Artikel 1. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, worden een punt 47° en een punt 48° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "47° lokale toezichthouder: een gemeentelijke toezichthouder, een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging of een toezichthouder van een politiezone;
  48° lokale toezichthouder geluid: een gemeentelijke toezichthouder geluid, een toezichthouder geluid van een intergemeentelijke vereniging of een toezichthouder geluid van een politiezone.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu
Titre
3 JUILLET 2015. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant diverses dispositions de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement et modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 octobre 2014 relatif Ă la dĂ©signation des membres du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supĂ©rieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (66)
Texte (66)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
Article 1er. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, il est insĂ©rĂ© un point 47° et un point 48°, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " 47° fonctionnaire de surveillance local : un fonctionnaire de surveillance communal, un fonctionnaire de surveillance d'une association intercommunale ou un fonctionnaire de surveillance d'une zone de police ;
  48° fonctionnaire de surveillance acoustique local : un fonctionnaire de surveillance acoustique communal, un fonctionnaire de surveillance acoustique d'une association intercommunale ou un fonctionnaire de surveillance acoustique d'une zone de police. ".
  " 47° fonctionnaire de surveillance local : un fonctionnaire de surveillance communal, un fonctionnaire de surveillance d'une association intercommunale ou un fonctionnaire de surveillance d'une zone de police ;
  48° fonctionnaire de surveillance acoustique local : un fonctionnaire de surveillance acoustique communal, un fonctionnaire de surveillance acoustique d'une association intercommunale ou un fonctionnaire de surveillance acoustique d'une zone de police. ".
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;";
  2° er worden een punt 18° tot en met 23° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "18° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  19° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  20° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  21° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  22° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  23° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
  24° verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.".
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;";
  2° er worden een punt 18° tot en met 23° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "18° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;
  19° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  20° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  21° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  22° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  23° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;
  24° verordening (EU) nr. 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.".
Art. 2. A l'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 novembre 2010, 28 octobre 2011, 17 fĂ©vrier 2012 et 25 avril 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 7° est remplacé par la disposition suivante :
  " 7° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006 ; " ;
  2° il est ajouté les points 18° à 23° inclus, rédigés comme suit :
  " 18° le RÚglement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espÚces exotiques envahissantes ;
  19° le RÚglement (CE) n° 1497/2007 de la Commission du 18 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les systÚmes fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  20° le RÚglement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  21° le RÚglement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du rÚglement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrÎles vétérinaires effectués aux frontiÚres en vertu de cette directive ;
  22° le RÚglement (UE) N° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif au monitoring et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  23° le RÚglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RÚglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE ;
  24° le RÚglement (UE) n° 1357/2014 de la Commission du 18 décembre 2014 remplaçant l'annexe III de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil relative aux déchets et abrogeant certaines directives. ".
  1° le point 7° est remplacé par la disposition suivante :
  " 7° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006 ; " ;
  2° il est ajouté les points 18° à 23° inclus, rédigés comme suit :
  " 18° le RÚglement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espÚces exotiques envahissantes ;
  19° le RÚglement (CE) n° 1497/2007 de la Commission du 18 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les systÚmes fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  20° le RÚglement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  21° le RÚglement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du rÚglement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrÎles vétérinaires effectués aux frontiÚres en vertu de cette directive ;
  22° le RÚglement (UE) N° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif au monitoring et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  23° le RÚglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RÚglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE ;
  24° le RÚglement (UE) n° 1357/2014 de la Commission du 18 décembre 2014 remplaçant l'annexe III de la directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil relative aux déchets et abrogeant certaines directives. ".
Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 3. Dans l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, l'alinĂ©a deux est abrogĂ©.
Art. 4. Artikel 13 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 13. § 1. Provinciale en lokale toezichthouders moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving'.
  Provinciale toezichthouders geluid en lokale toezichthouders geluid moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid'.
  § 2. Om met toepassing van artikel 15 een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving' of een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid' te kunnen verkrijgen, moeten de provinciale en lokale toezichthouders de volgende vier certificaten behalen door de opleidingen te volgen en te slagen voor de bekwaamheidsproeven:
  1° het certificaat algemene beginselen milieuregelgeving;
  2° het certificaat theorie en praktijk milieuhandhaving;
  3° het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
  4° het certificaat kijkstage.
  In afwijking van het eerste lid hoeven de toezichthouders van de politiezones en de toezichthouders geluid van de politiezones het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing, vermeld in het eerste lid, 3°, niet te behalen.
  § 3. De opleidingen die gericht zijn op het behalen van de certificaten, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, hebben de volgende leerdoelen:
  1° opleiding algemene beginselen milieuregelgeving:
  a) onderscheid kunnen maken tussen de verschillende regelgevende niveaus en die kunnen situeren;
  b) de essentie van de toepasselijke regelgeving begrijpen;
  c) de instanties en hun bevoegdheden kennen;
  d) nuttige bronnen kunnen raadplegen;
  2° opleiding theorie en praktijk milieuhandhaving:
  a) goede kennis hebben van titel XVI van het decreet, van dit besluit en de toepassing ervan:
  1) de eigen bevoegdheden kennen;
  2) weten welke rechten en verplichtingen er zijn en die correct en verantwoord kunnen toepassen;
  3) weten welke handhavingsinstrumenten er ter beschikking zijn en kunnen afwegen welke wanneer ingezet moeten worden;
  4) handhavingsdocumenten correct en volledig kunnen opstellen;
  b) goede kennis hebben van de regelgeving waarvoor de toezichthouder bevoegd is:
  1) de regelgeving begrijpen en kunnen interpreteren;
  2) vergunningen begrijpen en kunnen interpreteren;
  3) monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses kunnen uitvoeren;
  4) meetresultaten correct kunnen interpreteren en aftoetsen aan de juiste normen;
  3° opleiding communicatievaardigheden en conflictbeheersing:
  a) beschikken over de vereiste schriftelijke en mondelinge communicatievaardigheden;
  b) praktijksituaties correct kunnen inschatten en beheersen;
  c) conflicten kunnen hanteren;
  4° opleiding kijkstage: inzicht hebben in de vereiste kennis, competenties en attitudes van een toezichthouder.
  § 4. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 12 uur;
  4° kijkstage: 12 uur.
  § 5. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders van de politiezones:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
  3° kijkstage: 12 uur.
  § 6. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders milieuhandhaving:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 42 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
  4° kijkstage: 6 uur.
  § 7. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders geluid, de gemeentelijke toezichthouders geluid en de toezichthouders geluid van de intergemeentelijke verenigingen:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
  4° kijkstage: 6 uur.
  § 8. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders geluid van de politiezones:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
  3° kijkstage: 6 uur.
  § 9. Om een certificaat te behalen, moeten de cursisten na het volgen van de toepasselijke opleiding slagen voor de bekwaamheidsproef door ten minste 50% van de punten te behalen.".
  "Art. 13. § 1. Provinciale en lokale toezichthouders moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving'.
  Provinciale toezichthouders geluid en lokale toezichthouders geluid moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid'.
  § 2. Om met toepassing van artikel 15 een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving' of een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid' te kunnen verkrijgen, moeten de provinciale en lokale toezichthouders de volgende vier certificaten behalen door de opleidingen te volgen en te slagen voor de bekwaamheidsproeven:
  1° het certificaat algemene beginselen milieuregelgeving;
  2° het certificaat theorie en praktijk milieuhandhaving;
  3° het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
  4° het certificaat kijkstage.
  In afwijking van het eerste lid hoeven de toezichthouders van de politiezones en de toezichthouders geluid van de politiezones het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing, vermeld in het eerste lid, 3°, niet te behalen.
  § 3. De opleidingen die gericht zijn op het behalen van de certificaten, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, hebben de volgende leerdoelen:
  1° opleiding algemene beginselen milieuregelgeving:
  a) onderscheid kunnen maken tussen de verschillende regelgevende niveaus en die kunnen situeren;
  b) de essentie van de toepasselijke regelgeving begrijpen;
  c) de instanties en hun bevoegdheden kennen;
  d) nuttige bronnen kunnen raadplegen;
  2° opleiding theorie en praktijk milieuhandhaving:
  a) goede kennis hebben van titel XVI van het decreet, van dit besluit en de toepassing ervan:
  1) de eigen bevoegdheden kennen;
  2) weten welke rechten en verplichtingen er zijn en die correct en verantwoord kunnen toepassen;
  3) weten welke handhavingsinstrumenten er ter beschikking zijn en kunnen afwegen welke wanneer ingezet moeten worden;
  4) handhavingsdocumenten correct en volledig kunnen opstellen;
  b) goede kennis hebben van de regelgeving waarvoor de toezichthouder bevoegd is:
  1) de regelgeving begrijpen en kunnen interpreteren;
  2) vergunningen begrijpen en kunnen interpreteren;
  3) monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses kunnen uitvoeren;
  4) meetresultaten correct kunnen interpreteren en aftoetsen aan de juiste normen;
  3° opleiding communicatievaardigheden en conflictbeheersing:
  a) beschikken over de vereiste schriftelijke en mondelinge communicatievaardigheden;
  b) praktijksituaties correct kunnen inschatten en beheersen;
  c) conflicten kunnen hanteren;
  4° opleiding kijkstage: inzicht hebben in de vereiste kennis, competenties en attitudes van een toezichthouder.
  § 4. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 12 uur;
  4° kijkstage: 12 uur.
  § 5. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders van de politiezones:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;
  3° kijkstage: 12 uur.
  § 6. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders milieuhandhaving:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 42 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
  4° kijkstage: 6 uur.
  § 7. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders geluid, de gemeentelijke toezichthouders geluid en de toezichthouders geluid van de intergemeentelijke verenigingen:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
  3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;
  4° kijkstage: 6 uur.
  § 8. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders geluid van de politiezones:
  1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;
  2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;
  3° kijkstage: 6 uur.
  § 9. Om een certificaat te behalen, moeten de cursisten na het volgen van de toepasselijke opleiding slagen voor de bekwaamheidsproef door ten minste 50% van de punten te behalen.".
Art. 4. L'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012, est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
  " Art. 13. § 1er. Les fonctionnaires de surveillance provinciaux et locaux doivent disposer d'un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance de maintien environnemental ".
  Les fonctionnaires de surveillance acoustique provinciaux et locaux doivent disposer d'un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance acoustique ".
  § 2. Pour obtenir, en application de l'article 15, un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance de maintien environnemental " ou un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance acoustique ", les fonctionnaires de surveillance provinciaux et locaux doivent obtenir les quatre certificats suivants en suivant les formations et en réussissant les épreuves de capacité :
  1° le certificat principes généraux de la réglementation environnementale ;
  2° le certificat théorie et pratique du maintien environnemental ;
  3° le certificat aptitudes en communication et gestion de conflits ;
  4° le certificat stage d'observation.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les fonctionnaires de surveillance des zones de police et les fonctionnaires de surveillance acoustique des zones de police ne doivent pas obtenir le certificat aptitudes en communication et gestion de conflits, visé à l'alinéa premier, 3°.
