Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 FEBRUARI 2016. - Wet tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-02-2016 en tekstbijwerking tot 30-05-2018)
Titre
5 FEVRIER 2016. - Loi modifiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-02-2016 et mise à jour au 30-05-2018)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling TITEL 2. - Wijzigingen van het strafrecht HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Strafwetboek HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 24 febr... HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 5 jun... HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 27 juni... HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 29 ju... HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 15 dece... HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 7 mei 2... HOOFDSTUK 8. - Wijziging van de wet van 30 dece... HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 7 feb... HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 10 a... TITEL 3. - Wijzigingen van de strafvordering HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de voorafgaande ... HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van ... HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 4 okt... HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk... HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 20 ju... Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 2. - Overgangsbepaling Afdeling 3. - Inwerkingtredingsbepaling HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 dece... HOOFDSTUK 8. - Bepalingen betreffende de inwerk... TITEL 4. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 20... TITEL 5. - Wijzigingen van diverse bepalingen HOOFDSTUK 1. - Rechterlijke organisatie Afdeling 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk ... Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 21 jun... Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 april ... Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 5 mei ... Afdeling 5. - Opheffingsbepaling Afdeling 6. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van bepalingen betre... Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 18 juli ... Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 30 nov... Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 7 dece... Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 11 janua...
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale TITRE 2. - Modifications du droit pénal CHAPITRE 1er. - Modifications du Code pénal CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 24 févr... CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 5 juin... CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 27 juin... CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 29 jui... CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 15 déce... CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 7 mai 2... CHAPITRE 8. - Modification de la loi du 30 déce... CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 7 févr... CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 10 av... TITRE 3. - Modifications de la procédure pénale CHAPITRE 1er. - Modifications du titre prélimin... CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instructi... CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 4 octo... CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté royal n°... CHAPITRE 5. - Modifications du Code Judiciaire CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 20 jui... Section 1re. - Dispositions modificatives Section 2. - Disposition transitoire Section 3. - Disposition d'entrée en vigueur CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 19 déce... CHAPITRE 8. - Dispositions relatives à l'entrée... TITRE 4. - Modifications de la loi du 17 mai 20... TITRE 5. - Modifications de dispositions diverses CHAPITRE 1er. - Organisation Judiciaire Section 1re. - Modifications du Code judiciaire Section 2. - Modifications de la loi du 21 juin... Section 3. - Modification de la loi du 3 avril ... Section 4. - Modifications de la loi du 5 mai 2... Section 5. - Disposition abrogatoire Section 6. - Dispositions transitoires CHAPITRE 2. - Modifications des dispositions re... Section 1re. - Modification de la loi organique... Section 2. - Modifications de la loi organique ... Section 3. - Modifications de la loi du 7 décem... Section 4. - Modification de la loi du 11 janvi...
Tekst (265)
Texte (265)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Wijzigingen van het strafrecht
TITRE 2. - Modifications du droit pénal
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Strafwetboek
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code pénal
Art.2. Artikel 9 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 10 juli 1996, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende : "5° dertig tot veertig jaar.".
Art.2. L'article 9 du Code pénal, remplacé par la loi du 10 juillet 1996, est complété par le 5° rédigé comme suit : "5° trente à quarante ans.".
Art.3. Artikel 11 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 juli 1996, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende : "5° dertig tot veertig jaar.".
Art.3. L'article 11 du même Code, remplacé par la loi du 10 juillet 1996, est complété par le 5° rédigé comme suit : "5° trente à quarante ans.".
Art.4. In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "of van dertig jaar tot veertig jaar" ingevoegd tussen de woorden "van twintig jaar tot dertig jaar" en de woorden "wordt bij uittreksel gedrukt".
Art.4. Dans l'article 18 du même Code, remplacé par la loi du 23 janvier 2003, les mots "ou de trente ans à quarante ans" sont insérés entre les mots "de vingt ans à trente ans" et les mots "sera imprimé".
Art.5. In artikel 19, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden ", tot hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van vijftien jaar tot twintig jaar" vervangen door de woorden "of tot hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar of voor een langere termijn".
Art.5. Dans l'article 19, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 23 janvier 2003, les mots ", à la détention de vingt ans à trente ans ou de quinze ans à vingt ans" sont remplacés par les mots "ou à la détention de quinze ans à vingt ans ou pour un terme supérieur".
Art.6. In artikel 25 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt het vijfde lid vervangen als volgt :
  "Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
  Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
  Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.".
Art.6. Dans l'article 25 du même Code, modifié par la loi du 21 décembre 2009, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  "Elle est de vingt-huit ans au plus s'il s'agit d'un crime punissable de la réclusion de vingt ans à trente ans qui a été correctionnalisé.
  Elle est de trente-huit ans au plus s'il s'agit d'un crime punissable de la réclusion de trente ans à quarante ans qui a été correctionnalisé.
  Elle est de quarante ans au plus s'il s'agit d'un crime punissable de la réclusion à perpétuité qui a été correctionnalisé.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.7. In artikel 31 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis of tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn" vervangen door de woorden "Bij alle vonnissen of arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar of meer of tot gevangenisstraf van twintig jaar of meer";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "of vonnissen" ingevoegd tussen de woorden "De arresten" en de woorden "van veroordeling".
Art.7. A l'article 31 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "Tous arrêts de condamnation à la réclusion ou à la détention à perpétuité ou à la réclusion de dix à quinze ans ou un terme supérieur" sont remplacés par les mots "Tous jugements ou arrêts de condamnation à la réclusion ou détention à perpétuité ou à la réclusion d'une durée égale ou supérieure à dix ans ou à l'emprisonnement d'une durée égale ou supérieure à vingt ans";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "ou les jugements" sont insérés entre les mots "Les arrêts" et les mots "de condamnation".
Art.8. Artikel 32 van het hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 23 januari 2003 en 14 april 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 32. De hoven en rechtbanken kunnen de veroordeelden tot opsluiting van vijf tot minder dan tien jaar, tot tijdelijke hechtenis of tot gevangenisstraf van tien tot minder dan twintig jaar, voor hun leven of voor tien jaar tot twintig jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 31.".
Art.8. L'article 32 du même Code, modifié par les lois des 23 janvier 2003 et 14 avril 2009, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 32. Les cours et tribunaux pourront interdire, en tout ou en partie, à perpétuité ou pour dix ans à vingt ans, l'exercice des droits visés à l'article 31, aux condamnés à la réclusion d'une durée égale ou supérieure à cinq ans mais inférieure à dix ans, à la détention à temps ou à l'emprisonnement d'une durée égale ou supérieure à dix ans mais inférieure à vingt ans.".
Art.9. In artikel 33 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 april 2009, worden de woorden "De hoven en rechtbanken kunnen" vervangen door de woorden "Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 kunnen de hoven en rechtbanken".
Art.9. Dans l'article 33 du même Code, modifié par la loi du 14 avril 2009, les mots "Les cours et tribunaux" sont remplacés par les mots "Sous réserve de l'application des articles 31 et 32, les cours et tribunaux".
Art.10. In artikel 33bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 april 2009, worden de woorden "De hoven en rechtbanken zullen" vervangen door de woorden "Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 zullen de hoven en rechtbanken".
Art.10. Dans l'article 33bis du même Code, inséré par la loi du 14 avril 2009, les mots "Les cours et tribunaux" sont remplacés par les mots "Sous réserve de l'application des articles 31 et 32, les cours et tribunaux".
Art.11. In artikel 34ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "tot een criminele straf" vervangen door de woorden "tot een vrijheidsstraf van minstens vijf jaar".
Art.11. Dans l'article 34ter du même Code, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les mots "à une peine criminelle" sont remplacés par les mots "à une peine privative de liberté de cinq ans au moins".
Art.12. In artikel 37ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 2002 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2006, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten :
  1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
  2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377;
  3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
  4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.".
Art.12. Dans l'article 37ter, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 avril 2002 et modifié par la loi du 17 mai 2006, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "La peine de travail ne peut être prononcée pour les faits :
  1° qui seraient punissables, s'ils n'étaient transmués en délits, d'une peine maximale supérieure à vingt ans de réclusion;
  2° visés aux articles 375 à 377;
  3° visés aux articles 379 à 387, si les faits ont été commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
  4° visés aux articles 393 à 397.".
Art.13. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De pogingen tot misdaden die strafbaar zijn met levenslange opsluiting of levenslange hechtenis worden echter respectievelijk gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of met twintig jaar tot dertig jaar hechtenis.".
Art.13. L'article 52 du même Code est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Les tentatives de crimes punissables de la réclusion à perpétuité ou de la détention à perpétuité seront cependant punies respectivement de la réclusion de vingt ans à trente ans ou de la détention de vingt ans à trente ans.".
Art.14. In artikel 56 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid, opgeheven door de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
  "Zelfs in de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, indien het nieuwe wanbedrijf een misdaad is die werd gecorrectionaliseerd of waarvoor het hof van assisen het bestaan van verzachtende omstandigheden heeft aanvaard, mag de gevangenisstraf de maximumduur van de opsluiting waarin de wet voorziet voor die misdaad of veertig jaar indien het om levenslange opsluiting gaat, niet te boven gaan.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
  "In geen geval mag de uitgesproken straf een jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.".
Art.14. A l'article 56 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3, abrogé par la loi du 9 avril 1930, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Même dans les cas visés aux alinéas 1 et 2, si le nouveau délit est un crime qui a été correctionnalisé ou pour lequel la cour d'assises a admis l'existence de circonstances atténuantes, la durée de la peine d'emprisonnement ne pourra excéder celle de la peine de réclusion maximale prévue par la loi pour ce crime ou quarante ans si ladite peine est la réclusion à perpétuité.";
  2° l'article est complété par un alinéa 4 rédigé comme suit :
  "En aucun cas, la peine prononcée ne peut excéder une année de peine de surveillance électronique, trois cents heures de peine de travail ou deux ans de peine de probation autonome.".
Art.15. In artikel 60 van het hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° een zin, luidend als volgt, wordt ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
  "De uitgesproken straf mag niet hetzij twintig jaar gevangenisstraf, hetzij de zwaarste gevangenisstraf als deze meer dan twintig jaar gevangenis is, te boven gaan.";
  2° in de tweede zin, die de derde wordt, worden de woorden "twintig jaar gevangenisstraf of" opgeheven.
Art.15. A l'article 60 du même Code, remplacé par la loi du 1er février 1977 et modifié par la loi du 17 avril 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° une phrase est insérée entre la première et la seconde phrase, rédigée comme suit :
  "La peine prononcée ne peut excéder soit vingt années d'emprisonnement, soit la peine d'emprisonnement la plus forte si celle-ci est supérieure à vingt années d'emprisonnement.";
  2° dans la seconde phrase, devenant la troisième, les mots "vingt années d'emprisonnement ou" sont abrogés.
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.16. Artikel 69, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin : "Zij worden echter gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of twintig jaar tot dertig jaar hechtenis indien zij medeplichtig waren aan een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting of met levenslange hechtenis.".
Art.16. L'article 69, alinéa 1er, du même Code, est complété par la phrase suivante : "Ils seront cependant punis de la réclusion de vingt ans à trente ans ou de la détention de vingt ans à trente ans s'ils étaient complices d'un crime punissable de la réclusion à perpétuité ou de la détention à perpétuité.".
Art.17. In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste veertig jaar.";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar door opsluiting van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.
  Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.";
  3° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijftien jaar.";
  4° het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste tien jaar.";
  5° het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijf jaar.".
Art.17. A l'article 80 du même Code, remplacé par la loi du 11 décembre 2001, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par les mots "et de quarante ans au plus.";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La réclusion de trente ans à quarante ans par la réclusion de trente-huit ans ou pour un terme inférieur ou par un emprisonnement de trois ans au moins et de trente-huit ans au plus.
  La réclusion de vingt ans à trente ans, par la réclusion de vingt-huit ans ou pour un terme inférieur ou par un emprisonnement de trois ans au moins et de vingt-huit ans au plus.";
  3° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est complété par les mots "et de quinze ans au plus.";
  4° l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 5, est complété par les mots "et de dix ans au plus.";
  5° l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 6, est complété par les mots "et de cinq ans au plus.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 1° en 2° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 1° et le 2° du présent article)
Art.18. In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste veertig jaar.";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Hechtenis van dertig jaar tot veertig jaar door hechtenis van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.
  Hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar door hechtenis van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.";
  3° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijftien jaar.";
  4° in het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "en van ten hoogste tien jaar.";
  5° de tweede zin van het vierde lid wordt het zesde lid en wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijf jaar.".
Art.18. A l'article 81 du même Code, remplacé par la loi du 23 janvier 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par les mots "et de quarante ans au plus.";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "La peine de la détention de trente ans à quarante ans par la détention de trente-huit ans ou pour un terme inférieur ou par un emprisonnement d'un an au moins et de trente-huit ans au plus.
  La peine de la détention de vingt ans à trente ans par la détention de vingt-huit ans ou pour un terme inférieur ou par un emprisonnement d'un an au moins et de vingt-huit ans au plus.";
  3° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est complété par les mots "et de quinze ans au plus.";
  4° dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 5, la première phrase est complétée par les mots "et de dix ans au plus.";
  5° la seconde phrase de l'alinéa 4 devient l'alinéa 6 et est complétée par les mots "et de cinq ans au plus.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 1° en 2° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 1° et le 2° du présent article)
Art.19. In artikel 92 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het eerste lid worden de woorden "Correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren" vervangen door de woorden "Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, die onverjaarbaar zijn, verjaren correctionele straffen door verloop van vijf jaren";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien de uitgesproken gevangenisstraf twintig jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn twintig jaren".
Art.19. A l'article 92 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "Les peines correctionnelles se prescriront par cinq années" sont remplacés par les mots "Sauf pour les peines concernant les infractions définies aux articles 136bis, 136ter et 136quater, qui sont imprescriptibles, les peines correctionnelles se prescriront par cinq années";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si la peine d'emprisonnement prononcée dépasse vingt années, la prescription sera de vingt ans.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 2° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 2° du présent article)
Art.20. In artikel 121bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de besluitwet van 8 april 1917 en vervangen bij de wet van 23 januari 2003, in artikel 136quinquies, vierde en elfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 2003, in artikel 400 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000 en de wet van 23 januari 2003, in artikel 403 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, in artikel 442quater, § 2, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 november 2011, en in artikel 488bis, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 1986 en gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" of "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk" telkens vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.20. Dans l'article 121bis, alinéa 3, du même Code, inséré par l'arrêté-loi du 8 avril 1917 et remplacé par la loi du 23 janvier 2003, dans l'article 136quinquies, alinéas 4 et 11, du même Code, inséré par la loi du 5 août 2003, dans l'article 400 du même Code, modifié par la loi du 26 juin 2000 et la loi du 23 janvier 2003, dans l'article 403 du même Code, modifié par la loi du 23 janvier 2003, dans l'article 442quater, § 2, 3°, du même Code, inséré par la loi du 26 novembre 2011, et dans l'article 488bis, § 2, 1°, du même Code, inséré par la loi du 17 avril 1986 et modifié par la loi du 23 janvier 2003, les mots "incapacité permanente de travail personnel" sont chaque fois remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
Art.21. In artikel 246, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 februari 1999, worden de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt" vervangen door de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt, aanneemt of ontvangt".
Art.21. Dans l'article 246, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 10 février 1999, les mots "de solliciter ou d'accepter" sont remplacés par les mots "de solliciter, d'accepter ou de recevoir".
Art.22. Artikel 250 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 250. Indien de in de artikelen 246 tot 249 bepaalde omkoping een persoon betreft die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie, worden het minimum van de geldboetes verdrievoudigd en het maximum van de geldboetes vervijfvoudigd.".
Art.22. L'article 250 du même Code, remplacé par la loi du 11 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 250. Lorsque la corruption prévue par les articles 246 à 249 concerne une personne qui exerce une fonction publique dans un Etat étranger ou dans une organisation de droit international public, le minimum des peines d'amendes est triplé et le maximum des peines d'amendes est quintuplé.".
Art.23. In artikel 347bis, § 4, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juli 1975 en vervangen bij de wet van 28 november 2000, in de artikelen 417ter, tweede lid, 2°, en 417quater, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juni 2002, in artikel 428, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 26 november 2011, in artikel 433septies, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005, in artikel 473, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 2 juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 14 juni 2002, en in artikel 477sexies, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 1986, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid", "blijvende fysische of psychische ongeschiktheid" of "blijvende lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid" telkens vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.23. Dans l'article 347bis, § 4, 1°, du même Code, inséré par la loi du 2 juillet 1975 et remplacé par la loi du 28 novembre 2000, dans les articles 417ter, alinéa 2, 2° et 417quater, alinéa 2, 2°, du même Code, insérés par la loi du 14 juin 2002, dans l'article 428, § 4, du même Code, remplacé par la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du 26 novembre 2011, dans l'article 433septies, alinéa 1er, 5°, du même Code, inséré par la loi du 10 août 2005, dans l'article 473, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 2 juillet 1975 et modifié par la loi du 14 juin 2002 et dans l'article 477sexies, § 2, 1°, du même Code, inséré par la loi du 17 avril 1986, les mots "incapacité permanente physique ou psychique" sont chaque fois remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
Art.24. In artikel 409, § 3, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930 en hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "blijvende arbeidsongeschiktheid" vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.24. Dans l'article 409, § 3, du même Code, abrogé par la loi du 9 avril 1930 et rétabli par la loi du 28 novembre 2000, les mots "incapacité permanente de travail personnel" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
Art.25. Artikel 414 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1996, 26 juni 2000 en 23 januari 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 414. Wanneer het verschonend feit bewezen is, wordt de straf verminderd :
  - tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro, indien het een misdaad betreft, waarop een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting gesteld is, ongeacht of deze al dan niet gecorrectionaliseerd is;
  - tot gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en tot geldboete van vijftig euro tot tweehonderd euro, indien het enige andere al dan niet gecorrectionaliseerde misdaad betreft;
  - tot gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro, indien het een ander wanbedrijf betreft.".
Art.25. L'article 414 du même Code, modifié par les lois des 10 juillet 1996, 26 juin 2000 et 23 janvier 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 414. Lorsque le fait d'excuse sera prouvé, la peine sera réduite :
  - à un emprisonnement d'un an à cinq ans et à une amende de cent euros à cinq cents euros, s'il s'agit d'un crime emportant une peine maximale supérieure à vingt ans de réclusion, qu'il ait été ou non correctionnalisé,
  - à un emprisonnement de six mois à deux ans et à une amende de cinquante euros à deux cents euros, s'il s'agit de tout autre crime, correctionnalisé ou non;
  - à un emprisonnement de huit jours à trois mois et à une amende de vingt-six euros à cent euros, s'il s'agit d'un autre délit.".
Art.26. In boek II, titel VIII, hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling VIII, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, vervangen als volgt :
  "Lokken van minderjarigen via informatie- en communicatietechnologieën met het oog op het plegen van een misdaad of een wanbedrijf.".
Art.26. Dans le livre II, titre VIII, chapitre III du même Code, l'intitulé de la section VIII, insérée par la loi du 10 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Du leurre de mineurs par le biais des technologies de l'information et de la communication à des fins criminelles ou délictuelles.".
Art.27. In artikel 433bis/1, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, wordt het woord "en" vervangen door het woord "of".
Art.27. Dans le texte néerlandais de l'article 433bis/1, 1°, du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2014, le mot "en" est remplacé par le mot "of".
Art.28. In artikel 476 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "artikelen 473 en 474" vervangen door de woorden "artikelen 473 tot 475".
Art.28. Dans l'article 476 du même Code, les mots "articles 473 et 474" sont remplacés par les mots "articles 473 à 475".
Art.29. Artikel 504bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1999, worden de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt" vervangen door de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt, aanneemt of ontvangt".
Art.29. Dans l'article 504bis, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 février 1999, les mots "de solliciter ou d'accepter" sont remplacés par les mots "de solliciter, d'accepter ou de recevoir".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes
Art.30. In artikel 2bis, § 2, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1975, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.30. Dans l'article 2bis, § 2, b), de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, inséré par la loi du 9 juillet 1975, les mots "incapacité permanente de travail personnel" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime
Art.31. In artikel 34, eerste lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.31. Dans l'article 34, alinéa 1er, de la loi du 5 juin 1928 portant revision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime, modifié par la loi du 23 janvier 2003, les mots "incapacité permanente de travail personnel" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
Art.32. Artikel 67, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
  "behalve in geval van een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting. In dat geval worden die personen gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting.".
Art.32. Dans l'article 67 de la même loi, l'alinéa 2 est complété par ce qui suit :
  ", sauf en cas de crime punissable de la réclusion à perpétuité. Dans ce cas, ces personnes seront punies de la réclusion de vingt ans à trente ans.".
Art.33. In artikel 69, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de onmiddellijk lagere straf" vervangen door de woorden "twintig jaar tot dertig jaar opsluiting".
Art.33. Dans l'article 69, alinéa 2, de la même loi, les mots "de la peine immédiatement inférieure" sont remplacés par les mots "de la réclusion de vingt ans à trente ans".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne
Art.34. In artikel 30, § 2, 1°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart, vervangen bij de wet van 20 juli 1976, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.34. Dans l'article 30, § 2, 1°, de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne, remplacé par la loi du 20 juillet 1976, les mots "incapacité permanente de travail personnel" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation
Art.35. In artikel 1, § 3, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, ingevoegd bij de wet van 22 maart 1999 en gewijzigd bij de wetten van 17 april 2002 en 27 december 2012, wordt het woord ", werkstraf" opgeheven.
Art.35. Dans l'article 1er, § 3, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, inséré par la loi du 22 mars 1999 et modifié par les lois des 17 avril 2002 et 27 décembre 2012, les mots ", d'une peine de travail" sont abrogés.
Art.36. In artikel 3 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf" vervangen door de woorden "indien het feit niet strafbaar is met een correctionele gevangenisstraf van meer dan twintig jaar, en het niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf";
  2° in het tweede lid worden de woorden "onder dezelfde voorwaarden" ingevoegd tussen het woord "eveneens" en de woorden "worden gelast".
Art.36. A l'article 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "lorsque le fait ne paraît pas de nature à entraîner comme peine principale un emprisonnement correctionnel supérieur à cinq ans ou une peine plus grave" sont remplacés par les mots "lorsque le fait n'est pas punissable d'une peine d'emprisonnement correctionnel supérieure à vingt ans, et qu'il ne paraît pas de nature à entraîner comme peine principale un emprisonnement correctionnel supérieur à cinq ans";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "sous les mêmes conditions" sont insérés entre le mot "ordonnée" et les mots "par les juridictions d'instruction".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.37. In artikel 8 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij niet tot één of meer hoofdvrijheidsstraffen van meer dan vijf jaar gevangenis veroordelen, gelasten dat de tenuitvoerlegging van de hoofd- en bijkomende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld.
  Een gewoon uitstel kan echter niet worden gelast indien de veroordeelde veroordeeld is geweest tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek.
  In geen enkel geval kan worden uitgesteld de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot :
  - een straf van verbeurdverklaring;
  - een werkstraf;
  - een vervangende straf.
