Artikel 1. In artikel 2 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 8° wordt de zinsnede "vennootschappen" vervangen door het woord "rechtspersonen";
  2° in punt 10° wordt het woord "erfgoedpremie" vervangen door de woorden "erfgoed- of onderzoekspremie";
  3° in punt 20° worden tussen het woord "op" en het woord "regelmatige" de woorden "exemplarische wijze en op" ingevoegd en worden tussen het woord "doel" en het woord "op" de woorden "het grote publiek" ingevoegd;
  4° in punt 20° worden de woorden "in overeenstemming met de door de minister vastgestelde richtlijnen van publieksgerichte erfgoedontsluiting en dat uitdrukkelijk als dusdanig erkend" vervangen door de zinsnede "waarbij het integraal benaderd wordt, en waarvan de erkenning vermeld";
  5° er wordt een punt 22° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "22° /1 premie voor buitensporige opgravingskosten: de premie ter financiering van de buitensporige directe kosten van de verplichte en al uitgevoerde archeologische opgraving, zoals opgenomen in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota ter uitvoering van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;";
  6° punt 23° wordt opgeheven.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 DECEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 en van diverse besluiten wat betreft technische aanpassingen en archeologie en houdende vaststelling van lijst van aangeduide erkende archeologen
Titre
4 DECEMBRE 2015. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014 et divers arrĂȘtĂ©s en ce qui concerne les adaptations techniques et l'archĂ©ologie, et Ă©tablissant la liste des archĂ©ologues agréés dĂ©signĂ©s
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Onroerenderf...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van diverse besluiten
Afdeling 1. - Wijziging van het besluit van de ...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het besluit van d...
Afdeling 3. - Wijziging van het besluit van de ...
Afdeling 4. - Wijziging van het besluit van de ...
Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van d...
Afdeling 6. - Wijziging van het besluit van de ...
HOOFDSTUK 3. - Vaststelling van lijst van aange...
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'ArrĂȘtĂ© sur l...
CHAPITRE 2. - Modification de divers arrĂȘtĂ©s
Section 1. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
Section 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
Section 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
Section 4. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
Section 6. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver...
CHAPITRE 3. - Etablissement de la liste des arc...
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Tekst (79)
Texte (79)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014
Article 1er. A l'article 2 de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 8°, le membre de phrase " sociétés " est remplacé par les mots " personnes morales " ;
  2° dans le point 10°, les mots " prime du patrimoine " sont remplacés par les mots " prime du patrimoine ou à la recherche " ;
  3° dans le point 20°, les mots " exemplaire et " sont insérés entre les mots " sur une base " et le mot " réguliÚre ", et les mots " au grand public " sont insérés entre le mot " fournir " et les mots " , de maniÚre " ;
  4° dans le point 20°, les mots " conformément aux directives fixées par le Ministre concernant le désenclavement du patrimoine de maniÚre orientée vers le public et qui est explicitement reconnu comme tel " sont remplacés par le membre de phrase " qui fait l'objet d'une approche intégrée, et dont la reconnaissance est mentionnée " ;
  5° il est inséré un point 22° /1, rédigé comme suit :
  " 22° /1 prime pour frais de fouilles excessifs : la prime pour le financement des coûts directs excessifs des fouilles obligatoires et déjà effectuées, telles que reprises à la note archéologique ratifiée ou la note ratifiée en exécution de l'article 5.4.1. du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; " ;
  6° le point 23° est abrogé.
  1° dans le point 8°, le membre de phrase " sociétés " est remplacé par les mots " personnes morales " ;
  2° dans le point 10°, les mots " prime du patrimoine " sont remplacés par les mots " prime du patrimoine ou à la recherche " ;
  3° dans le point 20°, les mots " exemplaire et " sont insérés entre les mots " sur une base " et le mot " réguliÚre ", et les mots " au grand public " sont insérés entre le mot " fournir " et les mots " , de maniÚre " ;
  4° dans le point 20°, les mots " conformément aux directives fixées par le Ministre concernant le désenclavement du patrimoine de maniÚre orientée vers le public et qui est explicitement reconnu comme tel " sont remplacés par le membre de phrase " qui fait l'objet d'une approche intégrée, et dont la reconnaissance est mentionnée " ;
  5° il est inséré un point 22° /1, rédigé comme suit :
  " 22° /1 prime pour frais de fouilles excessifs : la prime pour le financement des coûts directs excessifs des fouilles obligatoires et déjà effectuées, telles que reprises à la note archéologique ratifiée ou la note ratifiée en exécution de l'article 5.4.1. du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; " ;
  6° le point 23° est abrogé.
Art. 2. Artikel 3.5.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3.5.1 Een aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog is ontvankelijk als de aanvrager een overzicht indient van alle verslagen die hij moet indienen overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium nadat aan hem een vergunning is verleend als vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium. In het overzicht motiveert de aanvrager, in voorkomend geval, waarom hij bepaalde verslagen nog niet heeft ingediend.".
  "Art. 3.5.1 Een aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog is ontvankelijk als de aanvrager een overzicht indient van alle verslagen die hij moet indienen overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium nadat aan hem een vergunning is verleend als vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium. In het overzicht motiveert de aanvrager, in voorkomend geval, waarom hij bepaalde verslagen nog niet heeft ingediend.".
Art. 2. L'article 3.5.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 3.5.1 Une demande de dĂ©signation comme archĂ©ologue agréé est recevable lorsque le demandeur introduit un aperçu de tous les rapports qui sont requis conformĂ©ment Ă l'article 14, § 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, aprĂšs qu'une autorisation lui est octroyĂ©e telle que visĂ©e Ă l'article 6 du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique. Dans l'aperçu, le demandeur motive le cas Ă©chĂ©ant pourquoi il n'a pas encore introduit certains rapports. ".
  " Art. 3.5.1 Une demande de dĂ©signation comme archĂ©ologue agréé est recevable lorsque le demandeur introduit un aperçu de tous les rapports qui sont requis conformĂ©ment Ă l'article 14, § 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, aprĂšs qu'une autorisation lui est octroyĂ©e telle que visĂ©e Ă l'article 6 du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique. Dans l'aperçu, le demandeur motive le cas Ă©chĂ©ant pourquoi il n'a pas encore introduit certains rapports. ".
Art. 3. Aan artikel 3.5.2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
  "7° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
Art. 3. L'article 3.5.2, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est complĂ©tĂ© par un point 7°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 7° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
  " 7° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
Art. 4. Aan artikel 3.5.3, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
  "8° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
Art. 4. L'article 3.5.3, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est complĂ©tĂ© par un point 8°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 8° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
  " 8° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3.5.7/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 3.5.7/1. In het kader van de opvolging van de aanduiding als erkende archeoloog moet de erkende archeoloog:
  1° alle wijzigingen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, onverwijld met een beveiligde zending melden aan het agentschap;
  2° bij de uitvoering van veldwerk altijd een kopie van zijn legitimatiebewijs van erkende archeoloog kunnen voorleggen;
  3° archeologisch onderzoek altijd uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk;
  4° als het een natuurlijk persoon is, blijven beschikken over een archeologische opgravingservaring van minimaal een jaar gedurende vijf jaar;
  5° als het een rechtspersoon is, blijven beschikken over minstens één erkende archeoloog die beschikt over een opgravingservaring van minstens drie jaar gedurende tien jaar.".
  "Art. 3.5.7/1. In het kader van de opvolging van de aanduiding als erkende archeoloog moet de erkende archeoloog:
  1° alle wijzigingen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, onverwijld met een beveiligde zending melden aan het agentschap;
  2° bij de uitvoering van veldwerk altijd een kopie van zijn legitimatiebewijs van erkende archeoloog kunnen voorleggen;
  3° archeologisch onderzoek altijd uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk;
  4° als het een natuurlijk persoon is, blijven beschikken over een archeologische opgravingservaring van minimaal een jaar gedurende vijf jaar;
  5° als het een rechtspersoon is, blijven beschikken over minstens één erkende archeoloog die beschikt over een opgravingservaring van minstens drie jaar gedurende tien jaar.".
Art. 5. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 3.5.7/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 3.5.7/1. Dans le cadre du suivi de la désignation comme archéologue agréé, l'archéologue agréé doit :
  1° communiquer sans tarder à l'agence, par envoi sécurisé, toutes les modifications qui ont trait aux conditions d'agrément ;
  2° lors de l'exécution de travail sur le terrain, toujours pouvoir présenter une copie de sa preuve de légitimation d'archéologue agréé ;
  3° toujours effectuer des recherches archĂ©ologiques conformĂ©ment aux dispositions du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et du code de bonne pratique ;
  4° s'il est une personne physique, continuer à disposer d'une expérience de fouille archéologique d'au moins un an pendant cinq ans ;
  5° s'il est une personne morale, continuer à disposer d'au moins un archéologue agréé qui dispose d'une expérience de fouille d'au moins trois ans pendant dix ans. ".
  " Art. 3.5.7/1. Dans le cadre du suivi de la désignation comme archéologue agréé, l'archéologue agréé doit :
  1° communiquer sans tarder à l'agence, par envoi sécurisé, toutes les modifications qui ont trait aux conditions d'agrément ;
  2° lors de l'exécution de travail sur le terrain, toujours pouvoir présenter une copie de sa preuve de légitimation d'archéologue agréé ;
  3° toujours effectuer des recherches archĂ©ologiques conformĂ©ment aux dispositions du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et du code de bonne pratique ;
  4° s'il est une personne physique, continuer à disposer d'une expérience de fouille archéologique d'au moins un an pendant cinq ans ;
  5° s'il est une personne morale, continuer à disposer d'au moins un archéologue agréé qui dispose d'une expérience de fouille d'au moins trois ans pendant dix ans. ".
Art. 6. In artikel 3.5.9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden de woorden "of dit besluit" vervangen door de zinsnede ", dit besluit of de code van goede praktijk";
  2° er wordt een punt 5° toegevoegd dat luidt als volgt:
  "5° of de voorwaarden voor de opvolging van de aanduiding niet naleeft.".
  1° in punt 1° worden de woorden "of dit besluit" vervangen door de zinsnede ", dit besluit of de code van goede praktijk";
  2° er wordt een punt 5° toegevoegd dat luidt als volgt:
  "5° of de voorwaarden voor de opvolging van de aanduiding niet naleeft.".
Art. 6. A l'article 3.5.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ© les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 1°, les mots " ou le prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " , le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou le code de bonne pratique " ;
  2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° ou ne respecte pas les conditions du suivi de la désignation. "
  1° dans le point 1°, les mots " ou le prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " , le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou le code de bonne pratique " ;
  2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° ou ne respecte pas les conditions du suivi de la désignation. "
Art. 7. Aan artikel 3.6.1 van hetzelfde besluit wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt:
  "4° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
  "4° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.".
Art. 7. L'article 3.6.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un point 4°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 4° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
  " 4° ne pas ĂȘtre suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la derniĂšre annĂ©e d'un retrait d'un agrĂ©ment pour le non respect du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou du code de bonne pratique. ".
Art. 8. In artikel 3.6.6, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden "en dit besluit" vervangen door de zinsnede ", dit besluit en de code van goede praktijk".
Art. 8. Dans l'article 3.6.6, 3°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou du prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " , du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et du code de bonne pratique ".
Art. 9. Aan artikel 3.6.8, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden "of dit besluit" vervangen door de zinsnede ", dit besluit of de code van goede praktijk".
Art. 9. Dans l'article 3.6.8, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou le prĂ©sent arrĂȘtĂ© " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " , le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou le code de bonne pratique ".
Art. 10. In artikel 3.6.9, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "archeoloog" vervangen door het woord "metaaldetectorist".
Art. 10. Dans l'article 3.6.9, alinĂ©a quatre, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " archĂ©ologue " est remplacĂ© par les mots " dĂ©tectoriste de mĂ©taux ".
Art. 11. In hoofdstuk 5 van hetzelfde besluit worden een artikel 5.1.1 tot en met 5.6.4 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Afdeling 1. - Toevalsvondsten
  Art. 5.1.1. De zakelijkrechthouder en de gebruiker van een onroerend goed kunnen een vergoeding vorderen voor schade ten gevolge van de verlenging van de termijn van tien dagen, vermeld in artikel 5.1.4, vijfde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De vergoeding wordt berekend op basis van de aangetoonde schade die ontstaan is vanaf de eenendertigste dag na de aangifte van de toevalsvondst bij het agentschap.
  Het agentschap stelt die vergoeding vast en keert ze uit. Bij betwisting stelt de bevoegde rechtbank de vergoeding vast.
  De zakelijkrechthouder en de gebruiker kunnen geen aanspraak maken op een vergoeding als ze zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Art. 5.1.2. De aanvraag van een vergoeding wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap. De aanvraag bevat minstens:
  1° de naam en het adres van de aanvrager;
  2° de locatie van het archeologisch onderzoek;
  3° de omschrijving van de schade;
  4° de raming van de schade met de nodige bewijsstukken.
  Afdeling 2. - Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles
  Art. 5.2.1. § 1. Het agentschap houdt een register van bewaarplaatsen, zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles bij. Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker een publiekrechtelijk rechtspersoon of een erkend onroerenderfgoeddepot is, worden de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek bekendgemaakt.
  De minister kan de nadere vormvereisten voor het register, vermeld in het eerste lid, bepalen.
  § 2. Iedereen die een archeologisch artefact of archeologisch ensemble wetenschappelijk wil onderzoeken, maakt die intentie schriftelijk bekend aan het agentschap, waarbij minstens de volgende gegevens worden vermeld:
  1° de contactgegevens van de verzoeker;
  2° de omschrijving van het gewenste wetenschappelijk onderzoek.
  Het agentschap bezorgt de intentie, vermeld in het eerste lid, aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker van het archeologisch artefact of het archeologisch ensemble, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.
  Als de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek beschikbaar zijn in het register, maakt de verzoeker, in afwijking van het eerste lid, zijn intentie rechtstreeks schriftelijk bekend aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.
  Art. 5.2.2. Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking om de wijziging van de bewaarplaats van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble te melden.
  Art. 5.2.3. Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking voor de melding van het voornemen om een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble buiten het Vlaamse Gewest te brengen.
  De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble wordt vrijgesteld van de melding van het voornemen om het buiten het Vlaamse Gewest te brengen als vermeld in artikel 5.2.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als het zich maximaal vijf jaar buiten het Vlaamse Gewest zal bevinden en als het buiten het Vlaamse Gewest gebracht wordt wegens educatieve, wetenschappelijke of conservatiedoeleinden en als daarvoor een schriftelijke overeenkomst wordt gesloten. De schriftelijke overeenkomst kan meermaals voor een periode van maximaal vijf jaar worden hernieuwd. Bij hernieuwing van de overeenkomst is evenmin een melding nodig.
  Art. 5.2.4. Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is de zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble dat tot stand is gekomen voor 1 januari 2016, vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.2.2 en 5.2.3 van het voormelde decreet.
  In afwijking van het eerste lid moeten erkende onroerenderfgoeddepots waaraan het beheer van archeologische artefacten en archeologische ensembles is toevertrouwd, ook voor archeologische artefacten en archeologische ensembles die tot stand zijn gekomen voor 1 januari 2016, maar in het depot opgenomen werden na deze datum, de nodige meldingen doen overeenkomstig artikel 5.2.2 en 5.2.3 van dit besluit.
  Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem
  Onderafdeling 2. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Art. 5.4.2. Na vooronderzoek zonder ingreep in de bodem moet geen vooronderzoek met ingreep in de bodem volgen, indien het vooronderzoek zonder ingreep in de bodem voldoende informatie genereert om een archeologienota of nota op te maken die voldoet aan de bepalingen daarover in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk.
  Art. 5.4.3. De melding van het voornemen om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel 5.4.6, § 1, tweede lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het vooronderzoek met ingreep in de bodem;
  3° de plannen, kaarten en foto's die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de melding.
  Art. 5.4.4. Als het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 3. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen archeologienota
  Art. 5.4.5. De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  5° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  6° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  8° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  9° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  10° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  11° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.6. De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bevat, naast de gegevens bepaald in artikel 5.4.12, eerste lid, van het voormelde decreet, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  3° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem betrokken zijn;
  6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  7° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  8° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  9° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.7. Als het agentschap de archeologienota weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 4. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoeren bekrachtigde archeologienota
  Art. 5.4.8. De erkende archeoloog meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 5.4.14 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, schriftelijk en minstens drie dagen op voorhand.
  Onderafdeling 5. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen nota
  Art. 5.4.9. De nota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  6° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  8° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  9° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  10° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  11° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  12° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.10. Als het agentschap de nota weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 6. - Verplichtingen vergunningsverlener - Afwijkende vergunde werken
  Art. 5.4.11. Als de ingreep in de bodem van de vergunde werken afwijkt van de ingreep in de bodem van de werken, omschreven in de bekrachtigde archeologienota, geldt de bekrachtigde archeologienota niet als toelating voor de maatregelen die erin omschreven zijn. In voorkomend geval geldt de procedure overeenkomstig artikel 5.4.16 tot en met artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Onderafdeling 7. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Melding aanvang archeologische opgraving
  Art. 5.4.12. De melding van de aanvang van de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.4.10 en 5.4.18 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.
  Onderafdeling 8. - Ontsluiting en publicatie
  Art. 5.4.13. Het agentschap bezorgt de bekrachtigde archeologienota en de bekrachtigde nota in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente en de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. Het agentschap stelt de resultaten van het archeologisch vooronderzoek publiek beschikbaar op zijn website.
  Art. 5.4.14. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, binnen zes maanden nadat hij het bezorgd heeft aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.
  Art. 5.4.15. Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.
  Afdeling 5. - Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen
  Art. 5.5.1. De aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel 5.5.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° een samenvatting van de resultaten van het al uitgevoerde archeologisch vooronderzoek;
  2° de competenties waarover de uitvoerders van het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving beschikken;
  3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving;
  4° de plannen, kaarten en foto's, die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de aanvraag tot toelating.
  Art. 5.5.2. De erkende archeoloog bezorgt de aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, schriftelijk en met een beveiligde zending aan het agentschap.
  Art. 5.5.3. Het agentschap neemt een beslissing over de aanvraag tot toelating binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend.
  Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de toelating geacht te zijn goedgekeurd.
  Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing met een beveiligde zending aan de erkende archeoloog. De gemotiveerde beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
  De toelating wordt verleend voor een termijn van maximaal twee jaar, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid. Een afschrift van de toelating of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing is tijdens de uitvoering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving ter beschikking op het terrein in kwestie.
  Art. 5.5.4. Met toepassing van artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in afwijking van artikel 5.5.1 tot en met artikel 5.5.3, van dit besluit geldt voor archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen die volgen op een toevalsvondst en uitgevoerd worden door het agentschap, een onmiddellijke toelating.
  Art. 5.5.5. Als het agentschap de toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Art. 5.5.6. De melding van de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.5.4, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.
  Art. 5.5.7. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.5.4, derde en vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, binnen zes maanden nadat hij het bezorgd heeft aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.
  Art. 5.5.8. Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.
  Afdeling 6. - Beroepsprocedure
  Art. 5.6.1. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente over:
  1° de weigering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  2° de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  3° de weigering van de bekrachtiging van de nota of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  4° de weigering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen of het koppelen van voorwaarden daaraan.
  Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.
  Het beroepschrift wordt gedagtekend en ondertekend door de indiener van het beroep of door zijn raadsman. Als de woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de indiener van het beroep, wordt dat ook in het beroepschrift aangegeven.
  De indiener van het beroep kan bij het beroepschrift de bewijsstukken voegen die hij nodig acht. De bewijsstukken worden door de indiener van het beroep gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
  Art. 5.6.2. De minister gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 5.6.1, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
  Als het beroepschrift onvolledig is, kan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de indiening van het beroep, de beroepsindiener met een beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij het beroep te voegen, en de termijn bepalen waarin dat moet gebeuren.
  Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, bij het beroepschrift te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
  Art. 5.6.3. De minister kan over het beroepschrift het advies van de Commissie inwinnen.
  De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de ontvangst van de adviesvraag om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
  Art. 5.6.4. De minister beslist over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.
  Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt onverwijld met een beveiligde zending bezorgd aan de erkende archeoloog.".
  "Afdeling 1. - Toevalsvondsten
  Art. 5.1.1. De zakelijkrechthouder en de gebruiker van een onroerend goed kunnen een vergoeding vorderen voor schade ten gevolge van de verlenging van de termijn van tien dagen, vermeld in artikel 5.1.4, vijfde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De vergoeding wordt berekend op basis van de aangetoonde schade die ontstaan is vanaf de eenendertigste dag na de aangifte van de toevalsvondst bij het agentschap.
  Het agentschap stelt die vergoeding vast en keert ze uit. Bij betwisting stelt de bevoegde rechtbank de vergoeding vast.
  De zakelijkrechthouder en de gebruiker kunnen geen aanspraak maken op een vergoeding als ze zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Art. 5.1.2. De aanvraag van een vergoeding wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap. De aanvraag bevat minstens:
  1° de naam en het adres van de aanvrager;
  2° de locatie van het archeologisch onderzoek;
  3° de omschrijving van de schade;
  4° de raming van de schade met de nodige bewijsstukken.
  Afdeling 2. - Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles
  Art. 5.2.1. § 1. Het agentschap houdt een register van bewaarplaatsen, zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles bij. Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker een publiekrechtelijk rechtspersoon of een erkend onroerenderfgoeddepot is, worden de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek bekendgemaakt.
  De minister kan de nadere vormvereisten voor het register, vermeld in het eerste lid, bepalen.
  § 2. Iedereen die een archeologisch artefact of archeologisch ensemble wetenschappelijk wil onderzoeken, maakt die intentie schriftelijk bekend aan het agentschap, waarbij minstens de volgende gegevens worden vermeld:
  1° de contactgegevens van de verzoeker;
  2° de omschrijving van het gewenste wetenschappelijk onderzoek.
  Het agentschap bezorgt de intentie, vermeld in het eerste lid, aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker van het archeologisch artefact of het archeologisch ensemble, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.
  Als de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek beschikbaar zijn in het register, maakt de verzoeker, in afwijking van het eerste lid, zijn intentie rechtstreeks schriftelijk bekend aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.
  Art. 5.2.2. Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking om de wijziging van de bewaarplaats van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble te melden.
  Art. 5.2.3. Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking voor de melding van het voornemen om een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble buiten het Vlaamse Gewest te brengen.
  De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble wordt vrijgesteld van de melding van het voornemen om het buiten het Vlaamse Gewest te brengen als vermeld in artikel 5.2.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als het zich maximaal vijf jaar buiten het Vlaamse Gewest zal bevinden en als het buiten het Vlaamse Gewest gebracht wordt wegens educatieve, wetenschappelijke of conservatiedoeleinden en als daarvoor een schriftelijke overeenkomst wordt gesloten. De schriftelijke overeenkomst kan meermaals voor een periode van maximaal vijf jaar worden hernieuwd. Bij hernieuwing van de overeenkomst is evenmin een melding nodig.
  Art. 5.2.4. Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is de zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble dat tot stand is gekomen voor 1 januari 2016, vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.2.2 en 5.2.3 van het voormelde decreet.
  In afwijking van het eerste lid moeten erkende onroerenderfgoeddepots waaraan het beheer van archeologische artefacten en archeologische ensembles is toevertrouwd, ook voor archeologische artefacten en archeologische ensembles die tot stand zijn gekomen voor 1 januari 2016, maar in het depot opgenomen werden na deze datum, de nodige meldingen doen overeenkomstig artikel 5.2.2 en 5.2.3 van dit besluit.
  Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem
  Onderafdeling 2. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Art. 5.4.2. Na vooronderzoek zonder ingreep in de bodem moet geen vooronderzoek met ingreep in de bodem volgen, indien het vooronderzoek zonder ingreep in de bodem voldoende informatie genereert om een archeologienota of nota op te maken die voldoet aan de bepalingen daarover in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk.
  Art. 5.4.3. De melding van het voornemen om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel 5.4.6, § 1, tweede lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het vooronderzoek met ingreep in de bodem;
  3° de plannen, kaarten en foto's die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de melding.
  Art. 5.4.4. Als het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 3. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen archeologienota
  Art. 5.4.5. De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  5° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  6° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  8° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  9° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  10° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  11° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.6. De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bevat, naast de gegevens bepaald in artikel 5.4.12, eerste lid, van het voormelde decreet, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  3° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem betrokken zijn;
  6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  7° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  8° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  9° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.7. Als het agentschap de archeologienota weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 4. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoeren bekrachtigde archeologienota
  Art. 5.4.8. De erkende archeoloog meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 5.4.14 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, schriftelijk en minstens drie dagen op voorhand.
  Onderafdeling 5. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen nota
  Art. 5.4.9. De nota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  6° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  8° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  9° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  10° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek, of, in geval van rechtspersonen, de volgende gegevens van de gemandateerden:
  a) de naam;
  b) het adres;
  c) het rijksregisternummer of een ander uniek nationaal identificatienummer voor natuurlijke personen;
  11° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  12° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.
  Art. 5.4.10. Als het agentschap de nota weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Onderafdeling 6. - Verplichtingen vergunningsverlener - Afwijkende vergunde werken
  Art. 5.4.11. Als de ingreep in de bodem van de vergunde werken afwijkt van de ingreep in de bodem van de werken, omschreven in de bekrachtigde archeologienota, geldt de bekrachtigde archeologienota niet als toelating voor de maatregelen die erin omschreven zijn. In voorkomend geval geldt de procedure overeenkomstig artikel 5.4.16 tot en met artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Onderafdeling 7. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Melding aanvang archeologische opgraving
  Art. 5.4.12. De melding van de aanvang van de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.4.10 en 5.4.18 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.
  Onderafdeling 8. - Ontsluiting en publicatie
  Art. 5.4.13. Het agentschap bezorgt de bekrachtigde archeologienota en de bekrachtigde nota in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente en de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. Het agentschap stelt de resultaten van het archeologisch vooronderzoek publiek beschikbaar op zijn website.
  Art. 5.4.14. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, binnen zes maanden nadat hij het bezorgd heeft aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.
  Art. 5.4.15. Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.
  Afdeling 5. - Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen
  Art. 5.5.1. De aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel 5.5.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° een samenvatting van de resultaten van het al uitgevoerde archeologisch vooronderzoek;
  2° de competenties waarover de uitvoerders van het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving beschikken;
  3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving;
  4° de plannen, kaarten en foto's, die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de aanvraag tot toelating.
  Art. 5.5.2. De erkende archeoloog bezorgt de aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, schriftelijk en met een beveiligde zending aan het agentschap.
  Art. 5.5.3. Het agentschap neemt een beslissing over de aanvraag tot toelating binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend.
  Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de toelating geacht te zijn goedgekeurd.
  Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing met een beveiligde zending aan de erkende archeoloog. De gemotiveerde beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
  De toelating wordt verleend voor een termijn van maximaal twee jaar, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid. Een afschrift van de toelating of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing is tijdens de uitvoering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving ter beschikking op het terrein in kwestie.
  Art. 5.5.4. Met toepassing van artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in afwijking van artikel 5.5.1 tot en met artikel 5.5.3, van dit besluit geldt voor archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen die volgen op een toevalsvondst en uitgevoerd worden door het agentschap, een onmiddellijke toelating.
  Art. 5.5.5. Als het agentschap de toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.
  Art. 5.5.6. De melding van de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.5.4, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.
  Art. 5.5.7. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.5.4, derde en vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, binnen zes maanden nadat hij het bezorgd heeft aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.
  Art. 5.5.8. Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.
  Afdeling 6. - Beroepsprocedure
  Art. 5.6.1. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente over:
  1° de weigering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  2° de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  3° de weigering van de bekrachtiging van de nota of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  4° de weigering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen of het koppelen van voorwaarden daaraan.
  Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.
  Het beroepschrift wordt gedagtekend en ondertekend door de indiener van het beroep of door zijn raadsman. Als de woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de indiener van het beroep, wordt dat ook in het beroepschrift aangegeven.
  De indiener van het beroep kan bij het beroepschrift de bewijsstukken voegen die hij nodig acht. De bewijsstukken worden door de indiener van het beroep gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
  Art. 5.6.2. De minister gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 5.6.1, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
  Als het beroepschrift onvolledig is, kan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de indiening van het beroep, de beroepsindiener met een beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij het beroep te voegen, en de termijn bepalen waarin dat moet gebeuren.
  Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, bij het beroepschrift te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
  Art. 5.6.3. De minister kan over het beroepschrift het advies van de Commissie inwinnen.
  De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de ontvangst van de adviesvraag om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
  Art. 5.6.4. De minister beslist over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.
  Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt onverwijld met een beveiligde zending bezorgd aan de erkende archeoloog.".
Art. 11. Dans le chapitre 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont insĂ©rĂ©s les articles 5.1.1 Ă 5.6.4 inclus, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Section 1re. - Trouvailles fortuites
  Art. 5.1.1. Le titulaire du droit réel et l'usager d'un bien immobilier peuvent réclamer une indemnité pour des dommages découlant de la prolongation du délai de dix jours, visé à l'article 5.1.4, alinéa cinq, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  L'indemnité est calculée sur la base des dommages démontrés survenus à partir du trente et uniÚme jour aprÚs la déclaration de la trouvaille fortuite auprÚs de l'agence.
  L'agence fixe cette indemnisation et la paie. Le tribunal compétent fixe l'indemnisation en cas de contestation.
  Le titulaire du droit réel et l'usager ne peuvent pas prétendre à une indemnité s'ils n'ont pas respecté les obligations, visées à l'article 5.1.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Art. 5.1.2. La demande d'une indemnité est introduite par écrit auprÚs de l'agence. La demande comprend au moins :
  1° le nom et l'adresse du demandeur ;
  2° l'endroit de la recherche archéologique ;
  3° la description des dommages ;
  4° l'estimation des dommages et les piÚces justificatives nécessaires.
  Section 2. - Obligations des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques
  Art. 5.2.1. § 1er. L'agence tient un registre des lieux de conservation, des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques. Si le titulaire du droit réel ou l'usager est une personne morale de droit public ou un dépÎt agréé du patrimoine immobilier, les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont rendues publiques.
  Le Ministre peut fixer les exigences de forme détaillées pour le registre, visé à l'alinéa premier.
  § 2. Toute personne qui veut soumettre un artefact archéologique ou un ensemble archéologique à des recherches scientifiques, notifie cette intention par écrit à l'agence, en mentionnant au moins les données suivantes :
  1° les coordonnées du demandeur ;
  2° la description de la recherche scientifique souhaitée.
  L'agence transmet l'intention, visée à l'alinéa premier, au titulaire du droit réel ou à l'usager de l'artefact archéologique ou de l'ensemble archéologique, qui prend contact avec le demandeur aprÚs l'évaluation de l'intention.
  Si les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont disponibles au public dans le registre, le demandeur notifie, par dérogation à l'alinéa premier, son intention directement par écrit au titulaire du droit réel ou à l'usager, qui prend contact avec le demandeur aprÚs l'évaluation de l'intention.
  Art. 5.2.2. Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier la modification du lieu de conservation d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique.
  Art. 5.2.3. Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier l'intention de sortir un artefact archéologique ou un ensemble archéologique de la Région flamande.
  Le titulaire du droit rĂ©el ou l'usager d'un artefact archĂ©ologique ou d'un ensemble archĂ©ologique est dispensĂ© de la notification de l'intention de le sortir de la RĂ©gion flamande, tel que visĂ© Ă l'article 5.2.3 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, s'il se trouvera pendant au maximum cinq annĂ©es en dehors de la RĂ©gion flamande et s'il est sorti de la RĂ©gion flamande pour des objectifs Ă©ducatifs, scientifiques ou de conservation, et si une convention Ă©crite est conclue Ă cette fin. La convention Ă©crite peut ĂȘtre renouvelĂ©e plusieurs fois pour une pĂ©riode maximale de cinq annĂ©es. En cas de renouvellement de la convention, une notification n'est pas non plus requise.
  Art. 5.2.4. Sans préjudice de l'application des obligations, visées aux articles 5.1.1 et 5.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le titulaire du droit réel ou l'usager d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique qui s'est produit avant le 1er janvier 2016, est dispensé des obligations, visées aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du décret précité.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a premier, les dĂ©pĂŽts agréés du patrimoine immobilier auxquels la gestion d'artefacts archĂ©ologiques et d'ensembles archĂ©ologiques est confiĂ©e, doivent Ă©galement faire les notifications nĂ©cessaires conformĂ©ment aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour des artefacts archĂ©ologiques et des ensembles archĂ©ologiques qui se sont produits avant le 1er janvier 2016 mais ont Ă©tĂ© repris au dĂ©pĂŽt aprĂšs cette date.
  Section 4. - Recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation
  Sous-section 2. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol
  Art. 5.4.2. Des recherches prĂ©liminaires sans intervention dans le sol ne doivent pas ĂȘtre suivies de recherches prĂ©liminaires avec intervention dans le sol si les recherches prĂ©liminaires sans intervention dans le sol produisent suffisamment d'informations pour Ă©tablir une note archĂ©ologique ou une note qui rĂ©pond aux dispositions en la matiĂšre dans le DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et le code de bonne pratique.
  Art. 5.4.3. La notification de l'intention d'effectuer des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol comprend, outre les données, visées à l'article 5.4.6, § 1er, alinéa deux, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  2° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches préliminaires avec intervention dans le sol ;
  3° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la notification.
  Art. 5.4.4. Si l'agence ou, le cas échéant, la commune agréée de patrimoine immobilier, refuse les recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 3. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note archéologique
  Art. 5.4.5. La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siÚge social de l'archéologue agréé ;
  4° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  5° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  8° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  9° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  10° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  11° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.6. La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données fixées à l'article 5.4.12, alinéa premier, du décret précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  2° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  3° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de maniÚre précise ;
  5° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  6° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  7° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  8° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  9° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.7. Si l'agence refuse la note archéologique ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 4. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Exécution de la note archéologique ratifiée
  Art. 5.4.8. L'archéologue agréé signale le début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, visé à l'article 5.4.14 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, par écrit et au moins trois jours à l'avance.
  Sous-section 5. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note
  Art. 5.4.9. La note, établie conformément à l'article 5.4.16 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siÚge social de l'archéologue agréé ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de maniÚre précise ;
  5° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  8° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  9° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  10° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  11° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  12° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.10. Si l'agence refuse la note ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 6. - Obligations de l'instance délivrant l'autorisation - Travaux autorisés déviants
  Art. 5.4.11. Si l'intervention dans le sol des travaux autorisés dévie de l'intervention dans le sol des travaux, décrite dans la note archéologique ratifiée, la note archéologique ratifiée ne fait pas office d'autorisation pour les mesures décrites dans la note. Le cas échéant, la procédure sera appliquée conformément aux articles 5.4.16 à 5.4.21 inclus du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Sous-section 7. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Notification du début des fouilles archéologiques
  Art. 5.4.12. La notification du début des fouilles archéologiques, visé aux articles 5.4.10 et 5.4.18 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit au moins trois jours à l'avance.
  Sous-section 8. - Ouverture et publication
  Art. 5.4.13. L'agence transmet la note archéologique ratifiée et la note ratifiée, le cas échéant, à la commune agréée de patrimoine immobilier et au service intercommunal agréé du patrimoine immobilier. L'agence rend les résultats des recherches archéologiques préliminaires disponibles au public sur son site web.
  Art. 5.4.14. L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.4.21 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les six mois aprÚs l'avoir transmis à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.
  Art. 5.4.15. L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.
  Section 5. - Recherches archéologiques en vue de questionnements scientifiques
  Art. 5.5.1. La demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques, comprend, outre les données, visées à l'article 5.5.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° un résumé des résultats des recherches archéologiques préliminaires déjà effectuées ;
  2° les compétences dont disposent les exécutants des recherches archéologiques préliminaires ou des fouilles archéologiques ;
  3° une proposition motivée concernant la conservation ou le dépÎt de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques ;
  4° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la demande d'autorisation.
  Art. 5.5.2. L'archéologue agréé transmet la demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques, par écrit et par envoi sécurisé à l'agence.
  Art. 5.5.3. L'agence prend une décision sur la demande d'autorisation dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour de l'introduction de la demande.
  Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, l'autorisation est censĂ©e ĂȘtre approuvĂ©e.
  L'agence transmet la décision motivée ou la notification de la décision tacite par envoi sécurisé à l'archéologue agréé. La décision motivée mentionne les conditions applicables.
  L'autorisation est accordée pour un délai de deux ans au maximum, qui prend cours le jour suivant la date de la décision ou l'expiration du délai visé à l'alinéa premier. Une copie de l'autorisation ou de la notification de la décision tacite est disponible sur le terrain en question pendant l'exécution des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques.
  Art. 5.5.4. En application de l'article 5.1.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et par dĂ©rogation aux articles 5.5.1 Ă 5.5.3 inclus du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, une autorisation immĂ©diate s'applique aux recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires avec intervention dans le sol et aux fouilles archĂ©ologiques qui suivent une trouvaille fortuite et sont exĂ©cutĂ©es par l'agence.
  Art. 5.5.5. Si l'agence refuse l'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou y associe des conditions, l'archéologue agréé peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure, visée à la section 6.
  Art. 5.5.6. La notification du début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol et des fouilles archéologiques, visé à l'article 5.5.4, alinéa premier, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit et au moins trois jours à l'avance.
  Art. 5.5.7. L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.5.4, alinéas trois et quatre, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les six mois aprÚs l'avoir transmis à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.
  Art. 5.5.8. L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.
  Section 6. - Procédure de recours
  Art. 5.6.1. L'acte de recours est introduit par envoi sécurisé dans un délai de trente jours qui prend cours le jour aprÚs la notification de la décision de l'agence ou, le cas échéant, de la commune agréée de patrimoine immobilier concernant :
  1° le refus des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou le fait d'y associer des conditions ;
  2° le refus de la ratification de la note archéologique ou le fait d'y associer des conditions ;
  3° le refus de la ratification de la note ou le fait d'y associer des conditions ;
  4° le refus des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou le fait d'y associer des conditions.
  L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e.
  L'acte de recours est daté et signé par l'auteur du recours ou par son conseil. Lorsque le choix de domicile est fait auprÚs du conseil de l'auteur du recours, cet élément est également indiqué dans l'acte de recours.
  L'auteur du recours peut joindre à l'acte de recours les piÚces justificatives qu'il estime nécessaires. Les piÚces justificatives sont rassemblées par l'auteur du recours et inscrites à un inventaire.
  Art. 5.6.2. Le Ministre vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 5.6.1, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
  Lorsque l'acte de recours est incomplet, le Ministre peut demander Ă l'auteur du recours, dans un dĂ©lai de trente jours qui prend cours le jour aprĂšs la date de l'introduction du recours, par envoi sĂ©curisĂ©, de joindre les donnĂ©es manquantes ou les documents manquants au recours, et fixer le dĂ©lai dans lequel cela doit ĂȘtre fait.
  Lorsque l'auteur du recours néglige de joindre à l'acte de recours les données manquantes ou documents manquants dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.
  Art. 5.6.3. Le Ministre peut demander l'avis de la Commission concernant l'acte de recours.
  La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs la date de la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
  Art. 5.6.4. Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour aprÚs la réception de l'acte de recours.
  Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans le dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance applicable, le recours est censĂ© ĂȘtre rejetĂ©. La dĂ©cision est transmise sans dĂ©lai Ă l'archĂ©ologue agréé par envoi sĂ©curisĂ©. ".
  " Section 1re. - Trouvailles fortuites
  Art. 5.1.1. Le titulaire du droit réel et l'usager d'un bien immobilier peuvent réclamer une indemnité pour des dommages découlant de la prolongation du délai de dix jours, visé à l'article 5.1.4, alinéa cinq, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  L'indemnité est calculée sur la base des dommages démontrés survenus à partir du trente et uniÚme jour aprÚs la déclaration de la trouvaille fortuite auprÚs de l'agence.
  L'agence fixe cette indemnisation et la paie. Le tribunal compétent fixe l'indemnisation en cas de contestation.
  Le titulaire du droit réel et l'usager ne peuvent pas prétendre à une indemnité s'ils n'ont pas respecté les obligations, visées à l'article 5.1.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Art. 5.1.2. La demande d'une indemnité est introduite par écrit auprÚs de l'agence. La demande comprend au moins :
  1° le nom et l'adresse du demandeur ;
  2° l'endroit de la recherche archéologique ;
  3° la description des dommages ;
  4° l'estimation des dommages et les piÚces justificatives nécessaires.
  Section 2. - Obligations des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques
  Art. 5.2.1. § 1er. L'agence tient un registre des lieux de conservation, des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques. Si le titulaire du droit réel ou l'usager est une personne morale de droit public ou un dépÎt agréé du patrimoine immobilier, les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont rendues publiques.
  Le Ministre peut fixer les exigences de forme détaillées pour le registre, visé à l'alinéa premier.
  § 2. Toute personne qui veut soumettre un artefact archéologique ou un ensemble archéologique à des recherches scientifiques, notifie cette intention par écrit à l'agence, en mentionnant au moins les données suivantes :
  1° les coordonnées du demandeur ;
  2° la description de la recherche scientifique souhaitée.
  L'agence transmet l'intention, visée à l'alinéa premier, au titulaire du droit réel ou à l'usager de l'artefact archéologique ou de l'ensemble archéologique, qui prend contact avec le demandeur aprÚs l'évaluation de l'intention.
  Si les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont disponibles au public dans le registre, le demandeur notifie, par dérogation à l'alinéa premier, son intention directement par écrit au titulaire du droit réel ou à l'usager, qui prend contact avec le demandeur aprÚs l'évaluation de l'intention.
  Art. 5.2.2. Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier la modification du lieu de conservation d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique.
  Art. 5.2.3. Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier l'intention de sortir un artefact archéologique ou un ensemble archéologique de la Région flamande.
  Le titulaire du droit rĂ©el ou l'usager d'un artefact archĂ©ologique ou d'un ensemble archĂ©ologique est dispensĂ© de la notification de l'intention de le sortir de la RĂ©gion flamande, tel que visĂ© Ă l'article 5.2.3 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, s'il se trouvera pendant au maximum cinq annĂ©es en dehors de la RĂ©gion flamande et s'il est sorti de la RĂ©gion flamande pour des objectifs Ă©ducatifs, scientifiques ou de conservation, et si une convention Ă©crite est conclue Ă cette fin. La convention Ă©crite peut ĂȘtre renouvelĂ©e plusieurs fois pour une pĂ©riode maximale de cinq annĂ©es. En cas de renouvellement de la convention, une notification n'est pas non plus requise.
  Art. 5.2.4. Sans préjudice de l'application des obligations, visées aux articles 5.1.1 et 5.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le titulaire du droit réel ou l'usager d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique qui s'est produit avant le 1er janvier 2016, est dispensé des obligations, visées aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du décret précité.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a premier, les dĂ©pĂŽts agréés du patrimoine immobilier auxquels la gestion d'artefacts archĂ©ologiques et d'ensembles archĂ©ologiques est confiĂ©e, doivent Ă©galement faire les notifications nĂ©cessaires conformĂ©ment aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour des artefacts archĂ©ologiques et des ensembles archĂ©ologiques qui se sont produits avant le 1er janvier 2016 mais ont Ă©tĂ© repris au dĂ©pĂŽt aprĂšs cette date.
  Section 4. - Recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation
  Sous-section 2. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol
  Art. 5.4.2. Des recherches prĂ©liminaires sans intervention dans le sol ne doivent pas ĂȘtre suivies de recherches prĂ©liminaires avec intervention dans le sol si les recherches prĂ©liminaires sans intervention dans le sol produisent suffisamment d'informations pour Ă©tablir une note archĂ©ologique ou une note qui rĂ©pond aux dispositions en la matiĂšre dans le DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et le code de bonne pratique.
  Art. 5.4.3. La notification de l'intention d'effectuer des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol comprend, outre les données, visées à l'article 5.4.6, § 1er, alinéa deux, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  2° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches préliminaires avec intervention dans le sol ;
  3° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la notification.
  Art. 5.4.4. Si l'agence ou, le cas échéant, la commune agréée de patrimoine immobilier, refuse les recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 3. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note archéologique
  Art. 5.4.5. La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siÚge social de l'archéologue agréé ;
  4° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  5° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  8° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  9° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  10° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  11° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.6. La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données fixées à l'article 5.4.12, alinéa premier, du décret précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  2° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  3° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de maniÚre précise ;
  5° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  6° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  7° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  8° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  9° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.7. Si l'agence refuse la note archéologique ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 4. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Exécution de la note archéologique ratifiée
  Art. 5.4.8. L'archéologue agréé signale le début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, visé à l'article 5.4.14 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, par écrit et au moins trois jours à l'avance.
  Sous-section 5. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note
  Art. 5.4.9. La note, établie conformément à l'article 5.4.16 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siÚge social de l'archéologue agréé ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de maniÚre précise ;
  5° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  8° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  9° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matiÚre dans le code de bonne pratique ;
  10° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires, ou, en cas de personnes morales, les données suivantes des mandataires :
  a) le nom ;
  b) l'adresse ;
  c) le numéro de registre national ou un autre numéro d'identification national unique pour personnes physiques ;
  11° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  12° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.
  Art. 5.4.10. Si l'agence refuse la note ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure visée à la section 6.
  Sous-section 6. - Obligations de l'instance délivrant l'autorisation - Travaux autorisés déviants
  Art. 5.4.11. Si l'intervention dans le sol des travaux autorisés dévie de l'intervention dans le sol des travaux, décrite dans la note archéologique ratifiée, la note archéologique ratifiée ne fait pas office d'autorisation pour les mesures décrites dans la note. Le cas échéant, la procédure sera appliquée conformément aux articles 5.4.16 à 5.4.21 inclus du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Sous-section 7. - Obligations de l'archéologue agréé désigné - Notification du début des fouilles archéologiques
  Art. 5.4.12. La notification du début des fouilles archéologiques, visé aux articles 5.4.10 et 5.4.18 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit au moins trois jours à l'avance.
  Sous-section 8. - Ouverture et publication
  Art. 5.4.13. L'agence transmet la note archéologique ratifiée et la note ratifiée, le cas échéant, à la commune agréée de patrimoine immobilier et au service intercommunal agréé du patrimoine immobilier. L'agence rend les résultats des recherches archéologiques préliminaires disponibles au public sur son site web.
  Art. 5.4.14. L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.4.21 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les six mois aprÚs l'avoir transmis à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.
  Art. 5.4.15. L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.