  § 3. Les formations axées sur l'obtention des certificats, visés au paragraphe 2, alinéa premier, ont les objectifs pédagogiques suivants :
  1° la formation en principes généraux de la réglementation environnementale :
  a) pouvoir faire une distinction entre les différents niveaux réglementaires et pouvoir les situer ;
  b) comprendre l'essence de la réglementation applicable ;
  c) connaßtre les instances et leurs compétences ;
  d) pouvoir consulter des sources utiles ;
  2° la formation en théorie et pratique du maintien environnemental :
  a) avoir une bonne connaissance du titre XVI du dĂ©cret, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et de leur application :
  1) connaßtre ses propres compétences ;
  2) connaßtre les droits et obligations, et pouvoir les appliquer correctement et raisonnablement ;
  3) savoir quels instruments de maintien sont disponibles et pouvoir estimer quand et quels instruments devront ĂȘtre engagĂ©s ;
  4) pouvoir établir des documents de maintien correctement et complÚtement ;
  b) avoir une bonne connaissance de la réglementation pour laquelle le fonctionnaire de surveillance est compétent :
  1) comprendre et pouvoir interpréter la réglementation ;
  2) comprendre et pouvoir interpréter des autorisations ;
  3) pouvoir exécuter des échantillonnages, des mesurages, des épreuves et des analyses ;
  4) pouvoir interpréter correctement les résultats de mesure et pouvoir les contrÎler par rapport aux normes correctes ;
  3° la formation en aptitudes en communication et gestion de conflits :
  a) disposer des aptitudes en communication écrite et orale requises ;
  b) pouvoir correctement estimer et gérer des situations pratiques ;
  c) pouvoir gérer des conflits ;
  4° la formation de stage d'observation : avoir une compréhension des connaissances, compétences et attitudes requises d'un fonctionnaire de surveillance.
  § 4. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance communaux et les fonctionnaires de surveillance des associations intercommunales, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 90 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 12 heures ;
  4° stage d'observation : 12 heures.
  § 5. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance des zones de police, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 90 heures ;
  3° stage d'observation : 12 heures.
  § 6. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance provinciaux de maintien environnemental, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 42 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 6 heures ;
  4° stage d'observation : 6 heures.
  § 7. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance acoustique provinciaux et les fonctionnaires de surveillance acoustique des associations intercommunales, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 30 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 6 heures ;
  4° stage d'observation : 6 heures.
  § 8. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance acoustique des zones de police, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 30 heures ;
  3° stage d'observation : 6 heures.
  § 9. Pour obtenir un certificat, les participants doivent réussir, aprÚs avoir suivi la formation applicable, l'épreuve de capacité en obtenant au moins 50% des points. ".
  " Art. 13. § 1er. Les fonctionnaires de surveillance provinciaux et locaux doivent disposer d'un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance de maintien environnemental ".
  Les fonctionnaires de surveillance acoustique provinciaux et locaux doivent disposer d'un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance acoustique ".
  § 2. Pour obtenir, en application de l'article 15, un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance de maintien environnemental " ou un certificat d'aptitude " fonctionnaire de surveillance acoustique ", les fonctionnaires de surveillance provinciaux et locaux doivent obtenir les quatre certificats suivants en suivant les formations et en réussissant les épreuves de capacité :
  1° le certificat principes généraux de la réglementation environnementale ;
  2° le certificat théorie et pratique du maintien environnemental ;
  3° le certificat aptitudes en communication et gestion de conflits ;
  4° le certificat stage d'observation.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les fonctionnaires de surveillance des zones de police et les fonctionnaires de surveillance acoustique des zones de police ne doivent pas obtenir le certificat aptitudes en communication et gestion de conflits, visé à l'alinéa premier, 3°.
  § 3. Les formations axées sur l'obtention des certificats, visés au paragraphe 2, alinéa premier, ont les objectifs pédagogiques suivants :
  1° la formation en principes généraux de la réglementation environnementale :
  a) pouvoir faire une distinction entre les différents niveaux réglementaires et pouvoir les situer ;
  b) comprendre l'essence de la réglementation applicable ;
  c) connaßtre les instances et leurs compétences ;
  d) pouvoir consulter des sources utiles ;
  2° la formation en théorie et pratique du maintien environnemental :
  a) avoir une bonne connaissance du titre XVI du dĂ©cret, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et de leur application :
  1) connaßtre ses propres compétences ;
  2) connaßtre les droits et obligations, et pouvoir les appliquer correctement et raisonnablement ;
  3) savoir quels instruments de maintien sont disponibles et pouvoir estimer quand et quels instruments devront ĂȘtre engagĂ©s ;
  4) pouvoir établir des documents de maintien correctement et complÚtement ;
  b) avoir une bonne connaissance de la réglementation pour laquelle le fonctionnaire de surveillance est compétent :
  1) comprendre et pouvoir interpréter la réglementation ;
  2) comprendre et pouvoir interpréter des autorisations ;
  3) pouvoir exécuter des échantillonnages, des mesurages, des épreuves et des analyses ;
  4) pouvoir interpréter correctement les résultats de mesure et pouvoir les contrÎler par rapport aux normes correctes ;
  3° la formation en aptitudes en communication et gestion de conflits :
  a) disposer des aptitudes en communication écrite et orale requises ;
  b) pouvoir correctement estimer et gérer des situations pratiques ;
  c) pouvoir gérer des conflits ;
  4° la formation de stage d'observation : avoir une compréhension des connaissances, compétences et attitudes requises d'un fonctionnaire de surveillance.
  § 4. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance communaux et les fonctionnaires de surveillance des associations intercommunales, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 90 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 12 heures ;
  4° stage d'observation : 12 heures.
  § 5. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance des zones de police, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 90 heures ;
  3° stage d'observation : 12 heures.
  § 6. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance provinciaux de maintien environnemental, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 42 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 6 heures ;
  4° stage d'observation : 6 heures.
  § 7. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance acoustique provinciaux et les fonctionnaires de surveillance acoustique des associations intercommunales, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 30 heures ;
  3° aptitudes en communication et gestion de conflits : 6 heures ;
  4° stage d'observation : 6 heures.
  § 8. Le nombre d'heures des formations, visées au paragraphe 2, alinéa premier, s'élÚve pour les fonctionnaires de surveillance acoustique des zones de police, à :
  1° principes généraux de la réglementation environnementale : 18 heures ;
  2° théorie et pratique du maintien environnemental : 30 heures ;
  3° stage d'observation : 6 heures.
  § 9. Pour obtenir un certificat, les participants doivent réussir, aprÚs avoir suivi la formation applicable, l'épreuve de capacité en obtenant au moins 50% des points. ".
Art. 5. In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011 en 7 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede en vierde lid, en § 2, tweede en vierde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 2, eerste lid,";
  2° in paragraaf 2, 1°, wordt de zinsnede "beginselen, vermeld in artikel 13, § 1, tweede lid, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die beginselen" vervangen door de zinsnede "leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die leerdoelen";
  3° aan paragraaf 2 worden een punt 3° en een punt 4° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "3° over leerplannen beschikken die invulling geven aan de leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3;
  4° over een evaluatiemethode beschikken waarbij wordt nagegaan in hoeverre de in de leerplannen geformuleerde doelstellingen met betrekking tot kennis en vaardigheden behaald zijn.";
  4° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De instellingen, vermeld in paragraaf 1, moeten zich richten naar de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.";
  5° in paragraaf 3 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wijzigingen van de leerplannen en de evaluatiemethode, vermeld in paragraaf 2, punten 3° en 4°, worden voorafgaand ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede en vierde lid, en § 2, tweede en vierde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 2, eerste lid,";
  2° in paragraaf 2, 1°, wordt de zinsnede "beginselen, vermeld in artikel 13, § 1, tweede lid, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die beginselen" vervangen door de zinsnede "leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die leerdoelen";
  3° aan paragraaf 2 worden een punt 3° en een punt 4° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "3° over leerplannen beschikken die invulling geven aan de leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3;
  4° over een evaluatiemethode beschikken waarbij wordt nagegaan in hoeverre de in de leerplannen geformuleerde doelstellingen met betrekking tot kennis en vaardigheden behaald zijn.";
  4° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. De instellingen, vermeld in paragraaf 1, moeten zich richten naar de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen.";
  5° in paragraaf 3 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wijzigingen van de leerplannen en de evaluatiemethode, vermeld in paragraaf 2, punten 3° en 4°, worden voorafgaand ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
Art. 5. A l'article 14 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 28 octobre 2011 et 7 septembre 2012, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " à l'article 13, § 1er, alinéas deux et quatre, et au § 2, alinéas deux et quatre, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 13, § 2, alinéa premier, " ;
  2° dans le paragraphe 2, 1° le membre de phrase " les principes énoncés à l'article 13, § 1er, alinéa deux, soit au moins cinq ans d'expérience pratique avec ces principes " est remplacé par le membre de phrase " les objectifs pédagogiques, visés à l'article 13, § 3, soit au moins cinq ans d'expérience pratique avec ces objectifs pédagogiques " ;
  3° le paragraphe 2 est complété par un point 3° et un point 4°, rédigés comme suit :
  " 3° disposer de programmes d'études qui concrétisent les objectifs pédagogiques, visés à l'article 13, § 3 ;
  4° disposer d'une méthode d'évaluation qui examine la mesure dans laquelle les objectifs formulés dans les programmes d'études en ce qui concerne les connaissances et les aptitudes, sont atteints. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Les institutions, visées au paragraphe 1er, doivent se conformer aux instructions de la division, compétente pour les agréments. " ;
  5° dans le paragraphe 3, avant l'alinéa premier, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Des modifications des programmes d'études et de la méthode d'évaluation, visés au paragraphe 2, points 3° et 4°, sont soumises préalablement à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. ".
  1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " à l'article 13, § 1er, alinéas deux et quatre, et au § 2, alinéas deux et quatre, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 13, § 2, alinéa premier, " ;
  2° dans le paragraphe 2, 1° le membre de phrase " les principes énoncés à l'article 13, § 1er, alinéa deux, soit au moins cinq ans d'expérience pratique avec ces principes " est remplacé par le membre de phrase " les objectifs pédagogiques, visés à l'article 13, § 3, soit au moins cinq ans d'expérience pratique avec ces objectifs pédagogiques " ;
  3° le paragraphe 2 est complété par un point 3° et un point 4°, rédigés comme suit :
  " 3° disposer de programmes d'études qui concrétisent les objectifs pédagogiques, visés à l'article 13, § 3 ;
  4° disposer d'une méthode d'évaluation qui examine la mesure dans laquelle les objectifs formulés dans les programmes d'études en ce qui concerne les connaissances et les aptitudes, sont atteints. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Les institutions, visées au paragraphe 1er, doivent se conformer aux instructions de la division, compétente pour les agréments. " ;
  5° dans le paragraphe 3, avant l'alinéa premier, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Des modifications des programmes d'études et de la méthode d'évaluation, visés au paragraphe 2, points 3° et 4°, sont soumises préalablement à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. ".