  De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering.";
  2° in paragraaf 1, vierde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden ", de werkstraffen" opgeheven;
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art.37. A l'article 8 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Lorsque le condamné n'a pas encouru antérieurement de condamnation à une peine criminelle ou à un emprisonnement principal de plus de trois ans ou à une peine équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal, les juridictions de jugement peuvent, lorsqu'elles ne condamnent pas à une ou plusieurs peines principales privatives de liberté supérieures à cinq ans d'emprisonnement, ordonner qu'il sera sursis à l'exécution de tout ou partie des peines principales et accessoires qu'elles prononcent.
  Toutefois, le sursis simple ne peut être ordonné lorsque le condamné a encouru antérieurement une condamnation à un emprisonnement principal de plus de douze mois ou à une peine équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal.
  En aucun cas, il ne peut être sursis à l'exécution d'une condamnation à :
  - une peine de confiscation;
  - une peine de travail;
  - une peine subsidiaire.
  La décision ordonnant ou refusant le sursis et, le cas échéant, la probation, doit être motivée conformément aux dispositions de l'article 195 du Code d'instruction criminelle.";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, qui devient l'alinéa 7, les mots ", les peines de travail" sont abrogés;
  3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art.38. In artikel 18bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede streepje worden de woorden "vierentwintigduizend euro in plaats van twaalf maanden" vervangen door de woorden "tweeënzeventigduizend euro in plaats van drie jaar";
  2° tussen het tweede en het derde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
  "- in het tweede lid van § 1 van artikel 8 : vierentwintigduizend euro in plaats van twaalf maanden;";
  3° in het derde streepje, dat het vierde streepje wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "zevende".
Art.38. A l'article 18bis de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 1999 et modifié par les lois des 26 juin 2000 et 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au deuxième tiret, les mots "vingt-quatre mille euros au lieu de douze mois" sont remplacés par les mots "septante-deux mille euros au lieu de trois ans";
  2° il est inséré entre les tirets 2 et 3 un tiret rédigé comme suit :
  "- à l'article 8, § 1er, alinéa 2 : vingt-quatre mille euros au lieu de douze mois;";
  3° au tiret 3, qui devient le tiret 4, les mots "alinéa 4" sont remplacés par les mots "alinéa 7".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art.39. In artikel 77quater, eerste lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.39. Dans l'article 77quater, alinéa 1er, 5°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 10 août 2005, les mots "incapacité permanente physique ou psychique" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine
Art.40. In artikel 33, § 1, tweede lid, van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, worden de woorden "blijvende lichamelijke of psychische onbekwaamheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.40. Dans l'article 33, § 1er, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine, les mots "incapacité permanente physique ou psychique" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee
CHAPITRE 8. - Modification de la loi du 30 décembre 2009 relative à la lutte contre la piraterie maritime
Art.41. In artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art.41. Dans l'article 4, § 3, alinéa 1er de la loi du 30 décembre 2009 relative à la lutte contre la piraterie maritime, les mots "incapacité permanente physique ou psychique" sont remplacés par les mots "incapacité de travail personnel de plus de quatre mois".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 7 februari 2014 tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 7 février 2014 instaurant la surveillance électronique comme peine autonome
Art.42. De artikelen 3, 4, 5 en 10 tot 13 van de wet van 7 februari 2014 tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf worden opgeheven.
Art.42. Les articles 3, 4, 5 et 10 à 13 de la loi du 7 février 2014 instaurant la surveillance électronique comme peine autonome sont abrogés.
Art.43. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "Vter" vervangen door het woord "Vbis".
Art.43. Dans l'article 6 de la même loi, le mot "Vter" est remplacé par le mot "Vbis".
Art.44. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 7. In afdeling Vbis, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 37ter ingevoegd luidende :
  "Art. 37ter. § 1. Indien een feit van die aard is om gestraft te worden met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, kan de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht opleggen van dezelfde duur als de gevangenisstraf die hij anders zou opleggen en die van toepassing kan worden ingeval de straf onder elektronisch toezicht niet wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van de duur van deze vervangende gevangenisstraf staat een dag van de opgelegde straf onder elektronisch toezicht gelijk aan een dag gevangenisstraf.
  Een straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting om gedurende een door de rechter overeenkomstig paragraaf 2 bepaalde termijn aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen of afwezigheden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om dit te controleren, en waaraan overeenkomstig paragraaf 5 voorwaarden worden gekoppeld.
  De straf onder elektronisch toezicht mag niet worden uitgesproken voor de feiten die :
  1° bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377,
  2° bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
  3° bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.
  § 2. De duur van de straf onder elektronisch toezicht bedraagt minstens een maand en ten hoogste een jaar. De strafrechter kan overeenkomstig artikel 85 rekening houden met verzachtende omstandigheden, zonder evenwel de duur van het elektronisch toezicht als autonome straf te bepalen op minder dan één maand.
  De straf onder elektronisch toezicht moet een aanvang nemen binnen zes maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de overschrijding van deze termijn te wijten is aan de veroordeelde, beslist het openbaar ministerie ofwel tot verder uitstel van de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht ofwel tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Indien de overschrijding van deze termijn niet te wijten is aan de veroordeelde, moet de straf een aanvang nemen binnen zes maanden na de afloop van de eerste termijn, bij gebreke daarvan is de straf verjaard.
  § 3. Met het oog op het opleggen van een straf onder elektronisch toezicht, kunnen respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten aan de bevoegde dienst voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, hierna "de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht" genoemd, van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
  Dit rapport of dit onderzoek bevat alleen de pertinente elementen die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen straf.
  Iedere meerderjarige waarmee de beklaagde samenwoont wordt in het kader van deze maatschappelijke enquête gehoord in zijn opmerkingen. Het beknopt voorlichtingsrapport of het verslag van de maatschappelijke enquête wordt binnen de maand na de aanvraag aan het dossier toegevoegd.
  § 4. Indien een straf onder elektronisch toezicht door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf, de eventuele aanwijzingen over de concrete invulling die hij kan geven en de geïndividualiseerde voorwaarden die hij overeenkomstig paragraaf 5 kan opleggen en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de straf onder elektronisch toezicht slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig is of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven. Iedere meerderjarige samenwonende van de beklaagde die in het kader van de maatschappelijke enquête niet is gehoord, of in het geval geen maatschappelijke enquête is verricht, kan door de rechter worden gehoord in zijn opmerkingen.
  De rechter die weigert een door het openbaar ministerie gevorderde of door de beklaagde gevraagde straf onder elektronisch toezicht uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.
  § 5. De rechter bepaalt de duur van de straf onder elektronisch toezicht en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling ervan.
  Aan de straf onder elektronisch toezicht worden steeds de volgende algemene voorwaarden verbonden :
  1° geen strafbare feiten plegen;
  2° een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht;
  3° gevolg geven aan de oproepingen van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht en de concrete invulling bepaald door deze dienst naleven.
  De rechter kan de veroordeelde bovendien aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen in het belang van het slachtoffer. Deze voorwaarden hebben betrekking op het verbod om op bepaalde plaatsen te komen of met het slachtoffer contact op te nemen en/of op diens vergoeding.".".
Art.44. L'article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 7. Dans la section Vbis, insérée par l'article 6, il est inséré un article 37ter rédigé comme suit :
  "Art. 37ter. § 1er. Lorsqu'un fait est de nature à entraîner une peine d'emprisonnement d'un an au maximum, le juge peut condamner à titre de peine principale à une peine de surveillance électronique d'une durée égale à la peine d'emprisonnement qu'il aurait prononcée et qui peut être applicable en cas de non-exécution de la peine de surveillance électronique. Pour la fixation de la durée de cette peine d'emprisonnement subsidiaire, un jour de la peine de surveillance électronique infligée correspond à un jour de peine d'emprisonnement.
  Une peine de surveillance électronique consiste en l'obligation de présence à une adresse déterminée, exception faite des déplacements ou absences autorisés, durant une période fixée par le juge conformément au paragraphe 2. Le contrôle de la présence est assuré notamment par le recours à des moyens électroniques et, conformément au paragraphe 5, cette obligation est assortie de conditions.
  La peine de surveillance électronique ne peut être prononcée pour les faits :
  1° visés aux articles 375 à 377;
  2° visés aux articles 379 à 387, si les faits ont été commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
  3° visés aux articles 393 à 397.
  § 2. La durée de la peine de surveillance électronique ne peut être inférieure à un mois ni supérieure à un an. Conformément à l'article 85, le juge répressif peut tenir compte de circonstances atténuantes sans toutefois que la durée fixée de la surveillance électronique comme peine autonome puisse être inférieure à un mois.
  La peine de surveillance électronique doit être exécutée dans les six mois qui suivent la date à laquelle la décision judiciaire est passée en force de chose jugée. Si le dépassement de ce délai est imputable au condamné, le ministère public décide soit de reporter encore l'exécution de la peine de surveillance électronique, soit de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le dépassement de ce délai n'est pas imputable au condamné, la peine doit être exécutée dans les six mois qui suivent l'expiration du premier délai, à défaut de quoi elle est prescrite.
  § 3. En vue de l'application d'une peine de surveillance électronique, le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instruction ou les juridictions de jugement peuvent charger le service compétent pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, ci-après désigné "service compétent pour la surveillance électronique", de l'arrondissement judiciaire du lieu de la résidence de l'inculpé, du prévenu ou du condamné de la réalisation d'un rapport d'information succinct et/ou d'une enquête sociale.
  Ce rapport ou cette enquête ne contient que les éléments pertinents de nature à éclairer l'autorité qui a adressé la demande au service compétent pour la surveillance électronique sur l'opportunité de la peine envisagée.
  Toute personne majeure avec laquelle cohabite le prévenu est entendue en ses observations dans le cadre de cette enquête sociale. Le rapport d'information succinct ou le rapport de l'enquête sociale est joint au dossier dans le mois de la demande.
  § 4. Lorsqu'une peine de surveillance électronique est envisagée par le juge, requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu, le juge informe celui-ci, avant la clôture des débats, de la portée d'une telle peine, lui fournit d'éventuelles indications quant au contenu concret qu'il peut donner et quant aux conditions individualisées qu'il peut imposer conformément au paragraphe 5 et l'entend dans ses observations. Le juge peut également tenir compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles. Le juge ne peut prononcer la peine de surveillance électronique que si le prévenu est présent ou représenté à l'audience et après qu'il a donné, soit en personne soit par l'intermédiaire de son conseil, son consentement. Tout cohabitant majeur du prévenu qui n'a pas été entendu dans le cadre de l'enquête sociale, ou si aucune enquête sociale n'a été effectuée, peut être entendu par le juge en ses observations.
  Le juge qui refuse de prononcer une peine de surveillance électronique requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu doit motiver sa décision.
  § 5. Le juge détermine la durée de la peine de surveillance électronique et peut donner des indications quant à ses modalités concrètes.
  La peine de surveillance électronique est toujours assortie des conditions générales suivantes :
  1° ne pas commettre d'infractions;
  2° avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et au service compétent pour la surveillance électronique;
  3° donner suite aux convocations du service compétent pour la surveillance électronique et respecter les modalités concrètes déterminées par ce service.
  Le juge peut en outre soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées dans l'intérêt des victimes. Ces conditions portent sur l'interdiction de fréquenter certains lieux ou de contacter la victime et/ou sur l'indemnisation de celle-ci.".".
Art.45. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 8. In dezelfde afdeling Vbis, wordt een artikel 37quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 37quater. § 1. Zodra de veroordeling tot de straf onder elektronisch toezicht in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht daarover in, zodat de straf kan worden uitgevoerd. De dienst neemt daartoe binnen zeven werkdagen nadat hij werd ingelicht, contact op met de veroordeelde, bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, de concrete invulling van de straf en deelt deze onverwijld mee aan het bevoegde openbaar ministerie.
  § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. De ambtenaren van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht controleren de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht en begeleiden de veroordeelde.
  § 3. Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk in overeenstemming met de bepalingen van artikel 37ter, § 5, wordt uitgevoerd, meldt de ambtenaar van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht dit onverwijld aan het bevoegde openbaar ministerie. Deze laatste kan dan beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd In dit geval staat een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd uitgevoerd gelijk aan een dag gevangenisstraf. Ingeval de niet of slechts gedeeltelijke uitvoering nieuwe strafbare feiten betreffen, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
  Het bevoegde openbaar ministerie motiveert zijn beslissing en deelt deze via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
  - aan de veroordeelde;
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
  - aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  - aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
  § 4. Als de straf onder elektronisch toezicht drie maanden bedraagt of overschrijdt, wordt de veroordeelde vanaf de uitvoerlegging door de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht ingelicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een schorsing van de controle met elektronische middelen na een derde van de strafduur. De veroordeelde kan vanaf het moment dat hij aan de tijdsvoorwaarden voldoet een schriftelijk verzoek tot toekenning van deze schorsing indienen bij het bevoegde openbaar ministerie. Een kopie van dit schriftelijk verzoek wordt door de veroordeelde gericht aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
  De bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht brengt binnen vijftien dagen een advies uit aan het bevoegde openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de naleving van het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden. Dit advies vermeldt of de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de straf onder elektronisch toezicht nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het omvat bovendien een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de schorsing van de controle met elektronische middelen en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
  Het bevoegde openbaar ministerie kent binnen de maand na de ontvangst van het advies de schorsing van de controle met elektronische middelen toe in geval de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, de hem opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden heeft nageleefd.
  Wanneer de schorsing van de controle met elektronische middelen wordt toegekend, ondergaat de veroordeelde een proeftijd voor het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat hij nog moet ondergaan. In dit geval staat een dag van de proeftijd gelijk aan een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd opgelegd. De veroordeelde is onderworpen aan de algemene voorwaarden alsook, in voorkomend geval, aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.
  Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
  - aan de veroordeelde;
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
  - aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  - aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
  Indien het verzoek tot schorsing wordt verworpen, kan een nieuw verzoek slechts worden ingediend na een termijn van twee maanden na de verwerping ervan.
  Bij niet-naleving van de algemene voorwaarden en, in voorkomend geval, van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, kan er overgegaan worden tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen.
  Het bevoegde openbaar ministerie hoort de veroordeelde in zijn opmerkingen ter zake. Ingeval de veroordeelde niet ingaat op de uitnodiging om te worden gehoord, kan dit openbaar ministerie beslissen tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen of tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Ingeval de niet naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe strafbare feiten plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht of tijdens de schorsing van de controle met elektronische middelen een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
  De beslissing tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen omvat een beslissing over :
  - de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing, opgelegd door het openbaar ministerie;
  - het uitvoeren van het elektronisch toezicht voor de resterende proeftijd;
  - het opnieuw van kracht worden van de bijzondere voorwaarden in voorkomend geval opgelegd door de vonnisrechter.
  Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijk communicatiemiddel mee :
  - aan de veroordeelde;
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
  - aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  - aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
  § 5. Het in de paragrafen 1 tot 4 bedoelde openbaar ministerie is het openbaar ministerie bij het vonnisgerecht dat de veroordeling tot een straf onder elektronisch toezicht heeft uitgesproken.".".
Art.45. L'article 8 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 8. Dans la même section Vbis, il est inséré un article 37quater rédigé comme suit :
  "Art. 37quater. § 1er. Dès que la condamnation à une peine de surveillance électronique est passée en force de chose jugée, le greffier informe le service compétent pour la surveillance électronique en vue de faire exécuter cette peine. A cette fin, ce service prend contact avec le condamné dans les sept jours ouvrables qui suivent l'information, détermine les modalités concrètes d'exécution de la peine, après avoir entendu le condamné et en tenant compte des observations de celui-ci, et en avise sans délai le ministère public compétent.
  § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. Les fonctionnaires du service compétent pour la surveillance électronique contrôlent l'exécution de la peine de surveillance électronique et assurent le suivi ou la guidance du condamné.
  § 3. Si la peine de surveillance électronique n'est pas exécutée en tout ou en partie conformément aux dispositions de l'article 37ter, § 5, le fonctionnaire du service compétent pour la surveillance électronique en informe sans délai le ministère public compétent. Ce dernier peut alors décider de procéder à l'exécution de la peine d'emprisonnement fixée dans la décision judiciaire, et ce, en tenant compte de la partie de la peine de surveillance électronique qui a déjà été exécutée par le condamné. Dans ce cas, un jour de peine de surveillance électronique exécuté équivaut à un jour d'emprisonnement. Si l'inexécution totale ou partielle concerne de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique.
  Le ministère public compétent motive sa décision et la communique par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
  - au condamné;
  - au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
  - à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
  - au service compétent pour la surveillance électronique.
  § 4. Si la peine de surveillance électronique atteint ou excède trois mois, le condamné peut demander une suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques après avoir purgé un tiers de la durée de la peine. Il est informé de cette possibilité par le service compétent pour la surveillance électronique dès la mise à exécution de la peine. Dès qu'il remplit les conditions de temps, le condamné peut adresser au ministère public compétent une demande écrite en vue de l'obtention de cette suspension. Le condamné envoie une copie de cette demande écrite au service compétent pour la surveillance électronique.
  Dans les quinze jours, le service compétent pour la surveillance électronique rend un avis au ministère public compétent au sujet du respect du programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, des conditions particulières individualisées imposées au condamné. Cet avis indique si le condamné a commis de nouvelles infractions durant l'exécution de la peine de surveillance électronique. En outre, il comporte une proposition motivée d'octroi ou de rejet de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques et reprend, le cas échéant, les conditions particulières que le service compétent pour la surveillance électronique juge nécessaire d'imposer au condamné.
  Le ministère public compétent octroie dans le mois après la réception de l'avis la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques dans le cas où le condamné n'a pas commis de nouvelles infractions et qu'il a respecté le programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, les conditions particulières individualisées qui lui avaient été imposées.
  Lorsque la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques est accordée, le condamné est soumis à un délai d'épreuve pour la partie de la peine de surveillance électronique qu'il doit encore purger. Dans ce cas, un jour du délai d'épreuve équivaut à un jour de la peine de surveillance électronique imposée. Le condamné est soumis aux conditions générales, ainsi que, le cas échéant, aux conditions particulières qui lui ont été imposées.
  Le ministère public compétent communique sa décision par le moyen de communication écrit le plus rapide :
  - au condamné;
  - au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
  - à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
  - au service compétent pour la surveillance électronique.
  En cas de rejet d'une demande de suspension, une nouvelle demande ne peut être introduite qu'après l'expiration d'un délai de deux mois à compter du rejet.
  En cas de non-respect des conditions générales et, le cas échéant, des conditions particulières imposées au condamné, la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques peut être révoquée.
  Le ministère public compétent entend le condamné dans ses observations en la matière. Si le condamné ne donne pas suite à la convocation aux fins d'être entendu, ce ministère public peut décider de révoquer la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques ou de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le non-respect concerne la condition générale interdisant la commission de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique ou durant la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques.
  La décision de révocation de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques comprend une décision sur :
  - les conditions particulières liées à la suspension, imposées par le ministère public;
  - l'exécution de la surveillance électronique pour la durée restante du délai d'épreuve;
  - la réinstauration des conditions particulières imposées le cas échéant par la juridiction de jugement.
  Le ministère public compétent communique sa décision par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
  - au condamné;
  - au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
  - à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
  - au service compétent pour la surveillance électronique.
  § 5. Le ministère public visé aux paragraphes 1er à 4 est le ministère public près la juridiction de jugement qui a prononcé la condamnation à une peine sous surveillance électronique.".".
Art.46. In artikel 9 van dezelfde wet, wordt het woord "37octies" vervangen door het woord "37septies".
Art.46. Dans l'article 9 de la même loi, le mot "37octies" est remplacé par le mot "37septies".
Art.47. In artikel 16 van dezelfde wet worden de woorden "op een door de Koning te bepalen datum" vervangen door de woorden "op de dag waarop de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van de artikelen 217, 223, 224 en 231 van het Gerechtelijk Wetboek in werking treedt.".
Art.47. Dans l'article 16 de la même loi, les mots "à la date fixée par le Roi" sont remplacés par les mots "le jour de l'entrée en vigueur de la loi du 8 mai 2014 modifiant les articles 217, 223, 224 et 231 du Code judiciaire.".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 10 april 2014 tot invoering van de probatie als autonome straf in het Strafwetboek en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 10 avril 2014 insérant la probation comme peine autonome dans le Code pénal, et modifiant le Code d'instruction criminelle, et la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation
Art.48. Artikel 2 van de wet van 10 april 2014 tot invoering van de probatie als autonome straf in het Strafwetboek en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 2. In artikel 7 van het Strafwetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "In correctionele zaken en in politiezaken :
  1° gevangenisstraf,
  2° werkstraf.
  De in het 1° en 2° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast." vervangen door de woorden "In correctionele zaken en in politiezaken :
  1° gevangenisstraf;
  2° straf onder elektronisch toezicht;
  3° werkstraf;
  4° autonome probatiestraf.
  De in het 1° tot 4° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast.".".
Art.48. L'article 2 de la loi du 10 avril 2014 insérant la probation comme peine autonome dans le Code pénal, et modifiant le Code d'instruction criminelle, et la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 2. Dans l'article 7 du Code pénal, modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 2007, les mots "En matière correctionnelle et de police :
  1° l'emprisonnement;
  2° la peine de travail.
  Les peines prévues aux 1° et 2° ne peuvent s'appliquer cumulativement." sont remplacés par les mots "En matière correctionnelle et de police :
  1° l'emprisonnement;
  2° la peine de surveillance électronique;
  3° la peine de travail;
  4° la peine de probation autonome.
  Les peines prévues aux 1° à 4° ne peuvent s'appliquer cumulativement.".".
Art.49. Artikel 3 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.49. L'article 3 de la même loi est abrogé.
Art.50. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "37octies" vervangen door het woord "37septies" en worden de woorden ", dat artikel 37septies wordt" opgeheven.
Art.50. Dans l'article 6 de la même loi, le mot "37octies" est remplacé par le mot "37septies" et les mots ", qui devient l'article 37septies" sont abrogés.
Art.51. In artikel 8 van dezelfde wet, dat artikel 37octies in het Strafwetboek invoegt, wordt § 1, vierde lid, vervangen als volgt :
  "De autonome probatiestraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten :
  1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
  2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377;
  3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
  4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.".
Art.51. Dans l'article 8 de la même loi, qui insère l'article 37octies dans le Code pénal, le paragraphe 1er, alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
  "La peine de probation autonome ne peut être prononcée pour les faits :
  1° qui seraient punissables, s'ils n'étaient transmués en délits, d'une peine maximale supérieure à vingt ans de réclusion;
  2° visés aux articles 375 à 377;
  3° visés aux articles 379 à 387, si les faits ont été commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
  4° visés aux articles 393 à 397.".
Art.52. Artikel 12 van dezelfde wet, dat artikel 58 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 12. Artikel 58 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Indien straffen onder elektronisch toezicht worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum een jaar bedragen.
  Indien autonome probatiestraffen worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum twee jaar bedragen.".".
Art.52. L'article 12 de la même loi, qui modifie l'article 58 du Code pénal, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 12. L'article 58 du même Code, modifié par la loi du 17 avril 2002, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Lorsque des peines de surveillance électronique sont prononcées, leur durée ne peut pas excéder un an.
  Lorsque des peines de probation autonomes sont prononcées, leur durée ne peut pas excéder deux ans.".".
Art.53. Artikel 13 van dezelfde wet, dat artikel 59 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 13. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de woorden "alle geldboeten, werkstraffen" vervangen door de woorden "alle geldboeten, autonome probatiestraffen, werkstraffen, straffen onder elektronisch toezicht".".
