Artikel 1. [1 Voor het begrotingsjaar 2017, worden de lopende ontvangsten van het Waalse Gewest geraamd op 11.321.945 duizend euro, overeenkomstig Titel I van de bij dit decreet gevoegde tabel.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 DECEMBER 2016. - Decreet houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2017(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2016 en tekstbijwerking tot 22-12-2017)
Titre
21 DECEMBRE 2016. - Décret contenant le budget des recettes de la Région wallonne pour l'année budgétaire 2017(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2016 et mise à jour au 22-12-2017)
Documentinformatie
Numac: 2016027337
Datum: 2016-12-21
Info du document
Numac: 2016027337
Date: 2016-12-21
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake registratier...
Afdeling 1. - Wijzigingen in de bepalingen van ...
Onderafdeling 1. - Overdracht van onderneming
HOOFDSTUK III. - Maatregelen inzake successiere...
HOOFDSTUK IV. - Waterbeleid
HOOFDSTUK V. - Bepalingen tot wijziging van het...
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Mesures en matière de droits d'e...
Section 1re. - Modifications apportées aux disp...
Sous-section 1re. - Transmission d'entreprise
CHAPITRE III. - Mesures en matière de droit de ...
CHAPITRE IV. - Politique de l'eau
CHAPITRE V. - Dispositions modifiant le décret ...
CHAPITRE VI. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (39)
Texte (39)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Article 1er. [1 Pour l'année budgétaire 2017, les recettes courantes de la Wallonie sont estimées à 11.321.945 milliers d'euros, conformément au Titre I du tableau annexé au présent décret. (voir annexe du décret modificatif)]1
Wijzigingen
Art.2. [1 Voor het begrotingsjaar 2017, worden de kapitaalontvangsten van het Waalse Gewest geraamd op 1.088.756 duizend euro, overeenkomstig Titel II van de bij dit decreet gevoegde tabel.]1
Art.2. [1 Pour l'année budgétaire 2017, les recettes en capital de la Wallonie sont estimées à 1.088.756 milliers d'euros conformément au Titre II du tableau annexé au présent décret. (voir annexe du décret modificatif)]1
Wijzigingen
Art.3. De belastingen en taksen geïnd ten bate van het Gewest die op 31 december 2016 bestaan, zullen worden ingevorderd tijdens het jaar 2017, overeenkomstig de wetten, decreten en tarieven die de grondslag en de inning daarvan regelen.
Art.3. Les impôts et les taxes perçus au profit de la Wallonie existant au 31 décembre 2016 seront recouvrés pendant l'année 2017 d'après les lois, décrets, arrêtés et tarifs qui en règlent l'assiette et la perception.
Art.4. § 1. De Minister van Begroting wordt gemachtigd tot dekking, door leningen die zowel in België als in het buitenland mogen worden uitgegeven, in euro of in vreemde valuta :
1° van de financiering van de begrotingsuitgaven niet gedekt door de begrotingsontvangsten;
2° van de terugbetaling van de nog niet afgeschreven leningen en obligaties van in euro of in vreemde valuta uitgeschreven leningen waarvan de eindtermijn in 2017 is vastgesteld;
3° van de vervroegde gehele of gedeeltelijke terugbetaling van in euro of in vreemde valuta uitgeschreven leningen, overeenkomstig de bepalingen van de ministeriële emissiebesluiten of leningsovereenkomsten;
4° van de verrichtingen van dagelijks beheer van de Schatkist of van de in het belang van de Schatkist verwezenlijkte verrichtingen van financieel beheer, met inbegrip van de voor hun goede afloop nodige beleggingen.
§ 2. De Minister van Begroting wordt ertoe gemachtigd, met instemming van de houders en overeenkomstig de marktvoorwaarden, bestaande leningen geheel of ten dele om te zetten in leningen van het type " Thesauriebewijzen op lange termijn " en de termijn ervan aan te passen.
1° van de financiering van de begrotingsuitgaven niet gedekt door de begrotingsontvangsten;
2° van de terugbetaling van de nog niet afgeschreven leningen en obligaties van in euro of in vreemde valuta uitgeschreven leningen waarvan de eindtermijn in 2017 is vastgesteld;
3° van de vervroegde gehele of gedeeltelijke terugbetaling van in euro of in vreemde valuta uitgeschreven leningen, overeenkomstig de bepalingen van de ministeriële emissiebesluiten of leningsovereenkomsten;
4° van de verrichtingen van dagelijks beheer van de Schatkist of van de in het belang van de Schatkist verwezenlijkte verrichtingen van financieel beheer, met inbegrip van de voor hun goede afloop nodige beleggingen.
§ 2. De Minister van Begroting wordt ertoe gemachtigd, met instemming van de houders en overeenkomstig de marktvoorwaarden, bestaande leningen geheel of ten dele om te zetten in leningen van het type " Thesauriebewijzen op lange termijn " en de termijn ervan aan te passen.
Art.4. § 1er. Le Ministre du Budget est autorisé à couvrir, par des emprunts, lesquels peuvent être émis tant en Belgique qu'à l'étranger, en euro qu'en monnaies étrangères :
1° le financement des dépenses budgétaires non couvertes par les recettes budgétaires;
2° le remboursement des emprunts et des obligations non encore amorties des emprunts libellés en euro ou en monnaies étrangères dont l'échéance finale se situe en 2017;
3° le remboursement par anticipation de tout ou partie d'emprunts libellés en euro ou en monnaies étrangères, conformément aux dispositions des arrêtés ministériels d'émission ou des conventions d'emprunt;
4° les opérations de gestion journalières du Trésor ou les opérations de gestion financière réalisées dans l'intérêt général du Trésor, en ce compris les placements nécessaires à leur bonne fin.
§ 2. Le Ministre du Budget est autorisé à convertir, avec l'accord des porteurs et aux conditions du marché, tout ou partie d'emprunts existants en emprunts du type " Billets de trésorerie à long terme " et d'en adapter l'échéance.
1° le financement des dépenses budgétaires non couvertes par les recettes budgétaires;
2° le remboursement des emprunts et des obligations non encore amorties des emprunts libellés en euro ou en monnaies étrangères dont l'échéance finale se situe en 2017;
3° le remboursement par anticipation de tout ou partie d'emprunts libellés en euro ou en monnaies étrangères, conformément aux dispositions des arrêtés ministériels d'émission ou des conventions d'emprunt;
4° les opérations de gestion journalières du Trésor ou les opérations de gestion financière réalisées dans l'intérêt général du Trésor, en ce compris les placements nécessaires à leur bonne fin.
