Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° agentschap : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° collectief overlegorgaan : het overlegorgaan, vermeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
3° collectieve inspraak : de collectieve inspraak, vermeld in artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
4° decreet van 12 juli 2013 : het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
[3 4° /1 decreet van 3 juni 2022: het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers;]3
[3 4° /2 pleeggezin: een pleeggezin als vermeld in artikel 2, § 1, 45°, van het decreet van 12 juli 2013;]3
5° gebruiker : de minderjarige persoon met een handicap die beschikt over een indicatiestelling als vermeld in artikel 20 van het decreet van 12 juli 2013;
[1 5° /1 [3 gezinshuis: een kleinschalige vorm van residentiële ondersteuning, waarbij een gezinshuisouder minderjarige personen met een handicap in het eigen gezin opvangt, die de draagkracht van het doorsneepleeggezin overstijgt;]3
[3 5° /2 gezinshuisouder: een personeelslid dat bezoldigd is en in voltijds dienstverband minderjarige personen met een handicap in het eigen gezin opvangt en begeleidt;]3
6° MFC : een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
[1 6° /1 [2 ...]2]1
7° ministerieel besluit van 1 maart 2012 : het ministerieel besluit van 1 maart 2012 houdende vaststelling van de ondersteuningsvelden;
8° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening als vermeld in artikel 2, § 1, 38°, van het decreet van 12 juli 2013, en in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering in de integrale jeugdhulp;
[1 9° residentiële ondersteuning : de voltijdse combinatie van de ondersteuningsfuncties verblijf met schoolaanvullende dagopvang of schoolvervangende dagopvang.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 FEBRUARI 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-04-2016 en tekstbijwerking tot 08-10-2025)
Titre
26 FEVRIER 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-04-2016 et mise à jour au 08-10-2025)
Documentinformatie
Numac: 2016035423
Datum: 2016-02-26
Info du document
Numac: 2016035423
Date: 2016-02-26
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Erkenning
HOOFDSTUK 3. - Doelgroep
HOOFDSTUK 4. - Opdracht
HOOFDSTUK 5. - Subsidiëring
Afdeling 1. - Subsidiëring door het agentschap
Afdeling 2. - Financiële bijdrage
Onderafdeling 1. - De gebruiker jonger dan 21 jaar
Onderafdeling 2. - De gebruiker, vermeld in art...
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 3. - Betaling van de subsidies
Afdeling 4. - Verantwoording van de personeelsp...
HOOFDSTUK 6. - Toezicht
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepaling
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Agrément
CHAPITRE 3. - Groupe-cible
CHAPITRE 4. - Mission
CHAPITRE 5. - Subventionnement
Section 1re. - Subventionnement par l'agence
Section 2. - Contribution financière
Sous-section 1ère. - L'usager de moins de 21 ans
Sous-section 2. - L'usager visé à l'article 9
Sous-section 3. - Dispositions communes
Section 3. - Paiement des subventions
Section 4. - Justification des points personnel
CHAPITRE 6. - Contrôle
CHAPITRE 7. - Disposition modificative
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (67)
Texte (67)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
2° organe de concertation collective : l'organe de concertation, visé à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées;
3° participation collective : la participation collective, visée à l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
4° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
[3 4° /1 décret du 3 juin 2022 : le décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs ;]3
[3 4° /2 famille d'accueil : une famille d'accueil telle que visée à l'article 2, § 1er, 45°, du décret du 12 juillet 2013 ; ]3
5° usager : la personne handicapée mineure disposant d'une indication telle que visée à l'article 20 du décret du 12 juillet 2013 ;
[1 5° /1 [3 maison de famille : une forme de soutien résidentiel de petite taille, dans laquelle un parent de maison de famille accueille des personnes handicapées mineures dans sa propre famille, qui dépasse la capacité de la famille d'accueil ordinaire ; ]3
[3 5° /2 parent de maison de famille : un membre du personnel qui accueille et accompagne des personnes handicapées mineures dans sa propre famille, de façon rémunérée et à temps plein ; ]3
6° MFC: un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures, tel que visé à l'article 2 du présent arrêté ;
[1 6° /1 [2 ...]2]1
7° arrêté ministériel du 1 mars 2012 : l'arrêté ministériel du 1 mars 2012 portant fixation des champs d'assistance ;
8° module : une unité de services d'aide à la jeunesse nettement délimitée, tel que visé à l'article 2, § 1er, 38° du décret du 12 juillet 2013 et à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2005 relatif à la modulation au sein de l'aide intégrale à la jeunesse;
[1 9° soutien résidentiel : la combinaison à temps plein des fonctions de soutien `séjour' avec `accueil de jour en complément de l'école' ou `accueil de jour en remplacement de l'école'.]1
1° agence : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
2° organe de concertation collective : l'organe de concertation, visé à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées;
3° participation collective : la participation collective, visée à l'article 30 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
4° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
[3 4° /1 décret du 3 juin 2022 : le décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs ;]3
[3 4° /2 famille d'accueil : une famille d'accueil telle que visée à l'article 2, § 1er, 45°, du décret du 12 juillet 2013 ; ]3
5° usager : la personne handicapée mineure disposant d'une indication telle que visée à l'article 20 du décret du 12 juillet 2013 ;
[1 5° /1 [3 maison de famille : une forme de soutien résidentiel de petite taille, dans laquelle un parent de maison de famille accueille des personnes handicapées mineures dans sa propre famille, qui dépasse la capacité de la famille d'accueil ordinaire ; ]3
[3 5° /2 parent de maison de famille : un membre du personnel qui accueille et accompagne des personnes handicapées mineures dans sa propre famille, de façon rémunérée et à temps plein ; ]3
6° MFC: un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures, tel que visé à l'article 2 du présent arrêté ;
[1 6° /1 [2 ...]2]1
7° arrêté ministériel du 1 mars 2012 : l'arrêté ministériel du 1 mars 2012 portant fixation des champs d'assistance ;
8° module : une unité de services d'aide à la jeunesse nettement délimitée, tel que visé à l'article 2, § 1er, 38° du décret du 12 juillet 2013 et à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2005 relatif à la modulation au sein de l'aide intégrale à la jeunesse;
[1 9° soutien résidentiel : la combinaison à temps plein des fonctions de soutien `séjour' avec `accueil de jour en complément de l'école' ou `accueil de jour en remplacement de l'école'.]1
Art.2. Het agentschap kan binnen de grenzen van de kredieten die daarvoor ingeschreven zijn op de begroting, multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap erkennen en subsidiëren.
[1 [2 ...]2]1
[1 [2 ...]2]1
Art.2. L'agence peut agréer et subventionner des centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures dans les limites des crédits qui ont été imputés au budget à cette fin.
[1 [2 ...]2]1
[1 [2 ...]2]1
HOOFDSTUK 2. - Erkenning
CHAPITRE 2. - Agrément
Art.3. Om erkend te worden en te blijven, moet een MFC [1 [2 ...]2]1 voldoen aan de bepalingen, vermeld in dit hoofdstuk en hoofdstuk 3, 4 en 5 van dit besluit.
Art.3. Pour obtenir et conserver un agrément, un MFC [1 [2 ...]2]1 doit répondre aux dispositions du présent chapitre et des chapitres 3, 4, 5 du présent arrêté.
Art.4. Een MFC wordt erkend voor een aantal personeelspunten.
Per functie wordt per voltijdsequivalent een puntwaarde vastgesteld. De tabel 1, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, geeft per voltijdsequivalent per functie het aantal personeelspunten aan.
De erkenningen of de wijzigingen van erkenning worden toegekend conform de bepalingen van hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Per functie wordt per voltijdsequivalent een puntwaarde vastgesteld. De tabel 1, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, geeft per voltijdsequivalent per functie het aantal personeelspunten aan.
De erkenningen of de wijzigingen van erkenning worden toegekend conform de bepalingen van hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
Art.4. Un MFC est agréé pour un certain nombre de points personnel.
Par fonction, une valeur exprimée en points est établie par équivalent temps plein. Le tableau 1er, repris dans l'annexe jointe au présent arrêté, indique le nombre de points personnel par fonction et par équivalent temps plein.
Les agréments ou les modifications des agréments sont accordés conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Par fonction, une valeur exprimée en points est établie par équivalent temps plein. Le tableau 1er, repris dans l'annexe jointe au présent arrêté, indique le nombre de points personnel par fonction et par équivalent temps plein.
Les agréments ou les modifications des agréments sont accordés conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'agence "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Art.5. § 1. Een MFC voorziet, wat betreft de infrastructuur en basisuitrusting die het ter beschikking stelt aan gebruikers, in veilige en aangepaste accommodatie waarbij de privacy van de gebruiker gegarandeerd wordt. De infrastructuur moet voldoende verwarmd, verlicht en geventileerd zijn.
§ 2. Een MFC neemt maatregelen voor brandpreventie.
Voor gebouwen waarin verblijf aangeboden wordt, en voor lokalen voor schoolaanvullende dagopvang of schoolvervangende dagopvang, beschikt een MFC over een brandweerverslag over de brandveiligheid van het gebouw.
§ 2. Een MFC neemt maatregelen voor brandpreventie.
Voor gebouwen waarin verblijf aangeboden wordt, en voor lokalen voor schoolaanvullende dagopvang of schoolvervangende dagopvang, beschikt een MFC over een brandweerverslag over de brandveiligheid van het gebouw.
Art.5. § 1er. Pour ce qui est de l'infrastructure et de l'équipement de base mis à la disposition de ses usagers, le MFC pourvoit à un hébergement sûr et adapté dans le respect de la vie privée de l'usager. L'infrastructure doit être suffisamment chauffée, éclairée et ventilée.
§ 2. Le MFC prend des mesures dans le cadre de la prévention des incendies.
Un MFC dispose d'une attestation de sécurité incendie pour les bâtiments offrant des modalités de séjour et pour les locaux affectés à l'accueil de jour en complément ou en remplacement de l'école.
§ 2. Le MFC prend des mesures dans le cadre de la prévention des incendies.
Un MFC dispose d'une attestation de sécurité incendie pour les bâtiments offrant des modalités de séjour et pour les locaux affectés à l'accueil de jour en complément ou en remplacement de l'école.
Art. 5/1. [1 Overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022 controleert het MFC bij de aanstelling van elke nieuwe medewerker het goed en zedelijk gedrag van de betrokkene, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt. ]1
Art. 5/1. [1 Conformément à l'article 3 du décret du 3 juin 2022, le MFC contrôle la bonne conduite de chaque nouveau collaborateur lors de son embauche, ce qui inclut au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. ]1
Wijzigingen
Art.5/2. [1 Een MFC kan een aanvraag indienen bij het agentschap om de typemodule verblijf in een gezinshuis aan te bieden. Het MFC specificeert in zijn aanvraag het aantal gezinshuizen waarvoor het een erkenning wil.
Het agentschap bepaalt welke elementen de aanvraag, vermeld in het eerste lid, minimaal moet bevatten.
Het agentschap beoordeelt de aanvraag, vermeld in het eerste lid. Als de aanvraag wordt goedgekeurd, wordt het MFC erkend om een typemodule verblijf in een gezinshuis aan te bieden. De erkenning bepaalt het aantal gezinshuizen dat het MFC kan aanbieden.]1
Het agentschap bepaalt welke elementen de aanvraag, vermeld in het eerste lid, minimaal moet bevatten.
Het agentschap beoordeelt de aanvraag, vermeld in het eerste lid. Als de aanvraag wordt goedgekeurd, wordt het MFC erkend om een typemodule verblijf in een gezinshuis aan te bieden. De erkenning bepaalt het aantal gezinshuizen dat het MFC kan aanbieden.]1
Art.5/2. [1 Un MFC peut introduire une demande auprès de l'agence pour offrir le module type séjour dans une maison de famille. Dans sa demande, le MFC précise le nombre de maisons de famille pour lesquelles il souhaite un agrément.
L'agence détermine les éléments que doit contenir au minimum la demande visée à l'alinéa 1er.
L'agence évalue la demande visée à l'alinéa 1er. Si la demande est approuvée, le MFC est agréé pour offrir un module type séjour dans une maison de famille. L'agrément détermine le nombre de maisons de famille que le MFC peut offrir.]1
L'agence détermine les éléments que doit contenir au minimum la demande visée à l'alinéa 1er.
L'agence évalue la demande visée à l'alinéa 1er. Si la demande est approuvée, le MFC est agréé pour offrir un module type séjour dans une maison de famille. L'agrément détermine le nombre de maisons de famille que le MFC peut offrir.]1
Art.5/3. [1 § 1. Een MFC dat erkend is om de typemodule verblijf in een gezinshuis aan te bieden, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het MFC biedt aan de gezinshuisouder en al zijn gezinsleden een kwaliteitsvolle ondersteuning en begeleiding zodat de opvang en begeleiding in een gezinshuis daadwerkelijk inspelen op de behoeften van de minderjarige persoon met een handicap en bijdragen tot continuïteit in relaties, veiligheid en welzijn van alle betrokkenen;
2° het MFC staat in voor een correcte en passende informatieverstrekking aan de gezinshuisouder over het individuele functioneren van de kinderen en de samenwerking en is verantwoordelijk voor de opmaak van het handelingsplan, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
3° het MFC voorziet, al dan niet via structurele samenwerking met andere MFC's binnen het werkingsgebied die verblijf aanbieden of waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend, in een residentiële terugvalmogelijkheid voor de minderjarige persoon met een handicap die in een gezinshuis verblijft;
4° het MFC ziet erop toe dat het gezinshuis waar de minderjarige persoon met een handicap verblijft, in samenwerking met het MFC voldoet aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
5° het MFC werkt, minimaal rond de volgende opdrachten, structureel samen met de dienst voor pleegzorg uit het werkingsgebied en ook met andere MFC's en voorzieningen van categorie 1 als vermeld in artikel 2, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, uit het werkingsgebied waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend:
a) de bekendmaking van zijn gezinshuis of gezinshuizen;
b) het werven en screenen van gezinshuisouders aan de hand van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
c) het oriënteren van minderjarigen naar een gezinshuis;
d) het organiseren van vorming voor gezinshuisouders;
e) het organiseren van professionaliserings-, uitwisselings- en intervisiemogelijkheden voor gezinshuisouders;
6° het MFC betaalt vanuit zijn werkingssubsidies als vermeld in artikel 16, eerste lid, 2°, van dit besluit, een kostenvergoeding aan de gezinshuisouder. De voormelde kostenvergoeding is uitsluitend bestemd als tegemoetkoming in de uitgaven die een gezinshuisouder maakt voor het verblijf en de zorg van de minderjarige persoon met een handicap;
7° het MFC sluit een overeenkomst met de gezinshuisouder waarin bepaald wordt dat het MFC de werkgever is van de gezinshuisouder en waarin afspraken zijn opgenomen over de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 6°.
