Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, 24 juli 2009, 4 juni 2010, 10 november 2011, 14 februari 2014 en 5 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 9°, punt 15°, punt 25° tot en met 28°, en punt 29° worden opgeheven;
2° er wordt een punt 32° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"32° berekend bouwplafond: tien zesde van de in de subsidiebelofte vastgelegde investeringssubsidie, berekend conform de basisbedragen, vermeld in de sectorbesluiten.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 JANUARI 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra
Titre
15 JANVIER 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant divers arrêtés relatifs à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et régionaux
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van ...
Afdeling 1. - Bevel tot aanvang van de werkzaam...
Afdeling 2. - Betaling van de investeringssubsi...
Afdeling 3. - Betaling van de investeringssubsi...
Afdeling 4. - Betaling van de investeringssubsidie
Onderafdeling 1. - Betaling van de eerste schijf
Onderafdeling 2. - Betaling van de tweede schijf
Onderafdeling 3. - Betaling van de derde schijf
Onderafdeling 4. - Betaling van de vierde schijf
Onderafdeling 5. - Betaling van de vijfde schijf
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het besluit van d...
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications à l'arrêté du Gou...
Section 1re. - Ordre de commencement des travau...
Section 2. - Paiement de la subvention d'invest...
Section 3. - Paiement de la subvention d'invest...
Section 4. - Paiement de la subvention d'invest...
Sous-section 1re. - Paiement de la première tra...
Sous-section 2. - Paiement de la deuxième tranche
Sous-section 3. - Paiement de la troisième tranche
Sous-section 4. - Paiement de la quatrième tranche
Sous-section 5. - Paiement de la cinquième tranche
CHAPITRE 2. - Modifications à l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 3. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 5. - Modifications à l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 6. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 7. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 8. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 9. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 10. - Modification à l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 11. - Modifications à l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Tekst (75)
Texte (75)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden
CHAPITRE 1er. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, modifié par les arrêtes du Gouvernement flamand des 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 4 juin 2010, 10 novembre 2011, 14 février 2014 et 5 septembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° les points 9°, 15°, 25° à 28° inclus et le point 29° sont abrogés ;
2° il est ajouté un point 32°, rédigé comme suit :
" plafond de construction calculé " : dix sixièmes de la subvention d'investissement arrêtée dans la promesse de subvention, calculés conformément aux montants de base visés dans les arrêtés sectoriels. ".
1° les points 9°, 15°, 25° à 28° inclus et le point 29° sont abrogés ;
2° il est ajouté un point 32°, rédigé comme suit :
" plafond de construction calculé " : dix sixièmes de la subvention d'investissement arrêtée dans la promesse de subvention, calculés conformément aux montants de base visés dans les arrêtés sectoriels. ".
Art. 2. In artikel 2bis, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2011, wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12".
Art. 2. A l'article 2bis, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2011, le membre de phrase " l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 12 ".
Art. 3. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 10 november 2011, 14 februari 2014 en 5 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2°, wordt punt c) opgeheven;
2° in paragraaf 1, 3°, wordt de zinsnede "de woonzorgcentra, de dagverzorgingscentra en de centra voor kortverblijf" vervangen door de woorden "de dagverzorgingscentra";
3° in paragraaf 1, 3°, wordt punt c) opgeheven;
4° in paragraaf 1, 4°, wordt punt c) opgeheven;
5° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, 2°, wordt punt c) opgeheven;
2° in paragraaf 1, 3°, wordt de zinsnede "de woonzorgcentra, de dagverzorgingscentra en de centra voor kortverblijf" vervangen door de woorden "de dagverzorgingscentra";
3° in paragraaf 1, 3°, wordt punt c) opgeheven;
4° in paragraaf 1, 4°, wordt punt c) opgeheven;
5° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 3. A l'article 4 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 10 novembre 2011, 14 février 2014 et 5 septembre 2014 sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, 2°, le point c) est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 3°, le membre de phrase " les centres de services de soins et de logement, les centres de soins de jour et les centres de court séjour " est remplacé par les mots " les centres de soins de jour " ;
3° au paragraphe 1er, 3°, le point c) est abrogé ;
4° au paragraphe 1er, 4°, le point c) est abrogé ;
5° le paragraphe 2 est abrogé.
1° au paragraphe 1er, 2°, le point c) est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 3°, le membre de phrase " les centres de services de soins et de logement, les centres de soins de jour et les centres de court séjour " est remplacé par les mots " les centres de soins de jour " ;
3° au paragraphe 1er, 3°, le point c) est abrogé ;
4° au paragraphe 1er, 4°, le point c) est abrogé ;
5° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 4. In het opschrift van onderafdeling A van hoofdstuk II, afdeling 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 april 2002 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 en 5 september 2014, wordt de zinsnede "de algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen, de voorzieningen in de thuiszorg," opgeheven.
Art. 4. Dans l'intitulé de la sous-section A du chapitre II, section 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 avril 2002 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 juillet 2009 et 5 septembre 2014, le membre de phrase " les hôpitaux généraux, les structures destinées aux personnes âgées, les structures dans le cadre des soins à domicile, " est abrogé.
Art. 5. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 24 juli 2009, 10 november 2011 en 5 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "de algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen, de voorzieningen in de thuiszorg," opgeheven;
2° in het eerste lid wordt de zin "De algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg dienen dit plan in bij het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid." opgeheven;
3° in het tweede lid, 1°, wordt de zinsnede ", vergezeld van, voor de algemene ziekenhuizen, het advies van de medische raad, bedoeld in artikel 120 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en eventueel van het advies van het coördinatiecomité, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen" opgeheven.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "de algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen, de voorzieningen in de thuiszorg," opgeheven;
2° in het eerste lid wordt de zin "De algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen en de voorzieningen in de thuiszorg dienen dit plan in bij het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid." opgeheven;
3° in het tweede lid, 1°, wordt de zinsnede ", vergezeld van, voor de algemene ziekenhuizen, het advies van de medische raad, bedoeld in artikel 120 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en eventueel van het advies van het coördinatiecomité, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen" opgeheven.
Art. 5. A l'article 5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 10 novembre 2011 et 5 septembre 2014 sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " les hôpitaux généraux, les structures destinées aux personnes âgées, les structures dans le cadre des soins à domicile, " sont abrogés ;
2° à l'alinéa 1er, la phrase " Les hôpitaux généraux, les structures pour personnes âgées et les structures des soins à domicile introduisent ce plan auprès de l'agence autonomisée interne " Zorg en Gezondheid " est abrogée ;
3° à l'alinéa 2, 1°, le membre de phrase " , accompagné de, pour ce qui concerne les hôpitaux généraux, l'avis du conseil médical, visé à l'article 120 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, et le cas échéant de l'avis du comité de coordination visé à l'article 13 de l'arrêté royal du 30 janvier 1989 portant fixation de normes complémentaires pour l'agrément d'hôpitaux et de services d'hôpitaux et définissant les groupements d'hôpitaux et les normes spécifiques auxquelles ils doivent répondre " est abrogé
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " les hôpitaux généraux, les structures destinées aux personnes âgées, les structures dans le cadre des soins à domicile, " sont abrogés ;
2° à l'alinéa 1er, la phrase " Les hôpitaux généraux, les structures pour personnes âgées et les structures des soins à domicile introduisent ce plan auprès de l'agence autonomisée interne " Zorg en Gezondheid " est abrogée ;
3° à l'alinéa 2, 1°, le membre de phrase " , accompagné de, pour ce qui concerne les hôpitaux généraux, l'avis du conseil médical, visé à l'article 120 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, et le cas échéant de l'avis du comité de coordination visé à l'article 13 de l'arrêté royal du 30 janvier 1989 portant fixation de normes complémentaires pour l'agrément d'hôpitaux et de services d'hôpitaux et définissant les groupements d'hôpitaux et les normes spécifiques auxquelles ils doivent répondre " est abrogé
Art. 6. In artikel 6, derde lid, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, wordt de zinsnede "2° tot en met 5° " vervangen door de zinsnede "5° ".
Art. 6. A l'article 6er, alinéa 3, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mai 2008, le membre de phrase " 2° à 5° inclus " est remplacé par le membre de phrase " 5° ".
Art. 7. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 24 juli 2009, 10 november 2011 en 5 september 2014, wordt de zinsnede "hetzij aan de Commissie Zorgstrategie voor de algemene ziekenhuizen, hetzij aan de Commissie Zorgstrategie voor de voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg hetzij" opgeheven.
Art. 7. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 10 novembre 2011 et 5 septembre 2014, le membre de phrase " soit à la Commission de la stratégie des soins pour les hôpitaux généraux, soit à la Commission de la stratégie des soins pour les structures destinées aux personnes âgées et les structures dans le cadre des soins à domicile, soit " est abrogé.
Art. 8. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 24 juli 2009, 10 november 2011 en 5 september 2014, worden het derde en het vierde lid opgeheven.
Art. 8. A l'article 9 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 10 novembre 2011 et 5 septembre 2014, troisième et le quatrième alinéa sont abrogés.
Art. 9. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "Commissies" wordt vervangen door het woord "Commissie";
2° het woord "hebben" wordt vervangen door het woord "heeft".
1° het woord "Commissies" wordt vervangen door het woord "Commissie";
2° het woord "hebben" wordt vervangen door het woord "heeft".
Art. 9. A l'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mai 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " Les Commissions " sont remplacés par les mots " La Commission " ;
2° le mot " ont " est remplacé par le mot " a ".
1° les mots " Les Commissions " sont remplacés par les mots " La Commission " ;
2° le mot " ont " est remplacé par le mot " a ".
Art. 10. In artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, 10 november 2011 en 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het getal "18" wordt vervangen door het getal "16";
2° de zin "De aanvraag moet ingediend worden in twee exemplaren." wordt opgeheven.
1° het getal "18" wordt vervangen door het getal "16";
2° de zin "De aanvraag moet ingediend worden in twee exemplaren." wordt opgeheven.
Art. 10. A l'article 13 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 mai 2008, 10 novembre 2011 et 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le nombre " 18 " est remplacé par le nombre " 16 " ;
2° la phrase " La demande doit être introduire en deux exemplaires. " est abrogée.
1° le nombre " 18 " est remplacé par le nombre " 16 " ;
2° la phrase " La demande doit être introduire en deux exemplaires. " est abrogée.
