed om gevaarlijke verkeerssituaties te vermijden.".
Art. 137. L'article 5BIS.19.8.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.19.8.2.3. § 1er. Sans préjudice de l'article 5BIS.19.8.2.1, l'exploitant en tant que personne normalement attentive prend toutes les mesures nécessaires pour ne pas gêner le voisinage par des nuisances dues à l'odeur, aux fumées, à la poussière, au bruit, aux vibrations, aux rayonnements non ionisants, à la lumière etc.
  § 2. Il y a aussi suffisamment de places de stationnement pour les visiteurs. La largeur, la stabilité et l'entretien de la voirie sont tels que la sécurité routière est garantie dans toutes les conditions météorologiques. L'ensemble de l'équipement, y compris l'entrée et la sortie, les places de stationnement et la voirie sont régulièrement nettoyées en profondeur. L'entrée et la sortie des véhicules sont d'une largeur suffisante pour éviter des situations de circulation dangereuses. ".
Art. 138. Artikel 5BIS.19.8.2.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.19.8.2.4. Bij hinder treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om die toestand te verhelpen.".
Art. 138. L'article 5BIS.19.8.2.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 5BIS.19.8.2.4. En cas de nuisances, l'exploitant doit immédiatement prendre les mesures nécessaires pour remédier à cette situation. ".
Art. 139. Artikel 5BIS.19.8.2.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.19.8.2.5. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen en bijzondere milieuvoorwaarden, worden de installaties of onderdelen ervan die definitief buiten bedrijf zijn gesteld, binnen 36 maanden na de buitengebruikstelling zo aangepast dat schade aan het milieu of hinder en risico's uitgesloten zijn.".
Art. 139. L'article 5BIS.19.8.2.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du gouvernement flamand du 7 mars 2008 et du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.19.8.2.5. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales et d'exigences environnementales particulières, les installations ou des composantes de celles-ci qui ont été définitivement mis hors service, sont adaptés de telle façon que les dommages à l'environnement et des nuisances et des risques sont exclus et ce, dans les 36 mois après la mise hors service. ".
Art. 140. Artikel 5BIS.19.8.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Informatieplicht.
Art. 140. L'article 5BIS.19.8.2.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Devoir d'information.
Art. 5BIS.19.8.2.6. § 1. De exploitant verschaft de toezichthouders op eenvoudig verzoek de hem bekende relevante gegevens over de grondstoffen, producten, afvalstromen of emissies, die in de inrichting gebruikt en voortgebracht worden.
  § 2. Als de toezichthouder ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid van de gegevens, kan hij door een daarvoor erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, van het VLAREL, op kosten van de exploitant, monsternames, metingen en analyses laten uitvoeren van de bedoelde grondstoffen, producten, afvalstromen of emissies. De exploitant wordt op voorhand schriftelijk op de hoogte gebracht van de gemotiveerde beslissing van de toezichthouder.".
Art. 5BIS.19.8.2.6. § 1er. L'exploitant fournit aux autorités de contrôle sur simple demande les données pertinentes dont il a connaissance concernant les matières premières, les produits, les flux de déchets ou les émissions utilisés et produits dans l'établissement.
  § 2. Si l'autorité de contrôle a des raisons sérieuses de douter de l'exhaustivité ou de l'exactitude des données, il peut faire exécuter par un laboratoire agréé à cet effet, tel que visé à l'article 6, 5°, du VLAREL et aux frais de l'exploitant, des prélèvements d'échantillons, des mesurages et des analyses des matières, premières, produits, flux de déchets ou émissions visés. L'exploitant est informé au préalable par écrit de la décision motivée de l'autorité de contrôle. ".
Art. 141. Artikel 5BIS.19.8.2.7 en artikel 5BIS.19.8.2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden vervangen door wat volgt :
  "Art. 5BIS.19.8.2.7. Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ook ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
  Art. 5BIS.19.8.2.8. Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of wegens een andere oorzaak uitvallen, of als om een andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte.".
Art. 141. L'article 5BIS.19.8.2.7 et l'article 5BIS.19.8.2.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 juin 2013, sont remplacés par ce qui suit :
  " Art. 5BIS.19.8.2.7. Tous les documents et données qui doivent être fournis à l'autorité, en application du présent arrêté, doivent également être mis à la disposition de la représentation des travailleurs dans le conseil d'entreprise ainsi qu'au comité pour la prévention et la protection au travail. A défaut de ces deux organes, les documents et les données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
  Art. 5BIS.19.8.2.8. Si les installations techniques de dépollution d'un établissement sont à l'arrêt en raison de pannes ou pour une autre cause, ou si, pour une toute autre raison, les normes d'émission ou d'immission sont dépassées, l'exploitant en informe l'autorité de contrôle sans délai. ".
Art. 142. Artikel 5BIS.19.8.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van 23 december 2011, wordt opgeheven.
Art. 142. L'article 5BIS.19.8.2.11 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du 23 décembre 2011, est abrogé.
Art. 143. Aan afdeling 5BIS.19.8.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een rubriek "Risicobeheersing", die bestaat uit artikel 5BIS.19.8.2.18 tot en met 5BIS.19.8.2.22, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Risicobeheersing.
  Art. 5BIS.19.8.2.18. § 1. De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.
  Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet :
  1° hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;
  2° hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;
  3° hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen.
  De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.
  De brandbestrijdingsmiddelen verkeren in een goede staat, zijn beschermd tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren.
  § 2. De exploitant kan op elk moment aan de toezichthouders aantonen dat hij in de nodige maatregelen heeft voorzien.
  Art. 5BIS.19.8.2.19. § 1. Bij een voorval of bij onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken, en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen.
  § 2. De exploitant doet zo spoedig mogelijk, en met gebruikmaking van de meest passende middelen, melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  § 3. Bij een voorval waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.
  Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.
  Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.
  Art. 5BIS.19.8.2.20. Met behoud van de toepassing van artikel 5BIS.19.8.2.19, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving :
  1° algemene gegevens over de exploitant;
  2° het tijdstip, de aard, de omstandigheden en de oorzaken van het voorval;
  3° de betrokken producten;
  4° de beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;
  5° de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen.
  De exploitant gebruikt daarvoor het formulier, opgenomen in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.
  Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  Art. 5BIS.19.8.2.21. Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en conform de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.
  De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.
  Art. 5BIS.15.19.8.2.22. Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.
  De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.".
Art. 143. A la section 5BIS.19.8.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, une rubrique intitulée " Maîtrise des risques ", constituée des articles 5BIS.19.8.2.18 jusqu'à 5BIS.19.8.2.22 inclus, est ajoutée, rédigée comme suit :
  " Maîtrise des risques.
  Art. 5BIS.19.8.2.18. § 1er. L'exploitant prévoit les mesures nécessaires pour prévenir des incidents et les conséquences qui en résultent pour l'homme et l'environnement ou pour les réduire au minimum.
  Cela signifie entre autres que l'exploitant :
  1° prévoit les mesures nécessaires pour éviter que des substances accidentellement dispersées ou des eaux d'extinction polluées sont directement évacuées dans les eaux souterraines, dans les égouts publics ou dans toute autre collecte des eaux de surface ;
  2° prévoit toutes les mesures de prévention des incendies ;
  3° prévoit les mesures de détection, d'urgence et d'intervention nécessaires.
  L'exploitant règle l'organisation de la lutte contre l'incendie, les moyens de lutte contre l'incendie et la capacité de captage des eaux d'extinction polluées conformément à un code de bonnes pratiques et consulte les pompiers compétents dans ce cadre.
  Les moyens de lutte contre l'incendie se trouvent dans un bon état, sont protégés contre le gel, signalisés de façon efficace, facilement accessibles, judicieusement répartis et doivent pouvoir être utilisés immédiatement.
  § 2. L'exploitant peut à tout moment démontrer aux autorités de contrôle qu'il a prévu les mesures nécessaires.
  Art. 5BIS.19.8.2.19. § 1er. Dans le cas d'un incident ou d'une menace imminente de celui-ci, l'exploitant prend immédiatement les mesures nécessaires pour réduire au minimum les conséquences pour l'homme et l'environnement, et pour éviter d'éventuels autres incidents.
  § 2. L'exploitant notifie l'incident et les mesures prises et envisagées à la division chargée du maintien environnemental sans délai, en utilisant les moyens les plus adéquats.
  § 3. En cas d'incident, l'exploitant avertit les tierces parties qui pourraient être affectées par les émissions, en indiquant les mesures qu'elles peuvent prendre pour écarter la menace ou en atténuer les conséquences.
  L'alinéa premier ne s'applique pas si les prescriptions, établies par le gouvernement fédéral dans le cadre de la protection civile s'appliquent.
  Si le fonctionnement d'une station d'épuration des eaux usées risque d'être négativement impacté par l'effet de l'incident, l'exploitant en informe en plus le gestionnaire de l'installation concernée sans délai.
  Art. 5BIS.19.8.2.20. Sans préjudice de l'application de l'article 5BIS.19.8.2.19, § 2, l'exploitant ne tarde pas à transmettre les informations suivantes à la division compétente du maintien environnemental en cas d'incidents :
  1° des informations générales sur l'exploitant ;
  2° la date, la nature, les circonstances et les causes de l'incident ;
  3° les produits concernés ;
  4° les données disponibles sur la base desquelles les conséquences de l'incident pour l'homme et l'environnement peuvent être évaluées ;
  5° les mesures qui ont été prises pour contenir et maîtriser l'incident.
  L'exploitant utilise à cette fin le formulaire figurant à l'annexe 4.1.12, ou un autre support d'information contenant les mêmes informations.
  Si un examen plus approfondi révèle de nouvelles données susceptibles de modifier les informations fournies ou les conclusions qui en ont été tirées, l'exploitant procède à la mise à jour de ces informations et les transmet à la division chargée du maintien environnemental.
  Art. 5BIS.19.8.2.21. Après un incident, l'exploitant prend les mesures nécessaires au nettoyage et à la réparation de l'environnement en fonction des conséquences qui peuvent se manifester, soit immédiatement, soit après un certain temps et ce, conformément à la réglementation applicable.
  L'exploitant informe la division chargée du maintien environnemental, des mesures prévues et informe la division de leur mise en oeuvre.
  Art. 5BIS.15.19.8.2.22. Après un incident, l'exploitant prend les mesures nécessaires pour éviter que l'incident ne se reproduise.
  L'exploitant informe la division chargée du maintien environnemental, des mesures prévues et informe la division de leur mise en oeuvre. ".
Art. 144. In artikel 5BIS.19.8.3.1, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt in de tabel de rij
  "
Art. 144. A l'article 5BIS.19.8.3.1, § 3, du même décret, inséré par le décret du gouvernement flamand du 15 septembre 2006 modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, dans le tableau, la ligne
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
"
  vervangen door de volgende rij :
  "
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
"
  est remplacée par la rangée suivante :
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Per koelinstallatie moet op een goed toegankelijke plaats een instructiekaart aanwezig zijn (artikel 5.16.3.3, § 8, 1° )Per koelinstallatie wordt een installatiegebonden logboek bijgehouden in de nabijheid van de koelinstallatie (artikel 5.16.3.3, § 8, 2° )
".
Réfrigération, ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 3 kg ou plus qui utilisent des substances ozonlaagafbrekende frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés et ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des hermétiquement clos de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ozonlaagafbrekende ou avec des substances ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant est inférieure à 6 kg et qui sont étiquetés comme hermétiquement clos Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )
 Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
Réfrigération, ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 3 kg ou plus qui utilisent des substances ozonlaagafbrekende frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés et ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des hermétiquement clos de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ozonlaagafbrekende ou avec des substances ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant est inférieure à 6 kg et qui sont étiquetés comme hermétiquement clos Pour chaque installation de refroidissement, il faut une carte d'instruction à un endroit facilement accessible (article 5.16.3.3, § 8, 1° )Pour chaque installation de refroidissement, un carnet de bord de l'installation doit être conservé à proximité de l'installation de refroidissement (article 5.16.3.3, § 8, 2° )
" .
Art. 145. In artikel 5BIS.19.8.3.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt in de tabel de rij
  "
Art. 145. A l'article 5 bis.19.8.3.1, § 4, du même décret, inséré par le décret du gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, dans le tableau, la ligne
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Periodieke lekdichtheidscontrole door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)
 Bepaling van het "relatief lekverlies" door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen Periodieke lekdichtheidscontrole door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)Bepaling van het "relatief lekverlies" door bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
"
  vervangen door de volgende rij :
  "
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)
 Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
Installations de refroidissement avec un fluide frigorigène nominal de 3kg ou plus utilisant des substances décomposant l'ozone et/ou des gaz à effet de serre fluorés Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
"
  est remplacée par la rangée suivante :
  "
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Periodieke lekdichtheidscontrole door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)
 Bepaling van het "relatief lekverlies" door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
Koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer die gebruik maken van ozonlaagafbrekende stoffen en koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd de hermetisch afgesloten koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of met ozonlaagafbrekende stoffen met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg en die als hermetisch afgesloten geëtiketteerd zijn Periodieke lekdichtheidscontrole door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 7)Bepaling van het "relatief lekverlies" door een bevoegd koeltechnicus (artikel 5.16.3.3, § 6)
".
Réfrigération, ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 3 kg ou plus qui utilisent des substances ozonlaagafbrekende frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés et ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des hermétiquement clos de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ozonlaagafbrekende ou avec des substances ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant est inférieure à 6 kg et qui sont étiquetés comme hermétiquement clos Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)
 Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
Réfrigération, ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 3 kg ou plus qui utilisent des substances ozonlaagafbrekende frigorifiques qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés et ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, à l'exception des hermétiquement clos de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ozonlaagafbrekende ou avec des substances ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant est inférieure à 6 kg et qui sont étiquetés comme hermétiquement clos Contrôle périodique d'étanchéité par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 7)Fixation de la " perte relative de fuite " par un technicien spécialisé en froid (article 5.16.3.3, § 6)
" .
Art. 146. In artikel 5BIS.19.8.4.8.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt paragraaf 1 opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " § 1. De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen moet het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend zijn als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de activiteit. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de betreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.".".
Art. 146. L'article 5 bis.19.8.4.8.4 du même décret, inséré par le décret du gouvernement flamand du 15 septembre 2006 modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, paragraphe 1 repris dans la prochaine lecture :
  " § 1er. Les tâches suivantes aux gaz à effet de serre fluorés ou les équipements frigorifiques fixes ozonlaagafbrekende substances ne peuvent être effectués par un technicien frigoriste agréé visé à l'article 6, 2°, e) du vlarel en possession d'un certificat pour la catégorie correspondante :
  1° installation, entretien, réparation et mise hors service ;
  2° contrôles d'étanchéité des équipements de réfrigération tels que visés à l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  3° récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service des équipements frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, l'entreprise employant le technicien frigoriste, doit être agréée comme exploitation de refroidissement, telle que visée à l'article 6, 7°, b), du VLAREL.
  L'alinéa premier ne s'applique pas, en ce qui concerne les installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement d'une formation en vue d'obtenir le certificat de la catégorie, prévue à l'article 17/1, 2°, du VLAREL, à condition qu'il effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien frigoriste agréé qui est titulaire d'un certificat de la catégorie concernée et qui assume l'entière responsabilité de la bonne exécution de l'action. Cette dispense de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une période maximale de deux ans à compter de la date d'inscription pour la formation et échoit si la personne obtient un agrément comme technicien frigoriste pour la catégorie concernée, telle que visée à l'article 6, 2°, e) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui exerce les activités aux installations de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés mais non pas des substances appauvrissant la couche d'ozone et qui satisfait à la condition, prévue à l'article 3, alinéa 3, du règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification de personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, ainsi que de systèmes de réfrigération de wagons réfrigérants et remorques réfrigérantes qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés, ainsi que pour la certification d'entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui récupère des substances appauvrissant la couche d'ozone mais non pas de gaz à effet de serre fluorés à partir d'installations de réfrigération ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de trois kilogrammes, à condition que la personne ait suivi une formation appropriée et qu'elle puisse en attester par un diplôme ou un certificat. La formation porte au minimum sur les aspects énumérés à l'annexe au règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067, relative à la récupération de substances appauvrissant la couche d'ozone. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée en soumet une preuve.
  Le premier alinéa ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les lieux d'établissement du fabricant pour des installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés. ". ".
Art. 147. In artikel 5BIS.19.8.4.8.5, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de woorden "of gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "en op koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van 5 ton CO2-equivalent of meer, uitgezonderd hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 6 kg mits dergelijke installaties als hermetisch afgesloten zijn geëtiketteerd.".
Art. 147. A l'article 5BIS.19.8.4.8.5, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les mots " ou de gaz à effet de serre fluorés " sont remplacés par le membre de phrase " et aux installations de réfrigération contenant des gaz à effet de serre ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de 5 tonnes équivalent CO2 ou plus, sauf aux installations de réfrigération hermétiquement closes contenant des gaz à effet de serre fluorés ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de 10 tonnes équivalent CO2 ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant inférieure à 6 kilogrammes, pour autant que ces installations soient étiquetées comme étant hermétiquement closes. ".
Art. 148. In artikel 5BIS.19.8.4.8.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen" vervangen door de zinsnede "artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006".
Art. 148. A l'article 5BIS.19.8.4.8.6, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés " est remplacé par le membre de phrase " article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ".
Art. 149. In artikel 5BIS.19.8.4.8.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan punt 1° worden de zinnen "Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf" toegevoegd;
  2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
  "4° de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling;";
  3° punt 7° tot en met 9° worden vervangen door wat volgt :
  "7° significante periodes van buitenbedrijfstelling;
  8° indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen;
  9° de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder 1° tot en met 8° en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;";
  4° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "10° indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder 9° bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.".
Art. 149. A l'article 5BIS.19.8.4.8.7, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, les phrases " Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés en tant que réfrigérant, la capacité nominale de liquide réfrigérant est exprimée tant en unités métriques qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait état dans le journal de bord avec mention du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération " sont ajoutées ;
  2° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° la quantité de liquide réfrigérant ajoutée à une installation de réfrigération et les pertes relatives par fuite après chaque remplissage ; " ;
  3° les points 7° à 9° inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " 7° les périodes significatives de mise hors service ;
  8° si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et enlever le réfrigérant ;
  9° le nom et le prénom, ainsi que, si d'application, le numéro de certificati de la personne qui a effectué les travaux et les observations visés aux points 1° à 8° inclus et, si d'application, le nom et le numéro de certificat de l'entreprise employant la personne ; " ;
  4° il est ajouté un point 10°, rédigé comme suit :
  " 10° Si d'application, une attestation délivrée par la personne visée au 9°, en ce qui concerne les opérations qu'elle a effectuées. ".
Art. 150. In het opschrift van artikel 5BIS.19.8.4.11.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "gevaarlijke vloeistoffen" en de woorden "in vaste ondergrondse houders" de woorden "en brandbare vloeistoffen" ingevoegd.
Art. 150. Dans l'intitulé de l'article 5BIS.19.8.4.11.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " et liquides inflammables " sont insérés entre les mots " liquides dangereux " et les mots " dans des récipients fixes souterrains ".
Art. 151. In artikel 5BIS.19.8.4.11.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "voorwaarden van subafdeling 5.17.4.2" en de woorden "zijn onverminderd van toepassing" de woorden "en subafdeling 5.6.1.2" ingevoegd.
Art. 151. A l'article 5BIS.19.8.4.11.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, les mots " et de la sous-section 5.6.1.2 " sont insérés entre les mots " conditions de la sous-section 5.17.4.2 " et les mots " s'appliquent sans préjudice ".
Art. 152. In het opschrift van artikel 5BIS.19.8.4.11.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "gevaarlijke vloeistoffen" en de woorden "in vaste bovengrondse houders" de woorden "en brandbare vloeistoffen" ingevoegd.
Art. 152. Dans l'intitulé de l'article 5BIS.19.8.4.11.11 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, les mots " et liquides inflammables " sont insérés entre les mots " liquides dangereux " et les mots " dans des récipients fixes en surface ".
Art. 153. In artikel 5BIS.19.8.4.11.11, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden tussen de woorden "voorwaarden van subafdeling 5.17.4.3" en de woorden "zijn onverminderd van toepassing" de woorden "en subafdeling 5.6.1.3" ingevoegd.
Art. 153. A l'article 5BIS.19.8.4.11.11, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et du 16 mai 2014, les mots " et de la sous-section 5.6.1.3 " sont insérés entre les mots " conditions de la sous-section 5.17.4.3 " et les mots " s'appliquent sans préjudice ".
Art. 154. Aan artikel 6.1.0.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° voor de bepalingen over de beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken :
  - artikel 1 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging.".
Art. 154. A l'article 6.1.0.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
  " 9° en ce qui concerne les dispositions relatives à la maîtrise des émissions de poussières lors de travaux de construction, de démolition et d'infrastructure :
  - l'article 1er de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique. ".
Art. 155. Aan artikel 6.2.2.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet er vanaf een geloosd debiet van 20 m3/d bovendien een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden. In die toelating kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.".
Art. 155. A l'article 6.2.2.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Pour le rejet d'eaux usées domestiques provenant d'une installation sanitaire temporaire placée à l'extérieur aux abords d'un établissement accessible au public, on doit en plus obtenir une autorisation expresse et écrite de l'exploitant de l'installation de traitement des eaux usées à partir d'un débit déversé de 20 m3/j. Dans cette autorisation, des conditions supplémentaires peuvent être imposées, en vue du fonctionnement optimal du système d'égouts en aval, y compris des déversoirs d'orage présents et de l'installation d'épuration d'eaux d'égout. .
Art. 156. In artikel 6.2.2.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.
  Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht en voldoet de lozing aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.2.4.1, § 1.".
Art. 156. A l'article 6.2.2.3.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le paragraphe 2 est remplacé par le texte suivant :
  " § 2. Les rejets dans la zone extérieure à optimaliser collectivement sont censés être conformes aux conditions visées au paragraphe 1er, lorsque les eaux usées sont au minimum épurées au moyen d'une installation de prétraitement individuelle, construite et exploitée conformément au code de bonnes pratiques.
  Pour les rejets des effluents domestiques provenant de plus de dix installations sanitaires temporaires qui sont placées à l'extérieur, aux abords d'un établissement accessible au public, les eaux usées sont au minimum épurées au moyen d'une installation de traitement individuelle dont la capacité est en rapport avec la charge polluée qui est est acheminée et le rejet satisfait aux conditions énumérées à l'article 6.2.2.4.1, § 1er. ".
Art. 157. In artikel 6.4.0.1, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt de zinsnede "4.4.2.bis, 16° " vervangen door de zinsnede"4.4.2,15° ".
Art. 157. A l'article 6.4.0.1, § 1er, alinéa deux, 4°, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 juin 2013 et 16 mai 2014, le membre de phrase " 4.4.2 bis, 16° " est remplacé par le membre de phrase " 4.4.2, 15° ".
Art. 158. In het opschrift van hoofdstuk 6.5 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "waterinhoud" vervangen door het woord "inhoud".
Art. 158. Dans l'intitulé du chapitre 6.5 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le terme " capacité d'eau " est remplacé par le mot " capacité ".
Art. 159. In artikel 6.5.1.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord "waterinhoud" vervangen door het woord "inhoud".
Art. 159. A l'article 6.5.1.1 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le terme " capacité d'eau " est remplacé par le mot " capacité ".
Art. 160. In artikel 6.5.4.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "erkende technicus" telkens vervangen door de woorden "erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen".
Art. 160. A l'article 6.5.4.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " technicien agréé " sont chaque fois remplacés par les mots " technicien agréé ou un expert en écologie dans la discipline réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses ".
Art. 161. In artikel 6.5.4.3, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden tussen de woorden "de erkende technicus" en de woorden "op de houder" de woorden "of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen" ingevoegd.
Art. 161. A l'article 6.5.4.3, premier alinéa, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " ou un expert en écologie dans la discipline réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses " sont insérés entre les mots " technicien agréé " et le mot " appose ".
Art. 162. In artikel 6.5.4.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden tussen de woorden "de erkende technicus" en de woorden "aan de eigenaar" de woorden "of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen" ingevoegd.
Art. 162. A l'article 6.5.4.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " ou un expert en écologie dans la discipline réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses " sont insérés entre les mots " technicien agréé " et les mots " délivre au propriétaire ".
Art. 163. In artikel 6.5.5.3, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "erkende technicus" worden telkens vervangen door de woorden "erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen";
  2° aan het vijfde lid worden de volgende zinnen toegevoegd :
  "Het verlenen van een oranje merkplaat is eenmalig voor de vastgestelde gebreken, met andere woorden de oranje merkplaat wordt, afhankelijk van het al dan niet voldoen van de voorheen vastgestelde gebreken aan de bepalingen van dit hoofdstuk, gevolgd door een groene of rode merkplaat.
  In afwijking van het tweede lid kan deze overgangsperiode van zes maanden door de deskundige of erkend technicus uitzonderlijk verlengd worden voor maatregelen die niet binnen de zes maanden uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen en termijnen worden in dit geval schriftelijk vastgelegd. De deskundige of erkend technicus volgt de implementatie van de maatregelen verder op en beslist of frequentere tussentijdse controles op de betrokken houder en de installatie nodig zijn. Indien na afloop van de overgangsperiode de initieel vastgestelde gebreken niet verholpen werden, krijgt de houder en de installatie een rode klever of plaat.";
  3° in het zesde lid wordt de zin "Een rode merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk." vervangen door de zin "Een rode merkplaat betekent dat de opslaginstallatie niet voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk of dat volgend op een periode van maximaal zes maanden met oranje merkplaat nog altijd dezelfde gebreken aan de houder en de installatie worden vastgesteld.".
Art. 163. A l'article 6.5.5.3, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 avril 2009 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " technicien agréé " sont chaque fois remplacés par les mots " technicien agréé ou un expert en écologie dans la discipline réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses " ;
  2° à l'alinéa cinq, les phrases suivantes sont ajoutées :
  " Une plaquette orange n'est octroyée qu'une seule fois en raison des défauts constatés, en d'autres termes, la plaquette orange est suivie par une plaquette verte ou rouge, selon que les défauts antérieurement constatés répondent aux dispositions du présent chapitre.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa deux, cette période de transition de six mois peut à titre exceptionnel être rallongée par l'expert ou le technicien agréé pour les mesures qui ne peuvent pas être mises en oeuvre dans les six mois. Les mesures et les délais sont dans ce cas consignés par écrit. L'expert ou le technicien agréé suit la mise en oeuvre des mesures et décide si des contrôles intermédiaires plus fréquents du réservoir et de l'installation concernés sont nécessaires. Si, après l'expiration de la période de transition, les défauts initialement constatés n'ont pas été remédiés, une étiquette ou plaquette rouge est apposée au réservoir et à l'installation. " ;
  3° à l'alinéa six, la phrase " Une plaquette rouge signifie que l'installation de stockage ne satisfait pas aux dispositions de ce chapitre. " est remplacée par la phrase " Une plaquette rouge signifie que l'installation de stockage ne satisfait pas aux dispositions de ce chapitre ou qu'après une période d'au maximum six mois pendant laquelle le réservoir et l'installation ont été munis d'une plaquette orange, les mêmes défauts y sont toujours constatés. ".
Art. 164. In artikel 6.5.7.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden tussen de woorden "de erkende technicus" en de woorden "Deze opslaginstallaties" de woorden "of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen" ingevoegd.
Art. 164. A l'article 6.5.7.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " ou un expert en écologie dans la discipline réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses " sont insérés entre les mots " technicien agréé " et les mots " Ces installations de stockage ".
Art. 165. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt hoofdstuk 6.8, dat bestaat uit artikel 6.8.0 tot en met artikel 6.8.3, vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk 6.8. Niet-ingedeelde installaties met betrekking tot gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen
  Afdeling 6.8.1. - Niet-ingedeelde stationaire koelinstallaties
  Art. 6.8.1.1. De volgende werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van koelinstallaties als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de koeltechnicus werkt, erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de betreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die de werkzaamheden uitvoert aan koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen maar geen ozonlaagafbrekende stoffen bevatten, en die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram, op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.".
  Art. 6.8.1.2. Dit artikel is van toepassing op vast opgestelde koelinstallaties die gebruikmaken van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500 W of minder.
  Het is verboden chloorfluorkoolstoffen en halonen aan te wenden in of voorhanden te houden voor koelinstallaties.
  De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, worden uitgevoerd conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.
  De voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° en 3°, en § 4 tot en met § 8, gelden ook voor de koelinstallaties, vermeld in dit artikel .
  Art. 6.8.1.3. Voor niet-ingedeelde stationaire koelinstallaties gelden de voorwaarden, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°.
  Afdeling 6.8.2. - Niet-ingedeelde stationaire brandbeveiligingsapparatuur
  Art. 6.8.2.1. De volgende werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° controles op lekkage van brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  3° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.
  Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen moet het bedrijf waar de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur werkt, erkend zijn als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/2, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen.".
  Afdeling 6.8.3. - Niet-ingedeelde elektrische schakelinrichtingen
  Art. 6.8.3.1. De volgende werkzaamheden aan elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL :
  1° installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
  2° terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/3, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de werkzaamheden uitgevoerd worden onder toezicht van een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen.
  Het eerste lid is tot 1 juli 2017 niet van toepassing voor de installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen en voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars.
  Afdeling 6.8.4. - Niet-ingedeelde stationaire apparatuur die oplosmiddelen bevat
  Art. 6.8.4.1. De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen, vermeld in artikel 17/4, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de terugwinning uitgevoerd wordt onder toezicht van een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
  Afdeling 6.8.5. - Niet-ingedeelde klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen
  Art. 6.8.5.1. De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat de terugwinning uitgevoerd wordt onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.".
Art. 165. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, le chapitre 6.8, constitué des articles 6.8.0 à 6.8.3 inclus, est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 6.8. Installations non classées en ce qui concerne les gaz à effet de serre fluorés ou substances appauvrissant la couche d'ozone
  " Section 6.8.1. Installations de réfrigération fixes non classées
  Art. 6.8.1.1. Les travaux suivants aux installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ne peuvent être effectués que par un technicien frigoriste agréé, tel que visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL, qui est en possession d'un certificat pour la catégorie correspondante :
  1° installation, entretien, réparation et mise hors service ;
  2° contrôles d'étanchéité des équipements de réfrigération tels que visés à l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 et à l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  3° récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service d'installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, l'entreprise dans laquelle le technicien frigoriste travaille est agréée comme exploitation de refroidissement, telle que visée à l'article 6, 7°, b), du VLAREL.
  L'alinéa premier ne s'applique pas, en ce qui concerne les installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'inscription pour une formation en vue d'obtenir le certificat de la catégorie correspondante, visée à l'article 17/1, 2°, du VLAREL, à condition qu'elle effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien frigoriste agréé titulaire d'un certificat de la catégorie correspondante et qui assume l'entière responsabilité de la bonne exécution des travaux. Cette dispense de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une période maximale de deux ans à compter de la date d'inscription pour la formation et échoit si la personne obtient un agrément comme technicien frigoriste pour la catégorie concernée, telle que visée à l'article 6, 2°, e) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  Le premier alinéa ne s'applique pas à la personne qui effectue les travaux à des installations de réfrigération contenant des gaz à effet de serre fluorés mais non pas des substances appauvrissant la couche d'ozone et qui répond à la condition énoncée à l'article 3, alinéa 3, du règlement d'exécution (UE) no 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification de personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, ainsi que de systèmes de réfrigération dans les wagons réfrigérants et remorques réfrigérantes contenant des gaz à effet de serre fluorés, ainsi que pour la certification d'entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui récupère des substances appauvrissant la couche d'ozone mais non pas de gaz à effet de serre fluorés à partir d'installations de réfrigération ayant une capacité nominale de liquide réfrigérant de moins de trois kilogrammes, à condition que la personne ait suivi une formation appropriée et qu'elle puisse en attester par un diplôme ou un certificat. La formation porte au minimum sur les aspects énumérés à l'annexe au règlement d'exécution (UE) n° 2015/2067, relative à la récupération de substances appauvrissant la couche d'ozone. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée en soumet une preuve.
  L'alinéa premier ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées dans les lieux d'établissement du fabricant en ce qui concerne les installations de réfrigération fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés. ".
  Art. 6.8.1.2. Le présent article s'applique à des installations de réfrigération fixes utilisant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone. Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux systèmes de réfrigération hermétiquement closes d'une force motrice égale ou inférieure à 500 W.
  Il est interdit d'utiliser ou de stocker des chlorofluorocarbones et des halons pour les installations de réfrigération.
  Les opérations, précédant la mise en service d'une installation de réfrigération, sont effectuées conformément aux dispositions de la norme EN 378 ou d'un code de bonne pratique équivalent.
  Les conditions visées à l'article 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° et 3°, et § 4 à § 8, s'appliquent également aux installations de réfrigération visées dans le présent article.
  Art. 6.8.1.3. Pour les installations de réfrigération fixes non classées, les conditions visées à l'article 5.16.3.3, § 3, 4° s'appliquent.
  Section 6.8.2. - Equipements fixes de protection contre l'incendie non classés
  Art. 6.8.2.1. Les travaux suivants aux équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ne peuvent être effectués que par un technicien agréé pour les équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f), du VLAREL :
  1° installation, entretien, réparation et mise hors service ;
  2° les contrôles d'étanchéité des équipements de protection contre l'incendie, visés à l'article 4 du règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le Règlement (CE) n° 842/2006 et l'article 23 du règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif aux substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3° récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone.
  Pour l'installation, l'entretien, la réparation ou la mise hors service d'équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, l'entreprise où travaille le technicien pour les équipements de protection contre l'incendie, doit être agréée comme entreprise d'équipements de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 6, 7°, c), du VLAREL.
  Le premier alinéa ne s'applique pas, en ce qui concerne les équipements de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement pour une formation en vue d'obtenir le certificat visé à l'article 17/2, 2°, du VLAREL, à condition qu'elle effectue les travaux sous la surveillance d'un technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date de l'inscription en vue de la formation et prend fin lorsque la personne obtient un agrément comme technicien d'équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  Le premier alinéa ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées aux lieux d'établissement du fabricant en ce qui concerne les réservoirs ou les composantes associées d'équipements fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés. ".
  Section 6.8.3. - Appareils de commutation électrique non classés
  Art. 6.8.3.1. Les travaux suivants sur les appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ne peuvent être effectués que par un technicien agréé pour les appareils de commutation électrique visés à l'article 6, 2°, g) du VLAREL :
  1° installation, entretien, réparation et mise hors service ;
  2° récupération des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement pour une formation en vue d'obtenir le certificat, visé à l'article 17/3, 2°, du VLAREL, à condition que les travaux soient réalisés sous la surveillance d'un technicien agréé pour appareils de commutation électrique qui assume l'entière responsabilité de la bonne exécution des travaux. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'inscription en vue de la formation et prend fin lorsque la personne obtient un agrément comme technicien d'appareils de commutation électrique, tel que visé à l'article 6, 2°, g) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  L'alinéa premier ne s'applique pas non plus aux activités de fabrication et de réparation effectuées aux lieux d'établissement du fabricant en ce qui concerne les appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés.
  L'alinéa premier ne s'applique pas jusqu'au 1 juillet 2017 pour l'installation, l'entretien, la réparation et la mise hors service d'appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés, ainsi que pour la récupération des gaz à effet de serre fluorés en provenance d'appareils de commutation électrique autres que les commutateurs de haute tension.
  Section 6.8.4. - Les équipements fixes non classéscontenant des solvants
  Art. 6.8.4.1. La récupération des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone en provenance d'équipements fixes contenant des solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone, ne peut être effectuée que par un technicien agréé pour les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 6, 2°, h) du VLAREL.
  L'alinéa premier n'est pas applicable en ce qui concerne les équipements fixes contenant des solvants à base de gaz à effet de serre fluorés, à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement en vue d'une formation pour obtenir le certificat, visé à l'article 17/4, 2°, du VLAREL, à condition que la récupération soit effectuée sous la surveillance d'un technicien agréé pour les équipements contenant des solvants. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'inscription pour la formation et prend fin si la personne obtient un agrément comme technicien pour les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 6, 2°, h) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne concernée produit une attestation d'inscription.
  Section 6.8.5. - Equipements de climatisation non classés installés dans certains véhicules à moteur
  Art. 6.8.5.1. La récupération de gaz à effet de serre fluorés provenant d'équipements de climatisation installés dans certains véhicules à moteur relevant du champ d'application, visé à l'article 1er du règlement (CE) n° 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certaines catégories de véhicules à moteur, ne peut être effectuée que par un technicien agréé pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 6, 2°, i) du VLAREL.
  L'alinéa premier ne s'applique pas à une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement pour une formation en vue d'obtenir le certificat visé à l'article 17/5, 2°, du VLAREL, à condition que la récupération soit effectuée sous la surveillance d'un technicien agréé pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Cette exemption de l'obligation d'agrément est autorisée pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'enregistrement pour la formation et prend fin si la personne obtient un agrément comme technicien pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. A la demande de l'autorité de contrôle compétente, la personne intéressée présente une attestation d'inscription.".
Art. 166. In artikel 6.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, a)".
Art. 166. A l'article 6.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le membre de phrase " visé à l'article 6, 7° " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6, 7° a) ".
Art. 167. Artikel 6.11.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 6.11.1. Met behoud van de toepassing van het Veldwetboek, het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet Natuurbehoud van 21 oktober 1997, is de verbranding in open lucht van welke stoffen ook verboden, behalve als het gaat om :
  1° het maken van vuur in open lucht in bos- en natuurgebieden, als beheermaatregel wanneer afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is. Die activiteit mag pas plaatsvinden als de gemeentelijke overheid schriftelijke toestemming heeft gegeven of als die activiteit als beheermaatregel is opgenomen in een goedgekeurd beheerplan of vergund door het Agentschap voor Natuur en Bos zoals voorzien in het Bosdecreet en het decreet Natuurbehoud;
  2° de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van eigen bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is;
  3° de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van landschapselementen, als afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is;
  4° de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen als dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is;
  5° het verbranden van droog onbehandeld hout bij het maken van een kampvuur;
  6° het verbranden van droog onbehandeld hout of een vaste fossiele brandstof in een sfeerverwarmer;
  7° het verbranden van dierlijk afval, in overeenstemming met de bepalingen, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgewerkte producten. Die activiteit mag pas plaatsvinden met schriftelijke toestemming van de toezichthouder;
  8° het verbranden van droog brandbaar materiaal, met uitzondering van afvalstoffen, droog onbehandeld hout en onversierde kerstbomen in het kader van folkloristische evenementen. Die activiteit mag pas plaatsvinden als de gemeentelijke overheid schriftelijke toestemming heeft gegeven en de activiteit op een afstand van meer dan 100 meter van bewoning plaatsvindt;
  9° de verbranding in open lucht, met uitzondering van afvalstoffen, in het kader van blusoefeningen, uitgevoerd door de brandweer van een gemeente, regio of bedrijf of door de civiele bescherming.".
Art. 167. L'article 6.11.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 6.11.1. Sans préjudice de l'application du Code rural, du Décret forestier du 13 juin 1990 et du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, l'incinération à l'air libre de substances, quelles qu'elles soient, sont également interdites, sauf dans les cas suivants :
  1° le feu en plein air dans des espaces forestiers et naturels, allumé comme mesure de gestion lorsque le traitement sur place des déchets de biomasse n'est pas possible. Cette activité ne peut avoir lieu que si les autorités municipales ont donné leur autorisation écrite ou si cette activité a été reprise comme mesure de gestion dans un plan de gestion approuvé ou autorisé par l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", comme prévu au Décret forestier et au Décret concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
  2° l'incinération à l'air libre de déchets végétaux provenant des propres activités agricoles, lorsque l'évacuation ou le traitement sur place des déchets issus de la biomasse n'est pas possible ;
  3° l'incinération à l'air libre de déchets végétaux provenant de l'entretien d'éléments paysagers, lorsque l'évacuation ou le traitement sur place des déchets issus de la biomasse n'est pas possible ;
  4° l'incinération à l'air libre des déchets végétaux lorsque celle-ci s'impose d'un point de vue phytosanitaire ;
  5° l'incinération de bois sec non traité en guise de feu de camp ;
  6° l'incinération de bois sec non traité ou d'un combustible fossile dans un chauffage d'ambiance ;
  7° l'incinération des déchets animaux, conformément aux dispositions visées à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 juin 2013 en matière de sous-produits animaux et produits dérivés. Cette activité ne peut avoir lieu que moyennant l'assentiment écrit de l'autorité de contrôle ;
  8° l'incinération de matériaux combustibles secs, à l'exception de déchets, de de bois sec non traité et de sapins de Noël non garnis dans le cadre de manifestations folkloriques. Cette activité ne peut avoir lieu que si les autorités municipales ont donné leur assentiment écrit et que l'activité a lieu à une distance de plus de 100 mètres des habitations ;
  9° l'incinération à l'air libre, à l'exception de déchets, dans le cadre d'exercices d'extinction d'incendie, effectués par les pompiers d'une commune, d'une région ou d'une entreprise ou par la protection civile. ".
Art. 168. Aan deel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een hoofdstuk 6.12, dat bestaat uit artikel 6.12.1 tot en met 6.12.8, toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Hoofdstuk 6.12. Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken
  Art. 6.12.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in openlucht die worden uitgevoerd door een aannemer.
  Art. 6.12.2. De uitvoerder van de werken neemt de nodige maatregelen om stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken zo laag mogelijk te houden.
  Art. 6.12.3. De uitvoerder van de werken neemt maatregelen om de stofemissies die afkomstig zijn van breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen en slopen, te voorkomen. Daarvoor neemt de uitvoerder van de werken, rekening houdend met de lokale situatie, minstens een van de volgende maatregelen, voor zover ze realiseerbaar zijn rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften en met de veiligheid van gebruikers van de openbare weg :
  1° de afscherming van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd, met doeken of zeilen zodat stofverspreiding naar de omgeving wordt voorkomen;
  2° de beneveling van de locatie waar de activiteiten worden uitgevoerd;
  3° de bevochtiging ter hoogte van de apparatuur die leidt tot stofvorming;
  4° het gebruik van een rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.
  Dit artikel is niet van toepassing op werven waarvan de totale duur van de werken minder dan een dag bedraagt.
  Art. 6.12.4. Bij sloopwerkzaamheden onder droge weersomstandigheden of bij wind die tot visueel waarneembare stofverspreiding aanleiding geeft, wordt, voor zover dit verenigbaar is met de veiligheidsvoorschriften en met de veiligheid van gebruikers van de openbare weg, in een verneveling of andere vorm van bevochtiging voorzien om stofverspreiding naar de omgeving te voorkomen. Uitgezonderd zijn de sloopwerkzaamheden die minder dan een dag duren.
  Art. 6.12.5. Technische installaties die stofemissies veroorzaken en installaties voor de reductie van stofemissies worden onderhouden en gecontroleerd om stofemissies te voorkomen. Stoffilters worden tijdig vervangen om de goede werking ervan te verzekeren.
  Art. 6.12.6. Op bouwwerven rijden voertuigen niet sneller dan 20 kilometer per uur, zodat het opwaaien van stof wordt beperkt. Bij wegwerkzaamheden rijden voertuigen met een brutogewicht van 3500 kg of meer niet sneller dan 30 kilometer per uur en voertuigen met een brutogewicht van minder dan 3500 kg niet sneller dan 40 kilometer per uur, zodat het opwaaien van stof wordt beperkt.
  Art. 6.12.7. De uitvoerder van de werken stelt voor het eigen personeel en het personeel van derden procedures en instructies ter beschikking voor het transport, laden en lossen van stuivende stoffen en voor sloopwerken, breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen en zagen. Die procedures en instructies bevatten minstens de relevante elementen die worden vermeld in bijlage 6.12.
  Art. 6.12.8. De uitvoerder van de werken moet vanaf 1 januari 2017 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 6.12.2. tot en met artikel 6.12.7.".
Art. 168. A la partie 6 du même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté un chapitre 6.12, comprenant les articles 6.12.1 à 6.12.8 inclus, rédigés comme suit :
  " Chapitre 6.12. Maîtrise des émissions de poussière au cours des travaux de construction, de démolition et d'infrastructure
  Art. 6.12.1. Le présent chapitre s'applique à tous les travaux de construction, de démolition et d'infrastructure à l'extérieur effectués par un entrepreneur.
  Article 6.12.2. L'exécutant des travaux prend les mesures nécessaires afin de réduire au minimum les émissions de poussière au cours de travaux de construction, de démolition et d'infrastructure.
  Article 6.12.3. L'exécutant des travaux prend des mesures pour prévenir les émissions de poussière provenant des travaux de casse, de sablage, de polissage, de meulage, de perçage, de fraisage, de sciage et de démolition. A cette fin et tenant compte de la situation locale, l'exécutant des travaux prend au moins une des mesures suivantes, pour autant qu'elles sont réalisables eu égard aux consignes de sécurité et à la sécurité des usagers de la voie publique :
  1° la protection de l'endroit où les activités sont exécutées, avec des bâches ou voiles de sorte que la dispersion des poussières dans l'environnement soit évitée ;
  2° la pulvérisation de l'endroit où les activités sont exécutées ;
  3° l'humidification à hauteur de l'équipement générant des poussières ;
  4° l'utilisation d'une aspiration de la poussière directe sur les massettes, polisseuses, disqueuses, perceuses, fraiseuses et ponceuses.
  Le présent article ne s'applique pas aux chantiers, dont la durée totale des travaux est inférieure à une journée.
  Art. 6.12.4. Au cours de travaux de démolition par temps sec ou par temps de vent entraînant une dispersion de poussière visuellement perceptible, une pulvérisation ou une autre forme d'humidification est prévue afin d'éviter une dispersion de poussière dans les environs, dans la mesure où cela est compatible avec les consignes de sécurité et la sécurité des usagers de la voie publique. Les travaux de démolition durant moins d'une journée y font exception.