  Section 5. - Recherches archéologiques en vue de questionnements scientifiques
  Art. 5.5.1. La demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques, comprend, outre les données, visées à l'article 5.5.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° un résumé des résultats des recherches archéologiques préliminaires déjà effectuées ;
  2° les compétences dont disposent les exécutants des recherches archéologiques préliminaires ou des fouilles archéologiques ;
  3° une proposition motivée concernant la conservation ou le dépÎt de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques ;
  4° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la demande d'autorisation.
  Art. 5.5.2. L'archéologue agréé transmet la demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques, par écrit et par envoi sécurisé à l'agence.
  Art. 5.5.3. L'agence prend une décision sur la demande d'autorisation dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour de l'introduction de la demande.
  Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, l'autorisation est censĂ©e ĂȘtre approuvĂ©e.
  L'agence transmet la décision motivée ou la notification de la décision tacite par envoi sécurisé à l'archéologue agréé. La décision motivée mentionne les conditions applicables.
  L'autorisation est accordée pour un délai de deux ans au maximum, qui prend cours le jour suivant la date de la décision ou l'expiration du délai visé à l'alinéa premier. Une copie de l'autorisation ou de la notification de la décision tacite est disponible sur le terrain en question pendant l'exécution des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques.
  Art. 5.5.4. En application de l'article 5.1.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et par dĂ©rogation aux articles 5.5.1 Ă 5.5.3 inclus du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, une autorisation immĂ©diate s'applique aux recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires avec intervention dans le sol et aux fouilles archĂ©ologiques qui suivent une trouvaille fortuite et sont exĂ©cutĂ©es par l'agence.
  Art. 5.5.5. Si l'agence refuse l'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou y associe des conditions, l'archéologue agréé peut introduire un recours administratif organisé auprÚs du Ministre selon la procédure, visée à la section 6.
  Art. 5.5.6. La notification du début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol et des fouilles archéologiques, visé à l'article 5.5.4, alinéa premier, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit et au moins trois jours à l'avance.
  Art. 5.5.7. L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.5.4, alinéas trois et quatre, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les six mois aprÚs l'avoir transmis à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.
  Art. 5.5.8. L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.
  Section 6. - Procédure de recours
  Art. 5.6.1. L'acte de recours est introduit par envoi sécurisé dans un délai de trente jours qui prend cours le jour aprÚs la notification de la décision de l'agence ou, le cas échéant, de la commune agréée de patrimoine immobilier concernant :
  1° le refus des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou le fait d'y associer des conditions ;
  2° le refus de la ratification de la note archéologique ou le fait d'y associer des conditions ;
  3° le refus de la ratification de la note ou le fait d'y associer des conditions ;
  4° le refus des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou le fait d'y associer des conditions.
  L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e.
  L'acte de recours est daté et signé par l'auteur du recours ou par son conseil. Lorsque le choix de domicile est fait auprÚs du conseil de l'auteur du recours, cet élément est également indiqué dans l'acte de recours.
  L'auteur du recours peut joindre à l'acte de recours les piÚces justificatives qu'il estime nécessaires. Les piÚces justificatives sont rassemblées par l'auteur du recours et inscrites à un inventaire.
  Art. 5.6.2. Le Ministre vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 5.6.1, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
  Lorsque l'acte de recours est incomplet, le Ministre peut demander Ă l'auteur du recours, dans un dĂ©lai de trente jours qui prend cours le jour aprĂšs la date de l'introduction du recours, par envoi sĂ©curisĂ©, de joindre les donnĂ©es manquantes ou les documents manquants au recours, et fixer le dĂ©lai dans lequel cela doit ĂȘtre fait.
  Lorsque l'auteur du recours néglige de joindre à l'acte de recours les données manquantes ou documents manquants dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.
  Art. 5.6.3. Le Ministre peut demander l'avis de la Commission concernant l'acte de recours.
  La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs la date de la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
  Art. 5.6.4. Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour aprÚs la réception de l'acte de recours.
  Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans le dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance applicable, le recours est censĂ© ĂȘtre rejetĂ©. La dĂ©cision est transmise sans dĂ©lai Ă l'archĂ©ologue agréé par envoi sĂ©curisĂ©. ".
Art. 12. In hetzelfde besluit worden een hoofdstuk 5, afdeling 3 en een afdeling 4, onderafdeling 1 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Afdeling 3. - Code van goede praktijk
  Art. 5.3.1. De minister stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren als vermeld in artikel 5.3.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem
  Onderafdeling 1. - Gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt
  Art. 5.4.1. De minister stelt, na mededeling aan de Vlaamse Regering, de gebieden vast waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, vermeld in artikel 5.4.1, derde lid, 1°, en artikel 5.4.2, derde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, worden vastgesteld als een gegeorefereerd plan waarop die gebieden nauwkeurig worden aangeduid. Dat gegeorefereerd plan wordt publiek toegankelijk gemaakt op een GIS-laag op een website van het agentschap.
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt: de gebieden waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat ze met hoge waarschijnlijkheid geen archeologische waarde hebben.".
  "Afdeling 3. - Code van goede praktijk
  Art. 5.3.1. De minister stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren als vermeld in artikel 5.3.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem
  Onderafdeling 1. - Gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt
  Art. 5.4.1. De minister stelt, na mededeling aan de Vlaamse Regering, de gebieden vast waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, vermeld in artikel 5.4.1, derde lid, 1°, en artikel 5.4.2, derde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, worden vastgesteld als een gegeorefereerd plan waarop die gebieden nauwkeurig worden aangeduid. Dat gegeorefereerd plan wordt publiek toegankelijk gemaakt op een GIS-laag op een website van het agentschap.
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt: de gebieden waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat ze met hoge waarschijnlijkheid geen archeologische waarde hebben.".
Art. 12. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un chapitre 5, section 3 et une section 4, sous-section 1, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Section 3. - Code de bonne pratique
  Art. 5.3.1. Le Ministre établit un code de bonne pratique pour l'exécution de recherches archéologiques préliminaires et de fouilles archéologiques et pour l'utilisation de détecteurs de métaux, ainsi que les rapports en la matiÚre, tels que visés à l'article 5.3.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Section 4. - Recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation
  Sous-section 1. - Zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique
  Art. 5.4.1. Le Ministre fixe, aprĂšs communication au Gouvernement flamand, les zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique, visĂ©es Ă l'article 5.4.1, alinĂ©a trois, 1°, et l'article 5.4.2, alinĂ©a trois, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Les zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique sont fixĂ©es comme un plan gĂ©orĂ©fĂ©rencĂ© sur lequel ces zones sont indiquĂ©es de maniĂšre prĂ©cise. Ce plan gĂ©orĂ©fĂ©rencĂ© est rendu accessible au public sur une couche GIS sur un site web de l'agence.
  Dans les alinĂ©as premier et deux, on entend par zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique : les zones qui, sur la base d'observations et d'arguments scientifiques, peuvent ĂȘtre dĂ©clarĂ©es avec une probabilitĂ© importante comme possĂ©dant aucune valeur archĂ©ologique. ".
  " Section 3. - Code de bonne pratique
  Art. 5.3.1. Le Ministre établit un code de bonne pratique pour l'exécution de recherches archéologiques préliminaires et de fouilles archéologiques et pour l'utilisation de détecteurs de métaux, ainsi que les rapports en la matiÚre, tels que visés à l'article 5.3.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Section 4. - Recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation
  Sous-section 1. - Zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique
  Art. 5.4.1. Le Ministre fixe, aprĂšs communication au Gouvernement flamand, les zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique, visĂ©es Ă l'article 5.4.1, alinĂ©a trois, 1°, et l'article 5.4.2, alinĂ©a trois, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Les zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique sont fixĂ©es comme un plan gĂ©orĂ©fĂ©rencĂ© sur lequel ces zones sont indiquĂ©es de maniĂšre prĂ©cise. Ce plan gĂ©orĂ©fĂ©rencĂ© est rendu accessible au public sur une couche GIS sur un site web de l'agence.
  Dans les alinĂ©as premier et deux, on entend par zones oĂč l'on ne s'attend pas Ă trouver un patrimoine archĂ©ologique : les zones qui, sur la base d'observations et d'arguments scientifiques, peuvent ĂȘtre dĂ©clarĂ©es avec une probabilitĂ© importante comme possĂ©dant aucune valeur archĂ©ologique. ".
Art. 13. In artikel 6.2.5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt punt 1° opgeheven;
  2° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Als voor de handelingen, vermeld in het eerste lid, ook een toelating vereist is omwille van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of archeologische site, geldt de meldingsprocedure, vermeld in artikel 6.3.12, niet.
  Voor de hele of gedeeltelijke sloop, het optrekken, het plaatsen of het herbouwen van een gebouw of een constructie in een beschermd stads- of dorpsgezicht moet een toelating gevraagd worden overeenkomstig artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11.".
  1° in het eerste lid wordt punt 1° opgeheven;
  2° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Als voor de handelingen, vermeld in het eerste lid, ook een toelating vereist is omwille van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of archeologische site, geldt de meldingsprocedure, vermeld in artikel 6.3.12, niet.
  Voor de hele of gedeeltelijke sloop, het optrekken, het plaatsen of het herbouwen van een gebouw of een constructie in een beschermd stads- of dorpsgezicht moet een toelating gevraagd worden overeenkomstig artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11.".
Art. 13. A l'article 6.2.5 du mĂȘme arrĂȘtĂ© les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, le point 1° est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa trois et un alinéa quatre, rédigés comme suit :
  " Si, pour les actes visés à l'alinéa premier, une autorisation est également requise en raison d'une protection comme monument, paysage culturo-historique ou site archéologique, la procédure de notification visée à l'article 6.3.12 ne s'applique pas.
  Pour la dĂ©molition totale ou partielle, l'Ă©rection, l'installation ou la reconstruction d'un bĂątiment ou d'une construction dans un site urbain ou rural protĂ©gĂ©, une autorisation doit ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment aux articles 6.3.2 Ă 6.3.11 inclus. ".
  1° dans l'alinéa premier, le point 1° est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa trois et un alinéa quatre, rédigés comme suit :
  " Si, pour les actes visés à l'alinéa premier, une autorisation est également requise en raison d'une protection comme monument, paysage culturo-historique ou site archéologique, la procédure de notification visée à l'article 6.3.12 ne s'applique pas.
  Pour la dĂ©molition totale ou partielle, l'Ă©rection, l'installation ou la reconstruction d'un bĂątiment ou d'une construction dans un site urbain ou rural protĂ©gĂ©, une autorisation doit ĂȘtre demandĂ©e conformĂ©ment aux articles 6.3.2 Ă 6.3.11 inclus. ".
Art. 14. In artikel 6.3.5, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "waarop de" en het woord "aanvraag" het woord "volledige" ingevoegd.
Art. 14. Dans l'article 6.3.5, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " complĂšte " est insĂ©rĂ© entre les mots " la demande " et les mots " est introduite ".
Art. 15. In artikel 6.3.6 van hetzelfde besluit worden de woorden "het eerste lid" vervangen door de zinsnede "artikel 6.3.5, eerste lid".
Art. 15. Dans l'article 6.3.6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " l'alinĂ©a premier " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " l'article 6.3.5, alinĂ©a premier ".
Art. 16. In artikel 6.3.7 van hetzelfde besluit worden tussen het woord "een" en het woord "toelating" de woorden "uitdrukkelijke of stilzwijgende" ingevoegd.
Art. 16. Dans l'article 6.3.7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " explicite ou tacite " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " une autorisation " et les mots " est octroyĂ©e ".
Art. 17. In artikel 6.3.12, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de zinsnede "6.2.5" en de zinsnede ", wordt" de woorden "of het beschermingsbesluit" ingevoegd.
Art. 17. Dans l'article 6.3.12, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou Ă l'arrĂȘtĂ© de protection " sont insĂ©rĂ©s entre le membre de phrase " l'article 6.2.5 " et le membre de phrase " , une notification ".
Art. 18. In artikel 6.3.14 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het woord "dertig" wordt vervangen door het woord "vijftien";
  2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "de dag na de datum waarop de personen of instanties, vermeld in artikel 6.3.6 en 6.3.7, eerste lid, 2°, het afschrift van de bestreden beslissing of de mededeling ontvangen;";
  3° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 6.3.7, eerste lid, 1°, in de overige gevallen.";
  4° punt 3° wordt opgeheven.
  1° het woord "dertig" wordt vervangen door het woord "vijftien";
  2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "de dag na de datum waarop de personen of instanties, vermeld in artikel 6.3.6 en 6.3.7, eerste lid, 2°, het afschrift van de bestreden beslissing of de mededeling ontvangen;";
  3° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 6.3.7, eerste lid, 1°, in de overige gevallen.";
  4° punt 3° wordt opgeheven.
Art. 18. A l'article 6.3.14 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le mot " trente " est remplacé par le mot " quinze " ;
  2° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " le jour aprÚs la date à laquelle les personnes ou instances, visées aux articles 6.3.6 et 6.3.7, alinéa premier, 2°, reçoivent la copie de la décision contestée ou de la communication ; " ;
  3° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " le jour aprÚs le premier jour de l'affichage de la décision contestée conformément à l'article 6.3.7, alinéa premier, 1°, dans les autres cas. " ;
  4° le point 3° est abrogé.
  1° le mot " trente " est remplacé par le mot " quinze " ;
  2° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " le jour aprÚs la date à laquelle les personnes ou instances, visées aux articles 6.3.6 et 6.3.7, alinéa premier, 2°, reçoivent la copie de la décision contestée ou de la communication ; " ;
  3° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " le jour aprÚs le premier jour de l'affichage de la décision contestée conformément à l'article 6.3.7, alinéa premier, 1°, dans les autres cas. " ;
  4° le point 3° est abrogé.
Art. 19. In artikel 6.3.16 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing en in voorkomend geval de datum van aanplakking.".
  "Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing en in voorkomend geval de datum van aanplakking.".
Art. 19. Dans l'article 6.3.16 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a deux est remplacĂ© par ce qui suit :
  " L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e et, le cas Ă©chĂ©ant, la date de l'affichage. ".
  " L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e et, le cas Ă©chĂ©ant, la date de l'affichage. ".
Art. 20. In artikel 6.3.22 van hetzelfde besluit worden de woorden "afschrift van de toelating" vervangen door de woorden "mededeling die te kennen geeft dat de toelating is verleend".
Art. 20. Dans l'article 6.3.22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " une copie de l'autorisation " sont remplacĂ©s par les mots " une communication qui fait savoir que l'autorisation est octroyĂ©e ".
Art. 21. Aan hoofdstuk 6 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 8, die bestaat uit een artikel 6.8.1, toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 8. - Informatieplicht met betrekking tot publiciteit
  Art. 6.8.1. De publiciteit, zowel in digitale als papieren vorm, die verbonden is aan de situaties, vermeld in artikel 6.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat de volgende gegevens:
  1° de vermelding dat het gaat om een beschermd monument, beschermd landschap, beschermd cultuurhistorisch landschap, beschermd stadsgezicht, beschermd dorpsgezicht, beschermde archeologische site, beschermde archeologische zone of een beschermd archeologisch monument;
  2° de vermelding "voor meer informatie over de rechtsgevolgen, ga naar www.onroerenderfgoed.be";
  Als het publiciteitsmedium het gebruik van een beperkte hoeveelheid informatie veronderstelt, kan er gebruikgemaakt worden van de verkorte vermelding "beschermd (info: www.onroerenderfgoed.be)".".
  "Afdeling 8. - Informatieplicht met betrekking tot publiciteit
  Art. 6.8.1. De publiciteit, zowel in digitale als papieren vorm, die verbonden is aan de situaties, vermeld in artikel 6.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat de volgende gegevens:
  1° de vermelding dat het gaat om een beschermd monument, beschermd landschap, beschermd cultuurhistorisch landschap, beschermd stadsgezicht, beschermd dorpsgezicht, beschermde archeologische site, beschermde archeologische zone of een beschermd archeologisch monument;
  2° de vermelding "voor meer informatie over de rechtsgevolgen, ga naar www.onroerenderfgoed.be";
  Als het publiciteitsmedium het gebruik van een beperkte hoeveelheid informatie veronderstelt, kan er gebruikgemaakt worden van de verkorte vermelding "beschermd (info: www.onroerenderfgoed.be)".".
Art. 21. Le chapitre 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par une section 8, qui se compose de l'article 6.8.1, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 8. - Obligation d'information concernant la publicité
  Art. 6.8.1. La publicité, tant numérique que sur papier, qui est liée aux situations, visées à l'article 6.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend les données suivantes :
  1° la mention qu'il s'agit d'un monument protégé, d'un paysage protégé, d'un paysage culturo-historique protégé, d'un site urbain protégé, d'un site rural protégé, d'un site archéologique protégé, d'une zone archéologique protégée ou d'un monument archéologique protégé ;
  2° la mention " pour de plus amples informations sur les conséquences juridiques, consultez www.onroerenderfgoed.be " ;
  Si le support publicitaire requiert l'utilisation d'une quantitĂ© limitĂ©e d'informations, la mention raccourcie " protĂ©gĂ© (info : www.onroerenderfgoed.be) " peut ĂȘtre utilisĂ©e. ".
  " Section 8. - Obligation d'information concernant la publicité
  Art. 6.8.1. La publicité, tant numérique que sur papier, qui est liée aux situations, visées à l'article 6.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend les données suivantes :
  1° la mention qu'il s'agit d'un monument protégé, d'un paysage protégé, d'un paysage culturo-historique protégé, d'un site urbain protégé, d'un site rural protégé, d'un site archéologique protégé, d'une zone archéologique protégée ou d'un monument archéologique protégé ;
  2° la mention " pour de plus amples informations sur les conséquences juridiques, consultez www.onroerenderfgoed.be " ;
  Si le support publicitaire requiert l'utilisation d'une quantitĂ© limitĂ©e d'informations, la mention raccourcie " protĂ©gĂ© (info : www.onroerenderfgoed.be) " peut ĂȘtre utilisĂ©e. ".
Art. 22. Aan artikel 8.1.4 van hetzelfde besluit waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. In voorkomend geval wordt in een afzonderlijk deel van het beheersplan aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van open erfgoed, vermeld in artikel 8.4.1.
  Als het aangewezen is om af te wijken van de openstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 8.4.1, 5°, wordt in dat onderdeel van het beheersplan een motivatie daarvoor opgenomen.".
  " § 2. In voorkomend geval wordt in een afzonderlijk deel van het beheersplan aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van open erfgoed, vermeld in artikel 8.4.1.
  Als het aangewezen is om af te wijken van de openstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 8.4.1, 5°, wordt in dat onderdeel van het beheersplan een motivatie daarvoor opgenomen.".
Art. 22. L'article 8.1.4 du mĂȘme dĂ©cret, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complĂ©tĂ© par un paragraphe 2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 2. Le cas échéant, une partie distincte du plan de gestion démontre que les conditions du patrimoine ouvert, visées à l'article 8.4.1, sont remplies.
  S'il est indiqué de déroger aux conditions d'ouverture, visées à l'article 8.4.1, 5°, cette partie du plan de gestion reprend une motivation à cet effet. " .
  " § 2. Le cas échéant, une partie distincte du plan de gestion démontre que les conditions du patrimoine ouvert, visées à l'article 8.4.1, sont remplies.
  S'il est indiqué de déroger aux conditions d'ouverture, visées à l'article 8.4.1, 5°, cette partie du plan de gestion reprend une motivation à cet effet. " .
Art. 23. In artikel 8.1.10 van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.".
  "Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.".
Art. 23. Dans l'article 8.1.10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a trois est remplacĂ© par ce qui suit :
  " L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e. "
  " L'acte de recours comprend au moins une requĂȘte motivĂ©e avec mention de la date et du numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence de la dĂ©cision contestĂ©e. "
Art. 24. Aan hoofdstuk 8 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 3 toegevoegd, waarvan het opschrift luidt als volgt:
  "Afdeling 3. - Geïntegreerde beheersplannen".
  "Afdeling 3. - Geïntegreerde beheersplannen".
Art. 24. Le chapitre 8 du mĂȘme dĂ©cret est complĂ©tĂ© par une section 3, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 3. - Plans de gestion intégrés ".
  " Section 3. - Plans de gestion intégrés ".
Art. 25. Aan hoofdstuk 8 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 4, die bestaat uit artikel 8.4.1 en 8.4.2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 4. - Open Erfgoed
  Art. 8.4.1. Een beschermd goed, een erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een op zichzelf staand geheel vormt, kan erkend worden als open erfgoed als het aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het goed wordt op een (inter)actieve en sprekende manier ontsloten;
  2° de openstelling geeft de bezoeker inzicht in de erfgoedwaarden, -kenmerken en -elementen van het goed in hun maatschappelijke context;
  3° de openstelling richt zich op minstens twee verschillende doelgroepen;
  4° de openstelling is exemplarisch voor Vlaanderen of een ruimer gebied op de volgende vlakken:
  a) de ontsluiting van de erfgoedwaarden van het goed;
  b) het gebruik van innovatieve ontsluitingstechnieken;
  c) het beheer van de site;
  d) de publiekswerking en de publiciteit errond;
  5° het goed wordt gedurende een periode van tien jaar minstens vijftig dagen en driehonderd uur per jaar opengesteld. Die periode begint te lopen de dag na ontvangst van het verzoek tot uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie die op grond van de erkenning als open erfgoed is toegekend. In de beslissing waarbij het beheersplan wordt goedgekeurd, kunnen afwijkende openstellingsperiodes worden opgenomen;
  6° het goed is, in de mate dat de verplichtingen van de bescherming dat toelaten, integraal toegankelijk voor bezoekers. Daarvoor moet een advies over de toegankelijkheid gevraagd worden aan de instantie die erkend is door de Vlaamse Regering;
  7° de openstelling mag niet leiden tot verlies of beschadiging van erfgoedwaarden. Als dat nodig is, wordt er in flankerende maatregelen voorzien om dat risico te vermijden of te beperken, of om de negatieve gevolgen teniet te doen;
  8° het goed maakt deel uit van een netwerk dat specifiek gericht is op erfgoedontsluiting.
  Art. 8.4.2. Een goed wordt erkend als open erfgoed samen met de goedkeuring van een beheersplan door het agentschap.
  Daarvoor wordt in het ontwerp van het beheersplan een afzonderlijk deel opgenomen, waarin aangetoond wordt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8.4.1.
  Het agentschap kan over de erkenning als open erfgoed het advies van de Commissie inwinnen.".
  "Afdeling 4. - Open Erfgoed
  Art. 8.4.1. Een beschermd goed, een erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een op zichzelf staand geheel vormt, kan erkend worden als open erfgoed als het aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het goed wordt op een (inter)actieve en sprekende manier ontsloten;
  2° de openstelling geeft de bezoeker inzicht in de erfgoedwaarden, -kenmerken en -elementen van het goed in hun maatschappelijke context;
  3° de openstelling richt zich op minstens twee verschillende doelgroepen;
  4° de openstelling is exemplarisch voor Vlaanderen of een ruimer gebied op de volgende vlakken:
  a) de ontsluiting van de erfgoedwaarden van het goed;
  b) het gebruik van innovatieve ontsluitingstechnieken;
  c) het beheer van de site;
  d) de publiekswerking en de publiciteit errond;
  5° het goed wordt gedurende een periode van tien jaar minstens vijftig dagen en driehonderd uur per jaar opengesteld. Die periode begint te lopen de dag na ontvangst van het verzoek tot uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie die op grond van de erkenning als open erfgoed is toegekend. In de beslissing waarbij het beheersplan wordt goedgekeurd, kunnen afwijkende openstellingsperiodes worden opgenomen;
  6° het goed is, in de mate dat de verplichtingen van de bescherming dat toelaten, integraal toegankelijk voor bezoekers. Daarvoor moet een advies over de toegankelijkheid gevraagd worden aan de instantie die erkend is door de Vlaamse Regering;
  7° de openstelling mag niet leiden tot verlies of beschadiging van erfgoedwaarden. Als dat nodig is, wordt er in flankerende maatregelen voorzien om dat risico te vermijden of te beperken, of om de negatieve gevolgen teniet te doen;
  8° het goed maakt deel uit van een netwerk dat specifiek gericht is op erfgoedontsluiting.
