Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 18 maart 2011: het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
2° eenmalige subsidiebetaling: de uitbetaling van de alternatieve subsidie ineens voor een volledig of partieel bedrag van het openstaande kapitaalsaldo;
3° gebruikstoelage: een gebruikstoelage als vermeld in artikel 12 of 40 van het besluit van 18 maart 2011;
4° verbrekingskosten: de vergoeding die de aanvrager betaalt bij een voortijdige aflossing van de leningen;
5° volledige eenmalige subsidiebetaling: een eenmalige subsidiebetaling voor het volledige bedrag van het openstaande kapitaalsaldo van de investeringssubsidie;
6° publieke rechtspersoon: elke rechtspersoon die geen vereniging zonder winstoogmerk of stichting is als vermeld in artikel 1 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
11 SEPTEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de eenmalige uitbetaling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2015 en tekstbijwerking tot 31-07-2024)
Titre
11 SEPTEMBRE 2015. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand rĂ©glant le paiement unique des subventions d'investissement alternatives octroyĂ©es par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables)(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 23-10-2015 et mise Ă jour au 31-07-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
HOOFDSTUK 3. - Modaliteiten van de eenmalige su...
Afdeling 1. - Aanvraag
Afdeling 2. - Bedrag van de eenmalige subsidieb...
Afdeling 3. - Tegemoetkoming in de verbrekingsk...
Afdeling 4. - Tijdstip van en voorwaarden voor ...
HOOFDSTUK 4. - Bepalingen over leningen en waar...
Afdeling 1. - Toegestane leningen
Afdeling 2. - Verplicht af te lossen leningen
Afdeling 3. - Toekomstige waarborgen
HOOFDSTUK 5. - Toezichtregeling en sancties
Afdeling 1. - Toezichtregeling
Afdeling 2. - Sancties
HOOFDSTUK 6. - Besluit van de EU-Commissie van ...
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Champ d'application
CHAPITRE 3. - Modalités du paiement unique de l...
Section 1re. - Demande
Section 2. - Montant du paiement unique de la s...
Section 3. - Intervention dans les frais de rés...
Section 4. - Moment et conditions du paiement
CHAPITRE 4. - Dispositions relatives aux prĂȘts ...
Section 1. - PrĂȘts autorisĂ©s
Section 2. - PrĂȘt Ă amortir obligatoirement
Section 3. - Garanties futures
CHAPITRE 5. - ContrĂŽle et sanctions
Section 1. - ContrĂŽle
Section 2. - Sanctions
CHAPITRE 6. - Décision de la Commission UE du 2...
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011 : l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 rĂ©glant les subventions alternatives d'investissement octroyĂ©es par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables) ;
2° paiement unique de la subvention : le paiement de la subvention alternative en une fois pour un montant total ou partiel du solde de capital non réglé ;
3° subvention-utilisation : une subvention-utilisation telle que visĂ©e Ă l'article 12 ou 40 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011 ;
4° frais de rĂ©siliation : l'indemnitĂ© payĂ©e par le demandeur en cas de remboursement anticipĂ© des prĂȘts ;
5° paiement unique total de la subvention : un paiement unique de la subvention pour le montant complet du solde de capital non réglé de la subvention d'investissement ;
6° personne morale publique : toute personne morale qui n'est pas une association sans but lucratif ou fondation telle que visée à l'article 1er de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations.
1° arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011 : l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 rĂ©glant les subventions alternatives d'investissement octroyĂ©es par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables) ;
2° paiement unique de la subvention : le paiement de la subvention alternative en une fois pour un montant total ou partiel du solde de capital non réglé ;
3° subvention-utilisation : une subvention-utilisation telle que visĂ©e Ă l'article 12 ou 40 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011 ;
4° frais de rĂ©siliation : l'indemnitĂ© payĂ©e par le demandeur en cas de remboursement anticipĂ© des prĂȘts ;
5° paiement unique total de la subvention : un paiement unique de la subvention pour le montant complet du solde de capital non réglé de la subvention d'investissement ;
6° personne morale publique : toute personne morale qui n'est pas une association sans but lucratif ou fondation telle que visée à l'article 1er de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations.
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art. 2. Dit besluit is, binnen de perken van de begrotingskredieten en de kostenefficiënte toegang tot de financiële markten voor overheidsschulden, van toepassing op projecten die over een definitief principieel akkoord beschikken als vermeld in artikel 13 of 41 van het besluit van 18 maart 2011, en waarbij de aanvrager kiest voor de eenmalige subsidiebetaling. De kostenefficiënte toegang impliceert dat de Vlaamse overheid rekening houdend met haar globale financieringsbehoefte voldoende middelen kan aantrekken tegen een marktconforme financieringskost. Dit wordt beoordeeld door de minister bevoegd voor Financiën en Begroting.
Art. 2. Dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires et de l'accĂšs rentable aux marchĂ©s financiers pour les dettes publiques, le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux projets disposant d'un accord de principe dĂ©finitif tel que visĂ© Ă l'article 13 ou 41 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, et pour lesquels le demandeur choisit le paiement unique de la subvention. L'accĂšs rentable implique que l'AutoritĂ© flamande peut attirer suffisamment de ressources Ă un coĂ»t de financement conforme au marchĂ©, compte tenu de ses besoins de financement globaux. Cette Ă©valuation est faite par le Ministre chargĂ© des Finances et du Budget.
HOOFDSTUK 3. - Modaliteiten van de eenmalige subsidiebetaling
CHAPITRE 3. - Modalités du paiement unique de la subvention
Afdeling 1. - Aanvraag
Section 1re. - Demande
Art. 3. De aanvraag van een eenmalige subsidiebetaling wordt gericht aan het Fonds.
Art. 3. La demande d'un paiement unique de la subvention est adressée au Fonds.
Afdeling 2. - Bedrag van de eenmalige subsidiebetaling
Section 2. - Montant du paiement unique de la subvention
Art. 4. Het bedrag van de eenmalige subsidiebetaling betreft het openstaande kapitaalsaldo van de investeringssubsidie of het verschil tussen (A) en (B), waarbij:
1° (A) = het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken, van het plaatsen van de bestelling of van het verlijden van de authentieke aankoopakte in geval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van een van de volgende besluiten:
a) het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
b) het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
c) het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de personen met een handicap;
2° (B) = het kapitaalbedrag dat vervat zit in de al betaalde gebruikstoelagen, en het kapitaalbedrag dat vervat zit in de eventuele vermindering die is toegepast wegens het niet-behalen van de gebruiksnormen.
Bij de volledige eenmalige subsidiebetaling wordt het openstaande kapitaalsaldo integraal uitbetaald en kan de aanvrager geen verdere betaling van gebruikstoelagen meer krijgen.
In geval van een verplichte aflossing van leningen als vermeld in artikel 8 van dit besluit, kan de partiële eenmalige subsidiebetaling worden verkregen. De partiële eenmalige subsidiebetaling stemt overeen met het verschil tussen het openstaande kapitaalsaldo van de investeringssubsidie en het onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplicht ineens af te lossen leningsbedrag. Het leningsbedrag dat in principe onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplicht af te lossen is, valt onder de regeling van de gebruikstoelagen.
Het aantal gebruikstoelagen waarvan de aanvrager onder de partiële eenmalige subsidiebetaling nog betaling kan verkrijgen, stemt overeen met het aantal, bepaald conform artikel 12 of 40 van het besluit van 18 maart 2011, verminderd met het aantal reeds betaalde gebruikstoelagen.
1° (A) = het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken, van het plaatsen van de bestelling of van het verlijden van de authentieke aankoopakte in geval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum, naargelang van de aard van de investering, overeenkomstig de bepalingen van een van de volgende besluiten:
a) het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen;
b) het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg;
c) het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor de personen met een handicap;
2° (B) = het kapitaalbedrag dat vervat zit in de al betaalde gebruikstoelagen, en het kapitaalbedrag dat vervat zit in de eventuele vermindering die is toegepast wegens het niet-behalen van de gebruiksnormen.