Art. 11. Artikel 15 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 15. De aanvraag van de goedkeuring van het masterplan en van de subsidiebelofte voor werkzaamheden bevat de volgende stukken en gegevens:
1° een ingevuld identificatieformulier op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds. Dat identificatieformulier bevat de volgende rubrieken:
a) de identificatiegegevens van de aanvrager;
b) de identificatiegegevens van de voorziening;
c) de identificatiegegevens van de contactpersoon voor het dossier;
d) een korte beschrijving van het project;
e) de locatie van het project: adres en kadastergegevens;
f) het juridische statuut van de gebouwen of de grond waarop het project gerealiseerd zal worden;
g) de aard van de werkzaamheden;
h) de capaciteiten van het project;
i) als dat van toepassing is, de bevestiging van het engagement tot integratie van kunst, vermeld in de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
j) een akkoord met het initiële programma van eisen en het engagement ten aanzien van duurzaam bouwen;
k) de identificatiegegevens van de coördinator die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
l) de verwijzing naar een document waaruit blijkt dat het masterplan uitgevoerd kan worden conform artikel 11, § 1, van het decreet;
m) voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en de vergunde diensten voor pleegzorg: de verwijzing naar het zorgstrategische plan dat de minister heeft goedgekeurd;
n) de verklaring op erewoord over het project waarvoor een subsidiebelofte wordt gevraagd, voor de toepassing, naargelang het geval, van:
1) artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap;
2) artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk;
3) artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de sector van de voorzieningen voor gezinnen met kinderen;
4) artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de preventieve en de ambulante gezondheidszorg;
5) artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Jongerenwelzijn erkende voorzieningen en vergunde diensten;
6) artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
2° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan goed te keuren en in te dienen;
3° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet;
4° een evaluatie van de bestaande infrastructuur van de aanvrager, met duiding van de voorgeschiedenis, het bouwkundige concept, de eventuele erfgoedwaarde, de functionaliteit, de leefbaarheid en de energie-efficiëntie;
5° een conceptnota van het masterplan, die bestaat uit:
a) een beschrijving van de totaliteit van de geplande investeringen voor de komende tien jaar, met daarbij:
1) de visie op de zorginfrastructuur met omschrijving van de doelgroep(en) en capaciteit(en);
2) eventueel een opdeling in projecten en fasering, de uitvoeringstermijnen en geraamde investeringsbedragen;
b) op het niveau van de site(s): globale schetsen, waarop de volgende elementen aangeduid zijn:
1) de aanleg van terreinen, gebouwen en parkeerterreinen, en de zoneringsplannen ervan;
2) de ligging van de verschillende diensten van de voorziening, en de onderlinge samenhang tussen de diensten;
3) een analyse van de bewoners-, bezoekers-, personeels- en goederenstromen;
6° een verslag van het voortraject dat de aanvrager doorlopen heeft:
a) een overzicht van het gevolg dat is gegeven aan de opmerkingen uit de voorafgaande besprekingen met het Fonds en de functioneel bevoegde administratie(s);
b) een verslag van de besprekingen over het masterplan en het project met de interne belanghebbenden van de aanvrager, zoals personeel en bewoners;
7° een conceptnota met het functionele en architecturale concept van het project: een beschrijving van het architecturale en functionele concept, onder meer een beschrijving van de toegang en circulatie, de functionele opdelingen, publiek-privaat, de flexibiliteit van het concept, de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden en de fasering van de werkzaamheden;
8° de plannen van het project:
a) een inplantingsplan op schaal 1/500;
b) grondplannen op schaal 1/100, bij een verbouwing wordt een plan toegevoegd met aanduiding van de werkzaamheden van de verbouwing ten opzichte van de bestaande situatie;
c) gevels en sneden;
d) een detailplan van elke typekamer;
9° het initiële programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen, en de conceptnota met de bouwfysische en bouwtechnische opvattingen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
10° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid;
11° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
12° de kostenraming van het project, per kostensoort, per zorgvorm, en ten minste opgedeeld in vier onderdelen: ruwbouw, technische uitrusting, afwerking, losse uitrusting en meubilering, waarbij:
a) voor een verbouwing altijd een gedetailleerde raming wordt bijgevoegd;
b) de raming altijd exclusief btw en algemene onkosten is;
c) de geraamde bouwkosten per m|F2, per kostensoort en per zorgvorm worden opgegeven;
13° de bruto- en netto-oppervlakte-overzichten. De bruto-oppervlakteberekening betreft een overzicht van de bestaande en toekomstige functionele oppervlakte van de aanvrager. Het overzicht van de netto-oppervlakten betreft een lijst van de netto-oppervlakten van de functionele ruimten van het project;
14° een financieel plan voor de bedoelde investeringen, gedetailleerd voor het project, met een bijgevoegde balans, exploitatierekening en winst-en-verliesrekening;
15° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 2bis en 2ter van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 2ter, vijfde en zesde lid, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager, vermeld in artikel 2bis en 2ter van dit besluit;
16° als het een project met volledige autofinanciering zonder voorafgaande subsidiebelofte betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige autofinanciering van het project.
De stukken en gegevens, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 6°, vormen het masterplan.
De stukken en gegevens, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 16°, vormen het projectplan.".
"Art. 15. De aanvraag van de goedkeuring van het masterplan en van de subsidiebelofte voor werkzaamheden bevat de volgende stukken en gegevens:
1° een ingevuld identificatieformulier op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds. Dat identificatieformulier bevat de volgende rubrieken:
a) de identificatiegegevens van de aanvrager;
b) de identificatiegegevens van de voorziening;
c) de identificatiegegevens van de contactpersoon voor het dossier;
d) een korte beschrijving van het project;
e) de locatie van het project: adres en kadastergegevens;
f) het juridische statuut van de gebouwen of de grond waarop het project gerealiseerd zal worden;
g) de aard van de werkzaamheden;
h) de capaciteiten van het project;
i) als dat van toepassing is, de bevestiging van het engagement tot integratie van kunst, vermeld in de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
j) een akkoord met het initiële programma van eisen en het engagement ten aanzien van duurzaam bouwen;
k) de identificatiegegevens van de coördinator die verantwoordelijk is voor het behalen van de objectief evalueerbare prestatie-eisen op het vlak van comfort en het gebruik van energie, water en materialen;
l) de verwijzing naar een document waaruit blijkt dat het masterplan uitgevoerd kan worden conform artikel 11, § 1, van het decreet;
m) voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en de vergunde diensten voor pleegzorg: de verwijzing naar het zorgstrategische plan dat de minister heeft goedgekeurd;
n) de verklaring op erewoord over het project waarvoor een subsidiebelofte wordt gevraagd, voor de toepassing, naargelang het geval, van:
1) artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap;
2) artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk;
3) artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de sector van de voorzieningen voor gezinnen met kinderen;
4) artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de preventieve en de ambulante gezondheidszorg;
5) artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Jongerenwelzijn erkende voorzieningen en vergunde diensten;
6) artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
2° de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om het masterplan goed te keuren en in te dienen;
3° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet;
4° een evaluatie van de bestaande infrastructuur van de aanvrager, met duiding van de voorgeschiedenis, het bouwkundige concept, de eventuele erfgoedwaarde, de functionaliteit, de leefbaarheid en de energie-efficiëntie;
5° een conceptnota van het masterplan, die bestaat uit:
a) een beschrijving van de totaliteit van de geplande investeringen voor de komende tien jaar, met daarbij:
1) de visie op de zorginfrastructuur met omschrijving van de doelgroep(en) en capaciteit(en);
2) eventueel een opdeling in projecten en fasering, de uitvoeringstermijnen en geraamde investeringsbedragen;
b) op het niveau van de site(s): globale schetsen, waarop de volgende elementen aangeduid zijn:
1) de aanleg van terreinen, gebouwen en parkeerterreinen, en de zoneringsplannen ervan;
2) de ligging van de verschillende diensten van de voorziening, en de onderlinge samenhang tussen de diensten;
3) een analyse van de bewoners-, bezoekers-, personeels- en goederenstromen;
6° een verslag van het voortraject dat de aanvrager doorlopen heeft:
a) een overzicht van het gevolg dat is gegeven aan de opmerkingen uit de voorafgaande besprekingen met het Fonds en de functioneel bevoegde administratie(s);
b) een verslag van de besprekingen over het masterplan en het project met de interne belanghebbenden van de aanvrager, zoals personeel en bewoners;
7° een conceptnota met het functionele en architecturale concept van het project: een beschrijving van het architecturale en functionele concept, onder meer een beschrijving van de toegang en circulatie, de functionele opdelingen, publiek-privaat, de flexibiliteit van het concept, de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden en de fasering van de werkzaamheden;
8° de plannen van het project:
a) een inplantingsplan op schaal 1/500;
b) grondplannen op schaal 1/100, bij een verbouwing wordt een plan toegevoegd met aanduiding van de werkzaamheden van de verbouwing ten opzichte van de bestaande situatie;
c) gevels en sneden;
d) een detailplan van elke typekamer;
9° het initiële programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen, en de conceptnota met de bouwfysische en bouwtechnische opvattingen. Een programma van eisen is een basisdocument waarin de projectgebonden doelstellingen en prestatie-eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen worden bepaald. Per type van lokaal worden de objectief evalueerbare comfortgrenswaarden en specifieke technische eisen vermeld. De minister bepaalt de minimumeisen en de voorwaarden op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
10° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid;
11° een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
12° de kostenraming van het project, per kostensoort, per zorgvorm, en ten minste opgedeeld in vier onderdelen: ruwbouw, technische uitrusting, afwerking, losse uitrusting en meubilering, waarbij:
a) voor een verbouwing altijd een gedetailleerde raming wordt bijgevoegd;
b) de raming altijd exclusief btw en algemene onkosten is;
c) de geraamde bouwkosten per m|F2, per kostensoort en per zorgvorm worden opgegeven;
13° de bruto- en netto-oppervlakte-overzichten. De bruto-oppervlakteberekening betreft een overzicht van de bestaande en toekomstige functionele oppervlakte van de aanvrager. Het overzicht van de netto-oppervlakten betreft een lijst van de netto-oppervlakten van de functionele ruimten van het project;
14° een financieel plan voor de bedoelde investeringen, gedetailleerd voor het project, met een bijgevoegde balans, exploitatierekening en winst-en-verliesrekening;
15° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 2bis en 2ter van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 2ter, vijfde en zesde lid, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager, vermeld in artikel 2bis en 2ter van dit besluit;
16° als het een project met volledige autofinanciering zonder voorafgaande subsidiebelofte betreft als vermeld in artikel 8 van het decreet, de gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over de nodige financiële middelen die vereist zijn voor de volledige autofinanciering van het project.
De stukken en gegevens, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 6°, vormen het masterplan.
De stukken en gegevens, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 16°, vormen het projectplan.".