Art. 6. In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011 en 7 september 2012, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De instelling, vermeld in artikel 14, § 1, levert de certificaten af aan de cursisten die de toepasselijke opleidingen, vermeld in artikel 13, § 2 tot en met § 8, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, vermeld in artikel 13, § 9. De certificaten worden, samen met het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, en een digitale pasfoto van de houder met een minimumgrootte van 20 mm op 30 mm met de post of digitaal bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
  "De instelling, vermeld in artikel 14, § 1, levert de certificaten af aan de cursisten die de toepasselijke opleidingen, vermeld in artikel 13, § 2 tot en met § 8, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, vermeld in artikel 13, § 9. De certificaten worden, samen met het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, en een digitale pasfoto van de houder met een minimumgrootte van 20 mm op 30 mm met de post of digitaal bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".
Art. 6. Dans l'article 15 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 28 octobre 2011 et 7 septembre 2012, l'alinĂ©a premier est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
  " L'institution, visée à l'article 14, § 1er, délivre les certificats aux participants qui ont suivi les formations applicables, visées à l'article 13, § 2 au § 8 inclus, et qui ont réussi l'épreuve de capacité, visée à l'article 13, § 9. Les certificats sont transmis, par la poste ou par voie électronique, à la division compétente pour les agréments, conjointement avec la décision de désignation de l'organe, visé à l'article 16.3.1, § 1er, 2°, 3°, 4° et 5°, du décret, et une photo d'identité numérique du titulaire d'au moins 20 mm sur 30 mm. ".
  " L'institution, visée à l'article 14, § 1er, délivre les certificats aux participants qui ont suivi les formations applicables, visées à l'article 13, § 2 au § 8 inclus, et qui ont réussi l'épreuve de capacité, visée à l'article 13, § 9. Les certificats sont transmis, par la poste ou par voie électronique, à la division compétente pour les agréments, conjointement avec la décision de désignation de l'organe, visé à l'article 16.3.1, § 1er, 2°, 3°, 4° et 5°, du décret, et une photo d'identité numérique du titulaire d'au moins 20 mm sur 30 mm. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, wordt een artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 15/1. In de gevallen, vermeld in artikel 16.3.4bis, eerste lid, van het decreet, wordt de melding gedaan met een brief of een e-mail aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van de wijzigingen.".
  "Art. 15/1. In de gevallen, vermeld in artikel 16.3.4bis, eerste lid, van het decreet, wordt de melding gedaan met een brief of een e-mail aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van de wijzigingen.".
Art. 7. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2014, il est insĂ©rĂ© un article 15/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 15/1. Dans les cas, visés à l'article 16.3.4bis, alinéa premier, du décret, la notification se fait par lettre ou e-mail envoyé à la division compétente pour les agréments, dans les quinze jours suivant l'entrée en vigueur des modifications. ".
  " Art. 15/1. Dans les cas, visés à l'article 16.3.4bis, alinéa premier, du décret, la notification se fait par lettre ou e-mail envoyé à la division compétente pour les agréments, dans les quinze jours suivant l'entrée en vigueur des modifications. ".
Art. 8. In hoofdstuk V, afdeling I, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 7 september 2012, 1 maart 2013 en 25 april 2014, wordt het opschrift van onderafdeling II vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling II. Lokale toezichthouders".
  "Onderafdeling II. Lokale toezichthouders".
Art. 8. Dans le chapitre V, section I, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010, 28 octobre 2011, 17 fĂ©vrier 2012, 7 septembre 2012, 1er mars 2013 et 25 avril 2014, l'intitulĂ© de la sous-section II est remplacĂ© par l'intitulĂ© suivant :
  " Sous-section II. Fonctionnaires de surveillance locaux. "
  " Sous-section II. Fonctionnaires de surveillance locaux. "
Art. 9. In hoofdstuk V, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, wordt een rubriek A, die bestaat uit artikel 15/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "A. Bevoegdheid van lokale toezichthouders in een andere gemeente
  Art. 15/2. Een gemeente die met toepassing van artikel 16.3.5 van het decreet toestemming heeft gegeven aan een gemeentelijke toezichthouder van een aangrenzende gemeente of van een andere gemeente van de intergemeentelijke vereniging of politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, om toezicht uit te oefenen in de eigen gemeente, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, daarvan op de hoogte.".
  "A. Bevoegdheid van lokale toezichthouders in een andere gemeente
  Art. 15/2. Een gemeente die met toepassing van artikel 16.3.5 van het decreet toestemming heeft gegeven aan een gemeentelijke toezichthouder van een aangrenzende gemeente of van een andere gemeente van de intergemeentelijke vereniging of politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, om toezicht uit te oefenen in de eigen gemeente, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, daarvan op de hoogte.".
Art. 9. Dans le chapitre V, section I, sous-section II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010 et 25 avril 2014, il est insĂ©rĂ© une rubrique A, qui se compose de l'article 15/2, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " A. Compétence des fonctionnaires de surveillance locaux dans une autre commune
  Art. 15/2. Une commune qui a autorisé, en application de l'article 16.3.5 du décret, un fonctionnaire de surveillance communal d'une commune limitrophe ou d'une autre commune de l'association intercommunale ou de la zone de police dont la propre commune fait partie, à exercer la surveillance dans la propre commune, en informe la division compétente pour les agréments. ".
  " A. Compétence des fonctionnaires de surveillance locaux dans une autre commune
  Art. 15/2. Une commune qui a autorisé, en application de l'article 16.3.5 du décret, un fonctionnaire de surveillance communal d'une commune limitrophe ou d'une autre commune de l'association intercommunale ou de la zone de police dont la propre commune fait partie, à exercer la surveillance dans la propre commune, en informe la division compétente pour les agréments. ".
Art. 10. In hoofdstuk V, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, wordt het opschrift "A. Minimumaantal lokale toezichthouders" vervangen door het opschrift "A/1. Minimumaantal lokale toezichthouders".
Art. 10. Dans le chapitre V, section I, sous-section II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010 et 25 avril 2014, l'intitulĂ© " A. Nombre minimum de fonctionnaires de surveillance locaux " est remplacĂ© par l'intitulĂ© " A/1. Nombre minimal de fonctionnaires de surveillance locaux. "
Art. 11. In artikel 16, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "één toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone" vervangen door de woorden "één lokale toezichthouder";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "twee lokale toezichthouders".
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "één toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone" vervangen door de woorden "één lokale toezichthouder";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "twee lokale toezichthouders".
Art. 11. A l'article 16, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa premier, le membre de phrase " un fonctionnaire de surveillance, soit un fonctionnaire de surveillance communal, soit un fonctionnaire de surveillance d'une association intercommunale, soit un fonctionnaire de surveillance d'une zone de police " est remplacé par les mots " un fonctionnaire de surveillance local " ;
  2° dans l'alinéa deux, le membre de phrase " deux fonctionnaires de surveillance, soit des fonctionnaires de surveillance communaux, soit des fonctionnaires de surveillance d'associations intercommunales, soit des fonctionnaires de surveillance de zones de police " est remplacé par les mots " deux fonctionnaires de surveillance locaux ".
  1° dans l'alinéa premier, le membre de phrase " un fonctionnaire de surveillance, soit un fonctionnaire de surveillance communal, soit un fonctionnaire de surveillance d'une association intercommunale, soit un fonctionnaire de surveillance d'une zone de police " est remplacé par les mots " un fonctionnaire de surveillance local " ;
  2° dans l'alinéa deux, le membre de phrase " deux fonctionnaires de surveillance, soit des fonctionnaires de surveillance communaux, soit des fonctionnaires de surveillance d'associations intercommunales, soit des fonctionnaires de surveillance de zones de police " est remplacé par les mots " deux fonctionnaires de surveillance locaux ".
Art. 12. In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 15 juli 2011, 23 september 2011, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 15 maart 2013 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt:
  "13° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;";
  2° er worden een punt 25° tot en met 29° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "25° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  26° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  27° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  28° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  29° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG.".
  1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt:
  "13° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;";
  2° er worden een punt 25° tot en met 29° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "25° verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  26° verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat;
  27° verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
  28° verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
  29° verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG.".
Art. 12. A l'article 21 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010, 15 juillet 2011, 23 septembre 2011, 28 octobre 2011, 17 fĂ©vrier 2012, 15 mars 2013 et 25 avril 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 13° est remplacé par la disposition suivante :
  " 13° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006 ; " ;
  2° il est ajouté les points 25° à 29° inclus, rédigés comme suit :
  " 25° le RÚglement (CE) n° 1497/2007 de la Commission du 18 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les systÚmes fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  26° le RÚglement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  27° le RÚglement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du rÚglement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrÎles vétérinaires effectués aux frontiÚres en vertu de cette directive ;
  28° le RÚglement (UE) N° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif au monitoring et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  29° le RÚglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RÚglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE. ".
  1° le point 13° est remplacé par la disposition suivante :
  " 13° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006 ; " ;
  2° il est ajouté les points 25° à 29° inclus, rédigés comme suit :
  " 25° le RÚglement (CE) n° 1497/2007 de la Commission du 18 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les systÚmes fixes de protection contre l'incendie contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  26° le RÚglement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au rÚglement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrÎle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
  27° le RÚglement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du rÚglement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des rÚgles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrÎles vétérinaires effectués aux frontiÚres en vertu de cette directive ;
  28° le RÚglement (UE) N° 601/2012 de la Commission du 21 juin 2012 relatif au monitoring et à la déclaration des émissions de gaz à effet de serre au titre de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil ;
  29° le RÚglement (UE) n° 1257/2013 du Parlement européen et du Conseil du 20 novembre 2013 relatif au recyclage des navires et modifiant le RÚglement (CE) n° 1013/2006 et la Directive 2009/16/CE. ".
Art. 13. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, 19 november 2010 en 1 maart 2013, wordt punt 7° vervangen door wat volgt:
  "7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.".
  "7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.".
Art. 13. A l'article 23 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 septembre 2009, 19 novembre 2010 et 1er mars 2013, le point 7° est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 7° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006. ".
  " 7° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006. ".
Art. 14. Aan artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 15 maart 2013 en 25 april 2014, wordt een punt 16° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "16° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.".
