Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 MAART 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules [...] van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs [Opschrift gewijzigd door AGF2021-02-26/32, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2021](NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-04-2016 en tekstbijwerking tot 23-04-2021)
Titre
18 MARS 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux modules d'alphabétisation [...] des formations professionnelles de l'enseignement secondaire des adultes aboutissant à un diplôme [Intitulé modifié par AGF2021-02-26/32, art. 16, 002; En vigueur : 01-02-2021](NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-04-2016 et mise à jour au 23-04-2021)
Documentinformatie
Numac: 2016035689
Datum: 2016-03-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016035689
Date: 2016-03-18
Moniteur: Voir
Tekst (9)
Texte (6)
Artikel 1. [1 Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs worden voor de opleidingsprofielen van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, opgenomen in bijlage IX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs, de volgende geletterdheidsmodules vastgelegd:
   1° Nederlands en Leren leren in bijlage 1;
   2° Regie van het eigen leren in bijlage 3.]1

  
Article 1er. [1 En exécution de l'article 24, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, les modules d'alphabétisation suivants sont définis pour les profils de formation des formations professionnelles de l'enseignement secondaire des adultes aboutissant à un diplôme reprises à l'annexe IX à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 relatif à la validation des études dans l'éducation des adultes :
   3° Néerlandais et Apprendre à apprendre à l'annexe 1re ;
   4° Régie de l'apprentissage personnel à l'annexe 3.]1

  
Art. 2. [1 De geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 1, 2°, worden uiterlijk tijdens het schooljaar 2024-2025 geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie worden besproken met de pedagogische begeleidingsdiensten en het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs.]1
  
Art. 2. [1 Les modules d'alphabétisation visés à l'article 1er, 2°, seront évalués au plus tard au cours de l'année scolaire 2024-2025. Les résultats de cette évaluation seront discutés avec les services d'encadrement pédagogique et le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes.]1
  