  Art. 6.12.5. Les installations techniques productrices d'émissions de poussière et les installations visant à réduire les émissions de poussière sont entretenues et contrôlées afin de prévenir des émissions de poussière. Les filtres de poussière sont remplacés ponctuellement afin d'en assurer le bon fonctionnement.
  Art. 6.12.6. La vitesse des véhicules sur les chantiers de construction ne dépasse pas les 20 km/heure afin de limiter la dispersion de poussière. Dans le cas de travaux de voirie la vitesse des véhicules d'un poids brut de 3 500 kg ou plus ne dépasse pas 30 km/heure et celle des véhicules d'un poids brut inférieur à 3 500 kg ne dépasse pas 40 kilomètres par heure afin de réduire la dispersion de poussière.
  Art. 6.12.7. L'exécutant des travaux met à la disposition de son propre personnel et du personnel de tiers des procédures et instructions pour le transport, le chargement et le déchargement de substances poussiéreuses et pour les travaux de démolition, de casse, de sablage, de polissage, de meulage, de perçage, de fraisage et de sciage. Ces procédures et instructions comprennent au minimum les éléments pertinents énumérés à l'annexe 6.12.
  Art. 6.12.8. L'exécutant des travaux doit, à partir du 1 janvier 2017, satisfaire aux obligations visées aux articles 6.12.2 à l'article 6.12.7. inclus ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijlagen van titel II van het VLAREM
CHAPITRE 2. - Modifications aux annexes du titre II du VLAREM
Art. 169. In bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3, § 1, wordt het schema vervangen door wat volgt :
  "
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-08-2016, p. 57771)
  2° aan artikel 3, § 3, 2°, (4), wordt de zinsnede ", met een minimum van één keer per jaar" toegevoegd;
  3° aan artikel 3, § 3, 2°, (7), wordt de zinsnede ", met een minimum van 1 keer per jaar" toegevoegd;
  4° aan artikel 3, § 3, 2°, (13), worden de woorden "en er wordt een nieuwe controlemeting uitgevoerd" toegevoegd;
  5° in artikel 4, § 1, worden de rijen
  "
Art. 169. A l'annexe 4.2.5.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'article 3, § 1er, le schéma est remplacé par ce qui suit :
  "
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-08-2016, p. 57892)
  2° à l'article 3, § 3, 2°, (4), le membre de phrase ", avec un minimum d'une fois par an " est ajouté ;
  3° à l'article 3, § 3, 2°, (7) le membre de phrase ", avec un minimum d'1 fois par an " est ajouté ;
  4° à l'article 3, § 3, 2°, (13), les mots " et une nouvelle mesure de contrôle est effectuée " sont ajoutés ;
  5° à l'article 4, § 1er, les lignes :
  "
antimoon 20 µg/l 30 % WAC/III/B
arseen 15 µg/l 30 % WAC/III/B
barium 10 µg/l 30 % WAC/III/B
boor 200 µg/l 30 % WAC/III/B
cadmium 2 µg/l 30 % WAC/III/B
chroom 10 µg/l 30 % WAC/III/B
fosfor 150 µg/l 30 % WAC/III/B
ijzer 50 µg/l 30 % WAC/III/B
kobalt 10 µg/l 30 % WAC/III/B
koper 25 µg/l 30 % WAC/III/B
kwik 0,25 µg/l 40 % WAC/III/B
lood 25 µg/l 30 % WAC/III/B
mangaan 20 µg/l 30 % WAC/III/B
molybdeen 20 µg/l 30 % WAC/III/B
nikkel 10 µg/l 30 % WAC/III/B
seleen 5 µg/l 30 % WAC/III/B
tin 40 µg/l 30 % WAC/III/B
titanium 20 µg/l 30 % WAC/III/B
zilver 10 µg/l 30 % WAC/III/B
zink 25 µg/l 30 % WAC/III/B
antimoon 20 µg/l 30 % WAC/III/Barseen 15 µg/l 30 % WAC/III/Bbarium 10 µg/l 30 % WAC/III/Bboor 200 µg/l 30 % WAC/III/Bcadmium 2 µg/l 30 % WAC/III/Bchroom 10 µg/l 30 % WAC/III/Bfosfor 150 µg/l 30 % WAC/III/Bijzer 50 µg/l 30 % WAC/III/Bkobalt 10 µg/l 30 % WAC/III/Bkoper 25 µg/l 30 % WAC/III/Bkwik 0,25 µg/l 40 % WAC/III/Blood 25 µg/l 30 % WAC/III/Bmangaan 20 µg/l 30 % WAC/III/Bmolybdeen 20 µg/l 30 % WAC/III/Bnikkel 10 µg/l 30 % WAC/III/Bseleen 5 µg/l 30 % WAC/III/Btin 40 µg/l 30 % WAC/III/Btitanium 20 µg/l 30 % WAC/III/Bzilver 10 µg/l 30 % WAC/III/Bzink 25 µg/l 30 % WAC/III/B
"
  vervangen door wat volgt :
  "
antimoine 20 µg/l 30 % WAC/III/B
arsenic 15 µg/l 30 % WAC/III/B
baryum 10 µg/l 30 % WAC/III/B
bore 200 µg/l 30 % WAC/III/B
cadmium 2 µg/l 30 % WAC/III/B
chrome 10 µg/l 30 % WAC/III/B
phosphore 150 µg/l 30 % WAC/III/B
fer 50 µg/l 30 % WAC/III/B
cobalt 10 µg/l 30 % WAC/III/B
cuivre 25 µg/l 30 % WAC/III/B
mercure 0,25 µg/l 40 % WAC/III/B
plomb 25 µg/l 30 % WAC/III/B
manganèse 20 µg/l 30 % WAC/III/B
molybdène 20 µg/l 30 % WAC/III/B
nickel 10 µg/l 30 % WAC/III/B
sélénium 5 µg/l 30 % WAC/III/B
étain 40 µg/l 30 % WAC/III/B
titane 20 µg/l 30 % WAC/III/B
argent 10 µg/l 30 % WAC/III/B
zinc 25 µg/l 30 % WAC/III/B
antimoine 20 µg/l 30 % WAC/III/Barsenic 15 µg/l 30 % WAC/III/Bbaryum 10 µg/l 30 % WAC/III/Bbore 200 µg/l 30 % WAC/III/Bcadmium 2 µg/l 30 % WAC/III/Bchrome 10 µg/l 30 % WAC/III/Bphosphore 150 µg/l 30 % WAC/III/Bfer 50 µg/l 30 % WAC/III/Bcobalt 10 µg/l 30 % WAC/III/Bcuivre 25 µg/l 30 % WAC/III/Bmercure 0,25 µg/l 40 % WAC/III/Bplomb 25 µg/l 30 % WAC/III/Bmanganèse 20 µg/l 30 % WAC/III/Bmolybdène 20 µg/l 30 % WAC/III/Bnickel 10 µg/l 30 % WAC/III/Bsélénium 5 µg/l 30 % WAC/III/Bétain 40 µg/l 30 % WAC/III/Btitane 20 µg/l 30 % WAC/III/Bargent 10 µg/l 30 % WAC/III/Bzinc 25 µg/l 30 % WAC/III/B
"
  sont remplacées par ce qui suit :
  "
antimoon 30 µg/l 30 % WAC/III/B
arseen 5 µg/l 30 % WAC/III/B
barium 21 µg/l 30 % WAC/III/B
beryllium 1 µg/l 30 % WAC/III/B
boor 210 µg/l 30 % WAC/III/B
cadmium 0,8 µg/l 30 % WAC/III/B
cerium 100 µg/l 30 % WAC/III/B
chroom 15 µg/l 30 % WAC/III/B
fosfor 300 µg/l 30 % WAC/III/B
ijzer 100 µg/l 30 % WAC/III/B
kobalt 0,6 µg/l 30 % WAC/III/B
koper 15 µg/l 30 % WAC/III/B
kwik 0,15 µg/l 40 % WAC/III/B
lood 15 µg/l 30 % WAC/III/B
mangaan 20 µg/l 30 % WAC/III/B
molybdeen 105 µg/l 30 % WAC/III/B
nikkel 9 µg/l 30 % WAC/III/B
seleen 5 µg/l 30 % WAC/III/B
tellurium 30 µg/l 30 % WAC/III/B
thallium 1 µg/l 30 % WAC/III/B
tin 12 µg/l 30 % WAC/III/B
titanium 30 µg/l 30 % WAC/III/B
uranium 0,5 µg/l 30 % WAC/III/B
vanadium 5 µg/l 30 % WAC/III/B
zilver 1 µg/l 30 % WAC/III/B
zink 60 µg/l 30 % WAC/III/B
antimoon 30 µg/l 30 % WAC/III/Barseen 5 µg/l 30 % WAC/III/Bbarium 21 µg/l 30 % WAC/III/Bberyllium 1 µg/l 30 % WAC/III/Bboor 210 µg/l 30 % WAC/III/Bcadmium 0,8 µg/l 30 % WAC/III/Bcerium 100 µg/l 30 % WAC/III/Bchroom 15 µg/l 30 % WAC/III/Bfosfor 300 µg/l 30 % WAC/III/Bijzer 100 µg/l 30 % WAC/III/Bkobalt 0,6 µg/l 30 % WAC/III/Bkoper 15 µg/l 30 % WAC/III/Bkwik 0,15 µg/l 40 % WAC/III/Blood 15 µg/l 30 % WAC/III/Bmangaan 20 µg/l 30 % WAC/III/Bmolybdeen 105 µg/l 30 % WAC/III/Bnikkel 9 µg/l 30 % WAC/III/Bseleen 5 µg/l 30 % WAC/III/Btellurium 30 µg/l 30 % WAC/III/Bthallium 1 µg/l 30 % WAC/III/Btin 12 µg/l 30 % WAC/III/Btitanium 30 µg/l 30 % WAC/III/Buranium 0,5 µg/l 30 % WAC/III/Bvanadium 5 µg/l 30 % WAC/III/Bzilver 1 µg/l 30 % WAC/III/Bzink 60 µg/l 30 % WAC/III/B
";
  6° in artikel 4, § 1, worden de rijen
  "
antimoine 30 µg/l 30 % WAC/III/B
arsenic 5 µg/l 30 % WAC/III/B
baryum 21 µg/l 30 % WAC/III/B
béryllium 1 µg/l 30 % WAC/III/B
bore 210 µg/l 30 % WAC/III/B
cadmium 0,8 µg/l 30 % WAC/III/B
cérium 100 µg/l 30 % WAC/III/B
chrome 15 µg/l 30 % WAC/III/B
phosphore 300 µg/l 30 % WAC/III/B
fer 100 µg/l 30 % WAC/III/B
cobalt 0,6 µg/l 30 % WAC/III/B
cuivre 15 µg/l 30 % WAC/III/B
mercure 0,15 µg/l 40 % WAC/III/B
plomb 15 µg/l 30 % WAC/III/B
manganèse 20 µg/l 30 % WAC/III/B
molybdène 105 µg/l 30 % WAC/III/B
nickel 9 µg/l 30 % WAC/III/B
sélénium 5 µg/l 30 % WAC/III/B
tellure 30 µg/l 30 % WAC/III/B
thallium 1 µg/l 30 % WAC/III/B
étain 12 µg/l 30 % WAC/III/B
titane 30 µg/l 30 % WAC/III/B
uranium 0,5 µg/l 30 % WAC/III/B
vanadium 5 µg/l 30 % WAC/III/B
argent 1 µg/l 30 % WAC/III/B
zinc 60 µg/l 30 % WAC/III/B
antimoine 30 µg/l 30 % WAC/III/Barsenic 5 µg/l 30 % WAC/III/Bbaryum 21 µg/l 30 % WAC/III/Bbéryllium 1 µg/l 30 % WAC/III/Bbore 210 µg/l 30 % WAC/III/Bcadmium 0,8 µg/l 30 % WAC/III/Bcérium 100 µg/l 30 % WAC/III/Bchrome 15 µg/l 30 % WAC/III/Bphosphore 300 µg/l 30 % WAC/III/Bfer 100 µg/l 30 % WAC/III/Bcobalt 0,6 µg/l 30 % WAC/III/Bcuivre 15 µg/l 30 % WAC/III/Bmercure 0,15 µg/l 40 % WAC/III/Bplomb 15 µg/l 30 % WAC/III/Bmanganèse 20 µg/l 30 % WAC/III/Bmolybdène 105 µg/l 30 % WAC/III/Bnickel 9 µg/l 30 % WAC/III/Bsélénium 5 µg/l 30 % WAC/III/Btellure 30 µg/l 30 % WAC/III/Bthallium 1 µg/l 30 % WAC/III/Bétain 12 µg/l 30 % WAC/III/Btitane 30 µg/l 30 % WAC/III/Buranium 0,5 µg/l 30 % WAC/III/Bvanadium 5 µg/l 30 % WAC/III/Bargent 1 µg/l 30 % WAC/III/Bzinc 60 µg/l 30 % WAC/III/B
";
  6° à l'article 4, § 1er, les lignes
  "
Acute toxiciteit voor watervlooien toxische eenheid <1  WAC/V/B/001
Acute toxiciteit voor vissen toxische eenheid < 1  WAC/V/B/002
Groei-inhibitietest voor eencellige algen toxische eenheid <1  WAC/V/B/003
Inhibitie van de bioluminescentie in Vibrio fisheri toxische eenheid <1  WAC/V/B/004
Acute toxiciteit voor watervlooien toxische eenheid <1 WAC/V/B/001Acute toxiciteit voor vissen toxische eenheid < 1 WAC/V/B/002Groei-inhibitietest voor eencellige algen toxische eenheid <1 WAC/V/B/003Inhibitie van de bioluminescentie in Vibrio fisheri toxische eenheid <1 WAC/V/B/004
"
  vervangen door wat volgt :
  "
Toxicité aiguë pour daphnies unité toxique <1  WAC/V/B/001
Toxicité aiguë pour les poissons unité toxique <1  WAC/V/B/002
Test de croissance-inhibition pour algues unicellulaires unité toxique <1  WAC/V/B/003
Inhibition de la bioluminescence in Vibrio fisheri unité toxique <1  WAC/V/B/004
Toxicité aiguë pour daphnies unité toxique <1 WAC/V/B/001Toxicité aiguë pour les poissons unité toxique <1 WAC/V/B/002Test de croissance-inhibition pour algues unicellulaires unité toxique <1 WAC/V/B/003Inhibition de la bioluminescence in Vibrio fisheri unité toxique <1 WAC/V/B/004
"
  sont remplacées par ce qui suit :
  "
Acute toxiciteit voor watervlooien 10 %  WAC/V/B/001
Acute toxiciteit voor vissen 20 %  WAC/V/B/002
Groei-inhibitietest voor eencellige algen 10 %  WAC/V/B/003
Inhibitie van de bioluminescentie in Vibrio fisheri 10 %  WAC/V/B/004
Acute toxiciteit voor watervlooien 10 % WAC/V/B/001Acute toxiciteit voor vissen 20 % WAC/V/B/002Groei-inhibitietest voor eencellige algen 10 % WAC/V/B/003Inhibitie van de bioluminescentie in Vibrio fisheri 10 % WAC/V/B/004
".
  7° in artikel 4, § 3, 1°, c), en 2°, c), wordt de rij :
  "
Toxicité aiguë pour daphnies 10 %  WAC/V/B/001
Toxicité aiguë pour les poissons 20 %  WAC/V/B/002
Test de croissance-inhibition pour algues unicellulaires 10 %  WAC/V/B/003
Inhibition de la bioluminescence in Vibrio fisheri 10 %  WAC/V/B/004
Toxicité aiguë pour daphnies 10 % WAC/V/B/001Toxicité aiguë pour les poissons 20 % WAC/V/B/002Test de croissance-inhibition pour algues unicellulaires 10 % WAC/V/B/003Inhibition de la bioluminescence in Vibrio fisheri 10 % WAC/V/B/004
".
  7° à l'article 4, § 3, 1° c) et 2° c), la ligne :
  "
Gehydrateerde ijzeroxide en ijzerhydroxiden Extractie van het monster in een geschikt milieu : bepaling door WAC/III/B; bij alle monsters die van dezelfde plaats komen, moet hetzelfde zuurextractieprocedé worden toegepast
Gehydrateerde ijzeroxide en ijzerhydroxiden Extractie van het monster in een geschikt milieu : bepaling door WAC/III/B; bij alle monsters die van dezelfde plaats komen, moet hetzelfde zuurextractieprocedé worden toegepast
"
  opgeheven.
Oxyde de fer hydraté et hydroxydes de fer Extraction de l'échantillon dans un milieu approprié : détermination par WAC/III/B ; pour tous les échantillons provenant du même endroit, le même procédé d'extraction d'acide doit être appliqué
Oxyde de fer hydraté et hydroxydes de fer Extraction de l'échantillon dans un milieu approprié : détermination par WAC/III/B ; pour tous les échantillons provenant du même endroit, le même procédé d'extraction d'acide doit être appliqué
"
  est abrogée.
Art. 170. Bijlage 4.4.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 170. L'annexe 4.4.2 au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacée par l'annexe 1ère, jointe au présent arrêté.
Art. 171. Bijlage 4.4.3 bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 171. L'annexe 4.4.3 au même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacée par l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Art. 172. In bijlage 4.4.4 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het schema vervangen door wat volgt :
Art. 172. A l'annexe 4.4.4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le schéma est remplacé par le texte suivant :
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-08-2016, p. 57773)
  2° aan paragraaf 3, 2°, (4), wordt de zinsnede ", met een minimum van 1 keer per jaar" toegevoegd;
  3° aan paragraaf 3, 2°, (7), wordt de zinsnede ", met een minimum van 1 keer per jaar" toegevoegd;
  4° aan paragraaf 3, 2°, (13), worden de woorden "en er wordt een nieuwe controlemeting uitgevoerd" toegevoegd.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-08-2016, p. 57894)
  2° au paragraphe 3, 2°, (4), le membre de phrase " avec un minimum d'1 fois par an " est ajouté ;
  3° au paragraphe 3, 2°, (7), le membre de phrase ", avec un minimum d'1 fois par an " est ajouté ;
  4° au paragraphe 3, 2°, (13), les mots " et une nouvelle mesure de contrôle est effectuée " sont ajoutés.
Art. 173. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij 8 januari 2016, wordt een bijlage 4.5.7.1 ingevoegd, die als bijlage 3 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 173. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par 8 janvier 2016, l'annexe 4.5.7.1 est insérée, qui est jointe au présent arrêté comme annexe 3.
Art. 174. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij 8 januari 2016, wordt een bijlage 4.5.7.2 ingevoegd, die als bijlage 4 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 174. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par 8 janvier 2016, l'annexe 4.5.7.2 est insérée, qui est jointe au présent arrêté comme annexe 4.
Art. 175. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij 8 januari 2016, wordt een bijlage 4.5.7.3 ingevoegd, die als bijlage 5 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 175. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par 8 janvier 2016, l'annexe 4.5.7.3 est insérée, qui est jointe comme annexe 5 au présent arrêté.
Art. 176. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij 8 januari 2016, wordt een bijlage 4.5.7.4 ingevoegd, die als bijlage 6 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 176. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par 8 janvier 2016, l'annexe 4.5.7.4 est insérée, qui est jointe comme annexe 6 au présent arrêté.
Art. 177. In bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 16 wordt vervangen door wat volgt :
  "16. Grafische industrie (inrichtingen als vermeld in rubriek 11.1, 11.2 en 11.3 van de indelingslijst) :
  a) lozing in oppervlaktewateren :
Art. 177. A l'annexe 5.3.2 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 16 est remplacé par la disposition suivante :
  " 16. Industrie graphique (établissements tels que visés à la rubrique 11.1, 11.2 et 11.3 de la liste de classification) :
  a) déversement dans les eaux de surface :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,5 6,5
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,0 9,0
temperatuur
  ° C
30,0 30,0
zwevende stoffen 60,0 60,0
bezinkbare stoffen
  ml/l
0,50 0,50
perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 5,0 5,0
som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0
olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.
ammonium
  mg N/l
100,0  
totaal stikstof  15,0
aromatische koolwaterstoffen (mono cyclische en polycyclische) 1,0  
BZV
  mg O2/l
25,0 25,0
chroom VI 0,50  
CZV
  mg O2/l
120,0 120,0
lozing fixeerbad en inktresten verbod verbod
sulfiet
  mg SO3/l
1,0  
AOX verbod  
totaal cadmium 0,60  
totaal chroom 2,0  
totaal koper 1,0 0,5
totaal lood 1,0  
totaal seleen 0,10 0,03
totaal zilver 1,0  
totaal zink 5,0 2,0
som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen verbod
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018ondergrens pH
  pH-eenheid 6,5 6,5bovengrens pH
  pH-eenheid 9,0 9,0temperatuur
  ° C 30,0 30,0zwevende stoffen 60,0 60,0bezinkbare stoffen
  ml/l 0,50 0,50perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 5,0 5,0som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.ammonium
  mg N/l 100,0 totaal stikstof 15,0aromatische koolwaterstoffen (mono cyclische en polycyclische) 1,0 BZV
  mg O2/l 25,0 25,0chroom VI 0,50 CZV
  mg O2/l 120,0 120,0lozing fixeerbad en inktresten verbod verbodsulfiet
  mg SO3/l 1,0 AOX verbod totaal cadmium 0,60 totaal chroom 2,0 totaal koper 1,0 0,5totaal lood 1,0 totaal seleen 0,10 0,03totaal zilver 1,0 totaal zink 5,0 2,0som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen verbod
b) lozing in riolering :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018
limite inférieure pH
  unité de pH
6.5 6,5
limite supérieure pH
  unité de pH
9.0 9,0
température
  ° C
30.0 30,0
substances en suspension 60.0 60,0
matières sédimentables
  ml/l
0.50 0,50
substances apolaires extractibles par perchloréthylène 5.0 5,0
somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3.0 3,0
huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptible
ammonium
  mg N/l
100.0  
azote total  15.0
Hydrocarbures aromatiques (monocycliques et polycycliques) 1.0  
DBO
  mg O2/l
25.0 25,0
chrome VI 0.50  
DCO
  mg O2/l
120.0 120,0
rejet bains de fixation et restes d'encre interdiction Interdiction
sulfite
  mg O3/l
1.0  
AOX interdiction  
cadmium total 0.60  
chrome total 2.0  
cuivre total 1.0 0,5
plomb total 1.0  
sélénium total 0.10 0,03
argent total 1.0  
zinc total 5.0 2,0
somme des composés halogénés organiques volatils, des composés halogénés organiques moyennement volatils interdiction
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018limite inférieure pH
  unité de pH 6.5 6,5limite supérieure pH
  unité de pH 9.0 9,0température
  ° C 30.0 30,0substances en suspension 60.0 60,0matières sédimentables
  ml/l 0.50 0,50substances apolaires extractibles par perchloréthylène 5.0 5,0somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3.0 3,0huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptibleammonium
  mg N/l 100.0 azote total 15.0Hydrocarbures aromatiques (monocycliques et polycycliques) 1.0 DBO
  mg O2/l 25.0 25,0chrome VI 0.50 DCO
  mg O2/l 120.0 120,0rejet bains de fixation et restes d'encre interdiction Interdictionsulfite
  mg O3/l 1.0 AOX interdiction cadmium total 0.60 chrome total 2.0 cuivre total 1.0 0,5plomb total 1.0 sélénium total 0.10 0,03argent total 1.0 zinc total 5.0 2,0somme des composés halogénés organiques volatils, des composés halogénés organiques moyennement volatils interdiction
b) déversement dans les égouts :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,0 6,0
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,5 9,5
temperatuur
  ° C
45,0 45,0
afmeting zwevende stoffen
  mm
10,0 10,0
zwevende stoffen 1000,0 1000,0
petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0
lozing fixeerbad en inktresten verbod verbod
som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen 5,0  
totaal cadmium 0,60  
totaal chroom 2,0  
totaal koper 2,0 0,5
totaal lood 1,0  
totaal seleen 0,20 0,03
totaal zilver 1,0  
totaal zink 5,0 2,0
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018ondergrens pH
  pH-eenheid 6,0 6,0bovengrens pH
  pH-eenheid 9,5 9,5temperatuur
  ° C 45,0 45,0afmeting zwevende stoffen
  mm 10,0 10,0zwevende stoffen 1000,0 1000,0petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0lozing fixeerbad en inktresten verbod verbodsom van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen 5,0 totaal cadmium 0,60 totaal chroom 2,0 totaal koper 2,0 0,5totaal lood 1,0 totaal seleen 0,20 0,03totaal zilver 1,0 totaal zink 5,0 2,0
";
  2° punt 22 wordt vervangen door wat volgt :
  "22. Lak, verf, drukinkten en pigmenten (productie van) (inrichtingen als vermeld in de rubriek 4.1 van de indelingslijst) :
  a) lozing in oppervlaktewater :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018
limite inférieure pH
  unité de pH
6,0 6,0
limite supérieure pH
  unité de pH
9.5 9,5
température
  ° C
45,0 45,0
calibre des matières en suspension
  mm
10,0 10,0
substances en suspension 1000,0 1000,0
substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500.0 500,0
rejet bains de fixation et restes d'encre interdiction interdiction
somme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils 5.0  
cadmium total 0.60  
chrome total 2.0  
cuivre total 2.0 0,5
plomb total 1.0  
sélénium total 0.20 0,03
argent total 1.0  
zinc total 5.0 2,0
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018limite inférieure pH
  unité de pH 6,0 6,0limite supérieure pH
  unité de pH 9.5 9,5température
  ° C 45,0 45,0calibre des matières en suspension
  mm 10,0 10,0substances en suspension 1000,0 1000,0substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500.0 500,0rejet bains de fixation et restes d'encre interdiction interdictionsomme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils 5.0 cadmium total 0.60 chrome total 2.0 cuivre total 2.0 0,5plomb total 1.0 sélénium total 0.20 0,03argent total 1.0 zinc total 5.0 2,0
";
  2° le point 22 est remplacé par la disposition suivante :
  " 22. Laques, peintures, encres d'imprimerie (production de) (établissements tels que visés dans la rubrique 4.1 de la liste de classification) :
  a) déversement dans les eaux de surface :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,5 6,5
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,0 9,0
temperatuur
  ° C
30,0 30,0
zwevende stoffen 60,0 60,0
bezinkbare stoffen
  ml/l
0,50 0,50
perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 5,0 5,0
som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0
olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.
totaal stikstof  15
BZV
  mg O2/l
25,0 25,0
vrij cyanide 0,10  
chroom VI
  mg Cr/l
0,20  
CZV
  mg O2/l
200,0 125,0
fenolen 1,0  
pcb en pct verbod verbod
som metalen (exclusief Al en Fe) 10,0  
som totaal Al en Fe 10,0  
totaal arseen 0,20  
totaal chroom 2,0  
totaal kobalt 1,0  
totaal koper 0,10  
totaal lood 0,10  
totaal mangaan 1,0  
totaal molybdeen 1,0  
totaal nikkel 2,0  
totaal tin 2,0  
totaal zink 3,0  
cadmium :
totaal cadmium 0,60  
totaal cadmium maandgemiddelde
  g/kg
0,12  
kwik :
totaal kwik 0,00100
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018ondergrens pH
  pH-eenheid 6,5 6,5bovengrens pH
  pH-eenheid 9,0 9,0temperatuur
  ° C 30,0 30,0zwevende stoffen 60,0 60,0bezinkbare stoffen
  ml/l 0,50 0,50perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 5,0 5,0som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.totaal stikstof 15BZV
  mg O2/l 25,0 25,0vrij cyanide 0,10 chroom VI
  mg Cr/l 0,20 CZV
  mg O2/l 200,0 125,0fenolen 1,0 pcb en pct verbod verbodsom metalen (exclusief Al en Fe) 10,0 som totaal Al en Fe 10,0 totaal arseen 0,20 totaal chroom 2,0 totaal kobalt 1,0 totaal koper 0,10 totaal lood 0,10 totaal mangaan 1,0 totaal molybdeen 1,0 totaal nikkel 2,0 totaal tin 2,0 totaal zink 3,0 cadmium :totaal cadmium 0,60 totaal cadmium maandgemiddelde
  g/kg 0,12 kwik :totaal kwik 0,00100
b) lozing in riolering :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018
limite inférieure pH
  unité de pH
6.5 6,5
limite supérieure pH
  unité de pH
9,0 9,0
température
  ° C
30,0 30,0
substances en suspension 60,0 60.0
matières sédimentables
  ml/l
0,50 0,50
substances apolaires extractibles par perchloréthylène 5,0 5,0
somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3,0 3,0
huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptible
total azote  15
DBO
  mg O2/l
25,0 25,0
cyanure libre 0,10  
chrome VI
  mg Cr/l
0,20  
DCO
  mg O2/l
200,0 125,0
phénols 1,0  
PCB et PCT interdiction interdiction
somme métaux (à l'exclusion d'Al et Fe) 10,0  
somme totale Al et Fe 10,0  
total arsenic 0,20  
total chrome 2,0  
total cobalt 1.0  
total cuivre 0,10  
total plomb 0,10  
total manganèse 1,0  
total molybdène 1,0  
total nickel 2,0  
total étain 2,0  
total zinc 3,0  
cadmium :
total cadmium 0,60  
total cadmium moyenne mensuelle
  g/kg
0,12  
mercure :
total mercure 0,00100
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018limite inférieure pH
  unité de pH 6.5 6,5limite supérieure pH
  unité de pH 9,0 9,0température
  ° C 30,0 30,0substances en suspension 60,0 60.0matières sédimentables
  ml/l 0,50 0,50substances apolaires extractibles par perchloréthylène 5,0 5,0somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3,0 3,0huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptibletotal azote 15DBO
  mg O2/l 25,0 25,0cyanure libre 0,10 chrome VI
  mg Cr/l 0,20 DCO
  mg O2/l 200,0 125,0phénols 1,0 PCB et PCT interdiction interdictionsomme métaux (à l'exclusion d'Al et Fe) 10,0 somme totale Al et Fe 10,0 total arsenic 0,20 total chrome 2,0 total cobalt 1.0 total cuivre 0,10 total plomb 0,10 total manganèse 1,0 total molybdène 1,0 total nickel 2,0 total étain 2,0 total zinc 3,0 cadmium :total cadmium 0,60 total cadmium moyenne mensuelle
  g/kg 0,12 mercure :total mercure 0,00100
b) déversement dans les égouts :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,0 6,0
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,5 9,5
temperatuur
  ° C
45,0 45,0
afmeting zwevende stoffen
  mm
10,0 10,0
zwevende stoffen 1000,0 1000,0
petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0
vrij cyanide 1,0  
chroom VI
  mg Cr/l
1,0  
pcb en pct verbod verbod
som metalen (exclusief Al en Fe) 20,0  
som totaal Al en Fe 30,0  
totaal arseen 0,50  
totaal chroom 5,0  
totaal kobalt 2,0  
totaal koper 2,0  
totaal lood 3,0  
totaal mangaan 2,0  
totaal molybdeen 2,0  
totaal nikkel 4,0  
totaal tin 5,0  
totaal zink 15,0  
cadmium :
totaal cadmium 0,60  
totaal cadmium maandgemiddelde
  g/kg
0,12  
kwik :
totaal kwik 0,10
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 augustus 2018 van toepassing vanaf 1 september 2018ondergrens pH
  pH-eenheid 6,0 6,0bovengrens pH
  pH-eenheid 9,5 9,5temperatuur
  ° C 45,0 45,0afmeting zwevende stoffen
  mm 10,0 10,0zwevende stoffen 1000,0 1000,0petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0vrij cyanide 1,0 chroom VI
  mg Cr/l 1,0 pcb en pct verbod verbodsom metalen (exclusief Al en Fe) 20,0 som totaal Al en Fe 30,0 totaal arseen 0,50 totaal chroom 5,0 totaal kobalt 2,0 totaal koper 2,0 totaal lood 3,0 totaal mangaan 2,0 totaal molybdeen 2,0 totaal nikkel 4,0 totaal tin 5,0 totaal zink 15,0 cadmium :totaal cadmium 0,60 totaal cadmium maandgemiddelde
  g/kg 0,12 kwik :totaal kwik 0,10
";
  3° in punt 52 worden tussen de woorden "in rubriek" en de woorden "17, en de inrichtingen" de woorden "6 of rubriek" ingevoegd en wordt de bepaling "17.3.9" vervangen door de bepaling "6.5";
  4° punt 55 wordt vervangen door wat volgt :
  "55. Werktuigbouw, koudbewerking en oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen (bepaalde inrichtingen, vermeld in rubriek 4, 23.4 en 29.5 van de indelingslijst) :
  a) lozing in oppervlaktewateren :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018
limite inférieure pH
  unité de pH
6,0 6,0
limite supérieure pH
  unité de pH
9,5 9,5
température
  ° C
45,0 45,0
calibre des matières en suspension
  Mm
10,0 10,0
substances en suspension 1000,0 1000,0
substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500,0 500,0
cyanure libre 1,0  
chrome VI
  mg Cr/l
1,0  
PCB et PCT interdiction interdiction
somme de métaux (à l'exclusion d'Al et Fe) 20,0  
somme totale Al et Fe 30,0  
total arsenic 0,50  
total chrome 5,0  
total cobalt 2,0  
total cuivre 2,0  
total plomb 3,0  
total manganèse 2,0  
total molybdène 2,0  
total nickel 4,0  
total étain 5,0  
total zinc 15,0  
cadmium :
total cadmium 0,60  
total cadmium moyenne mensuelle
  g/kg
0,12  
mercure :
total mercure 0,10
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 août 2018 inclus d'application à partir du 1 septembre 2018limite inférieure pH
  unité de pH 6,0 6,0limite supérieure pH
  unité de pH 9,5 9,5température
  ° C 45,0 45,0calibre des matières en suspension
  Mm 10,0 10,0substances en suspension 1000,0 1000,0substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500,0 500,0cyanure libre 1,0 chrome VI
  mg Cr/l 1,0 PCB et PCT interdiction interdictionsomme de métaux (à l'exclusion d'Al et Fe) 20,0 somme totale Al et Fe 30,0 total arsenic 0,50 total chrome 5,0 total cobalt 2,0 total cuivre 2,0 total plomb 3,0 total manganèse 2,0 total molybdène 2,0 total nickel 4,0 total étain 5,0 total zinc 15,0 cadmium :total cadmium 0,60 total cadmium moyenne mensuelle
  g/kg 0,12 mercure :total mercure 0,10
";
  3° au point 52, les mots " 6 ou la rubrique " sont insérés entre les mots " dans la rubrique " et les mots " 17 et les équipements ", et la disposition " 17.3.9 " est remplacée par la disposition " 6.5 " ;
  4° le point 55 est remplacé par la disposition suivante :
  " 55. Mécanique, exécution à froid et traitement de surface de métaux et de matières plastiques (certains établissements énumérés à la rubrique 4, 23.4 et 29.5 de la liste de classification) :
  a) déversement dans les eaux de surface :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 december 2018 van toepassing vanaf 1 januari 2019(*)
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,5 6,5
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,0 9,0
temperatuur
  ° C
30,0 30,0
zwevende stoffen 60,0 30,0
bezinkbare stoffen
  ml/l
0,50 0,50
perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 10,0 5,0
perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen
  daggemiddelde
5,0  
som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0
olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.
petroleumetherextraheerbare stoffen 20,0 20,0
ammonium 100,0  
totaal stikstof  v.g.t.g.
BZV
  mg O2/l
25,0 25,0
vrij cyanide 1,0 0,05
chroom VI 0,50 0,05
CZV
  mg O2/l
300,0 125,0, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 300,0
lozing emulsies en afvalbaden verbod verbod
opgelost chroom 2,0  
opgelost ijzer 2,0  
opgelost koper 1,5  
opgelost mangaan 2,0  
opgelost nikkel 3,0  
opgelost tin 2,0  
opgelost zink 3,0  
sulfaten
  mg SO4/l
2000,0 2000,0
totaal arseen 0,10 0,10
totaal chroom 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal ijzer 20,0 20,0
totaal koper 4,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal lood 1,0 0,50
totaal mangaan 10,0 10,0
totaal nikkel 3,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal tin 2,0 0,5
totaal zilver 0,10 0,1
totaal zink 7,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
vrije chloor 0,50 0,50
aluminium :
oanodisering van aluminium: opgelost aluminium 10,0 10,0
ogeen anodisering van aluminium: opgelost aluminium 2,0 3,0
cadmium :
galvanotechniek
totaal cadmium 0,60 v.g.t.g.
totaal cadmium maandgemiddelde g/kg verwerkt 0,12  
opgelost fluoride :
met HF-beitsing :
opgelost fluoride 15,0 15,0
zonder HF-beitsing
opgelost fluoride 10,0 10,0
fosfor :
met fosfatatie :
totaal fosfor 2,0 v.g.t.g.
zonder fosfatatie :
totaal fosfor 2,0 v.g.t.g.
som totale metalen :
Cu+Ni+Zn+Cr+Pb 8,0  
som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen  0,1
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 december 2018 van toepassing vanaf 1 januari 2019(*)ondergrens pH
  pH-eenheid 6,5 6,5bovengrens pH
  pH-eenheid 9,0 9,0temperatuur
  ° C 30,0 30,0zwevende stoffen 60,0 30,0bezinkbare stoffen
  ml/l 0,50 0,50perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen 10,0 5,0perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen
  daggemiddelde 5,0 som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen 3,0 3,0olie en vet n.v.w.b. n.v.w.b.petroleumetherextraheerbare stoffen 20,0 20,0ammonium 100,0 totaal stikstof v.g.t.g.BZV
  mg O2/l 25,0 25,0vrij cyanide 1,0 0,05chroom VI 0,50 0,05CZV
  mg O2/l 300,0 125,0, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 300,0lozing emulsies en afvalbaden verbod verbodopgelost chroom 2,0 opgelost ijzer 2,0 opgelost koper 1,5 opgelost mangaan 2,0 opgelost nikkel 3,0 opgelost tin 2,0 opgelost zink 3,0 sulfaten
  mg SO4/l 2000,0 2000,0totaal arseen 0,10 0,10totaal chroom 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal ijzer 20,0 20,0totaal koper 4,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal lood 1,0 0,50totaal mangaan 10,0 10,0totaal nikkel 3,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal tin 2,0 0,5totaal zilver 0,10 0,1totaal zink 7,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0vrije chloor 0,50 0,50 aluminium :oanodisering van aluminium: opgelost aluminium 10,0 10,0ogeen anodisering van aluminium: opgelost aluminium 2,0 3,0 cadmium : galvanotechniektotaal cadmium 0,60 v.g.t.g.totaal cadmium maandgemiddelde g/kg verwerkt 0,12 opgelost fluoride : met HF-beitsing :opgelost fluoride 15,0 15,0 zonder HF-beitsingopgelost fluoride 10,0 10,0 fosfor : met fosfatatie :totaal fosfor 2,0 v.g.t.g. zonder fosfatatie :totaal fosfor 2,0 v.g.t.g. som totale metalen :Cu+Ni+Zn+Cr+Pb 8,0 som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen 0,1
(*) Op de datum van de inwerkingtreding van deze voorwaarden hebben ze voorrang op de bijzondere milieuvoorwaarden die dezelfde problematiek regelen. In afwijking daarvan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning die op die datum loopt, verder gelden.
  b) lozing in riolering :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 décembre 2018 inclus d'application à partir du 1 janvier 2019(*)
limite inférieure pH
  unité de pH
6,5 6,5
limite supérieure pH
  unité de pH
9,0 9,0
température
  ° C
30,0 30,0
substances en suspension 60,0 30,0
matières sédimentables
  ml/l
0,50 0,50
substances apolaires extractibles par perchloréthylène 10,0 5,0
substances apolaires extractibles par perchloréthylène
  moyenne journalière
5,0  
somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3,0 3,0
huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptible
substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 20,0 20,0
ammonium 100,0  
total azote  teneur autorisée à établir dans le permis
DBO
  mg O2/l
25,0 25,0
cyanure libre 1,0 0,05
chrome VI 0,50 0,05
DCO
  mg O2/l
300,0 125,0, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 300,0
déversement d'émulsions et de bains de rejet interdiction interdiction
Solution de chrome 2,0  
solution de fer 2,0  
Solution de cuivre 1,5  
Solution de manganèse 2,0  
solution de nickel 3,0  
Solution d'étain 2,0  
solution de zinc 3,0  
sulfates
  mg O4/l
2000,0 2000,0
arsenic total 0,10 0,10
chrome total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
fer total 20,0 20,0
cuivre total 4,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
plomb total 1,0 0,50
total manganèse 10,0 10,0
nickel total 3,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
étain total 2,0 0,5
argent total 0,10 0,1
zinc total 7,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
chlore libre 0,50 0,50
aluminium
*anodisation d'aluminium :solution d'aluminium 10,0 10,0
*absence d'anodisation d'aluminium :solution d'aluminium 2,0 3,0
cadmium :
Electrodéposition
cadmium total 0,60 teneur autorisée à établir dans le permis
Total cadmium moyenne mensuelle traitée en g/kg 0,12  
solution de fluorure
En hf-beitsing :
solution de fluorure 15,0 15,0
Sans teinture hf
solution de fluorure 10,0 10,0
phosphore :
avec phosphatation :
phosphore total 2,0 teneur autorisée à établir dans le permis
Sans phosphatation
phosphore total 2,0 teneur autorisée à établir dans le permis
somme totale des métaux :
Zn + Cu + Ni + Cr + Pb 8,0  
somme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils  0,1
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 décembre 2018 inclus d'application à partir du 1 janvier 2019(*)limite inférieure pH
  unité de pH 6,5 6,5limite supérieure pH
  unité de pH 9,0 9,0température
  ° C 30,0 30,0substances en suspension 60,0 30,0matières sédimentables
  ml/l 0,50 0,50substances apolaires extractibles par perchloréthylène 10,0 5,0substances apolaires extractibles par perchloréthylène
  moyenne journalière 5,0 somme de substances actives en surface anioniques, non ionogènes et cationiques 3,0 3,0huiles et graisses pas visuellement perceptible pas visuellement perceptiblesubstances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 20,0 20,0ammonium 100,0 total azote teneur autorisée à établir dans le permisDBO
  mg O2/l 25,0 25,0cyanure libre 1,0 0,05chrome VI 0,50 0,05DCO
  mg O2/l 300,0 125,0, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 300,0déversement d'émulsions et de bains de rejet interdiction interdictionSolution de chrome 2,0 solution de fer 2,0 Solution de cuivre 1,5 Solution de manganèse 2,0 solution de nickel 3,0 Solution d'étain 2,0 solution de zinc 3,0 sulfates
  mg O4/l 2000,0 2000,0arsenic total 0,10 0,10chrome total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0fer total 20,0 20,0cuivre total 4,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0plomb total 1,0 0,50total manganèse 10,0 10,0nickel total 3,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0étain total 2,0 0,5argent total 0,10 0,1zinc total 7,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0chlore libre 0,50 0,50 aluminium*anodisation d'aluminium :solution d'aluminium 10,0 10,0*absence d'anodisation d'aluminium :solution d'aluminium 2,0 3,0 cadmium : Electrodépositioncadmium total 0,60 teneur autorisée à établir dans le permisTotal cadmium moyenne mensuelle traitée en g/kg 0,12 solution de fluorure En hf-beitsing :solution de fluorure 15,0 15,0 Sans teinture hfsolution de fluorure 10,0 10,0 phosphore : avec phosphatation :phosphore total 2,0 teneur autorisée à établir dans le permis Sans phosphatationphosphore total 2,0 teneur autorisée à établir dans le permis somme totale des métaux :Zn + Cu + Ni + Cr + Pb 8,0 somme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils 0,1
(*) à la date d'entrée en vigueur de ces conditions, elles prévalent sur les conditions environnementales particulières qui régissent la même problématique. Par dérogation à cette disposition, les conditions environnementales particulières plus strictes de l'autorisation en cours à cette date restent d'application.
  b)déversement dans les égouts :
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 december 2018 van toepassing vanaf 1 januari 2019(*)
ondergrens pH
  pH-eenheid
6,0 6,0
bovengrens pH
  pH-eenheid
9,5 9,5
temperatuur
  ° C
45,0 45,0
zwevende stoffen
  mg/l
1000,0 1000,0
afmeting zwevende stoffen
  mm
10,0 10,0
petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0
vrij cyanide 1,0 0,05
chroom VI
  mg Cr/l
0,50 0,05
lozing emulsies en afvalbaden verbod verbod
sulfaten
  mg SO4/l
2000,0 2000,0
totaal arseen 0,50 0,50
totaal chroom 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal koper 4,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal lood 1,0 0,50
totaal nikkel 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
totaal tin  0,50
totaal zilver  0,10
totaal zink 7,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0
cadmium :
galvanotechniek :
totaal cadmium 0,60 v.g.t.g.
totaal cadmium maandgemiddelde 0,12  
som metalen :
Cu+Ni+Zn+Cr+Pb 15,0
parameters in mg/l, tenzij het anders vermeld is van toepassing tot en met 31 december 2018 van toepassing vanaf 1 januari 2019(*)ondergrens pH
  pH-eenheid 6,0 6,0bovengrens pH
  pH-eenheid 9,5 9,5temperatuur
  ° C 45,0 45,0zwevende stoffen
  mg/l 1000,0 1000,0afmeting zwevende stoffen
  mm 10,0 10,0petroleumetherextraheerbare stoffen 500,0 500,0vrij cyanide 1,0 0,05chroom VI
  mg Cr/l 0,50 0,05lozing emulsies en afvalbaden verbod verbodsulfaten
  mg SO4/l 2000,0 2000,0totaal arseen 0,50 0,50totaal chroom 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal koper 4,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal lood 1,0 0,50totaal nikkel 5,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0totaal tin 0,50totaal zilver 0,10totaal zink 7,0 0,50, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van 2,0 cadmium : galvanotechniek :totaal cadmium 0,60 v.g.t.g.totaal cadmium maandgemiddelde 0,12 som metalen :Cu+Ni+Zn+Cr+Pb 15,0
(*) Op de datum van inwerkingtreding van deze voorwaarden hebben ze voorrang op de bijzondere milieuvoorwaarden die dezelfde problematiek regelen. In afwijking daarvan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning die op die datum loopt, verder gelden.
  c) Met behoud van de toepassing van de voorwaarden vermeld in dit artikel , gelden voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 29.5.5 en 29.5.7, de volgende voorwaarden, tot en met 31 december 2018. Vanaf 1 januari 2019 gelden alleen de voorwaarden, vermeld in punt a) en b) :
  o Afvalwaterstromen worden gescheiden overeenkomstig de noodzakelijke behandeling zodat een slibsamenstelling wordt verkregen waaruit de metalen gerecupereerd kunnen worden. De behandeling wordt uitgevoerd in batchreactoren.
  o Cadmium- en kwikhoudende afvalwaterstromen worden afzonderlijk behandeld en bemonsterd. De maximumconcentraties in die afvalwaterstromen zijn :
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 décembre 2018 inclus d'application à partir du 1 janvier 2019 (*)
limite inférieure pH
  unité de pH
6,0 6,0
limite supérieure pH
  unité de pH
9,5 9,5
température
  ° C
45,0 45,0
substances en suspension
  mg/l
1000,0 1000,0
calibre des matières en suspension
  Mm
10,0 10,0
substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500,0 500,0
cyanure libre 1,0 0,05
chrome VI
  mg/l
0,50 0,05
déversement d'émulsions et de bains de rejet interdiction interdiction
sulfates
  mg O4/l
2000,0 2000,0
arsenic total 0,50 0,50
chrome total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
cuivre total 4,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
plomb total 1,0 0,50
nickel total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
étain total  0,50
argent total  0,10
zinc total 7,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0
cadmium :
électrodéposition :
cadmium total 0,60 teneur autorisée à établir dans le permis d'environnement
cadmium total moyenne mensuelle 0,12  
somme des métaux :
Zn + Cu + Ni + Cr + Pb 15,0
paramètres en mg/l, sauf disposition contraire d'application jusqu'au 31 décembre 2018 inclus d'application à partir du 1 janvier 2019 (*)limite inférieure pH
  unité de pH 6,0 6,0limite supérieure pH
  unité de pH 9,5 9,5température
  ° C 45,0 45,0substances en suspension
  mg/l 1000,0 1000,0calibre des matières en suspension
  Mm 10,0 10,0substances obtenues après hydrolyse par extraction à l'éther de pétrole 500,0 500,0cyanure libre 1,0 0,05chrome VI
  mg/l 0,50 0,05déversement d'émulsions et de bains de rejet interdiction interdictionsulfates
  mg O4/l 2000,0 2000,0arsenic total 0,50 0,50chrome total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0cuivre total 4,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0plomb total 1,0 0,50nickel total 5,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0étain total 0,50argent total 0,10zinc total 7,0 0,50, sauf indication contraire dans le permis d'environnement avec un maximum de 2,0 cadmium : électrodéposition :cadmium total 0,60 teneur autorisée à établir dans le permis d'environnementcadmium total moyenne mensuelle 0,12 somme des métaux :Zn + Cu + Ni + Cr + Pb 15,0
(*) à la date d'entrée en vigueur de ces conditions, elles prévalent sur les conditions environnementales particulières qui régissent la même problématique. Par dérogation à cette disposition, les conditions environnementales particulières plus strictes du permis en cours à cette date, restent d'application.
  c) Sans préjudice de l'application des conditions énoncées dans le présent article, les conditions suivantes sont applicables aux équipements, visés dans les rubriques 29.5.5 et 29.5.7, et ce jusqu'au 31 décembre 2018. A partir du 1er janvier 2019, seules les conditions mentionnées aux points a) et b) s'appliquent :
  * Les flux d'eaux résiduaires sont séparés selon leur traitement nécessaire afin d'obtenir une composition des boues permettant d'en récupérer les métaux. Le traitement est effectué dans des réacteurs batch.
  * Les flux d'eaux résiduaires contenant du cadmium et du mercure font l'objet d'un traitement et d'un échantillonnage séparé. Les concentrations maximales dans ces flux d'eaux résiduaires sont les suivantes :
totaal cadmium 0,2 mg/l
totaal kwik 0,05 mg/l
totaal cadmium 0,2 mg/ltotaal kwik 0,05 mg/l
o Voor lozing in de openbare riolering of in oppervlaktewater wordt het afvalwater behandeld zodat de concentraties van de volgende substanties de volgende gehalten niet overschrijden :
cadmium total 0,2 mg/l
mercure total 0,05 mg/l
cadmium total 0,2 mg/lmercure total 0,05 mg/l
o Pour les rejets dans les égouts publics ou dans des eaux de surface, les eaux usées sont traitées afin que les concentrations des substances suivantes ne dépassent pas les teneurs suivantes :
totaal chroom 0,5 mg/l
totaal chroom (VI) 0,1 mg Cr/l
totaal koper 0,5 mg/l
totaal lood 0,5 mg/l
totaal nikkel 0,5 mg/l
totaal zink 0,5 mg/l
vrij cyanide 0,2 mg/l
som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen 0,1 mg Cl/l
totaal chroom 0,5 mg/ltotaal chroom (VI) 0,1 mg Cr/ltotaal koper 0,5 mg/ltotaal lood 0,5 mg/ltotaal nikkel 0,5 mg/ltotaal zink 0,5 mg/lvrij cyanide 0,2 mg/lsom van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen 0,1 mg Cl/l
Die gehalten worden bereikt zonder enige vorm van verdunning.
  Inrichtingen met een kleine metaalvracht (dat is een vracht waarbij het effluent van de afvalwaterbehandelingsinstallatie een som van totaal chroom, totaal koper, totaal lood, totaal nikkel en totaal zink bevat die kleiner is dan 200 gram per dag), mogen na motivatie door de vergunningverlenende overheid maximaal de volgende gehalten aan totaal chroom, totaal koper, totaal nikkel en totaal zink lozen :
chrome total 0,5 mg/l
chrome total (VI) 0,1 mg Cr/l
cuivre total 0,5 mg/l
plomb total 0,5 mg/l
nickel total 0,5 mg/l
zinc total 0,5 mg/l
cyanure libre 0,2 mg/l
somme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils 0,1 mg Cl/l
chrome total 0,5 mg/lchrome total (VI) 0,1 mg Cr/lcuivre total 0,5 mg/lplomb total 0,5 mg/lnickel total 0,5 mg/lzinc total 0,5 mg/lcyanure libre 0,2 mg/lsomme des composés organohalogénés volatils, des composés organohalogénés moyennement volatils 0,1 mg Cl/l
Ces teneurs sont atteintes, sans aucune forme de dilution.
  Les établissements ayant une faible charge en métal (à savoir une charge contenue dans les effluents de l'installation de traitement des eaux résiduaires dont la somme du total de chrome, du total de cuivre, du total de plomb, du total de nickel et du total de zinc est inférieure à 200 grammes par jour), peuvent, après justification par l'autorité délivrant le permis, déverser au maximum les teneurs suivantes en chrome total, en cuivre total, en nickel total et en zinc total :
totaal chroom 2,0 mg/l
totaal koper 2,0 mg/l
totaal nikkel 2,0 mg/l
totaal zink 2,0 mg/l
totaal chroom 2,0 mg/ltotaal koper 2,0 mg/ltotaal nikkel 2,0 mg/ltotaal zink 2,0 mg/l
o Afvalwater van processen waar vluchtige gehalogeneerde verbindingen worden gebruikt, zoals bij vetten en ontvetten, wordt afzonderlijk behandeld en mag de volgende gehalten niet overschrijden :
chrome total 2,0 mg/l
cuivre total 2,0 mg/l
nickel total 2,0 mg/l
zinc total 2,0 mg/l
chrome total 2,0 mg/lcuivre total 2,0 mg/lnickel total 2,0 mg/lzinc total 2,0 mg/l
o Les eaux résiduaires de procédés utilisant des composés halogénés volatils, comme lors du graissage et du dégraissage, sont traitées séparément et ne peuvent pas dépasser les teneurs suivantes :
som van trichlooretheen, tetrachlooretheen en dichloormethaan 0,1 mg Cl/l
som van trichlooretheen, tetrachlooretheen en dichloormethaan 0,1 mg Cl/l
".;
  5° in punt 59 worden de woorden "Car- en truckwashbedrijven" vervangen door de woorden "Volautomatische car- en truckwashinstallaties";
  6° aan punt 61, 1°, wordt een punt g) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "g) "pct" : perchloorterfenylen;";
  7° in punt 61, 2°, wordt punt c) vervangen door wat volgt :
  "c) "v.g.t.g." : in de vergunning vast te stellen toegelaten gehalte in de gevallen waarin voor de betrokken parameter geen sectorale lozingsvoorwaarden zijn vastgesteld.".
som van trichlooretheen, tetrachlooretheen en dichloormethaan 0,1 mg Cl/l
som van trichlooretheen, tetrachlooretheen en dichloormethaan 0,1 mg Cl/l
".;
  5° au point 59, les mots " Entreprises de lavage d'automobiles et de camions" sont remplacés par les mots " Installations entièrement automatiques de lavage d'automobiles et de camions " ;
  6° au point 61, 1°, il est ajouté un point g), rédigé comme suit :
  "g)" pct " : perchloroterphényls ;" ;
  7° au point 61, 2°, le point c) est remplacé par ce qui suit :
  "c) v.g.t.g." la teneur autorisée à établir dans le permis dans les cas où des conditions sectorales de déversement n'ont pas été établies pour le paramètre concerné. ".
Art. 178. In bijlage 5.6.3 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden punt 3 en 4 opgeheven.
Art. 178. Dans l'annexe 5.6 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les points 3 et 4 sont abrogés.
Art. 179. In bijlage 5.16.6.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering 16 mei 2014, worden de zinsnede "6/4" (volumetrisch)" vervangen door de woorden "2 «" (volumetrisch of zijkanaalpomp)".
Art. 179. A l'annexe 5.16.6.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " 6/4 " (volumétrique) " est remplacé par les mots " 2 « (volumétrique ou pompe à canal latéral) ".
Art. 180. In bijlage 5.16.6.2 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "hoogniveau-geplaatst voorzien" worden vervangen door de woorden "hoogniveaudetector geplaatst";
  2° de zinsnede "Faling van de niveaumeting moet leiden tot het sluiten van de elektromagnetische kraan (8) in de vulleiding" wordt vervangen de zinsnede "De gestuurde afsluiter (8) in de vulleiding wordt alleen geopend tijdens de vulling en bij een werkende niveaumeting";
  3° de zinsnede "De elektromagnetische kraan (8) in de vulleiding wordt automatisch dichtgestuurd zodra hoogniveau wordt bereikt, zowel door de niveaumeting als door de hoogniveau detectie" wordt vervangen door de zinsnede "De gestuurde afsluiter (8) in de vulleiding wordt door de niveaumeting automatisch dicht gestuurd zodra het hoog niveau wordt bereikt";
  4° de zinsnede "De elektromagnetische kraan (8) in de vulleiding wordt alleen geopend tijdens de vulling" wordt vervangen door de zinsnede "De gestuurde afsluiter (8) in de vulleiding wordt bovendien door de vaste hoog niveau detectie dicht gestuurd zodra het hoog hoog niveau wordt bereikt.";
  5° de woorden "elektromagnetische kranen" worden telkens vervangen door de woorden "gestuurde afsluiters";
  6° in de tabel worden de woorden "Elektromagnetische kraan" telkens vervangen door de woorden "Gestuurde afsluiter".
Art. 180. A l'annexe 5.16.6.2 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "Une détection de niveau élevé fixe" sont remplacés par les mots "Un détecteur de haut niveau" ;
  2° le membre de phrase "Une défaillance de la mesure de niveau doit conduire à la fermeture de la vanne électromagnétique (8) dans la conduite de remplissage" est remplacé par le membre de phrase " La soupape d'arrêt automatique (8) dans la conduite de remplissage est uniquement ouverte pendant le remplissage et en cas d'une mesure de niveau apte " ;
  3° le membre de phrase " La vanne électromagnétique (8) dans la conduite de remplissage est fermée automatiquement dès que le niveau élevé est atteint, à la fois par la mesure de niveau et par la détection du niveau élevé " est remplacé par le membre de phrase " La soupape d'arrêt automatique (8) dans la conduite de remplissage est fermée automatiquement dès que le niveau élevé est atteint, par la mesure de niveau " ;
  4° le membre de phrase " La vanne électromagnétique (8) dans la conduite de remplissage est ouverte uniquement pendant le remplissage " est remplacé par le membre de phrase " La soupape d'arrêt automatique (8) dans la conduite de remplissage est en outre fermée automatiquement par la détection de niveau élevé fixe dès que le niveau élevé est atteint. " ;
  5° les mots " vannes électromagnétiques " sont chaque fois remplacés par les mots " soupapes d'arrêt automatiques " ;
  6° au tableau, les mots " vanne électromagnétique " sont chaque fois remplacés par les mots " soupape d'arrêt automatique ".
Art. 181. In bijlage 5.17.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "De controle bij de bouw van verticale houders" worden vervangen door de woorden "De controle bij ter plaatse gebouwde verticale houders";
  2° het woord "prototypekeurig" en het woord "opgenommen" worden respectievelijk vervangen door het woord "prototypekeuring" en het woord "opgenomen";
  3° de volgende alinea wordt toegevoegd :
  "De geldigheidstermijn van het attest van prototypekeuring bedraagt maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest. Voor houders waarvan het attest van prototypekeuring geen einddatum vermeldt of een termijn van meer dan vijf jaar vermeldt, blijven de attesten nog geldig voor de langstdurende termijn, die wordt bepaald op een van de volgende wijzen :
  1° maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest;
  2° maximaal een termijn tot en met 1 juni 2017.".
Art. 181. A l'annexe 5.17.2 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 15 juin 1999 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " Le contrôle lors de la construction de réservoirs verticaux " sont remplacés par les termes " Le contrôle auprès de réservoirs verticaux construits sur place " ;
  2° dans la version néerlandaise, le mot " prototypekeurig " et le mot " opgenommen " sont respectivement remplacés par le mot " prototypekeuring " et le mot " opgenomen " ;
  3° l'alinéa suivant est ajouté :
  " Le délai de validité de l'attestation de l'inspection du prototype n'excède pas cinq ans à compter de la date de l'attestation. Pour les réservoirs dont l'attestation de l'inspection du prototype ne mentionne pas de date limite ou un délai de plus de cinq ans, les attestations restent valables pour le délai le plus long, qui est défini sur la base d'une des manières suivantes :
  1° au maximum cinq ans à compter de la date de l'attestation ;
  2° le délai court au maximum jusqu'au 1 juin 2017 inclus. ".
Art. 182. Aan bijlage 5.17.3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt de volgende alinea toegevoegd :
  "De geldigheidstermijn van het attest van prototypekeuring bedraagt maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest. Voor permanente lekdetectiesystemen waarvan het attest van prototypekeuring geen einddatum vermeldt of een termijn van meer dan vijf jaar vermeldt, blijven de attesten nog geldig voor de langstdurende termijn, die wordt bepaald op een van de volgende wijzen :
  1° maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest;
  2° maximaal een termijn tot en met 1 juni 2017.".
Art. 182. A l'annexe 5.17.3 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, l'alinéa suivant est ajouté :
  " Le délai de validité de l'attestation de l'inspection du prototype n'excède pas cinq ans à compter de la date de l'attestation. Pour les systèmes permanents de détection de fuites, dont l'attestation de l'inspection du prototype ne mentionne pas de date limite ou un délai de plus de cinq ans, les attestations restent valables pour le délai le plus long, qui est défini sur la base d'une des manières suivantes :
  1° au maximum cinq ans à compter de la date de l'attestation ;
  2° au maximum un délai jusqu'au 1 juin 2017 inclus. ".
Art. 183. Aan bijlage 5.17.7 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt de volgende alinea toegevoegd :
  "De geldigheidstermijn van het attest van prototypekeuring bedraagt maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest. Voor overvulbeveiligingen waarvan het attest van prototypekeuring geen einddatum vermeldt of een termijn van meer dan vijf jaar vermeldt, blijven de attesten nog geldig voor de langstdurende termijn, die wordt bepaald op een van de volgende wijzen :
  1° maximaal vijf jaar vanaf de datum van het attest ;
  2° maximaal een termijn tot en met 1 juni 2017.".
Art. 183. A l'annexe 5.17.7 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2011 et 16 mai 2014, l'alinéa suivant est ajouté :
  " Le délai de validité de l'attestation de l'inspection du prototype n'excède pas cinq ans à compter de la date de l'attestation. Pour les dispositifs antidébordement dont l'attestation de l'inspection du prototype ne mentionne pas de date limite ou un délai de plus de cinq ans, les attestations restent valables pour le délai le plus long, qui est défini sur la base d'une des manières suivantes :
  1° au maximum cinq ans à compter de la date de l'attestation ;
  2° au maximum un délai jusqu'au 1 juin 2017 inclus. ".
Art. 184. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van bijlage 5.17.8, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, vervangen door wat volgt :
  "Aanvraagformulier bevoegde deskundige".
Art. 184. Dans le même arrêté, l'intitulé de l'annexe 5.17.8, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, est remplacé par la disposition suivante :
  "Formulaire de demande expert compétent"
Art. 185. Bijlage 5.17.8 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt vervangen door de bijlage die als bijlage 7 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 185. L'annexe 5.17.8 au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, est remplacée par l'annexe jointe comme annexe 7 au présent arrêté.
Art. 186. Bijlage 5.17.13 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt opgeheven.
Art. 186. L'annexe 5.17.13 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est abrogée.
Art. 187. In bijlage 5.30.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2003, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "met uitzondering van de dioxines en furanen" vervangen door de woorden "met uitzondering van dioxinen en furanen en benzeen".
Art. 187. Dans l'annexe 5.30.1 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2003, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " à l'exception de la dioxines et furanes " sont remplacés par les mots " à l'exception de dioxines et de furanes et de benzène ".
Art. 188. In bijlage 5.59.1, 1, bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de tabel vervangen door wat volgt :
  "
Art. 188. Dans l'annexe 5.59.1, 1, du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le tableau est remplacé par le tableau suivant :
  "
Drempelwaarde (verbruik oplosmiddelen in ton/jaar) emissiegrenswaarde in afgassen (mg C/Nm3) diffuse emissiegrens-
  waarde (percentage oplosmiddeleninput)
totale emissiegrenswaarde
> 15 - 25 100 30 (1) /
> 25 - 200 20 30 (1) /
> 200 20 (2) 30 (1) (2) 10 % van het inktverbruik (2) (3)
(1) Resten oplosmiddelen in het eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.
(2) In afwijking van artikel 5.59.2.1, § 1, eerste lid, moet zowel aan de geleide, diffuse, als totale emissiegrenswaarde worden voldaan.
(3) In afwijking van deze emissiegrenswaarde geldt tot en met 1 september 2018 voor inrichtingen die voor 1 januari 2009 reglementair in bedrijf gesteld zijn, een totale emissiegrenswaarde van 15% van het inktverbruik.
Drempelwaarde (verbruik oplosmiddelen in ton/jaar) emissiegrenswaarde in afgassen (mg C/Nm3) diffuse emissiegrens-
  waarde (percentage oplosmiddeleninput) totale emissiegrenswaarde> 15 - 25 100 30 (1) /> 25 - 200 20 30 (1) /> 200 20 (2) 30 (1) (2) 10 % van het inktverbruik (2) (3) (1) Resten oplosmiddelen in het eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd. (2) In afwijking van artikel 5.59.2.1, § 1, eerste lid, moet zowel aan de geleide, diffuse, als totale emissiegrenswaarde worden voldaan. (3) In afwijking van deze emissiegrenswaarde geldt tot en met 1 september 2018 voor inrichtingen die voor 1 januari 2009 reglementair in bedrijf gesteld zijn, een totale emissiegrenswaarde van 15% van het inktverbruik.
".
valeur seuil (consommation de solvants en tonnes/an) Valeur limite d'émission dans les gaz résiduaires (mg C/Nm3) Valeur limite d'émission diffuse (pourcentage d'input de solvants) Valeur limite d'émission totale
> 15 - 25
  
