Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 NOVEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft (NOTA : bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij DVR2016-01-15/08, art. 2)
Titre
13 NOVEMBRE 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand portant recevabilité et équivalence de la demande de dérogation aux objectifs de développement de l'enseignement maternel ordinaire et aux objectifs finaux de l'enseignement primaire ordinaire, concernant la discipline sciences et technique et la discipline homme et société (NOTE : confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur par DCFL2016-01-15/08, art. 2)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. De aanvraag tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, 2140 Antwerpen, is ontvankelijk. De vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen, opgenomen in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, worden gelijkwaardig verklaard.
Article 1er. La demande de dérogation aux objectifs de développement de l'enseignement maternel ordinaire et aux objectifs finaux de l'enseignement primaire ordinaire, concernant la discipline sciences et technique et la discipline homme et société, présentée par la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, 2140 Anvers, est recevable. Les objectifs de développement et objectifs finaux alternatifs, repris à l'annexe, jointe au présent arrêté, sont déclarés équivalents.
Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 2. La Ministre flamande compétente pour l'enseignement est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Vervangende ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw als vermeld in artikel 2
Het geheel van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, zoals vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 tot wijziging van artikel 2 en van de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 17 juli 2015, wordt voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de volgende ontwikkelingsdoelen en eindtermen:
Ontwikkelingsdoelen wetenschappen en techniek
Natuur
De kleuters
WO 1.1kunnen hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten benoemen en er op een doelgerichte, aangepaste wijze mee omgaan
WO 1.2 tonen handelend dat zij hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.3 kunnen in verband met de ontwikkeling van mensen, dieren en planten, getuigen van het inzicht dat de fase van jong zijn, klein zijn en verzorging behoeven vooraf gaat aan de fase van volwassen zijn, groot zijn en zorg dragen.
WO 1.4 kunnen bepaalde aspecten van weersomstandigheden gericht waarnemen, en benoemen:
- zij tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij deze aspecten van de natuur in hun belevings- en voorstellingswereld kunnen integreren;
- zij kunnen, wanneer de situatie zich voordoet, de gevolgen voor zichzelf aangeven.
WO 1.5 kunnen hen vertrouwde stoffen benoemen en er doelgericht en op aangepaste wijze mee omgaan.
WO 1.6 tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij hen vertrouwde stoffen op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.7 kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en tasten en kunnen deze vermogens op aangepaste wijze aanwenden.
WO 1.8 tonen in hun houding tegenover de natuur, processen in de natuur en kosmische verschijnselen: vertrouwen, verwondering, nieuwsgierigheid en eerbied.
WO 1.9 tonen in hun omgang met mens en natuur een houding van zorg en respect.
Techniek
De kleuters
WO 2.1 kunnen van eenvoudige voorwerpen en technische systemen aangeven dat ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
WO 2.2 kunnen bij eenvoudige en transparante technieken aangeven dat ze de samenhang beseffen met elementen uit de natuur.
WO 2.3 kunnen voorwerpen en technische systemen benoemen en aantonen dat verschillende onderdelen in relatie staan tot mekaar.
WO 2.4 tonen handelend in een vertrouwde context dat ze weten welk voorwerp of technisch systeem het best tegemoet komt aan een bepaalde behoefte.
WO 2.5 tonen handelend in spel en beweging dat ze op basis van bekende en vertrouwde voorwerpen en materialen eenvoudige technische systemen kunnen construeren en deze op fantasierijke en zinvolle wijze kunnen integreren in hun activiteiten.
WO 2.6 kunnen naar aanleiding van een probleem of uitdaging door middel van exploratie en experiment eenvoudige technische oplossingen bedenken.
WO 2.7 kunnen de juiste materialen en gereedschappen kiezen bij het maken van een eenvoudig technisch systeem.
WO 2.8 kunnen bij het maken van een eenvoudige technische constructie een zelf bedacht ontwerp volgens een stappenplan realiseren.
WO 2.9 kunnen nagaan of een zelf gemaakt technisch systeem beantwoordt aan (zelf) bepaalde vereisten en hoe het zo nodig verbeterd kan worden.
WO 2.10 zijn bereid om zorgzaam, veilig en hygiënisch om te gaan met voorwerpen, materialen en technische systemen en zien het belang daarvan in.
Ontwikkelingsdoelen mens en maatschappij
Gewoontevorming, hygiëne en verkeer
De kleuters:
WO 16 kennen de in de klas heersende gedragsregels voor veiligheid en kunnen ze toepassen.
WO 17 tonen goede gewoonten voor dagelijkse hygiëne.
WO 18 tonen goede gewoonten inzake eet- en drinkgedrag en weten onder meer in een voor hen vertrouwde, concrete situatie dat ze door inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.
WO 19 kunnen hen vertrouwde voedingsmiddelen en kledingstukken benoemen en er respectvol en op aangepaste wijze mee omgaan.
WO 20 kunnen in concrete situaties bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen.
WO 21 kunnen in hen vertrouwde, concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid.
WO 22 weten waar ze mogen spelen en waar niet volgens de heersende regels van de school.
WO 23 beseffen dat verkeer gevaarlijk is.
WO 24 kunnen onder begeleiding de in de concrete schoolomgeving noodzakelijke verkeersregels toepassen.
Sociaal-culturele verschijnselen
De kleuters
WO 25 tonen in concrete, hen vertrouwde situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.
WO 26 kunnen geconcentreerd en doelgericht met iets bezig zijn, ook te midden van de anderen;
- zij kunnen gericht kijken en waarnemen: kleur-, vorm- en richtingsverschillen;
- zij kunnen selectief, gericht luisteren, door zich af te sluiten voor geluiden die niet van belang zijn. (zie ook TN 1, MV 8, WI 17 t.e.m. WI 24)
WO 27 kennen en begrijpen de voor hen van toepassing zijnde omgangsvormen, leefregels en afspraken.
WO 28 kunnen in concrete situaties binnen een verzorgende, bewegings- of spelcontext met de hulp van een hen bekende en vertrouwde volwassene afspraken maken.
WO 29 kunnen zich bij een activiteit of spel aan de regels en afspraken houden.
WO 30 kunnen in concrete situaties meeleven met de gevoelens van anderen.
WO 31 kunnen helpen en zijn bereid zich indien nodig te laten helpen.
WO 32 kunnen in een sociale, bewegings- of spelcontext respectvol angstvrij en in wederzijds vertrouwen met elkaar omgaan.
WO 33 ontwikkelen vertrouwen in de wereld op basis van de aanwezigheid van vertrouwde volwassenen en de in de school en klas toegepaste omgangsvormen, leefregels en afspraken.
WO 34 geven handelend blijk van een inzicht in voor hen herkenbare en vertrouwde beroepsmatige handelswijzen.
WO 35 geven handelend blijk van inzicht in het handelingsverloop of kenmerkend bewegingsverloop van de betreffende handelswijze.
WO 36 tonen een houding van eerbied en dankbaarheid voor menselijke arbeid.
WO 37 tonen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext, dat zij in een concrete situatie een onderscheid kunnen maken tussen: geven, nemen, krijgen, kopen en verkopen, ruilen, lenen. (zie ook WI 29)
Oriëntatie in de tijd
De kleuters:
WO 38 begrijpen dat 'gisteren' voorbij is en dat 'morgen' nog moet komen.
WO 39 tonen, doordat zij hen bekende en vertrouwde vaste gebeurtenissen juist kunnen situeren dat zij de begrippen vandaag, dag en nacht, ochtend en avond, voormiddag en namiddag (of synoniemen daarvan) juist begrijpen.
WO 40 tonen tijdsbesef:
- aan de hand van het doelgericht handelen in functie van de eerstvolgende activiteit;
- doordat zij een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten in het verloop van hun dag in een juiste volgorde kunnen aangeven;
- door aan de hand van de opeenvolging van een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten getuigenis te geven van hun inzicht in het begrip week;
- door een voor hen belangrijke gebeurtenis te situeren in de seizoenen, hetzij aan de hand van de begrippen lente, zomer, herfst, winter, van jaarfeesten of kenmerkende gebeurtenissen of activiteiten uit het desbetreffende seizoen.
WO 41 kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.
WO 42 kunnen in de tijd vooruitzien door:
- zich een handeling voor te nemen en de voorgenomen handeling uit te voeren op het daarvoor bestemde tijdstip;
- een planning van minstens twee activiteiten aan te geven.
WO 43 kunnen hun gedrag aanpassen aan tijdsignalen.
WO 44 kunnen hun beurt afwachten.
Oriëntatie in de ruimte
De kleuters
WO 45 kunnen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext de belangrijkste lichaamsdelen benoemen: hoofd, buik, armen, handen, vingers, benen, voeten, tenen, oren, ogen, neus, mond. (zie ook WI 1)
WO 46 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door in hun handelingen te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt. (zie ook WI 46)
WO 47 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte een voorwerp inneemt. (zie ook WI 8, MV tekenen, LO)
WO 48 tonen handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext dat zij de juiste betekenis begrijpen van ruimtelijke richtingen en kwaliteiten zoals boven-onder, naast, achter-voor, tussen, ver-dichtbij / verder-dichter, groot-klein / groter-kleiner, dik-dun / dikker-dunner, zwaar-licht / zwaarder-lichter, vol-leeg, veel-weinig / meer-minder. (zie ook WI 27 en WI 28)
WO 49 vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving. (zie WI 14)
WO 50 kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel. (zie WI 15)
WO 51 kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte. (zie WI 16)
Eindtermen wetenschappen en techniek
Natuur
Mens
De kinderen
WO 1.1 kunnen de gestalte van de mens beschrijven.
WO 1.2 kunnen de functie beschrijven
- van het hoofd m.b.t. het zenuw-zintuigsysteem, in het bijzonder de functie van de zintuigen;
- van de romp m.b.t. het ritmische systeem en de stofwisseling, waaronder bloedsomloop en ademhaling;
- van de ledematen m.b.t. het bewegingssysteem.
Dier
De kinderen
WO 1.3 kunnen van een aantal dieren uiterlijk, gedrag, leefwijze beschrijven.
WO 1.4 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen met betrekking tot dieren uit hun omgeving uitvoeren.
WO 1.5 kunnen een beperkt aantal dieren in hun leefmilieu (land, water, lucht) situeren.
WO 1.6 * beseffen dat er een verband bestaat tussen het uiterlijke van een dier en zijn levenswijze en omgeving.
WO 1.7 * beseffen dat het dier afhankelijk is van zijn omgeving.
Plant
De kinderen
WO 1.8 kunnen van een beperkt aantal planten het uiterlijk beschrijven: zij kunnen wortel, stengel, blad, bloem, vrucht lokaliseren en benoemen.
WO 1.9 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen uitvoeren met betrekking tot de planten uit hun omgeving.
WO 1.10 kunnen de functie beschrijven van wortel, stengel, blad, bloem, vrucht.
WO 1.11 kunnen een beperkt aantal 'planten' benoemen volgens de ontwikkelingsgraad: wieren, paddenstoelen, mossen, varens; de hogere planten exemplarisch (bijv. naaldbomen - loofbomen, bijv. lelieachtigen - roosachtigen).
WO 1.12* beseffen dat de plant afhankelijk is van bodem, lucht, licht, warmte, water en klimaat.
WO 1.13* tonen respect en zorg voor mensen, dieren, planten en gesteenten vanuit het besef dat deze natuurrijken elkaar voor hun voortbestaan nodig hebben.
Gesteenten en landschappen
De kinderen
WO 1.14 kunnen uitgaande van het landschap de vorm van een granietgebergte, een kalkgebergte en de kenmerken die wijzen op een vulkanische oorsprong, beschrijven en herkennen.
WO 1.15 kennen het onderscheid tussen graniet en kalk en vulkanisch gesteente.
WO 1.16 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van een landschap beïnvloed wordt door het aanwezige gesteente en de inwerking van water, wind, warmte en van de mens.
WO 1.17 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van landschap en de kwaliteit van het gesteente de levenswijze van de mens beïnvloedt.
WO 1.18 kunnen een beperkt aantal fenomenen in verband met het landschap met al hun zintuigen gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen op systematische wijze weergeven.
WO 1.19* tonen belangstelling voor de verscheidenheid in landschappen die op aarde voorkomen en kunnen deze waarderen in hun specifieke schoonheid.