Art. 3. Ter uitvoering van artikel 25bis van hetzelfde decreet worden de basiscompetenties voor het organiseren van de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren in de vorm van een open module vastgelegd in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 3. En exécution de l'article 25bis du même décret, les compétences de base pour l'organisation des modules d'alphabétisation " Nederlands " et " Leren leren " sous forme d'un module ouvert sont fixées à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2016.
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er février 2016.
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - GELETTERDHEIDSMODULES NEDERLANDS EN LEREN LEREN BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS
  Inhoud
  1 Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs
  1.1. Certificering
  1.2. Niveau
  1.3 Modules
  1.4 Leertraject
  2. Basiscompetenties
  2.1. Tekstkenmerken Lezen
  2.2. Tekstkenmerken Luisteren
  2.3. Mondelinge interactie
  2.4. Schrijven
  2.5. Spreken
  3. Geletterdheidsmodules
  3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901)
  3.1.1. Situering van de module
  3.1.2. Instapvereisten voor de module
  3.1.3. Studieduur
  3.1.4. Basiscompetenties
  3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902)
  3.2.1. Situering van de module
  3.2.2. Instapvereisten voor de module
  3.2.3. Studieduur
  3.2.4. Basiscompetenties
  3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903)
  3.3.1. Situering van de module
  3.3.2. Instapvereisten voor de module
  3.3.3. Studieduur
  3.3.4. Basiscompetenties
  3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904)
  3.4.1. Situering van de module
  3.4.2. Instapvereisten voor de module
  3.4.3. Studieduur
  3.4.4. Basiscompetenties
  3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905)
  3.5.1. Situering van de module
  3.5.2. Instapvereisten voor de module
  3.5.3. Studieduur
  3.5.4. Basiscompetenties
  3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906)
  3.6.1. Situering van de module
  3.6.2. Instapvereisten voor de module
  3.6.3. Studieduur
  3.6.4. Basiscompetenties
  3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921)
  3.7.1. Situering van de module
  3.7.2. Instapvereisten voor de module
  3.7.3. Studieduur
  3.7.4. Basiscompetenties
  3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924)
  3.8.1. Situering van de module
  3.8.2. Instapvereisten voor de module
  3.8.3. Studieduur
  3.8.4. Basiscompetenties
  3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925)
  3.9.1. Situering van de module
  3.9.2. Instapvereisten voor de module
  3.9.3. Studieduur
  3.9.4. Basiscompetenties
  3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907)
  3.10.1. Situering van de module
  3.10.2. Instapvereisten voor de module
  3.10.3. Studieduur
  3.10.4. Basiscompetenties
  3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922)
  3.11.1. Situering van de module
  3.11.2. Instapvereisten voor de module
  3.11.3. Studieduur
  3.11.4. Basiscompetenties
  3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908)
  3.12.1. Situering van de module
  3.12.2. Instapvereisten voor de module
  3.12.3. Studieduur
  3.12.4. Basiscompetenties
  3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923)
  3.13.1. Situering van de module
  3.13.2. Instapvereisten voor de module
  3.13.3. Studieduur
  3.13.4. Basiscompetenties
  3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909)
  3.14.1. Situering van de module
  3.14.2. Instapvereisten voor de module
  3.14.3. Studieduur
  3.14.4. Basiscompetenties
  3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910)
  3.15.1. Situering van de module
  3.15.2. Instapvereisten voor de module
  3.15.3. Studieduur
  3.15.4. Basiscompetenties
  3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911)
  3.16.1. Situering van de module
  3.16.2. Instapvereisten voor de module
  3.16.3. Studieduur
  3.16.4. Basiscompetenties
  3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912)
  3.17.1. Situering van de module
  3.17.2. Instapvereisten voor de module
  3.17.3. Studieduur
  3.17.4. Basiscompetenties
  3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913)
  3.18.1. Situering van de module
  3.18.2. Instapvereisten voor de module
  3.18.3. Studieduur
  3.18.4. Basiscompetenties
  3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914)
  3.19.1. Situering van de module
  3.19.2. Instapvereisten voor de module
  3.19.3. Studieduur
  3.19.4. Basiscompetenties
  3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915)
  3.20.1. Situering van de module
  3.20.2. Instapvereisten voor de module
  3.20.3. Studieduur
  3.20.4. Basiscompetenties
  3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916)
  3.21.1. Situering van de module
  3.21.2. Instapvereisten voor de module
  3.21.3. Studieduur
  3.21.4. Basiscompetenties
  3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917)
  3.22.1. Situering van de module
  3.22.2. Instapvereisten voor de module
  3.22.3. Studieduur
  3.22.4. Basiscompetenties
  3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918)
  3.23.1. Situering van de module
  3.23.2. Instapvereisten voor de module
  3.23.3. Studieduur
  3.23.4. Basiscompetenties
  3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919)
  3.24.1. Situering van de module
  3.24.2. Instapvereisten voor de module
  3.24.3. Studieduur
  3.24.4. Basiscompetenties
  3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920)
  3.25.1. Situering van de module
  3.25.2. Instapvereisten voor de module
  3.25.3. Studieduur
  3.25.4. Basiscompetenties
-
  1. Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs
  1.1. Certificering
  Elke module wordt bekrachtigd met een deelcertificaat.
  1.2. Niveau
  De geletterdheidsmodules situeren zich op het niveau secundair volwassenenonderwijs.
  1.3 Modules
-
Naam Code Lestijden
GELETTERDHEIDSMODULES   
Hoe leer ik? LM SV G901 20
Optimaliseren van het leren LM SV G902 20
Coöperatief leren LM SV G903 20
Bewust kiezen LM SV G904 10
Oplossingsgericht handelen LM SV G905 10
Schriftelijke informatie verwerven en verwerken LM SV G906 10
Mondelinge informatie verwerven en verwerken LM SV G921 10
Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen LM SV G924 20
Mondelinge informatie verwerven en beoordelen LM SV G925 20
Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen LM SV G907 10
Mondelinge informatie verwerken en beoordelen LM SV G922 10
Schriftelijke informatie kritisch beoordelen LM SV G908 20
Mondelinge informatie kritisch beoordelen LM SV G923 20
Actief les volgen LM SV G909 12
Participeren aan de les LM SV G910 16
Opdrachten aanpakken LM SV G911 10
Opdrachten planmatig uitvoeren LM SV G912 10
Verslagen maken LM SV G913 20
Rapporten maken LM SV G914 20
Spreken voor een groep LM SV G915 20
Presenteren voor een groep LM SV G916 20
Zich voorbereiden op leren op de werkvloer LM SV G917 20
Samenwerken met collega's LM SV G918 20
Zich voorbereiden op de evaluatie LM SV G919 8
Zich voorbereiden op solliciteren LM SV G920 12
Naam Code LestijdenGELETTERDHEIDSMODULES Hoe leer ik? LM SV G901 20Optimaliseren van het leren LM SV G902 20Coöperatief leren LM SV G903 20Bewust kiezen LM SV G904 10Oplossingsgericht handelen LM SV G905 10Schriftelijke informatie verwerven en verwerken LM SV G906 10Mondelinge informatie verwerven en verwerken LM SV G921 10Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen LM SV G924 20Mondelinge informatie verwerven en beoordelen LM SV G925 20Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen LM SV G907 10Mondelinge informatie verwerken en beoordelen LM SV G922 10Schriftelijke informatie kritisch beoordelen LM SV G908 20Mondelinge informatie kritisch beoordelen LM SV G923 20Actief les volgen LM SV G909 12Participeren aan de les LM SV G910 16Opdrachten aanpakken LM SV G911 10Opdrachten planmatig uitvoeren LM SV G912 10Verslagen maken LM SV G913 20Rapporten maken LM SV G914 20Spreken voor een groep LM SV G915 20Presenteren voor een groep LM SV G916 20Zich voorbereiden op leren op de werkvloer LM SV G917 20Samenwerken met collega's LM SV G918 20Zich voorbereiden op de evaluatie LM SV G919 8Zich voorbereiden op solliciteren LM SV G920 12
1.4 Leertraject
-
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-04-2016, p. 28414)
  2. Basiscompetenties
  De basiscompetenties van de geletterdheidsmodules worden geselecteerd uit de Matrix Nederlands en leren leren (Hier link plaatsen: AKOV).
  Een centrum moet de basiscompetenties met zijn cursisten bereiken (resultaatsverplichting). Basiscompetenties met een * moet het centrum met zijn cursisten nastreven (inspanningsverplichting).
  De basiscompetenties Nederlands zijn in de geletterdheidsmodules steeds gekoppeld aan tekstkenmerken. De tekstkenmerken moeten als deel van de basiscompetenties gelezen worden. De dragers zijn zowel digitaal als niet-digitaal zijn.
  De codes van de basiscompetenties (zie verder onder punt 3: Geletterdheidsmodules) verwijzen naar de codes uit de matrix.
  2.1. Tekstkenmerken Lezen
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp    
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen.
  Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid    
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit    
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen.
  Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
2.2. Tekstkenmerken Luisteren
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen.
  Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor.
  In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid    
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen.
  Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor.
  In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
2.3. Mondelinge interactie
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor.
Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen.
Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
  Er wordt rustig gesproken.
Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken.
Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
  Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
  Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
  Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
2.4. Schrijven
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid    
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit    
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
2.5. Spreken
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype .
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor.
Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen.
Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
  Er wordt rustig gesproken.
Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken.
Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
  Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype .
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
  Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
  Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
  Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
  Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
3. Geletterdheidsmodules
  3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901)
  3.1.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module is vooral gericht op startende cursisten bij wie op basis van de intake vastgesteld wordt dat zij over onvoldoende leervaardigheden beschikken. In deze module verwerven de cursisten inzicht in het eigen leerproces en de eigen leerstijl. Dit inzicht is nodig om de cursisten in staat te stellen het eigen leerproces bij te sturen.
  3.1.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.1.3. Studieduur
  20 Lt
  3.1.4. Basiscompetenties
  3.1.4.1. Leren leren
-
Module Hoe leer ik? Code
De cursist  
motiveert zichzelf bij het eigen leerproces BC LM 360
gaat met druk om in het eigen leerproces BC LM 361
is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362
is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363
is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces BC LM 364
wil met feedback omgaan BC LM 367
beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368
heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces BC LM 369
vraagt hulp bij het eigen leerproces BC LM 385
zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces BC LM 386
bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387
reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389
reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390
reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391
reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392
ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen BC LM 401*
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
ontwikkelt inzicht in sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404*
Module Hoe leer ik? CodeDe cursist motiveert zichzelf bij het eigen leerproces BC LM 360gaat met druk om in het eigen leerproces BC LM 361is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces BC LM 364wil met feedback omgaan BC LM 367beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces BC LM 369vraagt hulp bij het eigen leerproces BC LM 385zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces BC LM 386bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen BC LM 401*ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*ontwikkelt inzicht in sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404*
3.1.4.2. Nederlands
-
Module Hoe leer ik? Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Hoe leer ik? CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902)
  3.2.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Een competentiegerichte visie op leren en onderwijzen houdt onder meer in dat de cursisten in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces moeten opnemen. In deze module verwerven de cursisten de noodzakelijke inzichten en vaardigheden om hun leerproces te optimaliseren, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden tot transfer.
  3.2.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.2.3. Studieduur
  20 Lt
  3.2.4. Basiscompetenties
  3.2.4.1. Leren leren
-
Module Optimaliseren van het leren Code
De cursist  
heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370
heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten BC LM 371
heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën BC LM 372
heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen BC LM 373
heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces BC LM 374
bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376
volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377
evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378
evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379
evalueert het doorgemaakte leerproces BC LM 381
ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn BC LM 382
zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in BC LM 384
reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392
reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393
reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395
reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*
ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408*
ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
Module Optimaliseren van het leren CodeDe cursist heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten BC LM 371heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën BC LM 372heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen BC LM 373heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces BC LM 374bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379evalueert het doorgemaakte leerproces BC LM 381ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn BC LM 382zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in BC LM 384reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces BC LM 392reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408*ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
3.2.4.2. Nederlands
-
Module Optimaliseren van het leren Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Optimaliseren van het leren CodeLezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903)
  3.3.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het leren van en met elkaar. Dit veronderstelt dat de cursisten over voldoende samenwerkingsvaardigheden beschikken om middels coöperatief leren tot de gewenste leerresultaat te komen. Deze module richt zich op cursisten bij wie die in de loop van de opleiding blijkt dat ze moeilijk kunnen samenwerken met anderen omdat zij onvoldoende instaat zijn en/of bereid zijn rekening te houden met anderen of hun gedrag op de ander af te stemmen.
  3.3.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.3.3. Studieduur
  20 Lt
  3.3.4. Basiscompetenties
  3.3.4.1. Leren leren
-
Module Coöperatief leren Code
De cursist  
erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken BC LM 310
is bereid met iedereen samen te werken BC LM 311
motiveert zichzelf tot samenwerken BC LM 312
motiveert anderen tot samenwerken BC LM 313
behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep BC LM 314
aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking BC LM 316
is bereid het eigen kennen en kunnen in te brengen BC LM 317
is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen BC LM 318
is bereid om de eigen situatie in te brengen BC LM 319
staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 320
is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden BC LM 321
staat open voor de mening van de andere BC LM 324
is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325
wil iets aan anderen overlaten BC LM 328
apprecieert ieders inbreng BC LM 329
aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet BC LM 330
erkent de eigen invloed op de andere BC LM 331
erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden BC LM 332
schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 335
ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 337
stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking BC LM 342
verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349
levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat BC LM 352
zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353
brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354
brengt verslag uit over het samenwerkingsproces BC LM 358
presenteert het resultaat van de samenwerking BC LM 359
is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362
ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen. BC LM 404*
Module Coöperatief leren CodeDe cursist erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken BC LM 310is bereid met iedereen samen te werken BC LM 311motiveert zichzelf tot samenwerken BC LM 312motiveert anderen tot samenwerken BC LM 313behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep BC LM 314aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking BC LM 316is bereid het eigen kennen en kunnen in te brengen BC LM 317is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen BC LM 318is bereid om de eigen situatie in te brengen BC LM 319staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 320is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden BC LM 321staat open voor de mening van de andere BC LM 324is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325wil iets aan anderen overlaten BC LM 328apprecieert ieders inbreng BC LM 329aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet BC LM 330erkent de eigen invloed op de andere BC LM 331erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden BC LM 332schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 335ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 337stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking BC LM 342verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat BC LM 352zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354brengt verslag uit over het samenwerkingsproces BC LM 358presenteert het resultaat van de samenwerking BC LM 359is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen. BC LM 404*
3.3.4.2. Nederlands
-
Module Coöperatief leren Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077
ordent informatie uit instructies BC LM 087
vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092
beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 097
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
neemt verschillende rollen op zich in een discussie BC LM 103
volgt de gedachtegang in een discussie BC LM 104
onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie BC LM 105
stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie BC LM 106
levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 107
drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 108
verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie BC LM 109
beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 110
trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze BC LM 111
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Module Coöperatief leren CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077ordent informatie uit instructies BC LM 087vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 097Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist neemt verschillende rollen op zich in een discussie BC LM 103volgt de gedachtegang in een discussie BC LM 104onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie BC LM 105stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie BC LM 106levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 107drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 108verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie BC LM 109beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 110trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze BC LM 111Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153
3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904)
  3.4.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Reeds bij de start van een opleiding moeten cursisten verschillende keuzes maken. Om te voorkomen dat cursisten vroegtijdig afhaken of faalervaringen opdoen, is het belangrijk dat ze de voor hen juiste keuze maken. In deze module verwerven startende cursisten de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om op een overwogen wijze een keuze te maken.
  3.4.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.4.3. Studieduur
  10 Lt
  3.4.4. Basiscompetenties
  3.4.4.1. Leren leren
-
Module Bewust kiezen Code
De cursist  
erkent dat een keuze maken nodig is BC LM 220
is bereid een keuze te maken BC LM 221
durft een keuze te maken BC LM 222
houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid BC LM 223
is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 224
erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 225
herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 229
analyseert elke stap in een keuzeproces BC LM 230
herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 231
expliciteert keuzemogelijkheden BC LM 232
weegt keuzes af BC LM 234
maakt een keuze BC LM 235
ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 236
weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 237
visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 239
erkent een probleem BC LM 286
aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem BC LM 287
aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden BC LM 288
is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken BC LM 289
durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen BC LM 290
wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 291
herkent een probleem BC LM 293
herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 294
ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295
inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 297
bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 298
visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303
voert een oplossingsplan uit BC LM 304
reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
Module Bewust kiezen CodeDe cursist erkent dat een keuze maken nodig is BC LM 220is bereid een keuze te maken BC LM 221durft een keuze te maken BC LM 222houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid BC LM 223is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 224erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 225herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 229analyseert elke stap in een keuzeproces BC LM 230herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 231expliciteert keuzemogelijkheden BC LM 232weegt keuzes af BC LM 234maakt een keuze BC LM 235ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 236weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 237visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 239erkent een probleem BC LM 286aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem BC LM 287aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden BC LM 288is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken BC LM 289durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen BC LM 290wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 291herkent een probleem BC LM 293herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 294ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 297bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 298visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303voert een oplossingsplan uit BC LM 304reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
3.4.4.2. Nederlands
-
Module Bewust kiezen Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Bewust kiezen CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023ordent informatie uit studieteksten BC LM 030ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905)
  3.5.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module richt zich op cursisten van wie de keuzebekwaamheid moet worden geoptimaliseerd in functie van het verder verloop van de opleiding, maar ook in functie van het leven na de opleiding.
  In deze module worden de aanwezige inzichten en vaardigheden verder uitgediept en uitgebreid. Daarbij gaat veel aandacht naar het ontwikkelen van vaardigheden om oplossingsgericht om te gaan met verkeerde keuzes en de daaraan gekoppelde gevolgen.
  3.5.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.5.3. Studieduur
  10 Lt
  3.5.4. Basiscompetenties
  3.5.4.1. Leren leren
-
Module Oplossingsgericht handelen Code
De cursist  
aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 226
neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan BC LM 227
heeft inzicht in keuzestrategieën BC LM 233
maakt een keuze BC LM 235
bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij BC LM 238
visualiseert het keuzeproces BC LM 240
zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 241
volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 242
stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij BC LM 243
verantwoordt een gemaakte keuze BC LM 244
analyseert een probleem BC LM 296
ontwerpt een oplossingsplan BC LM 299
benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 300
maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze BC LM 301
beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing BC LM 302
visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303
voert een oplossingsplan uit BC LM 304
volgt een oplossingsplan op BC LM 305
stelt een oplossingsplan bij BC LM 306
past een oplossingsmethode toe BC LM 307
volgt een oplossingsmethode op BC LM 308
stelt een oplossingsmethode bij BC LM 309
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
Module Oplossingsgericht handelen CodeDe cursist aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 226neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan BC LM 227heeft inzicht in keuzestrategieën BC LM 233maakt een keuze BC LM 235bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij BC LM 238visualiseert het keuzeproces BC LM 240zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 241volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 242stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij BC LM 243verantwoordt een gemaakte keuze BC LM 244analyseert een probleem BC LM 296ontwerpt een oplossingsplan BC LM 299benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 300maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze BC LM 301beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing BC LM 302visualiseert een probleem en de aanpak ervan BC LM 303voert een oplossingsplan uit BC LM 304volgt een oplossingsplan op BC LM 305stelt een oplossingsplan bij BC LM 306past een oplossingsmethode toe BC LM 307volgt een oplossingsmethode op BC LM 308stelt een oplossingsmethode bij BC LM 309ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
3.5.4.2. Nederlands
-
Module Oplossingsgericht handelen Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061
trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Oplossingsgericht handelen CodeLezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906)
  3.6.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van schriftelijke informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van schriftelijke informatie.
  3.6.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.6.3. Studieduur
  10 Lt
  3.6.4. Basiscompetenties
  3.6.4.1. Leren leren
-
Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken Code
De cursist  
is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248
herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250
kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251
raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252
stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255
durft informatie selecteren BC LM 259
gaat discreet om met informatie BC LM 261
wil met informatie correct omgaan BC LM 262
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264
oriënteert zich in informatie BC LM 265
begrijpt informatie BC LM 266
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken CodeDe cursist is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255durft informatie selecteren BC LM 259gaat discreet om met informatie BC LM 261wil met informatie correct omgaan BC LM 262houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264oriënteert zich in informatie BC LM 265begrijpt informatie BC LM 266onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
3.6.4.2. Nederlands
-
Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 007
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 015
zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023
zoekt informatie in instructies BC LM 026
ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033
ordent informatie uit instructies BC LM 035
vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043
vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 046
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 005achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 007onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 013onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 015zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 023zoekt informatie in instructies BC LM 026ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 033ordent informatie uit instructies BC LM 035vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie BC LM 043vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 046Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921)
  3.7.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van mondelinge informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van mondelinge informatie.
  3.7.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.7.3. Studieduur
  10 Lt
  3.7.4. Basiscompetenties
  3.7.4.1. Leren leren
-
Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken Code
De cursist  
is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248
herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250
kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251
raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252
stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255
durft informatie selecteren BC LM 259
gaat discreet om met informatie BC LM 261
wil met informatie correct omgaan BC LM 262
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264
oriënteert zich in informatie BC LM 265
begrijpt informatie BC LM 266
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken CodeDe cursist is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 248herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 250kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 252stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 255durft informatie selecteren BC LM 259gaat discreet om met informatie BC LM 261wil met informatie correct omgaan BC LM 262houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264oriënteert zich in informatie BC LM 265begrijpt informatie BC LM 266onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
3.7.4.2. Nederlands
-
Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 071
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 076
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077
zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 081
zoekt informatie in instructies BC LM 082
ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 086
ordent informatie uit instructies BC LM 087
vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 071achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies BC LM 072onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 076onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies BC LM 077zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 081zoekt informatie in instructies BC LM 082ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal BC LM 086ordent informatie uit instructies BC LM 087vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie BC LM 092Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102
3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924)
  3.8.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een paper of portfolio hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie.
  3.8.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.8.3. Studieduur
  20 Lt
  3.8.4. Basiscompetenties
  3.8.4.1. Leren leren
-
Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen Code
De cursist  
toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273
exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274
legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278
verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen CodeDe cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
3.8.4.2. Nederlands
-
Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047
beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050
beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059
trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061
trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 168
verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 169
schrijft een mondelinge presentatie uit BC LM 178
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 168verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 169schrijft een mondelinge presentatie uit BC LM 178Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  stelt een bibliografie op BC LM 198
3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925)
  3.9.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een presentatie hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van mondelinge informatie.
  3.9.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.9.3. Studieduur
  20 Lt
  3.9.4. Basiscompetenties
  3.9.4.1. Leren leren
-
Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen Code
De cursist  
toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273
exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274
legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278
verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen CodeDe cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
3.9.4.2. Nederlands
-
Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073
zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078
ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088
beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093
trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203
stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907)
  3.10.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om doelgericht schriftelijke informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid.
  3.10.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.10.3. Studieduur
  10 Lt
  3.10.4. Basiscompetenties
  3.10.4.1. Leren leren
-
Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen Code
De cursist  
beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253
gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257
hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258
schat informatie naar waarde BC LM 260
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264
geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268
begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272
beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275
maakt uit informatie een keuze BC LM 276
roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277
gaat correct om met verworven informatie BC LM 279
neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283
gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406*
Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen CodeDe cursist beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258schat informatie naar waarde BC LM 260houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275maakt uit informatie een keuze BC LM 276roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277gaat correct om met verworven informatie BC LM 279neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd BC LM 406*
3.10.4.2. Nederlands
-
Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047
beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050
beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059
trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061
trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen CodeLezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie BC LM 047beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 059trekt een conclusie uit studieteksten BC LM 061trekt een conclusie uit grafische voorstellingen BC LM 065Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922)
  3.11.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om doelgericht mondelinge informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid.
  3.11.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.11.3. Studieduur
  10 Lt
  3.11.4. Basiscompetenties
  3.11.4.1. Leren leren
-
Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen Code
De cursist  
beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253
gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257
hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258
schat informatie naar waarde BC LM 260
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264
geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268
begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272
beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275
maakt uit informatie een keuze BC LM 276
roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277
gaat correct om met verworven informatie BC LM 279
neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283
gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285
reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393
reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen CodeDe cursist beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 253gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 257hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258schat informatie naar waarde BC LM 260houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren BC LM 264geeft informatie met eigen woorden weer BC LM 268begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 272beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 275maakt uit informatie een keuze BC LM 276roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 277gaat correct om met verworven informatie BC LM 279neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 283gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel BC LM 285reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
3.11.4.2. Nederlands
-
Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073
zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078
ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088
beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093
trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102
3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908)
  3.12.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van een eindwerk of wanneer cursisten willen doorstromen naar hoger onderwijs hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie.
  3.12.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.12.3. Studieduur
  20 Lt
  3.12.4. Basiscompetenties
  3.12.4.1. Leren leren
-
Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen Code
De cursist  
toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273
exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274
legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278
verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen CodeDe cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
3.12.4.2. Nederlands
-
Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten BC LM 002
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten BC LM 003
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten BC LM 011
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten BC LM 012
zoekt informatie in journalistieke teksten BC LM 019
zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten BC LM 020
ordent informatie uit journalistieke teksten BC LM 031
ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 032
vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 039
vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 040
beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 051
beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 052
trekt een conclusie uit journalistieke teksten BC LM 062
trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 063
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden 
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Schrijven 
Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 
De cursist 
verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 168
verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 169
schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 175
schrijft een mondelinge presentatie uitBC LM 178
Strategieën 
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen CodeLezen Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten BC LM 002achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten BC LM 003onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten BC LM 011onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten BC LM 012zoekt informatie in journalistieke teksten BC LM 019zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten BC LM 020ordent informatie uit journalistieke teksten BC LM 031ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 032vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 039vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 040beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 051beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 052trekt een conclusie uit journalistieke teksten BC LM 062trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten BC LM 063Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoelBC LM 066Taaltechnische vaardighedenDe cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze inBC LM 067SchrijvenTekstkenmerken niveau C, zie punt 2De cursistverwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 168verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 169schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 175schrijft een mondelinge presentatie uitBC LM 178StrategieënDe cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoelBC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923)
  3.13.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten die in staat zijn om mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van een eindwerk of wanneer cursisten willen doorstromen naar hoger onderwijs hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van mondelinge informatie.
  3.13.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.13.3. Studieduur
  20 Lt
  3.13.4. Basiscompetenties
  3.13.4.1. Leren leren
-
Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen Code
De cursist  
toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273
exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274
legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278
verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen CodeDe cursist toetst informatie aan het eigen referentiekader BC LM 273exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen BC LM 274legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën BC LM 409*
3.13.4.2. Nederlands
-
Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 069
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 070
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 074
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 075
zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 079
zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 080
ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 084
ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 085
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 089
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 090
beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 094
beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 095
trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 099
trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 100
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Spreken  
Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2  
De cursist  
stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203
stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 069achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 070onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 074onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 075zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 079zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 080ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 084ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 085vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 089vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 090beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 094beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 095trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten BC LM 099trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten BC LM 100Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Spreken Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909)
  3.14.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten onderschatten vaak het belang van het aandachtig volgen van de lessen en missen daardoor de aangeboden hulp bij het verwerken van de leerstof. In deze module verwerven startende cursisten de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om van lesmomenten leermomenten te maken. Cursisten leren in deze module luistervaardigheden toe te passen bij eenvoudige informatie die mondeling wordt aangeboden. Daarnaast oefenen zij schrijfvaardigheden in functie van het maken van goede lesnotities.
  3.14.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.14.3. Studieduur
  12 Lt
  3.14.4. Basiscompetenties
  3.14.4.1. Leren leren
-
Module Actief les volgen Code
De cursist  
erkent de nood aan informatie BC LM 245
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
is bereid de groepsregels te respecteren BC LM 315
ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
Module Actief les volgen CodeDe cursist erkent de nood aan informatie BC LM 245registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281is bereid de groepsregels te respecteren BC LM 315ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
3.14.4.2. Nederlands
-
Module Actief les volgen Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073
zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078
ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
o De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek BC LM 121
onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek BC LM 122
stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek BC LM 123
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip BC LM 154
maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Actief les volgen CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden o De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek BC LM 121onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek BC LM 122stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek BC LM 123Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip BC LM 154maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910)
  3.15.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Naarmate de cursisten vorderen in een opleiding worden hogere eisen gesteld aan de luister- en schrijfvaardigheden bij het verwerken van mondelinge informatie. Deze module is erop gericht aanwezige luister- en schrijfvaardigheden van de cursisten te verdiepen en uit te breiden, zodat zij in staat zijn kennis te construeren op basis van complexe informatie in meer complexe situaties. Daarnaast wordt in deze module veel aandacht besteed aan het actief deelnemen aan onderwijsleergesprekken.
  3.15.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.15.3. Studieduur
  16 Lt
  3.15.4. Basiscompetenties
  3.15.4.1. Leren leren
-
Module Participeren aan de les Code
De cursist  
is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengen BC LM 317
zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353
staat open voor feedback BC LM 365
aanvaardt feedback BC LM 366
reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390
reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
Module Participeren aan de les CodeDe cursist is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengen BC LM 317zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353staat open voor feedback BC LM 365aanvaardt feedback BC LM 366reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces BC LM 390reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
3.15.4.2. Nederlands
-
Module Participeren aan de les Code
Luisteren  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073
zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078
ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083
vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088
beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093
trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
BC LM 101
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 102
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 124
drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 125
beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 126
beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 127
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Participeren aan de les CodeLuisteren Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 068onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 073zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten BC LM 078ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 083vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten BC LM 098Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
  o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 124drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 125beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 126beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 127Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911)
  3.16.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van opdrachten om het leerproces te sturen. Het is daarom belangrijk dat cursisten de opdrachten op een efficiënte manier aanpakken. In deze module verwerven de cursisten de inzichten en vaardigheden om het beoogde leereffect van eenvoudige opdrachten te realiseren.
  3.16.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.16.3. Studieduur
  10 Lt
  3.16.4. Basiscompetenties
  3.16.4.1. Leren leren
-
Module Opdrachten aanpakken Code
De cursist  
erkent de nood aan informatie BC LM 245
staat open voor diverse informatiebronnen BC LM 246
houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 247
analyseert welke informatie nodig is BC LM 249
maakt een keuze uit informatiebronnen BC LM 254
hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269
maakt uit informatie een keuze BC LM 276
structureert informatie BC LM 281
heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370
ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
Module Opdrachten aanpakken CodeDe cursist erkent de nood aan informatie BC LM 245staat open voor diverse informatiebronnen BC LM 246houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 247analyseert welke informatie nodig is BC LM 249maakt een keuze uit informatiebronnen BC LM 254hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269maakt uit informatie een keuze BC LM 276structureert informatie BC LM 281heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
3.16.4.2. Nederlands
-
Module Opdrachten aanpakken Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Opdrachten aanpakken CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912)
  3.17.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In deze module wordt gefocust op de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om complexe opdrachten op een systematische manier aan te pakken. Cursisten leren hier hun aanpak bij te sturen in functie van het beoogde leerdoel en leereffect.
  3.17.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.17.3. Studieduur
  10 Lt
  3.17.4. Basiscompetenties
  3.17.4.1. Leren leren
-
Module Opdrachten planmatig uitvoeren Code
De cursist  
houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 247