§ 2. Le Ministre du Budget est autorisé à convertir, avec l'accord des porteurs et aux conditions du marché, tout ou partie d'emprunts existants en emprunts du type " Billets de trésorerie à long terme " et d'en adapter l'échéance.
Art.5. De Minister van Begroting is gemachtigd :
1° tot het scheppen van thesauriebewijzen of van andere financieringsmiddelen die interest opbrengen, ten belope van het bedrag van de af te sluiten leningen, zowel in België als in het buitenland, in euro of in vreemde valuta;
2° tot uitvoering van elke verrichting van dagelijks beheer van de Schatkist of van elke verrichting van financieel beheer die verwezenlijkt wordt in het algemeen belang van de Schatkist, met inbegrip van het afsluiten van beleggingsovereenkomsten die voor hun goede afloop noodzakelijk zijn en met inachtneming van het voorzichtigheidsprincipe;
3° tot aanpassing van de terugbetalingsvoorwaarden en -termijnen, met instemming van de uitleners, wat betreft de door het Waalse Gewest in België of in het buitenland uitgeschreven privéleningen;
4° tot uitvoering van de in artikel 7, tweede lid, bepaalde financiële beheersverrichtingen wat betreft de door het Waalse Gewest in België of in het buitenland uitgeschreven leningen.
1° tot het scheppen van thesauriebewijzen of van andere financieringsmiddelen die interest opbrengen, ten belope van het bedrag van de af te sluiten leningen, zowel in België als in het buitenland, in euro of in vreemde valuta;
2° tot uitvoering van elke verrichting van dagelijks beheer van de Schatkist of van elke verrichting van financieel beheer die verwezenlijkt wordt in het algemeen belang van de Schatkist, met inbegrip van het afsluiten van beleggingsovereenkomsten die voor hun goede afloop noodzakelijk zijn en met inachtneming van het voorzichtigheidsprincipe;
3° tot aanpassing van de terugbetalingsvoorwaarden en -termijnen, met instemming van de uitleners, wat betreft de door het Waalse Gewest in België of in het buitenland uitgeschreven privéleningen;
4° tot uitvoering van de in artikel 7, tweede lid, bepaalde financiële beheersverrichtingen wat betreft de door het Waalse Gewest in België of in het buitenland uitgeschreven leningen.
Art.5. Le Ministre du Budget est autorisé :
1° à créer des billets de trésorerie ou d'autres instruments de financement portant intérêt, à concurrence du montant des emprunts à contracter et ce, aussi bien en Belgique qu'à l'étranger, en euro et en monnaies étrangères;
2° à conclure toute opération de gestion journalière du Trésor ou toute opération de gestion financière réalisée dans l'intérêt général du Trésor, en ce compris la conclusion de conventions de placement nécessaires à leur bonne fin, dans le respect du principe de prudence;
3° en ce qui concerne les emprunts privés émis par la Wallonie en Belgique ou à l'étranger, à adapter, en accord avec les prêteurs, les conditions et termes de remboursement;
4° en ce qui concerne les emprunts émis par la Wallonie en Belgique ou à l'étranger, à conclure des opérations financières de gestion visées à l'article 7, 2°.
1° à créer des billets de trésorerie ou d'autres instruments de financement portant intérêt, à concurrence du montant des emprunts à contracter et ce, aussi bien en Belgique qu'à l'étranger, en euro et en monnaies étrangères;
2° à conclure toute opération de gestion journalière du Trésor ou toute opération de gestion financière réalisée dans l'intérêt général du Trésor, en ce compris la conclusion de conventions de placement nécessaires à leur bonne fin, dans le respect du principe de prudence;
3° en ce qui concerne les emprunts privés émis par la Wallonie en Belgique ou à l'étranger, à adapter, en accord avec les prêteurs, les conditions et termes de remboursement;
4° en ce qui concerne les emprunts émis par la Wallonie en Belgique ou à l'étranger, à conclure des opérations financières de gestion visées à l'article 7, 2°.
Art.6. De voorlopige uitgaven inzake de samenstelling van activa (openbare leningen en thesauriebewijzen op lange termijn) en de bijkomende kosten, alsook de ontvangsten voortvloeiend uit de tegeldemaking van deze samengestelde activa, de bijkomende uitgaven en de ontvangsten die eruit voortvloeien kunnen geboekt worden op speciaal daartoe geopende bankrekeningen bij een in België gevestigde financiële instelling naar Belgisch recht, waarmee het Waalse Gewest een overeenkomst van financieel agent gesloten heeft, als wettelijk gevolg van het gebruik van de in artikel 6, 1°, bedoelde financiële middelen, inzonderheid de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 december 1995 betreffende het toezicht op de instellingen die erkend zijn om rekeningen van gedematerialiseerde effecten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de plaatselijke overheden of de openbare instellingen bij te houden.
De samengestelde activa kunnen ook ingeschreven worden op bijzondere effectenrekeningen die daartoe namens de Waalse Schatkist geopend zijn bij een in België gevestigde financiële instelling naar Belgisch recht, waarmee het Waalse Gewest een overeenkomst van financieel agent gesloten heeft, die wettelijk voortkomt uit het gebruik van de in artikel 6, 1°, bedoelde financiële middelen, inzonderheid de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 december 1995 betreffende het toezicht op de instellingen die erkend zijn om rekeningen van gedematerialiseerde effecten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de plaatselijke overheden of de openbare instellingen bij te houden.
De samengestelde activa kunnen ook ingeschreven worden op bijzondere effectenrekeningen die daartoe namens de Waalse Schatkist geopend zijn bij een in België gevestigde financiële instelling naar Belgisch recht, waarmee het Waalse Gewest een overeenkomst van financieel agent gesloten heeft, die wettelijk voortkomt uit het gebruik van de in artikel 6, 1°, bedoelde financiële middelen, inzonderheid de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 december 1995 betreffende het toezicht op de instellingen die erkend zijn om rekeningen van gedematerialiseerde effecten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de plaatselijke overheden of de openbare instellingen bij te houden.
Art.6. Les dépenses provisoires relatives à la constitution d'actifs (emprunts publics et billets de trésorerie à long terme) et les coûts annexes ainsi que les recettes afférentes à la réalisation de ces actifs constitués, les dépenses annexes et les revenus en découlant peuvent être enregistrés sur des comptes financiers spéciaux ouverts à cette fin dans une institution financière de droit belge établie en Belgique avec laquelle la Wallonie a conclu une convention d'agent financier découlant légalement de l'utilisation d'instruments financiers visés à l'article 6, 1°, et notamment les dispositions de l'arrêté royal du 22 décembre 1995 relatif au contrôle des teneurs de comptes agréés pour la tenue de comptes de titres dématérialisés de l'Etat, des Communautés, des Régions, des provinces, des autorités locales ou des établissements publics.
