Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 MEI 2016. - Wet houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen
Titre
4 MAI 2016. - Loi portant des dispositions diverses en matière d'asile et de migration et modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (41)
Texte (41)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van :
- Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;
- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
- Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk;
- Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek;
- Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
- Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;
- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
- Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk;
- Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek;
- Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement :
- la Directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial;
- la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
- la Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE et 93/96/CEE;
- la Directive 2004/114/CE du Conseil du 13 décembre 2004 relative aux conditions d'admission des ressortissants de pays tiers à des fins d'études, d'échange d'élèves, de formation non rémunérée ou de volontariat;
- la Directive 2005/71/CE du Conseil du 12 octobre 2005 relative à une procédure d'admission spécifique des ressortissants de pays tiers aux fins de recherche scientifique;
- la Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié.
- la Directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial;
- la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
- la Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE et 93/96/CEE;
- la Directive 2004/114/CE du Conseil du 13 décembre 2004 relative aux conditions d'admission des ressortissants de pays tiers à des fins d'études, d'échange d'élèves, de formation non rémunérée ou de volontariat;
- la Directive 2005/71/CE du Conseil du 12 octobre 2005 relative à une procédure d'admission spécifique des ressortissants de pays tiers aux fins de recherche scientifique;
- la Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié.
Art. 3. Deze wet brengt verordening 562/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en verordening nr. 810/2009 van het Europees parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) gedeeltelijk ten uitvoer.
Art. 3. La présente loi exécute partiellement le règlement 562/2006/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 établissant un code communautaire relatif au régime de franchissement des frontières par les personnes (code frontières Schengen) et le règlement n° 810/2009 du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 établissant un code communautaire des visas (code des visas).
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 4. In artikel 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vervangen bij de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wetten van 19 januari 2012 en 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende :
"10° wanneer de onderdaan van een derde land lijdt aan een van de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet.";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Wanneer de vreemdeling die moet worden teruggedreven houder is van een geldig visum, drijven de met de grenscontrole belaste overheden hem terug en, zo nodig, wordt het visum nietig verklaard of ingetrokken op beslissing van de minister of zijn gemachtigde. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen.".
1° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende :
"10° wanneer de onderdaan van een derde land lijdt aan een van de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet.";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Wanneer de vreemdeling die moet worden teruggedreven houder is van een geldig visum, drijven de met de grenscontrole belaste overheden hem terug en, zo nodig, wordt het visum nietig verklaard of ingetrokken op beslissing van de minister of zijn gemachtigde. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen.".
Art. 4. A l'article 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, remplacé par la loi du 15 juillet 1996 et modifié par les lois du 19 janvier 2012 et du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par le 10° rédigé comme suit :
"10° si le ressortissant d'un pays tiers est atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi.";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque l'étranger à refouler est porteur d'un visa valable, les autorités chargées du contrôle aux frontières refoulent l'étranger et, le cas échéant, procèdent à l'annulation ou à l'abrogation du visa sur décision du ministre ou de son délégué. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les conditions et les modalités d'application de la présente disposition.".
1° l'alinéa 1er est complété par le 10° rédigé comme suit :
"10° si le ressortissant d'un pays tiers est atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi.";
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque l'étranger à refouler est porteur d'un visa valable, les autorités chargées du contrôle aux frontières refoulent l'étranger et, le cas échéant, procèdent à l'annulation ou à l'abrogation du visa sur décision du ministre ou de son délégué. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les conditions et les modalités d'application de la présente disposition.".
Art. 5. In artikel 3bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels die op de verbintenis tot tenlasteneming van toepassing zijn bepalen of aanvullen, namelijk :
1° de nadere regels voor de terugvordering van de bedragen ten laste van de persoon die de verbintenis heeft aangegaan;
2° de voorwaarden die de persoon die een verbintenis tot tenlasteneming aangaat moet vervullen en de wijze waarop het bewijs van het vervullen van deze voorwaarden wordt geleverd;
3° de gevallen waarin de persoon die de verbintenis tot tenlasteneming heeft aangegaan, vervroegd van zijn verantwoordelijkheid wordt ontlast;
4° de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de geldigheid van de verbintenis tot tenlasteneming afhankelijk is van de verplichting om een geldsom te storten in de Deposito- en consignatiekas of om een bankwaarborg te geven.";
2° het zesde lid wordt opgeheven.
1° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels die op de verbintenis tot tenlasteneming van toepassing zijn bepalen of aanvullen, namelijk :
1° de nadere regels voor de terugvordering van de bedragen ten laste van de persoon die de verbintenis heeft aangegaan;
2° de voorwaarden die de persoon die een verbintenis tot tenlasteneming aangaat moet vervullen en de wijze waarop het bewijs van het vervullen van deze voorwaarden wordt geleverd;
3° de gevallen waarin de persoon die de verbintenis tot tenlasteneming heeft aangegaan, vervroegd van zijn verantwoordelijkheid wordt ontlast;
4° de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de geldigheid van de verbintenis tot tenlasteneming afhankelijk is van de verplichting om een geldsom te storten in de Deposito- en consignatiekas of om een bankwaarborg te geven.";
2° het zesde lid wordt opgeheven.
Art. 5. A l'article 3bis de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
"Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, peut préciser ou compléter les règles applicables à l'engagement de prise en charge dont notamment :
1° les modalités de la récupération des sommes à charge de la personne qui a souscrit l'engagement;
2° les conditions que doit remplir la personne qui souscrit l'engagement de prise en charge et les modalités de preuve de ces conditions;
3° les cas dans lesquels la personne qui a souscrit l'engagement de prise en charge est déchargée de sa responsabilité anticipativement;
4° les cas dans lesquels et les conditions auxquelles la validité de l'engagement de prise en charge est subordonnée à l'obligation de verser une somme auprès de la Caisse des dépôts et consignations ou de fournir une garantie bancaire.";
2° l'alinéa 6 est abrogé.
1° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
"Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, peut préciser ou compléter les règles applicables à l'engagement de prise en charge dont notamment :
1° les modalités de la récupération des sommes à charge de la personne qui a souscrit l'engagement;
2° les conditions que doit remplir la personne qui souscrit l'engagement de prise en charge et les modalités de preuve de ces conditions;
3° les cas dans lesquels la personne qui a souscrit l'engagement de prise en charge est déchargée de sa responsabilité anticipativement;
4° les cas dans lesquels et les conditions auxquelles la validité de l'engagement de prise en charge est subordonnée à l'obligation de verser une somme auprès de la Caisse des dépôts et consignations ou de fournir une garantie bancaire.";
2° l'alinéa 6 est abrogé.
Art. 6. Artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
"Art. 6. Behoudens de in een internationaal verdrag, in de wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, mag de vreemdeling die legaal het Rijk is binnengekomen, niet langer dan negentig dagen in het Rijk verblijven, tenzij het visum of de visumverklaring dat of die in zijn paspoort of in een daarmee gelijkgestelde reistitel werd aangebracht, een andere duur bepaalt.
Wordt beschouwd als een persoon die meer dan negentig dagen in het Rijk verblijft, de vreemdeling die meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die België bindt, verblijft, waarbij voor iedere dag van het verblijf de honderdtachtig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Voor de toepassing van het tweede lid geldt de inreisdatum als de eerste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten en de uitreisdatum als de laatste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten. Perioden van verblijf die zijn toegestaan op grond van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf worden bij de berekening van de verblijfsduur op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten niet in aanmerking genomen.".
"Art. 6. Behoudens de in een internationaal verdrag, in de wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, mag de vreemdeling die legaal het Rijk is binnengekomen, niet langer dan negentig dagen in het Rijk verblijven, tenzij het visum of de visumverklaring dat of die in zijn paspoort of in een daarmee gelijkgestelde reistitel werd aangebracht, een andere duur bepaalt.
Wordt beschouwd als een persoon die meer dan negentig dagen in het Rijk verblijft, de vreemdeling die meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die België bindt, verblijft, waarbij voor iedere dag van het verblijf de honderdtachtig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Voor de toepassing van het tweede lid geldt de inreisdatum als de eerste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten en de uitreisdatum als de laatste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten. Perioden van verblijf die zijn toegestaan op grond van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf worden bij de berekening van de verblijfsduur op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten niet in aanmerking genomen.".
Art. 6. L'article 6 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 6. Sauf dérogations prévues par un traité international, par la loi ou par un arrêté royal, l'étranger qui est entré régulièrement dans le Royaume ne peut y séjourner plus de nonante jours, à moins que le visa ou l'autorisation tenant lieu de visa, apposé sur son passeport ou sur le titre de voyage en tenant lieu, ne fixe une autre durée.
Est considéré comme séjournant plus de nonante jours dans le Royaume, l'étranger qui séjourne plus de nonante jours sur toute période de cent-quatre-vingt jours, ce qui implique d'examiner la période de cent-quatre-vingt jours précédant chaque jour de séjour, sur le territoire des Etats parties à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique.
Pour l'application de l'alinéa 2, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants. Les périodes de séjour autorisées sur base d'un titre de séjour ou d'un visa de long séjour ne sont pas prises en considération pour le calcul de la durée du séjour sur le territoire des Etats contractants.".
"Art. 6. Sauf dérogations prévues par un traité international, par la loi ou par un arrêté royal, l'étranger qui est entré régulièrement dans le Royaume ne peut y séjourner plus de nonante jours, à moins que le visa ou l'autorisation tenant lieu de visa, apposé sur son passeport ou sur le titre de voyage en tenant lieu, ne fixe une autre durée.