maakt een keuze uit informatiebronnen BC LM 254
hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258
schat informatie naar waarde BC LM 260
houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263
beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan BC LM 270
legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278
visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weer BC LM 282
beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans BC LM 292
ontwerpt een oplossingsplan BC LM 299
beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing BC LM 302
stelt een oplossingsplan bij BC LM 306
reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389
ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*
ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
Module Opdrachten planmatig uitvoeren CodeDe cursist houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 247maakt een keuze uit informatiebronnen BC LM 254hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie BC LM 258schat informatie naar waarde BC LM 260houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes BC LM 263beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan BC LM 270legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie BC LM 278visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weer BC LM 282beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans BC LM 292ontwerpt een oplossingsplan BC LM 299beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing BC LM 302stelt een oplossingsplan bij BC LM 306reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces BC LM 389ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven BC LM 397*ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl BC LM 398*
3.17.4.2. Nederlands
-
Module Opdrachten planmatig uitvoeren Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010
zoekt informatie in studieteksten BC LM 018
zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027
ordent informatie uit studieteksten BC LM 030
vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Module Opdrachten planmatig uitvoeren CodeLezen Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten BC LM 001onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten BC LM 010zoekt informatie in studieteksten BC LM 018zoekt informatie in grafische voorstellingen BC LM 027ordent informatie uit studieteksten BC LM 030vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913)
  3.18.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Veel cursisten blijken onvoldoende bekwaam om een duidelijk, leesbaar en goed gestructureerd verslag te maken van eenvoudige gebeurtenissen. Om te voorkomen dat cursisten nodeloos veel tijd besteden aan het maken en herwerken van verslagen, is het belangrijk dat ze de nodige inzichten en vaardigheden verwerven om op een efficiënte en effectieve wijze verslagen te schrijven. Deze module focust vooral op het maken van een verslag van uitgevoerde activiteiten en reflecties daarop.
  3.18.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.18.3. Studieduur
  20 Lt
  3.18.4. Basiscompetenties
  3.18.4.1. Leren leren
-
Module Verslagen maken Code
De cursist  
analyseert welke informatie nodig is BC LM 249
durft informatie selecteren BC LM 259
gaat discreet om met informatie BC LM 261
onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. BC LM 406*
Module Verslagen maken CodeDe cursist analyseert welke informatie nodig is BC LM 249durft informatie selecteren BC LM 259gaat discreet om met informatie BC LM 261onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. BC LM 406*
3.18.4.2. Nederlands
-
Module Verslagen maken Code
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaard BC LM 156
vat informatie uit één bron samen BC LM 158
geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer BC LM 161
beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uit BC LM 163
vult een formulier in BC LM 189
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Verslagen maken CodeSchrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaard BC LM 156vat informatie uit één bron samen BC LM 158geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer BC LM 161beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uit BC LM 163vult een formulier in BC LM 189Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914)
  3.19.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Cursisten slagen er niet altijd in om hun observaties op een adequate manier schriftelijk te rapporteren. In deze module leren de cursisten een rapport opmaken dat voldoet aan de gestelde eisen en verwachtingen.
  3.19.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.19.3. Studieduur
  20 Lt
  3.19.4. Basiscompetenties
  3.19.4.1. Leren leren
-
Module Rapporten maken Code
De cursist  
analyseert welke informatie nodig is BC LM 249
durft informatie selecteren BC LM 259
gaat discreet om met informatie BC LM 261
onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*
ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. BC LM 406*
Module Rapporten maken CodeDe cursist analyseert welke informatie nodig is BC LM 249durft informatie selecteren BC LM 259gaat discreet om met informatie BC LM 261onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 269onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 399*ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 400*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. BC LM 406*
3.19.4.2. Nederlands
-
Module Rapporten maken Code
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schema BC LM 157
vat informatie uit meerdere bronnen samen BC LM 159
geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer BC LM 161
geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 164
integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheel BC LM 195
zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming BC LM 196
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Module Rapporten maken CodeSchrijven Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schema BC LM 157vat informatie uit meerdere bronnen samen BC LM 159geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer BC LM 161geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 164integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheel BC LM 195zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming BC LM 196Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915)
  3.20.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module is gericht op cursisten bij wie tijdens de intake blijkt dat zij inadequaat reageren in groepsgesprekken. In het kader van de opleiding wordt vaak een beroep gedaan op deze vaardigheid. In deze module leren de cursisten op een efficiënte en effectieve manier te spreken in een groep in eenvoudige situaties.
  3.20.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.20.3. Studieduur
  20 Lt
  3.20.4. Basiscompetenties
  3.20.4.1. Leren leren
-
Module Spreken voor een groep Code
De cursist  
stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338
verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349
onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 350
zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353
brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354
observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 355
interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356
reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357
reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
Module Spreken voor een groep CodeDe cursist stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 350zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over BC LM 354observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 355interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
3.20.4.2. Nederlands
-
Module Spreken voor een groep Code
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
geeft uitleg bij een demonstratie BC LM 208
zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 210
houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 211
zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 212
zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 213
houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 214
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Spreken voor een groep CodeSpreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist geeft uitleg bij een demonstratie BC LM 208zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 210houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 211zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 212zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 213houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 214Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916)
  3.21.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In deze module ligt het accent op het mondelinge aspect van het geven van een presentatie voor een groep in meer complexe situaties. Tijdens lesmomenten is er vaak onvoldoende ruimte om dit in te oefenen. Deze module kan cursisten helpen om zich hierin verder te bekwamen.
  3.21.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.21.3. Studieduur
  20 Lt
  3.21.4. Basiscompetenties
  3.21.4.1. Leren leren
-
Module Presenteren voor een groep Code
De cursist  
stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338
verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349
onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 350
levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwen BC LM 351
zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353
observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 355
interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356
reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357
reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*
ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408*
Module Presenteren voor een groep CodeDe cursist stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 349onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 350levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwen BC LM 351zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal BC LM 353observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 355interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen BC LM 408*
3.21.4.2. Nederlands
-
Module Presenteren voor een groep Code
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteunt BC LM 177
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Spreken  
Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2  
De cursist  
houdt over een eigen werkstuk een presentatie BC LM 205
houdt een presentatie over een stage-activiteit BC LM 206
wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug BC LM 207
houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 211
beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Presenteren voor een groep CodeSchrijven Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteunt BC LM 177Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist houdt over een eigen werkstuk een presentatie BC LM 205houdt een presentatie over een stage-activiteit BC LM 206wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug BC LM 207houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 211beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917)
  3.22.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In deze module ligt het accent op het verwerven van de competenties die nodig zijn om via het leren op de werkplek tot diepgaande leerervaringen te komen. Deze module is bedoeld voor cursisten die niet in staat zijn te komen tot zelfreflectie en die problemen hebben met het constructief omgaan met feedback.
  3.22.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.22.3. Studieduur
  20 Lt
  3.22.4. Basiscompetenties
  3.22.4.1. Leren leren
-
Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer Code
De cursist  
is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362
is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363
staat open voor feedback BC LM 365
aanvaardt feedback BC LM 366
wil met feedback omgaan BC LM 367
beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368
heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370
heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangen BC LM 375
bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376
volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377
evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378
evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379
bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387
reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391
reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396
ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404*
Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer CodeDe cursist is bereid over het eigen leerproces te reflecteren BC LM 362is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen BC LM 363staat open voor feedback BC LM 365aanvaardt feedback BC LM 366wil met feedback omgaan BC LM 367beschouwt feedback als een leerkans BC LM 368heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen BC LM 370heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangen BC LM 375bereidt de uitvoering van de leertaak voor BC LM 376volgt de uitvoering van de leertaak op BC LM 377evalueert de uitvoering van de leertaak BC LM 378evalueert het bereikte leerresultaat BC LM 379bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij BC LM 387reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces BC LM 391reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen BC LM 404*
3.22.4.2. Nederlands
-
Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer Code
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprek BC LM 136
onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprek BC LM 137
stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt er BC LM 138
levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 139
drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 140
beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop BC LM 141
beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop BC LM 142
trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert ze BC LM 143
drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 146
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw BC LM 160
houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek BC LM 162
houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit BC LM 165
schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag BC LM 166
verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 167
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor BC LM 201
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer CodeMondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprek BC LM 136onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprek BC LM 137stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt er BC LM 138levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 139drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 140beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop BC LM 141beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop BC LM 142trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert ze BC LM 143drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner BC LM 146Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw BC LM 160houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek BC LM 162houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit BC LM 165schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag BC LM 166verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 167Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor BC LM 201Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918)
  3.23.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  Deze module richt zich op cursisten bij wie tijdens het leren op de werkplek blijkt dat ze onvoldoende kunnen samenwerken met anderen omdat ze onvoldoende bereid zijn rekening te houden met anderen en hun eigen inbreng niet willen/kunnen afstemmen op de inbreng van collega's.
  3.23.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.23.3. Studieduur
  20 Lt
  3.23.4. Basiscompetenties
  3.23.4.1. Leren leren
-
Module Samenwerken met collega's Code
De cursist  
staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere BC LM 322
is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houden BC LM 323
is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325
staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking BC LM 326
is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houden BC LM 327
gaat na welke regels in de groep gelden BC LM 333
gaat na welke regels gesteld moeten worden BC LM 334
zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking in BC LM 336
stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338
herkent de verschillende meningen in de groep BC LM 339
gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening BC LM 340
beoordeelt de verschillende meningen in de groep BC LM 341
laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere BC LM 343
werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groep BC LM 344
respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking BC LM 345
onderhandelt actief mee over het samenwerkingsproces om tot afspraken te komen BC LM 346
bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bij BC LM 347
reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357
reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395
reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
Module Samenwerken met collega's CodeDe cursist staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere BC LM 322is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houden BC LM 323is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden BC LM 325staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking BC LM 326is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houden BC LM 327gaat na welke regels in de groep gelden BC LM 333gaat na welke regels gesteld moeten worden BC LM 334zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking in BC LM 336stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden BC LM 338herkent de verschillende meningen in de groep BC LM 339gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening BC LM 340beoordeelt de verschillende meningen in de groep BC LM 341laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere BC LM 343werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groep BC LM 344respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking BC LM 345onderhandelt actief mee over het samenwerkingsproces om tot afspraken te komen BC LM 346bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bij BC LM 347reageert op het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces BC LM 396ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet BC LM 405*
3.23.4.2. Nederlands
-
Module Samenwerken met collega's Code
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering BC LM 116
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 170
werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 173
werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 174
schrijft een instructie BC LM 179
communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht BC LM 182
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 212
zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 213
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Samenwerken met collega's CodeMondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering BC LM 116Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 170werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 173werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 174schrijft een instructie BC LM 179communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht BC LM 182Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 212zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 213Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919)
  3.24.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In deze module leert de cursist examenvragen of andere evaluatieopdrachten analyseren en beantwoorden.
  3.24.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.24.3. Studieduur
  8 Lt
  3.24.4. Basiscompetenties
  3.24.4.1. Leren leren
-
Module Zich voorbereiden op de evaluatie Code
De cursist  
oriënteert zich in informatie BC LM 265
begrijpt informatie BC LM 266
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395
ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*
ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*
Module Zich voorbereiden op de evaluatie CodeDe cursist oriënteert zich in informatie BC LM 265begrijpt informatie BC LM 266onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties BC LM 395ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen BC LM 402*ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld BC LM 407*
3.24.4.2. Nederlands
-
Module Zich voorbereiden op de evaluatie Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragen BC LM 008
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragen BC LM 016
zoekt informatie in examenvragen BC LM 028
ordent informatie uit examenvragen BC LM 036
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 144
stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 145
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag BC LM 186
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
stelt een activiteit gestructureerd voor BC LM 200
beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Zich voorbereiden op de evaluatie CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragen BC LM 008onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragen BC LM 016zoekt informatie in examenvragen BC LM 028ordent informatie uit examenvragen BC LM 036Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 144stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 145Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag BC LM 186Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een activiteit gestructureerd voor BC LM 200beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920)
  3.25.1. Situering van de module
  Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
  De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
  In deze module leert de cursist vacatures analyseren en zich voorbereiden op sollicitaties voor een stageplaats of een werkaanbieding.
  3.25.2. Instapvereisten voor de module
  Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
  3.25.3. Studieduur
  12 Lt
  3.25.4. Basiscompetenties
  3.25.4.1. Leren leren
-
Module Zich voorbereiden op solliciteren Code
De cursist  
oriënteert zich in informatie BC LM 265
begrijpt informatie BC LM 266
onderscheidt feiten en meningen BC LM 271
registreert informatie BC LM 280
structureert informatie BC LM 281
reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393
reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394
ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
Module Zich voorbereiden op solliciteren CodeDe cursist oriënteert zich in informatie BC LM 265begrijpt informatie BC LM 266onderscheidt feiten en meningen BC LM 271registreert informatie BC LM 280structureert informatie BC LM 281reflecteert op het bereikte leerresultaat BC LM 393reflecteert op het doorgemaakte leerproces BC LM 394ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen BC LM 403*
3.25.4.2. Nederlands
-
Module Zich voorbereiden op solliciteren Code
Lezen  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacatures BC LM 009
onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacatures BC LM 017
zoekt informatie in vacatures BC LM 029
ordent informatie uit vacatures BC LM 037
vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatie BC LM 049
beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 060
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
BC LM 066
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
BC LM 067
Mondelinge interactie  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek BC LM 147
stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner BC LM 148
beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 149
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
BC LM 152
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
BC LM 153
Schrijven  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
stelt een sollicitatiebrief op BC LM 181
vult een sollicitatieformulier in BC LM 190
stelt een cv op BC LM 192
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
BC LM 197
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op
BC LM 198
Spreken  
Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2  
De cursist  
beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215
Strategieën  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij
BC LM 218
Taaltechnische vaardigheden  
De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
BC LM 219
Module Zich voorbereiden op solliciteren CodeLezen Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacatures BC LM 009onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacatures BC LM 017zoekt informatie in vacatures BC LM 029ordent informatie uit vacatures BC LM 037vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatie BC LM 049beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 060Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
  o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
  o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
  o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek BC LM 147stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner BC LM 148beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 149Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
  o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
  o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
  o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
  o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
  o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een sollicitatiebrief op BC LM 181vult een sollicitatieformulier in BC LM 190stelt een cv op BC LM 192Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
  o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
  o stelt een schrijfplan op
  o maakt gebruik van een model
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
  o gebruikt een passende lay-out
  o kijkt de eigen tekst na
  o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
  o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
  o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
  o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
  o stelt een spreekplan op
  o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
  o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
  o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
  o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
  o gebruikt registers passend en consistent
  o houdt rekening met conventies van teksttypes
  o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
  o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
  o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
  o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