Art. 11. L'article 15 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 15. La demande d'approbation du plan maître et de la promesse de subvention pour des activités contient les pièces et données suivantes :
1° un formulaire d'identification rempli sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds. Ce formulaire d'identification contient les rubriques suivantes :
a) les données d'identification du demandeur ;
b) les données d'identification de la structure ;
c) les données d'identification de la personne de contact pour le dossier ;
d) une description succincte du projet ;
e) l'endroit du projet : adresse et données cadastrales ;
f) le statut juridique des bâtiments ou du terrain sur lequel le projet sera réalisé ;
g) la nature des activités ;
h) les capacités du projet ;
i) si d'application, la confirmation de l'engagement à l'intégration d'art, mentionné dans la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relèvent de la Communauté flamande ;
j) un accord sur le programme initial d'exigences et l'engagement vis-à-vis de la construction durable ;
k) les données d'identification du coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
l) la référence à un document dont il ressort que le plan maître peut être exécuté conformément aux dispositions de l'article 11, § 1er, du décret ;
m) pour ce qui est des structures de l'assistance spéciale à la jeunesse et des services de placement familial autorisés : la référence au plan stratégique en matière de soins approuvé par le Ministre ;
n) la déclaration sur honneur sur le projet pour lequel une promesse de subvention est demandée, pour l'application de, suivant le cas :
1) l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures assurant l'intégration sociale des personnes handicapées ;
2) l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour l'aide sociale générale ;
3) l'article 14 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2011 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants ;
4) l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les soins de santé préventifs et ambulants ;
5) l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréées et les services autorisés par l'" Agentschap Jongerenwelzijn " ;
6) l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les établissements de soins ;
2° le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre le plan maître ;
3° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret ;
4° une évaluation de l'infrastructure existante du demandeur, avec des explications sur l'historique, le concept architectural, la valeur patrimoniale éventuelle, la fonctionnalité, la viabilité et l'efficacité énergétique ;
5° une note conceptuelle du plan maître, comportant :
a) une description de la totalité des investissements prévus pour les dix prochaines années, assortie :
1) de la vision sur l'infrastructure de soins avec une description du/des groupe(s)-cible(s) et de la/des capacité(s) ;
2) éventuellement une répartition en projets et en phases, les délais d'exécution et les montants d'investissement estimés ;
b) au niveau du/des site(s) : des esquisses globales, sur lesquelles figurent les éléments suivants :
1) l'aménagement de terrains, bâtiments et parkings, et les plans de zonage y afférents ;
2) la situation des différents services de la structure, et l'interconnexion entre les services ;
3) une analyse des flux d'habitants, de visiteurs, de personnels et de biens ;
6° un rapport de l'avant-trajet parcouru par le demandeur :
a) un aperçu du suivi donné aux observations issues des discussions préalables avec le Fonds et la/les administration(s) fonctionnellement compétente(s) ;
b) un rapport des discussions sur le plan maître et le projet avec les intéressés internes du demandeur tels que personnels et habitants ;
7° une note conceptuelle contenant le concept architectural du projet : une description du concept architectural et fonctionnel, entre autres une description de l'accès et de la circulation, les subdivisions fonctionnelles, public-privé, la flexibilité du concept, les possibilités d'élargissement éventuelles et l'étalement en phases des travaux ;
8° les plans du projet :
a) un plan d'implantation à l'échelle 1/500 ;
b) plans de surface à l'échelle 1/100, lors d'une transformation, il est ajouté un plan indiquant les travaux de la transformation par rapport à la situation existante ;
c) façades et sections ;
d) un plan détaillé de chaque type de chambre ;
9° le programme initial d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux, et la note conceptuelle sur les aspects physiques et techniques de la construction. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation liés à un projet en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre arrête les exigences minimales et les conditions en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
10° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués de durabilité ;
11° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent ;
12° l'estimation des frais du projet, différenciée par genre de frais, par forme de soins, et répartie en au moins quatre parties : gros oeuvre, équipement technique, finition, équipement et mobilier amovibles, étant entendu que :
a) une transformation requiert toujours une estimation détaillée ;
b) l'estimation est toujours hors tva et frais généraux ;
c) les coûts de construction estimés sont indiqués par m|F2, par genre de coût et par forme de soins ;
13° les aperçus des superficies brutes et nettes. Le calcul des superficies brutes et nettes porte sur un aperçu de la superficie fonctionnelle existante et future du demandeur. L'aperçu des superficies nettes porte sur une liste des superficies nettes des espaces fonctionnels du projet ;
14° un plan financier pour les investissements visés, détaillé pour le projet, assorti d'un bilan, d'un compte d'exploitation et d'un compte de pertes et profits ;
15° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 2bis et 2ter du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 2ter, alinéas 5 et 6 du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 2bis et 2ter du présent arrêté ;
16° s'il s'agit d'un projet avec autofinancement entier sans promesse de subvention préalable, tel que visé à l'article 8 du décret, les données démontrant que le demandeur dispose des moyens financiers nécessaires qui sont requis en vue de l'autofinancement entier du projet.
Les pièces et données visées à l'alinéa premier, 4° à 6° inclus, constituent le plan maître.
Les pièces et données visées à l'alinéa premier, 7° à 16° inclus, constituent le plan de projet. ".
" Art. 15. La demande d'approbation du plan maître et de la promesse de subvention pour des activités contient les pièces et données suivantes :
1° un formulaire d'identification rempli sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds. Ce formulaire d'identification contient les rubriques suivantes :
a) les données d'identification du demandeur ;
b) les données d'identification de la structure ;
c) les données d'identification de la personne de contact pour le dossier ;
d) une description succincte du projet ;
e) l'endroit du projet : adresse et données cadastrales ;
f) le statut juridique des bâtiments ou du terrain sur lequel le projet sera réalisé ;
g) la nature des activités ;
h) les capacités du projet ;
i) si d'application, la confirmation de l'engagement à l'intégration d'art, mentionné dans la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relèvent de la Communauté flamande ;
j) un accord sur le programme initial d'exigences et l'engagement vis-à-vis de la construction durable ;
k) les données d'identification du coordinateur responsable de répondre aux exigences de performance objectivement évaluables en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
l) la référence à un document dont il ressort que le plan maître peut être exécuté conformément aux dispositions de l'article 11, § 1er, du décret ;
m) pour ce qui est des structures de l'assistance spéciale à la jeunesse et des services de placement familial autorisés : la référence au plan stratégique en matière de soins approuvé par le Ministre ;
n) la déclaration sur honneur sur le projet pour lequel une promesse de subvention est demandée, pour l'application de, suivant le cas :
1) l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures assurant l'intégration sociale des personnes handicapées ;
2) l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour l'aide sociale générale ;
3) l'article 14 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2011 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants ;
4) l'article 15 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les soins de santé préventifs et ambulants ;
5) l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréées et les services autorisés par l'" Agentschap Jongerenwelzijn " ;
6) l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les établissements de soins ;
2° le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur, comprenant la décision d'approuver et de soumettre le plan maître ;
3° une preuve dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret ;
4° une évaluation de l'infrastructure existante du demandeur, avec des explications sur l'historique, le concept architectural, la valeur patrimoniale éventuelle, la fonctionnalité, la viabilité et l'efficacité énergétique ;
5° une note conceptuelle du plan maître, comportant :
a) une description de la totalité des investissements prévus pour les dix prochaines années, assortie :
1) de la vision sur l'infrastructure de soins avec une description du/des groupe(s)-cible(s) et de la/des capacité(s) ;
2) éventuellement une répartition en projets et en phases, les délais d'exécution et les montants d'investissement estimés ;
b) au niveau du/des site(s) : des esquisses globales, sur lesquelles figurent les éléments suivants :
1) l'aménagement de terrains, bâtiments et parkings, et les plans de zonage y afférents ;
2) la situation des différents services de la structure, et l'interconnexion entre les services ;
3) une analyse des flux d'habitants, de visiteurs, de personnels et de biens ;
6° un rapport de l'avant-trajet parcouru par le demandeur :
a) un aperçu du suivi donné aux observations issues des discussions préalables avec le Fonds et la/les administration(s) fonctionnellement compétente(s) ;
b) un rapport des discussions sur le plan maître et le projet avec les intéressés internes du demandeur tels que personnels et habitants ;
7° une note conceptuelle contenant le concept architectural du projet : une description du concept architectural et fonctionnel, entre autres une description de l'accès et de la circulation, les subdivisions fonctionnelles, public-privé, la flexibilité du concept, les possibilités d'élargissement éventuelles et l'étalement en phases des travaux ;
8° les plans du projet :
a) un plan d'implantation à l'échelle 1/500 ;
b) plans de surface à l'échelle 1/100, lors d'une transformation, il est ajouté un plan indiquant les travaux de la transformation par rapport à la situation existante ;
c) façades et sections ;
d) un plan détaillé de chaque type de chambre ;
9° le programme initial d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux, et la note conceptuelle sur les aspects physiques et techniques de la construction. Un programme d'exigences est un document de base fixant les objectifs et les exigences de prestation liés à un projet en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux. Les valeurs limites de confort objectivement évaluables et les exigences techniques spécifiques sont mentionnées par type de local. Le Ministre arrête les exigences minimales et les conditions en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
10° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués de durabilité ;
11° un avis du service d'incendie compétent ou un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent ;
12° l'estimation des frais du projet, différenciée par genre de frais, par forme de soins, et répartie en au moins quatre parties : gros oeuvre, équipement technique, finition, équipement et mobilier amovibles, étant entendu que :
a) une transformation requiert toujours une estimation détaillée ;
b) l'estimation est toujours hors tva et frais généraux ;
c) les coûts de construction estimés sont indiqués par m|F2, par genre de coût et par forme de soins ;
13° les aperçus des superficies brutes et nettes. Le calcul des superficies brutes et nettes porte sur un aperçu de la superficie fonctionnelle existante et future du demandeur. L'aperçu des superficies nettes porte sur une liste des superficies nettes des espaces fonctionnels du projet ;
14° un plan financier pour les investissements visés, détaillé pour le projet, assorti d'un bilan, d'un compte d'exploitation et d'un compte de pertes et profits ;
15° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 2bis et 2ter du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 2ter, alinéas 5 et 6 du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 2bis et 2ter du présent arrêté ;
16° s'il s'agit d'un projet avec autofinancement entier sans promesse de subvention préalable, tel que visé à l'article 8 du décret, les données démontrant que le demandeur dispose des moyens financiers nécessaires qui sont requis en vue de l'autofinancement entier du projet.
Les pièces et données visées à l'alinéa premier, 4° à 6° inclus, constituent le plan maître.
Les pièces et données visées à l'alinéa premier, 7° à 16° inclus, constituent le plan de projet. ".
Art. 12. Artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 24 juli 2009, 10 november 2011 en 5 september 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 16. De aanvraag van de subsidiebelofte kan alleen betrekking hebben op een aankoop als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval bevat de aanvraag de volgende stukken:
1° de stukken, vermeld in artikel 15, eerste lid, 1° en 2° en 4° tot en met 16° ;
2° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde;
3° een bodemattest conform de regelgeving over de bodemsanering.