In het eerste lid wordt verstaan onder dienst voor pleegzorg: de dienst voor pleegzorg, vermeld in artikel 7 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
§ 2. Een gezinshuis voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° in een gezinshuis worden maximaal zes minderjarigen begeleid en opgevangen, met inbegrip van de eigen kinderen en pleegkinderen. Per bezoldigde gezinshuisouder worden maximaal drie minderjarige personen met een handicap begeleid en opgevangen. De voormelde maxima gelden niet voor broers of zussen. De administrateur-generaal kan afwijkingen toestaan van het maximale aantal minderjarigen per gezinshuis en per gezinshuisouder na een gemotiveerde schriftelijke aanvraag van het MFC;
2° een gezinshuis werkt volgens de volgende principes:
a) de ouders en andere relevante betrokkenen uit het gezins- en opvoedingsmilieu van de minderjarige worden betrokken bij het dagelijkse leven van het gezinshuis;
b) vanuit het dagelijkse leven wordt, in voorkomend geval, bij specifieke zorgbehoeften bijgeschakeld naar een meer gespecialiseerd aanbod;
3° overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022 controleert het MFC van alle meerderjarige gezinsleden van een gezinshuis het goed en zedelijk gedrag van de betrokkene, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
§ 3. Een gezinshuisouder beschikt over een menswetenschappelijk diploma, minimaal van bachelorniveau, of kan aantonen over voldoende relevante competenties te beschikken om op dat niveau te functioneren.
Een gezinshuisouder wordt geselecteerd op basis van een onderbouwd screeningsproces, waarbij rekening gehouden wordt met al de volgende elementen:
1° de pedagogische draagkracht om de opgevangen minderjarigen een stabiel leefklimaat te bieden;
2° de materiële mogelijkheden;
3° de nodige competenties en persoonlijkheidskenmerken om adequaat om te gaan met complexe opvoedingssituaties in een gezinshuis;
4° de gezinssituatie en sociale context van het gezin.
Bij de toetsing van de kenmerken van een minderjarige aan het profiel van de gezinshuisouder en zijn gezin wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de bevindingen uit voorgaande hulpverlening. De voorziening waakt erover dat de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de minderjarige en het gezin van oorsprong gerespecteerd worden.]1
1° het MFC biedt aan de gezinshuisouder en al zijn gezinsleden een kwaliteitsvolle ondersteuning en begeleiding zodat de opvang en begeleiding in een gezinshuis daadwerkelijk inspelen op de behoeften van de minderjarige persoon met een handicap en bijdragen tot continuïteit in relaties, veiligheid en welzijn van alle betrokkenen;
2° het MFC staat in voor een correcte en passende informatieverstrekking aan de gezinshuisouder over het individuele functioneren van de kinderen en de samenwerking en is verantwoordelijk voor de opmaak van het handelingsplan, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
3° het MFC voorziet, al dan niet via structurele samenwerking met andere MFC's binnen het werkingsgebied die verblijf aanbieden of waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend, in een residentiële terugvalmogelijkheid voor de minderjarige persoon met een handicap die in een gezinshuis verblijft;
4° het MFC ziet erop toe dat het gezinshuis waar de minderjarige persoon met een handicap verblijft, in samenwerking met het MFC voldoet aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
5° het MFC werkt, minimaal rond de volgende opdrachten, structureel samen met de dienst voor pleegzorg uit het werkingsgebied en ook met andere MFC's en voorzieningen van categorie 1 als vermeld in artikel 2, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp, uit het werkingsgebied waaraan een erkenning voor de typemodule verblijf in een gezinshuis is verleend:
a) de bekendmaking van zijn gezinshuis of gezinshuizen;
b) het werven en screenen van gezinshuisouders aan de hand van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
c) het oriënteren van minderjarigen naar een gezinshuis;
d) het organiseren van vorming voor gezinshuisouders;
e) het organiseren van professionaliserings-, uitwisselings- en intervisiemogelijkheden voor gezinshuisouders;
6° het MFC betaalt vanuit zijn werkingssubsidies als vermeld in artikel 16, eerste lid, 2°, van dit besluit, een kostenvergoeding aan de gezinshuisouder. De voormelde kostenvergoeding is uitsluitend bestemd als tegemoetkoming in de uitgaven die een gezinshuisouder maakt voor het verblijf en de zorg van de minderjarige persoon met een handicap;
7° het MFC sluit een overeenkomst met de gezinshuisouder waarin bepaald wordt dat het MFC de werkgever is van de gezinshuisouder en waarin afspraken zijn opgenomen over de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 6°.
In het eerste lid wordt verstaan onder dienst voor pleegzorg: de dienst voor pleegzorg, vermeld in artikel 7 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
§ 2. Een gezinshuis voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° in een gezinshuis worden maximaal zes minderjarigen begeleid en opgevangen, met inbegrip van de eigen kinderen en pleegkinderen. Per bezoldigde gezinshuisouder worden maximaal drie minderjarige personen met een handicap begeleid en opgevangen. De voormelde maxima gelden niet voor broers of zussen. De administrateur-generaal kan afwijkingen toestaan van het maximale aantal minderjarigen per gezinshuis en per gezinshuisouder na een gemotiveerde schriftelijke aanvraag van het MFC;
2° een gezinshuis werkt volgens de volgende principes:
a) de ouders en andere relevante betrokkenen uit het gezins- en opvoedingsmilieu van de minderjarige worden betrokken bij het dagelijkse leven van het gezinshuis;
b) vanuit het dagelijkse leven wordt, in voorkomend geval, bij specifieke zorgbehoeften bijgeschakeld naar een meer gespecialiseerd aanbod;
3° overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022 controleert het MFC van alle meerderjarige gezinsleden van een gezinshuis het goed en zedelijk gedrag van de betrokkene, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
§ 3. Een gezinshuisouder beschikt over een menswetenschappelijk diploma, minimaal van bachelorniveau, of kan aantonen over voldoende relevante competenties te beschikken om op dat niveau te functioneren.
Een gezinshuisouder wordt geselecteerd op basis van een onderbouwd screeningsproces, waarbij rekening gehouden wordt met al de volgende elementen:
1° de pedagogische draagkracht om de opgevangen minderjarigen een stabiel leefklimaat te bieden;
2° de materiële mogelijkheden;
3° de nodige competenties en persoonlijkheidskenmerken om adequaat om te gaan met complexe opvoedingssituaties in een gezinshuis;
4° de gezinssituatie en sociale context van het gezin.
Bij de toetsing van de kenmerken van een minderjarige aan het profiel van de gezinshuisouder en zijn gezin wordt, in voorkomend geval, rekening gehouden met de bevindingen uit voorgaande hulpverlening. De voorziening waakt erover dat de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de minderjarige en het gezin van oorsprong gerespecteerd worden.]1
Art.5/3. [1 § 1er. Un MFC qui est agréé pour offrir le module type séjour dans une maison de famille satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° le MFC propose au parent de maison de famille et à tous les membres de sa famille un soutien et un accompagnement de qualité de façon à ce que l'accueil et l'accompagnement au sein d'une maison de famille répondent véritablement aux besoins de la personne handicapée mineure et contribuent à une continuité dans les relations, à la sécurité et au bien-être de toutes les personnes concernées ;
2° le MFC veille à fournir des informations correctes et appropriées au parent de maison de famille concernant le fonctionnement individuel des enfants et la collaboration, et est responsable de l'établissement du plan d'action, visé à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
3° le MFC prévoit, que ce soit ou non via une collaboration structurelle avec d'autres MFC au sein de la zone d'action qui offrent un séjour ou à laquelle un agrément pour le module type séjour dans une maison de famille a été accordé, une solution de repli résidentielle pour la personne handicapée mineure séjournant dans une maison de famille ;
4° le MFC veille à ce que la maison de famille où séjourne la personne handicapée mineure satisfasse, en collaboration avec le MFC, aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
5° le MFC collabore de manière structurelle, au minimum concernant les missions suivantes, avec le service de placement familial de la zone d'action et aussi avec d'autres MFC et structures de catégorie 1, telle que visée à l'article 2, § 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, de la zone d'action à laquelle un agrément pour le module type séjour dans une maison de famille a été accordé :
a) faire connaître sa ou ses maisons de famille ;
b) recruter et screener les parents de maisons de famille sur la base des conditions visées au paragraphe 3 ;
c) orienter des mineurs vers une maison de famille ;
d) organiser la formation pour les parents de maisons de famille ;
e) organiser des possibilités de professionnalisation, d'échange et d'intervision pour les parents de maisons de famille.
6° le MFC verse, à partir de ses subventions de fonctionnement visées à l'article 16, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté, une indemnité au parent de maison de famille. L'indemnité susmentionnée est exclusivement destinée comme intervention dans les dépenses exposées par un parent de maison de famille pour le séjour et les soins de la personne handicapée mineure ;
7° le MFC conclut avec le parent de maison de famille une convention stipulant que le MFC est l'employeur du parent de maison de famille et contenant des accords sur les conditions visées aux points 1° à 6°.
A l'alinéa 1er, on entend par service de placement familial : le service de placement familial visé à l'article 7 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial.
§ 2. Une maison de famille satisfait aux conditions suivantes :
1° dans une maison de famille, six mineurs au maximum sont accompagnés et accueillis, en ce compris les propres enfants et enfants placés. Trois personnes handicapées mineures au maximum sont accompagnées et accueillies par parent de maison de famille rémunéré. Les limites susmentionnées ne s'appliquent pas aux frères et soeurs. L'administrateur général peut accorder des dérogations au nombre maximum de mineurs par maison de famille et par parent de maison de famille après une demande écrite motivée du MFC ;
2° une maison de famille fonctionne selon les principes suivants :
a) les parents et autres acteurs concernés du milieu familial et éducatif du mineur sont impliqués dans la vie quotidienne de la maison de famille ;
b) à partir de la vie quotidienne, une offre plus spécialisée est le cas échéant activée en cas de besoins de soins spécifiques ;
3° conformément à l'article 3 du décret du 3 juin 2022, le MFC de tous les membres de la famille majeurs d'une maison de famille contrôle la bonne conduite de la personne concernée, ce qui inclut au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
§ 3. Un parent de maison de famille est au minimum titulaire d'un diplôme en sciences humaines de niveau bachelier, ou peut démontrer qu'il dispose de compétences pertinentes suffisantes pour fonctionner à ce niveau.
Un parent de maison de famille est sélectionné sur la base d'un processus de screening étayé, tenant compte de l'ensemble des éléments suivants :
1° la capacité pédagogique d'offrir aux mineurs accueillis un cadre de vie stable ;
2° les capacités matérielles ;
3° les compétences et caractéristiques personnelles nécessaires afin de gérer de manière adéquate les situations éducatives compliquées dans une maison de famille ;
4° la situation familiale et le contexte social de la famille.
Lors de la confrontation des caractéristiques d'un mineur au profil du parent de maison de famille et de sa famille, on tient, le cas échéant, compte de constatations faites lors de prestations de service antérieures. La structure veille à ce que les convictions idéologiques, philosophiques et religieuses du mineur et de sa famille d'origine soient respectées.]1
1° le MFC propose au parent de maison de famille et à tous les membres de sa famille un soutien et un accompagnement de qualité de façon à ce que l'accueil et l'accompagnement au sein d'une maison de famille répondent véritablement aux besoins de la personne handicapée mineure et contribuent à une continuité dans les relations, à la sécurité et au bien-être de toutes les personnes concernées ;
2° le MFC veille à fournir des informations correctes et appropriées au parent de maison de famille concernant le fonctionnement individuel des enfants et la collaboration, et est responsable de l'établissement du plan d'action, visé à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
3° le MFC prévoit, que ce soit ou non via une collaboration structurelle avec d'autres MFC au sein de la zone d'action qui offrent un séjour ou à laquelle un agrément pour le module type séjour dans une maison de famille a été accordé, une solution de repli résidentielle pour la personne handicapée mineure séjournant dans une maison de famille ;
4° le MFC veille à ce que la maison de famille où séjourne la personne handicapée mineure satisfasse, en collaboration avec le MFC, aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
5° le MFC collabore de manière structurelle, au minimum concernant les missions suivantes, avec le service de placement familial de la zone d'action et aussi avec d'autres MFC et structures de catégorie 1, telle que visée à l'article 2, § 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 2019 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures de l'aide à la jeunesse, de la zone d'action à laquelle un agrément pour le module type séjour dans une maison de famille a été accordé :
a) faire connaître sa ou ses maisons de famille ;
b) recruter et screener les parents de maisons de famille sur la base des conditions visées au paragraphe 3 ;
c) orienter des mineurs vers une maison de famille ;
d) organiser la formation pour les parents de maisons de famille ;
e) organiser des possibilités de professionnalisation, d'échange et d'intervision pour les parents de maisons de famille.
6° le MFC verse, à partir de ses subventions de fonctionnement visées à l'article 16, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté, une indemnité au parent de maison de famille. L'indemnité susmentionnée est exclusivement destinée comme intervention dans les dépenses exposées par un parent de maison de famille pour le séjour et les soins de la personne handicapée mineure ;
7° le MFC conclut avec le parent de maison de famille une convention stipulant que le MFC est l'employeur du parent de maison de famille et contenant des accords sur les conditions visées aux points 1° à 6°.
A l'alinéa 1er, on entend par service de placement familial : le service de placement familial visé à l'article 7 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial.
§ 2. Une maison de famille satisfait aux conditions suivantes :
1° dans une maison de famille, six mineurs au maximum sont accompagnés et accueillis, en ce compris les propres enfants et enfants placés. Trois personnes handicapées mineures au maximum sont accompagnées et accueillies par parent de maison de famille rémunéré. Les limites susmentionnées ne s'appliquent pas aux frères et soeurs. L'administrateur général peut accorder des dérogations au nombre maximum de mineurs par maison de famille et par parent de maison de famille après une demande écrite motivée du MFC ;
2° une maison de famille fonctionne selon les principes suivants :
a) les parents et autres acteurs concernés du milieu familial et éducatif du mineur sont impliqués dans la vie quotidienne de la maison de famille ;
b) à partir de la vie quotidienne, une offre plus spécialisée est le cas échéant activée en cas de besoins de soins spécifiques ;
3° conformément à l'article 3 du décret du 3 juin 2022, le MFC de tous les membres de la famille majeurs d'une maison de famille contrôle la bonne conduite de la personne concernée, ce qui inclut au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
§ 3. Un parent de maison de famille est au minimum titulaire d'un diplôme en sciences humaines de niveau bachelier, ou peut démontrer qu'il dispose de compétences pertinentes suffisantes pour fonctionner à ce niveau.
Un parent de maison de famille est sélectionné sur la base d'un processus de screening étayé, tenant compte de l'ensemble des éléments suivants :
1° la capacité pédagogique d'offrir aux mineurs accueillis un cadre de vie stable ;
2° les capacités matérielles ;
3° les compétences et caractéristiques personnelles nécessaires afin de gérer de manière adéquate les situations éducatives compliquées dans une maison de famille ;
4° la situation familiale et le contexte social de la famille.
Lors de la confrontation des caractéristiques d'un mineur au profil du parent de maison de famille et de sa famille, on tient, le cas échéant, compte de constatations faites lors de prestations de service antérieures. La structure veille à ce que les convictions idéologiques, philosophiques et religieuses du mineur et de sa famille d'origine soient respectées.]1
Art.5/4. [1 Voor de functie als gezinshuisouder wordt per voltijdsequivalent een puntwaarde vastgesteld conform barema B1C, vermeld in tabel 1, die is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, verhoogd met 20%. De puntwaarde voor de functie gezinshuisouder wordt vastgesteld op 85,2 personeelspunten.
De erkenningen of de wijzigingen van erkenning worden toegekend conform de bepalingen van hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]1
De erkenningen of de wijzigingen van erkenning worden toegekend conform de bepalingen van hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van vergunningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]1
Art.5/4. [1 Pour la fonction de parent de maison de famille, une valeur exprimée en points est établie par équivalent temps plein, conformément au barème B1C, visé dans le tableau 1 joint à l'annexe 1redu présent arrêté, majoré de 20 %. La valeur exprimée en points pour la fonction de parent de maison de famille est fixée à 85,2 points personnel.