  Art. 8.4.2. Een goed wordt erkend als open erfgoed samen met de goedkeuring van een beheersplan door het agentschap.
  Daarvoor wordt in het ontwerp van het beheersplan een afzonderlijk deel opgenomen, waarin aangetoond wordt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8.4.1.
  Het agentschap kan over de erkenning als open erfgoed het advies van de Commissie inwinnen.".
Art. 25. Le chapitre 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par une section 4, composĂ©e d'un article 8.4.1 et d'un article 8.4.2, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 4. - Patrimoine ouvert
  Art. 8.4.1. Un bien protĂ©gĂ©, un paysage patrimonial, ou une partie qui constitue un ensemble Ă part, peut ĂȘtre agréé(e) comme patrimoine ouvert s'il (elle) remplit les conditions suivantes :
  1° le bien est désenclavé de maniÚre (inter)active et parlante ;
  2° l'ouverture aide le visiteur à comprendre les valeurs, caractéristiques et éléments patrimoniaux du bien dans leur contexte social ;
  3° l'ouverture est axée sur au moins deux groupes-cibles différents ;
  4° l'ouverture est exemplaire pour la Flandre ou une zone plus étendue dans les domaines suivants :
  a) l'ouverture des valeurs patrimoniales du bien ;
  b) l'utilisation de techniques de désenclavement innovantes ;
  c) la gestion du site ;
  d) les activités pour le public et la publicité y afférente ;
  5° le bien est ouvert au moins cinquante jours et trois cent heures par an pendant une période de dix ans. Cette période prend cours le jour aprÚs la réception de la demande de paiement du solde de la prime du patrimoine octroyé sur la base de l'agrément comme patrimoine ouvert. La décision d'approbation du plan de gestion peut comprendre des périodes d'ouverture déviantes ;
  6° le bien est intĂ©gralement accessible aux visiteurs, dans la mesure oĂč les obligations de la protection le permettent. A cet effet, un avis sur l'accessibilitĂ© doit ĂȘtre demandĂ© Ă l'instance agréée par le Gouvernement flamand ;
  7° l'ouverture ne peut pas aboutir à la perte ou au dommage de valeurs patrimoniales. Si nécessaire, des mesures d'encadrement sont prévues afin d'éviter ou de limiter ce risque ou d'éliminer les incidences négatives ;
  8° le bien fait partie d'un réseau axé spécifiquement sur le désenclavement du patrimoine.
  Art. 8.4.2. Un bien est agréé comme patrimoine ouvert conjointement avec l'approbation d'un plan de gestion par l'agence.
  A cet effet, le projet du plan de gestion reprend une partie distincte démontrant que les conditions visées à l'article 8.4.1 sont remplies.
  L'agence peut recueillir l'avis de la Commission sur l'agrément comme patrimoine ouvert. ".
  " Section 4. - Patrimoine ouvert
  Art. 8.4.1. Un bien protĂ©gĂ©, un paysage patrimonial, ou une partie qui constitue un ensemble Ă part, peut ĂȘtre agréé(e) comme patrimoine ouvert s'il (elle) remplit les conditions suivantes :
  1° le bien est désenclavé de maniÚre (inter)active et parlante ;
  2° l'ouverture aide le visiteur à comprendre les valeurs, caractéristiques et éléments patrimoniaux du bien dans leur contexte social ;
  3° l'ouverture est axée sur au moins deux groupes-cibles différents ;
  4° l'ouverture est exemplaire pour la Flandre ou une zone plus étendue dans les domaines suivants :
  a) l'ouverture des valeurs patrimoniales du bien ;
  b) l'utilisation de techniques de désenclavement innovantes ;
  c) la gestion du site ;
  d) les activités pour le public et la publicité y afférente ;
  5° le bien est ouvert au moins cinquante jours et trois cent heures par an pendant une période de dix ans. Cette période prend cours le jour aprÚs la réception de la demande de paiement du solde de la prime du patrimoine octroyé sur la base de l'agrément comme patrimoine ouvert. La décision d'approbation du plan de gestion peut comprendre des périodes d'ouverture déviantes ;
  6° le bien est intĂ©gralement accessible aux visiteurs, dans la mesure oĂč les obligations de la protection le permettent. A cet effet, un avis sur l'accessibilitĂ© doit ĂȘtre demandĂ© Ă l'instance agréée par le Gouvernement flamand ;
  7° l'ouverture ne peut pas aboutir à la perte ou au dommage de valeurs patrimoniales. Si nécessaire, des mesures d'encadrement sont prévues afin d'éviter ou de limiter ce risque ou d'éliminer les incidences négatives ;
  8° le bien fait partie d'un réseau axé spécifiquement sur le désenclavement du patrimoine.
  Art. 8.4.2. Un bien est agréé comme patrimoine ouvert conjointement avec l'approbation d'un plan de gestion par l'agence.
  A cet effet, le projet du plan de gestion reprend une partie distincte démontrant que les conditions visées à l'article 8.4.1 sont remplies.
  L'agence peut recueillir l'avis de la Commission sur l'agrément comme patrimoine ouvert. ".
Art. 26. In artikel 10.2.8 van hetzelfde besluit worden de woorden "of zijn gemachtigde" opgeheven.
Art. 26. Dans l'article 10.2.8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou son dĂ©lĂ©guĂ© " sont abrogĂ©s.
Art. 27. In artikel 11.1.1, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "het beheer van of werkzaamheden" telkens vervangen door de zinsnede "beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten".
Art. 27. Dans l'article 11.1.1, alinĂ©a premier, du mĂȘme dĂ©cret, les mots " la gestion de ou des travaux " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " des mesures de gestion, des travaux ou des services ".
Art. 28. In artikel 11.2.11 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "gebouwen" vervangen door de woorden "beschermde goederen";
  2° aan het eerste lid, 2°, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Als het gebouw bestemd is voor de eredienst, moet ook voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°. ";
  3° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° open erfgoed. De beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten moeten passen in de realisatie van de erkenning als open erfgoed, vermeld in artikel 8.4.1 en 8.4.2. De openstelling moet gerealiseerd worden conform het goedgekeurde beheersplan.";
  4° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een premienemer die een erfgoedpremie van 80% aanvraagt voor het behoud of de herwaardering van open erfgoed, gaat het engagement aan om gedurende minstens tien jaar die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek tot uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie die met toepassing van het eerste lid, 3°, is toegekend, te voldoen aan de specifieke bepalingen over open erfgoed in het goedgekeurde beheersplan.";
  5° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als het saldo van de erfgoedpremie niet binnen redelijke termijnen kan worden opgevraagd door overmacht, kan het agentschap uitzonderlijk een andere startdatum van de periode van tien jaar bepalen. De premienemer richt daarvoor een gemotiveerd verzoek aan het agentschap dat in voorkomend geval gestaafd wordt met bewijsstukken. In dat verzoek doet de premienemer een redelijk en gemotiveerd voorstel voor de startdatum van de periode van tien jaar.";
  6° het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "In geval van onderwijsgebouwen, erkend als open erfgoed, komen beheersmaatregelen, werkzaamheden en diensten niet in aanmerking voor de verhoogde erfgoedpremie van 80%.".
  1° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "gebouwen" vervangen door de woorden "beschermde goederen";
  2° aan het eerste lid, 2°, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Als het gebouw bestemd is voor de eredienst, moet ook voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°. ";
  3° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° open erfgoed. De beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten moeten passen in de realisatie van de erkenning als open erfgoed, vermeld in artikel 8.4.1 en 8.4.2. De openstelling moet gerealiseerd worden conform het goedgekeurde beheersplan.";
  4° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Een premienemer die een erfgoedpremie van 80% aanvraagt voor het behoud of de herwaardering van open erfgoed, gaat het engagement aan om gedurende minstens tien jaar die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek tot uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie die met toepassing van het eerste lid, 3°, is toegekend, te voldoen aan de specifieke bepalingen over open erfgoed in het goedgekeurde beheersplan.";
  5° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als het saldo van de erfgoedpremie niet binnen redelijke termijnen kan worden opgevraagd door overmacht, kan het agentschap uitzonderlijk een andere startdatum van de periode van tien jaar bepalen. De premienemer richt daarvoor een gemotiveerd verzoek aan het agentschap dat in voorkomend geval gestaafd wordt met bewijsstukken. In dat verzoek doet de premienemer een redelijk en gemotiveerd voorstel voor de startdatum van de periode van tien jaar.";
  6° het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "In geval van onderwijsgebouwen, erkend als open erfgoed, komen beheersmaatregelen, werkzaamheden en diensten niet in aanmerking voor de verhoogde erfgoedpremie van 80%.".
Art. 28. A l'article 11.2.11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, 2°, le mot " bùtiments " est remplacé par les mots " biens protégés " ;
  2° l'alinéa premier, 2°, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Lorsque le bĂątiment est destinĂ© au culte, les conditions visĂ©es au point 1° doivent Ă©galement ĂȘtre remplies. " ;
  3° dans l'alinéa premier, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° du patrimoine ouvert. Les mesures de gestion, travaux ou services doivent s'inscrire dans la rĂ©alisation de l'agrĂ©ment comme patrimoine ouvert, visĂ© aux articles 8.4.1 et 8.4.2. Le dĂ©senclavement doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© conformĂ©ment au plan de gestion approuvĂ©. " ;
  4° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " Un preneur de prime qui demande une prime du patrimoine de 80% pour la conservation ou la revalorisation de patrimoine ouvert s'engage, pendant au moins dix ans qui commencent le jour aprÚs la réception de la demande de paiement du solde de la prime du patrimoine qui est octroyé en application de l'alinéa premier, 3°, à répondre aux dispositions spécifiques sur le patrimoine ouvert dans le plan de gestion approuvé. " ;
  5° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le solde de la prime du patrimoine ne peut pas ĂȘtre rĂ©clamĂ© dans des dĂ©lais raisonnables par suite de force majeure, l'agence peut exceptionnellement arrĂȘter une autre date de dĂ©but de la pĂ©riode de dix ans. A cet effet, le preneur de prime adresse une demande motivĂ©e Ă l'agence, le cas Ă©chĂ©ant Ă©tayĂ©e par des piĂšces justificatives. Dans cette demande, le preneur de prime fait une proposition raisonnable et motivĂ©e de date de dĂ©but pour la pĂ©riode de dix ans. " ;
  6° l'alinéa six est remplacé par ce qui suit :
  " En cas de bùtiments d'enseignement, agréés comme patrimoine ouvert, des mesures de gestion, travaux et services ne sont pas éligibles à la prime du patrimoine majorée de 80%. ".
  1° dans l'alinéa premier, 2°, le mot " bùtiments " est remplacé par les mots " biens protégés " ;
  2° l'alinéa premier, 2°, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Lorsque le bĂątiment est destinĂ© au culte, les conditions visĂ©es au point 1° doivent Ă©galement ĂȘtre remplies. " ;
  3° dans l'alinéa premier, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° du patrimoine ouvert. Les mesures de gestion, travaux ou services doivent s'inscrire dans la rĂ©alisation de l'agrĂ©ment comme patrimoine ouvert, visĂ© aux articles 8.4.1 et 8.4.2. Le dĂ©senclavement doit ĂȘtre rĂ©alisĂ© conformĂ©ment au plan de gestion approuvĂ©. " ;
  4° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " Un preneur de prime qui demande une prime du patrimoine de 80% pour la conservation ou la revalorisation de patrimoine ouvert s'engage, pendant au moins dix ans qui commencent le jour aprÚs la réception de la demande de paiement du solde de la prime du patrimoine qui est octroyé en application de l'alinéa premier, 3°, à répondre aux dispositions spécifiques sur le patrimoine ouvert dans le plan de gestion approuvé. " ;
  5° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le solde de la prime du patrimoine ne peut pas ĂȘtre rĂ©clamĂ© dans des dĂ©lais raisonnables par suite de force majeure, l'agence peut exceptionnellement arrĂȘter une autre date de dĂ©but de la pĂ©riode de dix ans. A cet effet, le preneur de prime adresse une demande motivĂ©e Ă l'agence, le cas Ă©chĂ©ant Ă©tayĂ©e par des piĂšces justificatives. Dans cette demande, le preneur de prime fait une proposition raisonnable et motivĂ©e de date de dĂ©but pour la pĂ©riode de dix ans. " ;
  6° l'alinéa six est remplacé par ce qui suit :
  " En cas de bùtiments d'enseignement, agréés comme patrimoine ouvert, des mesures de gestion, travaux et services ne sont pas éligibles à la prime du patrimoine majorée de 80%. ".
Art. 29. Artikel 11.2.12 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11.2.12. Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de erfgoedpremie berekend op de aanvaarde kostenraming, inclusief btw.".
  "Art. 11.2.12. Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de erfgoedpremie berekend op de aanvaarde kostenraming, inclusief btw.".
Art. 29. L'article 11.2.12 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 11.2.12. Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime du patrimoine est calculée sur la base de l'estimation des coûts acceptée, T.V.A. comprise. ".
  " Art. 11.2.12. Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime du patrimoine est calculée sur la base de l'estimation des coûts acceptée, T.V.A. comprise. ".
Art. 30. Aan artikel 11.2.13 van hetzelfde besluit wordt een lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "Een cumulatie van een erfgoedpremie aangevraagd volgens de standaardprocedure, een erfgoedpremie aangevraagd volgens de bijzondere procedure, een onderzoekspremie of een premie voor buitensporige opgravingskosten voor eenzelfde beheersmaatregel, werk, dienst of verplicht uit te voeren archeologische opgraving aan of in eenzelfde beschermd goed is uitgesloten.".
  "Een cumulatie van een erfgoedpremie aangevraagd volgens de standaardprocedure, een erfgoedpremie aangevraagd volgens de bijzondere procedure, een onderzoekspremie of een premie voor buitensporige opgravingskosten voor eenzelfde beheersmaatregel, werk, dienst of verplicht uit te voeren archeologische opgraving aan of in eenzelfde beschermd goed is uitgesloten.".
Art. 30. L'article 11.2.13 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
  " Un cumul d'une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure standard, une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure particuliĂšre, une prime Ă la recherche ou une prime pour frais de fouilles excessifs pour un(e) mĂȘme mesure de gestion, travail ou service ou fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement Ă ou dans un mĂȘme bien protĂ©gĂ©, est exclu. ".
  " Un cumul d'une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure standard, une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure particuliĂšre, une prime Ă la recherche ou une prime pour frais de fouilles excessifs pour un(e) mĂȘme mesure de gestion, travail ou service ou fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement Ă ou dans un mĂȘme bien protĂ©gĂ©, est exclu. ".
Art. 31. In artikel 11.2.18, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 4° opgeheven.
Art. 31. Dans l'article 11.2.18, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 4° est abrogĂ©.
Art. 32. Artikel 11.2.19 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11.2.19. § 1. De aanvraag van een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de vastlegging van de erfgoedpremie, vermeld in artikel 11.2.20, als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat de dag na de ontvangst ervan.".
  "Art. 11.2.19. § 1. De aanvraag van een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de vastlegging van de erfgoedpremie, vermeld in artikel 11.2.20, als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat de dag na de ontvangst ervan.".
Art. 32. L'article 11.2.19 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 11.2.19. § 1er. La demande d'une prime du patrimoine selon la procĂ©dure standard peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la fixation de la prime du patrimoine, visée à l'article 11.2.20, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans un délai de cinq jours, qui commence le jour aprÚs sa réception. ".
  " Art. 11.2.19. § 1er. La demande d'une prime du patrimoine selon la procĂ©dure standard peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la fixation de la prime du patrimoine, visée à l'article 11.2.20, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans un délai de cinq jours, qui commence le jour aprÚs sa réception. ".
Art. 33. Artikel 11.2.29 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11.2.29. § 1. De aanvraag van een erfgoedpremie volgens de bijzondere procedure kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de beslissing, vermeld in artikel 11.2.30, waarbij de premieaanvraag ontvankelijk wordt verklaard als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, dan stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen vijf dagen vanaf de dag na de ontvangst.".
  "Art. 11.2.29. § 1. De aanvraag van een erfgoedpremie volgens de bijzondere procedure kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de beslissing, vermeld in artikel 11.2.30, waarbij de premieaanvraag ontvankelijk wordt verklaard als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, dan stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen vijf dagen vanaf de dag na de ontvangst.".
Art. 33. L'article 11.2.29 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 11.2.29. § 1er. La demande d'une prime du patrimoine selon la procĂ©dure particuliĂšre peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la décision, visée à l'article 11.2.30, par laquelle la demande de prime est déclarée recevable, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans les cinq jours à partir du jour aprÚs la réception. ".
  " Art. 11.2.29. § 1er. La demande d'une prime du patrimoine selon la procĂ©dure particuliĂšre peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la décision, visée à l'article 11.2.30, par laquelle la demande de prime est déclarée recevable, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans les cinq jours à partir du jour aprÚs la réception. ".
Art. 34. In artikel 11.2.38, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "3 en 4" vervangen door de zinsnede "4 en 5".
Art. 34. Dans l'article 11.2.38, alinĂ©a quatre, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " 3 et 4 " est remplacĂ© par le membre de phrase " 4 et 5 ".
Art. 35. In artikel 11.3.1, 1°, van hetzelfde besluit worden de woorden "een onroerend erfgoed" vervangen door de woorden "onroerend erfgoed".
Art. 35. Dans l'article 11.3.1, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " un patrimoine immobilier " sont remplacĂ©s par les mots " du patrimoine immobilier ".
Art. 36. In artikel 11.3.3 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de onderzoekspremie berekend op de aanvaarde kostenraming, inclusief btw.".
  "Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de onderzoekspremie berekend op de aanvaarde kostenraming, inclusief btw.".
Art. 36. Dans l'article 11.3.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a deux est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime du patrimoine est calculée sur la base de l'estimation des coûts acceptée, T.V.A. comprise. ".
  " Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime du patrimoine est calculée sur la base de l'estimation des coûts acceptée, T.V.A. comprise. ".
Art. 37. Aan artikel 11.3.4 van hetzelfde besluit wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een cumulatie van een erfgoedpremie aangevraagd volgens de standaardprocedure, een erfgoedpremie aangevraagd volgens de bijzondere procedure, een onderzoekspremie of een premie voor buitensporige opgravingskosten voor eenzelfde beheersmaatregel, werk, dienst of verplicht uit te voeren archeologische opgraving aan of in eenzelfde beschermd goed is uitgesloten.".
  "Een cumulatie van een erfgoedpremie aangevraagd volgens de standaardprocedure, een erfgoedpremie aangevraagd volgens de bijzondere procedure, een onderzoekspremie of een premie voor buitensporige opgravingskosten voor eenzelfde beheersmaatregel, werk, dienst of verplicht uit te voeren archeologische opgraving aan of in eenzelfde beschermd goed is uitgesloten.".
Art. 37. L'article 11.3.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a trois, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Un cumul d'une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure standard, une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure particuliĂšre, une prime Ă la recherche ou une prime pour frais de fouilles excessifs pour un(e) mĂȘme mesure de gestion, travail ou service ou fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement Ă ou dans un mĂȘme bien protĂ©gĂ©, est exclu. ".
  " Un cumul d'une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure standard, une prime du patrimoine demandĂ©e selon la procĂ©dure particuliĂšre, une prime Ă la recherche ou une prime pour frais de fouilles excessifs pour un(e) mĂȘme mesure de gestion, travail ou service ou fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement Ă ou dans un mĂȘme bien protĂ©gĂ©, est exclu. ".
Art. 38. In artikel 11.3.5, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 5° opgeheven.
Art. 38. Dans l'article 11.3.5, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 5° est abrogĂ©.
Art. 39. In hoofdstuk 11, afdeling 3, onderafdeling 6, van hetzelfde besluit wordt een artikel 11.3.7/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 11.3.7/1. De beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten waarvoor een onderzoekspremie wordt gevraagd, mogen pas worden gestart na de vastlegging van de premie.".
  "Art. 11.3.7/1. De beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten waarvoor een onderzoekspremie wordt gevraagd, mogen pas worden gestart na de vastlegging van de premie.".
Art. 39. Dans le chapitre 11, section 3, sous-section 6, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 11.3.7/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 11.3.7/1. Les mesures de gestion, travaux ou services pour lesquels une prime à la recherche est demandée, ne peuvent commencer qu'aprÚs la fixation de la prime. ".
  " Art. 11.3.7/1. Les mesures de gestion, travaux ou services pour lesquels une prime à la recherche est demandée, ne peuvent commencer qu'aprÚs la fixation de la prime. ".
Art. 40. Artikel 11.3.9 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11.3.9. § 1. De aanvraag van een onderzoekspremie kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen waarvoor een onderzoekspremie wordt aangevraagd. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de vastlegging van de onderzoekspremie, vermeld in artikel 11.3.10, als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen een termijn vijf dagen, die ingaat de dag na de ontvangst ervan.".
  "Art. 11.3.9. § 1. De aanvraag van een onderzoekspremie kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen waarvoor een onderzoekspremie wordt aangevraagd. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  § 2. Als de aanvraag wordt ingediend bij het agentschap, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid, verlengd tot negentig dagen en geldt de vastlegging van de onderzoekspremie, vermeld in artikel 11.3.10, als toelating voor de aangevraagde beheersmaatregelen, werkzaamheden, diensten of handelingen.
  § 3. Als de aanvraag wordt ingediend bij de erkende onroerenderfgoedgemeente, stuurt de onroerenderfgoedgemeente een kopie van de aanvraag en de bijhorende stukken door naar het agentschap binnen een termijn vijf dagen, die ingaat de dag na de ontvangst ervan.".
Art. 40. L'article 11.3.9 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 11.3/9. § 1er. La demande d'une prime Ă la recherche peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes pour lesquels une prime Ă la recherche est demandĂ©e. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la fixation de la prime à la recherche, visée à l'article 11.3.10, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans un délai de cinq jours, qui commence le jour aprÚs sa réception. ".
  " Art. 11.3/9. § 1er. La demande d'une prime Ă la recherche peut ĂȘtre introduite en mĂȘme temps que la demande de l'autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes pour lesquels une prime Ă la recherche est demandĂ©e. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combinĂ© Ă disposition sur le site web. Une telle demande combinĂ©e est introduite auprĂšs de l'agence ou, le cas Ă©chĂ©ant, auprĂšs de la commune agréée du patrimoine immobilier.
  § 2. Lorsque la demande est introduite auprÚs de l'agence, le délai de traitement, visé à l'article 6.3.5, alinéa premier, est prolongé à nonante jours et la fixation de la prime à la recherche, visée à l'article 11.3.10, vaut comme autorisation pour les mesures de gestion, travaux, services ou actes demandés.