100
  
30 (1)
  
/
> 25 - 200
  
20
  
30 (1)
  
/
> 200 20 (2) 30 (12) 10 % de la consommation d'encre (2) (3)
(1) Les résidus de solvants dans le produit fini ne sont pas considérés comme faisant partie des émissions diffuses.
(2) Par dérogation à l'article 5.59.2.1, § 1er, premier alinéa, il faut satisfaire à la fois aux valeurs limites d'émissions canalisées, diffuses et totales.
(3) Par dérogation à cette valeur limite d'émission, une valeur limite d'émissions totale de 15 % de la consommation d'encre s'applique jusqu'au 1 septembre 2018 inclus pour les établissements qui ont été mis en service de façon réglementaire avant le 1er janvier 2009.
valeur seuil (consommation de solvants en tonnes/an) Valeur limite d'émission dans les gaz résiduaires (mg C/Nm3) Valeur limite d'émission diffuse (pourcentage d'input de solvants) Valeur limite d'émission totale> 15 - 25
100
30 (1)
/> 25 - 200
20
30 (1)
/> 200 20 (2) 30 (12) 10 % de la consommation d'encre (2) (3) (1) Les résidus de solvants dans le produit fini ne sont pas considérés comme faisant partie des émissions diffuses. (2) Par dérogation à l'article 5.59.2.1, § 1er, premier alinéa, il faut satisfaire à la fois aux valeurs limites d'émissions canalisées, diffuses et totales. (3) Par dérogation à cette valeur limite d'émission, une valeur limite d'émissions totale de 15 % de la consommation d'encre s'applique jusqu'au 1 septembre 2018 inclus pour les établissements qui ont été mis en service de façon réglementaire avant le 1er janvier 2009.
".
Art. 189. Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een bijlage 6.12 toegevoegd, die als bijlage 8 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 189. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015, une annexe 6.12 jointe en tant qu'annexe 8 au présent arrêt, est ajoutée.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement
Art. 190. In bijlage II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1 wordt punt a) opgeheven;
  2° in punt 1, c) wordt de zin "° Waterbeheersingsprojecten op onbevaarbare waterlopen, zoals de aanleg van overstromingsgebieden, wachtbekkens of van nieuwe waterlopen, die gelegen zijn in of een aanzienlijke invloed kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied, met uitzondering van instandhoudings-, herstel- of onderhoudswerken." opgeheven;
  3° punt 10, h), wordt vervangen door wat volgt :
  "h) ° Werken op of langs niet-kunstmatige bevaarbare waterlopen, namelijk :
  1) verbreden of verdiepen van de vaargeul;
  2) aanleg van stuwen.
  ° Werken ter beperking van overstromingen, namelijk :
  1) aanleg van overstromingsgebieden met een volumecapaciteit van 250.000 m3 of meer;
  2) aanleg van dijken met een lengte van 500 m of meer.".
  4° aan punt 11, k), wordt de zinsnede "met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag" toegevoegd.
Art. 190. A l'annexe II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 15 juillet 2011, 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 1er, le point a) est abrogé ;
  2° au point 1, c) la phrase " Projets d'hydraulique sur des cours d'eau non navigables, tels que l'aménagement de zones inondables, bassins d'attente ou nouveaux cours d'eau qui sont situés dans ou ont des effets notables sur une zone spécialement protégée, à l'exception des travaux de maintien, de restauration ou d'entretien. " est abrogée ;
  3° le point 10, h) est remplacé par le texte suivant :
  " h) ° Ouvrages sur ou le long des cours d'eau navigables non artificiels, à savoir :
  1) l'élargissement ou l'approfondissement du chenal ;
  2) la construction de barrages.
  ° Ouvrages en vue de limiter les inondations, à savoir :
  1) aménagement de zones inondables d'une capacité volumique de 250,000 mo ou plus ;
  2) aménagement de digues d'une longueur de 500 m ou plus. "
  4° au point 11, k), le membre de phrase " d'une capacité de traitement supérieure à 10 tonnes par jour " est ajouté.
Art. 191. In punt 1, a), van bijlage III bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "(projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)" opgeheven.
Art. 191. Au point 1er, a) de l'annexe III du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le membre de phrase " (projets qui n'ont pas été repris à l'annexe II) " est abrogé.
Art. 192. Aan punt 10 van bijlage III bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt een punt l) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "l) Werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (flood relief werken) (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen);".
Art. 192. Au point 10 de l'annexe III au même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, il est ajouté un point l), ainsi rédigé :
  " l) Travaux de canalisation et d'atténuation des inondations (flood relief) (projets qui ne figurent pas à l'annexe II) ; ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
CHAPITRE 4. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Art. 193. In artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "toezichthoudende ambtenaar" vervangen door het woord "toezichthouder".
Art. 193. A l'article 2, 5° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " fonctionnaire de surveillance " sont remplacé par " autorité de contrôle ".
Art. 194. In artikel 4, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden voor de woorden "in het rookgasafvoerkanaal" de woorden "het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en" ingevoegd.
Art. 194. Dans l'article 4, § 2, 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " dans le conduit d'évacuation placé selon le code de bonne pratique et " sont insérés devant les mots " dans le conduit d'évacuation ".
Art. 195. In artikel 5, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden voor de woorden "in het rookgasafvoerkanaal" de woorden "het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en" ingevoegd.
Art. 195. Dans l'article 5, § 2, 1°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " dans le conduit d'évacuation placé selon le code de bonne pratique et " sont insérés devant les mots " dans le conduit d'évacuation ".
Art. 196. In artikel 6, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de woorden "technische handleiding van het toestel" vervangen door de woorden "code van goede praktijk".
Art. 196. Dans l'article 6, § 2, 1° du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les mots " manuel technique de l'appareil " sont remplacés par les mots " code de bonne pratique ".
Art. 197. In artikel 8, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt in de tabel de rij
  "
Art. 197. Dans l'article 8, 4° du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, la ligne dans le tableau
  "
Gasvormige brandstof >= 20 kW Tweejaarlijks erkende technicus gasvormige brandstof atmosferische gasketels en gasunits : niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander : niveau GII
Gasvormige brandstof >= 20 kW Tweejaarlijks erkende technicus gasvormige brandstof atmosferische gasketels en gasunits : niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander : niveau GII
"
  vervangen door de volgende rij :
  "
Combustibles gazeux >= 20 kW Tous les deux ans technicien agréé en combustibles gazeux chaudière atmosphérique à gaz niveaux G1, G2, chaudière à gaz à brûleur ventilé : niveau GII
Combustibles gazeux >= 20 kW Tous les deux ans technicien agréé en combustibles gazeux chaudière atmosphérique à gaz niveaux G1, G2, chaudière à gaz à brûleur ventilé : niveau GII
"
  est remplacée par la ligne suivante :
  "
Gasvormige brandstof >= 20 kW Tweejaarlijks erkende technicus gasvormige brandstof gasketels met niet-premix- of premixbrander : niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander : niveau GII
Gasvormige brandstof >= 20 kW Tweejaarlijks erkende technicus gasvormige brandstof gasketels met niet-premix- of premixbrander : niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander : niveau GII
".
Combustibles gazeux >= 20 kW Tous les deux ans technicien agréé combustibles gazeux chaudières à gaz à brûleur à prémélange ou non : niveau GI ou GII, chaudière à gaz à brûleur ventilé : niveau GII
Combustibles gazeux >= 20 kW Tous les deux ans technicien agréé combustibles gazeux chaudières à gaz à brûleur à prémélange ou non : niveau GI ou GII, chaudière à gaz à brûleur ventilé : niveau GII
".
Art. 198. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "het keuringsrapport" en de woorden "bij het toestel" de woorden "of een duplicaat daarvan" ingevoegd;
  2° in paragraaf 2 worden tussen het woord "minstens" en de woorden "de attesten" de woorden "de duplicaten van" ingevoegd;
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "afdeling of van de toezichthoudende ambtenaar" vervangen door het woord "toezichthouder".
Art. 198. A l'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1, les mots " ou un double de celle-ci " sont insérés entre les mots " rapport d'inspection " et les mots " reste près de l'appareil " ;
  2° au paragraphe 2, les mots " les doubles des " sont insérés entre les mots " au moins " et le mot " attestations " ;
  3° au paragraphe 4, les mots " la division ou du fonctionnaire-contrôleur " sont remplacés par les mots " autorité de contrôle ".
Art. 199. Aan artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4. De persoon die belast is met het uitvoeren van de keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
  1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
  2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.".
Art. 199. A l'article 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. La personne chargée de l'exécution de l'inspection en vue de la première mise en service d'une nouvelle chaudière centrale, dispose d'un agrément en tant que :
  1° technicien en combustibles gazeux lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux ;
  2° technicien en combustibles liquides lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux. ".
Art. 200. In artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "Hoofdstuk I" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk I";
  2° in paragraaf 2, 1°, worden tussen de woorden "de algemene staat" en de woorden "van het centrale stooktoestel" de woorden "en de veilige staat van werking" ingevoegd;
  3° in paragraaf 3, 1°, worden tussen de woorden "de algemene staat" en de woorden "van het centrale stooktoestel" de woorden "en de veilige staat van werking" ingevoegd;
  4° in paragraaf 4, 1°, worden tussen de woorden "de algemene staat" en de woorden "van het centrale stooktoestel" de woorden "en de veilige staat van werking" ingevoegd;
  5° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 5. De persoon die belast is met het uitvoeren van het onderhoud van een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
  1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
  2° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
  Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.".
Art. 200. A l'article 13 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa deux, dans la version néerlandaise, le membre de phrase " Hoofdstuk I " est remplacé par le membre de phrase " hoofdstuk I " ;
  2° au paragraphe 2, 1° , les mots " et de l'état sûr du fonctionnement " sont insérés entre les mots " l'état général " et les mots " de la chaudière centrale " ;
  3° au paragraphe 3, 1° , les mots " et de l'état sûr du fonctionnement " sont insérés entre les mots " l'état général " et les mots " de la chaudière centrale " ;
  4° au paragraphe 4, 1° , les mots " et de l'état sûr du fonctionnement " sont insérés entre les mots " l'état général " et les mots " de la chaudière centrale " ;
  5° il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
  " § 5. La personne chargée de l'exécution de l'entretien d'une chaudière centrale dispose d'un agrément en tant que :
  1° technicien en combustibles gazeux lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux ;
  2° technicien en combustibles liquides lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles liquides.
  Un ramoneur n'est autorisé à nettoyer et à contrôler le conduit d'évacuation. Lorsque le technicien ne nettoie ni ne contrôle le conduit d'évacuation lui-même, il n'entame l'entretien qu'après que l'attestation de nettoyage lui a été présentée. ".
Art. 201. Aan artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2008 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 5. De persoon die belast is met het uitvoeren van de verwarmingsaudit op een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als :
  1° technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof en het nominaal vermogen gelijk is aan of groter is dan 20 kW, maar kleiner is dan of gelijk is aan 100 kW;
  2° technicus gasvormige brandstof en technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof en het nominaal vermogen groter is dan 100 kW, of als de installatie uit verschillende ketels bestaat;
  3° technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof en het nominaal vermogen gelijk is aan of groter is dan 20 kW, maar kleiner is dan of gelijk is aan 100 kW;
  4° technicus vloeibare brandstof en technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof en het nominaal vermogen groter is dan 100 kW, of als de installatie uit verschillende ketels bestaat;
  5° technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vaste brandstof.".
Art. 201. A l'article 14 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2008 et 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. La personne chargée de l'exécution de l'audit de chauffage sur une chaudière centrale dispose d'un agrément en tant que :
  1° technicien en combustibles gazeux lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux et que la puissance nominale est égale à ou supérieure à 20 kW et inférieure ou égale à 100 kW ;
  2° technicien en combustibles gazeux et technicien en audit de chauffage lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux et que la puissance nominale est supérieure à 100 kW ou lorsque l'installation se décline en différentes chaudières ;
  3° technicien en combustibles liquides lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles gazeux et que la puissance nominale est égale à ou supérieure à 20 kW et inférieure ou égale à 100 kW ;
  4° technicien en combustibles liquides et technicien en audit de chauffage lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles liquides et que la puissance nominale est supérieure à 100 kW ou lorsque l'installation se décline en différentes chaudières ;
  5° technicien en audit de chauffage lorsque la chaudière centrale est alimentée avec des combustibles solides. ".
Art. 202. In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "afdeling of van de toezichthoudende ambtenaar" worden telkens vervangen door het woord "toezichthouder";
  2° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 6. De persoon die het keuringsrapport, reinigings- of verbrandingsattest of verwarmingsauditrapport opstelt en overhandigt aan de eigenaar of gebruiker van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof, moet op het moment van de uitreikingen daarvan over een erkenning als vermeld in hoofdstuk IV beschikken.
  Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.".
Art. 202. Dans l'article 15 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " la division ou du fonctionnaire-contrôleur " sont remplacés chaque fois par le mot " autorité de contrôle " ;
  2° le paragraphe 6 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 6. La personne qui établit le rapport d'inspection, l'attestation de nettoyage ou de combustion ou le rapport de l'audit de chauffage et qui les remet au propriétaire ou à l'usager d'une chaudière centrale alimentée de combustibles gazeux ou liquides, doit disposer d'un agrément, tel que visé au chapitre IV, au moment de la délivrance de ceux-ci.
  Un ramoneur ne peut établir une attestation de nettoyage que pour le volet concernant le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation. ".
Art. 203. In bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de woorden "toezichthoudende ambtenaren of aan de afdeling" telkens vervangen door het woord "toezichthouders".
Art. 203. A l'annexe Ière du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les mots " aux fonctionnaires chargés du contrôle ou à la division " sont chaque fois remplacés par les mots " à l'autorité de contrôle ".
Art. 204. In bijlage III bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt I wordt de rij
  "Ï atmosferische gasketel Ï gasunit Ï gasketel met ventilatorbrander"
  vervangen door de volgende rij :
  "Ï niet-premix (GI) Ï premix (GI) Ï gasketel met ventilatorbrander (GII)";
  2° in punt I worden de woorden "de toezichthoudende ambtenaren en van de Vlaamse overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie" vervangen door de woorden "de toezichthouders";
  3° in punt II wordt de tabel vervangen door de volgende tabel :
  "
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-08-2016, p. 57784-57785)
Art. 204. A l'annexe III du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point I, la ligne
  " Ï chaudière à gaz atmosphérique Ï unité de gaz Ï chaudière à gaz à brûleur ventilé "
  est remplacée par la ligne suivante :
  " Ï brûleur non pas à prémélange (GI) Ï brûleur à prémélange (GI) Ï chaudière à gaz avec brûleur ventilé (GII) "
  2° au point I, les mots " des fonctionnaires-contrôleurs et de l'Autorité flamande, département de l'Environnement, de la nature et de l'Energie " sont remplacés par les mots " de l'Autorité de contrôle ";
  3° au point II, le tableau est remplacé par le tableau suivant :
  "
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-08-2016, p. 57905-57906)
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 205. In artikel 1 van bijlage VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de zinsnede "het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014," wordt opgeheven;
  2° de rij
Art. 205. Dans l'article 1er de l'annexe VII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le membre de phrase " modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, " est abrogé ;
  2° la ligne
4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.
4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.
wordt vervangen door de volgende rij :
4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité de sécurité, hygiène et d`embellissement des lieux de travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à disposition de la division des Autorisations écologiques et de l'autorité de contrôle.
4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité de sécurité, hygiène et d`embellissement des lieux de travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à disposition de la division des Autorisations écologiques et de l'autorité de contrôle.
est remplacée par la ligne suivante :
4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.
4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.
;
  3° tussen de rij
  "
4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité pour la prévention et la protection au travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à la disposition de la division, chargée des permis d'environnement et de l'autorité de contrôle.
4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité pour la prévention et la protection au travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à la disposition de la division, chargée des permis d'environnement et de l'autorité de contrôle.
;
  3° entre la ligne
  "
4.4.2.5 en deze ter beschikking te houden van de toezichthoudende ambtenaar.
4.4.2.5 en deze ter beschikking te houden van de toezichthoudende ambtenaar.
"
  en de rij
  "
4.4.2.5. et de garder celui-ci à la disposition du fonctionnaire surveillant.
4.4.2.5. et de garder celui-ci à la disposition du fonctionnaire surveillant.
"
  et la ligne
  "
4.9.2, § 1 Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthoudende diensten
4.9.2, § 1 Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthoudende diensten
"
  worden de volgende rijen ingevoegd :
  "
4.9.2, § 1er Ce plan peut être consulté à l'établissement par les services de surveillance."
4.9.2, § 1er Ce plan peut être consulté à l'établissement par les services de surveillance."
"
  sont insérés les lignes suivantes :
  "
4.4.7.2.10, § 1, 1° of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.
4.4.7.2.10, § 1, 2° of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.
4.4.7.2.10, § 1, 1° of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.4.4.7.2.10, § 1, 2° of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.
";
  4° de rij
4.4.7.2.10, § 1, 1° La demande de consentement est remise à la division compétente pour les autorisations écologiques par lettre recommandée.
4.4.7.2.10, § 1, 2° ou de le remettre à la division chargée des permis d'environnement par lettre recommandée
4.4.7.2.10, § 1, 1° La demande de consentement est remise à la division compétente pour les autorisations écologiques par lettre recommandée.4.4.7.2.10, § 1, 2° ou de le remettre à la division chargée des permis d'environnement par lettre recommandée
";
  4° la ligne
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden : a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid en het soort (nieuw, hergebruikt, gerecycleerd of geregenereerd) koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met f) en, indien van toepassing, de naam van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; h) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder g) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen;i) significante periodes van buitenbedrijfstelling.
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden : a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid en het soort (nieuw, hergebruikt, gerecycleerd of geregenereerd) koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met f) en, indien van toepassing, de naam van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; h) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder g) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen;i) significante periodes van buitenbedrijfstelling.
wordt vervangen door de volgende rij :
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant ; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la nature et le type (nouveau, réutilisé, recyclé ou régénéré) d'agent réfrigérant ajouté à une installation de réfrigération ; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) le nom de la personne qui a effectué les opérations et les observations citées sous a) à f) inclus et, au besoin, le nom de l'entreprise qui occupe cette personne ; h) au besoin, une attestation délivrée par la personne visée sous g) concernant les opérations qu'elle a effectuées ; i) les périodes importantes de mise hors service.
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant ; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la nature et le type (nouveau, réutilisé, recyclé ou régénéré) d'agent réfrigérant ajouté à une installation de réfrigération ; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) le nom de la personne qui a effectué les opérations et les observations citées sous a) à f) inclus et, au besoin, le nom de l'entreprise qui occupe cette personne ; h) au besoin, une attestation délivrée par la personne visée sous g) concernant les opérations qu'elle a effectuées ; i) les périodes importantes de mise hors service.
est remplacée par la ligne suivante :
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden : a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) significante periodes van buitenbedrijfstelling; h) indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen; i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden : a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud. Indien de installatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel bevat, dan wordt de nominale koelmiddelinhoud zowel in metrische eenheid als in ton CO2-equivalent uitgedrukt. Indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden, moet dit vermeld worden in het logboek met de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf; b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht; c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen; d) de hoeveelheid koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd en het relatief lekverlies na elke bijvulling; e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming; f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles; g) significante periodes van buitenbedrijfstelling; h) indien de installatie buiten dienst is gesteld : de maatregelen die genomen zijn om het koelmiddel terug te winnen en te verwijderen; i) de voor- en achternaam en, indien van toepassing, het certificaatnummer van de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met h) en, indien van toepassing, de naam en het certificaatnummer van de onderneming waarbij de persoon in dienst is; j) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder i) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen.
;
  5° de rij
  "
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait mention dans le livret, avec indication du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à une installation de réfrigération et la perte par fuites relative après chaque remplissage; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) les périodes importantes de mise hors service h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer l'agent réfrigérant ; i) le prénom et le nom et, si d'application, le numéro de certificat de la personne qui a effectué les opérations et les observations citées sous a) à h) inclus et, si d'application, le nom et le numéro de certificat de l'entreprise employant cette personne ; j) si d'application, une attestation délivrée par la personne visée sous i) concernant les opérations qu'elle a effectuées.
5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de réfrigération doit tenir un livret de bord de l'installation à proximité de l'installation de réfrigération. Ce livret peut être constitué en tout ou en partie sous forme de fichier automatisé. Dans ce livret sont au moins consignés avec mention de la date : a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant. Si l'installation contient des gaz à effet de serre fluorés comme agent réfrigérant, la capacité nominale d'agent réfrigérant est exprimée tant en unité métrique qu'en tonnes d'équivalent CO2. Si l'installation utilise des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés, il doit en être fait mention dans le livret, avec indication du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération; b) la nature des travaux de contrôle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ; c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ; d) la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à une installation de réfrigération et la perte par fuites relative après chaque remplissage; e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination ; f) une description et les résultats des contrôles d'étanchéité ; g) les périodes importantes de mise hors service h) si l'installation a été mise hors service : les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer l'agent réfrigérant ; i) le prénom et le nom et, si d'application, le numéro de certificat de la personne qui a effectué les opérations et les observations citées sous a) à h) inclus et, si d'application, le nom et le numéro de certificat de l'entreprise employant cette personne ; j) si d'application, une attestation délivrée par la personne visée sous i) concernant les opérations qu'elle a effectuées.
;
  5° la ligne
  "
5.18.2.1, § 1 (...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
5.18.2.1, § 1 (...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
"
  wordt vervangen door de volgende rij :
  "
5.18.2.1, § 1er (...) L'exploitant communique la date et l'heure à laquelle il sera procédé au balisage au plus tard sept jours calendrier à la division chargée du maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles.
5.18.2.1, § 1er (...) L'exploitant communique la date et l'heure à laquelle il sera procédé au balisage au plus tard sept jours calendrier à la division chargée du maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles.
"
  est remplacée par la ligne suivante :
  "
5.18.2.1.1. (...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
5.18.2.1.1. (...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
";
  6° de rij
  "
5.18.2.1.1. (...) L'exploitant communique la date et l'heure à laquelle il sera procédé au balisage à la division chargée du maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles au plus tard sept jours calendrier au préalable.
5.18.2.1.1. (...) L'exploitant communique la date et l'heure à laquelle il sera procédé au balisage à la division chargée du maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles au plus tard sept jours calendrier au préalable.
";
  6° la ligne
  "
5.53.4.8 Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater : 1° het doel van de boring; 2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen; 3° de geologische beschrijving van de lagen, voor zover deze gekend zijn; 4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat, de uitvoering of wijziging van de put en/of andere inrichting; 5° de watervoerende laag waaruit grondwater wordt opgepompt; 6° het specifieke debiet van de put; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld; 9° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder; 10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef; 11° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties.
5.53.4.8 Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater : 1° het doel van de boring; 2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen; 3° de geologische beschrijving van de lagen, voor zover deze gekend zijn; 4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat, de uitvoering of wijziging van de put en/of andere inrichting; 5° de watervoerende laag waaruit grondwater wordt opgepompt; 6° het specifieke debiet van de put; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld; 9° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder; 10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef; 11° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties.
"
  wordt vervangen door de volgende rij :
  "
5.53.4.8. Au plus tard nonante jours après le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d'un captage d'eaux souterraines ou d'une unité de captage d'eaux souterraines dont le volume autorisé comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines : 1° le but du forage ; 2° le rapport de forage avec une description de la nature des aquifères traversés ; 3° la description de la composition géologique des couches, dans la mesure où celles-ci sont connues ; 4° la description technique de l'équipement utilisé dans le trou de forage, de l'exécution et de la transformation du puits et/ou de toute autre installation ; 5° l'aquifère duquel proviennent les eaux souterraines ; 6° le débit spécifique du puits ; 7° la qualité des eaux souterraines pompées sur la base des résultats d'analyse visés à l'article 5.53.4.5. § 1er ; 8° la profondeur des eaux souterraines au repos après développement du puits par rapport à la surface du sol ; 9° les mesures prises en vue d'éviter la pollution de l'environnement en général et celle des eaux souterraines en particulier ; 10° à partir d'un volume autorisé de 1 000 000 m3 par an, le rapport d'expertise établi après un essai de pompage ; 11° la représentation cartographique du captage à échelle 1/250 avec indication de références visibles sur le terrain.
5.53.4.8. Au plus tard nonante jours après le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d'un captage d'eaux souterraines ou d'une unité de captage d'eaux souterraines dont le volume autorisé comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines : 1° le but du forage ; 2° le rapport de forage avec une description de la nature des aquifères traversés ; 3° la description de la composition géologique des couches, dans la mesure où celles-ci sont connues ; 4° la description technique de l'équipement utilisé dans le trou de forage, de l'exécution et de la transformation du puits et/ou de toute autre installation ; 5° l'aquifère duquel proviennent les eaux souterraines ; 6° le débit spécifique du puits ; 7° la qualité des eaux souterraines pompées sur la base des résultats d'analyse visés à l'article 5.53.4.5. § 1er ; 8° la profondeur des eaux souterraines au repos après développement du puits par rapport à la surface du sol ; 9° les mesures prises en vue d'éviter la pollution de l'environnement en général et celle des eaux souterraines en particulier ; 10° à partir d'un volume autorisé de 1 000 000 m3 par an, le rapport d'expertise établi après un essai de pompage ; 11° la représentation cartographique du captage à échelle 1/250 avec indication de références visibles sur le terrain.
"
  est remplacée par la ligne suivante :
  "
5.53.4.8 Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater : 1° ...; 2° ...; 3° ...; 4° ...; 5° ...; 6° ...; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° ...; 9° ...; 10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef; 11° ....
5.53.4.8 Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater : 1° ...; 2° ...; 3° ...; 4° ...; 5° ...; 6° ...; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° ...; 9° ...; 10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef; 11° ....
";
  7° de rijen
  "
5.53.4.8. Au plus tard nonante jours après le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d'un captage d'eaux souterraines ou d'une unité de captage d'eaux souterraines dont le volume autorisé comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines : 1°. ..; 2° ...; 3° ...; 4° ...; 5° ...; 6° ...; 7° la qualité des eaux souterraines pompées sur la base des résultats d'analyse visés à l`article 5.53.4.5. § 1; 8° ...; 9° ...; 10° à partir d`un volume autorisé de 1 000 000 m 3 par an, le rapport d`expertise établi après un essai de pompage ; 11°. ..
5.53.4.8. Au plus tard nonante jours après le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d'un captage d'eaux souterraines ou d'une unité de captage d'eaux souterraines dont le volume autorisé comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines : 1°. ..; 2° ...; 3° ...; 4° ...; 5° ...; 6° ...; 7° la qualité des eaux souterraines pompées sur la base des résultats d'analyse visés à l`article 5.53.4.5. § 1; 8° ...; 9° ...; 10° à partir d`un volume autorisé de 1 000 000 m 3 par an, le rapport d`expertise établi après un essai de pompage ; 11°. ..
";
  7° les lignes
  "
5.55.1.2, vierde lid Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater :
  1° het doel van de boring;
  2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
  3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
  4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
  5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
  6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
  7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties.
5.55.1.3, § 1, tweede lid Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
5.55.1.2, vierde lid Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater :
  1° het doel van de boring;
  2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
  3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
  4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
  5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
  6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
  7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties.5.55.1.3, § 1, tweede lid Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
"
  worden opgeheven;
  8° tussen de rij
  "
5.55.1.2, quatrième alinéa Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines :1° l'objectif du forage ;
  2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré ;
  3° la description géologique de ces couches, si elle est connue ;
  4° la description technique de l'équipement du puits de forage ;
  5° la profondeur de l'eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable ;
  6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier ;
  7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.
5.55.1.3, § 1er, alinéa deux Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines.
5.55.1.2, quatrième alinéa Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines :1° l'objectif du forage ;
  2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré ;
  3° la description géologique de ces couches, si elle est connue ;
  4° la description technique de l'équipement du puits de forage ;
  5° la profondeur de l'eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable ;
  6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier ;
  7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.5.55.1.3, § 1er, alinéa deux Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines.
"
  sont abrogées ;
  8° entre la ligne
  "
5.61.2, § 4 Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd : 1° voor wat betreft de aanvoer : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem; b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem; c) de vervoerder van de uitgegraven bodem; d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem; e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem. 2° voor wat betreft de opslag : de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt. 3° voor wat betreft de afvoer : a) de bestemming van de uitgegraven bodem; b) de vervoerder van de uitgegraven bodem; c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;
5.61.2, § 4 Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd : 1° voor wat betreft de aanvoer : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem; b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem; c) de vervoerder van de uitgegraven bodem; d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem; e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem. 2° voor wat betreft de opslag : de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt. 3° voor wat betreft de afvoer : a) de bestemming van de uitgegraven bodem; b) de vervoerder van de uitgegraven bodem; c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;
"
  en de rij
  "
5.61.2, § 4 Sauf dispositions contraires stipulées par l'autorisation écologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignées au moins les données suivantes : 1° en ce qui concerne l'apport :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure du transport des terres excavées;
  b) l'origine et la provenance des terres excavées;
  c) le transporteur des terres excavées;
  d) les quantités de terres excavées apportées;
  e) des remarques sur les terres excavées apportées, y compris les terres excavées acheminées. 2° en ce qui concerne l'entreposage : le lieu où les terres livrées sont entreposées. 3° en ce qui concerne l'évacuation :
  a) la destination des terres excavées;
  b) le transporteur des terres excavées;
  c) les quantités de terres excavées évacuées;
5.61.2, § 4 Sauf dispositions contraires stipulées par l'autorisation écologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignées au moins les données suivantes : 1° en ce qui concerne l'apport :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure du transport des terres excavées;
  b) l'origine et la provenance des terres excavées;
  c) le transporteur des terres excavées;
  d) les quantités de terres excavées apportées;
  e) des remarques sur les terres excavées apportées, y compris les terres excavées acheminées. 2° en ce qui concerne l'entreposage : le lieu où les terres livrées sont entreposées. 3° en ce qui concerne l'évacuation :
  a) la destination des terres excavées;
  b) le transporteur des terres excavées;
  c) les quantités de terres excavées évacuées;
"
  et la ligne
  "
6.5.3.1, § 1, 5° dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar
6.5.3.1, § 1, 5° dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar
"
  worden de volgende rijen ingevoegd :
  "
6.5.3.1, § 1er, 5° Ce certificat est tenu à la disposition du fonctionnaire surveillant.
6.5.3.1, § 1er, 5° Ce certificat est tenu à la disposition du fonctionnaire surveillant.
"
  sont insérées les lignes suivantes :
  "
5BIS.15.5.2.7 Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ook ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
5BIS.19.8.2.7 Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ook ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
5BIS.15.5.2.7 Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ook ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.5BIS.19.8.2.7 Alle documenten en gegevens die met toepassing van dit besluit bezorgd moeten worden aan de overheid, worden ook ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van die beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.
";
  9° de rij
  "
5BIS.15.5.2.7 Tous les documents et données qui doivent être fournis à l'autorité en application du présent arrêté doivent également être mis à la disposition de la représentation syndicale au conseil d'entreprise ainsi qu'au comité de prévention et de protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
5BIS.19.8.2.7 Tous les documents et données qui doivent être fournis à l'autorité en application du présent arrêté doivent également être mis à la disposition de la représentation syndicale au conseil d'entreprise ainsi qu'au comité de prévention et de protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
5BIS.15.5.2.7 Tous les documents et données qui doivent être fournis à l'autorité en application du présent arrêté doivent également être mis à la disposition de la représentation syndicale au conseil d'entreprise ainsi qu'au comité de prévention et de protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.5BIS.19.8.2.7 Tous les documents et données qui doivent être fournis à l'autorité en application du présent arrêté doivent également être mis à la disposition de la représentation syndicale au conseil d'entreprise ainsi qu'au comité de prévention et de protection au travail. En l'absence des deux organes, les documents et données sont mis à la disposition de la délégation syndicale de l'entreprise.
";
  9° la ligne
  "
6.5.4.4 Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de gemachtigde installateur of de erkende technicus aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.
6.5.4.4 Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de gemachtigde installateur of de erkende technicus aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.
"
  wordt vervangen door de volgende rij :
  "
6.5.4.4. Lors de la réception de l'installation de stockage, l'installateur habilité ou le technicien agréé remet au propriétaire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriétaire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation.
6.5.4.4. Lors de la réception de l'installation de stockage, l'installateur habilité ou le technicien agréé remet au propriétaire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriétaire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation.
"
  est remplacée par la ligne suivante :
  "
6.5.4.4 Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.
6.5.4.4 Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de erkende technicus of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.
".
6.5.4.4. Lors de la réception de l'installation de stockage, le technicien agréé ou un expert environnemental dans la discipline de réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses remet au propriétaire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriétaire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation.
6.5.4.4. Lors de la réception de l'installation de stockage, le technicien agréé ou un expert environnemental dans la discipline de réservoirs pour substances gazeuses ou dangereuses remet au propriétaire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriétaire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation.
".
Art. 206. In artikel 2 van bijlage VII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, wordt de zinsnede "het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 01 maart 2013," opgeheven.
Art. 206. A l'article 2 de l'annexe VII du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, le membre de phrase " modifié pour la dernière fois par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 " est abrogé.
Art. 207. Bijlage IX van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 207. L'annexe IX du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacée par l'annexe 9 jointe au présent arrêté.
Art. 208. Bijlage X bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 208. L'annexe X au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est abrogée.
Art. 209. Bijlage XI bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 209. L'annexe XI au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est abrogée.
Art. 210. Bijlage XIX bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 210. L'annexe XIX au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est abrogée.
Art. 211. Bijlage XX bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 211. L'annexe XX au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est abrogée.
Art. 212. Bijlage XXI bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 212. L'annexe XXI au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est abrogée.
Art. 213. Bijlage XXIII van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 213. L'annexe XXIII au même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacée par l'annexe 10 jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het VLAREL
CHAPITRE 6. - Modifications au VLAREL
Art. 214. In artikel 4 van het VLAREL, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, 17°, worden de woorden "het uitoefenen van bepaalde functies" vervangen door de zinsnede "het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden of keuringen, het uitoefenen van bepaalde functies";
  2° in paragraaf 1, 43°, a), wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 4°, b) tot en met f), 5°, a) tot en met c)" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 4°, b) tot en met f) en h) tot en met l), 5°, a) tot en met c), 7°, b) en c) en 8° ";
  3° in paragraaf 1, 43°, f), wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 7°, a)";
  4° aan paragraaf 1 worden een punt 45° tot en met 66° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "45° titel III van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties;
  46° verordening nr. 1005/2009 : verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
  47° verordening nr. 517/2014 : verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006;
  48° verordening nr. 2015/2066 : uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen;
  49° verordening nr. 2015/2067 : uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  50° verordening nr. 304/2008 : verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  51° verordening nr. 306/2008 : verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur;
  52° verordening nr. 307/2008 : verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen;
  53° gefluoreerde broeikasgassen : fluorkoolwaterstoffen, perfluorkoolstoffen, zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten als vermeld in bijlage I van verordening nr. 517/2014, afzonderlijk of in een mengsel;
  54° ozonlaagafbrekende stoffen : de stoffen die zijn opgenomen in bijlage I van verordening nr. 1005/2009, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde stoffen betreft;
  55° koelinstallatie : het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem. Het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;
  56° ton CO2-equivalent : een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan;
  57° aardopwarmingsvermogen : het klimaatopwarmingsvermogen van een broeikasgas in verhouding tot dat van CO2, berekend in termen van het opwarmingsvermogen in een periode van honderd jaar van één kilogram van een broeikasgas in verhouding tot één kilogram CO2, als opgenomen in bijlage I, II en IV van verordening nr. 517/2014 of, voor mengsels, berekend volgens de methode, vermeld in bijlage IV van verordening nr. 517/2014;
  58° brandbeveiligingsapparatuur : de apparatuur en de systemen die worden gebruikt bij brandbeveiligings- en brandblustoepassingen. Brandblussers maken hier ook deel van uit;
  59° instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt : een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sectoren voor het Garagebedrijf (P.C. 112), het Koetswerk (P.s.C. 149.02), de Metaalhandel (P.s.C. 149.04) en de Terugwinning van metalen (P.s.C. 142.01);
  60° klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen : de apparatuur die hoofdzakelijk bedoeld is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te regelen;
  61° elektrische schakelinrichtingen : schakeltoestellen en combinaties daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en reguleringsapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met de bijbehorende koppelingen, accessoires, behuizingen en ondersteunende structuren, die bedoeld zijn voor gebruik in verband met het opwekken, het overbrengen, de distributie en de omzetting van elektrische energie;
  62° installatie : het samenvoegen van twee of meer delen van apparatuur of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, om een systeem te monteren op de plaats waar het zal worden geëxploiteerd, dat met zich meebrengt dat gastransporterende geleiders van een systeem worden samengevoegd om een circuit te voltooien, ongeacht of het systeem na montage moet worden gevuld of niet;
  63° onderhoud : alle activiteiten, met uitsluiting van terugwinning en controles op lekken als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 en artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 die met zich brengen dat de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, worden geopend, namelijk het toevoegen aan het systeem van gefluoreerde broeikasgassen, het verwijderen van een of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, het opnieuw monteren van twee of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, alsook het repareren van lekkages;
  64° reparatie : het herstel van beschadigde of lekkende producten of apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan, en waarvan een onderdeel zulke gassen bevat dan wel daartoe ontworpen is;
  65° buitendienststelling : het definitieve stilleggen en buiten werking of gebruik stellen van een product of deel van de apparatuur dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat;
  66° terugwinning : het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit producten, waaronder houders, en apparatuur gedurende het onderhoud, dan wel voorafgaand aan de verwijdering van de producten of de apparatuur.";
  5° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. Voor de toepassing van artikel 25/1 en 25/2 wordt verstaan onder beschikken over : ofwel zelf beschikken over, ofwel op continue basis ter beschikking hebben via :
  1° een werknemer die zich via arbeidsovereenkomst ertoe verbindt om tegen loon en onder het gezag van de bodemsaneringsdeskundige arbeid te verrichten;
  2° een zelfstandige op voorwaarde dat hij zijn dienstverlening met betrekking tot die kennis of ervaring maximaal aan drie bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt.".
Art. 214. A l'article 4 du VLAREL, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, 17°, les mots " l'exercice de certaines fonctions " sont remplacés par le membre de phrase " l'exécution de certains travaux ou inspections, l'exercice de certaines fonctions " ;
  2° au paragraphe 1er, 43° a), le membre de phrase " visées à l'article 6, 1°, 2°, 4°, b) à f) inclus, et 5°, a) à c) inclus " est remplacé par le membre de phrase " visées à l'article 6, 1°, 2°, 4°, b) à f) inclus et h) à l) inclus, 5°, a) à c) inclus, 7° b) et c) et 8° " ;
  3° au paragraphe 1er, 43°, f), le membre de phrase " visées à l'article 6, 7° " est remplacé par le membre de phrase " visées à l'article 6, 7°, a) " ;
  4° au paragraphe 1er, les points 45° à 66° inclus sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " 45° titre III du VLAREM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 fixant des conditions environnementales générales et sectorielles supplémentaires pour les installations IPPC ;
  46° règlement n° 1005/2009 : le règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
  47° le règlement n° 517/2014 : le règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ;
  48° règlement n° 2015/2066 : règlement d'exécution (UE) 2015/2066 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques intervenant dans l'installation, l'entretien, la maintenance, la réparation ou la mise hors service des appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ou la récupération des gaz à effet de serre fluorés provenant des appareils de commutation électrique fixes ;
  49° règlement n° 2015/2067 : règlement d'exécution (UE) 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, et les unités de réfrigération de camions et remorques frigorifiques contenant des gaz à effet de serre fluorés, ainsi qu'à la certification des entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés ;
  50° règlement n° 304/2008 : règlement (CE) n° 304/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales ainsi que des conditions pour une reconnaissance mutuelle aux fins de la certification des entreprises et du personnel en ce qui concerne les systèmes de protection contre l'incendie et les extincteurs contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  51° règlement n° 306/2008 : règlement (CE) no 306/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) no 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification du personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements ;
  52° règlement n° 307/2008 : règlement (CE) no 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) no 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certains véhicules à moteur ;
  53° gaz à effet de serre fluorés : les hydrofluorocarbones, les hydrocarbures perfluorés, l'hexafluorure de soufre et d'autres gaz à effet de serre contenant du fluor énumérés à l'annexe I du règlement no 517/2014, seuls ou en mélange ;
  54° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du règlement n° 1005/2009, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou régénérées ;
  55° installation frigorifique : l'ensemble des pièces et équipements nécessaires au fonctionnement d'un système frigorifique. Il s'agit également d'installations de conditionnement d'air et de pompes à chaleur contenant un système frigorifique ;
  56° tonne d'équivalent de CO2 : une quantité de gaz à effet de serre, exprimée comme le produit du poids des gaz à effet de serre en tonnes métriques et leur potentiel de réchauffement planétaire ;
  57° potentiel de réchauffement planétaire : le potentiel de réchauffement climatique d'un gaz à effet de serre par rapport à celui du dioxyde de carbone (CO2), calculé comme le potentiel de réchauffement sur un siècle d'un kilogramme d'un gaz à effet de serre par rapport à un kilogramme de CO2, comme énoncé aux annexes I, II et IV du règlement no 517/2014 ou, pour les mélanges, calculé conformément à la méthode figurant à l'annexe IV du règlement n° 517/2014 ;
  58° équipements de protection contre l'incendie : l'équipement et les systèmes utilisés dans les applications de prévention des incendies ou de lutte contre l'incendie. Les extincteurs d'incendie en font également partie ;
  59° instance soutenant la politique des formations sectorielles : une instance soutenant la politique des formations sectorielles, telle que définie dans les conventions collectives de travail des secteurs des Entreprises du garage (C.P 112), de la Carrosserie (S.c. P. 149.02), des Entreprises commerciales du Métal (S.c.P. 149.04) et de la Récupération des métaux (S.c.P. 142.01) ;
  60° système de climatisation dans certains véhicules à moteur : l'équipement principalement destiné à régler la température de l'air et l'humidité de l'habitacle d'un véhicule ;
  61° appareils de commutation électrique : des dispositifs de commutation et des combinaisons de ceux-ci et les équipements de contrôle, de mesure, de protection et de régulation auxquels ils sont associés, ainsi que les assemblages de ces dispositifs et équipements avec les interconnexions, accessoires, enceintes et structures de support qui les accompagnent, destinés à être utilisés à des fins de production, de transmission, de distribution et de conversion d'énergie électrique ;
  62° "installation : l'assemblage d'au moins deux pièces d'équipement ou de circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, en vue de monter un système sur le lieu même de son utilisation future, et qui implique de connecter les conduites de gaz d'un système pour compléter un circuit, qu'il faille ou non recharger le système après l'assemblage ;
  63° entretien : toutes les activités, à l'exclusion de la récupération et des contrôles d'étanchéité au sens de l'article 4 du règlement no 517/2014 et de l'article 23 du règlement no 1005/2009 qui impliquent que les circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, sont accédés, notamment l'ajout au système de gaz à effet de serre fluorés, l'enlèvement d'une ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement, le ré-assemblage de deux ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement de même que la réparation de fuites ;
  64° réparation : la réparation de produits ou d'équipements contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ou qui en sont tributaires, qui sont endommagés ou présentent une fuite et dont une partie contient ou est conçue pour contenir de tels gaz ;
  65° mise hors service : l'arrêt définitif d'un produit ou d'une pièce d'équipement contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et son retrait du service ou la fin de son utilisation ;
  66° récupération : la collecte et le stockage des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone contenus dans des produits, y compris les conteneurs, et des équipements lors de la maintenance ou de l'entretien de ces produits ou équipements ou préalablement à leur élimination. " ;
  5° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Pour l'application des articles 25/1 et 25/2, on entend par disposer de : avoir soi-même à sa disposition ou avoir à sa disposition permanente à travers :
  1° un travailleur qui s'engage, via un contrat de travail, à travailler contre rémunération et sous l'autorité de l'expert en assainissement du sol ;
  2° une personne indépendante, à condition qu'elle mette ses services relatifs à ces connaissances ou cette expérience à disposition de trois experts en assainissement du sol au maximum. ".
Art. 215. In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan punt 2° worden een punt e) tot en met i) toegevoegd, die luiden als volgt :
  "e) koeltechnicus van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
  f) technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
  g) technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
  h) technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
  i) technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 5.15.0.8, artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;";
  2° aan punt 4° worden een punt h) tot en met l) toegevoegd, die luiden als volgt :
  "h) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
  i) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
  j) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
  k) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
  l) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 5.15.0.8, artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;";
  3° in punt 5° worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in punt a), b), en e) wordt de zinsnede "titel I en titel II van het VLAREM" vervangen door de zinsnede "titel I, II en III van het VLAREM";
  b) in punt c) wordt de zinsnede "vermeld in artikel 9, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 59, § 1 en artikel 60, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid";
  4° punt 7° wordt vervangen door wat volgt :
  "7° bedrijven :
  a) boorbedrijf met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines, waarbij de boringen die uitgevoerd worden in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, funderingsboringen, handboringen en horizontale boringen voor zover die niet vergunningsplichtig zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze disciplines :
  1) bemalingen en draineringen : bemalingen en draineringen als vermeld in rubriek 53.2, 53.3, 53.4 en 53.5 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
  2) andere grondwaterwinningen : andere grondwaterwinningen dan de grondwaterwinningen, vermeld in punt 1);
  3) stabiliteitsboringen en geotechnische boringen, met uitzondering van stabiliteitsboringen en geotechnische boringen als vermeld in rubriek 55.2 en 55.3 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
  4) verticale boringen : verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);
  5) andere boringen : andere boringen dan de boringen, vermeld in punt 1) tot en met 4);
  b) koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
  c) bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;";
  5° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "8° keuringsinstelling voor het keuren van een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 25/4, 4°. ".
Art. 215. Dans l'article 6 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 2° sont ajoutés les points e) à i) inclus, ainsi rédigés :
  " e) technicien en froid de catégorie I, II, III ou IV, visé à l'article 5.2.2.5.2, § 9, à l'article 5.16.3.3, § 1bis, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 1er, à l'article 5 bis.19.8.4.8.4, § 1er, ou à l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM ;
  f) technicien en dispositifs de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ;
  g) technicien en dispositifs de commutation, tel que visé à l'article 4.4.8.2 ou à l'article 6.8.3.1 du titre II du VLAREM ;
  h) technicien pour les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 4.4.8.3 ou à l'article 6.8.4.1 du titre II du VLAREM ;
  i) technicien pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur comme indiqué à l'article 5.15.0.8, à l'article 5bis.15.5.2.3, § 1er, ou à l'article 6.8.5.1 du titre II du VLAREM ou à l'article 5.2.4.4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets ; " ;
  2° le point 4° est complété par les points h) à l), rédigés comme suit :
  " h) pour la délivrance du certificat d'aptitude en matière de technique frigorifique de la catégorie I, II, III ou IV et pour l'examen de mise à jour, visé à l'article 5.2.2.5.2, § 9, à l'article 5.16.3.3, § 1bis, à l'article 5 bis.15.5.4.5.4, § 1er, à l'article 5 bis.19.8.4.8.4, § 1er, et à l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM ;
  i) pour la délivrance du certificat d'aptitude d'équipements de protection contre l 'incendie visé à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ;
  j) pour la délivrance du certificat d'aptitude de commutations électriques, visé à l'article 4.4.8.2 ou à l'article 6.8.3.1 du titre II du VLAREM ;
  k) pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visé à l'article 4.4.8.3 ou à l'article 6.8.4.1 du titre II du VLAREM ;
  l) pour la délivrance du certificat d'aptitude pour des systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 5.15.0.8, à l'article 5bis.15.5.2.3, § 1er, ou à l'article 6.8.5.1 du titre II du VLAREM ou à l'article 5.2.4.4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets ; " ;
  3° au point 5°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au point 2°, le membre de phrase " titre I et titre II du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " titre I, II et III du VLAREM " ;
  b) au point c), le membre de phrase " visé à l'article 9, § 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 59, § 1er et à l'article 60 § 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune " ;
  4° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  7° entreprises :
  a) entreprises de forage relatives à une ou plusieurs des disciplines suivantes, où les forages exécutés dans le cadre du décret relatif au sol et de ses arrêtés d'exécution, les forages de fondation, les forages manuels et les forages horizontaux sont exclus du champ d'application de des disciplines suivantes, pour autant qu'ils ne sont pas soumis à autorisation :
  1) épuisements et drainages : épuisements et drainages tels que visés aux rubriques 53.2, 53.3, 53.4 et 53.5 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM ;
  2) autres captages d`eaux souterraines : des captages d`eaux souterraines autres que les captages d`eaux souterraines, visés au point 1) ;
  3) forages de stabilité et forages géotechniques, à l'exception des forages de stabilité et forages géotechniques tels que visés aux rubriques 55.2 et 55.3 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM ;
  4) forages verticaux : forages verticaux tels que visés à la rubrique 55.1 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM, à l'exception des forages, visés au point 3) ;
  5) autres forages : les forages autres que les forages, visés aux points 1) à 4) inclus ;
  b) entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 1er, à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 1er, ou à l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM ;
  c) entreprise en dispositifs de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ; " ;
  5° il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
  " 8° organisme de contrôle pour le contrôle d'une entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 25/4, 4°. ".
Art. 216. In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt :
  "3° als de erkenning wordt aangevraagd voor het domein E, over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken die niet ouder is dan één jaar, gegeven op basis van de werkwijze en gebruikte meetapparatuur bij de meting van de damp-benzineverhouding door de aanvrager.".
Art. 216. Dans l'article 9 du même arrêté, il est inséré un point 3°, rédigé comme suit :
  " 3° lorsque l'agrément est demandé pour le domaine E, disposer d'une évaluation positive ne remontant pas à plus d'un an, délivrée par le laboratoire de référence de la Région flamande sur la base de la méthode et des instruments de mesure utilisés pour la mesure du rapport vapeur-essence par le demandeur. ".
Art. 217. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 27 februari 2015, worden een artikel 17/1 tot en met 17/5 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 17/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/6, § 1;
  3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h).
  Art. 17/2. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/7, § 1;
  3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i).
  Art. 17/3. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/8, § 1;
  3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j).
  Art. 17/4. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/9, § 1;
  3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k).
  Art. 17/5. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/10, § 1;
  3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l).".
Art. 217. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013, 16 mai 2014 et 27 février 2015, sont insérés les articles 17/1 à 17/5 inclus, rédigés comme suit :
  " Art. 17/1. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) :
  1° être une personne physique ;
  2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de technique frigorifique de catégorie I, II, III ou IV, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/6, § 1er ;
  3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h).
  Art. 17/2. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en appareils de protection contre l'incendie, tels que visés à l'article 6, 2°, f) :
  1° être une personne physique ;
  2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de dispositifs de protection contre l'incendie, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, i), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/7, § 1er ;
  3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, i).
  Art. 17/3. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens pour commutations électriques, tels que visés à l'article 6, 2°, g) :
  1° être une personne physique ;
  2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de commutations électriques, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, j), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/8, § 1er ;
  3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, j).
  Art. 17/4. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens pour équipements contenant des solvants, tels que visés à l'article 6, 2°, h) :
  1° être une personne physique ;
  2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière d'équipements contenant des solvants, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, k), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/9, § 1er.
  3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, k).
  Art. 17/5. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 2°, i) :
  1° être une personne physique ;
  2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, l), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/10, § 1er.
  3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, l). ".
Art. 218. In artikel 24/1, 3°, a), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "de voorzitter van de examenjury is" vervangen door de woorden "de examenjury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een".
Art. 218. A l'article 24/1, 3°, a), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " le président du jury d'examen " sont remplacés par les mots " le jury d'examen est composé d'au moins deux spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un ".
Art. 219. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 27 februari 2015, worden een artikel 24/3 tot en met 24/7 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 24/3. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h) :
  1° beschikken over degelijke procedures om het examen in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, vermeld in artikel 43/6, § 1, en het actualisatie-examen, vermeld in artikel 43/6, § 2, te organiseren;
  2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek;
  b) minstens drie juryleden, respectievelijk twee juryleden, beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in geval van een examen van categorie I, II of III, respectievelijk categorie IV of actualisatie-examen. Het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
  c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de koelsector. Deze voorwaarde is niet van toepassing in geval van een actualisatie-examen.
  Art. 24/4. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i) :
  1° beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/7, § 1, te organiseren;
  2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over brandbeveiligingsapparatuur;
  b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over brandbeveiligingsapparatuur;
  c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de brandbeveiligingsapparatuursector.
  Art. 24/5. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j) :
  1° beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/8, § 1, te organiseren;
  2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) de jury bestaat uit minstens twee personen van wie een wordt aangewezen als voorzitter;
  b) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden :
  1) in het bezit zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
  2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
  3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
  c) de persoon die de jury bijstaat tijdens het praktijkgedeelte van het examen, heeft praktijkervaring met de toestellen waarop het examen plaatsvindt.
  Art. 24/6. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k) :
  1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding en het examen, vermeld in artikel 43/9, § 1, te organiseren;
  2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens met betrekking tot de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
  b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over het terugwinnen van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit apparatuur.
  Art. 24/7. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l) :
  1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding en het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/10, § 1, te organiseren;
  2° het personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht, beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 11°, en staat onder leiding van een persoon die in het bezit is van een bachelor in de autotechnologie, een master in de ingenieurswetenschappen, een master in de industriële wetenschappen of een master in de bio-ingenieurswetenschappen, of van een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het geven van opleidingen in die materie. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
  3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) er is altijd minstens één jurylid aanwezig per vier cursisten die het praktisch onderdeel van het examen gelijktijdig afleggen;
  b) er wordt altijd een jurylid aangewezen als voorzitter;
  c) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden :
  1) in het bezit zijn van een bachelor in de autotechnologie, master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
  2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
  3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
  d) minstens de helft van de juryleden beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 11°. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
  e) minstens één jurylid heeft praktijkervaring met de toestellen die worden gebruikt bij het examen.".
Art. 219. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013, 16 mai 2014 et 27 février 2015, sont insérés les articles 24/3 à 24/7 inclus, rédigés comme suit :
  " Art. 24/3. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique du froid de la catégorie I, II, III ou IV et pour l'examen de mise à jour, tels que visés à l'article 6, 4°, h) :
  1° disposer de procédures efficaces pour organiser l'examen en technique du froid de la catégorie I, II, III ou IV, visé à l'article 43/6, § 1er, et l'examen de mise à jour, visé à l'article 43/6, § 2 ;
  2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
  a) le président du jury d'examen est diplômé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', 'bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering' ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matière d'organisation d'examens sur la technique frigorifique ;
  b) d'au moins trois membres du jury, respectivement, deux membres du jury possèdent une reconnaissance en tant que technicien frigoriste visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, en cas de concours de catégorie I, II ou III ou catégorie IV actualisatie-examen respectivement. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury ;
  c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique. Cette condition ne s'applique pas dans le cas d'une actualisatie-examen.
  Art. 24/4. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
  1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 7, § 1er;
  2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
  a) le président du jury d'examen est diplômé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matière d'organisation d'examens sur les systèmes de protection contre l'incendie;
  b) au moins deux membres du examenjury sont des spécialistes en la matière sur les équipements de protection contre l'incendie;
  c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique.
  Art. 24/5. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
  1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 8, § 1er;
  2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
  a) le jury est composé d'au moins deux personnes, dont une est désignée comme président;
  b) à cet effet, les membres du jury doivent remplir au moins l'une des conditions suivantes :
  1) in het bezit zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
  2) disposer d'au moins trois ans d'expérience justifiable en examens en une ou plusieurs aptitudes ou connaissances telles que visées à l'annexe du Règlement de la Commission;
  3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
  c) la personne qui assiste le jury pendant la partie pratique de l'examen a une expérience pratique avec les appareils utilisés lors de l'examen.
  Art. 24/6. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
  1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 43, § 1er;
  2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
  a) le président du jury d'examen est titulaire d'un master ingénieur, d'un master en sciences bio-ingénieur, d'un master en sciences industrielles ou est une personne ayant au moins trois ans d'expérience démontrable en tant qu'examinateur en matière de récupération de certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  b) au moins deux membres du jury d'examen sont spécialistes en matière de récupération de certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone contenus dans des équipements.
  Art. 24/7. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 4°, l) :
  1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 43/0, § 1er ;
  2° le personnel chargé de l'enseignement théorique et pratique dispose d'un agrément en tant que technicien en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 11° et agit sous la direction d'une personne qui est titulaire d'un baccalauréat en technologie automobile, d'un master ingénieur, d'un master en sciences industrielles ou d'un master en sciences bio-ingénieur, ou d'une personne ayant au moins trois ans d'expérience démontrable en ce qui concerne les cours donnés en cette matière. Le certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne ;
  3° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
  a) au moins un membre du jury est toujours présent par quatre cursistes présentant la partie pratique de l'examen en même temps ;
  b) un membre du jury est toujours désigné comme président ;
  c) les membres du jury répondent au minimum à une des conditions suivantes :
  1) être bachelier en technologie automobile, master ingénieur, master en sciences bio-ingénieur ou en sciences industrielles ;
  2) disposer d'au moins trois ans d'expérience démontrable en tant qu'examinateur en matière d'une ou de plusieurs aptitudes ou matières, telles que visées à l'annexe au règlement n° 307/2008 ;
  3) disposer d'au moins trois ans d'expérience démontrable dans une ou plusieurs aptitudes ou matières, telles que visées à l'annexe au règlement n° 307/2008 ;
  d) au moins la moitié des membres du jury dispose d'un agrément comme technicien en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 11°. Le certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury ;
  e) au moins un membre du jury a de l'expérience pratique en ce qui concerne les appareils utilisés lors de l'examen. ".
Art. 220. Artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 25. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5° :
  1° voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken, gegeven op basis van de evaluatie van beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen die door een referentielaboratorium ter beschikking gesteld zijn en die door de aanvrager uitgevoerd zijn, of op basis van de evaluatie van een technische proef. De beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen of de technische proef zijn uitgevoerd volgens de methoden, vermeld in artikel 45. Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
  a) in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd. Alleen de resultaten van ringtesten die georganiseerd zijn conform de voorwaarden, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor evaluatie;
  b) in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het laboratorium de erkenning aanvraagt, over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikken voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Als het laboratorium over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikt voor een parameter waarvoor het al een erkenning heeft verkregen en die deel uitmaakt van dezelfde discipline als de parameter waarvoor het de erkenning aanvraagt, wordt deze erkenningsvoorwaarde als vervuld beschouwd;
  3° voor de overige parameters die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag, beschikken over :
  a) hetzij een ISO/IEC 17025-accreditatie voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45;
  b) hetzij een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45.
  In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de erkenningsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, a), op voorwaarde dat het beschikt over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45 :
  1° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend wil worden voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
  3° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend wil worden voor het pakket M-M1 of M-M3, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
  4° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend wil worden voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.
  De gunstige beoordeling, vermeld in het eerste lid, 1°, en 3°, b), en het tweede lid, mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
  Een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f), kan maximaal 10 % van de parameters van een pakket uitbesteden aan andere laboratoria, op voorwaarde dat het pakket tien of meer parameters bevat. De laboratoria waaraan de parameters worden uitbesteed, moeten erkend zijn voor de analyse van de desbetreffende parameters en moeten de analyses zelf uitvoeren.".
Art. 220. L'article 25 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er avril 2011, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 25. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5° :
  1° disposer, pour les paquets demandés, d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande, rendue sur la base de l'évaluation d'essais, d'échantillonnages, de mesures et d'analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou sur la base d'échantillons réels qui ont été mis à disposition par un laboratoire de référence et qui ont été exécutés par le demandeur, ou sur la base de l'évaluation d'un essai technique. Les échantillonnages, essais, mesures et analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou sur des échantillons réels ou sur la base de l'essai technique sont effectués conformément aux méthodes visées à l'article 45. Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
  a) en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté. Seuls les résultats d'épreuves de l'anneau organisées conformément aux conditions, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté, sont éligibles à l'évaluation ;
  b) en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté ;
  2° disposer, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle le laboratoire demande l'agrément, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Lorsque le laboratoire dispose d'une accréditation ISO/IEC 17025 pour un paramètre pour lequel il a déjà obtenu un agrément et qui fait partie de la même discipline que celle du paramètre pour lequel il demande l'agrément, cette condition d'agrément est considérée comme étant remplie ;
  3° disposer, pour les autres paramètres faisant l'objet de la demande d'agrément :
  a) soit d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45 ;
  b) soit d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
  Dans les cas suivants, le laboratoire est exempté de la condition d'agrément, visé au premier alinéa, 2° et 3°, a) pour autant qu'il dispose d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application de la norme ISO/IEC 17025 pour les méthodes à suivre, visées à l'article 45 :
  1° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, a), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet W.1, visé à l'annexe 3, 1° du présent arrêté ;
  2° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne souhaite être agréé que pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visés à l'annexe 3, 2°, du présent arrêté ;
  3° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, d), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet M-M1 ou M-M3, visés à l'annexe 3, 4°, du présent arrêté ;
  4° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, e), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5 MA.6, MA.7.1 ou MA.7.2, visés à l'annexe 3, 5° du présent arrêté.
  L'évaluation favorable, visée à l'alinéa premier, 1° et 3°, b), et à l'alinéa deux ne peut pas remonter à plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
  Un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f), peut sous-traiter au maximum 10 % des paramètres d'un paquet à d'autres laboratoires, à condition que le paquet comprend dix paramètres ou plus. Les laboratoires auxquels les paramètres sont sous-traitées, doivent être agréés pour l'analyse des paramètres concernés et doivent exécuter les analyses eux-mêmes. ".
Art. 221. Artikel 25/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 25/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6° :
  1° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  2° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  3° beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  4° beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.".
Art. 221. L'article 25/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 25/1. Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 1 tel que visé à l'article 6, 6° :
  1° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un diplôme équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de chimie fait partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou d'un grade équivalent dans une formation similaire et d'au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise au cours des dix années précédant sa demande d'agrément ;
  2° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un diplôme équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de géologie et de pédologie font partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  3° disposer d'au moins trois ans d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinent pour la recherche en matière de la pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément ;
  4° disposer d'un certificat d'une formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté. ".
Art. 222. Artikel 25/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 25/2. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 als vermeld in artikel 6, 6° :
  1° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline biologie aan bod komt;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  2° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline microbiologie aan bod komt;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  3° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  4° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  5° beschikken over :
  a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines bouwkunde en grondmechanica aan bod komen;
  b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgestelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar ervaring hebben in het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  6° beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  7° beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  8° beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in werfopvolging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  9° beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
  10° beschikken over minstens één natuurlijk persoon die met gunstig gevolg een opleiding heeft genoten waarin minstens de volgende onderwerpen aan bod zijn gekomen : de Vlaamse reglementeringen inzake de milieuvergunning, het grondwaterbeheer en de stedenbouw en ruimtelijke ordening;
  11° beschikken over minstens één natuurlijk persoon of minstens één natuurlijk persoon contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om een mathematisch grondwatermodel te hanteren en de resultaten ervan correct te interpreteren.".
Art. 222. L'article 25/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 25/2. Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 2, tel que visé à l'article 6, 6° :
  1° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la biologie fait partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  2° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la microbiologie fait partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  3° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la chimie fait partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol et de l'assainissement du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  4° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de la géologie et de la pédologie font partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol et de l'assainissement du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  5° disposer de :
  a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de la construction et de la mécanique des sols font partie du cursus ;
  b) soit au moins le grade de bachelier ou d'un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience dans la direction de l'assainissement du sol, acquise au cours des dix années précédant la demande d'agrément ;
  6° disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental pertinent tant pour l'exécution d'études du sol que pour la recherche en matière de risques de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément ;
  7° disposer d'au moins cinq années d'expérience pratique dans un secteur de l'environnement pertinent pour la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément ;
  8° disposer d'au moins cinq ans d'expérience pratique dans le suivi de chantiers, acquise dans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
  9° disposer d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté ;
  10° disposer d'au moins une personne physique qui a réussi une formation dans laquelle au moins les matières suivantes ont été abordées : les règlements flamands en matière de permis d'environnement, la gestion des eaux souterraines et l'urbanisme et l'aménagement du territoire ;
  11° disposer d'au moins une personne physique ou avoir au moins une personne physique sous contrat ayant l'expérience nécessaire pour utiliser un modèle mathématique des eaux souterraines et pour en interpréter les résultats correctement. ".
Art. 223. In hoofdstuk 4, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt onderafdeling 7, die bestaat uit artikel 25/3, vervangen door wat volgt :
  "Onderafdeling 7. Erkenningsvoorwaarden voor bedrijven
  Art. 25/3. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  1° voor elk operationeel boortoestel voor het uitvoeren van de werken in het kader van de gewenste erkenning een natuurlijke persoon in dienst hebben die aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet :
  a) over minstens drie jaar praktische ervaring beschikken in het uitvoeren van werken in het kader van de gewenste erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) over een attest beschikken dat een algemene opleiding als vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg werd gevolgd binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.
  Art. 25/4. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  1° minstens één erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in dienst hebben;
  2° voldoende erkende koeltechnici als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
  3° het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7° ;
  4° met goed gevolg gekeurd zijn door een erkende keuringsinstelling als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 14°, waarbij de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 3°, nagegaan worden.
  Art. 25/5. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  1° minstens één erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°, in dienst hebben;
  2° voldoende erkende technici voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
  3° het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°. ".
Art. 223. Au chapitre 4, section 3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, la sous-section 7, constituée de l'article 25/3, est remplacée par ce qui suit :
  " Sous-section 7. Conditions d'agrément pour entreprises
  Art. 25/3. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise de forage, telle que visée à l'article 6, 7°, a) :
  1° employer, pour chaque appareil de forage pour l'exécution des travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, une personne physique qui répond au moins à une des conditions suivantes :
  a) disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, acquise dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément ;
  b) disposer d'une attestation de réussite à une formation générale telle que visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, qui a été suivie dans un délai de cinq ans précédant la demande d'agrément.
  Art. 25/4. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 6, 7°, b) :
  1° employer au moins un technicien en froid agréé, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7° ;
  2° employer suffisamment de techniciens en froid, tels que visés à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, afin d'atteindre le volume d'activité escompté ;
  3° fournir la preuve que les instruments et procédures nécessaires sont disponibilités pour le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7° ;
  4° avoir été contrôlé avec succès par un organisme de contrôle agréé, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 14°, lors duquel contrôle les conditions visées aux points 1° à 3° sont évalués.
  Art. 25/5. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent à une entreprise pour appareils de protection contre les incendies, telle que visée à l'article 6, 7°, c) :
  1° employer au moins un technicien agréé pour équipements de protection contre l 'incendie, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8° ;
  2° employer suffisamment de techniciens agréés en équipements de protection contre l 'incendie, tels que visés à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8°, pour atteindre le volume d'activité escompté ;
  3° fournir la preuve que les instruments et procédures nécessaires sont disponibles pour le technicien agréé en systèmes de protection contre les incendies, visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 8°. ".
Art. 224. Aan hoofdstuk 4, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt een onderafdeling 8, die bestaat uit artikel 25/6, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 8. Erkenningsvoorwaarden voor keuringsinstellingen
  Art. 25/6. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8° :
  1° ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 en een bewijs leveren dat een aanvraag voor de accreditatie als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.".
Art. 224. Au chapitre 4, section 3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, il est ajouté une sous-section 8, constituée de l'article 25/6, rédigée comme suit :
  " Sous-section 8. Conditions d'agrément pour organismes de contrôle
  Art. 25/6. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un organisme de contrôle, tel que visé à l'article 6, 8° :
  1° être accrédité comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°, ou être accrédité comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 et fournir une preuve qu'une demande d'accréditation comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 a été acceptée par le système d'accréditation BELAC ou par un système d'accréditation équivalent pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°. ".
Art. 225. In artikel 27, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) punt a) wordt vervangen door wat volgt :
  "a) de identificatiegegevens van de aanvrager, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;";
  b) in punt b) wordt de zinsnede "in artikel 6, 7°, wordt aangevraagd" vervangen door de zinsnede "in artikel 6, 7°, a), wordt aangevraagd";
  c) in punt b) wordt de zinsnede "in artikel 6, 7° ;" vervangen door de zinsnede "in artikel 6, 7°, a);";
  2° in punt 4° wordt de zinsnede "artikel 25, vijfde lid" vervangen door de zinsnede "artikel 25, vierde lid".
Art. 225. A l'article 27, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 1°, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le point a) est remplacé par la disposition suivante :
  "a) les données d'identification du demandeur, visé à l'annexe 19, jointe au présent arrêté ; "
  b) au point b), le membre de phrase " à l'article 6, 7°, est demandé " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 6, 7°, a), est demandé " ;
  4° au point b),le membre de phrase " à l'article 6, 7° ; " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 6, 7°, a) ; " ;
  2° au point 4° le membre de phrase " l'article 25, alinéa cinq " est remplacé par le membre de phrase " l'article 25, alinéa quatre ".
Art. 226. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Een aanvraag die onvolledig bevonden wordt en waaraan door de aanvrager binnen een termijn van negentig dagen, te rekenen vanaf de dag na de indiening van de aanvraag, geen gegevens of documenten worden toegevoegd opdat de aanvraag volledig zou zijn, wordt definitief onvolledig geacht. De bevoegde afdeling brengt de aanvrager daarvan op de hoogte.";
  2° in paragraaf 2 wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
  "5° voor de aanvragen tot erkenning als boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a), voor de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, a), 3) tot en met 5) : de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.";
  3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De bevoegde afdeling vraagt voor de aanvragen tot erkenning als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), advies aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt als het opleidingscentrum zich daarmee akkoord heeft verklaard in zijn erkenningsaanvraag. Die instantie keurt dan samen met de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de opleidingscentra voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), in het Vlaamse Gewest.";
  4° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 6. Voor de aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a) tot en met e), 3°, a), 4°, a) tot en met f) en h) tot en met l), 5°, a) tot en met d), en 7°, a) en c), geeft de bevoegde afdeling een gemotiveerd eindadvies en maakt ze een voorstel van beslissing.".
Art. 226. A l'article 28 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, du 1 mars 2013 et du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Une demande qui est jugée incomplète et auquel le demandeur n'ajoute pas de données ni de documents pour qu'elle soit jugée complète dans un délai de quatre-vingt-dix jours à compter du jour suivant la date d'introduction de la demande, est considérée comme étant incomplète à titre définitif. La division compétente en informe le demandeur. " ;
  2° au paragraphe 2, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° pour les demandes d'agrément comme entreprise de forage, tel que visé à l'article 6, 7°, pour les disciplines, visées à l'article 6, 7°, a), 3) à 5) : la division, compétente pour les ressources naturelles. " ;
  3° au paragraphe 2, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Pour les demandes d'agrément comme centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visé à l'article 6, 4°, l), la section compétente demande l'avis d'un organisme qui soutient la politique de formation sectorielle lorsque le centre de formation y a donné son accord dans la demande d'agrément. Conjointement avec la division chargée des agréments, cet organisme contrôle alors les centres de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude, pour ce qui concerne les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur visé à l'article 6, 4°, l), en Région flamande. " ;
  4° le paragraphe 6 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 6. Pour la demande d'un agrément tel que visé à l'article 6, 1°, a) à e), 3°, a), 4°, a) à f), et h) à l), 5°, a) à d), et 7°, a) et c), la division compétente rend un avis final motivé et formule une proposition de décision. ".
Art. 227. In artikel 32 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt tussen de woorden "het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de bevoegde afdeling" en de woorden "en een geldig bewijs van betaling van de retributie" de zinsnede ", de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de bevoegde afdeling" ingevoegd;
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, worden een punt 7° tot en met 14° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "7° koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/1;
  b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 4 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald;
  8° technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/2;
  b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 5 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
  9° technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g) :
  a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/3;
  b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 2015/2066 een geldig certificaat hebben behaald;
  10° technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h) :
  a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/4;
  b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 306/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
  11° technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i) :
  a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/5;
  b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 307/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
  12° koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  a) de bedrijven die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/4;
  b) de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 6 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald;
  13° bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c) : de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 8 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
  14° keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8° : de instellingen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/6.";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt tussen de woorden "het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen," en de woorden "en een geldig bewijs van betaling van de retributie" de zinsnede "de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen," ingevoegd;
  4° aan paragraaf 2 worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De erkenning, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b) en 13°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De persoon of het bedrijf, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b), en 13°, beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven, en legt zijn certificaat en, in voorkomend geval, de vertaling ervan voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, bij de melding van het gebruik van de erkenning.
  De erkenning, vermeld in het eerste lid, 14°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
Art. 227. Dans l'article 32 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, alinéa deux, le membre de phrase " les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté " est inséré entre les mots " l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division compétente " et les mots " et une preuve valable de paiement de la rétribution " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, sont ajoutés les points 7° à 14° inclus, rédigés comme suit :
  "7° technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) :
  a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/1 ;
  b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 4 du règlement no 2015/2067 ;
  8° technicien en équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f) :
  a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/2 ;
  b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 5 du règlement no 304/2008 ;
  9° technicien en commutations électriques, tel que visé à l'article 6, 2°, g) :
  a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/3 ;
  b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 2015/2066 ;
  10° technicien spécialisé dans les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 6, 2°, h) :
  a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/4 ;
  b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 306/2008 ;
  11° technicien en systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 2°, i) :
  a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/5 ;
  b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 307/2008 ;
  12° entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 6, 7°, b) :
  a) les entreprises répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 25/4 ;
  b) les entreprises qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 6 du règlement no 2015/2067 ;
  13° entreprise pour équipements de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 6, 7°, c) : les entreprises qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 8 du règlement no 304/2008 ;
  14° organisme de contrôle, tel que visé à l'article 6, 8° : les organismes qui répondent aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 25/6. " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa deux, le membre de phrase " les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté " est inséré entre les mots " l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division compétente pour les autorisations écologiques " et les mots " et une preuve valable de paiement de la rétribution " ;
  4° au paragraphe 2 sont ajoutés des alinéas trois et quatre, rédigés comme suit :
  " L'agrément, visé à l'alinéa premier, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b) et 13° prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division, compétente pour les agréments, les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division, compétente des agréments et une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, est présentée à la division, compétente pour les agréments. La personne ou l'entreprise, visée à l'alinéa premier, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b), 13°, dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais lorsque le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci et présente son certificat et, le cas échéant, la traduction de celui-ci à la division, chargée des agréments, lors de la notification de l'utilisation de l'agrément.
  L'agrément, visé à l'alinéa premier, 14°, prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division, compétente pour les agréments, et à laquelle les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté, sont présentées à la division, compétente pour les agréments. ".
Art. 228. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Het gebruik van de erkenning verloopt op een kwalitatief goede wijze.
  De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan.";
  2° in paragraaf 7 wordt het woord "Ambtenaren" vervangen door de woorden "Personeelsleden van de bevoegde afdeling";
  3° aan paragraaf 9 wordt de volgende zinsnede toegevoegd :
  "of voor de erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f), en de erkende technici, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met e), aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4° ".
Art. 228. A l'article 34 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. L'utilisation de l'agrément s'effectue de façon qualitative.
  Dans ce contexte, la personne agréée adopte une attitude objective et indépendante. " ;
  2° au paragraphe 7, le mot " fonctionnaires " est remplacé par les mots " membres du personnel de la division compétente " ;
  3° au paragraphe 9, le membre de phrase suivant est ajouté :
  " ou dans le cas de l'expert en énergie agréé, spécialisé dans les systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) et des techniciens agréés, visés à l'article 6, 2°, a) à e), à un centre de formation agréé visé à l'article 6, 4°. ".
Art. 229. Aan artikel 35 van hetzelfde besluit worden een punt 3° en een punt 4° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "3° bezorgt uiterlijk één maand na het opstellen van het attest van prototypekeuring van een houder, een permanent lekdetectiesysteem of een overvulbeveiliging als vermeld in respectievelijk bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3 en bijlage 5.17.7 van titel II van het VLAREM, een kopie van het attest of verslag dat hij opmaakt naar aanleiding van de prototypekeuring aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
  4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 229. A l'article 35, § 1er, du même arrêté sont ajoutés un point 3° et un point 4°, rédigés comme suit :
  " 3° remet à la division compétente des agréments, au plus tard dans un délai d'un mois à compter de l'établissement de l'attestation de l'inspection du prototype d'un réservoir, d'un système de détection permanente de fuites ou d'un dispositif antidébordement, telle que visée à respectivement l'annexe 5.17.2, l'annexe 5.17.3 et l'annexe 5.17.7 du titre II du VLAREM, une copie de l'attestation ou du rapport qu'il établit à la suite de l'inspection du prototype ;
  4° ne peut pas utiliser son agrément :
  a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
  b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
  c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
  d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
  e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre. ".
Art. 230. Aan artikel 36 van hetzelfde besluit wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 230. A l'article 36 du même arrêté, il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
  " 3° ne peut pas utiliser son agrément :
  a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
  b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
  c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
  d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
  e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre. ".
Art. 231. In artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
  "2° kan de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;";
  2° er wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "11° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 231. A l'article 37 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° sait se servir des logiciels pour l'exécution de ses tâches et sait en interpréter les résultats correctement ; " ;
  2° il est ajouté un point 11°, rédigé comme suit :
  " 11° ne peut pas utiliser son agrément :
  a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
  b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
  c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
  d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
  e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre. ".
Art. 232. In artikel 38 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° wordt het woord "softwareprogramma's" vervangen door het woord "software";
  2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 232. A l'article 38 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la version néerlandaise, au point 1°, le mot "softwareprogramma's" est remplacé par le mot "software";
  2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° ne peut pas utiliser son agrément :
  a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
  b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
  c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
  d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
  e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre. ".
Art. 233. In artikel 39 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° wordt het woord "softwareprogramma's" vervangen door het woord "software";
  2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 233. A l'article 39 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la version néerlandaise, au point 1°, le mot "softwareprogramma's" est remplacé par le mot "software";
  2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° ne peut pas utiliser son agrément :
  a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
  b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
  c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
  d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
  e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre. ".
Art. 234. In artikel 40, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 2° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d)".
Art. 234. A l'article 40, alinéa premier, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et 16 mai 2014, le membre de phrase " visé à l'article 6, 2° " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6, 2°, a) à d) ".
Art. 235. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 27 februari 2015, worden een artikel 40/1 tot en met 40/3 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 40/1. De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  1° die in het bezit is van een certificaat van categorie I, II, III of IV mag de volgende werkzaamheden uitvoeren aan stationaire koelinstallaties met zowel gefluoreerde broeikasgassen als ozonlaagafbrekende stoffen :
  a) in geval van categorie I : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, a), van verordening nr. 2015/2067;
  b) in geval van categorie II : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, b), van verordening nr. 2015/2067;
  c) in geval van categorie III : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, c), van verordening nr. 2015/2067;
  d) in geval van categorie IV : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, d), van verordening nr. 2015/2067;
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert ze, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  3° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
