Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
11 DECEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse artikelen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot opheffing van diverse ministeriële besluiten
Titre
11 DECEMBRE 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant divers articles de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune et abrogeant divers arrêtés ministériels
Documentinformatie
Numac: 2015036619
Datum: 2015-12-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015036619
Date: 2015-12-11
Moniteur: Voir
Tekst (18)
Texte (18)
Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt een punt 13° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "13° /1 hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van het kalenderjaar op het perceel aanwezig is. Als op die datum geen teelt, een grasachtige voorteelt of een gewas dat uitsluitend als groenbedekker bestemd is en nog niet vernietigd is, aanwezig is op het perceel, dan is de hoofdteelt de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid;".
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, il est inséré un point 13° /1, rédigé comme suit :
  " 13° /1 culture principale : la culture qui est présente sur la parcelle au 31 mai de l'année calendaire. Si la parcelle ne porte pas de culture à cette date ou porte une culture précédente de graminées ou une culture non-éliminée, servant uniquement de couvert végétal, la culture principale est alors la première culture dont la parcelle est ensemencée ; ".
Art. 2. Aan artikel 9 van hetzelfde besluit wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Landbouwers die in 2013 geen recht hadden op rechtstreekse betalingen, maar in dat jaar groenten, fruit, consumptieaardappelen, pootaardappelen, siergewassen of wijn verbouwden, kunnen conform artikel 24, lid 1, derde alinea, a, i), van verordening (EU) nr. 1307/2013 ook betalingsrechten ontvangen.".
Art. 2. A l'article 9 du même arrêté, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
  " Les agriculteurs qui n'avaient pas droit, en 2013, à des paiements directs, mais qui cultivaient dans cette année des légumes, des fruits, des pommes de terre de consommation, des plants de pommes de terre, des plantes décoratives ou la vigne, peuvent également bénéficier de droits au paiement conformément à l'article 24, alinéa 1er, paragraphe 3, a, i), du Règlement (UE) n° 1307/2013. ".
Art. 3. In artikel 37, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° een derde en vierde lid worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  "De minister baseert zich voor de aanwijzing, vermeld in het eerste en tweede lid, op:
  1° de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en in voorkomend geval op de bevindingen van de verificatiecommissie, vermeld in paragraaf 2/1, vijfde lid, in het kader van de biologische waardering van areaal.
  De minister legt de criteria voor de aanwijzing op algemene wijze vast.";
  2° aan het derde lid, ingevoegd bij punt 1°, wordt een punt 2° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "2° de historische permanente graslanden, definitief vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen en in voorkomend geval op de bevindingen van de verificatiecommissie, vermeld in paragraaf 2/1, zesde lid, in het kader van de biologische waardering van areaal.".
  3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De landbouwer wordt via de verzamelaanvraag op de hoogte gebracht van de arealen die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangeduid.
  Als de landbouwer niet akkoord gaat met de aanduiding als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland van een areaal, kan hij eenmalig een aanvraag tot correctie indienen. De correctie wordt aangevraagd uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar van de aanwijzing.
  In afwijking van het tweede lid, is een aanvraag tot correctie niet mogelijk voor arealen die definitief zijn vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen, en beschermd zijn op basis van artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
  Voor arealen die definitief zijn vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen, maar niet beschermd zijn op basis van artikelen 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, kan een aanvraag tot correctie als vermeld in het tweede lid enkel betrekking hebben op de aanwezigheid van microreliëf op het betrokken areaal en voor zover die aanwezigheid van microreliëf niet werd betwist tijdens het openbaar onderzoek dat werd gehouden overeenkomstig artikel 9bis, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
  Als de aanvraag tot correctie betrekking heeft op de juistheid en nauwkeurigheid van de biologische waardering van het areaal, zoals die is opgenomen in de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, of betrekking heeft op de aanwezigheid van microreliëf op arealen als vermeld in het vierde lid, wordt de bevoegde entiteit bij de behandeling van die aanvraag bijgestaan door een verificatiecommissie.