Est considéré comme séjournant plus de nonante jours dans le Royaume, l'étranger qui séjourne plus de nonante jours sur toute période de cent-quatre-vingt jours, ce qui implique d'examiner la période de cent-quatre-vingt jours précédant chaque jour de séjour, sur le territoire des Etats parties à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique.
Pour l'application de l'alinéa 2, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants. Les périodes de séjour autorisées sur base d'un titre de séjour ou d'un visa de long séjour ne sont pas prises en considération pour le calcul de la durée du séjour sur le territoire des Etats contractants.".
Art. 7. In artikel 9quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in § 2" vervangen door de woorden "in artikel 62";
3° in paragraaf 4 worden de woorden " § 2" vervangen door de woorden "artikel 62".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in § 2" vervangen door de woorden "in artikel 62";
3° in paragraaf 4 worden de woorden " § 2" vervangen door de woorden "artikel 62".
Art. 7. A l'article 9quater de la même loi, inséré par la loi du 29 décembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° dans le paragraphe 3, les mots "du paragraphe 2" sont remplacés par les mots "de l'article 62";
3° dans le paragraphe 4, les mots "au § 2" sont remplacés par les mots "à l'article 62".
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° dans le paragraphe 3, les mots "du paragraphe 2" sont remplacés par les mots "de l'article 62";
3° dans le paragraphe 4, les mots "au § 2" sont remplacés par les mots "à l'article 62".
Art. 8. In artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, 5°, worden, in de Franse tekst, de woorden "se prescrit" vervangen door de woorden "est supprimé", en worden de woorden "de echtelijke band of" opgeheven;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 5°, tweede lid, wordt de bepaling onder f) vervangen als volgt :
"f) ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.";
3° in de Franse tekst van paragraaf 1, eerste lid, 5°, derde lid, worden de woorden "lorsqu'ils peuvent apporter la preuve" vervangen door de woorden "lorsqu'ils apportent la preuve";
4° in de Franse tekst van paragraaf 1, derde lid, wordt het woord "royal" opgeheven;
5° in de Franse tekst van paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "royal" opgeheven;
6° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden "Het tweede en het derde lid" vervangen door de woorden "Het tweede, derde en vierde lid" en worden de woorden "eerste lid, 4°, 5° en 7° " vervangen door de woorden "eerste lid, 4° tot 6° ";
7° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "het tweede en derde lid" vervangen door de woorden "het tweede, derde en vierde lid";
8° in paragraaf 3 worden de woorden "na de inwerkingtreding van de huidige bepaling," opgeheven;
9° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "stabiele en toereikende" en de woorden ", derde lid," opgeheven;
10° in paragraaf 5 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet";
11° in paragraaf 5, tweede lid, 3°, wordt het woord "wachtuitkering" vervangen door het woord "inschakelingsuitkering" en worden de woorden "de betrokken echtgenoot of partner" vervangen door de woorden "de vreemdeling bij wie men zich voegt,".
1° in paragraaf 1, eerste lid, 5°, worden, in de Franse tekst, de woorden "se prescrit" vervangen door de woorden "est supprimé", en worden de woorden "de echtelijke band of" opgeheven;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 5°, tweede lid, wordt de bepaling onder f) vervangen als volgt :
"f) ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.";
3° in de Franse tekst van paragraaf 1, eerste lid, 5°, derde lid, worden de woorden "lorsqu'ils peuvent apporter la preuve" vervangen door de woorden "lorsqu'ils apportent la preuve";
4° in de Franse tekst van paragraaf 1, derde lid, wordt het woord "royal" opgeheven;
5° in de Franse tekst van paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "royal" opgeheven;
6° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden "Het tweede en het derde lid" vervangen door de woorden "Het tweede, derde en vierde lid" en worden de woorden "eerste lid, 4°, 5° en 7° " vervangen door de woorden "eerste lid, 4° tot 6° ";
7° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "het tweede en derde lid" vervangen door de woorden "het tweede, derde en vierde lid";
8° in paragraaf 3 worden de woorden "na de inwerkingtreding van de huidige bepaling," opgeheven;
9° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "stabiele en toereikende" en de woorden ", derde lid," opgeheven;
10° in paragraaf 5 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet";
11° in paragraaf 5, tweede lid, 3°, wordt het woord "wachtuitkering" vervangen door het woord "inschakelingsuitkering" en worden de woorden "de betrokken echtgenoot of partner" vervangen door de woorden "de vreemdeling bij wie men zich voegt,".
Art. 8. A l'article 10 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, les mots "se prescrit" sont remplacés par les mots "est supprimé" et les mots "le lien conjugal ou" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, alinéa 2, le f) est remplacé par ce qui suit :
"f) n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 du Code civil.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, alinéa 3, les mots "lorsqu'ils peuvent apporter la preuve" sont remplacés par les mots "lorsqu'ils apportent la preuve";
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le mot "royal" est abrogé;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le mot "royal" est abrogé;
6° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "Les alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "Les alinéas 2, 3 et 4" et les mots "alinéa 1er, 4°, 5° et 7° " sont remplacés par les mots "alinéa 1er, 4° à 6° ";
7° dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "alinéas 2, 3 et 4";
8° dans le paragraphe 3, les mots "après l'entrée en vigueur de la présente disposition," sont abrogés;
9° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "stables et suffisants" et les mots ", alinéa 3," sont abrogés;
10° dans le paragraphe 5, l'alinéa 1er est complété par les mots "et tel qu'indexé selon l'article 15 de ladite loi";
11° dans le paragraphe 5, alinéa 2, 3°, les mots "allocations d'attente" sont remplacés par les mots "allocations d'insertion professionnelle" et les mots "le conjoint ou le partenaire concerné" sont remplacés par les mots "l'étranger rejoint".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, les mots "se prescrit" sont remplacés par les mots "est supprimé" et les mots "le lien conjugal ou" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, alinéa 2, le f) est remplacé par ce qui suit :
"f) n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 du Code civil.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, alinéa 3, les mots "lorsqu'ils peuvent apporter la preuve" sont remplacés par les mots "lorsqu'ils apportent la preuve";
4° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le mot "royal" est abrogé;
5° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le mot "royal" est abrogé;
6° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "Les alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "Les alinéas 2, 3 et 4" et les mots "alinéa 1er, 4°, 5° et 7° " sont remplacés par les mots "alinéa 1er, 4° à 6° ";
7° dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "alinéas 2, 3 et 4";
8° dans le paragraphe 3, les mots "après l'entrée en vigueur de la présente disposition," sont abrogés;
9° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots "stables et suffisants" et les mots ", alinéa 3," sont abrogés;
10° dans le paragraphe 5, l'alinéa 1er est complété par les mots "et tel qu'indexé selon l'article 15 de ladite loi";
11° dans le paragraphe 5, alinéa 2, 3°, les mots "allocations d'attente" sont remplacés par les mots "allocations d'insertion professionnelle" et les mots "le conjoint ou le partenaire concerné" sont remplacés par les mots "l'étranger rejoint".
Art. 9. In artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2012 en 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "dat hij over (...) beschikt" telkens vervangen door de woorden "dat de student over (...) beschikt";
2° in paragraaf 1, eerste lid, tweede streepje, wordt het woord "behoorlijke" vervangen door het woord "voldoende";
3° in paragraaf 2, eerste lid, tweede streepje, wordt het woord "behoorlijke" vervangen door het woord "voldoende" en worden de woorden "dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt" opgeheven;
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt tussen het tweede en het derde streepje een nieuw streepje ingevoegd, luidende :
"- dat de vreemdeling die vervoegd wordt, over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt;".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "dat hij over (...) beschikt" telkens vervangen door de woorden "dat de student over (...) beschikt";
2° in paragraaf 1, eerste lid, tweede streepje, wordt het woord "behoorlijke" vervangen door het woord "voldoende";
3° in paragraaf 2, eerste lid, tweede streepje, wordt het woord "behoorlijke" vervangen door het woord "voldoende" en worden de woorden "dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt" opgeheven;
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt tussen het tweede en het derde streepje een nieuw streepje ingevoegd, luidende :
"- dat de vreemdeling die vervoegd wordt, over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt;".
Art. 9. A l'article 10bis de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 1984, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 15 mai 2012 et du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "qu'il dispose" sont chaque fois remplacés par les mots "que l'étudiant dispose";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, le mot "décent" est remplacé par le mot "suffisant";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, deuxième tiret, les mots "jugé convenable" sont remplacés par le mot "suffisant" et les mots "et qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille" sont abrogés;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, il est inséré entre le deuxième tiret et le troisième tiret un nouveau tiret rédigé comme suit :
"- que l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "qu'il dispose" sont chaque fois remplacés par les mots "que l'étudiant dispose";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, le mot "décent" est remplacé par le mot "suffisant";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, deuxième tiret, les mots "jugé convenable" sont remplacés par le mot "suffisant" et les mots "et qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille" sont abrogés;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, il est inséré entre le deuxième tiret et le troisième tiret un nouveau tiret rédigé comme suit :
"- que l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;".
Art. 10. In artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007, 8 juli 2011, 15 mei 2012 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid wordt het woord "betekend" vervangen door de woorden "ter kennis gebracht";
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 10, § 5, niet voldaan is," vervangen door de woorden "Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "hetzij indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van die machtiging," opgeheven.