Bij de volledige eenmalige subsidiebetaling wordt het openstaande kapitaalsaldo integraal uitbetaald en kan de aanvrager geen verdere betaling van gebruikstoelagen meer krijgen.
In geval van een verplichte aflossing van leningen als vermeld in artikel 8 van dit besluit, kan de partiële eenmalige subsidiebetaling worden verkregen. De partiële eenmalige subsidiebetaling stemt overeen met het verschil tussen het openstaande kapitaalsaldo van de investeringssubsidie en het onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplicht ineens af te lossen leningsbedrag. Het leningsbedrag dat in principe onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplicht af te lossen is, valt onder de regeling van de gebruikstoelagen.
Het aantal gebruikstoelagen waarvan de aanvrager onder de partiële eenmalige subsidiebetaling nog betaling kan verkrijgen, stemt overeen met het aantal, bepaald conform artikel 12 of 40 van het besluit van 18 maart 2011, verminderd met het aantal reeds betaalde gebruikstoelagen.
Art. 4. Le montant du paiement unique de la subvention concerne le solde de capital non rĂ©glĂ© de la subvention d'investissement ou la diffĂ©rence entre (A) et (B), oĂč :
1° (A) = le montant total calculĂ© et dĂ©terminĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou de la commande ou de la passation de l'acte authentique d'achat, en cas d'achat sans transformation auprĂšs d'un centre de services local, un centre de services rĂ©gional ou un centre de soins de jour, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment aux dispositions d'un des arrĂȘtĂ©s suivants :
a) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins ;
b) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinĂ©es aux personnes ĂągĂ©es et des structures de soins Ă domicile ;
c) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es ;
2° (B) = le montant de capital compris dans les subventions-utilisation déjà payées, et le montant de capital compris dans la réduction éventuelle appliquée en raison de la non atteinte des normes d'utilisation.
Lors du paiement unique total de la subvention, le solde de capital non réglé est payé intégralement et le demandeur ne peut plus obtenir de paiement ultérieur de subventions-utilisation.
En cas d'un amortissement obligatoire de prĂȘts tel que visĂ© Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le paiement unique partiel de la subvention peut ĂȘtre obtenu. Le paiement unique partiel de la subvention correspond Ă la diffĂ©rence entre le solde de capital non rĂ©glĂ© de la subvention d'investissement et le montant de prĂȘt Ă amortir obligatoirement en une fois sous le paiement unique total de la subvention. Le montant de prĂȘt qui doit en principe ĂȘtre amorti obligatoirement sous le paiement unique total de la subvention, est soumis au rĂšglement des subventions-utilisation.
Le nombre de subventions-utilisation dont le demandeur peut encore obtenir le paiement sous le paiement unique partiel de la subvention, correspond au nombre fixĂ© conformĂ©ment Ă l'article 12 ou 40 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, diminuĂ© du nombre de subventions-utilisation dĂ©jĂ payĂ©es.
1° (A) = le montant total calculĂ© et dĂ©terminĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou de la commande ou de la passation de l'acte authentique d'achat, en cas d'achat sans transformation auprĂšs d'un centre de services local, un centre de services rĂ©gional ou un centre de soins de jour, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment aux dispositions d'un des arrĂȘtĂ©s suivants :
a) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins ;
b) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinĂ©es aux personnes ĂągĂ©es et des structures de soins Ă domicile ;
c) l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es ;
2° (B) = le montant de capital compris dans les subventions-utilisation déjà payées, et le montant de capital compris dans la réduction éventuelle appliquée en raison de la non atteinte des normes d'utilisation.
Lors du paiement unique total de la subvention, le solde de capital non réglé est payé intégralement et le demandeur ne peut plus obtenir de paiement ultérieur de subventions-utilisation.
En cas d'un amortissement obligatoire de prĂȘts tel que visĂ© Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le paiement unique partiel de la subvention peut ĂȘtre obtenu. Le paiement unique partiel de la subvention correspond Ă la diffĂ©rence entre le solde de capital non rĂ©glĂ© de la subvention d'investissement et le montant de prĂȘt Ă amortir obligatoirement en une fois sous le paiement unique total de la subvention. Le montant de prĂȘt qui doit en principe ĂȘtre amorti obligatoirement sous le paiement unique total de la subvention, est soumis au rĂšglement des subventions-utilisation.
Le nombre de subventions-utilisation dont le demandeur peut encore obtenir le paiement sous le paiement unique partiel de la subvention, correspond au nombre fixĂ© conformĂ©ment Ă l'article 12 ou 40 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, diminuĂ© du nombre de subventions-utilisation dĂ©jĂ payĂ©es.
Afdeling 3. - Tegemoetkoming in de verbrekingskosten
Section 3. - Intervention dans les frais de résiliation
Art. 5. De aanvrager van een eenmalige subsidiebetaling kan eenmalig een tegemoetkoming in de verbrekingskosten verkrijgen voor de verplicht af te lossen leningen, vermeld in artikel 8 van dit besluit. Die tegemoetkoming bedraagt nooit meer dan de werkelijke verbrekingskosten, geplafonneerd tot het positieve procentuele intrestvoordeel, vermenigvuldigd met het door de Vlaamse overheid gefinancierde bedrag voor de eenmalige subsidiebetaling van het project. Het procentuele intrestvoordeel stemt overeen met het verschil tussen (A) en (B), waarbij:
1° (A) = het intrestpercentage, dit is de OLO-intrestvoet, verhoogd met vijftien basispunten conform artikel 12 van het besluit van 18 maart 2011, waarop de gebruikstoelage van het project is gebaseerd;
2° (B) = het positieve gemiddelde intrestpercentage voor het door de Vlaamse overheid gefinancierde bedrag voor alle eenmalige subsidiebetalingen in het jaar van de eenmalige subsidiebetaling voor het project.
1° (A) = het intrestpercentage, dit is de OLO-intrestvoet, verhoogd met vijftien basispunten conform artikel 12 van het besluit van 18 maart 2011, waarop de gebruikstoelage van het project is gebaseerd;
2° (B) = het positieve gemiddelde intrestpercentage voor het door de Vlaamse overheid gefinancierde bedrag voor alle eenmalige subsidiebetalingen in het jaar van de eenmalige subsidiebetaling voor het project.
Art. 5. Le demandeur d'un paiement unique de la subvention peut obtenir une seule fois une intervention dans les frais de rĂ©siliation pour les prĂȘts Ă amortir obligatoirement, visĂ©s Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Cette intervention ne dĂ©passe jamais les frais de rĂ©siliation rĂ©els, plafonnĂ©s Ă l'avantage d'intĂ©rĂȘt en pourcentage positif, multipliĂ© par le montant financĂ© par l'AutoritĂ© flamande pour le paiement unique de la subvention du projet. L'avantage d'intĂ©rĂȘt en pourcentage correspond Ă la diffĂ©rence entre (A) et (B), oĂč :
1° (A) = le pourcentage d'intĂ©rĂȘt, Ă savoir le taux d'intĂ©rĂȘt OLO, majorĂ© de quinze points de base conformĂ©ment Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, sur lequel la subvention-utilisation du projet est basĂ©e ;
2° (B) = le pourcentage d'intĂ©rĂȘt moyen positif pour le montant financĂ© par l'AutoritĂ© flamande pour tous les paiements uniques de subventions au cours de l'annĂ©e du montant unique de la subvention pour le projet.
1° (A) = le pourcentage d'intĂ©rĂȘt, Ă savoir le taux d'intĂ©rĂȘt OLO, majorĂ© de quinze points de base conformĂ©ment Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, sur lequel la subvention-utilisation du projet est basĂ©e ;
2° (B) = le pourcentage d'intĂ©rĂȘt moyen positif pour le montant financĂ© par l'AutoritĂ© flamande pour tous les paiements uniques de subventions au cours de l'annĂ©e du montant unique de la subvention pour le projet.