Art.53. L'article 13 de la même loi, qui modifie l'article 59 du Code pénal, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 13. Dans l'article 59 du même Code, modifié par la loi du 17 avril 2002, les mots "toutes les amendes, les peines de travail" sont remplacés par les mots "toutes les amendes, les peines de probation autonome, les peines de travail, les peines de surveillance électronique".".
Art.54. Artikel 14 van dezelfde wet, dat artikel 60 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 14. In artikel 60 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
  "In geen geval mag de uitgesproken straf één jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.".".
Art.54. L'article 14 de la même loi, qui modifie l'article 60 du Code pénal, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 14. Dans l'article 60 du même Code, remplacé par la loi du 1er février 1977 et modifié par la loi du 17 avril 2002, la dernière phrase est remplacée par ce qui suit :
  "En aucun cas, la peine prononcée ne peut excéder une année de peine de surveillance électronique, trois cents heures de peine de travail ou deux ans de peine de probation autonome.".".
Art.55. Artikel 15 van dezelfde wet, dat artikel 85 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 15. In artikel 85, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de woorden "kunnen de gevangenisstraffen, de werkstraffen en de geldboeten onderscheidenlijk tot beneden acht dagen, vijfenveertig uren en zesentwintig euro" vervangen door de woorden "kunnen de gevangenisstraffen, de straffen onder elektronisch toezicht, de werkstraffen, de autonome probatiestraffen en de geldboeten respectievelijk tot beneden acht dagen, een maand, vijfenveertig uren, twaalf maanden en zesentwintig euro".".
Art.55. L'article 15 de la même loi, qui modifie l'article 85 du Code pénal, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 15. Dans l'article 85, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 17 avril 2002, les mots "les peines d'emprisonnement, les peines de travail et les peines d'amende pourront respectivement être réduites au-dessous de huit jours, de quarante-cinq heures et de vingt-six euros" sont remplacés par les mots "les peines d'emprisonnement, les peines de surveillance électronique, les peines de travail, les peines de probation autonome et les peines d'amende pourront respectivement être réduites au-dessous de huit jours, d'un mois, de quarante-cinq heures, de douze mois et de vingt-six euros".".
Art.56. In artikel 17 van dezelfde wet, dat artikel 595 van het Strafwetboek wijzigt, worden de woorden "en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2014" opgeheven.
Art.56. Dans l'article 17 de la même loi, qui modifie l'article 595 du Code pénal, les mots "et modifié en dernier lieu par la loi du 7 février 2014" sont abrogés.
Art.57. Artikel 18 van dezelfde wet, dat artikel 596 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 18. In artikel 596, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2009, worden de woorden "de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6°, " ingevoegd tussen de woorden "vermeldt het uittreksel behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid, ook" en de woorden "de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1° en 17°, ".".
Art.57. L'article 18 de la même loi, qui modifie l'article 596 du Code pénal, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 18. Dans l'article 596, alinéa 2, du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié par la loi du 31 juillet 2009, les mots "les décisions visées à l'article 594, 4° à 6° et" sont insérés entre les mots "l'extrait mentionne, outre les décisions visées à l'alinéa 1er, aussi" et les mots "les condamnations visées à l'article 590, alinéa 1er, 1° et 17°, ".".
Art.58. Artikel 19 van dezelfde wet, dat artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie wijzigt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 19. In artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, worden de woorden "een werkstraf" vervangen met de woorden "een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf".
Art.58. L'article 19 de la même loi, qui modifie l'article 8 de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 19. Dans l'article 8, § 1er, alinéa 3, de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, les mots "une peine de travail" sont remplacés par les mots "une peine de surveillance électronique, de travail ou de probation autonome".
TITEL 3. - Wijzigingen van de strafvordering
TITRE 3. - Modifications de la procédure pénale
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
CHAPITRE 1er. - Modifications du titre préliminaire du Code de procédure pénale
Art.59. Artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 mei 1961 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 21. Behoudens wat de misdrijven betreft omschreven in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek, en behoudens de overige bij de wet bepaalde uitzonderingen, verjaart de strafvordering, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd :
  1° door verloop van twintig jaren voor :
  - een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting, of
  - een van de misdaden omschreven in de artikelen 102, tweede lid, 122, derde punt, 138, § 1, eerste lid, 9°, 376, eerste lid, 393 of 417ter, derde lid, van het Strafwetboek, 30, § 2, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart, 34, 35, 68, derde lid, 69, tweede en derde lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij of 4, § 3, derde lid, van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee, ingeval het is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar;
  2° door verloop van vijftien jaren voor :
  - een van de misdaden bedoeld in 1°, tweede streepje, ingeval het niet is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar, of
  - een van de misdrijven omschreven in de artikelen 372 tot 377, 377quater, 379, 380, 409 en 433quinquies, § 1, eerste lid, 1°, van het Strafwetboek, ingeval het is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar;
  3° door verloop van tien jaren voor een andere misdaad;
  4° door verloop van vijf jaren voor een ander wanbedrijf;
  5° door verloop van een jaar voor een wanbedrijf dat in een overtreding wordt omgezet;
  6° door verloop van zes maanden voor een andere overtreding.
  Nochtans blijven de verjaringstermijnen van de strafvordering die worden bepaald in het eerste lid, 1° en 2°, alsook voor de misdaden die strafbaar zijn met opsluiting van meer dan twintig jaar, ongewijzigd indien de straf wordt verminderd of gewijzigd wegens verzachtende omstandigheden.".
Art.59. L'article 21 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, inséré par la loi du 30 mai 1961 et modifié en dernier lieu par la loi du 19 octobre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 21. Sauf en ce qui concerne les infractions définies dans les articles 136bis, 136ter et 136quater du Code pénal et sauf les autres exceptions prévues par la loi, l'action publique sera prescrite, à compter du jour où l'infraction a été commise :
  1° après vingt ans s'il s'agit :
  - d'un crime punissable de la réclusion à perpétuité, ou
  - de l'un des crimes définis aux articles 102, alinéa 2, 122, troisième point, 138, § 1er, alinéa 1er, 9°, 376, alinéa 1er, 393 ou 417ter, alinéa 3, du Code pénal, 30, § 2, de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne, 34, 35, 68, alinéa 3, 69, alinéas 2 et 3, de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime ou 4, § 3, alinéa 3, de la loi du 30 décembre 2009 relative à la lutte contre la piraterie maritime, s'il a été commis sur une personne âgée de moins de dix-huit ans;
  2° après quinze ans s'il s'agit :
  - de l'un des crimes visés au 1°, second tiret, s'il n'a pas été commis sur une personne âgée de moins de dix-huit ans, ou
  - de l'une des infractions définies aux articles 372 à 377, 377quater, 379, 380, 409 et 433quinquies, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Code pénal, si elle a été commise sur une personne âgée de moins de dix-huit ans;
  3° après dix ans s'il s'agit d'un autre crime;
  4° après cinq ans s'il s'agit d'un autre délit;
  5° après un an s'il s'agit d'un délit contraventionnalisé;
  6° après six mois s'il s'agit d'une autre contravention.
  Les délais de prescription de l'action publique fixés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ainsi que pour les autres crimes punissables de plus de vingt ans de réclusion, ne sont cependant pas affectés par la réduction ou la modification de la peine en raison de circonstances atténuantes.".
Art.60. Artikel 21bis van dezelfde voorafgaande titel, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 21bis. In de gevallen bedoeld in artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje, begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt.
  De verjaringstermijn voor de misdrijven bedoeld in artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, begint pas te lopen vanaf de dag waarop het jongste slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt, behalve indien de termijn tussen twee van die opeenvolgende misdrijven de verjaringstermijn overschrijdt.".
Art.60. L'article 21bis du même titre, modifié en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 21bis. Dans les cas visés à l'article 21, alinéa 1er, 2°, second tiret, le délai de prescription de l'action publique ne commence à courir qu'à partir du jour où la victime atteint l'âge de dix-huit ans.
  Le délai de prescription des infractions visées à l'article 21, alinéa 1er, 2°, second tiret, qui constituent l'exécution successive et continue d'une même intention délictueuse ne commence à courir qu'à partir du jour où la plus jeune des victimes atteint l'âge de dix-huit ans, sauf si le délai entre deux de ces infractions consécutives dépasse le délai de prescription.".
Art.61. Artikel 24 van dezelfde voorafgaande titel, vervangen bij de wet van 16 juli 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een lid luidende :
  "De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer een beklaagde verzet aantekent dat onontvankelijk of ongedaan wordt verklaard, gedurende de behandeling ervan. De schorsing geldt vanaf de akte van verzet tot de beslissing die vaststelt dat het verzet onontvankelijk of ongedaan is.".
Art.61. L'article 24 du même titre, remplacé par la loi du 16 juillet 2002 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La prescription de l'action publique est suspendue lorsqu'un prévenu forme une opposition qui est déclarée irrecevable ou non avenue, pendant le traitement de celle-ci. Cette suspension court depuis l'acte d'opposition jusqu'à la décision constatant que l'opposition est irrecevable ou non avenue.".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art.62. In artikel 28quater van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, wordt het woord "143ter" vervangen door het woord "143quater".
Art.62. Dans l'article 28quater du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 12 mars 1998, le mot "143ter" est remplacé par le mot "143quater".
Art.63. In artikel 28septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en vervangen bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter en de huiszoeking," worden vervangen door de woorden "en de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter,".
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In geval van een nieuwe vordering op grond van het eerste lid in hetzelfde dossier, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij dezelfde onderzoeksrechter indien die nog in functie is.".
Art.63. A l'article 28septies du même Code, inséré par la loi du 12 mars 1998 et remplacé par la loi du 27 décembre 2005, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots ", des actes d'instruction tels qu'ils sont prévus aux articles 56bis, alinéa 2, et 89ter ainsi que de la perquisition," sont remplacés par les mots "et des actes d'instruction tels qu'ils sont prévus aux articles 56bis, alinéa 2, et 89ter,".
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "En cas de nouveau réquisitoire sur la base de l'alinéa 1er dans un même dossier, le même juge d'instruction en est saisi s'il est encore en fonction.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 1° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 1° du présent article)
Art.64. In artikel 35ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en vervangen bij de wet van 11 februari 2014, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
  " § 1. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, of 43quater, § 2, van het Strafwetboek heeft verkregen, en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte dat zich in België bevindt kunnen aangetroffen worden of zich hebben vermengd met wettige goederen, kan het openbaar ministerie beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het vermoedelijke bedrag van voornoemd vermogensvoordeel. In zijn beslissing motiveert het openbaar ministerie de raming van dit bedrag en geeft het aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de zaken die het voorwerp zijn van de in het artikel 505 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven.".
Art.64. Dans l'article 35ter du même Code, inséré par la loi du 19 décembre 2002 et remplacé par la loi du 11 février 2014, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. S'il existe des indices sérieux et concrets que la personne soupçonnée a obtenu un avantage patrimonial au sens des articles 42, 3° ou 43quater, § 2, du Code pénal et que les choses qui matérialisent cet avantage patrimonial ne peuvent pas ou ne peuvent plus être retrouvées en tant que telles dans le patrimoine de la personne soupçonnée qui se trouve en Belgique ou sont mélangées avec des choses licites, le ministère public peut saisir d'autres choses qui se trouvent dans le patrimoine de la personne soupçonnée à concurrence du montant supposé dudit avantage patrimonial. Dans sa décision, le ministère public motive l'estimation de ce montant et signale les indices sérieux et concrets justifiant la saisie. Ces éléments figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
  L'alinéa 1er est également applicable aux choses qui constituent l'objet des infractions visées à l'article 505 du même Code.".
Art.65. In artikel 88bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 juni 1998, en gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008 en 27 december 2012, worden de woorden "rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning" ingevoegd tussen de woorden "door daartoe" en de woorden "de medewerking van de operator van een telecommunicatienetwerk".
Art.65. Dans l'article 88bis, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 juin 1998 et modifié par les lois du 8 juin 2008 et 27 décembre 2012, les mots "directement ou par l'intermédiaire d'un service de police désigné par le Roi" sont ajoutés après les mots "en requérant au besoin le concours technique de l'opérateur d'un réseau de télécommunication ou du fournisseur d'un service de télécommunication".
Art.66. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het eerste zinsdeel vervangen als volgt :
  "De beschikking wordt gedagtekend en vermeldt :";
  2° paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Indien de maatregel een bewerking op een communicatienetwerk inhoudt, is de operator van dit netwerk of de verstrekker van de telecommunicatiedienst ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen, wanneer de onderzoeksrechter hierom rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning verzoekt.";
  3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning," ingevoegd tussen de woorden "te beveiligen of te versleutelen," en de woorden "bevelen inlichtingen te verlenen".
Art.66. A l'article 90quater du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 janvier 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, le premier membre de phrase est remplacée par ce qui suit :
  "L'ordonnance est datée et indique :";
  2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Si la mesure comporte une opération sur un réseau de communication, l'opérateur de ce réseau, ou le fournisseur du service de télécommunication, est tenu de prêter son concours technique, quand le juge d'instruction le requiert directement ou par l'intermédiaire d'un service de police désigné par le Roi.";
  3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots ", directement ou par l'intermédiaire d'un service de police désigné par le Roi," sont insérés entre les mots "Le juge d'instruction peut ordonner" et les mots "aux personnes dont il présume".
Art.67. Artikel 90sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 90sexies. § 1. De aangewezen officieren van gerechtelijke politie stellen aan de onderzoeksrechter ter beschikking :
  1° het bestand bevattende de opnames verricht als gevolg van de maatregelen genomen met toepassing van de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies;
  2° de overschrijving van de door de aangewezen officieren van gerechtelijke politie voor het onderzoek van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties, en de eventuele vertaling ervan;
  3° de loutere vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de gebruikte communicatiemiddelen wat betreft de niet van belang geachte communicaties of telecommunicaties.
  § 2. Onverminderd de selectie door de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in paragraaf 1, beoordeelt de onderzoeksrechter welke gedeelten van alle opgenomen communicaties en telecommunicaties van belang zijn voor het onderzoek. In zoverre deze gedeelten van communicaties of telecommunicaties niet overgeschreven of vertaald zijn overeenkomstig paragraaf 1, worden zij bijkomend overgeschreven en vertaald. De onderzoeksrechter laat daarvan proces-verbaal opmaken.
  § 3. De communicatie of telecommunicatie die onder het beroepsgeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal. Deze communicatie of telecommunicatie wordt in een bestand onder verzegelde omslag neergelegd ter griffie. Gaat het om personen bedoeld in artikel 90octies, eerste lid, dan wordt ter zake gehandeld overeenkomstig artikel 90octies, tweede lid.
  § 4. De beschikkingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 90quater, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, worden uiterlijk na het beëindigen van de maatregel bij het dossier gevoegd.".
Art.67. L'article 90sexies du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 10 juin 1998, est remplacé comme suit :
  "Art. 90sexies. § 1er. Les officiers de police judiciaire commis mettent à la disposition du juge d'instruction :
  1° le fichier contenant les enregistrements effectués à la suite des mesures prises en application des articles 90ter, 90quater et 90quinquies;
  2° la transcription des passages des communications et télécommunications estimés pertinents pour l'instruction par les officiers de police judiciaire commis, et leur traduction éventuelle;
  3° la simple indication des sujets abordés et des données d'identification des moyens de communication utilisés en ce qui concerne les communications ou télécommunications estimées non pertinentes.
  § 2. Sans préjudice de la sélection par les officiers de police judiciaire visés au paragraphe 1er, le juge d'instruction apprécie parmi toutes les communications ou télécommunications recueillies, les passages qui sont pertinents pour l'instruction. Dans la mesure où ces passages des communications ou télécommunications n'ont pas été transcrits ou traduits conformément au paragraphe 1er, ils seront transcrits et traduits à titre additionnel. Le juge d'instruction en fait dresser procès-verbal.
  § 3. Les communications ou télécommunications qui sont couvertes par le secret professionnel ne sont pas consignées dans le procès-verbal. Ces communications ou télécommunications sont déposées au greffe dans un fichier sous pli scellé. S'il s'agit de personnes visées à l'article 90octies, alinéa 1er, il est procédé conformément à l'article 90octies, alinéa 2.
  § 4. Les ordonnances du juge d'instruction, les rapports des officiers de police judiciaire visés à l'article 90quater, § 3, et les procès-verbaux relatifs à l'exécution de la mesure, sont joints au dossier au plus tard après qu'il soit mis fin à la mesure.".
Art.68. In artikel 90septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties van de opname" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
  2° in het derde lid worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
  3° in het vierde lid, in de bepaling onder 1°, worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
  4° in het vierde lid, in de bepaling onder 6°, worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
  5° tussen het vijfde en het zesde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :
  "De inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij of hun raadsman ontvangen op eenvoudig verzoek een kopie van het geheel van de opnames van de communicaties en telecommunicaties waarvan bepaalde van belang geachte gedeelten overgeschreven werden en opgenomen werden in een proces-verbaal waarvan ze inzage hebben.";
  6° in het zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt het woord "andere" ingevoegd tussen de woorden "het geheel of gedeelten van de" en de woorden "ter griffie neergelegde opnamen".
Art.68. A l'article 90septies du même Code, inséré par la loi du 10 juin 1998 et modifié par la loi du 28 novembre 2000, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots "de l'enregistrement des communications et télécommunications estimées pertinentes" sont remplacés par les mots "des passages de l'enregistrement des communications et télécommunications estimés pertinents";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "des communications et télécommunications estimées pertinentes" sont remplacés par les mots "des passages de l'enregistrement des communications et télécommunications estimés pertinents";
  3° dans l'alinéa 4, 1°, les mots "des communications et télécommunications estimées pertinentes" sont remplacés par les mots "des passages de l'enregistrement des communications et télécommunications estimés pertinents";
  4° dans l'alinéa 4, 6°, les mots "des communications et télécommunications estimées pertinentes" sont remplacés par les mots "des passages de l'enregistrement des communications et télécommunications estimés pertinents";
  5° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 5 et 6 :
  "L'inculpé, le prévenu, la partie civile, la partie civilement responsable ou leurs conseils reçoivent, sur simple demande, copie de la totalité de l'enregistrement des communications et télécommunications dont certains passages estimés pertinents ont été transcrits et consignés dans un procès-verbal qu'ils ont le droit de consulter.";
  6° dans l'alinéa 6, qui devient l'alinéa 7, le mot "autres" est inséré entre les mots "la totalité ou des parties des" et les mots "enregistrements et des transcriptions déposés au greffe".
Art.69. In artikel 103 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "directeur van de speciale eenheden" vervangen door de woorden "directeur van de centrale directie van de operaties inzake gerechtelijke politie";
  2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "directie van de speciale eenheden" vervangen door de woorden "Getuigenbeschermingsdienst".
Art.69. A l'article 103 du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "directeur des unités spéciales" sont remplacés par les mots "directeur de la direction centrale des opérations de la police judiciaire";
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "la direction des unités spéciales" sont remplacés par les mots "le Service de protection des témoins".
Art.70. In artikel 136bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 2005, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De procureur des Konings doet verslag aan de procureur-generaal omtrent alle zaken waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste vordering.".
Art.70. Dans l'article 136bis du même Code, remplacé par la loi du 12 mars 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 mai 2005, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Le procureur du Roi fait rapport au procureur général de toutes les affaires sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué dans l'année à compter du premier réquisitoire.".
Art.71. Artikel 136ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005 en vervangen bij de wet van 30 december 2009, wordt opgeheven.
Art.71. L'article 136ter du même Code, inséré par la loi du 31 mai 2005 et modifié par la loi du 30 décembre 2009, est abrogé.
Art.72. Artikel 145 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De dagvaarding blijft geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum.".
Art.72. L'article 145 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La citation reste valable en cas de remise de l'affaire à une date fixe ou de mise en continuation à une date fixe.".
Art.73. Artikel 149 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art.73. L'article 149 du même Code, remplacé par la loi du 12 février 2003, est abrogé.
Art.74. Artikel 150 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 2000 en 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art.74. L'article 150 du même Code, modifié par les lois des 31 mai 2000 et 12 février 2003, est abrogé.
Art.75. Artikel 151 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 9 maart 1908 en 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art.75. L'article 151 du même Code, modifié par les lois des 9 mars 1908 et 12 février 2003, est abrogé.
Art.76. Artikel 152 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 152. § 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.
  De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.
  De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
  § 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :
  - mits het akkoord van de betrokken partijen, of
  - bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
  De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.
  § 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.
  § 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.".
Art.76. L'article 152 du même Code, modifié par la loi du 12 février 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 152. § 1er. Les parties qui souhaitent conclure et n'ont pas encore déposé de conclusions demandent à l'audience d'introduction de fixer des délais pour conclure.
  En pareil cas, le juge fixe les délais dans lesquels les conclusions doivent être déposées au greffe et communiquées aux autres parties et la date de l'audience, après avoir entendu les parties. La décision est mentionnée dans le procès-verbal d'audience. Les conclusions sont rédigées conformément aux articles 743 et 744 du Code judiciaire.
  Les conclusions qui n'ont pas été déposées et communiquées au ministère public, si elles ont trait à l'action publique, et le cas échéant, à toutes les autres parties concernées avant l'expiration des délais fixés, sont écartées d'office des débats.
  § 2. A moins que le juge ne constate que le dépôt tardif ou la communication tardive poursuit des fins purement dilatoires ou porte atteinte aux droits des autres parties ou au déroulement de la procédure, des conclusions peuvent être déposées après l'expiration des délais fixés conformément au paragraphe 1er :
  - moyennant l'accord des parties concernées, ou
  - en cas de découverte d'une pièce ou d'un fait nouveau et pertinent justifiant de nouvelles conclusions.
  Le juge peut, en conséquence, fixer de nouveaux délais pour conclure et une nouvelle date d'audience. Dans ce cas, le paragraphe 1er est d'application .
  § 3. Les décisions du juge visées aux paragraphes 1er et 2 ne sont susceptibles d'aucun recours.
  § 4. Les dispositions des paragraphes 1er et 2 sont applicables au ministère public.".
Art.77. In boek II, titel I, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf II ingevoegd, luidende "Verloop van de procedure voor de politierechtbanken", die de artikelen 145 tot 171 bevat.
Art.77. Dans le livre II, titre Ier, chapitre Ier, du même Code, il est inséré un paragraphe II, intitulé "Du déroulement de la procédure devant les tribunaux de police", comportant les articles 145 à 171.
Art.78. In boek II, titel I, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 2, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1984 en waarvan de inhoud is opgeheven bij de wet van 28 juni 1984 en bij het koninklijk besluit nr. 59 van 10 januari 1935, opgeheven.
Art.78. Dans le livre II, titre Ier, chapitre Ier, du même Code, le paragraphe 2, modifié par la loi du 28 juin 1984 et dont le contenu a été abrogé par la loi du 28 juin 1984 et par l'arrêté royal n° 59 du 10 janvier 1935, est abrogé.
Art.79. Artikel 171 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het koninklijk besluit nr. 59 van 10 januari 1935, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 171. Tegen de verstekvonnissen kan in verzet worden gekomen in dezelfde vormen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde modaliteiten en binnen dezelfde termijnen als tegen de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken.
  De bepalingen van de artikelen 185 tot 187 gelden ook voor de politierechtbank.".