1° in paragraaf 2, eerste lid wordt het woord "betekend" vervangen door de woorden "ter kennis gebracht";
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 10, § 5, niet voldaan is," vervangen door de woorden "Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "hetzij indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van die machtiging," opgeheven.
Art. 10. A l'article 10ter de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par les lois du 25 avril 2007, du 8 juillet 2011, du 15 mai 2012 et du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "betekend" est remplacé par les mots "ter kennis gebracht";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "Si la condition relative aux moyens de subsistance stables et réguliers visée à l'article 10, § 5, n'est pas remplie" sont remplacés par les mots "S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5,";
3° dans le paragraphe 3, les mots "soit lorsqu'il a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux de caractère déterminant, en vue d'obtenir cette autorisation," sont abrogés.
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "betekend" est remplacé par les mots "ter kennis gebracht";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "Si la condition relative aux moyens de subsistance stables et réguliers visée à l'article 10, § 5, n'est pas remplie" sont remplacés par les mots "S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5,";
3° dans le paragraphe 3, les mots "soit lorsqu'il a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux de caractère déterminant, en vue d'obtenir cette autorisation," sont abrogés.
Art. 11. In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "de vreemdeling of de persoon die hij vervoegt heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest om te worden toegelaten tot een verblijf, of" opgeheven;
2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "van het 2° en 4° " vervangen door de woorden "van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "de vreemdeling of de persoon die hij vervoegt, heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of" opgeheven;
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "eerste drie" vervangen door de woorden "eerste vijf";
5° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "van het 2° en 4° " vervangen door de woorden "van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,".
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "de vreemdeling of de persoon die hij vervoegt heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest om te worden toegelaten tot een verblijf, of" opgeheven;
2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "van het 2° en 4° " vervangen door de woorden "van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "de vreemdeling of de persoon die hij vervoegt, heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf, of" opgeheven;
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "eerste drie" vervangen door de woorden "eerste vijf";
5° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "van het 2° en 4° " vervangen door de woorden "van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,".
Art. 11. A l'article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots "l'étranger ou la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux de caractère déterminant, afin d'être admis au séjour, ou" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "du 2° et du 4° " sont remplacés par les mots "de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21,";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, les mots "l'étranger ou la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, qui ont été déterminants pour la reconnaissance du droit de séjour, ou" sont abrogés;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "trois premières" sont remplacés par les mots "cinq premières";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "du 2° et du 4° " sont remplacés par les mots "de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21,".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots "l'étranger ou la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux de caractère déterminant, afin d'être admis au séjour, ou" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "du 2° et du 4° " sont remplacés par les mots "de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21,";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, les mots "l'étranger ou la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, qui ont été déterminants pour la reconnaissance du droit de séjour, ou" sont abrogés;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "trois premières" sont remplacés par les mots "cinq premières";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "du 2° et du 4° " sont remplacés par les mots "de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21,".
Art. 12. In artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2012, 19 maart 2014 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "betekend" vervangen door de woorden "ter kennis gebracht";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet voldaan is," vervangen door de woorden "Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,";
3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag ontvankelijk verklaart, of indien binnen een termijn van vijf maanden volgend op de afgifte van het ontvangstbewijs bedoeld in het eerste lid geen enkele beslissing ter kennis is gebracht van de burgemeester of zijn gemachtigde, wordt de vreemdeling ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een document waaruit blijkt dat hij is ingeschreven.";
4° in de Franse tekst van paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "au maximum" opgeheven.
1° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord "betekend" vervangen door de woorden "ter kennis gebracht";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet voldaan is," vervangen door de woorden "Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,";
3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag ontvankelijk verklaart, of indien binnen een termijn van vijf maanden volgend op de afgifte van het ontvangstbewijs bedoeld in het eerste lid geen enkele beslissing ter kennis is gebracht van de burgemeester of zijn gemachtigde, wordt de vreemdeling ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een document waaruit blijkt dat hij is ingeschreven.";
4° in de Franse tekst van paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "au maximum" opgeheven.
Art. 12. A l'article 12bis de la même loi, inséré par la loi du 6 août 1993, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 15 mai 2012, du 19 mars 2014 et du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 3, le mot "betekend" est remplacé par les mots "ter kennis gebracht";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots "Si la condition relative aux moyens de subsistance stables et réguliers visée à l'article 10, § 5, n'est pas remplie" sont remplacés par les mots "S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5,";
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque le ministre ou son délégué déclare la demande recevable ou lorsque dans un délai de cinq mois, suivant la délivrance de l'attestation de réception visée à l'alinéa 1er, aucune décision n'est portée à la connaissance du bourgmestre ou de son délégué, l'étranger est inscrit au registre des étrangers et est mis en possession d'un document attestant qu'il y est inscrit.";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "au maximum" sont abrogés.
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, alinéa 3, le mot "betekend" est remplacé par les mots "ter kennis gebracht";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots "Si la condition relative aux moyens de subsistance stables et réguliers visée à l'article 10, § 5, n'est pas remplie" sont remplacés par les mots "S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5,";
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque le ministre ou son délégué déclare la demande recevable ou lorsque dans un délai de cinq mois, suivant la délivrance de l'attestation de réception visée à l'alinéa 1er, aucune décision n'est portée à la connaissance du bourgmestre ou de son délégué, l'étranger est inscrit au registre des étrangers et est mis en possession d'un document attestant qu'il y est inscrit.";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "au maximum" sont abrogés.
Art. 13. In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2012 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "periode van drie jaar" vervangen door de woorden "periode van vijf jaar";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid met de volgende zin aangevuld :
"In het tegenovergestelde geval weigert de minister of diens gemachtigde het verblijf van onbeperkte duur en kent een nieuw verblijf van beperkte duur toe, waarvan de vernieuwing onderworpen is aan het bezit van toereikende bestaansmiddelen, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden, en van een ziektekostenverzekering die alle risico's dekt, en voor zover de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid.";
3° in paragraaf 1, zesde lid, worden de eerste zin, die aanvangt met met de woorden "De verblijfstitel" en eindigt met de woorden "of de toelating", en de tweede zin, die aanvangt met met de woorden "Wanneer een verblijfstitel" en eindigt met de woorden "tot aan zijn vervaldatum" opgeheven;
4° paragraaf 2bis wordt opgeheven;
5° in paragraaf 3 wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
6° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° bedoeld familielid, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, de duur van zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk, het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van oorsprong.";
7° in paragraaf 4, eerste lid, 5°, worden de woorden "de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf, of" opgeheven;
8° paragraaf 5 wordt opgeheven;
9° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "van fraude of" opgeheven.
1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "periode van drie jaar" vervangen door de woorden "periode van vijf jaar";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid met de volgende zin aangevuld :
"In het tegenovergestelde geval weigert de minister of diens gemachtigde het verblijf van onbeperkte duur en kent een nieuw verblijf van beperkte duur toe, waarvan de vernieuwing onderworpen is aan het bezit van toereikende bestaansmiddelen, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden, en van een ziektekostenverzekering die alle risico's dekt, en voor zover de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid.";
3° in paragraaf 1, zesde lid, worden de eerste zin, die aanvangt met met de woorden "De verblijfstitel" en eindigt met de woorden "of de toelating", en de tweede zin, die aanvangt met met de woorden "Wanneer een verblijfstitel" en eindigt met de woorden "tot aan zijn vervaldatum" opgeheven;
4° paragraaf 2bis wordt opgeheven;
5° in paragraaf 3 wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
6° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° bedoeld familielid, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, de duur van zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk, het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van oorsprong.";
7° in paragraaf 4, eerste lid, 5°, worden de woorden "de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf, of" opgeheven;
8° paragraaf 5 wordt opgeheven;
9° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "van fraude of" opgeheven.
Art. 13. A l'article 13 de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 15 mai 2012 et du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "période de trois ans" sont remplacés par les mots "période de cinq ans";
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Dans le cas contraire, le ministre ou son délégué refuse le séjour illimité, et octroie un nouveau séjour pour une durée limitée dont le renouvellement est subordonné à la possession de ressources suffisantes pour ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques et pour autant que l'étranger ne constitue pas un danger pour l'ordre public et/ou la sécurité nationale.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, la première phrase commençant par les mots "Le titre de séjour" et finissant par les mots "ou de l'admission" ainsi que la deuxième phrase commençant par les mots "Lorsqu'un titre de séjour" et finissant par les mots "terme de validité" sont abrogées;
4° le paragraphe 2bis est abrogé;
5° dans le paragraphe 3, le 3° est abrogé;
6° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7°, le ministre ou son délégué prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de l'intéressé, la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.";
7° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, 5°, les mots "l'étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont été déterminants pour obtenir l'autorisation de séjour, ou" sont abrogés;
8° le paragraphe 5 est abrogé;
9° dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots "de fraude ou" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "période de trois ans" sont remplacés par les mots "période de cinq ans";
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Dans le cas contraire, le ministre ou son délégué refuse le séjour illimité, et octroie un nouveau séjour pour une durée limitée dont le renouvellement est subordonné à la possession de ressources suffisantes pour ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques et pour autant que l'étranger ne constitue pas un danger pour l'ordre public et/ou la sécurité nationale.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, la première phrase commençant par les mots "Le titre de séjour" et finissant par les mots "ou de l'admission" ainsi que la deuxième phrase commençant par les mots "Lorsqu'un titre de séjour" et finissant par les mots "terme de validité" sont abrogées;
4° le paragraphe 2bis est abrogé;
5° dans le paragraphe 3, le 3° est abrogé;
6° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7°, le ministre ou son délégué prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de l'intéressé, la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.";
7° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, 5°, les mots "l'étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont été déterminants pour obtenir l'autorisation de séjour, ou" sont abrogés;
8° le paragraphe 5 est abrogé;
9° dans le paragraphe 6, alinéa 2, les mots "de fraude ou" sont abrogés.
