Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 : het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds;
2° erkende kredietinstelling : een met toepassing van het ministerieel besluit van 2 februari 2016 tot erkenning van kredietinstellingen ter uitvoering van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds en tot opheffing van het ministerieel besluit van 30 september 2005 tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, erkende kredietinstelling;
3° VLIF : het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, opgericht bij artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
2 FEBRUARI 2016. - Ministerieel besluit betreffende de tegemoetkoming door het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds bij uitzonderlijke gebeurtenissen
Titre
2 FEVRIER 2016. - Arrêté ministériel relatif à l'intervention par le " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) " (Fonds flamand d'investissement agricole) lors d'événements exceptionnels
Documentinformatie
Numac: 2016035197
Datum: 2016-02-02
Info du document
Numac: 2016035197
Date: 2016-02-02
Inhoud
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) ;
2° établissement de crédit agréé : un établissement de crédit agréé par application de l'arrêté ministériel du 2 février 2016 portant agrément d'établissements de crédit en exécution de l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) et portant abrogation de l'arrêté ministériel du 30 septembre 2005 portant agrément d'établissements de crédit pour l'octroi de crédits éligibles à l'aide du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) par le Ministre flamand chargé de l'agriculture ;
3° VLIF: " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole), créé par l'article 12 du décret du 22 décembre 1993 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1994.
1° arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) ;
2° établissement de crédit agréé : un établissement de crédit agréé par application de l'arrêté ministériel du 2 février 2016 portant agrément d'établissements de crédit en exécution de l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) et portant abrogation de l'arrêté ministériel du 30 septembre 2005 portant agrément d'établissements de crédit pour l'octroi de crédits éligibles à l'aide du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) par le Ministre flamand chargé de l'agriculture ;
3° VLIF: " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole), créé par l'article 12 du décret du 22 décembre 1993 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1994.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de waarborg
CHAPITRE 2. - Conditions d'éligibilité à la garantie
Art.2. De waarborg kan alleen toegekend worden als aan al de volgende voorwaarden voldaan is :
1° de aanvrager is een landbouwer met lopende VLIF-steundossiers of een landbouwer als vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit;
2° het bedrijf is geen "onderneming in moeilijkheden" volgens de definitie in de Communautaire Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01);
3° de productierisico's zijn ten laste van de exploitant. Werken met een prijsgarantiecontract wordt aanvaard;
4° de aanvrager verklaart de intentie te hebben het bedrijf voort te blijven exploiteren, minstens voor de looptijd van de toegekende waarborg;
5° met de tussenkomst van een erkende kredietinstelling is een financiële analyse van het bedrijf bezorgd;
6° de aanvrager heeft de de-minimisverklaring die als bijlage bij dit besluit is gevoegd ondertekend;
7° de aanvrager motiveert de uitzonderlijke gebeurtenissen die resulteerden in een directe of indirecte verstoring van de betrokken markten en de gevolgen voor de bedrijfsvoering.
De financiële analyse, vermeld in het eerst lid, 5°, geeft een overzicht van :
1° een vermoedelijk tijdelijk liquiditeitstekort op het landbouwbedrijf;
2° de vermogenstoestand van de aanvrager, waarbij een overzicht wordt gegeven van de waarde van de roerende en onroerende goederen op het bedrijf en de lopende schulden;
3° de kredietlasten en de draagbaarheid van de kredietlasten, waarbij aangetoond wordt dat de aanvrager de capaciteit heeft, gedurende de looptijd van de gevraagde waarborgperiode, om de bestaande en de nieuwe kredietlasten terug te betalen;
4° de berekening van de jaarlijkse operationele kosten. De berekening kan zowel gebaseerd zijn op een bedrijfseconomische boekhouding, een vennootschapsboekhouding of een interne berekening op basis van de eigen gegevens over de sector en het bedrijf;
5° de waarborgpositie van de aanvrager.
1° de aanvrager is een landbouwer met lopende VLIF-steundossiers of een landbouwer als vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en artikel 3, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit;
2° het bedrijf is geen "onderneming in moeilijkheden" volgens de definitie in de Communautaire Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01);
3° de productierisico's zijn ten laste van de exploitant. Werken met een prijsgarantiecontract wordt aanvaard;
4° de aanvrager verklaart de intentie te hebben het bedrijf voort te blijven exploiteren, minstens voor de looptijd van de toegekende waarborg;
5° met de tussenkomst van een erkende kredietinstelling is een financiële analyse van het bedrijf bezorgd;
6° de aanvrager heeft de de-minimisverklaring die als bijlage bij dit besluit is gevoegd ondertekend;
7° de aanvrager motiveert de uitzonderlijke gebeurtenissen die resulteerden in een directe of indirecte verstoring van de betrokken markten en de gevolgen voor de bedrijfsvoering.
De financiële analyse, vermeld in het eerst lid, 5°, geeft een overzicht van :
1° een vermoedelijk tijdelijk liquiditeitstekort op het landbouwbedrijf;
2° de vermogenstoestand van de aanvrager, waarbij een overzicht wordt gegeven van de waarde van de roerende en onroerende goederen op het bedrijf en de lopende schulden;
3° de kredietlasten en de draagbaarheid van de kredietlasten, waarbij aangetoond wordt dat de aanvrager de capaciteit heeft, gedurende de looptijd van de gevraagde waarborgperiode, om de bestaande en de nieuwe kredietlasten terug te betalen;
4° de berekening van de jaarlijkse operationele kosten. De berekening kan zowel gebaseerd zijn op een bedrijfseconomische boekhouding, een vennootschapsboekhouding of een interne berekening op basis van de eigen gegevens over de sector en het bedrijf;
5° de waarborgpositie van de aanvrager.
Art.2. La garantie ne peut être accordée que lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° le demandeur est un agriculteur avec des dossiers d'aides VLIF ou un agriculteur tel que visé à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l'agriculture, qui répond aux articles 2 et 3, alinéa 1er à 4, de l'arrêté précité ;
2° l'entreprise n'est pas une " entreprise en difficulté " au sens des Lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat au sauvetage et à la restructuration d'entreprises en difficulté autres que les établissements financiers (2014/C 249/01) ;
3° les risques de production sont à charge de l'exploitant. Travailler avec un contrat de garantie de prix est accepté ;
4° le demandeur déclare avoir l'intention de continuer à exploiter l'entreprise, au moins pour la durée de la garantie accordée ;
5° par l'entremise d'un établissement de crédit agréé, une analyse financière de l'entreprise est délivrée ;
6° le demandeur a signé la déclaration de minimis jointe au présent arrêté.