  § 3. Lorsque la demande est introduite auprÚs de la commune agréée du patrimoine immobilier, celle-ci envoie une copie de la demande et les piÚces y afférentes à l'agence dans un délai de cinq jours, qui commence le jour aprÚs sa réception. ".
Art. 41. In artikel 11.4.2, 4°, van hetzelfde besluit worden de woorden "publieksgerichte erfgoedontsluiting" vervangen door het woord "ontsluiting".
Art. 41. Dans l'article 11.4.2, 4°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " le dĂ©senclavement du patrimoine de maniĂšre orientĂ©e vers le public " sont remplacĂ©s par les mots " le dĂ©senclavement ".
Art. 42. Aan hoofdstuk 11 van hetzelfde besluit worden een afdeling 7, die bestaat uit artikel 11.7.1 tot en met 11.7.10 en een afdeling 8, die bestaat uit artikel 11.8.1 tot en met 11.8.12 toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Afdeling 7. - Premie buitensporige opgravingskosten
  Onderafdeling 1. - Archeologische opgravingen waarvoor geen premie voor buitensporige opgravingskosten wordt toegekend
  Art. 11.7.1. Er wordt geen premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend voor:
  1° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet en waarbij een overeenkomst werd gesloten tot eigendomsovergang van een te bouwen, of in aanbouw zijnde huis of appartement, mits het huis of het appartement tot huisvesting of tot beroepsdoeleinden en huisvesting is bestemd en de koper of de opdrachtgever volgens de overeenkomst verplicht is vóór de voltooiing van het gebouw een of meer stortingen te doen;
  2° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van opdrachtgevers of verkrijgers wiens werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten, te laten oprichten of te verwerven, al dan niet om ze onder bezwarende titel te vervreemden;
  3° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet, waarbij de opdrachtgevers op regelmatige basis optreden als opdrachtgevers van een bouwproject;
  4° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van opdrachtgevers die beschouwd kunnen worden als onderdeel van een groep of een sector die op regelmatige basis optreedt als opdrachtgever van een projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet;
  5° archeologische opgravingen waarvoor al een erfgoedpremie of onderzoekspremie is toegekend.
  In het eerste lid, 3° en 4°, wordt verstaan onder op regelmatige basis optreden als opdrachtgever van een project dat valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet: de opdrachtgevers die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag van een premie voor buitensporige opgravingskosten minstens één handeling aangevat hebben die valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 en artikel 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Onderafdeling 2. - Archeologische opgravingen waarvoor een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden aangevraagd
  Art. 11.7.2. Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor buitensporige opgravingskosten worden toegekend.
  Art. 11.7.3. Een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden toegekend voor archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van natuurlijke personen en van kleinschalige ondernemingen of kleinschalige verenigingen.
  Om in aanmerking te komen voor een premie voor buitensporige opgravingskosten:
  1° moet de archeologische opgraving uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de omschrijving in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota;
  2° mogen de premienemer en de natuurlijke persoon, kleinschalige onderneming of kleinschalige vereniging, vermeld in het eerste lid, de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie.
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder:
  1° kleinschalige onderneming: een onderneming waar minder dan tien personen werken, uitgezonderd seizoensarbeid en piekarbeid, en waarvan de omzet of het jaarlijkse balanstotaal in het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin de premie wordt aangevraagd, niet meer dan 5 miljoen euro bedraagt;
  2° kleinschalige vereniging: een vereniging waar minder dan tien personen werken en waarvan de omzet of het jaarlijkse balanstotaal in het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin de premie wordt aangevraagd, niet meer dan 5 miljoen euro bedraagt.
  Onderafdeling 3. - Bedrag van de premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.4. § 1. De premie voor buitensporige opgravingskosten wordt berekend door de forfaitaire basiskosten te vermenigvuldigen met de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, verminderd met de door de minister vastgestelde franchise, en dat bedrag te vermenigvuldigen met 40%. De forfaitaire basiskosten worden uitgedrukt als een bedrag per oppervlakte-eenheid.
  De minister stelt de forfaitaire basiskosten, de variabelen en de franchise vast.
  In deze paragraaf wordt verstaan onder franchise: de niet-betoelaagbare eerste schijf van de kosten van de verplicht uit te voeren archeologische opgraving.
  § 2. De premie voor buitensporige opgravingskosten bedraagt maximaal 40.000 euro.
  § 3. Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de premie voor buitensporige opgravingskosten berekend op de forfaitaire basiskosten, inclusief btw.
  Art. 11.7.5. De archeologische opgraving mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan het product van de forfaitaire basiskosten en de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, zoals vastgesteld door de minister.
  Onderafdeling 4. - Aantal premies voor buitensporige opgravingskosten per verplicht uit te voeren archeologische opgraving
  Art. 11.7.6. In het kader van een verplicht uit te voeren archeologische opgraving kan hoogstens één premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend worden.
  Onderafdeling 5. - Aanvragen van een premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.7. Een premienemer dient de aanvraag voor een premie voor buitensporige opgravingskosten in bij het agentschap.
  Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
  De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.
  Art. 11.7.8. De premie voor buitensporige opgravingskosten kan aangevraagd worden vanaf de indiening van het archeologierapport tot 120 dagen erna.
  Onderafdeling 6. - Vastlegging en uitbetaling van de premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.9. Het agentschap onderzoekt de aanvraag inhoudelijk en neemt een beslissing binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst ervan.
  In geval van akkoord wordt de premie voor buitensporige opgravingskosten vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit met een beveiligde zending aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.
  Als de aanvraag onvolledig is of niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, wordt aan de premienemer met een beveiligde zending gemeld waarom de aanvraag wordt geweigerd, en in welke zin het dossier, in voorkomend geval, kan worden aangepast of aangevuld om alsnog voor toekenning en uitbetaling in aanmerking te komen. Een nieuwe aanvraag moet aan die opmerkingen tegemoetkomen en kan overeenkomstig artikel 11.7.7 opnieuw worden ingediend.
  Art. 11.7.10. De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor buitensporige opgravingskosten zal worden opgeschort als de premienemer tijdens de archeologische opgraving of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Het recht op een premie voor buitensporige opgravingskosten vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.
  Afdeling 8. - Toelage voor een erkend archeologisch solidariteitsfonds
  Onderafdeling 1. - Erkenning als archeologisch solidariteitsfonds
  Art. 11.8.1. De minister sluit met een archeologisch solidariteitsfonds een overeenkomst als vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De overeenkomst bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de berekeningswijze van de bijdrage van de leden aan het archeologisch solidariteitsfonds;
  2° de voorwaarden voor de vergoeding van de leden;
  3° de doelstellingen van het archeologisch solidariteitsfonds;
  4° de doelgroep van het archeologisch solidariteitsfonds;
  5° de duur van de overeenkomst.
  Art. 11.8.2. De minister erkent overeenkomstig artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 het archeologisch solidariteitsfonds nadat de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit, gesloten is.
  Art. 11.8.3. De erkenning gaat in op de datum van het besluit tot erkenning van het archeologisch solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.4. De erkenning als archeologisch solidariteitsfonds wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Art. 11.8.5. Een erkenning als archeologisch solidariteitsfonds is van onbepaalde duur en geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voldaan wordt.
  Onderafdeling 2. - De betoelaging van erkende archeologische solidariteitsfondsen
  Art. 11.8.6. De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten een toelage toekennen aan een erkend archeologisch solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.7. Een erkend archeologisch solidariteitsfonds kan daarvoor bij het agentschap uiterlijk op 1 april van elk jaar met een beveiligde zending een aanvraag indienen.
  De aanvraag van een toelage bevat minstens de volgende elementen:
  1° een identificatie van het erkende archeologisch solidariteitsfonds;
  2° een lijst van de leden, aangesloten bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
  3° een begroting;
  4° vanaf het tweede werkingsjaar van het erkend archeologisch solidariteitsfonds, een jaarrapport van de werking van het archeologisch solidariteitsfonds van het voorafgaande jaar.
  Het jaarrapport, vermeld in het tweede lid, 4°, bevat minstens de volgende elementen:
  1° een inhoudelijk verslag over de werking van het erkend archeologisch solidariteitsfonds met inbegrip van een overzicht van de gerealiseerde activiteiten van het fonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  2° een financieel verslag dat minstens een overzicht geeft van de ontvangen ledenbijdragen, de uitgekeerde vergoedingen aan de leden en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds;
  3° een verslag van de wijze waarop het archeologisch solidariteitsfonds beantwoordt aan de bepalingen in de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit.
  Art. 11.8.8. De aanvraag is ontvankelijk als ze tijdig ingediend is en volledig is. In geval van onvolledigheid brengt het agentschap de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de ontbrekende elementen binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek tot aanvulling, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap deelt die beslissing met een beveiligde zending mee aan de aanvrager.
  Art. 11.8.9. Vanaf het tweede werkingsjaar, brengt het agentschap na beoordeling van het jaarrapport vermeld in artikel 11.8.7 advies uit aan de minister.
  Art. 11.8.10. Binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag van een toelage, beslist de minister over de toekenning en het bedrag van de toelage. Als er geen beslissing is genomen binnen die termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd.
  Een afschrift van de beslissing wordt met een beveiligde zending bezorgd aan het erkende archeologische solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.11. De toelage kan onder andere aangewend worden voor de werking van het fonds.
  De jaarlijkse basistoelage bedraagt minstens 50.000 euro en wordt vermeerderd met een bedrag dat gekoppeld is aan de volgende criteria:
  1° het aantal leden, opgenomen op de lijst van leden die aangesloten zijn bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontvankelijke aanvraag is ingediend;
  2° het aantal uitgekeerde vergoedingen;
  3° het aantal activiteiten van het archeologisch solidariteitsfonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, vermeld in het jaarrapport van het fonds.
  De minister stelt de eenheidsprijs per lid, per uitgekeerde vergoeding en per activiteit en de berekeningswijze daarvoor vast.
  Art. 11.8.12. De toelage wordt jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van het volgende voorschot en saldo:
  1° een voorschot van 70% van het bedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 augustus van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse bedrag wordt uitbetaald na de beoordeling van het jaarrapport, vermeld in artikel 11.8.7, derde lid.
  Het agentschap brengt het erkende archeologische solidariteitsfonds met een beveiligde zending op de hoogte van de resultaten van de beoordeling. Als er bij de beoordeling ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of gedeeltelijk uitbetaald.".
  "Afdeling 7. - Premie buitensporige opgravingskosten
  Onderafdeling 1. - Archeologische opgravingen waarvoor geen premie voor buitensporige opgravingskosten wordt toegekend
  Art. 11.7.1. Er wordt geen premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend voor:
  1° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet en waarbij een overeenkomst werd gesloten tot eigendomsovergang van een te bouwen, of in aanbouw zijnde huis of appartement, mits het huis of het appartement tot huisvesting of tot beroepsdoeleinden en huisvesting is bestemd en de koper of de opdrachtgever volgens de overeenkomst verplicht is vóór de voltooiing van het gebouw een of meer stortingen te doen;
  2° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van opdrachtgevers of verkrijgers wiens werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten, te laten oprichten of te verwerven, al dan niet om ze onder bezwarende titel te vervreemden;
  3° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet, waarbij de opdrachtgevers op regelmatige basis optreden als opdrachtgevers van een bouwproject;
  4° archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van opdrachtgevers die beschouwd kunnen worden als onderdeel van een groep of een sector die op regelmatige basis optreedt als opdrachtgever van een projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet;
  5° archeologische opgravingen waarvoor al een erfgoedpremie of onderzoekspremie is toegekend.
  In het eerste lid, 3° en 4°, wordt verstaan onder op regelmatige basis optreden als opdrachtgever van een project dat valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet: de opdrachtgevers die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag van een premie voor buitensporige opgravingskosten minstens één handeling aangevat hebben die valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 en artikel 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Onderafdeling 2. - Archeologische opgravingen waarvoor een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden aangevraagd
  Art. 11.7.2. Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor buitensporige opgravingskosten worden toegekend.
  Art. 11.7.3. Een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden toegekend voor archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van natuurlijke personen en van kleinschalige ondernemingen of kleinschalige verenigingen.
  Om in aanmerking te komen voor een premie voor buitensporige opgravingskosten:
  1° moet de archeologische opgraving uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de omschrijving in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota;
  2° mogen de premienemer en de natuurlijke persoon, kleinschalige onderneming of kleinschalige vereniging, vermeld in het eerste lid, de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie.
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder:
  1° kleinschalige onderneming: een onderneming waar minder dan tien personen werken, uitgezonderd seizoensarbeid en piekarbeid, en waarvan de omzet of het jaarlijkse balanstotaal in het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin de premie wordt aangevraagd, niet meer dan 5 miljoen euro bedraagt;
  2° kleinschalige vereniging: een vereniging waar minder dan tien personen werken en waarvan de omzet of het jaarlijkse balanstotaal in het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin de premie wordt aangevraagd, niet meer dan 5 miljoen euro bedraagt.
  Onderafdeling 3. - Bedrag van de premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.4. § 1. De premie voor buitensporige opgravingskosten wordt berekend door de forfaitaire basiskosten te vermenigvuldigen met de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, verminderd met de door de minister vastgestelde franchise, en dat bedrag te vermenigvuldigen met 40%. De forfaitaire basiskosten worden uitgedrukt als een bedrag per oppervlakte-eenheid.
  De minister stelt de forfaitaire basiskosten, de variabelen en de franchise vast.
  In deze paragraaf wordt verstaan onder franchise: de niet-betoelaagbare eerste schijf van de kosten van de verplicht uit te voeren archeologische opgraving.
  § 2. De premie voor buitensporige opgravingskosten bedraagt maximaal 40.000 euro.
  § 3. Als de premienemer kan aantonen dat hij de btw niet kan recupereren dan wordt de premie voor buitensporige opgravingskosten berekend op de forfaitaire basiskosten, inclusief btw.
  Art. 11.7.5. De archeologische opgraving mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan het product van de forfaitaire basiskosten en de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, zoals vastgesteld door de minister.
  Onderafdeling 4. - Aantal premies voor buitensporige opgravingskosten per verplicht uit te voeren archeologische opgraving
  Art. 11.7.6. In het kader van een verplicht uit te voeren archeologische opgraving kan hoogstens één premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend worden.
  Onderafdeling 5. - Aanvragen van een premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.7. Een premienemer dient de aanvraag voor een premie voor buitensporige opgravingskosten in bij het agentschap.
  Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
  De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.
  Art. 11.7.8. De premie voor buitensporige opgravingskosten kan aangevraagd worden vanaf de indiening van het archeologierapport tot 120 dagen erna.
  Onderafdeling 6. - Vastlegging en uitbetaling van de premie voor buitensporige opgravingskosten
  Art. 11.7.9. Het agentschap onderzoekt de aanvraag inhoudelijk en neemt een beslissing binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst ervan.
  In geval van akkoord wordt de premie voor buitensporige opgravingskosten vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit met een beveiligde zending aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.
  Als de aanvraag onvolledig is of niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, wordt aan de premienemer met een beveiligde zending gemeld waarom de aanvraag wordt geweigerd, en in welke zin het dossier, in voorkomend geval, kan worden aangepast of aangevuld om alsnog voor toekenning en uitbetaling in aanmerking te komen. Een nieuwe aanvraag moet aan die opmerkingen tegemoetkomen en kan overeenkomstig artikel 11.7.7 opnieuw worden ingediend.
  Art. 11.7.10. De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor buitensporige opgravingskosten zal worden opgeschort als de premienemer tijdens de archeologische opgraving of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Het recht op een premie voor buitensporige opgravingskosten vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.
  Afdeling 8. - Toelage voor een erkend archeologisch solidariteitsfonds
  Onderafdeling 1. - Erkenning als archeologisch solidariteitsfonds
  Art. 11.8.1. De minister sluit met een archeologisch solidariteitsfonds een overeenkomst als vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De overeenkomst bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de berekeningswijze van de bijdrage van de leden aan het archeologisch solidariteitsfonds;
  2° de voorwaarden voor de vergoeding van de leden;
  3° de doelstellingen van het archeologisch solidariteitsfonds;
  4° de doelgroep van het archeologisch solidariteitsfonds;
  5° de duur van de overeenkomst.
  Art. 11.8.2. De minister erkent overeenkomstig artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 het archeologisch solidariteitsfonds nadat de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit, gesloten is.
  Art. 11.8.3. De erkenning gaat in op de datum van het besluit tot erkenning van het archeologisch solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.4. De erkenning als archeologisch solidariteitsfonds wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Art. 11.8.5. Een erkenning als archeologisch solidariteitsfonds is van onbepaalde duur en geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voldaan wordt.
  Onderafdeling 2. - De betoelaging van erkende archeologische solidariteitsfondsen
  Art. 11.8.6. De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten een toelage toekennen aan een erkend archeologisch solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.7. Een erkend archeologisch solidariteitsfonds kan daarvoor bij het agentschap uiterlijk op 1 april van elk jaar met een beveiligde zending een aanvraag indienen.
  De aanvraag van een toelage bevat minstens de volgende elementen:
  1° een identificatie van het erkende archeologisch solidariteitsfonds;
  2° een lijst van de leden, aangesloten bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
  3° een begroting;
  4° vanaf het tweede werkingsjaar van het erkend archeologisch solidariteitsfonds, een jaarrapport van de werking van het archeologisch solidariteitsfonds van het voorafgaande jaar.
  Het jaarrapport, vermeld in het tweede lid, 4°, bevat minstens de volgende elementen:
  1° een inhoudelijk verslag over de werking van het erkend archeologisch solidariteitsfonds met inbegrip van een overzicht van de gerealiseerde activiteiten van het fonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  2° een financieel verslag dat minstens een overzicht geeft van de ontvangen ledenbijdragen, de uitgekeerde vergoedingen aan de leden en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds;
  3° een verslag van de wijze waarop het archeologisch solidariteitsfonds beantwoordt aan de bepalingen in de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit.
  Art. 11.8.8. De aanvraag is ontvankelijk als ze tijdig ingediend is en volledig is. In geval van onvolledigheid brengt het agentschap de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de ontbrekende elementen binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek tot aanvulling, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap deelt die beslissing met een beveiligde zending mee aan de aanvrager.
  Art. 11.8.9. Vanaf het tweede werkingsjaar, brengt het agentschap na beoordeling van het jaarrapport vermeld in artikel 11.8.7 advies uit aan de minister.
  Art. 11.8.10. Binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag van een toelage, beslist de minister over de toekenning en het bedrag van de toelage. Als er geen beslissing is genomen binnen die termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd.
  Een afschrift van de beslissing wordt met een beveiligde zending bezorgd aan het erkende archeologische solidariteitsfonds.
  Art. 11.8.11. De toelage kan onder andere aangewend worden voor de werking van het fonds.
  De jaarlijkse basistoelage bedraagt minstens 50.000 euro en wordt vermeerderd met een bedrag dat gekoppeld is aan de volgende criteria:
  1° het aantal leden, opgenomen op de lijst van leden die aangesloten zijn bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontvankelijke aanvraag is ingediend;
  2° het aantal uitgekeerde vergoedingen;
  3° het aantal activiteiten van het archeologisch solidariteitsfonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, vermeld in het jaarrapport van het fonds.
  De minister stelt de eenheidsprijs per lid, per uitgekeerde vergoeding en per activiteit en de berekeningswijze daarvoor vast.
  Art. 11.8.12. De toelage wordt jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van het volgende voorschot en saldo:
  1° een voorschot van 70% van het bedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 augustus van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse bedrag wordt uitbetaald na de beoordeling van het jaarrapport, vermeld in artikel 11.8.7, derde lid.
  Het agentschap brengt het erkende archeologische solidariteitsfonds met een beveiligde zending op de hoogte van de resultaten van de beoordeling. Als er bij de beoordeling ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of gedeeltelijk uitbetaald.".
Art. 42. Le chapitre 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par une section 7, composĂ©e de l'article 11.7.1 Ă 11.7.10 inclus, et une section 8, composĂ©e de l'article 11.8.1 Ă 11.8.12 inclus, rĂ©digĂ©es comme suit :
  " Section 7. - Prime pour frais de fouilles excessifs
  Sous-section 1. - Fouilles archéologiques pour lesquelles aucune prime pour frais de fouilles excessifs n'est octroyée
  Art. 11.7.1. Aucune prime pour frais de fouilles excessifs n'est octroyée pour :
  1° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier, lors desquels une convention a été conclue pour le transfert de propriété d'une habitation ou d'un appartement à construire ou en voie de construction, à condition que l'habitation ou l'appartement est affecté(e) au logement ou à des fins professionnelles, et que l'acheteur ou le donneur d'ordre est tenu, selon la convention, d'effectuer un ou plusieurs versements avant l'achÚvement du bùtiment ;
  2° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier de donneurs d'ordre ou de bénéficiaires ayant comme activité de construire, de faire construire ou d'acquérir des bùtiments, afin de les aliéner à titre onéreux ou non ;
  3° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier, lors desquels les donneurs d'ordre agissent réguliÚrement comme donneurs d'ordre d'un projet de construction ;
  4° des fouilles archĂ©ologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier de donneurs d'ordre pouvant ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme une partie d'un groupe ou d'un secteur qui agit rĂ©guliĂšrement comme donneur d'ordre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier ;
  5° des fouilles archéologiques pour lesquelles une prime du patrimoine ou une prime à la recherche a déjà été octroyée.
  Dans l'alinéa premier, 3° et 4°, on entend par agir réguliÚrement comme donneur d'ordre d'un projet relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier : les donneurs d'ordre qui, au cours des trois années précédant la demande d'une prime pour frais de fouilles excessifs, ont entamé au moins un acte relevant du champ d'application des articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Sous-section 2. - Fouilles archĂ©ologiques pour lesquelles une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre demandĂ©e
  Art. 11.7.2. Dans les limites des crĂ©dits disponibles Ă cet effet au budget de la CommunautĂ© flamande, une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e.
  Art. 11.7.3. Une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e pour des fouilles archĂ©ologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier de personnes physiques et d'entreprises ou associations Ă petite Ă©chelle.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă une prime pour frais de fouilles excessifs :
  1° la fouille archĂ©ologique doit ĂȘtre exĂ©cutĂ©e conformĂ©ment au DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au prĂ©sent arrĂȘtĂ© et Ă la description dans la note archĂ©ologique ratifiĂ©e ou la note ratifiĂ©e ;
  2° le preneur de prime et la personne physique, l'entreprise ou association Ă petite Ă©chelle, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, ne peuvent pas, au cours des dix derniĂšres annĂ©es, avoir Ă©tĂ© jugĂ©s coupables par dĂ©cision dĂ©finitive judiciaire ou administrative de participation Ă une infraction ou Ă un dĂ©lit tel que visĂ© au dĂ©cret du 3 mars 1976 rĂ©glant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, au dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif Ă la protection des sites ruraux, au DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou Ă la lĂ©gislation en matiĂšre de patrimoine d'un Etat membre de l'Union europĂ©enne.
  Dans les alinéas premier et deux, on entend par :
  1° entreprise à petite échelle : une entreprise occupant moins de dix personnes, à l'exception du travail saisonnier et du travail lors de pics d'activité, dont le chiffre d'affaires ou le total du bilan annuel ne dépasse pas les 5 millions d'euros pendant l'exercice précédant l'exercice pendant lequel la prime est demandée ;
  2° association à petite échelle : une association occupant moins de dix personnes, dont le chiffre d'affaires ou le total du bilan annuel ne dépasse pas les 5 millions d'euros pendant l'exercice précédant l'exercice pendant lequel la prime est demandée.