Art. 14. In dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk IV van titel I vervangen als volgt :
"Hoofdstuk IV. - Vestiging en status van EU-langdurig ingezetene".
"Hoofdstuk IV. - Vestiging en status van EU-langdurig ingezetene".
Art. 14. Dans la même loi, l'intitulé du chapitre IV du titre I est remplacé par ce qui suit :
"Chapitre IV. - Etablissement et statut de résident de longue durée-UE".
"Chapitre IV. - Etablissement et statut de résident de longue durée-UE".
Art. 15. In artikel 15, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden "dat er gefraudeerd werd of" opgeheven.
Art. 15. Dans l'article 15, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, les mots "de fraude ou" sont abrogés.
Art. 16. In artikel 18 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "deze status verliest wanneer de internationale bescherming is ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, " vervangen door de woorden "niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven en/of deze status verliest wanneer de internationale bescherming ingetrokken werd omdat de vreemdeling op basis van de artikelen 55/2 of 55/4, §§ 1 of 2, uitgesloten wordt of uitgesloten had moeten zijn".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden "deze status verliest wanneer de internationale bescherming is ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, " vervangen door de woorden "niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven en/of deze status verliest wanneer de internationale bescherming ingetrokken werd omdat de vreemdeling op basis van de artikelen 55/2 of 55/4, §§ 1 of 2, uitgesloten wordt of uitgesloten had moeten zijn".
Art. 16. Dans l'article 18 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° dans le paragraphe 3 les mots "perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, " sont remplacés par les mots "n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume et/ou perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée parce que l'étranger est exclu ou aurait dû être exclu sur la base des articles 55/2 ou 55/4, §§ 1er ou 2,".
1° le paragraphe 2 est abrogé;
2° dans le paragraphe 3 les mots "perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, " sont remplacés par les mots "n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume et/ou perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée parce que l'étranger est exclu ou aurait dû être exclu sur la base des articles 55/2 ou 55/4, §§ 1er ou 2,".
Art. 17. In artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2°, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder c) wordt vervangen als volgt :
"c) beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. De minimumleeftijd van de partners wordt teruggebracht tot achttien jaar wanneer zij het bewijs leveren van een samenwoning van ten minste een jaar voordat de vreemdeling bij wie men zich voegt, in het Rijk aankwam;";
2° de bepaling onder f) wordt vervangen als volgt :
"f) ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.".
1° de bepaling onder c) wordt vervangen als volgt :
"c) beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. De minimumleeftijd van de partners wordt teruggebracht tot achttien jaar wanneer zij het bewijs leveren van een samenwoning van ten minste een jaar voordat de vreemdeling bij wie men zich voegt, in het Rijk aankwam;";
2° de bepaling onder f) wordt vervangen als volgt :
"f) ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.".
Art. 17. A l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 2°, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le c) est remplacé par ce qui suit :
"c) être tous les deux âgés de plus de vingt et un ans. L'âge minimum des partenaires est ramené à dix-huit ans lorsqu'ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume;";
2° le f) est remplacé par ce qui suit :
"f) n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 du Code civil.".
1° le c) est remplacé par ce qui suit :
"c) être tous les deux âgés de plus de vingt et un ans. L'âge minimum des partenaires est ramené à dix-huit ans lorsqu'ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume;";
2° le f) est remplacé par ce qui suit :
"f) n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 du Code civil.".
Art. 18. Artikel 40ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 2 juni 2013 en 25 april 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 40ter. § 1. De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, van een Belg die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie.
§ 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie :
1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen;
2° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, mits het de vader en moeder van een minderjarige Belg betreft die hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen.
De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1°, moeten bewijzen dat de Belg :
1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt.
Deze voorwaarde is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen.
2° beschikt over voldoende huisvesting die hem in staat stelt zijn familielid of familieleden die hem vergezellen of zich bij hem voegen te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden opgelegd aan een onroerend goed dat als hoofdverblijfplaats wordt verhuurd zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de Belg bewijst dat het onroerend goed aan de opgelegde voorwaarden voldoet.
3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt.
Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn.
Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar indien de echtelijke band of het geregistreerd partnerschap dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk reeds vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging bestond of indien ze, in het geval van een wettelijk geregistreerd partnerschap, bewijzen dat ze vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging minstens één jaar hebben samengewoond.
Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan aan het verblijf van een familielid van een Belg ook een einde worden gemaakt wanneer de voorwaarden van het tweede lid niet meer zijn vervuld.".
"Art. 40ter. § 1. De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, van een Belg die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie.
§ 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie :
1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen;
2° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, mits het de vader en moeder van een minderjarige Belg betreft die hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen.
De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1°, moeten bewijzen dat de Belg :
1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt.
Deze voorwaarde is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen.
2° beschikt over voldoende huisvesting die hem in staat stelt zijn familielid of familieleden die hem vergezellen of zich bij hem voegen te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden opgelegd aan een onroerend goed dat als hoofdverblijfplaats wordt verhuurd zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de Belg bewijst dat het onroerend goed aan de opgelegde voorwaarden voldoet.
3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt.
Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn.
Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar indien de echtelijke band of het geregistreerd partnerschap dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk reeds vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging bestond of indien ze, in het geval van een wettelijk geregistreerd partnerschap, bewijzen dat ze vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging minstens één jaar hebben samengewoond.
Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan aan het verblijf van een familielid van een Belg ook een einde worden gemaakt wanneer de voorwaarden van het tweede lid niet meer zijn vervuld.".
Art. 18. L'article 40ter de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 2 juin 2013 et du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 40ter. § 1er. Les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, d'un Belge qui a exercé son droit à la libre circulation, conformément au Traité sur l'Union européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, sont soumis aux mêmes dispositions que les membres de la famille d'un citoyen de l'Union.
§ 2. Les membres de la famille suivants d'un Belge qui n'a pas fait usage de son droit de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, conformément au Traité sur l'Union européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, sont soumis aux dispositions du présent chapitre :
1° les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° à 3°, pour autant qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial;
2° les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'il s'agit des père et mère d'un Belge mineur d'âge et qu'ils établissent leur identité au moyen d'un document d'identité en cours de validité et qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial.
Les membres de la famille visés à l'alinéa 1er, 1°, doivent apporter la preuve que le Belge :
1° dispose de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers. Cette condition est réputée remplie lorsque les moyens de subsistance sont au moins équivalents à cent vingt pour cent du montant visé à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et tel qu'indexé selon l'article 15 de ladite loi. Pour l'évaluation des moyens de subsistance, il est tenu compte de leur nature et de leur régularité. Par contre, il n'est pas tenu compte des moyens provenant du revenu d'intégration sociale, de l'aide sociale financière, des allocations familiales de base et suppléments, des allocations d'insertion professionnelle et de l'allocation de transition. Il n'est tenu compte de l'allocation de chômage que si le Belge prouve qu'il cherche activement du travail.
Cette condition n'est pas d'application si le Belge se fait accompagner ou rejoindre uniquement par les membres de sa famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 3°, qui sont mineurs d'âge.
2° dispose d'un logement suffisant lui permettant d'héberger le ou les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent et qui remplit les conditions posées à un bien immeuble donné en location à titre de résidence principale comme prévu à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2 du Code civil. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la manière dont le Belge apporte la preuve que le bien immeuble remplit les conditions requises.
3° dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
Lorsqu'un certificat de non-empêchement à mariage a été délivré, il ne sera pas procédé à une nouvelle enquête à l'occasion de l'examen d'une demande de regroupement familial fondée sur le mariage célébré suite à la délivrance de ce certificat, sauf si de nouveaux éléments se présentent.
En ce qui concerne les personnes visées à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, les conjoints ou partenaires doivent tous deux être âgés de plus de vingt et un ans. Toutefois, cet âge minimum est ramené à dix-huit ans lorsque le lien conjugal ou le partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage est préexistant à l'introduction de la demande de regroupement familial ou lorsque, dans le cas d'un partenariat enregistré conformément à une loi, ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'introduction de la demande de regroupement familial.
Sans préjudice des articles 42ter et 42quater, il peut également être mis fin au séjour du membre de la famille d'un Belge lorsque les conditions prévues à l'alinéa 2 ne sont plus remplies.".
"Art. 40ter. § 1er. Les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, d'un Belge qui a exercé son droit à la libre circulation, conformément au Traité sur l'Union européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, sont soumis aux mêmes dispositions que les membres de la famille d'un citoyen de l'Union.
§ 2. Les membres de la famille suivants d'un Belge qui n'a pas fait usage de son droit de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, conformément au Traité sur l'Union européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, sont soumis aux dispositions du présent chapitre :
1° les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° à 3°, pour autant qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial;
2° les membres de la famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'il s'agit des père et mère d'un Belge mineur d'âge et qu'ils établissent leur identité au moyen d'un document d'identité en cours de validité et qu'ils accompagnent ou qu'ils rejoignent le Belge ouvrant le droit au regroupement familial.