Les actifs constitués peuvent aussi être inscrits en comptes titres spéciaux ouverts au nom du Trésor wallon à cette fin dans une institution financière de droit belge établie en Belgique avec laquelle la Wallonie a conclu une convention d'agent financier découlant légalement de l'utilisation d'instruments financiers visés à l'article 6, 1°, et notamment les dispositions de l'arrêté royal du 22 décembre 1995 relatif au contrôle des teneurs de comptes agréés pour la tenue de comptes de titres dématérialisés de l'Etat, des Communautés, des Régions, des provinces, des autorités locales ou des établissements publics.
Les actifs constitués peuvent aussi être inscrits en comptes titres spéciaux ouverts au nom du Trésor wallon à cette fin dans une institution financière de droit belge établie en Belgique avec laquelle la Wallonie a conclu une convention d'agent financier découlant légalement de l'utilisation d'instruments financiers visés à l'article 6, 1°, et notamment les dispositions de l'arrêté royal du 22 décembre 1995 relatif au contrôle des teneurs de comptes agréés pour la tenue de comptes de titres dématérialisés de l'Etat, des Communautés, des Régions, des provinces, des autorités locales ou des établissements publics.
Art.7. De Minister van Begroting is ertoe gemachtigd volgende inkomsten af te trekken van de leningslasten van Wallonië :
1° de inkomsten van de in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist waarvan sprake in artikel 5, 1° en 2°, belegde opbrengsten van leningen in euro;
2° de aan het Waalse Gewest toegewezen inkomsten of kapitalen ten gevolge van beheersverrichtingen van de Schatkist inzake interestenswap, arbitrages, risicodekkingen zoals de opties of andere verrichtingen verwezenlijkt door middel van leningen van Wallonië en om de financiële lasten ervan te verlagen.
1° de inkomsten van de in het kader van de beheersverrichtingen van de Schatkist waarvan sprake in artikel 5, 1° en 2°, belegde opbrengsten van leningen in euro;
2° de aan het Waalse Gewest toegewezen inkomsten of kapitalen ten gevolge van beheersverrichtingen van de Schatkist inzake interestenswap, arbitrages, risicodekkingen zoals de opties of andere verrichtingen verwezenlijkt door middel van leningen van Wallonië en om de financiële lasten ervan te verlagen.
Art.7. Le Ministre du Budget est autorisé à porter en déduction des charges d'emprunts de la Wallonie :
1° les revenus de placements de produits d'emprunts en euro effectués dans le cadre des opérations de gestion du Trésor visées à l'article 5, 1° et 2° ;
2° les revenus ou capitaux attribués à la Wallonie suite à des opérations de gestion du Trésor en matière de "swap" d'intérêts, d'arbitrages, de couvertures de risque telles que les options ou autres opérations réalisées au moyen d'emprunts de la Wallonie et aux fins d'en alléger les charges financières.
1° les revenus de placements de produits d'emprunts en euro effectués dans le cadre des opérations de gestion du Trésor visées à l'article 5, 1° et 2° ;
2° les revenus ou capitaux attribués à la Wallonie suite à des opérations de gestion du Trésor en matière de "swap" d'intérêts, d'arbitrages, de couvertures de risque telles que les options ou autres opérations réalisées au moyen d'emprunts de la Wallonie et aux fins d'en alléger les charges financières.
Art.8. De thesauriesaldi van de vorige " OWDR " kunnen bestemd worden voor artikel 76.01 van afdeling 15 (Fonds inzake grondbeleid).
Art.8. Les soldes de trésorerie de l'ex-OWDR peuvent être affectés à l'article 76.01 de la division 15 (Fonds en matière de politique foncière agricole).
Art.9. In artikel D.361, § 1, van het decreet van 27 maart 2014 betreffende het Waalse Landbouwwetboek, wordt een punt 6° toegevoegd, luidend als volgt:
" 6° de ontvangsten uit de toewijzing, in het kader van een landinrichting, van landbouwkundige onroerende goederen verworven door het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel D.288, § 2, zesde lid, mits toewijzing van de opleg bedoeld in artikel D.288, § 3. ".
" 6° de ontvangsten uit de toewijzing, in het kader van een landinrichting, van landbouwkundige onroerende goederen verworven door het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel D.288, § 2, zesde lid, mits toewijzing van de opleg bedoeld in artikel D.288, § 3. ".
Art.9. A l'article D.361, § 1er, du décret du 27 mars 2014 relatif au Code wallon de l'Agriculture, il est ajouté un 6° libellé comme suit :
" 6° les recettes provenant de l'attribution, dans le cadre d'un aménagement foncier, des biens immobiliers agricoles acquis par la Région wallonne, en application de l'article D.288, § 2, alinéa 6, moyennant attribution de la soulte prévue à l'article D.288, § 3. ".
" 6° les recettes provenant de l'attribution, dans le cadre d'un aménagement foncier, des biens immobiliers agricoles acquis par la Région wallonne, en application de l'article D.288, § 2, alinéa 6, moyennant attribution de la soulte prévue à l'article D.288, § 3. ".
Art.10. [1 § 1. Er wordt een heffing afgenomen voor de financiering van de kosten opgelopen door de " CWaPE " voor de uitvoering van het mechanisme van groene certificaten bedoeld in artikel 37 van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
§ 2. De heffing is verschuldigd door de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en/of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling die bij de " CWaPE " een verzoek indienen voor de toekenning van groene certificaten voor installaties met een nominaal vermogen hoger dan 10 kilowatts (kW).
§ 3. De heffing is verschuldigd per megawattuur (MWh) waarvan een indexmeting, meegedeeld aan de " CWaPE " vanaf 1 januari 2017, de productie bevestigt en die in aanmerking komt voor de toekenning van de groene certificaten. Het tarief per eenheid van de heffing, in euro per megawattuur (euro/MWh), is gelijk aan de waarde van een breuk, waarvan de teller gelijk is aan 1.800.000 euro en de noemer het geschatte aantal MWh is, die door de verschuldigde producenten tussen 1 januari 2017 en 31 december 2017 worden gegenereerd.]1
§ 2. De heffing is verschuldigd door de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en/of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling die bij de " CWaPE " een verzoek indienen voor de toekenning van groene certificaten voor installaties met een nominaal vermogen hoger dan 10 kilowatts (kW).