Weer en klimaat
De kinderen
WO 1.20 kunnen de volgende weersverschijnselen verwoorden en onderscheiden: neerslag, enkele eenvoudige wolkentypes, windsoorten in functie van de windstreken.
WO 1.21 kunnen drie klimaatzones onderscheiden en situeren op de wereldkaart: warme, koude en gematigde zone.
WO 1.22 kennen het verschil tussen weer en klimaat.
WO 1.23 kunnen op eenvoudige wijze de kringloop van het water beschrijven.
WO 1.24 kunnen een beperkt aantal weerkundige fenomenen op weerkundig gebied gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen weergeven (zie ook leren leren en muzische vorming).
Fysische verschijnselen
De kinderen
WO 1.25 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden beknopt enkele kenmerken beschrijven van de fenomenen geluid, licht, warmte, elektriciteit, magnetisme.
WO 1.26 kunnen (exemplarisch) gericht en onbevangen natuurkundige fenomenen aan de hand van proeven waarnemen (zie ook leren leren).
WO 1.27 kunnen hun waarnemingen op systematische wijze verwoorden en opschrijven (zie ook leren leren).
WO 1.28 kunnen de fenomenen in hun causale samenhang beschrijven.
Milieu
De kinderen
WO 1.29* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgzaam om te gaan met mineraal, plant, dier en mens en het milieu in hun omgeving.
WO 1.30* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water.
Techniek
De kinderen
WO 2.1 kunnen beschrijven welke behoefte er aan de basis ligt van een eenvoudig en transparant technisch systeem.
WO 2.2 kunnen, uitgaand van een bepaalde behoefte, benoemen welke technische systemen hieraan beantwoorden of zelf technische oplossingen bedenken en de realiseerbaarheid ervan aftasten.
WO 2.3 beseffen hoe de mens door innovatieve constructies en het gebruik van technische hulpmiddelen in staat is de investering in menselijke energie te verminderen.
WO 2.4 kunnen de werking en het ontwikkelingsproces van eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven.
WO 2.5 kunnen bij eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven hoe de werking ervan samenhangt met de eigenschappen van de gebruikte natuurlijke grondstoffen en fenomenen.
WO 2.6 kennen en beheersen basistechnieken voor het hanteren, onderhouden en wegbergen van eenvoudige technische systemen.
WO 2.7* zijn bereid om zorgzaam, veilig, nauwkeurig en hygiënisch te werken.
WO 2.8 hebben inzicht in het technisch proces doordat zij:
- de probleemstelling begrijpen en een oplossing kunnen ontwikkelen;
- weten aan welke eisen het werkstuk moet voldoen en welke materialen en hulpmiddelen zij nodig hebben;
- een eenvoudig plan kunnen begrijpen of ontwerpen;
- weten welke stappen er achtereenvolgens uitgevoerd moeten worden;
- een eenvoudig ontwerp stap voor stap kunnen uitvoeren;
- het technisch systeem in gebruik kunnen nemen;
- de technische kwaliteiten en de werking van bepaalde technische systemen nauwgezet kunnen observeren en beschrijven;
- bereid zijn om het technisch systeem te controleren en te verbeteren indien nodig.
WO 2.9* tonen respect voor materiaal, de technische vaardigheden en technische realisaties van zichzelf en van anderen en kunnen technische systemen ook vanuit een esthetisch oogpunt benaderen.
Eindtermen mens en maatschappij
Gezondheid, levensstijl en verkeer
De kinderen
WO 36 kennen (exemplarisch) het productieproces van voedingsmiddelen, gebruiksvoorwerpen of woningbouw.
WO 37* beseffen dat voedsel, kleding, huisvesting en gebruiksvoorwerpen die de mens nodig heeft, afhangen van natuurlijke processen en menselijke arbeid.
WO 38 brengen eerbied en dankbaarheid op voor deze natuurlijke processen en voor arbeid en tonen dit door zorgvuldig om te gaan met het bovenvermelde.
WO 39 kunnen eerbied en respect opbrengen voor de mens in zijn mens-zijn en als individu in onderlinge verscheidenheid ook wat betreft constitutie en gezondheidstoestand. (zie ook sociale vaardigheden)
WO 40 kennen de gedragsregels en gewoonten van de school voor gezonde voeding, levensstijl en hygiëne.
WO 41* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.
WO 42 kunnen in een voor hen overzichtelijke noodsituatie hulp inroepen, of zelf helpen en zijn bereid zich te laten helpen bij pijn of ziekte.(zie ook sociale vaardigheden)
WO 43 kennen de gedragsregels van de school inzake veiligheid en kunnen deze toepassen.
WO 44* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.
WO 45 weten wat er van hen verwacht wordt bij alarm op school en kunnen dit ook uitvoeren.
WO 46 kennen de verkeersituatie in hun schoolomgeving en kunnen er zich veilig in verplaatsen.
WO 47 beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsgevoel en coördinatie en kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route. (zie ook lichamelijke opvoeding)
WO 48* tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met de andere weggebruikers.
Geschiedenis
De kinderen
WO 49 kunnen zich een concrete voorstelling maken van historische gebeurtenissen en deze weergeven in woord en beeld.
WO 50 kunnen de behandelde historische feiten op systematische wijze verwoorden. (in samenhang met de methode zoals die aangegeven wordt in leren leren)
WO 51 kunnen zich inleven in het dramatisch-epische karakter van de geschiedenis. (zie ook leren leren, muzische vorming: toneel, recitatie, tekenen, schilderen)
WO 52 kunnen tijd ruimtelijk voorstellen.
WO 53 kunnen enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten van hun school- of woonomgeving beschrijven.
WO 54 kennen de chronologische volgorde en kunnen beknopt kenmerkende elementen beschrijven uit verschillende cultuurperiodes:
- Oosterse cultuur: Indië, Perzië, Tweestromenland, Egypte;
- Griekse cultuur (o.a. opkomst en werking van de democratie);
- Romeinse cultuur (o.a. opkomst van het recht: publiek en privaat);
- Middeleeuwse geschiedenis.
WO 55 hebben oog voor het element evolutie doordat zij inzien dat de mensen in het verleden en op andere plaatsen op een andere wijze leefden, voelden en dachten dan de mensen hier en nu.
WO 56 zien in dat bepaalde voorwaarden het menselijk handelen mee bepalen, zoals tijd, aardrijkskundige gegevens, ideeën.
WO 57 kunnen zich inleven in situaties die in tijd en plaats verder van hen af staan.
WO 58* zijn bereid dit te doen.
WO 59* tonen interesse in en een gevoel van persoonlijke verbondenheid met het verleden.
WO 60* beseffen dat elke cultuur typische kenmerken bezit, zichtbaar in de leefwijze van de mensen
Aardrijkskunde
Ruimtelijke aspecten
De kinderen
WO 61 kunnen uitgaande van de bewegingen en de stand van de zon bij benadering de windrichtingen bepalen en op basis daarvan een windroos tekenen waarop ze de hoofd- en tussenrichtingen kunnen aangeven.
WO 62 kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid, op een hen bekende plaats de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) aangeven.
WO 63 kennen het begrip schaal en kunnen het gebruiken als eenvoudige verhouding tussen kilometer en centimeter. (zie ook W 31)
WO 64 kennen het begrip plattegrond en kunnen die tekenen van de directe omgeving, klas, school of eigen huis.
WO 65 kunnen aan elkaar een bekende weg beschrijven tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad of die waar de school gelegen is. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
WO 66 kunnen hun eigen stad, gemeente of dorp of die waar hun school gelegen is situeren op een kaart en enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten ervan beschrijven.
WO 67 kennen de hoofdrivieren van België en kunnen die op de kaart aanduiden.
WO 68 kunnen de verschillende werelddelen, polen, evenaar, keerkringen en zeeën rond Europa op een wereldkaart aanduiden.
WO 69 hebben een voorstelling van een wereldkaart zodat ze in een concrete toepassingssituatie een werelddeel kunnen aanduiden.
Politieke aspecten
De kinderen
WO 70 kunnen begrippen zoals, dorp, stad, streek, provincie, land en werelddeel in een juiste context hanteren.
WO 70bis kennen de vier taalgebieden en kunnen de taalgebieden bij benadering aanduiden op de kaart van België en weten dat dit gegeven de grondslag vormt voor de wijze waarop België bestuurd wordt.
WO 71 hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de provincies en de provinciehoofdplaatsen op een kaart kunnen aanduiden.
WO 71bis weten dat de Vlaamse Gemeenschap een van de gemeenschappen is van België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie.
WO 72 kennen de belangrijkste steden van Europa en kunnen deze aanduiden op een kaart.
WO 73 hebben een voorstelling van de kaart van Europa zodat ze in een concrete toepassingssituatie de betrokken landen op een kaart kunnen aanduiden.
Sociaaleconomische aspecten
De kinderen
WO 74 kunnen (exemplarisch) de weg van grondstof naar consumptieproduct beschrijven van producten die zij zelf gebruiken.
WO 75 hebben daarbij aandacht voor:
- het aspect arbeid, loon en ongelijke verdeling van welvaart;
- het gegeven dat de grondstoffen onttrokken worden aan de aarde of de natuur;
- de ecologische aspecten van de wijze van productie, distributie en consumptie;
- de functie van de handel (verkoop, winst, verlies, reclame ...), het geld- en bankwezen.
WO 76 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de mensen over de hele wereld voor de voorziening in hun behoeften van elkaar afhankelijk zijn.
WO 77 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren
- dat er een verband bestaat tussen de mens en zijn woonplaats op aarde;
- dat de mens de mogelijkheden van klimaatomstandigheden en landschap voor zichzelf kan benutten.
WO 78 brengen respect en begrip op voor de leefomstandigheden en leefwijze van andere mensen en andere volkeren.
Algemene vaardigheden
De kinderen
WO 79 kunnen plaatsen waar ze in de les kennis mee maken, opzoeken op een in de context passende kaart.
WO 80 kunnen een atlas raadplegen en kunnen daartoe:
- het alfabetisch register hanteren (zie TN 7)
- eenvoudige kaarten hanteren gebruik makend van windrichting, legende en schaal;
WO 81 kunnen eenvoudige, aan hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld.
Attitudes
De kinderen
WO 82* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect voor de hen omringende natuur en voor natuurfenomenen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.
WO 83* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect t.a.v. culturele, maatschappelijke en economische verschijnselen in hun omgeving en op plaatsen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.
Toelichting (citaat uit de gemotiveerde aanvraag)
"De nu voorliggende hernieuwde aanvraag tot afwijking gebeurt met oog op het behoud van de momenteel geldende gelijkwaardigheid van de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen van de Federatie Steinerscholen vzw en de aangesloten schoolbesturen met scholen basisonderwijs.
Artikel 44 bis, § 2, 2° van het decreet basisonderwijs van 27 maart 1997 bepaalt dat ook de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen minstens inhouden dienen te bevatten voor de verschillende leergebieden.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 ordent de bestaande ontwikkelingsdoelen resp. eindtermen van het vroegere leergebied wereldoriëntatie overeenkomstig de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij, zonder inhoudelijke wijzigingen.
Hierdoor laten deze vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen nog steeds onvoldoende ruimte voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en blijven ze er onverzoenbaar mee.
De hieronder voorgestelde vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn eveneens slechts de ongewijzigde, reeds herschikte, bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie, opgedeeld op basis van de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij. Aan de inhoudelijke gelijkwaardigheid wordt aldus niet geraakt.
Voor de inhoudelijke motivering lijkt het ons daarom voldoende te verwijzen naar de vorige motiveringen voor de aangevraagde en verkregen afwijkingen :
1° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 juni 1998 (p. 21216 en volgende), als deel I van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997
2° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2011 (p. 41520 en volgende), meer bepaald in de bijlagen 6 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs), 7 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs), 10 (eindtermen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs) en 11 (eindtermen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs)"
Het geheel van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, zoals vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 tot wijziging van artikel 2 en van de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 17 juli 2015, wordt voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de volgende ontwikkelingsdoelen en eindtermen:
Ontwikkelingsdoelen wetenschappen en techniek
Natuur
De kleuters
WO 1.1kunnen hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten benoemen en er op een doelgerichte, aangepaste wijze mee omgaan
WO 1.2 tonen handelend dat zij hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.3 kunnen in verband met de ontwikkeling van mensen, dieren en planten, getuigen van het inzicht dat de fase van jong zijn, klein zijn en verzorging behoeven vooraf gaat aan de fase van volwassen zijn, groot zijn en zorg dragen.