Les membres de la famille visés à l'alinéa 1er, 1°, doivent apporter la preuve que le Belge :
1° dispose de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers. Cette condition est réputée remplie lorsque les moyens de subsistance sont au moins équivalents à cent vingt pour cent du montant visé à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et tel qu'indexé selon l'article 15 de ladite loi. Pour l'évaluation des moyens de subsistance, il est tenu compte de leur nature et de leur régularité. Par contre, il n'est pas tenu compte des moyens provenant du revenu d'intégration sociale, de l'aide sociale financière, des allocations familiales de base et suppléments, des allocations d'insertion professionnelle et de l'allocation de transition. Il n'est tenu compte de l'allocation de chômage que si le Belge prouve qu'il cherche activement du travail.
Cette condition n'est pas d'application si le Belge se fait accompagner ou rejoindre uniquement par les membres de sa famille visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 3°, qui sont mineurs d'âge.
2° dispose d'un logement suffisant lui permettant d'héberger le ou les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent et qui remplit les conditions posées à un bien immeuble donné en location à titre de résidence principale comme prévu à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2 du Code civil. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la manière dont le Belge apporte la preuve que le bien immeuble remplit les conditions requises.
3° dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
Lorsqu'un certificat de non-empêchement à mariage a été délivré, il ne sera pas procédé à une nouvelle enquête à l'occasion de l'examen d'une demande de regroupement familial fondée sur le mariage célébré suite à la délivrance de ce certificat, sauf si de nouveaux éléments se présentent.
En ce qui concerne les personnes visées à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, les conjoints ou partenaires doivent tous deux être âgés de plus de vingt et un ans. Toutefois, cet âge minimum est ramené à dix-huit ans lorsque le lien conjugal ou le partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage est préexistant à l'introduction de la demande de regroupement familial ou lorsque, dans le cas d'un partenariat enregistré conformément à une loi, ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'introduction de la demande de regroupement familial.
Sans préjudice des articles 42ter et 42quater, il peut également être mis fin au séjour du membre de la famille d'un Belge lorsque les conditions prévues à l'alinéa 2 ne sont plus remplies.".
Art. 19. In artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 8 juli 2011, worden de woorden "Indien aan de voorwaarde betreffende de stabiele en regelmatige bestaansmiddelen bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid, en in artikel 40ter, tweede lid, niet voldaan is," vervangen door de woorden "Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in de artikelen 40bis, § 4, tweede lid, en 40ter, § 2, tweede lid, 1°, niet is voldaan,".
Art. 19. Dans l'article 42, § 1er, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 8 juillet 2011, les mots "En cas de non-respect de la condition relative aux moyens de subsistance stables et réguliers visée à l'article 40bis, § 4, alinéa 2 et à l'article 40ter, alinéa 2," sont remplacés par les mots "S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée aux articles 40bis, § 4, alinéa 2 et 40ter, § 2, alinéa 2, 1°, ".
Art. 20. In de Franse tekst van artikel 42ter, § 1, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 28 juni 2013 en 19 maart 2014, worden de woorden "dans le Royaume" ingevoegd tussen de woorden "et culturelle" en de woorden "et de l'intensité".
Art. 20. Dans l'article 42ter, § 1er, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 28 juin 2013 et du 19 mars 2014, les mots "dans le Royaume" sont insérés entre les mots "et culturelle" et les mots "et de l'intensité".
Art. 21. In artikel 42quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wetten van 28 juni 2013 en 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "of nietig verklaard" opgeheven;
2° in de Franse tekst van paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "dans le Royaume" ingevoegd tussen de woorden "et culturelle" en de woorden "et de l'intensité".
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "of nietig verklaard" opgeheven;
2° in de Franse tekst van paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "dans le Royaume" ingevoegd tussen de woorden "et culturelle" en de woorden "et de l'intensité".
Art. 21. A l'article 42quater de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par les lois du 28 juin 2013 et du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots "ou annulé" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "dans le Royaume" sont insérés entre les mots "et culturelle" et les mots "et de l'intensité".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots "ou annulé" sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "dans le Royaume" sont insérés entre les mots "et culturelle" et les mots "et de l'intensité".
Art. 22. In artikel 42quinquies van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 25 april 2007 en gewijzigd door de wetten van 28 juni 2013 en 19 maart 2014, wordt paragraaf 5 vervangen als volgt :
" § 5. Het duurzaam verblijfsrecht van de burgers van de Europese Unie wordt vastgesteld door de afgifte van een document waaruit de duurzaamheid van het verblijf blijkt. Dit document wordt afgegeven volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels.".
" § 5. Het duurzaam verblijfsrecht van de burgers van de Europese Unie wordt vastgesteld door de afgifte van een document waaruit de duurzaamheid van het verblijf blijkt. Dit document wordt afgegeven volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels.".
Art. 22. Dans l'article 42quinquies de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par les lois du 28 juin 2013 et du 19 mars 2014, le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le droit de séjour permanent des citoyens de l'Union européenne est constaté par la délivrance d'un document attestant de la permanence du séjour. Ce document est délivré selon les modalités fixées par le Roi.".
" § 5. Le droit de séjour permanent des citoyens de l'Union européenne est constaté par la délivrance d'un document attestant de la permanence du séjour. Ce document est délivré selon les modalités fixées par le Roi.".
Art. 23. Artikel 42septies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en vervangen bij de wet van 8 juli 2011, wordt vervangen als volgt :
"Art. 42septies. De minister of zijn gemachtigde kan een einde maken aan het verblijf van een burger van de Unie of een familielid van deze burger en hem van het grondgebied van het Rijk verwijderen wanneer valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten werden gebruikt, of wanneer fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt die hebben bijgedragen tot de erkenning van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een dergelijke beslissing te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
"Art. 42septies. De minister of zijn gemachtigde kan een einde maken aan het verblijf van een burger van de Unie of een familielid van deze burger en hem van het grondgebied van het Rijk verwijderen wanneer valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten werden gebruikt, of wanneer fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt die hebben bijgedragen tot de erkenning van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een dergelijke beslissing te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
Art. 23. L'article 42septies, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et remplacé par la loi du 8 juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 42septies. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour d'un citoyen de l'Union ou d'un membre de sa famille et l'éloigner du territoire du Royaume lorsqu'il a été fait usage d'informations fausses ou trompeuses ou de documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'il a eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à la reconnaissance du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
"Art. 42septies. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour d'un citoyen de l'Union ou d'un membre de sa famille et l'éloigner du territoire du Royaume lorsqu'il a été fait usage d'informations fausses ou trompeuses ou de documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'il a eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à la reconnaissance du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
Art. 24. Artikel 43 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007 en 19 maart 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 43. De minister of zijn gemachtigde kan de binnenkomst en het verblijf weigeren :
1° wanneer de burger van de Unie of zijn familielid valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt, of fraude hebben gepleegd of andere onwettige middelen hebben gebruikt die bijdragen tot de erkenning van het verblijf;
2° om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een dergelijke beslissing te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
"Art. 43. De minister of zijn gemachtigde kan de binnenkomst en het verblijf weigeren :
1° wanneer de burger van de Unie of zijn familielid valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt, of fraude hebben gepleegd of andere onwettige middelen hebben gebruikt die bijdragen tot de erkenning van het verblijf;
2° om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een dergelijke beslissing te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
Art. 24. L'article 43 de la même loi, modifié par les lois des 25 avril 2007 et 19 mars 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 43. Le ministre ou son délégué peut refuser l'entrée et le séjour :
1° lorsque le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille a eu recours à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'il a eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui contribuent à la reconnaissance du séjour;
2° pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
"Art. 43. Le ministre ou son délégué peut refuser l'entrée et le séjour :
1° lorsque le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille a eu recours à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'il a eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui contribuent à la reconnaissance du séjour;
2° pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
Art. 25. Artikel 45 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
"Art. 45. § 1. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 3, en hun familieleden door de minister of zijn gemachtigde van het grondgebied van het Rijk worden verwijderd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
§ 2. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, en hun familieleden enkel om redenen van openbare orde of nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen.
§ 3. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie en hun familieleden die het duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen zoals bepaald bij de artikelen 42quinquies en 42sexies enkel om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen.
§ 4. De volgende personen kunnen enkel om dwingende redenen van nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies van vreemdelingen :
1° de burgers van de Unie die op het grondgebied van het Rijk hebben verbleven gedurende tien jaar voorafgaand aan de maatregel tot verwijdering;
2° de burgers van de Unie die minderjarig zijn, tenzij de verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties voor de Rechten van het Kind van 20 november 1989.
§ 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde of de Koning een burger van de Unie of een lid van zijn familie willen verwijderen of uitzetten krachtens de paragrafen 1 tot 4, houdt hij rekening met de duur van zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
"Art. 45. § 1. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 3, en hun familieleden door de minister of zijn gemachtigde van het grondgebied van het Rijk worden verwijderd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
§ 2. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, en hun familieleden enkel om redenen van openbare orde of nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen.
§ 3. Onverminderd paragraaf 4, kunnen de burgers van de Unie en hun familieleden die het duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen zoals bepaald bij de artikelen 42quinquies en 42sexies enkel om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen.