  4° slaagt vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/1, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, slaagt hij voor het actualisatie-examen of voor een gelijkwaardig examen vóór hij de erkenning kan gebruiken. De examens die gelijkwaardig worden bevonden, worden gepubliceerd op de website van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. De datum van het slagen voor het actualisatie-examen of een gelijkwaardig examen mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 32, § 2, derde lid;
  5° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  6° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
  7° beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
  Art. 40/2. De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  1° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  2° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
  3° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  4° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
  5° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
  Art. 40/3. De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
  1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
  2° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  3° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
  4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.".
Art. 235. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013, 16 mai 2014 et 27 février 2015, sont insérés les articles 40/1 à 40/3 inclus, rédigés comme suit :
  " Art. 40/1. Le technicien en froid agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  1° qui est en possession d'un certificat de catégorie I, II, III ou IV ne peut effectuer les activités suivantes aux équipements frigorifiques fixes contenant à la fois des gaz à effet de serre fluorés et des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) dans le cas de la catégorie I : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, a) du règlement no 2015/2067 ;
  b) dans le cas de la catégorie II : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, b), du règlement no 2015/2067 ;
  c) dans le cas de la catégorie III : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, c), du règlement no 2015/2067 ;
  d) dans le cas de la catégorie IV : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, d), du règlement no 2015/2067 ;
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des installations frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et les consigne, le cas échéant, au livre de bord de l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation de l'installation frigorifique modifiant le contenu nominal en liquide réfrigérant ou le type de liquide réfrigérant :
  1) la capacité nominale de liquide réfrigérant, exprimé en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de liquide réfrigérant ;
  3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
  b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
  1) le type de liquide réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de recharge ou de vidange ;
  4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué la recharge ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
  7) après chaque recharge pour une installation frigorifique, telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5 du VLAREM : les pertes relatives par fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale de liquide réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
  e) dans le cas d'une mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
  3° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément, sur demande ;
  4° réussit à l'examen de mise à jour qu'il présente tous les cinq ans dans un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou à un examen équivalent qui est accepté par la division, compétente des agréments. Si le certificat d'aptitude visé à l'article 17/1, 2°, ou à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, b), remonte à plus de cinq ans après la date de délivrance, indiquée sur le certificat, il réussit à l'examen de mise en oeuvre ou à un examen équivalent avant qu'il soit autorisé à utiliser l'agrément. Les examens qui sont reconnus équivalents, sont publiés sur le site internet de la division compétente des agréments. La date de la réussite pour l'examen de mise à jour ou pour un examen équivalent ne peut pas remonter à plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou à l'article 32, § 2, alinéa trois ;
  5° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
  6° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
  7° dispose d'une traduction de son certificat de catégorie I, II, III ou IV en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais lorsque le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
  Art. 40/2. Le technicien agréé en équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  1° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou lors d'une adaptation des équipements de protection contre les incendies modifiant la capacité nominale de l'agent extincteur ou le type d'agent extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent extincteur ;
  3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation des équipements de protection contre l'incendie ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
  1) le type d'agent extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de recharge ou de vidange ;
  4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies, qui a procédé à la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre l'incendie qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale des équipements de protection contre l 'incendie, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
  e) dans le cas d'une mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies, qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  2° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément sur demande ;
  3° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
  4° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
  5° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
  Art. 40/3. Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) :
  1° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément sur demande ;
  2° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
  3° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
  4° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci. ".
Art. 236. Aan artikel 41 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. De erkende milieucoördinator mag zijn erkenning niet gebruiken als :
  1° hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
  2° de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
  3° hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
  4° er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
  5° hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.".
Art. 236. L'article 41 du même arrêté est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Le coordinateur environnemental ne peut pas utiliser son agrément :
  1° lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de droit ou de fait ;
  2° lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée ;
  3° lorsqu'il est parent de ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré avec le donneur d'ordre ;
  4° lorsqu'il existe des liens financiers entre elle et le donneur d'ordre ;
  5° lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou géré par le donneur d'ordre. " ;
Art. 237. In artikel 42 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan punt 2°, c), wordt het woord "bezitten" toegevoegd;
  2° in punt 7° wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "personeelsleden".
Art. 237. A l'article 42 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la version néerlandaise le mot " bezitten " est ajouté au point 2°, c) ;
  2° au point 7°, le mot " fonctionnaires " est remplacé par les mots " membres du personnel ".
Art. 238. In artikel 43, § 2, eerste lid, artikel 43/1, § 3, eerste lid, artikel 43/2, § 2, eerste lid, artikel 43/3, § 2, eerste lid, en artikel 43/4, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden tussen het woord "reikt" en de woorden "een certificaat van bekwaamheid" telkens de woorden "binnen een maand na een examen" ingevoegd.
Art. 238. A l'article 43, § 2, alinéa premier, article 43/1, § 3, alinéa premier, article 43/2, § 2, alinéa premier, article 43/3, § 2, alinéa premier et article 43/4, § 3, alinéa premier du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " dans un délai d'un mois après un examen " sont chaque fois insérés entre le mot " délivre " et les mots " un certificat d'aptitude ".
Art. 239. In artikel 43, § 7, artikel 43/1, § 8, artikel 43/2, § 7, artikel 43/3, § 7, artikel 43/4, § 8, en artikel 43/5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "personeelsleden".
Art. 239. A l'article 43, § 7, l'article 43/1, § 8, l'article 43/2, § 7, l'article 43/3, § 7, l'article 43/4, § 8 et l'article 43/5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le mot " fonctionnaires " est remplacé par les mots " membres du personnel ".
Art. 240. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 27 februari 2015, worden een artikel 43/6 tot en met 43/10 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 43/6. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III en IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h), organiseert een opleiding en specifieke examens voor personen die een certificaat van categorie I, II, III of IV willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2067.
  Het examen bestaat uit vier onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
  2° een theoretisch onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving inzake koeltechniek;
  3° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
  4° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
  Een persoon die een certificaat van categorie III of IV wil behalen, is vrijgesteld van het praktische onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
  Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert een actualisatie-examen voor categorie I, II, III of IV.
  Het actualisatie-examen bestaat uit een theoretisch onderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek.
  Een persoon is geslaagd voor het actualisatie-examen als hij minstens zestig procent van de punten behaalt.
  § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV of van het actualisatie-examen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1, respectievelijk paragraaf 2.
  Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren. Voor het praktische gedeelte zijn de apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd, minimaal aanwezig.
  § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
  § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
  § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 10. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
  Art. 43/7. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 304/2008.
  Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
  Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor het theoretische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt en voor het praktijkonderdeel minstens zeventig procent van de punten.
  § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
  Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/2, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
  § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
  § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
  § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
  Art. 43/8. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2066.
  Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
  Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
  Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/3, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
  § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
  § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
  § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
  Art. 43/9. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k), organiseert een opleiding en het examen voor personen die een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 306/2008.
  Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
  Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
  Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/4, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
  § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
  § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
  § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
  Art. 43/10. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.
  Het erkende opleidingscentrum kan gebruikmaken van de opleidings- en examenpakketten die door de instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt, ter beschikking worden gesteld, op voorwaarde dat de afdeling, bevoegd voor erkenningen, de pakketten heeft goedgekeurd.
  Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
  Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
  Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/5, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
  § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
  § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
  § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de gegevens, vermeld in punt 3° tot en met 6° van bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.".
Art. 240. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013, 16 mai 2014 et 27 février 2015, sont insérés les articles 43/6 à 43/10 inclus, rédigés comme suit :
  " Art. 43/6. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique du froid des catégories I, II, III et IV et pour l'examen de mise à jour, visé à l'article 6, 4°, h), organise une formation et des examens spécifiques pour les personnes désireuses d'obtenir un certificat de catégorie I, II, III ou IV. Le contenu de l'examen répond aux exigences, indiquées dans l'annexe 1ère du règlement no 2015/2067.
  L'examen consiste en quatre parties :
  1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;
  2° une partie théorique ayant trait à la connaissance de la législation en matière de la technique du froid ;
  3° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  4° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort.
  Une personne désireuse d'obtenir un certificat de catégorie III ou IV est dispensée de la partie pratique relative à l'épreuve de brasage fort.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour chaque partie.
  § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise un examen de mise à jour pour les catégories I, II, III ou IV.
  L'examen de mise à jour comprend une partie théorique relative à la législation environnementale pertinente et relative à la technologie en matière de technique du froid.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante-dix pour cent des points.
  § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude en technique du froid de catégorie I, II, III ou IV ou de l'examen de mise à jour, dans un délai d'un mois suivant un examen, après qu'une personne a réussi l'examen, visé au paragraphe 1er ou au paragraphe 2 respectivement.
  Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
  § 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments, dans un délai d'un mois après chaque examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
  § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans un délai d'un mois après que le lauréat a présenté une preuve valide du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou à l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division chargée des agréments.
  § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser les examens, visés aux paragraphes 1er et 2. Pour la partie pratique, les équipements, les instruments et les matériels, visés à l'annexe 20, jointe au présent arrêté, sont au minimum disponibles.
  § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
  § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente des agréments, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente des agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. La division compétente des agréments peut siéger dans le jury d'examen.
  § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par la division, compétente pour les agréments.
  § 10. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
  Art. 43/7. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 4°, i), organise une formation et l'examen pour des personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 304/2008.
  L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique et au au moins septante pour cent des points pour la partie pratique.
  § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre, dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour systèmes de protection contre l' incendie, après que la personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
  Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente des agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente des agréments.
  § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente des agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
  § 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/2, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
  § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
  § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
  § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente des agréments, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente des agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. La division compétente des agréments peut siéger dans le jury d'examen.
  § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes, introduites par la division compétente des agréments.
  § 9. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
  Art. 43/8. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour commutations électriques, visé à l'article 6, 4°, j), organise une formation et l'examen pour les personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour commutations électriques. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 2015/2066.
  L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que la partie pratique.
  § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour commutations électriques, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
  Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
  § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
  § 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/3, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
  § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
  § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
  § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente des agréments, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente des agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. La division compétente des agréments peut siéger dans le jury d'examen.
  § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par la division, compétente pour les agréments.
  § 9. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
  Art. 43/9. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visé à l'article 6, 4°, k), organise une formation et l'examen pour les personnes désireuses d'obtenir un certificat d'aptitude professionnelle pour équipements contenant des solvants. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 306/2008.
  L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que pour la partie pratique.
  § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
  Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
  § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
  § 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/4, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
  § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
  § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
  § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente des agréments, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente des agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. La division compétente des agréments peut siéger dans le jury d'examen.
  § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par la division, compétente pour les agréments.
  § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
  Art. 43/10. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visé à l'article 6, 4°, l), organise la formation et l'examen y afférent pour les personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur. Le centre de formation agréé détermine le contenu de la formation et de l'examen à l'aide des thèmes, visés à l'annexe au règlement n° 307/2008.
  Le centre de formation agréé peut utiliser les paquets de formation et d'examen mis à sa disposition par l'instance encadrant la politique de formation sectorielle, à condition que la division compétente des agrément s a approuvé les paquets.
  L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
  Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que pour la partie pratique.
  § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
  Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
  § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
  § 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/5, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
  § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser la formation et l'examen, visé au paragraphe 1er.
  § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
  § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois préalable à une formation ou à un examen, du lieu et de la date de la formation ou de l'examen. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations et aux examens. La division compétente des agréments peut siéger dans le jury d'examen.
  § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par la division, compétente pour les agréments.
  § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, communique les données, visées au point 3° à 6° de l'annexe 15, jointe au présent arrêté, à une instance encadrant la formation sectorielle. ".
Art. 241. Artikel 48 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 48. Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.
  In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de gebruikseis, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat het ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepast :
  1° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend is voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend is voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
  3° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend is voor het pakket M-M1 of M-M3, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
  4° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend is voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.".
Art. 241. L'article 48 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 48. Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour lequel il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, la norme ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.
  Dans les cas suivants, le laboratoire est dispensé de l'exigence, stipulée à l'alinéa premier, à condition qu'il applique la norme ISO/CEI 17025 relative aux méthodes à suivre, mentionnées à l'article 45 :
  1° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, a), qui est uniquement agréé pour le paquet W.1, visé à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté ;
  2° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, b), qui est uniquement agréé pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visés à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté ;
  3° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, d) qui est uniquement agréé pour le paquet M-M1 ou M-M3, visés à l'annexe 3, 4°, jointe au présent arrêté ;
  4° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, e), qui est uniquement agréé pour les paquets MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 ou MA.7.2, visés à l'annexe 3, 5°, jointe au présent arrêté. ".
Art. 242. In artikel 50, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "en het uur van monsterneming" vervangen door de woorden "van de monsterneming".
Art. 242. Dans l'article 50, § 2, alinéa premier du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " et l'heure de l'échantillonnage " sont remplacés par les mots " de l'échantillonnage ".
Art. 243. Artikel 51 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 51. Het erkende laboratorium moet beschikken over :
  1° procedures die garanderen dat directie en personeel gevrijwaard zijn van ongepaste interne en externe commerciële, financiële en andere verplichtingen en invloeden die de kwaliteit van hun werk nadelig kunnen beïnvloeden;
  2° beleid en procedures die betrokkenheid uitsluiten bij activiteiten die het vertrouwen in zijn bekwaamheid, onpartijdigheid, oordeelkundigheid of operationele integriteit zouden kunnen schaden.
  Indien de objectiviteit en onafhankelijkheid door het erkende laboratorium niet kunnen gegarandeerd worden, mag de erkenning niet gebruikt worden.".
Art. 243. L'article 51 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 51. Le laboratoire agréé doit disposer :
  1° de procédures garantissant que la direction et le personnel sont à l'abri d'obligations commerciales et financières internes et externes et d'autres obligations et influences susceptibles d'impacter la qualité de son travail négativement ;
  2° d'une politique et de procédures qui excluent l'implication dans des activités susceptibles de nuire à la confiance en son aptitude, en son jugement ou en son intégrité opérationnelle.
  Si l'objectivité et l'indépendance ne peuvent pas être garanties par le laboratoire agréé, l'agrément ne peut pas être utilisé. ".
Art. 244. In artikel 52 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid".
Art. 244. Dans l'article 52 du même arrêté, les mots " l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité " sont remplacés par le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune ".
Art. 245. Artikel 53 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 53. Het erkende laboratorium voert de opdrachten met betrekking tot de erkenning zelf uit, tenzij in een van de volgende gevallen :
  1° bij tijdelijke en onvoorziene omstandigheden, waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een laboratorium dat erkend is voor het pakket inzake de uitvoering van de opdracht;
  2° als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vierde lid;
  3° bij monsterneming inzake een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), c), d) en e) waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende monsterneming;
  4° bij dataverwerking waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende meting, beproeving of analyse en mits voorafgaande goedkeuring door de bevoegde afdeling.
  Voor de gevallen, vermeld in punt 1° en 2°, moet het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, is verantwoordelijk voor de correcte overdracht van de monsters naar of vanuit het andere erkende laboratorium en voor de rapportage, inclusief de correcte vermelding in het verslag van de resultaten en gegevens, verstrekt door het andere erkende laboratorium. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitvoert, is voor het overige deel van de opdracht verantwoordelijk. De uitbesteding moet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteed heeft.
  Voor de gevallen, vermeld in punt 3° en 4°, is het erkende laboratorium verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de gehele opdracht. Het erkende laboratorium moet kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt.".
Art. 245. L'article 53 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 53. Le laboratoire agréé exécute lui-même les tâches faisant l'objet de l'agrément, sauf dans les cas suivants :
  1° dans des circonstances imprévues et temporaires, dans lesquelles e marché est confié à un laboratoire agréé pour le paquet relatif à l'exécution du marché ;
  2° lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa quatre ;
  3° dans le cas d'un échantillonnage pour le compte d'un laboratoire agréé, tel que visé à l'article 6, 5°, a), c), d) et e), pour lequel le marché est confié à un tiers qui n'est pas agréé pour l'échantillonnage concerné ;
  4° dans le cas de traitement de données confié à un tiers qui n'est pas agréé pour les mesurages, essais ou analyses et sous réserve de l'approbation préalable par la division compétente.
  Pour les cas visés aux points 1° et 2°, le laboratoire agréé doit pouvoir démontrer que le présent arrêté est respecté dans le cadre de la sous-traitance concernée. Le laboratoire agréé qui sous-traite le marché, est responsable du transfert correct des échantillons vers ou depuis un autre laboratoire agréé et pour les rapports, y compris la mention correcte des résultats et des données fournis par l'autre laboratoire agréé dans ces rapports. Le laboratoire agréé exécutant le marché, est responsable du reste du marché. La sous-traitance doit être mentionnée sur les rapports et autres documents délivrés par le laboratoire agréé qui a sous-traité le marché.
  Pour les cas visés au points 3° et 4°, le laboratoire agréé est responsable de la bonne exécution de l'intégralité du contrat. Le laboratoire agréé doit être à même de démontrer que le présent arrêté est respecté pour la sous-traitance concernée. ".
Art. 246. In artikel 53/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit, moet het erkende laboratorium gebruikmaken van een gps-datalogger.".
Art. 246. A l'article 53/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° A l'alinéa premier, le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité " est remplacé par le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune " ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Pour tous les prélèvements effectués dans le cadre de l'arrêté précité, le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS. ".
Art. 247. In artikel 53/3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt 9° vervangen door wat volgt :
  "9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen. De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
  a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
  b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als de totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt.".
Art. 247. Dans l'article 53/3, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le point 9° est remplacé par ce qui suit :
  " 9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, des séminaires, des journées d'étude et cetera. La durée de la formation professionnelle continue de l'expert en assainissement du sol par année civile, est la suivante :
  a) pour un expert en assainissement du sol de type 1 : la durée de la formation continue est de 7,5 heures au minimum par personne disposant d'une délégation de signature module 1 ou 2 au nom de l'expert en assainissement du sol. Si plus de deux personnes disposent de la délégation de signature précitée au nom de l'expert en assainissement du sol, l'exigence du perfectionnement a été satisfaite lorsque la durée totale du perfectionnement est d'au moins 15 heures ;
  b) pour un expert en assainissement du sol de type 2 : la durée de la formation continue est de 7,5 heures au minimum par personne disposant d'une délégation de signature module 1 ou 2 au nom de l'expert en assainissement du sol, avec un minimum de 20 heures comme durée totale de la formation continue. Si plus de huit personnes disposent de la délégation de signature précitée au nom de l'expert en assainissement du sol, l'exigence du perfectionnement a été satisfaite lorsque la durée totale du perfectionnement est d'au moins 60 heures. ".
Art. 248. In hoofdstuk 8, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 20014, wordt in het opschrift van onderafdeling 7 het woord "boorbedrijven" vervangen door het woord "bedrijven".
Art. 248. Dans le chapitre 8, section 3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, les mots " entreprises de forage " dans l'intitulé de la sous-section 7 sont remplacés par le mot " entreprises ".
Art. 249. In artikel 53/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "artikel 6, 7° " vervangen door de zinsnede "artikel 6, 7°, a)".
Art. 249. Dans l'article 53/6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le membre de phrase " article 6, 7° " est remplacé par le membre de phrase " article 6, 7°, a) ".
Art. 250. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013, 16 mei 2014 en 27 februari 2015, worden een artikel 53/7 en 53/8 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 53/7. Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  1° zorgt ervoor dat erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7° ;
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert dit, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de koelinstallatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per koelinstallatie : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die koelmiddelen;
  4° gaat na iedere bijvulling na of het maximaal relatief lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5, artikel 5bis.19.8.4.8.5 en artikel 6.8.1.2 van titel II van het VLAREM, niet overschreden werd. Als blijkt dat het maximaal relatief lekverlies overschreden is en maatregelen moeten worden getroffen, brengt het koeltechnisch bedrijf ten minste de eigenaar of beheerder schriftelijk op de hoogte van de vastgestelde lekkage en formuleert het een voorstel van te nemen maatregelen;
  5° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
  6° zorgt ervoor dat de koeltechnicus gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt. Die apparatuur bevat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage 21, die bij dit besluit is gevoegd;
  7° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  8° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
  9° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot koelinstallaties;
  10° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
  Art. 53/8. Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  1° zorgt ervoor dat de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8° ;
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per brandbeveiligingsapparatuur : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die blusmiddelen;
  4° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
  5° zorgt ervoor dat de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan brandbeveiligingsapparatuur over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt;
  6° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  7° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
  8° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur;
  9° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.".
Art. 250. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013, 16 mai 2014 et 27 février 2015, les articles 53/7 et 53/8 sont insérés, rédigés comme suit :
  " Art. 53/7. L'entreprise agréée en technique du froid, visée à l'article 6, 7°, b) :
  1° assure que les travaux assujettis à l'agrément effectués aux équipements frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone soient réalisés par du personnel disposant d'un agrément de technicien frigoriste, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7° ;
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des installations frigorifiques fixes contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et les consigne, si d'application, dans le journal accompagnant l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation de l'installation frigorifique modifiant le contenu nominal en liquide réfrigérant ou le type de liquide réfrigérant :
  1) la capacité nominale de liquide réfrigérant, exprimé en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de liquide réfrigérant ;
  3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise de technique du froid où le technicien travaille ;
  b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
  1) le type de liquide réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de recharge ou de vidange ;
  4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué la recharge ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
  7) après chaque recharge pour une installation frigorifique, telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5 du titre II du VLAREM : les pertes relatives par fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale de liquide réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
  e) dans le cas d'une mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a mis l'installation frigorifique hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
  3° conserve les choses suivantes pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par installation frigorifique : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre qui ont été achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués avec indication de la date d'évacuation, du nom du transporteur et de la destination de ces réfrigérants ;
  4° vérifie après chaque recharge si les pertes maximales relatives par fuites, visées à l'article 5.16.3.3, § 6, à l'article 5bis.15.5.4.5.5, à l'article 5bis.19.8.4.8.5 et à l'article 6.8.1.2 du titre II du VLAREM, ne sont pas dépassées. S'il s'avère que les pertes maximales relatives par fuite ont été dépassées et que des mesures doivent être prises, l'entreprise en technique du froid informe au moins le propriétaire ou le gestionnaire de la fuite constatée par écrit et formule une proposition des mesures à prendre ;
  5° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
  6° veille à ce que le technicien en froid dispose de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pendant les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements frigorifiques fixes. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel visé à l'annexe 21 au présent arrêté ;
  7° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  8° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
  9° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle législation en matière d'environnement portant sur les systèmes frigorifiques ;
  10° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
  Art. 53/8. L'entreprise agréée en équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  1° assure que les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements fixes de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone sont effectués par du personnel disposant d'un agrément comme technicien pour équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 8° ;
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou lors d'une adaptation des équipements de protection contre les incendies modifiant la capacité nominale de l'agent extincteur ou le type d'agent extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent extincteur ;
  3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
  1) le type d'agent extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de recharge ou de vidange ;
  4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour systèmes de protection contre les incendies, qui a procédé à la la recharge ou à la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour équipements de protection contre l'incendie, qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale des équipements de protection contre l 'incendie, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
  e) dans le cas d'une mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour systèmes de protection contre les incendies, qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
  3° conserve les choses suivantes pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par équipement de protection controle l'incendie : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés qui ont été achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués avec indication de la date d'évacuation, du nom du transporteur et de la destination de ces moyens d'extinction ;
  4° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
  5° veille à ce que le technicien en équipement de protection contre l'incendie dispose des appareils, instruments et matériels nécessaires pendant les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements de protection contre l'incendie ;
  6° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  7° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
  8° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle législation en matière d'environnement pertinente relative aux systèmes de protection contre l'incendie ;
  9° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci. ".
Art. 251. Aan hoofdstuk 8, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 20014, wordt een onderafdeling 8, die bestaat uit artikel 53/9, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 8. Gebruikseisen voor keuringsinstellingen
  Art. 53/9. De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  1° is geaccrediteerd als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, of behaalt die accreditatie binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de erkenning verkregen is;
  2° wijst een of meer keurders aan die beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I of die over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector beschikken;
  3° reikt binnen een maand nadat een bedrijf met goed gevolg gekeurd werd als vermeld in artikel 25/4, 4°, een certificaat uit. Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
  4° bezorgt maandelijks aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, een overzicht van de bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn. Dat overzicht bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 22, die bij dit besluit is gevoegd;
  5° behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
  6° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de keuring bij te wonen;
  7° bewaart de keuringsrapporten minstens vijf jaar.".
Art. 251. Au chapitre 8, section 3 du même arrêté, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et 16 mai 2014, une sous-section 8, constituée de l'article 53/9, est ajoutée, rédigée comme suit :
  " Sous-section 8. Exigences d'usage pour organismes de contrôle
  Art. 53/9. L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  1° a été accrédité en tant qu'organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°, ou obtient cette accréditation dans un délai d'un an, à compter du jour après que l'agrément a été obtenu ;
  2° désigne un ou plusieurs inspecteurs disposant d'un agrément en tant que technicien frigoriste visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, de la catégorie I ou ayant au moins trois ans d'expérience dans le secteur du froid ;
  3° remet un certificat, dans un délai d'un mois après que l'entreprise a été contrôlée avec succès, conformément à l'article 25/4, 4°. Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrôle suit les instructions de la division compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est remise à la division, compétente des agréments ;
  4° fournit chaque mois à la division compétente des agréments, un aperçu des entreprises qui ont fait l'objet d'un contrôle favorable. Cet aperçu comprend au moins les données, visées à l'annexe 22, jointe au présent arrêté ;
  5° traite et examine des plaintes, introduites par la section compétente des agréments ;
  6° doit, lorsque la division compétente des agréments le demande, offrir la possibilité aux membres du personnel d'assister au contrôle ;
  7° conserve les procès-verbaux des contrôles pendant au moins cinq ans. ".
Art. 252. In artikel 54/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt :
  "1° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, 6° en 7°, of van personen die met toepassing van artikel 32, § 1, op basis van een gelijkwaardige titel van rechtswege erkend worden als technicus als vermeld in artikel 6, 2° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op het certificaat, in voorkomend geval bij het volgen van de bijscholing of bij de deelname aan het actualisatie-examen;
  2° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 8° tot en met 11° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens uiterlijk op 31 december 2019 en vervolgens vijfjaarlijks;";
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° in alle andere gevallen, dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2° : uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.";
  3° aan paragraaf 3 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° de keuringsinstellingen, vermeld in artikel 6, 8°. ";
  4° aan paragraaf 4 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° bij een uitbreiding van de erkenning van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), met een andere categorie.".
Art. 252. A l'article 54.1/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
  "1° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus, 6° et 7° ou de personnes qui, en application de l'article 32, § 1er, sont agréées de plein droit comme technicien, tel que visé à l'article 6, du fait qu'elles détiennent un titre équivalent : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite tous les cinq ans, à compter de la date, visée au présent certificat, le cas échéant, lors de la participation au perfectionnement ou à l'examen de mise à jour ;
  2° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8° à 11° inclus : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément, ensuite le 31 décembre 2019 au plus tard et ensuite tous les cinq ans ; " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, il est complété un point 3°, rédigé comme suit :
  "3° dans tous les autres cas que les cas visés aux points 1° et 2° : le 31 décembre 2014 au plus tard et ensuite, tous les cinq ans. " ;
  3° le paragraphe 3 est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
  3° les organismes de contrôle, visés à l'article 6, 8° ;
  4° le paragraphe 4 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
  "5° lors d'une extension de l'agrément d'un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e), avec une autre catégorie. ".
Art. 253. In artikel 55 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "vermeld in artikel 6, 2°, " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d),";
  2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "In afwijking van paragraaf 2" vervangen door de zinsnede "In afwijking van paragraaf 2 tot en met 2/1".
Art. 253. Dans l'article 55 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 2, le membre de phrase " visé à l'article 6, 2° " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6, 2°, a) à d), " ;
  2° au paragraphe 3, le membre de phrase " Par dérogation au § 2, " est remplacé par le membre de phrase " Par dérogation au § 2 à § 2/1 ".
Art. 254. Het opschrift van hoofdstuk 13/1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk 13/1. Periodieke evaluatie van erkende technici, deskundigen en bedrijven".
Art. 254. L'intitulé du chapitre 13/1, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 est remplacé par la disposition suivante :
  " Chapitre 13/1 : Evaluation périodique des techniciens experts et entreprises agréés ".
Art. 255. Aan artikel 58/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan een koelinstallatie die door een erkende koeltechnicus of een erkend koeltechnisch bedrijf geïnstalleerd, onderhouden, gerepareerd of buiten dienst gesteld werd, die door een erkende koeltechnicus gecontroleerd werd op lekkage of waaruit gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden teruggewonnen door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Bovendien kan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, het gebruik van de erkenning als koeltechnicus of als koeltechnisch bedrijf onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
Art. 255. A l'article 58/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. La division compétente des agréments peut à tout moment soumettre une installation frigorifique qui a été installée, entretenue, réparée ou mise hors service par un technicien en froid agréé ou une entreprise en froid agréée ou qui a été contrôlée sur la présence de fuites par un technicien en froid agréé ou dans laquelle des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été récupérés par un technicien en froid agréé, tel que visé à l'article 5.2.2.5.2, § 9, à l'article 5.16.3.3, § 1bis, à l'article 5 bis.15.5.4.5.4, § 1er, l'article 5 bis.19.8.4.8.4, § 1er, ou l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM, à un contrôle par un organisme de contrôle désigné par la division compétente des agréments. La division chargée des agréments peut en outre soumettre l'utilisation de l'agrément comme technicien en froid ou comme entreprise en froid à un contrôle par un organisme de contrôle désigné par la division chargée des agréments. ".
Art. 256. In artikel 58/2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° wordt het woord "rechtspersoonlijkheid" vervangen door het woord "rechtspersoon";
  2° aan punt 2° wordt een punt d) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "d) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 4 : een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;";
  3° in punt 3° wordt tussen de zinsnede "of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 3, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 3," en de zinsnede "geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A" de zinsnede "of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 4, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 4," ingevoegd.
Art. 256. A l'article 58/2, alinéa premier du même arrête, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la version néerlandaise de l'arrêté, le mot " rechtspersoonlijkheid "est remplacé par le mot " rechtspersoon " ;
  2° au point 2°, il est ajouté un point d) ainsi rédigé :
  "d) dans le cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 4 : avoir un agrément comme technicien en froid, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, de catégorie I et disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur du froid ; " ;
  3° au point 3°, le membre de phrase " ou, dans le cas d'un organisme de contrôle, visé à l'article 58/1 § 4, pour les activités visées à l'article 58/1 § 4 " est inséré entre le membre de phrase "ou en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 3, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 3," et le membre de phrase "être accrédité comme organisme de contrôle du type A".
Art. 257. In artikel 103/1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "tot uiterlijk 1 januari 2015" vervangen door de woorden "tot uiterlijk 1 januari 2016".
Art. 257. A l'article 103/1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " jusqu'au 1er janvier 2015 au plus tard " sont remplacés par les mots " jusqu'au 1er janvier 2016 au plus tard ".
Art. 258. In bijlage 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° onderafdeling 3 van afdeling 2 van hoofdstuk 3 wordt opgeheven;
  2° in hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 4, wordt de zinsnede "module G3" vervangen door de zinsnede "module GII";
  3° in hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden "op het vlak van de stooktoestellen" worden vervangen door de woorden "op het vlak van centrale stooktoestellen";
  b) de zinsnede "10 uur opleiding," wordt vervangen door de zinsnede "6 uur opleiding, gevolgd door proeven,";
  c) de zinsnede "niveau GII" wordt vervangen door de zinsnede "niveau GI+GII";
  4° in hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 2, wordt het woord "liter" vervangen door het woord "kg".
Art. 258. A l'annexe 1ère du même arrêté, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° la sous-section 3 de la section 2 du chapitre 3 est abrogée ;
  2° au chapitre 3, section 2, sous-section 4, le membre de phrase " module G3 " est remplacé par le membre de phrase " module GII " ;
  3° au chapitre 3, section 2, sous-section 6, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " dans le domaine des chaudières " sont remplacés par les termes " dans le domaine des chaudières centrales " ;
  b) le membre de phrase " 10 heures de formation, " est remplacé par le membre de phrase " 6 heures de formation, suivies d'essais, " ;
  c) le membre de phrase " niveau GII " est remplacé par le membre de phrase " niveau GI + GII " ;
  4° au chapitre 3, section 5, sous-section 2, le mot " litres " est remplacé par le mot " kg ".
Art. 259. In bijlage 3, 1°, punt W.1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt W.1.8 wordt vervangen door wat volgt :
  "W.1.8 afmeting zwevende stoffen";
  2° punt W.1.9 wordt opgeheven.
Art. 259. A l'annexe 3, 1°, point W.1 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point W.1.8 1 est remplacé par ce qui suit :
  "W.1.8 calibre des matières en suspension" ;
  2° le point W.1.9 est abrogé.
Art. 260. In bijlage 3, 1°, punt W.4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden aan punt W.4.2 een punt W.4.2.9 en W.4.2.10 toegevoegd, die luiden als volgt :
  "W.4.2.9 tin inclusief tindioxide
  W.4.2.10 titanium inclusief titaniumdioxide".
Art. 260. A l'annexe 3, 1°, point W.4 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point W.4.2 est complété par des points W.4.2.9 et W.4.2.10, rédigés comme suit :
  " W.4.2.9 étain, y compris l'oxyde d'étain
  W.4.2.10 titane, y compris le dioxyde de titane ".
Art. 261. In bijlage 3, 1°, punt W.5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden punt W.5.13 en W.5.15 opgeheven.
Art. 261. A l'annexe 3, 1°, point W.5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les points W.5.13 et W.5.15 sont abrogés.
Art. 262. In bijlage 3, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt W.6 vervangen door wat volgt :
  "W.6 organische groepsparameters :
  W.6.1 extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX)
  W.6.2 adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX)
  W.6.3 purgeerbare organische halogeenverbindingen (POX)".
Art. 262. A l'annexe 3, 1° du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point W.6 est remplacé par la disposition suivante :
  W.6. paramètres de groupe organiques :
  W.6.1 Composés organohalogénés extractibles (EOX)
  W.6.2 composés organohalogénés absorbables (AOX)
  W.6.3 Composés organohalogénés purgeables (POX) ".
Art. 263. In bijlage 3, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt W.10 vervangen door wat volgt :
  "W.10 andere monsternemingen, analyses, metingen of beproevingen :
  W.10.1 chlorofyl A
  W.10.2 kwalitatieve karakterisatie van minerale olie met GC-MS".
Art. 263. A l'annexe 3, 1° du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point W.10 est remplacé par la disposition suivante :
  " W.10 autres échantillonnages, analyses, essais ou mesures :
  W.10.1. chlorophylle A
  W.10.2. caractérisation qualitative d'huile minérale au moyen de la méthode CL-SM ".
Art. 264. In bijlage 3, 2°, punt L.5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt L.5.1 wordt vervangen door wat volgt :
  "L.5.1 gasvormige anorganische chloorverbindingen als HCl";
  2° er wordt een punt L.5.15 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "L.5.15 gasvormige anorganische fluorverbindingen als HF".
Art. 264. A l'annexe 3, 2°, point L.5 du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Le point L.5.1 est remplacé par le texte suivant :
  "L.5.1. composés chlorés anorganiques tels que HCl" ;
  2° il est ajouté un point L.5.15, rédigé comme suit :
  " Composés fluorés gazeux anorganiques tels que HF ".
Art. 265. Aan bijlage 3, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt een punt L.20 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "L.20 monsterneming en analyse van trichlooramine in zwembadlucht".
Art. 265. A l'annexe 3, 2° du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, il est ajouté un point L.20, rédigé comme suit :
  " L.20 échantillonnage et analyse de trichlooramine dans l'air dans les piscines ".
Art. 266. In bijlage 3, 5°, punt MA, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt MA.1 wordt vervangen door wat volgt :
  "MA.1 specie
  MA.1.1 specie in situ
  MA.1.2 specie ex situ";
  2° in punt MA.6 worden de woorden "dierlijk afval" vervangen door de woorden "dierlijke bijproducten".
Art. 266. A l'annexe 3, 5°, point MA du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point MA.1 est remplacé par ce qui suit :
  " MA.1 specie
  MA.1.1 specie in situ
  MA.1.2 specie ex situ" ;
  2° au point MA.6, les mots " déchets animaux " sont remplacés par les mots " sous-produits animaux ".
Art. 267. In bijlage 3, 5°, punt A.6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de woorden "de eindproducten van verwerkt dierlijk afval" vervangen door de woorden "de eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten".
Art. 267. A l'annexe 3, 5°, point A.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les mots " produits finis de déchets animaux transformés " sont remplacés par les mots " produits finis lors de la transformation de sous-produits animaux ".
Art. 268. In bijlage 8, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, wordt punt f) vervangen door wat volgt :
  "f) de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken.".
Art. 268. Dans l'annexe 8, 1°, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014, le point f) est remplacé par ce qui suit :
  " f) les logiciels nécessaires à l'accomplissement de ses tâches. ".
Art. 269. In bijlage 9 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1°, a), wordt de zinsnede "minstens 50 uur" vervangen door de zinsnede "minstens 60 uur";
  2° aan punt 1°, a), wordt een punt 9) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9) beperken van geluidshinder;";
  3° in punt 1°, b), wordt de zinsnede "minstens 20 uur" vervangen door de zinsnede "minstens 24 uur";
  4° aan punt 1°, b), wordt een punt 9) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9) beperken van trillingshinder;";
  5° aan punt 2°, a), 3), wordt een punt 3.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3.4. impactmodellering.";
  6° aan punt 2°, a), 4), wordt een punt 4.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "4.5. geografische informatiesystemen.";
  7° aan punt 2°, h), 1), wordt een punt 1.6 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "1.6. geografische informatiesystemen.";
  8° punt 3° wordt opgeheven.
Art. 269. A l'annexe 9 du même arrêté, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, le membre de phrase " au moins 50 heures " est remplacé par le membre de phrase " au moins 60 heures " ;
  2° au point 1°, a), il est ajouté un point 9), rédigé comme suit :
  " 9) réduction de nuisances sonores ; " ;
  3° au point 1°, b) le membre de phrase " au moins 20 heures " est remplacé par le membre de phrase " au moins 24 heures " ;
  4° au point 1°, b), il est inséré un point 9), rédigé comme suit :
  " 9) réduction des vibrations ; " ;
  5° au point 2°, a), 3), il est ajouté un point 3.4, rédigé comme suit :
  " 3.4. modélisation de l'impact. " ;
  6° au point 2°, a), 4), il est ajouté un point 4.5, rédigé comme suit :
  " 4.5 système d'information géographique. " ;
  7° au point 2°, h), 1), il est ajouté un point 1.6, rédigé comme suit :
  " 1.6 systèmes d'information géographique. " ;
  8° le point 3° est abrogé.
Art. 270. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt d) wordt vervangen door wat volgt :
  "d) de deelnemende laboratoria worden uiterlijk op de dag van de verdeling van de ringtestmonsters schriftelijk op de hoogte gebracht van de manier waarop de ringtestresultaten verwerkt en beoordeeld worden;";
  2° er wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "e) als aan de deelnemende laboratoria gevraagd wordt om voor een ringtest bijkomende parameters, die niet behoren tot een pakket als vermeld in bijlage 3, te analyseren, wordt met het gerapporteerde resultaat van die bijkomende parameters geen rekening gehouden bij de beoordeling van de ringtestresultaten per pakket, vermeld in 6°, 7° en 8°. ".
Art. 270. A l'annexe 10, chapitre 1er, 1° du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point d) est remplacé par ce qui suit :
  " d) les laboratoires participants sont informés par écrit, au plus tard à la date de la distribution des échantillons des épreuves de l'anneau de la manière dont les résultats des épreuves de l'anneau seront traités et évalués ; " ;
  2° il est ajouté un point e), rédigé comme suit :
  " e) s'il est demandé aux laboratoires participants d'analyser des paramètres supplémentaires qui ne font pas partie d'un paquet, tel que visé à l'annexe 3, il n'est pas tenu compte du résultat rapporté de ces paramètres supplémentaires lors de l'évaluation des résultats des épreuves de l'anneau par paquet, visé aux 6°, 7° et 8°. ".
Art. 271. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt c) wordt tussen de zinsnede "opgenomen in ISO/IEC 17043 of ISO 13528," en de zinsnede "niet behouden kan worden" de zinsnede "of met toepassing van 1°, d)," ingevoegd;
  2° in punt d) wordt de zinsnede "minder dan 2/3 van de laboratoria een grenswaarde rapporteerde" vervangen door de zinsnede "minder dan 2/3 van de laboratoria een grenswaarde of een waarde lager dan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, rapporteerde";
  3° in punt e) wordt de zin "De toegewezen spreiding van een parameter is de robuuste spreiding van de dataset, vermeld in b), of een vaste waarde op basis van een beoogde of toegestane afwijking, die goedgekeurd is door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest." vervangen door de zin "De toegewezen spreiding van een parameter is de robuuste spreiding van de dataset, vermeld in b), zo nodig aangepast volgens de modaliteiten, vermeld in 1°, d), of een vaste waarde op basis van een beoogde of toegestane afwijking, die goedgekeurd is door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.".
Art. 271. A l'annexe 10, chapitre 1er, 2° du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point c), le membre de phrase " ou en application de 1°, d), " est inséré entre le membre de phrase " reprises dans l'ISO/IEC 17043 ou ISO 13528, " et le membre de phrase " ce paramètre " ;
  2° au point d), le membre de phrase " moins de 2/3 des laboratoires ont fait rapport d'une valeur limite, " est remplacé par le membre de phrase " moins de 2/3 des laboratoires ont fait rapport d'une valeur limite ou d'une valeur inférieure à la limite de notification indiquée dans la législation pertinente applicable en Région flamande " ;
  3° au point e), la phrase " La dispersion attribuée d'un paramètre est la dispersion fiable de l'ensemble des données, visée au b), ou une valeur fixe sur la base d'une déviation envisagée ou admise, qui a été approuvée par le laboratoire de référence de la Région flamande. " est remplacée par la phrase " La dispersion attribuée d'un paramètre est la dispersion fiable de l'ensemble des données, visée au b), le cas échéant ajustée selon les modalités visées au 1°, d) ou une valeur fixe sur la base d'une déviation envisagée ou admise, qui a été approuvée par le laboratoire de référence de la Région flamande. ".
Art. 272. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt b) wordt vervangen door wat volgt :
  "b) als een parameter niet of in een zeer lage concentratie aanwezig was volgens de criteria beschreven in 2°, f), wordt het resultaat van een laboratorium beoordeeld als "goed" wanneer het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, indien het een getalwaarde betreft, lager is dan of gelijk is aan tweemaal de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, of als de rapportagegrens, die gehanteerd wordt door het laboratorium, voldoet aan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest;";
  2° in punt d) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) punt 11) wordt vervangen door wat volgt :
  "11) er werd geen melding gemaakt van de uitbesteding als dat toegelaten is;";
  b) punt 12) wordt vervangen door wat volgt :
  "12) als de toegestane afwijking een vaste waarde is : de afwijking tussen het gerapporteerde resultaat en de toegewezen waarde van de parameter, vermeld in 2°, e), is groter dan de toegestane afwijking;";
  c) punt 13) wordt opgeheven.
Art. 272. A l'annexe 10, chapitre 1er, 3° du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point b) est remplacé par la disposition suivante :
  " b) lorsqu'un paramètre n'est pas présent ou n'est présent qu'à un niveau de concentration très faible selon les critères définis au 2°, f), le résultat d'un laboratoire est évalué comme étant " bon " si le résultat que le laboratoire a déclaré, lorsque celui-ci a une valeur chiffrée, est inférieur ou égal à deux fois le seuil de rapportage figurant dans la législation pertinente applicable en Région flamande, ou si le seuil d'inscription appliqué par le laboratoire satisfait au seuil de rapportage, visé dans la législation pertinente, applicable en Région flamande ; " ;
  2° au point d), les modifications suivantes sont apportées :
  a) le point 11) est remplacé par ce qui suit :
  " 11) la sous-traitance n'a pas été mentionnée, si elle est autorisée ; " ;
  b) le point 12) est remplacé par ce qui suit :
  "12) lorsque la déviation autorisée est une valeur fixe : l'écart entre le résultat rapporté et la valeur assignée du paramètre, visé au 2°, e) est supérieur à l'écart autorisé ; " ;
  c) le point 13) est abrogé.
Art. 273. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt b) vervangen door wat volgt :
  "b) in de volgende gevallen wordt het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, beoordeeld als "slecht" :
  1) er werd geen resultaat gerapporteerd;
  2) het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, komt niet overeen met het referentieresultaat;
  3) het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, is niet verkregen door de methode, vermeld in 1°, a), toe te passen;
  4) de termijn voor het uitvoeren van de analyse, vermeld in 1°, a), werd niet gerespecteerd;
  5) de termijn of wijze voor rapportering, vermeld in 1°, b), werd niet gerespecteerd;
  6) de ruwe meetdata, vermeld in 1°, c), werden niet gerapporteerd;
  7) het gerapporteerde resultaat kan niet worden aangetoond, vertrekkend van de gerapporteerde ruwe meetdata;
  8) er werd geen melding gemaakt van de uitbesteding als dat toegelaten is;".
Art. 273. A l'annexe 10, chapitre 1er, 5°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point b) est remplacé par ce qui suit :
  " b) dans les cas suivants, le résultat rapporté par le laboratoire est évalué comme étant " mauvais " :
  1) aucun résultat n'a été rapporté ;
  2) le résultat que le laboratoire a déclaré ne correspond pas au résultat de référence ;
  3) le résultat que le laboratoire a déclaré, n'a pas été obtenu par la méthode visée au 1°, a) ;
  4) le délai d'exécution de l'analyse, visé au 1°, a), n'a pas été respecté ;
  5) le délai ou le mode de rapportage, visés au 1°, b), n'ont pas été respectés ;
  6) les données de mesure brutes visées au 1°, c), n'ont pas été déclarées ;
  7) le résultat rapporté ne peut être démontré sur la base des données de mesure brutes rapportées ;
  8) la sous-traitance n'a pas été mentionnée, si elle est autorisée ; ".
Art. 274. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
  "a) het totale aantal te beoordelen parameters voor een pakket wordt berekend als het totale aantal parameters waarvoor een resultaat gerapporteerd moest worden, in voorkomend geval verminderd met :
  1) het aantal bijkomende parameters, vermeld in 1°, e);
  2) de niet-behouden parameters, vermeld in 2°, c).
  Als uitbestedingen worden toegelaten binnen een pakket, wordt voor elke deelnemer afzonderlijk dat aantal nog verminderd met het aantal uitbestede parameters op voorwaarde dat van die uitbesteding melding gemaakt is;".
Art. 274. A l'annexe 10, chapitre 1er, 6°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point a) est remplacé par ce qui suit :
  " a) le nombre total des paramètres à évaluer pour un paquet est calculé comme étant le nombre total de paramètres pour lesquels un résultat devait être déclaré, le cas échéant, diminué :
  1) du nombre de paramètres supplémentaires, visés au 1°, e) ;
  2) des paramètres non retenus visés au 2°, c).
  Si des sous-traitances sont autorisées dans un paquet, ce nombre est encore diminué pour chaque participant individuellement avec le nombre de paramètres sous-traités à condition qu'il ait été fait mention de cette sous-traitance ; ".
Art. 275. In bijlage 10, hoofdstuk 1, 7°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
  "a) per parameter worden verschillende stalen aangeboden. Een laboratorium is geslaagd voor een parameter als voor niet meer dan een derde, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het aantal beoordeelde stalen een beoordeling "twijfelachtig" of "slecht" gescoord wordt en voor niet meer dan een zesde, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het aantal beoordeelde stalen een beoordeling "slecht" behaald wordt;".
Art. 275. A l'annexe 10, chapitre 1er, 7°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point a) est remplacé par ce qui suit :
  " a) différents échantillons sont offerts par paramètre. Un laboratoire réussit pour un paramètre lorsqu'une évaluation " douteuse " ou " mauvaise " n'est émise que pour un tiers au plus, arrondi à l'entier le plus proche, du nombre d'échantillons évalués et lorsqu'une évaluation " mauvaise " n'est émise que pour un sixième au plus, arrondi à l'entier le plus proche, du nombre d'échantillons évalués ; ".
Art. 276. In bijlage 10, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt 8° vervangen door wat volgt :
  "8° Beoordeling van ringtestresultaten per pakket met betrekking tot het pakket, vermeld in bijlage 3, 3° :
  a) als voor dezelfde parameter, met uitzondering van de handmatige bepaling van de bodemtextuur, verschillende stalen worden aangeboden, worden de resultaten van de verschillende stalen beoordeeld als volgt :
  1) de parameter krijgt de beoordeling "goed" als van alle stalen voor die parameter niet meer dan 10 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" of "twijfelachtig" kreeg en niet meer dan 5% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" kreeg;
  2) de parameter krijgt de beoordeling "twijfelachtig" als van alle stalen voor die parameter niet meer dan 20 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" of "twijfelachtig" kreeg en niet meer dan 10 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" kreeg;
  3) de parameter krijgt de beoordeling "slecht" als van alle stalen voor die parameter meer dan 20 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" of "twijfelachtig" kreeg of meer dan 10 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" kreeg;
  b) als voor de parameter handmatige bepaling van de bodemtextuur verschillende stalen worden aangeboden, worden de resultaten van de verschillende stalen beoordeeld als volgt :
  1) de parameter krijgt de beoordeling "goed" als niet meer dan 10 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" kreeg;
  2) de parameter krijgt de beoordeling "slecht" als meer dan 10 % van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling "slecht" kreeg;
  c) om een gunstige beoordeling voor een pakket als vermeld in bijlage 3, 3°, te krijgen, moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden :
  1) voor geen enkele parameter als vermeld in bijlage 3, 3°, a) en b), mag een beoordeling "twijfelachtig" of "slecht" verkregen worden;
  2) wat de parameter, vermeld in bijlage 3, 3°, c), betreft : voor hetzij de handmatige bepaling voor minstens één werknemer, hetzij de granulometrische bepaling, moet een beoordeling "goed" verkregen worden.".
Art. 276. A l'annexe 10, chapitre 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  " 8° évaluation des résultats des épreuves de l'anneau par paquet concernant le paquet mentionné à l'annexe 3, 3° :
  a) lorsque pour le même paramètre, à l'exception de l'évaluation manuelle de la texture du sol, différents échantillons sont fournis, les résultats des divers échantillons sont évalués comme suit :
  1) le paramètre reçoit l'évaluation " bonne " lorsqu'une évaluation " douteuse " ou " mauvaise " n'est émise que pour 10 % au plus, arrondi à l'entier le plus proche, de tous les échantillons pour ce paramètreévalués et lorsqu'une évaluation " mauvaise " n'est émise que pour 5% au plus, arrondi à l'entier le plus proche, du nombre d'échantillons évalués ;
  2) le paramètre reçoit l'évaluation " douteuse " lorsqu'une évaluation " douteuse " ou " mauvaise " n'est émise que pour 20 % au plus, arrondi à l'entier le plus proche, de tous les échantillons pour ce paramètre et lorsqu'une évaluation " mauvaise " n'est émise que pour 10 % au plus, arrondi à l'entier le plus proche, du nombre d'échantillons évalués ;
  3) le paramètre reçoit l'évaluation " mauvaise " lorsqu'une évaluation " mauvaise " ou " douteuse " a été émise à plus de 20 %, arrondi à l'entier le plus proche, de tous les échantillons pour ce paramètre ou lorsqu'une évaluation " mauvaise "a été émise à plus de 10 %, arrondi à l'entier le plus proche, des échantillons évalués ;
  b) lorsque différents échantillons sont fournis pour le paramètre évaluation manuelle de la texture des sols, les résultats des divers échantillons sont évalués comme suit :
  1) le paramètre reçoit l'évaluation " bonne " lorsqu'une évaluation " mauvaise " n'a été octroyée qu'à 10 % au plus, arrondi à l'entier le plus proche, des échantillons " ;
  2) le paramètre reçoit l'évaluation " mauvaise " lorsqu'une évaluation " mauvaise " a été octroyée à plus de 10 %, arrondi à l'entier le plus proche, des échantillons " ;
  c) pour obtenir une évaluation favorable d'un paquet, tel que visé à l'annexe 3, 3°, il doit être satisfait aux conditions ci-après :
  1) pour aucun paramètre mentionné à l'annexe 3, point 3°, a) et b), une évaluation " douteuse " ou " mauvaise " ne peut être octroyée ;
  2) en ce qui concerne le paramètre, visé à l'annexe 3, 3°, c) : une évaluation " bonne " doit être obtenue pour soit l'évaluation manuelle pour au moins un travailleur, soit pour l'évaluation granulométrique. ".
Art. 277. In bijlage 10, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° worden tussen de woorden "specifieke aspecten van de uitvoering" en de woorden "te demonstreren" de woorden "toe te lichten of" ingevoegd;
  2° in punt 3° worden tussen de woorden "specifieke aspecten van de meting" en de woorden "te demonstreren" de woorden "toe te lichten of" ingevoegd;
  3° in punt 4° worden de woorden "documentaire controle" vervangen door de woorden "een documentaire controle";
  4° in punt 5° worden de woorden "controle door het referentielaboratorium" vervangen door de woorden "de controle door het referentielaboratorium";
  5° in punt 8° worden de woorden "deelnemen aan een multiplechoice-examen" vervangen door de woorden "het deelnemen aan een multiplechoice-examen".
Art. 277. A l'annexe 10, chapitre 2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1° les mots "d'élucider ou" sont insérés entre les mots "au laboratoire" et les mots "de démontrer" ;
  2° au point 3° les mots "d'élucider ou" sont insérés entre les mots "au laboratoire " et les mots "de démontrer" ;
  3° au point 4°, les mots " contrôle documentaire " sont remplacés par les mots " un contrôle documentaire " ;
  4° au point 5°, les mots " contrôle par le laboratoire de référence " sont remplacés par les mots " le contrôle par le laboratoire de référence " ;
  5° au point 8°, les mots " participation à un examen à choix multiples " sont remplacés par les mots " la participation à un examen à choix multiples ".
Art. 278. In het opschrift van bijlage 14 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "artikel 43/3, § 2, en artikel 43/4, § 3" vervangen door de zinsnede "artikel 43/3, § 2, artikel 43/4, § 3, artikel 43/6, § 3, artikel 43/7, § 2, artikel 43/8, § 2, artikel 43/9, § 2, artikel 43/10, § 2, en artikel 53/9, 3° ".
Art. 278. Dans l'intitulé de l'annexe 14 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le membre de phrase " article 43/3, § 2, et article 43/4, § 3, " sont remplacés par le membre de phrase " article 43/3, § 2, article 43/4, § 3, article 43/6, § 3, article 43/7, § 2, article 43/8, § 2, article 43/9, § 2, article 43/10, § 2, et article 53/9, 3° ".
Art. 279. In bijlage 14 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 4° wordt de zinsnede "en -plaats" opgeheven;
  2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt :
  "6° in geval van een bijscholing of actualisatie-examen : de datum van de bijscholing of het actualisatie-examen;";
  3° punt 7° wordt vervangen door wat volgt :
  "7° in geval van een opleiding of examen : als een persoon voldoet aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 of 17/5 : het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan de geslaagde persoon en de aanvangsdatum van de erkenning;";
  4° er worden een punt 8° en 9° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "8° in geval van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) : de categorie van certificaat en de activiteiten die de certificaathouder op grond daarvan mag uitvoeren;
  9° in geval van een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, f) tot en met i), of een bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) en c) : de activiteiten die de certificaathouder mag verrichten.".
Art. 279. A l'annexe 14 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 4°, le membre de phrase " et lieu " est abrogé ;
  2° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  "6° dans le cas d'un perfectionnement ou d'un examen de mise à jour : la date du perfectionnement ou de l'examen de mise à jour ;" ;
  3° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  "7° dans le cas d'une formation ou d'un examen : lorsqu'une personne répond aux conditions spéciales d'agrément, visées aux articles 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 ou 17/5 : le numéro d'agrément octroyé à la personne qui a réussi et la date de début de l'agrément ; " ;
  4° il est ajouté des points 8° et 9°, rédigés comme suit :
  "8° dans le cas d'un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) : la catégorie du certificat et les activités que le détenteur du certificat peut effectuer sur la base de celui-ci ;
  9° dans le cas d'un technicien, tel que visé à l'article 6, 2°, f) à i), ou d'une entreprise, telle que visée à l'article 6, 7°, b) et c) : les activités qui peuvent être effectuées par le détenteur du certificat. ".
Art. 280. In het opschrift van bijlage 15 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "artikel 43/3, § 3, en artikel 43/4, § 4" vervangen door de zinsnede "artikel 43/3, § 3, artikel 43/4, § 4, artikel 43/6, § 4, artikel 43/7, § 3, artikel 43/8, § 3, artikel 43/9, § 3, en artikel 43/10, § 3".
Art. 280. Dans l'intitulé de l'annexe 15 au même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, le membre de phrase " l'article 43/3, § 3, et l'article 43/4, § 4, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 43/3, § 3, l'article 43/4, § 4, l'article 43/6, § 4, l' article 43/7, § 3, l'article 43/8, § 3, l'article 43/9, § 3, et l'article 43/10, § 3 ".
Art. 281. In bijlage 15 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
  "5° de voor- en achternaam, de geboortedatum en -plaats, het rijksregisternummer, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de geslaagde persoon;";
  2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
  "8° in geval van een bijscholing of actualisatie-examen : de datum van de bijscholing of het actualisatie-examen;";
  3° punt 9° wordt vervangen door wat volgt :
  "9° in geval van een opleiding of examen : als een persoon voldoet aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 of 17/5 : het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan de geslaagde persoon en de aanvangsdatum van de erkenning;";
  4° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "10° in geval van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) : de categorie van certificaat.".
Art. 281. A l'annexe 15 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  "5° les prénom et nom, date et lieu de naissance, adresse, numéro de registre national, l'adresse, le numéro de téléphone et l'adresse e-mail de chaque candidat ayant réussi l'examen ;" ;
  2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  "8° dans le cas d'un perfectionnement ou d'un examen de mise à jour : la date du perfectionnement ou de l'examen de mise à jour ;" ;
  3° le point 9° est remplacé par ce qui suit :
  "9° dans le cas d'une formation ou d'un examen : lorsqu'une personne répond aux conditions spéciales d'agrément, visées aux articles 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 ou 17/5 : le numéro d'agrément octroyé à la personne qui a réussi et la date de début de l'agrément ;" ;
  4° il est ajouté un point 10°, rédigé comme suit :
  " 10° dans le cas d'un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) : la catégorie du certificat. ".
Art. 282. In bijlage 16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het opschrift wordt de zinsnede "artikel 25/3, 2°, b)" vervangen door de zinsnede "artikel 25/3, 1°, b)";
  2° in het tweede lid, 1°, a) en b), wordt de zinsnede "artikel 6, 7°, " telkens vervangen door de zinsnede "artikel 6, 7°, a),".
Art. 282. A l'annexe 16 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'intitulé, le membre de phrase " article 25/3, 2° " est remplacé par le membre de phrase " article 25/3, 1°, b) " ;
  2° dans l'alinéa deux, 1°, a) et b) le membre de phrase " article 6, 7° " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " article 6, 7°, a), ".
Art. 283. In bijlage 17, 2°, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt na de zin "Een persoon die slaagt voor het examen, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen voor de overeenstemmende module." de zin "In afwijking daarvan krijgen de personen, vermeld in artikel 103/2 en 103/3, na het volgen van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen een getuigschrift van de aanvullende vorming voor de gevolgde module." toegevoegd.
Art. 283. A l'annexe 17, 2°, alinéa premier du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, la phrase " Une personne qui réussit l'examen, reçoit un certificat de la formation complémentaire pour experts en assainissement du sol pour le module correspondant. " est suivie par la phrase " Par dérogation à cette disposition, les personnes, visées aux articles 103/2 et 103/3 reçoivent un certificat de la formation complémentaire pour le module suivi, apès qu'elles ont suivi la formation complémentaire pour experts en assainissement du sol.
Art. 284. Bijlage 18 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door bijlage 11, die bij die besluit is gevoegd.
Art. 284. L'annexe 18 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est remplacée par l'annexe 11, jointe au présent arrêté.
Art. 285. Aan hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden een bijlage 19 tot en met 22 toegevoegd, die als bijlage 12 tot en met 15 bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 285. Au même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 juin 2011, 1 mars 2013 et 16 mai 2014, des annexes 19 à 22 sont ajoutées, qui sont jointes comme annexes 12 à 15 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
CHAPITRE 7. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets
Art. 286. In artikel 5.2.4.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
  "3° alle personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit klimaatregelingsapparatuur in afgedankte voertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, moeten erkend zijn als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL. In afwijking daarvan is een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, vrijgesteld van de erkenningsverplichting op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.".
Art. 286. A l'article 5.2.4.4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° toutes les personnes récupérant des gaz à effet de serre fluorés provenant de systèmes de climatisation de certains véhicules mis au rebut relevant du champ d'application de l'article 1 du règlement (CE) no 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) no 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certains véhicules à moteur, doivent être agréés en tant que technicien pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. Par dérogation à cette disposition, une personne qui est en possession d'un certificat d'enregistrement pour une formation en vue d'obtenir le certificat, tel que visé à l'article 17/5, 2°, du VLAREL, est dispensée de l'obligation d'obtenir un agrément pendant une durée maximale d'un an à compter de la date d'enregistrement pour la formation, à condition qu'il effectue la récupération sous la surveillance d'un technicien agréé pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Cette dispense de l'obligation d'agrément échoit lorsque la personne obtient un agrément comme technicien pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. A la demande de l'autorité de surveillance l'intéressé présente une attestation d'inscription.".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes, activités aéronautiques et l'introduction de mécanismes de flexibilité
Art. 287. In artikel 58, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen worden de woorden "en goedgekeurd" opgeheven.
Art. 287. A l'article 58, alinéa premier de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2012 relatif au système d'échange de quotas de gaz à effet de serre pour les installations fixes, activités aéronautiques et l'introduction de mécanismes de flexibilité, les mots " et approuvé " sont abrogés.
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening.
CHAPITRE 9. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 modifiant divers arrêtés en matière d'environnement, en ce qui concerne une adaptation à l'évolution de la technique et au Règlement CLP
Art. 288. Aan artikel 635, § 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu, wat betreft een aanpassing aan de evolutie van de techniek en aan de CLP-verordening, worden de woorden "en de opslaghoeveelheden per subrubriek" toegevoegd.
Art. 288. A l'article 635, § 3, alinéa premier de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 modifiant divers arrêtés en matière d'environnement, en ce qui concerne une adaptation à l'évolution de la technique et au Règlement CLP, les mots " ainsi que les quantités de stockage par sous-rubrique " sont ajoutés.
HOOFDSTUK 10. - Overgangs- en Slotbepalingen.
CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires et finales
Art. 289. De volgende besluiten worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 en 1 maart 2013;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013;
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013.
Art. 289. Les arrêtés suivants sont abrogés :
  1° L'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 mars 2013 et 16 mai 2014 ;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 17 février 2012 et 1 mars 2013 ;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de techniciens récupérant certains gaz à effet de serre fluorés d'appareillages de connexion à haute tension, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 ;
  4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 ;
  5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de la formation de techniciens concernés par la récupération de gaz à effet de serre fluorés provenant de systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 ;
Art. 290. De erkenning als laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, wordt opgeheven voor het pakket W.5.15.
Art. 290. L'agrément en tant que laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, est abrogé pour le paquet W.5.15.
Art. 291. De erkenningsaanvragen van de technici, de bedrijven, de opleidingscentra of de keuringsinstellingen, vermeld in artikel 6, 2°, e) tot en met i), 4°, h) tot en met l), 7°, b) en c), en 8° van het VLAREL, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden behandeld conform de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend.
  Deze erkenningen worden verleend of geweigerd conform de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 291. Les demandes d'agrément des techniciens, entreprises, centres de formation ou organismes de contrôle, visés à l'article 6, 2°, e) à i), 4°, h) à l); 7°, b) et c) et 8° du VLAREL, qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont traitées conformément aux dispositions en vigueur au moment que la demande a été introduite.
  Ces agréments sont octroyés ou refusés conformément aux dispositions légales et réglementaires qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 292. Als voor het gebruik van een bepaalde erkenning tot de datum van de inwerkingtreding van dit besluit geen verzekering of een verzekering met beperktere waarborg was vereist, wordt in afwijking van artikel 34, § 3, van het VLAREL aan die gebruikseis voldaan binnen een termijn van een jaar na die datum.
Art. 292. Si, pour l'usage d'un certain agrément jusqu'à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, aucune assurance ou une assurance à garantie réduite était requise, cette condition d'usage est remplie, par dérogation à l'article 34, § 2, au plus tard dans un délai d'un an après cette date.
Art. 293. Een technicus in de koeltechniek, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL voor de desbetreffende categorie I, II, III of IV. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn. Met toepassing van artikel 40/1, 4°, van het VLAREL slaagt de erkende koeltechnicus vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), van het VLAREL of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen waarbij hij voor het eerstvolgende actualisatie-examen of gelijkwaardig examen moet slagen vóór het einde van de geldigheidsduur, vermeld op het certificaat dat met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici uitgereikt werd.
  Een koeltechnisch bedrijf, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een examencentrum, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), van het VLAREL voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek voor de desbetreffende categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een keuringsinstelling die geaccrediteerd is als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor het keuren van een koelinstallatiebeheersysteem met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici is voor de toepassing van het VLAREL erkend als keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8°, van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn. In afwijking van artikel 53/9, 1°, van het VLAREL wordt binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit de accreditatie aangepast voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, van het VLAREL.
Art. 293. Pour l'application du VLAREL, un technicien en technique du froid, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est agréé en tant que technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) du VLAREL pour la catégorie I, II, III ou IV correspondante. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée. En application de l'article 40/1, 4° du VLAREL, tous les cinq ans, le technicien frigoriste agréé réussit l'examen de mise à jour dans un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, h), du VLAREL ou un examen équivalent qui est accepté par la division, chargée des agréments, devant réussir l'examen de mise à jour ou l'examen équivalent prochains avant la fin de la durée de validité, mentionnée sur le certificat qui a été délivré en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes.
  Pour l'application du VLAREL, une entreprise en technique du froid, certifiée en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est agréée comme entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 6, 7°, b), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un centre d'examen, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est agréé comme centre de formation, tel que visé à l'article 6, 4°, h) du VLAREL pour la délivrance du certificat d'aptitude dans la technique frigorifique de la catégorie correspondante I, II, III ou IV et de l'examen de mise à jour. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un organisme de contrôle, qui a été accrédité comme organisme de contrôle de type A, sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020 pour le contrôle d'un système de gestion d'une installation frigorifique en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est agréé comme organisme de contrôle, tel que visé à l'article 6, 8°, du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée. Par dérogation à l'article 53/9, 1°, du VLAREL, l'accréditation est ajustée pour le contrôle, visé à l'article 25/4, 4°, du VLAREL dans un délai de deux ans à compter de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 294. Een technicus voor brandbeveiligingssystemen, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een bedrijf, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een examencentrum, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
Art. 294. Pour l'application du VLAREL, un technicien pour systèmes de protection contre l'incendie, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, est agréé comme technicien pour systèmes de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, une entreprise certifiée en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, est agréée comme entreprise pour systèmes de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 6, 7°, c), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un centre d'examen, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, est agréé comme centre de formation, tel que visé à l'article 6, 4°, i) du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 295. Een technicus, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een opleidingscentrum, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
Art. 295. Pour l'application du VLAREL, un technicien certifié, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de techniciens récupérant certains gaz à effet de serre fluorés d'appareillages de connexion à haute tension, est agréé comme technicien pour appareils de commutation électrique, tel que visé à l'article 6, 2°, g) du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un centre de formation, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de techniciens récupérant certains gaz à effet de serre fluorés d'appareillages de connexion à haute tension, est agréé comme centre de formation, tel que visé à l'article 6, 4°, j), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 296. Een technicus, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een examencentrum, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
Art. 296. Pour l'application du VLAREL, un technicien, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification du personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés en provenance des équipements, est agréé comme technicien pour les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 6, 2°, h) du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un centre d'examen, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification du personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés en provenance des équipements, est agréé comme centre de formation, tel que visé à l'article 6, 4°, k), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 297. Een technicus, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
  Een opleidingscentrum, gecertificeerd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, is voor de toepassing van het VLAREL erkend als opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), van het VLAREL. De erkenning is geldig voor onbepaalde termijn.
Art. 297. Pour l'application du VLAREL, un technicien, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la formation des techniciens qui participent à la récupération des gaz à effet de serre fluorés dans les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, est agréé comme technicien pour systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 2°, i) du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  Pour l'application du VLAREL, un centre de formation, certifié en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la formation des techniciens qui participent à la récupération des gaz à effet de serre fluorés dans les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, est agréé comme centre de formation, tel que visé à l'article 6, 4°, l), du VLAREL. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 298. Een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL dat erkend is :
  1° voor het pakket W.4.2.5 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor de pakketten W.4.2.5 en W.4.2.9, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
  2° voor het pakket W.4.2.6 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor de pakketten W.4.2.6 en W.4.2.10, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
  3° voor het pakket W.5.13 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.8, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
  4° voor het pakket W.6 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor de pakketten W.6.1, W.6.2 en W.6.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL.
  De erkenning heeft alleen betrekking op de deeldomeinen waarvoor het laboratorium erkend was vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 298. Un laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, qui est agréé :
  1° pour le paquet W.1.5 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.4.2.5 et W.4.2.9, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
  2° pour le paquet W.4.2.6 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.4.2.6 et W.4.2.10, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
  3° pour le paquet W.5.13 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.1.8, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
  4° pour le paquet W.6 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.6.1, W.6.2 et W.6.3,, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL.
  L'agrément ne porte que sur les sous-domaines pour lesquels le laboratoire était agréé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 299. Een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL dat erkend is voor het pakket L.5.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor de pakketten L.5.1 en L.5.15, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL.
Art. 299. Un laboratoire dans la discipline de l'air, tel que visé à l'article 6, 5°, b), du VLAREL, qui est agréé pour le paquet L.5.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets L.5.1 et L.5.15, visés à l'annexe 3, 2°, du VLAREL.
Art. 300. In afwijking van artikel 17/1, 3°, 17/2, 3°, 17/3, 3°, 17/4, 3°, 17/5, 3°, artikel 32, § 2, derde lid en artikel 34, § 9, van het VLAREL is tot uiterlijk 1 september 2016 een koeltechnicus, een technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, een technicus voor elektrische schakelinrichtingen, een technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat of een technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen vrijgesteld van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, van het VLAREL.
Art. 300. Par dérogation à l'article 17/1, 3°, 17/2, 3°, 17/3, 3°, 17/4, 3°, 17/5, 3°, article 32, § 2, alinéa trois et article 34, § 9 du VLAREL, un technicien frigoriste, un technicien pour systèmes de protection contre les incendies, un technicien pour appareils de commutation électrique, un technicien pour équipements contenant des solvants ou un technicien pour systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur sont dispensés jusqu'au 1 septembre 2016 au plus tard, du paiement de la redevance, indiquée à l'article 54/1, § 2er, du VLAREL.
Art. 301. In afwijking van artikel 58/2, 2°, d), van het VLAREL is tot uiterlijk 1 januari 2017 een keurder vrijgesteld van de voorwaarde om te beschikken over een erkenning als koeltechnicus van categorie I.
Art. 301. Par dérogation à l'article 58/2, 2°, d) du VLAREL, un contrôleur est dispensé jusqu'au 1 janvier 2017 au plus tard, de la possession d'un agrément en tant que technicien frigoriste de catégorie I.
Art. 302. Een bevoegde deskundige die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit aanvaard is door de afdeling bevoegd voor Milieuvergunningen als bevoegde deskundige inzake de opslag van gevaarlijke vloeistoffen met toepassing van hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM, wordt met toepassing van dit besluit aanvaard als bevoegde deskundige inzake de opslag van brandbare of gevaarlijke vloeistoffen met toepassing van de hoofdstukken 5.6 en 5.17 van titel II van het VLAREM. De aanvaarding geldt voor de termijn bepaald in het besluit van het afdelingshoofd houdende de aanvaarding als bevoegd deskundige inzake opslag van gevaarlijke vloeistoffen.
Art. 302. Un expert compétent qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, a été accepté par la division compétente pour les permis d'environnement en tant qu'expert qualifié en matière de stockage de substances dangereuses en application du chapitre 5.17, du titre II, du VLAREM, est accepté comme expert compétent en matière de stockage de liquides inflammables ou dangereuses en application des dispositions des chapitres 5.6 et 5.17 du titre II du VLAREM. L'acceptation est valable pour le délai fixé dans la décision du chef de division portant l'acceptation en tant qu'expert compétent en matière de stockage de liquides dangereux.
Art. 303. Een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor het domein E heeft tot en met 30 juni 2018 de tijd om aan de bijzondere erkenningsvoorwaarde als vermeld in artikel 9, 3°, van het VLAREL te voldoen. Indien de erkende milieudeskundige tegen deze datum niet aan deze bijzondere erkenningsvoorwaarde voldoet, vervalt de erkenning voor het domein E van rechtswege vanaf 1 juli 2018.
Art. 303. Un expert écologique dans la discipline de réservoirs de gaz ou de substances dangereuses qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est agréé pour le domaine E, doit satisfaire à la condition particulière d'agrément, telle que visée à l'article 9, 3°, du VLAREL le 30 juin 2018 au plus tard. Si l'expert écologique agréé ne répond pas à cette condition d'agrément particulière à cette date, l'agrément pour le domaine E échoit de plein droit à compter du 1 juillet 2018.
Art. 304. Artikel 257 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015 en artikel 276 heeft uitwerking met ingang van 3 mei 2013.
Art. 304. L'article 257 produit ses effets le 1er janvier 2015 et l'article 276 produit ses effets le 3 mai 2013.
Art. 305. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 305. Le Ministre flamand chargé de l'environnement et de la politique des eaux est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. 4.4.2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Algemene emissiegrenswaarden voor lucht
Art. N1. Annexe 4.4.2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Valeurs limites d'émission générales pour l'air
PARAMETER CAS-nummer EMISSIE-
  GRENSWAARDE
MEETMETHODE
1° totaal stof, bij een massastroom van :
a) ≤ 200 g/h  150 mg/Nmo LUC/I/001
b) > 200 g/h  20 mg/Nmo (*)  
(*) Van de voormelde emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 voor de parameter "totaal stof" kan conform artikel 1.2.2.1 van VLAREM II worden afgeweken. De individueel afwijkende emissiegrenswaarde mag in dit geval echter maximaal 50 mg/Nm3 bedragen.
2° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 10 g/h of meer :
- arseenwaterstof 7784-42-1 1 mg/Nmo  
- chloorcyaan 506-77-4 1 mg/Nmo  
- fosgeen 75-44-5 1 mg/Nmo  
- fosforwaterstof 7803-51-2 1 mg/Nmo  
3° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 50 g/h of meer :
- broom en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt als broomwaterstof  5 mg/Nmo  
- chloorgas 7782-50-5 5 mg/Nmo LUC/III/002
- cyaanwaterstof 74-90-8 5 mg/Nmo LUC/III/009
- fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt als waterstoffluoride  5 mg/Nmo LUC/III/006
- zwavelwaterstof 7783-06-4 5 mg/Nmo  
4° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 300 g/h of meer :
- gasvormige chloorverbindingen (met uitzondering van chloorcyanide en chloorgas), uitgedrukt als waterstofchloride  30 mg/Nmo LUC/III/001
5° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5 kg/h of meer :
- koolstofmonoxide (afkomstig van productie-installaties met volledige oxidatieve verbrandingsprocessen, inclusief naverbranding) 630-08-0 500 mg/Nmo LUC/II/001
- stikstofoxiden (stikstofmonoxide en stikstofdioxide), uitgedrukt als stikstofdioxide  500 mg/Nmo LUC/II/001
- zwaveloxiden (zwaveldioxide en zwaveltrioxide), uitgedrukt als zwaveldioxide  500 mg/Nmo LUC/II/001
  LUC/III/008
6° de volgende stoffen, bij een massastroom van 0,5 g/h of meer :
- benzo(a)pyreen 50-32-8 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001
- dibenzo(a,h)antraceen 53-70-3 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001
- 2-naftylamine 91-59-8 0,1 mg/Nmo  
- beryllium en zijn verbindingen, uitgedrukt als Be  0,1 mg/Nmo  
- chroom VI-verbindingen, uitgedrukt als Cr  0,1 mg/Nmo  
- ethyleenimine 151-56-4 0,1 mg/Nmo  
7° de volgende stoffen, bij een massastroom van 5 g/h of meer
- arseentrioxide en arseenpentoxide, uitgedrukt in As  1 mg/Nmo  
- arseenzuren en hun zouten, uitgedrukt in As  1 mg/Nmo  
- 3,3'-dichloorbenzidine 91-94-1 1 mg/Nmo  
- dimethylsulfaat 77-78-1 1 mg/Nmo  
- nikkel (nikkelmetaal, nikkelsulfide en sulfidische ertsen, nikkeloxide en nikkelcarbonaat, nikkeltetracarbonyl), uitgedrukt in Ni  1 mg/Nmo  
8° de volgende stoffen, bij een massastroom van 25 g/h of meer :
- acrylonitril 107-13-1 5 mg/Nm3  
- benzeen 71-43-2 5 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 1,3-butadieen 106-99-0 5 mg/Nm3  
- 1-chloor-2,3-epoxypropaan (epichloorhydrine) 106-89-8 5 mg/Nm3  
- 1,2-dibroomethaan 106-93-4 5 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- 1,2-epoxypropaan 75-56-9 5 mg/Nm3  
- ethyleenoxide 75-21-8 5 mg/Nm3  
- hydrazine 302-01-2 5 mg/Nm3  
- vinylchloride 75-01-4 5 mg/Nm3  
9° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 100 g/h of meer :
- acetaldehyde 75-07-0 20 mg/Nm3  
- acrylzuur 79-10-7 20 mg/Nm3  
- alkylloodverbindingen  20 mg/Nm3  
- aniline 62-53-3 20 mg/Nm3  
- bifenyl 92-52-4 20 mg/Nm3  
- chlooraceetaldehyde 107-20-0 20 mg/Nm3  
- chloorazijnzuur 79-11-8 20 mg/Nm3  
- chloormethaan 74-87-3 20 mg/Nm3 LUC/V/001
- a -chloortolueen 100-44-7 20 mg/Nm3  
- 1,2-dichloorbenzeen 95-50-1 20 mg/Nm3  
- 1,2-dichloorethaan 107-06-2 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- 1,1-dichloorethyleen 75-35-4 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- dichloorfenolen  20 mg/Nm3  
- di-ethylamine 109-89-7 20 mg/Nm3  
- dimethylamine 124-40-3 20 mg/Nm3  
- 1,4-dioxaan 123-91-1 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- ethylacrylaat 140-88-5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- ethylamine 75-04-7 20 mg/Nm3  
- fenol 108-95-2 20 mg/Nm3 LUC/III/005
- formaldehyde 50-00-0 20 mg/Nm3 LUC/III/004
- 2-furaldehyde 98-01-1 20 mg/Nm3  
- cresolen  20 mg/Nm3  
- maleïnezuuranhydride 108-31-6 20 mg/Nm3  
- methylacrylaat 96-33-3 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- methylamine 74-89-5 20 mg/Nm3  
- 2,4-tolueendi-isocyanaat 584-84-9 20 mg/Nm3  
- mierenzuur 64-18-6 20 mg/Nm3  
- nitrobenzeen 98-95-3 20 mg/Nm3  
- nitrocresolen  20 mg/Nm3  
- nitrofenolen  20 mg/Nm3  
- nitrotoluenen  20 mg/Nm3  
- 2-propenal 107-02-8 20 mg/Nm3  
- pyridine 110-86-1 20 mg/Nm3  
- 1,1,2,2-tetrachloorethaan 79-34-5 20 mg/Nm3  
- tetrachloormethaan 56-23-5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- thioalcoholen (mercaptanen)  20 mg/Nm3  
- thio-ethers  20 mg/Nm3  
- o-toluïdine 95-53-4 20 mg/Nm3  
- 1,1,2-trichloorethaan 79-00-5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichloormethaan 67-66-3 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichloorfenolen  20 mg/Nm3  
- tri-ethylamine 121-44-8 20 mg/Nm3  
- xylenolen (behalve 2,4-xylenol)  20 mg/Nm3  
10° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 2000 g/h of meer :
- azijnzuur 64-19-7 100 mg/Nm3  
- 2-butoxyethanol 111-76-2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- butyraldehyde 123-72-8 100 mg/Nm3  
- chloorbenzeen 108-90-7 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 2-chloor-1,3-butadieen 126-99-8 100 mg/Nm3  
- 2-chloorpropaan 75-29-6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- cyclohexanon 108-94-1 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- 1,4-dichloorbenzeen 106-46-7 100 mg/Nm3  
- 1,1-dichloorethaan 75-34-3 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- bis(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7 100 mg/Nm3  
- N,N-dimethylformamide 68-12-2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/010
- 2,6-dimethylheptaan-4-on 108-83-8 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- 2-ethoxyethanol 110-80-5 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- ethylbenzeen 100-41-4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- furfurylalcohol 98-00-0 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/009
- 2,2'-iminodiethanol 111-42-2 100 mg/Nm3  
- isopropenylbenzeen 98-83-9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- isopropylbenzeen 98-82-8 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 2-methoxyethanol 109-86-4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- methylacetaat 79-20-9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- methylcyclohexanon 1331-22-2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- methylformiaat 107-31-3 100 mg/Nm3  
- methylmethacrylaat 80-62-6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- naftaleen 91-20-3 100 mg/Nm3  
- propionaldehyde 123-38-6 100 mg/Nm3  
- propionzuur 79-09-4 100 mg/Nm3  
- styreen 100-42-5 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- tetrachloorethyleen 127-18-4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- tetrahydrofuraan 109-99-9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- tolueen 108-88-3 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 1,1,1-trichloorethaan 71-55-6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichloorethyleen 79-01-6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trimethylbenzeen  100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- vinylacetaat 108-05-4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- 2,4-xylenol 105-67-9 100 mg/Nm3  
- xylenen  100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- zwavelkoolstof 75-15-0 100 mg/Nm3  
11° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 3000 g/h of meer :
- aceton 67-64-1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- alkylalcohol  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/009
- butanon 78-93-3 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- butylacetaat  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- chloorethaan 75-00-3 150 mg/Nm3 LUC/V/001
- dibutylether 142-96-1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- dichloordifluormethaan 75-71-8 150 mg/Nm3  
- 1,2-dichloorethyleen 540-59-0 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- dichloormethaan 75-09-2 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- di-ethylether 60-29-7 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- di-isopropylether 108-20-3 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- dimethylether 115-10-6 150 mg/Nm3  
- ethylacetaat 141-78-6 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- ethyleenglycol 107-21-1 150 mg/Nm3  
- 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon 123-42-2 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- methylbenzoaat 93-58-3 150 mg/Nm3  
- 4-methyl-2-pentanon 108-10-1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- N-methylpyrrolidon 872-50-4 150 mg/Nm3  
- olefinische koolwaterstoffen (behalve 1,3-butadieen)  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/005
  LUC/V/001
- paraffinische koolwaterstoffen (behalve methaan)  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/006
  LUC/V/001
- pinenen  150 mg/Nm3  
- trichloorfluormethaan 75-69-4 150 mg/Nm3  
12° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 1 g/h of meer (*) (**) :
- cadmium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cd  0,2 mg/Nm3  
- kwik en zijn verbindingen, uitgedrukt in Hg  0,2 mg/Nm3  
- thallium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Tl  0,2 mg/Nm3  
(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies
  (**) LUC/I/002 voor de stofvormige fractie aan metalen en LUC/III/010 voor het totaalgehalte aan metalen (som van de stofvormige- en gasvormige fractie) moeten worden toegepast.
13° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 5 g/h of meer (*) (**) :
- arseen en zijn verbindingen, uitgedrukt in As  1 mg/Nm3  
- nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni  1 mg/Nm3  
- seleen en zijn verbindingen, uitgedrukt in Se  1 mg/Nm3  
(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies
  (**) LUC/I/002 voor de stofvormige fractie aan metalen en LUC/III/010 voor het totaalgehalte aan metalen (som van de stofvormige- en gasvormige fractie) moeten worden toegepast.
14° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 25 g/h of meer (*) (**) :
- antimoon en zijn verbindingen, uitgedrukt in Sb  5 mg/Nm3  
- lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb  5 mg/Nm3  
- chroom en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cr  5 mg/Nm3  
- kobalt en zijn verbindingen, uitgedrukt in Co  5 mg/Nm3  
- gemakkelijk oplosbare cyaniden, uitgedrukt in CN  5 mg/Nm3  
- gemakkelijk oplosbare fluoriden, uitgedrukt in F  5 mg/Nm3  
- koper en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cu  5 mg/Nm3  
- mangaan en zijn verbindingen, uitgedrukt in Mn  5 mg/Nm3  
- platina en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pt  5 mg/Nm3  
- vanadium en zijn verbindingen, uitgedrukt in V  5 mg/Nm3  
- tin en zijn verbindingen, uitgedrukt in Sn  5 mg/Nm3  
(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies.
  (**) Voor metalen moet LUC/I/002 voor de stofvormige fractie en LUC/III/010 voor het totaalgehalte (som van de stofvormige- en gasvormige fractie aan metalen) worden toegepast.
15° de volgende vezelachtige silicaten (asbest) :
- actinoliet   overeenkomstig de methode vastgesteld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1988 houdende vaststelling van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van verontreiniging van de lucht door asbest
- amosiet (bruin asbest)  
  