Les agréments ou les modifications d'agrément sont octroyés conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées.]1
Les agréments ou les modifications d'agrément sont octroyés conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 fixant la réglementation générale relative à l'octroi d'autorisations et d'agréments par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées.]1
HOOFDSTUK 3. - Doelgroep
CHAPITRE 3. - Groupe-cible
Art.6. Een MFC richt zich tot de doelgroepen die bepaald zijn in de modulering van het MFC.
Art.6. Un MFC s'adresse aux groupes-cibles définis dans la modulation du MFC.
Art.7. Een MFC kan gebruikers opnemen tot en met de leeftijd van eenentwintig jaar.
Art.7. Un MFC peut prendre en charge des usagers jusqu'à l'âge de vingt et un ans accompli.
Art.8. Een MFC biedt ondersteuning aan gebruikers die beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing als vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 12 juli 2013, voor de niet rechtstreeks toegankelijke modules dagopvang, verblijf of begeleiding [1 ...]1.
Een MFC continueert de ondersteuning van de opgenomen gebruikers met een beslissing tot toewijzing van ondersteuningsveld Z11, Z25, Z30 of Z35 als vermeld in het ministerieel besluit van 1 maart 2012.
Er kan ook ondersteuning geboden worden aan gebruikers die van modules gebruikmaken waarvoor alleen een indicatiestellingsverslag van niet rechtstreeks toegankelijke hulp nodig is als vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013.
Een MFC continueert de ondersteuning van de opgenomen gebruikers met een beslissing tot toewijzing van ondersteuningsveld Z11, Z25, Z30 of Z35 als vermeld in het ministerieel besluit van 1 maart 2012.
Er kan ook ondersteuning geboden worden aan gebruikers die van modules gebruikmaken waarvoor alleen een indicatiestellingsverslag van niet rechtstreeks toegankelijke hulp nodig is als vermeld in artikel 21, eerste lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013.
Art.8. Un MFC offre de l'assistance à des usagers disposant d'une décision de services d'aide à la jeunesse, telle que visée à l'article 26, § 1er, alinéa premier, 3° du décret du 12 juillet 2013 pour les modules non directement accessibles d'accueil de jour, de séjour ou d'accompagnement [1 ...]1.
Un MFC poursuit l'assistance des usagers pris en charge par une décision de leur attribuer le champ d'assistance Z11, Z25, Z30 ou Z35, tels que visés à l'arrêté ministériel du 1 mars 2012.
De l'assistance peut également être offerte aux usagers faisant appel à des modules pour lesquels un rapport d'indication d'assistance non directement accessible suffit, tel que visé à l'article 21, premier alinéa, 2° du décret du 12 juillet 2013.
Un MFC poursuit l'assistance des usagers pris en charge par une décision de leur attribuer le champ d'assistance Z11, Z25, Z30 ou Z35, tels que visés à l'arrêté ministériel du 1 mars 2012.
De l'assistance peut également être offerte aux usagers faisant appel à des modules pour lesquels un rapport d'indication d'assistance non directement accessible suffit, tel que visé à l'article 21, premier alinéa, 2° du décret du 12 juillet 2013.
Wijzigingen
Art.9. § 1. [1 In dit artikel wordt verstaan onder het besluit van 27 november 2015 het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.]1
§ 2. De gebruiker die in een MFC [2 [3 ...]3]2 verblijft en de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, kan verder ondersteund worden door een MFC [2 [3 ...]3]2 tot en met de leeftijd van vijfentwintig jaar in de volgende gevallen :
1° de gebruiker komt niet in aanmerking voor [1 een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit van 27 november 2015]1;
2° [1 ...]1;
3° de gebruiker [1 is een budgetcategorie toegekend met toepassing van artikel 17, eerste lid, van het besluit van 27 november 2015]1, heeft een zware ondersteuningsnood en [2 kan geen zorg of ondersteuning krijgen bij een vergunde zorgaanbieder als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap]2.
§ 3. De [1 ondersteuning]1 van de gebruiker, vermeld in paragraaf 2, 1° [1 ...]1, heeft tot doel :
1° de afronding van zijn schoolloopbaan;
2° de versterking van het netwerk van de jongvolwassene, met het oog op een zo groot mogelijke autonomie en zelfzorg en op een zo inclusief mogelijke opvang;
3° de begeleide doorstroom naar gezondheids- of welzijnsvoorzienigen [1 ...]1.
[1 Indien de ondersteuning van de gebruiker, vermeld in paragraaf 2, 1°, niet het afronden van de schoolloopbaan tot doel heeft, gebeurt de ondersteuning in de vorm van de begeleiding, vermeld in artikel 10, § 5.]1
[3 ...]3
§ 4. [4 In het geval, vermeld in paragraaf 2, 3°, beschikt de gebruiker met toepassing van het besluit van 27 november 2015 over een toewijzing van minimaal budgetcategorie V of budgetcategorie 8.]4
§ 2. De gebruiker die in een MFC [2 [3 ...]3]2 verblijft en de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, kan verder ondersteund worden door een MFC [2 [3 ...]3]2 tot en met de leeftijd van vijfentwintig jaar in de volgende gevallen :
1° de gebruiker komt niet in aanmerking voor [1 een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit van 27 november 2015]1;
2° [1 ...]1;
3° de gebruiker [1 is een budgetcategorie toegekend met toepassing van artikel 17, eerste lid, van het besluit van 27 november 2015]1, heeft een zware ondersteuningsnood en [2 kan geen zorg of ondersteuning krijgen bij een vergunde zorgaanbieder als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap]2.
§ 3. De [1 ondersteuning]1 van de gebruiker, vermeld in paragraaf 2, 1° [1 ...]1, heeft tot doel :
1° de afronding van zijn schoolloopbaan;
2° de versterking van het netwerk van de jongvolwassene, met het oog op een zo groot mogelijke autonomie en zelfzorg en op een zo inclusief mogelijke opvang;
3° de begeleide doorstroom naar gezondheids- of welzijnsvoorzienigen [1 ...]1.
[1 Indien de ondersteuning van de gebruiker, vermeld in paragraaf 2, 1°, niet het afronden van de schoolloopbaan tot doel heeft, gebeurt de ondersteuning in de vorm van de begeleiding, vermeld in artikel 10, § 5.]1
[3 ...]3
§ 4. [4 In het geval, vermeld in paragraaf 2, 3°, beschikt de gebruiker met toepassing van het besluit van 27 november 2015 over een toewijzing van minimaal budgetcategorie V of budgetcategorie 8.]4
Art.9. § 1er. [1 Aux fins du présent article, on entend par l'arrêté du 27 novembre 2015, l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget.]1
§ 2. L'usager qui réside dans un MFC [2 [3 ...]3]2 et qui a atteint l'âge de vingt et un ans, peut continuer à être assisté par un MFC [2 [3 ...]3]2 jusqu'à l'âge de vingt-cinq ans accompli dans les cas suivants :
1° l'usager n'est pas éligible [1 à un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé à l'article 17, alinéa 1er de l'arrêté du 27 novembre 2015]1 ;
2° [1 ...]1 ;
3° l'usager [1 appartient à une catégorie budgétaire en application de l'article 17, alinéa 1er, de l'arrêté du 27 novembre 2015]1, a une forte besoin en assistance [2 et ne peut pas obtenir de soins ou de soutien auprès d'un offreur de soins autorisé, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées]2.
§ 3. [1 Le soutien à l'usager]1, visé au paragraphe 2, 1° [1 ...]1, a comme objectif :
1° l'achèvement de son parcours scolaire ;
2° le renforcement du réseau du jeune adulte en vue d'une indépendance et d'une autonomie maximales et d'un accueil le plus inclusif possible ;
3° la transition accompagnée vers des structures de santé ou d'aide sociale [1 ...]1.
[1 Si le soutien à l'usager, visé au § 2, 1°, ne vise pas l'achèvement du parcours scolaire, il est offert sous forme d'accompagnement, tel que visé à l'article 10, § 5.]1
[3 ...]3
§ 4. [4 Dans le cas visé au paragraphe 2, 3°, l'usager dispose d'une attribution de la catégorie budgétaire V au moins ou de la catégorie budgétaire 8, en application de l'arrêté du 27 novembre 2015.]4
§ 2. L'usager qui réside dans un MFC [2 [3 ...]3]2 et qui a atteint l'âge de vingt et un ans, peut continuer à être assisté par un MFC [2 [3 ...]3]2 jusqu'à l'âge de vingt-cinq ans accompli dans les cas suivants :
1° l'usager n'est pas éligible [1 à un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, tel que visé à l'article 17, alinéa 1er de l'arrêté du 27 novembre 2015]1 ;
2° [1 ...]1 ;
3° l'usager [1 appartient à une catégorie budgétaire en application de l'article 17, alinéa 1er, de l'arrêté du 27 novembre 2015]1, a une forte besoin en assistance [2 et ne peut pas obtenir de soins ou de soutien auprès d'un offreur de soins autorisé, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées]2.
§ 3. [1 Le soutien à l'usager]1, visé au paragraphe 2, 1° [1 ...]1, a comme objectif :
1° l'achèvement de son parcours scolaire ;
2° le renforcement du réseau du jeune adulte en vue d'une indépendance et d'une autonomie maximales et d'un accueil le plus inclusif possible ;
3° la transition accompagnée vers des structures de santé ou d'aide sociale [1 ...]1.
[1 Si le soutien à l'usager, visé au § 2, 1°, ne vise pas l'achèvement du parcours scolaire, il est offert sous forme d'accompagnement, tel que visé à l'article 10, § 5.]1
[3 ...]3
§ 4. [4 Dans le cas visé au paragraphe 2, 3°, l'usager dispose d'une attribution de la catégorie budgétaire V au moins ou de la catégorie budgétaire 8, en application de l'arrêté du 27 novembre 2015.]4
HOOFDSTUK 4. - Opdracht
CHAPITRE 4. - Mission
Art.10. § 1. Multifunctionele centra kunnen modules met de volgende ondersteuningsfuncties aanbieden :
1° verblijf;
2° schoolaanvullende dagopvang;
3° schoolvervangende dagopvang;
4° begeleiding;
5° [1 ...]1.
§ 2. Verblijf als vermeld in paragraaf 1, 1°, is een verblijf met overnachting in een multifunctioneel centrum, met inbegrip van opvang en ondersteuning gedurende de ochtend- en avonduren.
Verblijf wordt uitgedrukt in nachten.
§ 3. Schoolaanvullende dagopvang als vermeld in paragraaf 1, 2°, is het aanbieden van handicapspecifieke opvang overdag zonder schoolvervangend karakter, gericht op het stimuleren van de ontwikkelingskansen en van de ontwikkelingsmogelijkheden van de gebruiker.
Schoolaanvullende dagopvang wordt uitgedrukt in dagdelen. Een dagdeel is de voor- of de namiddag.
§ 4. Schoolvervangende dagopvang als vermeld in paragraaf 1, 3°, is de dagopvang waarbij er een alternatief programma wordt aangeboden, zo veel mogelijk in samenwerking en in afstemming met een onderwijsinstelling.
Schoolvervangende dagopvang wordt uitgedrukt in dagdelen. Een dagdeel is de voor- of de namiddag.
§ 5. Begeleiding als vermeld in paragraaf 1, 4°, omvat de algemene psychosociale ondersteuning of ADL-ondersteuning, zowel mobiel als ambulant, aan de gebruiker of zijn context. Onder mobiele begeleiding wordt verstaan dat de begeleiding van een multifunctioneel centrum zich verplaatst naar de gebruiker of zijn context. Onder ambulante begeleiding wordt verstaan dat de gebruiker of context zich verplaatst naar een multifunctioneel centrum.
Elk MFC moet minimaal ambulante of mobiele begeleiding aanbieden.
Begeleiding wordt uitgedrukt in uren.
§ 6. [1 ...]1
§ 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de ondersteuningsfuncties, vermeld in dit artikel, wijzigen of kan nieuwe ondersteuningsfuncties bepalen ingevolge wijzigingen van de modules met toepassing van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering in de integrale jeugdhulp.
1° verblijf;
2° schoolaanvullende dagopvang;
3° schoolvervangende dagopvang;
4° begeleiding;
5° [1 ...]1.
§ 2. Verblijf als vermeld in paragraaf 1, 1°, is een verblijf met overnachting in een multifunctioneel centrum, met inbegrip van opvang en ondersteuning gedurende de ochtend- en avonduren.
Verblijf wordt uitgedrukt in nachten.
§ 3. Schoolaanvullende dagopvang als vermeld in paragraaf 1, 2°, is het aanbieden van handicapspecifieke opvang overdag zonder schoolvervangend karakter, gericht op het stimuleren van de ontwikkelingskansen en van de ontwikkelingsmogelijkheden van de gebruiker.
Schoolaanvullende dagopvang wordt uitgedrukt in dagdelen. Een dagdeel is de voor- of de namiddag.
§ 4. Schoolvervangende dagopvang als vermeld in paragraaf 1, 3°, is de dagopvang waarbij er een alternatief programma wordt aangeboden, zo veel mogelijk in samenwerking en in afstemming met een onderwijsinstelling.
Schoolvervangende dagopvang wordt uitgedrukt in dagdelen. Een dagdeel is de voor- of de namiddag.
§ 5. Begeleiding als vermeld in paragraaf 1, 4°, omvat de algemene psychosociale ondersteuning of ADL-ondersteuning, zowel mobiel als ambulant, aan de gebruiker of zijn context. Onder mobiele begeleiding wordt verstaan dat de begeleiding van een multifunctioneel centrum zich verplaatst naar de gebruiker of zijn context. Onder ambulante begeleiding wordt verstaan dat de gebruiker of context zich verplaatst naar een multifunctioneel centrum.
Elk MFC moet minimaal ambulante of mobiele begeleiding aanbieden.
Begeleiding wordt uitgedrukt in uren.
§ 6. [1 ...]1
§ 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de ondersteuningsfuncties, vermeld in dit artikel, wijzigen of kan nieuwe ondersteuningsfuncties bepalen ingevolge wijzigingen van de modules met toepassing van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering in de integrale jeugdhulp.
Art.10. § 1er. Les centres multifonctionnels peuvent offrir des modules aux fonctions d'assistance suivantes :
1° séjour ;
2° accueil de jour en complément de l'école ;
3° accueil de jour en remplacement de l'école ;
4° accompagnement ;
5° [1 ...]1
§ 2. Le séjour, tel que visé au paragraphe 1er, 1° est un séjour suivi d'un coucher dans un centre multifonctionnel, accompagné d'un accueil et de l'assistance pendant la matinée et la soirée.
La durée du séjour est exprimée en nuitées.
§ 3. L'accueil de jour en complément de l'école, tel que visé au paragraphe 1er, 2°, désigne l'accueil pendant la journée, axé sur le handicap spécifique sans que celui-ci ne se substitue à l'école, visant à stimuler les opportunités et les possibilités de développement de l'usager.
La durée de l'accueil de jour en complément de l'école est exprimée en parties de journée. Une partie de journée peut consister en une matinée ou un après-midi.
§ 4. L'accueil de jour en remplacement de l'école, tel que visé au paragraphe 1er, 3°, est l'accueil de jour lors duquel un programme alternatif est offert, autant que possible en coopération et en concertation avec un établissement d'enseignement.