7° le demandeur motive les événements exceptionnels qui aboutissaient à une perturbation directe ou indirecte des marchés en cause, et les conséquences pour la gestion de l'entreprise
L'analyse financière, visée à l'alinéa 1er, 5°, comporte au moins un aperçu :
1° d'un manque probablement temporaire de liquidités dans l'entreprise agricole ;
2° du patrimoine du demandeur, comprenant également un aperçu de la valeur des biens meubles et immeubles de l'entreprise et des dettes courantes ;
3° des charges du crédit et la supportabilité des charges du crédit, tout en démontrant que le demandeur est capable de rembourser les coûts de crédit existants et nouveaux pendant la durée de la période de garantie demandée ;
4° du calcul des coûts opérationnels annuels. Le calcul peut être basé tant sur une comptabilité de gestion, une comptabilité des sociétés ou un calcul interne sur la base de ses propres données sur le secteur et l'entreprise ;
5° de la position de garantie du demandeur.
1° le demandeur est un agriculteur avec des dossiers d'aides VLIF ou un agriculteur tel que visé à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 concernant les aides aux investissements et à la reprise dans l'agriculture, qui répond aux articles 2 et 3, alinéa 1er à 4, de l'arrêté précité ;
2° l'entreprise n'est pas une " entreprise en difficulté " au sens des Lignes directrices communautaires concernant les aides d'Etat au sauvetage et à la restructuration d'entreprises en difficulté autres que les établissements financiers (2014/C 249/01) ;
3° les risques de production sont à charge de l'exploitant. Travailler avec un contrat de garantie de prix est accepté ;
4° le demandeur déclare avoir l'intention de continuer à exploiter l'entreprise, au moins pour la durée de la garantie accordée ;
5° par l'entremise d'un établissement de crédit agréé, une analyse financière de l'entreprise est délivrée ;
6° le demandeur a signé la déclaration de minimis jointe au présent arrêté.
7° le demandeur motive les événements exceptionnels qui aboutissaient à une perturbation directe ou indirecte des marchés en cause, et les conséquences pour la gestion de l'entreprise
L'analyse financière, visée à l'alinéa 1er, 5°, comporte au moins un aperçu :
1° d'un manque probablement temporaire de liquidités dans l'entreprise agricole ;
2° du patrimoine du demandeur, comprenant également un aperçu de la valeur des biens meubles et immeubles de l'entreprise et des dettes courantes ;
3° des charges du crédit et la supportabilité des charges du crédit, tout en démontrant que le demandeur est capable de rembourser les coûts de crédit existants et nouveaux pendant la durée de la période de garantie demandée ;
4° du calcul des coûts opérationnels annuels. Le calcul peut être basé tant sur une comptabilité de gestion, une comptabilité des sociétés ou un calcul interne sur la base de ses propres données sur le secteur et l'entreprise ;
5° de la position de garantie du demandeur.
HOOFDSTUK 3. - Aard en berekening van de waarborg
CHAPITRE 3. - Nature et calcul de la garantie
Art.3. Dit besluit verleent een tijdelijke VLIF-waarborg voor kredieten met het oog op de verhoging van de werkingsmiddelen of herfinanciering, verleend door erkende kredietinstellingen.
Art.3. Le présent arrêté accorde une garantie VLIF temporaire aux crédits en vue de l'augmentation des moyens de fonctionnement ou d'un refinancement, attribué par les établissements de crédit agréés.
Art.4. Het gewaarborgde kredietgedeelte bedraagt maximaal de helft van de jaarlijkse operationele kosten, zoals aangetoond in de financiële analyse, vermeld in artikel 2, eerste lid, 5°.
Art.4. La partie garantie du crédit s'élève à au maximum la moitié des coûts opérationnels annuels, tels que démontrés dans l'analyse financière, visée à l'article 2, premier alinéa, 5°.
Art.5. Het brutosubsidie-equivalent van de waarborg bedraagt maximaal 15.000 euro per bedrijf gedurende drie jaar conform de bepalingen in Verordening (EG) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de minimissteun in de landbouwsector.
Art.5. L'équivalent-subvention brut de la garantie s'élève à au maximum 15.000 euros par entreprise pendant trois ans conformément aux dispositions du Règlement (CE) n° 1408/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture.
Art.6. De kredieten met het oog op de verhoging van de werkingsmiddelen betreffen de financiering van operationele kosten als vermeld in de bijlage van het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 betreffende bepalingen en minimumstandaard voor de bedrijfseconomische boekhouding in de landbouw dienstig als basis voor de door de Vlaamse overheid gesteunde adviseringssystemen.
Het gewaarborgde krediet heeft een maximale looptijd van zeven jaar.
De waarborg heeft een maximale looptijd van vier jaar en wordt maandelijks evenredig afgebouwd.
Het gewaarborgde krediet heeft een maximale looptijd van zeven jaar.
De waarborg heeft een maximale looptijd van vier jaar en wordt maandelijks evenredig afgebouwd.
Art.6. Les crédits en vue de l'augmentation des moyens de fonctionnement concernent le financement des coûts opérationnels tels que visés à l'annexe à l'arrêté ministériel du 1er octobre 2007 relatif aux dispositions et au socle minimal pour une comptabilité de gestion dans l'agriculture utile comme base pour les systèmes-conseil soutenus par l'autorité flamande.
Le crédit garanti a une durée maximale de sept ans.
La garantie est d'une durée de quatre ans au maximum et fait l'objet d'une suppression progressive et mensuelle.
Le crédit garanti a une durée maximale de sept ans.
La garantie est d'une durée de quatre ans au maximum et fait l'objet d'une suppression progressive et mensuelle.
Art.7. De waarborg met betrekking tot de herfinanciering wordt gegeven voor nieuwe kredieten als gevolg van de herziening van bestaande kredieten.
Het gewaarborgde krediet heeft een maximale looptijd van tien jaar.
De waarborg heeft een maximale looptijd van vier jaar en wordt maandelijks evenredig afgebouwd.
Het gewaarborgde krediet heeft een maximale looptijd van tien jaar.
De waarborg heeft een maximale looptijd van vier jaar en wordt maandelijks evenredig afgebouwd.
Art.7. La garantie relative au refinancement est donnée pour de nouveaux crédits suite à la révision de crédits existants.
Le crédit garanti a une durée maximale de dix ans.
La garantie est d'une durée de quatre ans au maximum et fait l'objet d'une suppression progressive et mensuelle.
Le crédit garanti a une durée maximale de dix ans.
La garantie est d'une durée de quatre ans au maximum et fait l'objet d'une suppression progressive et mensuelle.
Art.8. Gedurende de looptijd van de waarborg kan de begunstigde geen nieuwe VLIF-steun verkrijgen, tenzij aangetoond wordt dat de terugbetaling van het krediet niet in het gedrang komt door de financiering van de verrichtingen waarvoor de steun gevraagd wordt.
Art.8. Pendant la durée de la garantie, le bénéficiaire ne peut obtenir aucune nouvelle aide VLIF, à moins qu'il ne soit démontré que le remboursement du crédit n'est pas compromis par le financement des opérations pour lesquelles les aides sont sollicitées.