  "16° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.".
Art. 14. L'article 25 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 novembre 2010, 15 mars 2013 et 25 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un point 16°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 16° le RÚglement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espÚces exotiques envahissantes. ".
  " 16° le RÚglement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espÚces exotiques envahissantes. ".
Art. 15. In artikel 33, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt de zinsnede "artikel 13, § 2, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede lid,".
Art. 15. Dans l'article 33, § 2, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012, le membre de phrase " l'article 13, § 2, alinĂ©a trois, " est remplacĂ© par le membre de phrase " l'article 13, § 1er, alinĂ©a deux, ".
Art. 16. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 7 september 2012 en 15 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "De gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "De lokale toezichthouders";
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede ", en voor wat hoofdstuk IIter betreft" toegevoegd;
  3° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 8° /1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° /1: Hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het VLAREM;";
  4° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.";
  5° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede lid,".
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "De gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "De lokale toezichthouders";
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede ", en voor wat hoofdstuk IIter betreft" toegevoegd;
  3° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 8° /1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° /1: Hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het VLAREM;";
  4° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.";
  5° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede lid,".
Art. 16. A l'article 34 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010, 28 octobre 2011, 17 fĂ©vrier 2012, 7 septembre 2012 et 15 mars 2013 sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le membre de phrase " Les fonctionnaires de surveillance communaux, les fonctionnaires de surveillance d'associations intercommunales et les fonctionnaires de surveillance de zones de police " est remplacé par les mots " Les fonctionnaires de surveillance locaux " ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, est complété par le membre de phrase " , et pour ce qui concerne le chapitre IIter " ;
  3° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par un point 8° /1, rédigé comme suit :
  " 8° /1 : Chapitre 6.3 de la partie 6 du titre II du VLAREM ; " ;
  4° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par un point 14°, rédigé comme suit :
  " 14° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006. " ;
  5° dans le paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " article 13, § 1er, alinéa trois, 6° " est remplacé par le membre de phrase " article 13, § 1er, alinéa deux, ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le membre de phrase " Les fonctionnaires de surveillance communaux, les fonctionnaires de surveillance d'associations intercommunales et les fonctionnaires de surveillance de zones de police " est remplacé par les mots " Les fonctionnaires de surveillance locaux " ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, est complété par le membre de phrase " , et pour ce qui concerne le chapitre IIter " ;
  3° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par un point 8° /1, rédigé comme suit :
  " 8° /1 : Chapitre 6.3 de la partie 6 du titre II du VLAREM ; " ;
  4° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par un point 14°, rédigé comme suit :
  " 14° le RÚglement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006. " ;
  5° dans le paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " article 13, § 1er, alinéa trois, 6° " est remplacé par le membre de phrase " article 13, § 1er, alinéa deux, ".
Art. 17. In artikel 35, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, eerste en derde lid, en § 2, eerste en derde lid" vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1 en artikel 19, tweede lid".
Art. 17. Dans l'article 35, alinĂ©a deux, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012, le membre de phrase " l'article 13, § 1er, alinĂ©as premier et trois, et § 2, alinĂ©as premier et trois " est remplacĂ© par le membre de phrase " l'article 13, § 1er, et l'article 19, alinĂ©a deux ".
Art. 18. In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, wordt het opschrift van onderafdeling IV vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling IV. Taakverdeling tussen lokale toezichthouders en gewestelijke toezichthouders".
  "Onderafdeling IV. Taakverdeling tussen lokale toezichthouders en gewestelijke toezichthouders".
Art. 18. Dans le chapitre V, section II, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2014, l'intitulĂ© de la sous-section IV est remplacĂ© par l'intitulĂ© suivant :
  " Sous-section IV. Répartition des tùches entre les fonctionnaires de surveillance locaux et les fonctionnaires de surveillance régionaux ".
  " Sous-section IV. Répartition des tùches entre les fonctionnaires de surveillance locaux et les fonctionnaires de surveillance régionaux ".
Art. 19. In artikel 54 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Voor de toezichthouder conform paragraaf 2 overgaat tot de uitvoering van metingen of beproevingen of van de ijking van meetapparatuur, nodigt hij de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die metingen of beproevingen of ijking bij te wonen.";
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Voor de toezichthouder conform paragraaf 2 overgaat tot de uitvoering van metingen of beproevingen of van de ijking van meetapparatuur, nodigt hij de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die metingen of beproevingen of ijking bij te wonen.";
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 19. A l'article 54 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Avant de procéder à la réalisation des mesurages ou essais ou à l'étalonnage des appareils de mesure conformément aux dispositions du § 2, le fonctionnaire de surveillance invitera l'exploitant ou son représentant sur place pour assister à ces mesurages ou essais ou à l'étalonnage. " ;
  2° le paragraphe 4 est abrogé.
  1° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Avant de procéder à la réalisation des mesurages ou essais ou à l'étalonnage des appareils de mesure conformément aux dispositions du § 2, le fonctionnaire de surveillance invitera l'exploitant ou son représentant sur place pour assister à ces mesurages ou essais ou à l'étalonnage. " ;
  2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 20. In artikel 58 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal is opgesteld. Daarin melden ze minstens de concrete locatie van het milieumisdrijf en, als die bekend is, de naam van vermoedelijke overtreder en de datum van de vaststelling.
  Voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, 2 en 3, wordt van elk proces-verbaal een kopie bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  Voor de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, wordt die melding gedaan aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur.
  De melding, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.";
  2° aan paragraaf 3 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° wegens het wijzigen van de vegetaties, vermeld in artikel 7, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, als ze gelegen zijn in een beschermd landschap, aan de afdeling Inspectie van het Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders";
  4° in paragraaf 5 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders".
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal is opgesteld. Daarin melden ze minstens de concrete locatie van het milieumisdrijf en, als die bekend is, de naam van vermoedelijke overtreder en de datum van de vaststelling.
  Voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, 2 en 3, wordt van elk proces-verbaal een kopie bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
  Voor de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, wordt die melding gedaan aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur.
  De melding, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.";
  2° aan paragraaf 3 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° wegens het wijzigen van de vegetaties, vermeld in artikel 7, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, als ze gelegen zijn in een beschermd landschap, aan de afdeling Inspectie van het Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders";
  4° in paragraaf 5 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders".
Art. 20. A l'article 58 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009, 19 novembre 2010 et 25 avril 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " § 2. Les fonctionnaires de surveillance notifient par écrit au collÚge des bourgmestre et échevins qu'un procÚs-verbal a été dressé. Ils y mentionnent au moins le lieu concret du délit environnemental et, le nom du contrevenant présumé, s'il est connu et la date de constatation.
  Pour les établissements classés conformément à l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM comme établissements de classe 1, 2 et 3, une copie de chaque procÚs-verbal est transmise à la division compétente pour les autorisations écologiques, et à la division compétente pour le maintien environnemental.
  Pour les entreprises qui relÚvent de l'accord de coopération du 21 juin 1999 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maßtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, cette notification s'effectue à la députation concernée et au gouverneur de province.
  La notification, visée aux alinéas premier et deux, s'effectue dans un délai de quatorze jours suivant la date de clÎture du procÚs-verbal. " ;
  2° le paragraphe 3 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° en raison de la modification des vĂ©gĂ©tations, visĂ©e Ă l'article 7, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, si elles se situent dans un paysage protĂ©gĂ©, Ă la division d'Inspection de l'Agence d'Inspection de l'AmĂ©nagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier. " ;
  3° dans le paragraphe 4, les mots " les fonctionnaires de surveillance communaux et intercommunaux ainsi que les fonctionnaires de surveillance d'une zone de police " sont remplacés par les mots " les fonctionnaires de surveillance locaux " ;
  4° dans le paragraphe 5, les mots " les fonctionnaires de surveillance communaux et intercommunaux ainsi que les fonctionnaires de surveillance d'une zone de police " sont remplacés par les mots " les fonctionnaires de surveillance locaux ".
  1° le paragraphe 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " § 2. Les fonctionnaires de surveillance notifient par écrit au collÚge des bourgmestre et échevins qu'un procÚs-verbal a été dressé. Ils y mentionnent au moins le lieu concret du délit environnemental et, le nom du contrevenant présumé, s'il est connu et la date de constatation.
  Pour les établissements classés conformément à l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM comme établissements de classe 1, 2 et 3, une copie de chaque procÚs-verbal est transmise à la division compétente pour les autorisations écologiques, et à la division compétente pour le maintien environnemental.
  Pour les entreprises qui relÚvent de l'accord de coopération du 21 juin 1999 entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maßtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, cette notification s'effectue à la députation concernée et au gouverneur de province.
  La notification, visée aux alinéas premier et deux, s'effectue dans un délai de quatorze jours suivant la date de clÎture du procÚs-verbal. " ;
  2° le paragraphe 3 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° en raison de la modification des vĂ©gĂ©tations, visĂ©e Ă l'article 7, 4°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution du dĂ©cret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, si elles se situent dans un paysage protĂ©gĂ©, Ă la division d'Inspection de l'Agence d'Inspection de l'AmĂ©nagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier. " ;
  3° dans le paragraphe 4, les mots " les fonctionnaires de surveillance communaux et intercommunaux ainsi que les fonctionnaires de surveillance d'une zone de police " sont remplacés par les mots " les fonctionnaires de surveillance locaux " ;
  4° dans le paragraphe 5, les mots " les fonctionnaires de surveillance communaux et intercommunaux ainsi que les fonctionnaires de surveillance d'une zone de police " sont remplacés par les mots " les fonctionnaires de surveillance locaux ".
Art. 21. In artikel 60 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 en 25 april 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° er een overtreding is van artikel 2, of van hoofdstuk IIter van de wet Oppervlaktewateren;".
  "1° er een overtreding is van artikel 2, of van hoofdstuk IIter van de wet Oppervlaktewateren;".
Art. 21. A l'article 60 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012 du 25 avril 2014, le point 1° est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 1° il s'agit d'une violation de l'article 2, ou du chapitre IIter de la loi sur les Eaux de surface ; ".
  " 1° il s'agit d'une violation de l'article 2, ou du chapitre IIter de la loi sur les Eaux de surface ; ".
Art. 22. Artikel 61 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 en 23 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 61. § 1. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf dat de schending inhoudt van een milieuvoorwaarde voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, voor voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of voor voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen bij een GPBV-installatie als vermeld in artikel 1, 16°, van titel I van het VLAREM of in rubriek 59 van de indelingslijst van titel I van het VLAREM, manen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, de exploitant aan onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen opdat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  Als de exploitant geen gevolg geeft aan die aanmaning of als de door de exploitant genomen maatregelen ontoereikend zijn, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant alle passende aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  § 2. Als de schending van de milieuvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of als ze onmiddellijke en aanzienlijk nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant de exploitatie van de GPBV-installatie in kwestie of het deel ervan stop te zetten, zolang niet kan worden gegarandeerd dat aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  § 3. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 8 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)".