WO 1.4 kunnen bepaalde aspecten van weersomstandigheden gericht waarnemen, en benoemen:
- zij tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij deze aspecten van de natuur in hun belevings- en voorstellingswereld kunnen integreren;
- zij kunnen, wanneer de situatie zich voordoet, de gevolgen voor zichzelf aangeven.
WO 1.5 kunnen hen vertrouwde stoffen benoemen en er doelgericht en op aangepaste wijze mee omgaan.
WO 1.6 tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij hen vertrouwde stoffen op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.
WO 1.7 kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en tasten en kunnen deze vermogens op aangepaste wijze aanwenden.
WO 1.8 tonen in hun houding tegenover de natuur, processen in de natuur en kosmische verschijnselen: vertrouwen, verwondering, nieuwsgierigheid en eerbied.
WO 1.9 tonen in hun omgang met mens en natuur een houding van zorg en respect.
Techniek
De kleuters
WO 2.1 kunnen van eenvoudige voorwerpen en technische systemen aangeven dat ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
WO 2.2 kunnen bij eenvoudige en transparante technieken aangeven dat ze de samenhang beseffen met elementen uit de natuur.
WO 2.3 kunnen voorwerpen en technische systemen benoemen en aantonen dat verschillende onderdelen in relatie staan tot mekaar.
WO 2.4 tonen handelend in een vertrouwde context dat ze weten welk voorwerp of technisch systeem het best tegemoet komt aan een bepaalde behoefte.
WO 2.5 tonen handelend in spel en beweging dat ze op basis van bekende en vertrouwde voorwerpen en materialen eenvoudige technische systemen kunnen construeren en deze op fantasierijke en zinvolle wijze kunnen integreren in hun activiteiten.
WO 2.6 kunnen naar aanleiding van een probleem of uitdaging door middel van exploratie en experiment eenvoudige technische oplossingen bedenken.
WO 2.7 kunnen de juiste materialen en gereedschappen kiezen bij het maken van een eenvoudig technisch systeem.
WO 2.8 kunnen bij het maken van een eenvoudige technische constructie een zelf bedacht ontwerp volgens een stappenplan realiseren.
WO 2.9 kunnen nagaan of een zelf gemaakt technisch systeem beantwoordt aan (zelf) bepaalde vereisten en hoe het zo nodig verbeterd kan worden.
WO 2.10 zijn bereid om zorgzaam, veilig en hygiënisch om te gaan met voorwerpen, materialen en technische systemen en zien het belang daarvan in.
Ontwikkelingsdoelen mens en maatschappij
Gewoontevorming, hygiëne en verkeer
De kleuters:
WO 16 kennen de in de klas heersende gedragsregels voor veiligheid en kunnen ze toepassen.
WO 17 tonen goede gewoonten voor dagelijkse hygiëne.
WO 18 tonen goede gewoonten inzake eet- en drinkgedrag en weten onder meer in een voor hen vertrouwde, concrete situatie dat ze door inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.
WO 19 kunnen hen vertrouwde voedingsmiddelen en kledingstukken benoemen en er respectvol en op aangepaste wijze mee omgaan.
WO 20 kunnen in concrete situaties bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen.
WO 21 kunnen in hen vertrouwde, concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid.
WO 22 weten waar ze mogen spelen en waar niet volgens de heersende regels van de school.
WO 23 beseffen dat verkeer gevaarlijk is.
WO 24 kunnen onder begeleiding de in de concrete schoolomgeving noodzakelijke verkeersregels toepassen.
Sociaal-culturele verschijnselen
De kleuters
WO 25 tonen in concrete, hen vertrouwde situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.
WO 26 kunnen geconcentreerd en doelgericht met iets bezig zijn, ook te midden van de anderen;
- zij kunnen gericht kijken en waarnemen: kleur-, vorm- en richtingsverschillen;
- zij kunnen selectief, gericht luisteren, door zich af te sluiten voor geluiden die niet van belang zijn. (zie ook TN 1, MV 8, WI 17 t.e.m. WI 24)
WO 27 kennen en begrijpen de voor hen van toepassing zijnde omgangsvormen, leefregels en afspraken.
WO 28 kunnen in concrete situaties binnen een verzorgende, bewegings- of spelcontext met de hulp van een hen bekende en vertrouwde volwassene afspraken maken.
WO 29 kunnen zich bij een activiteit of spel aan de regels en afspraken houden.
WO 30 kunnen in concrete situaties meeleven met de gevoelens van anderen.
WO 31 kunnen helpen en zijn bereid zich indien nodig te laten helpen.
WO 32 kunnen in een sociale, bewegings- of spelcontext respectvol angstvrij en in wederzijds vertrouwen met elkaar omgaan.
WO 33 ontwikkelen vertrouwen in de wereld op basis van de aanwezigheid van vertrouwde volwassenen en de in de school en klas toegepaste omgangsvormen, leefregels en afspraken.
WO 34 geven handelend blijk van een inzicht in voor hen herkenbare en vertrouwde beroepsmatige handelswijzen.
WO 35 geven handelend blijk van inzicht in het handelingsverloop of kenmerkend bewegingsverloop van de betreffende handelswijze.
WO 36 tonen een houding van eerbied en dankbaarheid voor menselijke arbeid.
WO 37 tonen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext, dat zij in een concrete situatie een onderscheid kunnen maken tussen: geven, nemen, krijgen, kopen en verkopen, ruilen, lenen. (zie ook WI 29)
Oriëntatie in de tijd
De kleuters:
WO 38 begrijpen dat 'gisteren' voorbij is en dat 'morgen' nog moet komen.
WO 39 tonen, doordat zij hen bekende en vertrouwde vaste gebeurtenissen juist kunnen situeren dat zij de begrippen vandaag, dag en nacht, ochtend en avond, voormiddag en namiddag (of synoniemen daarvan) juist begrijpen.
WO 40 tonen tijdsbesef:
- aan de hand van het doelgericht handelen in functie van de eerstvolgende activiteit;
- doordat zij een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten in het verloop van hun dag in een juiste volgorde kunnen aangeven;
- door aan de hand van de opeenvolging van een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten getuigenis te geven van hun inzicht in het begrip week;
- door een voor hen belangrijke gebeurtenis te situeren in de seizoenen, hetzij aan de hand van de begrippen lente, zomer, herfst, winter, van jaarfeesten of kenmerkende gebeurtenissen of activiteiten uit het desbetreffende seizoen.
WO 41 kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.
WO 42 kunnen in de tijd vooruitzien door:
- zich een handeling voor te nemen en de voorgenomen handeling uit te voeren op het daarvoor bestemde tijdstip;
- een planning van minstens twee activiteiten aan te geven.
WO 43 kunnen hun gedrag aanpassen aan tijdsignalen.
WO 44 kunnen hun beurt afwachten.
Oriëntatie in de ruimte
De kleuters
WO 45 kunnen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext de belangrijkste lichaamsdelen benoemen: hoofd, buik, armen, handen, vingers, benen, voeten, tenen, oren, ogen, neus, mond. (zie ook WI 1)
WO 46 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door in hun handelingen te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt. (zie ook WI 46)
WO 47 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte een voorwerp inneemt. (zie ook WI 8, MV tekenen, LO)
WO 48 tonen handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext dat zij de juiste betekenis begrijpen van ruimtelijke richtingen en kwaliteiten zoals boven-onder, naast, achter-voor, tussen, ver-dichtbij / verder-dichter, groot-klein / groter-kleiner, dik-dun / dikker-dunner, zwaar-licht / zwaarder-lichter, vol-leeg, veel-weinig / meer-minder. (zie ook WI 27 en WI 28)
WO 49 vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving. (zie WI 14)
WO 50 kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel. (zie WI 15)
WO 51 kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte. (zie WI 16)
Eindtermen wetenschappen en techniek
Natuur
Mens
De kinderen
WO 1.1 kunnen de gestalte van de mens beschrijven.
WO 1.2 kunnen de functie beschrijven
- van het hoofd m.b.t. het zenuw-zintuigsysteem, in het bijzonder de functie van de zintuigen;
- van de romp m.b.t. het ritmische systeem en de stofwisseling, waaronder bloedsomloop en ademhaling;
- van de ledematen m.b.t. het bewegingssysteem.
Dier
De kinderen
WO 1.3 kunnen van een aantal dieren uiterlijk, gedrag, leefwijze beschrijven.
WO 1.4 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen met betrekking tot dieren uit hun omgeving uitvoeren.
WO 1.5 kunnen een beperkt aantal dieren in hun leefmilieu (land, water, lucht) situeren.
WO 1.6 * beseffen dat er een verband bestaat tussen het uiterlijke van een dier en zijn levenswijze en omgeving.
WO 1.7 * beseffen dat het dier afhankelijk is van zijn omgeving.
Plant
De kinderen
WO 1.8 kunnen van een beperkt aantal planten het uiterlijk beschrijven: zij kunnen wortel, stengel, blad, bloem, vrucht lokaliseren en benoemen.
WO 1.9 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen uitvoeren met betrekking tot de planten uit hun omgeving.
WO 1.10 kunnen de functie beschrijven van wortel, stengel, blad, bloem, vrucht.
WO 1.11 kunnen een beperkt aantal 'planten' benoemen volgens de ontwikkelingsgraad: wieren, paddenstoelen, mossen, varens; de hogere planten exemplarisch (bijv. naaldbomen - loofbomen, bijv. lelieachtigen - roosachtigen).
WO 1.12* beseffen dat de plant afhankelijk is van bodem, lucht, licht, warmte, water en klimaat.
WO 1.13* tonen respect en zorg voor mensen, dieren, planten en gesteenten vanuit het besef dat deze natuurrijken elkaar voor hun voortbestaan nodig hebben.
Gesteenten en landschappen
De kinderen
WO 1.14 kunnen uitgaande van het landschap de vorm van een granietgebergte, een kalkgebergte en de kenmerken die wijzen op een vulkanische oorsprong, beschrijven en herkennen.
WO 1.15 kennen het onderscheid tussen graniet en kalk en vulkanisch gesteente.
WO 1.16 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van een landschap beïnvloed wordt door het aanwezige gesteente en de inwerking van water, wind, warmte en van de mens.
WO 1.17 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van landschap en de kwaliteit van het gesteente de levenswijze van de mens beïnvloedt.
WO 1.18 kunnen een beperkt aantal fenomenen in verband met het landschap met al hun zintuigen gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen op systematische wijze weergeven.
WO 1.19* tonen belangstelling voor de verscheidenheid in landschappen die op aarde voorkomen en kunnen deze waarderen in hun specifieke schoonheid.
Weer en klimaat
De kinderen
WO 1.20 kunnen de volgende weersverschijnselen verwoorden en onderscheiden: neerslag, enkele eenvoudige wolkentypes, windsoorten in functie van de windstreken.
WO 1.21 kunnen drie klimaatzones onderscheiden en situeren op de wereldkaart: warme, koude en gematigde zone.
WO 1.22 kennen het verschil tussen weer en klimaat.
WO 1.23 kunnen op eenvoudige wijze de kringloop van het water beschrijven.
WO 1.24 kunnen een beperkt aantal weerkundige fenomenen op weerkundig gebied gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen weergeven (zie ook leren leren en muzische vorming).
Fysische verschijnselen
De kinderen
WO 1.25 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden beknopt enkele kenmerken beschrijven van de fenomenen geluid, licht, warmte, elektriciteit, magnetisme.
WO 1.26 kunnen (exemplarisch) gericht en onbevangen natuurkundige fenomenen aan de hand van proeven waarnemen (zie ook leren leren).
WO 1.27 kunnen hun waarnemingen op systematische wijze verwoorden en opschrijven (zie ook leren leren).
WO 1.28 kunnen de fenomenen in hun causale samenhang beschrijven.
Milieu
De kinderen
WO 1.29* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgzaam om te gaan met mineraal, plant, dier en mens en het milieu in hun omgeving.
WO 1.30* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water.
Techniek
De kinderen
WO 2.1 kunnen beschrijven welke behoefte er aan de basis ligt van een eenvoudig en transparant technisch systeem.