La durée de l'accueil de jour en remplacement de l'école est exprimée en parties de journée. Une partie de journée peut consister en une matinée ou un après-midi.
§ 5. L'accompagnement, tel que visé au paragraphe 1er, 4°, comprend l'assistance psychosociale générale ou l'assistance A.J.V., tant mobile qu'ambulatoire, offerte à l'usager ou à son entourage. Par accompagnement mobile on entend que l'accompagnement d'un centre multifonctionnel est offert au domicile de l'usager ou dans son entourage. Par accompagnement ambulatoire on entend que l'usager ou son entourage se déplacent vers un centre multifonctionnel.
Tout MFC doit au minimum offir de l'accompagnement ambulatoire ou mobile.
La durée de l'accompagnement est exprimée en heures.
§ 6. [1 ...]1
§ 7. Le ministre flamand, compétent de l'assistance aux personnes, peut modifier les fonctions d'assistance, visées dans le présent article, ou peut en définir de nouvelles suite aux modifications des modules, en application de l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2005 relatif à la modulation au sein de l'aide intégrale à la jeunesse.
1° séjour ;
2° accueil de jour en complément de l'école ;
3° accueil de jour en remplacement de l'école ;
4° accompagnement ;
5° [1 ...]1
§ 2. Le séjour, tel que visé au paragraphe 1er, 1° est un séjour suivi d'un coucher dans un centre multifonctionnel, accompagné d'un accueil et de l'assistance pendant la matinée et la soirée.
La durée du séjour est exprimée en nuitées.
§ 3. L'accueil de jour en complément de l'école, tel que visé au paragraphe 1er, 2°, désigne l'accueil pendant la journée, axé sur le handicap spécifique sans que celui-ci ne se substitue à l'école, visant à stimuler les opportunités et les possibilités de développement de l'usager.
La durée de l'accueil de jour en complément de l'école est exprimée en parties de journée. Une partie de journée peut consister en une matinée ou un après-midi.
§ 4. L'accueil de jour en remplacement de l'école, tel que visé au paragraphe 1er, 3°, est l'accueil de jour lors duquel un programme alternatif est offert, autant que possible en coopération et en concertation avec un établissement d'enseignement.
La durée de l'accueil de jour en remplacement de l'école est exprimée en parties de journée. Une partie de journée peut consister en une matinée ou un après-midi.
§ 5. L'accompagnement, tel que visé au paragraphe 1er, 4°, comprend l'assistance psychosociale générale ou l'assistance A.J.V., tant mobile qu'ambulatoire, offerte à l'usager ou à son entourage. Par accompagnement mobile on entend que l'accompagnement d'un centre multifonctionnel est offert au domicile de l'usager ou dans son entourage. Par accompagnement ambulatoire on entend que l'usager ou son entourage se déplacent vers un centre multifonctionnel.
Tout MFC doit au minimum offir de l'accompagnement ambulatoire ou mobile.
La durée de l'accompagnement est exprimée en heures.
§ 6. [1 ...]1
§ 7. Le ministre flamand, compétent de l'assistance aux personnes, peut modifier les fonctions d'assistance, visées dans le présent article, ou peut en définir de nouvelles suite aux modifications des modules, en application de l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2005 relatif à la modulation au sein de l'aide intégrale à la jeunesse.
Wijzigingen
Art.11. Een MFC maakt, binnen de geldigheidsduur van de toegewezen modules, een vlotte combinatie of overgang mogelijk tussen de ondersteuningsfuncties verblijf, schoolaanvullende dagopvang, schoolvervangende [1 dagopvang of begeleiding]1.
Naargelang de behoeften in een individueel traject kunnen modules ook gecombineerd worden.
Naargelang de behoeften in een individueel traject kunnen modules ook gecombineerd worden.
Art.11. Endéans la durée de validité des modules qui lui ont été attribués, un MFC facilite des combinaisons ou des transitions aisées entre les fonctions d'assistance de séjour, d'accueil de jour en complément de l'école, d'accueil de jour en remplacement de l'école, d'accompagnement [1 ...]1.
Les modules peuvent également être combinés suivant les besoins dans un parcours individuel.
Les modules peuvent également être combinés suivant les besoins dans un parcours individuel.
Wijzigingen
Art.12. Als verblijf en schoolaanvullende of schoolvervangende dagopvang samen worden aangeboden, moet er in volwaardige maaltijden voorzien worden.
Als een volledige dag schoolaanvullende of schoolvervangende dagopvang wordt aangeboden, moet een MFC in de mogelijkheid zijn een volwaardige maaltijd te verstrekken op verzoek van de gebruiker.
Als een volledige dag schoolaanvullende of schoolvervangende dagopvang wordt aangeboden, moet een MFC in de mogelijkheid zijn een volwaardige maaltijd te verstrekken op verzoek van de gebruiker.
Art.12. Dans les cas où le séjour et l'accueil de jour en complément de l'école ou en remplacement de l'école sont offerts ensemble, le centre doit pourvoir aux repas.
Dans les cas où de l'accueil de jour en complément ou en remplacement de l'école est offert pendant toute la journée, le MFC doit être à même de pourvoir un repas de résistance à la demande de l'usager.
Dans les cas où de l'accueil de jour en complément ou en remplacement de l'école est offert pendant toute la journée, le MFC doit être à même de pourvoir un repas de résistance à la demande de l'usager.
Art.13. De gebruiker of zijn wettelijke vertegenwoordiger die zelf een woning huurt of wenst te huren, kan een MFC om begeleiding vragen bij het voorbereiden, afsluiten en opvolgen van de huurovereenkomst.
Art.13. L'usager ou son représentant légal qui loue ou souhaite louer un logement lui-même, peut demander l'assistance d'un MFC lors de la préparation, la clôture et le suivi du bail.
Art.14. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan bepalen dat een MFC over beleidsmatig relevante topics cijfermatig of inhoudelijk moet rapporteren.
Art.14. Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes peut arrêter qu'un MFC est tenu à l'établissement de rapports chiffrés ou de fond sur des matières stratégiquement pertinentes.
Art.15. [1 Een MFC bezorgt aan het agentschap de wettelijk vereiste gegevens, vermeld in artikel 185 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.]1
Het agentschap bepaalt de wijze waarop die gegevens doorgegeven worden.
Het agentschap bepaalt de wijze waarop die gegevens doorgegeven worden.
Art.15. [1 Un CFM fournit à l'Agence les informations requises par la loi, telles que visées à l'article 185 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mai 2018 portant exécution du décret relatif à la protection sociale flamande]1.
L'agence établit les modalités de la mise à disposition de ces données.
L'agence établit les modalités de la mise à disposition de ces données.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Subsidiëring
CHAPITRE 5. - Subventionnement
Afdeling 1. - Subsidiëring door het agentschap
Section 1re. - Subventionnement par l'agence
Art.16. Het agentschap bepaalt, binnen de grenzen van de kredieten die daarvoor ingeschreven zijn op de begroting, per MFC :
1° het aantal personeelspunten waarvoor een MFC erkend wordt;
2° de werkingssubsidies van een MFC;
3° in voorkomend geval het hoogste bedrag voor de werkingssubsidies voor vervoer waarop het MFC gedurende de drie kalenderjaren voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit recht had met toepassing van artikel 2 § 5 van het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken;
Het agentschap bepaalt per MFC het aantal begeleidingsovereenkomsten die geregistreerd zijn tijdens het jaar voor de instap in het experiment MFC, dat opgezet werd vanaf 2012 en werd georganiseerd op basis van beheersovereenkomsten als vermeld in artikel 7/1, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van de voorwaarden en maatregelen volgens welke het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap bijzondere subsidies aan voorzieningen kan toekennen. Dat aantal geldt als referentie voor het te realiseren aantal begeleidingsovereenkomsten, vermeld in artikel 36 van dit besluit. Bij de bepaling van het aantal begeleidingsovereenkomsten wordt geen rekening gehouden met de gebruikers die opgenomen zijn via een persoonsvolgend convenant dat gesloten is met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2
[2 ...]2]1
1° het aantal personeelspunten waarvoor een MFC erkend wordt;
2° de werkingssubsidies van een MFC;
3° in voorkomend geval het hoogste bedrag voor de werkingssubsidies voor vervoer waarop het MFC gedurende de drie kalenderjaren voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit recht had met toepassing van artikel 2 § 5 van het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken;
Het agentschap bepaalt per MFC het aantal begeleidingsovereenkomsten die geregistreerd zijn tijdens het jaar voor de instap in het experiment MFC, dat opgezet werd vanaf 2012 en werd georganiseerd op basis van beheersovereenkomsten als vermeld in artikel 7/1, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van de voorwaarden en maatregelen volgens welke het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap bijzondere subsidies aan voorzieningen kan toekennen. Dat aantal geldt als referentie voor het te realiseren aantal begeleidingsovereenkomsten, vermeld in artikel 36 van dit besluit. Bij de bepaling van het aantal begeleidingsovereenkomsten wordt geen rekening gehouden met de gebruikers die opgenomen zijn via een persoonsvolgend convenant dat gesloten is met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2
[2 ...]2]1
Art.16. L'agence établit, dans les limites des crédits imputés au budget, par MFC :
1° le nombre de points personnel pour lequel le MFC est agréé ;
2° les subventions de fonctionnement d'un MFC ;
3° le cas échéant, le montant maximum des subventions de fonctionnement affectées aux déplacements auxquelles le MFC avait droit au cours des trois années calendaires avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, en application de l'article 2, § 5 de l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat.
Par MFC, l'agence définit le nombre de contrats d'accompagnement, qui ont été enregistrés l'année avant la participation à l'expériment MFC, mis en oeuvre à partir de 2012 et organisé sur la base de contrats de gestion, tels que visés à l'article 7/1, § 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1995 fixant les conditions et les mesures selon lesquelles la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" peut octroyer des subventions spéciales aux établissements. Ce nombre sert de référence au nombre de contrats d'accompagnement à réaliser, visés à l'article 36 du présent arrêté. Lors de la définition du nombre de contrats d'accompagnement il n'est pas tenu compte des usagers, pris en charge à travers une convention sur le suivi de la personne, conclue en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2
[2 ...]2.]1
1° le nombre de points personnel pour lequel le MFC est agréé ;
2° les subventions de fonctionnement d'un MFC ;
3° le cas échéant, le montant maximum des subventions de fonctionnement affectées aux déplacements auxquelles le MFC avait droit au cours des trois années calendaires avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, en application de l'article 2, § 5 de l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat.
Par MFC, l'agence définit le nombre de contrats d'accompagnement, qui ont été enregistrés l'année avant la participation à l'expériment MFC, mis en oeuvre à partir de 2012 et organisé sur la base de contrats de gestion, tels que visés à l'article 7/1, § 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1995 fixant les conditions et les mesures selon lesquelles la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" peut octroyer des subventions spéciales aux établissements. Ce nombre sert de référence au nombre de contrats d'accompagnement à réaliser, visés à l'article 36 du présent arrêté. Lors de la définition du nombre de contrats d'accompagnement il n'est pas tenu compte des usagers, pris en charge à travers une convention sur le suivi de la personne, conclue en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées.
[1 [2 ...]2
[2 ...]2
[2 ...]2.]1
Art.17. Minstens 75% van het puntenpakket in erkenning wordt besteed aan functies van zorggebonden personeel.
Art.17. Au moins 75% du nombre des points personnel pour lequel un MFC est agréé, est affecté aux fonctions de personnel impliqué dans les soins.
Art.18. Met behoud van de toepassing van artikel 17 kan een MFC, met behoud van het aantal personeelspunten in de erkenning, personeelspunten overdragen aan een ander MFC.
De overdracht van personeelspunten vindt pas plaats na overleg met de werknemersvertegenwoordiging van het MFC. Op verzoek van het agentschap bewijst het MFC het resultaat van het overleg met de werknemersvertegenwoordiging.
De betrokken MFC's staan zelf in voor de onderlinge verrekening van de overgedragen personeelspunten door middel van de elektronische uitwisseling van personeelsgegevens met het agentschap.
De overdracht van personeelspunten vindt pas plaats na overleg met de werknemersvertegenwoordiging van het MFC. Op verzoek van het agentschap bewijst het MFC het resultaat van het overleg met de werknemersvertegenwoordiging.
De betrokken MFC's staan zelf in voor de onderlinge verrekening van de overgedragen personeelspunten door middel van de elektronische uitwisseling van personeelsgegevens met het agentschap.
Art.18. Sans préjudice de l'application de l'article 17, un MFC peut transférer des points personnel à un autre MFC tout en conservant le nombre de points personnel dans l'agrément.
Le transfert de points personnel n'est effectué que suite à une concertation avec la représentation des travailleurs du MFC. A la demande de l'agence, le MFC publie le résultat de la concertation avec la représentation des travailleurs.
Les MFC impliqués assurent eux-mêmes la comptabilisation mutuelle des points personnel transférés au moyen de l'échange électronique de données du personnel avec l'agence.
Le transfert de points personnel n'est effectué que suite à une concertation avec la représentation des travailleurs du MFC. A la demande de l'agence, le MFC publie le résultat de la concertation avec la représentation des travailleurs.
Les MFC impliqués assurent eux-mêmes la comptabilisation mutuelle des points personnel transférés au moyen de l'échange électronique de données du personnel avec l'agence.
Art.19. Een MFC kan maximaal [1 3 %]1 van de personeelspunten omzetten in werkingsmiddelen tegen een bedrag per punt.
[1 Het bedrag per punt bedraagt 834 euro (achthonderdvierendertig euro)]1.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt alleen gesubsidieerd op voorwaarde dat er over de aanwending van het bedrag voorafgaand overleg is gepleegd met het collectief overlegorgaan of dat er collectieve inspraak is geweest en [1 dat er overleg met de werknemersvertegenwoordiging heeft plaatsgevonden]1, en er aan deze overlegkanalen transparantie is geboden over de aanwending. Op verzoek van het agentschap bewijst het MFC het resultaat van het overleg met het collectief overlegorgaan of collectieve inspraak en het [1 overleg]1 met de werknemersvertegenwoordiging.
[1 Het bedrag, vermeld in het eerste lid, mag niet aangewend worden voor reservevorming of voor de aanwerving van personeel of voor de vergoeding van eigen personeelskosten]1.
[2 In afwijking van het vierde lid kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de vergoeding van variabele prestaties die niet vergoed worden conform [3 artikel 13/1 en 13/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten.]3]2
[1 De besteding van het bedrag, vermeld in het eerste lid, mag evenwel gespreid worden over meer dan een boekhoudkundig jaar]1."
[1 Het bedrag per punt bedraagt 834 euro (achthonderdvierendertig euro)]1.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt alleen gesubsidieerd op voorwaarde dat er over de aanwending van het bedrag voorafgaand overleg is gepleegd met het collectief overlegorgaan of dat er collectieve inspraak is geweest en [1 dat er overleg met de werknemersvertegenwoordiging heeft plaatsgevonden]1, en er aan deze overlegkanalen transparantie is geboden over de aanwending. Op verzoek van het agentschap bewijst het MFC het resultaat van het overleg met het collectief overlegorgaan of collectieve inspraak en het [1 overleg]1 met de werknemersvertegenwoordiging.
[1 Het bedrag, vermeld in het eerste lid, mag niet aangewend worden voor reservevorming of voor de aanwerving van personeel of voor de vergoeding van eigen personeelskosten]1.