In afwijking van het eerste lid is voor de sectoren algemeen welzijnswerk, preventieve en ambulante gezondheidszorg, bijzondere jeugdbijstand en vergunde diensten voor pleegzorg, en voorzieningen voor gezinnen met kinderen, voor een lokaal dienstencentrum of een regionaal dienstencentrum, voor een dagverzorgingscentrum, voor een erkend centrum voor ontwikkelingsstoornissen als vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 1998 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen, en voor een door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap erkend extramuraal centrum of erkende extramurale dienst voor de functionele revalidatie van personen met een handicap, een aankoop zonder verbouwing mogelijk. In dat geval moet de aanvraag van de subsidiebelofte de volgende stukken bevatten:
1° de stukken, vermeld in artikel 15, eerste lid, 1° en 2° en 4° tot en met 10°, en 13° tot en met 16°, van dit besluit;
2° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarden;
3° een bodemattest conform de regelgeving over de bodemsanering;
4° de stedenbouwkundige vergunning en het bijbehorende brandpreventieverslag van het aan te kopen gebouw.
In geval van functiewijziging van het gebouw in kwestie wordt de aanvraag aangevuld, met betrekking tot de toekomstige bestemming, met een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst.".
"Art. 16. De aanvraag van de subsidiebelofte kan alleen betrekking hebben op een aankoop als die gevolgd wordt door een verbouwing. In dat geval bevat de aanvraag de volgende stukken:
1° de stukken, vermeld in artikel 15, eerste lid, 1° en 2° en 4° tot en met 16° ;
2° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarde;
3° een bodemattest conform de regelgeving over de bodemsanering.
In afwijking van het eerste lid is voor de sectoren algemeen welzijnswerk, preventieve en ambulante gezondheidszorg, bijzondere jeugdbijstand en vergunde diensten voor pleegzorg, en voorzieningen voor gezinnen met kinderen, voor een lokaal dienstencentrum of een regionaal dienstencentrum, voor een dagverzorgingscentrum, voor een erkend centrum voor ontwikkelingsstoornissen als vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 1998 tot regeling van de erkenning en de subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen, en voor een door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap erkend extramuraal centrum of erkende extramurale dienst voor de functionele revalidatie van personen met een handicap, een aankoop zonder verbouwing mogelijk. In dat geval moet de aanvraag van de subsidiebelofte de volgende stukken bevatten:
1° de stukken, vermeld in artikel 15, eerste lid, 1° en 2° en 4° tot en met 10°, en 13° tot en met 16°, van dit besluit;
2° de verkoopbelofte of het compromis met opschortende voorwaarden;
3° een bodemattest conform de regelgeving over de bodemsanering;
4° de stedenbouwkundige vergunning en het bijbehorende brandpreventieverslag van het aan te kopen gebouw.
In geval van functiewijziging van het gebouw in kwestie wordt de aanvraag aangevuld, met betrekking tot de toekomstige bestemming, met een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat door de aanvrager is ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst.".
Art. 12. L'article 16 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 10 novembre 2011 et 5 septembre 2014 est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 16. La demande d'une promesse de subvention ne peut avoir trait qu'à un achat lorsque ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la demande contient les documents suivants:
1° les documents visés à l'article 15, alinéa premier, 1° et 2° et 4° à 16° inclus ;
2° la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive ;
3° une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol.
Par dérogation à l'alinéa premier, pour les secteurs de l'aide sociale générale, des soins de santé préventifs et ambulatoires, de l'assistance spéciale à la jeunesse et des services autorisés de placement familial, et des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants, un achat sans transformation est possible pour un centre de services local ou pour un centre de services régional, pour un centre agréé pour troubles du développement, tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 1998 réglant l'agrément et le subventionnement des centres pour troubles du développement, et pour des centres hors de l'hôpital ou des services de réadaptation fonctionnelle de personnes handicapées hors de l'hôpital agréés par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ". Dans ce cas, la demande de promesse de subvention doit comprendre les documents suivants :
1° les documents visés à l'article 15, alinéa premier, 1° et 2° et 4° à 10° inclus, et 13° à 16° inclus, du présent arrêté ;
2° la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive ;
3° une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol ;
4° le permis de bâtir et le rapport de prévention incendie y afférent du bâtiment à acheter.
En cas de modification de fonction du bâtiment en question, la demande est complétée, en ce qui concerne l'affectation future, d'un avis du service des pompiers compétent ou d'un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent. ".
" Art. 16. La demande d'une promesse de subvention ne peut avoir trait qu'à un achat lorsque ce dernier est suivi d'une transformation. Dans ce cas, la demande contient les documents suivants:
1° les documents visés à l'article 15, alinéa premier, 1° et 2° et 4° à 16° inclus ;
2° la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive ;
3° une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol.
Par dérogation à l'alinéa premier, pour les secteurs de l'aide sociale générale, des soins de santé préventifs et ambulatoires, de l'assistance spéciale à la jeunesse et des services autorisés de placement familial, et des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants, un achat sans transformation est possible pour un centre de services local ou pour un centre de services régional, pour un centre agréé pour troubles du développement, tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 1998 réglant l'agrément et le subventionnement des centres pour troubles du développement, et pour des centres hors de l'hôpital ou des services de réadaptation fonctionnelle de personnes handicapées hors de l'hôpital agréés par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ". Dans ce cas, la demande de promesse de subvention doit comprendre les documents suivants :
1° les documents visés à l'article 15, alinéa premier, 1° et 2° et 4° à 10° inclus, et 13° à 16° inclus, du présent arrêté ;
2° la promesse de vente ou le compromis à condition suspensive ;
3° une attestation du sol conformément à la réglementation relative à l'assainissement du sol ;
4° le permis de bâtir et le rapport de prévention incendie y afférent du bâtiment à acheter.
En cas de modification de fonction du bâtiment en question, la demande est complétée, en ce qui concerne l'affectation future, d'un avis du service des pompiers compétent ou d'un rapport des pourparlers avec le service d'incendie compétent, signé par le demandeur et transmis pour information au service d'incendie compétent. ".
Art. 13. Artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, 10 november 2011 en 14 februari 2014, wordt opgeheven.
Art. 13. L'article 17 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 mai 2008, 10 novembre 2011 et 14 février 2014, est abrogé.
Art. 14. Artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2011 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014 en 5 september 2014, wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 18 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2011 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 février 2014 et 5 septembre 2014, est abrogé :
Art. 15. In artikel 19 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 april 2002, 30 mei 2008, 24 juli 2009, 10 november 2011 en 5 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Het Fonds onderzoekt of de aanvraag, vermeld in artikel 4, wat betreft de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en de vergunde diensten voor pleegzorg, en de aanvraag, vermeld in artikel 13, voldoen aan de toepasselijke bepalingen van respectievelijk artikel 4, 13 tot en met 16, en maakt een raming van de financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "de algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen, de voorzieningen in de thuiszorg," telkens opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Het Fonds onderzoekt of de aanvraag, vermeld in artikel 4, wat betreft de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en de vergunde diensten voor pleegzorg, en de aanvraag, vermeld in artikel 13, voldoen aan de toepasselijke bepalingen van respectievelijk artikel 4, 13 tot en met 16, en maakt een raming van de financiële weerslag van het project op de opeenvolgende begrotingsjaren.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "de algemene ziekenhuizen, de voorzieningen voor ouderen, de voorzieningen in de thuiszorg," telkens opgeheven.
Art. 15. A l'article 19 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 avril 2002, 30 mai 2008, 24 juillet 2009, 10 novembre 2011 et 5 septembre 2014 sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" Le Fonds examine si la demande visée à l'article 4, et pour ce qui concerne les structures d'assistance spéciale à la jeunesse et les services autorisés de placement familial et la demande visée à l'article 13 répondent aux dispositions respectivement des articles 4, 13 à 16 inclus, et établit une estimation des incidences financières du projet sur les exercices budgétaires successifs. " ;
2° au paragraphe 2, le membre de phrase " les hôpitaux généraux, les structures destinées aux personnes âgées, les structures dans le cadre des soins à domicile, " est chaque fois abrogé.
1° au paragraphe 1er, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" Le Fonds examine si la demande visée à l'article 4, et pour ce qui concerne les structures d'assistance spéciale à la jeunesse et les services autorisés de placement familial et la demande visée à l'article 13 répondent aux dispositions respectivement des articles 4, 13 à 16 inclus, et établit une estimation des incidences financières du projet sur les exercices budgétaires successifs. " ;
2° au paragraphe 2, le membre de phrase " les hôpitaux généraux, les structures destinées aux personnes âgées, les structures dans le cadre des soins à domicile, " est chaque fois abrogé.
Art. 16. In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, 10 november 2011 en 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het Fonds moet de stedenbouwkundige vergunning voor het project en de authentieke akte hebben waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet, vóór de subsidiebelofte voor het project kan worden gegeven.";
2° aan paragraaf 1, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De geldigheidstermijn van de subsidiebelofte kan, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, door de minister worden verlengd in geval van overmacht.";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Uiterlijk negentig kalenderdagen voor het bevel tot aanvang van de werkzaamheden die betrekking hebben op het project, kan de aanvrager bij het Fonds een wijziging van de subsidiebelofte aanvragen. Die aanvraag tot wijziging wordt omstandig gemotiveerd en bevat de stukken die gewijzigd zijn ten opzichte van de aanvraag van de oorspronkelijke subsidiebelofte.
Als het bedrag van de aanvraag van de nieuwe subsidiebelofte meer dan 10% hoger is dan het bedrag van de oorspronkelijke subsidiebelofte, zijn artikel 19 en 20, § 1 tot en met § 3, van overeenkomstige toepassing op de procedure tot wijziging van de subsidiebelofte.
Als het bedrag van de aanvraag van de nieuwe subsidiebelofte 10% of minder hoger is dan het bedrag van de oorspronkelijke subsidiebelofte, zijn artikel 19 en 20, § 1 tot en met § 3, van overeenkomstige toepassing op de procedure tot wijziging van de subsidiebelofte, met dien verstande dat er geen tussenkomst is van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 19, § 4.
Het ontwerp van beslissing over de gewijzigde subsidiebelofte wordt opgemaakt door het Fonds en voorgelegd aan de minister ter beslissing.";
4° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 5. Het bedrag van de subsidiebelofte wordt door het Fonds aangepast aan de bouwindex die geldt op het moment van het bevel tot aanvang van de werkzaamheden of van het plaatsen van de bestelling, conform de bepalingen en berekeningsregels, vermeld in de sectorbesluiten.".
1° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het Fonds moet de stedenbouwkundige vergunning voor het project en de authentieke akte hebben waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet, vóór de subsidiebelofte voor het project kan worden gegeven.";
2° aan paragraaf 1, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De geldigheidstermijn van de subsidiebelofte kan, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, door de minister worden verlengd in geval van overmacht.";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. Uiterlijk negentig kalenderdagen voor het bevel tot aanvang van de werkzaamheden die betrekking hebben op het project, kan de aanvrager bij het Fonds een wijziging van de subsidiebelofte aanvragen. Die aanvraag tot wijziging wordt omstandig gemotiveerd en bevat de stukken die gewijzigd zijn ten opzichte van de aanvraag van de oorspronkelijke subsidiebelofte.