WO 2.2 kunnen, uitgaand van een bepaalde behoefte, benoemen welke technische systemen hieraan beantwoorden of zelf technische oplossingen bedenken en de realiseerbaarheid ervan aftasten.
WO 2.3 beseffen hoe de mens door innovatieve constructies en het gebruik van technische hulpmiddelen in staat is de investering in menselijke energie te verminderen.
WO 2.4 kunnen de werking en het ontwikkelingsproces van eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven.
WO 2.5 kunnen bij eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven hoe de werking ervan samenhangt met de eigenschappen van de gebruikte natuurlijke grondstoffen en fenomenen.
WO 2.6 kennen en beheersen basistechnieken voor het hanteren, onderhouden en wegbergen van eenvoudige technische systemen.
WO 2.7* zijn bereid om zorgzaam, veilig, nauwkeurig en hygiënisch te werken.
WO 2.8 hebben inzicht in het technisch proces doordat zij:
- de probleemstelling begrijpen en een oplossing kunnen ontwikkelen;
- weten aan welke eisen het werkstuk moet voldoen en welke materialen en hulpmiddelen zij nodig hebben;
- een eenvoudig plan kunnen begrijpen of ontwerpen;
- weten welke stappen er achtereenvolgens uitgevoerd moeten worden;
- een eenvoudig ontwerp stap voor stap kunnen uitvoeren;
- het technisch systeem in gebruik kunnen nemen;
- de technische kwaliteiten en de werking van bepaalde technische systemen nauwgezet kunnen observeren en beschrijven;
- bereid zijn om het technisch systeem te controleren en te verbeteren indien nodig.
WO 2.9* tonen respect voor materiaal, de technische vaardigheden en technische realisaties van zichzelf en van anderen en kunnen technische systemen ook vanuit een esthetisch oogpunt benaderen.
Eindtermen mens en maatschappij
Gezondheid, levensstijl en verkeer
De kinderen
WO 36 kennen (exemplarisch) het productieproces van voedingsmiddelen, gebruiksvoorwerpen of woningbouw.
WO 37* beseffen dat voedsel, kleding, huisvesting en gebruiksvoorwerpen die de mens nodig heeft, afhangen van natuurlijke processen en menselijke arbeid.
WO 38 brengen eerbied en dankbaarheid op voor deze natuurlijke processen en voor arbeid en tonen dit door zorgvuldig om te gaan met het bovenvermelde.
WO 39 kunnen eerbied en respect opbrengen voor de mens in zijn mens-zijn en als individu in onderlinge verscheidenheid ook wat betreft constitutie en gezondheidstoestand. (zie ook sociale vaardigheden)
WO 40 kennen de gedragsregels en gewoonten van de school voor gezonde voeding, levensstijl en hygiëne.
WO 41* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.
WO 42 kunnen in een voor hen overzichtelijke noodsituatie hulp inroepen, of zelf helpen en zijn bereid zich te laten helpen bij pijn of ziekte.(zie ook sociale vaardigheden)
WO 43 kennen de gedragsregels van de school inzake veiligheid en kunnen deze toepassen.
WO 44* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.
WO 45 weten wat er van hen verwacht wordt bij alarm op school en kunnen dit ook uitvoeren.
WO 46 kennen de verkeersituatie in hun schoolomgeving en kunnen er zich veilig in verplaatsen.
WO 47 beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsgevoel en coördinatie en kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route. (zie ook lichamelijke opvoeding)
WO 48* tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met de andere weggebruikers.
Geschiedenis
De kinderen
WO 49 kunnen zich een concrete voorstelling maken van historische gebeurtenissen en deze weergeven in woord en beeld.
WO 50 kunnen de behandelde historische feiten op systematische wijze verwoorden. (in samenhang met de methode zoals die aangegeven wordt in leren leren)
WO 51 kunnen zich inleven in het dramatisch-epische karakter van de geschiedenis. (zie ook leren leren, muzische vorming: toneel, recitatie, tekenen, schilderen)
WO 52 kunnen tijd ruimtelijk voorstellen.
WO 53 kunnen enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten van hun school- of woonomgeving beschrijven.
WO 54 kennen de chronologische volgorde en kunnen beknopt kenmerkende elementen beschrijven uit verschillende cultuurperiodes:
- Oosterse cultuur: Indië, Perzië, Tweestromenland, Egypte;
- Griekse cultuur (o.a. opkomst en werking van de democratie);
- Romeinse cultuur (o.a. opkomst van het recht: publiek en privaat);
- Middeleeuwse geschiedenis.
WO 55 hebben oog voor het element evolutie doordat zij inzien dat de mensen in het verleden en op andere plaatsen op een andere wijze leefden, voelden en dachten dan de mensen hier en nu.
WO 56 zien in dat bepaalde voorwaarden het menselijk handelen mee bepalen, zoals tijd, aardrijkskundige gegevens, ideeën.
WO 57 kunnen zich inleven in situaties die in tijd en plaats verder van hen af staan.
WO 58* zijn bereid dit te doen.
WO 59* tonen interesse in en een gevoel van persoonlijke verbondenheid met het verleden.
WO 60* beseffen dat elke cultuur typische kenmerken bezit, zichtbaar in de leefwijze van de mensen
Aardrijkskunde
Ruimtelijke aspecten
De kinderen
WO 61 kunnen uitgaande van de bewegingen en de stand van de zon bij benadering de windrichtingen bepalen en op basis daarvan een windroos tekenen waarop ze de hoofd- en tussenrichtingen kunnen aangeven.
WO 62 kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid, op een hen bekende plaats de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) aangeven.
WO 63 kennen het begrip schaal en kunnen het gebruiken als eenvoudige verhouding tussen kilometer en centimeter. (zie ook W 31)
WO 64 kennen het begrip plattegrond en kunnen die tekenen van de directe omgeving, klas, school of eigen huis.
WO 65 kunnen aan elkaar een bekende weg beschrijven tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad of die waar de school gelegen is. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
WO 66 kunnen hun eigen stad, gemeente of dorp of die waar hun school gelegen is situeren op een kaart en enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten ervan beschrijven.
WO 67 kennen de hoofdrivieren van België en kunnen die op de kaart aanduiden.
WO 68 kunnen de verschillende werelddelen, polen, evenaar, keerkringen en zeeën rond Europa op een wereldkaart aanduiden.
WO 69 hebben een voorstelling van een wereldkaart zodat ze in een concrete toepassingssituatie een werelddeel kunnen aanduiden.
Politieke aspecten
De kinderen
WO 70 kunnen begrippen zoals, dorp, stad, streek, provincie, land en werelddeel in een juiste context hanteren.
WO 70bis kennen de vier taalgebieden en kunnen de taalgebieden bij benadering aanduiden op de kaart van België en weten dat dit gegeven de grondslag vormt voor de wijze waarop België bestuurd wordt.
WO 71 hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de provincies en de provinciehoofdplaatsen op een kaart kunnen aanduiden.
WO 71bis weten dat de Vlaamse Gemeenschap een van de gemeenschappen is van België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie.
WO 72 kennen de belangrijkste steden van Europa en kunnen deze aanduiden op een kaart.
WO 73 hebben een voorstelling van de kaart van Europa zodat ze in een concrete toepassingssituatie de betrokken landen op een kaart kunnen aanduiden.
Sociaaleconomische aspecten
De kinderen
WO 74 kunnen (exemplarisch) de weg van grondstof naar consumptieproduct beschrijven van producten die zij zelf gebruiken.
WO 75 hebben daarbij aandacht voor:
- het aspect arbeid, loon en ongelijke verdeling van welvaart;
- het gegeven dat de grondstoffen onttrokken worden aan de aarde of de natuur;
- de ecologische aspecten van de wijze van productie, distributie en consumptie;
- de functie van de handel (verkoop, winst, verlies, reclame ...), het geld- en bankwezen.
WO 76 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de mensen over de hele wereld voor de voorziening in hun behoeften van elkaar afhankelijk zijn.
WO 77 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren
- dat er een verband bestaat tussen de mens en zijn woonplaats op aarde;
- dat de mens de mogelijkheden van klimaatomstandigheden en landschap voor zichzelf kan benutten.
WO 78 brengen respect en begrip op voor de leefomstandigheden en leefwijze van andere mensen en andere volkeren.
Algemene vaardigheden
De kinderen
WO 79 kunnen plaatsen waar ze in de les kennis mee maken, opzoeken op een in de context passende kaart.
WO 80 kunnen een atlas raadplegen en kunnen daartoe:
- het alfabetisch register hanteren (zie TN 7)
- eenvoudige kaarten hanteren gebruik makend van windrichting, legende en schaal;
WO 81 kunnen eenvoudige, aan hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld.
Attitudes
De kinderen
WO 82* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect voor de hen omringende natuur en voor natuurfenomenen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.
WO 83* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect t.a.v. culturele, maatschappelijke en economische verschijnselen in hun omgeving en op plaatsen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.
Toelichting (citaat uit de gemotiveerde aanvraag)
"De nu voorliggende hernieuwde aanvraag tot afwijking gebeurt met oog op het behoud van de momenteel geldende gelijkwaardigheid van de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen van de Federatie Steinerscholen vzw en de aangesloten schoolbesturen met scholen basisonderwijs.
Artikel 44 bis, § 2, 2° van het decreet basisonderwijs van 27 maart 1997 bepaalt dat ook de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen minstens inhouden dienen te bevatten voor de verschillende leergebieden.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 ordent de bestaande ontwikkelingsdoelen resp. eindtermen van het vroegere leergebied wereldoriëntatie overeenkomstig de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij, zonder inhoudelijke wijzigingen.
Hierdoor laten deze vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen nog steeds onvoldoende ruimte voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en blijven ze er onverzoenbaar mee.
De hieronder voorgestelde vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn eveneens slechts de ongewijzigde, reeds herschikte, bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie, opgedeeld op basis van de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij. Aan de inhoudelijke gelijkwaardigheid wordt aldus niet geraakt.
Voor de inhoudelijke motivering lijkt het ons daarom voldoende te verwijzen naar de vorige motiveringen voor de aangevraagde en verkregen afwijkingen :
1° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 juni 1998 (p. 21216 en volgende), als deel I van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997
2° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2011 (p. 41520 en volgende), meer bepaald in de bijlagen 6 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs), 7 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs), 10 (eindtermen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs) en 11 (eindtermen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs)"
Art. N. Objectifs de développement de l'enseignement maternel ordinaire et objectifs finaux de l'enseignement primaire ordinaire alternatifs, concernant la discipline sciences et technique et la discipline homme et société, de la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, 2140 Anvers, tels qu'énoncés à l'article 2
L'ensemble des objectifs de développement de l'enseignement maternel ordinaire et des objectifs finaux de l'enseignement primaire ordinaire, concernant la discipline sciences et technique et la discipline homme et société, tels qu'établis par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2015 modifiant l'article 2 et l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1997 fixant les objectifs de développement et les objectifs finaux de l'enseignement fondamental ordinaire, sanctionné par le décret du 17 juillet 2015, est remplacé pour la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw par les objectifs de développement et objectifs finaux suivants :
Objectifs de développement sciences et technique
Nature
Les jeunes enfants
ET 1.1 peuvent nommer des personnes, des animaux et des plantes connus et familiers et utiliser ces dénominations de manière ciblée et adéquate.
ET 1.2 montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer de manière inventive et judicieuse les personnes, les animaux et les plantes qui leur sont connus et familiers dans leur environnement et leur univers mental.
ET 1.3 peuvent, en ce qui concerne le développement de l'être humain, des animaux et des plantes, montrer qu'ils comprennent que la phase où l'on est jeune et petit et où l'on a besoin de soins précède la phase où l'on est adulte et grand et où l'on se prend en charge.
ET 1.4 peuvent percevoir et nommer de manière ciblée certains aspects des conditions météorologiques :
- dans un contexte de mouvement ou de jeu, ils montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer ces aspects de la nature dans leur environnement et leur univers mental ;
- lorsque la situation se présente, ils peuvent indiquer les conséquences pour eux-mêmes.
ET 1.5 peuvent nommer des matières familières et utiliser ces dénominations de manière ciblée et adéquate.
ET 1.6 dans un contexte de mouvement ou de jeu, montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer de manière inventive et judicieuse les matières familières dans leur environnement et leur univers mental.
