Artikel 1. [1 Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs worden voor de opleidingsprofielen van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, opgenomen in bijlage IX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs, de volgende geletterdheidsmodules vastgelegd:
1° Nederlands en Leren leren in bijlage 1;
2° Regie van het eigen leren in bijlage 3.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 MAART 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de geletterdheidsmodules [...] van de diplomagerichte beroepsopleidingen van het secundair volwassenenonderwijs [Opschrift gewijzigd door AGF2021-02-26/32, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2021](NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-04-2016 en tekstbijwerking tot 23-04-2021)
Titre
18 MARS 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux modules d'alphabétisation [...] des formations professionnelles de l'enseignement secondaire des adultes aboutissant à un diplôme [Intitulé modifié par AGF2021-02-26/32, art. 16, 002; En vigueur : 01-02-2021](NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-04-2016 et mise à jour au 23-04-2021)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (9)
Texte (6)
Article 1er. [1 En exécution de l'article 24, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, les modules d'alphabétisation suivants sont définis pour les profils de formation des formations professionnelles de l'enseignement secondaire des adultes aboutissant à un diplôme reprises à l'annexe IX à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 relatif à la validation des études dans l'éducation des adultes :
3° Néerlandais et Apprendre à apprendre à l'annexe 1re ;
4° Régie de l'apprentissage personnel à l'annexe 3.]1
3° Néerlandais et Apprendre à apprendre à l'annexe 1re ;
4° Régie de l'apprentissage personnel à l'annexe 3.]1
Wijzigingen
Art. 2. [1 De geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 1, 2°, worden uiterlijk tijdens het schooljaar 2024-2025 geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie worden besproken met de pedagogische begeleidingsdiensten en het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs.]1
Art. 2. [1 Les modules d'alphabétisation visés à l'article 1er, 2°, seront évalués au plus tard au cours de l'année scolaire 2024-2025. Les résultats de cette évaluation seront discutés avec les services d'encadrement pédagogique et le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes.]1
Wijzigingen
Art. 3. Ter uitvoering van artikel 25bis van hetzelfde decreet worden de basiscompetenties voor het organiseren van de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren in de vorm van een open module vastgelegd in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 3. En exécution de l'article 25bis du même décret, les compétences de base pour l'organisation des modules d'alphabétisation " Nederlands " et " Leren leren " sous forme d'un module ouvert sont fixées à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2016.
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er février 2016.
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - GELETTERDHEIDSMODULES NEDERLANDS EN LEREN LEREN BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS
Inhoud
1 Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs
1.1. Certificering
1.2. Niveau
1.3 Modules
1.4 Leertraject
2. Basiscompetenties
2.1. Tekstkenmerken Lezen
2.2. Tekstkenmerken Luisteren
2.3. Mondelinge interactie
2.4. Schrijven
2.5. Spreken
3. Geletterdheidsmodules
3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901)
3.1.1. Situering van de module
3.1.2. Instapvereisten voor de module
3.1.3. Studieduur
3.1.4. Basiscompetenties
3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902)
3.2.1. Situering van de module
3.2.2. Instapvereisten voor de module
3.2.3. Studieduur
3.2.4. Basiscompetenties
3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903)
3.3.1. Situering van de module
3.3.2. Instapvereisten voor de module
3.3.3. Studieduur
3.3.4. Basiscompetenties
3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904)
3.4.1. Situering van de module
3.4.2. Instapvereisten voor de module
3.4.3. Studieduur
3.4.4. Basiscompetenties
3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905)
3.5.1. Situering van de module
3.5.2. Instapvereisten voor de module
3.5.3. Studieduur
3.5.4. Basiscompetenties
3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906)
3.6.1. Situering van de module
3.6.2. Instapvereisten voor de module
3.6.3. Studieduur
3.6.4. Basiscompetenties
3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921)
3.7.1. Situering van de module
3.7.2. Instapvereisten voor de module
3.7.3. Studieduur
3.7.4. Basiscompetenties
3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924)
3.8.1. Situering van de module
3.8.2. Instapvereisten voor de module
3.8.3. Studieduur
3.8.4. Basiscompetenties
3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925)
3.9.1. Situering van de module
3.9.2. Instapvereisten voor de module
3.9.3. Studieduur
3.9.4. Basiscompetenties
3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907)
3.10.1. Situering van de module
3.10.2. Instapvereisten voor de module
3.10.3. Studieduur
3.10.4. Basiscompetenties
3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922)
3.11.1. Situering van de module
3.11.2. Instapvereisten voor de module
3.11.3. Studieduur
3.11.4. Basiscompetenties
3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908)
3.12.1. Situering van de module
3.12.2. Instapvereisten voor de module
3.12.3. Studieduur
3.12.4. Basiscompetenties
3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923)
3.13.1. Situering van de module
3.13.2. Instapvereisten voor de module
3.13.3. Studieduur
3.13.4. Basiscompetenties
3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909)
3.14.1. Situering van de module
3.14.2. Instapvereisten voor de module
3.14.3. Studieduur
3.14.4. Basiscompetenties
3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910)
3.15.1. Situering van de module
3.15.2. Instapvereisten voor de module
3.15.3. Studieduur
3.15.4. Basiscompetenties
3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911)
3.16.1. Situering van de module
3.16.2. Instapvereisten voor de module
3.16.3. Studieduur
3.16.4. Basiscompetenties
3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912)
3.17.1. Situering van de module
3.17.2. Instapvereisten voor de module
3.17.3. Studieduur
3.17.4. Basiscompetenties
3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913)
3.18.1. Situering van de module
3.18.2. Instapvereisten voor de module
3.18.3. Studieduur
3.18.4. Basiscompetenties
3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914)
3.19.1. Situering van de module
3.19.2. Instapvereisten voor de module
3.19.3. Studieduur
3.19.4. Basiscompetenties
3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915)
3.20.1. Situering van de module
3.20.2. Instapvereisten voor de module
3.20.3. Studieduur
3.20.4. Basiscompetenties
3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916)
3.21.1. Situering van de module
3.21.2. Instapvereisten voor de module
3.21.3. Studieduur
3.21.4. Basiscompetenties
3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917)
3.22.1. Situering van de module
3.22.2. Instapvereisten voor de module
3.22.3. Studieduur
3.22.4. Basiscompetenties
3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918)
3.23.1. Situering van de module
3.23.2. Instapvereisten voor de module
3.23.3. Studieduur
3.23.4. Basiscompetenties
3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919)
3.24.1. Situering van de module
3.24.2. Instapvereisten voor de module
3.24.3. Studieduur
3.24.4. Basiscompetenties
3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920)
3.25.1. Situering van de module
3.25.2. Instapvereisten voor de module
3.25.3. Studieduur
3.25.4. Basiscompetenties
Inhoud
1 Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs
1.1. Certificering
1.2. Niveau
1.3 Modules
1.4 Leertraject
2. Basiscompetenties
2.1. Tekstkenmerken Lezen
2.2. Tekstkenmerken Luisteren
2.3. Mondelinge interactie
2.4. Schrijven
2.5. Spreken
3. Geletterdheidsmodules
3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901)
3.1.1. Situering van de module
3.1.2. Instapvereisten voor de module
3.1.3. Studieduur
3.1.4. Basiscompetenties
3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902)
3.2.1. Situering van de module
3.2.2. Instapvereisten voor de module
3.2.3. Studieduur
3.2.4. Basiscompetenties
3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903)
3.3.1. Situering van de module
3.3.2. Instapvereisten voor de module
3.3.3. Studieduur
3.3.4. Basiscompetenties
3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904)
3.4.1. Situering van de module
3.4.2. Instapvereisten voor de module
3.4.3. Studieduur
3.4.4. Basiscompetenties
3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905)
3.5.1. Situering van de module
3.5.2. Instapvereisten voor de module
3.5.3. Studieduur
3.5.4. Basiscompetenties
3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906)
3.6.1. Situering van de module
3.6.2. Instapvereisten voor de module
3.6.3. Studieduur
3.6.4. Basiscompetenties
3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921)
3.7.1. Situering van de module
3.7.2. Instapvereisten voor de module
3.7.3. Studieduur
3.7.4. Basiscompetenties
3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924)
3.8.1. Situering van de module
3.8.2. Instapvereisten voor de module
3.8.3. Studieduur
3.8.4. Basiscompetenties
3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925)
3.9.1. Situering van de module
3.9.2. Instapvereisten voor de module
3.9.3. Studieduur
3.9.4. Basiscompetenties
3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907)
3.10.1. Situering van de module
3.10.2. Instapvereisten voor de module
3.10.3. Studieduur
3.10.4. Basiscompetenties
3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922)
3.11.1. Situering van de module
3.11.2. Instapvereisten voor de module
3.11.3. Studieduur
3.11.4. Basiscompetenties
3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908)
3.12.1. Situering van de module
3.12.2. Instapvereisten voor de module
3.12.3. Studieduur
3.12.4. Basiscompetenties
3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923)
3.13.1. Situering van de module
3.13.2. Instapvereisten voor de module
3.13.3. Studieduur
3.13.4. Basiscompetenties
3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909)
3.14.1. Situering van de module
3.14.2. Instapvereisten voor de module
3.14.3. Studieduur
3.14.4. Basiscompetenties
3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910)
3.15.1. Situering van de module
3.15.2. Instapvereisten voor de module
3.15.3. Studieduur
3.15.4. Basiscompetenties
3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911)
3.16.1. Situering van de module
3.16.2. Instapvereisten voor de module
3.16.3. Studieduur
3.16.4. Basiscompetenties
3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912)
3.17.1. Situering van de module
3.17.2. Instapvereisten voor de module
3.17.3. Studieduur
3.17.4. Basiscompetenties
3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913)
3.18.1. Situering van de module
3.18.2. Instapvereisten voor de module
3.18.3. Studieduur
3.18.4. Basiscompetenties
3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914)
3.19.1. Situering van de module
3.19.2. Instapvereisten voor de module
3.19.3. Studieduur
3.19.4. Basiscompetenties
3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915)
3.20.1. Situering van de module
3.20.2. Instapvereisten voor de module
3.20.3. Studieduur
3.20.4. Basiscompetenties
3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916)
3.21.1. Situering van de module
3.21.2. Instapvereisten voor de module
3.21.3. Studieduur
3.21.4. Basiscompetenties
3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917)
3.22.1. Situering van de module
3.22.2. Instapvereisten voor de module
3.22.3. Studieduur
3.22.4. Basiscompetenties
3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918)
3.23.1. Situering van de module
3.23.2. Instapvereisten voor de module
3.23.3. Studieduur
3.23.4. Basiscompetenties
3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919)
3.24.1. Situering van de module
3.24.2. Instapvereisten voor de module
3.24.3. Studieduur
3.24.4. Basiscompetenties
3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920)
3.25.1. Situering van de module
3.25.2. Instapvereisten voor de module
3.25.3. Studieduur
3.25.4. Basiscompetenties
-
1. Geletterdheidsmodules in het secundair volwassenenonderwijs
1.1. Certificering
Elke module wordt bekrachtigd met een deelcertificaat.
1.2. Niveau
De geletterdheidsmodules situeren zich op het niveau secundair volwassenenonderwijs.
1.3 Modules
1.1. Certificering
Elke module wordt bekrachtigd met een deelcertificaat.
1.2. Niveau
De geletterdheidsmodules situeren zich op het niveau secundair volwassenenonderwijs.
1.3 Modules
-
| Naam | Code | Lestijden |
| GELETTERDHEIDSMODULES | ||
| Hoe leer ik? | LM SV G901 | 20 |
| Optimaliseren van het leren | LM SV G902 | 20 |
| Coöperatief leren | LM SV G903 | 20 |
| Bewust kiezen | LM SV G904 | 10 |
| Oplossingsgericht handelen | LM SV G905 | 10 |
| Schriftelijke informatie verwerven en verwerken | LM SV G906 | 10 |
| Mondelinge informatie verwerven en verwerken | LM SV G921 | 10 |
| Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen | LM SV G924 | 20 |
| Mondelinge informatie verwerven en beoordelen | LM SV G925 | 20 |
| Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen | LM SV G907 | 10 |
| Mondelinge informatie verwerken en beoordelen | LM SV G922 | 10 |
| Schriftelijke informatie kritisch beoordelen | LM SV G908 | 20 |
| Mondelinge informatie kritisch beoordelen | LM SV G923 | 20 |
| Actief les volgen | LM SV G909 | 12 |
| Participeren aan de les | LM SV G910 | 16 |
| Opdrachten aanpakken | LM SV G911 | 10 |
| Opdrachten planmatig uitvoeren | LM SV G912 | 10 |
| Verslagen maken | LM SV G913 | 20 |
| Rapporten maken | LM SV G914 | 20 |
| Spreken voor een groep | LM SV G915 | 20 |
| Presenteren voor een groep | LM SV G916 | 20 |
| Zich voorbereiden op leren op de werkvloer | LM SV G917 | 20 |
| Samenwerken met collega's | LM SV G918 | 20 |
| Zich voorbereiden op de evaluatie | LM SV G919 | 8 |
| Zich voorbereiden op solliciteren | LM SV G920 | 12 |
1.4 Leertraject
-
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-04-2016, p. 28414)
2. Basiscompetenties
De basiscompetenties van de geletterdheidsmodules worden geselecteerd uit de Matrix Nederlands en leren leren (Hier link plaatsen: AKOV).
Een centrum moet de basiscompetenties met zijn cursisten bereiken (resultaatsverplichting). Basiscompetenties met een * moet het centrum met zijn cursisten nastreven (inspanningsverplichting).
De basiscompetenties Nederlands zijn in de geletterdheidsmodules steeds gekoppeld aan tekstkenmerken. De tekstkenmerken moeten als deel van de basiscompetenties gelezen worden. De dragers zijn zowel digitaal als niet-digitaal zijn.
De codes van de basiscompetenties (zie verder onder punt 3: Geletterdheidsmodules) verwijzen naar de codes uit de matrix.
2.1. Tekstkenmerken Lezen
2. Basiscompetenties
De basiscompetenties van de geletterdheidsmodules worden geselecteerd uit de Matrix Nederlands en leren leren (Hier link plaatsen: AKOV).
Een centrum moet de basiscompetenties met zijn cursisten bereiken (resultaatsverplichting). Basiscompetenties met een * moet het centrum met zijn cursisten nastreven (inspanningsverplichting).
De basiscompetenties Nederlands zijn in de geletterdheidsmodules steeds gekoppeld aan tekstkenmerken. De tekstkenmerken moeten als deel van de basiscompetenties gelezen worden. De dragers zijn zowel digitaal als niet-digitaal zijn.
De codes van de basiscompetenties (zie verder onder punt 3: Geletterdheidsmodules) verwijzen naar de codes uit de matrix.
2.1. Tekstkenmerken Lezen
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. | ||
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | Complex samengestelde zinnen komen voor. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Uiterlijke tekstkenmerken | De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. | ||
Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt.
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
De informatiedichtheid kan hoog zijn.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
2.2. Tekstkenmerken Luisteren
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. | ||
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder.Perspectiefneming De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering.Aard van de kennisdomeinen De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt.