  Sous-section 3. - Montant de la prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.4. § 1er. La prime pour frais de fouilles excessifs est calculée en multipliant les frais de base forfaitaires par les variables correspondant à la situation constatée, diminués de la franchise, établie par le Ministre, et en multipliant ce montant par 40%. Les frais de base forfaitaires sont exprimés comme un montant par unité de superficie.
  Le Ministre arrĂȘte les frais de base forfaitaires, les variables et la franchise.
  Dans le présent paragraphe, on entend par franchise : la premiÚre tranche non subventionnable des frais de la fouille archéologique à exécuter obligatoirement.
  § 2. La prime pour frais de fouilles excessifs s'élÚve à 40.000 euros au maximum.
  § 3. Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime pour frais de fouilles excessifs est calculée sur la base des frais de base forfaitaires, T.V.A. comprise.
  Art. 11.7.5. La fouille archĂ©ologique peut Ă©galement ĂȘtre financĂ©e par d'autres contributions publiques. L'ensemble des contributions publiques, y compris les moyens europĂ©ens Ă©ventuels, ne peut cependant pas ĂȘtre supĂ©rieur au produit des frais de base forfaitaires et des variables correspondant Ă la situation constatĂ©e, tel que fixĂ© par le Ministre.
  Sous-section 4. - Nombre de primes pour frais de fouilles excessifs par fouille archéologique à exécuter obligatoirement
  Art. 11.7.6. Dans le cadre d'une fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement, au maximum une seule prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e.
  Sous-section 5. - Demandes d'une prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.7. Le preneur de prime introduit la demande d'une prime pour frais de fouilles excessifs auprÚs de l'agence.
  Le dossier de demande comprend un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  Le Ministre peut arrĂȘter les modalitĂ©s du contenu du dossier de demande.
  Art. 11.7.8. La prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre demandĂ©e Ă partir de l'introduction du rapport archĂ©ologique jusqu'Ă 120 jours aprĂšs.
  Sous-section 6. - Fixation et paiement de la prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.9. L'agence examine la demande sur le plan du contenu et prend une décision dans un délai de quatre-vingt-dix jours, qui prend cours le jour aprÚs sa réception.
  En cas d'accord, la prime pour frais de fouilles excessifs est arrĂȘtĂ©e, en suite de quoi une copie du cet arrĂȘtĂ© est transmis par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur et l'agence procĂšde au paiement de la prime.
  Lorsque la demande est incomplĂšte ou ne remplit pas les conditions, visĂ©es Ă la prĂ©sente section, il est notifiĂ© au preneur de prime, par envoi sĂ©curisĂ©, pourquoi la demande est refusĂ©e et, le cas Ă©chĂ©ant, dans quel sens le dossier peut ĂȘtre adaptĂ© ou complĂ©tĂ© afin d'ĂȘtre tout de mĂȘme Ă©ligible Ă l'octroi et au paiement. Une nouvelle demande doit rĂ©pondre Ă ces remarques et peut ĂȘtre introduite Ă nouveau conformĂ©ment Ă l'article 11.7.7.
  Art. 11.7.10. La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour frais de fouilles excessifs sera suspendu(e) si le preneur de prime est accusé, pendant ou à l'issue des fouilles archéologiques, de participation à une infraction ou à un délit tel que visé aux articles 11.2.2 et 11.2.4, § 1er, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Le droit à une prime pour frais de fouilles excessifs échoit définitivement lorsque le preneur de prime est jugé coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à l'infraction ou au délit, visé à l'alinéa premier. Dans ce cas, les montants indûment payés seront également recouvrés.
  Section 8. - Allocation pour un fonds de solidarité archéologique agréé
  Sous-section 1. - Agrément comme fonds de solidarité archéologique
  Art. 11.8.1. Le Ministre conclut une convention telle que visée à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 avec un fonds de solidarité archéologique.
  Cette convention comprend au moins les données suivantes :
  1° le mode de calcul de la contribution des membres au fonds de solidarité archéologique ;
  2° les conditions pour l'indemnisation des membres ;
  3° les objectifs du fonds de solidarité archéologique ;
  4° le groupe-cible du fonds de solidarité archéologique ;
  5° la durée de la convention.
  Art. 11.8.2. ConformĂ©ment Ă l'article 10.3.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le Ministre agrĂ©e le fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique aprĂšs la conclusion de la convention, visĂ©e Ă l'article 11.8.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Art. 11.8.3. L'agrĂ©ment prend cours Ă la date de l'arrĂȘtĂ© portant agrĂ©ment du fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique.
  Art. 11.8.4. L'agrément comme fonds de solidarité archéologique est publié par extrait au Moniteur belge.
  Art. 11.8.5. Un agrément comme fonds de solidarité archéologique est d'une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'agrément, visées à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont remplies.
  Sous-section 2. - Le subventionnement de fonds de solidarité archéologiques agréés
  Art. 11.8.6. ConformĂ©ment aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les limites des crĂ©dits affectĂ©s Ă cet effet au budget de la CommunautĂ© flamande, le Ministre peut octroyer une subvention Ă un fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique agréé.
  Art. 11.8.7. A cet effet, un fonds de solidarité archéologique agréé peut introduire une demande auprÚs de l'agence par envoi sécurisé, au plus tard le 1er avril de chaque année.
  La demande d'une subvention comprend au moins les éléments suivants :
  1° une identification du fonds de solidarité archéologique agréé ;
  2° une liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  3° un budget ;
  4° à partir de la deuxiÚme année d'activité du fonds de solidarité archéologique agréé, un rapport annuel du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique de l'année précédente.
  Le rapport annuel, visé à l'alinéa deux, 4°, comprend au moins les éléments suivants :
  1° un rapport de fond sur le fonctionnement du fonds de solidarité archéologique agréé, y compris un aperçu des activités réalisées du fonds pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  2° un rapport financier qui donne au moins un aperçu des cotisations des membres reçues, des indemnités payées aux membres, et du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique ;
  3° un rapport du mode dont le fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique rĂ©pond aux dispositions de la convention, visĂ©e Ă l'article 11.8.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Art. 11.8.8. La demande est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et est complÚte. En cas d'incomplétude, l'agence informe le demandeur par envoi sécurisé des éléments manquants, dans un délai de trente jour qui commence le jour suivant la réception de la demande. Lorsque le demandeur ne complÚte pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour aprÚs la réception de la demande de complément, la demande est déclarée irrecevable. L'agence communique cette décision au demandeur par envoi sécurisé.
  Art. 11.8.9. A partir de la deuxiÚme année d'activité, l'agence émet un avis au Ministre aprÚs l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7.
  Art. 11.8.10. Dans un dĂ©lai de soixante jours, qui prend cours le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande de subvention recevable, le Ministre dĂ©cide de l'octroi et du montant de la subvention. Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans ce dĂ©lai, la demande est censĂ©e ĂȘtre refusĂ©e.
  Une copie de la décision est transmise, par envoi sécurisé, au fonds de solidarité archéologique agréé.
  Art. 11.8.11. La subvention peut ĂȘtre affectĂ©e, entre autres, au fonctionnement du fonds.
  La subvention de base annuelle s'élÚve au moins à 50.000 euros et est majorée d'un montant qui est lié aux critÚres suivants :
  1° le nombre de membres, repris à la liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  2° le nombre d'indemnités payées ;
  3° le nombre d'activités du fonds de solidarité archéologique pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, visé au rapport annuel du fonds.
  Le Ministre arrĂȘte le prix unitaire par membre, par indemnitĂ© payĂ©e et par activitĂ©, ainsi que le mode de calcul.
  Art. 11.8.12. La subvention est annuellement mise à disposition sous forme de l'avance et du solde suivants :
  1° une avance de 70% du montant est payée au plus tard le 1er août de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant annuel est payé aprÚs l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7, alinéa trois.
  L'agence informe le fonds de solidarité archéologique agréé, par envoi sécurisé, des résultats de l'évaluation. Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement. ".
  " Section 7. - Prime pour frais de fouilles excessifs
  Sous-section 1. - Fouilles archéologiques pour lesquelles aucune prime pour frais de fouilles excessifs n'est octroyée
  Art. 11.7.1. Aucune prime pour frais de fouilles excessifs n'est octroyée pour :
  1° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier, lors desquels une convention a été conclue pour le transfert de propriété d'une habitation ou d'un appartement à construire ou en voie de construction, à condition que l'habitation ou l'appartement est affecté(e) au logement ou à des fins professionnelles, et que l'acheteur ou le donneur d'ordre est tenu, selon la convention, d'effectuer un ou plusieurs versements avant l'achÚvement du bùtiment ;
  2° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier de donneurs d'ordre ou de bénéficiaires ayant comme activité de construire, de faire construire ou d'acquérir des bùtiments, afin de les aliéner à titre onéreux ou non ;
  3° des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier, lors desquels les donneurs d'ordre agissent réguliÚrement comme donneurs d'ordre d'un projet de construction ;
  4° des fouilles archĂ©ologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier de donneurs d'ordre pouvant ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme une partie d'un groupe ou d'un secteur qui agit rĂ©guliĂšrement comme donneur d'ordre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier ;
  5° des fouilles archéologiques pour lesquelles une prime du patrimoine ou une prime à la recherche a déjà été octroyée.
  Dans l'alinéa premier, 3° et 4°, on entend par agir réguliÚrement comme donneur d'ordre d'un projet relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier : les donneurs d'ordre qui, au cours des trois années précédant la demande d'une prime pour frais de fouilles excessifs, ont entamé au moins un acte relevant du champ d'application des articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Sous-section 2. - Fouilles archĂ©ologiques pour lesquelles une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre demandĂ©e
  Art. 11.7.2. Dans les limites des crĂ©dits disponibles Ă cet effet au budget de la CommunautĂ© flamande, une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e.
  Art. 11.7.3. Une prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e pour des fouilles archĂ©ologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier de personnes physiques et d'entreprises ou associations Ă petite Ă©chelle.
  Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă une prime pour frais de fouilles excessifs :
  1° la fouille archĂ©ologique doit ĂȘtre exĂ©cutĂ©e conformĂ©ment au DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au prĂ©sent arrĂȘtĂ© et Ă la description dans la note archĂ©ologique ratifiĂ©e ou la note ratifiĂ©e ;
  2° le preneur de prime et la personne physique, l'entreprise ou association Ă petite Ă©chelle, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, ne peuvent pas, au cours des dix derniĂšres annĂ©es, avoir Ă©tĂ© jugĂ©s coupables par dĂ©cision dĂ©finitive judiciaire ou administrative de participation Ă une infraction ou Ă un dĂ©lit tel que visĂ© au dĂ©cret du 3 mars 1976 rĂ©glant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, au dĂ©cret du 16 avril 1996 relatif Ă la protection des sites ruraux, au DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou Ă la lĂ©gislation en matiĂšre de patrimoine d'un Etat membre de l'Union europĂ©enne.
  Dans les alinéas premier et deux, on entend par :
  1° entreprise à petite échelle : une entreprise occupant moins de dix personnes, à l'exception du travail saisonnier et du travail lors de pics d'activité, dont le chiffre d'affaires ou le total du bilan annuel ne dépasse pas les 5 millions d'euros pendant l'exercice précédant l'exercice pendant lequel la prime est demandée ;
  2° association à petite échelle : une association occupant moins de dix personnes, dont le chiffre d'affaires ou le total du bilan annuel ne dépasse pas les 5 millions d'euros pendant l'exercice précédant l'exercice pendant lequel la prime est demandée.
  Sous-section 3. - Montant de la prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.4. § 1er. La prime pour frais de fouilles excessifs est calculée en multipliant les frais de base forfaitaires par les variables correspondant à la situation constatée, diminués de la franchise, établie par le Ministre, et en multipliant ce montant par 40%. Les frais de base forfaitaires sont exprimés comme un montant par unité de superficie.
  Le Ministre arrĂȘte les frais de base forfaitaires, les variables et la franchise.
  Dans le présent paragraphe, on entend par franchise : la premiÚre tranche non subventionnable des frais de la fouille archéologique à exécuter obligatoirement.
  § 2. La prime pour frais de fouilles excessifs s'élÚve à 40.000 euros au maximum.
  § 3. Lorsque le preneur de prime peut démontrer qu'il ne peut pas récupérer la T.V.A., la prime pour frais de fouilles excessifs est calculée sur la base des frais de base forfaitaires, T.V.A. comprise.
  Art. 11.7.5. La fouille archĂ©ologique peut Ă©galement ĂȘtre financĂ©e par d'autres contributions publiques. L'ensemble des contributions publiques, y compris les moyens europĂ©ens Ă©ventuels, ne peut cependant pas ĂȘtre supĂ©rieur au produit des frais de base forfaitaires et des variables correspondant Ă la situation constatĂ©e, tel que fixĂ© par le Ministre.
  Sous-section 4. - Nombre de primes pour frais de fouilles excessifs par fouille archéologique à exécuter obligatoirement
  Art. 11.7.6. Dans le cadre d'une fouille archĂ©ologique Ă exĂ©cuter obligatoirement, au maximum une seule prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre octroyĂ©e.
  Sous-section 5. - Demandes d'une prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.7. Le preneur de prime introduit la demande d'une prime pour frais de fouilles excessifs auprÚs de l'agence.
  Le dossier de demande comprend un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  Le Ministre peut arrĂȘter les modalitĂ©s du contenu du dossier de demande.
  Art. 11.7.8. La prime pour frais de fouilles excessifs peut ĂȘtre demandĂ©e Ă partir de l'introduction du rapport archĂ©ologique jusqu'Ă 120 jours aprĂšs.
  Sous-section 6. - Fixation et paiement de la prime pour frais de fouilles excessifs
  Art. 11.7.9. L'agence examine la demande sur le plan du contenu et prend une décision dans un délai de quatre-vingt-dix jours, qui prend cours le jour aprÚs sa réception.
  En cas d'accord, la prime pour frais de fouilles excessifs est arrĂȘtĂ©e, en suite de quoi une copie du cet arrĂȘtĂ© est transmis par envoi sĂ©curisĂ© au demandeur et l'agence procĂšde au paiement de la prime.
  Lorsque la demande est incomplĂšte ou ne remplit pas les conditions, visĂ©es Ă la prĂ©sente section, il est notifiĂ© au preneur de prime, par envoi sĂ©curisĂ©, pourquoi la demande est refusĂ©e et, le cas Ă©chĂ©ant, dans quel sens le dossier peut ĂȘtre adaptĂ© ou complĂ©tĂ© afin d'ĂȘtre tout de mĂȘme Ă©ligible Ă l'octroi et au paiement. Une nouvelle demande doit rĂ©pondre Ă ces remarques et peut ĂȘtre introduite Ă nouveau conformĂ©ment Ă l'article 11.7.7.
  Art. 11.7.10. La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour frais de fouilles excessifs sera suspendu(e) si le preneur de prime est accusé, pendant ou à l'issue des fouilles archéologiques, de participation à une infraction ou à un délit tel que visé aux articles 11.2.2 et 11.2.4, § 1er, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Le droit à une prime pour frais de fouilles excessifs échoit définitivement lorsque le preneur de prime est jugé coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à l'infraction ou au délit, visé à l'alinéa premier. Dans ce cas, les montants indûment payés seront également recouvrés.
  Section 8. - Allocation pour un fonds de solidarité archéologique agréé
  Sous-section 1. - Agrément comme fonds de solidarité archéologique
  Art. 11.8.1. Le Ministre conclut une convention telle que visée à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 avec un fonds de solidarité archéologique.
  Cette convention comprend au moins les données suivantes :
  1° le mode de calcul de la contribution des membres au fonds de solidarité archéologique ;
  2° les conditions pour l'indemnisation des membres ;
  3° les objectifs du fonds de solidarité archéologique ;
  4° le groupe-cible du fonds de solidarité archéologique ;
  5° la durée de la convention.
  Art. 11.8.2. ConformĂ©ment Ă l'article 10.3.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le Ministre agrĂ©e le fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique aprĂšs la conclusion de la convention, visĂ©e Ă l'article 11.8.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Art. 11.8.3. L'agrĂ©ment prend cours Ă la date de l'arrĂȘtĂ© portant agrĂ©ment du fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique.
  Art. 11.8.4. L'agrément comme fonds de solidarité archéologique est publié par extrait au Moniteur belge.
  Art. 11.8.5. Un agrément comme fonds de solidarité archéologique est d'une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'agrément, visées à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont remplies.
  Sous-section 2. - Le subventionnement de fonds de solidarité archéologiques agréés
  Art. 11.8.6. ConformĂ©ment aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et dans les limites des crĂ©dits affectĂ©s Ă cet effet au budget de la CommunautĂ© flamande, le Ministre peut octroyer une subvention Ă un fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique agréé.
  Art. 11.8.7. A cet effet, un fonds de solidarité archéologique agréé peut introduire une demande auprÚs de l'agence par envoi sécurisé, au plus tard le 1er avril de chaque année.
  La demande d'une subvention comprend au moins les éléments suivants :
  1° une identification du fonds de solidarité archéologique agréé ;
  2° une liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  3° un budget ;
  4° à partir de la deuxiÚme année d'activité du fonds de solidarité archéologique agréé, un rapport annuel du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique de l'année précédente.
  Le rapport annuel, visé à l'alinéa deux, 4°, comprend au moins les éléments suivants :
  1° un rapport de fond sur le fonctionnement du fonds de solidarité archéologique agréé, y compris un aperçu des activités réalisées du fonds pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  2° un rapport financier qui donne au moins un aperçu des cotisations des membres reçues, des indemnités payées aux membres, et du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique ;
  3° un rapport du mode dont le fonds de solidaritĂ© archĂ©ologique rĂ©pond aux dispositions de la convention, visĂ©e Ă l'article 11.8.1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Art. 11.8.8. La demande est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et est complÚte. En cas d'incomplétude, l'agence informe le demandeur par envoi sécurisé des éléments manquants, dans un délai de trente jour qui commence le jour suivant la réception de la demande. Lorsque le demandeur ne complÚte pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour aprÚs la réception de la demande de complément, la demande est déclarée irrecevable. L'agence communique cette décision au demandeur par envoi sécurisé.
  Art. 11.8.9. A partir de la deuxiÚme année d'activité, l'agence émet un avis au Ministre aprÚs l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7.
  Art. 11.8.10. Dans un dĂ©lai de soixante jours, qui prend cours le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande de subvention recevable, le Ministre dĂ©cide de l'octroi et du montant de la subvention. Lorsqu'aucune dĂ©cision n'est prise dans ce dĂ©lai, la demande est censĂ©e ĂȘtre refusĂ©e.
  Une copie de la décision est transmise, par envoi sécurisé, au fonds de solidarité archéologique agréé.
  Art. 11.8.11. La subvention peut ĂȘtre affectĂ©e, entre autres, au fonctionnement du fonds.
  La subvention de base annuelle s'élÚve au moins à 50.000 euros et est majorée d'un montant qui est lié aux critÚres suivants :
  1° le nombre de membres, repris à la liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  2° le nombre d'indemnités payées ;
  3° le nombre d'activités du fonds de solidarité archéologique pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, visé au rapport annuel du fonds.
  Le Ministre arrĂȘte le prix unitaire par membre, par indemnitĂ© payĂ©e et par activitĂ©, ainsi que le mode de calcul.
  Art. 11.8.12. La subvention est annuellement mise à disposition sous forme de l'avance et du solde suivants :
  1° une avance de 70% du montant est payée au plus tard le 1er août de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant annuel est payé aprÚs l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7, alinéa trois.
  L'agence informe le fonds de solidarité archéologique agréé, par envoi sécurisé, des résultats de l'évaluation. Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement. ".
Art. 43. In artikel 13.3.5 van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "beschouwd als open erfgoed" en de woorden "Na verstrijken" de woorden "en de betrokken vereniging als open-monumentenvereniging" ingevoegd.
Art. 43. Dans l'article 13.3.5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " et l'association concernĂ©e comme une association de monuments ouverts " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " considĂ©rĂ©s comme du patrimoine ouvert " et les mots " tant que la durĂ©e de validitĂ© ".
Art. 44. In hetzelfde besluit worden een artikel 13.3.10 tot en met 13.3.19 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Art. 13.3.10. De aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving, die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.11. De beroepen bij de deputatie over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.12. De beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.13. Als een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving oplegt, wordt de schriftelijke vergunning van het agentschap, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, daarvoor aangevraagd, toegekend, bestreden en uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.14. Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en activiteiten als vermeld in artikel 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 8, § 1, van het voormelde besluit en er nog geen advies door de expertencommissie verleend is terwijl artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 al in werking zijn getreden, wint het agentschap het advies in van de Commissie. Dat advies wordt ingewonnen en behandeld overeenkomstig artikel 8, § 4 en § 5, van het voormelde besluit.
  Art. 13.3.15. Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor een archeologische opgraving of een prospectie met ingreep in de bodem een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 16, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, wordt het advies ingewonnen van de Commissie.
  Art. 13.3.16. In afwijking van artikel 15, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium kan een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector overgedragen worden aan een derde. De nieuwe vergunninghouder moet voldoen aan de kwalificatievoorwaarden voor de uitvoerders van archeologische opgravingen en archeologische prospecties met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium en aan de persoonsgebonden voorwaarden die opgenomen zijn in de vergunning.
  De vergunninghouder dient voor de overdracht met een beveiligde zending een gemotiveerd schriftelijk verzoek in bij het agentschap. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte. Bij overdracht wordt bij de vergunning een addendum gevoegd waaruit blijkt dat de vergunning is overgedragen. De nieuwe vergunninghouder stelt de vergunning met addendum altijd ter beschikking voor inzage op de plaats waar de vergunning wordt uitgevoerd. De oorspronkelijke vergunninghouder kan de vergunning na overdracht niet langer uitvoeren.
  Art. 13.3.17. De geldigheidstermijn van een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector verkregen met toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, kan, in geval van overmacht om de vergunning tijdig uit te voeren, verlengd worden. De vergunninghouder vraagt met een beveiligde zending de verlenging van de geldigheidstermijn aan het agentschap. Het agentschap kan de verlenging toestaan, weigeren of inperken. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de verlengingsaanvraag en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte.
  Art. 13.3.18. Aanvragen van schadevergoedingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium worden ingediend en behandeld overeenkomstig artikel 10 van het voormelde decreet.
  Art. 13.3.19. De aanvragen voor metaaldetectie die overeenkomstig artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.1.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.".
  "Art. 13.3.10. De aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving, die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.11. De beroepen bij de deputatie over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.12. De beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.13. Als een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving oplegt, wordt de schriftelijke vergunning van het agentschap, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, daarvoor aangevraagd, toegekend, bestreden en uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
  Art. 13.3.14. Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en activiteiten als vermeld in artikel 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 8, § 1, van het voormelde besluit en er nog geen advies door de expertencommissie verleend is terwijl artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 al in werking zijn getreden, wint het agentschap het advies in van de Commissie. Dat advies wordt ingewonnen en behandeld overeenkomstig artikel 8, § 4 en § 5, van het voormelde besluit.
  Art. 13.3.15. Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor een archeologische opgraving of een prospectie met ingreep in de bodem een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 16, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, wordt het advies ingewonnen van de Commissie.