ET 1.7 peuvent indiquer quelle partie de leur propre corps est responsable de l'ouïe, de la vue, de l'odorat, du goût et du toucher et peuvent utiliser ces facultés de manière adéquate.
ET 1.8 dans leur attitude face à la nature, aux processus naturels et aux phénomènes cosmiques, font preuve de confiance, d'étonnement, de curiosité et de respect.
ET 1.9 font preuve de soin et de respect dans leur comportement envers les personnes et la nature.
Technique
Les jeunes enfants
ET 2.1 peuvent, pour des objets et systèmes techniques simples, indiquer s'ils sont faits en métal, pierre, bois, verre, papier, textile ou plastique.
ET 2.2 peuvent, pour des techniques simples et transparentes, indiquer qu'ils ont conscience du lien avec les éléments naturels.
ET 2.3 peuvent nommer des objets et systèmes techniques et montrer que les différentes composantes sont liées entre elles.
ET 2.4 dans un contexte familier, montrent tout en agissant qu'ils savent quel objet ou système technique répond au mieux à un besoin précis.
ET 2.5 montrent tout en agissant, par le jeu et le mouvement, qu'ils peuvent construire des systèmes techniques simples à l'aide d'objets et de matériels connus et familiers et peuvent intégrer ceux-ci de manière inventive et judicieuse dans leurs activités.
ET 2.6 peuvent, si un problème ou un défi se présente, imaginer des solutions techniques simples par l'exploration et l'expérimentation.
ET 2.7 peuvent choisir les bons matériels et outils pour réaliser un système technique simple.
ET 2.8 peuvent, lors de l'élaboration d'une construction technique simple, réaliser un projet imaginé par eux-mêmes suivant un plan par étapes.
ET 2.9 peuvent vérifier si un système technique réalisé par eux-mêmes répond à certains critères (fixés par eux-mêmes) et déterminer comment l'améliorer au besoin.
ET 2.10 sont disposés à manipuler les objets, les matériels et les systèmes techniques de manière soigneuse, sûre et hygiénique et en comprennent l'intérêt.
Objectifs de développement homme et société
Acquisition d'habitudes, hygiène et circulation automobile
Les jeunes enfants
ET 16 connaissent les règles de conduite en vigueur en classe en matière de sécurité et peuvent les appliquer.
ET 17 font montre de bonnes habitudes en matière d'hygiène quotidienne.
ET 18 font montre de bonnes habitudes en matière d'alimentation et de boisson et savent, entre autres, dans une situation concrète familière, que l'ingestion de certains produits et plantes peut les rendre malades.
ET 19 peuvent nommer des aliments et vêtements familiers et les manipuler de manière respectueuse et adéquate.
ET 20 dans des situations concrètes, peuvent faire la différence, chez eux-mêmes et chez les autres, entre être malade, en bonne santé et blessé.
ET 21 dans des situations concrètes familières, peuvent reconnaître des comportements favorables ou néfastes pour leur santé.
ET 22 savent où ils peuvent jouer et où ils ne le peuvent pas suivant les règles en vigueur dans l'école.
ET 23 ont conscience du danger que représente la circulation automobile.
ET 24 peuvent appliquer les règlementations routières nécessaires avec un accompagnement et dans l'environnement scolaire concret.
Phénomènes socioculturels
Les jeunes enfants
ET 25 dans des situations concrètes connues, affichent une confiance suffisante dans leurs propres capacités.
ET 26 peuvent poursuivre une occupation de manière ciblée en restant concentrés, même au milieu des autres ;
- ils peuvent observer et percevoir de manière ciblée : différences de couleur, de forme et d'orientation ;
- ils peuvent écouter de manière sélective et ciblée, en s'isolant des bruits non pertinents. (voir également TN 1, MV 8, WI 17 à WI 24 inclus)
ET 27 connaissent et comprennent les usages, règles de vie et conventions qui s'appliquent à eux.
ET 28 dans des situations concrètes dans un contexte de soin, de mouvement ou de jeu, peuvent établir des conventions avec l'aide d'un adulte connu et familier.
ET 29 pendant une activité ou un jeu, peuvent respecter les règles et conventions.
ET 30 dans des situations concrètes, peuvent avoir de l'empathie pour les sentiments des autres.
ET 31 peuvent aider et sont disposés à se faire aider au besoin.
ET 32 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, peuvent se comporter entre eux avec respect, sans angoisse et dans un esprit de confiance mutuelle.
ET 33 développent leur confiance envers le monde en s'appuyant sur la présence d'adultes familiers et sur les usages, règles de vie et conventions appliqués dans l'école.
ET 34 tout en agissant, montrent qu'ils comprennent les comportements professionnels connus et familiers.
ET 35 tout en agissant, montrent qu'ils comprennent le déroulement des actes ou la suite de mouvements caractéristiques du comportement concerné.
ET 36 font preuve de respect et de gratitude envers le travail d'autrui.
ET 37 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, montrent tout en agissant que dans une situation concrète, ils savent faire la différence entre : donner, prendre, recevoir, acheter et vendre, échanger, emprunter et prêter. (voir également WI 29)
Orientation dans le temps
Les jeunes enfants
ET 38 comprennent que 'hier' est passé et que 'demain' doit encore venir.
ET 39 montrent, en étant capables de situer correctement des événements fixes connus et familiers, qu'ils comprennent bien les notions d'aujourd'hui, jour et nuit, matin et soir, matinée et après-midi (ou des synonymes de ces termes).
ET 40 montrent qu'ils possèdent une notion du temps :
- en agissant de manière ciblée en fonction de l'activité suivante ;
- en étant capables de désigner un nombre limité d'événements ou d'activités fixes et familiers dans le déroulement de leur journée et dans l'ordre correct ;
- en démontrant leur compréhension de la notion de semaine au moyen de la succession d'un nombre limité d'événements ou d'activités fixes et familiers ;
- en situant des événements importants pour eux dans les saisons, soit au moyen des notions de printemps, été, automne, hiver, des fêtes annuelles, soit au moyen d'événements ou d'activités marquants pendant la saison concernée.
ET 41 peuvent se rappeler d'au moins deux activités passées en les classant dans le bon ordre et en les évoquant par la parole.
ET 42 peuvent anticiper en :
- projetant de réaliser un acte et en exécutant l'acte projeté au moment prévu à cet effet ;
- présentant un planning d'au moins deux activités.
ET 43 peuvent adapter leur comportement aux signaux de temps.
ET 44 peuvent attendre leur tour.
Orientation dans l'espace
Les jeunes enfants
ET 45 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, peuvent tout en agissant nommer les principales parties du corps : tête, ventre, bras, mains, doigts, jambes, pieds, orteils, oreilles, yeux, nez, bouche. (voir également WI 1)
ET 46 peuvent exprimer leur perception de la profondeur en montrant dans leurs actions qu'ils sont capables d'estimer la place que prend leur propre corps. (voir également WI 46)
ET 47 peuvent exprimer leur perception de la profondeur en montrant tout en agissant dans un contexte domestique, de mouvement ou de jeu, qu'ils sont capables d'estimer la place que prend un objet. (voir également WI 8, MV dessiner, LO)
ET 48 montrent, tout en agissant, dans un contexte domestique, de mouvement ou de jeu, qu'ils comprennent la signification correcte des directions spatiales et de qualités telles que au-dessus - en dessous, à côté de, derrière - devant, entre, loin - près / plus loin - plus près, grand - petit / plus grand - plus petit, gros - mince / plus gros - plus mince, lourd - léger / plus lourd - plus léger, plein - vide, beaucoup - peu / plus - moins. (voir également WI 27 et WI 28)
ET 49 trouvent seuls leur chemin dans un cadre familier. (voir WI 14)
ET 50 peuvent aménager un espace en fonction de leur jeu. (voir WI 15)
ET 51 peuvent, suivant des indications, ranger un espace limité. (voir WI 16)
Objectifs finaux sciences et technique
Nature
Homme
Les enfants
ET 1.1 peuvent décrire la silhouette humaine.
ET 1.2 peuvent décrire la fonction
- de la tête en ce qui concerne le système nerveux et sensoriel et en particulier la fonction des sens ;
- du buste en ce qui concerne le système rythmique et le métabolisme, et notamment la circulation sanguine et la respiration ;
- des membres en ce qui concerne le système moteur.
Animal
Les enfants
ET 1.3 peuvent décrire l'aspect, le comportement et le mode de vie d'un certain nombre d'animaux.
ET 1.4 peuvent prodiguer des soins simples aux animaux de leur environnement.
ET 1.5 peuvent situer un nombre limité d'animaux dans leur milieu (terre, eau, air).
ET 1.6 * comprennent qu'il existe un lien entre l'aspect d'un animal, son mode de vie et son milieu.
ET 1.7 * comprennent que l'animal dépend de son milieu.
Plantes
Les enfants
ET 1.8 peuvent décrire l'aspect d'un nombre limité de plantes : ils peuvent localiser et nommer la racine, la tige, la feuille, la fleur et le fruit.
ET 1.9 peuvent prodiguer des soins simples aux plantes de leur environnement.
ET 1.10 peuvent décrire la fonction de la racine, de la tige, de la feuille, de la fleur et du fruit.
ET 1.11 peuvent nommer un nombre limité de 'plantes' selon leur stade de développement : algues, champignons, mousses, fougères ; les plantes supérieures exemplaires (par ex. conifères - feuillus, par ex. liliacées - rosacées).
ET 1.12* comprennent que les plantes sont dépendantes du sol, de l'air, de la lumière, de la chaleur, de l'eau et du climat.
ET 1.13* font preuve de respect et de soin envers les humains, les animaux, les plantes et les roches parce qu'ils savent que ces richesses naturelles dépendent les unes des autres pour leur survie.
Roches et paysages
Les enfants
ET 1.14 en se basant sur le paysage, peuvent décrire et reconnaître la forme d'un massif granitique, un massif calcaire et les caractéristiques qui indiquent une origine volcanique.
ET 1.15 connaissent la différence entre le granit, le calcaire et la roche volcanique.
ET 1.16 peuvent montrer, au moyen d'exemples simples, que la forme d'un paysage est influencée par la roche présente et l'action de l'eau, du vent, de la chaleur et de l'homme.
ET 1.17 peuvent montrer, au moyen d'exemples simples, que la forme d'un paysage et la qualité de la roche influencent le mode de vie de l'homme.
ET 1.18 peuvent percevoir avec tous leurs sens, de manière ciblée et spontanée, un nombre limité de phénomènes liés au paysage et exprimer leurs observations de manière systématique.
ET 1.19* font preuve d'intérêt pour la diversité des paysages que l'on rencontre sur terre et peuvent apprécier ceux-ci dans leur beauté spécifique.
Météo et climat
Les enfants
ET 1.20 peuvent expliquer verbalement et distinguer les phénomènes climatiques suivants : précipitations, quelques types de nuages simples, les types de vents en fonction de leur direction.
ET 1.21 peuvent différencier et situer sur le planisphère trois zones climatiques : zone chaude, froide et tempérée.
ET 1.22 connaissent la différence entre la météo et le climat.
ET 1.23 peuvent décrire simplement le cycle de l'eau.
ET 1.24 peuvent percevoir de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes météorologiques et exprimer leurs observations (voir également apprendre à apprendre et formation artistique).
Phénomènes physiques
Les enfants
ET 1.25 peuvent, au moyen d'exemples simples, décrire succinctement quelques caractéristiques du phénomène du son, de la lumière, de la chaleur, de l'électricité et du magnétisme.
ET 1.26 peuvent (à titre d'exemple) percevoir de manière ciblée et spontanée des phénomènes naturels au moyen d'expériences (voir également apprendre à apprendre).
ET 1.27 peuvent évoquer verbalement et consigner par écrit leurs observations de manière systématique (voir également apprendre à apprendre).
ET 1.28 peuvent décrire les phénomènes dans leur relation de cause à effet.
Environnement
Les enfants
ET 1.29* dans leur comportement, se montrent disposés à prendre soin des minéraux, plantes, animaux et humains et de l'environnement autour d'eux.
ET 1.30* dans leur comportement, se montrent disposés à éviter les déchets et ne pas gaspiller l'énergie, le papier, la nourriture et l'eau.
Technique
Les enfants
ET 2.1 peuvent décrire quel besoin se trouve à la base d'un système technique simple et transparent.