  o drukt feit en mening adequaat uit
  o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
  o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
  o gebruikt zinsstructuren passend
  o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
  o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
  o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
  o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
-
Art. N2. Bijlage 2. - NEDERLANDS EN LEREN LEREN MATRIX BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS
  1.Nederlands
  1.1.Leeswijzer
  oDe voorliggende matrix is ontwikkeld voor vijf vaardigheden: lezen, luisteren, schrijven, spreken en mondelinge interactie.
  o De matrix wordt van links naar rechts gelezen.
  o De matrix is als volgt opgebouwd: per vaardigheid taaltaken met niveaus van tekstkenmerken, strategieën en taaltechnische vaardigheden.
  o In de horizontale as van de matrix worden drie niveaus met een opklimmende moeilijkheidsgraad onderscheiden. Deze niveaus worden gevormd door de tekstkenmerken. Om het niveau van `een tekst' te bepalen, wordt uitgegaan van een globale weging: het geheel van de tekstkenmerken geldt als indicator.
  o De tekstkenmerken zijn onderverdeeld in een aantal rubrieken naargelang de vaardigheid. `Onderwerp', `taalgebruikssituatie', `structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid' en `woordenschat en taalvariëteit' zijn gemeenschappelijk voor de vijf vaardigheden. Voor luisteren, spreken en mondelinge interactie wordt ook de categorie `verstaanbaarheid' opgenomen, voor lezen en schrijven de categorie `uiterlijke tekstkenmerken'. De bepaling van de tekstkenmerken per niveau vertoont een grote parallellie over de vaardigheden heen, maar de specifieke invulling hangt samen met de eigenheid van de vaardigheid.
  o De basiscompetenties in de vorm van een taaltaak worden bij de receptieve vaardigheden lezen en luisteren geordend volgens thema's die in de eerste kolom van de verticale as van de matrix staan opgelijst. Deze thema's zijn geen basiscompetenties, maar inhoudelijke kapstokken waaraan de basiscompetenties worden opgehangen. Bij de productieve vaardigheden schrijven en spreken en bij mondelinge interactie worden de basiscompetenties volgens teksttypes geordend. De taaltaak vormt samen met de tekstkenmerken één basiscompetentie. Ze zijn niet afzonderlijk selecteerbaar. Iedere taaltaak kan wel aan elk niveau van tekstkenmerken worden gekoppeld.
  o De taalstrategieën gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Een cursist moet ze kunnen toepassen in functie van een bepaalde taaltaak met de daarbij horende tekstkenmerken. De taalstrategieën moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
  o Onder taaltechnische vaardigheden worden ondersteunende kennis en vaardigheden opgenomen die een cursist moet kennen en kunnen gebruiken in functie van een bepaalde taaltaak, met de daarbij horende tekstkenmerken. De taaltechnische vaardigheden gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Ze moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
  o De basiscompetenties zijn in de matrix in een logische volgorde opgenomen. Aangezien het een matrix betreft, worden de basiscompetenties niet in die volgorde aangeboden. Ze worden geselecteerd naargelang van de noden van de cursist.
  o De basiscompetenties `Nederlands' moeten bereikt worden.
  1.2.Lezen
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp    
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid    
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit    
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
-
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)
THEMA In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:
De hoofdgedachte en de gedachtegang BC LM 001 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten
 BC LM 002 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten
 BC LM 003 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 004 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in correspondentie
 BC LM 005 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 006 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in contracten
 BC LM 007 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies
 BC LM 008 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragen
 BC LM 009 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacatures
Hoofd-, bijzaken en details BC LM 010 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten
 BC LM 011 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten
 BC LM 012 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 013 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 014 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in contracten
 BC LM 015 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies
 BC LM 016 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragen
 BC LM 017 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacatures
Het zoeken van informatie BC LM 018 - zoekt informatie in studieteksten
 BC LM 019 - zoekt informatie in journalistieke teksten
 BC LM 020 - zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 021 - zoekt informatie in naslagwerken
 BC LM 022 - zoekt informatie in correspondentie
 BC LM 023 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 024 - zoekt informatie in formulieren
 BC LM 025 - zoekt informatie in contracten
 BC LM 026 - zoekt informatie in instructies
 BC LM 027 - zoekt informatie in grafische voorstellingen
 BC LM 028 - zoekt informatie in examenvragen
 BC LM 029 - zoekt informatie in vacatures
Het ordenen van informatie BC LM 030 - ordent informatie uit studieteksten
 BC LM 031 - ordent informatie uit journalistieke teksten
 BC LM 032 - ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 033 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 034 - ordent informatie uit contracten
 BC LM 035 - ordent informatie uit instructies
 BC LM 036 - ordent informatie uit examenvragen
 BC LM 037 - ordent informatie uit vacatures
Het vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 - vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 039 - vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 040 - vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 041 - vergelijkt informatie uit naslagwerken met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 042 - vergelijkt informatie uit correspondentie met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 043 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 044 - vergelijkt informatie uit formulieren met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 045 - vergelijkt informatie uit contracten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 046 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 047 - vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 048 - vergelijkt informatie uit examenvragen met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 049 - vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatie
Het beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050 - beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 051 - beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 052 - beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 053 - beoordeelt informatie uit naslagwerken op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 054 - beoordeelt informatie uit correspondentie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 055 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 056 - beoordeelt informatie uit formulieren op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 057 - beoordeelt informatie uit contracten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 058 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 059 - beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 060 - beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
Het trekken van een conclusie BC LM 061 - trekt een conclusie uit studieteksten
 BC LM 062 - trekt een conclusie uit journalistieke teksten
 BC LM 063 - trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 064 - trekt een conclusie uit correspondentie
 BC LM 065 - trekt een conclusie uit grafische voorstellingen
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)THEMA In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:De hoofdgedachte en de gedachtegang BC LM 001 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studietekstenBC LM 002 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke tekstenBC LM 003 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke tekstenBC LM 004 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in correspondentieBC LM 005 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 006 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in contractenBC LM 007 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructiesBC LM 008 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragenBC LM 009 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacaturesHoofd-, bijzaken en details BC LM 010 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studietekstenBC LM 011 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke tekstenBC LM 012 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke tekstenBC LM 013 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 014 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in contractenBC LM 015 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructiesBC LM 016 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragenBC LM 017 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacaturesHet zoeken van informatie BC LM 018 - zoekt informatie in studietekstenBC LM 019 - zoekt informatie in journalistieke tekstenBC LM 020 - zoekt informatie in populairwetenschappelijke tekstenBC LM 021 - zoekt informatie in naslagwerkenBC LM 022 - zoekt informatie in correspondentieBC LM 023 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 024 - zoekt informatie in formulierenBC LM 025 - zoekt informatie in contractenBC LM 026 - zoekt informatie in instructiesBC LM 027 - zoekt informatie in grafische voorstellingenBC LM 028 - zoekt informatie in examenvragenBC LM 029 - zoekt informatie in vacaturesHet ordenen van informatie BC LM 030 - ordent informatie uit studietekstenBC LM 031 - ordent informatie uit journalistieke tekstenBC LM 032 - ordent informatie uit populairwetenschappelijke tekstenBC LM 033 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 034 - ordent informatie uit contractenBC LM 035 - ordent informatie uit instructiesBC LM 036 - ordent informatie uit examenvragenBC LM 037 - ordent informatie uit vacaturesHet vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie BC LM 038 - vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 039 - vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 040 - vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 041 - vergelijkt informatie uit naslagwerken met eigen kennis en met andere informatieBC LM 042 - vergelijkt informatie uit correspondentie met eigen kennis en met andere informatieBC LM 043 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatieBC LM 044 - vergelijkt informatie uit formulieren met eigen kennis en met andere informatieBC LM 045 - vergelijkt informatie uit contracten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 046 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatieBC LM 047 - vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatieBC LM 048 - vergelijkt informatie uit examenvragen met eigen kennis en met andere informatieBC LM 049 - vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatieHet beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 050 - beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 051 - beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 052 - beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 053 - beoordeelt informatie uit naslagwerken op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 054 - beoordeelt informatie uit correspondentie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 055 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 056 - beoordeelt informatie uit formulieren op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 057 - beoordeelt informatie uit contracten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 058 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 059 - beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 060 - beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieHet trekken van een conclusie BC LM 061 - trekt een conclusie uit studietekstenBC LM 062 - trekt een conclusie uit journalistieke tekstenBC LM 063 - trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke tekstenBC LM 064 - trekt een conclusie uit correspondentieBC LM 065 - trekt een conclusie uit grafische voorstellingen
-
STRATEGIEEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 066
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
STRATEGIEENOm bovenstaande taaltaken uit te voeren:BC LM 066
  o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
  o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o duidt relevante informatie aan
  o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
-
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 067
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDENOm bovenstaande taaltaken uit te voeren:BC LM 067
  o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
  o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
  o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in
  o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
  o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
  o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
  o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
  o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
  o herkent feit en mening en schat ze in
  o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
  o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
  o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
  o herkent zinsstructuren en schat ze in
  o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in
  o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
1.3.Luisteren
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid    
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal, met beeld en zonder)
THEMA In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:
De hoofdgedachte en de gedachtegang BC LM 068 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten
 BC LM 069 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke teksten
 BC LM 070 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 071 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 072 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies
Hoofd-, bijzaken en details BC LM 073 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten
 BC LM 074 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke teksten
 BC LM 075 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 076 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 077 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies
Het zoeken van informatie BC LM 078 - zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten
 BC LM 079 - zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke teksten
 BC LM 080 - zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 081 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 082 - zoekt informatie in instructies
Het ordenen van informatie BC LM 083 - ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten
 BC LM 084 - ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten
 BC LM 085 - ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
 BC LM 086 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal
 BC LM 087 - ordent informatie uit instructies
Het vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 089 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 090 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 091 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie
 BC LM 092 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie
Het beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 094 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 095 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 096 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
 BC LM 097 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie
Het trekken van een conclusie BC LM 098 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten
 BC LM 099 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten
 BC LM 100 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal, met beeld en zonder)THEMA In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:De hoofdgedachte en de gedachtegang BC LM 068 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studietekstenBC LM 069 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke tekstenBC LM 070 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke tekstenBC LM 071 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 072 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructiesHoofd-, bijzaken en details BC LM 073 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studietekstenBC LM 074 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke tekstenBC LM 075 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke tekstenBC LM 076 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 077 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructiesHet zoeken van informatie BC LM 078 - zoekt informatie in mondeling aangeboden studietekstenBC LM 079 - zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke tekstenBC LM 080 - zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke tekstenBC LM 081 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 082 - zoekt informatie in instructiesHet ordenen van informatie BC LM 083 - ordent informatie uit mondeling aangeboden studietekstenBC LM 084 - ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke tekstenBC LM 085 - ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke tekstenBC LM 086 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaalBC LM 087 - ordent informatie uit instructiesHet vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie BC LM 088 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 089 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 090 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatieBC LM 091 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatieBC LM 092 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatieHet beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie BC LM 093 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 094 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 095 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 096 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieBC LM 097 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantieHet trekken van een conclusie BC LM 098 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studietekstenBC LM 099 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke tekstenBC LM 100 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten
-
STRATEGIEEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 101
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 102
ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
oonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
oonderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
oherkent registers en schat ze in
oherkent conventies van teksttypes en schat ze in
oherkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
oherkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
oherkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
oherkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
oherkent feit en mening en schat ze in
oherkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
oherkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
oherkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
oherkent zinsstructuren en schat ze in
oherkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
oherkent non-verbaal gedrag en schat ze in
oherkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
oherkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
STRATEGIEEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 101
  o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
  o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
  o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
  o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
  o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
  o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
  o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
  o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
  o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
  o noteert relevante informatie in kernwoorden
  o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
  o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 102ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldschermoonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypesoonderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening meeoherkent registers en schat ze inoherkent conventies van teksttypes en schat ze inoherkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze inoherkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt zeoherkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze inoherkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt zeoherkent feit en mening en schat ze inoherkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt zeoherkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze inoherkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze inoherkent zinsstructuren en schat ze inoherkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze inoherkent non-verbaal gedrag en schat ze inoherkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt zeoherkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
1.4.Mondelinge interactie
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor.
Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen.
Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
  Er wordt rustig gesproken.
Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken.
Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
  Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)
TEKSTTYPE In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:
Een discussie BC LM 103 - neemt verschillende rollen op zich in een discussie
BC LM 104 - volgt de gedachtegang in een discussie
BC LM 105 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie
BC LM 106 - stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie
BC LM 107 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie
BC LM 108 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie
BC LM 109 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie
BC LM 110 - beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 111 - trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze
Een werkvergadering BC LM 112 - neemt verschillende rollen op zich in een werkvergadering
BC LM 113 - volgt de gedachtegang in een werkvergadering
BC LM 114 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een werkvergadering
BC LM 115 - stelt en beantwoordt vragen in een werkvergadering
BC LM 116 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering
BC LM 117 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering
BC LM 118 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een werkvergadering
BC LM 119 - beoordeelt informatie in een werkvergadering op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 120 - trekt een conclusie in een werkvergadering en formuleert ze
Een onderwijsleergesprek BC LM 121 - volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek
BC LM 122 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek
BC LM 123 - stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek
BC LM 124 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek
BC LM 125 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek
BC LM 126 - beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 127 - trekt en formuleert een conclusie in een onderwijsleergesprek
Een interview BC LM 128 - neemt de rol van gespreksleider op zich in een interview
BC LM 129 - volgt de gedachtegang in een interview
BC LM 130 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een interview
BC LM 131 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen, beantwoordt er en licht de antwoorden toe in een interview
BC LM 132 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een interview
BC LM 133 - beoordeelt informatie in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 134 - beoordeelt vragen in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 135 - trekt een conclusie in een interview en formuleert ze
Een begeleidingsgesprek BC LM 136 - volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprek
BC LM 137 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprek
BC LM 138 - stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt er
BC LM 139 - levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner
BC LM 140 - drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner
BC LM 141 - beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop
BC LM 142 - beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop
BC LM 143 - trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert ze
Een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 144 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek
BC LM 145 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek
BC LM 146 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner
Een sollicitatiegesprek BC LM 147 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek
BC LM 148 - stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner
BC LM 149 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop
BC LM 150 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek vragen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie+ en reageert erop