§ 3. De heffing is verschuldigd per megawattuur (MWh) waarvan een indexmeting, meegedeeld aan de " CWaPE " vanaf 1 januari 2017, de productie bevestigt en die in aanmerking komt voor de toekenning van de groene certificaten. Het tarief per eenheid van de heffing, in euro per megawattuur (euro/MWh), is gelijk aan de waarde van een breuk, waarvan de teller gelijk is aan 1.800.000 euro en de noemer het geschatte aantal MWh is, die door de verschuldigde producenten tussen 1 januari 2017 en 31 december 2017 worden gegenereerd.]1
Art.10. [1 § 1er. Une redevance est prélevée en vue du financement des frais encourus par la CWaPE dans la mise en oeuvre du mécanisme de certificats verts visé à l'article 37 du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité.
§ 2. La redevance est due par les producteurs d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables et/ou de cogénération de qualité faisant appel auprès de la CWaPE à l'octroi de certificats verts exploitant une installation d'une puissance nominale supérieure à 10 kilowatts (kW).
§ 3. La redevance est due par mégawattheure (MWh) dont un relevé d'index communiqué à la CWaPE à partir du 1er janvier 2017 atteste la production et qui entre en ligne de compte pour l'octroi de certificats verts. Le taux unitaire de la redevance, exprimé en euro par mégawattheure (euro/MWh), est égal à la valeur d'une fraction, dont le numérateur est égal à 1.800.000 euros et le dénominateur est le nombre total estimé de MWh générés par les producteurs redevables du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.]1
§ 2. La redevance est due par les producteurs d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables et/ou de cogénération de qualité faisant appel auprès de la CWaPE à l'octroi de certificats verts exploitant une installation d'une puissance nominale supérieure à 10 kilowatts (kW).
§ 3. La redevance est due par mégawattheure (MWh) dont un relevé d'index communiqué à la CWaPE à partir du 1er janvier 2017 atteste la production et qui entre en ligne de compte pour l'octroi de certificats verts. Le taux unitaire de la redevance, exprimé en euro par mégawattheure (euro/MWh), est égal à la valeur d'une fraction, dont le numérateur est égal à 1.800.000 euros et le dénominateur est le nombre total estimé de MWh générés par les producteurs redevables du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.]1
Wijzigingen
Art.11. § 1. De " CWaPE " raamt de elektriciteitsproducties uit hernieuwbare energiebronnen en/of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling van de verschuldigden, in functie van de technische kenmerken van de installaties, van de historische gegevens en van externe elementen die de productie beïnvloeden.
De " CWaPE " berekent het tarief per eenheid van de heffing voor 2017 op basis van de aldus geraamde totale productie. Dit tarief is van toepassing op alle verschuldigden op een eenvormige wijze.
De " CWaPE " maakt het tarief van de heffing bekend.
De " CWaPE " berekent het tarief per eenheid van de heffing voor 2017 op basis van de aldus geraamde totale productie. Dit tarief is van toepassing op alle verschuldigden op een eenvormige wijze.
De " CWaPE " maakt het tarief van de heffing bekend.
Art.11. § 1er. La CWaPE estime les productions d'électricité à partir de sources d'énergie renouvelables et/ou de cogénération de qualité des redevables, en fonction des caractéristiques techniques des installations, des données historiques et des éléments extérieurs influençant la production.
La CwaPE calcule à partir de la production totale ainsi estimée le taux unitaire de redevance pour l'année 2017. Ce taux est applicable de manière uniforme à l'ensemble des redevables.
La CwaPE publie le taux de la redevance.
La CwaPE calcule à partir de la production totale ainsi estimée le taux unitaire de redevance pour l'année 2017. Ce taux est applicable de manière uniforme à l'ensemble des redevables.
La CwaPE publie le taux de la redevance.
Art.12. De producent betaalt de heffing binnen de twee maanden na het versturen van de facturen. Onder voorbehoud van materiële fouten maakt het uitstel van de betaling de tegoeden op een effectenrekening van deze producent bij de " CWaPE " van rechtswege onbeschikbaar. De " CWaPE " wordt ertoe gemachtigd om de terugvordering van de heffing bij wanbetalende schuldenaars verder te zetten.
Deze heffing is ten laste van de verschuldigde producenten van groene elektriciteit in de zin van artikel 9 en mag niet worden verhaald op de consumenten.
Deze heffing is ten laste van de verschuldigde producenten van groene elektriciteit in de zin van artikel 9 en mag niet worden verhaald op de consumenten.
Art.12. Le producteur s'acquitte de la redevance dans les deux mois de l'envoi des factures. Sous réserve d'erreurs matérielles, le retard de paiement rend de plein droit indisponibles les avoirs en comptes-titres de ce producteur auprès de la CWaPE. La CWaPE est habilitée à poursuivre auprès des débiteurs défaillants le recouvrement de la redevance.
La présente redevance est à charge des producteurs d'électricité verte redevables au sens de l'article 9 et ne peut être répercutée sur les consommateurs.
La présente redevance est à charge des producteurs d'électricité verte redevables au sens de l'article 9 et ne peut être répercutée sur les consommateurs.
Art.13. Overeenkomstig artikel 6, 3° van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, van de boekhouding en van de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden, kan de invordering van de niet-fiscale ontvangsten door de ontvanger opgegeven worden wanneer de kosten van de invordering hoger is dan het bedrag van het vastgestelde recht.
Art.13. En application de l'article 6, 3°, du décret du 15 décembre 2011 portant organisation du budget, de la comptabilité et du rapportage des unités d'administration publique wallonnes, le recouvrement des recettes non fiscales peut être abandonné par le receveur lorsque le coût du recouvrement est supérieur au montant du droit constaté.
Art.14. Artikel 253, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de decreten van 6 december 2001 en 22 oktober 2003, wordt vervangen door wat volgt:
" 5° de onroerende goederen gelegen in het Waalse Gewest en opgenomen in de omtrek van een Natura 2000-gebied, van een natuurreservaat of een bosreservaat of opgenomen in de omtrek van een gebied dat in aanmerking komt voor het Natura 2000-netwerk en onderworpen is aan de primaire beschermingsregeling; ".
" 5° de onroerende goederen gelegen in het Waalse Gewest en opgenomen in de omtrek van een Natura 2000-gebied, van een natuurreservaat of een bosreservaat of opgenomen in de omtrek van een gebied dat in aanmerking komt voor het Natura 2000-netwerk en onderworpen is aan de primaire beschermingsregeling; ".
Art.14. L'article 253, 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 6 juillet 1994 et modifié par les décrets des 6 décembre 2001 et 22 octobre 2003, est remplacé par ce qui suit :
" 5° des biens immobiliers situés en Région wallonne et repris dans le périmètre d'un site Natura 2000, d'une réserve naturelle ou d'une réserve forestière ou repris dans le périmètre d'un site candidat au réseau Natura 2000 et soumis au régime de protection primaire; ".