  De verificatiecommissie, vermeld in artikel 9bis, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en ingesteld bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 houdende de voorlopige vaststelling van de historisch permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders, krijgt als bijkomende opdracht de advisering van de bevoegde entiteit bij de behandeling van aanvragen tot correctie conform het vijfde lid. Onverminderd de opdrachten die de verificatiecommissie vervult ter uitvoering van artikel 9bis, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, blijft de verificatiecommissie ten minste opgericht voor de volledige duur van de opdracht, vermeld in het vijfde lid.
  De bevoegde entiteit bezorgt de aanvragen tot correctie, vermeld in het vierde lid, aan de verificatiecommissie. De verificatiecommissie brengt uiterlijk op 1 november van het jaar waarin de aanvraag tot correctie is ingediend, een gemotiveerd advies uit over de juistheid en nauwkeurigheid van de biologische waardering. Het advies van de verificatiecommissie is bindend voor de bevoegde entiteit.
  De bevoegde entiteit brengt de landbouwer in kwestie uiterlijk op 30 november van het jaar waarin de aanvraag tot correctie werd ingediend op de hoogte van de beslissing. Bij de kennisgeving van de beslissing is in voorkomend geval een kopie gevoegd van het advies van de verificatiecommissie.
  De minister kan:
  1° bijkomende procedurele bepalingen vastleggen voor de indiening van een aanvraag tot correctie;
  2° voor de opdracht, vermeld in het tweede lid:
  a) de samenstelling van de verificatiecommissie wijzigen;
  b) nadere regels opleggen voor de werking van de verificatiecommissie.".
Art. 3. A l'article 37, § 2, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° un alinéa 3 et un alinéa 4 sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " Pour la désignation, visée aux alinéas 1er et 2, le Ministre se base sur :
  1° la Carte d'Evaluation biologique et la Carte des Habitats Natura 2000 de l'" Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature), et le cas échéant sur les constatations de la commission de vérification, visée au paragraphe 2/1, alinéa 5, dans le cadre de l'évaluation biologique de la superficie.
  Le Ministre arrête les critères de la désignation de manière générale. " ;
  2° l'alinéa 3, inséré par le point 1°, est complété par un point 2°, rédigé comme suit :
  " 2° les prairies historiques permanentes, arrêtées définitivement par l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant fixation définitive des cartes des prairies historiques permanentes dans la région agricole des Polders et portant fixation des dispositions de protection y afférentes, et le cas échéant sur les constatations de la commission de vérification, visée au paragraphe 2/1, alinéa 6, dans le cadre de l'évaluation biologique de la superficie. ".
  3° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. L'agriculteur est informé par le biais de la demande unique des superficies qui sont désignées comme des prairies permanentes écologiquement sensibles.
  Lorsque l'agriculteur n'est pas d'accord avec la désignation comme prairies permanentes écologiquement sensibles, il peut introduire une seule fois une demande de correction. La correction est demandée au plus tard à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année de désignation.
  Par dérogation à l'alinéa 2, une demande de correction est impossible pour des superficies qui sont arrêtées définitivement par l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant fixation définitive des cartes des prairies historiques permanentes dans la région agricole des Polders et portant fixation des dispositions de protection y afférentes, et sont protégées sur la base des articles 7 et 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
  Pour les superficies qui sont arrêtées définitivement par l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant fixation définitive des cartes des prairies historiques permanentes dans la région agricole des Polders et portant fixation des dispositions de protection y afférentes, mais qui ne sont pas protégées sur la base des articles 7 et 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, une demande de correction telle que visée à l'alinéa 2 ne peut concerner que la présence d'un microrelief sur la superficie concernée dans la mesure où cette présence de microrelief n'a pas été contestée pendant l'enquête publique tenue conformément à l'article 9bis, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
  Lorsque la demande de correction concerne la justesse et l'exactitude de l'évaluation biologique de la superficie, telle que reprise à la Carte d'Evaluation biologique et la Carte des Habitats Natura 2000 de l'" Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature), ou concerne la présence d'un microrelief sur des superficies, telle que visée à l'alinéa 4, l'entité compétente est assistée par une commission de vérification lors du traitement de cette demande.