- anthofylliet  
  
- chrysotiel (wit asbest)  
  
- crocidoliet (blauw asbest)  
  
- tremoliet  
  
uitgedrukt in asbest, bij een afgasstroom van :  
  
- 5000 mo/uur of meer  0,1 mg/Nm3
  
- < 5000 mo/uur  500 mg asbest/
  uur
PARAMETER CAS-nummer EMISSIE-
  GRENSWAARDE MEETMETHODE 1° totaal stof, bij een massastroom van :a) ≤ 200 g/h 150 mg/Nmo LUC/I/001b) > 200 g/h 20 mg/Nmo (*) (*) Van de voormelde emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 voor de parameter "totaal stof" kan conform artikel 1.2.2.1 van VLAREM II worden afgeweken. De individueel afwijkende emissiegrenswaarde mag in dit geval echter maximaal 50 mg/Nm3 bedragen. 2° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 10 g/h of meer :- arseenwaterstof 7784-42-1 1 mg/Nmo - chloorcyaan 506-77-4 1 mg/Nmo - fosgeen 75-44-5 1 mg/Nmo - fosforwaterstof 7803-51-2 1 mg/Nmo 3° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 50 g/h of meer :- broom en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt als broomwaterstof 5 mg/Nmo - chloorgas 7782-50-5 5 mg/Nmo LUC/III/002- cyaanwaterstof 74-90-8 5 mg/Nmo LUC/III/009- fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt als waterstoffluoride 5 mg/Nmo LUC/III/006- zwavelwaterstof 7783-06-4 5 mg/Nmo 4° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 300 g/h of meer :- gasvormige chloorverbindingen (met uitzondering van chloorcyanide en chloorgas), uitgedrukt als waterstofchloride 30 mg/Nmo LUC/III/001 5° de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5 kg/h of meer :- koolstofmonoxide (afkomstig van productie-installaties met volledige oxidatieve verbrandingsprocessen, inclusief naverbranding) 630-08-0 500 mg/Nmo LUC/II/001- stikstofoxiden (stikstofmonoxide en stikstofdioxide), uitgedrukt als stikstofdioxide 500 mg/Nmo LUC/II/001- zwaveloxiden (zwaveldioxide en zwaveltrioxide), uitgedrukt als zwaveldioxide 500 mg/Nmo LUC/II/001
  LUC/III/008 6° de volgende stoffen, bij een massastroom van 0,5 g/h of meer :- benzo(a)pyreen 50-32-8 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001- dibenzo(a,h)antraceen 53-70-3 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001- 2-naftylamine 91-59-8 0,1 mg/Nmo - beryllium en zijn verbindingen, uitgedrukt als Be 0,1 mg/Nmo - chroom VI-verbindingen, uitgedrukt als Cr 0,1 mg/Nmo - ethyleenimine 151-56-4 0,1 mg/Nmo 7° de volgende stoffen, bij een massastroom van 5 g/h of meer- arseentrioxide en arseenpentoxide, uitgedrukt in As 1 mg/Nmo - arseenzuren en hun zouten, uitgedrukt in As 1 mg/Nmo - 3,3'-dichloorbenzidine 91-94-1 1 mg/Nmo - dimethylsulfaat 77-78-1 1 mg/Nmo - nikkel (nikkelmetaal, nikkelsulfide en sulfidische ertsen, nikkeloxide en nikkelcarbonaat, nikkeltetracarbonyl), uitgedrukt in Ni 1 mg/Nmo 8° de volgende stoffen, bij een massastroom van 25 g/h of meer :- acrylonitril 107-13-1 5 mg/Nm3- benzeen 71-43-2 5 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 1,3-butadieen 106-99-0 5 mg/Nm3- 1-chloor-2,3-epoxypropaan (epichloorhydrine) 106-89-8 5 mg/Nm3- 1,2-dibroomethaan 106-93-4 5 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- 1,2-epoxypropaan 75-56-9 5 mg/Nm3- ethyleenoxide 75-21-8 5 mg/Nm3- hydrazine 302-01-2 5 mg/Nm3- vinylchloride 75-01-4 5 mg/Nm39° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 100 g/h of meer :- acetaldehyde 75-07-0 20 mg/Nm3- acrylzuur 79-10-7 20 mg/Nm3- alkylloodverbindingen 20 mg/Nm3- aniline 62-53-3 20 mg/Nm3- bifenyl 92-52-4 20 mg/Nm3- chlooraceetaldehyde 107-20-0 20 mg/Nm3- chloorazijnzuur 79-11-8 20 mg/Nm3- chloormethaan 74-87-3 20 mg/Nm3LUC/V/001- a -chloortolueen 100-44-7 20 mg/Nm3- 1,2-dichloorbenzeen 95-50-1 20 mg/Nm3- 1,2-dichloorethaan 107-06-2 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- 1,1-dichloorethyleen 75-35-4 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- dichloorfenolen 20 mg/Nm3- di-ethylamine 109-89-7 20 mg/Nm3- dimethylamine 124-40-3 20 mg/Nm3- 1,4-dioxaan 123-91-1 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- ethylacrylaat 140-88-5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- ethylamine 75-04-7 20 mg/Nm3- fenol 108-95-2 20 mg/Nm3LUC/III/005- formaldehyde 50-00-0 20 mg/Nm3LUC/III/004- 2-furaldehyde 98-01-1 20 mg/Nm3- cresolen 20 mg/Nm3- maleïnezuuranhydride 108-31-6 20 mg/Nm3- methylacrylaat 96-33-3 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- methylamine 74-89-5 20 mg/Nm3- 2,4-tolueendi-isocyanaat 584-84-9 20 mg/Nm3- mierenzuur 64-18-6 20 mg/Nm3- nitrobenzeen 98-95-3 20 mg/Nm3- nitrocresolen 20 mg/Nm3- nitrofenolen 20 mg/Nm3- nitrotoluenen 20 mg/Nm3- 2-propenal 107-02-8 20 mg/Nm3- pyridine 110-86-1 20 mg/Nm3- 1,1,2,2-tetrachloorethaan 79-34-5 20 mg/Nm3- tetrachloormethaan 56-23-5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- thioalcoholen (mercaptanen) 20 mg/Nm3- thio-ethers 20 mg/Nm3- o-toluïdine 95-53-4 20 mg/Nm3- 1,1,2-trichloorethaan 79-00-5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichloormethaan 67-66-3 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichloorfenolen 20 mg/Nm3- tri-ethylamine 121-44-8 20 mg/Nm3- xylenolen (behalve 2,4-xylenol) 20 mg/Nm310° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 2000 g/h of meer :- azijnzuur 64-19-7 100 mg/Nm3- 2-butoxyethanol 111-76-2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- butyraldehyde 123-72-8 100 mg/Nm3- chloorbenzeen 108-90-7 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 2-chloor-1,3-butadieen 126-99-8 100 mg/Nm3- 2-chloorpropaan 75-29-6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- cyclohexanon 108-94-1 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- 1,4-dichloorbenzeen 106-46-7 100 mg/Nm3- 1,1-dichloorethaan 75-34-3 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- bis(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7 100 mg/Nm3- N,N-dimethylformamide 68-12-2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/010- 2,6-dimethylheptaan-4-on 108-83-8 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- 2-ethoxyethanol 110-80-5 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- ethylbenzeen 100-41-4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- furfurylalcohol 98-00-0 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/009- 2,2'-iminodiethanol 111-42-2 100 mg/Nm3- isopropenylbenzeen 98-83-9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- isopropylbenzeen 98-82-8 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 2-methoxyethanol 109-86-4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- methylacetaat 79-20-9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- methylcyclohexanon 1331-22-2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- methylformiaat 107-31-3 100 mg/Nm3- methylmethacrylaat 80-62-6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- naftaleen 91-20-3 100 mg/Nm3- propionaldehyde 123-38-6 100 mg/Nm3- propionzuur 79-09-4 100 mg/Nm3- styreen 100-42-5 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- tetrachloorethyleen 127-18-4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- tetrahydrofuraan 109-99-9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- tolueen 108-88-3 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 1,1,1-trichloorethaan 71-55-6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichloorethyleen 79-01-6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trimethylbenzeen 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- vinylacetaat 108-05-4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- 2,4-xylenol 105-67-9 100 mg/Nm3- xylenen 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- zwavelkoolstof 75-15-0 100 mg/Nm311° de volgende organische stoffen, bij een massastroom van 3000 g/h of meer :- aceton 67-64-1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- alkylalcohol 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/009- butanon 78-93-3 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- butylacetaat 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- chloorethaan 75-00-3 150 mg/Nm3LUC/V/001- dibutylether 142-96-1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- dichloordifluormethaan 75-71-8 150 mg/Nm3- 1,2-dichloorethyleen 540-59-0 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- dichloormethaan 75-09-2 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- di-ethylether 60-29-7 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- di-isopropylether 108-20-3 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- dimethylether 115-10-6 150 mg/Nm3- ethylacetaat 141-78-6 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- ethyleenglycol 107-21-1 150 mg/Nm3- 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon 123-42-2 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- methylbenzoaat 93-58-3 150 mg/Nm3- 4-methyl-2-pentanon 108-10-1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- N-methylpyrrolidon 872-50-4 150 mg/Nm3- olefinische koolwaterstoffen (behalve 1,3-butadieen) 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/005
  LUC/V/001- paraffinische koolwaterstoffen (behalve methaan) 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/006
  LUC/V/001- pinenen 150 mg/Nm3- trichloorfluormethaan 75-69-4 150 mg/Nm312° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 1 g/h of meer (*) (**) :- cadmium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cd 0,2 mg/Nm3- kwik en zijn verbindingen, uitgedrukt in Hg 0,2 mg/Nm3- thallium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Tl 0,2 mg/Nm3(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies
  (**) LUC/I/002 voor de stofvormige fractie aan metalen en LUC/III/010 voor het totaalgehalte aan metalen (som van de stofvormige- en gasvormige fractie) moeten worden toegepast. 13° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 5 g/h of meer (*) (**) :- arseen en zijn verbindingen, uitgedrukt in As 1 mg/Nm3- nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni 1 mg/Nm3- seleen en zijn verbindingen, uitgedrukt in Se 1 mg/Nm3(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies
  (**) LUC/I/002 voor de stofvormige fractie aan metalen en LUC/III/010 voor het totaalgehalte aan metalen (som van de stofvormige- en gasvormige fractie) moeten worden toegepast. 14° de volgende stofvormige anorganische stoffen bij een massastroom van 25 g/h of meer (*) (**) :- antimoon en zijn verbindingen, uitgedrukt in Sb 5 mg/Nm3- lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb 5 mg/Nm3- chroom en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cr 5 mg/Nm3- kobalt en zijn verbindingen, uitgedrukt in Co 5 mg/Nm3- gemakkelijk oplosbare cyaniden, uitgedrukt in CN 5 mg/Nm3- gemakkelijk oplosbare fluoriden, uitgedrukt in F 5 mg/Nm3- koper en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cu 5 mg/Nm3- mangaan en zijn verbindingen, uitgedrukt in Mn 5 mg/Nm3- platina en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pt 5 mg/Nm3- vanadium en zijn verbindingen, uitgedrukt in V 5 mg/Nm3- tin en zijn verbindingen, uitgedrukt in Sn 5 mg/Nm3(*) Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen deze stoffen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, gelden de massaconcentraties en de massastromen van deze rubriek voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies.
  (**) Voor metalen moet LUC/I/002 voor de stofvormige fractie en LUC/III/010 voor het totaalgehalte (som van de stofvormige- en gasvormige fractie aan metalen) worden toegepast. 15° de volgende vezelachtige silicaten (asbest) :- actinoliet overeenkomstig de methode vastgesteld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1988 houdende vaststelling van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van verontreiniging van de lucht door asbest- amosiet (bruin asbest)
- anthofylliet
- chrysotiel (wit asbest)
- crocidoliet (blauw asbest)
- tremoliet
uitgedrukt in asbest, bij een afgasstroom van :
- 5000 mo/uur of meer 0,1 mg/Nm3
- < 5000 mo/uur 500 mg asbest/
  uur
PARAMETRE Numéro CAS VALEUR LIMITE D'EMISSION METHODE DE MESURE
1° total des poussières, pour un débit massique de :
a) ≤ 200 g/h  150 mg/Nmo LUC/I/001
b) > 200 g/h  20 mg/Nmo ;  
(*) Il peut être dérogé à la valeur limite d'émission précitée de 20 mg/Nmo pour le paramètre " total des poussières " conformément à l'article 1.2.2.1 du VLAREM II. La valeur limite d'émissions individuelle dérogatoire s'élève toutefois à au maximum 50 mg/Nmo dans ce cas.
2° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 10 g/h ou plus :
- trihydrure d'arsenic 7784 -42 -1 1 mg/Nmo  
- chlorure de cyanogène 506 -77 -4 1 mg/Nmo  
- phosgène 75 -44 -5 1 mg/Nmo  
- phosphure d'hydrogène 7803 -51 -2 1 mg/Nmo  
3° les substances inorganiques gazeuses suivantes, en cas de flux massique par substance de 50 g/h ou plus :
- brome et ses composés gazeux, exprimés en bromure d'hydrogène  5 mg/Nmo  
- chlore gazeux 7782 -50 -5 5 mg/Nmo LUC/III/002
- acide cyanhydrique 74 -90 -8 5 mg/Nmo LUC/III/009
- fluor et ses composés gazeux, exprimés en fluorure d'hydrogène  5 mg/Nmo LUC/III/006
- sulfure d'hydrogène 7783-06-4 5 mg/Nmo  
4° les substances inorganiques gazeuses suivantes, en cas de flux massique par substance de 300 g/h ou plus :
- composés chlorés gazeux (à l'exception du cyanure de chlore et du chlore gazeux), exprimés en chlorure d'hydrogène  30 mg/Nmo LUC/III/001
5° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 5 kg/h ou plus :
- monoxyde de carbone (provenant d'installations de production avec processus d'incinération entièrement oxydants, y compris postcombustion) 630 -08 -0 500 mg/Nmo LUC/II/001
- oxydes d'azote (monoxyde d'azote et dioxyde d'azote), exprimés en dioxyde d'azote  500 mg/Nmo LUC/II/001
- oxydes de soufre (dioxyde de soufre et trioxyde de soufre), exprimés en dioxyde de soufre  500 mg/Nmo LUC/II/001
  LUC/III/008
6° les substances suivantes, pour un débit massique de 0,5 g/h ou plus :
- benzo(a)pyrène 50 -32 -8 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001
- dibenzo(a,h)anthracène 53 -70 -3 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001
- 2-naphtylamine 91 -59 -8 0,1 mg/Nmo  
- béryllium et ses composés (exprimé en Be)  0,1 mg/Nmo  
- composés de chrome VI, exprimés en Cr  0,1 mg/Nmo  
- éthylèneneimine 151 -56 -4 0,1 mg/Nmo  
7° les substances suivantes, pour un débit massique de 5 g/h ou plus
- trioxyde d'arsenic et pentoxyde d'arsenic, exprimés en As  1 mg/Nmo  
- acides d'arsenic et leurs sels, exprimés en As  1 mg/Nmo  
- 3,3'-dichlorobenzidine 91 -94 -1 1 mg/Nmo  
- sulfate de diméthyle 77 -78 -1 1 mg/Nmo  
- nickel (nickel sous forme de métal, sulfure de nickel et minerais sulfates, oxyde de nickel et carbonate de nickel, nickel-tétracarbonyle), exprimé en Ni  1 mg/Nmo  
8° les substances suivantes, pour un débit massique de 25 g/h ou plus :
- acrylnitrile 107 -13 -1 5 mg/Nm3  
- benzène 71 -43 -2 5 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 1,3-butadiène 106 -99 -0 5 mg/Nm3  
- 1-chloro-2,3-époxypropane (epichlorohydrine) 106 -89 -8 5 mg/Nm3  
- 1,2-dibromoéthane 106 -93 -4 5 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- 1,2-époxypropane 75 -56 -9 5 mg/Nm3  
- oxyde d'éthylène 75 -21 -8 5 mg/Nm3  
- hydrazine 302 -01 -2 5 mg/Nm3  
- chlorure de vinyle 75 -01 -4 5 mg/Nm3  
9° les substances organiques suivantes, pour un débit de 100 g/h ou plus :
- acétaldéhyde 75 -07 -0 20 mg/Nm3  
- acide acrylique 79 -10 -7 20 mg/Nm3  
- composés d'alkyle de plomb  20 mg/Nm3  
- aniline 62 -53 -3 20 mg/Nm3  
- biphényle 92 -52 -4 20 mg/Nm3  
- aldéhyde chloracétique 107 -20 -0 20 mg/Nm3  
- acide chloroacétique 79 -11 -8 20 mg/Nm3  
- chlorométhane 74 -87 -3 20 mg/Nm3 LUC/V/001
- a-chlorotoluène 100 -44 -7 20 mg/Nm3  
- 1,2-dichlorobenzène 95 -50 -1 20 mg/Nm3  
- 1,2-dichloréthane 107 -06 -2 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- 1,1-dichloréthylène 75 -35 -4 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- dichlorophénols  20 mg/Nm3  
- diéthylamine 109 -89 -7 20 mg/Nm3  
- diméthylamine 124 -40 -3 20 mg/Nm3  
- 1,4-dioxane 123 -91 -1 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- acrylate d'éthyle 140 -88 -5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- éthylamine 75 -04 -7 20 mg/Nm3  
- Phénol 108 -95 -2 20 mg/Nm3 LUC/III/005
- formaldéhyde 50 -00 -0 20 mg/Nm3 LUC/III/004
- 2-furaldéhyde 98 -01 -1 20 mg/Nm3  
- crésols  20 mg/Nm3  
- anhydride de l'acide maléique 108 -31 -6 20 mg/Nm3  
- acrylate de méthyle 96 -33 -3 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- méthylamine 74 -89 -5 20 mg/Nm3  
- 2,4-diisocyanate de toluène 584 -84 -9 20 mg/Nm3  
- acide formique 64 -18 -6 20 mg/Nm3  
- nitrobenzène 98 -95 -3 20 mg/Nm3  
- nitrocrésols  20 mg/Nm3  
- nitrophénols  20 mg/Nm3  
- nitrotoluènes  20 mg/Nm3  
- 2-propénal 107 -02 -8 20 mg/Nm3  
- pyridine 110 -86 -1 20 mg/Nm3  
- 1,1,2,2-tétrachloroéthane 79 -34 -5 20 mg/Nm3  
- tetrachlorométhane 56 -23 -5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- thio-alcools (mercaptanes)  20 mg/Nm3  
- thio-ethers  20 mg/Nm3  
- o-toluidine 95 -53 -4 20 mg/Nm3  
- 1,1,2-trichloréthane 79 -00 -5 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichlorométhane 67 -66 -3 20 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichlorophénols  20 mg/Nm3  
- tri-éthylamine 121 -44 -8 20 mg/Nm3  
- xylénols (sauf 2,4-xylénol)  20 mg/Nm3  
10° les substances organiques suivantes, pour un débit de 2000 g/h ou plus :
- acide acétique 64 -19 -7 100 mg/Nm3  
- 2-butoxyéthanol 111 -76 -2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- butyraldéhyde 123 -72 -8 100 mg/Nm3  
- chlorobenzène 108 -90 -7 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 2- chloro-1,3-butadiène 126 -99 -8 100 mg/Nm3  
- 2-chloropropène 75 -29 -6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- cyclohexanone 108 -94 -1 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- 1,4-dichlorobenzène 106 -46 -7 100 mg/Nm3  
- 1,1-dichloréthane 75 -34 -3 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- di-(2-éthylhexyl)phtalate 117 -81 -7 100 mg/Nm3  
- N,N-diméthylformamide 68 -12 -2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/010
- 2,6-diméthylheptane-4-on 108 -83 -8 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- 2-éthoxyéthanol 110 -80 -5 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- éthylbenzène 100 -41 -4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- alcool furfurylique 98 -00 -0 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/009
- 2,2-iminodi-éthanol 111 -42 -2 100 mg/Nm3  
- isopropénylbenzène 98 -83 -9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- isopropylbenzène 98 -82 -8 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 2-méthoxyéthanol 109 -86 -4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/003
- acétate de méthyle 79 -20 -9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- méthylcyclohexanol 1331 -22 -2 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- formiate de méthyle 107 -31 -3 100 mg/Nm3  
- méthacrylate de méthyle 80 -62 -6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- naphtalène 91 -20 -3 100 mg/Nm3  
- aldéhyde propionique 123 -38 -6 100 mg/Nm3  
- acide propionique 79 -09 -4 100 mg/Nm3  
- styrène 100 -42 -5 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- tétrachloroéthylène 127 -18 -4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- tétrahydrofurane 109 -99 -9 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- toluène 108 -88 -3 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- 1,1,1-trichloréthane 71 -55 -6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- trichloroéthylène 79 -01 -6 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- triméthylbenzène  100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- acétate vinylique 108 -05 -4 100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- 2,4-xylénol 105 -67 -9 100 mg/Nm3  
- xylènes  100 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/001
- carbone soufre 75 -15 -0 100 mg/Nm3  
11° les substances organiques suivantes, pour un débit de 3000 g/h ou plus :
- acétone 67 -64 -1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- alcool d'alkyle  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/009
- butanon 78 -93 -3 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- acétate butylique  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- choroéthane 75 -00 -3 150 mg/Nm3 LUC/V/001
- dibutylether 142 -96 -1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- dichlorodifluorméthane 75 -71 -8 150 mg/Nm3  
- 1,2-dichloréthylène 540 -59 -0 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- dichlorométhane 75 -09 -2 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/002
- éther diéthylique 60 -29 -7 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- éther di-isopropylique 108 -20 -3 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/008
- diméthyléther 115 -10 -6 150 mg/Nm3  
- acétate d'éthyle 141 -78 -6 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/004
- éthylène glycol : 107 -21 -1 150 mg/Nm3  
- 4-hydroxy-4-méthyl-2-pentanone 123 -42 -2 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- méthylbenzoate 93 -58 -3 150 mg/Nm3  
- 4-méthyl-2-pentanone 108 -10 -1 150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/007
- N-méthylpyrrolidine 872 -50 -4 150 mg/Nm3  
- hydrocarbures oléfiniques (sauf 1,3-butadiène)  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/005
  LUC/V/001
- hydrocarbures paraffiniques (sauf méthane)  150 mg/Nm3 LUC/IV/000
  LUC/IV/006
  LUC/V/001
- pinènes  150 mg/Nm3  
- trichlorofluorométhane 75 -69 -4 150 mg/Nm3  
12° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 1 g/h ou plus (*) (**) :
- cadmium et ses composés, exprimé en Cd  0,2 mg/Nm3  
- mercure et ses composés, exprimé en Hg  0,2 mg/Nm3  
- thallium et ses composés, exprimé en Tl  0,2 mg/Nm3  
(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente de métaux et LUC/III/010 pour la teneur totale en métaux (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées.
13° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 5 g/h ou plus (*) (**) :
- arsenic et ses composés, exprimé en As  1 mg/Nm3  
- nickel et ses composés, exprimé en Ni  1 mg/Nm3  
- selénium et ses composés, exprimé en Se  1 mg/Nm3  
(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente de métaux et LUC/III/010 pour la teneur totale en métaux (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées.
14° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 25 g/h ou plus (*) (**) :
- antimoine et ses composés, exprimé en Sb  5 mg/Nm3  
- plomb et ses composés, exprimé en Pb  5 mg/Nm3  
- chrome et ses composés, exprimé en Cr  5 mg/Nm3  
- cobalt et ses composés, exprimé en Co  5 mg/Nm3  
- cyanures facilement décomposables, exprimé en CN  5 mg/Nm3  
- fluorures facilement décomposables, exprimé en F  5 mg/Nm3  
- cuivre et ses composés, exprimé en Cu  5 mg/Nm3  
- manganèse et ses composés, exprimé en Mn  5 mg/Nm3  
- platine et ses composés, exprimé en Pt  5 mg/Nm3  
- vanadium et ses composés, exprimé en V  5 mg/Nm3  
- étain et ses composés, exprimé en Sn  5 mg/Nm3  
(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) Pour les métaux, LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente et LUC/III/010 pour la teneur totale (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées.
15° les silicates fibreux suivants (amiante) :
- actinolite   conformément à la méthode définie à l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1988 portant fixation de mesures de prévention et de réduction de la pollution de l'environnement par l'amiante
- amosite (amiante brun)  
  
- anthophyllite  
  
- chrysotile (amiante blanc)  
  
- crocidolite (amiante bleu)  
  
- trémolite  
  
exprimé en amiante, pour un effluent gazeux de :  
  