  Art. 13.3.16. In afwijking van artikel 15, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium kan een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector overgedragen worden aan een derde. De nieuwe vergunninghouder moet voldoen aan de kwalificatievoorwaarden voor de uitvoerders van archeologische opgravingen en archeologische prospecties met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium en aan de persoonsgebonden voorwaarden die opgenomen zijn in de vergunning.
  De vergunninghouder dient voor de overdracht met een beveiligde zending een gemotiveerd schriftelijk verzoek in bij het agentschap. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte. Bij overdracht wordt bij de vergunning een addendum gevoegd waaruit blijkt dat de vergunning is overgedragen. De nieuwe vergunninghouder stelt de vergunning met addendum altijd ter beschikking voor inzage op de plaats waar de vergunning wordt uitgevoerd. De oorspronkelijke vergunninghouder kan de vergunning na overdracht niet langer uitvoeren.
  Art. 13.3.17. De geldigheidstermijn van een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector verkregen met toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, kan, in geval van overmacht om de vergunning tijdig uit te voeren, verlengd worden. De vergunninghouder vraagt met een beveiligde zending de verlenging van de geldigheidstermijn aan het agentschap. Het agentschap kan de verlenging toestaan, weigeren of inperken. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de verlengingsaanvraag en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte.
  Art. 13.3.18. Aanvragen van schadevergoedingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium worden ingediend en behandeld overeenkomstig artikel 10 van het voormelde decreet.
  Art. 13.3.19. De aanvragen voor metaaldetectie die overeenkomstig artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.1.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.".
Art. 44. Dans le mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© un article 13.3.10 Ă 13.3.19 inclus, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Art. 13.3.10. Les demandes d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquelles un jugement doit Ă©galement ĂȘtre rendu sur des recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires ou une fouille archĂ©ologique, qui sont introduites avant l'entrĂ©e en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. En ce qui concerne les recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires ou la fouille archĂ©ologique, les dĂ©cisions sont publiĂ©es, exĂ©cutĂ©es et contestĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date.
  Art. 13.3.11. Les recours auprÚs de la députation sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite auprÚs du collÚge des bourgmestre et échevins avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date. En ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, les décisions sont publiées, exécutées et contestées conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.12. Les recours auprÚs du Conseil pour les Contestations des Autorisations sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.13. Lorsqu'une autorisation urbanistique ou un permis de lotir dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, impose des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, l'autorisation écrite de l'agence, visée aux articles 6 et 9 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, est demandée, octroyée, contestée et exécutée conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.14. Lorsqu'un recours est instituĂ© contre une dĂ©cision de l'agence sur une autorisation Ă©crite pour l'exĂ©cution de travaux et d'activitĂ©s tels que visĂ©s aux articles 4 et 6 du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, conformĂ©ment Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, et aucun avis n'a encore Ă©tĂ© rendu par la commission d'experts, tandis que les articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont dĂ©jĂ entrĂ©s en vigueur, l'agence recueille l'avis de la Commission. Cet avis est recueilli et traitĂ© conformĂ©ment Ă l'article 8, §§ 4 et 5, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
  Art. 13.3.15. Lorsqu'un recours est instituĂ© contre une dĂ©cision de l'agence sur une autorisation Ă©crite pour une fouille archĂ©ologique ou une prospection avec intervention dans le sol, conformĂ©ment Ă l'article 16, § 5, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, l'avis de la Commission est recueilli.
  Art. 13.3.16. Par dĂ©rogation Ă l'article 15, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, une autorisation pour une prospection archĂ©ologique avec intervention dans le sol, une fouille archĂ©ologique ou l'utilisation d'un dĂ©tecteur peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e Ă un tiers. Le nouveau dĂ©tenteur de l'autorisation doit remplir les conditions de qualification pour les exĂ©cutants de recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires et de prospections archĂ©ologiques avec intervention dans le sol, visĂ©es aux articles 12 et 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, ainsi que les conditions liĂ©es Ă la personne qui sont reprises dans l'autorisation.
  Le dĂ©tenteur de l'autorisation introduit une demande Ă©crite motivĂ©e auprĂšs de l'agence, par envoi sĂ©curisĂ©, en vue du transfert. L'agence prend une dĂ©cision dans un dĂ©lai de trente jours, qui commence le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande, et informe le dĂ©tenteur de l'autorisation par envoi sĂ©curisĂ©. En cas de transfert, un addenda est joint Ă l'autorisation dont il rĂ©sulte que l'autorisation est transfĂ©rĂ©e. Le nouveau dĂ©tenteur de l'autorisation tient l'autorisation avec l'addenda toujours Ă disposition pour consultation Ă l'endroit oĂč l'autorisation est exĂ©cutĂ©e. Le dĂ©tenteur de l'autorisation initial ne peut plus exĂ©cuter l'autorisation aprĂšs le transfert.
  Art. 13.3.17. Le dĂ©lai de validitĂ© d'une autorisation pour une prospection archĂ©ologique avec intervention dans le sol, une fouille archĂ©ologique ou l'utilisation d'un dĂ©tecteur, obtenue en application du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, peut ĂȘtre prolongĂ© en cas de force majeure, afin d'exĂ©cuter l'autorisation Ă temps. Le dĂ©tenteur de l'autorisation demande la prolongation du dĂ©lai de validitĂ© par envoi sĂ©curisĂ© Ă l'agence. L'agence peut accorder, refuser ou limiter la prolongation. L'agence prend une dĂ©cision dans un dĂ©lai de trente jours, qui commence le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande de prolongation, et informe le dĂ©tenteur de l'autorisation par envoi sĂ©curisĂ©.
  Art. 13.3.18. Des demandes d'indemnisation résultant de l'application de l'article 7 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique sont introduites et traitées conformément à l'article 10 du décret précité.
  Art. 13.3.19. Les demandes de dĂ©tection de mĂ©taux qui sont introduites conformĂ©ment Ă l'article 19 de l'arrĂȘtĂ© du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, avant l'entrĂ©e en vigueur de l'article 5.1.2 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. Les dĂ©cisions sont communiquĂ©es, exĂ©cutĂ©es et contestĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. ".
  " Art. 13.3.10. Les demandes d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquelles un jugement doit Ă©galement ĂȘtre rendu sur des recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires ou une fouille archĂ©ologique, qui sont introduites avant l'entrĂ©e en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. En ce qui concerne les recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires ou la fouille archĂ©ologique, les dĂ©cisions sont publiĂ©es, exĂ©cutĂ©es et contestĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date.
  Art. 13.3.11. Les recours auprÚs de la députation sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite auprÚs du collÚge des bourgmestre et échevins avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date. En ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, les décisions sont publiées, exécutées et contestées conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.12. Les recours auprÚs du Conseil pour les Contestations des Autorisations sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.13. Lorsqu'une autorisation urbanistique ou un permis de lotir dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, impose des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, l'autorisation écrite de l'agence, visée aux articles 6 et 9 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, est demandée, octroyée, contestée et exécutée conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
  Art. 13.3.14. Lorsqu'un recours est instituĂ© contre une dĂ©cision de l'agence sur une autorisation Ă©crite pour l'exĂ©cution de travaux et d'activitĂ©s tels que visĂ©s aux articles 4 et 6 du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, conformĂ©ment Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, et aucun avis n'a encore Ă©tĂ© rendu par la commission d'experts, tandis que les articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont dĂ©jĂ entrĂ©s en vigueur, l'agence recueille l'avis de la Commission. Cet avis est recueilli et traitĂ© conformĂ©ment Ă l'article 8, §§ 4 et 5, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
  Art. 13.3.15. Lorsqu'un recours est instituĂ© contre une dĂ©cision de l'agence sur une autorisation Ă©crite pour une fouille archĂ©ologique ou une prospection avec intervention dans le sol, conformĂ©ment Ă l'article 16, § 5, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, l'avis de la Commission est recueilli.
  Art. 13.3.16. Par dĂ©rogation Ă l'article 15, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, une autorisation pour une prospection archĂ©ologique avec intervention dans le sol, une fouille archĂ©ologique ou l'utilisation d'un dĂ©tecteur peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e Ă un tiers. Le nouveau dĂ©tenteur de l'autorisation doit remplir les conditions de qualification pour les exĂ©cutants de recherches archĂ©ologiques prĂ©liminaires et de prospections archĂ©ologiques avec intervention dans le sol, visĂ©es aux articles 12 et 13 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, ainsi que les conditions liĂ©es Ă la personne qui sont reprises dans l'autorisation.
  Le dĂ©tenteur de l'autorisation introduit une demande Ă©crite motivĂ©e auprĂšs de l'agence, par envoi sĂ©curisĂ©, en vue du transfert. L'agence prend une dĂ©cision dans un dĂ©lai de trente jours, qui commence le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande, et informe le dĂ©tenteur de l'autorisation par envoi sĂ©curisĂ©. En cas de transfert, un addenda est joint Ă l'autorisation dont il rĂ©sulte que l'autorisation est transfĂ©rĂ©e. Le nouveau dĂ©tenteur de l'autorisation tient l'autorisation avec l'addenda toujours Ă disposition pour consultation Ă l'endroit oĂč l'autorisation est exĂ©cutĂ©e. Le dĂ©tenteur de l'autorisation initial ne peut plus exĂ©cuter l'autorisation aprĂšs le transfert.
  Art. 13.3.17. Le dĂ©lai de validitĂ© d'une autorisation pour une prospection archĂ©ologique avec intervention dans le sol, une fouille archĂ©ologique ou l'utilisation d'un dĂ©tecteur, obtenue en application du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, peut ĂȘtre prolongĂ© en cas de force majeure, afin d'exĂ©cuter l'autorisation Ă temps. Le dĂ©tenteur de l'autorisation demande la prolongation du dĂ©lai de validitĂ© par envoi sĂ©curisĂ© Ă l'agence. L'agence peut accorder, refuser ou limiter la prolongation. L'agence prend une dĂ©cision dans un dĂ©lai de trente jours, qui commence le jour aprĂšs la rĂ©ception de la demande de prolongation, et informe le dĂ©tenteur de l'autorisation par envoi sĂ©curisĂ©.
  Art. 13.3.18. Des demandes d'indemnisation résultant de l'application de l'article 7 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique sont introduites et traitées conformément à l'article 10 du décret précité.
  Art. 13.3.19. Les demandes de dĂ©tection de mĂ©taux qui sont introduites conformĂ©ment Ă l'article 19 de l'arrĂȘtĂ© du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, avant l'entrĂ©e en vigueur de l'article 5.1.2 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. Les dĂ©cisions sont communiquĂ©es, exĂ©cutĂ©es et contestĂ©es conformĂ©ment aux rĂšgles qui s'appliquaient prĂ©alablement Ă cette date. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van diverse besluiten
CHAPITRE 2. - Modification de divers arrĂȘtĂ©s
Afdeling 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1994 houdende aanwijzing van de besturen en openbare instellingen die advies geven over gemeentelijke plannen van aanleg
Section 1. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 fĂ©vrier 1994 portant dĂ©signation des administrations et organismes publics rendant des avis sur les plans d'amĂ©nagement communaux
Art. 45. In artikel 1, B, 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1994 houdende aanwijzing van de besturen en openbare instellingen die advies geven over gemeentelijke plannen van aanleg, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de woorden "beschermd als" en het woord "monument" wordt de zinsnede "archeologische site," ingevoegd;
  2° de zinsnede ", of beschermd archeologisch patrimonium omvatten" wordt opgeheven.
  1° tussen de woorden "beschermd als" en het woord "monument" wordt de zinsnede "archeologische site," ingevoegd;
  2° de zinsnede ", of beschermd archeologisch patrimonium omvatten" wordt opgeheven.
Art. 45. A l'article 1er, B, 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 fĂ©vrier 1994 portant dĂ©signation des administrations et organismes publics rendant des avis sur les plans d'amĂ©nagement communaux, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 10 juin 2011 et 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " site archéologique, " est inséré entre les mots " protégés comme " et le mot " monument " ;
  2° le membre de phrase " ou comprennent un patrimoine archéologique protégé " est abrogé.
  1° le membre de phrase " site archéologique, " est inséré entre les mots " protégés comme " et le mot " monument " ;
  2° le membre de phrase " ou comprennent un patrimoine archéologique protégé " est abrogé.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
Section 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne sans personnalitĂ© juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier)
Art. 46. In artikel 1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° het archeologisch erfgoed, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  "3° het archeologisch erfgoed, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 46. Dans l'article 1er, § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne sans personnalitĂ© juridique " Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier), modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, le point 3° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 3° le patrimoine archéologique, visé au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  " 3° le patrimoine archéologique, visé au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 47. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 en 16 mei 2014, worden de woorden "bebouwde en onbebouwde onroerende goederen" vervangen door de woorden "onroerend erfgoed".
Art. 47. Dans l'article 9, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 10 juin 2011 et 16 mai 2014, les mots " aux biens immobiliers bĂątis et non bĂątis " sont remplacĂ©s par les mots " au patrimoine immobilier ".
Art. 48. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 en 16 mei 2014, wordt de zinsnede ", artikel 30 van het Archeologiedecreet" opgeheven.
Art. 48. Dans l'article 9, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 10 juin 2011 et 16 mai 2014, le membre de phrase " , l'article 30 du DĂ©cret sur l'archĂ©ologie " est abrogĂ©.
Art. 49. In artikel 9/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 4° wordt opgeheven;
  2° er worden een punt 8° en een punt 9° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "8° de organisatie van het openbaar onderzoek namens de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, ter uitvoering van artikel 4.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en artikel 4.1.6 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014;
  9° het inwinnen van de adviezen namens de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, ter uitvoering van artikel 6.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
  1° punt 4° wordt opgeheven;
  2° er worden een punt 8° en een punt 9° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "8° de organisatie van het openbaar onderzoek namens de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, ter uitvoering van artikel 4.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en artikel 4.1.6 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014;
  9° het inwinnen van de adviezen namens de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, ter uitvoering van artikel 6.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
Art. 49. A l'article 9/1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2011 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 4° est abrogé ;
  2° il est ajouté un point 8° et un point 9°, rédigés comme suit :
  " 8° l'organisation de l'enquĂȘte publique au nom du Ministre flamand, ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions, en exĂ©cution de l'article 4.1.3 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et de l'article 4.1.6 de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014 ;
  9° la prise des avis au nom du Ministre flamand, ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions, en exécution de l'article 6.1.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  1° le point 4° est abrogé ;
  2° il est ajouté un point 8° et un point 9°, rédigés comme suit :
  " 8° l'organisation de l'enquĂȘte publique au nom du Ministre flamand, ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions, en exĂ©cution de l'article 4.1.3 du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et de l'article 4.1.6 de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014 ;
  9° la prise des avis au nom du Ministre flamand, ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions, en exécution de l'article 6.1.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Afdeling 3. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning
Section 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif Ă la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique
Art. 50. Aan artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  "5° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 50. L'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif Ă la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 5°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 5° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  " 5° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 51. Aan artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
  "6° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
Art. 51. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 6°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 6° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  " 6° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Art. 52. Aan artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, 1 maart 2013 en 4 april 2014, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° een bekrachtigde archeologienota, als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  "8° een bekrachtigde archeologienota, als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 52. L'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 3 juillet 2009, 1er mars 2013 et 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 8°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 8° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  " 8° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 53. Aan artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, 1 maart 2013 en 4 april 2014, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoedbesluit van 12 juli 2013.".
  "9° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoedbesluit van 12 juli 2013.".
Art. 53. L'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 3 juillet 2009, 1er mars 2013 et 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 9°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 9° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  " 9° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Art. 54. Aan artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 4 april 2014, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  "8° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 54. L'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 1er mars 2013 et 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 8°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 8° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  " 8° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 55. Aan artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 4 april 2014, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
  "9° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
Art. 55. L'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 1er mars 2013 et 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 9°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 9° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  " 9° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Art. 56. Aan artikel 16, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden een punt 14°, dat luidt als volgt:
  "14° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  "14° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 56. L'article 16, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 14°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 14° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  " 14° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 57. Aan artikel 16, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, wordt een punt 15° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "15° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
  "15° de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
Art. 57. L'article 16, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 15°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 15° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  " 15° les Ă©lĂ©ments, visĂ©s Ă l'article 6.3.2, alinĂ©a deux, de l'ArrĂȘtĂ© sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, si la demande concerne des actes Ă ou dans un bien protĂ©gĂ©, pour lesquels une autorisation est requise telle que visĂ©e Ă l'article 6.4.4, § 2, du DĂ©cret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Art. 58. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een hoofdstuk V/1, dat bestaat uit artikel 18/1, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk V/1. - Vergunningsaanvraag met wegenwerken
  Art. 18/1. Als de vergunningsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat, bevat het dossier van de aanvraag voor een nieuwe stedenbouwkundige vergunning naast de gegevens en stukken, vermeld in hoofdstuk II tot en met hoofdstuk V, de volgende gegevens of stukken:
  1° de rooilijnen van de in de aanvraag begrepen wegen;
  2° de indeling van de wegzate: de breedte van de rijbanen, groenstroken, fiets- en voetpaden met een dwarsprofiel per wegtype en aanduiding van de aard van de verhardingen;
  3° de plaatsen bestemd voor beplantingen, parkeerruimten, pleinen, speel- en rustplaatsen;
  4° de openbare nutsvoorzieningen zoals riolering, water, elektriciteit, gas en telecommunicatievoorzieningen;
  5° de aanduiding van voorzieningen voor de afvoer van hemelwater afkomstig van alle verharde oppervlakten die tot het weggebied behoren, zoals greppels, afvoerputjes en grachten en de maatregelen in functie van een goede waterhuishouding van het goed, zoals infiltratie- of buffervoorzieningen;
  6° de lichtpunten van het bestaande verlichtingsnet en de lichtpunten die voor de geplande handelingen worden ontworpen;
  7° een beschrijving van de wegenbouw- en andere werken waarbij de aanvrager er zich toe verbindt die op eigen kosten uit te voeren;
  8° een globale kostenraming van die werken, met opgave van de verschillende posten en de eenheidsprijzen die erop betrekking hebben;
  9° als de nieuwe weg wordt ingeschakeld in het openbaar domein, een verbintenis van de aanvrager dat de eigendom van de in de aanvraag aangegeven openbare wegen, aanhorigheden en openbare nutsvoorzieningen, alsook de gronden waarop ze komen, vrij en onbelast en zonder kosten afgestaan zal worden aan de gemeente op een door haar vast te stellen datum en in elk geval bij de eindoplevering van de werken.
  Als dat mogelijk en voldoende duidelijk is, kunnen de gegevens, vermeld in het eerste lid, op de tekeningen van de geplande werken, vermeld in artikel 3, 2°, artikel 7, 3°, artikel 11, 3°, of artikel 16, 3°, worden aangebracht.
  Als de aanvraag de wijziging van bestaande wegen omvat, moet het dossier een duidelijk onderscheid mogelijk maken tussen de bestaande toestand en de nieuwe toestand.".
  "Hoofdstuk V/1. - Vergunningsaanvraag met wegenwerken
  Art. 18/1. Als de vergunningsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat, bevat het dossier van de aanvraag voor een nieuwe stedenbouwkundige vergunning naast de gegevens en stukken, vermeld in hoofdstuk II tot en met hoofdstuk V, de volgende gegevens of stukken:
  1° de rooilijnen van de in de aanvraag begrepen wegen;
  2° de indeling van de wegzate: de breedte van de rijbanen, groenstroken, fiets- en voetpaden met een dwarsprofiel per wegtype en aanduiding van de aard van de verhardingen;
  3° de plaatsen bestemd voor beplantingen, parkeerruimten, pleinen, speel- en rustplaatsen;
  4° de openbare nutsvoorzieningen zoals riolering, water, elektriciteit, gas en telecommunicatievoorzieningen;
  5° de aanduiding van voorzieningen voor de afvoer van hemelwater afkomstig van alle verharde oppervlakten die tot het weggebied behoren, zoals greppels, afvoerputjes en grachten en de maatregelen in functie van een goede waterhuishouding van het goed, zoals infiltratie- of buffervoorzieningen;
  6° de lichtpunten van het bestaande verlichtingsnet en de lichtpunten die voor de geplande handelingen worden ontworpen;
  7° een beschrijving van de wegenbouw- en andere werken waarbij de aanvrager er zich toe verbindt die op eigen kosten uit te voeren;
  8° een globale kostenraming van die werken, met opgave van de verschillende posten en de eenheidsprijzen die erop betrekking hebben;
  9° als de nieuwe weg wordt ingeschakeld in het openbaar domein, een verbintenis van de aanvrager dat de eigendom van de in de aanvraag aangegeven openbare wegen, aanhorigheden en openbare nutsvoorzieningen, alsook de gronden waarop ze komen, vrij en onbelast en zonder kosten afgestaan zal worden aan de gemeente op een door haar vast te stellen datum en in elk geval bij de eindoplevering van de werken.
  Als dat mogelijk en voldoende duidelijk is, kunnen de gegevens, vermeld in het eerste lid, op de tekeningen van de geplande werken, vermeld in artikel 3, 2°, artikel 7, 3°, artikel 11, 3°, of artikel 16, 3°, worden aangebracht.
  Als de aanvraag de wijziging van bestaande wegen omvat, moet het dossier een duidelijk onderscheid mogelijk maken tussen de bestaande toestand en de nieuwe toestand.".
Art. 58. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, il est insĂ©rĂ© un chapitre V/1, composĂ© de l'article 18/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Chapitre V/1. - Demande d'autorisation comprenant des travaux routiers
  Art. 18/1. Lorsque la demande d'autorisation comprend l'aménagement de nouvelle voirie, la modification du tracé, l'élargissement ou la suppression de voirie communale existante, le dossier de la demande d'une nouvelle autorisation urbanistique comprend, outre les données et piÚces visées aux chapitres II à V inclus, les données ou piÚces suivantes :
  1° les alignements des routes comprises dans la demande ;
  2° la division de la route : la largeur des chaussĂ©es, bandes vertes, pistes cyclables et trottoirs avec un profil transversal par type de route et la dĂ©signation de la nature des revĂȘtements ;
  3° les endroits destinés aux plantations, aires de stationnement, places, aires de jeu et de repos ;
  4° les équipements d'utilité publique tels que les égouts, l'eau, l'électricité, le gaz et les ressources de télécommunication ;
  5° l'indication des Ă©quipements pour l'Ă©vacuation des eaux pluviales provenant de toutes les surfaces revĂȘtues appartenant aux voiries, telles que les rigoles, les puisards et les fossĂ©s, et les mesures en fonction d'un bon rĂ©gime hydraulique du bien, telles que des Ă©quipements d'infiltration et tampon ;
  6° les points lumineux du réseau d'éclairage existant, et les points lumineux qui sont conçus pour les actes prévus ;
  7° une description des travaux routiers et autres par laquelle le demandeur s'engage à les exécuter à ses propres frais ;
  8° une estimation des frais globale de ces travaux, indiquant les différents postes et les prix unitaires applicables ;
  9° lorsque la nouvelle route est intégrée dans le domaine public, l'engagement du demandeur que la propriété des voies publiques, leurs annexes et les équipements d'utilité publique indiqués dans la demande, ainsi que des terrains sur lesquels ils sont réalisés, sera cédée, quitte et libre et sans frais, à la commune à une date à fixer par la commune et en tout cas lors de la réception finale des travaux.