  La commission de vérification, visée à l'article 9bis, § 6, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, et instituée par l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 septembre 2014 portant fixation provisoire des prairies historiques permanentes dans la région agricole des Polders, est chargée de la mission supplémentaire de conseiller l'entité compétente lors du traitement de demandes de correction conformément à l'alinéa 5. Sans préjudice des missions effectuées par la commission de vérification en exécution de l'article 9bis, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, la commission de vérification reste établie pour la durée entière de la mission, visée à l'alinéa 5.
  L'entité compétente transmet les demandes de correction, visées à l'alinéa 4, à la commission de vérification. La commission de vérification émet, au plus tard le 1er novembre de l'année pendant laquelle la demande de correction est introduite, un avis motivé sur la justesse et l'exactitude de l'évaluation biologique. L'avis de la commission de vérification est contraignant pour l'entité compétente.
  L'entité compétente communique la décision à l'agriculteur concerné au plus tard le 30 novembre de l'année pendant laquelle la demande de correction a été introduite. Le cas échéant, la notification de la décision est accompagnée d'une copie de l'avis de la commission de vérification.
  Le Ministre peut :
  1° arrêter des dispositions procédurales supplémentaires pour l'introduction d'une demande de correction ;
  2° pour la mission, visée à l'alinéa 2 :
  a) modifier la composition de la commission de vérification ;
  b) imposer des modalités pour le fonctionnement de la commission de vérification. ".
Art. 4. In hoofdstuk 4, afdeling 2, van hetzelfde besluit, wordt het opschrift "Onderafdeling 1. Definities" opgeheven.
Art. 4. Dans le chapitre 4, section 2, du même arrêté, l'intitulé " Sous-section 1. Définitions " est abrogé.
Art. 5. In artikel 48 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zin "Als de premierechten in een campagne niet of onvoldoende worden benut, vervallen de niet benutte premierechten aan de zoogkoeienreserve." opgeheven;
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een veehouder de premierechten waarover hij beschikt in een campagne, onder een minimumpercentage benut, verliest de veehouder het geheel of een deel van zijn premierechten en vervallen die premierechten aan de zoogkoeienreserve.";
  3° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) tussen de woorden "van de premierechten" en de woorden "en de nadere regels van overdrachten" wordt de zinsnede ", het gedeelte van premierechten dat aan de zoogkoeienreserve vervalt door onderbenutting en de gevallen waarin het geheel van de premierechten door onderbenutting vervalt aan de zoogkoeienreserve, conform het derde lid," ingevoegd;
  b) tussen de woorden "van de overdrachten van premierechten" en de zinsnede ", rekening houdend met de doelstellingen" wordt de zinsnede "met inbegrip van het percentage, vermeld in artikel 48, tweede lid" ingevoegd.
Art. 5. A l'article 48 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, la phrase " Lorsque les droits à la prime dans une campagne ne sont pas utilisés ou sont utilisés insuffisamment, les droits à la prime non utilisés reviennent à la réserve pour la prime à la vache allaitante. " est abrogée ;
  2° entre les alinéas 2 et 3, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Lorsqu'un éleveur fait usage de ses droits à la prime dont il dispose dans une campagne, au-dessous du pourcentage minimal, l'éleveur perd la totalité ou une partie de ses droits à la prime et ces droits à la prime reviennent à la réserve pour la prime à la vache allaitante. " ;
  3° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le membre de phrase " , la partie des droits à la prime qui revient à la réserve pour la prime à la vache allaitante suite à la sous-utilisation, et les cas auxquels la totalité des droits à la prime revient à la réserve pour la prime à la vache allaitante suite à la sous-utilisation, conformément à l'alinéa 3, " est inséré entre les mots " des droits à la prime " et les mots " et les modalités des transferts " ;
  b) le membre de phrase " y compris le pourcentage visé à l'article 48, alinéa 2, " est inséré entre les mots " des transferts de droits à la prime, " et le membre de phrase " compte tenu des objectifs ".