[2 In afwijking van het vierde lid kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de vergoeding van variabele prestaties die niet vergoed worden conform [3 artikel 13/1 en 13/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten.]3]2
[1 De besteding van het bedrag, vermeld in het eerste lid, mag evenwel gespreid worden over meer dan een boekhoudkundig jaar]1."
Art.19. Un MFC peut convertir un maximum de [1 3 %]1 des points personnel en moyens de fonctionnement, dans lequel processus les points sont convertis en un montant.
[1 Le montant par point s'élève à 834 euros (huit cent trente-quatre euros)]1.
Le montant, visé à l'alinéa premier, n'est subventionné qu'à condition qu'une concertation ait eu lieu avec l'organe de concertation collectif, ou qu'il y ait eu un droit d'expression collectif et [1 qu'il y ait eu une concertation avec la représentant des travailleurs]1 et que ces filières de concertation aient obtenu de la transparence, préalablement à l'affectation du montant. A la demande de l'agence, le MFC prouve le résultat de la concertation avec l'organe de concertation collectif ou du droit d'expression collectif et [1 la concertation]1 avec la représentation des travailleurs.
[1 Le montant, visé à l'alinéa 1er, ne peut être affecté à la constitution de réserves ou au recrutement de personnel, ni à l'indemnisation des propres frais de personnel]1.
[2 Par dérogation à l'alinéa 4, le montant visé à l'alinéa 1er peut être utilisé pour la rémunération des prestations variables qui ne sont pas rémunérées conformément [3 aux articles 13/1 et 13/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel.]3 ]2
[1 La dépense du montant visé à l'alinéa 1er peut toutefois être étalée sur plusieurs exercices comptables]1."
[1 Le montant par point s'élève à 834 euros (huit cent trente-quatre euros)]1.
Le montant, visé à l'alinéa premier, n'est subventionné qu'à condition qu'une concertation ait eu lieu avec l'organe de concertation collectif, ou qu'il y ait eu un droit d'expression collectif et [1 qu'il y ait eu une concertation avec la représentant des travailleurs]1 et que ces filières de concertation aient obtenu de la transparence, préalablement à l'affectation du montant. A la demande de l'agence, le MFC prouve le résultat de la concertation avec l'organe de concertation collectif ou du droit d'expression collectif et [1 la concertation]1 avec la représentation des travailleurs.
[1 Le montant, visé à l'alinéa 1er, ne peut être affecté à la constitution de réserves ou au recrutement de personnel, ni à l'indemnisation des propres frais de personnel]1.
[2 Par dérogation à l'alinéa 4, le montant visé à l'alinéa 1er peut être utilisé pour la rémunération des prestations variables qui ne sont pas rémunérées conformément [3 aux articles 13/1 et 13/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel.]3 ]2
[1 La dépense du montant visé à l'alinéa 1er peut toutefois être étalée sur plusieurs exercices comptables]1."
Art.20. De personeelssubsidies worden gesubsidieerd conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 1 en bijlage 1 van het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, titel I, afdeling 2, en bijlage II, tabel II, van het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken en het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 houdende de subsidiëring van de personeelskosten in bepaalde voorzieningen van de welzijnssector.
Art.20. Les subventions de personnel sont subventionnées conformément aux conditions visées au chapitre 1er et à l'annexe 1re de l'arrêté ministériel du 24 avril 1973 déterminant, en ce qui concerne le Ministère de la Santé publique et de la Famille, les règles particulières à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien et le traitement des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, et conformément au titre Ier, section 2 et à l'annexe II, tableau II de l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais d'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans les institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 1993 réglant l'octroi de subventions pour les frais de personnel dans certaines structures du secteur de l'aide sociale.
Art.21. Een MFC ontvangt aanvullend op de werkingssubsidies, vermeld in artikel 16, een aanvullende werkingssubsidie voor de uitgekeerde socioculturele toelagen aan de gebruikers, vermeld in artikel 9.
De aanvullende werkingssubsidie wordt berekend per gebruiker per nacht verblijf per maand, vermeerderd met factor 1,65. Het resultaat wordt begrensd tot het aantal dagen van de respectieve maand. Op jaarbasis wordt de werkingssubsidie begrensd tot respectievelijk 365 dagen of 366 dagen.
De aanvullende werkingssubsidie wordt berekend per gebruiker per nacht verblijf per maand, vermeerderd met factor 1,65. Het resultaat wordt begrensd tot het aantal dagen van de respectieve maand. Op jaarbasis wordt de werkingssubsidie begrensd tot respectievelijk 365 dagen of 366 dagen.
Art.21. Un MFC reçoit, en complément des subventions de fonctionnement, visées à l'article 16, une subvention de fonctionnement complémentaire pour les allocations socioculturelles payées aux usagers, visés à l'article 9.
La subvention de fonctionnement complémentaire est calculée par usager par séjour de nuit par mois, multipliée par le facteur 1,65. Le résultat est plafonné au nombre de jours du mois respectif. Sur une base annuelle, la subvention de fonctionnement est limitée à 365 ou 366 jours respectivement.
La subvention de fonctionnement complémentaire est calculée par usager par séjour de nuit par mois, multipliée par le facteur 1,65. Le résultat est plafonné au nombre de jours du mois respectif. Sur une base annuelle, la subvention de fonctionnement est limitée à 365 ou 366 jours respectivement.
Art.22. [1 In dit artikel wordt verstaan onder G-index: het indexcijfer van de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in titel I, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De werkingssubsidies en de aanvullende werkingssubsidies worden jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.
Het bedrag, vermeld in artikel 19, tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.]1
De werkingssubsidies en de aanvullende werkingssubsidies worden jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.
Het bedrag, vermeld in artikel 19, tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.]1
Art.22. [1 Dans le présent article, on entend par indice G : l'indice de l'indice santé lissé, visé au titre I, chapitre II, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
Les subventions de fonctionnement et les subventions complémentaires de fonctionnement sont annuellement adaptées au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient.
Le montant, visé à l'article 19, alinéa 2, est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient. ]1
Les subventions de fonctionnement et les subventions complémentaires de fonctionnement sont annuellement adaptées au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient.
Le montant, visé à l'article 19, alinéa 2, est annuellement adapté au 1er janvier, compte tenu de l'indice G, selon la formule suivante : montant X-1 x indice G décembre X-1/indice G décembre X-2, où X est l'année au cours de laquelle l'indexation intervient. ]1
Wijzigingen
Art.23. Het MFC geeft het totale zakgeld minderjarigen, toegekend met toepassing van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, door aan het agentschap. Dit totaal zal bij de afrekening van het subsidiedossier geteld worden.
Art.23. Le MFC remet le montant total de l'argent de poche pour mineurs, octroyé en application de l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le montant, les conditions d'octroi et le mode de liquidation d'un montant librement utilisable pour les mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), à l'agence. Ce total sera comptabilisé lors du décompte du dossier de subvention.
Art.24. De werkingssubsidies worden verminderd met de niet-geïnde bijdrage, vermeld in artikel 30.
Art.24. Les subventions de fonctionnement sont diminuées de la contribution non perçue, visée à l'article 30.
Afdeling 2. - Financiële bijdrage
Section 2. - Contribution financière
Onderafdeling 1. - De gebruiker jonger dan 21 jaar
Sous-section 1ère. - L'usager de moins de 21 ans
Art.25. § 1. In een MFC wordt er een bijdrage gevraagd voor een van de volgende ondersteuningsfuncties die aangeboden worden : schoolvervangende dagopvang, schoolaanvullende dagopvang, begeleiding of verblijf.
Voor verblijf wordt een bijdrage van 11,95 euro per nacht gevraagd.
Voor schoolvervangende dagopvang wordt een bijdrage van 12,15 euro per dag gevraagd.
Voor schoolaanvullende dagopvang wordt een bijdrage van 5,25 euro per dag gevraagd.
Voor begeleiding kan een bijdrage van vijf euro per uur begeleiding gevraagd worden. De bijdrage voor begeleidingen wordt beperkt tot twee bijdragen per dag.
De bijdrage van de respectieve werkelijk aangeboden ondersteuningsfuncties, vermeld in het tweede tot en met vijfde lid, mag gecumuleerd worden, maar wordt begrensd tot de bijdrage voor verblijf plus schoolaanvullende dagopvang per dag.
§ 2. [1 De bijdrage mag niet meer bedragen dan het basisbedrag, verhoogd met de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
In afwijking van het eerste lid mag het bedrag voor de gebruiker die geboren is voor 1 januari 2019, niet hoger zijn dan [2 het basisbedrag]2, verhoogd met de leeftijdstoeslag en de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het voormelde decreet van 27 april 2018.]1
[2 Als de gebruiker, vermeld in het eerste of tweede lid, een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming ontvangt, bedraagt de bijdrage niet meer dan het basisbedrag of, voor kinderen die geboren zijn voor 1 januari 2019, niet meer dan het basisbedrag, verhoogd met de leeftijdstoeslag waarop ze recht hebben krachtens het Groeipakketdecreet van 2018 en de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming.
In het derde lid wordt verstaan onder:
1° inkomensvervangende tegemoetkoming: een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
2° integratietegemoetkoming: een integratietegemoetkoming als vermeld in artikel 2, § 2, van de voormelde wet.]2
§ 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder intersectorale toegangspoort : de toegangspoort, vermeld in artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp.
De bijdrage van de gebruiker die geplaatst is door de jeugdrechter, verwezen door een comité voor bijzondere jeugdzorg, of die via een gemandateerde voorziening aangemeld is bij de intersectorale toegangspoort, mag niet meer bedragen dan twee derde van [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1.
Als de intersectorale toegangspoort beslist om een derde van de kinderbijslag op een spaarboekje te laten storten, mag de bijdrage van de gebruiker niet meer bedragen dan twee derde van [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1.
§ 4. Indien de gebruiker gebruik maakt van de module hoogfrequent verblijf, dan wordt de bijdrage voor de dagen met de functie verblijf en de dagen met de functies verblijf en dagopvang beperkt tot dit aantal dagen ten opzichte van het aantal dagen van de maand, vermenigvuldigd met [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1 en verhoogd met de bijdrage voor de andere ondersteuningsfuncties waarvan die maand gebruik gemaakt wordt. Deze som mag niet hoger zijn dan de bijdrage bepaald met toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3.
§ 5. De bijdrage van de gebruikers die wegens het eigen sociaal statuut of het sociaal statuut van de ouders of de rechthebbende geen recht hebben op kinderbijslag, is gelijk aan de bijdrage, vermeld in paragraaf 1, als het netto jaarlijks belastbaar inkomen van die persoon of de persoon die het kind ten laste heeft, ten minste 11.272,04 euro, verhoogd met 1.127,20 euro per kind ten laste, bedraagt.
§ 6. De bedragen, vermeld in dit artikel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2002.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Voor verblijf wordt een bijdrage van 11,95 euro per nacht gevraagd.
Voor schoolvervangende dagopvang wordt een bijdrage van 12,15 euro per dag gevraagd.
Voor schoolaanvullende dagopvang wordt een bijdrage van 5,25 euro per dag gevraagd.
Voor begeleiding kan een bijdrage van vijf euro per uur begeleiding gevraagd worden. De bijdrage voor begeleidingen wordt beperkt tot twee bijdragen per dag.
De bijdrage van de respectieve werkelijk aangeboden ondersteuningsfuncties, vermeld in het tweede tot en met vijfde lid, mag gecumuleerd worden, maar wordt begrensd tot de bijdrage voor verblijf plus schoolaanvullende dagopvang per dag.
§ 2. [1 De bijdrage mag niet meer bedragen dan het basisbedrag, verhoogd met de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
In afwijking van het eerste lid mag het bedrag voor de gebruiker die geboren is voor 1 januari 2019, niet hoger zijn dan [2 het basisbedrag]2, verhoogd met de leeftijdstoeslag en de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarop de gebruiker recht heeft krachtens het voormelde decreet van 27 april 2018.]1
[2 Als de gebruiker, vermeld in het eerste of tweede lid, een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming ontvangt, bedraagt de bijdrage niet meer dan het basisbedrag of, voor kinderen die geboren zijn voor 1 januari 2019, niet meer dan het basisbedrag, verhoogd met de leeftijdstoeslag waarop ze recht hebben krachtens het Groeipakketdecreet van 2018 en de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming.
In het derde lid wordt verstaan onder:
1° inkomensvervangende tegemoetkoming: een inkomensvervangende tegemoetkoming als vermeld in artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
2° integratietegemoetkoming: een integratietegemoetkoming als vermeld in artikel 2, § 2, van de voormelde wet.]2
§ 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder intersectorale toegangspoort : de toegangspoort, vermeld in artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp.
De bijdrage van de gebruiker die geplaatst is door de jeugdrechter, verwezen door een comité voor bijzondere jeugdzorg, of die via een gemandateerde voorziening aangemeld is bij de intersectorale toegangspoort, mag niet meer bedragen dan twee derde van [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1.
Als de intersectorale toegangspoort beslist om een derde van de kinderbijslag op een spaarboekje te laten storten, mag de bijdrage van de gebruiker niet meer bedragen dan twee derde van [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1.
§ 4. Indien de gebruiker gebruik maakt van de module hoogfrequent verblijf, dan wordt de bijdrage voor de dagen met de functie verblijf en de dagen met de functies verblijf en dagopvang beperkt tot dit aantal dagen ten opzichte van het aantal dagen van de maand, vermenigvuldigd met [1 de maximale bijdrage, vermeld in paragraaf 2]1 en verhoogd met de bijdrage voor de andere ondersteuningsfuncties waarvan die maand gebruik gemaakt wordt. Deze som mag niet hoger zijn dan de bijdrage bepaald met toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3.
§ 5. De bijdrage van de gebruikers die wegens het eigen sociaal statuut of het sociaal statuut van de ouders of de rechthebbende geen recht hebben op kinderbijslag, is gelijk aan de bijdrage, vermeld in paragraaf 1, als het netto jaarlijks belastbaar inkomen van die persoon of de persoon die het kind ten laste heeft, ten minste 11.272,04 euro, verhoogd met 1.127,20 euro per kind ten laste, bedraagt.
§ 6. De bedragen, vermeld in dit artikel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2002.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art.25. § 1er. Dans un MFC une contribution est demandée pour une des fonctions d'assistance offertes suivantes : l'accueil de jour en remplacement de l'école, l'accueil de jour en complément de l'école, l'accompagnement ou le séjour.
Pour le séjour, une contribution de 11,95 euros par nuit est demandée.
Pour l'accueil de jour en remplacement de l'école, une contribution de 12,15 euros par jour est demandée.
Pour l'accueil de jour en complément de l'école, une contribution de 5,25 euros par jour est demandée.
Pour l'accompagnement, une contribution de cinq euros par heure d'accompagnement peut être demandée. La contribution en compensation d'accompagnements est limitée à deux contributions par jour.
La contribution des fonctions d'assistance respectives effectivement offertes, visée aux alinéas deux à cinq compris, peut être cumulée mais est plafonnée par jour à la somme de la contribution pour le séjour et celle de l'accueil de jour en complément de l'école.
§ 2. [1 La contribution ne peut pas dépasser le montant de base, majoré de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale.
Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pour l'usager né avant le 1 janvier 2019 ne peut être supérieur [2 au montant de base, majoré]2 du supplément d'âge et de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 précité.]1
[2 Si l' usager visé aux alinéas 1er ou 2 reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, la contribution n'excède pas le montant de base ou, pour les enfants nés avant le 1er janvier 2019, n'excède pas le montant de base, majoré du supplément d'âge auquel ils ont droit en vertu du décret relatif au Panier de croissance de 2018 et de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration.