  "Art. 61. § 1. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf dat de schending inhoudt van een milieuvoorwaarde voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, voor voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of voor voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen bij een GPBV-installatie als vermeld in artikel 1, 16°, van titel I van het VLAREM of in rubriek 59 van de indelingslijst van titel I van het VLAREM, manen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, de exploitant aan onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen opdat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  Als de exploitant geen gevolg geeft aan die aanmaning of als de door de exploitant genomen maatregelen ontoereikend zijn, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant alle passende aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  § 2. Als de schending van de milieuvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of als ze onmiddellijke en aanzienlijk nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant de exploitatie van de GPBV-installatie in kwestie of het deel ervan stop te zetten, zolang niet kan worden gegarandeerd dat aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.
  § 3. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 8 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)".
Art. 22. L'article 61 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 juin 2013 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 25 avril 2014 et 23 mai 2014, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 61. § 1er. Lors de la constatation d'une infraction environnementale qui implique la violation d'une condition environnementale pour la prĂ©vention et rĂ©duction intĂ©grĂ©es de la pollution, pour la prĂ©vention et limitation des Ă©missions dans l'air, l'eau et le sol, ou pour la prĂ©vention de l'apparition de dĂ©chets pour une installation IPPC, visĂ©e Ă l'article 1er, 16°, du titre Ier du VLAREM ou dans la rubrique 59 de la liste de classification du titre Ier du VLAREM, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale en question, ordonnent Ă l'exploitant de prendre immĂ©diatement les mesures nĂ©cessaires afin de veiller Ă ce qu'il soit Ă nouveau satisfait dans les meilleurs dĂ©lais Ă la condition environnementale violĂ©e.
  Si l'exploitant ne donne pas suite Ă cette sommation ou si les mesures prises par l'exploitant sont insuffisantes, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale en question, ordonnent Ă l'exploitant, par dĂ©cision fixant les mesures administratives, visĂ©es Ă l'article 16.4.10 du dĂ©cret, de prendre toutes les mesures complĂ©mentaires appropriĂ©es afin de veiller Ă ce qu'il soit Ă nouveau satisfait Ă la condition environnementale violĂ©e.
  § 2. Si la violation des conditions environnementales, visĂ©e au paragraphe 1er, reprĂ©sente un danger direct pour la santĂ© humaine ou si elle menace d'avoir des consĂ©quences nĂ©fastes considĂ©rables pour l'environnement, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale concernĂ©e, ordonnent Ă l'exploitant, par dĂ©cision fixant les mesures administratives, visĂ©es Ă l'article 16.4.10 du dĂ©cret, d'arrĂȘter l'exploitation de l'installation IPPC en question ou de la partie concernĂ©e de l'installation en question, tant que le respect de la condition environnementale violĂ©e ne peut ĂȘtre garanti.
  § 3. Le présent article prévoit la transposition partielle de l'article 8 de la Directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution) ".
  " Art. 61. § 1er. Lors de la constatation d'une infraction environnementale qui implique la violation d'une condition environnementale pour la prĂ©vention et rĂ©duction intĂ©grĂ©es de la pollution, pour la prĂ©vention et limitation des Ă©missions dans l'air, l'eau et le sol, ou pour la prĂ©vention de l'apparition de dĂ©chets pour une installation IPPC, visĂ©e Ă l'article 1er, 16°, du titre Ier du VLAREM ou dans la rubrique 59 de la liste de classification du titre Ier du VLAREM, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale en question, ordonnent Ă l'exploitant de prendre immĂ©diatement les mesures nĂ©cessaires afin de veiller Ă ce qu'il soit Ă nouveau satisfait dans les meilleurs dĂ©lais Ă la condition environnementale violĂ©e.
  Si l'exploitant ne donne pas suite Ă cette sommation ou si les mesures prises par l'exploitant sont insuffisantes, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale en question, ordonnent Ă l'exploitant, par dĂ©cision fixant les mesures administratives, visĂ©es Ă l'article 16.4.10 du dĂ©cret, de prendre toutes les mesures complĂ©mentaires appropriĂ©es afin de veiller Ă ce qu'il soit Ă nouveau satisfait Ă la condition environnementale violĂ©e.
  § 2. Si la violation des conditions environnementales, visĂ©e au paragraphe 1er, reprĂ©sente un danger direct pour la santĂ© humaine ou si elle menace d'avoir des consĂ©quences nĂ©fastes considĂ©rables pour l'environnement, les fonctionnaires de surveillance, visĂ©s Ă l'article 12, 1° et 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dont la mission de surveillance comprend la surveillance de la condition environnementale concernĂ©e, ordonnent Ă l'exploitant, par dĂ©cision fixant les mesures administratives, visĂ©es Ă l'article 16.4.10 du dĂ©cret, d'arrĂȘter l'exploitation de l'installation IPPC en question ou de la partie concernĂ©e de l'installation en question, tant que le respect de la condition environnementale violĂ©e ne peut ĂȘtre garanti.
  § 3. Le présent article prévoit la transposition partielle de l'article 8 de la Directive 2010/75/UE du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relative aux émissions industrielles (prévention et réduction intégrées de la pollution) ".
Art. 23. In artikel 62, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd".
Art. 23. Dans l'article 62, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2011, les mots " le contrevenant prĂ©sumĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " celui vis-Ă -vis duquel les mesures administratives sont imposĂ©es ".
Art. 24. In artikel 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3 worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";
  2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";
  3° in paragraaf 4, vijfde lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen".
  1° in paragraaf 3 worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";
  2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";
  3° in paragraaf 4, vijfde lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen".
Art. 24. A l'article 63 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 avril 2009 et 25 avril 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 3, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  2° dans le paragraphe 4, alinéa premier, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  3° dans le paragraphe 4, alinéa cinq, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives ".
  1° dans le paragraphe 3, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  2° dans le paragraphe 4, alinéa premier, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  3° dans le paragraphe 4, alinéa cinq, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives ".
Art. 25. Artikel 64 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2011 en 28 oktober 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 64. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep tegen de beslissing, vermeld in artikel 16.4.18, § 4, van het decreet, ingesteld bij de minister binnen een termijn van veertien dagen na de verzending van de beslissing, vermeld in artikel 63, § 4, van dit besluit. Het beroep wordt ingesteld met een aangetekende brief naar of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het adres van het Departement, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel.".
  "Art. 64. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep tegen de beslissing, vermeld in artikel 16.4.18, § 4, van het decreet, ingesteld bij de minister binnen een termijn van veertien dagen na de verzending van de beslissing, vermeld in artikel 63, § 4, van dit besluit. Het beroep wordt ingesteld met een aangetekende brief naar of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het adres van het Departement, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel.".
Art. 25. L'article 64 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 novembre 2011 et 28 octobre 2011, est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
  " Art. 64. Sous peine d'irrecevabilité, le recours contre la décision, visé à l'article 16.4.18, § 4, du décret, est introduit dans un délai de quatorze jours suivant l'envoi de la décision, visée à l'article 63, § 4 auprÚs du ministre. Le recours est introduit par lettre recommandée ou par remise contre récépissé, à l'adresse du Département, Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 Brussel. ".
  " Art. 64. Sous peine d'irrecevabilité, le recours contre la décision, visé à l'article 16.4.18, § 4, du décret, est introduit dans un délai de quatorze jours suivant l'envoi de la décision, visée à l'article 63, § 4 auprÚs du ministre. Le recours est introduit par lettre recommandée ou par remise contre récépissé, à l'adresse du Département, Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 Brussel. ".
Art. 26. In artikel 66 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";
  3° in het vierde lid worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,".
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";
  3° in het vierde lid worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,".
Art. 26. A l'article 66 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2011, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa premier, 1°, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  2° dans l'alinéa premier, 2°, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  3° dans l'alinéa quatre, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives ".
  1° dans l'alinéa premier, 1°, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  2° dans l'alinéa premier, 2°, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives " ;
  3° dans l'alinéa quatre, les mots " le contrevenant présumé " sont remplacés par les mots " celui faisant l'objet de la demande d'imposition des mesures administratives ".
Art. 27. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 88 en 89, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012;
  2° artikel 90 en 91;
  3° artikel 91/1 en 91/2, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012.
  1° artikel 88 en 89, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012;
  2° artikel 90 en 91;
  3° artikel 91/1 en 91/2, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012.
Art. 27. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, les articles suivants sont abrogĂ©s :
  1° les articles 88 et 89, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012 ;
  2° les articles 90 et 91 ;
  3° les articles 91/1 et 91/2, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012.
  1° les articles 88 et 89, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012 ;
  2° les articles 90 et 91 ;
  3° les articles 91/1 et 91/2, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012.
Art. 28. Artikel 91/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 91/3. De instellingen die voor 1 januari 2013 erkend waren voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders, zijn vanaf 1 januari 2013 van rechtswege erkend voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders geluid. Zij leggen de leerplannen en evaluatiemethode, vermeld in artikel 14, § 2, punten 3° en 4°, ter goedkeuring voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen".
  "Art. 91/3. De instellingen die voor 1 januari 2013 erkend waren voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders, zijn vanaf 1 januari 2013 van rechtswege erkend voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders geluid. Zij leggen de leerplannen en evaluatiemethode, vermeld in artikel 14, § 2, punten 3° en 4°, ter goedkeuring voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen".
Art. 28. L'article 91/3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012, est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
  " Art. 91/3. Les établissements agréés avant le 1er janvier 2013 pour organiser la formation pour les fonctionnaires de surveillance locaux et provinciaux, sont agréés de plein droit à partir du 1er janvier 2013 pour organiser la formation pour les fonctionnaires de surveillance acoustique locaux et provinciaux. Ils soumettent les programmes d'études et la méthode d'évaluation, visés à l'article 14, § 2, points 3° et 4°, à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. ".
  " Art. 91/3. Les établissements agréés avant le 1er janvier 2013 pour organiser la formation pour les fonctionnaires de surveillance locaux et provinciaux, sont agréés de plein droit à partir du 1er janvier 2013 pour organiser la formation pour les fonctionnaires de surveillance acoustique locaux et provinciaux. Ils soumettent les programmes d'études et la méthode d'évaluation, visés à l'article 14, § 2, points 3° et 4°, à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. ".
Art. 29. Artikel 91/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt opgeheven.
Art. 29. L'article 91/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 septembre 2012, est abrogĂ©.