Art. 6. In artikel 49 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het woord "eerste" en het woord "lid" worden de woorden "en tweede" ingevoegd;
  2° de zinsnede "artikel 47, tweede lid" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 47, derde lid";
  3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een veehouder verliest de aan hem toegekende premierechten voor deelname aan de premieregeling als aan de start van een campagnejaar het individuele maximum van de veehouder in kwestie minder dan twintig premierechten bedraagt. De minister kan bepalen dat een landbouwer die rechten heeft verkregen uit de zoogkoeienreserve, waarbij een procentuele vermindering is toegepast waardoor de toegekende premierechten minder dan twintig bedragen, toch premierechten toegekend krijgt.".
Art. 6. A l'article 49 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " alinéa premier " sont remplacés par les mots " alinéas 1er et 2 " ;
  2° le membre de phrase " de l'article 47, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " de l'article 47, alinéa 3 " ;
  3° il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Un éleveur perd les droits à la prime qui lui sont octroyés pour la participation au régime des primes si, au début d'une année de campagne, le maximum individuel de l'éleveur en question s'élève à moins de vingt droits à la prime. Le Ministre peut arrêter qu'un agriculteur qui a obtenu des droits de la réserve pour la prime à la vache allaitante, pour lesquels une réduction exprimée en pourcentage est appliquée suite à laquelle les droits à la prime octroyés s'élèvent à moins de vingt, obtient quand même des droits à la prime. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt een artikel 49/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 49/1. Aan een veehouder worden geen premies uitbetaald als het aantal benutte premierechten in het campagnejaar waarop de uitbetaling betrekking heeft, lager is dan het minimumaantal premierechten dat benut moet worden.
  Het minimumaantal premierechten dat benut moet worden, wordt verkregen door het minimumpercentage, vermeld in artikel 48, derde lid, toe te passen op twintig premierechten. Als na de berekening geen geheel getal wordt verkregen, wordt het resultaat afgerond op het eerstvolgende geheel getal.".
Art. 7. Dans le même arrêté, il est inséré un article 49/1, rédigé comme suit :
  " Art. 49/1. Aucune prime n'est payée à un éleveur si le nombre de droits à la prime utilisés pendant l'année de campagne sur laquelle porte le paiement, est inférieur au nombre minimal de droits à la prime devant être utilisés.
  Le nombre minimal de droits à la prime devant être utilisés, est obtenu en appliquant le pourcentage minimal, visé à l'article 48, alinéa 3, à vingt droits à la prime. Si le calcul n'aboutit pas à un nombre entier, le résultat est arrondi au nombre entier suivant. ".
Art. 8. In artikel 54 van hetzelfde besluit wordt na de woorden "eerste lid" de zinsnede ", en bepaalt de nadere regels voor de toekenning van de premie bij de overname van een vleeskalverhouderij" toegevoegd.
Art. 8. Dans l'article 54 du même arrêté, le membre de phrase " , et arrête les modalités pour l'octroi de la prime en cas de reprise d'un élevage de veaux de boucherie " est inséré après le mots " alinéa premier ".
Art. 9. In artikel 59 van hetzelfde besluit worden paragraaf 2 en 3 vervangen door wat volgt:
  " § 2. Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt.
  § 3. Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt.".
Art. 9. Dans l'article 59 du même arrêté, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. L'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, aux parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est très forte. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer à une telle parcelle varient suivant la culture cultivée.
  § 3. L'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, aux parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est forte. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer à une telle parcelle varient suivant la culture cultivée. ".
Art. 10. Bijlage 2 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 10. L'annexe 2 au même arrêté est remplacée par l'annexe 1, jointe au présent arrêté.
Art. 11. Bijlage 3 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 11. L'annexe 3 au même arrêté est remplacée par l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Art. 12. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het ministerieel besluit van 7 december 2010 betreffende de bepaling en de herziening van de referentiegegevens bij integratie van de steun voor noten en voor zaaizaden van vezelvlas en spelt in de bedrijfstoeslag;
  2° het ministerieel besluit van 10 april 2012 betreffende de bepaling en de herziening van de referentiegegevens bij integratie van de steun voor eiwithoudende gewassen in de bedrijfstoeslag;
  3° het ministerieel besluit van 13 april 2012 betreffende de bepaling en de herziening van de referentiegegevens bij integratie van de slachtpremie kalveren in de bedrijfstoeslag;
  4° het ministerieel besluit van 27 april 2012 betreffende de bepaling en de herziening van de referentiegegevens bij integratie van de verwerkingssteun voor vezelvlas en -hennep in de bedrijfstoeslag;
  5° het ministerieel besluit van 25 juni 2012 houdende regeling van specifieke steunmaatregelen die een meerwaarde opleveren voor het landbouwmilieu ter uitvoering van artikel 2decies tot en met 2duodecies van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 februari 2013 en 26 mei 2014.