Art.79. L'article 171 du même Code, abrogé par l'arrêté royal n° 59 du 10 janvier 1935, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 171. Les jugements par défaut pourront être attaqués par la voie de l'opposition dans les mêmes formes, conditions, modalités et délais que les jugements par défaut rendus par les tribunaux correctionnels.
  Les dispositions des articles 185 à 187 sont communes au tribunal de police.".
Art.80. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf I ingevoegd, luidende "Bevoegdheid van de correctionele rechtbanken", die artikel 179 bevat.
Art.80. Dans le livre II, titre Ier, chapitre II, du même Code, il est inséré un paragraphe I, intitulé "De la compétence des tribunaux correctionnels", comportant l'article 179.
Art.81. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf II ingevoegd, luidende "Verloop van de procedure voor de correctionele rechtbanken", die de artikelen 181 tot 198 bevat.
Art.81. Dans le livre II, titre Ier, chapitre II, du même Code, il est inséré un paragraphe II intitulé "Du déroulement de la procédure devant les tribunaux correctionnels", comportant les articles 181 à 198.
Art.82. Artikel 182 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De dagvaarding blijft geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum.".
Art.82. L'article 182 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La citation reste valable en cas de remise de l'affaire à une date fixe ou de mise en continuation à une date fixe.".
Art.83. Artikel 187 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 maart 1908 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 187. § 1. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.
  Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen.
  Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.
  Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.
  De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.
  § 2. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak.
  Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden.
  § 3. Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt.
  § 4. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot 7.
  § 5. Het verzet wordt inzonderheid onontvankelijk verklaard :
  1° behoudens overmacht, indien het niet overeenkomstig de wettelijke vormen en termijnen is betekend;
  2° indien het bestreden vonnis niet bij verstek is gewezen;
  3° indien de eiser in verzet vooraf een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld tegen dezelfde beslissing.
  § 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd :
  1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;
  2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.
  § 7. De partij die verzet heeft gedaan kan ervan afstand doen of dat beperken volgens de nadere regels inzake afstand of beperking in hoger beroep, verduidelijkt in artikel 206.
  § 8. De partij in verzet die zich een tweede keer laat vonnissen bij verstek, mag geen nieuw verzet meer aantekenen.
  § 9. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep.
  Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.
  § 10. De door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is.".
Art.83. L'article 187 du même Code, remplacé par la loi du 9 mars 1908 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 décembre 2009, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 187. § 1er. La personne condamnée par défaut pourra faire opposition au jugement dans les quinze jours qui suivent celui de la signification de ce dernier.
  Lorsque la signification du jugement n'a pas été faite à sa personne, le condamné par défaut pourra faire opposition, quant aux condamnations pénales, dans les quinze jours qui suivent celui où il aura eu connaissance de la signification.
  S'il en a eu connaissance par la signification d'un mandat d'arrêt européen ou d'une demande d'extradition ou que le délai en cours de quinze jours n'a pas encore expiré au moment de son arrestation à l'étranger, il pourra faire opposition dans les quinze jours qui suivent celui de sa remise ou de sa remise en liberté à l'étranger.
  S'il n'est pas établi qu'il a eu connaissance de la signification, le condamné par défaut pourra faire opposition jusqu'à l'expiration des délais de prescription de la peine. Il pourra faire opposition, quant aux condamnations civiles, jusqu'à l'exécution du jugement.
  La partie civile et la partie civilement responsable ne pourront faire opposition que dans les conditions énoncées à l'alinéa 1er.
  § 2. L'opposition sera signifiée au ministère public, à la partie poursuivante ou aux autres parties en cause.
  Si l'opposition n'a pas été signifiée dans les quinze jours qui suivent la signification du jugement, il pourra être procédé à l'exécution des condamnations et, en cas d'appel des parties poursuivantes ou de l'une d'elles, il pourra être procédé au jugement sur l'appel.
  § 3. L'opposition emportera de droit citation à la première audience après l'expiration d'un délai de quinze jours ou, si l'opposant est détenu, de trois jours.
  § 4. La condamnation sera mise à néant par suite de l'opposition sauf dans les cas visés aux paragraphes 5 à 7.
  § 5. L'opposition sera déclarée irrecevable notamment :
  1° sauf cas de force majeure, si elle n'a pas été signifiée dans les formes et délais légaux;
  2° si le jugement attaqué n'a pas été rendu par défaut;
  3° si l'opposant a interjeté préalablement un appel recevable contre la même décision.
  § 6. L'opposition sera déclarée non avenue :
  1° si l'opposant, lorsqu'il comparaît en personne ou par avocat et qu'il est établi qu'il a eu connaissance de la citation dans la procédure dans laquelle il a fait défaut, ne fait pas état d'un cas de force majeure ou d'une excuse légitime justifiant son défaut lors de la procédure attaquée, la reconnaissance de la force majeure ou de l'excuse invoquées restant soumise à l'appréciation souveraine du juge;
  2° si l'opposant fait à nouveau défaut sur son opposition, et ce dans tous les cas, quels que soient les motifs des défauts successifs et même si l'opposition a déjà été reçue.
  § 7. La partie qui a formé une opposition peut s'en désister ou la limiter selon les modalités du désistement ou limitation d'appel précisées à l'article 206.
  § 8. La partie opposante qui se laisse juger une seconde fois par défaut n'est plus admise à former une nouvelle opposition.
  § 9. La décision qui interviendra sur l'opposition pourra être attaquée par la voie de l'appel, ou, si elle a été rendue en degré d'appel, par la voie d'un pourvoi en cassation.
  L'appel dirigé contre la décision déclarant l'opposition non avenue saisit le juge d'appel du fond de l'affaire même si aucun appel n'a été formé contre le jugement rendu par défaut.
  § 10. Les frais et dépens causés par l'opposition, y compris le coût de l'expédition et de la signification de la décision par défaut, seront laissés à charge de l'opposant, si le défaut lui est imputable.".
Art.84. Artikel 188 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 februari 1956 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art.84. L'article 188 du même Code, remplacé par la loi du 27 février 1956 et modifié en dernier lieu par la loi du 12 février 2003, est abrogé.
Art.85. In het artikel 189 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2002 en 2 augustus 2002, worden de woorden "De bepalingen van de artikelen 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 en 161 gelden ook voor de correctionele rechtbanken" vervangen door de woorden "De bepalingen van de artikelen 152, 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 en 161 gelden ook voor de correctionele rechtbanken".
Art.85. Dans l'article 189 du même Code, modifié par les lois des 8 avril 2002 et 2 août 2002, les mots "Les dispositions des articles 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 et 161 sont communes aux tribunaux correctionnels" sont remplacés par les mots "Les dispositions des articles 152, 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 et 161 sont communes aux tribunaux correctionnels".
Art.86. In artikel 197bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2003 en vervangen bij de wet van 11 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden ", door toedoen van de voorzitter van het bevoegde aankoopcomité" vervangen door het woord "kosteloos".
  b) In paragraaf 4, tweede lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  "3° de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;";
  c) in paragraaf 4, tweede lid, worden in de bepaling onder 6° de woorden "de coördinatie van" opgeheven;
  d) paragraaf 4, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 9° en 10°, luidende :
  "9° een vertegenwoordiger van de Federale overheidsdienst Justitie;
  10° een vertegenwoordiger aangewezen door de Raad van Arbeidsauditeurs.".
Art.86. Dans l'article 197bis du même Code, inséré par la loi du 19 mars 2003 et remplacé par la loi du 11 février 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots ", par l'intermédiaire du président du comité d'acquisition compétent," sont remplacés par les mots "sans frais".
  b) dans le paragraphe 4, alinéa 2, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  "3° du directeur général de la direction générale de la police judiciaire ou son représentant;";
  c) dans le paragraphe 4, alinéa 2, 6° , les mots "la coordination de" sont abrogés;
  d) le paragraphe 4, alinéa 2, est complété par les 9° et 10° rédigés comme suit :
  "9° un représentant du Service Public Fédéral Justice;
  10° un représentant désigné par le Conseil des auditeurs de travail.".
Art.87. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek wordt een paragraaf III ingevoegd, luidende "Hoger beroep van correctionele vonnissen", die de artikelen 199 tot 216 bevat.
Art.87. Dans le livre II, titre premier, chapitre II, du même Code, il est inséré un paragraphe III intitulé "De l'appel des jugements correctionnels", comportant les articles 199 à 216.
Art.88. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 mei 1955 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "vijftien dagen" telkens vervangen door de woorden "dertig dagen";
  2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld.";
  3° in paragraaf 2 worden de woorden "vijf dagen" vervangen door de woorden "tien dagen".
Art.88. A l'article 203 du même Code, remplacé par la loi du 31 mai 1955 et modifié par la loi du 15 juin 1981, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "quinze jours" sont chaque fois remplacés par les mots "trente jours";
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Le ministère public dispose d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel, après que le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel.";
  3° dans le paragraphe 2, les mots "cinq jours" sont remplacés par les mots "dix jours".
Art.89. Het artikel 204 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 204. Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.
  Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.
  Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.
  Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.".
Art.89. L'article 204 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 204. A peine de déchéance de l'appel, la requête indique précisément les griefs élevés, y compris les griefs procéduraux, contre le jugement et est remise, dans le même délai et au même greffe que la déclaration visée à l'article 203. Elle est signée par l'appelant, son avocat ou tout autre fondé de pouvoir spécial. Dans ce dernier cas, le pouvoir est annexé à la requête.
  Cette requête peut aussi être remise directement au greffe du tribunal ou de la cour où l'appel est porté.
  Un formulaire dont le modèle est déterminé par le Roi peut être utilisé à cette fin.
  La présente disposition s'applique également au ministère public.".
Art.90. In artikel 205 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juni 1981 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "vijfentwintig dagen" worden vervangen door de woorden "veertig dagen";
  2° de zin "Het exploot bevat dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van hetzelfde tijdstip of binnen vijfenveertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis in het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies." wordt vervangen als volgt :
  "Het exploot bevat dagvaarding. In het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies gebeurt deze dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.".
Art.90. A l'article 205 du même Code, remplacé par la loi du 15 juin 1981 et modifié par la loi du 28 mars 2000, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "vingt-cinq jours" sont remplacés par les mots "quarante jours";
  2° la phrase "L'exploit contiendra assignation dans les soixante jours à compter de la même époque ou dans les quarante-cinq jours à compter du prononcé du jugement dans le cadre de la procédure de comparution immédiate prévue à l'article 216quinquies." est remplacée par les phrases suivantes :
  "L'exploit contiendra l'assignation. Dans le cadre de la procédure de comparution immédiate visée à l'article 216quinquies, cette assignation se fera dans les soixante jours à compter du prononcé du jugement.".
Art.91. Het artikel 206 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 206. De partijen in het geding kunnen afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken, met een verklaring, ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen.
  De verklaring kan in voorkomend geval ook worden gedaan op de griffie van de gevangenis of van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
  Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt in het daartoe bestemd register.
  Bij de in het tweede lid voorziene gevallen geven de bestuurders van de inrichtingen van die verklaring onmiddellijk bericht aan het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen en stelt hem, binnen vierentwintig uren, een uitgifte van het proces-verbaal in handen. Bericht en uitgifte worden bij het dossier gevoegd.
  Van de afstand of beperking door het openbaar ministerie gedaan, worden de beklaagde, en in voorkomend geval de burgerlijke partij, of hun advocaten, binnen de vierentwintig uren op de hoogte gesteld.
  De partijen in het geding kunnen ook op de zitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken.
  De afstand of beperking van het ingesteld hoger beroep kan worden ingetrokken totdat er akte van is verleend door het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen.
  Ingeval van hoger beroep met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering, kan de partij tegen wie het hoger beroep gericht is, evenwel beslissen de afstand niet te aanvaarden indien incidenteel beroep is ingesteld.".
Art.91. L'article 206 du même Code, abrogé par la loi du 10 juillet 1967, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 206. Les parties à la cause peuvent se désister de l'appel ou limiter celui-ci, par une déclaration, déposée au greffe du tribunal ou de la cour qui doit connaître de l'appel.
  La déclaration peut également, le cas échéant, être faite au greffe de la prison ou du centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction.
  Il est dressé procès-verbal de la déclaration dans le registre destiné à cet effet.
  Dans les cas prévus à l'alinéa 2, les directeurs des établissements avisent sans délai de cette déclaration, le ministère public près le tribunal ou la cour qui doit connaître de l'appel et lui remettent, dans les vingt-quatre heures, une expédition du procès-verbal. L' avis et l'expédition sont versés au dossier.
  Le prévenu et, le cas échéant la partie civile, ou leurs avocats, sont informés du désistement ou de la limitation du ministère public dans les vingt-quatre heures.
  Les parties à la cause peuvent également, à l'audience, se désister de l'appel ou limiter celui-ci.
  Le désistement ou la limitation de l'appel peut être retiré jusqu'à ce que la cour ou le tribunal qui doit connaître de l'appel en donne acte.
  En cas d'appel portant sur l'action civile, la partie contre laquelle est dirigé l'appel peut toutefois décider de refuser le désistement si un appel incident a été interjeté.".
Art.92. Artikel 208 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 208. Tegen de arresten, in hoger beroep bij verstek gewezen, kan in verzet worden gekomen in dezelfde vormen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde modaliteiten en binnen dezelfde termijnen als tegen de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken.
  De bepalingen van de artikelen 185 tot 187 gelden ook voor het hof van beroep.".
Art.92. L'article 208 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 12 février 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 208. Les arrêts rendus par défaut sur l'appel pourront être attaqués par la voie de l'opposition dans les mêmes formes, conditions, modalités et délais que les jugements par défaut rendus par les tribunaux correctionnels.
  Les dispositions des articles 185 à 187 sont communes à la cour d'appel.".
Art.93. Artikel 209bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2000, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De bepalingen van artikel 152 gelden ook voor de hoven van beroep.".
Art.93. L'article 209bis du même Code, inséré par la loi du 28 mars 2000, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Les dispositions de l'article 152 sont communes aux cours d'appel.".
Art.94. Artikel 210 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, aangevuld met een lid, luidende :
  "Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op :
  - zijn bevoegdheid;
  - de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt;
  - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.
  De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.".
Art.94. L'article 210 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 12 février 2003, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Outre les griefs soulevés comme prescrit à l'article 204, le juge d'appel ne peut soulever d'office que les moyens d'ordre public portant sur les formalités substantielles ou prescrites à peine de nullité ou sur :
  - sa compétence;
  - la prescription des faits dont il est saisi;
  - l'absence d'infraction que présenteraient les faits dont il est saisi quant à la culpabilité ou la nécessité de les requalifier ou une nullité irréparable entachant l'enquête portant sur ces faits.
  Les parties sont invitées à s'exprimer sur les moyens soulevés d'office.".
Art.95. Artikel 216 van hetzelfde Wetboek wordt vernummerd tot 215bis.
Art.95. L'article 216 du même Code est renuméroté en article 215bis.
Art.96. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende "Voorafgaande erkenning van schuld".
Art.96. Dans le livre II, titre Ier, du même Code, il est inséré un chapitre IIbis intitulé "Reconnaissance préalable de culpabilité".
Art.97. In hoofdstuk IIbis, ingevoegd bij artikel 96, wordt een artikel 216 ingevoegd, luidende :
  "Art. 216. § 1. Voor feiten die niet van die aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf, kan de procureur des Konings, indien de verdachte of de beklaagde de schuld van de hem tenlastegelegde feiten erkent, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdachte of de beklaagde of zijn advocaat, de toepassing voorstellen van de in dit artikel omschreven procedure van voorafgaande erkenning van schuld.
  In dat geval kan hij, in de voorwaarden voorzien in de wet, lagere straffen voorstellen dan hij meende te moeten vorderen, of een straf met geheel of gedeeltelijk uitstel of probatie-uitstel, of een gewone opschorting of een probatie-opschorting.
  Deze procedure is niet toepasselijk voor de feiten :
  1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
  2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377 van het Strafwetboek;
  3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387 van het Strafwetboek, indien deze zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
  4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
  § 2. Wanneer de onderzoeksrechter met een onderzoek is gelast, kan de procureur des Konings slechts de toepassing van de in huidig artikel omschreven procedure voorstellen na de beschikking of het arrest van verwijzing naar de feitenrechter. Hij kan dit ook voorstellen wanneer de zaak reeds bij de feitenrechter aanhangig is gemaakt, voor zover er nog geen eindvonnis of arrest is gewezen op strafgebied.
  § 3. De verklaringen waarmee de verdachte of de beklaagde de schuld aan de hem tenlastegelegde feiten erkent, worden afgelegd in het bijzijn van een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat.
  Indien de verdachte of de beklaagde over onvoldoende inkomsten beschikt, zijn de artikelen 508/13 tot 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toekenning van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand onverminderd van toepassing.
  De advocaat neemt kennis van het dossier en de aan de verdachte of de beklaagde tenlastegelegde feiten en licht hem in over zijn rechten, de gevolgen van het erkennen van de schuld in de voorliggende procedure en het verdere verloop ervan. De verdachte of de beklaagde kan ten allen tijde een vertrouwelijk overleg hebben met zijn advocaat buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings.
  Na het aanhoren van de door de procureur des Konings voorgestelde straffen, kan de verdachte of de beklaagde een bedenktijd vragen van maximaal tien dagen alvorens aan de procureur des Konings mee te delen of hij al dan niet de schuld aan de tenlastegelegde feiten erkent en de weerhouden wettelijke kwalificaties en de voorgestelde straffen aanvaardt.
  In voorkomend geval, worden de verklaringen waarmee de verdachte of de beklaagde de schuld aan de hem tenlastegelegde feiten erkent en de straffen die de procureur des Konings voorstelt aanvaardt, vastgelegd in een overeenkomst waarin de feiten en hun kwalificatie precies worden omschreven en dat zowel door de verdachte of de beklaagde en zijn advocaat, als door de procureur des Konings wordt ondertekend.
  Deze overeenkomst bepaalt met name de kosten die dienen te worden gedekt en de goederen of vermogensvoordelen die moeten worden afgegeven en verbeurdverklaard.
  Als de zaak nog niet is vastgesteld voor een rechter ten gronde bepaalt de overeenkomst de plaats, dag en uur van de zitting van de rechtbank waarop de verdachte of de beklaagde dient te verschijnen, binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen en niet langer dan twee maanden. Aan de verdachte of de beklaagde wordt onmiddellijk een kopie van de overeenkomst overhandigd. Deze kennisgeving geldt als dagvaarding. Wanneer de zaak evenwel al is vastgesteld voor de rechter ten gronde, wordt de overeenkomst op die zitting ter bekrachtiging voorgelegd.
  Zolang er geen ondertekende overeenkomst is, kunnen de stukken opgesteld in het kader van de paragrafen 1 en 2 en van deze paragraaf niet aan het dossier worden gevoegd, noch ingezien.
  In voorkomend geval bezorgt de procureur des Konings de gekende slachtoffers een kopie van de ondertekende overeenkomst. Het slachtoffer en zijn advocaat krijgen inzage in het strafdossier.
  § 4. De rechtbank hoort de beklaagde en zijn advocaat over de afgesloten overeenkomst en de erkende feiten.
  In voorkomend geval, hoort de rechtbank ook het slachtoffer en zijn advocaat over de feiten en de vergoeding van de schade. Het slachtoffer kan zich op de zitting van de rechtbank, die de afgesloten overeenkomst dient te bekrachtigen, burgerlijke partij stellen en vergoeding van zijn schade vragen. De gedaagden worden gehoord met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering.
  De rechtbank verifieert of voldaan is aan alle voorwaarden van de paragrafen 1 tot 3, of de overeenkomst op een vrije en weloverwogen manier is gesloten en met de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemt en of de door de procureur des Konings voorgestelde straffen proportioneel zijn aan de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de beklaagde en de bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade.
  Indien ze oordeelt dat dit het geval is, bekrachtigt ze de afgesloten overeenkomst en spreekt ze de voorgestelde straffen uit bij erkenning van schuld door de beklaagde. Op strafgebied staat geen rechtsmiddel open.
  Zoniet wijst ze het verzoek tot bekrachtiging van de afgesloten overeenkomst bij een met redenen omklede beslissing af. In dit geval wordt het dossier terug ter beschikking gesteld van de procureur des Konings en wordt de zaak toegewezen aan een anders samengestelde kamer.
  De door de beklaagde en de procureur des Konings ondertekende overeenkomst en de documenten die werden opgemaakt en mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg in het kader van de procedure alsook alle andere gerelateerde procedurestukken, worden dan uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
  Zolang de overeenkomst niet is bekrachtigd bij vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan kunnen de hierboven bedoelde stukken niet ten laste van de verdachte of de beklaagde worden aangewend in een andere strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of andere procedure en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
  § 5. De rechtbank doet uitspraak over het verzoek tot bekrachtiging, hetzij tijdens de zitting, hetzij binnen een maand na de eerste zitting, behalve indien een uitstel van het onderzoek van de zaak tot een latere zitting zich opdringt teneinde de burgerlijke partij in staat te stellen haar belangen te verdedigen of de beklaagde in staat te stellen de elementen te verschaffen in verband met diens wil om de schade te herstellen.
  § 6. Het bij de eerste en tweede paragraaf bepaalde recht behoort ook, ten aanzien van dezelfde feiten, aan de arbeidsauditeur, de federale procureur en de procureur-generaal in hoger beroep en, ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.".
Art.97. Dans le chapitre IIbis, inséré par l'article 96, il est inséré un article 216 rédigé comme suit :
  "Art. 216. § 1er. Pour les faits qui ne paraissent pas être de nature à devoir être punis d'un emprisonnement correctionnel principal de plus de cinq ans, le procureur du Roi peut, soit d'office, soit à la demande du suspect ou du prévenu ou de son avocat, proposer l'application de la procédure de reconnaissance préalable de culpabilité définie au présent article si le suspect ou le prévenu reconnaît être coupable des faits qui lui sont imputés.
  Dans ce cas, il peut proposer, dans le respect des conditions légales, des peines inférieures à celles qu'il estimait devoir requérir, ou assorties d'un sursis simple ou probatoire, total ou partiel, ou une suspension simple ou probatoire du prononcé.
  Cette procédure n'est pas applicable aux faits :
  1° qui seraient punissables, s'ils n'étaient transmués en délits, d'une peine maximale supérieure à vingt ans de réclusion;
  2° visés aux articles 375 à 377 du Code pénal;
  3° visés aux articles 379 à 387 du Code pénal s'ils sont commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
  4° visés aux articles 393 à 397 du Code pénal.
  § 2. Lorsque le juge d'instruction est déjà chargé d'instruire, le procureur du Roi ne peut proposer l'application de la procédure définie au présent article qu'après l'ordonnance ou l'arrêt de renvoi devant le juge du fond. Il peut également le proposer lorsque le juge du fond est déjà saisi du fait, pour autant qu'aucun jugement ou arrêt définitif n'ait été rendu en matière pénale.
  § 3. Les déclarations par lesquelles le suspect ou le prévenu reconnaît être coupable des faits qui lui sont imputés sont faites en présence d'un avocat de son choix ou qui lui est désigné.
  Si le suspect ou le prévenu dispose de ressources insuffisantes, les articles 508/13 à 508/18 du Code judiciaire relatifs au bénéfice de la gratuité complète ou partielle de l'aide juridique de deuxième ligne sont intégralement applicables.