Art. 9. De VLIF-waarborg is afhankelijk van het betalen van een bijdrage. De bijdrage wordt binnen dertig kalenderdagen na de mededeling aan de kredietinstelling van de toekenning van de waarborg aan het VLIF betaald. Als het VLIF de bijdrage niet binnen die termijn ontvangt, wordt de toekenning van de waarborg van rechtswege ingetrokken.
Deze bijdrage wordt berekend volgens volgende formule :
Deze bijdrage wordt berekend volgens volgende formule :
Art. 9. La garantie VLIF dépend du paiement d'une contribution. La contribution est payée au VLIF dans les trente jours calendaires de la communication à l'établissement de crédit de l'octroi de la garantie. Si le VLIF ne reçoit pas la contribution endéans ce délai, l'octroi de la garantie est retiré de plein droit.
Cette contribution est calculée suivant la formule :
Cette contribution est calculée suivant la formule :
| Bijdrage = (0,225 % x IB) + | n |
| Σ ([(0,05 % + 1)^(1/12)]-1) x UBi | |
| i = 0 | |
| Waarbij : IB = initieel gewaarborgd bedrag; UBi = uitstaand gewaarborgd bedrag in maand i na afbouw van de waarborg in maand i; n = aantal maanden, dat de waarborg loopt. | |
i = 0 Waarbij :
IB = initieel gewaarborgd bedrag;
UBi = uitstaand gewaarborgd bedrag in maand i na afbouw van de waarborg in maand i;
n = aantal maanden, dat de waarborg loopt.
| Contribution = (0,225 % x IB) + | n |
| Σ ([(0,05 % + 1)^(1/12)]-1) x UBi | |
| i = 0 | |
| où : IB = montant garanti initial ; UBi = encours garanti durant le mois i après suppression progressive de la garantie au mois i n = nombre de mois de la durée de la garantie. | |
i = 0 où :
IB = montant garanti initial ;
UBi = encours garanti durant le mois i après suppression progressive de la garantie au mois i
n = nombre de mois de la durée de la garantie.
Art.10. De steunaanvraag wordt ingediend via het e-loket en kan ingediend worden tot en met 19 december 2016.
Art.10. La demande d'aides est déposée via le guichet électronique et peut être introduite jusqu'au 19 décembre 2016.
Art.11. Artikel 16, 19, 22, 23, tweede lid, en 24 tot en met 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds en artikel 5 en 21 tot en met 26 van het ministerieel besluit van 3 februari 2016 betreffende het beheer en de werking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke VLIF-waarborg.
Art.11. Les articles 16, 19, 22, 23, alinéa 2 et 24 à 29 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) et les articles 5 et 21 à 26 de l'arrêté ministériel du 3 février 2016 relatif à la gestion et au fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) s'appliquent par analogie à la garantie VLIF temporaire.
Art. 11. Artikel 16, 19, 22, 23, tweede lid, en 24 tot en met 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds en artikel 5 en 21 tot en met 26 van het ministerieel besluit van 3 februari 2016 betreffende het beheer en de werking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke VLIF-waarborg.
Art. 11. Les articles 16, 19, 22, 23, alinéa 2 et 24 à 29 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif aux tâches, à la gestion et au mode de fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) et les articles 5 et 21 à 26 de l'arrêté ministériel du 3 février 2016 relatif à la gestion et au fonctionnement du " Vlaams Landbouwinvesteringsfonds " (Fonds flamand d'Investissement agricole) s'appliquent par analogie à la garantie VLIF temporaire.
Art. 12. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 12. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. N. Formulier voor de verklaring op eer over de-minimissteun
Art. N. Formulaire de déclaration sur l'honneur concernant les aides de minimis
Art. N. Formulier voor de verklaring op eer over de-minimissteun
Inleiding
Het door de Vlaamse overheid voorziene steunbedrag vormt "de minimis" steun, zoals bepaald in de zogenaamde "de minimisverordening" nr. 1408/2013 1. Deze is van toepassing op steun voor activiteiten die verband houden met de productie van landbouwproducten.
Bovenvermelde "de minimisverordening" stelt een aantal voorwaarden vast voor de toepassing van "de minimis". De Europese Commissie ziet erop toe dat deze worden nageleefd. Eén van de voorwaarden is dat het totale bedrag van de-minimissteun die is verleend aan één onderneming niet hoger mag zijn dan een bepaald bedrag over een periode van drie jaar. Dit plafond is voor de primaire productie vastgesteld op 15.000 euro. Het is van toepassing ongeacht de vorm van de steun, ongeacht de overheidsinstantie van wie deze "de minimis" steun wordt verkregen en ongeacht het daarmee beoogde doel. Alle "de minimis" steun uit de referentieperiode dient opgeteld te worden. VLIF-steun en directe steun uit de toeslagrechten zijn geen vormen van de minimissteun. Als u in het verleden al de minimissteun hebt ontvangen, dan hebt u een gelijkaardig document als dit ontvangen en ingevuld.
Via dit formulier verklaart de begunstigde onderneming op eer dat door de toekenning van beoogde de minimissteun het plafond van de onderneming niet wordt overschreden. Indien de onderneming dit plafond wel overschrijdt, kan het volledige bedrag `de minimis' steun worden teruggevorderd, ook het gedeelte van de steun dat het plafond niet overschrijdt.
Verklaring
Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming
OFWEL
* over de periode van 01/01/........... (jaartal 2 jaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..../....../........... (datum van ondertekening van deze verklaring) eerdere de minimissteun 2 is toegekend tot een totaal bedrag van € .........................................................
Een kopie van gegevens waaruit het verlenen van de-minimissteun blijkt, wordt toegevoegd aan deze verklaring.
OFWEL
* over de periode van 01/01/........... (jaartal 2 jaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..../....../........... (datum van ondertekening van deze verklaring) niet eerder de minimissteun is verleend.
EN
- niet reeds voor dezelfde in aanmerking komende kosten staatssteun is verleend op grond van een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Europese Commissie, indien door de de minimissteun het maximum van de uit dien hoofde toegestane steun zou worden overschreden.
Volledig en naar waarheid ingevuld door :
Bedrijfsnaam . . . . .
Landbouwersnummer . . . . .
naam en functie . . . . .
adres . . . . .
postcode en plaatsnaam . . . . .
datum handtekening
............................................... .................................................
1 VERORDENING (EU) Nr. 1408/2013 VAN DE COMMISSIE van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 24.12.2013)
2 De toegekende steun moet niet reeds zijn uitgekeerd. Enkel de minimissteun voor de productie van landbouwproducten moet in rekening worden gebracht.
Toelichting bij de verklaring op eer
Deze toelichting dient louter als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan deze toelichting kunnen geen rechten worden ontleend.