" 5° des biens immobiliers situés en Région wallonne et repris dans le périmètre d'un site Natura 2000, d'une réserve naturelle ou d'une réserve forestière ou repris dans le périmètre d'un site candidat au réseau Natura 2000 et soumis au régime de protection primaire; ".
HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake registratierechten
CHAPITRE II. - Mesures en matière de droits d'enregistrement
Afdeling 1. - Wijzigingen in de bepalingen van Hoofdstuk IV " Vaststelling van de rechten " van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten
Section 1re. - Modifications apportées aux dispositions du Chapitre IV " Fixation des droits " du Code des droits d'enregistrement
Onderafdeling 1. - Overdracht van onderneming
Sous-section 1re. - Transmission d'entreprise
Art.15. In artikel 140bis van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 1, 1°, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 10 december 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 mei 2012, vervangen door wat volgt :
" In geval van overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de dag van de schenking een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de datum van de schenking het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in § 2, 1°, en in artikel 140quinquies, § 1, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht via schenking van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht op 3% en de landbouwkundige bedrijfsvoorwaarde van deze gronden wordt gebracht op 15 jaar. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren onder het stelsel inzake overdracht van onderneming.
" In geval van overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de dag van de schenking een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de datum van de schenking het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in § 2, 1°, en in artikel 140quinquies, § 1, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht via schenking van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht op 3% en de landbouwkundige bedrijfsvoorwaarde van deze gronden wordt gebracht op 15 jaar. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren onder het stelsel inzake overdracht van onderneming.
Art.15. Dans l'article 140bis du même Code, le paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, inséré par le décret du 10 décembre 2009, modifié par le décret du 10 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
" En cas de transmission de terres agricoles à l'exploitant ou au co-exploitant de l'activité agricole qui y est exercée, ainsi qu'en ligne directe, entre époux et cohabitants légaux, faisant suite à une transmission de toute quotité de l'activité agricole qui y est exercée, ces terres sont néanmoins considérées comme des biens composant une universalité de biens, une branche d'activité ou un fonds de commerce au moyen desquels le donateur, seul ou avec d'autres personnes, exerce, au jour de la donation, une activité agricole, à la condition que ces terres fassent l'objet, à la date de la donation, d'un bail à ferme conformément à la Section 3 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, du Code civil. Dans ce cas, l'entreprise, au sens des conditions du paragraphe 2, 1°, et de l'article 140quinquies, § 1er, 1°, 2° et 3°, est l'entreprise agricole de l'exploitant effectif de l'activité agricole qui est exercée sur ces terres, en considérant cette entreprise dans son entièreté et dans sa situation après transfert des terres. Toutefois, pour la transmission par donation de terres agricoles d'une surface supérieure à 150 hectares, le taux visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est porté à 3% et la condition d'exploitation agricole de ces terres est portée à 15 ans. Pour la détermination de ces 150 hectares, il est tenu compte des terres qui ont été transmises par donation dans les 5 années antérieures sous le régime de la transmission d'entreprise.
" En cas de transmission de terres agricoles à l'exploitant ou au co-exploitant de l'activité agricole qui y est exercée, ainsi qu'en ligne directe, entre époux et cohabitants légaux, faisant suite à une transmission de toute quotité de l'activité agricole qui y est exercée, ces terres sont néanmoins considérées comme des biens composant une universalité de biens, une branche d'activité ou un fonds de commerce au moyen desquels le donateur, seul ou avec d'autres personnes, exerce, au jour de la donation, une activité agricole, à la condition que ces terres fassent l'objet, à la date de la donation, d'un bail à ferme conformément à la Section 3 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, du Code civil. Dans ce cas, l'entreprise, au sens des conditions du paragraphe 2, 1°, et de l'article 140quinquies, § 1er, 1°, 2° et 3°, est l'entreprise agricole de l'exploitant effectif de l'activité agricole qui est exercée sur ces terres, en considérant cette entreprise dans son entièreté et dans sa situation après transfert des terres. Toutefois, pour la transmission par donation de terres agricoles d'une surface supérieure à 150 hectares, le taux visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est porté à 3% et la condition d'exploitation agricole de ces terres est portée à 15 ans. Pour la détermination de ces 150 hectares, il est tenu compte des terres qui ont été transmises par donation dans les 5 années antérieures sous le régime de la transmission d'entreprise.
Art.16. In artikel 140quinquies van hetzelfde Wetboek, in paragraaf 2, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2005, bij het decreet van 15 december 2005, worden de woorden " en van artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid " ingevoegd tussen de woorden " de voorwaarden van § 1 " en de woorden " niet meer vervuld zijn ".
Art.16. Dans l'article 140quinquies du même Code, au paragraphe 2, inséré par la loi du 22 décembre 1998, modifié par le décret du 3 février 2005, par le décret du 15 décembre 2005, les mots " et de l'article 140bis § 1er, 1°, alinéa 3 " sont insérés entre les mots " les conditions du § 1er " et les mots " ne sont plus remplies ".
Art.17. In artikel 140sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het decreet van 22 december 1998, gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2005, gewijzigd bij het decreet van 15 december 2005, wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt :
" De opvolger(s) die in aanmerking is (zijn) gekomen voor de verlaging van het recht bedoeld in artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid, kan (kunnen) voorstellen om het verschuldigde recht te betalen overeenkomstig de artikelen 131 tot 140 vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken, opeisbaar te rekenen van de datum van registratie van de schenking, te betalen vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid. ".
" De opvolger(s) die in aanmerking is (zijn) gekomen voor de verlaging van het recht bedoeld in artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid, kan (kunnen) voorstellen om het verschuldigde recht te betalen overeenkomstig de artikelen 131 tot 140 vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken, opeisbaar te rekenen van de datum van registratie van de schenking, te betalen vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid. ".
Art.17. Dans l'article 140sexies du même Code inséré par la loi du 22 décembre 1998, modifié par le décret du 3 février 2005, modifié par le décret du 15 décembre 2005, un alinéa 2 est ajouté, lequel est rédigé comme suit :
" Le(s) continuateur(s) qui a(ont) bénéficié de la réduction du droit prévue à l'article 140bis, § 1er, 1°, alinéa 3, peut (peuvent) offrir de payer le droit dû conformément aux articles 131 à 140 majoré de l'intérêt légal au taux fixé en matière civile, exigible à compter de la date de l'enregistrement de la donation avant l'expiration du délai prévu à l'article140bis, § 1er, 1°, alinéa 3. ".