§ 4. De volgende personen kunnen enkel om dwingende redenen van nationale veiligheid door de Koning uit het Rijk worden uitgezet na advies van de Commissie van advies van vreemdelingen :
1° de burgers van de Unie die op het grondgebied van het Rijk hebben verbleven gedurende tien jaar voorafgaand aan de maatregel tot verwijdering;
2° de burgers van de Unie die minderjarig zijn, tenzij de verwijdering noodzakelijk is in het belang van het kind, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties voor de Rechten van het Kind van 20 november 1989.
§ 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde of de Koning een burger van de Unie of een lid van zijn familie willen verwijderen of uitzetten krachtens de paragrafen 1 tot 4, houdt hij rekening met de duur van zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
Art. 25. L'article 45 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 45. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union visés à l'article 40, § 3, et les membres de leurs familles peuvent être éloignés du territoire du Royaume, par le ministre ou son délégué, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union visés à l'article 40, § 4, et les membres de leurs familles ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union et les membres de leurs familles ayant acquis le séjour permanent tel que prévu aux articles 42quinquies et 42sexies ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des motifs graves d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 4. Ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des raisons impérieuses de sécurité nationale :
1° les citoyens de l'Union qui ont séjourné sur le territoire du Royaume pendant dix ans précédant la mesure d'éloignement;
2° les citoyens de l'Union qui sont mineurs d'âge sauf si l'éloignement est nécessaire dans l'intérêt de l'enfant, comme prévu dans la Convention des Nations unies sur les droits de l'enfant du 20 novembre 1989.
§ 5. Lorsque le ministre ou son délégué ou le Roi envisage d'éloigner ou d'expulser un citoyen de l'Union ou un membre de sa famille, conformément aux paragraphes 1er à 4, il tient compte de la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
"Art. 45. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union visés à l'article 40, § 3, et les membres de leurs familles peuvent être éloignés du territoire du Royaume, par le ministre ou son délégué, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union visés à l'article 40, § 4, et les membres de leurs familles ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 4, les citoyens de l'Union et les membres de leurs familles ayant acquis le séjour permanent tel que prévu aux articles 42quinquies et 42sexies ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des motifs graves d'ordre public ou de sécurité nationale.
§ 4. Ne peuvent être expulsés du Royaume par le Roi après avis de la Commission consultative des étrangers que pour des raisons impérieuses de sécurité nationale :
1° les citoyens de l'Union qui ont séjourné sur le territoire du Royaume pendant dix ans précédant la mesure d'éloignement;
2° les citoyens de l'Union qui sont mineurs d'âge sauf si l'éloignement est nécessaire dans l'intérêt de l'enfant, comme prévu dans la Convention des Nations unies sur les droits de l'enfant du 20 novembre 1989.
§ 5. Lorsque le ministre ou son délégué ou le Roi envisage d'éloigner ou d'expulser un citoyen de l'Union ou un membre de sa famille, conformément aux paragraphes 1er à 4, il tient compte de la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
Art. 26. In dezelfde wet wordt een artikel 45/1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 45/1. § 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 45 mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden.
§ 2. De redenen van openbare orde en nationale veiligheid bedoeld in de artikelen 43 en 45 moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend zijn gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de burger van de Unie of zijn familielid.
Strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke maatregelen.
Het gedrag van de betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.
Om vast te stellen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van het attest van de verklaring van inschrijving of bij de afgifte van de verblijfkaart en indien de minister of zijn gemachtigde het noodzakelijk vindt, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel, aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over het gerechtelijke antecedenten van de betrokken persoon. Deze raadpleging mag niet systematisch zijn.
§ 3. Alleen de ziekten die bedoeld worden in de bijlage bij de wet kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 43 rechtvaardigen. Het optreden van een van deze ziekten na een periode van drie maanden na de aankomst van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk kan geen reden voor verwijdering van het grondgebied zijn.
Indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven, kan de minister of zijn gemachtigde de burger van de Unie of zijn familielid gratis een medisch onderzoek doen ondergaan binnen drie maanden na hun aankomst op het grondgebied van het Rijk, opdat wordt bevestigd dat zij niet lijden aan een van de ziekten bedoeld in het eerste lid. Deze medische onderzoeken mogen niet systematisch zijn.
§ 4. Het verstrijken van de identiteitskaart of het paspoort dat de burger van de Unie of zijn familielid in staat heeft gesteld om het grondgebied van het Rijk te betreden is geen afdoende reden om hem te verwijderen.".
"Art. 45/1. § 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 45 mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden.
§ 2. De redenen van openbare orde en nationale veiligheid bedoeld in de artikelen 43 en 45 moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend zijn gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de burger van de Unie of zijn familielid.
Strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke maatregelen.
Het gedrag van de betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.
Om vast te stellen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van het attest van de verklaring van inschrijving of bij de afgifte van de verblijfkaart en indien de minister of zijn gemachtigde het noodzakelijk vindt, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel, aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over het gerechtelijke antecedenten van de betrokken persoon. Deze raadpleging mag niet systematisch zijn.
§ 3. Alleen de ziekten die bedoeld worden in de bijlage bij de wet kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 43 rechtvaardigen. Het optreden van een van deze ziekten na een periode van drie maanden na de aankomst van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk kan geen reden voor verwijdering van het grondgebied zijn.
Indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven, kan de minister of zijn gemachtigde de burger van de Unie of zijn familielid gratis een medisch onderzoek doen ondergaan binnen drie maanden na hun aankomst op het grondgebied van het Rijk, opdat wordt bevestigd dat zij niet lijden aan een van de ziekten bedoeld in het eerste lid. Deze medische onderzoeken mogen niet systematisch zijn.
§ 4. Het verstrijken van de identiteitskaart of het paspoort dat de burger van de Unie of zijn familielid in staat heeft gesteld om het grondgebied van het Rijk te betreden is geen afdoende reden om hem te verwijderen.".
Art. 26. Dans la même loi, il est inséré un article 45/1 rédigé comme suit :
"Art. 45/1. § 1er. Les raisons d'ordre public, de sécurité nationale et de santé publique visées aux articles 43 et 45 ne peuvent être invoquées à des fins économiques.
§ 2. Les raisons d'ordre public et de sécurité nationale visées aux articles 43 et 45 doivent respecter le principe de proportionnalité et être fondées exclusivement sur le comportement personnel du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille.
L'existence de condamnations pénales antérieures ne peut à elle seule motiver de telles mesures.
Le comportement de la personne concernée doit représenter une menace réelle, actuelle et suffisamment grave pour un intérêt fondamental de la société. Des justifications non directement liées au cas individuel concerné ou tenant à des raisons de prévention générale ne peuvent être retenues.
Aux fins d'établir si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille représente un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale, le ministre ou son délégué peut, lors de la délivrance de l'attestation de la déclaration d'inscription ou lors de la délivrance de la carte de séjour et s'il le juge indispensable, demander à l'Etat membre d'origine et, éventuellement à d'autres Etats membres, des renseignements sur les antécédents judiciaires de la personne concernée. Cette consultation ne peut être systématique.
§ 3. Seuls les malades visés dans l'annexe à la loi peuvent justifier les mesures visées à l'article 43. La survenance d'une de ces maladies après une période de trois mois suivant l'arrivée du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille sur le territoire du Royaume ne peut justifier l'éloignement du territoire.
Lorsque des indices sérieux le justifient, le ministre ou son délégué peut soumettre le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille à un examen médical gratuit, dans les trois mois suivant leur arrivée sur le territoire du Royaume, afin qu'il soit attesté qu'ils ne souffrent pas des maladies visées à l'alinéa 1er. Ces examens médicaux ne peuvent être systématiques.
§ 4. L'expiration de la carte d'identité ou du passeport qui a permis au citoyen de l'Union ou au membre de sa famille de pénétrer sur le territoire du Royaume n'est pas un motif suffisant pour l'éloigner.".
"Art. 45/1. § 1er. Les raisons d'ordre public, de sécurité nationale et de santé publique visées aux articles 43 et 45 ne peuvent être invoquées à des fins économiques.
§ 2. Les raisons d'ordre public et de sécurité nationale visées aux articles 43 et 45 doivent respecter le principe de proportionnalité et être fondées exclusivement sur le comportement personnel du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille.
L'existence de condamnations pénales antérieures ne peut à elle seule motiver de telles mesures.
Le comportement de la personne concernée doit représenter une menace réelle, actuelle et suffisamment grave pour un intérêt fondamental de la société. Des justifications non directement liées au cas individuel concerné ou tenant à des raisons de prévention générale ne peuvent être retenues.
Aux fins d'établir si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille représente un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale, le ministre ou son délégué peut, lors de la délivrance de l'attestation de la déclaration d'inscription ou lors de la délivrance de la carte de séjour et s'il le juge indispensable, demander à l'Etat membre d'origine et, éventuellement à d'autres Etats membres, des renseignements sur les antécédents judiciaires de la personne concernée. Cette consultation ne peut être systématique.
§ 3. Seuls les malades visés dans l'annexe à la loi peuvent justifier les mesures visées à l'article 43. La survenance d'une de ces maladies après une période de trois mois suivant l'arrivée du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille sur le territoire du Royaume ne peut justifier l'éloignement du territoire.
Lorsque des indices sérieux le justifient, le ministre ou son délégué peut soumettre le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille à un examen médical gratuit, dans les trois mois suivant leur arrivée sur le territoire du Royaume, afin qu'il soit attesté qu'ils ne souffrent pas des maladies visées à l'alinéa 1er. Ces examens médicaux ne peuvent être systématiques.