  L'avocat prend connaissance du dossier et des faits imputés au suspect ou prévenu et informe celui-ci de ses droits, des conséquences de la reconnaissance de culpabilité sur la procédure en cours et sur le déroulement ultérieur de celle-ci. Le suspect ou le prévenu peut à tout moment se concerter confidentiellement avec son avocat hors la présence du procureur du Roi.
  Après avoir entendu les peines proposées par le procureur du Roi, le suspect ou le prévenu peut demander un délai de réflexion de dix jours au plus avant de faire savoir au procureur du Roi s'il reconnaît ou non être coupable des faits qui lui sont imputés et accepte ou non les qualifications légales retenues et les peines proposées.
  Le cas échéant, les déclarations par lesquelles le suspect ou le prévenu reconnaît être coupable des faits qui lui sont imputés et accepte les peines proposées par le procureur du Roi sont actées dans une convention qui décrit avec précision les faits et leur qualification et qui est signée tant par le suspect ou le prévenu et son avocat que par le procureur du Roi.
  Cette convention détermine notamment les frais à couvrir et les objets ou avantages patrimoniaux à remettre et à confisquer.
  Si l'affaire n'est pas encore fixée devant un juge du fond, la convention fixe les lieu, jour et heure de l'audience du tribunal devant lequel le suspect ou le prévenu doit comparaître, dans un délai qui ne peut être inférieur à dix jours et supérieur à deux mois. Une copie de la convention est remise immédiatement au suspect ou au prévenu. Cette notification vaut citation. Toutefois, lorsque l'affaire a déjà été fixée devant le juge du fond, la convention est soumise pour homologation lors de ladite audience.
  Tant qu'il n'est pas signé de convention, les pièces rédigées dans le cadre des paragraphes 1er et 2 et du présent paragraphe ne peuvent être ni versées au dossier, ni consultées.
  Le procureur du Roi communique le cas échéant une copie de la convention signée aux victimes connues. La victime et son avocat ont le droit d'accéder au dossier.
  § 4. Le tribunal entend le prévenu et son avocat sur l'accord conclu et les faits reconnus.
  Le cas échéant, le tribunal entend également la victime et son avocat sur les faits et sur la réparation du dommage. La victime peut se constituer partie civile et réclamer la réparation de son dommage à l'audience du tribunal qui doit homologuer l'accord conclu. Les personnes citées sont entendues sur l'action civile.
  Le tribunal vérifie s'il est satisfait à l'ensemble des conditions des paragraphes 1er à 3, si l'accord a été conclu de manière libre et éclairée et correspond à la réalité des faits et à leur qualification juridique et si les peines proposées par le procureur du Roi sont proportionnelles à la gravité des faits, à la personnalité du prévenu et à sa volonté de réparer le dommage éventuel.
  Dans l'affirmative, il homologue l'accord conclu et prononce les peines proposées lors de la reconnaissance de culpabilité par le prévenu. Les dispositions pénales du jugement ne sont susceptibles d'aucun recours.
  Dans le cas contraire, il rejette la requête en homologation de l'accord conclu par décision motivée. Le dossier est alors remis à la disposition du procureur du Roi et l'affaire est attribuée à une chambre autrement composée.
  La convention signée par le prévenu et par le procureur du Roi, les documents rédigés et communications faites pendant la concertation dans le cadre de la procédure, ainsi que toutes les autres pièces de la procédure y afférentes, sont alors écartés du dossier et déposés au greffe du tribunal de première instance.
  Aussi longtemps que la convention n'est pas homologuée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, les pièces visées ci-dessus ne peuvent être utilisées à charge du suspect ou du prévenu dans une autre procédure pénale, civile, administrative, arbitrale ou autre et ne sont pas admissibles comme preuve, même au titre d'aveu extrajudiciaire.
  § 5. Le tribunal statue sur la requête en homologation soit séance tenante, soit dans le mois de la première audience, sauf si une remise de l'examen de l'affaire à une audience ultérieure s'impose pour permettre à la partie civile de défendre ses intérêts ou au prévenu de fournir des éléments concernant sa volonté de réparer le dommage.
  § 6. La faculté prévue aux paragraphes 1er et 2 appartient aussi, pour les mêmes faits, à l'auditeur du travail, au procureur fédéral et au procureur général en degré d'appel et, pour les personnes visées par les articles 479 et 483, au procureur général près la cour d'appel.".
Art.98. In artikel 216bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 april 2011, worden de woorden "voor zover er nog geen vonnis of arrest is uitgesproken dat kracht van gewijsde heeft verkregen" vervangen door de woorden "voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken".
Art.98. Dans l'article 216bis, § 2, alinéa 1er du même Code, modifié par la loi du 14 avril 2011, les mots "pour autant qu'aucun jugement ou arrêt ne soit intervenu qui a acquis force de chose jugée" sont remplacés par les mots "pour autant qu'aucun jugement ou arrêt définitif n'ait été rendu au pénal."
Art.99. In artikel 235bis, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2001 en 14 december 2012 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 86/2002 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ", na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep", opgeheven.
Art.99. Dans l'article 235bis, § 6, du même Code, inséré par la loi du 12 mars 1998, modifié par les lois des 4 juillet 2001 et 14 décembre 2012 et partiellement annulé par l'arrêt n° 86/2002 de la Cour constitutionnelle, les mots ", après l'expiration du délai de cassation" sont abrogés.
Art.100. Artikel 235ter, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, vernietigd bij arrest nr. 105/2007 van het Grondwettelijk Hof, en hersteld bij de wet van 16 januari 2009, wordt opgeheven.
Art.100. L'article 235ter, § 6, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2005, annulé par l'arrêt n° 105/2007 de la Cour constitutionnelle et rétabli par la loi du 16 janvier 2009, est abrogé.
Art.101. In artikel 326 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "in de persoon van het hoofd van de jury" opgeheven;
  2° het vierde lid wordt opgeheven;
  3° in het vijfde lid, dat vierde lid wordt, worden de woorden "van de jury" opgeheven.
Art.101. A l'article 326 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "dans la personne du ou de la chef du jury" sont abrogés;
  2° l'alinéa 4 est abrogé;
  3° dans l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 4, les mots "du jury" sont abrogés.
Art.102. In artikel 327 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Nadat de vragen gesteld zijn, begeven de gezworenen zich met het hof naar de beraadslagingskamer.";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Het aldus samengestelde college, voorgezeten door de voorzitter van het hof, beraadslaagt over de schuldvraag.";
  3° in het derde lid worden de woorden "leest het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "leest de voorzitter aan dit college".
Art.102. A l'article 327 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Les questions étant posées, les jurés se rendent avec la cour dans la chambre des délibérations.";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le collège ainsi constitué, présidé par le président de la cour, délibère sur la culpabilité.";
  3° dans l'alinéa 3, les mots "le ou la chef des jurés leur fait" sont remplacés par les mots "le président fait à ce collège".
Art.103. In artikel 328 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het woord "gezworenen" vervangen door de woorden "leden van het college";
  2° in het tweede lid wordt de tweede zin, beginnend met de woorden "Deze zal er niet binnentreden" en eindigend met de woorden "de griffier." opgeheven;
  3° in het derde lid worden de woorden "is gehouden aan de bevelhebber van de betrokken politiedienst schriftelijk het bepaalde bevel te geven" vervangen door de woorden "geeft het bepaalde bevel schriftelijk aan de bevelhebber van de betrokken politiedienst";
  4° in het vierde lid worden de woorden "de jury" vervangen door de woorden "het college".
Art.103. A l'article 328 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le mot "jurés" est remplacé par les mots "membres du collège";
  2° dans l'alinéa 2, la deuxième phrase commençant par les mots "Celui-ci ne doit y pénétrer" et finissant par les mots "du greffier." est abrogée;
  3° à l'alinéa 3, les mots "est tenu de donner" sont remplacés par le mot "donne";
  4° à l'alinéa 4, le mot "jury" est remplacé par le mot "collège".
Art.104. In artikel 329 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "De gezworenen beraadslagen" vervangen door de woorden "Het college beraadslaagt".
Art.104. Dans l'article 329 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les mots "Les jurés délibèrent" sont remplacés par les mots "Le collège délibère".
Art.105. In artikel 329bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "door de jury" opgeheven.
Art.105. Dans le texte néerlandais de l'article 329bis, alinéa 1er du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2009, les mots "door de jury" sont abrogés.
Art.106. In artikel 329ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "de voorzitter";
  2° in het derde lid worden de woorden "aan het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "aan de voorzitter".
Art.106. A l'article 329ter du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "le ou la chef des jurés" sont remplacés par les mots "le président";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "au ou à la chef des jurés,"sont remplacés par les mots "au président".
Art.107. Artikel 329quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "De tafel dienende tot de werkzaamheden van het college wordt zodanig geschikt dat niemand kan zien waarmee een ander lid van het college bezig is.".
Art.107. L'article 329quinquies du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2009, est remplacé par ce qui suit :
  "La table servant aux activités du collège sera disposée de telle sorte que personne ne puisse voir ce que fait un autre membre du collège.".
Art.108. In artikel 329sexies, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "de jury" vervangen door de woorden "het college".
Art.108. Dans l'article 329sexies, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2009, le mot "jury" est remplacé par le mot "collège".
Art.109. In artikel 330 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "het hoofd van de jury de stemmen op in tegenwoordigheid van de gezworenen" vervangen door de woorden "de voorzitter de stemmen op in tegenwoordigheid van het college".
Art.109. Dans l'article 330 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les mots "le ou la chef du jury le dépouille en présence des jurés" sont remplacés par les mots "le président le dépouille en présence du collège".
Art.110. Artikel 332 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven.
Art.110. L'article 332 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, est abrogé.
Art.111. Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven.
Art.111. L'article 333 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, est abrogé.
Art.112. In artikel 334 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt opgeheven;
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, formuleert het college de voornaamste redenen van de beslissing van de jury.";
  3° tussen het tweede lid, dat het eerste lid wordt, en het derde lid, wordt het volgende lid ingevoegd :
  "De vragenlijst met de beslissing van de jury wordt bij de formulering van de redenen gevoegd.".
Art.112. A l'article 334 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est abrogé;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Sans devoir répondre à l'ensemble des conclusions déposées, le collège formule les principales raisons de la décision du jury.";
  3° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 1er, et l'alinéa 3 :
  "Le questionnaire portant la décision du jury est joint à la formulation des motifs.".
Art.113. In artikel 337 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en leest in zijn aanwezigheid het arrest voor. Het arrest bevat de beslissing van het college, en maakt melding van de motivering.";
  2° in het derde lid worden de woorden "en toepassing van artikel 336" opgeheven.
Art.113. A l'article 337 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par la loi du 14 février 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le président fait introduire l'accusé et donne lecture de l'arrêt en sa présence. L'arrêt contient la décision du collège et fait mention de la motivation.";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "et d'application de l'article 336" sont abrogés.
Art.114. Artikel 356, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, wordt aangevuld met de woorden "met uitzondering van paragraaf 6".
Art.114. Dans l'article 356 du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2009, l'alinéa 2 est complété par les mots ", à l'exception du paragraphe 6".
Art.115. In artikel 420 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Er kan niettemin onmiddellijk cassatieberoep worden aangetekend tegen de beslissingen :
  1° inzake bevoegdheid;
  2° die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid;
  3° die overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak doen over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar vermogensvoordelen bevelen.".
Art.115. Dans l'article 420 du même Code, remplacé par la loi du 14 février 2014, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Toutefois, il peut être formé un pourvoi en cassation immédiat contre les décisions :
  1° rendues sur la compétence;
  2° relatives à l'action civile qui statuent sur le principe d'une responsabilité;
  3° qui, conformément à l'article 524bis, § 1er, statuent sur l'action publique et ordonnent une enquête particulière sur les avantages patrimoniaux.".
Art.116. Artikel 442bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 april 2007, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Hetzelfde geldt in geval van een beslissing of arrest waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens akte neemt van de minnelijke schikking tussen de partijen en waarin de Belgische regering deze schending erkent, overeenkomstig artikel 39 van het Europees Verdrag, of waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending, overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Europees Verdrag, en dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.
  Het verzoek tot heropening is niet ontvankelijk wanneer de regering het bewijs levert dat de veroordeelde akkoord is gegaan met een minnelijke schadeloosstelling, dat het akkoord werd uitgevoerd en dat de vaststelling van schending geen ernstige twijfel kan doen rijzen over de uitkomst van de bestreden rechtspleging.".
Art.116. L'article 442bis du même Code, inséré par la loi du 1er avril 2007, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Il en est de même en cas de décision ou d'arrêt par lequel la Cour européenne des Droits de l'Homme prend acte du règlement amiable auquel sont parvenues les parties et aux termes duquel le gouvernement belge reconnaît pareille violation, conformément à l'article 39 de la Convention européenne, ou par lequel elle prend acte de la déclaration unilatérale de reconnaissance de ladite violation, conformément à l'article 37, § 1er, de la Convention européenne, et décide, par voie de conséquence, de rayer l'affaire du rôle.
  La demande en réouverture est irrecevable lorsque le gouvernement apporte la preuve que le condamné a marqué son accord sur une réparation amiable, que cet accord a été exécuté et que le constat de violation n'est pas de nature à créer un doute sérieux quant au résultat de la procédure attaquée.".
Art.117. Artikel 545 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 2001, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 545. Na inzage van het verzoekschrift en van de bewijsstukken doet de kamer van het Hof van Cassatie die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken, onmiddellijk einduitspraak indien het verzoek kennelijk onontvankelijk is of wanneer de in het verzoekschrift en de bewijsstukken overgelegde gegevens daartoe volstaan.
  Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
  De geldboete bedraagt honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
  Wanneer niet voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor een onmiddellijke einduitspraak, beveelt het Hof van Cassatie ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
  1° a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
  b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;
  2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift; het Hof is daartoe evenwel niet gehouden wanneer het, onder opgave van redenen, deze mededeling en de kennisgeving van de dag van verschijning nadelig acht voor het onderzoek;
  3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen de verwijzing wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van een advies, indien het Hof van Cassatie dit nodig acht;
  4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
  Behoudens de onder de bepaling 2° bepaalde uitzondering, worden de conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.".
Art.117. L'article 545 du même Code, remplacé par la loi du 12 mars 1998 et modifié par la loi du 10 juin 2001, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 545. Sur le vu de la requête et des pièces justificatives, la chambre de la Cour de cassation qui connaît des pourvois en matière criminelle, correctionnelle ou de police, statue immédiatement et définitivement lorsque la requête est manifestement irrecevable ou lorsque les éléments reproduits dans la requête et les pièces justificatives suffisent.
  Si, en outre, une amende pour requête manifestement irrecevable peut se justifier, ce point seul sera traité à une audience fixée par la même décision à une date rapprochée. Le greffier convoque les parties par pli judiciaire afin qu'elles fassent connaître leurs observations par écrit pour cette date.
  L'amende est de cent vingt-cinq euros à deux mille cinq cents euros. Tous les cinq ans, le Roi peut adapter les montants minimums et maximums au coût de la vie. Le recouvrement de l'amende est poursuivi par toutes voies de droit à la diligence de l'Administration de l'enregistrement et des domaines.
  Lorsque les conditions requises à l'alinéa 1er pour une décision immédiate et définitive ne sont pas remplies, la Cour de cassation ordonne dans le plus bref délai et au plus tard dans les huit jours :
  1° a) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au juge au tribunal de police dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt;
  b) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au premier président ou au président, selon la juridiction dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt, et ce, en concertation avec les membres de la juridiction nommément désignés, qui contresigneront ladite déclaration;
  2° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées aux parties non requérantes ainsi que la communication du délai dont celles-ci disposent pour le dépôt de leurs conclusions au greffe et du jour de comparution devant la Cour; cette comparution a lieu au plus tard dans les deux mois du dépôt de la requête; toutefois, la Cour de cassation n'ordonnera pas la communication lorsque, par les motifs qu'elle énonce, elle juge la communication et la notification de la date de comparution néfastes pour l'instruction;
  3° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au ministère public près la juridiction contre laquelle la demande en renvoi est formée ainsi que la communication du délai dans lequel doit être déposé son avis, si la Cour de cassation le juge nécessaire;
  4° le rapport, au jour indiqué, par l'un des conseillers nommé par l'arrêt.
  Sans préjudice de l'exception prévue au point 2°, les conclusions et, le cas échéant, l'avis du ministère public sont communiqués aux parties au plus tard le jour du dépôt au greffe.".
Art.118. In artikel 548 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998, wordt het woord "alsook" vervangen door de woorden "en, behoudens wanneer het Hof in zijn arrest, onder opgave van redenen deze toezending nadelig acht voor het onderzoek,".
Art.118. Dans l'article 548 du même Code, remplacé par la loi du 12 mars 1998, les mots ", sauf si, par les motifs qu'elle énonce dans son arrêt, la Cour juge cet envoi néfaste pour l'instruction," sont insérés entre les mots "au requérant et" et les mots "aux parties".
Art.119. Artikel 590, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 19°, luidende :
  "19° beslissingen tot vaststelling van het verval van de strafvordering met toepassing van artikel 216bis, § 2.".
Art.119. L'article 590, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2014, est complété par le 19° rédigé comme suit :
  "19° les décisions constatant l'extinction de l'action publique en application de l'article 216bis, § 2.".
Art.120. In artikel 594 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt de bepaling onder 3° aangevuld met de woorden "of tot vaststelling van het verval van de strafvordering met toepassing van artikel 216bis, § 2".
Art.120. Dans l'article 594 du même Code, remplacé par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014, le 3° est complété par les mots "ou constatant l'extinction de l'action publique en application de l'article 216bis, § 2".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 4 octobre 1867 sur les circonstances atténuantes
Art.121. In artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013, wordt het derde lid opgeheven.
Art.121. Dans l'article 2 de la loi du 4 octobre 1867 sur les circonstances atténuantes, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par les lois des 27 décembre 2012 et 14 janvier 2013, l'alinéa 3 est abrogé.
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.122. In artikel 3, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, worden de woorden "en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2, derde lid" opgeheven.
Art.122. Dans l'article 3, alinéa 3, de la même loi, remplacé par la loi du 1er février 1977 et modifié par les lois des 11 juillet 1994 et 8 juin 2008, les mots "et peut l'être en vertu de l'article 2, alinéa 3" sont abrogés.
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.123. In artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.123. Dans l'article 5 de la même loi, modifié par les lois des 11 juillet 1994 et 8 juin 2008, l'alinéa 2 est abrogé.
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus
Art.124. In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "en het vereischte bedrag niet in zijn bezit heeft om de kosten van de akte van deurwaarder te dekken" opgeheven;
  2° in het tweede lid wordt de zin "In dit proces-verbaal wordt melding gemaakt van het feit dat hij die verzet doet, niet in het bezit is van het vereischte bedrag om de kosten van de deurwaardersakte te dekken." opgeheven.
Art.124. A l'article 2 de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus, modifié par l'arrêté royal du 28 décembre 2006 et la loi du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "et n'est pas détenteur de la somme nécessaire pour couvrir les frais de l'acte d'huissier" sont abrogés;
  2° dans l'alinéa 2, la phrase "Mention est faite dans ce procès-verbal de la circonstance que l'opposant n'est pas détenteur de la somme nécessaire pour couvrir les frais de l'acte d'huissier." est abrogée.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 5. - Modifications du Code Judiciaire
Art.125. Artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt aangevuld met de volgende zin : "De betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie wordt geacht te zijn verricht door het aanbrengen, door een griffier van een rechtbank of van een hof, in de akte, van vermeldingen die een vaste dagtekening eraan toekennen.".
Art.125. L' article 40, alinéa 2, du Code judiciaire, modifié par la loi du 19 octobre 2015, est complété par la phrase suivante : "La signification par le ministère public au ministère public est réputée accomplie par l'apposition, sur l'acte, de mentions lui donnant date certaine par un greffier d'un tribunal ou d'une cour.".
Art.126. In artikel 57, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, worden de woorden "of in voorkomend geval aan de procureur des Konings" vervangen door de woorden "of bij de betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie".
Art.126. Dans l'article 57, alinéa 2, du même Code, modifié par la loi du 19 octobre 2015, les mots "ou, le cas échéant, au procureur du Roi" sont remplacés par les mots "ou de la signification par le ministère public au ministère public".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Art.127. In artikel 20, § 6, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 12 januari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31" worden opgeheven;
  2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Tegen de beslissing in hoger beroep kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld.".
Art.127. A l'article 20, § 6, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, inséré par la loi du 12 janvier 2005, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "et le pourvoi en cassation est introduit conformément à l'article 31" sont abrogés;
  2° l'alinéa est complété par la phrase suivante :
  "La décision prononcée en appel n'est susceptible d'aucun pourvoi en cassation immédiat.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.128. In artikel 22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "of, vanaf de derde beslissing, om de twee maanden" ingevoegd tussen de woorden "van maand tot maand" en de woorden "over het handhaven van de voorlopige hechtenis";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Vanaf de derde beslissing, levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op.";
  3° het achtste lid, beginnend met de woorden "Ingeval een beschikking overeenkomstig het tweede lid" en eindigend met de woorden "die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard." wordt opgeheven.
Art.128. A l'article 22 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou, à partir de la troisième décision, tous les deux mois" sont insérés entre les mots "de mois en mois" et les mots ", sur le maintien de la détention";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "A partir de la troisième décision, l'ordonnance de maintien en détention préventive et relative à la modalité de l'exécution de celle-ci forme un titre de privation de liberté pour deux mois.";
  3° l'alinéa 8, commençant par les mots "Lorsqu'une ordonnance est prise en application de l'alinéa 2" et finissant par les mots "certifiées conformes par le greffier; est abrogé.
Art.129. Artikel 22bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 2009 en 27 december 2012, wordt opgeheven.
Art.129. L'article 22bis de la même loi, inséré par la loi du 31 mai 2005 et modifié par les lois des 30 décembre 2009 et 27 décembre 2012, est abrogé.
Art.130. In artikel 23 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 2005 en 27 december 2012, worden de woorden "artikelen 21, 22 en 22bis" vervangen door de woorden "artikelen 21 en 22".
Art.130. Dans l'article 23 de la même loi, modifié par les lois des 31 mai 2005 et 27 décembre 2012, les mots "articles 21, 22 et 22bis" sont remplacés par les mots "articles 21 et 22".
Art.131. Artikel 24bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. Ingeval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, worden de bevoegdheden bedoeld in de paragrafen 1 en 2, uitsluitend op vordering van het openbaar ministerie, uitgeoefend door de in artikel 27, § 1, bedoelde rechtsinstanties.
  Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Over het verzoekschrift wordt in raadkamer beslist binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.
  Indien er binnen die termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen beslissing over het verzoekschrift is genomen, blijft de voorlopige hechtenis uitgevoerd onder elektronisch toezicht.
  De beslissing wordt met redenen omkleed overeenkomstig artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.".
Art.131. L'article 24bis de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par le paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. En cas de maintien d'une détention sous surveillance électronique, conformément à l'article 26, § 3, alinéa 2, les compétences visées aux paragraphes 1er et 2 sont exercées, exclusivement sur réquisition du ministère public, par les juridictions visées à l'article 27, § 1er.
  La requête est déposée au greffe de la juridiction qui doit statuer et inscrite au registre prévu à cet effet. Il est statué sur cette requête en chambre du conseil dans les cinq jours de son dépôt, le ministère public, l'intéressé et son conseil entendus, et il en est donné avis à ce dernier conformément à l'article 21, § 2.