Als het bedrag van de aanvraag van de nieuwe subsidiebelofte meer dan 10% hoger is dan het bedrag van de oorspronkelijke subsidiebelofte, zijn artikel 19 en 20, § 1 tot en met § 3, van overeenkomstige toepassing op de procedure tot wijziging van de subsidiebelofte.
Als het bedrag van de aanvraag van de nieuwe subsidiebelofte 10% of minder hoger is dan het bedrag van de oorspronkelijke subsidiebelofte, zijn artikel 19 en 20, § 1 tot en met § 3, van overeenkomstige toepassing op de procedure tot wijziging van de subsidiebelofte, met dien verstande dat er geen tussenkomst is van de coördinatiecommissie, vermeld in artikel 19, § 4.
Het ontwerp van beslissing over de gewijzigde subsidiebelofte wordt opgemaakt door het Fonds en voorgelegd aan de minister ter beslissing.";
4° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 5. Het bedrag van de subsidiebelofte wordt door het Fonds aangepast aan de bouwindex die geldt op het moment van het bevel tot aanvang van de werkzaamheden of van het plaatsen van de bestelling, conform de bepalingen en berekeningsregels, vermeld in de sectorbesluiten.".
Art. 16. A l'article 20 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 mai 2008, 10 novembre 2011 et 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" Le Fonds doit être en possession de l'autorisation urbanistique pour le projet et de l'acte authentique prouvant que le demandeur a un droit de jouissance tel que visé à l'article 12 du décret, avant que la promesse de subvention puisse être donnée pour le projet. " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, la phrase suivante est ajoutée :
" Sur demande motivée du demandeur, le Ministre peut, en cas de force majeure, prolonger le délai de validité de la promesse de subvention. " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. " Au plus tard nonante jours calendaires avant l'ordre de commencement des travaux qui portent sur le projet, le demandeur peut demander une modification de la promesse de subvention auprès du Fonds. Cette demande de dérogation est motivée de manière circonstanciée et comprend les documents modifiés par rapport à la demande relative à la promesse de subvention initiale.
Si le montant de la demande de la nouvelle promesse de subvention dépasse de plus de 10% le montant de la promesse de subvention initiale, les articles 19 et 20, §§ 1er à 3 inclus, s'appliquent par analogue à la procédure de modification de la promesse de subvention.
Si le montant de la demande de la nouvelle promesse de subvention dépasse au maximum de 10% le montant de la promesse de subvention initiale, les articles 19 et 20, §§ 1er à 3 inclus, s'appliquent par analogue à la procédure de modification de la promesse de subvention, étant entendu qu'il n'y a pas d'intervention de la commission de coordination visée à l'article 19, § 4.
Le projet de décision sur la promesse de subvention modifiée est établi par le Fonds et soumis au Ministre pour décision. " ;
4° un paragraphe 5 est inséré dans la rédaction suivante :
" § 5. Le montant de la promesse de subvention est adapté par le Fonds à l'indice de la construction qui est valable au moment de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, conformément aux dispositions et aux règles de calcul visées aux arrêtés sectoriels. ".
1° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par la phrase suivante :
" Le Fonds doit être en possession de l'autorisation urbanistique pour le projet et de l'acte authentique prouvant que le demandeur a un droit de jouissance tel que visé à l'article 12 du décret, avant que la promesse de subvention puisse être donnée pour le projet. " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, la phrase suivante est ajoutée :
" Sur demande motivée du demandeur, le Ministre peut, en cas de force majeure, prolonger le délai de validité de la promesse de subvention. " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. " Au plus tard nonante jours calendaires avant l'ordre de commencement des travaux qui portent sur le projet, le demandeur peut demander une modification de la promesse de subvention auprès du Fonds. Cette demande de dérogation est motivée de manière circonstanciée et comprend les documents modifiés par rapport à la demande relative à la promesse de subvention initiale.
Si le montant de la demande de la nouvelle promesse de subvention dépasse de plus de 10% le montant de la promesse de subvention initiale, les articles 19 et 20, §§ 1er à 3 inclus, s'appliquent par analogue à la procédure de modification de la promesse de subvention.
Si le montant de la demande de la nouvelle promesse de subvention dépasse au maximum de 10% le montant de la promesse de subvention initiale, les articles 19 et 20, §§ 1er à 3 inclus, s'appliquent par analogue à la procédure de modification de la promesse de subvention, étant entendu qu'il n'y a pas d'intervention de la commission de coordination visée à l'article 19, § 4.
Le projet de décision sur la promesse de subvention modifiée est établi par le Fonds et soumis au Ministre pour décision. " ;
4° un paragraphe 5 est inséré dans la rédaction suivante :
" § 5. Le montant de la promesse de subvention est adapté par le Fonds à l'indice de la construction qui est valable au moment de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, conformément aux dispositions et aux règles de calcul visées aux arrêtés sectoriels. ".
Art. 17. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, wordt hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 21 tot en met 28, vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk III. - Uitvoering van het project en betaling van de investeringssubsidie
"Hoofdstuk III. - Uitvoering van het project en betaling van de investeringssubsidie
Art. 17. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014, le chapitre III, comprenant les articles 21 à 28 inclus, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre III. - Exécution du projet et paiement de la subvention d'investissement
" Chapitre III. - Exécution du projet et paiement de la subvention d'investissement
Afdeling 1. - Bevel tot aanvang van de werkzaamheden, plaatsen van de bestelling of verlijden van de authentieke akte
Section 1re. - Ordre de commencement des travaux, du placement de la commande ou de la passation de l'acte authentique
Art. 21. Artikel 42bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 42bis. De aanvrager of de financier bezorgt stukken, met inbegrip van plannen, op elektronische wijze aan het Fonds of aan de functioneel bevoegde administratie. Bijkomend worden plannen in tweevoud bezorgd op papier.".
"Art. 42bis. De aanvrager of de financier bezorgt stukken, met inbegrip van plannen, op elektronische wijze aan het Fonds of aan de functioneel bevoegde administratie. Bijkomend worden plannen in tweevoud bezorgd op papier.".
Art. 21. L'article 42bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 mai 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 42bis. Le demandeur ou le financier transmet les documents, y compris les plans, par voie électronique au Fonds ou à l'administration fonctionnellement compétente. Les plans sont en outre transmis en double exemplaire sur papier. ".
" Art. 42bis. Le demandeur ou le financier transmet les documents, y compris les plans, par voie électronique au Fonds ou à l'administration fonctionnellement compétente. Les plans sont en outre transmis en double exemplaire sur papier. ".
Afdeling 2. - Betaling van de investeringssubsidie voor aankoop
Section 2. - Paiement de la subvention d'investissement pour l'achat
Art. 22. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 en 10 november 2011, worden punt 5° en punt 7° opgeheven.
Art. 22. A l'article 1er de l'arrête du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinées aux personnes âgées et des structures de soins à domicile, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 juillet 2009 et 10 novembre 2011, les points 5° et 7° sont abrogés.
Afdeling 3. - Betaling van de investeringssubsidie voor louter uitrusting en meubilering
Section 3. - Paiement de la subvention d'investissement uniquement destinée à l'équipement et au mobilier
Art. 23. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001 en 24 juli 2009, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 23. Dans l'article 5 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1 juin 2001 et 24 juillet 2009, le paragraphe 2 est abrogé.
Afdeling 4. - Betaling van de investeringssubsidie
Section 4. - Paiement de la subvention d'investissement
Onderafdeling 1. - Betaling van de eerste schijf
Sous-section 1re. - Paiement de la première tranche
Art. 24. In artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de woorden "definitief principieel akkoord" telkens vervangen door het woord "subsidiebelofte".
Art. 24. A l'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, les mots " aucun accord de principe définitif ne peut être obtenu " sont remplacés par les mots " aucune promesse de subvention ne peut être obtenue ".
Onderafdeling 2. - Betaling van de tweede schijf
Sous-section 2. - Paiement de la deuxième tranche
Art. 25. In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 tot regeling van de algemene leiding, de werking, het beheer en de vertegenwoordiging van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 25. A l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 réglant la direction générale, le fonctionnement, la gestion et la représentation du " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables) l'alinéa 2 est abrogé.
Onderafdeling 3. - Betaling van de derde schijf
Sous-section 3. - Paiement de la troisième tranche
Art. 26. In het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014, wordt een artikel 14/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 14/3. In afwijking van artikel 7, § 1, 2° en 3°, van dit besluit kunnen voorafgaande vergunningen voor de realisatie van lokale en regionale dienstencentra, waarvoor voor 1 juli 2015 een zorgstrategisch plan als vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden of in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, is goedgekeurd, geldig blijven tot de voltooiing van de bouwwerken en de erkenning van de voorziening.
Als binnen de termijn, vermeld in artikel 7, § 1, 2°, de stedenbouwkundige vergunning nog niet is verkregen of aangevraagd of als binnen de termijn, vermeld in artikel 7, § 1, 3°, nog geen winddichte infrastructuur is gerealiseerd, volstaat het dat de initiatiefnemer dat meldt aan het agentschap en daarbij verwijst naar het voor 1 juli 2015 goedgekeurde zorgstrategische plan. De administrateur-generaal verlengt dan de voorafgaande vergunning. De verlenging blijft geldig tot de voltooiing van de bouwwerken en de erkenning van de voorziening.
Als de procedure in het kader van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden wordt stopgezet, hetzij op verzoek van de initiatiefnemer, hetzij door een negatief advies van de coördinatiecommissie bij het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vervalt de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid. In dat geval wordt de geldigheidstermijn van de voorafgaande vergunning nog eenmaal verlengd met maximaal drie jaar vanaf de datum van het verzoek van de initiatiefnemer of de datum van het negatieve advies van de coördinatiecommissie.".
"Art. 14/3. In afwijking van artikel 7, § 1, 2° en 3°, van dit besluit kunnen voorafgaande vergunningen voor de realisatie van lokale en regionale dienstencentra, waarvoor voor 1 juli 2015 een zorgstrategisch plan als vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden of in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, is goedgekeurd, geldig blijven tot de voltooiing van de bouwwerken en de erkenning van de voorziening.
Als binnen de termijn, vermeld in artikel 7, § 1, 2°, de stedenbouwkundige vergunning nog niet is verkregen of aangevraagd of als binnen de termijn, vermeld in artikel 7, § 1, 3°, nog geen winddichte infrastructuur is gerealiseerd, volstaat het dat de initiatiefnemer dat meldt aan het agentschap en daarbij verwijst naar het voor 1 juli 2015 goedgekeurde zorgstrategische plan. De administrateur-generaal verlengt dan de voorafgaande vergunning. De verlenging blijft geldig tot de voltooiing van de bouwwerken en de erkenning van de voorziening.
Als de procedure in het kader van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden wordt stopgezet, hetzij op verzoek van de initiatiefnemer, hetzij door een negatief advies van de coördinatiecommissie bij het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vervalt de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid. In dat geval wordt de geldigheidstermijn van de voorafgaande vergunning nog eenmaal verlengd met maximaal drie jaar vanaf de datum van het verzoek van de initiatiefnemer of de datum van het negatieve advies van de coördinatiecommissie.".