Art. 12. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrêté ministériel du 7 décembre 2010 portant établissement et révision des données de référence lors de l'intégration de l'aide aux fruits à coque et aux semences de lin textile et d'épeautre dans le régime de paiement unique ;
  2° l'arrêté ministériel du 10 avril 2012 portant établissement et révision des données de référence lors de l'intégration de l'aide aux protéagineux dans le régime de paiement unique ;
  3° l'arrêté ministériel du 13 avril 2012 portant établissement et révision des données de référence lors de l'intégration de la prime à l'abattage des veaux au paiement unique ;
  4° l'arrêté ministériel du 27 avril 2012 portant établissement et révision des données de référence lors de l'intégration de l'aide à la transformation pour le lin textile et le chanvre textile reprise au paiement unique ;
  5° l'arrêté ministériel du 25 juin 2012 réglant des mesures d'aide spécifiques représentant une plus-value pour l'environnement agricole en exécution de l'article 2decies à 2duodecies inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, modifié par les arrêtés ministériels des 28 février 2013 et 26 mai 2014.
Art. 13. De besluiten, vermeld in artikel 12 blijven van toepassing op steunaanvragen en betalingsaanvragen die betrekking hebben op de campagnes die voorafgaan aan 1 januari 2015.
Art. 13. Les arrêtés visés à l'article 12 restent applicables aux demandes d'aide et de paiement relatives aux campagnes précédant le 1er janvier 2015.
Art. 14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015, met uitzondering van artikel 3, 2°, artikel 9, 10 en 11, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2016.
Art. 14. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2015, à l'exception des articles 3, 2°, 9, 10 et 11, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2016.
Art. 15. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le Ministre flamand ayant l'agriculture dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
  Bijlage 2. - Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 59, § 2
  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
  1° basispakket:
  a) als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  b) als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
  iii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  iv) het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot de inzaai van de volgende teelt;
  v) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  c) als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het behouden van de teelt of van de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
  ii) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  2° keuzepakket bufferstrook voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
  a) het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  b) het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  c) het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  d) het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  3° keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
  b) directe inzaai toepassen;
  c) strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
  d) het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
  e) het aanleggen van drempeltjes of toepassen van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
  4° keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
  b) het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
  De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
  a) de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
  b) eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
  c) de maatregel moet op een akkerbouwperceel, dat de landbouwer zelf gebruikt, aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
  d) enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  5° directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
  6° strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
  7° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
  2. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
  1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking van de bodem bieden:
  a) het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst of een overeenkomst gesloten in het kader van het erosiebesluit;
  2° teelten ingezaaid vóór 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket
  b) een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  3° teelten ingezaaid na 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket
  b) een maatregel toepassen zowel uit het keuzepakket bufferstroken als uit het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  4° meerjarige teelten: er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ofwel een maatregel toepassen uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.
Art. N1. Annexe 2 à l'arrêté du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune
  Annexe 2. - Mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'article 59, § 2.