§ 4. L'expiration de la carte d'identité ou du passeport qui a permis au citoyen de l'Union ou au membre de sa famille de pénétrer sur le territoire du Royaume n'est pas un motif suffisant pour l'éloigner.".
Art. 27. In hoofdstuk Ibis van titel II van dezelfde wet een artikel 47/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 47/4. Behalve als zij zelf burgers van de Unie zijn en op grond daarvan een verblijfsrecht bedoeld in artikel 40, § 4, genieten, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan hun verblijf binnen vijf jaar na de toekenning van hun verblijfsrecht wanneer :
1° het familielid bedoeld in artikel 47/1, 1°, geen duurzame relatie meer heeft met de burger van de Unie die het vergezelt of bij wie het zich voegt;
2° het familielid bedoeld in artikel 47/1, 3°, geen ernstige gezondheidsproblemen meer heeft of niet meer de persoonlijke verzorging strikt behoeft van de burger van de Unie die het vergezelt of bij wie het zich voegt.
Bij de beslissing om een einde te maken aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
"Art. 47/4. Behalve als zij zelf burgers van de Unie zijn en op grond daarvan een verblijfsrecht bedoeld in artikel 40, § 4, genieten, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan hun verblijf binnen vijf jaar na de toekenning van hun verblijfsrecht wanneer :
1° het familielid bedoeld in artikel 47/1, 1°, geen duurzame relatie meer heeft met de burger van de Unie die het vergezelt of bij wie het zich voegt;
2° het familielid bedoeld in artikel 47/1, 3°, geen ernstige gezondheidsproblemen meer heeft of niet meer de persoonlijke verzorging strikt behoeft van de burger van de Unie die het vergezelt of bij wie het zich voegt.
Bij de beslissing om een einde te maken aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.".
Art. 27. Dans le chapitre Ibis du titre II, de la même loi, il est inséré un article 47/4 rédigé comme suit :
"Art. 47/4. A moins qu'ils soient eux-mêmes citoyens de l'Union et qu'ils bénéficient à ce titre d'un droit de séjour visé à l'article 40, § 4, le ministre ou son délégué peut mettre fin à leur séjour dans les cinq années suivant la reconnaissance de leur droit de séjour lorsque :
1° le membre de la famille visé à l'article 47/1, 1°, n'entretient plus de relation durable avec le citoyen de l'Union qu'il accompagne ou qu'il rejoint;
2° le membre de la famille visé à l'article 47/1, 3°, ne présente plus de problèmes de santé graves ou que le citoyen de l'Union qu'il accompagne ou qu'il rejoint ne doit plus impérativement et personnellement s'occuper de lui.
Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume, et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
"Art. 47/4. A moins qu'ils soient eux-mêmes citoyens de l'Union et qu'ils bénéficient à ce titre d'un droit de séjour visé à l'article 40, § 4, le ministre ou son délégué peut mettre fin à leur séjour dans les cinq années suivant la reconnaissance de leur droit de séjour lorsque :
1° le membre de la famille visé à l'article 47/1, 1°, n'entretient plus de relation durable avec le citoyen de l'Union qu'il accompagne ou qu'il rejoint;
2° le membre de la famille visé à l'article 47/1, 3°, ne présente plus de problèmes de santé graves ou que le citoyen de l'Union qu'il accompagne ou qu'il rejoint ne doit plus impérativement et personnellement s'occuper de lui.
Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume, et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.".
Art. 28. In artikel 61/11, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, worden de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° " vervangen door de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ".
Art. 28. Dans l'article 61/11, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 21 avril 2007, les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8° " sont remplacés par les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ".
Art. 29. In artikel 61/22, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 september 2011, worden de woorden "met toepassing van artikel 13, § 3, 3°, " vervangen door de woorden "met toepassing van artikel 74/20, § 2,".
Art. 29. Dans l'article 61/22, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 12 septembre 2011, les mots "en application de l'article 13, § 3, 3°, " sont remplacés par les mots "en application de l'article 74/20, paragraphe 2,".
Art. 30. In artikel 61/27, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, worden de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° " vervangen door de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ".
Art. 30. Dans l'article 61/27, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 15 mai 2012, les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8° " sont remplacés par les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ".
Art. 31. In artikel 61/30, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, wordt de bepaling onder 3° opgeheven.
Art. 31. Dans l'article 61/30, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 15 mai 2012, le 3° est abrogé.
Art. 32. Artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 19 januari 2012, wordt vervangen als volgt :
"Art. 62. § 1. De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed. Zij worden ter kennis van de betrokkenen gebracht, die er een afschrift van ontvangen, door een van de volgende personen :
1° de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of zijn gemachtigde;
2° een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken;
3° de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde;
4° een officier van de gerechtelijke politie, ook een officier van de gerechtelijke politie met beperkte bevoegdheid;
5° een politieambtenaar;
6° een ambtenaar van de Administratie der Douane en Accijnzen;
7° de directeur van de strafinrichting indien de vreemdeling aangehouden is;
8° met de medewerking van de Belgische diplomatieke of consulaire overheid in het buitenland, indien de vreemdeling zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt.
§ 2. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, is elke kennisgeving rechtsgeldig gedaan op de verblijfplaats, of, in voorkomend geval, op de gekozen woonplaats, op een van de volgende wijzen :
1° bij aangetekende brief;
2° per bode met ontvangstbewijs;
3° per fax indien de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn advocaat;
4° elke andere wijze die bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad is toegelaten en waarbij de datum van de kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.".
"Art. 62. § 1. De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed. Zij worden ter kennis van de betrokkenen gebracht, die er een afschrift van ontvangen, door een van de volgende personen :
1° de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of zijn gemachtigde;
2° een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken;
3° de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde;
4° een officier van de gerechtelijke politie, ook een officier van de gerechtelijke politie met beperkte bevoegdheid;
5° een politieambtenaar;
6° een ambtenaar van de Administratie der Douane en Accijnzen;
7° de directeur van de strafinrichting indien de vreemdeling aangehouden is;
8° met de medewerking van de Belgische diplomatieke of consulaire overheid in het buitenland, indien de vreemdeling zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt.
§ 2. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, is elke kennisgeving rechtsgeldig gedaan op de verblijfplaats, of, in voorkomend geval, op de gekozen woonplaats, op een van de volgende wijzen :
1° bij aangetekende brief;
2° per bode met ontvangstbewijs;
3° per fax indien de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn advocaat;
4° elke andere wijze die bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad is toegelaten en waarbij de datum van de kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.".
Art. 32. L'article 62 de la même loi, modifié par les lois du 6 mai 1993, du 15 juillet 1996 et du 19 janvier 2012, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 62. § 1er. Les décisions administratives sont motivées. Elles sont notifiées aux intéressés, qui en reçoivent une copie, par une des personnes suivantes :
1° par le bourgmestre de la commune où se trouve l'étranger ou par son délégué;
2° par un agent de l'Office des étrangers;
3° par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué;
4° par un officier de police judiciaire, en ce compris l'officier de police judiciaire dont la compétence est limitée;
5° par un fonctionnaire de police;
6° par un agent de l'Administration des douanes et accises;
7° par le directeur de l'établissement pénitentiaire si l'étranger est en état d'arrestation;
8° à l'intervention de l'autorité diplomatique ou consulaire belge à l'étranger si l'étranger ne se trouve pas sur le territoire du Royaume.
§ 2. Sans préjudice d'une notification à la personne même, toute notification est valablement faite à la résidence ou, le cas échéant, au domicile élu, de l'une des manières suivantes :
1° sous pli recommandé;
2° par porteur contre accusé de réception;
3° par télécopie si l'étranger a élu domicile chez son avocat;
4° par tout autre mode admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.".
"Art. 62. § 1er. Les décisions administratives sont motivées. Elles sont notifiées aux intéressés, qui en reçoivent une copie, par une des personnes suivantes :
1° par le bourgmestre de la commune où se trouve l'étranger ou par son délégué;
2° par un agent de l'Office des étrangers;
3° par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué;
4° par un officier de police judiciaire, en ce compris l'officier de police judiciaire dont la compétence est limitée;
5° par un fonctionnaire de police;
6° par un agent de l'Administration des douanes et accises;
7° par le directeur de l'établissement pénitentiaire si l'étranger est en état d'arrestation;
8° à l'intervention de l'autorité diplomatique ou consulaire belge à l'étranger si l'étranger ne se trouve pas sur le territoire du Royaume.
§ 2. Sans préjudice d'une notification à la personne même, toute notification est valablement faite à la résidence ou, le cas échéant, au domicile élu, de l'une des manières suivantes :
1° sous pli recommandé;
2° par porteur contre accusé de réception;
3° par télécopie si l'étranger a élu domicile chez son avocat;
4° par tout autre mode admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.".
Art. 33. In artikel 74/8, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende :
"4° op andere momenten in de loop van het verblijf van de bewoner, indien dat noodzakelijk blijkt met het oog op het behoud van de orde of van de veiligheid.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De vertrekken waar een bewoner verblijft, alsook de plaatsen waar zijn persoonlijke bezittingen zijn opgeborgen, kunnen, indien dat noodzakelijk blijkt, doorzocht worden met het oog op het behoud van de orde of van de veiligheid.";
3° paragraaf 5 wordt aangevuld met vier leden, luidende :
"De bewoner kan, wanneer dit in het belang van de veiligheid noodzakelijk is, onderworpen worden aan een fouillering van de kledij door de leden van het veiligheidspersoneel die daartoe, door de centrumdirecteur, overeenkomstig de door hem uitgevaardigde dienstnota's, aangewezen zijn.