BC LM 151 - drukt in een sollicitatiegesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)TEKSTTYPE In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:Een discussie BC LM 103 - neemt verschillende rollen op zich in een discussieBC LM 104 - volgt de gedachtegang in een discussieBC LM 105 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussieBC LM 106 - stelt vragen en beantwoordt ze in een discussieBC LM 107 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussieBC LM 108 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussieBC LM 109 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussieBC LM 110 - beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 111 - trekt een conclusie in een discussie en formuleert zeEen werkvergadering BC LM 112 - neemt verschillende rollen op zich in een werkvergaderingBC LM 113 - volgt de gedachtegang in een werkvergaderingBC LM 114 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een werkvergaderingBC LM 115 - stelt en beantwoordt vragen in een werkvergaderingBC LM 116 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergaderingBC LM 117 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergaderingBC LM 118 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een werkvergaderingBC LM 119 - beoordeelt informatie in een werkvergadering op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 120 - trekt een conclusie in een werkvergadering en formuleert zeEen onderwijsleergesprek BC LM 121 - volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprekBC LM 122 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprekBC LM 123 - stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprekBC LM 124 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprekBC LM 125 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprekBC LM 126 - beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 127 - trekt en formuleert een conclusie in een onderwijsleergesprekEen interview BC LM 128 - neemt de rol van gespreksleider op zich in een interviewBC LM 129 - volgt de gedachtegang in een interviewBC LM 130 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een interviewBC LM 131 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen, beantwoordt er en licht de antwoorden toe in een interviewBC LM 132 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een interviewBC LM 133 - beoordeelt informatie in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 134 - beoordeelt vragen in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 135 - trekt een conclusie in een interview en formuleert zeEen begeleidingsgesprek BC LM 136 - volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprekBC LM 137 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprekBC LM 138 - stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt erBC LM 139 - levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartnerBC LM 140 - drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartnerBC LM 141 - beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert eropBC LM 142 - beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert eropBC LM 143 - trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert zeEen examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 144 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprekBC LM 145 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprekBC LM 146 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartnerEen sollicitatiegesprek BC LM 147 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprekBC LM 148 - stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartnerBC LM 149 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert eropBC LM 150 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek vragen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie+ en reageert eropBC LM 151 - drukt in een sollicitatiegesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner
-
STRATEGIEEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 152
ooriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
ostemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
ovormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
oblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
ozegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
omaakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
ovraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
oleidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
oleidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
onoteert relevante informatie in kernwoorden
omonitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
obeoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 153
ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
oonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
oonderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
oonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
oherkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
oherkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
oherkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
oherkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
oherkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
oherkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
oherkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
oherkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
oherkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
oherkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
oherkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
oherkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
oherkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
oherkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van
oherkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
STRATEGIEEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 152ooriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennisostemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoelovormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bijoblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukkenozegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekentomaakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekstovraagt om langzamer te spreken, iets te herhalenoleidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afoleidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context afonoteert relevante informatie in kernwoordenomonitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodigobeoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 153ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldschermoonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypesoonderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening meeoonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening meeoherkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistentoherkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening meeoherkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toeoherkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uitoherkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uitoherkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik vanoherkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uitoherkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uitoherkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening meeoherkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uitoherkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passendoherkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passendoherkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik vanoherkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik vanoherkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat
1.5.Schrijven
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid    
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.
Woordenschat en taalvariëteit    
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
-
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)
TEKSTTYPES In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:
Notities BC LM 154 - maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip
 BC LM 155 - maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven
Een schema BC LM 156 - geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaard
 BC LM 157 - geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schema
Een samenvatting BC LM 158 - vat informatie uit één bron samen
 BC LM 159 - vat informatie uit meerdere bronnen samen
Een verslag van een activiteit BC LM 160 - beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw
 BC LM 161 - geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer
 BC LM 162 - houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek
Een reflectieverslag over een activiteit BC LM 163 - beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uit
 BC LM 164 - geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit
 BC LM 165 - houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit
 BC LM 166 - schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag
Een reflectieverslag over een informatie-verwerkingsopdracht BC LM 167 - verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit
 BC LM 168 - verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit
 BC LM 169- verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit
Een uiteenzetting BC LM 170 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 171 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 172 - schrijft een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
Een betoog BC LM 173 - werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 174 - werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 175 - schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
Een voorstelling BC LM 176 - maakt bij een mondelinge presentatie een voorstelling die de aandacht gaande houdt
 BC LM 177 - maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteunt
 BC LM 178 - schrijft een mondelinge presentatie uit
Een instructie BC LM 179 - schrijft een instructie
Correspondentie BC LM 180 - voert een zakelijke correspondentie
 BC LM 181 - stelt een sollicitatiebrief op
 BC LM 182 - communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht
Een evaluatiedocument BC LM 183 - schrijft een zelfbeoordeling
 BC LM 184 - houdt een zelfbeoordelend logboek bij
 BC LM 185 - schrijft een beoordeling van een medeleerder
Een examenantwoord BC LM 186 - geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag
 BC LM 187 - geeft een antwoord op een openboekvraag
 BC LM 188 - geeft een antwoord op een casusvraag
Een formulier BC LM 189 - vult een formulier in
 BC LM 190 - vult een sollicitatieformulier in
 BC LM 191 - vult een vragenlijst of een enquête in
Een curriculum vitae (cv) BC LM 192 - stelt een cv op
 BC LM 193 - stelt een cv op binnen een gegeven kader
 BC LM 194 - stelt een cv op in functie van een specifieke vacature
Een werkstuk BC LM 195 - integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheel
 BC LM 196 - zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)TEKSTTYPES In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:Notities BC LM 154 - maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstipBC LM 155 - maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergevenEen schema BC LM 156 - geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaardBC LM 157 - geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schemaEen samenvatting BC LM 158 - vat informatie uit één bron samenBC LM 159 - vat informatie uit meerdere bronnen samenEen verslag van een activiteit BC LM 160 - beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouwBC LM 161 - geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weerBC LM 162 - houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboekEen reflectieverslag over een activiteit BC LM 163 - beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uitBC LM 164 - geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 165 - houdt een reflectielogboek van een lopende activiteitBC LM 166 - schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslagEen reflectieverslag over een informatie-verwerkingsopdracht BC LM 167 - verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 168 - verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 169- verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitEen uiteenzetting BC LM 170 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 171 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 172 - schrijft een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenEen betoog BC LM 173 - werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 174 - werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 175 - schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenEen voorstelling BC LM 176 - maakt bij een mondelinge presentatie een voorstelling die de aandacht gaande houdtBC LM 177 - maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteuntBC LM 178 - schrijft een mondelinge presentatie uitEen instructie BC LM 179 - schrijft een instructieCorrespondentie BC LM 180 - voert een zakelijke correspondentieBC LM 181 - stelt een sollicitatiebrief opBC LM 182 - communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdrachtEen evaluatiedocument BC LM 183 - schrijft een zelfbeoordelingBC LM 184 - houdt een zelfbeoordelend logboek bijBC LM 185 - schrijft een beoordeling van een medeleerderEen examenantwoord BC LM 186 - geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraagBC LM 187 - geeft een antwoord op een openboekvraagBC LM 188 - geeft een antwoord op een casusvraagEen formulier BC LM 189 - vult een formulier inBC LM 190 - vult een sollicitatieformulier inBC LM 191 - vult een vragenlijst of een enquête inEen curriculum vitae (cv) BC LM 192 - stelt een cv opBC LM 193 - stelt een cv op binnen een gegeven kaderBC LM 194 - stelt een cv op in functie van een specifieke vacatureEen werkstuk BC LM 195 - integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheelBC LM 196 - zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming
-
STRATEGIEEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 197
ooriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
ostemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
oblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
ostelt een schrijfplan op
omaakt gebruik van een model
oraadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
ogebruikt een passende lay-out
okijkt de eigen tekst na
omaakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
ohoudt rekening met de conventies van geschreven taal
omonitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
obeoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 198
ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
oonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
oonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
ogebruikt registers passend en consistent
ohoudt rekening met conventies van teksttypes
opast conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
odrukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
omaakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
odrukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
odrukt feit en mening adequaat uit
odrukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
oonderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
odrukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
ogebruikt zinsstructuren passend
ogebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
opast spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
omaakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
ogebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
ostelt een bibliografie op
STRATEGIEEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 197ooriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezerostemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraaroblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukkenostelt een schrijfplan opomaakt gebruik van een modeloraadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervanogebruikt een passende lay-outokijkt de eigen tekst naomaakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeertohoudt rekening met de conventies van geschreven taalomonitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodigobeoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 198ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldschermoonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypesoonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening meeogebruikt registers passend en consistentohoudt rekening met conventies van teksttypesopast conventionele ordeningspatronen van teksttypes toeodrukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slotomaakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoordenodrukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uitodrukt feit en mening adequaat uitodrukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uitoonderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening meeodrukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uitogebruikt zinsstructuren passendogebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passendopast spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passendomaakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaalogebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaatostelt een bibliografie op
1.6.Spreken
-
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU C
Onderwerp
Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.
Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.
Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.
Taalgebruikssituatie
Mate van ruis Ruis is mogelijk.
Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.
Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.
Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid
Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.
Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven.
De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.
Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor.
Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen.
Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.
Woordenschat en taalvariëteit
Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal
Woordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor.
De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor.
De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.
Verstaanbaarheid
Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
  Er wordt rustig gesproken.
Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken.
Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.
Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.
Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
TEKSTKENMERKEN NIVEAU A NIVEAU B NIVEAU COnderwerp Mate van vertrouwdheid Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
  Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
  Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
  Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
  Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
  Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
  De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
  De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
  De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
  De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
  Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
  Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taal Standaardnederlands
  Academisch taalgebruik
  Vakgebonden taalWoordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
  Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
  Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
  Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
  Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
  Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)
TEKSTTYPES(Drager: digitaal en niet-digitaal) In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:
Een presentatie BC LM 199 - stelt een activiteit getrouw voor
 BC LM 200 - stelt een activiteit gestructureerd voor
 BC LM 201 - stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor
 BC LM 202 - stelt informatie uit één bron getrouw voor
 BC LM 203 - stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor
 BC LM 204 - stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor
 BC LM 205 - houdt over een eigen werkstuk een presentatie
 BC LM 206 - houdt een presentatie over een stage-activiteit
 BC LM 207 - wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug
 BC LM 208 - geeft uitleg bij een demonstratie
 BC LM 209 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 210 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 211 - houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 212 - zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 213 - zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 214 - houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen
 BC LM 215 - beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen
Een instructie BC LM 216 - geeft een instructie
 BC LM 217 - beantwoordt vragen naar aanleiding van een instructie
TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal)TEKSTTYPES(Drager: digitaal en niet-digitaal) In teksten met bovenstaande tekstkenmerken:Een presentatie BC LM 199 - stelt een activiteit getrouw voorBC LM 200 - stelt een activiteit gestructureerd voorBC LM 201 - stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voorBC LM 202 - stelt informatie uit één bron getrouw voorBC LM 203 - stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voorBC LM 204 - stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voorBC LM 205 - houdt over een eigen werkstuk een presentatieBC LM 206 - houdt een presentatie over een stage-activiteitBC LM 207 - wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terugBC LM 208 - geeft uitleg bij een demonstratieBC LM 209 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 210 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 211 - houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 212 - zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 213 - zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 214 - houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 215 - beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragenEen instructie BC LM 216 - geeft een instructieBC LM 217 - beantwoordt vragen naar aanleiding van een instructie
-
STRATEGIEEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 218
ooriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
ostemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
oblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
ostelt een spreekplan op
omaakt gebruik van non-verbaal gedrag
omaakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
obrengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
omaakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
obeoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
ostelt het resultaat bij
TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN
Om bovenstaande taaltaken uit te voeren:
BC LM 219
ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
oonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
oonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
ogebruikt registers passend en consistent
ohoudt rekening met conventies van teksttypes
opast conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
odrukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
omaakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
odrukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
odrukt feit en mening adequaat uit
odrukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
oonderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
odrukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
ogebruikt zinsstructuren passend
ogebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
omaakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
omaakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
ogebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
STRATEGIEEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 218ooriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraarostemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraaroblijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukkenostelt een spreekplan opomaakt gebruik van non-verbaal gedragomaakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaalobrengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap overomaakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeertobeoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoelostelt het resultaat bij TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 219ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldschermoonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypesoonderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening meeogebruikt registers passend en consistentohoudt rekening met conventies van teksttypesopast conventionele ordeningspatronen van teksttypes toeodrukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uitomaakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoordenodrukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uitodrukt feit en mening adequaat uitodrukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uitoonderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening meeodrukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uitogebruikt zinsstructuren passendogebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passendomaakt passend gebruik van non-verbaal gedragomaakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaalogebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
2.Leren leren
  2.1.Leeswijzer
  o De basiscompetenties `leren leren' zijn niet gekoppeld aan concrete vakinhouden. Ze worden binnen de inhoud van een vak aangewend en aangeleerd.
  o De matrix wordt van links naar rechts gelezen.
  o In de matrix worden de basiscompetenties geordend op basis van domeinen, dimensies en beheersingsniveaus.
  o De domeinen en dimensies staan in de verticale as van de matrix en zorgen voor een inhoudelijke afbakening en structurering van de basiscompetenties.
  o Leren leren wordt thematisch afgebakend in vijf domeinen: keuzebekwaamheid, omgaan met informatie, probleemoplossen, samenwerken en reguleren van het leerproces. Het laatstgenoemde domein bekleedt een aparte plaats binnen de matrix omdat het steeds in relatie staat tot de andere domeinen. Daarom wordt het als laatste opgenomen.
  o Elk domein telt vier dimensies: affectief, cognitief, psychomotorisch en metacognitief. De eerste drie dimensies worden in elk domein uitgewerkt met basiscompetenties. De dimensie `metacognitief' is echter sterk verbonden met het domein `reguleren van het leerproces'. Daarom wordt enkel binnen dit domein de dimensie `metacognitief' uitgewerkt met basiscompetenties. In de andere domeinen wordt bij deze dimensie verwezen naar het domein `reguleren van het leerproces'.
  o Daarnaast worden per domein één of twee doelenclusters opgenomen. Dat zijn geen basiscompetenties, maar inhoudelijke kapstokken waaraan de basiscompetenties worden opgehangen.
  o De beheersingsniveaus staan in de horizontale as van de matrix. Deze beheersingsniveaus geven aan wat de mate van kennis, vaardigheden, context, autonomie of verantwoordelijkheid is waarover een leerder beschikt. De moeilijkheidsgraad van de basiscompetenties die per rij geordend zijn, stijgt van links naar rechts. Niet alle basiscompetenties komen in verschillende beheersingsniveaus voor.
  o De basiscompetenties zijn in de matrix in een logische volgorde opgenomen. Aangezien het een matrix betreft, worden deze basiscompetenties niet in die volgorde aangeboden. Ze worden geselecteerd naargelang van de noden van de cursist. Wanneer basiscompetenties een oplopend beheersingsniveau hebben, moet de volgorde wel gerespecteerd worden. De basiscompetentie van het voorafgaande niveau moet bereikt zijn alvorens de basiscompetentie met een hoger beheersingsniveau aan te bieden.
  o De basiscompetenties `leren leren' moeten bereikt worden, tenzij ze voorafgegaan worden door een asterisk (*): die worden nagestreefd.
  2.2.Domein 1 - Keuzebekwaamheid
-
Thema's Dimensies Basiscompetenties
T 01 - Het keuzeproces op systematische wijze doorlopen Affectief BC LM 220 - erkent dat een keuze maken nodig is BC LM 221 - is bereid een keuze te maken
BC LM 222 - durft een keuze maken
BC LM 223 - houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid
  