  Si aucune décision n'a été prise sur la requête dans ce délai de cinq jours, éventuellement prolongé conformément à l'article 32, la détention préventive continue d'être exécutée sous surveillance électronique.
  La décision est motivée conformément à l'article 16, § 5, alinéas 1er et 2.".
Art.132. In artikel 26 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 4 augustus 1996 en 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven.";
  2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In voorkomend geval is paragraaf 4 van toepassing.".
Art.132. A l'article 26 de la même loi, modifié par les lois des 11 juillet 1994, 4 août 1996 et 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si l'inculpé se trouve en détention sous surveillance électronique, la chambre du conseil peut, par décision motivée, maintenir la détention préventive sous surveillance électronique.";
  2° le paragraphe 5 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Le cas échéant, le paragraphe 4 s'applique.".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 1° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 1° du présent article)
Art.133. Artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 12 maart 1998 en 30 juni 2000, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Indien het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidsstelling is verworpen, kan een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan.".
Art.133. L'article 27 de la même loi, modifié par les lois des 11 juillet 1994, 12 mars 1998 et 30 juin 2000, est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. En cas de rejet de la requête de mise en liberté provisoire, une nouvelle requête ne peut être introduite qu'après l'expiration d'un délai d'un mois à compter du rejet.".
Art.134. In artikel 28, § 2, van dezelfde wet worden de woorden " § 1, 1° " vervangen door de woorden " § 1, 1° en 2° ".
Art.134. Dans l'article 28, § 2, de la même loi, les mots " § 1er, 1° " sont remplacés par les mots " § 1er, 1° et 2° ".
Art.135. In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "en het strafproces" worden ingevoegd tussen de woorden "het onderzoek" en "vereiste oproepingen";
  2° de woorden "of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister" worden ingevoegd tussen de woorden "een wijzigingsbericht doet geworden" en de woorden ", worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan."
Art.135. A l'article 29 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "et le procès pénal" sont insérés entre les mots "par l'instruction" et les mots "peuvent lui être faites ultérieurement";
  2° les mots "ou qu'il est inscrit à une nouvelle adresse au registre national" sont insérés entre les mots "adressée au ministère public" et les mots ", les convocations et les significations ont lieu valablement".
Art.136. In artikel 30 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het woord ", 22bis" opgeheven;
  2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord ", 22bis" opgeheven;
  3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden ", of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking." vervangen door de woorden "indien zij betrekking heeft op de eerste of de tweede beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking.";
  4° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "een maand" vervangen door de woorden "twee maanden".
Art.136. A l'article 30 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le mot ", 22bis" est abrogé;
  2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le mot ", 22bis" est abrogé;
  3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots ", ou pour trois mois à partir de la décision, s'il est fait appel de l'ordonnance visée aux articles 22, alinéa 2, et 22bis "sont remplacés par les mots "si elle porte sur la première ou la deuxième ordonnance de la chambre du conseil ou pour deux mois à partir de la décision si elle porte sur une ordonnance subséquente.";
  4° dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots "un mois" sont remplacés par les mots "deux mois";
Art.137. In artikel 31, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994, worden de woorden "Tegen deze beslissingen kan cassatieberoep" vervangen door de woorden "Tegen deze beslissingen kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan".
Art.137. Dans l'article 31, § 2, de la même loi, modifié par la loi du 11 juillet 1994, les mots "Ces décisions" sont remplacés par les mots "Ces décisions ne sont susceptibles d'aucun pourvoi en cassation immédiat, à l'exception des arrêts rendus par la chambre des mises en accusation sur l'appel formé contre les décisions visées à l'article 21, § 1er, alinéa 2, lesquels".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.138. In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden "22, 25" vervangen door de woorden "22, 24bis, § 3, 25".
Art.138. Dans l'article 32 de la même loi, les mots "22, 25" sont remplacés par les mots "22, 24bis, § 3, 25".
Art.139. Artikel 33, § 2, derde lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Ze zijn vatbaar voor cassatieberoep voor zover dit rechtsmiddel ook tegen de veroordelende beslissing wordt ingesteld.".
Art.139. L'article 33, § 2, alinéa 3, de la même loi, est complété par la phrase suivante :
  "Elles sont susceptibles de pourvoi en cassation pour autant que le pourvoi soit également formé contre la décision de condamnation.".
Afdeling 2. - Overgangsbepaling
Section 2. - Disposition transitoire
Art.140. De beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 22, eerste en tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en artikel 30, § 4, van dezelfde wet, genomen voor 1 juli 2016, blijven gelden voor de duur waarvoor zij zijn uitgesproken.
  De artikelen 22, achtste lid, en 22bis van dezelfde wet blijven bij wijze van overgangsmaatregel van kracht voor de beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis genomen voor 1 juli 2016 overeenkomstig artikel 22, tweede lid, van dezelfde wet.
Art.140. Les décisions de maintien de la détention préventive conformément à l'article 22, alinéas 1er et 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive et à l'article 30, § 4, de la même loi, prises avant le 1er juillet 2016 restent applicables pendant la durée pour laquelle elles ont été prononcées.
  Les articles 22, alinéa 8, et 22bis de la même loi restent en vigueur à titre de mesure transitoire pour les décisions de maintien de la détention préventive prises avant le 1er juillet 2016 conformément à l'article 22, alinéa 2, de la même loi.
Afdeling 3. - Inwerkingtredingsbepaling
Section 3. - Disposition d'entrée en vigueur
Art.141. De artikelen 128 tot 130, 136 en 140 treden in werking op 1 juli 2016.
Art.141. Les articles 128 à 130, 136 et 140 entrent en vigueur le 1er juillet 2016.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen
Art.142. In artikel 13 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingbevel wordt paragraaf 4, opgeheven bij de wet van 25 april 2014, hersteld als volgt :
  " § 4. De beslissing van de procureur des Konings om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen overeenkomstig paragraaf 3, levert de titel van vrijheidsbeneming op tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.
  De procureur des Konings kan, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, §§ 4 en 5, evenwel voorzien in de voorwaardelijke invrijheidstelling of in de invrijheidstelling tegen borgstelling van de betrokken persoon tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.".
Art.142. Dans l'article 13 de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen, le paragraphe 4, abrogé par la loi du 25 avril 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 4. La décision du procureur du Roi d'exécuter le mandat d'arrêt européen conformément au paragraphe 3 constitue le titre de détention jusqu'à la remise effective de la personne à l'Etat d'émission.
  Le procureur du Roi peut, dans les conditions visées à l'article 11, §§ 4 et 5, prévoir la mise en liberté sous conditions ou sous caution de la personne concernée jusqu'à la remise effective de la personne à l'Etat d'émission.".
HOOFDSTUK 8. - Bepalingen betreffende de inwerkingtreding
CHAPITRE 8. - Dispositions relatives à l'entrée en vigueur
Art.143. De artikelen 73 tot 76, 79, 83 tot 85, 88 tot 90, 92 tot 94 en 114 van deze titel treden in werking op 1 maart 2016.
  Artikel 83 is van toepassing op het verstek dat een partij na 29 februari 2016 laat gaan.
  Artikel 121 is van toepassing op de zaken die nog niet in beraad zijn genomen inzake de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
Art.143. Les articles 73 à 76, 79, 83 à 85, 88 à 90, 92 à 94 et 114 du présent titre entrent en vigueur le 1er mars 2016.
  L'article 83 s'applique au défaut que fait une partie après le 29 février 2016.
  L'article 121 est applicable aux affaires qui n'ont pas encore été prises en délibéré quant au règlement de la procédure par la chambre des mises en accusation à la date de l'entrée en vigueur du présent article.
TITEL 4. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
TITRE 4. - Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine
Art.144. In de Nederlandstalige versie van de artikelen 5, 7, 16 en 95/11 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten wordt het woord "verontrusten" telkens vervangen door de woorden"lastig vallen".
Art.144. Dans la version néerlandaise des articles 5, 7, 16 et 95/11 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, le mot "verontrusten" est chaque fois remplacé par les mots "lastig vallen".
Art.145. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden tussen het woord "nageleefd," en het woord "kan" de woorden "of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de uitgaansvergunning," ingevoegd;
  2° in paragraaf 2 worden tussen het woord "verlof" en het woord "kan" de woorden ", of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof," ingevoegd;
  3° artikel 12 wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.".
Art.145. A l'article 12 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de l'octroi de la permission de sortie," sont insérés entre les mots "une certaine périodicité," et les mots "le ministre";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de l'octroi du congé pénitentiaire," sont insérés entre les mots "un congé pénitentiaire," et les mots "le ministre";
  3° l'article 12 est complété par le paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Si le condamné ne satisfait plus aux conditions de temps pour une décision d'octroi d'une permission de sortie avec une certaine périodicité ou d'un congé pénitentiaire, le ministre ou son délégué révoque la décision.".
Art.146. Artikel 20 van dezelfde wet wordt vernummerd tot artikel 19/1.
Art.146. L'article 20 de la même loi est renuméroté en article 19/1.
Art.147. In titel IV van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende "Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I, II, III en IV".
Art.147. Dans le titre IV de la même loi, il est inséré un chapitre IVbis intitulé "Disposition commune aux chapitres Ier, II, III et IV".
Art.148. In hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij artikel 147, wordt een artikel 20 ingevoegd, luidende :
  "Art. 20. De uitgaansvergunning als bedoeld in artikel 4, § 3, het penitentiair verlof en de onderbreking van de strafuitvoering worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk."
Art.148. Dans le chapitre IVbis, inséré par l'article 147, il est inséré un article 20 rédigé comme suit :
  "Art. 20. La permission de sortie visée à l'article 4, § 3, le congé pénitentiaire et l'interruption de l'exécution de la peine ne sont pas accordés s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.".
-
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.149. In artikel 20/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2012 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het woord "twee" vervangen door het woord "zes";
  2° artikel 20/1 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Indien de veroordeelde binnen de twee jaar na de invrijheidstelling door de minister terugkeert naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. De procureur des Konings deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
  De minister of zijn gemachtigde neemt binnen zeven dagen volgend op de voorlopige aanhouding van de veroordeelde een beslissing tot uitvoering van het resterende gedeelte van de straffen. Deze beslissing wordt binnen een werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de directeur.".
Art.149. A l'article 20/1 de la même loi, inséré par la loi du 15 mars 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le mot "deux" est remplacé par le mot "six";
  2° l'article 20/1 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Si le condamné revient en Belgique dans les deux ans qui suivent sa libération par le ministre sans être en règle avec la législation et la réglementation relatives à l'accès, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Le procureur du Roi communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué.
  Le ministre ou son délégué prend une décision d'exécution de la partie restante des peines dans les sept jours qui suivent l'arrestation provisoire du condamné. Cette décision est communiquée par écrit dans un délai d'un jour ouvrable au condamné, au procureur du Roi et au directeur.".
Art.150. In artikel 21, § 1, van dezelfde wet wordt het woord "twaalf" vervangen door het woord "zestien".
Art.150. Dans l'article 21, § 1er, de la même loi, le mot "douze" est remplacé par le mot "seize".
Art.151. In artikel 25, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder c) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
  2° in de bepaling onder d), worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" telkens vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
  3° in de bepaling onder e) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting".
Art.151. Dans l'article 25, § 2, de la même loi, modifié par les lois des 17 mars 2013 et 10 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le c), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité";
  2° dans le d), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont chaque fois remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité";
  3° dans le e), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.152. In titel V van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende "Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I en II".
Art.152. Dans le titre V de la même loi, il est inséré un chapitre IIbis intitulé "Disposition commune aux chapitres Ier et II".
Art.153. In hoofdstuk IIbis, ingevoegd bij artikel 152, wordt een artikel 25/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 25/2. De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.".
Art.153. Dans le chapitre IIbis, inséré par l'article 152, il est inséré un article 25/2 rédigé comme suit :
  "Art. 25/2. La détention limitée, la surveillance électronique et la libération conditionnelle ne sont pas accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.".
(NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.154. In titel V, hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel 25/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 25/3. § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, zijn straf ondergaat buiten de gevangenis in een ander land dan België, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
  § 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.".
Art.154. Dans le titre V, chapitre III, de la même loi, il est inséré un article 25/3 rédigé comme suit :
  "Art. 25/3. § 1er. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné, pour qui il ressort d'un avis de l'Office des étrangers qu'il n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume, subit sa peine en dehors de la prison dans un autre pays que la Belgique, moyennant le respect de conditions qui lui sont imposées pendant un délai d'épreuve déterminé.
  § 2. La mise en liberté provisoire en vue de la remise est accordée au condamné qui, sur la base d'un jugement exécutoire ou d'un titre exécutoire, doit être transféré dans un autre pays.".
Art.155. In artikel 26, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder c) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
  2° in de bepaling onder d), worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" telkens vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
  3° in de bepaling onder e) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting".
Art.155. Dans l'article 26, § 2, de la même loi, modifié par les lois du 17 mars 2013 et du 10 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le c), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité";
  2° dans le d), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont chaque fois remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité";
  3° dans le e), les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.156. Artikel 37 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De beslissing tot uitstel wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.".
Art.156. L'article 37 de la même loi est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La décision d'ajournement est portée par écrit à la connaissance du directeur si le condamné est en détention.".
Art.157. Artikel 43 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 43. § 1. Indien de veroordeelde penitentiair verlof vraagt bij zijn verzoek tot beperkte detentie of elektronisch toezicht, beslist de strafuitvoeringsrechter hierover op het ogenblik van de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
  § 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, wordt het schriftelijk verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis.
  De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen een werkdag over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
  De directeur brengt een advies uit omtrent het voorgestelde verlofadres uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De directeur kan de Dienst Justitiehuizen opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijk onderzoek te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu.
  Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
  Het openbaar ministerie stelt binnen een werkdag volgend op de ontvangst van het advies een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
  De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de directeur.
  De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.
  § 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
  § 4. Artikel 46 is van toepassing.".
Art.157. L'article 43 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 43. § 1er. Si le condamné demande un congé pénitentiaire lors de sa demande de détention limitée ou de surveillance électronique, le juge de l'application des peines statue à ce sujet au moment de l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique.
  § 2. Si le condamné demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, la demande écrite est déposée au greffe de la prison.
  Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans le jour ouvrable et en remet une copie au directeur.
  Le directeur rend un avis sur l'adresse de congé proposée au plus tard dans les six semaines de la réception de la demande écrite du condamné. Le directeur peut charger le Service des maisons de Justice de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire.
  L'avis du directeur est adressé au greffe du tribunal de l'application des peines, et une copie en est communiquée au ministère public et au condamné.
  Dans un délai d'un jour ouvrable suivant la réception de l'avis, le ministère public rédige un avis motivé, le transmet au juge de l'application des peines et en communique une copie au condamné et au directeur.
  Le juge de l'application des peines prend une décision dans les sept jours de la réception de l'avis du directeur.
  Les articles 39 et 40 s'appliquent.
  § 3. Le juge de l'application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à trois fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.
  § 4. L'article 46 s'applique.".
Art.158. In artikel 46, § 2, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 58, § 2, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 68, § 7, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 78, § 6, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 95/7, § 4, tweede streepje, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, in artikel 95/14, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, in artikel 95/16, § 5, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, en in artikel 95/30, § 6, derde lid, tweede streepje, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992" telkens vervangen door de woorden "de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992".
Art.158. Dans l'article 46, § 2, deuxième tiret, de la même loi, dans l'article 58, § 2, deuxième tiret, de la même loi, dans l'article 68, § 7, deuxième tiret, de la même loi, dans l'article 78, § 6, deuxième tiret, de la même loi, dans l'article 95/7, § 4, deuxième tiret, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, dans l'article 95/14, § 5, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, dans l'article 95/16, § 5, troisième alinéa, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, et dans l'article 95/30, § 6, troisième alinéa, deuxième tiret, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, les mots "la banque de données nationale visée à l'article 44/4 de la loi du 5 août 1992" sont chaque fois remplacés par les mots "banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992".
Art.159. In het artikel 47 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 14 december 2012 en 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden";
  2° in paragraaf 2 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden";
  3° in paragraaf 2 wordt de bepaling onder 1° opgeheven.
Art.159. A l'article 47 de la même loi, modifié par les lois des 14 décembre 2012 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, la première phrase est complétée par les mots "auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre";
  2° dans le paragraphe 2, la première phrase est complétée par les mots "auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre";
  3° dans le paragraphe 2, le 1° est abrogé.
Art.160. Artikel 52, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art.160. L'article 52, § 1er, alinéa 2, de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.".
Art.161. In artikel 55 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 2° worden de woorden "en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied" ingevoegd tussen de woorden "beperkte detentie" en de woorden "een vast adres";
  b) het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
  "4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechtbank.".
Art.161. Dans l'article 55 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 2°, les mots "et pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire" sont insérés entre les mots "détention limitée," et les mots ", avoir une adresse fixe".
  b) l'article est complété par le 4° rédigé comme suit :
  "4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du tribunal de l'application des peines.".
Art.162. In artikel 58, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij ter post aangetekende brief".
Art.162. Dans l'article 58, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.163. Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.
  De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing."
Art.163. L'article 59 de la même loi est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Ces modalités d'exécution des peines, à l'exception de la permission de sortie visée à l'article 4, § 2, ne sont pas accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.
  Les articles 64, 67, 68 et 70 s'appliquent.".
-
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art.164. In artikel 60, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2012, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "twintig".
Art.164. Dans l'article 60, alinéa 4, de la même loi, inséré par la loi du 15 mars 2012, le mot "dix" est remplacé par le mot "vingt".
Art.165. In artikel 61, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "bij gerechtsbrief" telkens vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art.165. A l'article 61, § 2, de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "par pli judiciaire" sont chaque fois remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.".
Art.166. Artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008 en 25 april 2014, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
  "7° wanneer de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt;
  8° wanneer de veroordeelde na de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 55, 4°, vereiste toestemming van de strafuitvoeringsrechtbank.".
Art.166. L'article 64 de la même loi, modifié par les lois des 8 juin 2008 et 25 avril 2014, est complété par les 7° et 8° rédigés comme suit :
  "7° si le condamné ne se trouve plus dans les conditions de temps pour la modalité d'exécution de la peine accordée;
  8° si, après l'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, le condamné omet ou refuse de quitter effectivement le territoire, ne coopère pas à son éloignement, ne coopère pas à son identification en vue de l'obtention d'un document de voyage ou revient sans l'autorisation du tribunal de l'application des peines requise à l'article 55, 4°. ".
Art.167. In artikel 66 van dezelfde wet wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :
  " § 2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen, tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.".
Art.167. Dans l'article 66 de la même loi, il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. En cas de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut accorder une permission de sortie conformément aux articles 4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément aux articles 7 et 8, sauf s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.".
Art.168. In artikel 67 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt de tweede zin aangevuld met de woorden "of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen";
  2° in paragraaf 1 wordt de derde zin aangevuld met de woorden "of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit";
  3° in paragraaf 2 worden de woorden "of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen" ingevoegd tussen het woord "leggen" en het woord ", bepaalt".
Art.168. A l'article 67 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, la deuxième phrase est complétée par les mots "ou octroyer une autre modalité d'exécution de la peine";
  2° dans le paragraphe 1er, la troisième phrase est complétée par les mots "ou sur la nouvelle modalité d'exécution de la peine";
  3° dans le paragraphe 2, les mots "ou d'octroyer une autre modalité d'exécution de la peine" sont insérés entre les mots "conditions supplémentaires" et les mots ", il fixe".
Art.169. In artikel 68 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "per gerechtsbrief" vervangen door de woorden "per ter post aangetekende brief".
  2° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "en een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied" ingevoegd tussen de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling" en het woord ", bepaalt";
  3° paragraaf 5 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Behoudens in geval van een herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximum een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Deze termijn is minimum zes maanden en maximum achttien maanden indien de zaak een veroordeling betreft tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of meer of een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek.".
Art.169. A l'article 68 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste";
  2° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots "et d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire" sont insérés entre les mots "d'une libération conditionnelle" et les mots ", le juge";
  3° le paragraphe 5 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Sauf dans le cas d'une révocation conformément à l'article 64, 1°, le tribunal de l'application des peines fixe dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande.
  Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. Ce délai est d'un an maximum en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement principal est supérieur à cinq ans. Ce délai est de six mois minimum et de dix-huit mois maximum si l'affaire concerne une condamnation à une peine privative de liberté de trente ans ou plus ou une peine privative de liberté à perpétuité, assortie d'une mise à disposition du tribunal de l'application des peines conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal.".
Art.170. In artikel 71 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 17 maart 2013 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "of betreffende de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering" ingevoegd tussen de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling" en het woord "uitvoerbaar";
  2° in het vierde lid worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of tot een levenslange opsluiting".
Art.170. A l'article 71 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006, 17 mars 2013 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots "ou à la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise" sont insérés entre les mots "à la libération conditionnelle" et les mots "est devenue exécutoire";
  2° dans l'alinéa 4, les mots "peine privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou à une réclusion à perpétuité".
(NOTA : bij arrest nr.148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof de 2° van dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 148/2017 du 21-12-2017 (M.B. 12-01-2018, p. 1393), la Cour constitutionnelle a annulé le 2° du présent article)
Art.171. In artikel 74 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
  "Het verzoek wordt ingediend bij de directeur. De directeur verzamelt onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen de adviezen van de in paragraaf 1 vermelde geneesheren. De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in paragraaf 1 bedoelde adviezen, onmiddellijk over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie.";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "indiening van het verzoek van de veroordeelde" vervangen door de woorden "ontvangst van het dossier zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid" en de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij ter post aangetekende brief";
  3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
  - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
  - aan de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  - in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft.".
Art.171. A l'article 74 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
  "La demande est introduite auprès du directeur. Celui-ci recueille sans délai et au plus tard dans les sept jours les avis des médecins mentionnés au paragraphe 1er. Le greffe de la prison transmet immédiatement la demande, accompagnée des avis visés au paragraphe 1er, au greffe du tribunal de l'application des peines et au ministère public.";
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "de l'introduction de la demande du condamné" sont remplacés par les mots "de la réception du dossier comme déterminé au paragraphe 2, alinéa 1er" et les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste";
  3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire pour raisons médicales est communiqué aux autorités et instances suivantes :
  - au chef de corps de la police locale de la commune où s'établira le condamné;
  - à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
  - le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné.".
Art.172. In dezelfde wet wordt een artikel 75/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 75/1. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. In voorkomend geval is de justitieassistent belast met de opvolging van en het toezicht op alle door de strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden.
  § 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, roept de justitieassistent, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van het vonnis, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de invrijheidstelling om medische redenen te bezorgen.
  § 3. Binnen een maand na de toekenning van de invrijheidstelling brengt de justitieassistent verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de justitieassistent beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De justitieassistent stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
  De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter en de justitieassistenten gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.".
Art.172. Dans la même loi, il est inséré un article 75/1 rédigé comme suit :
  "Art. 75/1. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. Le cas échéant, l'assistant de justice est chargé du suivi et du contrôle de toutes les conditions imposées au condamné par le juge de l'application des peines.
  § 2. En cas d'imposition de conditions particulières, l'assistant de justice appelle le condamné immédiatement après que le jugement est devenu exécutoire pour lui communiquer toutes les informations utiles au bon déroulement de la mise en liberté pour raisons médicales.