ET 2.2 peuvent, en partant d'un besoin précis, nommer les systèmes techniques qui y répondent ou imaginer eux-mêmes des solutions techniques et en étudier la faisabilité.
ET 2.3 comprennent comment, au travers de constructions innovantes et de l'utilisation d'auxiliaires techniques, l'homme est capable de réduire l'investissement en énergie humaine.
ET 2.4 peuvent décrire le fonctionnement et le processus de développement de systèmes techniques simples et transparents.
ET 2.5 peuvent, pour des systèmes techniques simples et transparents, décrire comment le fonctionnement de ceux-ci est lié aux caractéristiques des matières premières naturelles et phénomènes utilisés.
ET 2.6 connaissent et maîtrisent les techniques de base pour manipuler, entretenir et ranger des systèmes techniques simples.
ET 2.7 * sont prêts à travailler de manière soigneuse, sûre, précise et hygiénique.
ET 2.8 ont une connaissance du processus technique dans la mesure où ils :
- comprennent la problématique et peuvent élaborer une solution ;
- savent à quels critères le travail doit répondre et de quels matériaux et outils ils ont besoin ;
- peuvent comprendre ou concevoir un plan simple ;
- savent quelles étapes doivent être exécutées consécutivement ;
- peuvent exécuter un plan simple étape par étape ;
- peuvent mettre en service le système technique ;
- peuvent observer et décrire précisément les qualités techniques et le fonctionnement de certains systèmes techniques ;
- sont disposés à contrôler le système technique et à l'améliorer au besoin.
ET 2.9* font preuve de respect pour le matériel, leurs propres capacités et réalisations techniques et celles des autres, et peuvent aussi appréhender les systèmes techniques sous un angle esthétique.
Objectifs finaux homme et société
Santé, mode de vie et circulation automobile
Les enfants
ET 36 connaissent (à titre d'exemple) le procédé de production d'aliments, d'objets usuels ou de logements.
ET 37* comprennent que les aliments, les vêtements, les logements et les objets usuels dont l'homme a besoin dépendent de processus naturels et du travail de l'homme.
ET 38 font preuve de respect et de gratitude envers ces processus naturels et le travail et le montrent par une utilisation soigneuse des éléments précités.
ET 39 peuvent témoigner de considération et de respect envers l'être humain dans son humanité et en tant qu'individu, dans sa diversité en ce qui concerne également sa constitution et son état de santé. (voir également aptitudes sociales)
ET 40 connaissent les règles de conduite et les habitudes de l'école en matière d'alimentation saine, de mode de vie sain et d'hygiène.
ET 41* sont disposés à accorder une valeur positive à ce comportement.
ET 42 peuvent, dans une situation d'urgence évidente pour eux, appeler de l'aide ou aider eux-mêmes et sont prêts à se faire aider en cas de douleur ou de maladie. (voir également aptitudes sociales)
ET 43 connaissent les règles de conduite de l'école en matière de sécurité et peuvent les appliquer.
ET 44* sont disposés à accorder une valeur positive à ce comportement.
ET 45 savent ce que l'on attend d'eux en cas d'alarme à l'école et peuvent également le mettre en pratique.
ET 46 connaissent la situation en matière de circulation automobile autour de l'école et sont capables de s'y déplacer en toute sécurité.
ET 47 disposent de réflexes, d'un sens de l'équilibre et de capacités de coordination suffisants et connaissent la réglementation routière pour les cyclistes et les piétons de manière à pouvoir se déplacer seuls en toute sécurité sur un itinéraire familier. (voir également éducation physique)
ET 48* dans leur comportement, se montrent prêts à tenir compte des autres usagers.
Histoire
Les enfants
ET 49 peuvent se représenter correctement des événements historiques et les évoquer par la parole et l'image.
ET 50 peuvent évoquer verbalement et systématiquement les faits historiques traités. (en relation avec la méthode telle que décrite dans `apprendre à apprendre')
ET 51 peuvent ressentir le caractère dramatique et épique de l'histoire. (voir également `apprendre à apprendre', formation artistique : théâtre, récitation, dessin, peinture)
ET 52 peuvent représenter le temps de manière spatiale.
ET 53 peuvent décrire quelques aspects géographiques et historiques caractéristiques de leur environnement scolaire ou de leur habitat.
ET 54 connaissent la chronologie et peuvent décrire succinctement des éléments caractéristiques de différentes périodes culturelles :
- culture orientale : Inde, Perse, Mésopotamie, Egypte ;
- culture grecque (entre autres naissance et fonctionnement de la démocratie) ;
- culture romaine (entre autres naissance du droit : public et privé) ;
- histoire de la Méditerranée.
ET 55 sont attentifs à la notion d'évolution et comprennent que par le passé et en d'autres lieux, les hommes ont vécu, ressenti et pensé différemment des hommes d'ici et de maintenant.
ET 56 comprennent que certaines conditions contribuent à déterminer l'action des hommes, comme le temps, les données géographiques, les idées.
ET 57 peuvent s'imaginer dans des situations plus éloignées d'eux dans le temps et l'espace.
ET 58* sont disposés à le faire.
ET 59* font preuve d'intérêt pour le passé et sentent un lien personnel avec le passé.
ET 60* comprennent que chaque culture possède des caractéristiques typiques, qui s'expriment de manière visible à travers le mode de vie des personnes.
Géographie
Aspects spatiaux
Les enfants
ET 61 en se fondant sur les mouvements et la position du soleil, peuvent déterminer approximativement les points cardinaux et, sur cette base, dessiner une rose des vents sur laquelle ils peuvent indiquer les points principaux et intermédiaires.
ET 62 dans le cadre d'un exercice d'orientation réel, dans un lieu connu, peuvent indiquer les points cardinaux (principaux et intermédiaires).
ET 63 connaissent la notion d'échelle et peuvent l'utiliser comme rapport simple entre kilomètre et centimètre. (voir également W 31)
ET 64 connaissent la notion de plan et peuvent dessiner le plan de l'environnement immédiat, de la classe, de l'école ou de leur habitation.
ET 65 peuvent se décrire l'un à l'autre un chemin connu entre deux lieux dans leur propre commune ou ville ou dans celle où est située l'école. Ils peuvent également désigner cet itinéraire sur un plan.
ET 66 peuvent situer leur propre ville, commune ou village ou celui ou celle où l'école est située sur une carte et en décrire quelques aspects géographiques et historiques caractéristiques.
ET 67 connaissent les principales rivières belges et peuvent les situer sur la carte.
ET 68 peuvent désigner les différents continents, les pôles, l'équateur, les tropiques et les mers qui entourent l'Europe sur un planisphère.
ET 69 ont une représentation d'un planisphère de sorte que dans une situation d'application concrète, ils peuvent désigner un continent.
Aspects politiques
Les enfants
ET 70 peuvent utiliser des notions telles que village, ville, région, province, pays et continent dans un contexte correct.
ET 70bis connaissent les quatre régions linguistiques, peuvent les désigner approximativement sur la carte de Belgique et savent que cette donnée forme la base de la manière dont la Belgique est administrée.
ET 71 ont une représentation de la carte de la Flandre et de la Belgique de telle manière que dans une situation d'application pratique, ils peuvent désigner les provinces et les chefs-lieux de province sur une carte.
ET 71bis savent que la Communauté flamande est l'une des communautés belges et que la Belgique fait partie de l'Union européenne.
ET 72 connaissent les principales villes européennes et peuvent les désigner sur une carte.
ET 73 ont une représentation de la carte d'Europe de telle manière que dans une situation d'application concrète, ils peuvent désigner les pays concernés sur une carte.
Aspects socioéconomiques
Les enfants
ET 74 peuvent (à titre d'exemple) décrire le chemin entre la matière première et le produit de consommation pour des produits qu'ils utilisent eux-mêmes.
ET 75 sont à cet égard attentifs :
- à l'aspect travail, salaire et répartition inégale de la richesse ;
- au fait que les matières premières sont prélevées dans la terre ou la nature ;
- aux aspects écologiques du mode de production, de distribution et de consommation ;
- à la fonction du commerce (vente, bénéfice, perte, publicité...), à l'aspect financier et bancaire.
ET 76 peuvent, au moyen d'exemples simples, montrer que partout dans le monde, les hommes dépendent les uns des autres pour la satisfaction de leurs besoins.
ET 77 peuvent, au moyen d'exemples simples, montrer
- qu'il existe un lien entre l'homme et son domicile sur terre ;
- que l'homme peut utiliser à son profit les possibilités liées aux conditions climatiques et au paysage.
ET 78 témoigne de respect et de compréhension envers les conditions et le mode de vie des autres hommes et des autres peuples.
Aptitudes générales
Les enfants
ET 79 peuvent rechercher les lieux qu'ils découvrent au cours sur une carte adaptée au contexte.
ET 80 peuvent consulter un atlas et peuvent à cet égard :
- utiliser le registre alphabétique (voir TN 7)
- manier des cartes simples en utilisant les points cardinaux, la légende et l'échelle ;
ET 81 peuvent consulter des sources simples, adaptées à leur niveau, pour élargir leurs connaissances sur la nature et la vie quotidienne des hommes dans leur propre région, leur propre pays et ailleurs dans le monde.
Attitudes
Les enfants
ET 82* font montre d'étonnement, d'engagement personnel, d'intérêt et de respect envers la nature qui les entoure et des phénomènes naturels plus éloignés d'eux dans le temps et l'espace.
ET 83* font montre d'étonnement, d'engagement personnel, d'intérêt et de respect envers des phénomènes culturels, sociaux et économiques dans leur environnement et dans des lieux plus éloignés d'eux dans le temps et l'espace.
Explication (citation extraite de la demande motivée)
" La présente demande renouvelée de dérogation a pour objectif le maintien de l'équivalence actuellement en vigueur des objectifs de développement et des objectifs finaux alternatifs de la Federatie Steinerscholen vzw et des autorités scolaires affiliées avec l'enseignement fondamental.
L'article 44 bis, § 2, 2° du décret enseignement fondamental du 27 mars 1997 établit que les objectifs de développement et objectifs finaux alternatifs doivent reprendre au moins des contenus pour les différentes disciplines.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2015 classe les objectifs de développement et objectifs finaux actuels de l'ancienne discipline éveil conformément aux nouvelles disciplines sciences et technique et homme et société, sans modifications de fond.
De ce fait, ces objectifs de développement et objectifs finaux établis laissent encore trop peu de marge pour les conceptions pédagogiques et didactiques propres et demeurent incompatibles avec elles.
Les objectifs de développement et objectifs finaux alternatifs présentés ci-dessous sont également simplement les objectifs de développement et objectifs finaux actuels, sans modification et déjà reclassés, de la discipline éveil, subdivisés sur la base des nouvelles disciplines sciences et technique et homme et société. L'équivalence de contenu n'est par conséquent pas altérée.
Pour ce qui est de la motivation sur le fond, il nous semble dès lors suffisant de renvoyer aux motivations précédentes des dérogations demandées et obtenues :
1° la motivation telle que publiée au Moniteur belge du 27 juin 1998 (p. 21216 et suivantes), en tant que partie I de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997
2° la motivation telle que publiée au Moniteur belge du 12 juillet 2011 (p. 41520 et suivantes), plus précisément aux annexes 6 (objectifs de développement éveil nature - enseignement fondamental), 7 (objectifs de développement technique - enseignement fondamental), 10 (objectifs finaux éveil nature - enseignement fondamental) et 11 (objectifs finaux technique - enseignement fondamental) "
L'ensemble des objectifs de développement de l'enseignement maternel ordinaire et des objectifs finaux de l'enseignement primaire ordinaire, concernant la discipline sciences et technique et la discipline homme et société, tels qu'établis par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2015 modifiant l'article 2 et l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1997 fixant les objectifs de développement et les objectifs finaux de l'enseignement fondamental ordinaire, sanctionné par le décret du 17 juillet 2015, est remplacé pour la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw par les objectifs de développement et objectifs finaux suivants :
Objectifs de développement sciences et technique
Nature
Les jeunes enfants
ET 1.1 peuvent nommer des personnes, des animaux et des plantes connus et familiers et utiliser ces dénominations de manière ciblée et adéquate.
ET 1.2 montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer de manière inventive et judicieuse les personnes, les animaux et les plantes qui leur sont connus et familiers dans leur environnement et leur univers mental.