  Si c'est possible et suffisamment clair, les donnĂ©es visĂ©es Ă l'alinĂ©a premier, peuvent ĂȘtre apposĂ©es sur les croquis des travaux prĂ©vus, visĂ©s Ă l'article 3, 2°, l'article 7, 3°, l'article 11, 3°, ou l'article 16, 3°.
  Si la demande comprend la modification de routes existantes, le dossier doit permettre une distinction claire entre la situation existante et la situation nouvelle. ".
  " Chapitre V/1. - Demande d'autorisation comprenant des travaux routiers
  Art. 18/1. Lorsque la demande d'autorisation comprend l'aménagement de nouvelle voirie, la modification du tracé, l'élargissement ou la suppression de voirie communale existante, le dossier de la demande d'une nouvelle autorisation urbanistique comprend, outre les données et piÚces visées aux chapitres II à V inclus, les données ou piÚces suivantes :
  1° les alignements des routes comprises dans la demande ;
  2° la division de la route : la largeur des chaussĂ©es, bandes vertes, pistes cyclables et trottoirs avec un profil transversal par type de route et la dĂ©signation de la nature des revĂȘtements ;
  3° les endroits destinés aux plantations, aires de stationnement, places, aires de jeu et de repos ;
  4° les équipements d'utilité publique tels que les égouts, l'eau, l'électricité, le gaz et les ressources de télécommunication ;
  5° l'indication des Ă©quipements pour l'Ă©vacuation des eaux pluviales provenant de toutes les surfaces revĂȘtues appartenant aux voiries, telles que les rigoles, les puisards et les fossĂ©s, et les mesures en fonction d'un bon rĂ©gime hydraulique du bien, telles que des Ă©quipements d'infiltration et tampon ;
  6° les points lumineux du réseau d'éclairage existant, et les points lumineux qui sont conçus pour les actes prévus ;
  7° une description des travaux routiers et autres par laquelle le demandeur s'engage à les exécuter à ses propres frais ;
  8° une estimation des frais globale de ces travaux, indiquant les différents postes et les prix unitaires applicables ;
  9° lorsque la nouvelle route est intégrée dans le domaine public, l'engagement du demandeur que la propriété des voies publiques, leurs annexes et les équipements d'utilité publique indiqués dans la demande, ainsi que des terrains sur lesquels ils sont réalisés, sera cédée, quitte et libre et sans frais, à la commune à une date à fixer par la commune et en tout cas lors de la réception finale des travaux.
  Si c'est possible et suffisamment clair, les donnĂ©es visĂ©es Ă l'alinĂ©a premier, peuvent ĂȘtre apposĂ©es sur les croquis des travaux prĂ©vus, visĂ©s Ă l'article 3, 2°, l'article 7, 3°, l'article 11, 3°, ou l'article 16, 3°.
  Si la demande comprend la modification de routes existantes, le dossier doit permettre une distinction claire entre la situation existante et la situation nouvelle. ".
Afdeling 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning
Section 4. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif Ă la composition du dossier de demande d'un permis de lotir
Art. 59. Aan artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2012, 1 maart 2013, 4 april 2014 en 16 mei 2014, wordt een punt 17° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "17° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
  "17° een bekrachtigde archeologienota als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.".
Art. 59. L'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif Ă la composition du dossier de demande d'un permis de lotir, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 octobre 2012, 1er mars 2013, 4 avril 2014 et 16 mai 2014, est complĂ©tĂ© par un point 17°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 17° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
  " 17° une note archéologique ratifiée si elle est requise conformément à l'article 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen
Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant dĂ©signation des instances formulant un avis sur une demande de permis
Art. 60. In artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 en 16 mei 2014, wordt de volgende bepaling opgeheven:
  "h) aanvragen voor:
  1) verkavelingen van ten minste tien loten, bestemd voor woningbouw, of met een grondoppervlakte groter dan een halve hectare, ongeacht het aantal loten;
  2) groepswoningbouwprojecten, waarbij ten minste tien woongelegenheden ontwikkeld worden;
  3) de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen, waarbij ten minste vijftig appartementen gecreëerd worden;
  4) nieuwbouwprojecten met een bebouwd oppervlak van 500 m2 of meer in woongebieden of recreatiegebieden;
  5) ontginningsgebieden en uitbreiding van ontginningsgebieden;".
  "h) aanvragen voor:
  1) verkavelingen van ten minste tien loten, bestemd voor woningbouw, of met een grondoppervlakte groter dan een halve hectare, ongeacht het aantal loten;
  2) groepswoningbouwprojecten, waarbij ten minste tien woongelegenheden ontwikkeld worden;
  3) de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen, waarbij ten minste vijftig appartementen gecreëerd worden;
  4) nieuwbouwprojecten met een bebouwd oppervlak van 500 m2 of meer in woongebieden of recreatiegebieden;
  5) ontginningsgebieden en uitbreiding van ontginningsgebieden;".
Art. 60. Dans l'article 1er, 1°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant dĂ©signation des instances formulant un avis sur une demande de permis, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 12 juillet 2013 et 16 mai 2014, la disposition suivante est abrogĂ©e :
  " h) aux demandes relatives :
  1) aux lotissements de dix lots au moins destinés à l'habitation ou ayant une surface au sol supérieure à un demi-hectare, quel que soit le nombre de lots ;
  2) aux projets de construction d'habitations groupées dans le cadre desquels dix logements au moins sont construits ;
  3) à la construction ou la reconstruction d'immeubles d'appartements impliquant la construction de cinquante appartements au moins ;
  4) aux projets de nouvelle construction ayant une surface bùtie de 500 m ou plus dans les zones d'habitation et les zones de loisirs ;
  5) aux zones de défrichage et d'extension des zones de défrichage ; ".
  " h) aux demandes relatives :
  1) aux lotissements de dix lots au moins destinés à l'habitation ou ayant une surface au sol supérieure à un demi-hectare, quel que soit le nombre de lots ;
  2) aux projets de construction d'habitations groupées dans le cadre desquels dix logements au moins sont construits ;
  3) à la construction ou la reconstruction d'immeubles d'appartements impliquant la construction de cinquante appartements au moins ;
  4) aux projets de nouvelle construction ayant une surface bùtie de 500 m ou plus dans les zones d'habitation et les zones de loisirs ;
  5) aux zones de défrichage et d'extension des zones de défrichage ; ".
Art. 61. In artikel 1, 1°, van hetzelfde besluit wordt in het andere punt h) tussen het woord "de" en het woord "inventaris" het woord "vastgestelde" ingevoegd.
Art. 61. Dans l'article 1er, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " Ă©tabli " est insĂ©rĂ© entre les mots " l'inventaire " et les mots " des plantations ".
Afdeling 6. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
Section 6. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant dĂ©termination des actes qui ne requiĂšrent pas d'autorisation urbanistique
Art. 62. Aan artikel 1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, wordt de zinsnede ", en de regelgeving inzake archeologie" toegevoegd.
Art. 62. L'article 1.2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant dĂ©termination des actes qui ne requiĂšrent pas d'autorisation urbanistique, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, est complĂ©tĂ© par le membre de phrase " , et la rĂ©glementation en matiĂšre d'archĂ©ologie ".
Art. 63. Artikel 11.3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11.3. Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende archeologische opgravingen of archeologische vooronderzoeken als binnen twee jaar na de start van de opgravingen of het vooronderzoek het terrein hersteld wordt in zijn oorspronkelijke staat, of een aanvang genomen wordt met stedenbouwkundig vergunde handelingen:
  1° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, gemeld overeenkomstig artikel 5.4.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  2° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een archeologienota bekrachtigd is overeenkomstig artikel 5.4.13 van het voormelde decreet;
  3° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;
  4° archeologische opgravingen waarvoor een archeologienota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.9 van het voormelde decreet;
  5° archeologische opgravingen waarvoor een nota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.17 van het voormelde decreet;
  6° archeologische opgravingen waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;
  7° archeologische opgravingen of graafwerken met de bedoeling archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen waarvoor een vergunning is verkregen overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium".
  "Art. 11.3. Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende archeologische opgravingen of archeologische vooronderzoeken als binnen twee jaar na de start van de opgravingen of het vooronderzoek het terrein hersteld wordt in zijn oorspronkelijke staat, of een aanvang genomen wordt met stedenbouwkundig vergunde handelingen:
  1° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, gemeld overeenkomstig artikel 5.4.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  2° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een archeologienota bekrachtigd is overeenkomstig artikel 5.4.13 van het voormelde decreet;
  3° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;
  4° archeologische opgravingen waarvoor een archeologienota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.9 van het voormelde decreet;
  5° archeologische opgravingen waarvoor een nota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.17 van het voormelde decreet;
  6° archeologische opgravingen waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;
  7° archeologische opgravingen of graafwerken met de bedoeling archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen waarvoor een vergunning is verkregen overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium".
Art. 63. L'article 11.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 11.3. Une autorisation urbanistique n'est pas requise pour les fouilles archéologiques ou recherches archéologiques préliminaires suivantes si, dans les deux années suivant le début des fouilles ou des recherches préliminaires, le terrain est restauré dans son été original, ou les actes autorisés sont entamés :
  1° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, notifiées conformément à l'article 5.4.6 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  2° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, pour lesquelles une note archéologique est ratifiée conformément à l'article 5.4.13 du décret précité ;
  3° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, pour lesquelles une autorisation est obtenue conformément à l'article 5.5.3 du décret précité ;
  4° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une note archéologique est ratifiée conformément à l'article 5.4.9 du décret précité ;
  5° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une note est ratifiée conformément à l'article 5.4.17 du décret précité ;
  6° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une autorisation est obtenue conformément à l'article 5.5.3 du décret précité ;
  7° des fouilles archéologiques ou des travaux d'excavation dans le but de découvrir et de dégager des monuments archéologiques, pour lesquels une autorisation est obtenue conformément à l'article 6 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique. ".
  " Art. 11.3. Une autorisation urbanistique n'est pas requise pour les fouilles archéologiques ou recherches archéologiques préliminaires suivantes si, dans les deux années suivant le début des fouilles ou des recherches préliminaires, le terrain est restauré dans son été original, ou les actes autorisés sont entamés :
  1° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, notifiées conformément à l'article 5.4.6 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  2° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, pour lesquelles une note archéologique est ratifiée conformément à l'article 5.4.13 du décret précité ;
  3° des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, pour lesquelles une autorisation est obtenue conformément à l'article 5.5.3 du décret précité ;
  4° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une note archéologique est ratifiée conformément à l'article 5.4.9 du décret précité ;
  5° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une note est ratifiée conformément à l'article 5.4.17 du décret précité ;
  6° des fouilles archéologiques, pour lesquelles une autorisation est obtenue conformément à l'article 5.5.3 du décret précité ;
  7° des fouilles archéologiques ou des travaux d'excavation dans le but de découvrir et de dégager des monuments archéologiques, pour lesquels une autorisation est obtenue conformément à l'article 6 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique. ".
Art. 64. In artikel 13.2, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, wordt het woord "opgesteld" vervangen door het woord "vastgesteld".
Art. 64. Dans l'article 13.2, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014, le mot " Ă©tabli " est remplacĂ© par le mot " fixĂ© ".
HOOFDSTUK 3. - Vaststelling van lijst van aangeduide erkende archeologen
CHAPITRE 3. - Etablissement de la liste des archéologues agréés désignés
Art. 65. Het agentschap stelt een lijst van aangeduide erkende archeologen ter beschikking op zijn website. Deze lijst geldt als vastgestelde lijst van aangeduide erkende archeologen, vermeld in artikel 12.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Art. 65. L'agence rend une liste des archéologues agréés désignés accessible sur son site web. Cette liste vaut comme liste établie des archéologues agréés désignés, visée à l'article 12.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2014.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 66. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
  2° het ministerieel besluit van 13 september 2011 tot bepaling van de minimumnormen voor de registratie en documentatie bij archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem en de wijze van rapportering tot uitvoering van artikel 14, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium;
  3° omzendbrief ML/977/3 van 6 februari 1978 betreffende het herkenningsteken dat kan aangebracht worden aan de bij koninklijk besluit beschermde monumenten;
  4° omzendbrief ML/9 van 5 oktober 1984 betreffende de beteugeling van misdrijven inzake monumenten- en landschapszorg;
  5° omzendbrief ML/2 van 27 maart 1985 betreffende de spoedprocedure voor de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten;
  6° omzendbrief ML/6 van 17 juni 1993 betreffende de restauratiepremie voor werken aan beschermde monumenten ondernomen door of op initiatief van regionale of lokale besturen;
  7° omzendbrief ML/9 van 6 april 1998 betreffende de problematiek rond verwaarlozing, verval en sloping;
  8° omzendbrief ML/11 van 19 november 2002 betreffende de kerkverwarming van beschermde monumenten;
  9° omzendbrief ML/12 van 3 juni 2011 betreffende de restauratiepremie voor beveiligingswerken aan beschermde monumenten.
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
  2° het ministerieel besluit van 13 september 2011 tot bepaling van de minimumnormen voor de registratie en documentatie bij archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem en de wijze van rapportering tot uitvoering van artikel 14, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium;
  3° omzendbrief ML/977/3 van 6 februari 1978 betreffende het herkenningsteken dat kan aangebracht worden aan de bij koninklijk besluit beschermde monumenten;
  4° omzendbrief ML/9 van 5 oktober 1984 betreffende de beteugeling van misdrijven inzake monumenten- en landschapszorg;
  5° omzendbrief ML/2 van 27 maart 1985 betreffende de spoedprocedure voor de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten;
  6° omzendbrief ML/6 van 17 juni 1993 betreffende de restauratiepremie voor werken aan beschermde monumenten ondernomen door of op initiatief van regionale of lokale besturen;
  7° omzendbrief ML/9 van 6 april 1998 betreffende de problematiek rond verwaarlozing, verval en sloping;
  8° omzendbrief ML/11 van 19 november 2002 betreffende de kerkverwarming van beschermde monumenten;
  9° omzendbrief ML/12 van 3 juni 2011 betreffende de restauratiepremie voor beveiligingswerken aan beschermde monumenten.
Art. 66. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 13 septembre 2011 fixant les normes minimales pour l'enregistrement et la documentation lors de recherches archĂ©ologiques nĂ©cessitant une intervention dans le sol et pour le mode de rapportage portant exĂ©cution de l'article 14, § 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique ;
  3° la circulaire ML/977/3 du 6 fĂ©vrier 1978 relative au signe distinctif pouvant ĂȘtre apposĂ© aux monuments protĂ©gĂ©s par arrĂȘtĂ© royal ;
  4° la circulaire ML/9 du 5 octobre 1984 sur la répression de délits dans le domaine de la protection des monuments et des sites ;
  5° la circulaire ML/2 du 27 mars 1985 relative à la procédure d'urgence pour le subventionnement de travaux à des monuments protégés ;
  6° la circulaire ML/6 du 17 juin 1993 relative à la prime de restauration pour travaux à des monuments protégés entrepris à l'initiative des pouvoirs locaux ou régionaux ;
  7° la circulaire ML/9 du 6 avril 1998 relative à la problématique entourant l'abandon, le délabrement et la démolition ;
  8° la circulaire ML/11 du 19 novembre 2002 relative aux chauffages des monuments protégés ;
  9° la circulaire ML/12 du 3 juin 2011 relative à la prime de restauration pour des travaux de sécurisation à des monuments protégés.
  1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 13 septembre 2011 fixant les normes minimales pour l'enregistrement et la documentation lors de recherches archĂ©ologiques nĂ©cessitant une intervention dans le sol et pour le mode de rapportage portant exĂ©cution de l'article 14, § 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archĂ©ologique ;
  3° la circulaire ML/977/3 du 6 fĂ©vrier 1978 relative au signe distinctif pouvant ĂȘtre apposĂ© aux monuments protĂ©gĂ©s par arrĂȘtĂ© royal ;
  4° la circulaire ML/9 du 5 octobre 1984 sur la répression de délits dans le domaine de la protection des monuments et des sites ;
  5° la circulaire ML/2 du 27 mars 1985 relative à la procédure d'urgence pour le subventionnement de travaux à des monuments protégés ;
  6° la circulaire ML/6 du 17 juin 1993 relative à la prime de restauration pour travaux à des monuments protégés entrepris à l'initiative des pouvoirs locaux ou régionaux ;
  7° la circulaire ML/9 du 6 avril 1998 relative à la problématique entourant l'abandon, le délabrement et la démolition ;
  8° la circulaire ML/11 du 19 novembre 2002 relative aux chauffages des monuments protégés ;
  9° la circulaire ML/12 du 3 juin 2011 relative à la prime de restauration pour des travaux de sécurisation à des monuments protégés.
Art. 67. De ontvankelijke aanvragen voor een erfgoed- of onderzoekspremie die bij het agentschap werden ingediend voor 1 januari 2016 worden afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
Art. 67. Les demandes recevables pour une prime du patrimoine ou à la recherche, qui ont été introduites auprÚs de l'agence avant le 1er janvier 2016, sont traitées conformément aux rÚgles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
Art. 68. De volgende artikelen van dit besluit en de volgende bepalingen treden in werking op 1 januari 2016:
  1° artikel 1 tot en met 10, artikel 12 tot en met 43, artikel 45 tot en met 47, artikel 49, 51, 53, 55, 57, 58, 61, 64, 65, 67, 68 en 69 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 21° en hoofdstuk 5, afdeling 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  1° artikel 1 tot en met 10, artikel 12 tot en met 43, artikel 45 tot en met 47, artikel 49, 51, 53, 55, 57, 58, 61, 64, 65, 67, 68 en 69 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 21° en hoofdstuk 5, afdeling 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Art. 68. Les articles suivants du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les dispositions suivantes entrent en vigueur le 1er janvier 2016 :
  1° les articles 1er Ă 10 inclus, les articles 12 Ă 43 inclus, les articles 45 Ă 47 inclus, les articles 49, 51, 53, 55, 57, 58, 61, 64, 65, 67, 68 et 69 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 21° et le chapitre 5, section 3, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  1° les articles 1er Ă 10 inclus, les articles 12 Ă 43 inclus, les articles 45 Ă 47 inclus, les articles 49, 51, 53, 55, 57, 58, 61, 64, 65, 67, 68 et 69 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 21° et le chapitre 5, section 3, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  De volgende artikelen van dit besluit en de volgende bepalingen treden in werking op een datum bepaald door de minister, na mededeling aan de Vlaamse Regering, en ten vroegste op 1 april 2016:
  1° artikel 11, 44, 63 en 66 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 4°, 7°, 8°, 9° en 12°, 10.2.1, eerste lid, 7°, artikel 10.3.1, 10.3.2, 10.3.3, 11.2.2, eerste lid, 4°, 5° en 10°, 11.2.4, § 1, eerste lid, 2° en 4° en hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 met uitzondering van artikel 5.4.1 tot en met 5.4.4;
  3° artikel 12.2.1, 3°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wat betreft artikel 3, 1°, 2°, 3°, 5° tot en met 7°, 10° en 11°, artikel 4, 6 tot en met 10, artikel 19, 23, 31, 32, 33, § 1, artikel 34, 35, 1° tot en met 8°, 13° en 14°, artikel 36 en 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium.
  1° artikel 11, 44, 63 en 66 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 4°, 7°, 8°, 9° en 12°, 10.2.1, eerste lid, 7°, artikel 10.3.1, 10.3.2, 10.3.3, 11.2.2, eerste lid, 4°, 5° en 10°, 11.2.4, § 1, eerste lid, 2° en 4° en hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 met uitzondering van artikel 5.4.1 tot en met 5.4.4;
  3° artikel 12.2.1, 3°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wat betreft artikel 3, 1°, 2°, 3°, 5° tot en met 7°, 10° en 11°, artikel 4, 6 tot en met 10, artikel 19, 23, 31, 32, 33, § 1, artikel 34, 35, 1° tot en met 8°, 13° en 14°, artikel 36 en 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium.
  Les articles suivants du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les dispositions suivantes entrent en vigueur Ă une date fixĂ©e par le Ministre, aprĂšs la communication au Gouvernement flamand, et au plus tĂŽt le 1er avril 2016 :
  1° les articles 11, 44, 63 et 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 4°, 7°, 8°, 9° et 12°, 10.2.1, alinéa premier, 7°, les articles 10.3.1, 10.3.2, 10.3.3, 11.2.2, alinéa premier, 4°, 5° et 10°, 11.2.4, § 1er, alinéa premier, 2° et 4° et le chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'exception des articles 5.4.1 à 5.4.4 inclus ;
  3° l'article 12.2.1, 3°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 en ce qui concerne l'article 3, 1°, 2°, 3°, 5° à 7° inclus, 10° et 11°, les articles 4, 6 à 10 inclus, les articles 19, 23, 31, 32, 33, § 1er, les articles 34, 35, 1° à 8° inclus, 13° et 14°, les articles 36 et 37 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique.
  1° les articles 11, 44, 63 et 66 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 4°, 7°, 8°, 9° et 12°, 10.2.1, alinéa premier, 7°, les articles 10.3.1, 10.3.2, 10.3.3, 11.2.2, alinéa premier, 4°, 5° et 10°, 11.2.4, § 1er, alinéa premier, 2° et 4° et le chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'exception des articles 5.4.1 à 5.4.4 inclus ;
  3° l'article 12.2.1, 3°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 en ce qui concerne l'article 3, 1°, 2°, 3°, 5° à 7° inclus, 10° et 11°, les articles 4, 6 à 10 inclus, les articles 19, 23, 31, 32, 33, § 1er, les articles 34, 35, 1° à 8° inclus, 13° et 14°, les articles 36 et 37 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 11, 44, 63 et 66 fixée au 01-04-2016 par AM 2016-03-25/03, art. 1, 1°)
  De volgende artikelen van dit besluit en de volgende bepalingen treden in werking op een datum bepaald door de minister en ten vroegste op 1 juni 2016:
  1° artikel 48, 50, 52, 54, 56, 59, 60 en 62 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 36° en hoofdstuk 5, afdeling 4, onderafdeling 1 en 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  3° artikel 12.2.1, 3°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wat betreft artikel 1, 3, 8°, artikel 5 en 30 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium.
  1° artikel 48, 50, 52, 54, 56, 59, 60 en 62 van dit besluit;
  2° artikel 2.1, 36° en hoofdstuk 5, afdeling 4, onderafdeling 1 en 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  3° artikel 12.2.1, 3°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wat betreft artikel 1, 3, 8°, artikel 5 en 30 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium.
  Les articles suivants du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et les dispositions suivantes entrent en vigueur Ă une date fixĂ©e par le Ministre, et au plus tĂŽt le 1er juin 2016 :
  1° les articles 48, 50, 52, 54, 56, 59, 60 et 62 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 36° et le chapitre 5, section 4, sous-sections 1 et 2, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  3° l'article 12.2.1, 3°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 en ce qui concerne l'article 1er, 3, 8°, les articles 5 et 30 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique.
  1° les articles 48, 50, 52, 54, 56, 59, 60 et 62 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° l'article 2.1, 36° et le chapitre 5, section 4, sous-sections 1 et 2, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  3° l'article 12.2.1, 3°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 en ce qui concerne l'article 1er, 3, 8°, les articles 5 et 30 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 48, 50, 52, 54, 56, 59, 60 et 62 fixée au 01-06-2016 par AM 2016-03-25/02, art. 1, 1°)
Art. 69. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 69. Le Ministre flamand ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'amĂ©nagement du territoire dans ses attributions, sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.