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
De informatiedichtheid kan hoog zijn.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven.
Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor.
In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
2.3. Mondelinge interactie
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. | Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen. Er wordt rustig gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
De informatiedichtheid kan hoog zijn.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
2.4. Schrijven
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | Complex samengestelde zinnen komen voor. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Uiterlijke tekstkenmerken | De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
2.5. Spreken
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. | Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor. Er wordt rustig gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid kan hoog zijn.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype .
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden.
Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.
Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk.
Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
3. Geletterdheidsmodules
3.1. Module Hoe leer ik? (LM SV G901)
3.1.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module is vooral gericht op startende cursisten bij wie op basis van de intake vastgesteld wordt dat zij over onvoldoende leervaardigheden beschikken. In deze module verwerven de cursisten inzicht in het eigen leerproces en de eigen leerstijl. Dit inzicht is nodig om de cursisten in staat te stellen het eigen leerproces bij te sturen.
3.1.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.1.3. Studieduur
20 Lt
3.1.4. Basiscompetenties
3.1.4.1. Leren leren
-
| Module Hoe leer ik? | Code |
| De cursist | |
| motiveert zichzelf bij het eigen leerproces | BC LM 360 |
| gaat met druk om in het eigen leerproces | BC LM 361 |
| is bereid over het eigen leerproces te reflecteren | BC LM 362 |
| is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen | BC LM 363 |
| is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces | BC LM 364 |
| wil met feedback omgaan | BC LM 367 |
| beschouwt feedback als een leerkans | BC LM 368 |
| heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces | BC LM 369 |
| vraagt hulp bij het eigen leerproces | BC LM 385 |
| zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces | BC LM 386 |
| bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij | BC LM 387 |
| reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces | BC LM 389 |
| reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces | BC LM 390 |
| reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces | BC LM 391 |
| reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces | BC LM 392 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven | BC LM 397* |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
| ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 400* |
| ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen | BC LM 401* |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
| ontwikkelt inzicht in sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
| ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen | BC LM 404* |
3.1.4.2. Nederlands
-
| Module Hoe leer ik? | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.2. Module Optimaliseren van het leren (LM SV G902)
3.2.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Een competentiegerichte visie op leren en onderwijzen houdt onder meer in dat de cursisten in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces moeten opnemen. In deze module verwerven de cursisten de noodzakelijke inzichten en vaardigheden om hun leerproces te optimaliseren, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden tot transfer.
3.2.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.2.3. Studieduur
20 Lt
3.2.4. Basiscompetenties
3.2.4.1. Leren leren
-
| Module Optimaliseren van het leren | Code |
| De cursist | |
| heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen | BC LM 370 |
| heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten | BC LM 371 |
| heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën | BC LM 372 |
| heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen | BC LM 373 |
| heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces | BC LM 374 |
| bereidt de uitvoering van de leertaak voor | BC LM 376 |
| volgt de uitvoering van de leertaak op | BC LM 377 |
| evalueert de uitvoering van de leertaak | BC LM 378 |
| evalueert het bereikte leerresultaat | BC LM 379 |
| evalueert het doorgemaakte leerproces | BC LM 381 |
| ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn | BC LM 382 |
| zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in | BC LM 384 |
| reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces | BC LM 392 |
| reflecteert op het bereikte leerresultaat | BC LM 393 |
| reflecteert op het doorgemaakte leerproces | BC LM 394 |
| reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties | BC LM 395 |
| reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces | BC LM 396 |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | BC LM 405* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd | BC LM 406* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld | BC LM 407* |
| ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen | BC LM 408* |
| ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën | BC LM 409* |
3.2.4.2. Nederlands
-
| Module Optimaliseren van het leren | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.3. Module Coöperatief leren (LM SV G903)
3.3.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het leren van en met elkaar. Dit veronderstelt dat de cursisten over voldoende samenwerkingsvaardigheden beschikken om middels coöperatief leren tot de gewenste leerresultaat te komen. Deze module richt zich op cursisten bij wie die in de loop van de opleiding blijkt dat ze moeilijk kunnen samenwerken met anderen omdat zij onvoldoende instaat zijn en/of bereid zijn rekening te houden met anderen of hun gedrag op de ander af te stemmen.
3.3.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.3.3. Studieduur
20 Lt
3.3.4. Basiscompetenties
3.3.4.1. Leren leren
-
| Module Coöperatief leren | Code |
| De cursist | |
| erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken | BC LM 310 |
| is bereid met iedereen samen te werken | BC LM 311 |
| motiveert zichzelf tot samenwerken | BC LM 312 |
| motiveert anderen tot samenwerken | BC LM 313 |
| behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep | BC LM 314 |
| aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking | BC LM 316 |
| is bereid het eigen kennen en kunnen in te brengen | BC LM 317 |
| is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen | BC LM 318 |
| is bereid om de eigen situatie in te brengen | BC LM 319 |
| staat open voor het kunnen en kennen van de andere | BC LM 320 |
| is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden | BC LM 321 |
| staat open voor de mening van de andere | BC LM 324 |
| is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden | BC LM 325 |
| wil iets aan anderen overlaten | BC LM 328 |
| apprecieert ieders inbreng | BC LM 329 |
| aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet | BC LM 330 |
| erkent de eigen invloed op de andere | BC LM 331 |
| erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden | BC LM 332 |
| schat het kunnen en kennen van de andere in | BC LM 335 |
| ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking | BC LM 337 |
| stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking | BC LM 342 |
| verduidelijkt een standpunt voor de andere | BC LM 349 |
| levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat | BC LM 352 |
| zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal | BC LM 353 |
| brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over | BC LM 354 |
| brengt verslag uit over het samenwerkingsproces | BC LM 358 |
| presenteert het resultaat van de samenwerking | BC LM 359 |
| is bereid over het eigen leerproces te reflecteren | BC LM 362 |
| ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
| ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen. | BC LM 404* |
3.3.4.2. Nederlands
-
| Module Coöperatief leren | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies | BC LM 072 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies | BC LM 077 |
| ordent informatie uit instructies | BC LM 087 |
| vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 092 |
| beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 097 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| neemt verschillende rollen op zich in een discussie | BC LM 103 |
| volgt de gedachtegang in een discussie | BC LM 104 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie | BC LM 105 |
| stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie | BC LM 106 |
| levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie | BC LM 107 |
| drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie | BC LM 108 |
| verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie | BC LM 109 |
| beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | BC LM 110 |
| trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze | BC LM 111 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist neemt verschillende rollen op zich in een discussie BC LM 103volgt de gedachtegang in een discussie BC LM 104onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie BC LM 105stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie BC LM 106levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 107drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie BC LM 108verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie BC LM 109beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 110trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze BC LM 111Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153
3.4. Module Bewust kiezen (LM SV G904)
3.4.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Reeds bij de start van een opleiding moeten cursisten verschillende keuzes maken. Om te voorkomen dat cursisten vroegtijdig afhaken of faalervaringen opdoen, is het belangrijk dat ze de voor hen juiste keuze maken. In deze module verwerven startende cursisten de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om op een overwogen wijze een keuze te maken.
3.4.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.4.3. Studieduur
10 Lt
3.4.4. Basiscompetenties
3.4.4.1. Leren leren
-
| Module Bewust kiezen | Code |
| De cursist | |
| erkent dat een keuze maken nodig is | BC LM 220 |
| is bereid een keuze te maken | BC LM 221 |
| durft een keuze te maken | BC LM 222 |
| houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid | BC LM 223 |
| is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 224 |
| erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft | BC LM 225 |
| herkent de verschillende stappen in een keuzeproces | BC LM 229 |
| analyseert elke stap in een keuzeproces | BC LM 230 |
| herkent de verschillende keuzemogelijkheden | BC LM 231 |
| expliciteert keuzemogelijkheden | BC LM 232 |
| weegt keuzes af | BC LM 234 |
| maakt een keuze | BC LM 235 |
| ziet de consequenties van een gemaakte keuze in | BC LM 236 |
| weegt de consequenties van een gemaakte keuze af | BC LM 237 |
| visualiseert keuzemogelijkheden | BC LM 239 |
| erkent een probleem | BC LM 286 |
| aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem | BC LM 287 |
| aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden | BC LM 288 |
| is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken | BC LM 289 |
| durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen | BC LM 290 |
| wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen | BC LM 291 |
| herkent een probleem | BC LM 293 |
| herkent beïnvloedende factoren van een probleem | BC LM 294 |
| ordent beïnvloedende factoren van een probleem | BC LM 295 |
| inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden | BC LM 297 |
| bedenkt oplossingsmogelijkheden | BC LM 298 |
| visualiseert een probleem en de aanpak ervan | BC LM 303 |
| voert een oplossingsplan uit | BC LM 304 |
| reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties | BC LM 395 |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
3.4.4.2. Nederlands
-
| Module Bewust kiezen | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 005 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 013 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 023 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 033 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 043 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.5. Module Oplossingsgericht handelen (LM SV G905)
3.5.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module richt zich op cursisten van wie de keuzebekwaamheid moet worden geoptimaliseerd in functie van het verder verloop van de opleiding, maar ook in functie van het leven na de opleiding.
In deze module worden de aanwezige inzichten en vaardigheden verder uitgediept en uitgebreid. Daarbij gaat veel aandacht naar het ontwikkelen van vaardigheden om oplossingsgericht om te gaan met verkeerde keuzes en de daaraan gekoppelde gevolgen.
3.5.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.5.3. Studieduur
10 Lt
3.5.4. Basiscompetenties
3.5.4.1. Leren leren
-
| Module Oplossingsgericht handelen | Code |
| De cursist | |
| aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze | BC LM 226 |
| neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan | BC LM 227 |
| heeft inzicht in keuzestrategieën | BC LM 233 |
| maakt een keuze | BC LM 235 |
| bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij | BC LM 238 |
| visualiseert het keuzeproces | BC LM 240 |
| zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in | BC LM 241 |
| volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op | BC LM 242 |
| stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij | BC LM 243 |
| verantwoordt een gemaakte keuze | BC LM 244 |
| analyseert een probleem | BC LM 296 |
| ontwerpt een oplossingsplan | BC LM 299 |
| benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken | BC LM 300 |
| maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze | BC LM 301 |
| beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing | BC LM 302 |
| visualiseert een probleem en de aanpak ervan | BC LM 303 |
| voert een oplossingsplan uit | BC LM 304 |
| volgt een oplossingsplan op | BC LM 305 |
| stelt een oplossingsplan bij | BC LM 306 |
| past een oplossingsmethode toe | BC LM 307 |
| volgt een oplossingsmethode op | BC LM 308 |
| stelt een oplossingsmethode bij | BC LM 309 |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | BC LM 405* |
3.5.4.2. Nederlands
-
| Module Oplossingsgericht handelen | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| trekt een conclusie uit studieteksten | BC LM 061 |
| trekt een conclusie uit grafische voorstellingen | BC LM 065 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.6. Module Schriftelijke Informatie verwerven en verwerken (LM SV G906)
3.6.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van schriftelijke informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van schriftelijke informatie.
3.6.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.6.3. Studieduur
10 Lt
3.6.4. Basiscompetenties
3.6.4.1. Leren leren
-
| Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken | Code |
| De cursist | |
| is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 248 |
| herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie | BC LM 250 |
| kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie | BC LM 251 |
| raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie | BC LM 252 |
| stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie | BC LM 255 |
| durft informatie selecteren | BC LM 259 |
| gaat discreet om met informatie | BC LM 261 |
| wil met informatie correct omgaan | BC LM 262 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 264 |
| oriënteert zich in informatie | BC LM 265 |
| begrijpt informatie | BC LM 266 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 400* |
3.6.4.2. Nederlands
-
| Module Schriftelijke informatie verwerven en verwerken | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 005 |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies | BC LM 007 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 013 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies | BC LM 015 |
| zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 023 |
| zoekt informatie in instructies | BC LM 026 |
| ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 033 |
| ordent informatie uit instructies | BC LM 035 |
| vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 043 |
| vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 046 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.7. Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken (LM SV G921)
3.7.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module richt zich op cursisten die problemen ervaren met het zoeken en verwerken van mondelinge informatie. Het beheersen van deze vaardigheden is een voorwaarde om tot leren te komen en voorbereid te zijn om een leven lang te leren. Deze module focust daarom op het efficiënt en effectief zoeken, verwerken en organiseren van mondelinge informatie.
3.7.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.7.3. Studieduur
10 Lt
3.7.4. Basiscompetenties
3.7.4.1. Leren leren
-
| Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken | Code |
| De cursist | |
| is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 248 |
| herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie | BC LM 250 |
| kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie | BC LM 251 |
| raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie | BC LM 252 |
| stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie | BC LM 255 |
| durft informatie selecteren | BC LM 259 |
| gaat discreet om met informatie | BC LM 261 |
| wil met informatie correct omgaan | BC LM 262 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 264 |
| oriënteert zich in informatie | BC LM 265 |
| begrijpt informatie | BC LM 266 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 400* |
3.7.4.2. Nederlands
-
| Module Mondelinge informatie verwerven en verwerken | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 071 |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies | BC LM 072 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 076 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies | BC LM 077 |
| zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 081 |
| zoekt informatie in instructies | BC LM 082 |
| ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | BC LM 086 |
| ordent informatie uit instructies | BC LM 087 |
| vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 092 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102
3.8. Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen (LM SV G924)
3.8.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een paper of portfolio hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie.
3.8.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.8.3. Studieduur
20 Lt
3.8.4. Basiscompetenties
3.8.4.1. Leren leren
-
| Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen | Code |
| De cursist | |
| toetst informatie aan het eigen referentiekader | BC LM 273 |
| exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen | BC LM 274 |
| legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | BC LM 278 |
| verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 284 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
3.8.4.2. Nederlands
-
| Module Schriftelijke informatie verwerven en beoordelen | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 047 |
| beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 050 |
| beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 059 |
| trekt een conclusie uit studieteksten | BC LM 061 |
| trekt een conclusie uit grafische voorstellingen | BC LM 065 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 168 |
| verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 169 |
| schrijft een mondelinge presentatie uit | BC LM 178 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 168verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 169schrijft een mondelinge presentatie uit BC LM 178Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
stelt een bibliografie op BC LM 198
3.9. Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen (LM SV G925)
3.9.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van bijv. een presentatie hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van mondelinge informatie.
3.9.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.9.3. Studieduur
20 Lt
3.9.4. Basiscompetenties
3.9.4.1. Leren leren
-
| Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen | Code |
| De cursist | |
| toetst informatie aan het eigen referentiekader | BC LM 273 |
| exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen | BC LM 274 |
| legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | BC LM 278 |
| verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 284 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | BC LM 405* |
3.9.4.2. Nederlands
-
| Module Mondelinge informatie verwerven en beoordelen | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 068 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 073 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 078 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 083 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 088 |
| beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 093 |
| trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 098 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor | BC LM 203 |
| stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor | BC LM 204 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.10. Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen (LM SV G907)
3.10.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om doelgericht schriftelijke informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid.