Art. 26. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014, il est inséré un article 14/3, rédigé comme suit :
" Art. 14.3. Par dérogation à l'article 7, § 1er, 2° et 3°, du présent arrêté, des autorisations préalables pour la réalisation de centres de services locaux et régionaux, pour lesquels un plan stratégique de soins tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables ou à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions alternatives d'investissement octroyées par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisées) a été approuvé, restent valables jusqu'à l'achèvement des travaux de construction et l'agrément de la structure.
Si l'autorisation urbanistique n'est pas encore obtenue ou demandée dans le délai visé à l'article 7, § 1er, 2°, ou si l'infrastructure n'est pas encore rendue étanche dans le délai visé à l'article 7, § 1er, 3°, il suffit que l'initiateur le signale à l'agence en faisant référence au plan stratégique de soins approuvé avant le 1er juillet 2015. L'administrateur général prolongera alors l'autorisation préalable. La prolongation reste valable jusqu'à l'achèvement des travaux de construction et l'agrément de la structure.
S'il est mis fin à la procédure dans le cadre du décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, soit à la demande de l'initiateur, soit suite à un avis négatif de la commission de coordination auprès de la " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", la possibilité reprise à l'alinéa premier devient nulle. Dans ce cas, le délai de validité de l'autorisation préalable est une fois encore prolongé de trois ans au maximum à compter de la date de la demande de l'initiateur ou de la date de l'avis négatif de la commission de coordination. ".
" Art. 14.3. Par dérogation à l'article 7, § 1er, 2° et 3°, du présent arrêté, des autorisations préalables pour la réalisation de centres de services locaux et régionaux, pour lesquels un plan stratégique de soins tel que visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables ou à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions alternatives d'investissement octroyées par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisées) a été approuvé, restent valables jusqu'à l'achèvement des travaux de construction et l'agrément de la structure.
Si l'autorisation urbanistique n'est pas encore obtenue ou demandée dans le délai visé à l'article 7, § 1er, 2°, ou si l'infrastructure n'est pas encore rendue étanche dans le délai visé à l'article 7, § 1er, 3°, il suffit que l'initiateur le signale à l'agence en faisant référence au plan stratégique de soins approuvé avant le 1er juillet 2015. L'administrateur général prolongera alors l'autorisation préalable. La prolongation reste valable jusqu'à l'achèvement des travaux de construction et l'agrément de la structure.
S'il est mis fin à la procédure dans le cadre du décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, soit à la demande de l'initiateur, soit suite à un avis négatif de la commission de coordination auprès de la " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", la possibilité reprise à l'alinéa premier devient nulle. Dans ce cas, le délai de validité de l'autorisation préalable est une fois encore prolongé de trois ans au maximum à compter de la date de la demande de l'initiateur ou de la date de l'avis négatif de la commission de coordination. ".
Onderafdeling 4. - Betaling van de vierde schijf
Sous-section 4. - Paiement de la quatrième tranche
Art. 27. In artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 27. A l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinées aux personnes handicapées, le paragraphe 2 est abrogé.
Onderafdeling 5. - Betaling van de vijfde schijf
Sous-section 5. - Paiement de la cinquième tranche
Art. 28. In artikel 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "of definitief principieel akkoord" worden opgeheven;
2° de woorden "of een definitief principieel akkoord" worden opgeheven.
1° de woorden "of definitief principieel akkoord" worden opgeheven;
2° de woorden "of een definitief principieel akkoord" worden opgeheven.
Art. 28. A l'article 16 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " ou aucun accord de principe définitif " sont abrogés ;
2° les mots " ou un accord de principe définitif " sont abrogés.
1° les mots " ou aucun accord de principe définitif " sont abrogés ;
2° les mots " ou un accord de principe définitif " sont abrogés.
Art. 18. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 29 tot en met 34, wordt vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk IV. - Specifieke procedure voor projecten met volledige autofinanciering zonder voorafgaande subsidiebelofte
1° hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 29 tot en met 34, wordt vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk IV. - Specifieke procedure voor projecten met volledige autofinanciering zonder voorafgaande subsidiebelofte
Art. 18. Au même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le chapitre IV, comprenant les articles 29 à 34 inclus, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre IV. - Procédure spécifique pour projets avec autofinancement entier sans promesse de subvention préalable
1° le chapitre IV, comprenant les articles 29 à 34 inclus, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre IV. - Procédure spécifique pour projets avec autofinancement entier sans promesse de subvention préalable
Art. 29. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Jongerenwelzijn erkende voorzieningen en vergunde diensten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 29. A l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréées et les services autorisés par l'" Agentschap Jongerenwelzijn ", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 19. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, wordt hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 35, opgeheven.
Art. 19. Au même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014, le chapitre V, qui se compose de l'article 35, est abrogé.
Art. 20. In artikel 41 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12".
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12".
Art. 20. A l'article 41 du même arrêté remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " à l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 12 " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " à l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 12 ".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, le membre de phrase " à l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 12 " ;
2° au paragraphe 3, le membre de phrase " à l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 12 ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg
CHAPITRE 2. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinées aux personnes âgées et des structures de soins à domicile
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 tot regeling van de algemene leiding, de werking, het beheer en de vertegenwoordiging van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
CHAPITRE 3. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 réglant la direction générale, le fonctionnement, la gestion et la représentation du " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables)
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap
CHAPITRE 5. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinées aux personnes handicapées
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juni 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de door het agentschap Jongerenwelzijn erkende voorzieningen en vergunde diensten
CHAPITRE 6. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures agréées et les services autorisés par l'" Agentschap Jongerenwelzijn "
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen
CHAPITRE 7. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les établissements de soins
Art. 30. In artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen worden paragraaf 3 en paragraaf 4 opgeheven.
Art. 30. A l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les établissements de soins, les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk
CHAPITRE 8. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour l'aide sociale générale
Art. 31. In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor het algemeen welzijnswerk wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 31. A l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour l'aide sociale générale, le paragraphe 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de preventieve en de ambulante gezondheidszorg
CHAPITRE 9. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des soins de santé préventifs et ambulants
Art. 32. In artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de preventieve en de ambulante gezondheidszorg wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 32. A l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des soins de santé préventifs et ambulants, le paragraphe 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de sector van de voorzieningen voor gezinnen met kinderen
CHAPITRE 10. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2011 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants
Art. 33. In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de sector van de voorzieningen voor gezinnen met kinderen wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 33. A l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2011 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour le secteur des établissements de soins destinés à des familles avec des enfants, le paragraphe 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden
CHAPITRE 11. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions d'investissement alternatives octroyées par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières Personnalisables)
Art. 34. In artikel 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12".
Art. 34. A l'article 3, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions d'investissement alternatives octroyées par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden" (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables), le membre de phrase " l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 12 ".
Art. 35. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "een eerste aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage" vervangen door de woorden "een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage" en worden de woorden "Die eerste aanvraag" vervangen door de woorden "Die aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zin "Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren." vervangen door de zin "Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.";
3° een derde tot en met vijfde lid worden toegevoegd, die luiden als volgt:
"De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt die procedure door het Fonds automatisch opgestart.
Nadat de aanvrager de betreffende infrastructuur in gebruik heeft genomen, meldt hij onmiddellijk de datum van ingebruikname aan het Fonds.".
1° in het eerste lid worden de woorden "een eerste aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage" vervangen door de woorden "een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage" en worden de woorden "Die eerste aanvraag" vervangen door de woorden "Die aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zin "Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren." vervangen door de zin "Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.";
3° een derde tot en met vijfde lid worden toegevoegd, die luiden als volgt:
"De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt die procedure door het Fonds automatisch opgestart.
Nadat de aanvrager de betreffende infrastructuur in gebruik heeft genomen, meldt hij onmiddellijk de datum van ingebruikname aan het Fonds.".
Art. 35. A l'article 34 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " une première demande d'octroi d'une subvention-utilisation " sont remplacés par les mots " une demande d'octroi d'une première subvention-utilisation " et les mots " Cette première demande " sont remplacés par les mots " Cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être joints à sa demande dans les années suivantes. " est remplacée par la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être transmis au Fonds. " ;
3° il est ajouté des alinéas 3 à 5 inclus, rédigés comme suit :
" La demande, visée à l'alinéa 1er, contient le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation.
Après la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, cette procédure est automatiquement mise en marche.
Après que le demandeur ait mis en service l'infrastructure en question, il informe le Fonds immédiatement de la date de mise en service. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " une première demande d'octroi d'une subvention-utilisation " sont remplacés par les mots " une demande d'octroi d'une première subvention-utilisation " et les mots " Cette première demande " sont remplacés par les mots " Cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être joints à sa demande dans les années suivantes. " est remplacée par la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être transmis au Fonds. " ;
3° il est ajouté des alinéas 3 à 5 inclus, rédigés comme suit :
" La demande, visée à l'alinéa 1er, contient le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation.
Après la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, cette procédure est automatiquement mise en marche.
Après que le demandeur ait mis en service l'infrastructure en question, il informe le Fonds immédiatement de la date de mise en service. ".
Art. 36. In het opschrift van onderafdeling 2 van hoofdstuk 5, afdeling 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "Aanvraagprocedure" vervangen door het woord "Procedure".
Art. 36. Dans l'intitulé de la sous-section 2 du chapitre 5, section 4, du même arrêté, les mots " Procédure de demande " sont remplacés par le mot " Procédure ".
Art. 37. Artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 35. Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van de aanvraag van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
3° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een geactualiseerde raming voor de verschillende soorten van werkzaamheden en per zorgvorm;
7° de bestekken;
8° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° de verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
In geval van een aankoop zonder verbouwing van een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum is alleen het tweede lid van toepassing en hoeven alleen de stukken, vermeld in het tweede lid, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° en 12°, ter beschikking gehouden te worden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd te worden aan het Fonds.".
"Art. 35. Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van de aanvraag van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
3° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een geactualiseerde raming voor de verschillende soorten van werkzaamheden en per zorgvorm;
7° de bestekken;
8° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° een eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° de verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
In geval van een aankoop zonder verbouwing van een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum is alleen het tweede lid van toepassing en hoeven alleen de stukken, vermeld in het tweede lid, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° en 12°, ter beschikking gehouden te worden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd te worden aan het Fonds.".
Art. 37. L'article 35 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 35. Pendant les travaux et jusqu'à un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à la demande de l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
3° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme actualisé d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une estimation actualisée suivant les différents types de travaux et par forme de soins ;
7° les cahiers des charges ;
8° le dossier d'attribution comportant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
7° les données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
Dans le cas d'un achat sans transformation d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, seul l'alinéa 2 s'applique et uniquement les documents visés à l'alinéa 2, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° et 12°, doivent être tenus à disposition par le demandeur ou être transmis au Fonds à la demande de celui-ci. ".