Deze fouillering heeft tot doel na te gaan of de bewoner in het bezit is van verboden of gevaarlijke stoffen of voorwerpen.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en geschiedt met eerbiediging van de waardigheid van de bewoner.
In geval van ontdekking van verboden stoffen of voorwerpen, worden deze ter beschikking gehouden van de bevoegde overheden met het oog op het vaststellen van de strafbare feiten.".
1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende :
"4° op andere momenten in de loop van het verblijf van de bewoner, indien dat noodzakelijk blijkt met het oog op het behoud van de orde of van de veiligheid.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De vertrekken waar een bewoner verblijft, alsook de plaatsen waar zijn persoonlijke bezittingen zijn opgeborgen, kunnen, indien dat noodzakelijk blijkt, doorzocht worden met het oog op het behoud van de orde of van de veiligheid.";
3° paragraaf 5 wordt aangevuld met vier leden, luidende :
"De bewoner kan, wanneer dit in het belang van de veiligheid noodzakelijk is, onderworpen worden aan een fouillering van de kledij door de leden van het veiligheidspersoneel die daartoe, door de centrumdirecteur, overeenkomstig de door hem uitgevaardigde dienstnota's, aangewezen zijn.
Deze fouillering heeft tot doel na te gaan of de bewoner in het bezit is van verboden of gevaarlijke stoffen of voorwerpen.
De fouillering mag geen tergend karakter hebben en geschiedt met eerbiediging van de waardigheid van de bewoner.
In geval van ontdekking van verboden stoffen of voorwerpen, worden deze ter beschikking gehouden van de bevoegde overheden met het oog op het vaststellen van de strafbare feiten.".
Art. 33. A l'article 74/8, § 5, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par un 4° rédigé comme suit :
"4° à d'autres moments au cours du séjour de l'occupant lorsque cela apparaît nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Les pièces où un occupant séjourne ainsi que les endroits où ses affaires personnelles sont rangées peuvent faire l'objet de fouille lorsque c'est nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.";
3° le paragraphe 5 est complété par quatre alinéas rédigés comme suit :
"Lorsque cela est nécessaire dans l'intérêt de la sécurité, l'occupant peut subir une fouille de ses vêtements par les membres du personnel de sécurité désignés à cet effet par le directeur du centre, conformément aux notes de service données par celui-ci.
Cette fouille a pour objectif de vérifier si l'occupant est en possession de substances ou d'objets interdits ou dangereux.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et se déroule dans le respect de la dignité de l'occupant.
En cas de découverte de substances ou d'objets interdits, ceux-ci sont tenus à la disposition des autorités compétentes en vue d'établir des faits punissables.".
1° l'alinéa 1er est complété par un 4° rédigé comme suit :
"4° à d'autres moments au cours du séjour de l'occupant lorsque cela apparaît nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.";
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Les pièces où un occupant séjourne ainsi que les endroits où ses affaires personnelles sont rangées peuvent faire l'objet de fouille lorsque c'est nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.";
3° le paragraphe 5 est complété par quatre alinéas rédigés comme suit :
"Lorsque cela est nécessaire dans l'intérêt de la sécurité, l'occupant peut subir une fouille de ses vêtements par les membres du personnel de sécurité désignés à cet effet par le directeur du centre, conformément aux notes de service données par celui-ci.
Cette fouille a pour objectif de vérifier si l'occupant est en possession de substances ou d'objets interdits ou dangereux.
La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et se déroule dans le respect de la dignité de l'occupant.
En cas de découverte de substances ou d'objets interdits, ceux-ci sont tenus à la disposition des autorités compétentes en vue d'établir des faits punissables.".
Art. 34. In dezelfde wet wordt een titel IIIquinquies ingevoegd, luidende "Fraude".
Art. 34. Dans la même loi, il est inséré un titre IIIquinquies intitulé "Fraude".
Art. 35. In titel IIIquinquies, ingevoegd door artikel 34, wordt een artikel 74/20 ingevoegd, luidende :
"Art. 74/20. § 1. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens deze wet, weigeren wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
§ 2. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, toegekend of erkend krachtens deze wet, intrekken wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde geeft de vreemdeling van wie het verblijf met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2 is geweigerd of ingetrokken het bevel om het grondgebied te verlaten.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde specifieke controles uitvoeren of laten uitvoeren als er gegronde vermoedens zijn van fraude of van het gebruik van andere onwettige middelen.".
"Art. 74/20. § 1. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens deze wet, weigeren wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
§ 2. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, toegekend of erkend krachtens deze wet, intrekken wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde geeft de vreemdeling van wie het verblijf met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2 is geweigerd of ingetrokken het bevel om het grondgebied te verlaten.
§ 4. De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde specifieke controles uitvoeren of laten uitvoeren als er gegronde vermoedens zijn van fraude of van het gebruik van andere onwettige middelen.".
Art. 35. Dans le titre IIIquinquies, inséré par l'article 34, il est inséré un article 74/20 rédigé comme suit :
"Art. 74/20. § 1er. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se le voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
§ 2. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut retirer l'autorisation ou l'admission au séjour octroyée ou reconnue en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se la voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
§ 3. Le ministre ou son délégué donne l'ordre de quitter le territoire à l'étranger dont le séjour est refusé ou retiré en cas d'application du paragraphe 1er ou du paragraphe 2.
§ 4. Le ministre ou son délégué peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou de l'emploi d'autres moyens illégaux.".
"Art. 74/20. § 1er. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se le voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
§ 2. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut retirer l'autorisation ou l'admission au séjour octroyée ou reconnue en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se la voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
§ 3. Le ministre ou son délégué donne l'ordre de quitter le territoire à l'étranger dont le séjour est refusé ou retiré en cas d'application du paragraphe 1er ou du paragraphe 2.
§ 4. Le ministre ou son délégué peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou de l'emploi d'autres moyens illégaux.".
Art. 36. In dezelfde titel IIIquinquies, wordt een artikel 74/21 ingevoegd, luidende :
"Art. 74/21. Onder voorbehoud van artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34 weigeren, indien de persoon bij wie de vreemdeling zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
Onverminderd artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34, indien de persoon bij wie hij zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
Het verblijf van het familielid kan slechts worden geweigerd en slechts worden beëindigd wanneer het verblijf van de persoon bij wie hij zich heeft gevoegd tevens geweigerd of ingetrokken wordt.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.".
"Art. 74/21. Onder voorbehoud van artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34 weigeren, indien de persoon bij wie de vreemdeling zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
Onverminderd artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6° of 7°, artikel 10bis of artikel 57/34, indien de persoon bij wie hij zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
Het verblijf van het familielid kan slechts worden geweigerd en slechts worden beëindigd wanneer het verblijf van de persoon bij wie hij zich heeft gevoegd tevens geweigerd of ingetrokken wordt.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.".
Art. 36. Dans le même titre IIIquinquies, il est inséré un article 74/21 rédigé comme suit :
"Art. 74/21. Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34, si la personne que l'étranger rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34, si la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
Le séjour du membre de la famille ne peut être refusé et il ne peut être mis fin à son séjour que lorsque le séjour de la personne qu'il a rejoint est refusé ou lui a été retiré.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de la personne, de la durée de son séjour dans le Royaume, ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.".
"Art. 74/21. Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34, si la personne que l'étranger rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° ou 7°, de l'article 10bis, ou de l'article 57/34, si la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
Le séjour du membre de la famille ne peut être refusé et il ne peut être mis fin à son séjour que lorsque le séjour de la personne qu'il a rejoint est refusé ou lui a été retiré.
Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de la personne, de la durée de son séjour dans le Royaume, ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.".
Art. 37. In titel V van dezelfde wet wordt een artikel 81/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 81/1. Wanneer deze wet of haar uitvoeringsbesluiten een taak toewijzen aan het gemeentebestuur of de burgemeester, is deze laatste bevoegd om deze taak te delegeren aan een personeelslid van het gemeentebestuur.".
"Art. 81/1. Wanneer deze wet of haar uitvoeringsbesluiten een taak toewijzen aan het gemeentebestuur of de burgemeester, is deze laatste bevoegd om deze taak te delegeren aan een personeelslid van het gemeentebestuur.".
Art. 37. Dans le titre V, de la même loi, il est inséré un article 81/1 rédigé comme suit :
"Art. 81/1. Lorsque la présente loi ou ses arrêtés d'exécution attribuent une tâche à l'administration communale ou au bourgmestre, ce dernier est habilité à la déléguer à un membre du personnel de l'administration communale.".
"Art. 81/1. Lorsque la présente loi ou ses arrêtés d'exécution attribuent une tâche à l'administration communale ou au bourgmestre, ce dernier est habilité à la déléguer à un membre du personnel de l'administration communale.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers
Art. 38. In artikel 12, § 1, eerste en tweede lid, van de wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, wordt het woord "vier" telkens vervangen door het woord "zes".
Art. 38. Dans l'article 12, § 1er, alinéas 1er et 2, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, le mot "quatre" est chaque fois remplacé par le mot "six".