3.10.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.10.3. Studieduur
10 Lt
3.10.4. Basiscompetenties
3.10.4.1. Leren leren
-
| Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen | Code |
| De cursist | |
| beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 253 |
| gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 257 |
| hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 258 |
| schat informatie naar waarde | BC LM 260 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 264 |
| geeft informatie met eigen woorden weer | BC LM 268 |
| begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt | BC LM 272 |
| beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 275 |
| maakt uit informatie een keuze | BC LM 276 |
| roept in een nieuwe situatie verworven informatie op | BC LM 277 |
| gaat correct om met verworven informatie | BC LM 279 |
| neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 283 |
| gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel | BC LM 285 |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd | BC LM 406* |
3.10.4.2. Nederlands
-
| Module Schriftelijke informatie verwerken en beoordelen | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 047 |
| beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 050 |
| beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 059 |
| trekt een conclusie uit studieteksten | BC LM 061 |
| trekt een conclusie uit grafische voorstellingen | BC LM 065 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.11. Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen (LM SV G922)
3.11.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om doelgericht mondelinge informatie te zoeken en te verwerken, kunnen de waarde van deze informatie niet altijd ook op de juiste manier inschatten. Dit is nochtans heel belangrijk. In deze module ligt daarom het accent op beoordelen van mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid.
3.11.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.11.3. Studieduur
10 Lt
3.11.4. Basiscompetenties
3.11.4.1. Leren leren
-
| Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen | Code |
| De cursist | |
| beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 253 |
| gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 257 |
| hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 258 |
| schat informatie naar waarde | BC LM 260 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | BC LM 264 |
| geeft informatie met eigen woorden weer | BC LM 268 |
| begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt | BC LM 272 |
| beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 275 |
| maakt uit informatie een keuze | BC LM 276 |
| roept in een nieuwe situatie verworven informatie op | BC LM 277 |
| gaat correct om met verworven informatie | BC LM 279 |
| neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 283 |
| gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel | BC LM 285 |
| reflecteert op het bereikte leerresultaat | BC LM 393 |
| reflecteert op het doorgemaakte leerproces | BC LM 394 |
3.11.4.2. Nederlands
-
| Module Mondelinge informatie verwerken en beoordelen | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 068 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 073 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 078 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 083 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 088 |
| beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 093 |
| trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 098 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102
3.12. Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen (LM SV G908)
3.12.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om schriftelijke informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van een eindwerk of wanneer cursisten willen doorstromen naar hoger onderwijs hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van schriftelijke informatie.
3.12.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.12.3. Studieduur
20 Lt
3.12.4. Basiscompetenties
3.12.4.1. Leren leren
-
| Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen | Code |
| De cursist | |
| toetst informatie aan het eigen referentiekader | BC LM 273 |
| exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen | BC LM 274 |
| legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | BC LM 278 |
| verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 284 |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
| ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën | BC LM 409* |
3.12.4.2. Nederlands
-
| Module Schriftelijke informatie kritisch beoordelen | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten | BC LM 002 |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten | BC LM 003 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten | BC LM 011 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten | BC LM 012 |
| zoekt informatie in journalistieke teksten | BC LM 019 |
| zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten | BC LM 020 |
| ordent informatie uit journalistieke teksten | BC LM 031 |
| ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten | BC LM 032 |
| vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 039 |
| vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 040 |
| beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 051 |
| beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 052 |
| trekt een conclusie uit journalistieke teksten | BC LM 062 |
| trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten | BC LM 063 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 168 |
| verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 169 |
| schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 175 |
| schrijft een mondelinge presentatie uit | BC LM 178 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoelBC LM 066Taaltechnische vaardighedenDe cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze inBC LM 067SchrijvenTekstkenmerken niveau C, zie punt 2De cursistverwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 168verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uitBC LM 169schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komenBC LM 175schrijft een mondelinge presentatie uitBC LM 178StrategieënDe cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoelBC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.13. Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen (LM SV G923)
3.13.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten die in staat zijn om mondelinge informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid te beoordelen, zijn niet altijd in staat om een kritische kijk en een eigen mening ten aanzien van deze informatie te ontwikkelen. In functie van het maken van een eindwerk of wanneer cursisten willen doorstromen naar hoger onderwijs hebben ze deze vaardigheden wel nodig. Deze module focust daarom op het kritisch beoordelen van mondelinge informatie.
3.13.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.13.3. Studieduur
20 Lt
3.13.4. Basiscompetenties
3.13.4.1. Leren leren
-
| Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen | Code |
| De cursist | |
| toetst informatie aan het eigen referentiekader | BC LM 273 |
| exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen | BC LM 274 |
| legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | BC LM 278 |
| verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 284 |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
| ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën | BC LM 409* |
3.13.4.2. Nederlands
-
| Module Mondelinge informatie kritisch beoordelen | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke teksten | BC LM 069 |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | BC LM 070 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke teksten | BC LM 074 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | BC LM 075 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke teksten | BC LM 079 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | BC LM 080 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten | BC LM 084 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | BC LM 085 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 089 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 090 |
| beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 094 |
| beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 095 |
| trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten | BC LM 099 |
| trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | BC LM 100 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor | BC LM 203 |
| stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor | BC LM 204 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Spreken Tekstkenmerken niveau C, zie punt 2 De cursist stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor BC LM 203stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor BC LM 204Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.14. Module Actief les volgen (LM SV G909)
3.14.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten onderschatten vaak het belang van het aandachtig volgen van de lessen en missen daardoor de aangeboden hulp bij het verwerken van de leerstof. In deze module verwerven startende cursisten de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om van lesmomenten leermomenten te maken. Cursisten leren in deze module luistervaardigheden toe te passen bij eenvoudige informatie die mondeling wordt aangeboden. Daarnaast oefenen zij schrijfvaardigheden in functie van het maken van goede lesnotities.
3.14.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.14.3. Studieduur
12 Lt
3.14.4. Basiscompetenties
3.14.4.1. Leren leren
-
| Module Actief les volgen | Code |
| De cursist | |
| erkent de nood aan informatie | BC LM 245 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| is bereid de groepsregels te respecteren | BC LM 315 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven | BC LM 397* |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | BC LM 405* |
3.14.4.2. Nederlands
-
| Module Actief les volgen | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 068 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 073 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 078 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 083 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 088 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| o De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek | BC LM 121 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek | BC LM 122 |
| stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek | BC LM 123 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip | BC LM 154 |
| maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven | BC LM 155 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden o De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek BC LM 121onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek BC LM 122stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek BC LM 123Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip BC LM 154maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.15. Module Participeren aan de les (LM SV G910)
3.15.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Naarmate de cursisten vorderen in een opleiding worden hogere eisen gesteld aan de luister- en schrijfvaardigheden bij het verwerken van mondelinge informatie. Deze module is erop gericht aanwezige luister- en schrijfvaardigheden van de cursisten te verdiepen en uit te breiden, zodat zij in staat zijn kennis te construeren op basis van complexe informatie in meer complexe situaties. Daarnaast wordt in deze module veel aandacht besteed aan het actief deelnemen aan onderwijsleergesprekken.
3.15.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.15.3. Studieduur
16 Lt
3.15.4. Basiscompetenties
3.15.4.1. Leren leren
-
| Module Participeren aan de les | Code |
| De cursist | |
| is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengen | BC LM 317 |
| zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal | BC LM 353 |
| staat open voor feedback | BC LM 365 |
| aanvaardt feedback | BC LM 366 |
| reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces | BC LM 390 |
| reflecteert op het doorgemaakte leerproces | BC LM 394 |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
3.15.4.2. Nederlands
-
| Module Participeren aan de les | Code |
| Luisteren | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 068 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 073 |
| zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 078 |
| ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 083 |
| vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 088 |
| beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 093 |
| trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten | BC LM 098 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | BC LM 101 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 102 |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek | BC LM 124 |
| drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek | BC LM 125 |
| beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | BC LM 126 |
| beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | BC LM 127 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven | BC LM 155 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel BC LM 101Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in
o herkent non-verbaal gedrag en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 102Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 124drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek BC LM 125beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 126beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 127Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven BC LM 155Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.16. Module Opdrachten aanpakken (LM SV G911)
3.16.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In een competentiegerichte leeromgeving wordt veelvuldig gebruik gemaakt van opdrachten om het leerproces te sturen. Het is daarom belangrijk dat cursisten de opdrachten op een efficiënte manier aanpakken. In deze module verwerven de cursisten de inzichten en vaardigheden om het beoogde leereffect van eenvoudige opdrachten te realiseren.
3.16.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.16.3. Studieduur
10 Lt
3.16.4. Basiscompetenties
3.16.4.1. Leren leren
-
| Module Opdrachten aanpakken | Code |
| De cursist | |
| erkent de nood aan informatie | BC LM 245 |
| staat open voor diverse informatiebronnen | BC LM 246 |
| houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 247 |
| analyseert welke informatie nodig is | BC LM 249 |
| maakt een keuze uit informatiebronnen | BC LM 254 |
| hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 258 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken | BC LM 269 |
| maakt uit informatie een keuze | BC LM 276 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen | BC LM 370 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven | BC LM 397* |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
| ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
3.16.4.2. Nederlands
-
| Module Opdrachten aanpakken | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.17. Module Opdrachten planmatig uitvoeren (LM SV G912)
3.17.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In deze module wordt gefocust op de inzichten en vaardigheden die nodig zijn om complexe opdrachten op een systematische manier aan te pakken. Cursisten leren hier hun aanpak bij te sturen in functie van het beoogde leerdoel en leereffect.
3.17.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.17.3. Studieduur
10 Lt
3.17.4. Basiscompetenties
3.17.4.1. Leren leren
-
| Module Opdrachten planmatig uitvoeren | Code |
| De cursist | |
| houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 247 |
| maakt een keuze uit informatiebronnen | BC LM 254 |
| hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | BC LM 258 |
| schat informatie naar waarde | BC LM 260 |
| houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | BC LM 263 |
| beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan | BC LM 270 |
| legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | BC LM 278 |
| visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weer | BC LM 282 |
| beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans | BC LM 292 |
| ontwerpt een oplossingsplan | BC LM 299 |
| beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing | BC LM 302 |
| stelt een oplossingsplan bij | BC LM 306 |
| reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces | BC LM 389 |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven | BC LM 397* |
| ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | BC LM 398* |
3.17.4.2. Nederlands
-
| Module Opdrachten planmatig uitvoeren | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten | BC LM 001 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten | BC LM 010 |
| zoekt informatie in studieteksten | BC LM 018 |
| zoekt informatie in grafische voorstellingen | BC LM 027 |
| ordent informatie uit studieteksten | BC LM 030 |
| vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067
3.18. Module Verslagen maken (LM SV G913)
3.18.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Veel cursisten blijken onvoldoende bekwaam om een duidelijk, leesbaar en goed gestructureerd verslag te maken van eenvoudige gebeurtenissen. Om te voorkomen dat cursisten nodeloos veel tijd besteden aan het maken en herwerken van verslagen, is het belangrijk dat ze de nodige inzichten en vaardigheden verwerven om op een efficiënte en effectieve wijze verslagen te schrijven. Deze module focust vooral op het maken van een verslag van uitgevoerde activiteiten en reflecties daarop.
3.18.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.18.3. Studieduur
20 Lt
3.18.4. Basiscompetenties
3.18.4.1. Leren leren
-
| Module Verslagen maken | Code |
| De cursist | |
| analyseert welke informatie nodig is | BC LM 249 |
| durft informatie selecteren | BC LM 259 |
| gaat discreet om met informatie | BC LM 261 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken | BC LM 269 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
| ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 400* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. | BC LM 406* |
3.18.4.2. Nederlands
-
| Module Verslagen maken | Code |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaard | BC LM 156 |
| vat informatie uit één bron samen | BC LM 158 |
| geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer | BC LM 161 |
| beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 163 |
| vult een formulier in | BC LM 189 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.19. Module Rapporten maken (LM SV G914)
3.19.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Cursisten slagen er niet altijd in om hun observaties op een adequate manier schriftelijk te rapporteren. In deze module leren de cursisten een rapport opmaken dat voldoet aan de gestelde eisen en verwachtingen.
3.19.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.19.3. Studieduur
20 Lt
3.19.4. Basiscompetenties
3.19.4.1. Leren leren
-
| Module Rapporten maken | Code |
| De cursist | |
| analyseert welke informatie nodig is | BC LM 249 |
| durft informatie selecteren | BC LM 259 |
| gaat discreet om met informatie | BC LM 261 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken | BC LM 269 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 399* |
| ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 400* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd. | BC LM 406* |
3.19.4.2. Nederlands
-
| Module Rapporten maken | Code |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schema | BC LM 157 |
| vat informatie uit meerdere bronnen samen | BC LM 159 |
| geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer | BC LM 161 |
| geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 164 |
| integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheel | BC LM 195 |
| zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming | BC LM 196 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198
3.20. Module Spreken voor een groep (LM SV G915)
3.20.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module is gericht op cursisten bij wie tijdens de intake blijkt dat zij inadequaat reageren in groepsgesprekken. In het kader van de opleiding wordt vaak een beroep gedaan op deze vaardigheid. In deze module leren de cursisten op een efficiënte en effectieve manier te spreken in een groep in eenvoudige situaties.
3.20.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.20.3. Studieduur
20 Lt
3.20.4. Basiscompetenties
3.20.4.1. Leren leren
-
| Module Spreken voor een groep | Code |
| De cursist | |
| stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden | BC LM 338 |
| verduidelijkt een standpunt voor de andere | BC LM 349 |
| onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere | BC LM 350 |
| zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal | BC LM 353 |
| brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over | BC LM 354 |
| observeert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 355 |
| interpreteert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 356 |
| reageert op het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 357 |
| reflecteert op het doorgemaakte leerproces | BC LM 394 |
| ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
3.20.4.2. Nederlands
-
| Module Spreken voor een groep | Code |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| geeft uitleg bij een demonstratie | BC LM 208 |
| zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 210 |
| houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 211 |
| zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 212 |
| zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 213 |
| houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 214 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.21. Module Presenteren voor een groep (LM SV G916)
3.21.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In deze module ligt het accent op het mondelinge aspect van het geven van een presentatie voor een groep in meer complexe situaties. Tijdens lesmomenten is er vaak onvoldoende ruimte om dit in te oefenen. Deze module kan cursisten helpen om zich hierin verder te bekwamen.