- 5 000 mo/h ou plus  0,1 mg/Nm3
  
- < 5000 mo/h  500 mg d'amiante
  /heure
PARAMETRE Numéro CAS VALEUR LIMITE D'EMISSION METHODE DE MESURE 1° total des poussières, pour un débit massique de :a) ≤ 200 g/h 150 mg/Nmo LUC/I/001b) > 200 g/h 20 mg/Nmo ; (*) Il peut être dérogé à la valeur limite d'émission précitée de 20 mg/Nmo pour le paramètre " total des poussières " conformément à l'article 1.2.2.1 du VLAREM II. La valeur limite d'émissions individuelle dérogatoire s'élève toutefois à au maximum 50 mg/Nmo dans ce cas. 2° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 10 g/h ou plus :- trihydrure d'arsenic 7784 -42 -1 1 mg/Nmo - chlorure de cyanogène 506 -77 -4 1 mg/Nmo - phosgène 75 -44 -5 1 mg/Nmo - phosphure d'hydrogène 7803 -51 -2 1 mg/Nmo 3° les substances inorganiques gazeuses suivantes, en cas de flux massique par substance de 50 g/h ou plus :- brome et ses composés gazeux, exprimés en bromure d'hydrogène 5 mg/Nmo - chlore gazeux 7782 -50 -5 5 mg/Nmo LUC/III/002- acide cyanhydrique 74 -90 -8 5 mg/Nmo LUC/III/009- fluor et ses composés gazeux, exprimés en fluorure d'hydrogène 5 mg/Nmo LUC/III/006- sulfure d'hydrogène 7783-06-4 5 mg/Nmo 4° les substances inorganiques gazeuses suivantes, en cas de flux massique par substance de 300 g/h ou plus :- composés chlorés gazeux (à l'exception du cyanure de chlore et du chlore gazeux), exprimés en chlorure d'hydrogène 30 mg/Nmo LUC/III/001 5° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 5 kg/h ou plus :- monoxyde de carbone (provenant d'installations de production avec processus d'incinération entièrement oxydants, y compris postcombustion) 630 -08 -0 500 mg/Nmo LUC/II/001- oxydes d'azote (monoxyde d'azote et dioxyde d'azote), exprimés en dioxyde d'azote 500 mg/Nmo LUC/II/001- oxydes de soufre (dioxyde de soufre et trioxyde de soufre), exprimés en dioxyde de soufre 500 mg/Nmo LUC/II/001
  LUC/III/008 6° les substances suivantes, pour un débit massique de 0,5 g/h ou plus :- benzo(a)pyrène 50 -32 -8 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001- dibenzo(a,h)anthracène 53 -70 -3 0,1 mg/Nmo LUC/VI/001- 2-naphtylamine 91 -59 -8 0,1 mg/Nmo - béryllium et ses composés (exprimé en Be) 0,1 mg/Nmo - composés de chrome VI, exprimés en Cr 0,1 mg/Nmo - éthylèneneimine 151 -56 -4 0,1 mg/Nmo 7° les substances suivantes, pour un débit massique de 5 g/h ou plus- trioxyde d'arsenic et pentoxyde d'arsenic, exprimés en As 1 mg/Nmo - acides d'arsenic et leurs sels, exprimés en As 1 mg/Nmo - 3,3'-dichlorobenzidine 91 -94 -1 1 mg/Nmo - sulfate de diméthyle 77 -78 -1 1 mg/Nmo - nickel (nickel sous forme de métal, sulfure de nickel et minerais sulfates, oxyde de nickel et carbonate de nickel, nickel-tétracarbonyle), exprimé en Ni 1 mg/Nmo 8° les substances suivantes, pour un débit massique de 25 g/h ou plus :- acrylnitrile 107 -13 -1 5 mg/Nm3- benzène 71 -43 -2 5 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 1,3-butadiène 106 -99 -0 5 mg/Nm3- 1-chloro-2,3-époxypropane (epichlorohydrine) 106 -89 -8 5 mg/Nm3- 1,2-dibromoéthane 106 -93 -4 5 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- 1,2-époxypropane 75 -56 -9 5 mg/Nm3- oxyde d'éthylène 75 -21 -8 5 mg/Nm3- hydrazine 302 -01 -2 5 mg/Nm3- chlorure de vinyle 75 -01 -4 5 mg/Nm39° les substances organiques suivantes, pour un débit de 100 g/h ou plus :- acétaldéhyde 75 -07 -0 20 mg/Nm3- acide acrylique 79 -10 -7 20 mg/Nm3- composés d'alkyle de plomb 20 mg/Nm3- aniline 62 -53 -3 20 mg/Nm3- biphényle 92 -52 -4 20 mg/Nm3- aldéhyde chloracétique 107 -20 -0 20 mg/Nm3- acide chloroacétique 79 -11 -8 20 mg/Nm3- chlorométhane 74 -87 -3 20 mg/Nm3LUC/V/001- a-chlorotoluène 100 -44 -7 20 mg/Nm3- 1,2-dichlorobenzène 95 -50 -1 20 mg/Nm3- 1,2-dichloréthane 107 -06 -2 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- 1,1-dichloréthylène 75 -35 -4 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- dichlorophénols 20 mg/Nm3- diéthylamine 109 -89 -7 20 mg/Nm3- diméthylamine 124 -40 -3 20 mg/Nm3- 1,4-dioxane 123 -91 -1 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- acrylate d'éthyle 140 -88 -5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- éthylamine 75 -04 -7 20 mg/Nm3- Phénol 108 -95 -2 20 mg/Nm3LUC/III/005- formaldéhyde 50 -00 -0 20 mg/Nm3LUC/III/004- 2-furaldéhyde 98 -01 -1 20 mg/Nm3- crésols 20 mg/Nm3- anhydride de l'acide maléique 108 -31 -6 20 mg/Nm3- acrylate de méthyle 96 -33 -3 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- méthylamine 74 -89 -5 20 mg/Nm3- 2,4-diisocyanate de toluène 584 -84 -9 20 mg/Nm3- acide formique 64 -18 -6 20 mg/Nm3- nitrobenzène 98 -95 -3 20 mg/Nm3- nitrocrésols 20 mg/Nm3- nitrophénols 20 mg/Nm3- nitrotoluènes 20 mg/Nm3- 2-propénal 107 -02 -8 20 mg/Nm3- pyridine 110 -86 -1 20 mg/Nm3- 1,1,2,2-tétrachloroéthane 79 -34 -5 20 mg/Nm3- tetrachlorométhane 56 -23 -5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- thio-alcools (mercaptanes) 20 mg/Nm3- thio-ethers 20 mg/Nm3- o-toluidine 95 -53 -4 20 mg/Nm3- 1,1,2-trichloréthane 79 -00 -5 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichlorométhane 67 -66 -3 20 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichlorophénols 20 mg/Nm3- tri-éthylamine 121 -44 -8 20 mg/Nm3- xylénols (sauf 2,4-xylénol) 20 mg/Nm310° les substances organiques suivantes, pour un débit de 2000 g/h ou plus :- acide acétique 64 -19 -7 100 mg/Nm3- 2-butoxyéthanol 111 -76 -2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- butyraldéhyde 123 -72 -8 100 mg/Nm3- chlorobenzène 108 -90 -7 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 2- chloro-1,3-butadiène 126 -99 -8 100 mg/Nm3- 2-chloropropène 75 -29 -6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- cyclohexanone 108 -94 -1 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- 1,4-dichlorobenzène 106 -46 -7 100 mg/Nm3- 1,1-dichloréthane 75 -34 -3 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- di-(2-éthylhexyl)phtalate 117 -81 -7 100 mg/Nm3- N,N-diméthylformamide 68 -12 -2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/010- 2,6-diméthylheptane-4-on 108 -83 -8 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- 2-éthoxyéthanol 110 -80 -5 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- éthylbenzène 100 -41 -4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- alcool furfurylique 98 -00 -0 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/009- 2,2-iminodi-éthanol 111 -42 -2 100 mg/Nm3- isopropénylbenzène 98 -83 -9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- isopropylbenzène 98 -82 -8 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 2-méthoxyéthanol 109 -86 -4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/003- acétate de méthyle 79 -20 -9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- méthylcyclohexanol 1331 -22 -2 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- formiate de méthyle 107 -31 -3 100 mg/Nm3- méthacrylate de méthyle 80 -62 -6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- naphtalène 91 -20 -3 100 mg/Nm3- aldéhyde propionique 123 -38 -6 100 mg/Nm3- acide propionique 79 -09 -4 100 mg/Nm3- styrène 100 -42 -5 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- tétrachloroéthylène 127 -18 -4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- tétrahydrofurane 109 -99 -9 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- toluène 108 -88 -3 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- 1,1,1-trichloréthane 71 -55 -6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- trichloroéthylène 79 -01 -6 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- triméthylbenzène 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- acétate vinylique 108 -05 -4 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- 2,4-xylénol 105 -67 -9 100 mg/Nm3- xylènes 100 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/001- carbone soufre 75 -15 -0 100 mg/Nm311° les substances organiques suivantes, pour un débit de 3000 g/h ou plus :- acétone 67 -64 -1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- alcool d'alkyle 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/009- butanon 78 -93 -3 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- acétate butylique 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- choroéthane 75 -00 -3 150 mg/Nm3LUC/V/001- dibutylether 142 -96 -1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- dichlorodifluorméthane 75 -71 -8 150 mg/Nm3- 1,2-dichloréthylène 540 -59 -0 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- dichlorométhane 75 -09 -2 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/002- éther diéthylique 60 -29 -7 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- éther di-isopropylique 108 -20 -3 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/008- diméthyléther 115 -10 -6 150 mg/Nm3- acétate d'éthyle 141 -78 -6 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/004- éthylène glycol : 107 -21 -1 150 mg/Nm3- 4-hydroxy-4-méthyl-2-pentanone 123 -42 -2 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- méthylbenzoate 93 -58 -3 150 mg/Nm3- 4-méthyl-2-pentanone 108 -10 -1 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/007- N-méthylpyrrolidine 872 -50 -4 150 mg/Nm3- hydrocarbures oléfiniques (sauf 1,3-butadiène) 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/005
  LUC/V/001- hydrocarbures paraffiniques (sauf méthane) 150 mg/Nm3LUC/IV/000
  LUC/IV/006
  LUC/V/001- pinènes 150 mg/Nm3- trichlorofluorométhane 75 -69 -4 150 mg/Nm312° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 1 g/h ou plus (*) (**) :- cadmium et ses composés, exprimé en Cd 0,2 mg/Nm3- mercure et ses composés, exprimé en Hg 0,2 mg/Nm3- thallium et ses composés, exprimé en Tl 0,2 mg/Nm3(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente de métaux et LUC/III/010 pour la teneur totale en métaux (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées. 13° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 5 g/h ou plus (*) (**) :- arsenic et ses composés, exprimé en As 1 mg/Nm3- nickel et ses composés, exprimé en Ni 1 mg/Nm3- selénium et ses composés, exprimé en Se 1 mg/Nm3(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente de métaux et LUC/III/010 pour la teneur totale en métaux (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées. 14° les substances inorganiques pulvérulentes suivantes, pour un début massique de 25 g/h ou plus (*) (**) :- antimoine et ses composés, exprimé en Sb 5 mg/Nm3- plomb et ses composés, exprimé en Pb 5 mg/Nm3- chrome et ses composés, exprimé en Cr 5 mg/Nm3- cobalt et ses composés, exprimé en Co 5 mg/Nm3- cyanures facilement décomposables, exprimé en CN 5 mg/Nm3- fluorures facilement décomposables, exprimé en F 5 mg/Nm3- cuivre et ses composés, exprimé en Cu 5 mg/Nm3- manganèse et ses composés, exprimé en Mn 5 mg/Nm3- platine et ses composés, exprimé en Pt 5 mg/Nm3- vanadium et ses composés, exprimé en V 5 mg/Nm3- étain et ses composés, exprimé en Sn 5 mg/Nm3(*) Si, en raison des conditions de pression et de température dans les effluents gazeux, ces substances sont également présentes sous forme gazeuse ou sous forme de gouttes, les concentrations de masse et les débits massiques de cette rubrique s'appliquent pour la somme des émissions solides, liquides et gazeuses.
  (**) Pour les métaux, LUC/I/002 pour la fraction pulvérulente et LUC/III/010 pour la teneur totale (somme de la fraction pulvérulente et gazeuse) doivent être appliquées. 15° les silicates fibreux suivants (amiante) :- actinolite conformément à la méthode définie à l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1988 portant fixation de mesures de prévention et de réduction de la pollution de l'environnement par l'amiante- amosite (amiante brun)
- anthophyllite
- chrysotile (amiante blanc)
- crocidolite (amiante bleu)
- trémolite
exprimé en amiante, pour un effluent gazeux de :
- 5 000 mo/h ou plus 0,1 mg/Nm3
- < 5000 mo/h 500 mg d'amiante
  /heure
Art. N2. Bijlage 4.4.3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Lucht : meetfrequenties
Art. N2. Annexe 4.4.3 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Air : fréquences de surveillance.
Parameter meetfrequentie
algemeen (artikel 4.4.4.1.) SOx, NOx, totaal stof zie artikel 4.4.4.1.
de volgende stoffen, bij een massastroom
  van 0,5g/h of meer :
- benzo(a)pyreen
  - dibenzo(a,h)antraceen
  - 2-naftylamine
  - beryllium en zijn verbindingen - chroom VI-verbindingen,
  - ethyleenimine
maandelijks
de volgende anorganische stoffen, bij een massastroom van 1 g/h of meer : - cadmium en zijn verbindingen
  - kwik en zijn verbindingen
  - thallium en zijn verbindingen
maandelijks
de volgende stoffen, bij een massastroom per stof van 5 g/h of meer : - arseentrioxide en arseenpentoxide - arseenzuren en hun zouten - 3,3'-dichloorbenzidine
  - dimethylsulfaat
  - nikkel (nikkelmetaal, nikkelsulfide en sulfidische ertsen, nikkeloxide en nikkelcarbonaat, nikkeltetracarbonyl)
maandelijks
de volgende anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5 g/h of meer : - arseen en zijn verbindingen, met uitzondering van arseenwaterstof
  - nikkel en zijn verbindingen
  - seleen en zijn verbindingen
maandelijks
de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 10 g/h of meer : - arseenwaterstof
  -chloorcyaan
  - fosgeen
  - fosforwaterstof
maandelijks
de volgende stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer : - acrylonitril
  - benzeen
  - 1,3-butadieen
  - 1-chloor-2,3-epoxypropaan (epichloorhydrine)
  - 1,2- dibroomethaan
  - 1,2-epoxypropaan
  - ethyleenoxide
  - hydrazine
  - vinylchloride
maandelijks
de volgende anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer : - antimoon en zijn verbindingen
  - lood en zijn verbindingen
  - chroom en zijn verbindingen
  - kobalt en zijn verbindingen
  - gemakkelijk oplosbare cyaniden
  - gemakkelijk oplosbare fluoriden
  - koper en zijn verbindingen
  - mangaan en zijn verbindingen
  - platina en zijn verbindingen
  - vanadium en zijn verbindingen
  - tin en zijn verbindingen
maandelijks
de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 50 g/h of meer : - broom en zijn gasvormige verbindingen
  - chloorgas
  - cyaanwaterstof
  - fluor en zijn gasvormige verbindingen
  - zwavelwaterstof
maandelijks
de volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 100 g/h of meer : - acetaldehyde
  - acrylzuur
  - alkylloodverbindingen
  - aniline
  - bifenyl
  - chlooraceetaldehyde
  - chloorazijnzuur
  - chloormethaan
  - a -chloortolueen
  - 1,2-dichloorbenzeen
  - 1,2-dichloorethaan
  - 1,1-dichloorethyleen
  - dichloorfenolen
  - di-ethylamine
  - dimethylamine
  - 1,4-dioxaan
  - ethylacrylaat
  - ethylamine
  - fenol
  - formaldehyde
  - 2-furaldehyde
  - cresolen
  - maleïnezuuranhydride
  - methylacrylaat
  - 2,4-tolueendi-isocyanaat
  - mierenzuur
  - nitrobenzeen
  -nitrocresolen
  - nitrofenolen
  - nitrotoluenen
  - 2-propenal
  - pyridine
  - 1,1,2,2-tetrachloorethaan
  - tetrachloormethaan
  - thioalcoholen (mercaptanen)
  - thio-ethers
  - o-toluïdine
  - 1,1,2-trichloorethaan
  - trichloormethaan
  - trichloorfenolen
  - tri-ethylamine
  - xylenolen (behalve 2,4-xylenol)
maandelijks
de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom van 300 g/h of meer : - gasvormige anorganische chloorverbindingen (met uitzondering van chloorcyanide en chloorgas) driemaandelijks
de volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 2000 g/h of meer : - azijnzuur
  - 2-butoxyethanol
  - butyraldehyde
  - chloorbenzeen
  - 2-chloor-1,3-butadieen
  - 2-chloorpropaan
  - cyclohexanon
  - 1,4-dichloorbenzeen
  - 1,1-dichloorethaan
  - bis(2-ethylhexyl)ftalaat
  - N,N-dimethylformamide
  - 2,6-dimethylheptaan-4-on
  - 2-ethoxyethanol
  - ethylbenzeen
  - furfurylalcohol
  - 2,2'-iminodiethanol
  - isopropenylbenzeen
  - isopropylbenzeen
  - 2-methoxyethanol
  - methylacetaat
  - methylcyclohexanon
  - methylformiaat
  - methylmethacrylaat
  - naftaleen
  - propionaldehyde
  - propionzuur
  - styreen
  - tetrachloorethyleen
  - tetrahydrofuraan
  - tolueen
  - 1,1,1-trichloorethaan
  - trichloorethyleen
  - trimethylbenzeen
  - vinylacetaat
  - 2,4-xylenol
  - xylenen
  - zwavelkoolstof
driemaandelijks
de volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 3000 g/h of meer : - aceton
  - alkylalcohol
  - butanon
  - butylacetaat
  - chloorethaan
  - dibutylether
  - dichloordifluormethaan
  - 1,2-dichloorethyleen
  - dichloormethaan
  - di-ethylether
  - di-isopropylether
  - dimethylether
  - ethylacetaat
  - ethyleenglycol
  - 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon
  - methylbenzoaat
  - 4-methyl-2-pentanon
  - N-methylpyrrolidon
  - olefinische koolwaterstoffen (behalve 1,3-butadieen)
  - paraffinische koolwaterstoffen (behalve methaan)
  - pinenen
  - trichloorfluormethaan
halfjaarlijks
de volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5000 g/h of meer : - koolstofmonoxide maandelijks
de volgende vezelachtige silicaten, bij een afgasstroom van 5000 m3/uur of meer : de volgende vezelachtige silicaten (asbest) :
  - actinoliet
  - amosiet (bruin asbest)
  - anthofylliet
  - chrysotiel (wit asbest)
  - crocidoliet (blauw asbest)
  - tremoliet
maandelijks
Parameter meetfrequentiealgemeen (artikel 4.4.4.1.) SOx, NOx, totaal stof zie artikel 4.4.4.1.de volgende stoffen, bij een massastroom
  van 0,5g/h of meer : - benzo(a)pyreen
  - dibenzo(a,h)antraceen
  - 2-naftylamine
  - beryllium en zijn verbindingen - chroom VI-verbindingen,
  - ethyleenimine maandelijksde volgende anorganische stoffen, bij een massastroom van 1 g/h of meer : - cadmium en zijn verbindingen
  - kwik en zijn verbindingen
  - thallium en zijn verbindingen maandelijksde volgende stoffen, bij een massastroom per stof van 5 g/h of meer : - arseentrioxide en arseenpentoxide - arseenzuren en hun zouten - 3,3'-dichloorbenzidine
  - dimethylsulfaat
  - nikkel (nikkelmetaal, nikkelsulfide en sulfidische ertsen, nikkeloxide en nikkelcarbonaat, nikkeltetracarbonyl) maandelijksde volgende anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5 g/h of meer : - arseen en zijn verbindingen, met uitzondering van arseenwaterstof
  - nikkel en zijn verbindingen
  - seleen en zijn verbindingen maandelijksde volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 10 g/h of meer : - arseenwaterstof
  -chloorcyaan
  - fosgeen
  - fosforwaterstof maandelijksde volgende stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer : - acrylonitril
  - benzeen
  - 1,3-butadieen
  - 1-chloor-2,3-epoxypropaan (epichloorhydrine)
  - 1,2- dibroomethaan
  - 1,2-epoxypropaan
  - ethyleenoxide
  - hydrazine
  - vinylchloride maandelijksde volgende anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 25 g/h of meer : - antimoon en zijn verbindingen
  - lood en zijn verbindingen
  - chroom en zijn verbindingen
  - kobalt en zijn verbindingen
  - gemakkelijk oplosbare cyaniden
  - gemakkelijk oplosbare fluoriden
  - koper en zijn verbindingen
  - mangaan en zijn verbindingen
  - platina en zijn verbindingen
  - vanadium en zijn verbindingen
  - tin en zijn verbindingen maandelijksde volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 50 g/h of meer : - broom en zijn gasvormige verbindingen
  - chloorgas
  - cyaanwaterstof
  - fluor en zijn gasvormige verbindingen
  - zwavelwaterstof maandelijksde volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 100 g/h of meer : - acetaldehyde
  - acrylzuur
  - alkylloodverbindingen
  - aniline
  - bifenyl
  - chlooraceetaldehyde
  - chloorazijnzuur
  - chloormethaan
  - a -chloortolueen
  - 1,2-dichloorbenzeen
  - 1,2-dichloorethaan
  - 1,1-dichloorethyleen
  - dichloorfenolen
  - di-ethylamine
  - dimethylamine
  - 1,4-dioxaan
  - ethylacrylaat
  - ethylamine
  - fenol
  - formaldehyde
  - 2-furaldehyde
  - cresolen
  - maleïnezuuranhydride
  - methylacrylaat
  - 2,4-tolueendi-isocyanaat
  - mierenzuur
  - nitrobenzeen
  -nitrocresolen
  - nitrofenolen
  - nitrotoluenen
  - 2-propenal
  - pyridine
  - 1,1,2,2-tetrachloorethaan
  - tetrachloormethaan
  - thioalcoholen (mercaptanen)
  - thio-ethers
  - o-toluïdine
  - 1,1,2-trichloorethaan
  - trichloormethaan
  - trichloorfenolen
  - tri-ethylamine
  - xylenolen (behalve 2,4-xylenol) maandelijksde volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom van 300 g/h of meer : - gasvormige anorganische chloorverbindingen (met uitzondering van chloorcyanide en chloorgas) driemaandelijksde volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 2000 g/h of meer : - azijnzuur
  - 2-butoxyethanol
  - butyraldehyde
  - chloorbenzeen
  - 2-chloor-1,3-butadieen
  - 2-chloorpropaan
  - cyclohexanon
  - 1,4-dichloorbenzeen
  - 1,1-dichloorethaan
  - bis(2-ethylhexyl)ftalaat
  - N,N-dimethylformamide
  - 2,6-dimethylheptaan-4-on
  - 2-ethoxyethanol
  - ethylbenzeen
  - furfurylalcohol
  - 2,2'-iminodiethanol
  - isopropenylbenzeen
  - isopropylbenzeen
  - 2-methoxyethanol
  - methylacetaat
  - methylcyclohexanon
  - methylformiaat
  - methylmethacrylaat
  - naftaleen
  - propionaldehyde
  - propionzuur
  - styreen
  - tetrachloorethyleen
  - tetrahydrofuraan
  - tolueen
  - 1,1,1-trichloorethaan
  - trichloorethyleen
  - trimethylbenzeen
  - vinylacetaat
  - 2,4-xylenol
  - xylenen
  - zwavelkoolstof driemaandelijksde volgende organische stoffen, bij een massastroom per stof van 3000 g/h of meer : - aceton
  - alkylalcohol
  - butanon
  - butylacetaat
  - chloorethaan
  - dibutylether
  - dichloordifluormethaan
  - 1,2-dichloorethyleen
  - dichloormethaan
  - di-ethylether
  - di-isopropylether
  - dimethylether
  - ethylacetaat
  - ethyleenglycol
  - 4-hydroxy-4-methyl-2-pentanon
  - methylbenzoaat
  - 4-methyl-2-pentanon
  - N-methylpyrrolidon
  - olefinische koolwaterstoffen (behalve 1,3-butadieen)
  - paraffinische koolwaterstoffen (behalve methaan)
  - pinenen
  - trichloorfluormethaan halfjaarlijksde volgende gasvormige anorganische stoffen, bij een massastroom per stof van 5000 g/h of meer : - koolstofmonoxide maandelijksde volgende vezelachtige silicaten, bij een afgasstroom van 5000 m3/uur of meer : de volgende vezelachtige silicaten (asbest) :
  - actinoliet
  - amosiet (bruin asbest)
  - anthofylliet
  - chrysotiel (wit asbest)
  - crocidoliet (blauw asbest)
  - tremoliet maandelijks
Paramètre fréquence de surveillance
généralités (article 4.4.4.1.) SOx, NOx, poussières totales voir l'article 4.4.4.1.
les substances suivantes, pour un débit
  massique de 0,5g/h ou plus :
- benzo(a)pyreen
  - dibenzo(a,h)antracène
  - 2-naphtylamine
  - béryllium et ses composés - composés de chrome VI,
  - éthylèneimine
mensuellement
les substances inorganiques suivantes, pour un début massique de 1 g/h ou plus : - cadmium et ses composés
  - mercure et ses composés
  - thallium et ses composés
mensuellement
les substances suivantes, pour un débit massique par substance de 5 g/h ou plus : - trioxyde d'arsenic et pentoxyde d'arsenic - acides d'arsenic et leurs sels - 3,3'-dichlorobenzidine
  - sulfate de diméthyle
  - nickel (nickel sous forme de métal, sulfure de nickel et minerais sulfates, oxyde de nickel et carbonate de nickel, nickel-tétracarbonyle)
mensuellement
les substances inorganiques suivantes, pour un débit massique par substance de 5 g/h ou plus : - arsenic et ses composés, à l'exception du trihydrure d'arsenic
  - nickel et ses composés
  - sélénium et ses composés
mensuellement
les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 10 g/h ou plus : - trihydrure d'arsenic
  - chlorure de cyanogène
  - phosgène
  - phosphure d'hydrogène
mensuellement
les substances suivantes, pour un débit massique par substance de 25 g/h ou plus : - acrylnitrile
  - benzène
  - 1,3-butadiène
  - 1-chloro-2,3-époxypropane (epichlorohydrine)
  - 1,2- dibromoéthane
  - 1,2-époxypropane
  - oxyde d'éthylène
  - hydrazine
  - chlorure de vinyle
mensuellement
les substances inorganiques suivantes, pour un débit massique par substance de 25 g/h ou plus : - antimoine et ses composés
  - plomb et ses composés
  - chrome et ses composés
  - cobalt et ses composés
  - cyanures facilement décomposables
  - fluorures facilement décomposables
  - cuivre et ses composés
  - manganèse et ses composés
  - platine et ses composés
  - vanadium et ses composés
  - étain et ses composés
mensuellement
les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 50 g/h ou plus : - brome et ses composés gazeux
  - chlore gazeux
  - acide cyanhydrique
  - fluor et ses composés gazeux
  - hydrogène sulfuré
mensuellement
les substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 100 g/h ou plus : - acétaldéhyde
  - acide acrylique
  - composés d'alkyle de plomb
  - aniline
  - biphényle
  - aldéhyde chloracétique
  - acide chloroacétique
  - chlorométhane
  - a -chlorotoluène
  - 1,2-dichlorobenzène
  - 1,2-dichloréthane
  - 1,1-dichloréthylène
  - dichlorophénols
  - diéthylamine
  - diméthylamine
  - 1,4-dioxane
  - acrylate d'éthyle
  - éthylamine
  - phenol
  - formaldéhyde
  - 2-furaldéhyde
  - crésols
  - anhydride de l'acide maléique
  - acrylate de méthyle
  - 2,4-diisocyanate de toluène
  - acide formique
  - nitrobenzène
  -nitrocrésols- nitrophénols
  - nitrotoluènes
  - 2-propénal- pyridine
  - 1,1,2,2-tétrachloroéthane
  - tetrachlorométhane
  - thio-alcools (mercaptanes)
  - thio-ethers
  - o-toluidine
  - 1,1,2-trichloréthane
  - trichlorométhane
  - trichlorophénols
  - tri-éthylamine
  - xylénols (sauf 2,4-xylénol)
mensuellement
3° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 300 g/h ou plus : - composés chlorés inorganiques gazeux (à l'exception du cyanure de chlore et du chlore gazeux) tous les trois mois
les substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 2000 g/h ou plus : - acide acétique
  - 2-butoxyéthanol
  - butyraldéhyde
  - chlorobenzène
  - 2-chloro-1,3-butadiène
  - 2-chloropropène
  - cyclohexanone
  - 1,4-dichlorobenzène
  - 1,1-dichloréthane
  - di-(2-éthylhexyl)phtalate
  - N,N-diméthylformamide
  - 2,6-diméthylheptane-4-on
  - 2-éthoxyéthanol
  - éthylbenzène
  - alcool furfurylique
  - 2,2'-iminodi-éthanol
  - isopropénylbenzène
  - isopropylbenzène
  - 2-méthoxyéthanol
  - acétate de méthyle
  - méthylcyclohexanol
  - formiate de méthyle
  - méthacrylate de méthyle
  - naphtalène
  - aldéhyde propionique
  - acide propionique
  - styrène
  - tétrachloroéthylène
  - tétrahydrofurane
  - toluène
  - 1,1,1-trichloréthane
  - trichloroéthylène
  - triméthylbenzène
  - acétate vinylique
  - 2,4-xylénol
  - xylènes
  - carbone soufre
tous les trois mois
les substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 3000 g/h ou plus : - acétone
  - alcool d'alkyle
  - butanon
  - acétate butylique
  - choroéthane
  - éther dibutylique
  - dichlorodifluorméthane
  - 1,2-dichloréthylène
  - dichlorométhane
  - éther diéthylique
  - éther di-isopropylique
  - diméthyléther
  - acétate d'éthyle
  - éthylène glycol
  - 4-hydroxy-4-méthyl-2-pentanone
  - méthylbenzoate
  - 4-méthyl-2-pentanone
  - N-méthylpyrrolidine
  - hydrocarbures oléfiniques (sauf 1,3-butadiène)
  - hydrocarbures paraffiniques (sauf méthane)
  - pinènes
  - trichlorofluorométhane
tous les six mois
les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 5000 g/h ou plus : - monoxyde de carbone mensuellement
les silicates fibreux suivants, pour un débit massique de 5 000 mo/h ou plus : les silicates fibreux suivants (amiante) :
  - actinolite
  - amosite (amiante brun)
  - anthophyllite
  - chrysotile (amiante blanc)
  - crocidolite (amiante bleu)
  - trémolite
mensuellement
Paramètre fréquence de surveillancegénéralités (article 4.4.4.1.) SOx, NOx, poussières totales voir l'article 4.4.4.1.les substances suivantes, pour un débit
  massique de 0,5g/h ou plus : - benzo(a)pyreen
  - dibenzo(a,h)antracène
  - 2-naphtylamine
  - béryllium et ses composés - composés de chrome VI,
  - éthylèneimine mensuellementles substances inorganiques suivantes, pour un début massique de 1 g/h ou plus : - cadmium et ses composés
  - mercure et ses composés
  - thallium et ses composés mensuellementles substances suivantes, pour un débit massique par substance de 5 g/h ou plus : - trioxyde d'arsenic et pentoxyde d'arsenic - acides d'arsenic et leurs sels - 3,3'-dichlorobenzidine
  - sulfate de diméthyle
  - nickel (nickel sous forme de métal, sulfure de nickel et minerais sulfates, oxyde de nickel et carbonate de nickel, nickel-tétracarbonyle) mensuellementles substances inorganiques suivantes, pour un débit massique par substance de 5 g/h ou plus : - arsenic et ses composés, à l'exception du trihydrure d'arsenic
  - nickel et ses composés
  - sélénium et ses composés mensuellementles substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 10 g/h ou plus : - trihydrure d'arsenic
  - chlorure de cyanogène
  - phosgène
  - phosphure d'hydrogène mensuellementles substances suivantes, pour un débit massique par substance de 25 g/h ou plus : - acrylnitrile
  - benzène
  - 1,3-butadiène
  - 1-chloro-2,3-époxypropane (epichlorohydrine)
  - 1,2- dibromoéthane
  - 1,2-époxypropane
  - oxyde d'éthylène
  - hydrazine
  - chlorure de vinyle mensuellementles substances inorganiques suivantes, pour un débit massique par substance de 25 g/h ou plus : - antimoine et ses composés
  - plomb et ses composés
  - chrome et ses composés
  - cobalt et ses composés
  - cyanures facilement décomposables
  - fluorures facilement décomposables
  - cuivre et ses composés
  - manganèse et ses composés
  - platine et ses composés
  - vanadium et ses composés
  - étain et ses composés mensuellementles substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 50 g/h ou plus : - brome et ses composés gazeux
  - chlore gazeux
  - acide cyanhydrique
  - fluor et ses composés gazeux
  - hydrogène sulfuré mensuellementles substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 100 g/h ou plus : - acétaldéhyde
  - acide acrylique
  - composés d'alkyle de plomb
  - aniline
  - biphényle
  - aldéhyde chloracétique
  - acide chloroacétique
  - chlorométhane
  - a -chlorotoluène
  - 1,2-dichlorobenzène
  - 1,2-dichloréthane
  - 1,1-dichloréthylène
  - dichlorophénols
  - diéthylamine
  - diméthylamine
  - 1,4-dioxane
  - acrylate d'éthyle
  - éthylamine
  - phenol
  - formaldéhyde
  - 2-furaldéhyde
  - crésols
  - anhydride de l'acide maléique
  - acrylate de méthyle
  - 2,4-diisocyanate de toluène
  - acide formique
  - nitrobenzène
  -nitrocrésols- nitrophénols
  - nitrotoluènes
  - 2-propénal- pyridine
  - 1,1,2,2-tétrachloroéthane
  - tetrachlorométhane
  - thio-alcools (mercaptanes)
  - thio-ethers
  - o-toluidine
  - 1,1,2-trichloréthane
  - trichlorométhane
  - trichlorophénols
  - tri-éthylamine
  - xylénols (sauf 2,4-xylénol) mensuellement3° les substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 300 g/h ou plus : - composés chlorés inorganiques gazeux (à l'exception du cyanure de chlore et du chlore gazeux) tous les trois moisles substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 2000 g/h ou plus : - acide acétique
  - 2-butoxyéthanol
  - butyraldéhyde
  - chlorobenzène
  - 2-chloro-1,3-butadiène
  - 2-chloropropène
  - cyclohexanone
  - 1,4-dichlorobenzène
  - 1,1-dichloréthane
  - di-(2-éthylhexyl)phtalate
  - N,N-diméthylformamide
  - 2,6-diméthylheptane-4-on
  - 2-éthoxyéthanol
  - éthylbenzène
  - alcool furfurylique
  - 2,2'-iminodi-éthanol
  - isopropénylbenzène
  - isopropylbenzène
  - 2-méthoxyéthanol
  - acétate de méthyle
  - méthylcyclohexanol
  - formiate de méthyle
  - méthacrylate de méthyle
  - naphtalène
  - aldéhyde propionique
  - acide propionique
  - styrène
  - tétrachloroéthylène
  - tétrahydrofurane
  - toluène
  - 1,1,1-trichloréthane
  - trichloroéthylène
  - triméthylbenzène
  - acétate vinylique
  - 2,4-xylénol
  - xylènes
  - carbone soufre tous les trois moisles substances organiques suivantes, pour un débit massique par substance de 3000 g/h ou plus : - acétone
  - alcool d'alkyle
  - butanon
  - acétate butylique
  - choroéthane
  - éther dibutylique
  - dichlorodifluorméthane
  - 1,2-dichloréthylène
  - dichlorométhane
  - éther diéthylique
  - éther di-isopropylique
  - diméthyléther
  - acétate d'éthyle
  - éthylène glycol
  - 4-hydroxy-4-méthyl-2-pentanone
  - méthylbenzoate
  - 4-méthyl-2-pentanone
  - N-méthylpyrrolidine
  - hydrocarbures oléfiniques (sauf 1,3-butadiène)
  - hydrocarbures paraffiniques (sauf méthane)
  - pinènes
  - trichlorofluorométhane tous les six moisles substances inorganiques gazeuses suivantes, pour un débit massique par substance de 5000 g/h ou plus : - monoxyde de carbone mensuellementles silicates fibreux suivants, pour un débit massique de 5 000 mo/h ou plus : les silicates fibreux suivants (amiante) :
  - actinolite
  - amosite (amiante brun)
  - anthophyllite
  - chrysotile (amiante blanc)
  - crocidolite (amiante bleu)
  - trémolite mensuellement
Art. N3. Bijlage 4.5.7.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Grenswaarden voor het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen, veroorzaakt door het laden en lossen van goederen
Art. N3. Annexe 4.5.7.1 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Valeurs limites pour le niveau moyen des augmentations du son de courte durée, causées par le chargement et le déchargement de marchandises
GRENSWAARDEN UITGEDRUKT ALS LA05,T in dB(A)
overdag
  (7 uur - 19 uur)
's avonds
  (19 uur - 22 uur)
's nachts
  (22 uur - 23 uur en 6 uur - 7 uur)
toepasselijke waarde
  + 10
toepasselijke waarde
  + 5
toepasselijke waarde
  + 5
GRENSWAARDEN UITGEDRUKT ALS LA05,T in dB(A)overdag
  (7 uur - 19 uur) 's avonds
  (19 uur - 22 uur) 's nachts
  (22 uur - 23 uur en 6 uur - 7 uur)toepasselijke waarde
  + 10 toepasselijke waarde
  + 5 toepasselijke waarde
  + 5
toepasselijke waarde : richtwaarde in bijlage 4.5.4
VALEURS LIMITES EXPRIMEES COMME LA05,T en dB(A)
pendant la journée
  (7 heures - 19 heures)
le soir
  (19 heures - 22 heures)
pendant la nuit
  (22 heures - 23 heures et 6 heures - 7 heures)
valeur applicable
  + 10
valeur applicable
  + 5
valeur applicable
  + 5
VALEURS LIMITES EXPRIMEES COMME LA05,T en dB(A)pendant la journée
  (7 heures - 19 heures) le soir
  (19 heures - 22 heures) pendant la nuit
  (22 heures - 23 heures et 6 heures - 7 heures)valeur applicable
  + 10 valeur applicable
  + 5 valeur applicable
  + 5
valeur applicable : valeur guide en annexe 4.5.4
Art. N4. Bijlage 4.5.7.2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Grenswaarden voor het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen, veroorzaakt door het laden en lossen van goederen
Art. N4. Annexe 4.5.7.2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Valeurs limites pour le niveau le plus élevé des augmentations du son de courte durée, causées par le chargement et le déchargement de marchandises
GRENSWAARDEN UITGEDRUKT ALS LA01,T in dB(A)
overdag
  (7 uur - 19 uur)
's avonds
  (19 uur - 22 uur)
's nachts
  (22 uur - 23 uur en 6 uur - 7 uur)
toepasselijke waarde
  + 15
toepasselijke waarde
  + 10
toepasselijke waarde
  + 10
GRENSWAARDEN UITGEDRUKT ALS LA01,T in dB(A)overdag
  (7 uur - 19 uur) 's avonds
  (19 uur - 22 uur) 's nachts
  (22 uur - 23 uur en 6 uur - 7 uur)toepasselijke waarde
  + 15 toepasselijke waarde
  + 10 toepasselijke waarde
  + 10
toepasselijke waarde : richtwaarde in bijlage 4.5.4
VALEURS LIMITES EXPRIMEES COMME LA01,T en dB(A)
pendant la journée
  (7 heures - 19 heures)
le soir
  (19 heures - 22 heures)
pendant la nuit
  (22 heures - 23 heures et 6 heures - 7 heures)
valeur applicable
  + 15
valeur applicable
  + 10
valeur applicable
  + 10
VALEURS LIMITES EXPRIMEES COMME LA01,T en dB(A)pendant la journée
  (7 heures - 19 heures) le soir
  (19 heures - 22 heures) pendant la nuit
  (22 heures - 23 heures et 6 heures - 7 heures)valeur applicable
  + 15 valeur applicable
  + 10 valeur applicable
  + 10
valeur applicable : valeur guide en annexe 4.5.4
Art. N5. Bijlage 4.5.7.3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Code van goede praktijk inzake laad- en losverrichtingen in de dagrand
  1. Factoren inzake het menselijke handelen
  In wat hierna volgt, wordt een niet-limitatieve lijst van maatregelen weergegeven voor de bestuurder van de vrachtwagen en andere personen.
  1° De bestuurder van de vrachtwagen :
  a) is op de hoogte van de opbouw van de inrichting als die een invloed heeft op de belevering (toegangswegen, ligging van de laad- en losplaats ...);
  b) is op de hoogte van de wettelijke vereisten die op de inrichting en de directe omgeving van toepassing zijn en die een invloed kunnen hebben op de belevering;
  c) volgt de vooraf overeengekomen route van en naar de inrichting, alsook op het terrein van de inrichting;
  d) maakt geen gebruik van de claxon van de vrachtwagen in de omgeving van de inrichting;
  e) schakelt de radio uit voor hij de inrichting oprijdt;
  f) schakelt, als dat de veiligheid niet in gedrang brengt, het achteruitrijsignaal en andere geluidsproducerende signalisatiesignalen van de vrachtwagen uit bij het oprijden van de inrichting;
  g) schakelt de aandrijving van de koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is, zo snel mogelijk uit na het oprijden van de inrichting. De koelgroepen mogen aangesloten worden op het elektriciteitsnet bij aankomst in de laad- en losplaats;
  h) is zich tijdens het uitvoeren van bewegingen en manoeuvres met de vrachtwagen bewust van potentiële geluidshinder;
  i) beperkt het motortoerental van de vrachtwagen op het terrein van de inrichting tot 1100 toeren per minuut;
  j) beperkt zijn snelheid;
  k) gaat op een rustige manier om met het gaspedaal en de rem;
  l) beperkt het aantal manoeuvres tot een minimum;
  m) schakelt de motor van de vrachtwagen zo snel mogelijk uit bij aankomst aan de laad- en losplaats van de inrichting;
  n) opent en sluit cabinedeuren van de vrachtwagen zo stil mogelijk;
  o) vermijdt het meermaals openen en sluiten van de cabinedeuren van de vrachtwagen;
  p) opent en sluit de laadklep van de vrachtwagen zo stil mogelijk;
  q) voert bewegingen met de laadklep zo stil mogelijk uit;
  r) schakelt de motor van de vrachtwagen en de aandrijving van eventuele koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is, uit als het laden en lossen van goederen niet onmiddellijk gestart kan worden bij aankomst van de vrachtwagen aan de inrichting en hij moet wachten.
  2° De bestuurder van de vrachtwagen of andere personen die instaan voor het laden en het lossen van de goederen :
  a) houden alle deuren en poorten die niet nodig zijn bij de laad- en losverrichtingen, gesloten om geluidslekken te vermijden;
  b) vermijden het meermaals openen en sluiten van deuren en poorten;
  c) vermijden botsingen en het maken van harde contacten met het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen van goederen, zowel in de vrachtwagen als op de laad- en losplaats als in de opslagruimte van de goederen;
  d) rijden traag en voorzichtig over drempels en overgangen met het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen van goederen om contactgeluiden te voorkomen;
  e) maken gebruik van een geluidsdempende mat tussen de overgang van de laadklep van de vrachtwagen en de laad- en losplaats;
  f) gaan zorgzaam om met het logistieke materiaal dat gebruikt wordt bij het laden en lossen van goederen om hoge geluidsemissies te voorkomen;
  g) zingen niet en roepen niet naar collega's;
  h) zetten goederen stil neer of ontkoppelen ze stil op de laad- en losplaats of de opslagplaats voor die goederen.
  3° Het personeel van de inrichting :
  a) bezorgt de bestuurder van de vrachtwagen alle informatie over de opbouw van de inrichting als die een invloed heeft op de belevering (toegangswegen, ligging van de laad- en losplaats, ...) en de wettelijke vereisten die van toepassing zijn op en ter hoogte van de inrichting en die een invloed kunnen hebben op de belevering;
  b) bepaalt de optimale aan- en afrijroute en de optimale route op het terrein van de inrichting voor de vrachtwagen om de hinder voor de omgeving tot een minimum te beperken en communiceert die aan de bestuurder van de vrachtwagen;
  c) verwijdert hinderissen op het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd en optimaliseert de bereikbaarheid van de laad- en losplaats opdat de vrachtwagen die kan bereiken in een zo kort mogelijke tijd en met zo weinig mogelijke manoeuvres;
  d) verwijdert hindernissen in de omgeving van de laad- en losplaats om het laden en lossen van goederen zo vlot mogelijk te laten verlopen;
  e) schakelt de radio in de opslagplaats voor de goederen uit als de poorten of deuren geopend worden.
  2. Geluidsreducerende maatregelen voor de infrastructuur van de inrichting
  In wat hierna volgt, wordt een niet-limitatieve lijst van maatregelen weergegeven voor de aanwezige structuur van de inrichting.
  1° Het traject waarop gemanoeuvreerd wordt met de vrachtwagen, is geoptimaliseerd opdat de vrachtwagen de inrichting kan bereiken in een zo kort mogelijke tijd en met zo weinig mogelijke manoeuvres.
  2° De omgeving van de laad- en losplaats is vrij van hindernissen en is goed georganiseerd om het laden en lossen van goederen zo vlot mogelijk te laten verlopen (beperking van de afstand tussen de laad- en losplaats en de opslagruimte van de goederen, voldoende ruimte voor opslag van goederen en logistiek materiaal ...).
  3° Het wegdek van de inrichting en het traject waarop gemanoeuvreerd wordt met de vrachtwagen, zijn vrij van putten en hobbels.
  4° De vloer in de omgeving van de laad- en losplaats en de vloer van de opslagplaats van de goederen zijn egaal uitgevoerd (beton of asfalt zonder ribbels of randen).
  5° Er is een geluidsdempende mat aanwezig bij de laad- en losplaats om de overgang tussen de laadklep van de vrachtwagen en de laad- en losplaats dempen.
  6° bij een overdekte laad- en losplaats worden maatregelen genomen om interne reflecties te vermijden.
  7° De infrastructuur van de inrichting die gebruikt wordt tijdens de uitvoering van laad- en losverrichtingen, wordt periodiek gecontroleerd op goede werking en onderhoudstoestand en, indien nodig, hersteld, vernieuwd of gemoderniseerd.
  3. Geluidsreducerende maatregelen voor het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen van goederen
  In wat hierna volgt, wordt een niet-limitatieve lijst van maatregelen weergegeven voor het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen.
  1° Er wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van geluidsarm logistiek materieel dat gebruikt wordt bij het laden en lossen van goederen.
  2° Het logistiek materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen wordt periodiek gecontroleerd op goede werking en onderhoudstoestand en, indien nodig, hersteld, vernieuwd of gemoderniseerd.
  4. Geluidsreducerende maatregelen aan de gebruikte vrachtwagens
  In wat hierna volgt, wordt een niet-limitatieve lijst van maatregelen weergegeven voor de gebruikte vrachtwagens.
  1° Het achteruitrijsignaal van de vrachtwagen moet uitgezet kunnen worden.
  2° De aandrijving van de eventuele koelgroepen waarmee de vrachtwagen is uitgerust, moet uitgezet kunnen worden.
  3° De wand en vloer in de laadruimte en de laadklep van de vrachtwagen zijn ontdreund of bedekt met geluidsabsorberend materiaal.
Art. N5. Annexe 4.5.7.3 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Code de bonne pratique concernant les opérations de chargement et de déchargement en heures creuses
  1. Facteurs relatifs à l'action humaine
  Ci-après une liste non exhaustive des mesures pour le conducteur du camion et d'autres personnes est reprise.
  1° Le conducteur du camion :
  a) est au courant de la structure de l'établissement si celle-ci a une influence sur la livraison (voies d'accès, situation du quai de chargement et de déchargement, ...);
  b) est au courant des exigences légales applicables à l'établissement et à l'environnement immédiat qui peuvent avoir une influence sur la livraison ;
  c) suit l'itinéraire convenu préalablement au départ et à destination de l'établissement, ainsi que sur le site de l'établissement ;
  d) ne fait pas usage de l'avertisseur sonore du camion dans l'environnement de l'établissement ;
  e) éteint la radio avant l'approche de l'établissement ;
  f) éteint, si cela ne compromet pas la sécurité, le signal de recul et les autres signaux de signalisation sonores du camion à l'approche de l'établissement ;
  g) éteint l'alimentation des groupes frigorifiques dont le camion est équipé, aussi vite que possible après l'approche de l'établissement. Les groupes frigorifiques peuvent être raccordés au réseau d'électricité à l'arrivée au quai de chargement et de déchargement ;
  h) est conscient, lors de l'exécution de mouvements et de manoeuvres avec le camion, de nuisances sonores potentielles ;
  i) limite le régime du moteur du camion sur le site de l'établissement jusqu'à 1100 tours/minute ;
  j) limite sa vitesse ;
  k) utilise les pédales d'accélérateur et de frein de manière calme ;
  l) limite le nombre de manoeuvres au minimum ;
  m) éteint le moteur du camion aussi vite que possible à l'arrivée au quai de chargement et de déchargement de l'établissement ;
  n) ouvre et ferme les portes de la cabine du camion le plus silencieusement possible ;
  o) évite d'ouvrir et de fermer plusieurs fois les portes de la cabine du camion ;
  p) ouvre et ferme le hayon du camion le plus silencieusement possible ;
  q) effectue les mouvements du hayon le plus silencieusement possible ;
  r) éteint le moteur du camion et l'alimentation des groupes frigorifiques éventuels dont le camion est équipé, si le chargement et le déchargement de marchandises ne peut être commencé immédiatement à l'arrivée du camion à l'établissement et il doit attendre.
  2° Le conducteur du camion ou d'autres personnes qui assurent le chargement et le déchargement des marchandises :
  a) laissent fermés toutes les portes et portails qui ne sont pas nécessaires lors des opérations de chargement et de déchargement, pour éviter des fuites sonores ;
  b) évitent d'ouvrir et de fermer plusieurs fois les portes et portails ;
  c) évitent les collisions et de faire des contacts durs avec le matériel logistique utilisé pendant le chargement et le déchargement des marchandises, à la fois dans le camion et sur le quai de chargement et de déchargement et dans l'espace de stockage des marchandises ;
  d) roulent lentement et avec précaution sur des ralentisseurs et passages surélevés, avec le matériel logistique utilisé pendant le chargement et le déchargement des marchandises, afin d'éviter des bruits d'impact ;
  e) utilisent un tapis d'insonorisation entre le passage du hayon du camion et le quai de chargement et de déchargement ;
  f) gèrent avec soin le matériel logistique utilisé lors du chargement et du déchargement des marchandises, afin d'éviter des émissions sonores élevées ;
  g) ne chantent pas et ne crient pas à leurs collègues ;
  h) posent ou découplent les marchandises silencieusement au quai de chargement et de déchargement ou au lieu de stockage de ces marchandises.
  3° Le personnel de l'établissement :
  a) transmet au conducteur du camion toutes les informations sur la structure de l'établissement si celle-ci a une influence sur la livraison (voies d'accès, situation du quai de chargement et de déchargement,...) et les exigences légales applicables à et à la hauteur de l'établissement, qui peuvent avoir une influence sur la livraison ;
  b) détermine la voie d'accès et la voie de sortie optimales et l'itinéraire optimal sur le site de l'établissement pour le camion, afin de réduire les nuisances pour l'environnement au minimum, et les communique au conducteur du camion ;
  c) élimine des obstacles sur l'itinéraire sur lequel le camion exécute ses manoeuvres, et optimise l'accessibilité du quai de chargement et de déchargement pour que le camion puisse l'atteindre dans les meilleurs délais et avec un minimum de manoeuvres ;
  d) élimine des obstacles dans les environs du quai de chargement et de déchargement afin de faciliter le chargement et le déchargement autant que possible ;
  e) éteint la radio dans le lieu de stockage pour les marchandises en cas d'ouverture des portes ou portails.
  2. Mesures de réduction du bruit pour l'infrastructure de l'établissement
  Ci-après une liste non exhaustive des mesures pour la structure présente de l'établissement est reprise.
  1° L'itinéraire sur lequel le camion exécute des manoeuvres, est optimisé pour que le camion puisse atteindre l'établissement dans les meilleurs délais et avec un minimum de manoeuvres.
  2° L'environnement du quai de chargement et de déchargement est libre d'obstacles et est bien organisé pour faciliter le chargement et le déchargement des marchandises autant que possible (limitation de la distance entre le quai de chargement et de déchargement et le lieu de stockage des marchandises, suffisamment d'espace pour le stockage de marchandises et de matériel logistique ...).
  3° La chaussée de l'établissement et l'itinéraire sur lequel le camion exécute ses manoeuvres, sont libres de trous et de bosses.
  4° Le sol aux environs du quai de chargement et de déchargement et le sol du lieu de stockage des marchandises sont des sols égaux (béton ou asphalte sans stries ou bords).
  5° La présence d'un tapis d'insonorisation au quai de chargement et de déchargement est prévue afin d'amortir la transition entre le hayon du camion et le quai de chargement et de déchargement.
  6° En cas d'un quai de chargement et de déchargement couvert, des mesures sont prises afin d'éviter des réflexions internes.
  7° L'infrastructure de l'établissement qui est utilisée au cours des opérations de chargement et de déchargement, est contrôlée périodiquement quant au bon fonctionnement et à l'entretien et, le cas échéant, elle est rétablie, renouvelée ou modernisée.
  3. Mesures de réduction du bruit pour le matériel logistique utilisé au cours du chargement et du déchargement des marchandises
  Ci-après une liste non exhaustive de mesures pour le matériel logistique utilisé pendant le chargement et le déchargement est reprise.
  1° Dans la mesure du possible, il est fait usage d'engins silencieux lors des opérations de chargement et de déchargement.
  2° Le matériel logistique utilisé lors des opérations de chargement et de déchargement est contrôlé périodiquement quant au bon fonctionnement et à l'entretien et, le cas échéant, il est rétabli, renouvelé ou modernisé.
  4. Mesures de réduction du bruit pour les camions utilisés
  Ci-après une liste non exhaustive des mesures pour les camions utilisés est reprise.
  1° Il faut pouvoir éteindre le signal de recul.
  2° Il faut pouvoir éteindre l'alimentation des groupes frigorifiques dont le camion est équipé.
  3° Les parois et le sol dans l'espace de chargement et le hayon du camion sont réalisés en matériau anti-vibrations ou sont recouverts de matériaux d'insonorisation.
Art. N6. Bijlage 4.5.7.4 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Criteria voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materiaal
  Voor de laad- en losverrichtingen met geluidsarm materiaal moet gebruikgemaakt worden van materialen die geluidsarm zijn opgebouwd op het niveau van de vrachtwagen (trekker en oplegger), de laad- en losplaats en het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen van goederen. Het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen, is als geluidsarm gecertificeerd.
  1° Geluidsarme opbouw op het niveau van de oplegger van de vrachtwagen, bestaande uit :
  a) een geluidsarme vloer (egale laadvloer);
  b) een geluidsabsorberend plafond;
  c) geluidsarme wanden;
  d) een geluidsarme laadklep;
  e) een geluidsarme draai- of roldeur;
  f) een geluidsarme koelgroep.
  2° Geluidsarme opbouw op het niveau van de laad- en losplaats bestaande uit een geluidsarme vloer (egale vloer uit beton of asfalt, zonder ribbels of randen).
  3° Geluidsarme opbouw op het niveau van het logistieke materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen, bestaande uit een van de volgende elementen :
  a) geluidsarme elektrotranspallettrucks;
  b) geluidsarme handpallettrucks;
  c) geluidsarme kooiwagens;
  d) geluidsarme rolcontainers.
Art. N6. Annexe 4.5.7.4 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Critères pour les opérations de chargement et de déchargement à l'aide d'engins silencieux
  Pour les opérations de chargement et de déchargement à l'aide d'engins silencieux, il convient d'utiliser des matériaux à construction silencieuse au niveau du camion (tracteur et remorque), du quai de chargement et de déchargement, et du matériel logistique utilisé pendant le chargement et le déchargement des marchandises. Le matériel logistique utilisé lors des opérations de chargement et de déchargement, est certifié comme silencieux.
  1° Construction silencieuse au niveau de la remorque du camion, comprenant :
  a) un sol silencieux (sol de chargement égal);
  b) un plafond d'insonorisation ;
  c) des parois silencieuses ;
  d) un hayon silencieux ;
  e) une porte à tambour ou une porte à glissière ;
  f) un groupe frigorifique silencieux.
  2° Construction silencieuse au niveau du quai de chargement et de déchargement, comprenant un sol silencieux (sol égal en béton ou en asphalte, sans stries ou bords).
  3° Construction silencieuse au niveau du matériel logistique utilisé pendant le chargement et le déchargement, comprenant un des éléments suivants :
  a) transpalettes électriques à plateforme silencieux ;
  b) transpalettes manuels silencieux ;
  c) chariots cages silencieux ;
  d) conteneurs roulants silencieux.
Art. N7. Bijlage 5.17.8 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - Aanvraagformulier bevoegde deskundige
Art. N7. Annexe 5.17.8 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Formulaire de demande " expert compétent "
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-08-2016, p. 57825)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-08-2016, p. 57947)
Art. N8. Bijlage 6.12 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. - In overweging te nemen elementen bij het opstellen van procedures en instructies voor de reductie van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken die plaats vinden in open lucht en die worden uitgevoerd door een aannemer
  Algemeen
  1° Puin, afkomstig van het breken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen en slopen, wordt regelmatig opgeruimd. De voorkeur wordt gegeven aan werkmethodes waarbij het produceren, het vrijkomen en het verspreiden van stof wordt beperkt (stofafzuiging, water ...).
  2° Bewerkte delen (voor het breken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen, slopen ...) worden bevochtigd met een brandslang of met een nevelkanon.
  3° De bron van de stofvorming wordt afgesloten om de verspreiding van stof te beperken.
  4° Tijdens droog weer of bij wind die tot visueel waarneembare stofverspreiding aanleiding geeft, worden handelingen extra omzichtig uitgevoerd om het opwaaien van stof te vermijden.
  Maatregelen ter beperking van stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen
  1° Grijpers :
  a) hijsen, zwenken en vieren :
  1. grijpers die bovenaan geopend zijn, worden niet overladen zodat morsen vermeden wordt;
  2. de schalen van de grijper worden gesloten bij het hijsen, zwenken en vieren;
  3. bij het zwenken worden bruuske bewegingen vermeden zodat stofverspreiding wordt beperken;
  b) openen :
  1. de grijper wordt traag geopend;
  2. boven een storthoop wordt de grijper zo laag mogelijk (< 1-2m) geopend;
  3. bij een storttrechter (hopper) wordt de grijper pas geopend als hij tot onder de bovenwand van de storttrechter is gezakt;
  4. na het ontladen wordt de grijper voldoende lang in de recipiënt gelaten om een stofarme ontlading te garanderen.
  2° Wielladers :
  a) de laadschep wordt niet overladen; er wordt niet boven de zijwanden geladen;
  b) bruuske bewegingen met geladen wielladers worden vermeden;
  c) geladen wielladers rijden met een aangepaste snelheid;
  d) wielladers worden zo laag mogelijk en op maximaal 1 meter boven de opslaghoop gelost;
  e) wielladers worden tijdig gereinigd zodat het stof verwijderd is.
  3° Laden en lossen van vrachtwagens :
  a) het overladen van de laadbak wordt vermeden;
  b) de belading kan gebeuren onder continue verneveling.
  Maatregelen ter beperking van stofverspreiding bij sloopwerken, breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen en zagen
  1° Slijpen en frezen :
  a) de slijpschijf wordt voorzien van een stofkap en stofafzuiging. De stofkap wordt zo aangebracht dat de zuigmond van de afzuigapparatuur dicht aansluit bij de slijpschijf;
  b) de opening tussen de afzuiging en de zaagsnede wordt klein gehouden zodat het stof optimaal wordt afgezogen;
  c) de afzuiging wordt voorzien van een stoffilter;
  d) de slijpschijf wordt gekoeld met water, waardoor de ontwikkeling van stof wordt beperkt;
  e) er wordt gewerkt in dezelfde richting als de draairichting van de schijf, zodat het stof niet via de gefreesde of geslepen sleuf naar buiten wordt gedreven;
  f) door de te slijpen of te frezen delen te bevochtigen wordt de stofontwikkeling tijdens de werken beperkt indien het materiaal dit toelaat.
  2° Boren :
  a) boorwerken worden uitgevoerd met gereedschappen die voorzien zijn van een stofafzuiging;
  b) door de te boren delen te bevochtigen wordt de stofontwikkeling tijdens de boorwerken beperkt indien het materiaal dit toelaat.
  3° Zagen :
  stofproductie wordt beperkt door de materialen te zagen onder toevoer van water, waardoor het gevormde stof neerslaat.
  4° Polijsten :
  bij het instrooien van de slijtlaag worden voorgemengde zand-cementmengsels toegepast. Zo wordt vermeden dat die mengsels op de werf aangemaakt moeten worden.
  5° Sloopwerken :
  a) de sloopwerken worden uitgevoerd met een breekhamer die voorzien is van een stofafzuiging;
  b) door de te slopen delen te bevochtigen wordt de stofontwikkeling tijdens de sloopwerken beperkt.
Art. N8. Annexe 6.12 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement - Eléments à prendre en compte lors de l'élaboration de procédures et d'instructions pour la réduction des émissions de poussières lors de travaux de construction, de démolition et d'infrastructure ayant lieu en plein air et exécutés par un entrepreneur
  Généralités
  1° les débris provenant du concassage, sablage, polissage, meulage, forage, fraisage, sciage et de la démolition, sont régulièrement ramassés. La préférence sera accordée aux méthodes de travail lors desquelles la production, la libération et la dispersion de poussières est réduite (aspiration de la poussière, eau...).
  2° les parties transformées (pour le concassage, le sablage, le polissage, le meulage, le forage, le fraisage, le sciage et la démolition...) sont humidifiés à l'aide d'un tuyau d'incendie ou d'un canon nébulisateur.
  3° La source de la formation de poussières est fermée afin de limiter la dispersion de poussières.
  4° Par temps sec ou par temps de vent entraînant une dispersion de poussière visuellement perceptible, les opérations sont effectuées avec une prudence particulière afin d'éviter la dispersion de poussière.
  Mesures visant à limiter la dispersion de poussière lors du transport, du chargement et du déchargement de substances pulvérulentes
  1° Grues à godet :
  a) levage, rotation et largage :
  1. les godets ouverts au-dessus ne sont pas surchargés pour éviter des rejets accidentels ;
  2. le godet est fermé lors du levage, de la rotation et du largage ;
  3. lors de la rotation, des mouvements brusques sont évités afin de limiter la dispersion de poussière ;
  b) ouverture :
  1. le godet est ouvert lentement ;
  2. le godet est ouvert le plus bas possible (< 1-2m) au-dessus d'un tas déversé ;
  3. en cas d'une trémie de déversement (hopper), le godet n'est ouvert que lorsqu'il est descendu en-dessous des bords supérieurs de la trémie ;
  4. après le déchargement, le godet est tenu suffisamment longtemps dans le récipient afin de garantir un bon déchargement.
  2° Chargeuses sur pneus :
  a) la pelle de chargement n'est pas surchargée ; le chargement ne dépasse pas les parois latérales ;
  b) les mouvements brusques des chargeuses sur pneus sont évités ;
  c) les chargeuses sur pneus circulent à vitesse adaptée ;
  d) les chargeuses sur pneus sont déchargées à l'endroit le plus bas possible et à au maximum 1 mètre au-dessus du tas de stockage ;
  e) les chargeuses sur pneus sont nettoyées à temps de sorte que les poussières soient enlevées.
  3° Le chargement et le déchargement de camions :
  a) la surcharge des bennes est évitée ;
  b) le chargement peut se faire sous arrosage continu d'eau.
  Mesures visant à limiter la dispersion de poussières lors de travaux de démolition, de casse, de sablage, de polissage, de meulage, de perçage, de fraisage et de sciage
  1° Meulage et fraisage :
  a) la meule est équipée d'une housse et d'une aspiration de la poussière. La housse est installée de sorte que le suceur de l'appareil d'aspiration est serré contre la meule ;
  b) l'ouverture entre l'extraction et le trait de scie est limitée afin d'assurer une extraction optimale des poussières ;
  c) l'aspiration est équipée d'un filtre dépoussiéreur ;
  d) la meule est refroidi à l'eau afin de limiter l'empoussièrement ;
  e) l'on opère dans le même sens que le sens de rotation du disque, de sorte que la poussière n'est pas évacuée par le biais de la tranchée de fraisage ou de meulage ;
  f) en humidifiant les parties à meuler ou à fraiser, l'empoussièrement pendant les travaux est limité si le matériau le permet.
  2° Forage :
  a) les travaux de forage sont exécutés à l'aide d'outils équipés d'une aspiration de poussières ;
  b) en humidifiant les parties à forer, l'empoussièrement pendant les travaux de forage est limité si le matériau le permet.
  3° Sciage :
  la production de poussière est limitée en sciant les matériaux sous un courant d'eau, de sorte que la poussière produite retombe.
  4° Polissage :
  lors de l'épandage de la couche d'usure, des prémélanges sable/ciment sont appliqués. Ainsi on évite que ces mélanges doivent être produits sur le chantier.
  5° Travaux de démolition :
  a) les travaux de démolition sont effectués à l'aide d'un marteau-piqueur équipé d'une aspiration de poussières ;
  b) en humidifiant les parties à démolir, l'empoussièrement pendant les travaux de démolition est limité.
Art. N9. Bijlage IX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel . Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk :
  Verplichtingen van de gebruiker en de eigenaar van een centraal stooktoestel
Art. N9. Annexe IX de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes,visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, est considéré comme une infraction environnementale :
  Obligations de l'utilisateur et du propriétaire de l'appareil de chauffage central
artikel wettelijke verplichting
11, § 1 De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport of een duplicaat daarvan bij het toestel blijft zolang dat ongewijzigd in gebruik is.
11, § 2 De gebruiker bezorgt een duplicaat van het attest aan de eigenaar. De gebruiker en de eigenaar houden minstens de duplicaten van de attesten van de laatste twee onderhoudsbeurten bij.
11, § 3 De eigenaar van het centrale stooktoestel houdt het verwarmingsauditrapport bij zolang het toestel in gebruik is en geen nieuwe verwarmingsaudit werd uitgevoerd. De eigenaar bezorgt een duplicaat van het verwarmingsauditrapport aan de gebruiker.
11, § 4 De attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en voorgelegd op eenvoudig verzoek.
11, § 5 De eigenaar van het toestel bezorgt een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, aan een gebruiker.
artikel wettelijke verplichting11, § 1 De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport of een duplicaat daarvan bij het toestel blijft zolang dat ongewijzigd in gebruik is.11, § 2 De gebruiker bezorgt een duplicaat van het attest aan de eigenaar. De gebruiker en de eigenaar houden minstens de duplicaten van de attesten van de laatste twee onderhoudsbeurten bij.11, § 3 De eigenaar van het centrale stooktoestel houdt het verwarmingsauditrapport bij zolang het toestel in gebruik is en geen nieuwe verwarmingsaudit werd uitgevoerd. De eigenaar bezorgt een duplicaat van het verwarmingsauditrapport aan de gebruiker.11, § 4 De attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en voorgelegd op eenvoudig verzoek.11, § 5 De eigenaar van het toestel bezorgt een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, aan een gebruiker.
Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt of met de verwarmingsaudit van een centraal stooktoestel
article obligation légale
11, § 1er Le propriétaire de l'appareil de chauffage central veille à ce que le rapport d'inspection ou un duplicata reste près de l'appareil tant que ce dernier reste inchangé en service.
11, § 2 L'utilisateur remet un duplicata de l'attestation au propriétaire. L'utilisateur et le propriétaire gardent au moins les duplicatas des attestations des deux derniers entretiens.
11, § 3 Le propriétaire de l'appareil de chauffage central garde le rapport d'audit de chauffage tant que l'appareil est utilisé et qu'aucun nouvel audit de chauffage n'a été exécuté. L'utilisateur remet un duplicata du rapport d'audit de chauffage à l'utilisateur.
11, § 4 Les attestations et rapports, visés aux § § 1er, 2 et 3, sont tenus à la disposition de l'autorité de contrôle et sont présentés sur simple demande.
11, § 5. Le propriétaire de l'appareil fournit un duplicata des attestations et des rapports, visés aux § § 1er, 2 et 3, à l'utilisateur.
article obligation légale11, § 1er Le propriétaire de l'appareil de chauffage central veille à ce que le rapport d'inspection ou un duplicata reste près de l'appareil tant que ce dernier reste inchangé en service.11, § 2 L'utilisateur remet un duplicata de l'attestation au propriétaire. L'utilisateur et le propriétaire gardent au moins les duplicatas des attestations des deux derniers entretiens.11, § 3 Le propriétaire de l'appareil de chauffage central garde le rapport d'audit de chauffage tant que l'appareil est utilisé et qu'aucun nouvel audit de chauffage n'a été exécuté. L'utilisateur remet un duplicata du rapport d'audit de chauffage à l'utilisateur.11, § 4 Les attestations et rapports, visés aux § § 1er, 2 et 3, sont tenus à la disposition de l'autorité de contrôle et sont présentés sur simple demande.11, § 5. Le propriétaire de l'appareil fournit un duplicata des attestations et des rapports, visés aux § § 1er, 2 et 3, à l'utilisateur.
Obligations de la personne chargée de l'inspection avant la première mise en service, de l'entretien ou de l'audit de chauffage d'un appareil de chauffage central
artikel wettelijke verplichting
12, § 1 De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit :
  1° het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
  2° het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
  3° de controle van het rookgasafvoerkanaal, met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van het rookgasafvoerkanaal voor het stooktoestel waarmee het verbonden is;
  4° de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
  5° het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
  De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
12, § 2 Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
12, § 3 De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.
13, § 1, eerste lid De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.
13, § 1, tweede lid De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.
13, § 2 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt :
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C : het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal.
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° de verbrandingscontrole : het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.
13, § 3 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt :
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C : het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel : het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° een verbrandingscontrole : dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.
13, § 4 Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het controleren van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht.
  2° het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  3° het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel : het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.
13, § 5, tweede lid Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.
14, § 1 De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 1° en 2°, wordt, bij een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 100 kW, uitgevoerd aan de hand van het rekeninstrument dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.
14, § 2, eerste lid De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, a) en b), wordt uitgevoerd aan de hand van software die door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.
14, § 2, tweede lid, eerste zin De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, c), wordt uitgevoerd aan de hand van een berekeningsmethodiek die door de erkende technicus verwarmingsaudit wordt gekozen maar een beoordeling toelaat van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw.
14, § 2, tweede lid, tweede zin De erkende technicus verwarmingsaudit geeft de afdeling op eenvoudig verzoek de nodige informatie over de gehanteerde berekeningsmethodiek.
14, § 4, 1° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
  1° verstrekt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel informatie omtrent de bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden en de geschatte besparing op het energieverbruik met het oog op de vervanging van oudere ketels;
14, § 4, 2° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
  2° adviseert de eigenaar van het centrale stooktoestel over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren.
15, § 1, eerste zin De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport en een verbrandingsattest.
15, § 1, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 2, eerste zin De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest.
15, § 2, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 3, eerste zin De persoon die de verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, heeft uitgevoerd, overhandigt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel een verwarmingsauditrapport.
15, § 3, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.
15, § 5, eerste zin Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest, keuringsrapport of verwarmingsauditrapport bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens.
15, § 6, tweede lid Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.
artikel wettelijke verplichting12, § 1 De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit :
  1° het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
  2° het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
  3° de controle van het rookgasafvoerkanaal, met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van het rookgasafvoerkanaal voor het stooktoestel waarmee het verbonden is;
  4° de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
  5° het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
  De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.12, § 2 Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.12, § 3 De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.13, § 1, eerste lid De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.13, § 1, tweede lid De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.13, § 2 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt :
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C : het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal.
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° de verbrandingscontrole : het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.13, § 3 Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het nazien van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
  2° een reinigingsbeurt :
  a) voor een stooktoestel aangesloten als type B : het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  b) voor een stooktoestel aangesloten als type C : het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
  c) het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel : het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
  3° een verbrandingscontrole : dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.13, § 4 Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit :
  1° het controleren van de algemene staat en de veilige staat van werking van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht.
  2° het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal : het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
  3° het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel : het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.13, § 5, tweede lid Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.14, § 1 De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 1° en 2°, wordt, bij een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 100 kW, uitgevoerd aan de hand van het rekeninstrument dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.14, § 2, eerste lid De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, a) en b), wordt uitgevoerd aan de hand van software die door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.14, § 2, tweede lid, eerste zin De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, c), wordt uitgevoerd aan de hand van een berekeningsmethodiek die door de erkende technicus verwarmingsaudit wordt gekozen maar een beoordeling toelaat van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw.14, § 2, tweede lid, tweede zin De erkende technicus verwarmingsaudit geeft de afdeling op eenvoudig verzoek de nodige informatie over de gehanteerde berekeningsmethodiek.14, § 4, 1° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
  1° verstrekt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel informatie omtrent de bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden en de geschatte besparing op het energieverbruik met het oog op de vervanging van oudere ketels;14, § 4, 2° De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd :
  2° adviseert de eigenaar van het centrale stooktoestel over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren.15, § 1, eerste zin De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport en een verbrandingsattest.15, § 1, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.15, § 2, eerste zin De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest.15, § 2, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.15, § 3, eerste zin De persoon die de verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, heeft uitgevoerd, overhandigt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel een verwarmingsauditrapport.15, § 3, tweede zin Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de toezichthouder.15, § 5, eerste zin Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest, keuringsrapport of verwarmingsauditrapport bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens.15, § 6, tweede lid Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.
article obligation légale
12, § 1er L'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visée à l'art. 7, comprend :
  1° l'examen du bon état de fonctionnement en toute sécurité de l'appareil de chauffage, y compris les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement ;
  2° l'examen de l'état général de l'appareil de chauffage central, notamment le bon raccordement entre le brûleur et la chaudière centrale si cela s'applique ;
  3° le contrôle de la cheminée, y compris son bon fonctionnement, et l'examen de la conformité de la cheminée à l'appareil de chauffage auquel elle est raccordée ;
  4° le contrôle sur la présence des instructions d'utilisation et d'entretien ;
  5° le contrôle de l'aération du local de chauffe et de l'amenée d'air de combustion.
  Le technicien exécute les épreuves de contrôle concernant le bon état de fonctionnement, repris au chapitre Ier de l'annexe Ire de cet arrêté selon les instructions du fabricant, avec un équipement qui est au moins conforme aux spécifications techniques reprises dans le chapitre II de l'annexe Ire au présent arrêté et en tenant compte des prescriptions du chapitre Ier de l'annexe Ire du présent arrêté.
12, § 2 Un nouvel appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles liquides ou gazeux, doit être équipé d'orifices de mesurage du côté des gaz de fumée en vue de l'exécution d'essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement.
12, § 3 Après l'exécution de l'inspection, le technicien exécute un contrôle de la combustion, tel que visé à l'article 13.
13, § 1er, alinéa premier Le technicien agréé effectue l'entretien d'un appareil de chauffage central suivant les règles de bonne connaissance du métier. Il tient compte des instructions d'entretien du fabricant de l'appareil de chauffage.
13, § 1er, alinéa deux Il exécute les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement, repris au chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté, suivant les instructions du fabricant à l'aide d'appareillage qui répond au moins aux spécifications techniques reprises au chapitre II de l'annexe Ire au présent arrêté. A cet effet, il tient compte des prescriptions du Chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté.
13, § 2 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles liquides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion ;
  2° un nettoyage :
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée.
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central et des parties internes de l'appareil de chauffage central, nettoyage et le contrôle du ventilateur et la vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central ;
  3° la vérification et le réglage du brûleur, ainsi que les aménagements et les éléments indispensables à son fonctionnement, suivis des essais de contrôle du bon état de fonctionnement.
13, § 3 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles gazeux, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion ;
  2° un nettoyage :
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée ;
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central : le dépoussiérage de l'appareil de chauffage central, le nettoyage de lits de chaudière et de l'échangeur de chaleur, et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le nettoyage du ventilateur et du brûleur, et vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central ;
  3° un contrôle de la combustion : ceci comprend l'exécution des essais de contrôle relatif au bon état de fonctionnement et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le réglage du brûleur ventilé.
13, § 4 En cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles solides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° le contrôle de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, y compris le contrôle de l'aération du local dans lequel se trouve la chaudière de chauffage central, et de l'adduction de l'air de combustion.
  2° le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  3° le nettoyage des parties internes de l'appareil de chauffage central : le nettoyage de l'échangeur de chaleur et de toutes autres parties internes qui sont en contact avec les gaz de fumée ou les combustibles.
13, § 5, alinéa deux Un ramoneur ne peut effectuer que le nettoyage et l'inspection du conduit d'évacuation des gaz de fumée. Si le technicien ne nettoie et n'inspecte pas lui-même le conduit d'évacuation des gaz de fumée, il n'entame l'entretien qu'après que l'attestation de nettoyage lui a été présentée.
14, § 1er L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 1° et 2°, est exécuté, en cas d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale inférieure ou égale à 100 kW, à l'aide d'un instrument de calcul mis à la disposition par le Ministre flamand chargé de la politique énergétique.
14, § 2, alinéa premier L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 3°, a) et b), est exécuté à l'aide d'un logiciel mis à la disposition par le Ministre flamand chargé de la politique énergétique.
14, § 2, alinéa deux, première phrase L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 3°, c), est effectué à l'aide d'une méthodique de calcul choisie par le technicien agréé en matière d'audit de chauffage mais qui permet une évaluation du rendement de la chaudière et du dimensionnement de la chaudière par rapport aux besoins de chauffage du bâtiment.
14, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Le technicien agréé en matière d'audit de chauffage fournit les informations nécessaires sur la méthodique de calcul utilisée à la division sur simple demande de cette dernière.
14, § 4, 1° La personne ayant exécuté l'audit de chauffage de l'appareil de chauffage central :
  1° informe le propriétaire de l'appareil de chauffage central des mesures d'aide existantes de l'autorité ou de tiers, et de l'économie estimée de la consommation d'énergie en vue du remplacement de chaudières plus anciennes ;
14, § 4, 2° La personne ayant exécuté l'audit de chauffage de l'appareil de chauffage central :
  2° avise le propriétaire de l'appareil de chauffage central quant au remplacement de la chaudière, à d'autres modifications au système de chauffage et aux solutions alternatives pouvant réaliser une économie d'énergie significative.
15, § 1er, première phrase La personne exécutant l'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'article 7, transmet un rapport de contrôle dûment complété et une attestation de combustion au propriétaire.
15, § 1er, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.
15, § 2, première phrase La personne ayant exécuté l'entretien partiel ou entier de l'article 8, 4°, transmet l'attestation de nettoyage dûment complétée et/ou l'attestation de combustion dûment complétée à l'utilisateur de l'appareil de chauffage central.
15, § 2, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.
15, § 3, première phrase La personne ayant exécuté l'audit de chauffage, visé à l'article 9, transmet un rapport d'audit de chauffage au propriétaire de l'appareil de chauffage central.
15, § 3, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.
15, § 5, première phrase Une attestation de nettoyage, une attestation de combustion, un rapport d'inspection ou un rapport d'audit de chauffage dûment complétés, comportent au moins les données demandées dans le modèle approprié de l'annexe III en caractères alphanumériques clairement lisibles.
15, § 6, alinéa deux Un ramoneur ne peut établir une attestation de nettoyage que pour la partie de nettoyage et de contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée.
article obligation légale12, § 1er L'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visée à l'art. 7, comprend :
  1° l'examen du bon état de fonctionnement en toute sécurité de l'appareil de chauffage, y compris les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement ;
  2° l'examen de l'état général de l'appareil de chauffage central, notamment le bon raccordement entre le brûleur et la chaudière centrale si cela s'applique ;
  3° le contrôle de la cheminée, y compris son bon fonctionnement, et l'examen de la conformité de la cheminée à l'appareil de chauffage auquel elle est raccordée ;
  4° le contrôle sur la présence des instructions d'utilisation et d'entretien ;
  5° le contrôle de l'aération du local de chauffe et de l'amenée d'air de combustion.
  Le technicien exécute les épreuves de contrôle concernant le bon état de fonctionnement, repris au chapitre Ier de l'annexe Ire de cet arrêté selon les instructions du fabricant, avec un équipement qui est au moins conforme aux spécifications techniques reprises dans le chapitre II de l'annexe Ire au présent arrêté et en tenant compte des prescriptions du chapitre Ier de l'annexe Ire du présent arrêté.12, § 2 Un nouvel appareil de chauffage central, alimenté par des combustibles liquides ou gazeux, doit être équipé d'orifices de mesurage du côté des gaz de fumée en vue de l'exécution d'essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement.12, § 3 Après l'exécution de l'inspection, le technicien exécute un contrôle de la combustion, tel que visé à l'article 13.13, § 1er, alinéa premier Le technicien agréé effectue l'entretien d'un appareil de chauffage central suivant les règles de bonne connaissance du métier. Il tient compte des instructions d'entretien du fabricant de l'appareil de chauffage.13, § 1er, alinéa deux Il exécute les essais de contrôle relatifs au bon état de fonctionnement, repris au chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté, suivant les instructions du fabricant à l'aide d'appareillage qui répond au moins aux spécifications techniques reprises au chapitre II de l'annexe Ire au présent arrêté. A cet effet, il tient compte des prescriptions du Chapitre Ier de l'annexe Ire au présent arrêté.13, § 2 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles liquides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion ;
  2° un nettoyage :
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée.
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central et des parties internes de l'appareil de chauffage central, nettoyage et le contrôle du ventilateur et la vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central ;
  3° la vérification et le réglage du brûleur, ainsi que les aménagements et les éléments indispensables à son fonctionnement, suivis des essais de contrôle du bon état de fonctionnement.13, § 3 En cas d'un appareil de chauffage central, ayant une puissance nominale supérieure à 20 kW et alimenté par des combustibles gazeux, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° la vérification de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, le contrôle de l'aération du local de chauffe et l'amenée d'air de combustion ;
  2° un nettoyage :
  a) pour un appareil de chauffage raccordé comme type B : le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  b) pour un appareil de chauffage raccordé comme type C : le contrôle du placement correct selon le code de bonnes pratiques et de l'étanchéité côté gaz de fumée du conduit d'évacuation des gaz de fumée ;
  c) le nettoyage et le contrôle de l'appareil de chauffage central : le dépoussiérage de l'appareil de chauffage central, le nettoyage de lits de chaudière et de l'échangeur de chaleur, et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le nettoyage du ventilateur et du brûleur, et vérification de l'étanchéité de l'appareil de chauffage central ;
  3° un contrôle de la combustion : ceci comprend l'exécution des essais de contrôle relatif au bon état de fonctionnement et, pour les chaudières à gaz à brûleur ventilé, le réglage du brûleur ventilé.13, § 4 En cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles solides, l'entretien, visé à l'article 8, 4°, consiste en :
  1° le contrôle de l'état général en toute sécurité de l'appareil de chauffage central, y compris le contrôle de l'aération du local dans lequel se trouve la chaudière de chauffage central, et de l'adduction de l'air de combustion.
  2° le nettoyage et le contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée : le ramonage mécanique du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central, la vérification de l'état général du conduit d'évacuation des gaz de fumée et du raccordement entre le conduit d'évacuation des gaz de fumée et l'appareil de chauffage central (entre autres l'étanchéité), et le contrôle du bon fonctionnement du conduit d'évacuation des gaz de fumée (entre autres, la pression) ;
  3° le nettoyage des parties internes de l'appareil de chauffage central : le nettoyage de l'échangeur de chaleur et de toutes autres parties internes qui sont en contact avec les gaz de fumée ou les combustibles.13, § 5, alinéa deux Un ramoneur ne peut effectuer que le nettoyage et l'inspection du conduit d'évacuation des gaz de fumée. Si le technicien ne nettoie et n'inspecte pas lui-même le conduit d'évacuation des gaz de fumée, il n'entame l'entretien qu'après que l'attestation de nettoyage lui a été présentée.14, § 1er L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 1° et 2°, est exécuté, en cas d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale inférieure ou égale à 100 kW, à l'aide d'un instrument de calcul mis à la disposition par le Ministre flamand chargé de la politique énergétique.14, § 2, alinéa premier L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 3°, a) et b), est exécuté à l'aide d'un logiciel mis à la disposition par le Ministre flamand chargé de la politique énergétique.14, § 2, alinéa deux, première phrase L'audit de chauffage, visé à l'article 9, § 2, 3°, c), est effectué à l'aide d'une méthodique de calcul choisie par le technicien agréé en matière d'audit de chauffage mais qui permet une évaluation du rendement de la chaudière et du dimensionnement de la chaudière par rapport aux besoins de chauffage du bâtiment.14, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Le technicien agréé en matière d'audit de chauffage fournit les informations nécessaires sur la méthodique de calcul utilisée à la division sur simple demande de cette dernière.14, § 4, 1° La personne ayant exécuté l'audit de chauffage de l'appareil de chauffage central :
  1° informe le propriétaire de l'appareil de chauffage central des mesures d'aide existantes de l'autorité ou de tiers, et de l'économie estimée de la consommation d'énergie en vue du remplacement de chaudières plus anciennes ;14, § 4, 2° La personne ayant exécuté l'audit de chauffage de l'appareil de chauffage central :
  2° avise le propriétaire de l'appareil de chauffage central quant au remplacement de la chaudière, à d'autres modifications au système de chauffage et aux solutions alternatives pouvant réaliser une économie d'énergie significative.15, § 1er, première phrase La personne exécutant l'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'article 7, transmet un rapport de contrôle dûment complété et une attestation de combustion au propriétaire.15, § 1er, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.15, § 2, première phrase La personne ayant exécuté l'entretien partiel ou entier de l'article 8, 4°, transmet l'attestation de nettoyage dûment complétée et/ou l'attestation de combustion dûment complétée à l'utilisateur de l'appareil de chauffage central.15, § 2, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.15, § 3, première phrase La personne ayant exécuté l'audit de chauffage, visé à l'article 9, transmet un rapport d'audit de chauffage au propriétaire de l'appareil de chauffage central.15, § 3, deuxième phrase Elle en garde un duplicata à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins un an.15, § 5, première phrase Une attestation de nettoyage, une attestation de combustion, un rapport d'inspection ou un rapport d'audit de chauffage dûment complétés, comportent au moins les données demandées dans le modèle approprié de l'annexe III en caractères alphanumériques clairement lisibles.15, § 6, alinéa deux Un ramoneur ne peut établir une attestation de nettoyage que pour la partie de nettoyage et de contrôle du conduit d'évacuation des gaz de fumée.
Art. N10. Bijlage XXIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel . Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk :
Art. N10. Annexe XXIII de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement, est considéré comme une infraction environnementale :
artikel wettelijke verplichting
34, § 2 De erkende persoon past de normen en codes van goed praktijk toe die voor het gebruik van de erkenning in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn.
34, § 3 De erkende persoon beschikt over een verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief de beroepsaansprakelijkheid, ten gevolge van het gebruik van de erkenning. In afwijking hiervan zijn de opleidingscentra verzekerd voor de ongevallen, schade en de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leraren en studenten.
34, § 4, eerste zin De attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten die door een erkende persoon worden afgeleverd, zijn voldoende duidelijk en uitgebreid zodat het uit de lezing ervan mogelijk is om na te gaan of aan de reglementaire voorschriften is voldaan.
34, § 4, tweede zin Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.
34, § 5, eerste lid De erkende persoon deelt elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens die tot de erkenning hebben geleid, waardoor hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de erkenning onverwijld mee aan de bevoegde afdeling.
34, § 5, tweede lid De erkende persoon stelt aan de bevoegde afdeling alle inlichtingen en documenten ter beschikking waar ze om vraagt met betrekking tot de erkenning en richt zich naar de instructies die door de bevoegde afdeling en de toezichthouders worden gegeven.
34, § 6 Het is de erkende persoon, zelfs na het beëindigen van zijn functie, verboden vertrouwelijke gegevens kenbaar te maken, waarvan hij ten gevolge van zijn opdrachten kennis heeft gekregen.
34, § 7 Personeelsleden van de bevoegde afdeling kunnen hun erkenning niet gebruiken als ze met betrekking tot de erkenning of de taken van de erkenninghouder een adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen.
34, § 8 De erkende persoon verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties die door de bevoegde afdeling worden opgezet.
34, § 9 De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling of voor de erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f), en de erkende technici, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met e), aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°.
artikel wettelijke verplichting34, § 2 De erkende persoon past de normen en codes van goed praktijk toe die voor het gebruik van de erkenning in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn.34, § 3 De erkende persoon beschikt over een verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief de beroepsaansprakelijkheid, ten gevolge van het gebruik van de erkenning. In afwijking hiervan zijn de opleidingscentra verzekerd voor de ongevallen, schade en de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leraren en studenten.34, § 4, eerste zin De attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten die door een erkende persoon worden afgeleverd, zijn voldoende duidelijk en uitgebreid zodat het uit de lezing ervan mogelijk is om na te gaan of aan de reglementaire voorschriften is voldaan.34, § 4, tweede zin Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.34, § 5, eerste lid De erkende persoon deelt elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens die tot de erkenning hebben geleid, waardoor hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de erkenning onverwijld mee aan de bevoegde afdeling.34, § 5, tweede lid De erkende persoon stelt aan de bevoegde afdeling alle inlichtingen en documenten ter beschikking waar ze om vraagt met betrekking tot de erkenning en richt zich naar de instructies die door de bevoegde afdeling en de toezichthouders worden gegeven.34, § 6 Het is de erkende persoon, zelfs na het beëindigen van zijn functie, verboden vertrouwelijke gegevens kenbaar te maken, waarvan hij ten gevolge van zijn opdrachten kennis heeft gekregen.34, § 7 Personeelsleden van de bevoegde afdeling kunnen hun erkenning niet gebruiken als ze met betrekking tot de erkenning of de taken van de erkenninghouder een adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen.34, § 8 De erkende persoon verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties die door de bevoegde afdeling worden opgezet.34, § 9 De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling of voor de erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f), en de erkende technici, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met e), aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°.
Bijzondere gebruikseisen voor deskundigen
article obligation légale
34, § 2 La personne agréée applique les normes et codes de bonnes pratiques applicables à l'usage de l'agrément en Région flamande.
34, § 3 La personne agréée a souscrit à une assurance en couverture de la responsabilité civile, incluant la responsabilité professionnelle découlant de l'usage de l'agrément. Par dérogation à cette disposition, les centres de formation sont assurés contre des accidents, dommages et la responsabilité civile de leurs enseignants et étudiants.
34, § 4, première phrase Les attestations, constatations, rapports et autres documents délivrés par une personne agréée, sont suffisamment clairs et détaillés que leur lecture permet de vérifier s'il a été répondu aux prescriptions réglementaires.
34, § 4, deuxième phrase Ces attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.
34, § 5, alinéa premier La personne agréée communique à la division compétente toute modification dans ses données d'identification, toute modification des données qui ont abouti à l'agrément, contraires aux conditions d'agrément, ou l'arrêt définitif de l'usage de l'agrément.
34, § 5, alinéa deux La personne agréée met tous les renseignements et documents relatifs à l'agrément et demandés par la division à la disposition de celle-ci et s'accommode aux instructions données par la division et les superviseurs.
34, § 6 Il est défendu à la personne agréée, même au terme de sa fonction, de divulguer des données confidentielles, dont il a reçu connaissance en raison de ses tâches.
34, § 7 Les membres du personnel de la division compétente ne peuvent pas utiliser leur agrément lorsqu'ils exercent une fonction consultative, surveillante ou décisive en matière de l'agrément ou des tâches du titulaire de l'agrément.
34, § 8 La personne agréée prête son concours aux évaluations périodiques organisées par la division compétente.
34, § 9 La personne agréée présente tous les cinq ans une preuve de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division compétente ou, pour l'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f), et les techniciens agréés, visés à l'article 6, 2°, a) à e) inclus, à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°.
article obligation légale34, § 2 La personne agréée applique les normes et codes de bonnes pratiques applicables à l'usage de l'agrément en Région flamande.34, § 3 La personne agréée a souscrit à une assurance en couverture de la responsabilité civile, incluant la responsabilité professionnelle découlant de l'usage de l'agrément. Par dérogation à cette disposition, les centres de formation sont assurés contre des accidents, dommages et la responsabilité civile de leurs enseignants et étudiants.34, § 4, première phrase Les attestations, constatations, rapports et autres documents délivrés par une personne agréée, sont suffisamment clairs et détaillés que leur lecture permet de vérifier s'il a été répondu aux prescriptions réglementaires.34, § 4, deuxième phrase Ces attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.34, § 5, alinéa premier La personne agréée communique à la division compétente toute modification dans ses données d'identification, toute modification des données qui ont abouti à l'agrément, contraires aux conditions d'agrément, ou l'arrêt définitif de l'usage de l'agrément.34, § 5, alinéa deux La personne agréée met tous les renseignements et documents relatifs à l'agrément et demandés par la division à la disposition de celle-ci et s'accommode aux instructions données par la division et les superviseurs.34, § 6 Il est défendu à la personne agréée, même au terme de sa fonction, de divulguer des données confidentielles, dont il a reçu connaissance en raison de ses tâches.34, § 7 Les membres du personnel de la division compétente ne peuvent pas utiliser leur agrément lorsqu'ils exercent une fonction consultative, surveillante ou décisive en matière de l'agrément ou des tâches du titulaire de l'agrément.34, § 8 La personne agréée prête son concours aux évaluations périodiques organisées par la division compétente.34, § 9 La personne agréée présente tous les cinq ans une preuve de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division compétente ou, pour l'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f), et les techniciens agréés, visés à l'article 6, 2°, a) à e) inclus, à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°.
Conditions particulières d'usage pour experts
artikel wettelijke verplichting
35, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;
35, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.
35, 3° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  3° bezorgt uiterlijk één maand na het opstellen van het attest van prototypekeuring van een houder, een permanent lekdetectiesysteem of een overvulbeveiliging als vermeld in respectievelijk bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3 en bijlage 5.17.7 van titel II van het VLAREM, een kopie van het attest of verslag dat hij opmaakt naar aanleiding van de prototypekeuring aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
36, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;
36, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.
37, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  1° beschikt minstens over de apparatuur, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd;
37, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  2° kan de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
37, 3° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  3° houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, bevat;
37, 4° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  4° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
37, 5° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  5° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen;
37, 6° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  6° keurt de sonometers die door de overheden, belast met de controle op de toepassing van de wet Geluidshinder en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden aangeboden, en levert daarvan een attest af dat de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de apparatuur waarborgt voor een periode van twaalf maanden;
37, 7° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  7° heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat apparaten of toestellen die met geluidsmeting of lawaaibestrijding te maken hebben, fabriceert of verhandelt;
37, 8° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  8° houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;
37, 9° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  9° kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
  a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
  b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
  c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;
37, 10° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij.
38, 1°, eerste 18 woorden De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° beschikt over de nodige software voor het voorspellen van effecten van plannen en projecten op mens en milieu ...
38, 1°, laatste 9 woorden De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
38, 2° De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
38, 3° De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  3° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline waarvoor hij erkend is, door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen per discipline.
39, 1°, eerste 22 woorden De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° beschikt over de nodige software voor het berekenen van risico's voor mens en milieu bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn...
39, 1°, laatste 9 woorden De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
39, 2° De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
39, 3° De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  3° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake veiligheidsrapportage door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen.
39/1, eerste lid, 1° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
39/1, eerste lid, 2° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  2° voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;
39/1, eerste lid, 3°, eerste zin De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  3° bezorgt na iedere keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem.
39/1, eerste lid, 3°, tweede zin 3° Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;
39/1, eerste lid, 4°, eerste zin De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  4° houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is.
39/1, eerste lid, 4°, tweede zin 4° Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;
39/1, eerste lid, 5° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  5° houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;
39/1, eerste lid, 6°
  