Art. 30. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, worden een artikel 91/5 tot en met 91/7 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Art. 91/5. Personen die voor 1 september 2015 gestart zijn met de opleiding lokale of provinciale toezichthouder of toezichthouder geluid, maar nog niet voor alle onderdelen de bekwaamheidsproef met gunstig gevolg hebben afgelegd, kunnen tot en met 1 september 2017 bij de instellingen, vermeld in artikel 14, § 1, een vrijstelling aanvragen voor de overeenkomstige certificaten, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid. De instellingen doen binnen dertig dagen een uitspraak over de aanvraag.
  Art. 91/6. Bekwaamheidsbewijzen die voor 1 september 2015 met toepassing van artikel 15 zijn verleend, overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op het moment van het verlenen van die bekwaamheidsbewijzen, blijven ook na 1 september 2015 geldig.
  Art. 91/7. De toezichthouders die op 1 september 2015 nog niet over het bekwaamheidsbewijs beschikken en die met gunstig resultaat de opleiding voor het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs voor lokale of provinciale toezichthouder of voor lokale of provinciale toezichthouder geluid, zoals van kracht op het moment van het volgen van de opleiding, hebben gevolgd, moeten, om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, het behaalde getuigschrift voorleggen aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  Het getuigschrift wordt samen met het aanstellingsbesluit van het bevoegde orgaan en, in voorkomend geval, met de verleende vrijstellingen van onderricht, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert conform artikel 15 het bekwaamheidsbewijs af.".
  "Art. 91/5. Personen die voor 1 september 2015 gestart zijn met de opleiding lokale of provinciale toezichthouder of toezichthouder geluid, maar nog niet voor alle onderdelen de bekwaamheidsproef met gunstig gevolg hebben afgelegd, kunnen tot en met 1 september 2017 bij de instellingen, vermeld in artikel 14, § 1, een vrijstelling aanvragen voor de overeenkomstige certificaten, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid. De instellingen doen binnen dertig dagen een uitspraak over de aanvraag.
  Art. 91/6. Bekwaamheidsbewijzen die voor 1 september 2015 met toepassing van artikel 15 zijn verleend, overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op het moment van het verlenen van die bekwaamheidsbewijzen, blijven ook na 1 september 2015 geldig.
  Art. 91/7. De toezichthouders die op 1 september 2015 nog niet over het bekwaamheidsbewijs beschikken en die met gunstig resultaat de opleiding voor het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs voor lokale of provinciale toezichthouder of voor lokale of provinciale toezichthouder geluid, zoals van kracht op het moment van het volgen van de opleiding, hebben gevolgd, moeten, om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, het behaalde getuigschrift voorleggen aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  Het getuigschrift wordt samen met het aanstellingsbesluit van het bevoegde orgaan en, in voorkomend geval, met de verleende vrijstellingen van onderricht, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
  De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert conform artikel 15 het bekwaamheidsbewijs af.".
Art. 30. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2014, sont insĂ©rĂ©s les articles 91/5 Ă 91/7 inclus, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Art. 91.5. Les personnes qui ont commencé la formation de fonctionnaire de surveillance ou fonctionnaire de surveillance acoustique local ou provincial avant le 1er septembre 2015, mais qui n'ont pas encore réussi toutes les parties de l'épreuve de capacité avec fruit, peuvent demander aux institutions, visées à l'article 14, § 1er, une dispense pour les certificats correspondants, visés à l'article 13, § 2, alinéa premier, jusqu'au 1er septembre 2017 inclus. Les institutions se prononcent sur la demande dans les trente jours.
  Art. 91.6. Les certificats d'aptitude qui sont octroyés avant le 1er septembre 2015 en application de l'article 15, conformément aux dispositions en vigueur au moment de l'octroi de ces certificats d'aptitude, restent valables également aprÚs le 1er septembre 2015.
  Art. 91.7. Les fonctionnaires de surveillance qui ne disposent pas encore du certificat d'aptitude le 1er septembre 2015 et qui ont suivi avec rĂ©sultat favorable la formation pour obtenir un certificat d'aptitude de fonctionnaire de surveillance local ou provincial ou de fonctionnaire de surveillance acoustique local ou provincial, tel qu'en vigueur au moment oĂč la formation est suivi, doivent prĂ©senter le certificat obtenu Ă la division compĂ©tente pour les agrĂ©ments afin d'obtenir le certificat d'aptitude.
  Le certificat, accompagnĂ© de l'arrĂȘtĂ© de dĂ©signation de l'organe compĂ©tent et, le cas Ă©chĂ©ant, des dispenses de cours accordĂ©es, est soumis Ă la division compĂ©tente pour les agrĂ©ments.
  La division compétente pour les agréments délivre le certificat d'aptitude conformément à l'article 15. ".
  " Art. 91.5. Les personnes qui ont commencé la formation de fonctionnaire de surveillance ou fonctionnaire de surveillance acoustique local ou provincial avant le 1er septembre 2015, mais qui n'ont pas encore réussi toutes les parties de l'épreuve de capacité avec fruit, peuvent demander aux institutions, visées à l'article 14, § 1er, une dispense pour les certificats correspondants, visés à l'article 13, § 2, alinéa premier, jusqu'au 1er septembre 2017 inclus. Les institutions se prononcent sur la demande dans les trente jours.
  Art. 91.6. Les certificats d'aptitude qui sont octroyés avant le 1er septembre 2015 en application de l'article 15, conformément aux dispositions en vigueur au moment de l'octroi de ces certificats d'aptitude, restent valables également aprÚs le 1er septembre 2015.
  Art. 91.7. Les fonctionnaires de surveillance qui ne disposent pas encore du certificat d'aptitude le 1er septembre 2015 et qui ont suivi avec rĂ©sultat favorable la formation pour obtenir un certificat d'aptitude de fonctionnaire de surveillance local ou provincial ou de fonctionnaire de surveillance acoustique local ou provincial, tel qu'en vigueur au moment oĂč la formation est suivi, doivent prĂ©senter le certificat obtenu Ă la division compĂ©tente pour les agrĂ©ments afin d'obtenir le certificat d'aptitude.
  Le certificat, accompagnĂ© de l'arrĂȘtĂ© de dĂ©signation de l'organe compĂ©tent et, le cas Ă©chĂ©ant, des dispenses de cours accordĂ©es, est soumis Ă la division compĂ©tente pour les agrĂ©ments.
  La division compétente pour les agréments délivre le certificat d'aptitude conformément à l'article 15. ".
Art. 31. Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 31. L'annexe Ire du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ©e par l'annexe 1, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 32. Bijlage III bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 32. L'annexe III du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 2, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 33. Bijlage VII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 33. L'annexe VII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 3, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 34. Bijlage X bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 34. L'annexe X du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 4, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 35. Bijlage XII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 35. L'annexe XII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 5, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 36. Bijlage XIII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 36. L'annexe XIII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 6, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 37. Bijlage XV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt vervangen door bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 37. L'annexe XV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, est remplacĂ©e par l'annexe 7, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 38. Bijlage XVI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 38. L'annexe XVI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, est remplacĂ©e par l'annexe 8, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 39. Bijlage XVII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 39. L'annexe XVII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, est remplacĂ©e par l'annexe 9, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 40. Bijlage XVIII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 40. L'annexe XVIII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, est remplacĂ©e par l'annexe 10, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 41. Bijlage XXII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 11, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 41. L'annexe XXII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 11, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 42. Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, wordt vervangen door bijlage 12, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 42. L'annexe XXIV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011, est remplacĂ©e par l'annexe 12, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 43. Bijlage XXIX bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 43. L'annexe XXIX du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 13, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 44. Bijlage XXXI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 44. L'annexe XXXI du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 14, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 45. Bijlage XXXIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
  Het opschrift van deze bijlage wordt vervangen door het opschrift "bijlage XXXII".
  Het opschrift van deze bijlage wordt vervangen door het opschrift "bijlage XXXII".
Art. 45. L'annexe XXXIV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est remplacĂ©e par l'annexe 15, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  L'intitulé de cette annexe est remplacé par l'intitulé " annexe XXXII ".
  L'intitulé de cette annexe est remplacé par l'intitulé " annexe XXXII ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 octobre 2014 relatif Ă la dĂ©signation des membres du Conseil supĂ©rieur flamand du Maintien environnemental
Art. 46. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3°, e), worden de woorden "diensthoofd handhaving mestbank en beheersovereenkomsten van de Vlaamse Landmaatschappij" vervangen door de zinsnede "diensthoofd handhaving Vlaamse Landmaatschappij - afdeling Mestbank";
  2° in punt 4°, a), worden de woorden "Inspectie RWO" vervangen door de woorden "Ruimte Vlaanderen".
  1° in punt 3°, e), worden de woorden "diensthoofd handhaving mestbank en beheersovereenkomsten van de Vlaamse Landmaatschappij" vervangen door de zinsnede "diensthoofd handhaving Vlaamse Landmaatschappij - afdeling Mestbank";
  2° in punt 4°, a), worden de woorden "Inspectie RWO" vervangen door de woorden "Ruimte Vlaanderen".
Art. 46. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 octobre 2014 relatif Ă la dĂ©signation des membres du Conseil supĂ©rieur flamand du Maintien environnemental, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans le point 3°, e), les mots " chef de service du maintien de la banque d'engrais et des contrats de gestion de la Société terrienne flamande " sont remplacés par le membre de phrase " chef de service du maintien de la Société terrienne flamande - division de la " Mestbank " " ;
  2° dans le point 4°, a), les mots " Inspection RWO " sont remplacés par les mots " Ruimte Vlaanderen (Département flamand de l'Aménagement du Territoire) ".