3.21.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.21.3. Studieduur
20 Lt
3.21.4. Basiscompetenties
3.21.4.1. Leren leren
-
| Module Presenteren voor een groep | Code |
| De cursist | |
| stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden | BC LM 338 |
| verduidelijkt een standpunt voor de andere | BC LM 349 |
| onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere | BC LM 350 |
| levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwen | BC LM 351 |
| zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal | BC LM 353 |
| observeert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 355 |
| interpreteert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 356 |
| reageert op het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 357 |
| reflecteert op het bereikte leerresultaat | BC LM 393 |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld | BC LM 407* |
| ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen | BC LM 408* |
3.21.4.2. Nederlands
-
| Module Presenteren voor een groep | Code |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteunt | BC LM 177 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| houdt over een eigen werkstuk een presentatie | BC LM 205 |
| houdt een presentatie over een stage-activiteit | BC LM 206 |
| wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug | BC LM 207 |
| houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 211 |
| beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen | BC LM 215 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau B, zie punt 2 De cursist houdt over een eigen werkstuk een presentatie BC LM 205houdt een presentatie over een stage-activiteit BC LM 206wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug BC LM 207houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 211beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.22. Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer (LM SV G917)
3.22.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In deze module ligt het accent op het verwerven van de competenties die nodig zijn om via het leren op de werkplek tot diepgaande leerervaringen te komen. Deze module is bedoeld voor cursisten die niet in staat zijn te komen tot zelfreflectie en die problemen hebben met het constructief omgaan met feedback.
3.22.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.22.3. Studieduur
20 Lt
3.22.4. Basiscompetenties
3.22.4.1. Leren leren
-
| Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer | Code |
| De cursist | |
| is bereid over het eigen leerproces te reflecteren | BC LM 362 |
| is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen | BC LM 363 |
| staat open voor feedback | BC LM 365 |
| aanvaardt feedback | BC LM 366 |
| wil met feedback omgaan | BC LM 367 |
| beschouwt feedback als een leerkans | BC LM 368 |
| heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen | BC LM 370 |
| heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangen | BC LM 375 |
| bereidt de uitvoering van de leertaak voor | BC LM 376 |
| volgt de uitvoering van de leertaak op | BC LM 377 |
| evalueert de uitvoering van de leertaak | BC LM 378 |
| evalueert het bereikte leerresultaat | BC LM 379 |
| bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij | BC LM 387 |
| reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces | BC LM 391 |
| reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces | BC LM 396 |
| ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen | BC LM 404* |
3.22.4.2. Nederlands
-
| Module Zich voorbereiden op leren op de werkvloer | Code |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprek | BC LM 136 |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprek | BC LM 137 |
| stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt er | BC LM 138 |
| levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner | BC LM 139 |
| drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner | BC LM 140 |
| beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop | BC LM 141 |
| beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop | BC LM 142 |
| trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert ze | BC LM 143 |
| drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner | BC LM 146 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw | BC LM 160 |
| houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek | BC LM 162 |
| houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit | BC LM 165 |
| schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag | BC LM 166 |
| verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | BC LM 167 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor | BC LM 201 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw BC LM 160houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek BC LM 162houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit BC LM 165schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag BC LM 166verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit BC LM 167Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor BC LM 201Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.23. Module Samenwerken met collega's (LM SV G918)
3.23.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
Deze module richt zich op cursisten bij wie tijdens het leren op de werkplek blijkt dat ze onvoldoende kunnen samenwerken met anderen omdat ze onvoldoende bereid zijn rekening te houden met anderen en hun eigen inbreng niet willen/kunnen afstemmen op de inbreng van collega's.
3.23.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.23.3. Studieduur
20 Lt
3.23.4. Basiscompetenties
3.23.4.1. Leren leren
-
| Module Samenwerken met collega's | Code |
| De cursist | |
| staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere | BC LM 322 |
| is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houden | BC LM 323 |
| is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden | BC LM 325 |
| staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking | BC LM 326 |
| is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houden | BC LM 327 |
| gaat na welke regels in de groep gelden | BC LM 333 |
| gaat na welke regels gesteld moeten worden | BC LM 334 |
| zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking in | BC LM 336 |
| stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden | BC LM 338 |
| herkent de verschillende meningen in de groep | BC LM 339 |
| gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening | BC LM 340 |
| beoordeelt de verschillende meningen in de groep | BC LM 341 |
| laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere | BC LM 343 |
| werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groep | BC LM 344 |
| respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking | BC LM 345 |
| onderhandelt actief mee over het samenwerkingsproces om tot afspraken te komen | BC LM 346 |
| bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bij | BC LM 347 |
| reageert op het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 357 |
| reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties | BC LM 395 |
| reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces | BC LM 396 |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | BC LM 405* |
3.23.4.2. Nederlands
-
| Module Samenwerken met collega's | Code |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering | BC LM 116 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 170 |
| werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 173 |
| werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 174 |
| schrijft een instructie | BC LM 179 |
| communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht | BC LM 182 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 212 |
| zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | BC LM 213 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 170werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 173werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 174schrijft een instructie BC LM 179communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht BC LM 182Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 212zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen BC LM 213Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.24. Module Zich voorbereiden op de evaluatie (LM SV G919)
3.24.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In deze module leert de cursist examenvragen of andere evaluatieopdrachten analyseren en beantwoorden.
3.24.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.24.3. Studieduur
8 Lt
3.24.4. Basiscompetenties
3.24.4.1. Leren leren
-
| Module Zich voorbereiden op de evaluatie | Code |
| De cursist | |
| oriënteert zich in informatie | BC LM 265 |
| begrijpt informatie | BC LM 266 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties | BC LM 395 |
| ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | BC LM 402* |
| ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld | BC LM 407* |
3.24.4.2. Nederlands
-
| Module Zich voorbereiden op de evaluatie | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragen | BC LM 008 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragen | BC LM 016 |
| zoekt informatie in examenvragen | BC LM 028 |
| ordent informatie uit examenvragen | BC LM 036 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek | BC LM 144 |
| stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek | BC LM 145 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag | BC LM 186 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| stelt een activiteit gestructureerd voor | BC LM 200 |
| beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen | BC LM 215 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 144stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek BC LM 145Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag BC LM 186Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een activiteit gestructureerd voor BC LM 200beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
3.25. Module Zich voorbereiden op solliciteren (LM SV G920)
3.25.1. Situering van de module
Voor deze module geldt de matrix Nederlands en leren leren als referentiekader. Alle basiscompetenties werden uit deze matrix geselecteerd.
De bedoeling van deze matrix is tegemoet te komen aan de noden van volwassenen die een opleiding of een studie aanvangen of al volgen. De leerbehoeften van deze (kandidaat)cursisten kunnen gaan over leren leren en over Nederlands als instructietaal. De leerbehoeften kunnen sterk verschillend zijn waardoor naast het aanbod van deze standaardmodule een flexibel traject op maat van de cursist aangewezen kan zijn.
In deze module leert de cursist vacatures analyseren en zich voorbereiden op sollicitaties voor een stageplaats of een werkaanbieding.
3.25.2. Instapvereisten voor de module
Er zijn geen bijkomende instapvoorwaarden bovenop de algemeen geldende instapvoorwaarden van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
3.25.3. Studieduur
12 Lt
3.25.4. Basiscompetenties
3.25.4.1. Leren leren
-
| Module Zich voorbereiden op solliciteren | Code |
| De cursist | |
| oriënteert zich in informatie | BC LM 265 |
| begrijpt informatie | BC LM 266 |
| onderscheidt feiten en meningen | BC LM 271 |
| registreert informatie | BC LM 280 |
| structureert informatie | BC LM 281 |
| reflecteert op het bereikte leerresultaat | BC LM 393 |
| reflecteert op het doorgemaakte leerproces | BC LM 394 |
| ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | BC LM 403* |
3.25.4.2. Nederlands
-
| Module Zich voorbereiden op solliciteren | Code |
| Lezen | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacatures | BC LM 009 |
| onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacatures | BC LM 017 |
| zoekt informatie in vacatures | BC LM 029 |
| ordent informatie uit vacatures | BC LM 037 |
| vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 049 |
| beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 060 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel | BC LM 066 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in | BC LM 067 |
| Mondelinge interactie | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek | BC LM 147 |
| stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner | BC LM 148 |
| beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | BC LM 149 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel | BC LM 152 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat | BC LM 153 |
| Schrijven | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| stelt een sollicitatiebrief op | BC LM 181 |
| vult een sollicitatieformulier in | BC LM 190 |
| stelt een cv op | BC LM 192 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken o stelt een schrijfplan op o maakt gebruik van een model o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan o gebruikt een passende lay-out o kijkt de eigen tekst na o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o houdt rekening met de conventies van geschreven taal o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel | BC LM 197 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat o stelt een bibliografie op | BC LM 198 |
| Spreken | |
| Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 | |
| De cursist | |
| beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen | BC LM 215 |
| Strategieën | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken o stelt een spreekplan op o maakt gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel o stelt het resultaat bij | BC LM 218 |
| Taaltechnische vaardigheden | |
| De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ... o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee o gebruikt registers passend en consistent o houdt rekening met conventies van teksttypes o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit o drukt feit en mening adequaat uit o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit o gebruikt zinsstructuren passend o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat | BC LM 219 |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel BC LM 066Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee
o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in
o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze
o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in BC LM 067Mondelinge interactie Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek BC LM 147stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner BC LM 148beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop BC LM 149Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel BC LM 152Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent
o herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van
o herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit
o herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend
o herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van
o herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat BC LM 153Schrijven Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist stelt een sollicitatiebrief op BC LM 181vult een sollicitatieformulier in BC LM 190stelt een cv op BC LM 192Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer
o stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken
o stelt een schrijfplan op
o maakt gebruik van een model
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan
o gebruikt een passende lay-out
o kijkt de eigen tekst na
o maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o houdt rekening met de conventies van geschreven taal
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel BC LM 197Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend
o past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat
o stelt een bibliografie op BC LM 198Spreken Tekstkenmerken niveau A, zie punt 2 De cursist beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen BC LM 215Strategieën De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar
o stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken
o stelt een spreekplan op
o maakt gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal
o brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over
o maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert
o beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel
o stelt het resultaat bij BC LM 218Taaltechnische vaardigheden De cursist, om bovenstaande taaltaken uit te voeren, ...
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee
o gebruikt registers passend en consistent
o houdt rekening met conventies van teksttypes
o past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe
o drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit
o maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden
o drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit
o drukt feit en mening adequaat uit
o drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit
o onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit
o gebruikt zinsstructuren passend
o gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend
o maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag
o maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal
o gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat BC LM 219
-
Art. N2. Bijlage 2. - NEDERLANDS EN LEREN LEREN MATRIX BIJ DE DIPLOMAGERICHTE OPLEIDINGEN VAN HET SECUNDAIR VOLWASSENENONDERWIJS
1.Nederlands
1.1.Leeswijzer
oDe voorliggende matrix is ontwikkeld voor vijf vaardigheden: lezen, luisteren, schrijven, spreken en mondelinge interactie.
o De matrix wordt van links naar rechts gelezen.
o De matrix is als volgt opgebouwd: per vaardigheid taaltaken met niveaus van tekstkenmerken, strategieën en taaltechnische vaardigheden.
o In de horizontale as van de matrix worden drie niveaus met een opklimmende moeilijkheidsgraad onderscheiden. Deze niveaus worden gevormd door de tekstkenmerken. Om het niveau van `een tekst' te bepalen, wordt uitgegaan van een globale weging: het geheel van de tekstkenmerken geldt als indicator.
o De tekstkenmerken zijn onderverdeeld in een aantal rubrieken naargelang de vaardigheid. `Onderwerp', `taalgebruikssituatie', `structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid' en `woordenschat en taalvariëteit' zijn gemeenschappelijk voor de vijf vaardigheden. Voor luisteren, spreken en mondelinge interactie wordt ook de categorie `verstaanbaarheid' opgenomen, voor lezen en schrijven de categorie `uiterlijke tekstkenmerken'. De bepaling van de tekstkenmerken per niveau vertoont een grote parallellie over de vaardigheden heen, maar de specifieke invulling hangt samen met de eigenheid van de vaardigheid.
o De basiscompetenties in de vorm van een taaltaak worden bij de receptieve vaardigheden lezen en luisteren geordend volgens thema's die in de eerste kolom van de verticale as van de matrix staan opgelijst. Deze thema's zijn geen basiscompetenties, maar inhoudelijke kapstokken waaraan de basiscompetenties worden opgehangen. Bij de productieve vaardigheden schrijven en spreken en bij mondelinge interactie worden de basiscompetenties volgens teksttypes geordend. De taaltaak vormt samen met de tekstkenmerken één basiscompetentie. Ze zijn niet afzonderlijk selecteerbaar. Iedere taaltaak kan wel aan elk niveau van tekstkenmerken worden gekoppeld.
o De taalstrategieën gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Een cursist moet ze kunnen toepassen in functie van een bepaalde taaltaak met de daarbij horende tekstkenmerken. De taalstrategieën moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
o Onder taaltechnische vaardigheden worden ondersteunende kennis en vaardigheden opgenomen die een cursist moet kennen en kunnen gebruiken in functie van een bepaalde taaltaak, met de daarbij horende tekstkenmerken. De taaltechnische vaardigheden gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Ze moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
o De basiscompetenties zijn in de matrix in een logische volgorde opgenomen. Aangezien het een matrix betreft, worden de basiscompetenties niet in die volgorde aangeboden. Ze worden geselecteerd naargelang van de noden van de cursist.
o De basiscompetenties `Nederlands' moeten bereikt worden.
1.2.Lezen
1.Nederlands
1.1.Leeswijzer
oDe voorliggende matrix is ontwikkeld voor vijf vaardigheden: lezen, luisteren, schrijven, spreken en mondelinge interactie.
o De matrix wordt van links naar rechts gelezen.
o De matrix is als volgt opgebouwd: per vaardigheid taaltaken met niveaus van tekstkenmerken, strategieën en taaltechnische vaardigheden.
o In de horizontale as van de matrix worden drie niveaus met een opklimmende moeilijkheidsgraad onderscheiden. Deze niveaus worden gevormd door de tekstkenmerken. Om het niveau van `een tekst' te bepalen, wordt uitgegaan van een globale weging: het geheel van de tekstkenmerken geldt als indicator.
o De tekstkenmerken zijn onderverdeeld in een aantal rubrieken naargelang de vaardigheid. `Onderwerp', `taalgebruikssituatie', `structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid' en `woordenschat en taalvariëteit' zijn gemeenschappelijk voor de vijf vaardigheden. Voor luisteren, spreken en mondelinge interactie wordt ook de categorie `verstaanbaarheid' opgenomen, voor lezen en schrijven de categorie `uiterlijke tekstkenmerken'. De bepaling van de tekstkenmerken per niveau vertoont een grote parallellie over de vaardigheden heen, maar de specifieke invulling hangt samen met de eigenheid van de vaardigheid.
o De basiscompetenties in de vorm van een taaltaak worden bij de receptieve vaardigheden lezen en luisteren geordend volgens thema's die in de eerste kolom van de verticale as van de matrix staan opgelijst. Deze thema's zijn geen basiscompetenties, maar inhoudelijke kapstokken waaraan de basiscompetenties worden opgehangen. Bij de productieve vaardigheden schrijven en spreken en bij mondelinge interactie worden de basiscompetenties volgens teksttypes geordend. De taaltaak vormt samen met de tekstkenmerken één basiscompetentie. Ze zijn niet afzonderlijk selecteerbaar. Iedere taaltaak kan wel aan elk niveau van tekstkenmerken worden gekoppeld.
o De taalstrategieën gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Een cursist moet ze kunnen toepassen in functie van een bepaalde taaltaak met de daarbij horende tekstkenmerken. De taalstrategieën moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
o Onder taaltechnische vaardigheden worden ondersteunende kennis en vaardigheden opgenomen die een cursist moet kennen en kunnen gebruiken in functie van een bepaalde taaltaak, met de daarbij horende tekstkenmerken. De taaltechnische vaardigheden gelden per vaardigheid als één basiscompetentie. Ze moeten naargelang van de taaltaak geselecteerd worden.
o De basiscompetenties zijn in de matrix in een logische volgorde opgenomen. Aangezien het een matrix betreft, worden de basiscompetenties niet in die volgorde aangeboden. Ze worden geselecteerd naargelang van de noden van de cursist.
o De basiscompetenties `Nederlands' moeten bereikt worden.