1. Het begrip staatssteun en de minimis
Als staatssteun wordt beschouwd steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Dergelijke staatssteun moet voorafgaand aan de toekenning ervan, door de lidstaten aan de Europese Commissie worden gemeld en door deze laatste worden goedgekeurd.
Overheidsmaatregelen die voldoen aan de Verordening (EG) nr. 1408/2013 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 18 december 2007 betreffende de toepassing van artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de EU op de minimissteun in de landbouwsector worden krachtens die verordening niet beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de EI en zijn vrijgesteld van bovenstaande verplichtingen.
2. Het begrip onderneming
Het begrip "onderneming" wordt in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap omschreven als "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd" (Höfner arrest 23 april 1991 in zaak C-41/90, Jur. 1991, I-1797). Niet alleen privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen derhalve een onderneming vormen, ook een publiekrechtelijke instelling, met of zonder rechtspersoonlijkheid, kan als een onderneming worden beschouwd. Onder "economische activiteit" moet worden verstaan "het aanbieden van goederen en diensten op de markt" (arrest van 16 juni 1987 in zaak C-118/85, Jur. 1987, I-2619).
Voor de bepaling of er sprake is van een onderneming in Europeesrechtelijke zin is van belang :
1. de aard van de activiteiten/taken en de wijze waarop deze mogelijk in regelgeving zijn ingebed ("algemeen belang"; overheidstaak);
2. het al dan niet aanwezig zijn van een concurrentiële situatie (d.w.z. de marktsituatie die wordt aangetroffen dan wel er zou moeten zijn).
Om bepaalde activiteiten als ondernemingsactiviteiten te bestempelen zijn van belang de aard van de activiteiten, hun doel en de regels waaraan zij zijn onderworpen. Er is een onderscheid tussen het uitoefenen van overheidsgezag en het verrichten van economische activiteiten van industriële of commerciële aard (Diego Cali arrest 18 maart 1997 in zaak C-243/95, Jur. 1997, I-1547). Bij het uitoefenen van overheidsgezag is niet van belang of de Staat rechtstreeks via een tot het openbaar bestuur behorend orgaan handelt dan wel via een lichaam waaraan hij bijzondere of exclusieve rechten heeft verleend. Centraal staat de onderneming die uiteindelijk feitelijk profiteert van de steunverlening, dat wil zeggen de onderneming die een voordeel geniet dat onder normale marktcondities niet zou zijn genoten.
Tevens is van belang of er sprake is van een activiteit in concurrentie met andere ondernemingen. Zo is een orgaan zonder winstoogmerk dat een economische activiteit in concurrentie met andere ondernemingen uitoefent als "onderneming" aan te merken (FFSA -arrest 16 november 1995 in zaak C-244/94, Jur. 1995, I-4013).
3. Periode van de-minimissteun
Ten aanzien van de periode van de-minimissteun is een aantal aspecten van belang :
1. de periode van drie jaar is voorschrijdend, zodat bij elke verlening van de-minimissteun, het totale bedrag van de de-minimissteun die gedurende het lopende en de twee voorafgaande jaren is verleend, in aanmerking dient te worden genomen;
2. de de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de begunstigde een wettelijke aanspraak op de steun verwerft. Dit betekent concreet de datum waarop het besluit tot steunverlening aan de betreffende onderneming is genomen;
4. Bedrag van de minimissteun
Het steunplafond van € 15.000 wordt als bruto subsidie-equivalent uitgedrukt, d.i. vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Voor het bepalen van dit bedrag moet geen rekening gehouden worden met eventuele reeds aan betreffende onderneming toegekende de minimissteun voor andere dan landbouwactiviteiten.
De de-minimisverordening staat niet toe dat ondernemingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten ook staatssteun ontvangen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is goedgekeurd of binnen het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening valt indien daardoor het maximum van de op grond daarvan toegestane steun zou worden overschreden.
5. Gevolgen kwalificatie van de subsidie als de minimissteun
Elke overheid dient bij een voornemen tot het verlenen van de minimis, de betreffende onderneming schriftelijk in kennis te stellen van het voorgenomen steunbedrag en van het feit dat het de-minimissteun betreft met verwijzing naar de van toepassing zijnde verordening en de titel en vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bij een eventueel volgend verzoek om de minimissteun zal het bedrijf aan de daarvoor bevoegde overheid informatie over deze de minimissteun moeten verstrekken, enkel voor zover het een verzoek betreft aangaande de de minimissteun voor de primaire productie. Bij iedere verlening van de-minimissteun zal opnieuw een toets op de voorwaarden van de de minimisverordening moeten worden uitvoerd.
Indien naderhand blijkt dat hierover onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, of in het geval na de uitbetaling van de steun mocht blijken dat het steunplafond van de betreffende onderneming toch is overschreden, dan moet en zal het verleende voordeel, inclusief rente, geheel worden teruggevorderd.
6. Verzamelen en bewaren van alle informatie
De lidstaten verzamelen en bewaren alle informatie die betrekking heeft op de toepassing van de de minimisverordening. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om na te gaan of aan de voorwaarden van de de-minimisverordening is voldaan. Deze dossiers moeten tien jaar worden bewaard. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat alle informatie over verleende de minimissteun verstrekken.
7. Disclaimer
Het beleidsdomein Landbouw en Visserij zet zijn beste middelen in om ervoor te zorgen dat alle gegevens die deel uitmaken van dit formulier volledig, accuraat en actueel zijn. Fouten en/of onvolledigheden en/of verouderde gegevens kunnen echter nooit uitgesloten worden en het beleidsdomein kan dienaangaande derhalve geen enkele waarborg geven. Het beleidsdomein kan dan ook geenszins aansprakelijk gesteld worden ingeval van schade en/of verlies, van welke aard ook, die zou voortvloeien uit het gebruik of de raadpleging ervan. Het beleidsdomein kan tevens geenszins aansprakelijk gesteld worden voor enige schade, van welke aard ook, die zou voortvloeien uit beslissingen die u zou nemen op basis van enige gegevens en/of informatie van dit formulier.
Inleiding
Het door de Vlaamse overheid voorziene steunbedrag vormt "de minimis" steun, zoals bepaald in de zogenaamde "de minimisverordening" nr. 1408/2013 1. Deze is van toepassing op steun voor activiteiten die verband houden met de productie van landbouwproducten.
Bovenvermelde "de minimisverordening" stelt een aantal voorwaarden vast voor de toepassing van "de minimis". De Europese Commissie ziet erop toe dat deze worden nageleefd. Eén van de voorwaarden is dat het totale bedrag van de-minimissteun die is verleend aan één onderneming niet hoger mag zijn dan een bepaald bedrag over een periode van drie jaar. Dit plafond is voor de primaire productie vastgesteld op 15.000 euro. Het is van toepassing ongeacht de vorm van de steun, ongeacht de overheidsinstantie van wie deze "de minimis" steun wordt verkregen en ongeacht het daarmee beoogde doel. Alle "de minimis" steun uit de referentieperiode dient opgeteld te worden. VLIF-steun en directe steun uit de toeslagrechten zijn geen vormen van de minimissteun. Als u in het verleden al de minimissteun hebt ontvangen, dan hebt u een gelijkaardig document als dit ontvangen en ingevuld.