Dans l'alinéa 3, on entend par :
1° allocation de remplacement de revenus : une allocation de remplacement de revenus telle que visée à l'article 2, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
2° allocation d'intégration : une allocation d'intégration telle que visée à l'article 2, § 2, de la loi précitée.]2
§ 3. Dans le présent paragraphe, on entend par porte d'entrée intersectorielle : la porte d'entrée, telle que visée à l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
La contribution de l'usager placé par le juge de la jeunesse, qui a été renvoyé par un comité d'aide spéciale à la jeunesse, ou qui s'est présenté à la porte d'entrée intersectorielle via une structure mandatée, ne peut pas être supérieure aux deux tiers [1 de la contribution maximale visée au paragraphe 2]1.
Lorsque la porte d'entrée intersectorielle décide de faire verser un tiers des allocations familiales sur un livret de caisse d'épargne, la contribution de l'usager ne peut pas être supérieure aux deux tiers [1 de la contribution maximale visée au paragraphe 2]1.
§ 4. Lorsque l'usager fait appel au module de séjour de haute fréquence, la contribution pour les jours auxquels l'usager a recours à la fonction de séjour et pour les jours auxquels il a recours aux fonctions de séjour et d'accueil de jour, est limitée à ce nombre de jours, divisé par le nombre de jours du mois et multiplié par [1 la contribution maximale visée au paragraphe 2]1 et majorée de la contribution pour les autres fonctions d'assistance dont l'usager se sert au cours de ce mois. Cette somme ne peut pas être supérieure à la contribution fixée en application des paragraphes 2 et 3.
§ 5. La contribution des usagers qui, en raison du propre statut social ou du statut social des parents ou de l'ayant droit, n'ont pas droit aux allocations familiales, est égale à la contribution, visée au paragraphe 1er, lorsque le revenu annuel net imposable de cette personne ou de la personne ayant l'enfant à charge s'élève au moins à un montant de 11.272,04 euros, majoré de 1.127,20 euros par enfant à charge.
§ 6. Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et nommé à cette fin à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2002.
Les montants, visés à l'alinéa premier, sont adaptés chaque fois le 1er janvier et le 1er juillet à l'indice des prix à la consommation, conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Pour le séjour, une contribution de 11,95 euros par nuit est demandée.
Pour l'accueil de jour en remplacement de l'école, une contribution de 12,15 euros par jour est demandée.
Pour l'accueil de jour en complément de l'école, une contribution de 5,25 euros par jour est demandée.
Pour l'accompagnement, une contribution de cinq euros par heure d'accompagnement peut être demandée. La contribution en compensation d'accompagnements est limitée à deux contributions par jour.
La contribution des fonctions d'assistance respectives effectivement offertes, visée aux alinéas deux à cinq compris, peut être cumulée mais est plafonnée par jour à la somme de la contribution pour le séjour et celle de l'accueil de jour en complément de l'école.
§ 2. [1 La contribution ne peut pas dépasser le montant de base, majoré de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale.
Par dérogation à l'alinéa premier, le montant pour l'usager né avant le 1 janvier 2019 ne peut être supérieur [2 au montant de base, majoré]2 du supplément d'âge et de l'allocation de soins pour enfants ayant un besoin d'aide spécifique auquel l'usager a droit en vertu du décret du 27 avril 2018 précité.]1
[2 Si l' usager visé aux alinéas 1er ou 2 reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, la contribution n'excède pas le montant de base ou, pour les enfants nés avant le 1er janvier 2019, n'excède pas le montant de base, majoré du supplément d'âge auquel ils ont droit en vertu du décret relatif au Panier de croissance de 2018 et de l'allocation de remplacement de revenus ou de l'allocation d'intégration.
Dans l'alinéa 3, on entend par :
1° allocation de remplacement de revenus : une allocation de remplacement de revenus telle que visée à l'article 2, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
2° allocation d'intégration : une allocation d'intégration telle que visée à l'article 2, § 2, de la loi précitée.]2
§ 3. Dans le présent paragraphe, on entend par porte d'entrée intersectorielle : la porte d'entrée, telle que visée à l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
La contribution de l'usager placé par le juge de la jeunesse, qui a été renvoyé par un comité d'aide spéciale à la jeunesse, ou qui s'est présenté à la porte d'entrée intersectorielle via une structure mandatée, ne peut pas être supérieure aux deux tiers [1 de la contribution maximale visée au paragraphe 2]1.
Lorsque la porte d'entrée intersectorielle décide de faire verser un tiers des allocations familiales sur un livret de caisse d'épargne, la contribution de l'usager ne peut pas être supérieure aux deux tiers [1 de la contribution maximale visée au paragraphe 2]1.
§ 4. Lorsque l'usager fait appel au module de séjour de haute fréquence, la contribution pour les jours auxquels l'usager a recours à la fonction de séjour et pour les jours auxquels il a recours aux fonctions de séjour et d'accueil de jour, est limitée à ce nombre de jours, divisé par le nombre de jours du mois et multiplié par [1 la contribution maximale visée au paragraphe 2]1 et majorée de la contribution pour les autres fonctions d'assistance dont l'usager se sert au cours de ce mois. Cette somme ne peut pas être supérieure à la contribution fixée en application des paragraphes 2 et 3.
§ 5. La contribution des usagers qui, en raison du propre statut social ou du statut social des parents ou de l'ayant droit, n'ont pas droit aux allocations familiales, est égale à la contribution, visée au paragraphe 1er, lorsque le revenu annuel net imposable de cette personne ou de la personne ayant l'enfant à charge s'élève au moins à un montant de 11.272,04 euros, majoré de 1.127,20 euros par enfant à charge.
§ 6. Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et nommé à cette fin à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2002.
Les montants, visés à l'alinéa premier, sont adaptés chaque fois le 1er janvier et le 1er juillet à l'indice des prix à la consommation, conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art.26. Als de gebruiker in de loop van de maand de overstap maakt van een residentiële voorziening die erkend en gesubsidieerd is door het agentschap Jongerenwelzijn, naar een MFC, mag er voor die maand geen financiële bijdrage worden gevraagd door het MFC.
Het bedrag dat het MFC met toepassing van het eerste lid niet kan innen, komt in aanmerking voor subsidiëring.
Het bedrag dat het MFC met toepassing van het eerste lid niet kan innen, komt in aanmerking voor subsidiëring.
Art.26. Lorsqu'au cours du mois l'usager passe d'une structure résidentielle agréée et subventionnée par l' "Agentschap Jongerenwelzijn" (Agence de l'Aide sociale aux Jeunes) à un MFC, aucune contribution financière ne peut être demandée par le MFC pour ce mois.
La contribution que le MFC ne peut pas percevoir en application de l'alinéa premier, est éligible au subventionnement.
La contribution que le MFC ne peut pas percevoir en application de l'alinéa premier, est éligible au subventionnement.
Onderafdeling 2. - De gebruiker, vermeld in artikel 9
Sous-section 2. - L'usager visé à l'article 9
Art.27. [1 § 1. Er wordt aan de gebruiker, vermeld in artikel 9, een eigen financiële bijdrage gevraagd. Bijlage 2, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, bepaalt de maximale eigen financiële bijdrage die kan gevraagd worden per ondersteuningsfunctie.
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor -21-jarigen of voor +21-jarigen. Als verschillende MFC's tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden.
Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagbesteding, kosten en heffingen ten laste van een FAM, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten
§ 2. De gebruiker, vermeld in artikel 9, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
1° hij is bekwaam om tewerkgesteld te worden of in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het eerste lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
De gebruiker, vermeld in artikel 9, die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
§ 3. Een MFC kent de gebruiker, vermeld in artikel 9, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, vanuit zijn werkingssubsidies de socioculturele toelage toe, op voorwaarde dat de toelage besteed wordt door de gebruiker of zijn bewindvoerder voor activiteiten of diensten die bijdragen tot de sociale integratie of tot de handhaving ervan. Voor een gebruiker als vermeld in artikel 9 met motorische of zintuiglijke beperkingen bedraagt de toelage 2,2780 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Voor een gebruiker als vermeld in artikel 9 met lichte of matige mentale beperkingen bedraagt de toelage 1,4807 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Op jaarbasis wordt de socioculturele toelage begrensd tot respectievelijk maximaal 365 dagen of 366 dagen.
§ 4. De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker, vermeld in artikel 9, worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat deze gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 200 euro per kind ten laste. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, geldig op 1 januari 2008.
§ 5. De bedragen, vermeld in dit artikel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
[2 In afwijking van het eerste lid zijn de bedragen, vermeld in paragraaf 3, gekoppeld aan de spilindex die geldig is op 1 januari 2025.]2
De bedragen, vermeld in het eerste [2 en het tweede ]2 lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor -21-jarigen of voor +21-jarigen. Als verschillende MFC's tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden.
Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagbesteding, kosten en heffingen ten laste van een FAM, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten
§ 2. De gebruiker, vermeld in artikel 9, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
1° hij is bekwaam om tewerkgesteld te worden of in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het eerste lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
De gebruiker, vermeld in artikel 9, die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
§ 3. Een MFC kent de gebruiker, vermeld in artikel 9, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, vanuit zijn werkingssubsidies de socioculturele toelage toe, op voorwaarde dat de toelage besteed wordt door de gebruiker of zijn bewindvoerder voor activiteiten of diensten die bijdragen tot de sociale integratie of tot de handhaving ervan. Voor een gebruiker als vermeld in artikel 9 met motorische of zintuiglijke beperkingen bedraagt de toelage 2,2780 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Voor een gebruiker als vermeld in artikel 9 met lichte of matige mentale beperkingen bedraagt de toelage 1,4807 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Op jaarbasis wordt de socioculturele toelage begrensd tot respectievelijk maximaal 365 dagen of 366 dagen.
§ 4. De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker, vermeld in artikel 9, worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat deze gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 200 euro per kind ten laste. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, geldig op 1 januari 2008.
§ 5. De bedragen, vermeld in dit artikel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
[2 In afwijking van het eerste lid zijn de bedragen, vermeld in paragraaf 3, gekoppeld aan de spilindex die geldig is op 1 januari 2025.]2
De bedragen, vermeld in het eerste [2 en het tweede ]2 lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1
Art.27. [1 § 1er. Une propre contribution financière est demandée à l'usager visé à l'article 9. L'annexe 2, reprise dans l'annexe jointe au présent arrêté, établit la propre contribution financière maximale qui peut être demandée par fonction de soutien.
La contribution par jour ne peut jamais être supérieure à la contribution pour l'accompagnement au logement pour les -21 ans ou pour les +21 ans. Lorsque plusieurs MFC offrent du soutien à un usager en même temps, la répartition de la contribution maximale est mutuellement réglée.
Aucune contribution ne peut être demandée pour de l'aide pratique individuelle, pour de l'assistance globale et de la permanence appelable.
Seuls des frais personnels, individuellement attribuables peuvent encore être mis sur le compte d'usagers qui ont payé une contribution financière.
Ces frais ne peuvent pas se rapporter à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts de l'énergie, au transport vers le centre d'activités collectives de jour, aux frais et aux prélèvements à charge d'un FAM, aux frais liés aux activités d'atelier collectif dans le cadre de l'assistance de jour ou aux frais administratifs.
§ 2. L'usager, visé à l'article 9, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin, garde 357,29 euros par mois de ses revenus personnels ou au moins un tiers de son revenu du travail ou revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur, lorsqu'il répond à une des conditions suivantes :
1° il est apte à être employé dans une entreprise de travail adapté ;
2° il souffre uniquement de déficiences motrices ou visuelles ou de déficiences mentales légères ou d'une lésion cérébrale non congénitale.
Tout usager autre que l'usager visé à l'alinéa premier, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin et qui n'est pas apte à être employé dans une entreprise agréée de travail adapté, garde 190,61 euros par mois de ses revenus personnels.
L'usager, visé à l'article 9, qui fait uniquement appel à l'accompagnement de jour et qui paie la contribution financière à cette fin, garde 357,39 euros par mois de ses revenus personnels. Le même usager qui bénéficie d'un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur, garde au moins un tiers de ce revenu.
§ 3. Un MFC puise dans ses subventions de fonctionnement pour octroyer l'allocation socioculturelle à l'usager, visé à l'article 9, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin, à condition que l'usager ou son administrateur affectent l'allocation à des activités ou à des services promouvant ou préservant l'intégration sociale de l'usager. L'allocation s'élève à 2,2780 euros par nuit, multipliée par un facteur de 1,65 pour un usager tel que visé à l'article 9, qui a une déficience motrice ou visuelle. L'allocation s'élève à 1,4807 euros par nuit, multipliée par un facteur de 1,65 pour un usager tel que visé à l'article 9, qui a une déficience mentale légère ou moyenne. L'allocation socioculturelle est limitée à au maximum 365 ou 366 jours respectivement par an.
§ 4. Les revenus pour un usager marié ou cohabitant légalement, visé à l'article 9, se calculent par la division par deux des revenus des conjoints ou cohabitants légaux lorsque ceci est plus avantageux pour l'usager.
Sans préjudice de l`application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que cet usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 200 euros par enfant à charge. Ce montant est lié à l'indice pivot des prix à la consommation, en vigueur le 1er janvier 2008.
§ 5. Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et nommé à cette fin à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2014.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les montants visés au paragraphe 3, sont liés à l'indice pivot en vigueur au 1er janvier 2025. ]2
Les montants, visés à l'alinéa 1er, [2 et 2]2 sont ajustés le 1er janvier et le 1er juillet de chaque année, conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]1
La contribution par jour ne peut jamais être supérieure à la contribution pour l'accompagnement au logement pour les -21 ans ou pour les +21 ans. Lorsque plusieurs MFC offrent du soutien à un usager en même temps, la répartition de la contribution maximale est mutuellement réglée.
Aucune contribution ne peut être demandée pour de l'aide pratique individuelle, pour de l'assistance globale et de la permanence appelable.
Seuls des frais personnels, individuellement attribuables peuvent encore être mis sur le compte d'usagers qui ont payé une contribution financière.
Ces frais ne peuvent pas se rapporter à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts de l'énergie, au transport vers le centre d'activités collectives de jour, aux frais et aux prélèvements à charge d'un FAM, aux frais liés aux activités d'atelier collectif dans le cadre de l'assistance de jour ou aux frais administratifs.
§ 2. L'usager, visé à l'article 9, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin, garde 357,29 euros par mois de ses revenus personnels ou au moins un tiers de son revenu du travail ou revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur, lorsqu'il répond à une des conditions suivantes :
1° il est apte à être employé dans une entreprise de travail adapté ;
2° il souffre uniquement de déficiences motrices ou visuelles ou de déficiences mentales légères ou d'une lésion cérébrale non congénitale.
Tout usager autre que l'usager visé à l'alinéa premier, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin et qui n'est pas apte à être employé dans une entreprise agréée de travail adapté, garde 190,61 euros par mois de ses revenus personnels.
L'usager, visé à l'article 9, qui fait uniquement appel à l'accompagnement de jour et qui paie la contribution financière à cette fin, garde 357,39 euros par mois de ses revenus personnels. Le même usager qui bénéficie d'un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur, garde au moins un tiers de ce revenu.