De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  6° volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).
artikel wettelijke verplichting35, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;35, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.35, 3° De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  3° bezorgt uiterlijk één maand na het opstellen van het attest van prototypekeuring van een houder, een permanent lekdetectiesysteem of een overvulbeveiliging als vermeld in respectievelijk bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3 en bijlage 5.17.7 van titel II van het VLAREM, een kopie van het attest of verslag dat hij opmaakt naar aanleiding van de prototypekeuring aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;36, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;36, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.37, 1° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  1° beschikt minstens over de apparatuur, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd;37, 2° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  2° kan de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;37, 3° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  3° houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, bevat;37, 4° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  4° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;37, 5° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  5° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen;37, 6° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  6° keurt de sonometers die door de overheden, belast met de controle op de toepassing van de wet Geluidshinder en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden aangeboden, en levert daarvan een attest af dat de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de apparatuur waarborgt voor een periode van twaalf maanden;37, 7° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  7° heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat apparaten of toestellen die met geluidsmeting of lawaaibestrijding te maken hebben, fabriceert of verhandelt;37, 8° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  8° houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;37, 9° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  9° kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
  a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
  b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
  c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;37, 10° De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij.38, 1°, eerste 18 woorden De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° beschikt over de nodige software voor het voorspellen van effecten van plannen en projecten op mens en milieu ...38, 1°, laatste 9 woorden De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;38, 2° De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;38, 3° De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  3° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline waarvoor hij erkend is, door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen per discipline.39, 1°, eerste 22 woorden De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° beschikt over de nodige software voor het berekenen van risico's voor mens en milieu bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn...39, 1°, laatste 9 woorden De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;39, 2° De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;39, 3° De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  3° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake veiligheidsrapportage door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen.39/1, eerste lid, 1° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;39/1, eerste lid, 2° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  2° voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;39/1, eerste lid, 3°, eerste zin De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  3° bezorgt na iedere keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem.39/1, eerste lid, 3°, tweede zin 3° Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;39/1, eerste lid, 4°, eerste zin De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  4° houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is.39/1, eerste lid, 4°, tweede zin 4° Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;39/1, eerste lid, 5° De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  5° houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;39/1, eerste lid, 6°
De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
  6° volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).
Bijzondere gebruikseisen voor technici
article obligation légale
35, 1° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu ;
35, 2° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.
35, 3° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  3° remet, au plus tard un mois après l'établissement de l'attestation d'approbation du prototype d'un réservoir, d'un système de détection de fuites permanent ou d'une sécurité contre le remplissage excédentaire, tels que visés respectivement à l'annexe 5.17.2, à l'annexe 5.17.3 et à l'annexe 5.17.7 du titre II du VLAREM, une copie de l'attestation ou du rapport qu'il établit à la suite de l'approbation du prototype, à la division compétente pour les agréments ;
36, 1° L'expert environnemental agréé dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 6, 1° ; b) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu ;
36, 2° L'expert environnemental agréé dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 6, 1° ; b) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.
37, 1° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  1° dispose au minimum du matériel, visé à l'annexe 8, jointe au présent arrêté ;
37, 2° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  2° sait se servir des logiciels nécessaires à l'exécution de ses tâches et en interpréter correctement les résultats ;
37, 3° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  3° tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ;
37, 4° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  4° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;
37, 5° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  5° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de la discipline du bruit et des vibrations en suivant annuellement un perfectionnement annuel d'au moins huit heures ;
37, 6° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  6° contrôle les sonomètres offerts par les autorités, chargées du contrôle de l'application de la Loi relative à la lutte contre le bruit et ses arrêtés d'exécution et délivre des attestations garantissant la solidité et la précision des appareils pendant une période de douze mois ;
37, 7° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  7° n'a pas d'intérêts directs dans une entreprise fabriquant ou vendant des appareils ou équipements afférents au mesurage du son ou à la lutte contre les nuisances sonores ;
37, 8° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  8° tient les livres de bord et les procédures, visés à l'annexe 7/1, jointe au présent arrêté, pendant au moins cinq ans ;
37, 9° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  9° étalonne les appareils de mesure aux moments indiqués ci-dessous, et en tient les résultats dans un livre de bord :
  a) étalonnage primaire : étalonnage d'appareils de mesure avant et après chaque mesure ;
  b) étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque d'appareils de mesure à l'aide d'un appareil de mesure de référence externe étalonné ;
  c) étalonnage tertiaire : étalonnage externe biennal d'un appareil de mesure de référence ;
37, 10° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  10° tient les données de mesure de recherches dans le cadre de l'agrément pendant au moins cinq ans.
38, 1°, 18 premiers mots L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour donner des prévisions quant aux effets de plans et de projets sur l'homme et l'environnement...
38, 1°, 9 derniers mots L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  1° sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement ;
38, 2° L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;
38, 3° L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  3° reste au courant des développements et législations les plus récents en matière de la discipline pour laquelle il est agréé, en suivant un perfectionnement annuel d'au moins huit heures par discipline.
39, 1°, 22 premiers mots L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour le calcul des risques pour l'homme et l'environnement en cas d'accidents industriels dégageant des substances dangereuses ...
39, 1°, 9 derniers mots L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement ;
39, 2° L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;
39, 3° L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  3° reste au courant des développements et législations les plus récents en matière des rapports de sécurité, en suivant un perfectionnement annuel d'au moins huit heures.
39/1, alinéa premier, 1° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
39/1, alinéa premier, 2° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  2° exécute correctement le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM et interprète les résultats correctement ;
39/1, alinéa premier, 3°, première phrase L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  3° transmet après chaque contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, un rapport du contrôle à l'exploitant du bâtiment disposant du système de climatisation.
39/1, alinéa premier, 3°, deuxième phrase 3° Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations qui ont été formulées lors du contrôle précédent ;
39/1, alinéa premier, 4°, première phrase L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  4° tient toutes les données du contrôle d'une telle manière qu'un contrôle du déroulement du contrôle soit possible.
39/1, alinéa premier, 4°, deuxième phrase 4° Ces données et le rapport de contrôle sont conservés pendant au moins trois ans et sont tenus à la disposition de la division compétente pour les agréments, et de l'organisme de contrôle visé à l'article 58/2 ;
39/1, alinéa premier, 5° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  5° tient une liste récapitulative de tous les contrôles tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, qu'il a exécutés au cours de l'année calendaire écoulée ;
39/1, alinéa premier, 6° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  6° suit tous les cinq ans le perfectionnement et réussit l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, 2°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f).
article obligation légale35, 1° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu ;35, 2° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.35, 3° L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  3° remet, au plus tard un mois après l'établissement de l'attestation d'approbation du prototype d'un réservoir, d'un système de détection de fuites permanent ou d'une sécurité contre le remplissage excédentaire, tels que visés respectivement à l'annexe 5.17.2, à l'annexe 5.17.3 et à l'annexe 5.17.7 du titre II du VLAREM, une copie de l'attestation ou du rapport qu'il établit à la suite de l'approbation du prototype, à la division compétente pour les agréments ;36, 1° L'expert environnemental agréé dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 6, 1° ; b) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu ;36, 2° L'expert environnemental agréé dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 6, 1° ; b) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.37, 1° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  1° dispose au minimum du matériel, visé à l'annexe 8, jointe au présent arrêté ;37, 2° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  2° sait se servir des logiciels nécessaires à l'exécution de ses tâches et en interpréter correctement les résultats ;37, 3° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  3° tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ;37, 4° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  4° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;37, 5° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  5° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de la discipline du bruit et des vibrations en suivant annuellement un perfectionnement annuel d'au moins huit heures ;37, 6° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  6° contrôle les sonomètres offerts par les autorités, chargées du contrôle de l'application de la Loi relative à la lutte contre le bruit et ses arrêtés d'exécution et délivre des attestations garantissant la solidité et la précision des appareils pendant une période de douze mois ;37, 7° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  7° n'a pas d'intérêts directs dans une entreprise fabriquant ou vendant des appareils ou équipements afférents au mesurage du son ou à la lutte contre les nuisances sonores ;37, 8° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  8° tient les livres de bord et les procédures, visés à l'annexe 7/1, jointe au présent arrêté, pendant au moins cinq ans ;37, 9° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  9° étalonne les appareils de mesure aux moments indiqués ci-dessous, et en tient les résultats dans un livre de bord :
  a) étalonnage primaire : étalonnage d'appareils de mesure avant et après chaque mesure ;
  b) étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque d'appareils de mesure à l'aide d'un appareil de mesure de référence externe étalonné ;
  c) étalonnage tertiaire : étalonnage externe biennal d'un appareil de mesure de référence ;37, 10° L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  10° tient les données de mesure de recherches dans le cadre de l'agrément pendant au moins cinq ans.38, 1°, 18 premiers mots L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour donner des prévisions quant aux effets de plans et de projets sur l'homme et l'environnement...38, 1°, 9 derniers mots L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  1° sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement ;38, 2° L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;38, 3° L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  3° reste au courant des développements et législations les plus récents en matière de la discipline pour laquelle il est agréé, en suivant un perfectionnement annuel d'au moins huit heures par discipline.39, 1°, 22 premiers mots L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour le calcul des risques pour l'homme et l'environnement en cas d'accidents industriels dégageant des substances dangereuses ...39, 1°, 9 derniers mots L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement ;39, 2° L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;39, 3° L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  3° reste au courant des développements et législations les plus récents en matière des rapports de sécurité, en suivant un perfectionnement annuel d'au moins huit heures.39/1, alinéa premier, 1° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;39/1, alinéa premier, 2° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  2° exécute correctement le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM et interprète les résultats correctement ;39/1, alinéa premier, 3°, première phrase L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  3° transmet après chaque contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, un rapport du contrôle à l'exploitant du bâtiment disposant du système de climatisation.39/1, alinéa premier, 3°, deuxième phrase 3° Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations qui ont été formulées lors du contrôle précédent ;39/1, alinéa premier, 4°, première phrase L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  4° tient toutes les données du contrôle d'une telle manière qu'un contrôle du déroulement du contrôle soit possible.39/1, alinéa premier, 4°, deuxième phrase 4° Ces données et le rapport de contrôle sont conservés pendant au moins trois ans et sont tenus à la disposition de la division compétente pour les agréments, et de l'organisme de contrôle visé à l'article 58/2 ;39/1, alinéa premier, 5° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  5° tient une liste récapitulative de tous les contrôles tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, qu'il a exécutés au cours de l'année calendaire écoulée ;39/1, alinéa premier, 6° L'expert agréé en climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
  6° suit tous les cinq ans le perfectionnement et réussit l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, 2°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f).
Conditions particulières d'usage pour techniciens
artikel wettelijke verplichting
40, eerste lid, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  1° toont, op eenvoudig verzoek, het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de taken met betrekking tot de verleende erkenning;
40, eerste lid, 2° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  2° maakt uitsluitend gebruik van apparatuur die voldoet aan alle reglementaire eisen, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
40, eerste lid, 3°, eerste zin De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  3° volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 3, die bij dit besluit is gevoegd, en slaagt voor de bijhorende proef.
40, eerste lid, 3°, tweede zin 3° Die bijscholing wordt gevolgd in een daartoe erkend opleidingscentrum;
40, eerste lid, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  4° voert de keuring, onderhoudsbeurt of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen, correct uit;
40, eerste lid, 5° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  5° levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.
40/1, 2° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert ze, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden : 1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
40/1, 3° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  3° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
40/1, 4°, eerste zin De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  4° slaagt vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
40/1, 4°, tweede zin 4° Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/1, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, slaagt hij voor het actualisatie-examen of voor een gelijkwaardig examen vóór hij de erkenning kan gebruiken.
40/1, 4°, vierde zin 4° De datum van het slagen voor het actualisatie-examen of een gelijkwaardig examen mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 32, § 2, derde lid;
40/1, 7° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  7° beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;
40/2, 1° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  1° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden : 1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
40/2, 2° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  2° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
40/2, 5° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  6° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;
40/3, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
  1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
40/3, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
  4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;
artikel wettelijke verplichting40, eerste lid, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  1° toont, op eenvoudig verzoek, het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de taken met betrekking tot de verleende erkenning;40, eerste lid, 2° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  2° maakt uitsluitend gebruik van apparatuur die voldoet aan alle reglementaire eisen, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;40, eerste lid, 3°, eerste zin De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  3° volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 3, die bij dit besluit is gevoegd, en slaagt voor de bijhorende proef.40, eerste lid, 3°, tweede zin 3° Die bijscholing wordt gevolgd in een daartoe erkend opleidingscentrum;40, eerste lid, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  4° voert de keuring, onderhoudsbeurt of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen, correct uit;40, eerste lid, 5° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d) :
  5° levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.40/1, 2° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert ze, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden : 1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;40/1, 3° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  3° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;40/1, 4°, eerste zin De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  4° slaagt vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.40/1, 4°, tweede zin 4° Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/1, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, slaagt hij voor het actualisatie-examen of voor een gelijkwaardig examen vóór hij de erkenning kan gebruiken.40/1, 4°, vierde zin 4° De datum van het slagen voor het actualisatie-examen of een gelijkwaardig examen mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 32, § 2, derde lid;40/1, 7° De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
  7° beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;40/2, 1° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  1° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden : 1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;40/2, 2° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  2° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;40/2, 5° De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
  6° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;40/3, 1° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
  1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;40/3, 4° De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
  4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;
Bijzondere gebruikseisen voor milieucoördinatoren
article obligation légale
40, premier alinéa, 1° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  1° produit, sur simple demande, le matériel qu'il utilise lors de la mise en oeuvre des tâches relatives à l'agrément octroyé ;
40, premier alinéa, 2° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  2° n'utilise que des appareils répondant à toutes les exigences réglementaires visées à l'annexe 6, jointe au présent arrêté ;
40, premier alinéa, 3°, première phrase Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  3° suit le perfectionnement quinquennal, visé à l'annexe 1re, chapitre 3, jointe au présent arrêté et passe l'épreuve y afférente avec fruit.
40, alinéa premier, 3°, deuxième phrase 3° suit ce perfectionnement dans un centre de formation agréé à cet effet ;
40, premier alinéa, 4° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  4° exécute correctement le contrôle, l'entretien ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage ;
40, premier alinéa, 5° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  5° délivre les attestations et rapports et les tient à disposition, tel que fixé à l'article 15 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
40/1, 2° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  2° remet une copie des enregistrements au propriétaire ou au gestionnaire de l'installation frigorifique stationnaire contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, et les note, le cas échéant, dans le journal lié à l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une modification de l'installation frigorifique qui change la capacité nominale d'agent réfrigérant ou le type d'agent réfrigérant :
  1) la capacité nominale d'agent réfrigérant, exprimée en unités métriques, et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent réfrigérant ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type d'agent réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si applicable : le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  7) après chaque remplissage pour une installation frigorifique telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5, du titre II du VLAREM : la perte relative de fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués : 1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale d'agent réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
40/1, 3° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  3° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
40/1, 4°, première phrase Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  4° réussit tous les cinq ans à l'examen d'actualisation dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou à un examen équivalent qui est accepté par la division compétente pour les agréments.
40/1, 4°, deuxième phrase 4° Si le certificat d'aptitude tel que visé à l'article 17/1, 2°, ou à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, b), date de plus de cinq ans après la date de délivrance indiquée sur le certificat, il réussit à l'examen d'actualisation ou à un examen équivalent avant de pouvoir utiliser l'agrément.
40/1, 4°, quatrième phrase 4° La date de réussite à l'examen d'actualisation ou à un examen équivalent ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou à l'article 32, § 2, alinéa 3 ;
40/1, 7° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  7° dispose d'une traduction de son certificat de catégorie I, II, III ou IV en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;
40/2, 1° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  1° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation des équipements de protection contre l'incendie qui change la capacité nominale du produit extincteur ou le type de produit extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de produit extincteur ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation des équipements de protection contre l'incendie ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type de produit extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués : 1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément de l'ingénieur d'étanchéité mis en oeuvre par les équipements de protection contre l'incendie ;
  d) les équipements de protection contre l 'incendie de la capacité nominale, exprimée en kilomètres/unité, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
40/2, 2° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  2° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
40/2, 5° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  6° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;
40/3, 1° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) inclus :
  1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
40/3, 4° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) inclus :
  4° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;
article obligation légale40, premier alinéa, 1° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  1° produit, sur simple demande, le matériel qu'il utilise lors de la mise en oeuvre des tâches relatives à l'agrément octroyé ;40, premier alinéa, 2° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  2° n'utilise que des appareils répondant à toutes les exigences réglementaires visées à l'annexe 6, jointe au présent arrêté ;40, premier alinéa, 3°, première phrase Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  3° suit le perfectionnement quinquennal, visé à l'annexe 1re, chapitre 3, jointe au présent arrêté et passe l'épreuve y afférente avec fruit.40, alinéa premier, 3°, deuxième phrase 3° suit ce perfectionnement dans un centre de formation agréé à cet effet ;40, premier alinéa, 4° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  4° exécute correctement le contrôle, l'entretien ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage ;40, premier alinéa, 5° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, a) à d) inclus :
  5° délivre les attestations et rapports et les tient à disposition, tel que fixé à l'article 15 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.40/1, 2° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  2° remet une copie des enregistrements au propriétaire ou au gestionnaire de l'installation frigorifique stationnaire contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, et les note, le cas échéant, dans le journal lié à l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une modification de l'installation frigorifique qui change la capacité nominale d'agent réfrigérant ou le type d'agent réfrigérant :
  1) la capacité nominale d'agent réfrigérant, exprimée en unités métriques, et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent réfrigérant ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type d'agent réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si applicable : le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  7) après chaque remplissage pour une installation frigorifique telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5, du titre II du VLAREM : la perte relative de fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués : 1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale d'agent réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;40/1, 3° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  3° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;40/1, 4°, première phrase Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  4° réussit tous les cinq ans à l'examen d'actualisation dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou à un examen équivalent qui est accepté par la division compétente pour les agréments.40/1, 4°, deuxième phrase 4° Si le certificat d'aptitude tel que visé à l'article 17/1, 2°, ou à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, b), date de plus de cinq ans après la date de délivrance indiquée sur le certificat, il réussit à l'examen d'actualisation ou à un examen équivalent avant de pouvoir utiliser l'agrément.40/1, 4°, quatrième phrase 4° La date de réussite à l'examen d'actualisation ou à un examen équivalent ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou à l'article 32, § 2, alinéa 3 ;40/1, 7° Le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
  7° dispose d'une traduction de son certificat de catégorie I, II, III ou IV en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;40/2, 1° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  1° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation des équipements de protection contre l'incendie qui change la capacité nominale du produit extincteur ou le type de produit extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de produit extincteur ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation des équipements de protection contre l'incendie ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type de produit extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués : 1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément de l'ingénieur d'étanchéité mis en oeuvre par les équipements de protection contre l'incendie ;
  d) les équipements de protection contre l 'incendie de la capacité nominale, exprimée en kilomètres/unité, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;40/2, 2° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  2° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;40/2, 5° Le technicien agréé pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
  6° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;40/3, 1° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) inclus :
  1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;40/3, 4° Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) inclus :
  4° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci ;
Conditions particulières d'usage pour coordinateurs environnementaux
artikel wettelijke verplichting
41, § 1, eerste lid, eerste zin De erkende milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), schoolt zich permanent bij inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en recht, alsook inzake de taken, vermeld in het decreet Milieubeleid door cursussen, seminaries, studiedagen, en dergelijke te volgen.
41, § 1, tweede lid De bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste dertig uur per kalenderjaar.
artikel wettelijke verplichting41, § 1, eerste lid, eerste zin De erkende milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), schoolt zich permanent bij inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en recht, alsook inzake de taken, vermeld in het decreet Milieubeleid door cursussen, seminaries, studiedagen, en dergelijke te volgen.41, § 1, tweede lid De bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste dertig uur per kalenderjaar.
Bijzondere gebruikseisen voor opleidingscentra
article obligation légale
41, § 1er, premier alinéa, première phrase Le coordinateur environnemental agréé, visé à l'article 6, 3°, a) se perfectionne sur une base permanente en matière des sciences environnementales, y compris la technologie environnementale et le droit, de même qu'en matière des tâches visées au décret relatif à la Politique de l'Environnement en suivant des cours, séminaires, journées d'études et cetera.
41, § 1er, alinéa deux Le coordinateur environnemental suit un perfectionnement d'au moins trente heures par année calendaire.
article obligation légale41, § 1er, premier alinéa, première phrase Le coordinateur environnemental agréé, visé à l'article 6, 3°, a) se perfectionne sur une base permanente en matière des sciences environnementales, y compris la technologie environnementale et le droit, de même qu'en matière des tâches visées au décret relatif à la Politique de l'Environnement en suivant des cours, séminaires, journées d'études et cetera.41, § 1er, alinéa deux Le coordinateur environnemental suit un perfectionnement d'au moins trente heures par année calendaire.
Conditions particulières d'usage pour les centres de formation
artikel wettelijke verplichting
42, 1° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  1° beschikt over de nodige infrastructuur (leslokalen, didactisch materiaal, bibliotheek) om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de milieucoördinator;
42, 2° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  2° aanvaardt alleen cursisten die voldoen aan de volgende toelatingsvoorwaarden :
  a) voor de aanvullende vorming van het eerste niveau : de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
  b) voor de aanvullende vorming van het tweede niveau : het diploma van secundair onderwijs of gelijkwaardige getuigschriften of certificaten bezitten;
  c) voor de overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau : het getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau bezitten;
42, 3°, tweede zin 3° De vrijstelling geldt niet voor het maken van een eindwerk;
42, 4°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  4° brengt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken.
42, 4°, tweede zin 4° Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd.
42, 4°, derde zin 4° De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury;
42, 5°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  5° stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen.
42, 5°, tweede zin 5° Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd;
42, 6°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  6° nodigt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie.
42, 7° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  7° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen.
43, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
43, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit vijf onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
  5° een proef over de verwarmingsaudit.
43, § 1, derde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.
43, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
43, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat door de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 14, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd is, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
43, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.
43, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.
43, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.
43/1, § 1, tweede lid, eerste zin De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit twee modules : een basismodule GI over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over gasketels met niet-premix brander en met premix brander, en een uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander.
43/1, § 1, tweede lid, tweede zin Na elke module volgt een examen.
43/1, § 1, derde lid Het bijhorende examen van de module GI bestaat uit vijf onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
  5° een proef over de verwarmingsaudit.
43/1, § 1, vierde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.
43/1, § 1, zesde lid Het bijhorende examen van de module GII bestaat uit drie onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel.
43/1, § 2 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarde voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe : aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau GI, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.
43/1, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
43/1, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/1, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/1, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 15, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/1, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
43/1, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/1, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.
43/1, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.
43/1, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/1, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 1, eerste lid, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit.
43/2, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een schriftelijk deel;
  2° een praktische proef.
43/2, § 1, derde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met software die geschikt is voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof.
43/2, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de verwarmingsaudit uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
43/2, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/2, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/2, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 16, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/2, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
43/2, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/2, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijhorende examen.
43/2, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.
43/2, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/2, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
43/3, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.
43/3, § 1, derde lid De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.
43/3, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
43/3, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/3, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/3, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/3, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
43/3, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/3, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.
43/3, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.
43/3, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/3, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.
43/4, § 1, tweede lid De opleiding bestaat uit drie modules :
  1° module 1 : wetgeving;
  2° module 2 : energetische aspecten;
  3° module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
43/4, § 1, derde lid Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
  2° een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
43/4, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.
43/4, § 2, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
43/4, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.
43/4, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/4, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/4, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/4, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.
43/4, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/4, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen.
43/4, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.
43/4, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/4, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/5, 1° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  1° beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;
43/5, 2°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  2° brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens.
43/5, 2°, tweede zin 2° De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;
43/5, 3° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  3° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;
43/5, 4°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  4° nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie.
43/5, 4°, derde zin 4° De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie.
43/6, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III en IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h), organiseert een opleiding en specifieke examens voor personen die een certificaat van categorie I, II, III of IV willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2067.
43/6, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit vier onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
  2° een theoretisch onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving inzake koeltechniek;
  3° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
  4° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
43/6, § 1, derde lid Een persoon die een certificaat van categorie III of IV wil behalen, is vrijgesteld van het praktische onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
43/6, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert een actualisatie-examen voor categorie I, II, III of IV.
43/6, § 2, tweede lid Het actualisatie-examen bestaat uit een theoretisch onderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek.
43/6, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV of van het actualisatie-examen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1, respectievelijk paragraaf 2.
43/6, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/6, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/6, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren. Voor het praktische gedeelte zijn de apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd, minimaal aanwezig.
43/6, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/6, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.
43/6, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.
43/6, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/6, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/6, § 10 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
43/7, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur willen behalen. De inhoud van het examen voldoen aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 304/2008.
43/7, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
43/7, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
43/7, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/7, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/7, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/2, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
43/7, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/7, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.
43/7, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.
43/7, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/7, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/7, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
43/8, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2066.
43/8, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
43/8, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
43/8, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/8, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/8, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/3, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
43/8, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/8, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.
43/8, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.
43/8, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/8, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/8, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
43/9, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k), organiseert een opleiding en het examen voor personen die een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 306/2008.
43/9, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
43/9, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
43/9, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/9, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/9, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/4, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
43/9, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/9, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.
43/9, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.
43/9, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/9, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/9, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.
43/10, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.
43/10, § 1, derde lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.
43/10, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
43/10, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
43/10, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
43/10, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/5, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
43/10, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
43/10, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen.
43/10, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen.
43/10, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
43/10, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
43/10, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de gegevens, vermeld in punt 3° tot en met 6° van bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.
artikel wettelijke verplichting42, 1° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  1° beschikt over de nodige infrastructuur (leslokalen, didactisch materiaal, bibliotheek) om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de milieucoördinator;42, 2° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  2° aanvaardt alleen cursisten die voldoen aan de volgende toelatingsvoorwaarden :
  a) voor de aanvullende vorming van het eerste niveau : de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
  b) voor de aanvullende vorming van het tweede niveau : het diploma van secundair onderwijs of gelijkwaardige getuigschriften of certificaten bezitten;
  c) voor de overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau : het getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau bezitten;42, 3°, tweede zin 3° De vrijstelling geldt niet voor het maken van een eindwerk;42, 4°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  4° brengt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken.42, 4°, tweede zin 4° Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd.42, 4°, derde zin 4° De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury;42, 5°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  5° stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen.42, 5°, tweede zin 5° Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd;42, 6°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  6° nodigt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie.42, 7° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  7° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen.43, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.43, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit vijf onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
  5° een proef over de verwarmingsaudit.43, § 1, derde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.43, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.43, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat door de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 14, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd is, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.43, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.43, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.43, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.43/1, § 1, tweede lid, eerste zin De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit twee modules : een basismodule GI over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over gasketels met niet-premix brander en met premix brander, en een uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander.43/1, § 1, tweede lid, tweede zin Na elke module volgt een examen.43/1, § 1, derde lid Het bijhorende examen van de module GI bestaat uit vijf onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
  5° een proef over de verwarmingsaudit.43/1, § 1, vierde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.43/1, § 1, zesde lid Het bijhorende examen van de module GII bestaat uit drie onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel.43/1, § 2 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarde voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe : aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau GI, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.43/1, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.43/1, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/1, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/1, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 15, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/1, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.43/1, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/1, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.43/1, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.43/1, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/1, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 1, eerste lid, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit.43/2, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een schriftelijk deel;
  2° een praktische proef.43/2, § 1, derde lid De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met software die geschikt is voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof.43/2, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de verwarmingsaudit uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.43/2, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/2, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/2, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 16, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/2, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.43/2, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/2, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijhorende examen.43/2, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.43/2, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/2, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.43/3, § 1, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :
  1° een schriftelijk theoretisch deel;
  2° een praktische proef;
  3° een mondeling theoretisch deel;
  4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.43/3, § 1, derde lid De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.43/3, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.43/3, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/3, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/3, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/3, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.43/3, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/3, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen.43/3, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.43/3, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/3, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.43/4, § 1, tweede lid De opleiding bestaat uit drie modules :
  1° module 1 : wetgeving;
  2° module 2 : energetische aspecten;
  3° module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.43/4, § 1, derde lid Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
  2° een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.43/4, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.43/4, § 2, tweede lid Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.43/4, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.43/4, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/4, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/4, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/4, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.43/4, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/4, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen.43/4, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen.43/4, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/4, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/5, 1° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  1° beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;43/5, 2°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  2° brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens.43/5, 2°, tweede zin 2° De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;43/5, 3° Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  3° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;43/5, 4°, eerste zin Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
  4° nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie.43/5, 4°, derde zin 4° De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie.43/6, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III en IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h), organiseert een opleiding en specifieke examens voor personen die een certificaat van categorie I, II, III of IV willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2067.43/6, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit vier onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
  2° een theoretisch onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving inzake koeltechniek;
  3° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
  4° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.43/6, § 1, derde lid Een persoon die een certificaat van categorie III of IV wil behalen, is vrijgesteld van het praktische onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.43/6, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert een actualisatie-examen voor categorie I, II, III of IV.43/6, § 2, tweede lid Het actualisatie-examen bestaat uit een theoretisch onderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek.43/6, § 3, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV of van het actualisatie-examen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1, respectievelijk paragraaf 2.43/6, § 3, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/6, § 3, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 3, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 3, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 4, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 4, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/6, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren. Voor het praktische gedeelte zijn de apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd, minimaal aanwezig.43/6, § 7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/6, § 8, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.43/6, § 8, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.43/6, § 8, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/6, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/6, § 10 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.43/7, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur willen behalen. De inhoud van het examen voldoen aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 304/2008.43/7, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.43/7, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.43/7, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/7, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/7, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/2, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.43/7, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/7, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.43/7, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.43/7, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/7, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/7, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.43/8, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2066.43/8, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.43/8, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.43/8, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/8, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/8, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/3, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.43/8, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/8, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.43/8, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.43/8, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/8, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/8, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.43/9, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k), organiseert een opleiding en het examen voor personen die een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 306/2008.43/9, § 1, tweede lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.43/9, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.43/9, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/9, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/9, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/4, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.43/9, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/9, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen.43/9, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen.43/9, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/9, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/9, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.43/10, § 1, eerste lid Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.43/10, § 1, derde lid Het examen bestaat uit twee onderdelen :
  1° een theoretisch onderdeel;
  2° een praktisch onderdeel.43/10, § 2, eerste lid Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.43/10, § 2, tweede lid, eerste zin Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.43/10, § 2, tweede lid, tweede zin Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 2, tweede lid, derde zin Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 2, tweede lid, vierde zin Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 3, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 3, tweede zin Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.43/10, § 4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/5, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.43/10, § 6 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.43/10, § 7, eerste zin Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen.43/10, § 7, tweede zin Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen.43/10, § 7, derde zin De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.43/10, § 8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.43/10, § 9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de gegevens, vermeld in punt 3° tot en met 6° van bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.
Bijzondere gebruikseisen voor laboratoria
article obligation légale
42, 1° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  dispose de l'infrastructure nécessaire (classes, matériel didactique, bibliothèque) afin de permettre au participant d'acquérir la connaissance et les compétences nécessaires pour accomplir les tâches du coordinateur environnemental ;
42, 2° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  2° n'admet que des participants qui répondent aux conditions d'admission suivantes :
  a) pour la formation complémentaire du niveau 1er : les titulaires du grade de bachelor ou d'un grade équivalent ;
  b) pour la formation complémentaire du niveau 2 : les titulaires du diplôme de l'enseignement secondaire ou d'attestations ou de certificats équivalents ;
  c) pour les cours de transition du niveau deux au niveau premier : les titulaires du certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du niveau deux ;
42, 3°, deuxième phrase La dispense ne s'applique pas à la rédaction d'un mémoire ;
42, 4°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  4° informe la division, compétente pour les autorisations écologiques, au moins un mois au préalable, de la date des examens et de la discussion des mémoires.
42, 4°, deuxième phrase 4° Une liste mentionnant les titres des mémoires est transmise à la division compétente pour les autorisations écologiques, en même temps que la liste des dates précitées.
42, 4°, troisième phrase 4° La division compétente pour les autorisations écologiques peut siéger dans le jury d'examen ou le jury de mémoire ;
42, 5°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  5° établit au moins deux fois par an un rapport sur le fonctionnement de fond de la commission de suivi qui veille sur l'organisation et le contenu du programme des cours.
42, 5°, deuxième phrase 5° Ce rapport comprend au minimum une description de la réunion et des activités, et est transmis à la division compétente pour les autorisations écologiques ;
42, 6°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  6° invite la division, compétente pour les autorisations écologiques, à chaque réunion de la commission de suivi.
42, 7° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  7° doit, lorsque la division, compétente pour les autorisations écologiques, le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations et aux examens.
43, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
43, § 1er, alinéa deux L'examen y afférent se compose de cinq parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise ;
  5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
43, § 1er, alinéa trois L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
43, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre, dans un mois suivant l'examen, un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles liquides après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
43, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après qu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 14, 3°, ou l'article 34, § 9, est présentée par le candidat reçu, une copie de cette preuve à la division compétente pour les agréments.
43, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
43, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.
43, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.
43, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/1, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-sections 1re à 5 inclus, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, jointe au présent arrêté.
43/1, § 1er, deuxième alinéa, première phrase La formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux comprennent chaque fois deux modules : un module de base G1 ayant trait aux généralités relatives au chauffage aux combustibles gazeux et aux chaudières à gaz avec brûleurs non premix et avec brûleur premix et un module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.
43/1, § 1er, alinéa deux, deuxième phrase Chaque module est suivi d'un examen.
43/1, § 1er, troisième alinéa L'examen afférent au module G1 se compose de cinq parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise ;
  5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
43/1, § 1er, quatrième alinéa L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
43/1, § 1er, sixième alinéa L'examen afférent au module GII se compose de trois parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale.
43/1, § 2 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, applique la condition suivante d'admission à l'examen afférent du module concerné : seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau GI, qui a réussi une épreuve préalable en électricité, peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.
43/1, § 3, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles gazeux après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
43/1, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/1, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/1, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/1, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/1, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/1, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/1, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 15, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/1, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
43/1, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/1, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.
43/1, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.
43/1, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/1, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/2, § 1er, alinéa premier, première phrase Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d), organise la formation et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, sous-section 1re, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage.
43/2, § 1er, deuxième alinéa L'examen y afférent se compose de deux parties :
  1° une partie écrite ;
  2° une épreuve pratique.
43/2, § 1er, troisième alinéa L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et du dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide d'un logiciel qui convient aux appareils alimentés en combustibles liquides et gazeux.
43/2, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière d'audit de chauffage après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
43/2, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/2, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/2, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/2, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/2, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/2, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/2, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 16, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/2, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
43/2, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/2, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.
43/2, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.
43/2, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/2, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/3, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
43/3, § 1er, alinéa deux L'examen y afférent se compose de quatre parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise.
43/3, § 1er, troisième alinéa L'épreuve pratique se termine par le fait de remplir le certificat afférent de l'installation de stockage contrôlée.
43/3, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
43/3, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/3, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/3, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/3, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/3, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/3, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/3, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/3, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
43/3, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/3, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.
43/3, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.
43/3, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/3, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/4, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 6, 4°, f), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu de la formation et la durée minimale de la formation et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 1°, jointe au présent arrêté.
43/4, § 1er, alinéa deux La formation se compose de trois modules :
  1° module 1 : législation ;
  2° module 2 : aspects énergétiques ;
  3° module 3 : l'exécution correcte du contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
43/4, § 1er, troisième alinéa L'examen y afférent se compose de deux parties :
  1° une partie théorique sur les sujets qui ont été abordés lors de la formation ;
  2° un exercice sur le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
43/4, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 2°, jointe au présent arrêté.
43/4, § 2, alinéa deux L'examen afférent se compose d'un exercice relatif au contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
43/4, § 3, alinéa premier Dans le délai d'un mois après l'examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au § 1er, respectivement au § 2.
43/4, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/4, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/4, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/4, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/4, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/4, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/4, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/4, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure nécessaire et des appareils afin d'organiser la formation, le perfectionnement et les examens, visés aux paragraphes 1er et 2.
43/4, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/4, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou du perfectionnement prévu et de l'examen y afférent.
43/4, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.
43/4, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/4, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/5, 1° Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  1° dispose de l'infrastructure nécessaire afin de permettre au participant d'acquérir les connaissances nécessaires et les aptitudes pour accomplir les tâches de l'expert en assainissement du sol ;
43/5, 2°, première phrase Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  2° informe la division, compétente pour la gestion du sol, au moins un mois au préalable, de la date des examens.
43/5, 2°, deuxième phrase 2° La division, compétente pour la gestion du sol, peut siéger dans le jury d'examen ;
43/5, 3° Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  3° doit, lorsque la division, compétente pour la gestion du sol, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens ;
43/5, 4°, première phrase Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  4° invite la division, compétente pour la gestion du sol, à chaque réunion de la commission de suivi.
43/5, 4°, troisième phrase 4° La division, compétente pour la gestion du sol, est également mise en possession du rapport de la réunion de la commission de suivi.
43/6, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique frigorifique des catégories I, II, III et IV et de l'examen d'actualisation, visé à l'article 6, 4°, h), organise une formation et des examens spécifiques pour les personnes qui souhaitent obtenir un certificat de catégorie I, II, III ou IV. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 2015/2067.
43/6, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en quatre parties :
  1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;
  2° une partie théorique ayant trait à la connaissance de la législation en matière de technique frigorifique ;
  3° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  4° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort.
43/6, § 1er, troisième alinéa Les personnes qui souhaitent obtenir un certificat de la catégorie III ou IV, sont dispensées de la partie pratique relative à l'épreuve de brasage fort.
43/6, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise un examen d'actualisation pour la catégorie I, II, III ou IV.
43/6, § 2, alinéa deux L'examen d'actualisation comprend une partie théorique relative à la législation environnementale pertinente et la technologie en matière de technique frigorifique.
43/6, § 3, alinéa premier Dans le délai d'un mois après l'examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude en technique frigorifique de la catégorie I, II, III ou IV ou de l'examen d'actualisation, après qu'une personne a réussi l'examen, visé respectivement au paragraphe 1er ou 2.
43/6, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/6, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/6, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/6, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/6, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/6, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/6, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/6, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser les examens, visés aux paragraphes 1er et 2. Pour la partie pratique, l'appareillage, les instruments et le matériel, visés à l'annexe 20 jointe au présent arrêté, sont présents au minimum.
43/6, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/6, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.
43/6, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.
43/6, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/6, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/6, § 10 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
43/7, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, visés à l'article 6, 4°, i), organise une formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 304/2008.
43/7, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
43/7, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
43/7, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/7, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/7, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/7, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/7, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/7, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/7, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/2, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/7, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
43/7, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/7, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.
43/7, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.
43/7, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/7, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/7, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
43/8, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique, visés à l'article 6, 4°, j), organise une formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 2015/2066.
43/8, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
43/8, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
43/8, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/8, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/8, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/8, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/8, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/8, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/8, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/3, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/8, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
43/8, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/8, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.
43/8, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.
43/8, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/8, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/8, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
43/9, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visés à l'article 6, 4°, k), organise la formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 306/2008.
43/9, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
43/9, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
43/9, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/9, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/9, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/9, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/9, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/9, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/9, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/4, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/9, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
43/9, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/9, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.
43/9, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.
43/9, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/9, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/9, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.
43/10, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 4°, l), organise la formation et l'examen correspondant pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Le centre de formation agréé détermine le contenu de la formation et de l'examen à l'aide des sujets visés à l'annexe du règlement n° 307/2008.
43/10, § 1er, troisième alinéa L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.
43/10, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, après qu'une personne a suivi la formation et réussi l'examen correspondant, visé au paragraphe 1er.
43/10, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
43/10, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
43/10, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
43/10, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
43/10, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.
43/10, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
43/10, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/5, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
43/10, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser la formation et l'examen, visés au paragraphe 1er.
43/10, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.
43/10, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou avant l'examen, du lieu et de l'heure de la formation et de l'examen correspondant.
43/10, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations et aux examens.
43/10, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.
43/10, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.
43/10, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, communique les données visées aux points 3° à 6° inclus de l'annexe 15, jointe en annexe au présent arrêté, à une instance qui soutient la politique de formation sectorielle.
article obligation légale42, 1° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  dispose de l'infrastructure nécessaire (classes, matériel didactique, bibliothèque) afin de permettre au participant d'acquérir la connaissance et les compétences nécessaires pour accomplir les tâches du coordinateur environnemental ;42, 2° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  2° n'admet que des participants qui répondent aux conditions d'admission suivantes :
  a) pour la formation complémentaire du niveau 1er : les titulaires du grade de bachelor ou d'un grade équivalent ;
  b) pour la formation complémentaire du niveau 2 : les titulaires du diplôme de l'enseignement secondaire ou d'attestations ou de certificats équivalents ;
  c) pour les cours de transition du niveau deux au niveau premier : les titulaires du certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du niveau deux ;42, 3°, deuxième phrase La dispense ne s'applique pas à la rédaction d'un mémoire ;42, 4°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  4° informe la division, compétente pour les autorisations écologiques, au moins un mois au préalable, de la date des examens et de la discussion des mémoires.42, 4°, deuxième phrase 4° Une liste mentionnant les titres des mémoires est transmise à la division compétente pour les autorisations écologiques, en même temps que la liste des dates précitées.42, 4°, troisième phrase 4° La division compétente pour les autorisations écologiques peut siéger dans le jury d'examen ou le jury de mémoire ;42, 5°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  5° établit au moins deux fois par an un rapport sur le fonctionnement de fond de la commission de suivi qui veille sur l'organisation et le contenu du programme des cours.42, 5°, deuxième phrase 5° Ce rapport comprend au minimum une description de la réunion et des activités, et est transmis à la division compétente pour les autorisations écologiques ;42, 6°, première phrase Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  6° invite la division, compétente pour les autorisations écologiques, à chaque réunion de la commission de suivi.42, 7° Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  7° doit, lorsque la division, compétente pour les autorisations écologiques, le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations et aux examens.43, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, jointe au présent arrêté.43, § 1er, alinéa deux L'examen y afférent se compose de cinq parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise ;
  5° une épreuve sur l'audit de chauffage.43, § 1er, alinéa trois L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.43, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre, dans un mois suivant l'examen, un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles liquides après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.43, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après qu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 14, 3°, ou l'article 34, § 9, est présentée par le candidat reçu, une copie de cette preuve à la division compétente pour les agréments.43, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.43, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.43, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.43, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/1, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-sections 1re à 5 inclus, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, jointe au présent arrêté.43/1, § 1er, deuxième alinéa, première phrase La formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux comprennent chaque fois deux modules : un module de base G1 ayant trait aux généralités relatives au chauffage aux combustibles gazeux et aux chaudières à gaz avec brûleurs non premix et avec brûleur premix et un module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.43/1, § 1er, alinéa deux, deuxième phrase Chaque module est suivi d'un examen.43/1, § 1er, troisième alinéa L'examen afférent au module G1 se compose de cinq parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise ;
  5° une épreuve sur l'audit de chauffage.43/1, § 1er, quatrième alinéa L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.43/1, § 1er, sixième alinéa L'examen afférent au module GII se compose de trois parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale.43/1, § 2 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, applique la condition suivante d'admission à l'examen afférent du module concerné : seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau GI, qui a réussi une épreuve préalable en électricité, peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.43/1, § 3, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles gazeux après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.43/1, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/1, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/1, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/1, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/1, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/1, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/1, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 15, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/1, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.43/1, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/1, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.43/1, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.43/1, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/1, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/2, § 1er, alinéa premier, première phrase Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d), organise la formation et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, sous-section 1re, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage.43/2, § 1er, deuxième alinéa L'examen y afférent se compose de deux parties :
  1° une partie écrite ;
  2° une épreuve pratique.43/2, § 1er, troisième alinéa L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et du dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide d'un logiciel qui convient aux appareils alimentés en combustibles liquides et gazeux.43/2, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière d'audit de chauffage après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.43/2, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/2, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/2, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/2, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/2, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/2, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/2, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 16, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/2, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.43/2, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/2, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.43/2, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.43/2, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/2, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/3, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, jointe au présent arrêté.43/3, § 1er, alinéa deux L'examen y afférent se compose de quatre parties :
  1° une partie théorique écrite ;
  2° une épreuve pratique ;
  3° une partie théorique orale ;
  4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise.43/3, § 1er, troisième alinéa L'épreuve pratique se termine par le fait de remplir le certificat afférent de l'installation de stockage contrôlée.43/3, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.43/3, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/3, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/3, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/3, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/3, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/3, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/3, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/3, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.43/3, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/3, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent.43/3, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.43/3, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/3, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/4, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 6, 4°, f), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu de la formation et la durée minimale de la formation et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 1°, jointe au présent arrêté.43/4, § 1er, alinéa deux La formation se compose de trois modules :
  1° module 1 : législation ;
  2° module 2 : aspects énergétiques ;
  3° module 3 : l'exécution correcte du contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.43/4, § 1er, troisième alinéa L'examen y afférent se compose de deux parties :
  1° une partie théorique sur les sujets qui ont été abordés lors de la formation ;
  2° un exercice sur le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.43/4, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 2°, jointe au présent arrêté.43/4, § 2, alinéa deux L'examen afférent se compose d'un exercice relatif au contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.43/4, § 3, alinéa premier Dans le délai d'un mois après l'examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au § 1er, respectivement au § 2.43/4, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/4, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/4, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/4, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/4, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/4, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/4, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/4, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure nécessaire et des appareils afin d'organiser la formation, le perfectionnement et les examens, visés aux paragraphes 1er et 2.43/4, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/4, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou du perfectionnement prévu et de l'examen y afférent.43/4, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens.43/4, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/4, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/5, 1° Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  1° dispose de l'infrastructure nécessaire afin de permettre au participant d'acquérir les connaissances nécessaires et les aptitudes pour accomplir les tâches de l'expert en assainissement du sol ;43/5, 2°, première phrase Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  2° informe la division, compétente pour la gestion du sol, au moins un mois au préalable, de la date des examens.43/5, 2°, deuxième phrase 2° La division, compétente pour la gestion du sol, peut siéger dans le jury d'examen ;43/5, 3° Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  3° doit, lorsque la division, compétente pour la gestion du sol, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens ;43/5, 4°, première phrase Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
  4° invite la division, compétente pour la gestion du sol, à chaque réunion de la commission de suivi.43/5, 4°, troisième phrase 4° La division, compétente pour la gestion du sol, est également mise en possession du rapport de la réunion de la commission de suivi.43/6, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique frigorifique des catégories I, II, III et IV et de l'examen d'actualisation, visé à l'article 6, 4°, h), organise une formation et des examens spécifiques pour les personnes qui souhaitent obtenir un certificat de catégorie I, II, III ou IV. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 2015/2067.43/6, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en quatre parties :
  1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;
  2° une partie théorique ayant trait à la connaissance de la législation en matière de technique frigorifique ;
  3° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  4° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort.43/6, § 1er, troisième alinéa Les personnes qui souhaitent obtenir un certificat de la catégorie III ou IV, sont dispensées de la partie pratique relative à l'épreuve de brasage fort.43/6, § 2, alinéa premier Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise un examen d'actualisation pour la catégorie I, II, III ou IV.43/6, § 2, alinéa deux L'examen d'actualisation comprend une partie théorique relative à la législation environnementale pertinente et la technologie en matière de technique frigorifique.43/6, § 3, alinéa premier Dans le délai d'un mois après l'examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude en technique frigorifique de la catégorie I, II, III ou IV ou de l'examen d'actualisation, après qu'une personne a réussi l'examen, visé respectivement au paragraphe 1er ou 2.43/6, § 3, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/6, § 3, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/6, § 3, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/6, § 3, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/6, § 4, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/6, § 4, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/6, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/1, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/6, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser les examens, visés aux paragraphes 1er et 2. Pour la partie pratique, l'appareillage, les instruments et le matériel, visés à l'annexe 20 jointe au présent arrêté, sont présents au minimum.43/6, § 7 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/6, § 8, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.43/6, § 8, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.43/6, § 8, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/6, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/6, § 10 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.43/7, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, visés à l'article 6, 4°, i), organise une formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 304/2008.43/7, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.43/7, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.43/7, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/7, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/7, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/7, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/7, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/7, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/7, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/2, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/7, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.43/7, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/7, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.43/7, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.43/7, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/7, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/7, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.43/8, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique, visés à l'article 6, 4°, j), organise une formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 2015/2066.43/8, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.43/8, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour appareils de commutation électrique, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.43/8, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/8, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/8, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/8, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/8, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/8, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/8, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/3, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/8, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.43/8, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/8, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.43/8, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.43/8, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/8, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/8, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.43/9, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visés à l'article 6, 4°, k), organise la formation et l'examen pour les personnes qui souhaitent obtenir un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants. Le contenu de l'examen est conforme aux exigences, visées à l'annexe du règlement no 306/2008.43/9, § 1er, alinéa deux L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.43/9, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.43/9, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/9, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/9, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/9, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/9, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/9, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/9, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/4, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/9, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.43/9, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/9, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'un examen, du lieu et de l'heure de l'examen.43/9, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens.43/9, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/9, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/9, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, fait en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.43/10, § 1er, alinéa premier Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 4°, l), organise la formation et l'examen correspondant pour les personnes qui souhaitent obtenir le certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Le centre de formation agréé détermine le contenu de la formation et de l'examen à l'aide des sujets visés à l'annexe du règlement n° 307/2008.43/10, § 1er, troisième alinéa L'examen consiste en deux parties :