Via dit formulier verklaart de begunstigde onderneming op eer dat door de toekenning van beoogde de minimissteun het plafond van de onderneming niet wordt overschreden. Indien de onderneming dit plafond wel overschrijdt, kan het volledige bedrag `de minimis' steun worden teruggevorderd, ook het gedeelte van de steun dat het plafond niet overschrijdt.
Verklaring
Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming
OFWEL
* over de periode van 01/01/........... (jaartal 2 jaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..../....../........... (datum van ondertekening van deze verklaring) eerdere de minimissteun 2 is toegekend tot een totaal bedrag van € .........................................................
Een kopie van gegevens waaruit het verlenen van de-minimissteun blijkt, wordt toegevoegd aan deze verklaring.
OFWEL
* over de periode van 01/01/........... (jaartal 2 jaren gelegen vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ..../....../........... (datum van ondertekening van deze verklaring) niet eerder de minimissteun is verleend.
EN
- niet reeds voor dezelfde in aanmerking komende kosten staatssteun is verleend op grond van een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Europese Commissie, indien door de de minimissteun het maximum van de uit dien hoofde toegestane steun zou worden overschreden.
Volledig en naar waarheid ingevuld door :
Bedrijfsnaam . . . . .
Landbouwersnummer . . . . .
naam en functie . . . . .
adres . . . . .
postcode en plaatsnaam . . . . .
datum handtekening
............................................... .................................................
1 VERORDENING (EU) Nr. 1408/2013 VAN DE COMMISSIE van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 24.12.2013)
2 De toegekende steun moet niet reeds zijn uitgekeerd. Enkel de minimissteun voor de productie van landbouwproducten moet in rekening worden gebracht.
Toelichting bij de verklaring op eer
Deze toelichting dient louter als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan deze toelichting kunnen geen rechten worden ontleend.
1. Het begrip staatssteun en de minimis
Als staatssteun wordt beschouwd steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Dergelijke staatssteun moet voorafgaand aan de toekenning ervan, door de lidstaten aan de Europese Commissie worden gemeld en door deze laatste worden goedgekeurd.
Overheidsmaatregelen die voldoen aan de Verordening (EG) nr. 1408/2013 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 18 december 2007 betreffende de toepassing van artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de EU op de minimissteun in de landbouwsector worden krachtens die verordening niet beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de EI en zijn vrijgesteld van bovenstaande verplichtingen.
2. Het begrip onderneming
Het begrip "onderneming" wordt in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap omschreven als "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd" (Höfner arrest 23 april 1991 in zaak C-41/90, Jur. 1991, I-1797). Niet alleen privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen derhalve een onderneming vormen, ook een publiekrechtelijke instelling, met of zonder rechtspersoonlijkheid, kan als een onderneming worden beschouwd. Onder "economische activiteit" moet worden verstaan "het aanbieden van goederen en diensten op de markt" (arrest van 16 juni 1987 in zaak C-118/85, Jur. 1987, I-2619).
Voor de bepaling of er sprake is van een onderneming in Europeesrechtelijke zin is van belang :
1. de aard van de activiteiten/taken en de wijze waarop deze mogelijk in regelgeving zijn ingebed ("algemeen belang"; overheidstaak);
2. het al dan niet aanwezig zijn van een concurrentiële situatie (d.w.z. de marktsituatie die wordt aangetroffen dan wel er zou moeten zijn).
Om bepaalde activiteiten als ondernemingsactiviteiten te bestempelen zijn van belang de aard van de activiteiten, hun doel en de regels waaraan zij zijn onderworpen. Er is een onderscheid tussen het uitoefenen van overheidsgezag en het verrichten van economische activiteiten van industriële of commerciële aard (Diego Cali arrest 18 maart 1997 in zaak C-243/95, Jur. 1997, I-1547). Bij het uitoefenen van overheidsgezag is niet van belang of de Staat rechtstreeks via een tot het openbaar bestuur behorend orgaan handelt dan wel via een lichaam waaraan hij bijzondere of exclusieve rechten heeft verleend. Centraal staat de onderneming die uiteindelijk feitelijk profiteert van de steunverlening, dat wil zeggen de onderneming die een voordeel geniet dat onder normale marktcondities niet zou zijn genoten.
Tevens is van belang of er sprake is van een activiteit in concurrentie met andere ondernemingen. Zo is een orgaan zonder winstoogmerk dat een economische activiteit in concurrentie met andere ondernemingen uitoefent als "onderneming" aan te merken (FFSA -arrest 16 november 1995 in zaak C-244/94, Jur. 1995, I-4013).
3. Periode van de-minimissteun
Ten aanzien van de periode van de-minimissteun is een aantal aspecten van belang :
1. de periode van drie jaar is voorschrijdend, zodat bij elke verlening van de-minimissteun, het totale bedrag van de de-minimissteun die gedurende het lopende en de twee voorafgaande jaren is verleend, in aanmerking dient te worden genomen;
2. de de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de begunstigde een wettelijke aanspraak op de steun verwerft. Dit betekent concreet de datum waarop het besluit tot steunverlening aan de betreffende onderneming is genomen;
4. Bedrag van de minimissteun
Het steunplafond van € 15.000 wordt als bruto subsidie-equivalent uitgedrukt, d.i. vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Voor het bepalen van dit bedrag moet geen rekening gehouden worden met eventuele reeds aan betreffende onderneming toegekende de minimissteun voor andere dan landbouwactiviteiten.
De de-minimisverordening staat niet toe dat ondernemingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten ook staatssteun ontvangen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is goedgekeurd of binnen het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening valt indien daardoor het maximum van de op grond daarvan toegestane steun zou worden overschreden.
5. Gevolgen kwalificatie van de subsidie als de minimissteun
Elke overheid dient bij een voornemen tot het verlenen van de minimis, de betreffende onderneming schriftelijk in kennis te stellen van het voorgenomen steunbedrag en van het feit dat het de-minimissteun betreft met verwijzing naar de van toepassing zijnde verordening en de titel en vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bij een eventueel volgend verzoek om de minimissteun zal het bedrijf aan de daarvoor bevoegde overheid informatie over deze de minimissteun moeten verstrekken, enkel voor zover het een verzoek betreft aangaande de de minimissteun voor de primaire productie. Bij iedere verlening van de-minimissteun zal opnieuw een toets op de voorwaarden van de de minimisverordening moeten worden uitvoerd.