Afdeling 4. - Tijdstip van en voorwaarden voor de uitbetaling
Section 4. - Moment et conditions du paiement
Art. 6. § 1. Als de gebruikstoelage dient als rechtstreekse bijdrage in de kostprijs, kunnen de eenmalige subsidiebetaling en de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten op zijn vroegst aangevraagd worden in het jaar na het jaar waarin de aanvrager het bevel heeft gegeven tot de aanvang van de werken, waarin hij de bestelling geplaatst heeft, of waarin de authentieke akte is verleden in geval van aankoop zonder verbouwing bij een lokaal dienstencentrum, een regionaal dienstencentrum of een dagverzorgingscentrum.
Als de gebruikstoelage dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs, kunnen de eenmalige subsidiebetaling en de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten op zijn vroegst aangevraagd worden in het jaar waarin de aanvrager de betreffende infrastructuur, of een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname, in gebruik heeft genomen.
§ 2. De aanvragers kunnen alleen in 2015 aanspraak maken op de eenmalige subsidiebetaling en de tegemoetkoming in de verbrekingskosten, behalve als:
1° tot en met 2015 nog geen enkele gebruikstoelage is uitbetaald;
2° een verplicht af te lossen lening als vermeld in artikel 8, met variabele intrestvoet na 2015 op renteherzieningsdatum komt.
In de uitzonderingsgevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan de uitbetaling na 2015 plaatsvinden.
Bij verplichte uitbetaling in 2015 dient de aanvrager zijn aanvraag in vóór 1 oktober 2015. Bij betaling na 2015 wordt de interesse voor de vervroegde uitbetaling vóór 1 oktober 2015 aan het Fonds gemeld.
§ 3. In het jaar van de aanvraag van de eenmalige subsidiebetaling en de tegemoetkoming in de verbrekingskosten kan er naar rato van het deel van de investeringssubsidie dat eenmalig wordt uitbetaald, geen gebruikstoelage worden uitbetaald.
§ 4. De eenmalige subsidiebetaling is alleen mogelijk als het intrestpercentage in de gebruikstoelage, dat is de OLO-intrestvoet, verhoogd met vijftien basispunten conform artikel 12 van het besluit van 18 maart 2011, hoger ligt dan het gemiddelde intrestpercentage van het bedrag dat de Vlaamse overheid moet financieren voor alle eenmalige subsidiebetalingen in het jaar van de aanvraag.
§ 5. Als er voor het project nog geen gebruikstoelage is uitbetaald, zal de aanvrager ook de bepalingen moeten naleven, zoals bij de aanvraag van de eerste gebruikstoelage, naargelang het geval, vermeld in artikel 34 tot en met 37 van het besluit van 18 maart 2011, of in artikel 63 tot en met 66 van het voormelde besluit.
§ 6. De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing over de eenmalige subsidiebetaling en de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten.
Als de gebruikstoelage dient als onrechtstreekse bijdrage in de kostprijs, kunnen de eenmalige subsidiebetaling en de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten op zijn vroegst aangevraagd worden in het jaar waarin de aanvrager de betreffende infrastructuur, of een onderdeel ervan bij gefaseerde ingebruikname, in gebruik heeft genomen.
§ 2. De aanvragers kunnen alleen in 2015 aanspraak maken op de eenmalige subsidiebetaling en de tegemoetkoming in de verbrekingskosten, behalve als:
1° tot en met 2015 nog geen enkele gebruikstoelage is uitbetaald;
2° een verplicht af te lossen lening als vermeld in artikel 8, met variabele intrestvoet na 2015 op renteherzieningsdatum komt.
In de uitzonderingsgevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan de uitbetaling na 2015 plaatsvinden.
Bij verplichte uitbetaling in 2015 dient de aanvrager zijn aanvraag in vóór 1 oktober 2015. Bij betaling na 2015 wordt de interesse voor de vervroegde uitbetaling vóór 1 oktober 2015 aan het Fonds gemeld.
§ 3. In het jaar van de aanvraag van de eenmalige subsidiebetaling en de tegemoetkoming in de verbrekingskosten kan er naar rato van het deel van de investeringssubsidie dat eenmalig wordt uitbetaald, geen gebruikstoelage worden uitbetaald.
§ 4. De eenmalige subsidiebetaling is alleen mogelijk als het intrestpercentage in de gebruikstoelage, dat is de OLO-intrestvoet, verhoogd met vijftien basispunten conform artikel 12 van het besluit van 18 maart 2011, hoger ligt dan het gemiddelde intrestpercentage van het bedrag dat de Vlaamse overheid moet financieren voor alle eenmalige subsidiebetalingen in het jaar van de aanvraag.
§ 5. Als er voor het project nog geen gebruikstoelage is uitbetaald, zal de aanvrager ook de bepalingen moeten naleven, zoals bij de aanvraag van de eerste gebruikstoelage, naargelang het geval, vermeld in artikel 34 tot en met 37 van het besluit van 18 maart 2011, of in artikel 63 tot en met 66 van het voormelde besluit.
§ 6. De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing over de eenmalige subsidiebetaling en de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten.
Art. 6. § 1er. Si la subvention-utilisation sert de contribution directe dans le prix de revient, le paiement unique de la subvention et le paiement de l'intervention dans les frais de rĂ©siliation peuvent ĂȘtre demandĂ©s au plus tĂŽt au cours de l'annĂ©e suivant l'annĂ©e dans laquelle le demandeur donne l'ordre de commencement des travaux, dans laquelle il a placĂ© la commande, ou dans laquelle l'acte authentique est passĂ© en cas d'achat sans transformation auprĂšs d'un centre de services local, un centre de services rĂ©gional ou un centre de soins de jour.
Si la subvention-utilisation sert de contribution indirecte dans le prix de revient, le paiement unique de la subvention et le paiement de l'intervention dans les frais de rĂ©siliation peuvent ĂȘtre demandĂ©s au plus tĂŽt au cours de l'annĂ©e dans laquelle le demandeur a mis en service l'infrastructure concernĂ©e, ou une partie de celle-ci en cas de mise en service en phases.
§ 2. Uniquement en 2015, les demandeurs peuvent prétendre au paiement unique de la subvention et à l'intervention dans les frais de résiliation, sauf si :
1° aucune subvention-utilisation n'a encore été payée jusqu'à 2015 incluse ;
2° un prĂȘt Ă amortir obligatoirement tel que visĂ© Ă l'article 8, Ă taux d'intĂ©rĂȘt variable, atteint la date de rĂ©vision du taux d'intĂ©rĂȘt aprĂšs 2015.
Dans les cas d'exception, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 1° et 2°, le paiement peut ĂȘtre effectuĂ© aprĂšs 2015.
En cas de paiement obligatoire en 2015, le demandeur introduit sa demande avant le 1er octobre 2015. En cas de paiement aprĂšs 2015, l'intĂ©rĂȘt pour le paiement anticipĂ© est notifiĂ© au Fonds avant le 1er octobre 2015.
§ 3. Au cours de l'annĂ©e de la demande du paiement unique de la subvention et de l'intervention dans les frais de rĂ©siliation, aucune subvention-utilisation ne peut ĂȘtre payĂ©e au prorata de la partie de la subvention d'investissement qui est payĂ©e Ă titre unique.
§ 4. Le paiement unique de la subvention n'est possible que si le pourcentage d'intĂ©rĂȘt dans la subvention-utilisation, Ă savoir le taux d'intĂ©rĂȘt OLO, majorĂ© de quinze points de base conformĂ©ment Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, est supĂ©rieur au pourcentage d'intĂ©rĂȘt moyen du montant que l'AutoritĂ© flamande doit financer pour tous les paiements uniques de subventions au cours de l'annĂ©e de la demande.