  1. Dans la présente annexe, on entend par :
  1° paquet de base :
  a) si la culture est récoltée avant le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  b) si la culture est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le traitement du sol n'impliquant pas de retournement avant le 1er décembre ;
  iii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  iv) le maintien d'une couverture du sol par des résidus de récolte en cas de maïs à grain, choux de Bruxelles et autres choux jusqu'au semis de la culture suivante ;
  v) l'application du labour d'hiver en sillons (" labour d'hiver ") pour des parcelles ayant un sol argileux ou glaiseux ;
  c) si la culture n'est pas récoltée le 1er décembre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le maintien de la culture ou des résidus de culture jusqu'au semis de la culture suivante ;
  ii) l'application du labour d'hiver en sillons (" labour d'hiver ") pour des parcelles ayant un sol argileux ou glaiseux ;
  2° paquet d'options bande tampon pour des parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est très forte : au moins une des mesures suivantes :
  a) la présence ou l'aménagement d'une bande tampon herbeuse ayant une largeur minimale de 9 mètres pour une parcelle avec une pente uniforme, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  b) la présence ou l'aménagement d'un couloir herbeux ayant une largeur minimale de 12 mètres pour une parcelle avec un vallon sec ou une vallée sèche, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  c) la présence ou l'aménagement d'une zone herbeuse pour une parcelle à topographie complexe, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  d) la présence ou l'aménagement d'un barrage consistant en des matériaux végétaux pour une parcelle à topographie complexe, éventuellement en combinaison avec une bande tampon herbeuse, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  3° paquet d'options mesures techniques culturales pour des parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est très forte : exécuter au moins une des mesures suivantes :
  a) l'application de la préparation du sol sans le retourner avant le semis de la culture ;
  b) l'application du semis direct ;
  c) l'application de strip-till lors du semis de la culture ;
  d) l'aménagement de seuils pour les pommes de terre non biologiques. En cas de culture biologique de pommes de terre, le binage et le sarclage sont autorisés comme alternative pour les seuils ;
  e) l'aménagement de seuils ou l'application d'un labour à dents profond pour des cultures sur billons autres que les pommes de terre ;
  4° paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion : exécuter au moins une des mesures suivantes :
  a) la présence ou l'aménagement d'une digue de terre tampon avec fondrière, éventuellement avec une digue de terre conductrice ;
  b) la présence ou l'aménagement d'un bassin tampon, éventuellement avec une digue de terre conductrice ;
  Les mesures sont soumises aux conditions suivantes :
  a) l'aménagement des travaux structurels de lutte contre l'érosion répond au code de bonne pratique pour les travaux de lutte contre l'érosion et est obligatoirement coordonné par un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion. L'aménagement de la mesure doit être approuvé par l'autorité ou exécuté dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 mai 2009 relatif à la lutte contre l'érosion, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2010, dénommé ci-après l'arrêté relatif à l'érosion ;
  b) des travaux structurels de lutte contre l'érosion aménagés préalablement entrent en ligne de compte après leur approbation par l'autorité ou leur aménagement dans le cadre de l'arrêté relatif à l'érosion ;
  c) la mesure doit être présente sur une parcelle de cultures que l'agriculteur utilise lui-même. Les mesures présentes sur un domaine public n'entrent pas en ligne de compte ;
  d) seule la parcelle sur laquelle la mesure est aménagée répond au paquet de travaux structurels de lutte contre l'érosion. D'autres parcelles dont l'eau et le sédiment se retrouve dans l'équipement tampon, ne répondent pas au paquet de travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  5° ensemencement direct : l'ensemencement direct dans une couverture du sol suffisante. Afin de créer des conditions d'ensemencement favorables, il est autorisé en cas de semis direct que le sol soit ouvert et émietté avant la pénétration par les socs d'ensemencement. Concrètement, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents qui sont actifs dans la même ligne que les socs d'ensemencement et ayant une largeur de travail par disque de 3 cm au maximum ;
  6° strip-till : la technique où la culture est ensemencée sur une bande de terre labourée d'une largeur de 30 cm au maximum, tandis que le reste du champ reste non labouré et dispose d'une couverture du sol suffisante ;
  7° seuils : petits remblais de terre aménagés à travers les billons à l'aide d'une machine adaptée.