ET 1.3 peuvent, en ce qui concerne le développement de l'être humain, des animaux et des plantes, montrer qu'ils comprennent que la phase où l'on est jeune et petit et où l'on a besoin de soins précède la phase où l'on est adulte et grand et où l'on se prend en charge.
ET 1.4 peuvent percevoir et nommer de manière ciblée certains aspects des conditions météorologiques :
- dans un contexte de mouvement ou de jeu, ils montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer ces aspects de la nature dans leur environnement et leur univers mental ;
- lorsque la situation se présente, ils peuvent indiquer les conséquences pour eux-mêmes.
ET 1.5 peuvent nommer des matières familières et utiliser ces dénominations de manière ciblée et adéquate.
ET 1.6 dans un contexte de mouvement ou de jeu, montrent tout en agissant qu'ils peuvent intégrer de manière inventive et judicieuse les matières familières dans leur environnement et leur univers mental.
ET 1.7 peuvent indiquer quelle partie de leur propre corps est responsable de l'ouïe, de la vue, de l'odorat, du goût et du toucher et peuvent utiliser ces facultés de manière adéquate.
ET 1.8 dans leur attitude face à la nature, aux processus naturels et aux phénomènes cosmiques, font preuve de confiance, d'étonnement, de curiosité et de respect.
ET 1.9 font preuve de soin et de respect dans leur comportement envers les personnes et la nature.
Technique
Les jeunes enfants
ET 2.1 peuvent, pour des objets et systèmes techniques simples, indiquer s'ils sont faits en métal, pierre, bois, verre, papier, textile ou plastique.
ET 2.2 peuvent, pour des techniques simples et transparentes, indiquer qu'ils ont conscience du lien avec les éléments naturels.
ET 2.3 peuvent nommer des objets et systèmes techniques et montrer que les différentes composantes sont liées entre elles.
ET 2.4 dans un contexte familier, montrent tout en agissant qu'ils savent quel objet ou système technique répond au mieux à un besoin précis.
ET 2.5 montrent tout en agissant, par le jeu et le mouvement, qu'ils peuvent construire des systèmes techniques simples à l'aide d'objets et de matériels connus et familiers et peuvent intégrer ceux-ci de manière inventive et judicieuse dans leurs activités.
ET 2.6 peuvent, si un problème ou un défi se présente, imaginer des solutions techniques simples par l'exploration et l'expérimentation.
ET 2.7 peuvent choisir les bons matériels et outils pour réaliser un système technique simple.
ET 2.8 peuvent, lors de l'élaboration d'une construction technique simple, réaliser un projet imaginé par eux-mêmes suivant un plan par étapes.
ET 2.9 peuvent vérifier si un système technique réalisé par eux-mêmes répond à certains critères (fixés par eux-mêmes) et déterminer comment l'améliorer au besoin.
ET 2.10 sont disposés à manipuler les objets, les matériels et les systèmes techniques de manière soigneuse, sûre et hygiénique et en comprennent l'intérêt.
Objectifs de développement homme et société
Acquisition d'habitudes, hygiène et circulation automobile
Les jeunes enfants
ET 16 connaissent les règles de conduite en vigueur en classe en matière de sécurité et peuvent les appliquer.
ET 17 font montre de bonnes habitudes en matière d'hygiène quotidienne.
ET 18 font montre de bonnes habitudes en matière d'alimentation et de boisson et savent, entre autres, dans une situation concrète familière, que l'ingestion de certains produits et plantes peut les rendre malades.
ET 19 peuvent nommer des aliments et vêtements familiers et les manipuler de manière respectueuse et adéquate.
ET 20 dans des situations concrètes, peuvent faire la différence, chez eux-mêmes et chez les autres, entre être malade, en bonne santé et blessé.
ET 21 dans des situations concrètes familières, peuvent reconnaître des comportements favorables ou néfastes pour leur santé.
ET 22 savent où ils peuvent jouer et où ils ne le peuvent pas suivant les règles en vigueur dans l'école.
ET 23 ont conscience du danger que représente la circulation automobile.
ET 24 peuvent appliquer les règlementations routières nécessaires avec un accompagnement et dans l'environnement scolaire concret.
Phénomènes socioculturels
Les jeunes enfants
ET 25 dans des situations concrètes connues, affichent une confiance suffisante dans leurs propres capacités.
ET 26 peuvent poursuivre une occupation de manière ciblée en restant concentrés, même au milieu des autres ;
- ils peuvent observer et percevoir de manière ciblée : différences de couleur, de forme et d'orientation ;
- ils peuvent écouter de manière sélective et ciblée, en s'isolant des bruits non pertinents. (voir également TN 1, MV 8, WI 17 à WI 24 inclus)
ET 27 connaissent et comprennent les usages, règles de vie et conventions qui s'appliquent à eux.
ET 28 dans des situations concrètes dans un contexte de soin, de mouvement ou de jeu, peuvent établir des conventions avec l'aide d'un adulte connu et familier.
ET 29 pendant une activité ou un jeu, peuvent respecter les règles et conventions.
ET 30 dans des situations concrètes, peuvent avoir de l'empathie pour les sentiments des autres.
ET 31 peuvent aider et sont disposés à se faire aider au besoin.
ET 32 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, peuvent se comporter entre eux avec respect, sans angoisse et dans un esprit de confiance mutuelle.
ET 33 développent leur confiance envers le monde en s'appuyant sur la présence d'adultes familiers et sur les usages, règles de vie et conventions appliqués dans l'école.
ET 34 tout en agissant, montrent qu'ils comprennent les comportements professionnels connus et familiers.
ET 35 tout en agissant, montrent qu'ils comprennent le déroulement des actes ou la suite de mouvements caractéristiques du comportement concerné.
ET 36 font preuve de respect et de gratitude envers le travail d'autrui.
ET 37 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, montrent tout en agissant que dans une situation concrète, ils savent faire la différence entre : donner, prendre, recevoir, acheter et vendre, échanger, emprunter et prêter. (voir également WI 29)
Orientation dans le temps
Les jeunes enfants
ET 38 comprennent que 'hier' est passé et que 'demain' doit encore venir.
ET 39 montrent, en étant capables de situer correctement des événements fixes connus et familiers, qu'ils comprennent bien les notions d'aujourd'hui, jour et nuit, matin et soir, matinée et après-midi (ou des synonymes de ces termes).
ET 40 montrent qu'ils possèdent une notion du temps :
- en agissant de manière ciblée en fonction de l'activité suivante ;
- en étant capables de désigner un nombre limité d'événements ou d'activités fixes et familiers dans le déroulement de leur journée et dans l'ordre correct ;
- en démontrant leur compréhension de la notion de semaine au moyen de la succession d'un nombre limité d'événements ou d'activités fixes et familiers ;
- en situant des événements importants pour eux dans les saisons, soit au moyen des notions de printemps, été, automne, hiver, des fêtes annuelles, soit au moyen d'événements ou d'activités marquants pendant la saison concernée.
ET 41 peuvent se rappeler d'au moins deux activités passées en les classant dans le bon ordre et en les évoquant par la parole.
ET 42 peuvent anticiper en :
- projetant de réaliser un acte et en exécutant l'acte projeté au moment prévu à cet effet ;
- présentant un planning d'au moins deux activités.
ET 43 peuvent adapter leur comportement aux signaux de temps.
ET 44 peuvent attendre leur tour.
Orientation dans l'espace
Les jeunes enfants
ET 45 dans un contexte social, de mouvement ou de jeu, peuvent tout en agissant nommer les principales parties du corps : tête, ventre, bras, mains, doigts, jambes, pieds, orteils, oreilles, yeux, nez, bouche. (voir également WI 1)
ET 46 peuvent exprimer leur perception de la profondeur en montrant dans leurs actions qu'ils sont capables d'estimer la place que prend leur propre corps. (voir également WI 46)
ET 47 peuvent exprimer leur perception de la profondeur en montrant tout en agissant dans un contexte domestique, de mouvement ou de jeu, qu'ils sont capables d'estimer la place que prend un objet. (voir également WI 8, MV dessiner, LO)
ET 48 montrent, tout en agissant, dans un contexte domestique, de mouvement ou de jeu, qu'ils comprennent la signification correcte des directions spatiales et de qualités telles que au-dessus - en dessous, à côté de, derrière - devant, entre, loin - près / plus loin - plus près, grand - petit / plus grand - plus petit, gros - mince / plus gros - plus mince, lourd - léger / plus lourd - plus léger, plein - vide, beaucoup - peu / plus - moins. (voir également WI 27 et WI 28)
ET 49 trouvent seuls leur chemin dans un cadre familier. (voir WI 14)
ET 50 peuvent aménager un espace en fonction de leur jeu. (voir WI 15)
ET 51 peuvent, suivant des indications, ranger un espace limité. (voir WI 16)
Objectifs finaux sciences et technique
Nature
Homme
Les enfants
ET 1.1 peuvent décrire la silhouette humaine.
ET 1.2 peuvent décrire la fonction
- de la tête en ce qui concerne le système nerveux et sensoriel et en particulier la fonction des sens ;
- du buste en ce qui concerne le système rythmique et le métabolisme, et notamment la circulation sanguine et la respiration ;
- des membres en ce qui concerne le système moteur.
Animal
Les enfants
ET 1.3 peuvent décrire l'aspect, le comportement et le mode de vie d'un certain nombre d'animaux.
ET 1.4 peuvent prodiguer des soins simples aux animaux de leur environnement.
ET 1.5 peuvent situer un nombre limité d'animaux dans leur milieu (terre, eau, air).
ET 1.6 * comprennent qu'il existe un lien entre l'aspect d'un animal, son mode de vie et son milieu.
ET 1.7 * comprennent que l'animal dépend de son milieu.
Plantes
Les enfants
ET 1.8 peuvent décrire l'aspect d'un nombre limité de plantes : ils peuvent localiser et nommer la racine, la tige, la feuille, la fleur et le fruit.
ET 1.9 peuvent prodiguer des soins simples aux plantes de leur environnement.
ET 1.10 peuvent décrire la fonction de la racine, de la tige, de la feuille, de la fleur et du fruit.
ET 1.11 peuvent nommer un nombre limité de 'plantes' selon leur stade de développement : algues, champignons, mousses, fougères ; les plantes supérieures exemplaires (par ex. conifères - feuillus, par ex. liliacées - rosacées).
ET 1.12* comprennent que les plantes sont dépendantes du sol, de l'air, de la lumière, de la chaleur, de l'eau et du climat.
ET 1.13* font preuve de respect et de soin envers les humains, les animaux, les plantes et les roches parce qu'ils savent que ces richesses naturelles dépendent les unes des autres pour leur survie.
Roches et paysages
Les enfants
ET 1.14 en se basant sur le paysage, peuvent décrire et reconnaître la forme d'un massif granitique, un massif calcaire et les caractéristiques qui indiquent une origine volcanique.
ET 1.15 connaissent la différence entre le granit, le calcaire et la roche volcanique.
ET 1.16 peuvent montrer, au moyen d'exemples simples, que la forme d'un paysage est influencée par la roche présente et l'action de l'eau, du vent, de la chaleur et de l'homme.
ET 1.17 peuvent montrer, au moyen d'exemples simples, que la forme d'un paysage et la qualité de la roche influencent le mode de vie de l'homme.
ET 1.18 peuvent percevoir avec tous leurs sens, de manière ciblée et spontanée, un nombre limité de phénomènes liés au paysage et exprimer leurs observations de manière systématique.
ET 1.19* font preuve d'intérêt pour la diversité des paysages que l'on rencontre sur terre et peuvent apprécier ceux-ci dans leur beauté spécifique.
Météo et climat
Les enfants
ET 1.20 peuvent expliquer verbalement et distinguer les phénomènes climatiques suivants : précipitations, quelques types de nuages simples, les types de vents en fonction de leur direction.
ET 1.21 peuvent différencier et situer sur le planisphère trois zones climatiques : zone chaude, froide et tempérée.
ET 1.22 connaissent la différence entre la météo et le climat.
ET 1.23 peuvent décrire simplement le cycle de l'eau.
ET 1.24 peuvent percevoir de manière ciblée et spontanée un nombre limité de phénomènes météorologiques et exprimer leurs observations (voir également apprendre à apprendre et formation artistique).
Phénomènes physiques
Les enfants
ET 1.25 peuvent, au moyen d'exemples simples, décrire succinctement quelques caractéristiques du phénomène du son, de la lumière, de la chaleur, de l'électricité et du magnétisme.