  1° une partie théorique ;
  2° une partie pratique.43/10, § 2, alinéa premier Dans le délai d'un mois après un examen, le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, après qu'une personne a suivi la formation et réussi l'examen correspondant, visé au paragraphe 1er.43/10, § 2, deuxième alinéa, première phrase Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.43/10, § 2, deuxième alinéa, deuxième phrase Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division compétente pour les agréments.43/10, § 2, deuxième alinéa, troisième phrase Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.43/10, § 2, deuxième alinéa, quatrième phrase Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.43/10, § 3, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division compétente pour les agréments.43/10, § 3, deuxième phrase Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.43/10, § 4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17/5, 3°, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.43/10, § 5 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pour organiser la formation et l'examen, visés au paragraphe 1er.43/10, § 6 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultats des examens des cinq dernières années.43/10, § 7, première phrase Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou avant l'examen, du lieu et de l'heure de la formation et de l'examen correspondant.43/10, § 7, deuxième phrase Le centre de formation agréé doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations et aux examens.43/10, § 7, troisième phrase La division compétente pour les agréments peut siéger dans le jury d'examen.43/10, § 8 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments.43/10, § 9 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, communique les données visées aux points 3° à 6° inclus de l'annexe 15, jointe en annexe au présent arrêté, à une instance qui soutient la politique de formation sectorielle.
Conditions particulières d'usage pour laboratoires
artikel wettelijke verplichting
44, eerste lid, eerste zin Het erkende laboratorium neemt deel aan de door de bevoegde afdeling georganiseerde controle op de kwaliteit van de beproevingen en monsternemingen, metingen en analyses waarvoor het laboratorium erkend is.
44, vijfde lid, eerste zin Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
44, vijfde lid, derde zin Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.
45, § 1 Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :
  1° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;
  2° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;
  3° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;
  4° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;
  5° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA.
45, § 2 Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :
  1° de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
  2° de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
  3° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
  4° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
  5° de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn.
  De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend.
46, § 1 Het erkende laboratorium verleent zijn medewerking aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest voor audits die door de bevoegde afdeling in het laboratorium of op de meetlocatie worden georganiseerd.
46, § 2 Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen in het kader van de audit.
46, § 3, tweede zin Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
46, § 3, vierde zin Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.
47, eerste zin Het erkende laboratorium verleent op elk moment toegang tot het laboratorium aan de bevoegde afdeling en de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
47, tweede zin Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming.
48, eerste lid Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.
48, tweede lid, 17e tot en met 34e woord ... op voorwaarde dat het ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepast :
49, eerste zin Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet.
50, § 1, eerste zin Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn.
50, § 1, tweede zin Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
50, § 2, eerste lid Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
  1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum van de monsterneming;
  2° het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
50, § 2, tweede lid, eerste zin Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster.
50, § 2, tweede lid, tweede zin Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed.
52 Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op, conform de Code van goede praktijk bodembescherming.
53/1, § 1, eerste zin Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt.
53/1, § 2, eerste zin Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank.
53/1, § 3, eerste lid, 1° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  1° het nitraatresidu, vermeld in artikel 13, § 12 en § 13, en artikel 14 van het Mestdecreet;
53/1, § 3, eerste lid, 2° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  2° de fosfaatverzadigingsgraad en het fosfaatbindend vermogen, vermeld in artikel 17, § 2, § 5 en § 6, van het Mestdecreet;
53/1, § 3, eerste lid, 3° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  3° het gehalte aan stikstof uit kunstmest of uit andere specifieke meststoffen bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
53/1, § 3, eerste lid, 4° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  4° het gehalte aan fosfaat uit kunstmest bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit, vermeld in punt 3° ;
53/1, § 3, eerste lid, 5° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  5° het nitraatresidu en het koolstofgehalte met het oog op het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte, vermeld in artikel 8 van het besluit, vermeld in punt 3° ;
53/1, § 3, eerste lid, 6° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  6° het nitraatresidu, vermeld in artikel 58, 9°, van het ministerieel besluit van 11 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling.
53/1, § 3, derde lid, eerste zin De gps-dataloggegevens worden bezorgd aan de Mestbank.
53/2, eerste lid, eerste zin Voor bepaalde door de minister vastgelegde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een rapportering van de analyseresultaten bezorgen aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming.
53/2, eerste lid, tweede zin De minister bepaalt de procedure voor die rapportering.
53/2, tweede lid Voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit moet het erkende laboratorium gebruikmaken van een gps-datalogger.
artikel wettelijke verplichting44, eerste lid, eerste zin Het erkende laboratorium neemt deel aan de door de bevoegde afdeling georganiseerde controle op de kwaliteit van de beproevingen en monsternemingen, metingen en analyses waarvoor het laboratorium erkend is.44, vijfde lid, eerste zin Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.44, vijfde lid, derde zin Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.45, § 1 Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :
  1° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;
  2° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;
  3° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;
  4° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;
  5° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA.45, § 2 Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :
  1° de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
  2° de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
  3° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
  4° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
  5° de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn.
  De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend.46, § 1 Het erkende laboratorium verleent zijn medewerking aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest voor audits die door de bevoegde afdeling in het laboratorium of op de meetlocatie worden georganiseerd.46, § 2 Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen in het kader van de audit.46, § 3, tweede zin Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.46, § 3, vierde zin Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.47, eerste zin Het erkende laboratorium verleent op elk moment toegang tot het laboratorium aan de bevoegde afdeling en de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.47, tweede zin Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming.48, eerste lid Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.48, tweede lid, 17e tot en met 34e woord ... op voorwaarde dat het ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepast :49, eerste zin Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet.50, § 1, eerste zin Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn.50, § 1, tweede zin Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.50, § 2, eerste lid Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
  1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum van de monsterneming;
  2° het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.50, § 2, tweede lid, eerste zin Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster.50, § 2, tweede lid, tweede zin Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed.52 Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op, conform de Code van goede praktijk bodembescherming.53/1, § 1, eerste zin Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt.53/1, § 2, eerste zin Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank.53/1, § 3, eerste lid, 1° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  1° het nitraatresidu, vermeld in artikel 13, § 12 en § 13, en artikel 14 van het Mestdecreet;53/1, § 3, eerste lid, 2° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  2° de fosfaatverzadigingsgraad en het fosfaatbindend vermogen, vermeld in artikel 17, § 2, § 5 en § 6, van het Mestdecreet;53/1, § 3, eerste lid, 3° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  3° het gehalte aan stikstof uit kunstmest of uit andere specifieke meststoffen bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;53/1, § 3, eerste lid, 4° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  4° het gehalte aan fosfaat uit kunstmest bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit, vermeld in punt 3° ;53/1, § 3, eerste lid, 5° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  5° het nitraatresidu en het koolstofgehalte met het oog op het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte, vermeld in artikel 8 van het besluit, vermeld in punt 3° ;53/1, § 3, eerste lid, 6° Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
  6° het nitraatresidu, vermeld in artikel 58, 9°, van het ministerieel besluit van 11 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling.53/1, § 3, derde lid, eerste zin De gps-dataloggegevens worden bezorgd aan de Mestbank.53/2, eerste lid, eerste zin Voor bepaalde door de minister vastgelegde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een rapportering van de analyseresultaten bezorgen aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming.53/2, eerste lid, tweede zin De minister bepaalt de procedure voor die rapportering.53/2, tweede lid Voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit moet het erkende laboratorium gebruikmaken van een gps-datalogger.
Bijzondere gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen
article obligation légale
44, alinéa premier, première phrase Le laboratoire agréé participe au contrôle de la qualité des essais et échantillonnages, mesures et analyses, organisé par la division compétente, pour lesquels le laboratoire a été agréé.
44, cinquième alinéa, première phrase Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'évaluation et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande.
44, cinquième alinéa, troisième phrase Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche approuvé.
45, § 1er Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé :
  1° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, a) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'eau, " WAC " en abrégé ;
  2° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, b) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'air, " LUC " en abrégé ;
  3° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, " BOC " en abrégé ;
  4° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, d) : le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, " BAM " en abrégé ;
  5° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f) : le compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, " CMA " en abrégé.
45, § 2 Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé et pour lesquels aucune méthode n'a été reprise dans les compendiums visés au paragraphe 1er :
  1° les méthodes, visées aux dispositions applicables dans les lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande ;
  2° les méthodes, visées aux normes belges publiées par le NBN ;
  3° les méthodes visées dans les normes qui ont été publiées par le Comité Européen de Normalisation (CEN) ;
  4° les méthodes visées dans les normes qui ont été publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO) ;
  5° les méthodes d'un organisme instruit en la matière ou d'un laboratoire agréé, qui sont jugées appropriées par le laboratoire de référence de la Région flamande et la division compétente.
  L'ordre, visé à l'alinéa premier, est déterminant.
46, § 1er Le laboratoire agréé prête son concours à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne les audits que la division compétente organise au laboratoire ou au site de mesure.
46, § 2 Le laboratoire agréé met à la disposition des membres du personnel compétents du laboratoire de référence de la Région flamande tous les informations et documents qu'ils demandent dans le cadre de l'audit.
46, § 3, deuxième phrase Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'audit et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande.
46, § 3, quatrième phrase Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche approuvé.
47, première phrase Le laboratoire agréé donne accès au laboratoire à la division compétente et aux membres du personnel compétents du laboratoire de référence de la Région flamande à tout moment.
47, deuxième phrase En outre, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), donne accès au laboratoire à la division, compétente pour la protection du sol, à tout moment.
48, alinéa premier Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.
48, deuxième alinéa, 17e au 34e mots inclus ... à condition qu'il applique l'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45 :
49, première phrase Un logo d'agrément est appliqué et il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas.
50, § 1er, première phrase Toutes les données des échantillonnages, mesures, essais et analyses pouvant être utiles, sont conservées et stockées d'une telle manière qu'un contrôle soit possible, tant du déroulement des opérations que du mode d'obtention des résultats.
50, § 1er, deuxième phrase Ces données sont conservées pendant au moins trois ans et sont tenues à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.
50, § 2, alinéa premier Le laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
  1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons, l'identification complète des échantillons et la date de l'échantillonnage ;
  2° le résultat des échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, avec mention de la méthode utilisée, des conditions de mesure et d'analyse et, le cas échéant, les dérogations à la méthode d'échantillonnage, de mesure et d'analyse, et le motif.
50, § 2, alinéa deux, première phrase Lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), a sous-traité des analyses à d'autres laboratoires agréés, le rapport d'analyse qui est établi par le laboratoire agréé, auquel les paramètres concernés ont été sous-traités, mentionne les méthodes utilisées et la référence détaillée à l'échantillon.
50, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Ce rapport d'analyse est joint au rapport d'analyse des paramètres qui n'ont pas été sous-traités.
52 Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.
53/1, § 1er, première phrase Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre du décret sur les engrais, une notification est faite par le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), à la Mestbank via une application web, mise à disposition par la Mestbank.
53/1, § 2, première phrase Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), transmet les résultats d'analyse de chaque échantillonnage notifié à la Mestbank.
53/1, § 3, alinéa premier, 1° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  1° les résidus de nitrates, visés à l'article 13, § 12 et § 13, et à l'article 14 du décret sur les engrais ;
53/1, § 3, alinéa premier, 2° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  2° le degré de saturation en phosphates et la capacité de fixation de phosphates, visés à l'article 17, § 2, § 5 et § 6 du décret sur les engrais ;
53/1, § 3, alinéa premier, 3° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  3° la teneur en azote provenant d'engrais chimiques ou d'autres engrais spécifiques lors des analyses du sol, visées à l'article 4, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles ;
53/1, § 3, alinéa premier, 4° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  4° la teneur en phosphates provenant d'engrais chimiques lors des analyses du sol, visées à l'article 6, § 1er, de l'arrêté, visé au point 3° ;
53/1, § 3, alinéa premier, 5° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  5° les résidus de nitrates et la teneur en carbone en vue de l'épandage de compost sur des parcelles dont la teneur en carbone est trop basse, visés à l'article 8, de l'arrêté, visé au point 3° ;
53/1, § 3, alinéa premier, 6° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  6° les résidus de nitrates, visés à l'article 58, 9°, de l'arrêté ministériel du 11 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural.
53/1, § 3, alinéa trois, première phrase Les données de l'enregistreur de données GPS sont transmises à la Mestbank.
53/2, alinéa premier, première phrase Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), doit transmettre un rapportage des résultats d'analyse à la division compétente pour la protection du sol.
53/2, alinéa premier, deuxième phrase Le Ministre fixe la procédure de ce rapportage.
53/2, alinéa deux Pour tous les échantillonnages qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté précité, le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS.
article obligation légale44, alinéa premier, première phrase Le laboratoire agréé participe au contrôle de la qualité des essais et échantillonnages, mesures et analyses, organisé par la division compétente, pour lesquels le laboratoire a été agréé.44, cinquième alinéa, première phrase Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'évaluation et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande.44, cinquième alinéa, troisième phrase Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche approuvé.45, § 1er Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé :
  1° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, a) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'eau, " WAC " en abrégé ;
  2° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, b) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'air, " LUC " en abrégé ;
  3° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, " BOC " en abrégé ;
  4° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, d) : le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, " BAM " en abrégé ;
  5° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f) : le compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, " CMA " en abrégé.45, § 2 Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé et pour lesquels aucune méthode n'a été reprise dans les compendiums visés au paragraphe 1er :
  1° les méthodes, visées aux dispositions applicables dans les lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande ;
  2° les méthodes, visées aux normes belges publiées par le NBN ;
  3° les méthodes visées dans les normes qui ont été publiées par le Comité Européen de Normalisation (CEN) ;
  4° les méthodes visées dans les normes qui ont été publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO) ;
  5° les méthodes d'un organisme instruit en la matière ou d'un laboratoire agréé, qui sont jugées appropriées par le laboratoire de référence de la Région flamande et la division compétente.
  L'ordre, visé à l'alinéa premier, est déterminant.46, § 1er Le laboratoire agréé prête son concours à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne les audits que la division compétente organise au laboratoire ou au site de mesure.46, § 2 Le laboratoire agréé met à la disposition des membres du personnel compétents du laboratoire de référence de la Région flamande tous les informations et documents qu'ils demandent dans le cadre de l'audit.46, § 3, deuxième phrase Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'audit et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande.46, § 3, quatrième phrase Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche approuvé.47, première phrase Le laboratoire agréé donne accès au laboratoire à la division compétente et aux membres du personnel compétents du laboratoire de référence de la Région flamande à tout moment.47, deuxième phrase En outre, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), donne accès au laboratoire à la division, compétente pour la protection du sol, à tout moment.48, alinéa premier Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.48, deuxième alinéa, 17e au 34e mots inclus ... à condition qu'il applique l'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45 :49, première phrase Un logo d'agrément est appliqué et il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas.50, § 1er, première phrase Toutes les données des échantillonnages, mesures, essais et analyses pouvant être utiles, sont conservées et stockées d'une telle manière qu'un contrôle soit possible, tant du déroulement des opérations que du mode d'obtention des résultats.50, § 1er, deuxième phrase Ces données sont conservées pendant au moins trois ans et sont tenues à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.50, § 2, alinéa premier Le laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
  1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons, l'identification complète des échantillons et la date de l'échantillonnage ;
  2° le résultat des échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, avec mention de la méthode utilisée, des conditions de mesure et d'analyse et, le cas échéant, les dérogations à la méthode d'échantillonnage, de mesure et d'analyse, et le motif.50, § 2, alinéa deux, première phrase Lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), a sous-traité des analyses à d'autres laboratoires agréés, le rapport d'analyse qui est établi par le laboratoire agréé, auquel les paramètres concernés ont été sous-traités, mentionne les méthodes utilisées et la référence détaillée à l'échantillon.50, § 2, alinéa deux, deuxième phrase Ce rapport d'analyse est joint au rapport d'analyse des paramètres qui n'ont pas été sous-traités.52 Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.53/1, § 1er, première phrase Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre du décret sur les engrais, une notification est faite par le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), à la Mestbank via une application web, mise à disposition par la Mestbank.53/1, § 2, première phrase Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), transmet les résultats d'analyse de chaque échantillonnage notifié à la Mestbank.53/1, § 3, alinéa premier, 1° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  1° les résidus de nitrates, visés à l'article 13, § 12 et § 13, et à l'article 14 du décret sur les engrais ;53/1, § 3, alinéa premier, 2° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  2° le degré de saturation en phosphates et la capacité de fixation de phosphates, visés à l'article 17, § 2, § 5 et § 6 du décret sur les engrais ;53/1, § 3, alinéa premier, 3° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  3° la teneur en azote provenant d'engrais chimiques ou d'autres engrais spécifiques lors des analyses du sol, visées à l'article 4, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles ;53/1, § 3, alinéa premier, 4° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  4° la teneur en phosphates provenant d'engrais chimiques lors des analyses du sol, visées à l'article 6, § 1er, de l'arrêté, visé au point 3° ;53/1, § 3, alinéa premier, 5° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  5° les résidus de nitrates et la teneur en carbone en vue de l'épandage de compost sur des parcelles dont la teneur en carbone est trop basse, visés à l'article 8, de l'arrêté, visé au point 3° ;53/1, § 3, alinéa premier, 6° Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
  6° les résidus de nitrates, visés à l'article 58, 9°, de l'arrêté ministériel du 11 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural.53/1, § 3, alinéa trois, première phrase Les données de l'enregistreur de données GPS sont transmises à la Mestbank.53/2, alinéa premier, première phrase Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), doit transmettre un rapportage des résultats d'analyse à la division compétente pour la protection du sol.53/2, alinéa premier, deuxième phrase Le Ministre fixe la procédure de ce rapportage.53/2, alinéa deux Pour tous les échantillonnages qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté précité, le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS.
Exigences particulières d'utilisation pour experts en assainissement du sol
artikel wettelijke verplichting
53/3, § 1, 1° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);
53/3, § 1, 2° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;
53/3, § 1, 3° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
53/3, § 1, 4° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
53/3, § 1, 5° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;
53/3, § 1, 6° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  6° beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
53/3, § 1, 7° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  7° stelt jaarlijks een jaarverslag op dat minstens de volgende elementen bevat :
  a) een overzicht van de personen die beschikken over de vereiste kennis en beroepservaring;
  b) een evaluatie van de genomen acties voor de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister;
53/3, § 1, 8° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  8° houdt een kwaliteitshandboek bij;
53/3, § 1, 9°, eerste zin De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen;
53/3, § 1, 9°, tweede zin De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
  a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
  b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als de totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt.
53/3, § 2 De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.
53/4, § 1, eerste lid De verslagen en rapporten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door de bodemsaneringsdeskundige of door minstens één persoon die bij hem in dienst is die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, eerste lid, van dit artikel.
53/4, § 1, tweede lid De verslagen, rapporten en projecten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, met uitzondering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door minstens één persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige in dienst is en die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, tweede lid, van dit artikel.
artikel wettelijke verplichting53/3, § 1, 1° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);53/3, § 1, 2° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;53/3, § 1, 3° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;53/3, § 1, 4° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;53/3, § 1, 5° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;53/3, § 1, 6° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  6° beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;53/3, § 1, 7° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  7° stelt jaarlijks een jaarverslag op dat minstens de volgende elementen bevat :
  a) een overzicht van de personen die beschikken over de vereiste kennis en beroepservaring;
  b) een evaluatie van de genomen acties voor de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister;53/3, § 1, 8° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  8° houdt een kwaliteitshandboek bij;53/3, § 1, 9°, eerste zin De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen;53/3, § 1, 9°, tweede zin De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
  a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
  b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als de totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt.53/3, § 2 De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.53/4, § 1, eerste lid De verslagen en rapporten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door de bodemsaneringsdeskundige of door minstens één persoon die bij hem in dienst is die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, eerste lid, van dit artikel.53/4, § 1, tweede lid De verslagen, rapporten en projecten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, met uitzondering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door minstens één persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige in dienst is en die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, tweede lid, van dit artikel.
Bijzondere gebruikseisen voor bedrijven
article obligation légale
53/3, § 1er, 1° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f) ;
53/3, § 1er, 2° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA ;
53/3, § 1er, 3° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  3° communique, sur simple demande, immédiatement à la division, compétente pour la gestion du sol, où du travail sur le terrain dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution est prévu dans la période indiquée dans la demande de la division, compétente pour la gestion du sol ;
53/3, § 1er, 4° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  4° exécute les tâches, visées à l'article 6, 6°, conformément aux procédures standard ou aux codes de bonne pratique, visés au décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution ;
53/3, § 1er, 5° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  5° tient un registre des plaintes qui peut être consulté par l'autorité de contrôle ;
53/3, § 1er, 6° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  6° dispose lui-même d'un modèle d'analyse des risques de pollution du sol qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol ;
53/3, § 1er, 7° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  7° établit annuellement un rapport annuel qui comprend au moins les éléments suivants :
  a) un aperçu des personnes qui disposent de la connaissance et de l'expérience professionnelle requises ;
  b) une évaluation des actions entreprises pour l'assurance de la qualité, la formation du personnel et le contenu du registre des plaintes ;
53/3, § 1er, 8° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  8° tient un manuel de la qualité ;
53/3, § 1er, 9°, première phrase L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera ;
53/3, § 1er, 9°, deuxième phrase La durée du perfectionnement de l'expert en assainissement du sol par année calendaire, est la suivante :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2. Si plus de deux personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 15 heures au minimum ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2, avec un minimum de 20 heures comme durée totale du perfectionnement. Si plus de huit personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 60 heures au minimum.
53/3, § 2 En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modèle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division compétente pour la gestion du sol.
53/4, § 1er, alinéa premier Les rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par l'expert en assainissement du sol ou par au moins une personne employée par lui qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa premier, du présent article.
53/4, § 1er, alinéa deux Les rapports et projets établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 2, à l'exception des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par au moins une personne employée par l'expert en assainissement du sol et qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa deux, du présent article.
article obligation légale53/3, § 1er, 1° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f) ;53/3, § 1er, 2° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA ;53/3, § 1er, 3° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  3° communique, sur simple demande, immédiatement à la division, compétente pour la gestion du sol, où du travail sur le terrain dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution est prévu dans la période indiquée dans la demande de la division, compétente pour la gestion du sol ;53/3, § 1er, 4° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  4° exécute les tâches, visées à l'article 6, 6°, conformément aux procédures standard ou aux codes de bonne pratique, visés au décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution ;53/3, § 1er, 5° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  5° tient un registre des plaintes qui peut être consulté par l'autorité de contrôle ;53/3, § 1er, 6° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  6° dispose lui-même d'un modèle d'analyse des risques de pollution du sol qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol ;53/3, § 1er, 7° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  7° établit annuellement un rapport annuel qui comprend au moins les éléments suivants :
  a) un aperçu des personnes qui disposent de la connaissance et de l'expérience professionnelle requises ;
  b) une évaluation des actions entreprises pour l'assurance de la qualité, la formation du personnel et le contenu du registre des plaintes ;53/3, § 1er, 8° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  8° tient un manuel de la qualité ;53/3, § 1er, 9°, première phrase L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera ;53/3, § 1er, 9°, deuxième phrase La durée du perfectionnement de l'expert en assainissement du sol par année calendaire, est la suivante :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2. Si plus de deux personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 15 heures au minimum ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2, avec un minimum de 20 heures comme durée totale du perfectionnement. Si plus de huit personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 60 heures au minimum.53/3, § 2 En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modèle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division compétente pour la gestion du sol.53/4, § 1er, alinéa premier Les rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par l'expert en assainissement du sol ou par au moins une personne employée par lui qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa premier, du présent article.53/4, § 1er, alinéa deux Les rapports et projets établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 2, à l'exception des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par au moins une personne employée par l'expert en assainissement du sol et qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa deux, du présent article.
Exigences particulières d'utilisation pour entreprises
artikel wettelijke verplichting
53/6, 1° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  1° beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;
53/6, 2° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  2° zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
  a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;
  b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd;
53/6, 3° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  3° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd;
53/6, 4° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  4° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
53/6, 5° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  5° zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;
53/6, 6° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  6° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
53/6, 8° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  8° houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting;
53/6, 9° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  9° bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd.
53/7, 2° Het erkende koeltechnische bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert dit, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt : 1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de koelinstallatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
53/7, 3° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per koelinstallatie : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die koelmiddelen;
53/7, 4°, eerste zin Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  4° gaat na iedere bijvulling na of het maximaal relatief lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5, artikel 5bis.19.8.4.8.5 en artikel 6.8.1.2 van titel II van het VLAREM, niet overschreden werd.
53/7, 4°, tweede zin 4° Als blijkt dat het maximaal relatief lekverlies overschreden is en maatregelen moeten worden getroffen, brengt het koeltechnisch bedrijf ten minste de eigenaar of beheerder schriftelijk op de hoogte van de vastgestelde lekkage en formuleert het een voorstel van te nemen maatregelen;
53/7, 5° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  5° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
53/7, 6° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  6° zorgt ervoor dat de koeltechnicus gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt. Die apparatuur bevat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage 21, die bij dit besluit is gevoegd;
53/7, 9° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  9° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot koelinstallaties;
53/7, 10° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  10° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
53/8, 2° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
53/8, 3° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per brandbeveiligingsapparatuur : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die blusmiddelen;
53/8, 4° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  4° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
53/8, 5° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  5° zorgt ervoor dat de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan brandbeveiligingsapparatuur over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt;
53/8, 8° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  8° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur;
53/8, 9° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  9° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
artikel wettelijke verplichting53/6, 1° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  1° beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;53/6, 2° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  2° zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
  a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;
  b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd;53/6, 3° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  3° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd;53/6, 4° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  4° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;53/6, 5° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  5° zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;53/6, 6° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  6° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;53/6, 8° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  8° houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting;53/6, 9° Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :
  9° bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd.53/7, 2° Het erkende koeltechnische bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert dit, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
  1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type koelmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt : 1) het type koelmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de koelinstallatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;53/7, 3° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per koelinstallatie : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die koelmiddelen;53/7, 4°, eerste zin Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  4° gaat na iedere bijvulling na of het maximaal relatief lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5, artikel 5bis.19.8.4.8.5 en artikel 6.8.1.2 van titel II van het VLAREM, niet overschreden werd.53/7, 4°, tweede zin 4° Als blijkt dat het maximaal relatief lekverlies overschreden is en maatregelen moeten worden getroffen, brengt het koeltechnisch bedrijf ten minste de eigenaar of beheerder schriftelijk op de hoogte van de vastgestelde lekkage en formuleert het een voorstel van te nemen maatregelen;53/7, 5° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  5° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;53/7, 6° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  6° zorgt ervoor dat de koeltechnicus gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt. Die apparatuur bevat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage 21, die bij dit besluit is gevoegd;53/7, 9° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  9° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot koelinstallaties;53/7, 10° Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
  10° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.53/8, 2° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
  1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
  2) het type blusmiddel;
  3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
  4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing uitgevoerd heeft;
  5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
  1) het type blusmiddel;
  2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
  3) de datum van bijvulling of aftapping;
  4) de reden van bijvulling of aftapping;
  5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
  1) de datum van de lekkagecontrole;
  2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling :
  1) de datum van de buitendienststelling;
  2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
  3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
  4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;53/8, 3° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
  a) per exploitant en per brandbeveiligingsapparatuur : de registraties, vermeld in punt 2° ;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die blusmiddelen;53/8, 4° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  4° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;53/8, 5° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  5° zorgt ervoor dat de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan brandbeveiligingsapparatuur over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt;53/8, 8° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  8° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur;53/8, 9° Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
  9° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
Bijzondere gebruikseisen voor keuringsinstellingen
article obligation légale
53/6, 1° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  1° dispose de la littérature spécialisée actuelle et des données techniques nécessaires en ce qui concerne les travaux à exécuter relatives à l'agrément ;
53/6, 2° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  2° veille à ce qu'une des conditions suivantes soit remplie :
  a) chaque appareil de forage est opéré par, ou la commande est placée sous le contrôle direct d'un responsable disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément ;
  b) chaque appareil de forage est opéré par un travailleur qui dispose d'une attestation qu'il a passé avec succès la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté ;
53/6, 3° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  3° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément passe tous les cinq ans une formation avec succès. Cette formation comprend la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, ou un perfectionnement tel que visé à la même annexe, pour le personnel qui a déjà passé la formation générale avec succès ;
53/6, 4° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  4° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément dispose du matériel le plus approprié et se trouvant en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour l'exécution des travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu ;
53/6, 5° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  5° veille à ce que le personnel prenne les notes nécessaires lors des travaux dans le cadre de l'agrément et, le cas échéant, établisse un rapport de forage complet tel que visé à l'annexe 5.53.1 du titre II du VLAREM ;
53/6, 6° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  6° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu ;
53/6, 8° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  8° tient un inventaire à disposition des surveillants de tous les travaux qui ont été exécutés au cours des cinq dernières années, avec chaque fois le code unique que a été obtenu auprès de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " (banque de données du sous-sol de la Flandre), un rapport de forage et la date de l'autorisation ou de la prise d'acte soit une déclaration qu'il s'agissait de travaux pour un établissement non classé ;
53/6, 9° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  9° transmet au moins tous les deux mois via une application web de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " un inventaire des travaux qui ont été exécutés pendant la période écoulée, où les rapports de forage sont transmis par voie numérique dans le format, fixé par la " Databank Ondergrond Vlaanderen ".
53/7, 2° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, et les note, le cas échéant, dans le journal lié à l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une modification de l'installation frigorifique qui change la capacité nominale d'agent réfrigérant ou le type d'agent réfrigérant :
  1) la capacité nominale d'agent réfrigérant, exprimée en unités métriques, et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent réfrigérant ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés : 1) le type d'agent réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si applicable : le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  7) après chaque remplissage pour une installation frigorifique telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5, du titre II du VLAREM : la perte relative de fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale d'agent réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a mis l'installation frigorifique hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
53/7, 3° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  3° tient les éléments suivants pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par installation frigorifique : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués, avec mention de la date d'évacuation, le nom du transporteur et la destination de ces agents réfrigérants ;
53/7, 4°, première phrase L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  4° vérifie après chaque remplissage si les pertes relatives par fuite, visées à l'article 5.16.3.3, § 6, l'article 5bis.15.5.4.5.5, l'article 5bis.19.8.4.8.5 et l'article 6.8.1.2 du titre II du VLAREM, ne sont pas dépassées.
53/7, 4°, deuxième phrase 4° S'il s'avère que le nombre maximal pertes relatives par fuite est dépassé et que des mesures doivent être prises, l'exploitation de refroidissement informe au moins le propriétaire ou le gestionnaire par écrit de la fuite constatée et formule une proposition des mesures à prendre ;
53/7, 5° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  5° montre, sur demande, le matériel utilisé lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
53/7, 6° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  6° veille à ce que le technicien frigoriste dispose de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pendant les travaux aux installations frigorifiques stationnaires qui sont soumises à agrément. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel visé à l'annexe 21, jointe au présent arrêté ;
53/7, 9° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  9° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle réglementation en matière d'installations frigorifiques ;
53/7, 10° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  10° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
53/8, 2° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation des équipements de protection contre l'incendie qui change la capacité nominale du produit extincteur ou le type de produit extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de produit extincteur ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type de produit extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale des équipements de protection contre l'incendie, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
53/8, 3° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  3° tient les éléments suivants pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par équipement de protection contre l'incendie : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués, avec mention de la date d'évacuation, le nom du transporteur et la destination de ces produits extincteurs ;
53/8, 4° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  4° montre, sur demande, le matériel utilisé lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
53/8, 5° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  5° veille à ce que le technicien d'équipements de protection contre l'incendie dispose des équipements, des outils et des matériaux nécessaires pendant les travaux aux équipements de protection contre l'incendie qui sont soumis à agrément ;
53/8, 8° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  8° informe le personnel concerné des nouvelles technologies et de la nouvelle réglementation environnementale pertinente concernant les équipements de protection contre l'incendie ;
53/8, 9° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  9° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
article obligation légale53/6, 1° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  1° dispose de la littérature spécialisée actuelle et des données techniques nécessaires en ce qui concerne les travaux à exécuter relatives à l'agrément ;53/6, 2° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  2° veille à ce qu'une des conditions suivantes soit remplie :
  a) chaque appareil de forage est opéré par, ou la commande est placée sous le contrôle direct d'un responsable disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément ;
  b) chaque appareil de forage est opéré par un travailleur qui dispose d'une attestation qu'il a passé avec succès la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté ;53/6, 3° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  3° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément passe tous les cinq ans une formation avec succès. Cette formation comprend la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, ou un perfectionnement tel que visé à la même annexe, pour le personnel qui a déjà passé la formation générale avec succès ;53/6, 4° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  4° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément dispose du matériel le plus approprié et se trouvant en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour l'exécution des travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu ;53/6, 5° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  5° veille à ce que le personnel prenne les notes nécessaires lors des travaux dans le cadre de l'agrément et, le cas échéant, établisse un rapport de forage complet tel que visé à l'annexe 5.53.1 du titre II du VLAREM ;53/6, 6° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  6° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu ;53/6, 8° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  8° tient un inventaire à disposition des surveillants de tous les travaux qui ont été exécutés au cours des cinq dernières années, avec chaque fois le code unique que a été obtenu auprès de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " (banque de données du sous-sol de la Flandre), un rapport de forage et la date de l'autorisation ou de la prise d'acte soit une déclaration qu'il s'agissait de travaux pour un établissement non classé ;53/6, 9° L'entreprise de forage agréée, visée à l'article 6, 7°, a) :
  9° transmet au moins tous les deux mois via une application web de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " un inventaire des travaux qui ont été exécutés pendant la période écoulée, où les rapports de forage sont transmis par voie numérique dans le format, fixé par la " Databank Ondergrond Vlaanderen ".53/7, 2° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des installations frigorifiques stationnaires contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, et les note, le cas échéant, dans le journal lié à l'installation :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une modification de l'installation frigorifique qui change la capacité nominale d'agent réfrigérant ou le type d'agent réfrigérant :
  1) la capacité nominale d'agent réfrigérant, exprimée en unités métriques, et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type d'agent réfrigérant ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation de l'installation frigorifique ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés : 1) le type d'agent réfrigérant ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si applicable : le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;
  7) après chaque remplissage pour une installation frigorifique telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5, du titre II du VLAREM : la perte relative de fuite ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale d'agent réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a mis l'installation frigorifique hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'exploitation de refroidissement dans laquelle le technicien travaille ;53/7, 3° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  3° tient les éléments suivants pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par installation frigorifique : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués, avec mention de la date d'évacuation, le nom du transporteur et la destination de ces agents réfrigérants ;53/7, 4°, première phrase L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  4° vérifie après chaque remplissage si les pertes relatives par fuite, visées à l'article 5.16.3.3, § 6, l'article 5bis.15.5.4.5.5, l'article 5bis.19.8.4.8.5 et l'article 6.8.1.2 du titre II du VLAREM, ne sont pas dépassées.53/7, 4°, deuxième phrase 4° S'il s'avère que le nombre maximal pertes relatives par fuite est dépassé et que des mesures doivent être prises, l'exploitation de refroidissement informe au moins le propriétaire ou le gestionnaire par écrit de la fuite constatée et formule une proposition des mesures à prendre ;53/7, 5° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  5° montre, sur demande, le matériel utilisé lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;53/7, 6° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  6° veille à ce que le technicien frigoriste dispose de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires pendant les travaux aux installations frigorifiques stationnaires qui sont soumises à agrément. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel visé à l'annexe 21, jointe au présent arrêté ;53/7, 9° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  9° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle réglementation en matière d'installations frigorifiques ;53/7, 10° L'exploitation de refroidissement agréée, visée à l'article 6, 7°, b) :
  10° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.53/8, 2° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie qui contiennent des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
  a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation des équipements de protection contre l'incendie qui change la capacité nominale du produit extincteur ou le type de produit extincteur :
  1) la capacité nominale, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
  2) le type de produit extincteur ;
  3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
  4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation ;
  5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
  1) le type de produit extincteur ;
  2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
  3) la date de remplissage ou de vidange ;
  4) la raison de remplissage ou de vidange ;
  5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le remplissage ou la vidange ;
  6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;
  c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du Règlement no 1005/2009 sont effectués :
  1) la date du contrôle d'étanchéité ;
  2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
  d) la capacité nominale des équipements de protection contre l'incendie, exprimée en unités métriques et, en cas de gaz à effet de serre fluorés, également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
  e) en cas de mise hors service :
  1) la date de la mise hors service ;
  2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien d'équipements de protection contre l'incendie qui a mis l'installation hors service ;
  4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie dans laquelle le technicien travaille ;53/8, 3° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  3° tient les éléments suivants pendant au moins cinq ans :
  a) par exploitant et par équipement de protection contre l'incendie : les enregistrements visés au point 2° ;
  b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués, avec mention de la date d'évacuation, le nom du transporteur et la destination de ces produits extincteurs ;53/8, 4° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  4° montre, sur demande, le matériel utilisé lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;53/8, 5° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  5° veille à ce que le technicien d'équipements de protection contre l'incendie dispose des équipements, des outils et des matériaux nécessaires pendant les travaux aux équipements de protection contre l'incendie qui sont soumis à agrément ;53/8, 8° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  8° informe le personnel concerné des nouvelles technologies et de la nouvelle réglementation environnementale pertinente concernant les équipements de protection contre l'incendie ;53/8, 9° L'entreprise agréée d'équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
  9° dispose d'une traduction de son certificat en néerlandais, français, allemand ou anglais, si ledit certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.
Exigences particulières d'utilisation pour les organismes de contrôle
artikel wettelijke verplichting
53/9, 1° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  1° is geaccrediteerd als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, of behaalt die accreditatie binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de erkenning verkregen is;
53/9, 2° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  2° wijst een of meer keurders aan die beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I of die over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector beschikken;
53/9, 3°, eerste zin De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  3° reikt binnen een maand nadat een bedrijf met goed gevolg gekeurd werd als vermeld in artikel 25/4, 4°, een certificaat uit.
53/9, 3°, tweede zin 3° Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
53/9, 3°, derde zin 3° Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
53/9, 3°, vierde zin 3° Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
53/9, 3°, vijfde zin 3° Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
53/9, 4°, eerste zin De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  4° bezorgt maandelijks aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, een overzicht van de bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn.
53/9, 4°, tweede zin 4° Dat overzicht bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 22, die bij dit besluit is gevoegd.
53/9, 5° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  5° behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
53/9, 6° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  6° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de keuring bij te wonen;
53/9, 7° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  7° bewaart de keuringsrapporten minstens vijf jaar.
artikel wettelijke verplichting53/9, 1° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  1° is geaccrediteerd als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, of behaalt die accreditatie binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de erkenning verkregen is;53/9, 2° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  2° wijst een of meer keurders aan die beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I of die over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector beschikken;53/9, 3°, eerste zin De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  3° reikt binnen een maand nadat een bedrijf met goed gevolg gekeurd werd als vermeld in artikel 25/4, 4°, een certificaat uit.53/9, 3°, tweede zin 3° Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.53/9, 3°, derde zin 3° Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.53/9, 3°, vierde zin 3° Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.53/9, 3°, vijfde zin 3° Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.53/9, 4°, eerste zin De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  4° bezorgt maandelijks aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, een overzicht van de bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn.53/9, 4°, tweede zin 4° Dat overzicht bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 22, die bij dit besluit is gevoegd.53/9, 5° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  5° behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen;53/9, 6° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  6° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de keuring bij te wonen;53/9, 7° De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
  7° bewaart de keuringsrapporten minstens vijf jaar.
Retributie
article obligation légale
53/9, 1° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  1° ) est accrédité comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020 pour le contrôle, visé à l'article 25/4, 4°, ou obtient cette accréditation dans un délai d'un an à partir du jour après l'obtention de l'agrément ;
53/9, 2° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  2° désigne un ou plusieurs contrôleurs disposant d'un agrément en tant que technicien frigoriste tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, de la catégorie I ou disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans le secteur frigorifique ;
53/9, 3°, première phrase L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  3° délivre un certificat dans le délai d'un mois après que l'entreprise a fait l'objet d'un contrôle satisfaisant, tel que visé à l'article 25/4, 4°.
53/9, 3°, deuxième phrase 3° Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.
53/9, 3°, troisième phrase 3° Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrôle suit les instructions de la division compétente pour les agréments.
53/9, 3°, quatrième phrase 3° Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.
53/9, 3°, cinquième phrase 3° Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.
53/9, 4°, première phrase L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  4° transmet chaque mois à la division compétente pour les agréments, un aperçu des entreprises qui ont fait l'objet d'un contrôle satisfaisant.
53/9, 4°, deuxième phrase 4° Cet aperçu comprend au moins les données, visées à l'annexe 22, jointe au présent arrêté.
53/9, 5° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  5° traite et examine les plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments ;
53/9, 6° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  6° doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister au contrôle ;
53/9, 7° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  7° conserve les rapports de contrôle pendant au moins cinq ans.
article obligation légale53/9, 1° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  1° ) est accrédité comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020 pour le contrôle, visé à l'article 25/4, 4°, ou obtient cette accréditation dans un délai d'un an à partir du jour après l'obtention de l'agrément ;53/9, 2° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  2° désigne un ou plusieurs contrôleurs disposant d'un agrément en tant que technicien frigoriste tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, de la catégorie I ou disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans le secteur frigorifique ;53/9, 3°, première phrase L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  3° délivre un certificat dans le délai d'un mois après que l'entreprise a fait l'objet d'un contrôle satisfaisant, tel que visé à l'article 25/4, 4°.53/9, 3°, deuxième phrase 3° Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté.53/9, 3°, troisième phrase 3° Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrôle suit les instructions de la division compétente pour les agréments.53/9, 3°, quatrième phrase 3° Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division compétente pour les agréments.53/9, 3°, cinquième phrase 3° Une copie du certificat délivré est transmise à la division compétente pour les agréments.53/9, 4°, première phrase L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  4° transmet chaque mois à la division compétente pour les agréments, un aperçu des entreprises qui ont fait l'objet d'un contrôle satisfaisant.53/9, 4°, deuxième phrase 4° Cet aperçu comprend au moins les données, visées à l'annexe 22, jointe au présent arrêté.53/9, 5° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  5° traite et examine les plaintes, introduites par la division compétente pour les agréments ;53/9, 6° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  6° doit, lorsque la division compétente pour les agréments le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister au contrôle ;53/9, 7° L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
  7° conserve les rapports de contrôle pendant au moins cinq ans.
Rétribution
artikel wettelijke verplichting
54/1, § 2, eerste lid, tweede zin Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd :
  1° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, 6° en 7°, of van personen die met toepassing van artikel 32, § 1, op basis van een gelijkwaardige titel van rechtswege erkend worden als technicus als vermeld in artikel 6, 2° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op het certificaat, in voorkomend geval bij het volgen van de bijscholing of bij de deelname aan het actualisatie-examen;
  2° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 8° tot en met 11° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens uiterlijk op 31 december 2019 en vervolgens vijfjaarlijks;
  3° in alle andere gevallen, dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2° : uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.
artikel wettelijke verplichting54/1, § 2, eerste lid, tweede zin Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd :
  1° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, 6° en 7°, of van personen die met toepassing van artikel 32, § 1, op basis van een gelijkwaardige titel van rechtswege erkend worden als technicus als vermeld in artikel 6, 2° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op het certificaat, in voorkomend geval bij het volgen van de bijscholing of bij de deelname aan het actualisatie-examen;
  2° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 8° tot en met 11° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens uiterlijk op 31 december 2019 en vervolgens vijfjaarlijks;
  3° in alle andere gevallen, dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2° : uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.
article obligation légale
54/1, § 2, alinéa premier, deuxième phrase Cette rétribution est due aux moments suivants :
  1° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus, 6° et 7°, ou de personnes agréées de plein droit, en application de l'article 32, § 1er, sur la base d'un titre équivalent, comme technicien tel que visé à l'article 6, 2° : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite tous les cinq ans, à compter de la date, visée au présent certificat, le cas échéant en suivant le perfectionnement ou en participant à l'examen d'actualisation ;
  2° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8° à 11° inclus : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite au plus tard le 31 décembre 2019 et ensuite tous les cinq ans ;
  3° dans tous les autres cas que les cas visés aux points 1° et 2° : au plus tard le 31 décembre 2014 et ensuite tous les cinq ans.
article obligation légale54/1, § 2, alinéa premier, deuxième phrase Cette rétribution est due aux moments suivants :
  1° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus, 6° et 7°, ou de personnes agréées de plein droit, en application de l'article 32, § 1er, sur la base d'un titre équivalent, comme technicien tel que visé à l'article 6, 2° : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite tous les cinq ans, à compter de la date, visée au présent certificat, le cas échéant en suivant le perfectionnement ou en participant à l'examen d'actualisation ;
  2° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8° à 11° inclus : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite au plus tard le 31 décembre 2019 et ensuite tous les cinq ans ;
  3° dans tous les autres cas que les cas visés aux points 1° et 2° : au plus tard le 31 décembre 2014 et ensuite tous les cinq ans.
Art. N11. Bijlage 18 bij het VLAREL. - Retributies voor de behandeling van de aanvraag en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu
  A. Retributie voor de behandeling van de aanvraag tot erkenning
Art. N11. Annexe 18 jointe au VLAREL - Rétributions pour le traitement de la demande et l'exercice du contrôle des agréments concernant l'environnement
  A. Rétribution pour le traitement de la demande d'agrément
categorie erkenning bedrag
deskundigen  
- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen 500 euro
- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie 500 euro
- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen 500 euro
- MER-deskundige  
a) voor een eerste discipline 500 euro
b) per bijkomende discipline 125 euro
- VR-deskundige 500 euro
milieucoördinatoren en milieuverificateurs  
- milieucoördinatoren 250 euro
bodemsaneringsdeskundigen  
a) type 1 250 euro
b) type 2 500 euro
bedrijven  
- boorbedrijf  
a) voor een eerste discipline 500 euro
b) per bijkomende discipline 125 euro
- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur 500 euro
categorie erkenning bedragdeskundigen - milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen 500 euro- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie 500 euro- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen 500 euro- MER-deskundige a) voor een eerste discipline 500 eurob) per bijkomende discipline 125 euro- VR-deskundige 500 euromilieucoördinatoren en milieuverificateurs - milieucoördinatoren 250 eurobodemsaneringsdeskundigen a) type 1 250 eurob) type 2 500 eurobedrijven - boorbedrijf a) voor een eerste discipline 500 eurob) per bijkomende discipline 125 euro- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur 500 euro
B. Retributie voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning
catégorie d'agrément montant
experts  
- expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses 500 euros
- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol 500 euros
- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations 500 euros
- expert MER  
a) pour une première discipline 500 euros
b) par discipline supplémentaire 125 euros
- expert en matière de rapports de sécurité 500 euros
coordinateurs environnementaux et vérificateurs environnementaux  
- coordinateurs environnementaux 250 euros
experts en matière d'assainissement du sol  
a) type 1 250 euros
b) type 2 500 euros
entreprises  
- entreprise de forage  
a) pour une première discipline 500 euros
b) par discipline supplémentaire 125 euros
- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie 500 euros
catégorie d'agrément montantexperts - expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses 500 euros- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol 500 euros- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations 500 euros- expert MER a) pour une première discipline 500 eurosb) par discipline supplémentaire 125 euros- expert en matière de rapports de sécurité 500 euroscoordinateurs environnementaux et vérificateurs environnementaux - coordinateurs environnementaux 250 eurosexperts en matière d'assainissement du sol a) type 1 250 eurosb) type 2 500 eurosentreprises - entreprise de forage a) pour une première discipline 500 eurosb) par discipline supplémentaire 125 euros- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie 500 euros
B. Rétribution pour l'exercice du contrôle sur l'agrément
categorie erkenning bedrag
deskundigen  
- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen 500 euro
- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie 500 euro
- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen 500 euro
- MER-deskundige  
a) voor een eerste discipline 500 euro
b) per bijkomende discipline 125 euro
- VR-deskundige 500 euro
- airco-energiedeskundige 125 euro
technici 
- technicus vloeibare brandstof 125 euro
- technicus gasvormige brandstof 125 euro
- technicus verwarmingsaudit 125 euro
- technicus stookolietanks 125 euro
- koeltechnicus 125 euro
- technicus voor brandbeveiligingsapparatuur 125 euro
- technicus voor elektrische schakelinrichtingen 125 euro
- technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat 125 euro
- technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen 30 euro
milieucoördinatoren en milieuverificateurs  
- milieucoördinatoren 250 euro
- milieuverificateurs 250 euro
bodemsaneringsdeskundigen  
a) type 1 250 euro
b) type 2 500 euro
bedrijven  
- boorbedrijf  
a) voor een eerste discipline 500 euro
b) per bijkomende discipline 125 euro
- koeltechnisch bedrijf 500 euro
- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur 500 euro
categorie erkenning bedragdeskundigen - milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen 500 euro- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie 500 euro- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen 500 euro- MER-deskundige a) voor een eerste discipline 500 eurob) per bijkomende discipline 125 euro- VR-deskundige 500 euro- airco-energiedeskundige 125 eurotechnici- technicus vloeibare brandstof 125 euro- technicus gasvormige brandstof 125 euro- technicus verwarmingsaudit 125 euro- technicus stookolietanks 125 euro- koeltechnicus 125 euro- technicus voor brandbeveiligingsapparatuur 125 euro- technicus voor elektrische schakelinrichtingen 125 euro- technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat 125 euro- technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen 30 euromilieucoördinatoren en milieuverificateurs - milieucoördinatoren 250 euro- milieuverificateurs 250 eurobodemsaneringsdeskundigen a) type 1 250 eurob) type 2 500 eurobedrijven - boorbedrijf a) voor een eerste discipline 500 eurob) per bijkomende discipline 125 euro- koeltechnisch bedrijf 500 euro- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur 500 euro
catégorie d'agrément montant
experts  
- expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses 500 euros
- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol 500 euros
- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations 500 euros
- expert MER  
a) pour une première discipline 500 euros
b) par discipline supplémentaire 125 euros
- expert en matière de rapports de sécurité 500 euros
- expert en climatisation 125 euros
techniciens :  
- technicien en combustibles liquides 125 euros
- technicien en combustibles gazeux 125 euros
- technicien en audit de chauffage 125 euros
- technicien en citernes à mazout 125 euros
- technicien frigoriste 125 euros
- technicien d'équipements de protection contre l'incendie 125 euros
- technicien d'appareils de commutation électrique 125 euros
- technicien d'équipements contenant des solvants 125 euros
- technicien de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur 30 euros
coordinateurs environnementaux et vérificateurs environnementaux 125 euros
- coordinateurs environnementaux 250 euros
- vérificateurs environnementaux 250 euros
experts en matière d'assainissement du sol  
a) type 1 250 euros
b) type 2 500 euros
entreprises  
- entreprise de forage  
a) pour une première discipline 500 euros
b) par discipline supplémentaire 125 euros
- entreprise frigorifique 500 euros
- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie 500 euros
catégorie d'agrément montantexperts - expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses 500 euros- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol 500 euros- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations 500 euros- expert MER a) pour une première discipline 500 eurosb) par discipline supplémentaire 125 euros- expert en matière de rapports de sécurité 500 euros- expert en climatisation 125 eurostechniciens : - technicien en combustibles liquides 125 euros- technicien en combustibles gazeux 125 euros- technicien en audit de chauffage 125 euros- technicien en citernes à mazout 125 euros- technicien frigoriste 125 euros- technicien d'équipements de protection contre l'incendie 125 euros- technicien d'appareils de commutation électrique 125 euros- technicien d'équipements contenant des solvants 125 euros- technicien de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur 30 euroscoordinateurs environnementaux et vérificateurs environnementaux 125 euros- coordinateurs environnementaux 250 euros- vérificateurs environnementaux 250 eurosexperts en matière d'assainissement du sol a) type 1 250 eurosb) type 2 500 eurosentreprises - entreprise de forage a) pour une première discipline 500 eurosb) par discipline supplémentaire 125 euros- entreprise frigorifique 500 euros- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie 500 euros
Art. N12. Bijlage 19 bij het VLAREL. - Identificatiegegevens als vermeld in artikel 27, § 2, 1°, a), en artikel 32
  1° in geval van een natuurlijke persoon :
  a) de voor- en achternaam;
  b) het privéadres;
  c) het rijksregisternummer;
  d) in voorkomend geval, de naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer en het adres van de werkgever;
  e) de contactgegevens van de aanvrager;
  f) als de erkenningsaanvraag uitgaat van een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep uitoefent : het ondernemingsnummer;
  2° in geval van een rechtspersoon :
  a) de naam;
  b) de rechtsvorm van de rechtspersoon die de aanvraag indient of namens wie ze wordt ingediend;
  c) het adres van de maatschappelijke zetel;
  d) het ondernemingsnummer;
  e) de identificatiegegevens van de personeelsleden en de erkenningen of beroepskwalificaties die ze bezitten;
  f) de identificatiegegevens van de bestuurders.
Art. N12. Annexe 19 au VLAREL - Données d'identification telles que visées à l'article 27, § 2, 1°, a), et l'article 32
  1° en cas d'une personne physique :
  a) les prénom et nom ;
  b) l'adresse privée ;
  c) le numéro du registre national :
  d) le cas échéant, le nom, la forme juridique, le numéro d'entreprise et l'adresse de l'employeur ;
  e) les données de contact du demandeur ;
  f) le numéro d'entreprise, lorsque la demande d'agrément émane d'une personne physique exerçant une profession indépendante ;
  2° en cas d'une personne morale :
  a) le nom ;
  b) la forme juridique de la personne morale qui introduit la demande ou au nom de laquelle la demande est introduite ;
  c) l'adresse du siège social ;
  d) le numéro d'entreprise ;
  e) les données d'identification des membres du personnel et leurs agréments ou qualifications professionnelles ;
  f) les données d'identification des administrateurs.
Art. N13. Bijlage 20 bij het VLAREL. - Lijst van de apparatuur, instrumenten en materialen die ten minste aanwezig zijn voor het afnemen van het praktische examen, vermeld in artikel 43/6, § 6
Art. N13. Annexe 20 au VLAREL - Liste de l'appareillage, des instruments et du matériel qui sont au moins présents pour l'organisation de l'examen pratique, visé à l'article 43/6, § 6
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
onderdelen van de koelinstallatie :
  - compressor
  - condensor
  - koelmiddelreservoir
  - filter of droger
  - elektromagnetisch ventiel
  - thermostatisch expansieventiel
  - verdamper
  - afsluitklep
  - veiligheids-, meet- en regelapparatuur : manometers, pressostaten en thermostaten
X X X X
- manifold en soepele verbindingen X X X  
- recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X  
- koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X  
- tweetrapsvacuümpomp X X   
weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 10 g X X X  
- vacuümmeter X X   
- elektronische lekdetector met een detectiegrens van ten minste 5 g/jaar X X  X
- zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X  X
- cilinder of een netwerk met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van een reduceerventiel en een debietregelaar X X   
- verbindingselementen, leidingen en dichtingen X X   
- snijgereedschap voor koperleidingen X X   
- ontbramer X X   
- buigapparaat of -tang X X   
- hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen en soepele verbindingen X X   
- aanhechtingsmateriaal voor hardsolderen X X   
- fosforbevattend aanhechtingsmateriaal met 5% zilver X X   
- beitsmiddel of reinigingsproduct X X   
- handgereedschap : sleutels, schroevendraaiers en tangen X X X  
- digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVonderdelen van de koelinstallatie :
  - compressor
  - condensor
  - koelmiddelreservoir
  - filter of droger
  - elektromagnetisch ventiel
  - thermostatisch expansieventiel
  - verdamper
  - afsluitklep
  - veiligheids-, meet- en regelapparatuur : manometers, pressostaten en thermostaten X X X X- manifold en soepele verbindingen X X X - recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X - koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X - tweetrapsvacuümpomp X X weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 10 g X X X - vacuümmeter X X - elektronische lekdetector met een detectiegrens van ten minste 5 g/jaar X X X- zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X X- cilinder of een netwerk met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van een reduceerventiel en een debietregelaar X X - verbindingselementen, leidingen en dichtingen X X - snijgereedschap voor koperleidingen X X - ontbramer X X - buigapparaat of -tang X X - hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen en soepele verbindingen X X - aanhechtingsmateriaal voor hardsolderen X X - fosforbevattend aanhechtingsmateriaal met 5% zilver X X - beitsmiddel of reinigingsproduct X X - handgereedschap : sleutels, schroevendraaiers en tangen X X X - digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
éléments de l'installation de réfrigération :
  - compresseur
  - condenseur
  - réservoir d'agents réfrigérants
  - filtre ou séchoir
  - soupape électromagnétique
  - soupape d'expansion thermostatique
  - évaporateur
  - soupape d'obturation
  - appareils de sécurité, de mesurage et de réglage : manomètres, pressostats et thermostats
X X X X
-- manifold et raccords souples X X X  
-- groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X  
-- cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X  
-- pompe à vide à deux étages X X   
-- balance avec précision d'indication d'au moins 10 g X X X  
-- vacumètre X X   
-- détecteur électronique de fuites ayant une limite de détection d'au moins 5 g/an X X  X
-- solution savonneuse ou produit similaire X X  X
-- cylindre ou réseau à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre X X   
-- éléments de raccordement, conduites et joints X X   
-- outils pour couper des conduites en cuivre X X   
-- ébarbeur X X   
-- appareil ou pince de pliage X X   
-- installation de brasage avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène, conduites pourvue de soupapes de non-retour et raccords souples X X   
-- matériaux d'adhésion pour brasage X X   
-- matériaux d'adhésion au phosphore avec 5% d'argent X X   
-- décapant ou produit de nettoyage X X   
-- outillage à main : clefs, tournevis et pinces X X X  
-- thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVéléments de l'installation de réfrigération :
  - compresseur
  - condenseur
  - réservoir d'agents réfrigérants
  - filtre ou séchoir
  - soupape électromagnétique
  - soupape d'expansion thermostatique
  - évaporateur
  - soupape d'obturation
  - appareils de sécurité, de mesurage et de réglage : manomètres, pressostats et thermostats X X X X-- manifold et raccords souples X X X -- groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X -- cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X -- pompe à vide à deux étages X X -- balance avec précision d'indication d'au moins 10 g X X X -- vacumètre X X -- détecteur électronique de fuites ayant une limite de détection d'au moins 5 g/an X X X-- solution savonneuse ou produit similaire X X X-- cylindre ou réseau à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre X X -- éléments de raccordement, conduites et joints X X -- outils pour couper des conduites en cuivre X X -- ébarbeur X X -- appareil ou pince de pliage X X -- installation de brasage avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène, conduites pourvue de soupapes de non-retour et raccords souples X X -- matériaux d'adhésion pour brasage X X -- matériaux d'adhésion au phosphore avec 5% d'argent X X -- décapant ou produit de nettoyage X X -- outillage à main : clefs, tournevis et pinces X X X -- thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X
Art. N14. Bijlage 21 bij het VLAREL. - Minimale technische uitrusting als vermeld in artikel 53/7, 7°
Art. N14. Annexe 21 au VLAREL - Equipement technique minimal tel que visé à l'article 53/7, 7°
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
manifold met soepele verbindingen X X X  
recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X  
koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X  
tweetrapsvacuümpomp X X   
weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,01 kg voor koelmiddelcilinders met een inhoud aan koelmiddel die kleiner is dan 30 kg, met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,1 kg voor koelmiddelcilinders met een koelmiddelinhoud die groter is dan of gelijk is aan 30 kg, en met een minimale aanwijsnauwkeurigheid van 0,3% van de koelmiddelinhoud van de koelmiddelcilinder voor koelmiddelcilinders met een inhoud vanaf 300 kg X X X  
vacuümmeter X X   
elektronische lekdetector met een lekdetectiegevoeligheid van ten minste 5 g/jaar X X  X
zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X   
cilinder met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van reduceerventiel en debietmeter X X   
digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X   
hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen X X   
elektrische multimeter X X   
ampèremeter X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVmanifold met soepele verbindingen X X X recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X tweetrapsvacuümpomp X X weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,01 kg voor koelmiddelcilinders met een inhoud aan koelmiddel die kleiner is dan 30 kg, met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,1 kg voor koelmiddelcilinders met een koelmiddelinhoud die groter is dan of gelijk is aan 30 kg, en met een minimale aanwijsnauwkeurigheid van 0,3% van de koelmiddelinhoud van de koelmiddelcilinder voor koelmiddelcilinders met een inhoud vanaf 300 kg X X X vacuümmeter X X elektronische lekdetector met een lekdetectiegevoeligheid van ten minste 5 g/jaar X X Xzeepoplossing of een vergelijkbaar product X X cilinder met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van reduceerventiel en debietmeter X X digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen X X elektrische multimeter X X ampèremeter X X
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
manifold et raccords souples X X X  
groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X  
cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X  
pompe à vide à deux étages X X   
balance avec précision d'indication d'au moins 0,01 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de moins de 30 kg, avec précision d'indication d'au moins 0,1 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de plus de 30 kg, et avec précision d'indication d'au moins 0,3% du contenu en agents réfrigérants du cylindre pour agents réfrigérants pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu à partir de 300 kg X X X  
vacumètre X X   
détecteur électronique de fuites ayant une sensibilité de détection de fuites d'au moins 5 g/an X X  X
solution savonneuse ou produit similaire X X   
cylindre à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre) X X   
thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X   
installation de brasage fort avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène et conduites, pourvue de clapets antiretour X X   
multimètre électrique X X   
ampèremètre X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVmanifold et raccords souples X X X groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X pompe à vide à deux étages X X balance avec précision d'indication d'au moins 0,01 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de moins de 30 kg, avec précision d'indication d'au moins 0,1 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de plus de 30 kg, et avec précision d'indication d'au moins 0,3% du contenu en agents réfrigérants du cylindre pour agents réfrigérants pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu à partir de 300 kg X X X vacumètre X X détecteur électronique de fuites ayant une sensibilité de détection de fuites d'au moins 5 g/an X X Xsolution savonneuse ou produit similaire X X cylindre à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre) X X thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X installation de brasage fort avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène et conduites, pourvue de clapets antiretour X X multimètre électrique X X ampèremètre X X
Art. N15. Bijlage 22 bij het VLAREL - Lijst met minimumgegevens voor het overzicht van de koeltechnische bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn als vermeld in artikel 53/9, 4°
  1° de naam van het bedrijf;
  2° de rechtsvorm van het bedrijf;
  3° het adres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetels;
  4° het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
  5° het telefoonnummer van het bedrijf;
  6° het e-mailadres van het bedrijf;
  7° de voor- en achternaam van de directeur van het bedrijf;
  8° de voor- en achternaam, de geboortedatum en -plaats, het certificaatnummer en de categorie van de koeltechnici;
  9° het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan het bedrijf en de aanvangsdatum van de erkenning.
Art. N15. Annexe 22 au VLAREL - Liste des informations minimales pour l'aperçu des entreprises frigorifiques qui ont fait l'objet d'un contrôle satisfaisant tel que visé à l'article 53/9, 4°
  1° nom de l'entreprise ;
  2° la forme juridique de l'entreprise ;
  3° l'adresse du siège social et des sièges d'exploitation ;
  4° le numéro d'entreprise et le numéro d'établissement ;
  5° le numéro de téléphone de l'entreprise ;
  6° l'adresse e-mail de l'entreprise ;
  7° les prénom et nom du directeur de l'entreprise ;
  8° les prénoms et noms, les dates et lieux de naissance, et les numéros de certificat et les catégories des techniciens frigoristes ;
  9° le numéro d'agrément attribué à l'entreprise et la date de début de l'agrément.