  2. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
  1° des cultures offrant une couverture entière du sol pendant toute l'année :
  a) la conversion de prairies permanentes en terres arables est interdite, à l'exception des prairies permanentes aménagées en exécution d'un contrat de gestion ou d'une convention conclue dans le cadre de l'arrêté relatif à l'érosion ;
  2° cultures ensemencées avant le 1er janvier :
  a) appliquer une mesure du paquet de base ;
  b) appliquer une mesure soit du paquet d'options bandes tampon, soit du paquet d'options mesures techniques culturales, soit du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  3° cultures ensemencées après le 1er janvier :
  a) appliquer une mesure du paquet de base ;
  b) appliquer une mesure tant du paquet d'options bandes tampon que du paquet d'options mesures techniques culturales, soit une mesure du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  4° cultures pluriannuelles : assurer que le sol est couvert pour au moins 80 % par la combinaison d'une part la culture même et d'autre part des graminées ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées, soit appliquer une mesure du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion.
Art. N2. Bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
  Bijlage 3. - Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 59, § 3
  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
  1° basispakket:
  a) als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  b) als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
  ii) de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
  iii) het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
  iv) het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot de inzaai van de volgende teelt;
  v) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  c) als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
  i) het behouden van de teelt of de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
  ii) het toepassen van wintervoorploegen (`winterlabeur') voor percelen met een klei- of leembodem;
  2° keuzepakket bufferstrook voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
  a) het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling;
  b) het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei;
  c) het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  d) het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
  3° keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
  b) directe inzaai toepassen;
  c) strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
  d) zaaien volgens de hoogtelijnen bij andere dan ruggenteelten;
  e) het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
  f) het aanleggen van drempeltjes of uitvoeren van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
  g) de kopakkers inzaaien met gras in de groeifase van de teelt.
  4° keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
  a) het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
  b) het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
  De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
  a) de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
  b) eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
  c) de maatregel moet op een akkerbouwperceel dat de landbouwer zelf gebruikt aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
  d) enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  5° directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
  6° strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
  7° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
  2. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
  1° teelten ingezaaid vóór 1 januari: ofwel een maatregel toepassen onder a) ofwel onder b)
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) minstens één maatregel toepassen uit een van de volgende keuzepakketten:
  i) het keuzepakket bufferstroken;
  ii) het keuzepakket teeltechnische maatregelen;
  iii) het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
  2° teelten ingezaaid na 1 januari:
  a) een maatregel toepassen uit het basispakket;
  b) een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken. Indien een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken wordt toegepast, is het toepassen van een maatregel onder a) niet verplicht;
  3° meerjarige teelten: ofwel een maatregel toepassen van a) ofwel van b):
  a) er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
  b) minstens één maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.
Art. N2. Annexe 3 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune
  Annexe 3. - Mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'article 59, § 3.
  1. Dans la présente annexe, on entend par :
  1° paquet de base :
  a) si la culture est récoltée avant le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  b) si la culture est récoltée après le 15 octobre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le semis d'un couvert végétal avant le 1er décembre ;
  ii) le traitement du sol n'impliquant pas de retournement avant le 1er décembre ;
  iii) le semis d'une autre culture avant le 1er décembre ;
  iv) le maintien d'une couverture du sol par des résidus de récolte en cas de maïs à grain, choux de Bruxelles et autres choux jusqu'au semis de la culture suivante ;
  v) l'application du labour d'hiver en sillons (" labour d'hiver ") pour des parcelles ayant un sol argileux ou glaiseux ;
  c) si la culture n'est pas récoltée le 1er décembre, au moins une des mesures suivantes :
  i) le maintien de la culture ou des résidus de culture jusqu'au semis de la culture suivante ;
  ii) l'application du labour d'hiver en sillons (" labour d'hiver ") pour des parcelles ayant un sol argileux ou glaiseux ;
  2° paquet d'options bande tampon pour des parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est forte : au moins une des mesures suivantes :
  a) la présence ou l'aménagement d'une bande tampon herbeuse ayant une largeur minimale de 9 mètres pour une parcelle avec une pente uniforme ;
  b) la présence ou l'aménagement d'un couloir herbeux ayant une largeur minimale de 12 mètres pour une parcelle avec un vallon sec ou une vallée sèche ;
  c) la présence ou l'aménagement d'une zone herbeuse pour une parcelle à topographie complexe, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  d) la présence ou l'aménagement d'un barrage consistant en des matériaux végétaux pour une parcelle à topographie complexe, éventuellement en combinaison avec une bande tampon herbeuse, en collaboration avec un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion ;
  3° paquet d'options mesures techniques culturales pour des parcelles dont la vulnérabilité à l'érosion est forte : exécuter au moins une des mesures suivantes :
  a) l'application de la préparation du sol sans le retourner avant le semis de la culture ;
  b) l'application du semis direct ;
  c) l'application de strip-till lors du semis de la culture ;
  d) le semis selon les courbes de niveau pour les cultures autres que les cultures sur billons ;
  e) l'aménagement de seuils pour les pommes de terre non biologiques. En cas de culture biologique de pommes de terre, le binage et le sarclage sont autorisés comme alternative pour les seuils ;
  f) l'aménagement de seuils ou l'exécution d'un labour à dents profond pour des cultures sur billons autres que les pommes de terre ;
  g) l'ensemencement d'herbe sur les fourrières pendant la phase de croissance de la culture.