§ 5. Si aucune subvention-utilisation n'a encore Ă©tĂ© payĂ©e pour le projet, le demandeur devra Ă©galement respecter les dispositions, comme lors de la demande de la premiĂšre subvention-utilisation, selon le cas, visĂ©e aux articles 34 Ă 37 inclus, de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, ou aux articles 63 Ă 66 inclus, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
§ 6. Le demandeur est informé de la décision sur le paiement unique de la subvention et le paiement de l'intervention dans les frais de résiliation.
Si la subvention-utilisation sert de contribution indirecte dans le prix de revient, le paiement unique de la subvention et le paiement de l'intervention dans les frais de rĂ©siliation peuvent ĂȘtre demandĂ©s au plus tĂŽt au cours de l'annĂ©e dans laquelle le demandeur a mis en service l'infrastructure concernĂ©e, ou une partie de celle-ci en cas de mise en service en phases.
§ 2. Uniquement en 2015, les demandeurs peuvent prétendre au paiement unique de la subvention et à l'intervention dans les frais de résiliation, sauf si :
1° aucune subvention-utilisation n'a encore été payée jusqu'à 2015 incluse ;
2° un prĂȘt Ă amortir obligatoirement tel que visĂ© Ă l'article 8, Ă taux d'intĂ©rĂȘt variable, atteint la date de rĂ©vision du taux d'intĂ©rĂȘt aprĂšs 2015.
Dans les cas d'exception, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 1° et 2°, le paiement peut ĂȘtre effectuĂ© aprĂšs 2015.
En cas de paiement obligatoire en 2015, le demandeur introduit sa demande avant le 1er octobre 2015. En cas de paiement aprĂšs 2015, l'intĂ©rĂȘt pour le paiement anticipĂ© est notifiĂ© au Fonds avant le 1er octobre 2015.
§ 3. Au cours de l'annĂ©e de la demande du paiement unique de la subvention et de l'intervention dans les frais de rĂ©siliation, aucune subvention-utilisation ne peut ĂȘtre payĂ©e au prorata de la partie de la subvention d'investissement qui est payĂ©e Ă titre unique.
§ 4. Le paiement unique de la subvention n'est possible que si le pourcentage d'intĂ©rĂȘt dans la subvention-utilisation, Ă savoir le taux d'intĂ©rĂȘt OLO, majorĂ© de quinze points de base conformĂ©ment Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, est supĂ©rieur au pourcentage d'intĂ©rĂȘt moyen du montant que l'AutoritĂ© flamande doit financer pour tous les paiements uniques de subventions au cours de l'annĂ©e de la demande.
§ 5. Si aucune subvention-utilisation n'a encore Ă©tĂ© payĂ©e pour le projet, le demandeur devra Ă©galement respecter les dispositions, comme lors de la demande de la premiĂšre subvention-utilisation, selon le cas, visĂ©e aux articles 34 Ă 37 inclus, de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, ou aux articles 63 Ă 66 inclus, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
§ 6. Le demandeur est informé de la décision sur le paiement unique de la subvention et le paiement de l'intervention dans les frais de résiliation.
HOOFDSTUK 4. - Bepalingen over leningen en waarborgen
CHAPITRE 4. - Dispositions relatives aux prĂȘts et garanties
Afdeling 1. - Toegestane leningen
Section 1. - PrĂȘts autorisĂ©s
Art. 7. Bij de keuze voor de eenmalige subsidiebetaling kan de aanvrager, met behoud van de toepassing van artikel 8, leningen aanhouden voor een bedrag van maximaal de optelsom van:
1° een deel van het bouwplafond;
2° het verschil tussen de werkelijke bouwkosten en het bouwplafond.
Het deel van het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, 1°, bedraagt:
a) voor publieke rechtspersonen of voor aanvragers met een principieel akkoord over de investeringswaarborg als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden: 40% voor niet-prioritaire investeringen en 90% voor prioritaire investeringen;
b) voor aanvragers met een principieel akkoord over de investeringswaarborg als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden:
1) voor voorzieningen met een maximaal gewaarborgd kapitaalgedeelte van 85% van het bouwplafond: 25% van het bouwplafond;
2) voor voorzieningen met een maximaal gewaarborgd kapitaalgedeelte van 75% van het bouwplafond: 15% van het bouwplafond voor niet-prioritaire investeringen en 65% voor prioritaire investeringen.
Prioritaire investeringen in de sector van de verzorgingsinstellingen zijn goedgekeurd op de desbetreffende Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van een bepaald jaar volgens het protocolakkoord Bouwkalender.
In geval van niet-prioritaire investeringen stemt het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, overeen met tien zesde van het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken of van het plaatsen van de bestelling, naargelang van de aard van de investering, conform het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen, of conform het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg, of conform het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap.
In geval van prioritaire investeringen stemt het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, overeen met tienmaal het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken of van het plaatsen van de bestelling, naargelang van de aard van de investering, conform het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen.
1° een deel van het bouwplafond;
2° het verschil tussen de werkelijke bouwkosten en het bouwplafond.
Het deel van het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, 1°, bedraagt:
a) voor publieke rechtspersonen of voor aanvragers met een principieel akkoord over de investeringswaarborg als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden: 40% voor niet-prioritaire investeringen en 90% voor prioritaire investeringen;
b) voor aanvragers met een principieel akkoord over de investeringswaarborg als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden:
1) voor voorzieningen met een maximaal gewaarborgd kapitaalgedeelte van 85% van het bouwplafond: 25% van het bouwplafond;
2) voor voorzieningen met een maximaal gewaarborgd kapitaalgedeelte van 75% van het bouwplafond: 15% van het bouwplafond voor niet-prioritaire investeringen en 65% voor prioritaire investeringen.
Prioritaire investeringen in de sector van de verzorgingsinstellingen zijn goedgekeurd op de desbetreffende Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van een bepaald jaar volgens het protocolakkoord Bouwkalender.
In geval van niet-prioritaire investeringen stemt het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, overeen met tien zesde van het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken of van het plaatsen van de bestelling, naargelang van de aard van de investering, conform het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen, of conform het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg, of conform het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de voorzieningen voor personen met een handicap.
In geval van prioritaire investeringen stemt het bouwplafond, vermeld in het eerste lid, overeen met tienmaal het totale bedrag dat wordt berekend en vastgesteld op de datum van het bevel tot aanvang van de werken of van het plaatsen van de bestelling, naargelang van de aard van de investering, conform het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de verzorgingsvoorzieningen.
Art. 7. Lors du choix pour le paiement unique de la subvention, le demandeur peut maintenir des prĂȘts, sous rĂ©serve de l'application de l'article 8, Ă concurrence d'un montant maximal qui Ă©gale la somme de :
1° une partie du plafond de construction ;
2° la différence entre le coût réel de construction et le plafond de construction.
La partie du plafond de construction, visé à l'alinéa premier, 1°, s'élÚve à :
a) pour des personnes morales de droit public ou pour des demandeurs disposant d'un accord de principe sur la garantie d'investissement telle que visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 rĂ©glant la garantie d'investissement alternative octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " : 40% pour des investissements non prioritaires, et 90% pour des investissements prioritaires ;
b) pour des demandeurs disposant d'un accord de principe sur la garantie d'investissement telle que visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables) :
1) pour des structures avec un principal garanti maximal de 85% du plafond de construction : 25% du plafond de construction ;
2) pour des structures avec un principal garanti maximal de 75% du plafond de construction : 15% du plafond de construction pour des investissements non prioritaires, et 65% pour des investissements prioritaires.
Des investissements prioritaires dans le secteur des établissements de soins sont approuvés à la Conférence interministérielle 'Santé Publique' concernée d'une certaine année suivant le protocole d'accord du Calendrier Construction.
En cas d'investissements non prioritaires, le plafond de construction, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, correspond Ă dix sixiĂšmes du montant total calculĂ© et fixĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins, ou conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinĂ©es aux personnes ĂągĂ©es et des structures de soins Ă domicile, ou conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es.