1.2.Lezen
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. | ||
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | Complex samengestelde zinnen komen voor. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Uiterlijke tekstkenmerken | De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er zijn geen beperkingen qua lengte van de teksten.
De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
-
| TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal) | |
| THEMA | In teksten met bovenstaande tekstkenmerken: |
| De hoofdgedachte en de gedachtegang | BC LM 001 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in studieteksten |
| BC LM 002 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in journalistieke teksten | |
| BC LM 003 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 004 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in correspondentie | |
| BC LM 005 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 006 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in contracten | |
| BC LM 007 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies | |
| BC LM 008 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in examenvragen | |
| BC LM 009 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in vacatures | |
| Hoofd-, bijzaken en details | BC LM 010 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in studieteksten |
| BC LM 011 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in journalistieke teksten | |
| BC LM 012 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 013 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 014 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in contracten | |
| BC LM 015 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies | |
| BC LM 016 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in examenvragen | |
| BC LM 017 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in vacatures | |
| Het zoeken van informatie | BC LM 018 - zoekt informatie in studieteksten |
| BC LM 019 - zoekt informatie in journalistieke teksten | |
| BC LM 020 - zoekt informatie in populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 021 - zoekt informatie in naslagwerken | |
| BC LM 022 - zoekt informatie in correspondentie | |
| BC LM 023 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 024 - zoekt informatie in formulieren | |
| BC LM 025 - zoekt informatie in contracten | |
| BC LM 026 - zoekt informatie in instructies | |
| BC LM 027 - zoekt informatie in grafische voorstellingen | |
| BC LM 028 - zoekt informatie in examenvragen | |
| BC LM 029 - zoekt informatie in vacatures | |
| Het ordenen van informatie | BC LM 030 - ordent informatie uit studieteksten |
| BC LM 031 - ordent informatie uit journalistieke teksten | |
| BC LM 032 - ordent informatie uit populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 033 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 034 - ordent informatie uit contracten | |
| BC LM 035 - ordent informatie uit instructies | |
| BC LM 036 - ordent informatie uit examenvragen | |
| BC LM 037 - ordent informatie uit vacatures | |
| Het vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 038 - vergelijkt informatie uit studieteksten met eigen kennis en met andere informatie |
| BC LM 039 - vergelijkt informatie uit journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 040 - vergelijkt informatie uit populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 041 - vergelijkt informatie uit naslagwerken met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 042 - vergelijkt informatie uit correspondentie met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 043 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 044 - vergelijkt informatie uit formulieren met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 045 - vergelijkt informatie uit contracten met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 046 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 047 - vergelijkt informatie uit grafische voorstellingen met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 048 - vergelijkt informatie uit examenvragen met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 049 - vergelijkt informatie uit vacatures met eigen kennis en met andere informatie | |
| Het beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 050 - beoordeelt informatie uit studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie |
| BC LM 051 - beoordeelt informatie uit journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 052 - beoordeelt informatie uit populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 053 - beoordeelt informatie uit naslagwerken op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 054 - beoordeelt informatie uit correspondentie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 055 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 056 - beoordeelt informatie uit formulieren op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 057 - beoordeelt informatie uit contracten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 058 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 059 - beoordeelt informatie uit grafische voorstellingen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 060 - beoordeelt informatie uit vacatures op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| Het trekken van een conclusie | BC LM 061 - trekt een conclusie uit studieteksten |
| BC LM 062 - trekt een conclusie uit journalistieke teksten | |
| BC LM 063 - trekt een conclusie uit populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 064 - trekt een conclusie uit correspondentie | |
| BC LM 065 - trekt een conclusie uit grafische voorstellingen | |
-
| STRATEGIEEN |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: |
| BC LM 066 o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o duidt relevante informatie aan o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel |
o oriënteert zich op aspecten van de leestaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van lezen af op het leesdoel
o vormt of stelt hypothesen bij over de inhoud en bedoeling van de tekst
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o duidt relevante informatie aan
o monitort het voorlopige resultaat monitoren en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het leesdoel
-
| TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: |
| BC LM 067 o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in o herkent conventies van teksttypes en schat ze in o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze o herkent feit en mening en schat ze in o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in o herkent zinsstructuren en schat ze in o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in |
o houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm
o onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes
o onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend lezen en houdt er rekening mee o herkent registers en schat ze in
o herkent conventies van teksttypes en schat ze in
o herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in
o herkent verbanden tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot en begrijpt ze
o herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in
o herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak-concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze
o herkent feit en mening en schat ze in
o herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze
o herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee
o herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in
o herkent zinsstructuren en schat ze in
o herkent elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties en schat ze in o herkent interpunctie en schat ze in
o herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze o herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
1.3.Luisteren
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature of het toelatingsexamen. Ze kunnen zowel vertrouwd als geheel nieuw zijn voor de leerder. | ||
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatiefbeperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid Teksten langer dan 15 -20 minuten kunnen, mits enige interactie mogelijk is.
Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. Teksten van 30 minuten komen voor, ook als er geen interactie mogelijk is.
De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere structuur. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Moeilijke verbanden en denkstappen worden duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. In toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoog tempo is af en toe mogelijk. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
| TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal, met beeld en zonder) | |
| THEMA | In teksten met bovenstaande tekstkenmerken: |
| De hoofdgedachte en de gedachtegang | BC LM 068 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden studieteksten |
| BC LM 069 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden journalistieke teksten | |
| BC LM 070 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 071 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 072 - achterhaalt de hoofdgedachte en volgt de gedachtegang in instructies | |
| Hoofd-, bijzaken en details | BC LM 073 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden studieteksten |
| BC LM 074 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden journalistieke teksten | |
| BC LM 075 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 076 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 077 - onderscheidt hoofd-, bijzaken en details in instructies | |
| Het zoeken van informatie | BC LM 078 - zoekt informatie in mondeling aangeboden studieteksten |
| BC LM 079 - zoekt informatie in mondeling aangeboden journalistieke teksten | |
| BC LM 080 - zoekt informatie in mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 081 - zoekt informatie in aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 082 - zoekt informatie in instructies | |
| Het ordenen van informatie | BC LM 083 - ordent informatie uit mondeling aangeboden studieteksten |
| BC LM 084 - ordent informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten | |
| BC LM 085 - ordent informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | |
| BC LM 086 - ordent informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal | |
| BC LM 087 - ordent informatie uit instructies | |
| Het vergelijken van informatie met eigen kennis en met andere informatie | BC LM 088 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten met eigen kennis en met andere informatie |
| BC LM 089 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 090 - vergelijkt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 091 - vergelijkt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal met eigen kennis en met andere informatie | |
| BC LM 092 - vergelijkt informatie uit instructies met eigen kennis en met andere informatie | |
| Het beoordelen van informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | BC LM 093 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden studieteksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie |
| BC LM 094 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 095 - beoordeelt informatie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 096 - beoordeelt informatie uit aankondigingen en voorlichtingsmateriaal op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| BC LM 097 - beoordeelt informatie uit instructies op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie | |
| Het trekken van een conclusie | BC LM 098 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden studieteksten |
| BC LM 099 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden journalistieke teksten | |
| BC LM 100 - trekt een conclusie uit mondeling aangeboden populairwetenschappelijke teksten | |
-
| STRATEGIEEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 101 o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af o noteert relevante informatie in kernwoorden o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel | |
| TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 102 | |
| o | houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldscherm |
| o | onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes |
| o | onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee |
| o | herkent registers en schat ze in |
| o | herkent conventies van teksttypes en schat ze in |
| o | herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze in |
| o | herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt ze |
| o | herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze in |
| o | herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt ze |
| o | herkent feit en mening en schat ze in |
| o | herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt ze |
| o | herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze in |
| o | herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze in |
| o | herkent zinsstructuren en schat ze in |
| o | herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze in |
| o | herkent non-verbaal gedrag en schat ze in |
| o | herkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt ze |
| o | herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in |
o oriënteert zich op aspecten van de luistertaak: doel, teksttype en eigen kennis
o stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel
o vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij
o blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt
o zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent
o maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst
o vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen
o leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af
o leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af
o noteert relevante informatie in kernwoorden
o monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig
o beoordeelt het resultaat in het licht van het luisterdoel TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: BC LM 102ohoudt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, papier, beeldschermoonderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypesoonderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening meeoherkent registers en schat ze inoherkent conventies van teksttypes en schat ze inoherkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en schat ze inoherkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot en begrijpt zeoherkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden en schat ze inoherkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde en begrijpt zeoherkent feit en mening en schat ze inoherkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie en begrijpt zeoherkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en schat ze inoherkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel en schat ze inoherkent zinsstructuren en schat ze inoherkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo en schat ze inoherkent non-verbaal gedrag en schat ze inoherkent relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal en begrijpt zeoherkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen en schat ze in
1.4.Mondelinge interactie
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist . De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. | Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen. Er wordt rustig gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist .
De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De deelnemer beschikt over voldoende woorden om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordenschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De deelnemer beschikt over een ruime woordschat om de communicatiepartner te begrijpen en zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar bij de deelnemer kunnen spreekpauzes voorkomen.
Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
| TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal) | |||
| TEKSTTYPE | In teksten met bovenstaande tekstkenmerken: | ||
| Een discussie | BC LM 103 - neemt verschillende rollen op zich in een discussie | ||
| BC LM 104 - volgt de gedachtegang in een discussie | |||
| BC LM 105 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een discussie | |||
| BC LM 106 - stelt vragen en beantwoordt ze in een discussie | |||
| BC LM 107 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie | |||
| BC LM 108 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een discussie | |||
| BC LM 109 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een discussie | |||
| BC LM 110 - beoordeelt informatie in een discussie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 111 - trekt een conclusie in een discussie en formuleert ze | |||
| Een werkvergadering | BC LM 112 - neemt verschillende rollen op zich in een werkvergadering | ||
| BC LM 113 - volgt de gedachtegang in een werkvergadering | |||
| BC LM 114 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een werkvergadering | |||
| BC LM 115 - stelt en beantwoordt vragen in een werkvergadering | |||
| BC LM 116 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering | |||
| BC LM 117 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een werkvergadering | |||
| BC LM 118 - verdedigt een eigen mening en streeft consensus na in een werkvergadering | |||
| BC LM 119 - beoordeelt informatie in een werkvergadering op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 120 - trekt een conclusie in een werkvergadering en formuleert ze | |||
| Een onderwijsleergesprek | BC LM 121 - volgt de gedachtegang in een onderwijsleergesprek | ||
| BC LM 122 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een onderwijsleergesprek | |||
| BC LM 123 - stelt en beantwoordt vragen in een onderwijsleergesprek | |||
| BC LM 124 - levert een bijdrage en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek | |||
| BC LM 125 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een onderwijsleergesprek | |||
| BC LM 126 - beoordeelt informatie in een onderwijsleergesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 127 - trekt en formuleert een conclusie in een onderwijsleergesprek | |||
| Een interview | BC LM 128 - neemt de rol van gespreksleider op zich in een interview | ||
| BC LM 129 - volgt de gedachtegang in een interview | |||
| BC LM 130 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een interview | |||
| BC LM 131 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen, beantwoordt er en licht de antwoorden toe in een interview | |||
| BC LM 132 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner in een interview | |||
| BC LM 133 - beoordeelt informatie in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 134 - beoordeelt vragen in een interview op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 135 - trekt een conclusie in een interview en formuleert ze | |||
| Een begeleidingsgesprek | BC LM 136 - volgt de gedachtegang in een begeleidingsgesprek | ||
| BC LM 137 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een begeleidingsgesprek | |||
| BC LM 138 - stelt vragen in een begeleidingsgesprek en beantwoordt er | |||
| BC LM 139 - levert een bijdrage in een begeleidingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner | |||
| BC LM 140 - drukt in een begeleidingsgesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner | |||
| BC LM 141 - beoordeelt informatie in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop | |||
| BC LM 142 - beoordeelt vragen in een begeleidingsgesprek op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie beoordelen en reageert erop | |||
| BC LM 143 - trekt een conclusie in een begeleidingsgesprek en formuleert ze | |||
| Een examen- en een beoordelingsgesprek | BC LM 144 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een examen- en een beoordelingsgesprek | ||
| BC LM 145 - stelt vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner in een examen- en een beoordelingsgesprek | |||
| BC LM 146 - drukt gevoelens en persoonlijke ervaringen uit in een examen- en een beoordelingsgesprek en reageert op die van de communicatiepartner | |||
| Een sollicitatiegesprek | BC LM 147 - onderscheidt hoofd- en bijzaken in een sollicitatiegesprek | ||
| BC LM 148 - stelt in een sollicitatiegesprek vragen, ook verhelderings- en bijvragen en beantwoordt die van de communicatiepartner | |||
| BC LM 149 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek informatie op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie en reageert erop | |||
| BC LM 150 - beoordeelt in een sollicitatiegesprek vragen op betrouwbaarheid, juistheid, waarde en relevantie+ en reageert erop | |||
| BC LM 151 - drukt in een sollicitatiegesprek gevoelens en persoonlijke ervaringen uit en reageert op die van de communicatiepartner | |||
-
| STRATEGIEEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 152 | |
| o | oriënteert zich op aspecten van de interactietaak: doel, teksttype en eigen kennis |
| o | stemt zijn manier van luisteren af op het luisterdoel |
| o | vormt hypothesen over de inhoud en bedoeling van de tekst of stelt ze bij |
| o | blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles begrijpt of even goed kan uitdrukken |
| o | zegt dat hij iets niet begrijpt en vraagt wat iets betekent |
| o | maakt gebruik van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst |
| o | vraagt om langzamer te spreken, iets te herhalen |
| o | leidt de vermoedelijke betekenis van transparante woorden af |
| o | leidt de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden en uitdrukkingen uit de context af |
| o | noteert relevante informatie in kernwoorden |
| o | monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig |
| o | beoordeelt het resultaat in het licht van het interactiedoel |
| TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 153 | |
| o | houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch, beeldscherm |
| o | onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes |
| o | onderscheidt doelen zoals oriënterend, globaal, extensief, intensief, zoekend, studerend luisteren en houdt er rekening mee |
| o | onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee |
| o | herkent registers, schat ze in en gebruikt ze passend en consistent |
| o | herkent conventies van teksttypes, schat ze in en houdt er rekening mee |
| o | herkent conventionele ordeningspatronen van teksttypes en past ze toe |
| o | herkent verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot, begrijpt ze en drukt ze uit |
| o | herkent de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit |
| o | herkent structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden, schat ze in en maakt er gebruik van |
| o | herkent feit en mening, schat ze in en drukt ze adequaat uit |
| o | herkent stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie, begrijpt ze en drukt ze adequaat uit |
| o | herkent drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie, schat ze in, onderscheidt ze en houdt er rekening mee |
| o | herkent aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel, schat ze in en drukt ze adequaat uit |
| o | herkent zinsstructuren, schat ze in en gebruikt ze passend |
| o | herkent intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo, schat ze in en gebruikt ze passend |
| o | herkent non-verbaal gedrag, schat dit in en maakt er passend gebruik van |
| o | herkent relevante academische taal en vaktaal (woorden, formuleringswijzen), begrijpt ze en maakt er gebruik van |
| o | herkent figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen, schat ze in en gebruikt ze adequaat |
1.5.Schrijven
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. | Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. | Complex samengestelde zinnen komen voor. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Uiterlijke tekstkenmerken | De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype. | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Ruis Ruis is mogelijk.Aard van de bronteksten of opdrachtsomschrijvingen De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er worden niet te veel gegevens in kort bestek aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid in de tekst kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen zijn relatief eenvoudig en worden duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms moeilijk, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten hebben een heldere en expliciete structuur die in overeenstemming is met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Complex samengestelde zinnen komen voor.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De schrijver beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Voornamelijk concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De schrijver beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Uiterlijke tekstkenmerken De vormgeving is aangepast aan de conventies van het teksttype.