" Le(s) continuateur(s) qui a(ont) bénéficié de la réduction du droit prévue à l'article 140bis, § 1er, 1°, alinéa 3, peut (peuvent) offrir de payer le droit dû conformément aux articles 131 à 140 majoré de l'intérêt légal au taux fixé en matière civile, exigible à compter de la date de l'enregistrement de la donation avant l'expiration du délai prévu à l'article140bis, § 1er, 1°, alinéa 3. ".
Art.18. In artikel 140septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2005, opgeheven bij het decreet van 15 december 2005, hersteld bij het decreet van 30 april 2009, wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt :
" Het overeenkomstig artikel 140quinquies, § 2, opeisbaar recht is evenwel niet opeisbaar indien het zakelijk recht op de goederen waarop het verlaagd recht werd toegepast, het voorwerp uitmaakt van een overdracht ten kosteloze titel ten voordele van de oorspronkelijke schenker alvorens de termijn van vijftien jaar is verstreken gedurende dewelke de voorwaarden van artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid, moeten behouden blijven. ".
" Het overeenkomstig artikel 140quinquies, § 2, opeisbaar recht is evenwel niet opeisbaar indien het zakelijk recht op de goederen waarop het verlaagd recht werd toegepast, het voorwerp uitmaakt van een overdracht ten kosteloze titel ten voordele van de oorspronkelijke schenker alvorens de termijn van vijftien jaar is verstreken gedurende dewelke de voorwaarden van artikel 140bis, § 1, 1°, derde lid, moeten behouden blijven. ".
Art.18. Dans l'article 140septies du même Code inséré par la loi du 22 décembre 1998, modifié par le décret du 3 février 2005, abrogé par le décret du 15 décembre 2005, rétabli par le décret du 30 avril 2009, est ajouté un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Le droit exigible conformément à l'article 140quinquies, § 2, n'est toutefois pas exigible dans le cas où le droit réel sur les biens ayant bénéficié du droit réduit fait l'objet d'une transmission à titre gratuit en faveur du donateur initial avant l'expiration du délai de 15 ans pendant lequel la condition visée à l'article140bis, § 1er, 1°, alinéa 3. ".
" Le droit exigible conformément à l'article 140quinquies, § 2, n'est toutefois pas exigible dans le cas où le droit réel sur les biens ayant bénéficié du droit réduit fait l'objet d'une transmission à titre gratuit en faveur du donateur initial avant l'expiration du délai de 15 ans pendant lequel la condition visée à l'article140bis, § 1er, 1°, alinéa 3. ".
HOOFDSTUK III. - Maatregelen inzake successierechten
CHAPITRE III. - Mesures en matière de droit de succession
Art.19. In artikel 60bis van het Wetboek der successierechten, wordt paragraaf 1, 1°, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 17 december 1997, vervangen bij het decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 mei 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 mei 2012, vervangen als volgt :
" In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1bis, en in paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht op 3% en de landbouwkundige exploitatievoorwaarde van deze gronden wordt gebracht op 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden ontvangen bij erfopvolging.
" In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1bis, en in paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht op 3% en de landbouwkundige exploitatievoorwaarde van deze gronden wordt gebracht op 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden ontvangen bij erfopvolging.
Art.19. Dans l'article 60bis du Code des droits de succession, le paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, inséré par le décret du 17 décembre 1997, remplacé par le décret du 15 décembre 2005, modifié par le décret du 30 avril 2009, modifié par le décret du 10 décembre 2009, modifié par le décret du 10 mai 2012, est remplacé par le texte suivant :
" En cas de transmission successorale de terres agricoles à l'exploitant ou au co-exploitant de l'activité agricole qui y est exercée, ainsi qu'en ligne directe, entre époux et cohabitants légaux, faisant suite à une transmission de toute quotité de l'activité agricole qui y est exercée, ces terres sont néanmoins considérées comme des biens composant une universalité de biens, une branche d'activité ou un fonds de commerce au moyen desquels le de cujus, seul ou avec d'autres personnes, exerçait, au jour du décès, une activité agricole, à la condition que ces terres fassent l'objet, à la date du décès, d'un bail à ferme conformément à la Section 3 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, du Code civil. Dans ce cas, l'entreprise, au sens des conditions du paragraphe 1erbis, 1°, et du § 3, 1°, 2° et 3°, est l'entreprise agricole de l'exploitant effectif de l'activité agricole qui est exercée sur ces terres, en considérant cette entreprise dans son entièreté et dans sa situation après transfert des terres. Toutefois, pour la transmission de terres agricoles d'une surface supérieure à 150 hectares, le taux visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est porté à 3% et la condition d'exploitation agricole de ces terres est portée à 15 ans à partir du décès. Pour la détermination de ces 150 hectares, il est tenu compte des terres qui ont été transmises par donation dans les 5 années antérieures au décès cumulées à celles reçues par succession. ".
" En cas de transmission successorale de terres agricoles à l'exploitant ou au co-exploitant de l'activité agricole qui y est exercée, ainsi qu'en ligne directe, entre époux et cohabitants légaux, faisant suite à une transmission de toute quotité de l'activité agricole qui y est exercée, ces terres sont néanmoins considérées comme des biens composant une universalité de biens, une branche d'activité ou un fonds de commerce au moyen desquels le de cujus, seul ou avec d'autres personnes, exerçait, au jour du décès, une activité agricole, à la condition que ces terres fassent l'objet, à la date du décès, d'un bail à ferme conformément à la Section 3 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, du Code civil. Dans ce cas, l'entreprise, au sens des conditions du paragraphe 1erbis, 1°, et du § 3, 1°, 2° et 3°, est l'entreprise agricole de l'exploitant effectif de l'activité agricole qui est exercée sur ces terres, en considérant cette entreprise dans son entièreté et dans sa situation après transfert des terres. Toutefois, pour la transmission de terres agricoles d'une surface supérieure à 150 hectares, le taux visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est porté à 3% et la condition d'exploitation agricole de ces terres est portée à 15 ans à partir du décès. Pour la détermination de ces 150 hectares, il est tenu compte des terres qui ont été transmises par donation dans les 5 années antérieures au décès cumulées à celles reçues par succession. ".
Art.20. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek, wordt het eerste lid van paragraaf 4, ingevoegd bij het decreet van 3 februari 2005, vervangen bij het decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, aangevuld door wat volgt :
" en in geval van een successorale overdracht bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid, als ze opgehouden hebben met de exploitatie vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij paragraaf 1, 1°, derde lid, het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid. ".
" en in geval van een successorale overdracht bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid, als ze opgehouden hebben met de exploitatie vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij paragraaf 1, 1°, derde lid, het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid. ".