  4° paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion : exécuter au moins une des mesures suivantes :
  a) la présence ou l'aménagement d'une digue de terre tampon avec fondrière, éventuellement avec une digue de terre conductrice ;
  b) la présence ou l'aménagement d'un bassin tampon, éventuellement avec une digue de terre conductrice ;
  Les mesures sont soumises aux conditions suivantes :
  a) l'aménagement des travaux structurels de lutte contre l'érosion répond au code de bonne pratique pour les travaux de lutte contre l'érosion et est obligatoirement coordonné par un planificateur d'entreprise ou un coordinateur d'érosion. L'aménagement de la mesure doit être approuvé par l'autorité ou exécuté dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 mai 2009 relatif à la lutte contre l'érosion, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2010, dénommé ci-après l'arrêté relatif à l'érosion ;
  b) des travaux structurels de lutte contre l'érosion aménagés préalablement entrent en ligne de compte après leur approbation par l'autorité ou leur aménagement dans le cadre de l'arrêté relatif à l'érosion ;
  c) la mesure doit être présente sur une parcelle de cultures que l'agriculteur utilise lui-même. Les mesures présentes sur un domaine public n'entrent pas en ligne de compte ;
  d) seule la parcelle sur laquelle la mesure est aménagée répond au paquet de travaux structurels de lutte contre l'érosion. D'autres parcelles dont l'eau et le sédiment se retrouve dans l'équipement tampon, ne répondent pas au paquet de travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  5° ensemencement direct : l'ensemencement direct dans une couverture du sol suffisante. Afin de créer des conditions d'ensemencement favorables, il est autorisé en cas de semis direct que le sol soit ouvert et émietté avant la pénétration par les socs d'ensemencement. Concrètement, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents qui sont actifs dans la même ligne que les socs d'ensemencement et ayant une largeur de travail par disque de 3 cm au maximum ;
  6° strip-till : la technique où la culture est ensemencée sur une bande de terre labourée d'une largeur de 30 cm au maximum, tandis que le reste du champ reste non labouré et dispose d'une couverture du sol suffisante ;
  7° seuils : petits remblais de terre aménagés à travers les billons à l'aide d'une machine adaptée.
  2. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
  1° cultures ensemencées avant le 1er janvier : appliquer une mesure soit sous a), soit sous b)
  a) appliquer une mesure du paquet de base ;
  b) appliquer au moins une mesure d'un des paquets d'options suivants :
  i) le paquet d'options bandes tampon ;
  ii) le paquet d'options mesures techniques culturales ;
  iii) le paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion ;
  2° cultures ensemencées après le 1er janvier :
  a) appliquer une mesure du paquet de base ;
  b) appliquer une mesure soit du paquet d'options bandes tampon, soit du paquet d'options mesures techniques culturales, soit du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion. Lorsqu'une mesure du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion est appliquée, l'application d'une mesure sous a) n'est pas obligatoire ;
  3° cultures pluriannuelles : appliquer une mesure soit de a), soit de b) :
  a) assurer que le sol est couvert pour au moins 80 % par la combinaison d'une part la culture même et d'autre part des graminées ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
  b) appliquer au moins une mesure soit du paquet d'options bandes tampon, soit du paquet d'options travaux structurels de lutte contre l'érosion.