Indien naderhand blijkt dat hierover onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, of in het geval na de uitbetaling van de steun mocht blijken dat het steunplafond van de betreffende onderneming toch is overschreden, dan moet en zal het verleende voordeel, inclusief rente, geheel worden teruggevorderd.
6. Verzamelen en bewaren van alle informatie
De lidstaten verzamelen en bewaren alle informatie die betrekking heeft op de toepassing van de de minimisverordening. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die nodig is om na te gaan of aan de voorwaarden van de de-minimisverordening is voldaan. Deze dossiers moeten tien jaar worden bewaard. Op verzoek van de Commissie moet de lidstaat alle informatie over verleende de minimissteun verstrekken.
7. Disclaimer
Het beleidsdomein Landbouw en Visserij zet zijn beste middelen in om ervoor te zorgen dat alle gegevens die deel uitmaken van dit formulier volledig, accuraat en actueel zijn. Fouten en/of onvolledigheden en/of verouderde gegevens kunnen echter nooit uitgesloten worden en het beleidsdomein kan dienaangaande derhalve geen enkele waarborg geven. Het beleidsdomein kan dan ook geenszins aansprakelijk gesteld worden ingeval van schade en/of verlies, van welke aard ook, die zou voortvloeien uit het gebruik of de raadpleging ervan. Het beleidsdomein kan tevens geenszins aansprakelijk gesteld worden voor enige schade, van welke aard ook, die zou voortvloeien uit beslissingen die u zou nemen op basis van enige gegevens en/of informatie van dit formulier.
Art. N. Formulaire de déclaration sur l'honneur concernant les aides de minimis
Introduction
Le montant des aides prévues par l'Autorité flamande constitue le soutien dit " de minimis ", tel que déterminé dans le " Règlement de minimis " n° 1408/2013 1. Ce Règlement est d'application aux aides pour des activités relatives à la production de produits agricoles.
Le " Règlement de minimis " précité énonce un certain nombre de conditions à respecter dans le cadre de l'application du principe " de minimis ". La Commission européenne veille au respect de ces conditions. Une des conditions stipule que le montant total des aides de minimis octroyées à une entreprise unique ne peut excéder un certain montant sur une période de trois ans. Ce plafond est fixé à 15.000 euros pour la production primaire. Il s'applique quelle que soit la forme de l'aide, quelle que soit l'instance publique qui octroie l'aide de minimis, et quel que soit son objectif. Toutes les aides " de minimis " de la période de référence doivent être additionnées. L'aide VLIF et l'aide directe des droits au paiement ne sont pas des formes d'aide de minimis. Si vous avez déjà reçu des aides de minimis dans le passé, vous avez déjà reçu et rempli un document similaire à celui-ci.
Au moyen de ce formulaire, l'entreprise bénéficiaire déclare sur l'honneur que par l'octroi des aides de minimis envisagées le plafond fixé de l'entreprise ne sera pas dépassé. Si l'entreprise dépasse effectivement ce plafond, le montant total des aides " de minimis " peut être recouvré, y compris la partie de l'aide ne dépassant pas le plafond.
Déclaration
Par la présente, le soussigné déclare qu'à l'entreprise citée ci-après
SOIT
* sur la période de 01/01/........... (l'année précédant de deux ans la date de signature de cette déclaration) jusqu'au ..../....../........... (date de signature de cette déclaration) des aides de minimis 2 préalables ont été allouées jusqu'à un montant total de € .........................................................
Une copie des données démontrant l'allocation des aides de minimis est jointe à cette déclaration.
SOIT
* sur la période de 01/01/........... (l'année précédant de deux ans la date de signature de cette déclaration) jusqu'au ..../....../........... (date de signature de cette déclaration) aucune aide de minimis n'a été allouée auparavant.
ET
- qu'aucune aide d'Etat n'est allouée pour les mêmes coûts éligibles en vertu d'un règlement d'exemption par catégorie ou d'une décision adoptée par la Commission conduisant au dépassement du maximum des aides autorisées à ce titre si cumulée avec les aides de minimis.
Cette déclaration est remplie de manière véridique et complète par :
nom d'entreprise . . . . .
numéro d'agriculteur . . . . .
nom et fonction . . . . .
adresse . . . . .
code postal et nom du lieu . . . . .
date signature
............................................... ................................................
1 Règlement (UE) n° 1408/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis (JO L352, 24.12.2013)
2 Les aides accordées ne doivent pas encore être versées. Seules les aides de minimis pour la production de produits agricoles doivent être portées en compte.
Note explicative relative à la déclaration sur l'honneur
Cette note explicative sert uniquement à titre d'outil pour l'établissement de la déclaration de minimis Il n'en découle donc aucun droit devant la justice.
1. La notion " aides d'Etat et de minimis "
Sont considérées comme aides d'Etat, les aides accordées par les Etats ou au moyen de ressources d'Etat sous quelque forme que ce soit qui faussent ou qui menacent de fausser la concurrence en favorisant certaines entreprises ou certaines productions dans la mesure où ces aides affectent les échanges entre Etats membres. Avant de pouvoir les accorder, les aides doivent être notifiées par les Etats membres à la Commission européenne et acceptées par cette dernière.
Les mesures publiques qui satisfont au Règlement (UE) No 1408/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, ne sont pas considérées comme des aides d'Etat au sens de l'article 107 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et sont exemptées des obligations précitées.
2. La notion " entreprise "
La notion d'entreprise est décrite dans la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne comme " toute entité exerçant une activité économique, indépendamment du statut juridique de cette entité et de son mode de financement " (Arrêt Höfner du 23 avril 1991. - Affaire C-41/90, Recueil de jurisprudence 1991 page I-01979). Il s'ensuit que non seulement des personnes morales de droit privé, mais également des organismes de droit public, avec ou sans personnalité juridique, peuvent être qualifiés d'entreprise. Par " activité économique ", il faut entendre " des activités économiques consistant à offrir des biens et des services sur le marché " (arrêt du 16 juin 1987 dans l'affaire C-118/85, Jur. 1987, I, -2619).
Pour déterminer s'il est question d'une entreprise au sens du droit européen, les aspects suivants sont importants:
1. la nature des activités/tâches et la façon dont elles sont incorporées dans la réglementation (" intérêt général " ; tâche publique) ;
2. la présence ou non d'une situation concurrentielle (c.-à-d. la situation du marché constatée ou la situation qui devrait prévaloir).
Afin de qualifier certaines activités d'activités entrepreneuriales, sont importants la nature des activités, leur objectif et les règles auxquelles elles sont soumises. Il convient de distinguer entre les cas où l'Etat exerce l'autorité publique et le cas où l'Etat exerce des activités économiques de caractère industriel ou commercial (Diego Cali arrêt 18 mars 1997, Affaire C-243/95, Jur. 1997, I, -1547). Dans l'exercice de l'autorité publique, que l'Etat agisse directement via un organe appartenant à l'administration publique ou via une instance à laquelle il a conféré des droits spéciaux ou exclusifs ne revêt pas vraiment d'importance. Une place centrale est réservée à l'entreprise qui est de fait le bénéficiaire ultime des aides, cela veut dire l'entreprise qui bénéficie d'un avantage dont elle n'aurait jamais pu bénéficier dans des conditions normales de marché.