BC LM 224 - is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren
  
BC LM 225 - erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 226 - aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 227 - neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan
  
 Cognitief BC LM 228 - verheldert de keuzebehoefte
BC LM 229 - herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 230 - analyseert elke stap in een keuzeproces
  
BC LM 231 - herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 232 - expliciteert keuzemogelijkheden
  
BC LM 233 - heeft inzicht in keuzestrategieën
  
BC LM 234 - weegt keuzes af BC LM 235 - maakt een keuze
  
BC LM 236 - ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 237 - weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 238 - bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij
  
 Psychomotorisch BC LM 239 - visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 240 - visualiseert het keuzeproces
BC LM 241 - zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 242 - volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 243 - stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij
  
BC LM 244 - verantwoordt een gemaakte keuze
  
 Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
Thema's Dimensies Basiscompetenties T 01 - Het keuzeproces op systematische wijze doorlopen Affectief BC LM 220 - erkent dat een keuze maken nodig is BC LM 221 - is bereid een keuze te maken BC LM 222 - durft een keuze maken BC LM 223 - houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid
BC LM 224 - is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren
BC LM 225 - erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 226 - aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 227 - neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan
Cognitief BC LM 228 - verheldert de keuzebehoefteBC LM 229 - herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 230 - analyseert elke stap in een keuzeproces
BC LM 231 - herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 232 - expliciteert keuzemogelijkheden
BC LM 233 - heeft inzicht in keuzestrategieën
BC LM 234 - weegt keuzes af BC LM 235 - maakt een keuze
BC LM 236 - ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 237 - weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 238 - bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij
Psychomotorisch BC LM 239 - visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 240 - visualiseert het keuzeprocesBC LM 241 - zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 242 - volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 243 - stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij
BC LM 244 - verantwoordt een gemaakte keuze
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.3. Domein 2 - Omgaan met informatie
-
Thema's Dimensies Basiscompetenties
T 02 - Informatie verwerven Affectief BC LM 245 - erkent de nood aan informatie
BC LM 246 - staat open voor diverse informatiebronnen
  
BC LM 247 - houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
  
BC LM 248 - is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
  
 Cognitief BC LM 249 - analyseert welke informatie nodig is
BC LM 250 - herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251 - kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie
  
BC LM 252 - raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 253 - beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 254 - maakt een keuze uit informatiebronnen
  
 Psychomotorisch BC LM 255 - stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 256 - vraagt door bij het inwinnen van informatie
BC LM 257 - gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
  
BC LM 258 - hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
  
 Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
T 03 - Informatie verwerken Affectief BC LM 259 - durft informatie selecteren
BC LM 260 - schat informatie naar waarde
  
BC LM 261 - gaat discreet om met informatie
  
BC LM 262 - wil met informatie correct omgaan
  
BC LM 263 - houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
  
BC LM 264 - is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
  
 Cognitief BC LM 265 - oriënteert zich in informatie BC LM 266 - begrijpt informatie BC LM 267 - ziet verbanden binnen informatie BC LM 268 - geeft informatie met eigen woorden weer
BC LM 269 - onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 270 - beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan
  
BC LM 271 - onderscheidt feiten en meningen BC LM 272 - begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 273 - toetst informatie aan het eigen referentie-kader BC LM 274 - exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen
  
BC LM 275 - beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 276 - maakt uit informatie een keuze
  
BC LM 277 - roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 278 - legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie
  
BC LM 279 - gaat correct om met verworven informatie
  
 Psychomotorisch BC LM 280 - registreert informatie BC LM 281 - structureert informatie BC LM 282 - visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weer
BC LM 283 - neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 - verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie
  
BC LM 285 - gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel
  
 Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
Thema's Dimensies Basiscompetenties T 02 - Informatie verwerven Affectief BC LM 245 - erkent de nood aan informatie BC LM 246 - staat open voor diverse informatiebronnen
BC LM 247 - houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
BC LM 248 - is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
Cognitief BC LM 249 - analyseert welke informatie nodig isBC LM 250 - herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251 - kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie
BC LM 252 - raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 253 - beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 254 - maakt een keuze uit informatiebronnen
Psychomotorisch BC LM 255 - stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 256 - vraagt door bij het inwinnen van informatieBC LM 257 - gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
BC LM 258 - hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. T 03 - Informatie verwerken Affectief BC LM 259 - durft informatie selecteren BC LM 260 - schat informatie naar waarde
BC LM 261 - gaat discreet om met informatie
BC LM 262 - wil met informatie correct omgaan
BC LM 263 - houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
BC LM 264 - is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
Cognitief BC LM 265 - oriënteert zich in informatie BC LM 266 - begrijpt informatie BC LM 267 - ziet verbanden binnen informatie BC LM 268 - geeft informatie met eigen woorden weerBC LM 269 - onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 270 - beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan
BC LM 271 - onderscheidt feiten en meningen BC LM 272 - begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 273 - toetst informatie aan het eigen referentie-kader BC LM 274 - exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen
BC LM 275 - beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 276 - maakt uit informatie een keuze
BC LM 277 - roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 278 - legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie
BC LM 279 - gaat correct om met verworven informatie
Psychomotorisch BC LM 280 - registreert informatie BC LM 281 - structureert informatie BC LM 282 - visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weerBC LM 283 - neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 - verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie
BC LM 285 - gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.4.Domein 3 - Probleemoplossen
-
Thema's Dimensies Basiscompetenties
T 04 - Een probleem op planmatige wijze oplossen Affectief BC LM 286 - erkent een probleem BC LM 287 - aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem
BC LM 288 - aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden BC LM 289 - is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken
  