Art.20. Dans l'article 60bis du même Code, l'alinéa 1er du paragraphe 4, inséré par le décret du 3 février 2005, remplacé par le décret du 15 décembre 2005, modifié par le décret du 30 avril 2009, est complété par ce qui suit :
" et dans le cas d'une transmission successorale visée paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, lorsqu'ils ont cessé d'exploiter avant l'expiration du délai de quinze ans prescrit par paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, tout ou partie des terres visées au paragraphe 1er, 1°, alinéa 3. ".
" et dans le cas d'une transmission successorale visée paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, lorsqu'ils ont cessé d'exploiter avant l'expiration du délai de quinze ans prescrit par paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, tout ou partie des terres visées au paragraphe 1er, 1°, alinéa 3. ".
Art.21. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 5 aangevuld met een derde lid, luidend als volgt:
" Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij paragraaf 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling. ".
" Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij paragraaf 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling. ".
Art.21. A l'article 60bis du même Code, le paragraphe 5 est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Les alinéas 1 et 2 s'appliquent mutatis mutandis au régime établi par le paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, avant l'expiration du délai de 15 ans prévu par cette disposition. ".
" Les alinéas 1 et 2 s'appliquent mutatis mutandis au régime établi par le paragraphe 1er, 1°, alinéa 3, avant l'expiration du délai de 15 ans prévu par cette disposition. ".
HOOFDSTUK IV. - Waterbeleid
CHAPITRE IV. - Politique de l'eau
Art.22. Artikel D.267, tweede lid, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, wordt vervangen als volgt :
" De eenheidsbelasting per kubieke meter geloosd afvalwater, bedoeld in artikel D.259, 2°, wordt vastgelegd op :
- 1,935 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2015;
- 2,115 euro vanaf 1 januari 2016. ".
" De eenheidsbelasting per kubieke meter geloosd afvalwater, bedoeld in artikel D.259, 2°, wordt vastgelegd op :
- 1,935 euro van 1 januari 2015 tot 31 december 2015;
- 2,115 euro vanaf 1 januari 2016. ".
Art.22. L'article D.267, alinéa 2, du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau est remplacé comme suit :
" La taxe unitaire par mètre cube d'eau usée déversé, visée à l'article D.259, 2°, est fixée à :
- 1,935 euro du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
- 2,115 euro à partir du 1er janvier 2016. ".
" La taxe unitaire par mètre cube d'eau usée déversé, visée à l'article D.259, 2°, est fixée à :
- 1,935 euro du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
- 2,115 euro à partir du 1er janvier 2016. ".
Art.23. In artikel D.330-1 van hetzelfde Boek, worden de woorden " met uitzondering van de belasting bedoeld in artikel D.267 " ingevoegd tussen de woorden " Wetboek " en " wordt ".
Art.23. A l'article D.330-1 du même Livre, les mots " hormis la taxe visée à l'article D.267 " sont insérés entre les mots " Code " et " est ".
HOOFDSTUK V. - Bepalingen tot wijziging van het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen
CHAPITRE V. - Dispositions modifiant le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes
Art.24. In artikel 5 van het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen, wordt paragraaf 1 vervangen door de volgende bepaling :
" § 1er. Het bedrag van de belasting op het storten van huisafval in " C.E.T. " wordt vastgelegd op 100 euro/ton ".
In paragraaf 2 van hetzelfde artikel, worden de woorden " voor brandbaar afval " toegevoegd na de woorden " voor gevaarlijk afval ".
" § 1er. Het bedrag van de belasting op het storten van huisafval in " C.E.T. " wordt vastgelegd op 100 euro/ton ".
In paragraaf 2 van hetzelfde artikel, worden de woorden " voor brandbaar afval " toegevoegd na de woorden " voor gevaarlijk afval ".
Art.24. A l'article 5 du décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le montant de la taxe sur la mise en C.E.T. des déchets est fixé à 100 euros/tonne ".
Au paragraphe 2 du même article, après les mots " s'il s'agit de déchets dangereux " sont insérés les mots " ou de déchets combustibles ".
" § 1er. Le montant de la taxe sur la mise en C.E.T. des déchets est fixé à 100 euros/tonne ".
Au paragraphe 2 du même article, après les mots " s'il s'agit de déchets dangereux " sont insérés les mots " ou de déchets combustibles ".
Art.25. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet, wordt een punt 13 ingevoegd, luidend als volgt :
" 13° 55 euro/ton als het gaat om niet-brandbare afval waarvoor geen ander verlaagd percentage wordt toegepast krachtens dit artikel. De Regering kan een lijst vaststellen van afval dat al dan niet brandbaar wordt geacht te zijn. Afval met een percentage van gloeiverlies hoger dan 10 % en een totale hoeveelheid organische koolstof hoger dan 6 % wordt geacht brandbaar te zijn en komt niet in aanmerking voor het voordeel van het percentage. ".
" 13° 55 euro/ton als het gaat om niet-brandbare afval waarvoor geen ander verlaagd percentage wordt toegepast krachtens dit artikel. De Regering kan een lijst vaststellen van afval dat al dan niet brandbaar wordt geacht te zijn. Afval met een percentage van gloeiverlies hoger dan 10 % en een totale hoeveelheid organische koolstof hoger dan 6 % wordt geacht brandbaar te zijn en komt niet in aanmerking voor het voordeel van het percentage. ".
Art.25. A l'article 6, § 1er, du même décret, un point 13 est inséré, libellé comme suit :
" 13° 55 euros/tonne, s'agissant de déchets non combustibles pour lesquels un autre taux réduit n'est pas d'application en vertu du présent article. Une liste de déchets présumés combustibles ou non combustibles peut être arrêtée par le Gouvernement. Les déchets présentant un taux de perte au feu supérieur à 10 % et une teneur en carbone organique total supérieure à 6 % sont réputés combustibles et exclus du bénéfice de ce taux ".
" 13° 55 euros/tonne, s'agissant de déchets non combustibles pour lesquels un autre taux réduit n'est pas d'application en vertu du présent article. Une liste de déchets présumés combustibles ou non combustibles peut être arrêtée par le Gouvernement. Les déchets présentant un taux de perte au feu supérieur à 10 % et une teneur en carbone organique total supérieure à 6 % sont réputés combustibles et exclus du bénéfice de ce taux ".
Art.26. In artikel 26/1, eerste lid, van hetzelfde fiscaal decreet, worden de woorden " Voor het kalenderjaar 2016 " vervangen door de woorden " Voor de jaren 2016 tot 2021 ".
Art.26. A l'article 26/1, alinéa 1er, du même décret fiscal, les mots " Pour l'année civile 2016 " sont remplacés par les mots " Pour les années 2016 à 2021 ".