En cas d'investissements prioritaires, le plafond de construction, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, correspond Ă dix fois le montant total qui est calculĂ© et fixĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins.
1° une partie du plafond de construction ;
2° la différence entre le coût réel de construction et le plafond de construction.
La partie du plafond de construction, visé à l'alinéa premier, 1°, s'élÚve à :
a) pour des personnes morales de droit public ou pour des demandeurs disposant d'un accord de principe sur la garantie d'investissement telle que visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 rĂ©glant la garantie d'investissement alternative octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " : 40% pour des investissements non prioritaires, et 90% pour des investissements prioritaires ;
b) pour des demandeurs disposant d'un accord de principe sur la garantie d'investissement telle que visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables) :
1) pour des structures avec un principal garanti maximal de 85% du plafond de construction : 25% du plafond de construction ;
2) pour des structures avec un principal garanti maximal de 75% du plafond de construction : 15% du plafond de construction pour des investissements non prioritaires, et 65% pour des investissements prioritaires.
Des investissements prioritaires dans le secteur des établissements de soins sont approuvés à la Conférence interministérielle 'Santé Publique' concernée d'une certaine année suivant le protocole d'accord du Calendrier Construction.
En cas d'investissements non prioritaires, le plafond de construction, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, correspond Ă dix sixiĂšmes du montant total calculĂ© et fixĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins, ou conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 fixant la subvention globale d'investissement et les normes techniques de la construction pour des structures destinĂ©es aux personnes ĂągĂ©es et des structures de soins Ă domicile, ou conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juin 2009 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les structures destinĂ©es aux personnes handicapĂ©es.
En cas d'investissements prioritaires, le plafond de construction, visĂ© Ă l'alinĂ©a premier, correspond Ă dix fois le montant total qui est calculĂ© et fixĂ© Ă la date de l'ordre de commencement des travaux ou du placement de la commande, selon la nature de l'investissement, conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 fixant la subvention d'investissement et les normes techniques et physiques de la construction pour les Ă©tablissements de soins.
Afdeling 2. - Verplicht af te lossen leningen
Section 2. - PrĂȘt Ă amortir obligatoirement
Art. 8. Het leningsexcedent of het positieve verschil tussen het totale leningsbedrag voor het project en het bedrag aan toegestane leningen, vermeld in artikel 7, moet, behalve in geval van de toepassing van het derde, vierde of vijfde lid, door de aanvrager voor het openstaande kapitaalsaldo ineens afgelost worden. De aanvrager of de financier bezorgen de nodige bewijsstukken ter staving van de beëindiging van het leningscontract aan het Fonds.
Als de aanvrager geen publieke rechtspersoon is, stemt het af te lossen leningsexcedent overeen met het positieve verschil tussen het openstaande kapitaalsaldo van de door VIPA gewaarborgde leningen en het deel van het bouwplafond vermeld in artikel 7, tweede lid.
Als de aanvrager een publieke rechtspersoon is, kan de aflossing van het leningsexcedent voor het project vervangen worden door de aflossing van andere reeds aangegane leningen of door het niet-aangaan van geplande leningen. De publieke rechtspersoon kan dat staven aan de hand van de investeringen, vermeld in het meerjarenplan, en de financiering daarvan.
Als het af te lossen leningsexcedent minder bedraagt dan het bedrag van de volledige eenmalige subsidiebetaling, bestaat er geen verplichting tot de aflossing van leningen als de aanvrager kiest voor het bedrag van de volledige eenmalige subsidiebetaling, verminderd met het bedrag van de onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplichte aflossing.
Als de aanvrager geen publieke rechtspersoon is, stemt het af te lossen leningsexcedent overeen met het positieve verschil tussen het openstaande kapitaalsaldo van de door VIPA gewaarborgde leningen en het deel van het bouwplafond vermeld in artikel 7, tweede lid.
Als de aanvrager een publieke rechtspersoon is, kan de aflossing van het leningsexcedent voor het project vervangen worden door de aflossing van andere reeds aangegane leningen of door het niet-aangaan van geplande leningen. De publieke rechtspersoon kan dat staven aan de hand van de investeringen, vermeld in het meerjarenplan, en de financiering daarvan.
Als het af te lossen leningsexcedent minder bedraagt dan het bedrag van de volledige eenmalige subsidiebetaling, bestaat er geen verplichting tot de aflossing van leningen als de aanvrager kiest voor het bedrag van de volledige eenmalige subsidiebetaling, verminderd met het bedrag van de onder de volledige eenmalige subsidiebetaling verplichte aflossing.
Art. 8. L'excĂ©dent de prĂȘt ou la diffĂ©rence positive entre le montant de prĂȘt total pour le projet et le montant de prĂȘts autorisĂ©s, visĂ© Ă l'article 7, doit ĂȘtre amorti en une fois par le demandeur pour le solde de capital non rĂ©glĂ©, sauf en cas d'application de l'alinĂ©a trois, quatre ou cinq. Le demandeur ou le financier transmettent au Fonds les piĂšces justificatives nĂ©cessaires Ă titre de justification de la cessation du contrat de prĂȘt.
Si le demandeur n'est pas une personne morale de droit public, l'excĂ©dent de prĂȘt Ă amortir correspond Ă la diffĂ©rence positive entre le solde de capital non rĂ©glĂ© des prĂȘts garantis par le VIPA et la partie du plafond de construction visĂ©e Ă l'article 7, alinĂ©a deux.
Si le demandeur est une personne morale de droit public, l'amortissement de l'excĂ©dent de prĂȘt pour le projet peut ĂȘtre remplacĂ© par l'amortissement d'autres prĂȘts dĂ©jĂ contractĂ©s ou par la non contraction de prĂȘts prĂ©vus. La personne morale de droit public peut le justifier Ă l'aide des investissements, visĂ©s au plan pluriannuel, et leur financement.
Si l'excĂ©dent de prĂȘt Ă amortir est infĂ©rieur au montant du paiement unique total de la subvention, il n'existe pas d'obligation d'amortissement de prĂȘts si le demandeur choisit le montant du paiement unique total de la subvention, diminuĂ© du montant de l'amortissement obligatoire sous le paiement unique total de la subvention.
Si le demandeur n'est pas une personne morale de droit public, l'excĂ©dent de prĂȘt Ă amortir correspond Ă la diffĂ©rence positive entre le solde de capital non rĂ©glĂ© des prĂȘts garantis par le VIPA et la partie du plafond de construction visĂ©e Ă l'article 7, alinĂ©a deux.
Si le demandeur est une personne morale de droit public, l'amortissement de l'excĂ©dent de prĂȘt pour le projet peut ĂȘtre remplacĂ© par l'amortissement d'autres prĂȘts dĂ©jĂ contractĂ©s ou par la non contraction de prĂȘts prĂ©vus. La personne morale de droit public peut le justifier Ă l'aide des investissements, visĂ©s au plan pluriannuel, et leur financement.
Si l'excĂ©dent de prĂȘt Ă amortir est infĂ©rieur au montant du paiement unique total de la subvention, il n'existe pas d'obligation d'amortissement de prĂȘts si le demandeur choisit le montant du paiement unique total de la subvention, diminuĂ© du montant de l'amortissement obligatoire sous le paiement unique total de la subvention.
Afdeling 3. - Toekomstige waarborgen
Section 3. - Garanties futures
Art. 9. Een aanvrager die al beschikt over een principieel akkoord over de investeringswaarborg, kan verder leningscontracten laten waarborgen volgens het besluit van de Vlaamse Regering met toepassing waarvan het principiële akkoord over de investeringswaarborg is toegekend, maar beperkt tot het deel van het bouwplafond, vermeld in artikel 7, tweede lid.
Een aanvrager die nog niet beschikt over een principieel akkoord over de investeringswaarborg, kan leningscontracten laten waarborgen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, maar beperkt tot het deel van het bouwplafond, vermeld in artikel 7, tweede lid.