  § 3. Dans le mois de l'octroi de la mise en liberté, l'assistant de justice fait rapport au juge de l'application des peines sur le condamné, puis à chaque fois qu'il l'estime utile ou que le juge de l'application des peines l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations pertinentes dont dispose l'assistant de justice au sujet du condamné pour le juge de l'application des peines. Le rapport contient au moins une énumération de toutes les conditions imposées au condamné ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées. Le cas échéant, l'assistant de justice propose les mesures qu'il juge utiles.
  Les communications entre le juge de l'application des peines et les assistants de justice donnent lieu à des rapports, dont une copie est adressée au ministère public.".
Art.173. In dezelfde wet wordt een artikel 75/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 75/2. § 1. De strafuitvoeringsrechter kan, op verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie, een of meer opgelegde voorwaarden schorsen, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, zonder evenwel deze te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen.
  Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van dit verzoek over aan de andere partij.
  § 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde of het openbaar ministerie deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter.
  Indien de strafuitvoeringsrechter het nuttig acht, organiseert hij een zitting, die ten laatste een maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde schriftelijk verzoek moet plaatsvinden. De veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie worden gehoord.
  De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  § 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter. Het vonnis wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
  De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 74, § 4, op de hoogte moeten worden gebracht.".
Art.173. Dans la même loi, il est inséré un article 75/2 rédigé comme suit :
  "Art. 75/2. § 1er. Le juge de l'application des peines peut, à la demande du condamné ou du ministère public, suspendre, préciser ou adapter une ou plusieurs conditions imposées aux circonstances, sans toutefois les renforcer ou imposer des conditions complémentaires.
  La demande écrite est déposée au greffe du tribunal de l'application des peines.
  Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai une copie de cette demande écrite à l'autre partie.
  § 2. S'ils ont des remarques, le condamné ou le ministère public les communiquent par écrit, dans les sept jours de la réception de la copie, au juge de l'application des peines.
  Si le juge de l'application l'estime utile, il organise une audience, qui doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au paragraphe 1er. Le condamné et son conseil ainsi que le ministère public sont entendus.
  Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
  L'audience se déroule à huis clos.
  § 3. Dans les quinze jours de la réception de la demande écrite ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré, le juge de l'application des peines rend sa décision. Le jugement est notifié par pli recommandé à la poste au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public.
  Les modifications sont également communiquées aux autorités et aux instances qui, conformément à l'article 74, § 4, doivent être mises au courant.".
Art.174. In artikel 76 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 25 april 2014, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 3°, tweede zin, worden de woorden "ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie" ingevoegd tussen de woorden "kan hiertoe" en de woorden "op elk ogenblik";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen kan de strafuitvoeringsrechter de bij voorlopige invrijheidstelling om medische redenen opgelegde voorwaarden herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechter de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt evenwel herroepen indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.".
Art.174. Dans l'article 76 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 25 avril 2014, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 3°, deuxième phrase, les mots "d'office ou à la demande du ministère public," sont insérés entre les mots "peut charger," et les mots "à tout moment";
  2° l'article est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, le juge de l'application des peines peut revoir les conditions imposées à la mise en liberté provisoire pour raisons médicales. Dans ce cas, le juge de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires. La mise en liberté provisoire pour raisons médicales est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions.".
Art.175. In artikel 78 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in de in artikel 76, 1° tot 3° " vervangen door de woorden "of een herziening van de voorwaarden in de in artikel 76, § 1, 1° tot 3° ";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "per gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief";
  3° paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien de strafuitvoeringsrechter beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.";
  4° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art.175. A l'article 78 de la même loi, modifié par la loi du 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinea 1er, les mots "dans les cas prévus à l'article 76, 1° à 3° " sont remplacés par les mots "ou d'une révision des conditions dans les cas prévus à l'article 76, § 1er, 1° à 3° ";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste";
  3° le paragraphe 4 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si le juge de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.";
  4° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.176. In artikel 79 van dezelfde wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "of het openbaar ministerie" ingevoegd tussen de woorden "waarvan de veroordeelde zich bevindt" en de woorden ", zijn voorlopige aanhouding";
  2° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden "Artikel 78, § 5, is" vervangen door de woorden "Artikel 78, §§ 5 en 6, zijn".
Art.176. A l'article 79 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "ou le ministère public" sont insérés entre les mots "dans le ressort duquel le condamné se trouve" et les mots ", peut ordonner";
  2° dans le paragraphe 4, alinéa 3, les mots "L'article 78, § 5" sont remplacés par les mots "L'article 78, §§ 5 et 6".
Art.177. In artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "met een maximum van tien jaar".
Art.177. Dans l'article 80 de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 2006, la première phrase est complétée par les mots "avec un maximum de dix ans".
Art.178. In artikel 83, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art.178. Dans l'article 83, § 1er, alinéa 2, de la même loi, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.179. In artikel 86 van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art.179. Dans l'article 86 de la même loi, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.180. In artikel 89, § 1, van dezelfde wet wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art.180. Dans l'article 89, § 1er, de la même loi, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et, si le condamné est en détention, portés par écrit à la connaissance du directeur.".
Art.181. In artikel 95, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door "bij een ter post aangetekende brief".
Art.181. Dans l'article 95, alinéa 1er, de la même loi, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.182. In artikel 95/3, § 2, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "de artikelen 372, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, of 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming".
Art.182. Dans l'article 95/3, § 2, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, les mots "aux articles 372, 373, alinéas 2 et 3, 375, 376, alinéas 2 et 3, ou 377, alinéas 1er, 2, 4 et 6 du Code pénal" sont remplacés par les mots "aux articles 372 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code s'ils ont été commis sur la personne de mineurs ou avec leur participation".
Art.183. In artikel 95/5, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, indien de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art.183. Dans l'article 95/5, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et, si le condamné est en détention, portés par écrit à la connaissance du directeur.".
Art.184. In artikel 95/12, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt tussen het derde en vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Artikel 31 is van toepassing.".
Art.184. Dans l'article 95/12, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
  "L'article 31 est d'application.".
Art.185. In artikel 95/16 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013 worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "artikel 66" vervangen door de woorden "artikel 66, §§ 2 en 3,";
  2° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art.185. Dans l'article 95/16 de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par la loi du 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, les mots "article 66" sont remplacés par les mots "article 66, §§ 2 et 3,";
  2° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.186. Artikel 95/21, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.".
Art.186. L'article 95/21, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, est complété par la phrase suivante :
  "La privation de liberté du condamné mis à disposition est maintenue lorsqu'il existe dans son chef un risque qu'il commette des infractions graves portant atteinte à l'intégrité physique ou psychique de tiers et qu'il n'est pas possible d'y pallier en imposant des conditions particulières dans le cadre d'une libération sous surveillance.".
Art.187. In artikel 95/23, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art.187. Dans l'article 95/23, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.".
Art.188. In artikel 95/24, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "Onder voorbehoud van" vervangen door het woord "Onverminderd".
Art.188. Dans l'article 95/24, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, les mots "Sous réserve de" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de".
Art.189. In artikel 95/27 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "herroeping of de schorsing" vervangen door de woorden "herroeping, schorsing of herziening";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : "De artikelen 68, §§ 1 tot 4, en 70 zijn van toepassing.".
Art.189. A l'article 95/27 de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "de la révocation ou de la suspension" sont remplacés par les mots "de la révocation, de la suspension ou de la révision";
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit : "Les articles 68, §§ 1er à 4, et 70 s'appliquent.".
Art.190. In artikel 95/30 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.";
  2° in paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art.190. Dans l'article 95/30 de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007 et modifié par la loi du 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.";
  2° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, les mots "par pli judiciaire" sont remplacés par les mots "par pli recommandé à la poste".
Art.191. In artikel 96 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 26 april 2007 en 17 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  2° in het eerste lid worden de woorden "of met betrekking tot de herroeping" vervangen door de woorden ", de herziening of de herroeping";
  3° in het tweede lid, in de bepaling onder b) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  4° in het tweede lid, in de bepaling onder b) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
  5° in het tweede lid, in de bepaling onder c) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  6° in het tweede lid, in de bepaling onder c) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
  7° in het tweede lid, in de bepaling onder d) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  8° in het tweede lid, in de bepaling onder d) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
  9° in het tweede lid, in de bepaling onder e) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  10° in het tweede lid, in de bepaling onder e) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
  11° in het tweede lid, in de bepaling onder f) worden het woord "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
  12° in het tweede lid, in de bepaling onder f) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd.
Art.191. Dans l'article 96 de la même loi, modifié par les lois des 26 avril 2007 et 17 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "et à la révision des conditions particulières," sont abrogés;
  2° dans l'alinéa 1er, les mots "ou à la révocation" sont remplacés par les mots ", à la révision ou à la révocation";
  3° dans l'alinéa 2, b), les mots "et à la révision des conditions particulières" sont abrogés;
  4° dans l'alinéa 2, b), les mots ", à la révision" sont insérés entre les mots "au refus "et les mots "ou à la";
  5° dans l'alinéa 2, c), les mots "et à la révision des conditions particulières" sont abrogés;
  6° dans l'alinéa 2, c), les mots ", à la révision" sont insérés entre les mots "au refus" et les mots "ou à la";
  7° dans l'alinéa 2, d), les mots "et à la révision des conditions particulières" sont abrogés;
  8° dans l'alinéa 2, d), les mots ", à la révision" sont insérés entre les mots "au refus" et les mots "ou à la";
  9° dans l'alinéa 2, e), les mots "et à la révision des conditions particulières" sont abrogés;
  10° dans l'alinéa 2, e), les mots ", à la révision" sont insérés entre les mots "au refus" et les mots "ou à la";
  11° dans l'alinéa 2, f), les mots ", et à la révision des conditions particulières" sont abrogés;
  12° dans l'alinéa 2, f), les mots ", à la révision" sont insérés entre les mots "au refus" et les mots "ou à la".
Art.192. In artikel 97, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 februari 2009 en 19 december 2014, wordt het woord "vijftien" vervangen door het woord "vijf".
Art.192. Dans l'article 97, § 1er, alinéa 2, de la même loi, modifié par les lois des 6 février 2009 et 19 décembre 2014, le mot "quinze" est remplacé par le mot "cinq".
TITEL 5. - Wijzigingen van diverse bepalingen
TITRE 5. - Modifications de dispositions diverses
HOOFDSTUK 1. - Rechterlijke organisatie
CHAPITRE 1er. - Organisation Judiciaire
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Section 1re. - Modifications du Code judiciaire
Art.193. In artikel 115, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 16 juli 1993, worden de woorden "het hof van beroep in algemene vergadering" vervangen door de woorden "de eerste voorzitter van het hof van beroep".
Art.193. Dans l'article 115, alinéa 3, du Code judiciaire, inséré par la loi du 16 juillet 1993, les mots "la cour d'appel, statuant en assemblée générale sur les réquisitions du procureur général ou ce magistrat entendu, peut" sont remplacés par les mots "le premier président de la cour d'appel peut, sur les réquisitions du procureur général ou ce magistrat entendu,".
Art.194. In artikel 120 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 13 november 1987, 9 juli 1997 en 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "een lid van het hof van beroep of een wegens leeftijd in rust gesteld lid van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt" vervangen door de woorden "een lid van het hof van beroep, een lid van dat hof dat wegens zijn leeftijd tot de inruststelling is toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar heeft bereikt of een lid van dat hof dat op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en dat bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt";
  2° in het derde lid worden de woorden "onder de leden van dat hof of een wegens hun leeftijd in rust gestelde leden van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt" vervangen door de woorden "onder de leden van dat hof, de leden van dat hof die wegens hun leeftijd tot de inruststelling zijn toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of de leden van dat hof die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt".
Art.194. A l'article 120 du même Code, modifié par les lois des 13 novembre 1987, 9 juillet 1997 et 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "un membre de la cour d'appel ou un membre de la cour d'appel admis à la retraite en raison de son âge qui n'a pas encore atteint l'âge de 70 ans" sont remplacés par les mots "un membre de la cour d'appel, un membre de cette cour admis à la retraite en raison de son âge et qui n'a pas encore atteint l'âge de 73 ans ou un membre de cette cour qui à sa demande est admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre a été autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "parmi les membres de cette cour ou un membre de la cour d'appel admis à la retraite en raison de son âge qui n'a pas encore atteint l'âge de 70 ans" sont remplacés par les mots "parmi les membres de cette cour, les membres de cette cour admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas encore atteint l'âge de 73 ans ou les membres de cette cour qui à leur demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions".
Art.195. In artikel 121 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Zij kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg onder de ondervoorzitters en rechters toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.".
Art.195. Dans l'article 121 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par la loi du 19 juillet 2012, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1 et 2 :
  "Ils peuvent également être désignés par le premier président de la cour d'appel en concertation avec les présidents de tribunal de première instance concernés parmi les vice-présidents et les juges admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas atteint l'âge de 73 ans ou qui à leur demande ont été admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions.".
Art.196. In artikel 122 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bestaande tekst, die het eerste lid zal worden, wordt vervangen als volgt :
  "De eerste voorzitter van het hof van beroep kan, in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de organisatie van de hoven en rechtbanken, op vordering van de procureur-generaal, beslissen dat een of meer leden van het hof die hij aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De assessoren en de plaatsvervangende assessoren kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep onder de leden van dat hof die zijn toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.".
Art.196. A l'article 122 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le texte actuel, qui formera l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  "Le premier président de la cour d'appel peut, dans des circonstances exceptionnelles liées à l'organisation des cours et tribunaux, sur les réquisitions du procureur général, décider qu'un ou plusieurs membres de la cour qu'il désigne rempliront les fonctions d'assesseur ou d'assesseur suppléant au lieu des membres du tribunal de première instance.";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Les assesseurs et les assesseurs suppléants peuvent également être désignés par le premier président de la cour d'appel parmi les membres de cette cour admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas encore atteint l'âge de 73 ans ou qui à leur demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions.".
Art.197. Artikel 162, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
  "Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie toekennen aan de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.
  De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.
  Uitgesloten zijn :
  - de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;
  - de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
  - het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.
  De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.
  De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit. Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van een of meerdere magistraten.".
Art.197. L'article 162, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est complété par cinq alinéas rédigés comme suit :
  "Par ordonnance individuelle motivée et après avis positif du procureur général compétent, le chef de corps peut attribuer l'exercice de toutes les compétences du ministère public à des juristes de parquet nommés à titre définitif désignés près le parquet général, l'auditorat général, le parquet fédéral, le parquet ou l'auditorat du travail, dans la mesure où ceux-ci justifient d'une ancienneté de deux ans au minimum comme juriste dans l'ordre judiciaire.
  Les juristes de parquet visés à l'alinéa 3 peuvent exercer l'action publique devant le tribunal de police, sauf si elle porte sur les infractions à l'article 419, alinéa 2, du Code pénal.
  Sont exclus :
  - la compétence liée à l'exercice de l'action publique devant les cours d'assises, les chambres correctionnelles des cours d'appel et les tribunaux correctionnels;
  - les compétences du ministère public dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive;
  - le droit d'action visant à imposer des mesures sur la base de faits qualifiés infraction devant les chambres de la jeunesse des cours d'appel ou le tribunal de la jeunesse.
  Les compétences qui ne peuvent être exercées que par les magistrats de parquet qui ont suivi à cet effet la formation particulière prescrite par la loi peuvent être exercées par les juristes de parquet, à condition qu'ils aient suivi une même formation.
  Les services effectivement prestés en qualité de juriste contractuel sont pris en compte pour le calcul de l'ancienneté. Cette attribution de compétences peut être retirée à tout moment par le chef de corps. Le juriste de parquet est placé sous l'autorité et la surveillance de son chef de corps et exerce les compétences qui lui ont été attribuées sous la responsabilité d'un ou de plusieurs magistrats.".
Art.198. In artikel 223, eerste lid, 2°, d), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen" vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art.198. Dans l'article 223, alinéa 1er, 2°, d), du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009, les mots "les arrondissements judiciaires de Verviers et d'Eupen" sont remplacés par les mots "l'arrondissement judiciaire d'Eupen et les cantons de Limbourg-Aubel, de Malmedy-Spa-Stavelot, de Verviers-Herve et de Verviers".
Art.199. In artikel 226, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 maart 1980 en gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden "de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen" vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art.199. Dans l'article 226, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 24 mars 1980 et modifié par la loi du 23 septembre 1985, les mots "les arrondissements judiciaires de Verviers et d'Eupen" sont remplacés par les mots "l'arrondissement judiciaire d'Eupen et les cantons de Limbourg-Aubel, de Malmedy-Spa-Stavelot, de Verviers-Herve et de Verviers".
Art.200. In artikel 229, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden "de arrondissementen Verviers en Eupen" telkens vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art.200. Dans l'article 229, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 23 septembre 1985, les mots "des arrondissements de Verviers et d'Eupen" sont chaque fois remplacés par les mots "de l'arrondissement judiciaire d'Eupen et des cantons de Limbourg-Aubel, de Malmedy-Spa-Stavelot, de Verviers-Herve et de Verviers".
Art.201. Artikel 237 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Bij toepassing van artikel 115, derde lid, geschiedt de loting van de gezworenen in de definitieve lijst van het gerechtelijk arrondissement waar de zitting van het hof van assisen door die beslissing geopend wordt. In voorkomend geval geschiedt de bijkomende loting bedoeld in artikel 238, tweede lid, in dezelfde definitieve lijst van gezworenen.".
Art.201. L'article 237 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 19 juillet 2012, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "En application de l'article 115, alinéa 3, le tirage au sort des jurés se fait dans la liste définitive de l'arrondissement judiciaire où s'ouvre la session de la cour d'assises par cette décision. Le cas échéant, le tirage au sort supplémentaire visé à l'article 238, alinéa 2, se fait dans la même liste définitive de jurés.".
Art.202. In artikel 259quater, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "In voorkomend geval geeft de aanwijzing in het mandaat van federale procureur bovendien aanleiding tot een gelijktijdige aanwijzing in subsidiaire orde, in overtal, als federaal magistraat.";
  2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid luidende :
  "Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn mandaat of binnen de maand voorafgaand aan het verstrijken van zijn mandaat wanneer dit niet verlengd werd, licht de federale procureur de minister van Justitie in of hij opteert om terug te keren naar zijn functie waarin hij laatstelijk benoemd werd en overeenkomstig het zevende lid, in voorkomend geval met het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen, ofwel zijn mandaat van federaal magistraat uit te oefenen.".
Art.202. A l'article 259quater, § 5, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998 et remplacé par la loi du 8 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
  "Le cas échéant, la désignation au mandat de procureur fédéral donne en outre lieu à une désignation subsidiaire simultanée, en surnombre, comme magistrat fédéral.";
  2° le paragraphe 5 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Au plus tard six mois avant la fin de son mandat ou dans le mois précédant la fin de son mandat s'il n'a pas été renouvelé, le procureur fédéral informe le ministre de la Justice s'il choisit de réintégrer la fonction à laquelle il avait été nommé en dernier lieu et conformément à l'alinéa 7, le cas échéant avec le mandat adjoint auquel il avait été désigné, ou d'exercer son mandat de magistrat fédéral.".
Art.203. In artikel 259sexies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, wordt het vierde lid vervangen als volgt :
  "De verbindingsmagistraten in jeugdzaken en de bijstandsmagistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. De federale magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar die na een positieve evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. Na twee hernieuwingen kan het mandaat van federaal magistraat maar hernieuwd worden mits een bijkomende positief advies van het College van procureurs-generaal.".
Art.203. Dans l'article 259sexies, § 2, du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 13 juin 2006, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
  "Les magistrats de liaison en matière de jeunesse et les magistrats d'assistance sont désignés pour une période de cinq ans, laquelle peut, après évaluation, être renouvelée deux fois. Les magistrats fédéraux sont désignés pour une période de cinq ans, laquelle peut, après une évaluation positive, être renouvelée chaque fois pour cinq ans. Après deux renouvellements, le mandat de magistrat fédéral ne peut être renouvelé qu'après un avis complémentaire positif du Collège des procureurs généraux.".
Art.204. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, luidende "Magistraten gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust".
Art.204. Dans le livre II, titre Ier, du même Code, il est inséré un chapitre VI intitulé "Des magistrats mandatés pour remplir une mission dans le cadre d'Eurojust".
Art.205. In hoofdstuk VI, ingevoegd bij artikel 204, wordt een artikel 309ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 309ter. § 1. De minister van Justitie wijst na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen onder de federale magistraten het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct van het Belgische lid bij Eurojust aan.
  De aanwijzingen gelden voor een termijn van vijf jaar en kunnen verlengd worden na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen. Indien het Belgische lid echter de functie van voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust bekleedt, geldt zijn aanwijzing ten minste tot het einde van zijn ambtstermijn als voorzitter of vice-voorzitter.
  De adjunct van het Belgische lid bij Eurojust kan hem vervangen.
  Het Belgische lid bij Eurojust oefent zijn functie uit op de zetel van Eurojust.
  De adjunct kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
  De adjunct oefent zijn functies echter uit op de zetel van Eurojust indien het Belgische lid de functie van voorzitter van Eurojust bekleedt.
  § 2. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 behouden tijdens hun aanwijzing hun statuut van federaal magistraat en behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen met uitzondering van de artikelen 355bis, § 2, en 357, § 4, vijfde lid.
  Zij blijven als federaal magistraat onderworpen aan de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies.
  § 3. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 oefenen hun bevoegdheden van federaal magistraat uit onder de rechtstreekse leiding en toezicht van de federale procureur.
  Wanneer het Belgische lid evenwel voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust is, is in afwijking van het eerste lid, artikel 28, 3, van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken van toepassing.
  § 4. Onverminderd de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies, evalueert het College van procureurs-generaal onder andere op grond van de verslagen van het Belgische lid en na hem te hebben gehoord, de wijze waarop hij de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid heeft uitgevoerd en zijn bevoegdheden uitoefent met inachtneming van de taken en doelstellingen van Eurojust. Deze evaluatie wordt opgenomen in het in artikel 143bis, § 7, bedoelde verslag.
  Het Belgische lid bij Eurojust bezorgt daartoe aan de minister van Justitie, aan de federale procureur en aan de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen een omstandig tweemaandelijks activiteitenverslag over zijn werkzaamheden binnen Eurojust.".
Art.205. Dans le chapitre VI, inséré par l'article 204, il est inséré un article 309ter rédigé comme suit :
  "Art. 309ter. § 1er. Le ministre de la Justice désigne sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions, parmi les magistrats fédéraux, le membre belge d'Eurojust et l'adjoint du membre belge d'Eurojust.
  Les désignations valent pour une période de cinq ans et peuvent être renouvelées sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions. Cependant, si le membre belge occupe la position de président ou de vice-président d'Eurojust, sa désignation vaut au moins jusqu'à la fin de son mandat de président ou de vice-président.
  L'adjoint du membre belge d'Eurojust peut remplacer ce dernier.
  Le membre belge d'Eurojust exerce sa fonction au siège d'Eurojust.
  L'adjoint peut exercer ses fonctions au siège d'Eurojust sur décision du ministre de la Justice après avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.
  L'adjoint exerce cependant ses fonctions au siège d'Eurojust lorsque le membre belge d'Eurojust occupe la position de président d'Eurojust.