(NOTA : bij arrest nr. 25/2018 van 01-03-2018 (B.St. 09-05-2018, p. 38929), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 25/2018 du 01-03-2018 (M.B. 09-05-2018, p. 38929), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.27. In hetzelfde fiscaal decreet, wordt een artikel 26/5 toegevoegd, luidend als volgt :
" Art. 26/5. Als de belastingplichtige ervoor kiest om een overeenkomst met de Regering te sluiten met betrekking tot de organisatie van zijn bijdrage tot het gewestelijk beleid inzake preventie, hergebruik en beheer van de aan de terugnameplicht onderworpen afval, wordt de belasting dan betaald via een schikkingsprocedure.
De overeenkomst bedoeld in het eerste lid bevat minstens, voor elk betrokken jaar :
1° de verbintenis van de belastingplichtige om een jaarlijkse bijdrage per inwoner ter beschikking te stellen van een bedrag dat minstens gelijk is aan het bedrag van de belasting;
2° de modaliteiten in verband met de storting van de bijdrage;
3° de overlegmodaliteiten betreffende de bestemming van de bijdrage;
4° een lijst van gewestelijke acties die door de bijdrage worden gefinancierd.
Het aantal inwoners wordt bepaald aan de hand van de meest recente bevolkingsstatistieken die op 1 januari van elk jaar beschikbaar zijn.
De uitvoering van de overeenkomst maakt het voorwerp uit van een evaluatie en van een jaarlijk verslag van het Bestuur, voorgelegd aan de Regering.
Bij niet-uitvoering door de belastingplichtige van een of meerdere van de verplichtingen vervat in de overeenkomst, kan de Regering een einde maken aan de overeenkomst vóór het verstrijken ervan ".
" Art. 26/5. Als de belastingplichtige ervoor kiest om een overeenkomst met de Regering te sluiten met betrekking tot de organisatie van zijn bijdrage tot het gewestelijk beleid inzake preventie, hergebruik en beheer van de aan de terugnameplicht onderworpen afval, wordt de belasting dan betaald via een schikkingsprocedure.
De overeenkomst bedoeld in het eerste lid bevat minstens, voor elk betrokken jaar :
1° de verbintenis van de belastingplichtige om een jaarlijkse bijdrage per inwoner ter beschikking te stellen van een bedrag dat minstens gelijk is aan het bedrag van de belasting;
2° de modaliteiten in verband met de storting van de bijdrage;
3° de overlegmodaliteiten betreffende de bestemming van de bijdrage;
4° een lijst van gewestelijke acties die door de bijdrage worden gefinancierd.
Het aantal inwoners wordt bepaald aan de hand van de meest recente bevolkingsstatistieken die op 1 januari van elk jaar beschikbaar zijn.
De uitvoering van de overeenkomst maakt het voorwerp uit van een evaluatie en van een jaarlijk verslag van het Bestuur, voorgelegd aan de Regering.
Bij niet-uitvoering door de belastingplichtige van een of meerdere van de verplichtingen vervat in de overeenkomst, kan de Regering een einde maken aan de overeenkomst vóór het verstrijken ervan ".
Art.27. Dans le même décret fiscal, un article 26/5 est ajouté, libellé comme suit :
" Art. 26/5. Lorsque le redevable choisit de conclure avec le Gouvernement une convention organisant sa contribution à la politique régionale de prévention, de réutilisation et de gestion des déchets soumis à l'obligation de reprise, la taxe est acquittée par voie transactionnelle.
La convention visée à l'alinéa 1er comporte au minimum, pour chaque année concernée :
1° l'engagement du redevable à mettre à disposition une contribution annuelle par habitant d'un montant correspondant au moins au montant de la taxe;
2° les modalités de versement de la contribution;
3° les modalités de concertation concernant l'affectation de la contribution;
4° une liste d'actions régionales financées par la contribution.
Le nombre d'habitants est fixé par les statistiques de population les plus récentes disponibles au 1er janvier de chaque année.
La mise en oeuvre de la convention fait l'objet, par redevable, d'une évaluation et d'un rapport annuel de l'Administration, présenté au Gouvernement.
En cas d'inexécution par le redevable d'une ou de plusieurs des obligations contenues dans la convention, le Gouvernement peut mettre un terme à la convention avant son échéance ".
" Art. 26/5. Lorsque le redevable choisit de conclure avec le Gouvernement une convention organisant sa contribution à la politique régionale de prévention, de réutilisation et de gestion des déchets soumis à l'obligation de reprise, la taxe est acquittée par voie transactionnelle.
La convention visée à l'alinéa 1er comporte au minimum, pour chaque année concernée :
1° l'engagement du redevable à mettre à disposition une contribution annuelle par habitant d'un montant correspondant au moins au montant de la taxe;
2° les modalités de versement de la contribution;
3° les modalités de concertation concernant l'affectation de la contribution;
4° une liste d'actions régionales financées par la contribution.
Le nombre d'habitants est fixé par les statistiques de population les plus récentes disponibles au 1er janvier de chaque année.
La mise en oeuvre de la convention fait l'objet, par redevable, d'une évaluation et d'un rapport annuel de l'Administration, présenté au Gouvernement.
En cas d'inexécution par le redevable d'une ou de plusieurs des obligations contenues dans la convention, le Gouvernement peut mettre un terme à la convention avant son échéance ".
Art.28. In artikel 53 van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen, wordt de volgende bepaling ingevoegd:
" In afwijking van het eerste lid wordt elke belasting inzake afval, als er een gerechtelijk beroep wordt ingediend, vermeerderd met de boete, de interest en de kosten, beschouwd als een zekere en vaststaande schuld die op alle wijzen van uitvoering mag worden ingevorderd. ".
" In afwijking van het eerste lid wordt elke belasting inzake afval, als er een gerechtelijk beroep wordt ingediend, vermeerderd met de boete, de interest en de kosten, beschouwd als een zekere en vaststaande schuld die op alle wijzen van uitvoering mag worden ingevorderd. ".
Art.28. A l'article 53 du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, la disposition suivante est insérée :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas de recours judiciaire, toute taxe en matière de déchets, augmentée de l'amende, des intérêts et des frais éventuels est considérée comme une dette liquide et certaine pouvant être recouvrée par toutes voies d'exécution ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas de recours judiciaire, toute taxe en matière de déchets, augmentée de l'amende, des intérêts et des frais éventuels est considérée comme une dette liquide et certaine pouvant être recouvrée par toutes voies d'exécution ".
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
CHAPITRE VI. - Dispositions finales
Art.29. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017.
Art.29. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2017.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2016, p. 91131)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-12-2016, p. 91111)