" Art. 35. Pendant les travaux et jusqu'à un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à la demande de l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
3° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme actualisé d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une estimation actualisée suivant les différents types de travaux et par forme de soins ;
7° les cahiers des charges ;
8° le dossier d'attribution comportant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6 du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
7° les données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bâtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions subventionnés par l'autorité et relevant de la Communauté flamande ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
Dans le cas d'un achat sans transformation d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, seul l'alinéa 2 s'applique et uniquement les documents visés à l'alinéa 2, 1°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11° et 12°, doivent être tenus à disposition par le demandeur ou être transmis au Fonds à la demande de celui-ci. ".
Art. 38. Artikel 36 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 36. Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.".
"Art. 36. Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.".
Art. 38. L'article 36 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 36. Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis à la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents. ".
" Art. 36. Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis à la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents. ".
Art. 39. Artikel 37 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 37. Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.".
"Art. 37. Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.".
Art. 39. L'article 37 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 37. Lors de la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation. ".
" Art. 37. Lors de la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation. ".
Art. 40. In artikel 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "met een aangetekende brief een eerste aanvraag van een gebruikstoelage" vervangen door de woorden "een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage" en worden de woorden "Die eerste aanvraag" vervangen door de woorden "Die aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zin "Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren." vervangen door de zin "Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.";
3° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen en vermeldt de datum van ingebruikname van de betreffende infrastructuur, of van een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage te worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt de procedure door het Fonds automatisch opgestart.".
1° in het eerste lid worden de woorden "met een aangetekende brief een eerste aanvraag van een gebruikstoelage" vervangen door de woorden "een aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage" en worden de woorden "Die eerste aanvraag" vervangen door de woorden "Die aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zin "Als de aanvrager bij een aanvraag al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer gevoegd te worden bij zijn aanvraag in de daaropvolgende jaren." vervangen door de zin "Als de aanvrager al bepaalde stukken heeft bezorgd aan het Fonds, hoeven dezelfde stukken niet meer bezorgd te worden aan het Fonds.";
3° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een gebruikstoelage aan te vragen en vermeldt de datum van ingebruikname van de betreffende infrastructuur, of van een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname.
Na de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage hoeft er in de volgende jaren geen nieuwe aanvraag tot verstrekking van een gebruikstoelage te worden ingediend door de aanvrager. In de volgende jaren wordt de procedure door het Fonds automatisch opgestart.".
Art. 40. A l'article 63 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " une première demande de subvention-utilisation auprès du fonds par lettre recommandée " sont remplacés par les mots " une demande d'octroi d'une première subvention-utilisation auprès du Fonds " et les mots " Cette première demande " sont remplacés par les mots " Cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être joints à sa demande dans les années suivantes. " est remplacée par la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être transmis au Fonds. " ;
3° il est ajouté des alinéas 3 et 4, rédigés comme suit :
" La demande visée à l'alinéa 1er, contient le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation et mentionne la date de mise en service de l'infrastructure concernée, ou d'une partie de celle-ci en cas de mise en service échelonnée.
Après la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, la procédure est automatiquement mise en marche. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " une première demande de subvention-utilisation auprès du fonds par lettre recommandée " sont remplacés par les mots " une demande d'octroi d'une première subvention-utilisation auprès du Fonds " et les mots " Cette première demande " sont remplacés par les mots " Cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être joints à sa demande dans les années suivantes. " est remplacée par la phrase " Si le demandeur a déjà transmis certains documents au Fonds, les mêmes documents ne doivent plus être transmis au Fonds. " ;
3° il est ajouté des alinéas 3 et 4, rédigés comme suit :
" La demande visée à l'alinéa 1er, contient le procès-verbal signé de la réunion des organes compétents du demandeur avec la décision de demander une subvention-utilisation et mentionne la date de mise en service de l'infrastructure concernée, ou d'une partie de celle-ci en cas de mise en service échelonnée.
Après la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation, le demandeur ne doit plus introduire une nouvelle demande d'octroi d'une subvention-utilisation dans les années suivantes. Dans les années suivantes, la procédure est automatiquement mise en marche. ".
Art. 41. In het opschrift van onderafdeling 2 van hoofdstuk 6, afdeling 4, van hetzelfde besluit wordt het woord "Aanvraagprocedure" vervangen door het woord "Procedure".
Art. 41. Dans l'intitulé de la sous-section 2 du chapitre 6, section 4, du même arrêté, les mots " Procédure de demande " sont remplacés par le mot " Procédure ".
Art. 42. Artikel 64 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 64. Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de stedenbouwkundige vergunning;
3° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
4° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
5° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
6° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid;
7° een geactualiseerde raming, per kostensoort en per zorgvorm;
8° de bestekken;
9° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
10° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager, waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
11° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.".
"Art. 64. Tijdens de werkzaamheden en tot een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de stedenbouwkundige vergunning;
3° een overzicht van de uitgevoerde en geplande werkzaamheden;
4° een overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
5° een geactualiseerd programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
6° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid;
7° een geactualiseerde raming, per kostensoort en per zorgvorm;
8° de bestekken;
9° het gunningsdossier, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
10° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
11° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
12° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.
Vanaf een jaar na de ingebruikname van de betreffende infrastructuur worden de volgende stukken ter beschikking gehouden door de aanvrager of op verzoek van het Fonds bezorgd aan het Fonds:
1° een verslag met een overzicht van de wijze waarop de aanvrager tegemoetgekomen is aan de opmerkingen, vermeld bij het definitieve principiële akkoord, en over alle wijzigingen die ten aanzien van het definitieve principiële akkoord doorgevoerd zijn, zowel op bouwfysisch, bouwtechnisch, conceptueel als functioneel vlak;
2° de eindafrekening, die bestaat uit:
a) de eindstaat van het project, per perceel en per onderdeel. De onderdelen zijn ruwbouw, technische uitrusting, afwerking en losse uitrusting en meubilering;
b) de finale bouwkosten van het project per soort van werkzaamheden en per zorgvorm;
c) de door de aannemer bezorgde facturen of vorderingsstaten;
3° een definitief overzicht van de gunningen, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
4° een definitief programma van eisen op het vlak van comfort en gebruik van energie, water en materialen;
5° de volgende documenten ter staving van duurzaam bouwen:
a) een actualisatie van de afvinklijst duurzaam bouwen op basis van een model dat ter beschikking wordt gesteld door het Fonds;
b) een akkoordbrief van de aanvrager, waarbij hij stelt dat aan het programma van eisen is voldaan, conform de minimumeisen van de minister, en waarbij hij stelt dat afdoende rekening is gehouden met de vereisten en adviezen;
c) studies of adviezen ter ondersteuning van de aangeduide criteria duurzaamheid, waaronder een document ter staving van de energieprestatieregelgeving (EPB);
6° een evaluatie van het project, opgemaakt op basis van een model dat door het Fonds ter beschikking wordt gesteld;
7° verbruiksgegevens van energie en water;
8° het gunningsdossier, per aanbesteding, dat bestaat uit:
a) het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen;
b) alle biedingen;
c) de verslagen van de controle van de biedingen;
d) de door de aanvrager gemotiveerde keuze van aannemer of leverancier;
9° het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
10° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen overeenkomstig artikel 4, § 5 en § 6, van dit besluit:
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de voltallige raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4 van dit besluit;
11° de authentieke akte waaruit blijkt dat de aanvrager over een genotsrecht beschikt als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.".
Art. 42. L'article 64 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 64. Pendant les travaux et jusqu'à un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° l'autorisation urbanistique ;
3° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
4° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
5° un programme actualisé d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
6° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués de durabilité ;
7° une estimation actualisée, par genre de coût et par forme de soins ;
8° les cahiers des charges ;
9° le dossier d'attribution comportant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
10° le procès-verbal de la réception provisoire ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur par laquelle il confirme que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
7° des données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
11° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994. ".
" Art. 64. Pendant les travaux et jusqu'à un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° l'autorisation urbanistique ;
3° un aperçu des travaux exécutés et envisagés ;
4° un aperçu des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
5° un programme actualisé d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
6° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) des études ou avis à l'appui des critères indiqués de durabilité ;
7° une estimation actualisée, par genre de coût et par forme de soins ;
8° les cahiers des charges ;
9° le dossier d'attribution comportant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
10° le procès-verbal de la réception provisoire ;
11° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
12° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994.
A partir d'un an après la mise en service de l'infrastructure concernée, les documents suivants sont tenus à disposition par le demandeur et transmis au Fonds à la demande de celui-ci :
1° un rapport ainsi qu'un aperçu de la manière dont le demandeur a donné suite aux remarques mentionnées dans l'accord de principe définitif, et de toutes les modifications ayant été apportées par rapport à l'accord de principe définitif, tant au niveau des aspects techniques et des aspects physiques de la construction qu'au niveau conceptuel et au niveau fonctionnel ;
2° un décompte final, comportant :
a) l'état final du projet, par parcelle et par partie. Les parties sont le gros oeuvre, l'équipement technique, la finition et l'équipement et le mobilier amovibles ;
b) le coût final de construction du projet par type de travaux et par forme de soins ;
c) les factures ou états d'avancement transmis par l'entrepreneur ;
3° un aperçu définitif des attributions, établi au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
4° un programme définitif d'exigences en matière de confort et d'usage d'énergie, d'eau et de matériaux ;
5° les documents suivants attestant qu'il s'agit d'une construction durable :
a) une liste actualisée avec cases à cocher pour constructions durables, sur la base d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
b) une lettre d'accord du demandeur par laquelle il confirme que le programme d'exigences a été rempli, conformément aux exigences minimales du Ministre, et qu'il a suffisamment été tenu compte des exigences et avis ;
c) des études ou avis à l'appui des critères indiqués pour constructions durables, dont un document attestant la réglementation en matière de performance énergétique (EPB) ;
6° une évaluation du projet, établie au vu d'un modèle mis à disposition par le Fonds ;
7° des données de consommation d'énergie et d'eau ;
8° le dossier d'attribution par adjudication, comprenant :
a) le procès-verbal de l'ouverture des soumissions ;
b) toutes les offres ;
c) les rapports du contrôle des offres ;
d) le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
9° le procès-verbal de la réception provisoire ou définitive ;
10° en vue du contrôle sur la parenté, visée aux articles 3 et 4 du présent arrêté, lorsque le demandeur n'est pas le propriétaire du terrain ou le détenteur du droit réel sur le terrain sur lequel le projet est envisagé, et sans préjudice de la possibilité du Fonds de demander des données complémentaires, conformément à l'article 4, §§ 5 et 6, du présent arrêté :
a) le dernier compte annuel approuvé du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
b) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du demandeur, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
c) le dernier compte annuel approuvé des administrateurs dotés de la personnalité juridique dans le conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain, lorsque celui-ci ne doit pas être déposé à la Banque nationale de Belgique ;
d) une déclaration dont l'original est signé par l'entier conseil d'administration du propriétaire du terrain ou du détenteur des droits réels sur le terrain d'une part, et par le demandeur d'autre part, qu'il n'existe pas de parenté illégitime entre le propriétaire du terrain ou le détenteur des droits réels sur le terrain et le demandeur, tel que visé aux articles 3 et 4 du présent arrêté ;
11° l'acte authentique dont il ressort que le demandeur bénéficie d'un droit de jouissance, tel que visé à l'article 12 du décret du 23 février 1994. ".