Een aanvrager die nog niet beschikt over een principieel akkoord over de investeringswaarborg, kan leningscontracten laten waarborgen conform het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 tot facilitering van de infrastructuurfinanciering via de alternatieve investeringswaarborg, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, maar beperkt tot het deel van het bouwplafond, vermeld in artikel 7, tweede lid.
Art. 9. Un demandeur qui dispose dĂ©jĂ d'un accord de principe sur la garantie d'investissement, peut ensuite faire garantir des contrats de prĂȘt selon l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand en application duquel l'accord de principe sur la garantie d'investissement est octroyĂ©, mais limitĂ©s Ă la partie du plafond de construction, visĂ©e Ă l'article 7, alinĂ©a deux.
Un demandeur qui ne dispose pas encore d'un accord de principe sur la garantie d'investissement, peut faire garantir des contrats de prĂȘt conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables), mais limitĂ©s Ă la partie du plafond de construction, visĂ©e Ă l'article 7, alinĂ©a deux.
Un demandeur qui ne dispose pas encore d'un accord de principe sur la garantie d'investissement, peut faire garantir des contrats de prĂȘt conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 facilitant le financement de l'infrastructure par le biais de la garantie d'investissement alternative, octroyĂ©e par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden " (Fonds flamand de l'Infrastructure affectĂ©e aux MatiĂšres personnalisables), mais limitĂ©s Ă la partie du plafond de construction, visĂ©e Ă l'article 7, alinĂ©a deux.
HOOFDSTUK 5. - Toezichtregeling en sancties
CHAPITRE 5. - ContrĂŽle et sanctions
Afdeling 1. - Toezichtregeling
Section 1. - ContrĂŽle
Art. 10. § 1. De bevoegde personeelsleden van de Vlaamse administratie, bevoegd voor het beleidsdomein waartoe het Fonds behoort, oefenen ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de bouwfysische, technische en kwalitatieve normen, en op het gebruik van de gebouwen. De aanvrager verleent zijn medewerking aan de uitoefening van het toezicht.
§ 2. De aanvrager houdt de nuttige stukken altijd ter beschikking voor inzage door de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, of hij bezorgt ze aan de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, op hun eenvoudig verzoek.
Onder de nuttige stukken, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan:
1° tijdens de uitvoering van de werken:
a) een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
b) de stedenbouwkundige vergunning;
c) een planning van de werkzaamheden;
d) een geactualiseerd programma van eisen, inclusief een nota over het beantwoorden aan de vooropgestelde criteria duurzaamheid;
e) een geactualiseerde raming;
f) een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
g) het gunningsdossier, dat bestaat uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen, alle biedingen, de verslagen van de controle van de biedingen, en de door de aanvrager gemotiveerde keuze van de aannemer of leverancier;
h) de bestekken;
i) het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
j) een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
2° na de ingebruikname van de infrastructuur:
a) een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
b) een overzicht van de uitvoering van de werkzaamheden en aanbestedingen;
c) een definitief programma van eisen, inclusief een nota over het beantwoorden aan de vooropgestelde criteria duurzaamheid;
d) een kostenevolutie en eindafrekening, inclusief een verklarende nota over de kostenevolutie;
e) een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
f) een gebruikersevaluatie van het project;
g) verbruiksgegevens van energie en water;
h) het gunningsdossier, dat bestaat uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen, alle biedingen, de verslagen van de controle van de biedingen, en de door de aanvrager gemotiveerde keuze van de aannemer of leverancier;
i) de asbuiltdossiers;
j) het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
k) een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.
In geval van een aankoop zonder verbouwing wordt, in afwijking van het tweede lid, onder de nuttige stukken, vermeld in het eerste lid, verstaan:
1° een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
2° een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
3° een gebruikersevaluatie van het project;
4° verbruiksgegevens van energie en water;
5° de asbuiltdossiers.
§ 3. De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de aanbesteding en de gunning, gedurende vijf jaar na de voorlopige oplevering of de eerste ingebruikname van de betreffende werken of leveringen te bewaren. Die documenten kunnen op elk moment worden gecontroleerd.
§ 4. Minstens één keer tijdens de uitvoering van de werken en twee jaar na de ingebruikname van de infrastructuur wordt er een controle ter plaatse uitgevoerd.
In geval van een aankoop zonder verbouwing wordt er, in afwijking van het eerste lid, een jaar na de ingebruikname van de infrastructuur en drie jaar na de ingebruikname van de infrastructuur een controle ter plaatse uitgevoerd.
§ 5. De aanvrager brengt het Fonds op de hoogte van de ingebruikname van de infrastructuur.
§ 6. De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van het besluit van 18 maart 2011, te bezorgen aan het Fonds als dat erom verzoekt.
De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de verplichte aflossing van leningen, te bezorgen aan het Fonds als dat erom verzoekt.
Een aanvrager met nog een gewaarborgde lening zal:
1° jaarlijks en voor de duur van de gewaarborgde lening een kopie van zijn laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening aan het Fonds bezorgen als hij geen jaarrekening neerlegt bij de Nationale Bank van België;
2° op het eerste schriftelijke verzoek van het Fonds een geactualiseerd overzicht bezorgen van de uitstaande bedragen in hoofdsom, de interesten, de kosten en andere vergoedingen van zowel de directe kredieten als van de leaseovereenkomsten, andere leningsovereenkomsten en overeenkomsten met het effect van een financiering.
§ 2. De aanvrager houdt de nuttige stukken altijd ter beschikking voor inzage door de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, of hij bezorgt ze aan de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, op hun eenvoudig verzoek.
Onder de nuttige stukken, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan:
1° tijdens de uitvoering van de werken:
a) een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
b) de stedenbouwkundige vergunning;
c) een planning van de werkzaamheden;
d) een geactualiseerd programma van eisen, inclusief een nota over het beantwoorden aan de vooropgestelde criteria duurzaamheid;
e) een geactualiseerde raming;
f) een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
g) het gunningsdossier, dat bestaat uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen, alle biedingen, de verslagen van de controle van de biedingen, en de door de aanvrager gemotiveerde keuze van de aannemer of leverancier;
h) de bestekken;
i) het proces-verbaal van voorlopige oplevering;
j) een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren;
2° na de ingebruikname van de infrastructuur:
a) een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
b) een overzicht van de uitvoering van de werkzaamheden en aanbestedingen;
c) een definitief programma van eisen, inclusief een nota over het beantwoorden aan de vooropgestelde criteria duurzaamheid;
d) een kostenevolutie en eindafrekening, inclusief een verklarende nota over de kostenevolutie;
e) een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
f) een gebruikersevaluatie van het project;
g) verbruiksgegevens van energie en water;
h) het gunningsdossier, dat bestaat uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen, alle biedingen, de verslagen van de controle van de biedingen, en de door de aanvrager gemotiveerde keuze van de aannemer of leverancier;
i) de asbuiltdossiers;
j) het proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering;
k) een bewijs van betaling van het kunstwerk of de kunstwerken in geval van toepassing van de regelgeving houdende integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.
In geval van een aankoop zonder verbouwing wordt, in afwijking van het tweede lid, onder de nuttige stukken, vermeld in het eerste lid, verstaan:
1° een verslag van de aanvrager over het functionele, architecturale en bouwtechnische concept met een overzicht van alle wijzigingen ten opzichte van het principiële akkoord;
2° een of meer documenten ter staving van de EPB-verplichtingen;
3° een gebruikersevaluatie van het project;
4° verbruiksgegevens van energie en water;
5° de asbuiltdossiers.
§ 3. De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de aanbesteding en de gunning, gedurende vijf jaar na de voorlopige oplevering of de eerste ingebruikname van de betreffende werken of leveringen te bewaren. Die documenten kunnen op elk moment worden gecontroleerd.