§ 3. Un MFC puise dans ses subventions de fonctionnement pour octroyer l'allocation socioculturelle à l'usager, visé à l'article 9, qui fait appel à l'accompagnement au logement et qui paie la contribution financière à cette fin, à condition que l'usager ou son administrateur affectent l'allocation à des activités ou à des services promouvant ou préservant l'intégration sociale de l'usager. L'allocation s'élève à 2,2780 euros par nuit, multipliée par un facteur de 1,65 pour un usager tel que visé à l'article 9, qui a une déficience motrice ou visuelle. L'allocation s'élève à 1,4807 euros par nuit, multipliée par un facteur de 1,65 pour un usager tel que visé à l'article 9, qui a une déficience mentale légère ou moyenne. L'allocation socioculturelle est limitée à au maximum 365 ou 366 jours respectivement par an.
§ 4. Les revenus pour un usager marié ou cohabitant légalement, visé à l'article 9, se calculent par la division par deux des revenus des conjoints ou cohabitants légaux lorsque ceci est plus avantageux pour l'usager.
Sans préjudice de l`application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que cet usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 200 euros par enfant à charge. Ce montant est lié à l'indice pivot des prix à la consommation, en vigueur le 1er janvier 2008.
§ 5. Les montants visés dans le présent article sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et nommé à cette fin à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2014.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les montants visés au paragraphe 3, sont liés à l'indice pivot en vigueur au 1er janvier 2025. ]2
Les montants, visés à l'alinéa 1er, [2 et 2]2 sont ajustés le 1er janvier et le 1er juillet de chaque année, conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]1
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Sous-section 3. - Dispositions communes
Art.28. De bijdrage wordt geïnd door het MFC.
De te innen bijdragen worden in mindering gebracht van de werkingssubsidies, met uitzondering van de bijdragen voor begeleiding.
De te innen bijdragen worden in mindering gebracht van de werkingssubsidies, met uitzondering van de bijdragen voor begeleiding.
Art.28. La contribution est perçue par le MFC.
Les contributions à percevoir sont déduites des subventions de fonctionnement, à l'exception des contributions destinées à l'accompagnement.
Les contributions à percevoir sont déduites des subventions de fonctionnement, à l'exception des contributions destinées à l'accompagnement.
Art.29. In afwijking van artikel 28, tweede lid, zal het gedeelte van de bijdrage dat het MFC niet kan innen, niet in mindering van de werkingssubsidies worden gebracht, als een MFC kan aantonen dat de inning niet of niet volledig mogelijk was.
Het agentschap bepaalt de wijze waarop dat moet worden aangetoond.
Het agentschap bepaalt de wijze waarop dat moet worden aangetoond.
Art.29. Par dérogation à l'article 28, alinéa deux, la partie de la contribution que le MFC ne peut pas percevoir, ne sera pas déduite des subventions de fonctionnement, si le MFC peut prouver que la perception n'était pas possible ou n'était pas complètement possible.
L'agence établit les modalités selon lesquelles ceci doit être démontré.
L'agence établit les modalités selon lesquelles ceci doit être démontré.
Art.30. Een MFC vermindert de bijdrage voor schoolaanvullende dagopvang of schoolvervangende dagopvang met drie euro als niet in een maaltijd wordt voorzien.
Art.30. Un MFC diminue la contribution pour l'accueil de jour en complément de l'école ou pour l'accueil de jour en remplacement de l'école de trois euros s'il ne pourvoit pas à un repas.
Art.31. Aan de gebruiker mogen behoudens de financiële bijdrage alleen persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden.
Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagbesteding, kosten en heffingen ten laste van het MFC, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Binnen de regels, vermeld in deze afdeling, wordt de regeling voor de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, in overleg met het collectief overlegorgaan of collectieve inspraak bepaald.
Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagbesteding, kosten en heffingen ten laste van het MFC, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Binnen de regels, vermeld in deze afdeling, wordt de regeling voor de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, in overleg met het collectief overlegorgaan of collectieve inspraak bepaald.
Art.31. A l'exception de la contribution financière, l'usager ne peut être mis à contribution que pour ses frais personnels, qui peuvent lui être attribués individuellement.
Ces frais ne peuvent pas se rapporter à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts de l'énergie, au transport vers le centre d'activités collectives de jour, aux frais et aux prélèvements à charge du MFC, aux frais liés aux activités d'atelier collectif dans le cadre de l'assistance de jour ou aux frais administratifs.
Sans préjudice des dispositions, visées dans la présente section, le règlement des frais payables par les usagers, est établi en concertation avec l'organe de concertation collective ou moyennant un droit d'expression collectif.
Ces frais ne peuvent pas se rapporter à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts de l'énergie, au transport vers le centre d'activités collectives de jour, aux frais et aux prélèvements à charge du MFC, aux frais liés aux activités d'atelier collectif dans le cadre de l'assistance de jour ou aux frais administratifs.
Sans préjudice des dispositions, visées dans la présente section, le règlement des frais payables par les usagers, est établi en concertation avec l'organe de concertation collective ou moyennant un droit d'expression collectif.
Afdeling 3. - Betaling van de subsidies
Section 3. - Paiement des subventions
Art.32. De voorschotten op de subsidies worden per maand betaald voor een bedrag van [1 8 %]1 van de totale subsidie op jaarbasis. De personeelssubsidies worden geraamd op basis van de aan het agentschap bekendgemaakte personeelsgegevens.
Het subsidiedossier wordt uiterlijk ingediend op 30 juni van het jaar na het werkingsjaar. Het agentschap bepaalt de inhoud en de vorm van het subsidiedossier.
Het saldo van de subsidies wordt verrekend na de goedkeuring van het subsidiedossier, binnen achttien maanden die volgen op de datum, vermeld in het tweede lid.
Het subsidiedossier wordt uiterlijk ingediend op 30 juni van het jaar na het werkingsjaar. Het agentschap bepaalt de inhoud en de vorm van het subsidiedossier.
Het saldo van de subsidies wordt verrekend na de goedkeuring van het subsidiedossier, binnen achttien maanden die volgen op de datum, vermeld in het tweede lid.
Art.32. Les acomptes sur les subventions sont versés mensuellement à raison de [1 8 %]1 de la subvention totale annuelle. Les subventions de personnel sont estimées sur la base des données de personnel transmises à l'agence.
Le dossier de subvention est déposé au plus tard le 30 juin de l'année suivant l'année d'activité. L'agence établit le contenu et la forme du dossier de subvention.
Le solde des subventions est calculé après l'approbation du dossier de subvention, dans les dix-huit mois de la date, visée à l'alinéa deux.
Le dossier de subvention est déposé au plus tard le 30 juin de l'année suivant l'année d'activité. L'agence établit le contenu et la forme du dossier de subvention.
Le solde des subventions est calculé après l'approbation du dossier de subvention, dans les dix-huit mois de la date, visée à l'alinéa deux.
Wijzigingen
Art.33. Het gedeelte van de toegekende subsidie dat de verantwoorde kosten overschrijdt, mag worden aangewend voor de aanleg van reserves tot maximaal 20% van het subsidiebedrag, met uitzondering van het sociaal passief.
De totale gecumuleerde reserves, met uitzondering van het sociaal passief, kunnen maximaal vijftig procent van het subsidiebedrag van het laatst gesubsidieerde werkingsjaar bedragen.
Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot vijfentwintig procent van de jaarlijkse personeelskosten.
Als het maximum, vermeld in het eerste en tweede lid, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan het agentschap, tenzij het agentschap na motivering beslist dat er van de maximumpercentages kan worden afgeweken.
Als een MFC niet verder wordt gesubsidieerd, moet het gecumuleerde bedrag van de reserves aan het agentschap worden teruggestort.
De totale gecumuleerde reserves, met uitzondering van het sociaal passief, kunnen maximaal vijftig procent van het subsidiebedrag van het laatst gesubsidieerde werkingsjaar bedragen.
Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot vijfentwintig procent van de jaarlijkse personeelskosten.
Als het maximum, vermeld in het eerste en tweede lid, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan het agentschap, tenzij het agentschap na motivering beslist dat er van de maximumpercentages kan worden afgeweken.
Als een MFC niet verder wordt gesubsidieerd, moet het gecumuleerde bedrag van de reserves aan het agentschap worden teruggestort.
Art.33. La partie de la subvention octroyée qui dépasse les frais justifiés, peut être affectée à la constitution de réserves à concurrence d'au maximum vingt pour cent du montant de la subvention, à l'exception de la constitution du passif social.
Les réserves totales cumulées, à l'exception du passif social, peuvent s'élever à au maximum cinquante pour cent du montant de subvention de la dernière année d'activité subventionnée.
Le passif social, visé aux alinéas premier et deux, est limité à vingt-cinq pour cent des frais de personnel annuels.
En cas de dépassement du maximum, visé aux alinéas premier et deux, le montant dépassé est remboursé à l'agence, sauf si l'agence décide, moyennant une motivation, qu'il peut être dérogé aux pourcentages maximaux.
Si un MFC cesse d'être subventionné, le montant cumulé des réserves doit être remboursé à l'agence.
Les réserves totales cumulées, à l'exception du passif social, peuvent s'élever à au maximum cinquante pour cent du montant de subvention de la dernière année d'activité subventionnée.
Le passif social, visé aux alinéas premier et deux, est limité à vingt-cinq pour cent des frais de personnel annuels.
En cas de dépassement du maximum, visé aux alinéas premier et deux, le montant dépassé est remboursé à l'agence, sauf si l'agence décide, moyennant une motivation, qu'il peut être dérogé aux pourcentages maximaux.
Si un MFC cesse d'être subventionné, le montant cumulé des réserves doit être remboursé à l'agence.
Afdeling 4. - Verantwoording van de personeelspunten
Section 4. - Justification des points personnel
Art.34. Een MFC en een gebruiker of wettelijke vertegenwoordiger, of de bewindvoerder, of de gebruiker en de bewindvoerder samen onderhandelen over een realistische individuele dienstverleningsovereenkomst, opgesteld in termen van de ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 10, die geconsolideerd wordt in een begeleidingsovereenkomst.
Als de aangeboden functies en de frequentie, vermeld in de dienstverleningsovereenkomst, niet meer overeenkomen met de werkelijke situatie, moet de begeleidingsovereenkomst aangepast worden. Om souplesse te garanderen, wordt er binnen de begeleidingsovereenkomst gewerkt met vorken waarin de frequentie vervat zit.
De tabel 2, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, bepaalt de vorken.
Als de aangeboden functies en de frequentie, vermeld in de dienstverleningsovereenkomst, niet meer overeenkomen met de werkelijke situatie, moet de begeleidingsovereenkomst aangepast worden. Om souplesse te garanderen, wordt er binnen de begeleidingsovereenkomst gewerkt met vorken waarin de frequentie vervat zit.
De tabel 2, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, bepaalt de vorken.
Art.34. Un MFC et un usager ou son représentant légal, ou l'administrateur, ou l'usager et son administrateur négocient ensemble un contrat individuel réaliste d'offre des services, établi en termes de fonctions d'assistance, visées à l'article 10, qui est consolidé dans un contrat d'accompagnement.
Lorsque les fonctions offertes et leur fréquence, visées dans le contrat d'offre de services, ne correspondent plus à la situation réelle, le contrat d'accompagnement doit être ajusté. Dans un souci de flexibilité, des fourchettes reprenant la fréquence, sont adoptées dans les contrats d'accompagnement.
Le tableau 2, repris à l`annexe jointe au présent arrêté, établit les fourchettes.
Lorsque les fonctions offertes et leur fréquence, visées dans le contrat d'offre de services, ne correspondent plus à la situation réelle, le contrat d'accompagnement doit être ajusté. Dans un souci de flexibilité, des fourchettes reprenant la fréquence, sont adoptées dans les contrats d'accompagnement.
Le tableau 2, repris à l`annexe jointe au présent arrêté, établit les fourchettes.
Art.35. Een MFC registreert de begeleidingsovereenkomst op basis van de werkelijk ingezette ondersteuningsfuncties, vermeld in artikel 10, en de frequentie ervan.
De ondersteuning, vermeld in artikel 8, derde lid, wordt ook geregistreerd.
De ondersteuning, vermeld in artikel 8, derde lid, wordt ook geregistreerd.
Art.35. Un MFC enregistre le contrat d'accompagnement sur la base des fonctions d'assistance effectivement offertes, visées à l'article 10, et leur fréquence.
L'assistance, visée à l'article 8, alinéa trois, est également enregistrée.
L'assistance, visée à l'article 8, alinéa trois, est également enregistrée.
Art.36. Een MFC moet minstens evenveel begeleidingsovereenkomsten realiseren als bepaald conform artikel 16, tweede lid.
Bij de bepaling van het aantal geregistreerde begeleidingsovereenkomsten, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met de gebruikers die opgenomen zijn via een persoonsvolgend convenant dat gesloten is met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
Als een MFC minder begeleidingsovereenkomsten realiseert dan bepaald in het eerste lid, motiveert het MFC dat in het subsidiedossier, vermeld in artikel 32, tweede lid.
Bij de bepaling van het aantal geregistreerde begeleidingsovereenkomsten, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met de gebruikers die opgenomen zijn via een persoonsvolgend convenant dat gesloten is met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
Als een MFC minder begeleidingsovereenkomsten realiseert dan bepaald in het eerste lid, motiveert het MFC dat in het subsidiedossier, vermeld in artikel 32, tweede lid.
Art.36. Un MFC doit réaliser au minimum autant de contrats d'accompagnement que le nombre défini à l'article 16, alinéa deux.
Pour l'établissement du nombre de contrats d'accompagnement enregistrés, visé à l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte des usagers, pris en charge à travers une convention sur le suivi de la personne, conclue en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées.
Au cas où un MFC réaliserait moins de contrats d'accompagnement que le nombre défini à l'alinéa premier, il le motive dans le dossier de subvention, visé à l'article 32, alinéa deux.
Pour l'établissement du nombre de contrats d'accompagnement enregistrés, visé à l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte des usagers, pris en charge à travers une convention sur le suivi de la personne, conclue en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées.
Au cas où un MFC réaliserait moins de contrats d'accompagnement que le nombre défini à l'alinéa premier, il le motive dans le dossier de subvention, visé à l'article 32, alinéa deux.
HOOFDSTUK 6. - Toezicht
CHAPITRE 6. - Contrôle
Art.37. [1 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg-1, controleert in voorkomend geval ook ter plaatse of de bepalingen, vermeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit, worden nageleefd.
Art.37. [1 L'Inspection des Soins, telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]1 contrôle, le cas échéant, sur les lieux également si les dispositions, visées aux chapitres 2 à 5 inclus du présent arrêté, sont respectées.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 7. - Disposition modificative
Art.38. In artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008, 8 november 2013 en 11 maart 2014, wordt het woord "internaat" vervangen door de woorden "multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap".
Art.38. A l'article 1er, 1° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le montant, les conditions d'octroi et le mode de liquidation d'un montant librement utilisable pour les mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 décembre 2008, 8 novembre 2013 et 11 mars 2014, le mot " internat " est remplacé par les mots " centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures ".
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art.39. De erkenningen als internaat, semi-internaat, tehuis voor kortverblijf voor minderjarigen of observatie- en behandelcentrum worden omgezet naar erkenningen als MFC.
De erkenningen als vermeld in het eerste lid, worden na de omzetting opgeheven.
De erkenningen als vermeld in het eerste lid, worden na de omzetting opgeheven.