En outre, il est important de s'assurer si l'activité constitue une activité économique qui est effectuée en concurrence avec d'autres entreprises ou non. Ainsi, une instance sans but lucratif exerçant une activité économique qui est effectuée en concurrence avec d'autres entreprises doit être qualifiée d'" entreprise " (l'arrêt du 16 novembre 1995 dans l'affaire C-244/94, FFSA (Recueil jur. 1995, I, -4013).
3. Période des aides de minimis
Pour la période des aides de minimis, certains aspects sont particulièrement importants:
1. la période de trois ans doit être appréciée sur une base glissante, de sorte que, pour chaque aide de minimis octroyée, il y a lieu de tenir compte du montant total des aides de minimis accordées au cours de l'exercice en cours et des deux exercices précédents ;
2. les aides de minimis sont considérées comme étant allouées au moment où le droit légal de recevoir ces aides est conféré au bénéficiaire. Cela signifie concrètement la date de décision d'allocation des aides à l'entreprise en cause.
4. Montant des aides de minimis
Le plafond des aides de € 15.000 est exprimé comme équivalent-subvention brut, à savoir avant déduction de taxes ou d'autres prélèvements. Pour déterminer ce montant, il n'y a pas lieu de prendre en compte les éventuelles aides de minimis déjà accordées à l'entreprise en cause pour des activités autres qu'agricoles.
Le Règlement de minimis ne permet pas aux entreprises de recevoir pour les mêmes coûts admissibles d'autres aides d'Etat approuvées par la Commission européenne ou entrant dans le champ d'application d'un règlement d'exemption par catégorie, si dû à ce cumul avec des aides de minimis, le maximum des aides reçues à ce titre risque d'être dépassé.
5. Conséquences qualification de la subvention comme aide de minimis
Lorsqu'un Etat membre envisage d'octroyer une aide de minimis à une entreprise, il l'informe par écrit du montant envisagé de cette aide, ainsi que de son caractère de minimis, en renvoyant explicitement au règlement applicable et en citant le titre et la référence de publication au Journal officiel de l'Union européenne. Lors d'une éventuelle nouvelle demande d'aides de minimis, l'entreprise devra fournir à l'autorité compétente des informations sur ces aides de minimis, uniquement pour autant qu'il s'agisse une demande d'aides de minimis pour la production primaire. Pour chaque octroi des aides de minimis, un examen des conditions du Règlement de minimis devra être opéré.
S'il s'avère par la suite que des informations incorrectes ou incomplètes ont été fournies, ou au cas où il s'avère qu'après versement des aides le plafond des aides de l'entreprise en cause est toutefois dépassé, le bénéfice alloué, intérêts inclus, doit et sera recouvré.
6. Collecte et stockage de toutes les informations
Les Etats membres réunissent et conservent toutes les informations relatives à l'application du Règlement de minimis. Ces dossiers doivent contenir toutes les informations nécessaires pour vérifier s'il est satisfait aux conditions du Règlement de minimis. Ces dossiers doivent être conservés pendant dix ans. A la demande de la Commission, l'Etat membre doit fournir toute information sur les aides de minimis allouées.
7. Clause de non-responsabilité
Le Domaine politique de l'Agriculture et de la Pêche veille à ce que toutes les informations contenues dans ce formulaire soient à jour, complètes et exactes. Des données erronées et/ou incomplètes et/ou qui ne reflètent plus la situation actuelle ne ne peuvent cependant être totalement exclus et le domaine politique ne peut offrir aucune garantie à ce sujet. Le domaine politique ne peut en aucun cas être tenu responsable des dommages et/ou pertes de quelque nature que ce soit découlant de l'usage ou de la consultation des informations données. Le domaine politique ne peut en aucun cas être tenu responsable des dommages et/ou pertes de quelque nature que ce soit découlant des décisions que vous prendriez sur la base des données et/ou informations de ce formulaire.
Introduction
Le montant des aides prévues par l'Autorité flamande constitue le soutien dit " de minimis ", tel que déterminé dans le " Règlement de minimis " n° 1408/2013 1. Ce Règlement est d'application aux aides pour des activités relatives à la production de produits agricoles.
Le " Règlement de minimis " précité énonce un certain nombre de conditions à respecter dans le cadre de l'application du principe " de minimis ". La Commission européenne veille au respect de ces conditions. Une des conditions stipule que le montant total des aides de minimis octroyées à une entreprise unique ne peut excéder un certain montant sur une période de trois ans. Ce plafond est fixé à 15.000 euros pour la production primaire. Il s'applique quelle que soit la forme de l'aide, quelle que soit l'instance publique qui octroie l'aide de minimis, et quel que soit son objectif. Toutes les aides " de minimis " de la période de référence doivent être additionnées. L'aide VLIF et l'aide directe des droits au paiement ne sont pas des formes d'aide de minimis. Si vous avez déjà reçu des aides de minimis dans le passé, vous avez déjà reçu et rempli un document similaire à celui-ci.
Au moyen de ce formulaire, l'entreprise bénéficiaire déclare sur l'honneur que par l'octroi des aides de minimis envisagées le plafond fixé de l'entreprise ne sera pas dépassé. Si l'entreprise dépasse effectivement ce plafond, le montant total des aides " de minimis " peut être recouvré, y compris la partie de l'aide ne dépassant pas le plafond.
Déclaration
Par la présente, le soussigné déclare qu'à l'entreprise citée ci-après
SOIT
* sur la période de 01/01/........... (l'année précédant de deux ans la date de signature de cette déclaration) jusqu'au ..../....../........... (date de signature de cette déclaration) des aides de minimis 2 préalables ont été allouées jusqu'à un montant total de € .........................................................
Une copie des données démontrant l'allocation des aides de minimis est jointe à cette déclaration.
SOIT
* sur la période de 01/01/........... (l'année précédant de deux ans la date de signature de cette déclaration) jusqu'au ..../....../........... (date de signature de cette déclaration) aucune aide de minimis n'a été allouée auparavant.
ET
- qu'aucune aide d'Etat n'est allouée pour les mêmes coûts éligibles en vertu d'un règlement d'exemption par catégorie ou d'une décision adoptée par la Commission conduisant au dépassement du maximum des aides autorisées à ce titre si cumulée avec les aides de minimis.
Cette déclaration est remplie de manière véridique et complète par :
nom d'entreprise . . . . .
numéro d'agriculteur . . . . .
nom et fonction . . . . .
adresse . . . . .
code postal et nom du lieu . . . . .
date signature
............................................... ................................................