BC LM 290 - durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen
  
BC LM 291 - wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 292 - beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans
  
 Cognitief BC LM 293 - herkent een probleem BC LM 294 - herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295 - ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 296 - analyseert een probleem
BC LM 297 - inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 298 - bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 299 - ontwerpt een oplossingsplan
  
BC LM 300 - benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 301 - maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze
  
BC LM 302 - beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing
  
 Psychomotorisch BC LM 303 - visualiseert een probleem en de aanpak ervan
BC LM 304 - voert een oplossingsplan uit BC LM 305 - volgt een oplossingsplan op BC LM 306 - stelt een oplossingsplan bij
  
BC LM 307 - past een oplossingsmethode toe BC LM 308 - volgt een oplossingsmethode op BC LM 309 - stelt een oplossingsmethode bij
  
 Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
Thema's Dimensies Basiscompetenties T 04 - Een probleem op planmatige wijze oplossen Affectief BC LM 286 - erkent een probleem BC LM 287 - aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem BC LM 288 - aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden BC LM 289 - is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken
BC LM 290 - durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen
BC LM 291 - wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 292 - beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans
Cognitief BC LM 293 - herkent een probleem BC LM 294 - herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295 - ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 296 - analyseert een probleemBC LM 297 - inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 298 - bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 299 - ontwerpt een oplossingsplan
BC LM 300 - benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 301 - maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze
BC LM 302 - beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing
Psychomotorisch BC LM 303 - visualiseert een probleem en de aanpak ervanBC LM 304 - voert een oplossingsplan uit BC LM 305 - volgt een oplossingsplan op BC LM 306 - stelt een oplossingsplan bij
BC LM 307 - past een oplossingsmethode toe BC LM 308 - volgt een oplossingsmethode op BC LM 309 - stelt een oplossingsmethode bij
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.5.Domein 4 - Samenwerken
-
Thema's Dimensies Basiscompetenties
T 05 - Een actieve bijdrage leveren in het samenwerken als leider en als groepslid Affectief BC LM 310 - erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken
 BC LM 311 - is bereid met iedereen samen te werken
  
 BC LM 312 - motiveert zichzelf tot samenwerken
  
 BC LM 313 - motiveert anderen tot samenwerken
  
 BC LM 314 - behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep
 BC LM 315 - is bereid de groepsregels te respecteren
 BC LM 316 - aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking
 BC LM 317 - is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengen
 BC LM 318 - is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen
 BC LM 319 - is bereid om de eigen situatie in te brengen
 BC LM 320 - staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 321 - is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden
 BC LM 322 - staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere BC LM 323 - is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houden
 BC LM 324 - staat open voor de mening van de andere BC LM 325 - is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden
 BC LM 326 - staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking BC LM 327 - is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houden
 BC LM 328 - wil iets aan anderen overlaten BC LM 329 - apprecieert ieders inbreng BC LM 330 - aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet
 BC LM 331 - erkent de eigen invloed op de andere
 BC LM 332 - erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden
 Cognitief BC LM 333 - gaat na welke regels in de groep gelden BC LM 334 - gaat na welke regels gesteld moeten worden
 BC LM 335 - schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 336 - zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking in
 BC LM 337 - ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 338 - stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden
 BC LM 339 - herkent de verschillende meningen in de groep BC LM 340 - gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening BC LM 341 - beoordeelt de verschillende meningen in de groep
 Psychomotorisch BC LM 342 - stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking
 BC LM 343 - laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere BC LM 344 - werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groep
 BC LM 345 - respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking BC LM 346 - onderhandelt actief meeover het samenwerkingsprocesom tot afspraken te komen BC LM 347 - bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bij
 BC LM 348 - past eigen kennis en vaardigheden toe bij het samenwerken
 BC LM 349 - verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 350 - onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 351 - levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwen
 BC LM 352 - levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat
 BC LM 353 - zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal
 BC LM 354 - brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over
 BC LM 355 - observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356 - interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357 - reageert op het non-verbale gedrag van de andere
 BC LM 358 - brengt verslag uit over het samenwerkingsproces
 BC LM 359 - presenteert het resultaat van de samenwerking
 Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
Thema's Dimensies Basiscompetenties T 05 - Een actieve bijdrage leveren in het samenwerken als leider en als groepslid Affectief BC LM 310 - erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerkenBC LM 311 - is bereid met iedereen samen te werken
BC LM 312 - motiveert zichzelf tot samenwerken
BC LM 313 - motiveert anderen tot samenwerken
BC LM 314 - behoudt zijn eigenheid bij het werken in groepBC LM 315 - is bereid de groepsregels te respecterenBC LM 316 - aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerkingBC LM 317 - is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengenBC LM 318 - is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengenBC LM 319 - is bereid om de eigen situatie in te brengenBC LM 320 - staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 321 - is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houdenBC LM 322 - staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere BC LM 323 - is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houdenBC LM 324 - staat open voor de mening van de andere BC LM 325 - is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houdenBC LM 326 - staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking BC LM 327 - is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houdenBC LM 328 - wil iets aan anderen overlaten BC LM 329 - apprecieert ieders inbreng BC LM 330 - aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoetBC LM 331 - erkent de eigen invloed op de andereBC LM 332 - erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsledenCognitief BC LM 333 - gaat na welke regels in de groep gelden BC LM 334 - gaat na welke regels gesteld moeten wordenBC LM 335 - schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 336 - zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking inBC LM 337 - ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 338 - stemt de eigen inbreng af op die van de groepsledenBC LM 339 - herkent de verschillende meningen in de groep BC LM 340 - gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening BC LM 341 - beoordeelt de verschillende meningen in de groepPsychomotorisch BC LM 342 - stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerkingBC LM 343 - laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere BC LM 344 - werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groepBC LM 345 - respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking BC LM 346 - onderhandelt actief meeover het samenwerkingsprocesom tot afspraken te komen BC LM 347 - bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bijBC LM 348 - past eigen kennis en vaardigheden toe bij het samenwerkenBC LM 349 - verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 350 - onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 351 - levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwenBC LM 352 - levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaatBC LM 353 - zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaalBC LM 354 - brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen overBC LM 355 - observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356 - interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357 - reageert op het non-verbale gedrag van de andereBC LM 358 - brengt verslag uit over het samenwerkingsprocesBC LM 359 - presenteert het resultaat van de samenwerkingMetacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.6. Domein 5- Reguleren van het leren
-
Thema'sDimensies Basiscompetenties
T 06 - Het eigen leerproces reguleren Affectief BC LM 360 - motiveert zichzelf bij het eigen leerproces
 BC LM 361 - gaat met druk om in het eigen leerproces
  
 BC LM 362 - is bereid over het eigen leerproces te reflecteren
 BC LM 363 - is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen
 BC LM 364 - is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces
  BC LM 365 - staat open voor feedback BC LM 366 - aanvaardt feedback BC LM 367 - wil met feedback omgaan BC LM 368 - beschouwt feedback als een leerkans
 Cognitief BC LM 369 - heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces
 BC LM 370 - heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen
 BC LM 371 - heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten
 BC LM 372 - heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën
 BC LM 373 - heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen
 BC LM 374 - heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces
 BC LM 375 - heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangen
 BC LM 376 - bereidt de uitvoering van de leertaak voor
 BC LM 377 - volgt de uitvoering van de leertaak op
 BC LM 378 - evalueert de uitvoering van de leertaak
 BC LM 379 - evalueert het bereikte leerresultaat
 BC LM 380 - herkent niet-intentioneel en informeel leren of roept het op bij het eigen leerproces
 BC LM 381 - evalueert het doorgemaakte leerproces
 BC LM 382 - ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn
 Psychomotorisch BC LM 383 - visualiseert denkproces en proces van aanpak tijdens het eigen leerproces
 BC LM 384 - zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in
 BC LM 385 - vraagt hulp bij het eigen leerproces
 BC LM 386 - zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces
 BC LM 387 - bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij
 BC LM 388 - gaat met feedback om
 Metacognitief BC LM 389 - reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces
 BC LM 390 - reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces
 BC LM 391 - reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces
 BC LM 392 - reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces
 BC LM 393 - reflecteert op het bereikte leerresultaat
 BC LM 394 - reflecteert op het doorgemaakte leerproces
 BC LM 395 - reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties
 BC LM 396 - reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces
T 07 -Het eigen leervermogen ontwikkelen Metacognitief * BC LM 397 - ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven
 * BC LM 398 - ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl
 * BC LM 399 - ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen
 * BC LM 400 - ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen
 * BC LM 401 - ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen
 * BC LM 402 - ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen
 * BC LM 403 - ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen
 * BC LM 404 - ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen
 * BC LM 405 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet
 * BC LM 406 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd
 * BC LM 407 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld
 * BC LM 408 - ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen
 * BC LM 409 - ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën
Thema'sDimensies Basiscompetenties T 06 - Het eigen leerproces reguleren Affectief BC LM 360 - motiveert zichzelf bij het eigen leerprocesBC LM 361 - gaat met druk om in het eigen leerproces
BC LM 362 - is bereid over het eigen leerproces te reflecterenBC LM 363 - is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennenBC LM 364 - is bereid hulp te vragen bij het eigen leerprocesBC LM 365 - staat open voor feedback BC LM 366 - aanvaardt feedback BC LM 367 - wil met feedback omgaan BC LM 368 - beschouwt feedback als een leerkansCognitief BC LM 369 - heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerprocesBC LM 370 - heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelenBC LM 371 - heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteitenBC LM 372 - heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieënBC LM 373 - heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelenBC LM 374 - heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerprocesBC LM 375 - heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangenBC LM 376 - bereidt de uitvoering van de leertaak voorBC LM 377 - volgt de uitvoering van de leertaak opBC LM 378 - evalueert de uitvoering van de leertaakBC LM 379 - evalueert het bereikte leerresultaatBC LM 380 - herkent niet-intentioneel en informeel leren of roept het op bij het eigen leerprocesBC LM 381 - evalueert het doorgemaakte leerprocesBC LM 382 - ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijnPsychomotorisch BC LM 383 - visualiseert denkproces en proces van aanpak tijdens het eigen leerprocesBC LM 384 - zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context inBC LM 385 - vraagt hulp bij het eigen leerprocesBC LM 386 - zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerprocesBC LM 387 - bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bijBC LM 388 - gaat met feedback omMetacognitief BC LM 389 - reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerprocesBC LM 390 - reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerprocesBC LM 391 - reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerprocesBC LM 392 - reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerprocesBC LM 393 - reflecteert op het bereikte leerresultaatBC LM 394 - reflecteert op het doorgemaakte leerprocesBC LM 395 - reflecteert op de gehanteerde regulerende competentiesBC LM 396 - reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerprocesT 07 -Het eigen leervermogen ontwikkelen Metacognitief * BC LM 397 - ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven* BC LM 398 - ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl* BC LM 399 - ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 400 - ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 401 - ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen* BC LM 402 - ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 403 - ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen* BC LM 404 - ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen* BC LM 405 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet* BC LM 406 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd* BC LM 407 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld* BC LM 408 - ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen* BC LM 409 - ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën
-
Art. N3. [1 Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-04-2021, p. 37470]1
  
-