  § 2. Pendant la durée de leur désignation, les magistrats visés au paragraphe 1er conservent leur statut de magistrat fédéral et continuent à jouir du traitement lié à cette fonction ainsi que des augmentations et des avantages y afférents, à l'exception des articles 355bis, § 2, et 357, § 4, alinéa 5.
  Ils restent en tant que magistrats fédéraux soumis à l'évaluation visée à l'article 259undecies.
  § 3. Les magistrats visés au paragraphe 1er exercent leurs fonctions de magistrat fédéral sous l'autorité et la surveillance immédiates du procureur fédéral.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le membre belge exerce la présidence ou la vice-présidence d'Eurojust, l'article 28, 3, de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité s'applique.
  § 4. Sans préjudice de l'évaluation visée à l'article 259undecies, le Collège des procureurs généraux évalue, sur la base notamment des rapports du membre belge et après l'avoir entendu, la manière dont celui-ci met en oeuvre les directives de la politique criminelle et exerce ses compétences dans le respect des tâches et des objectifs d'Eurojust. Cette évaluation est intégrée dans le rapport visé à l'article 143bis, § 7.
  A cette fin, le membre belge d'Eurojust transmet au ministre de la Justice, au procureur fédéral et au procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions un rapport d'activités bimensuel circonstancié sur ses activités au sein d'Eurojust.".
Art.206. In hetzelfde hoofdstuk VI wordt een artikel 309quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 309quater. De minister van Justitie wijst op advies van de federale procureur onder de federale magistraten de nationale correspondenten van België bij Eurojust aan.
  Wanneer het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct niet beschikbaar zijn, oefent de nationaal correspondent van België bij Eurojust de bevoegdheden van het Belgische lid bij Eurojust uit.".
Art.206. Dans le même chapitre VI, il est inséré un article 309quater rédigé comme suit :
  "Art. 309quater. Le ministre de la Justice désigne les correspondants nationaux de la Belgique auprès d'Eurojust parmi les magistrats fédéraux, sur avis du procureur fédéral.
  En cas d'empêchement du membre belge d'Eurojust et de l'adjoint, le correspondant national de la Belgique auprès d'Eurojust exerce les compétences du membre belge d'Eurojust.".
Art.207. In hetzelfde hoofdstuk VI, wordt een artikel 309quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 309quinquies. § 1. De minister van Justitie wijst het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan bedoeld in artikel 23 van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, aan onder de leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  § 2. De aanwijzing geldt voor een termijn van vijf jaar die tweemaal kan worden verlengd.
  § 3. Het bij het gemeenschappelijk controleorgaan aangewezen lid ontvangt een presentiegeld waarvan het bedrag door de Koning wordt vastgesteld en dat volgens de door Hem bepaalde regels wordt toegekend.".
Art.207. Dans le même chapitre VI, il est inséré un article 309quinquies rédigé comme suit :
  "Art. 309quinquies. § 1er. Le ministre de la Justice désigne le membre belge de l'organe de contrôle commun visé à l'article 23 de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité, parmi les membres de la Commission de la protection de la vie privée.
  § 2. La désignation vaut pour une période de cinq ans qui peut être renouvelée deux fois.
  § 3. Le membre désigné au sein de l'organe de contrôle commun reçoit un jeton de présence dont le montant et les modalités d'octroi sont déterminés par le Roi.".
Art.208. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VII ingevoegd, luidende "Parketjurist gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust".
Art.208. Dans le livre II, titre Ier, du même Code, il est inséré un chapitre VII intitulé "Juriste de parquet mandaté pour remplir une mission dans le cadre d'Eurojust".
Art.209. In hoofdstuk VII, ingevoegd bij artikel 208, wordt een artikel 309sexies ingevoegd, luidende :
  "Art. 309sexies. § 1. De minister van Justitie wijst, op advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen, een parketjurist aangewezen bij het federaal parket als medewerker bij Eurojust aan om het Belgische lid en de adjunct bij te staan.
  De medewerker mag noch het lid noch de adjunct vervangen.
  De medewerker kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
  § 2. De parketjurist bedoeld in paragraaf 1 blijft de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen behouden.
  De Koning stelt de postvergoeding van de medewerker vast.".
Art.209. Dans le chapitre VII, inséré par l'article 208, il est inséré un article 309sexies rédigé comme suit :
  "Art. 309sexies. § 1er. Le ministre de la Justice désigne comme assistant auprès d'Eurojust, sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions, un juriste de parquet désigné auprès du parquet fédéral pour assister le membre belge et l'adjoint.
  L'assistant ne peut remplacer ni le membre ni l'adjoint.
  L'assistant peut exercer ses fonctions au siège d'Eurojust sur décision du ministre de la Justice après avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.
  § 2. Le juriste de parquet visé au paragraphe 1er continue à jouir du traitement lié à cette fonction ainsi que des augmentations et des avantages y afférents.
  Le Roi fixe l'indemnité de poste de l'assistant.".
Art.210. In artikel 309septies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, worden de woorden "bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad" opgeheven.
Art.210. Dans l'article 309septies, § 2, du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2014, les mots ", par arrêté délibéré en Conseil de ministres," sont abrogés.
Art.211. In artikel 363bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014 en vervangen bij de wet van 10 augustus 2015, wordt het woord "309ter," ingevoegd tussen het woord "309bis," en het woord "323bis".
Art.211. Dans l'article 363bis du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2014 et remplacé par la loi du 10 août 2015, le mot "309ter," est inséré entre le mot "309bis," et le mot "323bis".
Art.212. In artikel 411, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "309ter," wordt ingevoegd tussen het woord "308," en het woord "323bis";
  2° het vierde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Het mandaat van niet-magistraat, aangewezen als assessor bij de tuchtrechtbank of bij de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in artikel 309sexies of in artikel 309septies bedoelde opdracht aanvaardt.".
Art.212. A l'article 411, § 1er, alinéa 4, du même Code, remplacé par la loi du 15 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le mot "309ter," est inséré entre le mot "308," et le mot "323bis";
  2° l'alinéa 4 est complété par la phrase suivante :
  "Le mandat d'un non-magistrat désigné comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 309sexies et 309septies.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken
Section 2. - Modifications de la loi du 21 juin 2004 transposant la décision du Conseil de l'Union européenne du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité
Art.213. Artikel 2 van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken wordt vervangen als volgt :
  "Art. 2. Het Belgisch bureau bij Eurojust is samengesteld uit een Belgisch lid, een adjunct van het Belgische lid en een medewerker van het Belgische lid. Zij worden aangewezen overeenkomstig de artikelen 309ter en 309sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
  De nationale correspondenten van België bij Eurojust worden aangewezen overeenkomstig artikel 309quater van hetzelfde Wetboek.
  Het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan bedoeld in artikel 23 van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, wordt aangewezen overeenkomstig artikel 309quinquies van hetzelfde Wetboek.".
Art.213. L'article 2 de la loi du 21 juin 2004 transposant la décision du Conseil de l'Union européenne du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 2. Le bureau belge d'Eurojust est composé d'un membre belge, un adjoint du membre belge et un assistant du membre belge. Ils sont désignés conformément aux articles 309ter et 309sexies du Code judiciaire.
  Les correspondants nationaux de la Belgique auprès d'Eurojust sont désignés conformément à l'article 309quater du même Code.
  Le membre belge de l'organe de contrôle commun visé à l'article 23 de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité est désigné conformément à l'article 309quinquies du même Code.".
Art.214. De artikelen 3 tot 6 van dezelfde wet worden opgeheven.
Art.214. Les articles 3 à 6 de la même loi sont abrogés.
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
Section 3. - Modification de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire
Art.215. In artikel 2 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, hersteld bij de wet van 4 maart 1997, vervangen bij de wet van 21 juni 2001 en gewijzigd bij de wetten van 14 december 2004 en 30 december 2009, wordt het cijfer "24" vervangen door het cijfer "28".
Art.215. Dans l'article 2 de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, rétabli par la loi du 4 mars 1997, remplacé par la loi du 21 juin 2001 et modifié par les lois des 14 décembre 2004 et 30 décembre 2009, le chiffre "24" est remplacé par le chiffre "28".
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen
Section 4. - Modifications de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement des personnes
Art.216. In titel VII, hoofdstuk IV van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen wordt een artikel 135/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 135/1. Een examen met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie, kan georganiseerd worden overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 tot vaststelling van de nadere regels voor de examens met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en van werkende en plaatsvervangende assessoren gespecialiseerd in sociale re-integratie, vóór de inwerkingtreding van artikel 196bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet.".
Art.216. Dans le titre VII, chapitre IV de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement des personnes, il est inséré un article 135/1 rédigé comme suit :
  "Art. 135/1. Un examen en vue du recrutement d'assesseurs en application des peines et d'internement spécialisés en matière de psychologie clinique effectifs et suppléants peut être organisé conformément à l'arrêté royal du 2 octobre 2006 déterminant les modalités d'examens en vue du recrutement des assesseurs en application des peines spécialisés en matière pénitentiaire effectifs et suppléants et des assesseurs spécialisés en réinsertion sociale effectifs et suppléants, avant l'entrée en vigueur de l'article 196bis du Code judiciaire, tel que modifié par la présente loi.".
Art.217. Artikel 136 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
  "Deze wet treedt in werking op 1 juli 2016, met uitzondering van :
  1° artikel 6, § 1, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2020;
  2° artikel 135/1 en dit artikel die in werking treden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De Koning kan data van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de data vermeld in het eerste lid.".
Art.217. L'article 136 de la même loi, modifié par la loi du 19 octobre 2015, est remplacé par ce qui suit :
  "La présente loi entre en vigueur le 1er juillet 2016, à l'exception de :
  1° l'article 6, § 1er, alinéa 2, qui entre en vigueur le 1er janvier 2020;
  2° l'article 135/1 et du présent article qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  Le Roi peut fixer des dates d'entrée en vigueur antérieures à celles mentionnées à l'alinéa 1er.".
Afdeling 5. - Opheffingsbepaling
Section 5. - Disposition abrogatoire
Art.218. De wet van 17 december 2002 tot het verlenen van de titel van advocaat-generaal aan het lid van het openbaar ministerie dat België in de Eurojust-eenheid vertegenwoordigt en tot regeling van zijn financiële toestand wordt opgeheven.
Art.218. La loi du 17 décembre 2002 attribuant le titre d'avocat général au membre du ministère public représentant la Belgique au sein de l'unité Eurojust et réglant sa situation financière est abrogée.
Afdeling 6. - Overgangsbepalingen
Section 6. - Dispositions transitoires
Art.219. § 1. De magistraten die op grond van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, tot de inruststelling zijn toegelaten in de vijf jaren die voorafgaan aan de inwerkingtreding van deze wet kunnen aan de minister van Justitie [1 ...]1 een verzoek richten om te mogen worden aangewezen overeenkomstig de artikelen 120, 121 of 122 van het Gerechtelijk Wetboek.
  De minister van Justitie vraagt binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek een met redenen omkleed schriftelijk advies aan :
  1° de eerste voorzitter van het hof van beroep;
  2° desgevallend de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waar verzoeker laatst werkzaam was;
  § 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in paragraaf 1 gezonden aan de minister van Justitie en binnen dezelfde termijn meegedeeld aan de verzoeker.
  § 3. De minister van Justitie zendt het dossier binnen zeventig dagen na ontvangst van het verzoek aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bedoeld in artikel 259bis-8 van het Gerechtelijk Wetboek.
  De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van het verzoek tot aanwijzing.
  De voordracht wordt binnen veertig dagen na ontvangst van de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie overgezonden.
  § 4. De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de adviezen over zestig dagen om een beslissing te nemen en deze mee te delen aan de verzoeker en aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, evenals aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.
  
Art.219. § 1er. Les magistrats qui ont été admis à la retraite sur la base de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions dans les cinq ans qui précèdent l'entrée en vigueur de la présente loi peuvent [1 ...]1 adresser au ministre de la Justice une demande afin de pouvoir être désignés conformément aux articles 120, 121 ou 122 du Code judiciaire.
  Le ministre de la Justice demande, dans les trente jours après réception de la demande, l'avis écrit motivé :
  1° du premier président de la cour d'appel;
  2° le cas échéant, du président du tribunal de première instance où le demandeur a exercé sa dernière fonction;
  § 2. Les avis sont transmis au ministre de la Justice dans les trente jours à compter de la demande d'avis visée au paragraphe 1er et communiqués dans le même délai au demandeur.
  § 3. Le ministre de la Justice transmet dans les septante jours à compter de la demande d'avis le dossier à la commission de nomination et de désignation compétente, visée à l'article 259bis-8 du Code judiciaire.
  La présentation par la commission de nomination et de désignation prend la forme d'une décision motivée d'acceptation ou de refus de la demande de désignation.
  La présentation est transmise par la commission de nomination et de désignation dans un délai de quarante jours à compter de la demande de présentation.
  § 4. Le Roi dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception des avis pour prendre une décision et pour communiquer celle-ci au demandeur et au premier président de la cour d'appel, ainsi qu'au procureur général du lieu où le serment doit être prêté.
  
Art.220. § 1. Het Belgische lid bij Eurojust dat werd aangewezen op grond van artikel 2 van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, verkrijgt van rechtswege het bijzonder mandaat van federaal magistraat, desgevallend in overtal, en voltooit zijn opdracht dewelke op 30 mei 2002 inging en tweemaal verlengd werd met een termijn van vijf jaar.
  § 2. Het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan dat bedoeld wordt in artikel 23 van het besluit van de Raad 2002/187/JBZ van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, dat aangewezen is op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, voltooit zijn huidige opdracht.
  § 3. In afwachting van de vaststelling van de postvergoeding door de Koning wordt het Belgisch lid en de adjunct een jaarlijkse toelage van 20 000 euro toegekend indien zij hun vaste werkplek hebben op de zetel van Eurojust. De toelage wordt per maand betaald.
  Deze toelage wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de bezoldiging van het Rijkspersoneel in actieve dienst. Ze wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld.
Art.220. § 1er. Le membre belge auprès d'Eurojust qui a été désigné sur la base de l'article 2 de la loi du 21 juin 2004 transposant la décision du Conseil de l'Union européenne du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité obtient d'office le mandat spécifique de magistrat fédéral, le cas échéant en surnombre, et achève sa mission qui a débuté le 30 mai 2002 et qui a été prolongée deux fois pour une durée de cinq ans.
  § 2. Le membre belge de l'organe de contrôle commun visé à l'article 23 de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité en fonction au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi achève sa mission en cours.
  § 3. Dans l'attente de la fixation de l'indemnité de poste par le Roi, une allocation annuelle de 20 000 euros est attribuée au membre belge et à l'adjoint pour autant qu'ils exercent leur fonction au siège d'Eurojust. L'allocation est payée mensuellement.
  Cette allocation est liée au régime de mobilité applicable aux rétributions des agents de l'Etat en activité de service. Elle est rattachée à l'indice pivot 138,01.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van bepalingen betrekking hebbende op de actoren binnen het domein veiligheid
CHAPITRE 2. - Modifications des dispositions relatives aux acteurs dans le domaine de la sécurité
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse
Section 1re. - Modification de la loi organique du 18 juillet 1991 du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace
Art.221. In artikel 35, § 2, eerste lid, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010 en 6 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "om de zes maanden" wordt vervangen door het woord "jaarlijks";
  2° de woorden "artikel 16/2 en" worden ingevoegd tussen de woorden "over de toepassing van" en de woorden "artikel 18/2";
  3° het woord "halfjaarlijks" wordt vervangen door "jaarlijks";
  4° de woorden "alsook aan de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid" worden ingevoegd tussen de woorden "de ministers van Justitie en van Landsverdediging" en de woorden ", die de mogelijkheid hebben".
Art.221. A l'article 35, § 2, alinéa 1er, de de la loi organique du 18 juillet 1991 du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, modifiée par les lois des 4 février 2010 et 6 janvier 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "tous les six mois" sont remplacés par le mot "annuellement";
  2° les mots "l'article 16/2 et de" sont insérés entre les mots "sur l'application de" et les mots "l'article 18/2";
  3° le mot "semestriel" est remplacé par le mot "annuel";
  4° les mots "ainsi qu'à la Sûreté de l'Etat et au Service général du renseignement et de la sécurité" sont insérés entre les mots "aux ministres de la Justice et de la Défense" et les mots ", qui ont la faculté".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
Section 2. - Modifications de la loi organique du 30 novembre 1998 des services de renseignement et de sécurité
Art.222. In de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt een artikel 16/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 16/2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot :
  1° het identificeren van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
  2° het identificeren van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt.
  De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
  Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de gegevens waar om werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
  Het diensthoofd of zijn gedelegeerde kan, mits naleving van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit en mits de registratie van de raadpleging, de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de klantenbestanden van de operator of van de dienstenverstrekker. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de technische voorwaarden waaronder deze toegang mogelijk is.
  Eenieder die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen of de vereiste toegang te verschaffen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
  Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties en van alle via rechtstreekse toegang verkregen identificaties. Het Vast Comité I ontvangt van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdiensten maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties en van elke toegang.".
Art.222. Dans la loi organique du 30 novembre 1998 des services de renseignement et de sécurité, il est inséré un article 16/2 rédigé comme suit :
  "Art. 16/2. Les services de renseignement et de sécurité peuvent, dans l'intérêt de l'exercice de leurs missions, requérir le concours d'un opérateur de réseaux de communications électroniques ou d'un fournisseur de services de communications électroniques pour procéder à :
  1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service de communication électronique ou du moyen de communication électronique utilisé;
  2° l'identification des services et des moyens de communications électroniques auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
  La réquisition est effectuée par écrit par le chef de service ou son délégué. En cas d'urgence, le chef de service ou son délégué peut requérir ces données verbalement. Cette réquisition verbale est confirmée dans un délai de vingt-quatre heures par une réquisition écrite.
  Tout opérateur d'un réseau de communications électroniques et tout fournisseur d'un service de communications électroniques qui est requis donne au chef de service ou à son délégué les données qui ont été demandées dans un délai et selon les modalités à fixer par un arrêté royal pris sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions.
  Le chef de service ou son délégué peut, dans le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité, et moyennant l'enregistrement de la consultation, également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service. Le Roi fixe, sur la proposition du ministre de la Justice, du ministre de la Défense et du ministre qui a les communications électroniques dans ses attributions, les conditions techniques auxquelles cet accès est possible.
  Toute personne qui refuse de communiquer les données ainsi demandées ou de fournir l'accès requis est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
  Les services de renseignement et de sécurité tiennent un registre de toutes les identifications requises et de toutes les identifications obtenues par accès direct. Le Comité permanent R reçoit chaque mois du service de renseignement concerné une liste des identifications requises et de tout accès.".
Art.223. In artikel 18/2, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  "4° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;";
  b) er wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende :
  "4° /1 de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst;".
Art.223. Dans l'article 18/2, § 1er, de la même loi, inséré par loi du 4 février 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 4° est remplacé par ce qui suit :
  "4° l'identification ou la localisation, à l'aide d'un moyen technique, des services et des moyens de communication électronique auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée;";
  b) il est inséré le 4° /1 rédigé comme suit :
  "4° /1 la réquisition de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou d'un fournisseur d'un service de communications électroniques afin d'obtenir les données relatives à la méthode de paiement, l'identification du moyen de paiement et le moment du paiement de l'abonnement ou de l'utilisation du service de communications électroniques;".
Art.224. Artikel 18/7, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van de opdrachten, kan het diensthoofd, bij schriftelijke beslissing, overgaan of doen overgaan tot :
  1° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;
  2° de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst. Een inlichtingen- en veiligheidsdienst kan de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de bestanden van de klanten van de operator of van de verstrekker van de dienst.".
Art.224. L'article 18/7, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 4 février 2010, est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Si cela présente un intérêt pour l'exercice des missions, le dirigeant du service peut, par une décision écrite, procéder ou faire procéder à :
  1° l'identification ou la localisation, à l'aide d'un moyen technique, des services et des moyens de communication électronique auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée;
  2° la réquisition de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou d'un fournisseur d'un service de communications électroniques afin d'obtenir les données relatives à la méthode de paiement, l'identification du moyen de paiement et le moment du paiement de l'abonnement ou de l'utilisation du service de communications électroniques. Un service de renseignement et de sécurité peut également obtenir les données visées au moyen d'un accès aux fichiers des clients de l'opérateur ou du fournisseur du service.".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
Section 3. - Modifications de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux
Art.225. In artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, gewijzigd bij de wetten van 28 december 2006 en 31 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "en artikel 138bis" ingevoegd tussen de woorden "toepassing van artikel 138, § 1, 3° en 4° " en de woorden ", bestaat het administratief en logistiek kader";
  2° in het vierde lid worden de woorden "en in artikel 138bis" ingevoegd tussen de woorden "in artikel 138, § 1, 3° en 4" en de woorden ", mogen geen politieopdrachten uitvoeren".
Art.225. A l'article 118 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, modifié par les lois des 28 décembre 2006 et 31 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "et de l'article 138bis" sont insérés entre les mots "de l'article 138, § 1er, 3° et 4° " et les mots ", le cadre administratif et logistique";
  2° dans l'alinéa 4, les mots "et à l'article 138bis" sont insérés entre les mots "à l'article 138, § 1er, 3° et 4° " et les mots ", ne peuvent remplir des missions de police".
Art.226. In dezelfde wet wordt een artikel 138bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 138bis. § 1. Zijn bekleed met de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie : de leden van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de lokale politie, minstens houder van een graad van het niveau C en respectievelijk aangewezen door de directeur-generaal van de bestuurlijke politie van de federale politie of door de korpschef van de lokale politie om vaststellingen te doen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, overeenkomstig artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
  § 2. Om hun ambt te kunnen uitoefenen, leggen de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden de in artikel 137 vermelde eed af.
  § 3. Het tweede en het derde lid van artikel 138, § 2 zijn ook op hen van toepassing.".
Art.226. Dans la même loi, il est inséré un article 138bis rédigé comme suit :
  "Art. 138bis. § 1er. Sont revêtus de la qualité d'agent de police judiciaire : les membres du cadre administratif et logistique de la police fédérale et de la police locale revêtus au minimum d'un grade de niveau C et désignés, respectivement, par le directeur général de la police administrative de la police fédérale ou par le chef de corps de la police locale pour effectuer les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en présence ou en l'absence d'un agent qualifié, conformément à l'article 62 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.
  § 2. Pour pouvoir exercer leurs fonctions, les membres du personnel visés au paragraphe 1er prêtent le serment mentionné à l'article 137.
  § 3. Les alinéas 2 et 3 de l'article 138, § 2 leur sont également applicables.".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Section 4. - Modification de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
Art. 227. In artikel 35, § 2, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Paragraaf 1 is evenmin van toepassing op de mededelingen in het kader van wederzijdse samenwerking tussen enerzijds de Cel en anderzijds de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, in het kader van de bestrijding van terrorisme, de financiering van terrorisme en witwasverrichtingen die hiermee verband zouden kunnen houden.".
Art. 227. Dans l'article 35, § 2, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  "Le paragraphe 1er ne s'applique pas non plus aux communications faites dans le cadre d'une collaboration mutuelle entre, d'une part, la Cellule et, d'autre part, la Sûreté de l'Etat, le Service général du Renseignement et de la Sécurité des Forces armées et l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, dans le cadre de la lutte contre le terrorisme, son financement et les activités de blanchiment qui pourraient y être liées.".