Art.39. Les agréments comme internat, semi-internat, home pour court séjour pour mineurs ou comme centre d'observation et de traitement sont convertis en agréments comme MFC.
Les agréments visés à l'alinéa premier, sont abrogés après la conversion.
Les agréments visés à l'alinéa premier, sont abrogés après la conversion.
Art.40. De beheersovereenkomsten, gesloten tussen het agentschap en de voorzieningen als MFC met toepassing van artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van de voorwaarden en maatregelen volgens welke het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap bijzondere subsidies aan voorzieningen kan toekennen, zijn opgezegd met ingang van 1 januari 2016.
Art.40. Les contrats de gestion, conclus entre l'agence et les structures, agréées comme MFC sur la base de l'article 7/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1995 fixant les conditions et les mesures selon lesquelles la "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" peut octroyer des subventions spéciales aux établissements, ont été résiliés à partir du 1 janvier 2016.
Art.41. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de nadere regels, toepasselijk op de opschorting en de intrekking van de erkenning van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013;
2° het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 2014;
3° het koninklijk besluit van 25 januari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de tehuizen van kort verblijf ten behoeve van gehandicapten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000;
4° het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
5° het koninklijk besluit van 12 december 1975 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de centra voor observatie, oriëntering en medische, psychologische en pedagogische behandeling van gehandicapten, evenals van de bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud, de opvoeding en de behandeling van de gehandicapten die er geplaatst zijn ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1983 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 1987 houdende de wijze van vereffening van de toelagen per dag toegekend voor het onderhoud en de behandeling van personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
8° het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
9° het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
10° het ministerieel besluit van 20 oktober 1989 houdende vaststelling van de arbeidsdagen zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1989 en het ministerieel besluit van 28 maart 1991;
11° het ministerieel besluit van 25 oktober 1989 tot vaststelling van de arbeidsdagen zoals bedoeld in artikel 5 van het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 maart 1991 en 23 juli 2010.
1° het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de nadere regels, toepasselijk op de opschorting en de intrekking van de erkenning van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013;
2° het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 2014;
3° het koninklijk besluit van 25 januari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de tehuizen van kort verblijf ten behoeve van gehandicapten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000;
4° het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
5° het koninklijk besluit van 12 december 1975 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de centra voor observatie, oriëntering en medische, psychologische en pedagogische behandeling van gehandicapten, evenals van de bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud, de opvoeding en de behandeling van de gehandicapten die er geplaatst zijn ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1983 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 1987 houdende de wijze van vereffening van de toelagen per dag toegekend voor het onderhoud en de behandeling van personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
8° het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
9° het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2015;
10° het ministerieel besluit van 20 oktober 1989 houdende vaststelling van de arbeidsdagen zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1989 en het ministerieel besluit van 28 maart 1991;
11° het ministerieel besluit van 25 oktober 1989 tot vaststelling van de arbeidsdagen zoals bedoeld in artikel 5 van het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, opvoeding en behandeling van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van het semi-internaat werken, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 maart 1991 en 23 juli 2010.
Art.41. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les modalités de la suspension ou du retrait de l'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 ;
2° l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les conditions d'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 février 2014 ;
3° l'arrêté royal du 25 janvier 1971 fixant les conditions d'agréation des homes de court séjour pour handicapés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 ;
4° l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
5° l'arrêté royal du 12 décembre 1975 fixant les conditions d'agrément de centres d'observation, d'orientation et de traitement médico-psycho-pédagogiques pour handicapés ainsi que les règles particulières à suivre pour déterminer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des handicapés qui y sont placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1983 fixant l'intervention financière des personnes handicapées placées à charge de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 1987 déterminant le mode de liquidation des subventions journalières allouées pour l'entretien et le traitement des personnes handicapées placées à charge de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
8° l'arrêté ministériel du 24 avril 1973 déterminant, en ce qui concerne le Ministère de la Santé publique et de la Famille, les règles particulières à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien et le traitement des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
9° l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
10° l'arrêté ministériel du 20 octobre 1989 fixant les journées de travail, telles que visées à l'article 5 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 1989 et l'arrêté ministériel du 28 mars 1991 ;
11° l'arrêté ministériel du 25 octobre 1989 fixant les journées de travail, telles que visées à l'article 5 de l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, modifié par les arrêtés ministériels des 28 mars 1991 et 23 juillet 2010.
1° l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les modalités de la suspension ou du retrait de l'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 ;
2° l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les conditions d'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 février 2014 ;
3° l'arrêté royal du 25 janvier 1971 fixant les conditions d'agréation des homes de court séjour pour handicapés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 ;
4° l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
5° l'arrêté royal du 12 décembre 1975 fixant les conditions d'agrément de centres d'observation, d'orientation et de traitement médico-psycho-pédagogiques pour handicapés ainsi que les règles particulières à suivre pour déterminer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des handicapés qui y sont placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juin 1994 ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juillet 1983 fixant l'intervention financière des personnes handicapées placées à charge de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 1987 déterminant le mode de liquidation des subventions journalières allouées pour l'entretien et le traitement des personnes handicapées placées à charge de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ;
8° l'arrêté ministériel du 24 avril 1973 déterminant, en ce qui concerne le Ministère de la Santé publique et de la Famille, les règles particulières à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien et le traitement des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
9° l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2015 ;
10° l'arrêté ministériel du 20 octobre 1989 fixant les journées de travail, telles que visées à l'article 5 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 1989 et l'arrêté ministériel du 28 mars 1991 ;
11° l'arrêté ministériel du 25 octobre 1989 fixant les journées de travail, telles que visées à l'article 5 de l'arrêté ministériel du 18 juin 1975 déterminant les règles à suivre pour fixer le montant de l'intervention du Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés dans les frais de l'entretien, du traitement et de l'éducation des handicapés placés dans des institutions fonctionnant sous le régime du semi-internat, modifié par les arrêtés ministériels des 28 mars 1991 et 23 juillet 2010.
Art.42. Om in 2016 een subsidiebelofte als vermeld in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden te kunnen krijgen van de minister kan voor de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap gebruik gemaakt worden van de toepasselijke erkenningsgegevens zoals gekend bij het agentschap per 31 december 2015.
Art.42. Pour pouvoir obtenir une promesse de subvention du ministre, telle que visée à l'article 20 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, les données d'agrément applicables, telles que connues auprès de l'agence au 31 décembre 2015 peuvent être utilisées pour l'application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinées aux personnes handicapées visant leur intégration sociale.
Art.43. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016, met uitzondering van artikel 41 dat in werking treedt op 31 december 2016.
Art.43. Le présent arrêté produit ses effets le 1 janvier 2016, à l'exception de l'article 41, qui entre en vigueur le 31 décembre 2016.
Art.44. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.44. Le Ministre flamand ayant l'aide aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. [1 Bijlage 1.]1
Tabel 1. De tabel, vermeld in artikel 4, tweede lid
[2
Tabel 1. De tabel, vermeld in artikel 4, tweede lid
[2
Art. N1. [1 Annexe 1.]1
Tableau 1er. Le tableau, visé à l'article 4, alinéa deux
[2
Tableau 1er. Le tableau, visé à l'article 4, alinéa deux
[2
| [1 barema | functiegroep | puntenwaarde |
| L4 | logistiek personeel klasse 4 | 53,5 |
| L3 | logistiek personeel klasse 3 (in dienst na 1 november 1993) | 56 |
| L2 | logistiek personeel klasse 2 | 61 |
| A1 | administratief + logistiek personeel klasse 1 | 71 |
| A2 | administratief + logistiek personeel klasse 2 | 61 |
| MV2 | verzorgend personeel | 67 |
| B2B | begeleidend en verzorgend personeel klasse 2B | 61 |
| B2A | begeleidend en verzorgend personeel klasse 2A | 63,5 |
| B1c | opvoedend personeel klasse 1 | 71 |
| B1b | hoofdopvoeder | 79 |
| B1a | ondersteunend kaderpersoneel | 86 |
| B1a BIS | opvoeder-groepschef-BIS | 89 |
| MV1 | sociaal paramedisch en therapeutisch personeel | 71 |
| L1 | licentiaten en tandarts | 90 |
| K5 | onderdirecteur | 90 |
| K3 | directeur 30-59 bedden | 93,5 |
| K2 | directeur 60-89 bedden | 96,5 |
| K1 | directeur meer dan 90 bedden | 100 |
| G1 | geneesheer-omnipracticus | 108 |
| GS | geneesheer-specialist | 143,5]1 |
| (1)<BVR 2024-05-03/57, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2024> | ||
]2
Tabel 2. Vorken per ondersteuningsfunctie. De tabel, vermeld in artikel 35, derde lid
| [1 barème | groupe de fonctions | valeur en points |
| L4 | personnel logistique classe 4 | 53,5 |
| L3 | personnel logistique classe 3 (en service après le 1er novembre 1993) | 56 |
| L2 | personnel logistique classe 2 | 61 |
| A1 | personnel administratif + logistique classe 1 | 71 |
| A2 | personnel administratif + logistique classe 2 | 61 |
| MV2 | personnel soignant | 67 |
| B2B | personnel d'accompagnement et soignant classe 2B | 61 |
| B2A | personnel d'accompagnement et soignant classe 2A | 63,5 |
| B1c | personnel éducatif classe 1 | 71 |
| B1b | éducateur en chef | 79 |
| B1a | personnel d'appui | 86 |
| B1a BIS | éducateur-chef de groupe-BIS | 89 |
| MV1 | personnel social, paramédical et thérapeutique | 71 |
| L1 | licenciés et dentistes | 90 |
| K5 | sous-directeur | 90 |
| K3 | directeur 30-59 lits | 93,5 |
| K2 | directeur 60-89 lits | 96,5 |
| K1 | directeur plus de 90 lits | 100 |
| G1 | médecin omnipraticien | 108 |
| BA | médecin spécialiste | 143,5]1 |
| (1)<AGF 2024-05-03/57, art. 3, 012; En vigueur : 01-07-2024> | ||
]2
Tableau 2. Fourchettes par fonction d'assistance. Le tableau, visé à l'article 35, alinéa trois
| ondersteuningsfunctie |
| begeleiding |
| schoolaanvullende dagopvang 2-4 dagen per maand 2-3 dagen per week 4-5 dagen per week 6-7 dagen per week |
| schoolvervangende dagopvang 2-4 dagen per maand 2-3 dagen per week 4-5 dagen per week 6-7 dagen per week |
| verblijf 2-4 nachten per maand 2-3 nachten per week 4-5 nachten per week 6-7 nachten per week |
2-4 dagen per maand
2-3 dagen per week
4-5 dagen per week
6-7 dagen per weekschoolvervangende dagopvang
2-4 dagen per maand
2-3 dagen per week
4-5 dagen per week
6-7 dagen per weekverblijf
2-4 nachten per maand
2-3 nachten per week
4-5 nachten per week
6-7 nachten per week
| fonction d'assistance |
| accompagnement |
| accueil de jour en complément de l'école 2-4 jours par mois 2-3 jours par semaine 4-5 jours par semaine 6-7 jours par semaine |
| accueil de jour en remplacement de l'école 2-4 jours par mois 2-3 jours par semaine 4-5 jours par semaine 6-7 jours par semaine |
| séjour 2-4 nuits par mois 2-3 nuits par semaine 4-5 nuits par semaine 6-7 nuits par semaine |
2-4 jours par mois
2-3 jours par semaine
4-5 jours par semaine
6-7 jours par semaineaccueil de jour en remplacement de l'école
2-4 jours par mois
2-3 jours par semaine
4-5 jours par semaine
6-7 jours par semaineséjour
2-4 nuits par mois
2-3 nuits par semaine
4-5 nuits par semaine
6-7 nuits par semaine
Art. N2. [1 Bijlage 2. De eigen financiële bijdrage, vermeld in artikel 27, § 1, eerste lid
Art. N2. [1 Annexe 2. La propre contribution financière, visée à l'article 27, § 1er, alinéa 1er
| ONDERSTEUNINGS- FUNCTIE | leeftijd | maximale bijdrage | bijkomende bepalingen |
| dagondersteuning | meer dan 21 jaar zonder vervoer | 4,76 euro per dagdeel | De maximale bijdrage per dag (voor dagondersteuning, woonondersteuning en individuele begeleiding samen) mag nooit meer dan 33,35 euro bedragen voor gebruikers ouder dan 21 jaar, en 16,66 euro voor gebruikers jonger dan 21 jaar. Er mogen maximaal twee uren psychosociale begeleiding per dag aangerekend worden. Er mogen geen vervoerskosten aangerekend worden voor mobiele individuele ondersteuning. |
| meer dan 21 jaar met vervoer | 5,96 euro per dagdeel | ||
| woonondersteuning | meer dan 21 jaar | 33,35 euro per nacht verblijf, met inbegrip van de ondersteuning gedurende de avond en ochtend | |
| individuele psychosociale begeleiding | maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning |
FUNCTIE leeftijd maximale bijdrage bijkomende bepalingendagondersteuning meer dan 21 jaar zonder vervoer 4,76 euro per dagdeel De maximale bijdrage per dag (voor dagondersteuning, woonondersteuning en individuele begeleiding samen) mag nooit meer dan 33,35 euro bedragen voor gebruikers ouder dan 21 jaar, en 16,66 euro voor gebruikers jonger dan 21 jaar.
Er mogen maximaal twee uren psychosociale begeleiding per dag aangerekend worden.
Er mogen geen vervoerskosten aangerekend worden voor mobiele individuele ondersteuning.meer dan 21 jaar met vervoer 5,96 euro per dagdeel
woonondersteuning meer dan 21 jaar 33,35 euro per nacht verblijf, met inbegrip van de ondersteuning gedurende de avond en ochtend
individuele psychosociale begeleiding maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning
De bedragen, vermeld in deze tabel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1
| FONCTION D'APPUI | âge | contribution maximale | dispositions supplémentaires |
| accompagnement de jour | plus de 21 ans sans déplacement | 4,76 euros par partie de journée | La contribution maximale par jour (pour l'ensemble de l'assistance de jour, l'assistance au logement et l'accompagnement individuel) ne peut jamais dépasser 33,35 euros pour les usagers de plus de 21 ans et 16,66 euros pour les usagers de moins de 21 ans. Un paiement maximal de deux heures d'accompagnement psychosocial par jour peut être demandé. Pour l'assistance mobile individuelle, aucune demande de paiement des frais de déplacement ne peut être faite. |
| plus de 21 ans avec déplacement | 5,96 euros par partie de journée | ||
| accompagnement au logement | plus de 21 ans | 33,35 euros par séjour de nuit, y compris l'assistance pendant le matin et les heures du soir | |
| accompagnement psychosocial individuel | au maximum 5 euros par heure d'assistance individuelle |
Un paiement maximal de deux heures d'accompagnement psychosocial par jour peut être demandé.
Pour l'assistance mobile individuelle, aucune demande de paiement des frais de déplacement ne peut être faite.plus de 21 ans avec déplacement 5,96 euros par partie de journée
accompagnement au logement plus de 21 ans 33,35 euros par séjour de nuit, y compris l'assistance pendant le matin et les heures du soir
accompagnement psychosocial individuel au maximum 5 euros par heure d'assistance individuelle
Les montants visés dans le présent tableau sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et nommé à cette fin à l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. L'indice de base est l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2014.
Les montants, visés à l'alinéa 1er, sont ajustés le 1er janvier et le 1er juillet de chaque année, conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.]1