1 Règlement (UE) n° 1408/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis (JO L352, 24.12.2013)
2 Les aides accordées ne doivent pas encore être versées. Seules les aides de minimis pour la production de produits agricoles doivent être portées en compte.
Note explicative relative à la déclaration sur l'honneur
Cette note explicative sert uniquement à titre d'outil pour l'établissement de la déclaration de minimis Il n'en découle donc aucun droit devant la justice.
1. La notion " aides d'Etat et de minimis "
Sont considérées comme aides d'Etat, les aides accordées par les Etats ou au moyen de ressources d'Etat sous quelque forme que ce soit qui faussent ou qui menacent de fausser la concurrence en favorisant certaines entreprises ou certaines productions dans la mesure où ces aides affectent les échanges entre Etats membres. Avant de pouvoir les accorder, les aides doivent être notifiées par les Etats membres à la Commission européenne et acceptées par cette dernière.
Les mesures publiques qui satisfont au Règlement (UE) No 1408/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, ne sont pas considérées comme des aides d'Etat au sens de l'article 107 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et sont exemptées des obligations précitées.
2. La notion " entreprise "
La notion d'entreprise est décrite dans la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne comme " toute entité exerçant une activité économique, indépendamment du statut juridique de cette entité et de son mode de financement " (Arrêt Höfner du 23 avril 1991. - Affaire C-41/90, Recueil de jurisprudence 1991 page I-01979). Il s'ensuit que non seulement des personnes morales de droit privé, mais également des organismes de droit public, avec ou sans personnalité juridique, peuvent être qualifiés d'entreprise. Par " activité économique ", il faut entendre " des activités économiques consistant à offrir des biens et des services sur le marché " (arrêt du 16 juin 1987 dans l'affaire C-118/85, Jur. 1987, I, -2619).
Pour déterminer s'il est question d'une entreprise au sens du droit européen, les aspects suivants sont importants:
1. la nature des activités/tâches et la façon dont elles sont incorporées dans la réglementation (" intérêt général " ; tâche publique) ;
2. la présence ou non d'une situation concurrentielle (c.-à-d. la situation du marché constatée ou la situation qui devrait prévaloir).
Afin de qualifier certaines activités d'activités entrepreneuriales, sont importants la nature des activités, leur objectif et les règles auxquelles elles sont soumises. Il convient de distinguer entre les cas où l'Etat exerce l'autorité publique et le cas où l'Etat exerce des activités économiques de caractère industriel ou commercial (Diego Cali arrêt 18 mars 1997, Affaire C-243/95, Jur. 1997, I, -1547). Dans l'exercice de l'autorité publique, que l'Etat agisse directement via un organe appartenant à l'administration publique ou via une instance à laquelle il a conféré des droits spéciaux ou exclusifs ne revêt pas vraiment d'importance. Une place centrale est réservée à l'entreprise qui est de fait le bénéficiaire ultime des aides, cela veut dire l'entreprise qui bénéficie d'un avantage dont elle n'aurait jamais pu bénéficier dans des conditions normales de marché.
En outre, il est important de s'assurer si l'activité constitue une activité économique qui est effectuée en concurrence avec d'autres entreprises ou non. Ainsi, une instance sans but lucratif exerçant une activité économique qui est effectuée en concurrence avec d'autres entreprises doit être qualifiée d'" entreprise " (l'arrêt du 16 novembre 1995 dans l'affaire C-244/94, FFSA (Recueil jur. 1995, I, -4013).
3. Période des aides de minimis
Pour la période des aides de minimis, certains aspects sont particulièrement importants:
1. la période de trois ans doit être appréciée sur une base glissante, de sorte que, pour chaque aide de minimis octroyée, il y a lieu de tenir compte du montant total des aides de minimis accordées au cours de l'exercice en cours et des deux exercices précédents ;
2. les aides de minimis sont considérées comme étant allouées au moment où le droit légal de recevoir ces aides est conféré au bénéficiaire. Cela signifie concrètement la date de décision d'allocation des aides à l'entreprise en cause.
4. Montant des aides de minimis
Le plafond des aides de € 15.000 est exprimé comme équivalent-subvention brut, à savoir avant déduction de taxes ou d'autres prélèvements. Pour déterminer ce montant, il n'y a pas lieu de prendre en compte les éventuelles aides de minimis déjà accordées à l'entreprise en cause pour des activités autres qu'agricoles.
Le Règlement de minimis ne permet pas aux entreprises de recevoir pour les mêmes coûts admissibles d'autres aides d'Etat approuvées par la Commission européenne ou entrant dans le champ d'application d'un règlement d'exemption par catégorie, si dû à ce cumul avec des aides de minimis, le maximum des aides reçues à ce titre risque d'être dépassé.
5. Conséquences qualification de la subvention comme aide de minimis
Lorsqu'un Etat membre envisage d'octroyer une aide de minimis à une entreprise, il l'informe par écrit du montant envisagé de cette aide, ainsi que de son caractère de minimis, en renvoyant explicitement au règlement applicable et en citant le titre et la référence de publication au Journal officiel de l'Union européenne. Lors d'une éventuelle nouvelle demande d'aides de minimis, l'entreprise devra fournir à l'autorité compétente des informations sur ces aides de minimis, uniquement pour autant qu'il s'agisse une demande d'aides de minimis pour la production primaire. Pour chaque octroi des aides de minimis, un examen des conditions du Règlement de minimis devra être opéré.
S'il s'avère par la suite que des informations incorrectes ou incomplètes ont été fournies, ou au cas où il s'avère qu'après versement des aides le plafond des aides de l'entreprise en cause est toutefois dépassé, le bénéfice alloué, intérêts inclus, doit et sera recouvré.
6. Collecte et stockage de toutes les informations
Les Etats membres réunissent et conservent toutes les informations relatives à l'application du Règlement de minimis. Ces dossiers doivent contenir toutes les informations nécessaires pour vérifier s'il est satisfait aux conditions du Règlement de minimis. Ces dossiers doivent être conservés pendant dix ans. A la demande de la Commission, l'Etat membre doit fournir toute information sur les aides de minimis allouées.
7. Clause de non-responsabilité
Le Domaine politique de l'Agriculture et de la Pêche veille à ce que toutes les informations contenues dans ce formulaire soient à jour, complètes et exactes. Des données erronées et/ou incomplètes et/ou qui ne reflètent plus la situation actuelle ne ne peuvent cependant être totalement exclus et le domaine politique ne peut offrir aucune garantie à ce sujet. Le domaine politique ne peut en aucun cas être tenu responsable des dommages et/ou pertes de quelque nature que ce soit découlant de l'usage ou de la consultation des informations données. Le domaine politique ne peut en aucun cas être tenu responsable des dommages et/ou pertes de quelque nature que ce soit découlant des décisions que vous prendriez sur la base des données et/ou informations de ce formulaire.