ET 1.26 peuvent (à titre d'exemple) percevoir de manière ciblée et spontanée des phénomènes naturels au moyen d'expériences (voir également apprendre à apprendre).
ET 1.27 peuvent évoquer verbalement et consigner par écrit leurs observations de manière systématique (voir également apprendre à apprendre).
ET 1.28 peuvent décrire les phénomènes dans leur relation de cause à effet.
Environnement
Les enfants
ET 1.29* dans leur comportement, se montrent disposés à prendre soin des minéraux, plantes, animaux et humains et de l'environnement autour d'eux.
ET 1.30* dans leur comportement, se montrent disposés à éviter les déchets et ne pas gaspiller l'énergie, le papier, la nourriture et l'eau.
Technique
Les enfants
ET 2.1 peuvent décrire quel besoin se trouve à la base d'un système technique simple et transparent.
ET 2.2 peuvent, en partant d'un besoin précis, nommer les systèmes techniques qui y répondent ou imaginer eux-mêmes des solutions techniques et en étudier la faisabilité.
ET 2.3 comprennent comment, au travers de constructions innovantes et de l'utilisation d'auxiliaires techniques, l'homme est capable de réduire l'investissement en énergie humaine.
ET 2.4 peuvent décrire le fonctionnement et le processus de développement de systèmes techniques simples et transparents.
ET 2.5 peuvent, pour des systèmes techniques simples et transparents, décrire comment le fonctionnement de ceux-ci est lié aux caractéristiques des matières premières naturelles et phénomènes utilisés.
ET 2.6 connaissent et maîtrisent les techniques de base pour manipuler, entretenir et ranger des systèmes techniques simples.
ET 2.7 * sont prêts à travailler de manière soigneuse, sûre, précise et hygiénique.
ET 2.8 ont une connaissance du processus technique dans la mesure où ils :
- comprennent la problématique et peuvent élaborer une solution ;
- savent à quels critères le travail doit répondre et de quels matériaux et outils ils ont besoin ;
- peuvent comprendre ou concevoir un plan simple ;
- savent quelles étapes doivent être exécutées consécutivement ;
- peuvent exécuter un plan simple étape par étape ;
- peuvent mettre en service le système technique ;
- peuvent observer et décrire précisément les qualités techniques et le fonctionnement de certains systèmes techniques ;
- sont disposés à contrôler le système technique et à l'améliorer au besoin.
ET 2.9* font preuve de respect pour le matériel, leurs propres capacités et réalisations techniques et celles des autres, et peuvent aussi appréhender les systèmes techniques sous un angle esthétique.
Objectifs finaux homme et société
Santé, mode de vie et circulation automobile
Les enfants
ET 36 connaissent (à titre d'exemple) le procédé de production d'aliments, d'objets usuels ou de logements.
ET 37* comprennent que les aliments, les vêtements, les logements et les objets usuels dont l'homme a besoin dépendent de processus naturels et du travail de l'homme.
ET 38 font preuve de respect et de gratitude envers ces processus naturels et le travail et le montrent par une utilisation soigneuse des éléments précités.
ET 39 peuvent témoigner de considération et de respect envers l'être humain dans son humanité et en tant qu'individu, dans sa diversité en ce qui concerne également sa constitution et son état de santé. (voir également aptitudes sociales)
ET 40 connaissent les règles de conduite et les habitudes de l'école en matière d'alimentation saine, de mode de vie sain et d'hygiène.
ET 41* sont disposés à accorder une valeur positive à ce comportement.
ET 42 peuvent, dans une situation d'urgence évidente pour eux, appeler de l'aide ou aider eux-mêmes et sont prêts à se faire aider en cas de douleur ou de maladie. (voir également aptitudes sociales)
ET 43 connaissent les règles de conduite de l'école en matière de sécurité et peuvent les appliquer.
ET 44* sont disposés à accorder une valeur positive à ce comportement.
ET 45 savent ce que l'on attend d'eux en cas d'alarme à l'école et peuvent également le mettre en pratique.
ET 46 connaissent la situation en matière de circulation automobile autour de l'école et sont capables de s'y déplacer en toute sécurité.
ET 47 disposent de réflexes, d'un sens de l'équilibre et de capacités de coordination suffisants et connaissent la réglementation routière pour les cyclistes et les piétons de manière à pouvoir se déplacer seuls en toute sécurité sur un itinéraire familier. (voir également éducation physique)
ET 48* dans leur comportement, se montrent prêts à tenir compte des autres usagers.
Histoire
Les enfants
ET 49 peuvent se représenter correctement des événements historiques et les évoquer par la parole et l'image.
ET 50 peuvent évoquer verbalement et systématiquement les faits historiques traités. (en relation avec la méthode telle que décrite dans `apprendre à apprendre')
ET 51 peuvent ressentir le caractère dramatique et épique de l'histoire. (voir également `apprendre à apprendre', formation artistique : théâtre, récitation, dessin, peinture)
ET 52 peuvent représenter le temps de manière spatiale.
ET 53 peuvent décrire quelques aspects géographiques et historiques caractéristiques de leur environnement scolaire ou de leur habitat.
ET 54 connaissent la chronologie et peuvent décrire succinctement des éléments caractéristiques de différentes périodes culturelles :
- culture orientale : Inde, Perse, Mésopotamie, Egypte ;
- culture grecque (entre autres naissance et fonctionnement de la démocratie) ;
- culture romaine (entre autres naissance du droit : public et privé) ;
- histoire de la Méditerranée.
ET 55 sont attentifs à la notion d'évolution et comprennent que par le passé et en d'autres lieux, les hommes ont vécu, ressenti et pensé différemment des hommes d'ici et de maintenant.
ET 56 comprennent que certaines conditions contribuent à déterminer l'action des hommes, comme le temps, les données géographiques, les idées.
ET 57 peuvent s'imaginer dans des situations plus éloignées d'eux dans le temps et l'espace.
ET 58* sont disposés à le faire.
ET 59* font preuve d'intérêt pour le passé et sentent un lien personnel avec le passé.
ET 60* comprennent que chaque culture possède des caractéristiques typiques, qui s'expriment de manière visible à travers le mode de vie des personnes.
Géographie
Aspects spatiaux
Les enfants
ET 61 en se fondant sur les mouvements et la position du soleil, peuvent déterminer approximativement les points cardinaux et, sur cette base, dessiner une rose des vents sur laquelle ils peuvent indiquer les points principaux et intermédiaires.
ET 62 dans le cadre d'un exercice d'orientation réel, dans un lieu connu, peuvent indiquer les points cardinaux (principaux et intermédiaires).
ET 63 connaissent la notion d'échelle et peuvent l'utiliser comme rapport simple entre kilomètre et centimètre. (voir également W 31)
ET 64 connaissent la notion de plan et peuvent dessiner le plan de l'environnement immédiat, de la classe, de l'école ou de leur habitation.
ET 65 peuvent se décrire l'un à l'autre un chemin connu entre deux lieux dans leur propre commune ou ville ou dans celle où est située l'école. Ils peuvent également désigner cet itinéraire sur un plan.
ET 66 peuvent situer leur propre ville, commune ou village ou celui ou celle où l'école est située sur une carte et en décrire quelques aspects géographiques et historiques caractéristiques.
ET 67 connaissent les principales rivières belges et peuvent les situer sur la carte.
ET 68 peuvent désigner les différents continents, les pôles, l'équateur, les tropiques et les mers qui entourent l'Europe sur un planisphère.
ET 69 ont une représentation d'un planisphère de sorte que dans une situation d'application concrète, ils peuvent désigner un continent.
Aspects politiques
Les enfants
ET 70 peuvent utiliser des notions telles que village, ville, région, province, pays et continent dans un contexte correct.
ET 70bis connaissent les quatre régions linguistiques, peuvent les désigner approximativement sur la carte de Belgique et savent que cette donnée forme la base de la manière dont la Belgique est administrée.
ET 71 ont une représentation de la carte de la Flandre et de la Belgique de telle manière que dans une situation d'application pratique, ils peuvent désigner les provinces et les chefs-lieux de province sur une carte.
ET 71bis savent que la Communauté flamande est l'une des communautés belges et que la Belgique fait partie de l'Union européenne.
ET 72 connaissent les principales villes européennes et peuvent les désigner sur une carte.
ET 73 ont une représentation de la carte d'Europe de telle manière que dans une situation d'application concrète, ils peuvent désigner les pays concernés sur une carte.
Aspects socioéconomiques
Les enfants
ET 74 peuvent (à titre d'exemple) décrire le chemin entre la matière première et le produit de consommation pour des produits qu'ils utilisent eux-mêmes.
ET 75 sont à cet égard attentifs :
- à l'aspect travail, salaire et répartition inégale de la richesse ;
- au fait que les matières premières sont prélevées dans la terre ou la nature ;
- aux aspects écologiques du mode de production, de distribution et de consommation ;
- à la fonction du commerce (vente, bénéfice, perte, publicité...), à l'aspect financier et bancaire.
ET 76 peuvent, au moyen d'exemples simples, montrer que partout dans le monde, les hommes dépendent les uns des autres pour la satisfaction de leurs besoins.
ET 77 peuvent, au moyen d'exemples simples, montrer
- qu'il existe un lien entre l'homme et son domicile sur terre ;
- que l'homme peut utiliser à son profit les possibilités liées aux conditions climatiques et au paysage.
ET 78 témoigne de respect et de compréhension envers les conditions et le mode de vie des autres hommes et des autres peuples.
Aptitudes générales
Les enfants
ET 79 peuvent rechercher les lieux qu'ils découvrent au cours sur une carte adaptée au contexte.
ET 80 peuvent consulter un atlas et peuvent à cet égard :
- utiliser le registre alphabétique (voir TN 7)
- manier des cartes simples en utilisant les points cardinaux, la légende et l'échelle ;
ET 81 peuvent consulter des sources simples, adaptées à leur niveau, pour élargir leurs connaissances sur la nature et la vie quotidienne des hommes dans leur propre région, leur propre pays et ailleurs dans le monde.
Attitudes
Les enfants
ET 82* font montre d'étonnement, d'engagement personnel, d'intérêt et de respect envers la nature qui les entoure et des phénomènes naturels plus éloignés d'eux dans le temps et l'espace.
ET 83* font montre d'étonnement, d'engagement personnel, d'intérêt et de respect envers des phénomènes culturels, sociaux et économiques dans leur environnement et dans des lieux plus éloignés d'eux dans le temps et l'espace.
Explication (citation extraite de la demande motivée)
" La présente demande renouvelée de dérogation a pour objectif le maintien de l'équivalence actuellement en vigueur des objectifs de développement et des objectifs finaux alternatifs de la Federatie Steinerscholen vzw et des autorités scolaires affiliées avec l'enseignement fondamental.
L'article 44 bis, § 2, 2° du décret enseignement fondamental du 27 mars 1997 établit que les objectifs de développement et objectifs finaux alternatifs doivent reprendre au moins des contenus pour les différentes disciplines.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2015 classe les objectifs de développement et objectifs finaux actuels de l'ancienne discipline éveil conformément aux nouvelles disciplines sciences et technique et homme et société, sans modifications de fond.
De ce fait, ces objectifs de développement et objectifs finaux établis laissent encore trop peu de marge pour les conceptions pédagogiques et didactiques propres et demeurent incompatibles avec elles.
Les objectifs de développement et objectifs finaux alternatifs présentés ci-dessous sont également simplement les objectifs de développement et objectifs finaux actuels, sans modification et déjà reclassés, de la discipline éveil, subdivisés sur la base des nouvelles disciplines sciences et technique et homme et société. L'équivalence de contenu n'est par conséquent pas altérée.
Pour ce qui est de la motivation sur le fond, il nous semble dès lors suffisant de renvoyer aux motivations précédentes des dérogations demandées et obtenues :
1° la motivation telle que publiée au Moniteur belge du 27 juin 1998 (p. 21216 et suivantes), en tant que partie I de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1997
2° la motivation telle que publiée au Moniteur belge du 12 juillet 2011 (p. 41520 et suivantes), plus précisément aux annexes 6 (objectifs de développement éveil nature - enseignement fondamental), 7 (objectifs de développement technique - enseignement fondamental), 10 (objectifs finaux éveil nature - enseignement fondamental) et 11 (objectifs finaux technique - enseignement fondamental) "