Art. 43. Artikel 65 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 65. Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.".
"Art. 65. Het Fonds doet voor het onderzoek van het dossier een beroep op de personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds.
De personeelsleden die ter beschikking staan van het Fonds, kunnen aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager. Hun advies wordt opgemaakt op basis van een onderzoek ter plaatse of op basis van stukken.".
Art. 43. L'article 65 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 65. Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis à la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents. ".
" Art. 65. Pour l'examen du dossier, le Fonds fait appel aux membres du personnel qui sont mis à la disposition du Fonds.
Les membres du personnel qui sont à la disposition du Fonds peuvent demander des renseignements complémentaires au demandeur. Leur avis est établi sur la base d'un examen sur place ou au vu de documents. ".
Art. 44. Artikel 66 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 66. Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.".
"Art. 66. Bij de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage en bij de dossiers waarvoor er in het verleden nog geen gebruikstoelagen zijn verstrekt, beslist de minister over het al dan niet verstrekken van een gebruikstoelage. Met het oog daarop legt het Fonds een ontwerp van beslissing voor aan de minister. In de andere gevallen beslist het personeelslid dat belast is met de algemene leiding van het Fonds, over de toekenning van een gebruikstoelage.".
Art. 44. L'article 66 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 66. Lors de la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation. ".
" Art. 66. Lors de la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation et pour les dossiers qui n'ont pas encore fait l'objet d'un octroi de subventions-utilisation, le Ministre décide de l'octroi ou non d'une subvention-utilisation. A cet effet, le Fonds soumet au Ministre un projet de décision. Dans les autres cas, le membre du personnel chargé de la direction générale du Fonds décide de l'octroi d'une subvention-utilisation. ".
Art. 45. In artikel 70 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, worden de woorden "de eerste aanvraag tot het verkrijgen van een gebruikstoelage" vervangen door de worden "de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage".
Art. 45. A l'article 70 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, les mots " la première demande d'obtention d'une subvention-utilisation " sont remplacés par les mots " la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation ".
Art. 46. In artikel 72 van hetzelfde besluit worden de woorden "de eerste aanvraag tot het verkrijgen van een gebruikstoelage" vervangen door de woorden "de aanvraag tot verstrekking van een eerste gebruikstoelage".
Art. 46. A l'article 72 du même arrêté, les mots " la première demande d'obtention d'une subvention-utilisation " sont remplacés par les mots " la demande d'octroi d'une première subvention-utilisation ".
Art. 47. Artikel 73 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 73. Het bedrag van de gebruikstoelage wordt vastgesteld, naargelang het geval, conform artikel 12 of 40.".
"Art. 73. Het bedrag van de gebruikstoelage wordt vastgesteld, naargelang het geval, conform artikel 12 of 40.".
Art. 47. L'article 73 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 73. Le montant de la subvention-utilisation est fixé conformément à l'article 12 ou 40, suivant le cas. ".
" Art. 73. Le montant de la subvention-utilisation est fixé conformément à l'article 12 ou 40, suivant le cas. ".
Art. 48. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014 en 16 mei 2014, worden de artikelen 74 tot en met 83 opgeheven.
Art. 48. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 février 2014 et 16 mai 2014, les articles 74 à 83 inclus sont abrogés.
Art. 49. In artikel 87, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, wordt de zinsnede "artikel 12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 12".
Art. 49. Dans l'article 87, alinéa 1er et 3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 février 2014, le membre de phrase " l'article 12, § 1er, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 12 ".
Art. 50. Aan artikel 91 van hetzelfde besluit worden de woorden "voor woonzorgcentra of centra voor kortverblijf" toegevoegd.
Art. 50. A l'article 91 du même arrêté, les mots " pour des centres de soins et de logement ou des centres de court séjour " sont ajoutés.
Art. 51. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014 en 16 mei 2014, wordt een artikel 92/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 92/2. In de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen, en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum worden de dossiers waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, nog geen definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, is gegeven, verder behandeld conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de proceduregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Het Fonds informeert de aanvrager over de stand van zaken van zijn dossier in de procedure en vraagt in voorkomend geval de ontbrekende stukken op.
Vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, kunnen geen nieuwe aanvragen met het oog op het verkrijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, meer worden ingediend in de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum.".
"Art. 92/2. In de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen, en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum worden de dossiers waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, nog geen definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, is gegeven, verder behandeld conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de proceduregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Het Fonds informeert de aanvrager over de stand van zaken van zijn dossier in de procedure en vraagt in voorkomend geval de ontbrekende stukken op.
Vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 tot wijziging van diverse besluiten inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen, wat betreft de lokale en regionale dienstencentra, kunnen geen nieuwe aanvragen met het oog op het verkrijgen van een definitief principieel akkoord als vermeld in artikel 13 of 41 van dit besluit, meer worden ingediend in de sector van de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap, in de sector van de verzorgingsinstellingen en betreffende een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum.".
Art. 51. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 février 2014 et 16 mai 2014, il est inséré un article 92/2, rédigé comme suit :
" Art. 92/2. Dans le secteur des structures d'intégration sociale des personnes handicapées, dans le secteur des établissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, les dossiers n'ayant pas encore fait l'objet d'un accord de principe définitif tel que visé à l'article 13 ou 41 du présent arrêté à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrêtés relatifs à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et régionaux, continuent à être traités conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables. Le Fonds informe le demandeur de l'état d'avancement de son dossier selon la procédure et réclame, le cas échéant, les documents manquants.
A partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrêtés relatifs à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et régionaux, aucune nouvelle demande d'obtention d'un accord de principe définitif tel que visé à l'article 13 ou 41 du présent arrêté ne peut plus être introduite dans le secteur des structures d'intégration sociale des personnes handicapées, dans le secteur des établissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour. ".
" Art. 92/2. Dans le secteur des structures d'intégration sociale des personnes handicapées, dans le secteur des établissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour, les dossiers n'ayant pas encore fait l'objet d'un accord de principe définitif tel que visé à l'article 13 ou 41 du présent arrêté à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrêtés relatifs à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et régionaux, continuent à être traités conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables. Le Fonds informe le demandeur de l'état d'avancement de son dossier selon la procédure et réclame, le cas échéant, les documents manquants.
A partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 janvier 2016 modifiant divers arrêtés relatifs à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 réglementant l'octroi de l'autorisation préalable pour certaines structures de services de soins et de logement, pour ce qui est des centres de services locaux et régionaux, aucune nouvelle demande d'obtention d'un accord de principe définitif tel que visé à l'article 13 ou 41 du présent arrêté ne peut plus être introduite dans le secteur des structures d'intégration sociale des personnes handicapées, dans le secteur des établissements de soins, et pour ce qui est d'un centre de services local, d'un centre de services régional ou d'un centre de soins de jour. ".
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Art. 52. Voor dossiers die door het Fonds al ontvankelijk zijn verklaard vóór de inwerkingtreding van dit besluit met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, hoeft het Fonds geen stedenbouwkundige vergunning voor het project te hebben verkregen vóór de subsidiebelofte voor het project kan worden gegeven. Als een subsidiebelofte wordt gegeven voor die dossiers, bezorgt de aanvrager, nadat hij het bevel heeft gegeven tot aanvang van de werkzaamheden, de bestelling geplaatst heeft of de authentieke akte verleden heeft, een kopie van de stedenbouwkundige vergunning aan het Fonds.
Voor dossiers die door het Fonds al ontvankelijk zijn verklaard vóór de inwerkingtreding van dit besluit met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, moet het Fonds een stedenbouwkundig attest hebben verkregen vóór de subsidiebelofte voor het project kan worden gegeven. Als een subsidiebelofte wordt gegeven voor die dossiers, bezorgt de aanvrager, nadat hij het bevel heeft gegeven tot aanvang van de werkzaamheden, de bestelling geplaatst heeft of de authentieke akte verleden heeft, een kopie van de stedenbouwkundige vergunning aan het Fonds.
Voor dossiers die door het Fonds al ontvankelijk zijn verklaard vóór de inwerkingtreding van dit besluit met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, moet het Fonds een stedenbouwkundig attest hebben verkregen vóór de subsidiebelofte voor het project kan worden gegeven. Als een subsidiebelofte wordt gegeven voor die dossiers, bezorgt de aanvrager, nadat hij het bevel heeft gegeven tot aanvang van de werkzaamheden, de bestelling geplaatst heeft of de authentieke akte verleden heeft, een kopie van de stedenbouwkundige vergunning aan het Fonds.
Art. 52. Pour les dossiers ayant déjà été déclarés recevables par le Fonds avant l'entrée en vigueur du présent arrêté par application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 établissant les règles de procédure relatives à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, il n'est pas nécessaire que le Fonds ait déjà obtenu une autorisation urbanistique pour le projet avant que la promesse de subvention puisse être donnée pour le projet. S'il est donné une promesse de subvention pour ces dossiers, le demandeur transmet une copie de l'autorisation urbanistique au Fonds, après qu'il a donné l'ordre d'entamer les travaux, placé la commande ou passé l'acte authentique.
Pour les dossiers ayant déjà été déclarés recevables par le Fonds avant l'entrée en vigueur du présent arrêté par application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions d'investissement alternatives octroyées par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden" (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables), tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, il est nécessaire que le Fonds ait obtenu une autorisation urbanistique avant que la promesse de subvention puisse être donnée pour le projet. S'il est donné une promesse de subvention pour ces dossiers, le demandeur transmet une copie de l'autorisation urbanistique au Fonds, après qu'il a donné l'ordre d'entamer les travaux, placé la commande ou passé l'acte authentique.
Pour les dossiers ayant déjà été déclarés recevables par le Fonds avant l'entrée en vigueur du présent arrêté par application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions d'investissement alternatives octroyées par le "Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden" (Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables), tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, il est nécessaire que le Fonds ait obtenu une autorisation urbanistique avant que la promesse de subvention puisse être donnée pour le projet. S'il est donné une promesse de subvention pour ces dossiers, le demandeur transmet une copie de l'autorisation urbanistique au Fonds, après qu'il a donné l'ordre d'entamer les travaux, placé la commande ou passé l'acte authentique.
Art. 53. Artikel 26 heeft uitwerking met ingang van 1 augustus 2014 en artikel 47 en 48 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Art. 53. L'article 26 produit ses effets le 1er août 2014 et les articles 47 et 48 produisent leurs effets le 1er janvier 2015.
Art. 54. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 54. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions et le Ministre flamand ayant la politique de santé dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.