  1° dans le point 3°, e), les mots " chef de service du maintien de la banque d'engrais et des contrats de gestion de la Société terrienne flamande " sont remplacés par le membre de phrase " chef de service du maintien de la Société terrienne flamande - division de la " Mestbank " " ;
  2° dans le point 4°, a), les mots " Inspection RWO " sont remplacés par les mots " Ruimte Vlaanderen (Département flamand de l'Aménagement du Territoire) ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 47. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 47. Le Ministre flamand qui a l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions, le Ministre flamand qui a la rĂ©novation rurale et la conservation de la nature dans ses attributions et le Ministre flamand qui a les ressources naturelles dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage I. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage I. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N1. Annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe Ire. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article 1. Article unique. Le non-respect des obligations légales ci-aprÚs, visées au titre III du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est considéré comme une infraction environnementale :
  Annexe Ire. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article 1. Article unique. Le non-respect des obligations légales ci-aprÚs, visées au titre III du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, est considéré comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 3.2.1, § 4, tweede lid | Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling, voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant. |
| 3.2.2, § 2 | De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. |
| 3.2.2, § 3 | De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. |
| 3.2.3, § 3 | De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling. |
| 3.2.5, tweede lid | De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling. |
| Article | Obligation légale |
| 3.2.1, § 4, alinĂ©a deux | Lorsqu'il n'est pas portĂ© atteinte au bon accomplissement des tĂąches, avec l'assentiment de la division dĂ©signĂ©e par le Gouvernement flamand, un coordinateur environnemental peut ĂȘtre dĂ©signĂ© conjointement pour deux institutions ou plus, ou un appel peut ĂȘtre fait aux services d'une personne qui ne travaille pas pour l'exploitant. |
| 3.2.2, § 2 | Le coordinateur environnemental rend un avis sur tout investissement envisagĂ© qui peut ĂȘtre significatif sur le plan de l'environnement. Son avis est recueilli Ă temps et il est soumis Ă l'organe dĂ©cideur. |
| 3.2.2, § 3 | Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité de sécurité, d'hygiÚne et d'embellissement des lieux de travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. |
| 3.2.3, § 3 | L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division désignée par le Gouvernement flamand. |
| 3.2.5, alinéa deux | Sans préjudice des dispositions de l'article 3.2.3, § 3, l'exploitant désigne et remplace un coordinateur environnemental-employé, le destitue de sa fonction et désigne un remplaçant temporaire, aprÚs l'accord préalable du comité de sécurité, d'hygiÚne et d'embellissement des lieux de travail ou à défaut, de la représentation syndicale. En cas de désaccord permanent au sein du comité ou avec la représentation syndicale, l'avis de la division désignée par le Gouvernement flamand, est recueilli. |
Art. N2. Bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage III. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage III. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N2. Annexe III Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe III. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, est considéré comme une infraction environnementale :
  Annexe III. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, est considéré comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 27, § 1, eerste lid | Bij vaststelling van een gemengde bodemverontreiniging maakt de bodemsaneringsdeskundige naar alle redelijkheid een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging in een deel dat vóór 29 oktober 1995 en een deel dat na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is. |
| 28, § 2, eerste lid | Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
| 28, § 2, tweede lid | De resultaten van het oriënterend bodemonderzoek worden aan de OVAM meegedeeld binnen dertig dagen na het afsluiten ervan. |
| 28bis, tweede lid, eerste volzin | Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarin de aanvullende onderzoeksverrichtingen worden uitgevoerd en het verslag ervan bij haar wordt ingediend. |
| 29 | Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risicogrond. |
| 30 | In afwijking van artikel 29, 102 en 103 moet voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, enkel in de volgende gevallen een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd en de melding van overdracht gebeuren:   1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;   2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.   Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of desgevallend de gemandateerde. |
| 30bis | In de volgende gevallen moet voor een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars voor 31 december 2014:   1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;   2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de gedwongen mede-eigendom.   Bij afwezigheid van een vereniging van mede-eigenaars wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op initiatief en op kosten van de mede-eigenaars. |
| 32 | Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting. |
| 33, eerste volzin | De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uitvoeren. |
| 33bis, § 1 | Naar aanleiding van de aanvang van de exploitatie van de door de Vlaamse Regering aangewezen risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan wordt aan de OVAM bezorgd vóór de milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de risico-inrichting bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend. |
| 33bis, § 2 | Voor de risico-inrichtingen, vermeld in artikel 33bis, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, waarvoor op het moment van de aanvang van de exploitatie de onderzoeksplicht, vermeld in § 1, niet van toepassing was, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant eenmalig een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd.   De Vlaamse Regering bepaalt voor welke van die risico-inrichtingen het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan aan de OVAM wordt bezorgd vóór 7 januari 2014, en voor welke van die risico-inrichtingen die verplichtingen worden uitgevoerd vóór 7 juli 2015. |
| 34 | Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond. |
| 35, eerste lid | Als de OVAM van oordeel is dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bodemverontreiniging op een grond, kan ze de personen, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een oriënterend bodemonderzoek op de grond uit te voeren en het verslag ervan aan haar te bezorgen. |
| 38, § 2 | Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
| 44, tweede lid | Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
| 47, § 2 | Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk. |
| 67, § 3 | Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevaluatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
| 69, § 2 | Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. |
| 70, § 2, eerste volzin | Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM. |
| 78, tweede volzin | Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt. |
| 91, § 2, eerste volzin | Het individueel bodempreventie- en bodembeheersplan dat overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet worden opgesteld, bevat minstens een opgave van de maatregelen die diegene die de activiteit verricht, zal nemen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteit, vermeld in § 1. |
| 91, § 3, eerste vier volzinnen | De erkende bodemsaneringsorganisatie, vermeld in titel III, hoofdstuk VII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet voor degenen die er een beroep op doen voor het voldoen van de verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen. Een dergelijk sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten. Het algemene deel bevat minstens de algemene maatregelen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de in § 1 vermelde activiteit. Het individuele deel bevat de eventuele afwijkende of aanvullende maatregelen voor iedereen op wie deze paragraaf van toepassing is. |
| 96 | Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de activiteit waarvoor ze is opgericht:   1° het opmaken van een sectoraal bodempreventie-en bodembeheersplan overeenkomstig artikel 91, § 3, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;   2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks-en saneringsconcepten;   3° het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan diegenen die voor de vervulling van hun verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een beroep doen op de erkende bodemsaneringsorganisatie. |
| 97, § 2, eerste twee volzinnen | De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de beschrijvende bodemonderzoeken (...) waarvoor ze conform artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een overeenkomst heeft gesloten uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig § 1. |
| 101, § 1 | Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver. |
| 101, § 2 | De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest. |
| 101, § 3, eerste volzin | In alle akten betreffende de overdracht van gronden neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. |
| 101, § 3, tweede volzin | De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op. |
| 102, § 1, eerste volzin | Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM werd bezorgd. |
| 117 | In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk VIII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werden toegepast. |
| 122, § 1 | Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was. |
| 122, § 3, eerste volzin | De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting binnen de termijn, vermeld in artikel 122, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006. |
| 123, § 1 | Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond. De curator neemt het initiatief tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen na zijn vaststelling dat de gefailleerde eigenaar is van een risicogrond. |
| 124, § 1 | De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren. |
| 125, § 3 | Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
| 142, tweede lid | Een siteonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 44, tweede lid, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld. Bij gebrek aan een dergelijke standaardprocedure wordt het siteonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk. |
  1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;
  2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.
  Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of desgevallend de gemandateerde.30bis In de volgende gevallen moet voor een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars voor 31 december 2014:
  1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;
  2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de gedwongen mede-eigendom.
  Bij afwezigheid van een vereniging van mede-eigenaars wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op initiatief en op kosten van de mede-eigenaars.32 Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting.33, eerste volzin De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uitvoeren.33bis, § 1 Naar aanleiding van de aanvang van de exploitatie van de door de Vlaamse Regering aangewezen risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan wordt aan de OVAM bezorgd vóór de milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de risico-inrichting bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend.33bis, § 2 Voor de risico-inrichtingen, vermeld in artikel 33bis, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, waarvoor op het moment van de aanvang van de exploitatie de onderzoeksplicht, vermeld in § 1, niet van toepassing was, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant eenmalig een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd.
  De Vlaamse Regering bepaalt voor welke van die risico-inrichtingen het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan aan de OVAM wordt bezorgd vóór 7 januari 2014, en voor welke van die risico-inrichtingen die verplichtingen worden uitgevoerd vóór 7 juli 2015.34 Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond.35, eerste lid Als de OVAM van oordeel is dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bodemverontreiniging op een grond, kan ze de personen, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een oriënterend bodemonderzoek op de grond uit te voeren en het verslag ervan aan haar te bezorgen.38, § 2 Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.44, tweede lid Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.47, § 2 Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk.67, § 3 Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevaluatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.69, § 2 Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.70, § 2, eerste volzin Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.78, tweede volzin Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.91, § 2, eerste volzin Het individueel bodempreventie- en bodembeheersplan dat overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet worden opgesteld, bevat minstens een opgave van de maatregelen die diegene die de activiteit verricht, zal nemen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteit, vermeld in § 1.91, § 3, eerste vier volzinnen De erkende bodemsaneringsorganisatie, vermeld in titel III, hoofdstuk VII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet voor degenen die er een beroep op doen voor het voldoen van de verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen. Een dergelijk sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten. Het algemene deel bevat minstens de algemene maatregelen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de in § 1 vermelde activiteit. Het individuele deel bevat de eventuele afwijkende of aanvullende maatregelen voor iedereen op wie deze paragraaf van toepassing is.96 Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de activiteit waarvoor ze is opgericht:
  1° het opmaken van een sectoraal bodempreventie-en bodembeheersplan overeenkomstig artikel 91, § 3, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
  2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks-en saneringsconcepten;
  3° het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan diegenen die voor de vervulling van hun verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een beroep doen op de erkende bodemsaneringsorganisatie.97, § 2, eerste twee volzinnen De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de beschrijvende bodemonderzoeken (...) waarvoor ze conform artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een overeenkomst heeft gesloten uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig § 1.101, § 1 Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver.101, § 2 De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.101, § 3, eerste volzin In alle akten betreffende de overdracht van gronden neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest.101, § 3, tweede volzin De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.102, § 1, eerste volzin Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM werd bezorgd.117 In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk VIII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werden toegepast.122, § 1 Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.122, § 3, eerste volzin De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting binnen de termijn, vermeld in artikel 122, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.123, § 1 Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond. De curator neemt het initiatief tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen na zijn vaststelling dat de gefailleerde eigenaar is van een risicogrond.124, § 1 De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.125, § 3 Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.142, tweede lid Een siteonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 44, tweede lid, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld. Bij gebrek aan een dergelijke standaardprocedure wordt het siteonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.