§ 4. Minstens één keer tijdens de uitvoering van de werken en twee jaar na de ingebruikname van de infrastructuur wordt er een controle ter plaatse uitgevoerd.
In geval van een aankoop zonder verbouwing wordt er, in afwijking van het eerste lid, een jaar na de ingebruikname van de infrastructuur en drie jaar na de ingebruikname van de infrastructuur een controle ter plaatse uitgevoerd.
§ 5. De aanvrager brengt het Fonds op de hoogte van de ingebruikname van de infrastructuur.
§ 6. De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van het besluit van 18 maart 2011, te bezorgen aan het Fonds als dat erom verzoekt.
De aanvrager is verplicht alle documenten die verband houden met de verplichte aflossing van leningen, te bezorgen aan het Fonds als dat erom verzoekt.
Een aanvrager met nog een gewaarborgde lening zal:
1° jaarlijks en voor de duur van de gewaarborgde lening een kopie van zijn laatst goedgekeurde jaarrekening en, in voorkomend geval, van het verslag van de bedrijfsrevisor over de jaarrekening aan het Fonds bezorgen als hij geen jaarrekening neerlegt bij de Nationale Bank van België;
2° op het eerste schriftelijke verzoek van het Fonds een geactualiseerd overzicht bezorgen van de uitstaande bedragen in hoofdsom, de interesten, de kosten en andere vergoedingen van zowel de directe kredieten als van de leaseovereenkomsten, andere leningsovereenkomsten en overeenkomsten met het effect van een financiering.
Art. 10. § 1er. Les membres du personnel compétents de l'administration flamande compétente pour le domaine politique dont relÚve le Fonds, exercent sur place ou sur piÚces le contrÎle du respect des normes physiques et techniques de la construction, et qualitatives, ainsi que de l'usage des bùtiments. Le demandeur offre sa collaboration à l'exercice du contrÎle.
§ 2. Le demandeur tient les documents utiles à disposition pour consultation par les membres du personnel, visés à l'alinéa premier, ou il les transmet aux membres du personnel, visés à l'alinéa premier, sur simple demande.
Par les documents utiles, visés à l'alinéa premier, on entend :
1° pendant l'exécution des travaux :
a) un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
b) l'autorisation urbanistique ;
c) une planification des travaux ;
d) un programme actualisé d'exigences, y compris une note sur la réponse aux critÚres prévus en matiÚre de durabilité ;
e) une estimation actualisée ;
f) un ou plusieurs documents Ă titre de justification des obligations PEB ;
g) le dossier d'attribution, comprenant le procÚs-verbal de l'ouverture des inscriptions, toutes les offres, les rapports du contrÎle des offres, et le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
h) les cahiers des charges ;
i) le procÚs-verbal de la réception provisoire ;
j) une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relÚvent de la Communauté flamande ;
2° aprÚs la mise en service de l'infrastructure :
a) un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
b) un aperçu de l'exécution des travaux et des adjudications ;
c) un programme définitif d'exigences, y compris une note sur la réponse aux critÚres prévus en matiÚre de durabilité ;
d) une évolution des frais et un décompte final, y compris une notice explicative sur l'évolution des frais ;
e) un ou plusieurs documents Ă titre de justification des obligations PEB ;
f) une évaluation d'usagers du projet ;
g) des données de consommation d'énergie et d'eau ;
h) le dossier d'attribution, comprenant le procÚs-verbal de l'ouverture des inscriptions, toutes les offres, les rapports du contrÎle des offres, et le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
i) les dossiers " as-built " ;
j) le procÚs-verbal de réception provisoire ou définitive ;
k) une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relÚvent de la Communauté flamande.
En cas d'achat sans transformation, par dérogation à l'alinéa deux, on entend par les documents utiles, visés à l'alinéa premier :
1° un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
2° un ou plusieurs documents à titre de justification des obligations PEB ;
3° une évaluation d'usagers du projet ;
4° des données de consommation d'énergie et d'eau ;
5° les dossiers " as-built ".
§ 3. Le demandeur est obligĂ© de conserver tous les documents relatifs Ă l'adjudication et l'attribution pendant cinq ans aprĂšs la rĂ©ception provisoire ou la premiĂšre mise en service des travaux ou livraisons concernĂ©s. Ces documents peuvent ĂȘtre contrĂŽlĂ©s Ă tout moment.
§ 4. Au moins une fois pendant l'exécution des travaux et deux ans aprÚs la mise en service de l'infrastructure, un contrÎle sur place est effectué.
En cas d'achat sans transformation, par dérogation à l'alinéa premier, un contrÎle sur place est effectué un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure et trois ans aprÚs la mise en service de l'infrastructure.
§ 5. Le demandeur informe le Fonds de la mise en service de l'infrastructure.
§ 6. Le demandeur est obligĂ© de transmettre tous les documents ayant trait au lien de parentĂ©, visĂ© aux articles 3 et 4 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, au Fonds si ce dernier le demande.
Le demandeur est obligĂ© de transmettre tous les documents ayant trait Ă l'amortissement obligatoire de prĂȘts, au Fonds si ce dernier le demande.
Un demandeur ayant encore un prĂȘt garanti devra :
1° transmettre annuellement et pour la durĂ©e du prĂȘt garanti au Fonds, une copie des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels, s'il ne dĂ©pose pas de comptes annuelles auprĂšs de la Banque nationale de Belgique ;
2° sur la premiĂšre demande Ă©crite du Fonds, transmettre un aperçu actualisĂ© des montants dĂ»s en principal, des intĂ©rĂȘts, des coĂ»ts et autres indemnitĂ©s de tant les crĂ©dits directs que des contrats de leasing, d'autres contrats de prĂȘt et des contrats Ă effet de financement.
§ 2. Le demandeur tient les documents utiles à disposition pour consultation par les membres du personnel, visés à l'alinéa premier, ou il les transmet aux membres du personnel, visés à l'alinéa premier, sur simple demande.
Par les documents utiles, visés à l'alinéa premier, on entend :
1° pendant l'exécution des travaux :
a) un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
b) l'autorisation urbanistique ;
c) une planification des travaux ;
d) un programme actualisé d'exigences, y compris une note sur la réponse aux critÚres prévus en matiÚre de durabilité ;
e) une estimation actualisée ;
f) un ou plusieurs documents Ă titre de justification des obligations PEB ;
g) le dossier d'attribution, comprenant le procÚs-verbal de l'ouverture des inscriptions, toutes les offres, les rapports du contrÎle des offres, et le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
h) les cahiers des charges ;
i) le procÚs-verbal de la réception provisoire ;
j) une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relÚvent de la Communauté flamande ;
2° aprÚs la mise en service de l'infrastructure :
a) un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
b) un aperçu de l'exécution des travaux et des adjudications ;
c) un programme définitif d'exigences, y compris une note sur la réponse aux critÚres prévus en matiÚre de durabilité ;
d) une évolution des frais et un décompte final, y compris une notice explicative sur l'évolution des frais ;
e) un ou plusieurs documents Ă titre de justification des obligations PEB ;
f) une évaluation d'usagers du projet ;
g) des données de consommation d'énergie et d'eau ;
h) le dossier d'attribution, comprenant le procÚs-verbal de l'ouverture des inscriptions, toutes les offres, les rapports du contrÎle des offres, et le choix de l'entrepreneur ou du fournisseur, motivé par le demandeur ;
i) les dossiers " as-built " ;
j) le procÚs-verbal de réception provisoire ou définitive ;
k) une preuve du paiement de l'oeuvre d'art ou des oeuvres d'art en cas d'application de la réglementation relative à l'intégration d'oeuvres d'art dans les bùtiments des services publics et services y assimilés, et des établissements, associations et institutions qui relÚvent de la Communauté flamande.