-
| TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal) | |
| TEKSTTYPES | In teksten met bovenstaande tekstkenmerken: |
| Notities | BC LM 154 - maakt notities in de vorm van een lijst met de belangrijke punten die voldoende precies zijn geformuleerd voor gebruik op een later tijdstip |
| BC LM 155 - maakt notities die de inhouden en hun onderling verband nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeven | |
| Een schema | BC LM 156 - geeft informatie schematisch weer aan de hand van een sjabloon of een vastgestelde standaard |
| BC LM 157 - geeft informatie weer in een zelf opgebouwd schema | |
| Een samenvatting | BC LM 158 - vat informatie uit één bron samen |
| BC LM 159 - vat informatie uit meerdere bronnen samen | |
| Een verslag van een activiteit | BC LM 160 - beschrijft een uitgevoerde activiteit in een verslag getrouw |
| BC LM 161 - geeft een uitgevoerde activiteit in een gestructureerd verslag weer | |
| BC LM 162 - houdt een lopende activiteit getrouw bij in een logboek | |
| Een reflectieverslag over een activiteit | BC LM 163 - beschrijft een activiteit in een verslag getrouw en spreekt er aan de hand van opgegeven criteria een onderbouwd oordeel over uit |
| BC LM 164 - geeft een activiteit in een gestructureerd verslag weer en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | |
| BC LM 165 - houdt een reflectielogboek van een lopende activiteit | |
| BC LM 166 - schrijft over een stage-activiteit een reflectieverslag | |
| Een reflectieverslag over een informatie-verwerkingsopdracht | BC LM 167 - verwerkt informatie uit één bron aan de hand van opgegeven criteria in een verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit |
| BC LM 168 - verwerkt informatie uit meerdere bronnen aan de hand van opgegeven criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | |
| BC LM 169- verwerkt informatie uit meerdere bronnen op basis van eigen criteria in een gestructureerd verslag en spreekt er een onderbouwd oordeel over uit | |
| Een uiteenzetting | BC LM 170 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen |
| BC LM 171 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 172 - schrijft een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| Een betoog | BC LM 173 - werkt een argument uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen |
| BC LM 174 - werkt een standpunt en/of stellingname uit en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 175 - schrijft een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| Een voorstelling | BC LM 176 - maakt bij een mondelinge presentatie een voorstelling die de aandacht gaande houdt |
| BC LM 177 - maakt een voorstelling die een mondelinge presentatie in al zijn aspecten ondersteunt | |
| BC LM 178 - schrijft een mondelinge presentatie uit | |
| Een instructie | BC LM 179 - schrijft een instructie |
| Correspondentie | BC LM 180 - voert een zakelijke correspondentie |
| BC LM 181 - stelt een sollicitatiebrief op | |
| BC LM 182 - communiceert de afspraken en procedures van een gezamenlijk uit te voeren opdracht | |
| Een evaluatiedocument | BC LM 183 - schrijft een zelfbeoordeling |
| BC LM 184 - houdt een zelfbeoordelend logboek bij | |
| BC LM 185 - schrijft een beoordeling van een medeleerder | |
| Een examenantwoord | BC LM 186 - geeft een antwoord op een reproductieve of productieve geslotenboekvraag |
| BC LM 187 - geeft een antwoord op een openboekvraag | |
| BC LM 188 - geeft een antwoord op een casusvraag | |
| Een formulier | BC LM 189 - vult een formulier in |
| BC LM 190 - vult een sollicitatieformulier in | |
| BC LM 191 - vult een vragenlijst of een enquête in | |
| Een curriculum vitae (cv) | BC LM 192 - stelt een cv op |
| BC LM 193 - stelt een cv op binnen een gegeven kader | |
| BC LM 194 - stelt een cv op in functie van een specifieke vacature | |
| Een werkstuk | BC LM 195 - integreert de verschillende teksttypes die van een werkstuk deel uitmaken in een gestructureerd en overzichtelijk geheel |
| BC LM 196 - zorgt in een al dan niet gemeenschappelijke schrijftaak voor talige afstemming | |
-
| STRATEGIEEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 197 | |
| o | oriënteert zich op aspecten van de schrijftaak: doel, teksttype, eigen kennis en lezer |
| o | stemt zijn manier van schrijven af op het schrijfdoel en de lezer en/of de luisteraar |
| o | blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles kan uitdrukken |
| o | stelt een schrijfplan op |
| o | maakt gebruik van een model |
| o | raadpleegt digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden en houdt rekening met de consequenties ervan |
| o | gebruikt een passende lay-out |
| o | kijkt de eigen tekst na |
| o | maakt talige afspraken bij een gemeenschappelijke schrijftaak, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert |
| o | houdt rekening met de conventies van geschreven taal |
| o | monitort het voorlopige resultaat en stelt het bij indien nodig |
| o | beoordeelt het resultaat in het licht van het schrijfdoel |
| TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 198 | |
| o | houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals papier en beeldscherm |
| o | onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes |
| o | onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend schrijven en houdt er rekening mee |
| o | gebruikt registers passend en consistent |
| o | houdt rekening met conventies van teksttypes |
| o | past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe |
| o | drukt verbanden uit tussen tekstdelen zoals paragraaf-alinea, inleiding-midden-slot |
| o | maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden |
| o | drukt de betekenisrelaties middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde adequaat uit |
| o | drukt feit en mening adequaat uit |
| o | drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit |
| o | onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee |
| o | drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit |
| o | gebruikt zinsstructuren passend |
| o | gebruikt elementen van lay-out zoals titel, hoofdstukken, paragrafen, witregels, marges, kopjes, illustraties passend |
| o | past spellingsregels toe en gebruikt interpunctie passend |
| o | maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringwijzen) en vaktaal |
| o | gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat |
| o | stelt een bibliografie op |
1.6.Spreken
-
| TEKSTKENMERKEN | NIVEAU A | NIVEAU B | NIVEAU C |
| Onderwerp | |||
| Mate van vertrouwdheid | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is voldoende bekend met het onderwerp. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De leerder is in zekere mate vertrouwd met het onderwerp en voegt nieuwe informatie toe. | Onderwerpen hebben betrekking op de kennisdomeinen eigen aan de opleiding, de vacature, het toelatingsexamen. De onderwerpen kunnen vrij nieuw zijn. |
| Perspectiefneming | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden en worden meestal gesitueerd. | De onderwerpen zijn werkelijkheidsgebonden, maar abstrahering komt voor. Theorie wordt gebruikt als onderbouwing van de praktijk. | Er wordt een beschouwend perspectief ingenomen met bredere theoretische kadering. |
| Aard van de kennisdomeinen | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes. De theoretische koppeling is relatief beperkt. Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden. Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. | De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën). Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. |
| Taalgebruikssituatie | |||
| Mate van ruis | Ruis is mogelijk. | ||
| Aard van de brontekst | De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken. Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken. | ||
| Ondersteuning | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. | De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder. |
| Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid | |||
| Lengte en informatiedichtheid | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. | De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist. De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. |
| Structuur en samenhang | De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. | De teksten vertonen een heldere samenhang. De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn. |
| Zinsstructuur | De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen. Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. | Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. | Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor. Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd. |
| Woordenschat en taalvariëteit | |||
| Taalvariëteit en register | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal | Standaardnederlands Academisch taalgebruik Vakgebonden taal |
| Woordenschat | De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt. Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. | De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik. Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. | De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik. Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik. |
| Verstaanbaarheid | |||
| Tempo en vlotheid | Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor. Er wordt rustig gesproken. | Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor. Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. | Het spreektempo ligt regelmatig hoog. Er wordt vlot en vloeiend gesproken. |
| Uitspraak en accent | De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg. | ||
| Articulatie en intonatie | Duidelijke articulatie en intonatie | ||
Toepassen van motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes die aan abstracte begrippen en begrippenkaders kunnen gekoppeld worden.
Toepassen van geïntegreerde motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod. De kennisdomeinen hebben betrekking op handelingsgebonden feiten, procedures, begrippen en principes en op abstracte begrippen en begrippenkaders (taxonomieën).
Toepassen van meer complexe en specialistische motorische en cognitieve vaardigheden komt aan bod.Taalgebruikssituatie Mate van ruis Ruis is mogelijk.Aard van de brontekst De bronteksten of opdrachtsomschrijvingen zijn authentiek - ook voor wat betreft uiterlijke tekstkenmerken.
Non-verbaal gedrag, beeldmateriaal en een tekst in kernwoorden kunnen daar deel van uitmaken.Ondersteuning De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met beperkt initiatief van de leerder. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd. De leerder neemt hierbij tot op zekere hoogte zelf initiatief. De taaltaken worden binnen de geboden context zelfstandig uitgevoerd, met een grote mate van initiatief van de leerder.Structuur, samenhang, lengte en informatiedichtheid Lengte en informatiedichtheid De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
Er worden niet te veel gegevens in één keer aangeboden.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid is gemiddeld tot soms hoog.
Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt. De teksten hebben de lengte die het doel ervan vereist.
De informatiedichtheid kan hoog zijn. Redundantie wordt functioneel ingezet: om nieuwe informatie in te brengen worden omschrijvingen en parafraseringen gebruikt.Structuur en samenhang De teksten vertonen een zekere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De tekststructuur komt overeen met de conventies van het teksttype.
De tekststructuur wordt aangegeven met frequente signaal- en verbindingswoorden.
De verbanden en denkstappen in de tekst zijn relatief eenvoudig en worden meestal duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang met aandacht voor hoofd- en bijzaken.
De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype. De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. De verbanden en denkstappen in de tekst zijn soms vrij complex, maar worden dan duidelijk aangegeven. De teksten vertonen een heldere samenhang.
De teksten hebben een heldere structuur in overeenstemming met de conventies van het teksttype . De tekststructuur wordt aangegeven met ook minder frequente signaal- en verbindingswoorden. Verbanden en denkstappen kunnen complex zijn, maar worden dan duidelijk aangegeven. Evidente verbanden en denkstappen kunnen impliciet zijn.Zinsstructuur De tekst is overwegend opgebouwd uit eenvoudig samengestelde zinnen.
Aarzelingen en fouten in de zinsbouw komen voor. Ook meervoudig samengestelde zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen. Meervoudig samengestelde en complexe zinnen komen voor.
Niet-stelselmatige fouten in de zinsstructuur kunnen voorkomen, maar worden verbeterd.Woordenschat en taalvariëteit Taalvariëteit en register Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taal Standaardnederlands
Academisch taalgebruik
Vakgebonden taalWoordenschat De spreker beschikt over voldoende woorden om zich adequaat uit te drukken over zaken uit het dagelijkse leven en het vakgebied. Variatie in het woordgebruik is eerder beperkt.
Concrete en af en toe ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordenschat om zich adequaat uit te drukken over algemene onderwerpen en het vakgebied. Er is variatie in het woordgebruik.
Concrete en in toenemende mate ook abstracte woorden komen voor. De spreker beschikt over een ruime woordschat om zich adequaat uit te drukken over het vakgebied en andere onderwerpen. Er is variatie in het woordgebruik.
Concreet en abstract taalgebruik komt voor. Er is in toenemende mate wetenschappelijk taalgebruik.Verstaanbaarheid Tempo en vlotheid Er wordt in een normaal tempo gesproken, maar spreekpauzes komen voor.
Er wordt rustig gesproken. Er wordt overwegend in een normaal tempo gesproken, maar een hoger tempo komt voor.
Er wordt overwegend vlot en vloeiend gesproken. Het spreektempo ligt regelmatig hoog.