En cas d'achat sans transformation, par dérogation à l'alinéa deux, on entend par les documents utiles, visés à l'alinéa premier :
1° un rapport du demandeur sur le concept fonctionnel, architectural et technique de la construction, avec un aperçu de toutes les modifications par rapport à l'accord de principe ;
2° un ou plusieurs documents à titre de justification des obligations PEB ;
3° une évaluation d'usagers du projet ;
4° des données de consommation d'énergie et d'eau ;
5° les dossiers " as-built ".
§ 3. Le demandeur est obligĂ© de conserver tous les documents relatifs Ă l'adjudication et l'attribution pendant cinq ans aprĂšs la rĂ©ception provisoire ou la premiĂšre mise en service des travaux ou livraisons concernĂ©s. Ces documents peuvent ĂȘtre contrĂŽlĂ©s Ă tout moment.
§ 4. Au moins une fois pendant l'exécution des travaux et deux ans aprÚs la mise en service de l'infrastructure, un contrÎle sur place est effectué.
En cas d'achat sans transformation, par dérogation à l'alinéa premier, un contrÎle sur place est effectué un an aprÚs la mise en service de l'infrastructure et trois ans aprÚs la mise en service de l'infrastructure.
§ 5. Le demandeur informe le Fonds de la mise en service de l'infrastructure.
§ 6. Le demandeur est obligĂ© de transmettre tous les documents ayant trait au lien de parentĂ©, visĂ© aux articles 3 et 4 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, au Fonds si ce dernier le demande.
Le demandeur est obligĂ© de transmettre tous les documents ayant trait Ă l'amortissement obligatoire de prĂȘts, au Fonds si ce dernier le demande.
Un demandeur ayant encore un prĂȘt garanti devra :
1° transmettre annuellement et pour la durĂ©e du prĂȘt garanti au Fonds, une copie des derniers comptes annuels approuvĂ©s et, le cas Ă©chĂ©ant, du rapport du rĂ©viseur d'entreprise sur les comptes annuels, s'il ne dĂ©pose pas de comptes annuelles auprĂšs de la Banque nationale de Belgique ;
2° sur la premiĂšre demande Ă©crite du Fonds, transmettre un aperçu actualisĂ© des montants dĂ»s en principal, des intĂ©rĂȘts, des coĂ»ts et autres indemnitĂ©s de tant les crĂ©dits directs que des contrats de leasing, d'autres contrats de prĂȘt et des contrats Ă effet de financement.
Art. 11.
Art. 11.
Afdeling 2. - Sancties
Section 2. - Sanctions
Art. 12. De eenmalige subsidiebetaling, de betaling van de tegemoetkoming in de verbrekingskosten en de verleende gebruikstoelagen worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof:
1° bij overtreding van de bepalingen van artikel 10 [1 ...]1, van dit besluit;
2° als de aanvrager niet meer voldoet aan de voorschriften van de ongeoorloofde verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van het besluit van 18 maart 2011, gedurende de periode van de resterende gebruikstoelagen, vermeld in artikel 4, vierde lid, van dit besluit;
3° als het betreffende project niet gerealiseerd wordt of niet leidt tot een uitbating binnen een redelijke uitvoeringstermijn;
4° als de aanvrager bij een bepaalde opdracht in het kader van dat project de principes van de wetgeving op de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten niet heeft gerespecteerd.
Bij de overtreding, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt het bedrag teruggevorderd naar rato van het aandeel van de betreffende opdracht waarvoor de wetgeving op de overheidsopdrachten niet is gerespecteerd in het geheel van het project.
[1 ...]1.
De investeringswaarborg vervalt van rechtswege als:
1° [1 ...]1;
2° de aanvrager een eenmalige subsidiebetaling heeft verkregen en niet voldaan heeft aan de verplichte aflossing van leningen, vermeld in artikel 8 van dit besluit.
1° bij overtreding van de bepalingen van artikel 10 [1 ...]1, van dit besluit;
2° als de aanvrager niet meer voldoet aan de voorschriften van de ongeoorloofde verwantschapsband, vermeld in artikel 3 en 4 van het besluit van 18 maart 2011, gedurende de periode van de resterende gebruikstoelagen, vermeld in artikel 4, vierde lid, van dit besluit;
3° als het betreffende project niet gerealiseerd wordt of niet leidt tot een uitbating binnen een redelijke uitvoeringstermijn;
4° als de aanvrager bij een bepaalde opdracht in het kader van dat project de principes van de wetgeving op de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten niet heeft gerespecteerd.
Bij de overtreding, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt het bedrag teruggevorderd naar rato van het aandeel van de betreffende opdracht waarvoor de wetgeving op de overheidsopdrachten niet is gerespecteerd in het geheel van het project.
[1 ...]1.
De investeringswaarborg vervalt van rechtswege als:
1° [1 ...]1;
2° de aanvrager een eenmalige subsidiebetaling heeft verkregen en niet voldaan heeft aan de verplichte aflossing van leningen, vermeld in artikel 8 van dit besluit.
Wijzigingen
Art. 12. Le paiement unique de la subvention, le paiement de l'intervention dans les frais de résiliation et les subventions-utilisation octroyées seront recouvrées conformément à l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrÎle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrÎle de la Cour des comptes :
1° en cas d'une infraction aux dispositions [1 de l'article 10]1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
2° si le demandeur ne rĂ©pond plus aux prescriptions de la parentĂ© illĂ©gitime, visĂ©es aux articles 3 et 4 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, pendant la pĂ©riode des subventions-utilisation restantes, visĂ©es Ă l'article 4, alinĂ©a quatre, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
3° si le projet concerné n'est pas réalisé ou n'aboutit pas à une exploitation dans un délai d'exécution raisonnable ;
4° si le demandeur n'a pas respecté, pour un marché déterminé dans le cadre de ce projet, les principes de la législation relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services.
En cas de l'infraction, visée à l'alinéa premier, 4°, le montant est recouvré au prorata de la partie du marché concerné pour lequel la législation relative aux marchés publics n'est pas respectée dans l'ensemble du projet.
[1 ...]1.
La garantie d'investissement échoit de plein droit si :
1° [1 ...]1;
2° le demandeur a obtenu un paiement unique de la subvention et n'a pas rempli l'amortissement obligatoire de prĂȘts, visĂ© Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
1° en cas d'une infraction aux dispositions [1 de l'article 10]1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
2° si le demandeur ne rĂ©pond plus aux prescriptions de la parentĂ© illĂ©gitime, visĂ©es aux articles 3 et 4 de l'arrĂȘtĂ© du 18 mars 2011, pendant la pĂ©riode des subventions-utilisation restantes, visĂ©es Ă l'article 4, alinĂ©a quatre, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
3° si le projet concerné n'est pas réalisé ou n'aboutit pas à une exploitation dans un délai d'exécution raisonnable ;
4° si le demandeur n'a pas respecté, pour un marché déterminé dans le cadre de ce projet, les principes de la législation relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services.
En cas de l'infraction, visée à l'alinéa premier, 4°, le montant est recouvré au prorata de la partie du marché concerné pour lequel la législation relative aux marchés publics n'est pas respectée dans l'ensemble du projet.
[1 ...]1.
La garantie d'investissement échoit de plein droit si :
1° [1 ...]1;
2° le demandeur a obtenu un paiement unique de la subvention et n'a pas rempli l'amortissement obligatoire de prĂȘts, visĂ© Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 6. - Besluit van de EU-Commissie van 20 december 2011
CHAPITRE 6. - Décision de la Commission UE du 20 décembre 2011
Art. 13. De investeringssubsidies, vermeld in dit besluit, worden toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Art. 13. Les subventions d'investissement, visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont octroyĂ©es dans le respect de la dĂ©cision 2012/21/UE de la Commission du 20 dĂ©cembre 2011 relative Ă l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyĂ©es Ă certaines entreprises chargĂ©es de la gestion de services d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique gĂ©nĂ©ral.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 14 september 2015.
Art. 14. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 14 septembre 2015.
Art. 15. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions et le Ministre flamand ayant la politique de santĂ© dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.