Er wordt vlot en vloeiend gesproken.Uitspraak en accent De uitspraak is voldoende duidelijk. Uitspraak en accent staan de verstaanbaarheid niet in de weg.Articulatie en intonatie Duidelijke articulatie en intonatie
-
| TAALTAAK(Drager: digitaal en niet-digitaal) | |
| TEKSTTYPES(Drager: digitaal en niet-digitaal) | In teksten met bovenstaande tekstkenmerken: |
| Een presentatie | BC LM 199 - stelt een activiteit getrouw voor |
| BC LM 200 - stelt een activiteit gestructureerd voor | |
| BC LM 201 - stelt een activiteit met een onderbouwde beoordeling ervan voor | |
| BC LM 202 - stelt informatie uit één bron getrouw voor | |
| BC LM 203 - stelt informatie uit meerdere bronnen gestructureerd voor | |
| BC LM 204 - stelt informatie uit meerdere bronnen met een beoordeling voor | |
| BC LM 205 - houdt over een eigen werkstuk een presentatie | |
| BC LM 206 - houdt een presentatie over een stage-activiteit | |
| BC LM 207 - wijkt, indien nodig, tijdens een presentatie van de voorbereide inhoud af en keert er naar terug | |
| BC LM 208 - geeft uitleg bij een demonstratie | |
| BC LM 209 - zet een idee uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 210 - zet een plan uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 211 - houdt een uiteenzetting en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 212 - zet een argument uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 213 - zet een standpunt en/of stellingname uiteen en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 214 - houdt een betoog en laat daarbij alle relevante aspecten aan bod komen | |
| BC LM 215 - beantwoordt naar aanleiding van een presentatie vragen | |
| Een instructie | BC LM 216 - geeft een instructie |
| BC LM 217 - beantwoordt vragen naar aanleiding van een instructie | |
-
| STRATEGIEEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 218 | |
| o | oriënteert zich op aspecten van de spreektaak: doel, teksttype, eigen kennis en luisteraar |
| o | stemt zijn manier van spreken af op het spreekdoel en de luisteraar |
| o | blijft zich concentreren ondanks het feit dat hij niet alles even goed kan uitdrukken |
| o | stelt een spreekplan op |
| o | maakt gebruik van non-verbaal gedrag |
| o | maakt gebruik van ondersteunend visueel en auditief materiaal |
| o | brengt ondanks moeilijkheden via omschrijvingen de correcte boodschap over |
| o | maakt bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken, benut elkaars inbreng in de tekst, evalueert, corrigeert en redigeert |
| o | beoordeelt het resultaat in het licht van het spreekdoel |
| o | stelt het resultaat bij |
| TAALTECHNISCHE VAARDIGHEDEN | |
| Om bovenstaande taaltaken uit te voeren: | |
| BC LM 219 | |
| o | houdt rekening met het medium en de aard van het contact zoals face to face, telefonisch en beeldscherm |
| o | onderscheidt tekstsoorten zoals informatief, persuasief, prescriptief en teksttypes |
| o | onderscheidt doelen zoals informerend, overtuigend, activerend spreken en houdt er rekening mee |
| o | gebruikt registers passend en consistent |
| o | houdt rekening met conventies van teksttypes |
| o | past conventionele ordeningspatronen van teksttypes toe |
| o | drukt verbanden tussen tekstdelen zoals inleiding-midden-slot uit |
| o | maakt gebruik van structuuraanduiders zoals verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden |
| o | drukt de betekenisrelaties: middel-doel, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, algemene uitspraak- concreet geval, tegenstelling, voorwaarde expliciet uit |
| o | drukt feit en mening adequaat uit |
| o | drukt stelling, standpunt, argument, tegenargument en conclusie adequaat uit |
| o | onderscheidt drogredenen en deugdelijke argumenten, overtuigingskracht en manipulatie en houdt er rekening mee |
| o | drukt aspecten van modaliteit zoals wensen, gevoelens, veronderstelling, zekerheid, twijfel adequaat uit |
| o | gebruikt zinsstructuren passend |
| o | gebruikt intonatie, klemtoon, spreekpauzes en spreektempo passend |
| o | maakt passend gebruik van non-verbaal gedrag |
| o | maakt gebruik van relevante academische taal (woorden, formuleringswijzen) en vaktaal |
| o | gebruikt figuurlijk taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen adequaat |
2.Leren leren
2.1.Leeswijzer
o De basiscompetenties `leren leren' zijn niet gekoppeld aan concrete vakinhouden. Ze worden binnen de inhoud van een vak aangewend en aangeleerd.
o De matrix wordt van links naar rechts gelezen.
o In de matrix worden de basiscompetenties geordend op basis van domeinen, dimensies en beheersingsniveaus.
o De domeinen en dimensies staan in de verticale as van de matrix en zorgen voor een inhoudelijke afbakening en structurering van de basiscompetenties.
o Leren leren wordt thematisch afgebakend in vijf domeinen: keuzebekwaamheid, omgaan met informatie, probleemoplossen, samenwerken en reguleren van het leerproces. Het laatstgenoemde domein bekleedt een aparte plaats binnen de matrix omdat het steeds in relatie staat tot de andere domeinen. Daarom wordt het als laatste opgenomen.
o Elk domein telt vier dimensies: affectief, cognitief, psychomotorisch en metacognitief. De eerste drie dimensies worden in elk domein uitgewerkt met basiscompetenties. De dimensie `metacognitief' is echter sterk verbonden met het domein `reguleren van het leerproces'. Daarom wordt enkel binnen dit domein de dimensie `metacognitief' uitgewerkt met basiscompetenties. In de andere domeinen wordt bij deze dimensie verwezen naar het domein `reguleren van het leerproces'.
o Daarnaast worden per domein één of twee doelenclusters opgenomen. Dat zijn geen basiscompetenties, maar inhoudelijke kapstokken waaraan de basiscompetenties worden opgehangen.
o De beheersingsniveaus staan in de horizontale as van de matrix. Deze beheersingsniveaus geven aan wat de mate van kennis, vaardigheden, context, autonomie of verantwoordelijkheid is waarover een leerder beschikt. De moeilijkheidsgraad van de basiscompetenties die per rij geordend zijn, stijgt van links naar rechts. Niet alle basiscompetenties komen in verschillende beheersingsniveaus voor.
o De basiscompetenties zijn in de matrix in een logische volgorde opgenomen. Aangezien het een matrix betreft, worden deze basiscompetenties niet in die volgorde aangeboden. Ze worden geselecteerd naargelang van de noden van de cursist. Wanneer basiscompetenties een oplopend beheersingsniveau hebben, moet de volgorde wel gerespecteerd worden. De basiscompetentie van het voorafgaande niveau moet bereikt zijn alvorens de basiscompetentie met een hoger beheersingsniveau aan te bieden.
o De basiscompetenties `leren leren' moeten bereikt worden, tenzij ze voorafgegaan worden door een asterisk (*): die worden nagestreefd.
2.2.Domein 1 - Keuzebekwaamheid
-
| Thema's | Dimensies | Basiscompetenties | ||||||||
| T 01 - Het keuzeproces op systematische wijze doorlopen | Affectief | BC LM 220 - erkent dat een keuze maken nodig is | BC LM 221 - is bereid een keuze te maken | |||||||
| BC LM 222 - durft een keuze maken | ||||||||||
| BC LM 223 - houdt tijdens het keuzeproces rekening met de eigen persoonlijkheid | ||||||||||
| BC LM 224 - is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren | ||||||||||
| BC LM 225 - erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft | BC LM 226 - aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze | BC LM 227 - neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan | ||||||||
| Cognitief | BC LM 228 - verheldert de keuzebehoefte | |||||||||
| BC LM 229 - herkent de verschillende stappen in een keuzeproces | BC LM 230 - analyseert elke stap in een keuzeproces | |||||||||
| BC LM 231 - herkent de verschillende keuzemogelijkheden | BC LM 232 - expliciteert keuzemogelijkheden | |||||||||
| BC LM 233 - heeft inzicht in keuzestrategieën | ||||||||||
| BC LM 234 - weegt keuzes af | BC LM 235 - maakt een keuze | |||||||||
| BC LM 236 - ziet de consequenties van een gemaakte keuze in | BC LM 237 - weegt de consequenties van een gemaakte keuze af | BC LM 238 - bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij | ||||||||
| Psychomotorisch | BC LM 239 - visualiseert keuzemogelijkheden | BC LM 240 - visualiseert het keuzeproces | ||||||||
| BC LM 241 - zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in | BC LM 242 - volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op | BC LM 243 - stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij | ||||||||
| BC LM 244 - verantwoordt een gemaakte keuze | ||||||||||
| Metacognitief | Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. | |||||||||
BC LM 224 - is bereid tijdens het keuzeproces rekening te houden met omgevingsfactoren
BC LM 225 - erkent dat het maken van een keuze consequenties heeft BC LM 226 - aanvaardt de consequenties van een gemaakte keuze BC LM 227 - neemt tegenover een gemaakte keuze een positieve houding aan
Cognitief BC LM 228 - verheldert de keuzebehoefteBC LM 229 - herkent de verschillende stappen in een keuzeproces BC LM 230 - analyseert elke stap in een keuzeproces
BC LM 231 - herkent de verschillende keuzemogelijkheden BC LM 232 - expliciteert keuzemogelijkheden
BC LM 233 - heeft inzicht in keuzestrategieën
BC LM 234 - weegt keuzes af BC LM 235 - maakt een keuze
BC LM 236 - ziet de consequenties van een gemaakte keuze in BC LM 237 - weegt de consequenties van een gemaakte keuze af BC LM 238 - bevestigt een gemaakte keuze of stelt ze bij
Psychomotorisch BC LM 239 - visualiseert keuzemogelijkheden BC LM 240 - visualiseert het keuzeprocesBC LM 241 - zet bij het doorlopen van het keuzeproces gepaste keuzestrategieën in BC LM 242 - volgt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces op BC LM 243 - stelt tijdens het doorlopen ervan het keuzeproces bij
BC LM 244 - verantwoordt een gemaakte keuze
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.3. Domein 2 - Omgaan met informatie
-
| Thema's | Dimensies | Basiscompetenties | ||||||||
| T 02 - Informatie verwerven | Affectief | BC LM 245 - erkent de nood aan informatie | ||||||||
| BC LM 246 - staat open voor diverse informatiebronnen | ||||||||||
| BC LM 247 - houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | ||||||||||
| BC LM 248 - is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | ||||||||||
| Cognitief | BC LM 249 - analyseert welke informatie nodig is | |||||||||
| BC LM 250 - herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie | BC LM 251 - kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie | |||||||||
| BC LM 252 - raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie | BC LM 253 - beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 254 - maakt een keuze uit informatiebronnen | ||||||||
| Psychomotorisch | BC LM 255 - stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie | BC LM 256 - vraagt door bij het inwinnen van informatie | ||||||||
| BC LM 257 - gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | ||||||||||
| BC LM 258 - hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie | ||||||||||
| Metacognitief | Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. | |||||||||
| T 03 - Informatie verwerken | Affectief | BC LM 259 - durft informatie selecteren | ||||||||
| BC LM 260 - schat informatie naar waarde | ||||||||||
| BC LM 261 - gaat discreet om met informatie | ||||||||||
| BC LM 262 - wil met informatie correct omgaan | ||||||||||
| BC LM 263 - houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes | ||||||||||
| BC LM 264 - is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren | ||||||||||
| Cognitief | BC LM 265 - oriënteert zich in informatie | BC LM 266 - begrijpt informatie | BC LM 267 - ziet verbanden binnen informatie | BC LM 268 - geeft informatie met eigen woorden weer | ||||||
| BC LM 269 - onderscheidt hoofd- en bijzaken | BC LM 270 - beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan | |||||||||
| BC LM 271 - onderscheidt feiten en meningen | BC LM 272 - begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt | BC LM 273 - toetst informatie aan het eigen referentie-kader | BC LM 274 - exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen | |||||||
| BC LM 275 - beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid | BC LM 276 - maakt uit informatie een keuze | |||||||||
| BC LM 277 - roept in een nieuwe situatie verworven informatie op | BC LM 278 - legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie | |||||||||
| BC LM 279 - gaat correct om met verworven informatie | ||||||||||
| Psychomotorisch | BC LM 280 - registreert informatie | BC LM 281 - structureert informatie | BC LM 282 - visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weer | |||||||
| BC LM 283 - neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | BC LM 284 - verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie | |||||||||
| BC LM 285 - gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel | ||||||||||
| Metacognitief | Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. | |||||||||
BC LM 247 - houdt tijdens het verwerven van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
BC LM 248 - is bereid tijdens het verwerven van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
Cognitief BC LM 249 - analyseert welke informatie nodig isBC LM 250 - herkent zoekmethodes i.f.v. het vergaren van informatie BC LM 251 - kiest een zoekmethode i.f.v. het vergaren van informatie
BC LM 252 - raadpleegt diverse bronnen bij het inwinnen van informatie BC LM 253 - beoordeelt informatiebronnen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 254 - maakt een keuze uit informatiebronnen
Psychomotorisch BC LM 255 - stelt gerichte vragen bij het inwinnen van informatie BC LM 256 - vraagt door bij het inwinnen van informatieBC LM 257 - gebruikt een zoekmethode adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
BC LM 258 - hanteert bronnen adequaat i.f.v. het inwinnen van informatie
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. T 03 - Informatie verwerken Affectief BC LM 259 - durft informatie selecteren BC LM 260 - schat informatie naar waarde
BC LM 261 - gaat discreet om met informatie
BC LM 262 - wil met informatie correct omgaan
BC LM 263 - houdt tijdens het verwerken van informatie rekening met de eigen sterktes en zwaktes
BC LM 264 - is bereid tijdens het verwerken van informatie rekening te houden met omgevingsfactoren
Cognitief BC LM 265 - oriënteert zich in informatie BC LM 266 - begrijpt informatie BC LM 267 - ziet verbanden binnen informatie BC LM 268 - geeft informatie met eigen woorden weerBC LM 269 - onderscheidt hoofd- en bijzaken BC LM 270 - beoordeelt hoofd- en bijzaken op de bruikbaarheid ervan
BC LM 271 - onderscheidt feiten en meningen BC LM 272 - begrijpt de onderliggende betekenis van een standpunt BC LM 273 - toetst informatie aan het eigen referentie-kader BC LM 274 - exploreert de relatie tussen eigen opvattingen en opvattingen van anderen
BC LM 275 - beoordeelt informatie op bruikbaarheid en betrouwbaarheid BC LM 276 - maakt uit informatie een keuze
BC LM 277 - roept in een nieuwe situatie verworven informatie op BC LM 278 - legt verbanden tussen oude en nieuwe informatie
BC LM 279 - gaat correct om met verworven informatie
Psychomotorisch BC LM 280 - registreert informatie BC LM 281 - structureert informatie BC LM 282 - visualiseert informatie overzichtelijk of geeft ze overzichtelijk weerBC LM 283 - neemt een standpunt in over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie BC LM 284 - verduidelijkt de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie
BC LM 285 - gebruikt verworven informatie i.f.v. het realiseren van het gestelde doel
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.4.Domein 3 - Probleemoplossen
-
| Thema's | Dimensies | Basiscompetenties | ||||||||
| T 04 - Een probleem op planmatige wijze oplossen | Affectief | BC LM 286 - erkent een probleem | BC LM 287 - aanvaardt een persoonlijke betrokkenheid bij een probleem | |||||||
| BC LM 288 - aanvaardt dat een probleem aangepakt kan worden | BC LM 289 - is bereid een oplossing voor een probleem te zoeken | |||||||||
| BC LM 290 - durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen | ||||||||||
| BC LM 291 - wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen | BC LM 292 - beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans | |||||||||
| Cognitief | BC LM 293 - herkent een probleem | BC LM 294 - herkent beïnvloedende factoren van een probleem | BC LM 295 - ordent beïnvloedende factoren van een probleem | BC LM 296 - analyseert een probleem | ||||||
| BC LM 297 - inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden | BC LM 298 - bedenkt oplossingsmogelijkheden | BC LM 299 - ontwerpt een oplossingsplan | ||||||||
| BC LM 300 - benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken | BC LM 301 - maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze | |||||||||
| BC LM 302 - beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing | ||||||||||
| Psychomotorisch | BC LM 303 - visualiseert een probleem en de aanpak ervan | |||||||||
| BC LM 304 - voert een oplossingsplan uit | BC LM 305 - volgt een oplossingsplan op | BC LM 306 - stelt een oplossingsplan bij | ||||||||
| BC LM 307 - past een oplossingsmethode toe | BC LM 308 - volgt een oplossingsmethode op | BC LM 309 - stelt een oplossingsmethode bij | ||||||||
| Metacognitief | Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. | |||||||||
BC LM 290 - durft bij het oplossen van een probleem hulp inroepen
BC LM 291 - wil fouten in de aanpak van een probleem herstellen BC LM 292 - beschouwt fouten in de aanpak van een probleem als een leerkans
Cognitief BC LM 293 - herkent een probleem BC LM 294 - herkent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 295 - ordent beïnvloedende factoren van een probleem BC LM 296 - analyseert een probleemBC LM 297 - inventariseert gegeven oplossingsmogelijkheden BC LM 298 - bedenkt oplossingsmogelijkheden BC LM 299 - ontwerpt een oplossingsplan
BC LM 300 - benadert oplossingsmogelijkheden vanuit verschillende invalshoeken BC LM 301 - maakt uit verschillende oplossingsmogelijkheden een keuze
BC LM 302 - beoordeelt de aanpak en het resultaat van de probleemoplossing
Psychomotorisch BC LM 303 - visualiseert een probleem en de aanpak ervanBC LM 304 - voert een oplossingsplan uit BC LM 305 - volgt een oplossingsplan op BC LM 306 - stelt een oplossingsplan bij
BC LM 307 - past een oplossingsmethode toe BC LM 308 - volgt een oplossingsmethode op BC LM 309 - stelt een oplossingsmethode bij
Metacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.5.Domein 4 - Samenwerken
-
| Thema's | Dimensies | Basiscompetenties | ||||||||
| T 05 - Een actieve bijdrage leveren in het samenwerken als leider en als groepslid | Affectief | BC LM 310 - erkent de nood aan en de meerwaarde van samenwerken | ||||||||
| BC LM 311 - is bereid met iedereen samen te werken | ||||||||||
| BC LM 312 - motiveert zichzelf tot samenwerken | ||||||||||
| BC LM 313 - motiveert anderen tot samenwerken | ||||||||||
| BC LM 314 - behoudt zijn eigenheid bij het werken in groep | ||||||||||
| BC LM 315 - is bereid de groepsregels te respecteren | ||||||||||
| BC LM 316 - aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerking | ||||||||||
| BC LM 317 - is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengen | ||||||||||
| BC LM 318 - is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengen | ||||||||||
| BC LM 319 - is bereid om de eigen situatie in te brengen | ||||||||||
| BC LM 320 - staat open voor het kunnen en kennen van de andere | BC LM 321 - is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houden | |||||||||
| BC LM 322 - staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere | BC LM 323 - is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houden | |||||||||
| BC LM 324 - staat open voor de mening van de andere | BC LM 325 - is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houden | |||||||||
| BC LM 326 - staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking | BC LM 327 - is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houden | |||||||||
| BC LM 328 - wil iets aan anderen overlaten | BC LM 329 - apprecieert ieders inbreng | BC LM 330 - aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoet | ||||||||
| BC LM 331 - erkent de eigen invloed op de andere | ||||||||||
| BC LM 332 - erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsleden | ||||||||||
| Cognitief | BC LM 333 - gaat na welke regels in de groep gelden | BC LM 334 - gaat na welke regels gesteld moeten worden | ||||||||
| BC LM 335 - schat het kunnen en kennen van de andere in | BC LM 336 - zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking in | |||||||||
| BC LM 337 - ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking | BC LM 338 - stemt de eigen inbreng af op die van de groepsleden | |||||||||
| BC LM 339 - herkent de verschillende meningen in de groep | BC LM 340 - gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening | BC LM 341 - beoordeelt de verschillende meningen in de groep | ||||||||
| Psychomotorisch | BC LM 342 - stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerking | |||||||||
| BC LM 343 - laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere | BC LM 344 - werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groep | |||||||||
| BC LM 345 - respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking | BC LM 346 - onderhandelt actief meeover het samenwerkingsprocesom tot afspraken te komen | BC LM 347 - bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bij | ||||||||
| BC LM 348 - past eigen kennis en vaardigheden toe bij het samenwerken | ||||||||||
| BC LM 349 - verduidelijkt een standpunt voor de andere | BC LM 350 - onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere | BC LM 351 - levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwen | ||||||||
| BC LM 352 - levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaat | ||||||||||
| BC LM 353 - zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaal | ||||||||||
| BC LM 354 - brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen over | ||||||||||
| BC LM 355 - observeert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 356 - interpreteert het non-verbale gedrag van de andere | BC LM 357 - reageert op het non-verbale gedrag van de andere | ||||||||
| BC LM 358 - brengt verslag uit over het samenwerkingsproces | ||||||||||
| BC LM 359 - presenteert het resultaat van de samenwerking | ||||||||||
| Metacognitief | Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden. | |||||||||
BC LM 312 - motiveert zichzelf tot samenwerken
BC LM 313 - motiveert anderen tot samenwerken
BC LM 314 - behoudt zijn eigenheid bij het werken in groepBC LM 315 - is bereid de groepsregels te respecterenBC LM 316 - aanvaardt groepsbeslissingen met betrekking tot de samenwerkingBC LM 317 - is bereid het eigen kunnen en kennen in te brengenBC LM 318 - is bereid de eigen behoeften en verwachtingen in te brengenBC LM 319 - is bereid om de eigen situatie in te brengenBC LM 320 - staat open voor het kunnen en kennen van de andere BC LM 321 - is bereid met het eigen kunnen en kennen en dat van de andere rekening te houdenBC LM 322 - staat open voor de behoeften en verwachtingen van de andere BC LM 323 - is bereid met de eigen behoeftenen verwachtingen en die van de andere rekening te houdenBC LM 324 - staat open voor de mening van de andere BC LM 325 - is bereid met de eigen mening en die van de andere rekening te houdenBC LM 326 - staat open voor de situatie van de andere in de samenwerking BC LM 327 - is bereid met de eigen situatie en die van de andere rekening te houdenBC LM 328 - wil iets aan anderen overlaten BC LM 329 - apprecieert ieders inbreng BC LM 330 - aanvaardt wel of niet dat een bijdrage van een groepslid niet aan de verwachtingen voldoetBC LM 331 - erkent de eigen invloed op de andereBC LM 332 - erkent de invloed van de andere op zichzelf en op de andere groepsledenCognitief BC LM 333 - gaat na welke regels in de groep gelden BC LM 334 - gaat na welke regels gesteld moeten wordenBC LM 335 - schat het kunnen en kennen van de andere in BC LM 336 - zet het kunnen en kennen van de andere in de samenwerking inBC LM 337 - ziet in wat nodig is voor het welslagen van de samenwerking BC LM 338 - stemt de eigen inbreng af op die van de groepsledenBC LM 339 - herkent de verschillende meningen in de groep BC LM 340 - gaat de congruentie na in de verschillende meningen, inclusief de eigen mening BC LM 341 - beoordeelt de verschillende meningen in de groepPsychomotorisch BC LM 342 - stelt in afspraak met de andere regels voor de samenwerkingBC LM 343 - laat de doelen van het samenwerken bepalen door een andere BC LM 344 - werkt constructief mee aan de doelbepaling van de groepBC LM 345 - respecteert de opgelegde afspraken voor de samenwerking BC LM 346 - onderhandelt actief meeover het samenwerkingsprocesom tot afspraken te komen BC LM 347 - bewaakt mee het samenwerkingsproces en stuurt het mee bijBC LM 348 - past eigen kennis en vaardigheden toe bij het samenwerkenBC LM 349 - verduidelijkt een standpunt voor de andere BC LM 350 - onderbouwt een standpunt aan de hand van bestaande gegevens voor de andere BC LM 351 - levert een eigen bijdrage om een standpunt voorde andere te onderbouwenBC LM 352 - levert een herkenbare bijdrage aan het groepsresultaatBC LM 353 - zet de eigen communicatie adequaat in, zowel non-verbaal als verbaalBC LM 354 - brengt de eigen meningen, behoeften, frustraties en verwachtingen overBC LM 355 - observeert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 356 - interpreteert het non-verbale gedrag van de andere BC LM 357 - reageert op het non-verbale gedrag van de andereBC LM 358 - brengt verslag uit over het samenwerkingsprocesBC LM 359 - presenteert het resultaat van de samenwerkingMetacognitief Deze basiscompetenties worden omwille van het overkoepelende karakter ervan enkel opgenomen in het domein `Reguleren van het leren'. Ze moeten daar geselecteerd worden.
2.6. Domein 5- Reguleren van het leren
-
| Thema's | Dimensies | Basiscompetenties | |||
| T 06 - Het eigen leerproces reguleren | Affectief | BC LM 360 - motiveert zichzelf bij het eigen leerproces | |||
| BC LM 361 - gaat met druk om in het eigen leerproces | |||||
| BC LM 362 - is bereid over het eigen leerproces te reflecteren | |||||
| BC LM 363 - is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennen | |||||
| BC LM 364 - is bereid hulp te vragen bij het eigen leerproces | |||||
| BC LM 365 - staat open voor feedback | BC LM 366 - aanvaardt feedback | BC LM 367 - wil met feedback omgaan | BC LM 368 - beschouwt feedback als een leerkans | ||
| Cognitief | BC LM 369 - heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerproces | ||||
| BC LM 370 - heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelen | |||||
| BC LM 371 - heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteiten | |||||
| BC LM 372 - heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieën | |||||
| BC LM 373 - heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelen | |||||
| BC LM 374 - heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerproces | |||||
| BC LM 375 - heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangen | |||||
| BC LM 376 - bereidt de uitvoering van de leertaak voor | |||||
| BC LM 377 - volgt de uitvoering van de leertaak op | |||||
| BC LM 378 - evalueert de uitvoering van de leertaak | |||||
| BC LM 379 - evalueert het bereikte leerresultaat | |||||
| BC LM 380 - herkent niet-intentioneel en informeel leren of roept het op bij het eigen leerproces | |||||
| BC LM 381 - evalueert het doorgemaakte leerproces | |||||
| BC LM 382 - ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijn | |||||
| Psychomotorisch | BC LM 383 - visualiseert denkproces en proces van aanpak tijdens het eigen leerproces | ||||
| BC LM 384 - zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context in | |||||
| BC LM 385 - vraagt hulp bij het eigen leerproces | |||||
| BC LM 386 - zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerproces | |||||
| BC LM 387 - bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bij | |||||
| BC LM 388 - gaat met feedback om | |||||
| Metacognitief | BC LM 389 - reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerproces | ||||
| BC LM 390 - reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerproces | |||||
| BC LM 391 - reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerproces | |||||
| BC LM 392 - reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerproces | |||||
| BC LM 393 - reflecteert op het bereikte leerresultaat | |||||
| BC LM 394 - reflecteert op het doorgemaakte leerproces | |||||
| BC LM 395 - reflecteert op de gehanteerde regulerende competenties | |||||
| BC LM 396 - reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerproces | |||||
| T 07 -Het eigen leervermogen ontwikkelen | Metacognitief | * BC LM 397 - ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven | |||
| * BC LM 398 - ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl | |||||
| * BC LM 399 - ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 400 - ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 401 - ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 402 - ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 403 - ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 404 - ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen | |||||
| * BC LM 405 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet | |||||
| * BC LM 406 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd | |||||
| * BC LM 407 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld | |||||
| * BC LM 408 - ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen | |||||
| * BC LM 409 - ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën | |||||
BC LM 362 - is bereid over het eigen leerproces te reflecterenBC LM 363 - is bereid het eigen aandeel in welslagen of falen in het eigen leerproces te erkennenBC LM 364 - is bereid hulp te vragen bij het eigen leerprocesBC LM 365 - staat open voor feedback BC LM 366 - aanvaardt feedback BC LM 367 - wil met feedback omgaan BC LM 368 - beschouwt feedback als een leerkansCognitief BC LM 369 - heeft inzicht in de omgeving en de impact ervan op het eigen leerprocesBC LM 370 - heeft inzicht in verschillende soorten leerdoelenBC LM 371 - heeft inzicht in verschillende soorten leertaken en -activiteitenBC LM 372 - heeft inzicht in verschillende soorten leerstrategieënBC LM 373 - heeft inzicht in verschillende soorten leerhulpmiddelenBC LM 374 - heeft inzicht in verschillende evaluatievormen en de gevolgen ervan voor het eigen leerprocesBC LM 375 - heeft inzicht in de regels van feedback geven en feedback ontvangenBC LM 376 - bereidt de uitvoering van de leertaak voorBC LM 377 - volgt de uitvoering van de leertaak opBC LM 378 - evalueert de uitvoering van de leertaakBC LM 379 - evalueert het bereikte leerresultaatBC LM 380 - herkent niet-intentioneel en informeel leren of roept het op bij het eigen leerprocesBC LM 381 - evalueert het doorgemaakte leerprocesBC LM 382 - ziet in dat leerstrategieën transfereerbaar zijnPsychomotorisch BC LM 383 - visualiseert denkproces en proces van aanpak tijdens het eigen leerprocesBC LM 384 - zet eerder verworven leerstrategieën in een nieuwe context inBC LM 385 - vraagt hulp bij het eigen leerprocesBC LM 386 - zet hulp in voor het bijstellen van het eigen leerprocesBC LM 387 - bekrachtigt de uitvoering van de leertaak of stelt ze bijBC LM 388 - gaat met feedback omMetacognitief BC LM 389 - reflecteert op de eigen leermotieven bij het eigen leerprocesBC LM 390 - reflecteert op de eigen leerstijl tijdens het leerprocesBC LM 391 - reflecteert op de eigen zwaktes en sterktes bij het eigen leerprocesBC LM 392 - reflecteert op welke leerstrategieën passend zijn bij het eigen leerprocesBC LM 393 - reflecteert op het bereikte leerresultaatBC LM 394 - reflecteert op het doorgemaakte leerprocesBC LM 395 - reflecteert op de gehanteerde regulerende competentiesBC LM 396 - reflecteert op de impact van de eigen persoonlijkheid op het leerprocesT 07 -Het eigen leervermogen ontwikkelen Metacognitief * BC LM 397 - ontwikkelt inzicht in de eigen leermotieven* BC LM 398 - ontwikkelt inzicht in de eigen leerstijl* BC LM 399 - ontwikkelt inzicht in affectieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 400 - ontwikkelt inzicht in cognitieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 401 - ontwikkelt inzicht in psychomotorische componenten van het eigen leervermogen* BC LM 402 - ontwikkelt inzicht in metacognitieve componenten van het eigen leervermogen* BC LM 403 - ontwikkelt inzicht in de sterktes en zwaktes van het eigen leervermogen* BC LM 404 - ontwikkelt inzicht in de impact van de eigen persoonlijkheid op het eigen leervermogen* BC LM 405 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen optimaal kan worden ingezet* BC LM 406 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop de beperkingen van het eigen leervermogen kunnen worden gecompenseerd* BC LM 407 - ontwikkelt inzicht in de wijze waarop het eigen leervermogen nog kan worden ontwikkeld* BC LM 408 - ontwikkelt inzicht in welke leerstrategieën hij nog kan ontwikkelen* BC LM 409 - ontwikkelt inzicht in het transversale karakter van leerstrategieën
-
Art. N3. [1 Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-04-2021, p. 37470]1
-