| Article | Obligation légale |
| 27, § 1er, alinéa premier | En cas de constatation d'une pollution mixte du sol, l'expert en assainissement du sol procÚde raisonnablement à la distinction la plus précise possible de la pollution du sol entre une partie qui est apparue avant le 29 octobre 1995 et une partie qui est apparue aprÚs le 28 octobre 1995. |
| 28, § 2, alinéa premier | Une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance d'orientation du sol est effectuée selon un code de bonne pratique. |
| 28, § 2, deuxiÚme alinéa | Les résultats de la reconnaissance d'orientation du sol sont notifiés à l'OVAM dans les trente jours de son achÚvement. |
| 28bis, alinĂ©a deux, premiĂšre phrase | Lorsque l'OVAM impose des reconnaissances complĂ©mentaires, elle peut fixer un dĂ©lai dans lequel les reconnaissances complĂ©mentaires doivent ĂȘtre effectuĂ©es et le rapport y affĂ©rent introduit auprĂšs de l'OVAM. |
| 29 | Une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée à l'initiative et aux frais du cédant ou du mandataire pour la cession d'un terrain à risque. |
| 30 | Par dĂ©rogation aux articles 29, 102 et 103, le transfert d'une partie privative d'un immeuble relevant du rĂ©gime de copropriĂ©tĂ© forcĂ©e Ă©noncĂ©e Ă l'article 577-3 du Code civil, une reconnaissance descriptive du sol et l'avis de cession ne doit ĂȘtre effectuĂ© que dans les cas suivants :   1° dans cette partie privative une installation Ă risque est ou a Ă©tĂ© Ă©tablie;   2° dans les parties communes, une installation Ă risque est ou a Ă©tĂ© Ă©tablie qui n'est ou n'Ă©tait destinĂ©e qu'Ă cette partie privative.   La reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais du cĂ©dant ou, le cas Ă©chĂ©ant, du mandataire. |
| 30bis | Une reconnaissance d'orientation du sol d'un ensemble immobilier relevant du rĂ©gime de la copropriĂ©tĂ© forcĂ©e, prĂ©vu Ă l'article 577-3 du Code civil, doit ĂȘtre effectuĂ©e, avant le 31 dĂ©cembre 2014, Ă l'initiative et aux frais de l'association des copropriĂ©taires, dans les cas suivants :   1° avant que la copropriĂ©tĂ© forcĂ©e ne soit confĂ©rĂ©e, un Ă©tablissement Ă risque Ă©tait Ă©tabli sur le terrain sur lequel la copropriĂ©tĂ© forcĂ©e est confĂ©rĂ©e ;   2° un Ă©tablissement Ă risque destinĂ© Ă la copropriĂ©tĂ© forcĂ©e Ă©tait Ă©tabli dans les parties communes.   A dĂ©faut d'une association de copropriĂ©taires, la reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais des copropriĂ©taires. |
| 32 | Une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée à l'initiative et aux frais de l'exploitant à l'occasion de la fermeture d'un établissement à risque. |
| 33, premiĂšre phrase | Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter, par rĂšgle gĂ©nĂ©rale, que les exploitants de certaines catĂ©gories d'Ă©tablissements Ă risque doivent effectuer une reconnaissance d'orientation du sol Ă leur initiative et Ă leur frais, dans un dĂ©lai fixĂ© par lui et par la suite pĂ©riodiquement suivant la pĂ©riodicitĂ© imposĂ©e par lui. |
| 33bis, § 1er | A l'occasion du début de l'exploitation des établissements à risque désignés par le Gouvernement flamand qui sont soumis à l'obligation d'autorisation conformément à l'article 4, § 1er du décret sur l'autorisation écologique, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée à l'initiative et aux frais de l'exploitant. La reconnaissance d'orientation du sol est effectuée et le rapport y afférent est soumis à l'OVAM avant le dépÎt de la demande d'autorisation écologique pour l'exploitation de l'établissement à risque auprÚs de l'autorité délivrante. |
| 33bis, § 2 | Pour les établissements à risque, visés à l'article 33bis, § 1er du décret relatif au sol du 27 octobre 2006, pour lesquels au moment du début de l'exploitation, l'obligation de reconnaissance, visée au § 1er, n'était pas d'application, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée une seule fois à l'initiative et aux frais de l'exploitant.   Le Gouvernement flamand détermine pour quels établissements à risque la reconnaissance d'orientation du sol est effectuée et le rapport y afférent est soumis à l'OVAM avant le 7 janvier 2014, et pour lesquels de ces établissements à risque, ces obligations sont effectuées avant le 7 juillet 2015. |
| 34 | Si un commerçant ou une société qui est propriétaire d'un terrain à risque est déclaré en faillite, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée sur le terrain à risque à l'initiative du curateur. |
| 35, alinéa premier | Si l'OVAM estime qu'il y a des indications de la présence d'une pollution sérieuse du sol, elle peut obliger les personnes, visées à l'article 11 ou 22 du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, à effectuer une reconnaissance d'orientation du sol et de lui transmettre le rapport dans un délai déterminé. |
| 38, § 2 | Une reconnaissance descriptive du sol est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance descriptive du sol est effectuée selon un code de bonne pratique. |
| 44, alinéa deux | Une reconnaissance d'orientation et descriptive du sol est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance d'orientation et descriptive du sol est effectuée selon un code de bonne pratique. |
| 47, § 2 | Un projet d'assainissement du sol est établi sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, le projet d'assainissement du sol est établi selon un code de bonne pratique. |
| 67, § 3 | Une évaluation finale est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, l'évaluation finale est effectuée selon un code de bonne pratique. |
| 69, § 2 | Un expert en assainissement du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu du titre III du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, estime que la pollution du sol constitue un danger immédiat et que des mesures de sécurité sont requises, en fait notification motivée à l'OVAM sans délai. |
| 70, § 2, premiÚre phrase | Un expert en assainissement du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu du titre III du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, estime que des mesures de précaution sont requises, en fait notification motivée à l'OVAM sans délai. |
| 78, deuxiÚme phrase | Le rapport d'évaluation est transmis à l'autorité compétente et à l'OVAM. |
| 91, § 2, premiÚre phrase | Le plan individuel de prévention et de gestion du sol qui est établi conformément à l'article 91, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, contient au moins un relevé des mesures que prendra celui qui exerce l'activité en vue de la prévention et de la gestion de la pollution du sol qui résulte de l'activité visée au § 1er. |
| 91, § 3, quatre premiÚres phrases | L'organisation d'assainissement du sol agréée, mentionnée au titre III, chapitre VII, section II du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, doit établir un plan sectoriel de prévention et de gestion du sol pour ceux qui font appel à elle pour l'accomplissement de l'obligation mentionnée à l'article 91, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006. Un tel plan sectoriel de prévention et de gestion du sol doit comporter un volet général et un volet individuel. Le volet général comporte au moins les mesures générales visant à prévenir et à gérer la pollution du sol qui résulte de l'activité visée au § 1er. Le volet individuel contient les mesures dérogatoires ou complémentaires pour tous ceux qui sont régis par le présent paragraphe. |
| 96 | Une organisation d'assainissement du sol agréée a au moins les missions suivantes relatives à l'activité pour laquelle elle est créée :   1° l'établissement d'un plan sectoriel de prévention et de gestion du sol, conformément à l'article 91, § 3 du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006 ;   2° la stimulation et l'optimisation des concepts de recherche et d'assainissement ;   3° l'émission d'avis sur la prévention, la gestion, la reconnaissance du sol et l'assainissement du sol pollué ainsi que sur la préparation et le suivi des mesures de précaution à ceux qui font appel à l'organisation d'assainissement du sol agréée pour l'accomplissement de leur obligation mentionnée à l'article 91, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006. |
| 97, § 2, deux premiÚres phrases | L'organisation d'assainissement du sol agréée procÚde aux reconnaissances descriptives du sol (...) pour lesquelles elle a conclu une convention conformément à l'article 97, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, dans les délais repris dans le programme d'assainissement qui est transmis annuellement pour approbation à l'OVAM. Ce programme d'assainissement comprend au moins la liste et la priorité de tous les reconnaissances descriptives du sol et assainissements du sol auxquels l'organisation d'assainissement du sol agréée s'est engagée conformément au § 1er. |
| 101, § 1er | Pour la conclusion d'une convention relative à la cession de terrains, le cédant ou, le cas échéant, le mandataire, doit demander à l'OVAM une attestation du sol et communiquer son contenu à l'acquéreur. |
| 101, § 2 | L'acte sous seing privé relatif à la cession des terrains, reprend le contenu de l'attestation du sol. |
| 101, § 3, premiÚre phrase | Dans tous les actes relatifs à la cession de terrains, le fonctionnaire instrumentant enregistre la déclaration du cédant ou, le cas échéant, du mandataire que l'acquéreur a été mis au courant du contenu de l'attestation du sol avant la conclusion de la convention. |
| 101, § 3, deuxiÚme phrase | Le fonctionnaire instrumentant consigne également le contenu de l'attestation du sol dans l'acte. |
| 102, § 1er, premiĂšre phrase | Les terrains Ă risque ne peuvent ĂȘtre cĂ©dĂ©s que si une reconnaissance d'orientation du sol a Ă©tĂ© effectuĂ©e et si le rapport Ă ce sujet a Ă©tĂ© transmis Ă l'OVAM. |
| 117 | Dans l'acte portant cession des terrains, le fonctionnaire instrumentant mentionne que les dispositions du titre III, chapitre VIII, section II du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006 ont été appliquées. |
| 122, § 1er | Dans un dĂ©lai de nonante jours de la fermeture d'un Ă©tablissement Ă risque, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e sur le terrain oĂč l'Ă©tablissement est ou Ă©tait implantĂ©. |
| 122, § 3, premiÚre phrase | L'exploitant notifie la fermeture de l'établissement à risque à l'OVAM dans le délai, visé à l'article 122, § 1er, du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006. |
| 123, § 1er | Si un commerçant ou une société qui est propriétaire d'un terrain à risque est déclaré en faillite, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée sur le terrain à risque à l'initiative du curateur. Le curateur prend l'initiative de procéder à la reconnaissance d'orientation du sol dans un délai de soixante jours aprÚs sa constatation que le failli est le propriétaire d'un terrain à risque. |
| 124, § 1er | Le Gouvernement flamand dĂ©signe les sols aquatiques oĂč le gestionnaire doit effectuer, dans un dĂ©lai fixĂ© par le Gouvernement flamand, Ă son initiative et Ă ses frais, une reconnaissance du sol aquatique. |
| 125, § 3 | Une reconnaissance du sol aquatique est effectuée, sous la direction d'un expert en assainissement du sol, conformément à la procédure standard établie par le Gouvernement flamand. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance de sol aquatique est effectuée selon un code de bonne pratique. |
| 142, alinĂ©a deux | Une reconnaissance de site est effectuĂ©e sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformĂ©ment Ă la procĂ©dure standard, visĂ©e Ă l'article 44, deuxiĂšme alinĂ©a du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006, pour l'activitĂ© polluant le sol pour laquelle le site a Ă©tĂ© arrĂȘtĂ©. A dĂ©faut d'une pareille procĂ©dure standard, la reconnaissance descriptive du sol est effectuĂ©e selon un code de bonne pratique. |
  1° dans cette partie privative une installation à risque est ou a été établie;
  2° dans les parties communes, une installation à risque est ou a été établie qui n'est ou n'était destinée qu'à cette partie privative.
  La reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais du cĂ©dant ou, le cas Ă©chĂ©ant, du mandataire.30bis Une reconnaissance d'orientation du sol d'un ensemble immobilier relevant du rĂ©gime de la copropriĂ©tĂ© forcĂ©e, prĂ©vu Ă l'article 577-3 du Code civil, doit ĂȘtre effectuĂ©e, avant le 31 dĂ©cembre 2014, Ă l'initiative et aux frais de l'association des copropriĂ©taires, dans les cas suivants :
  1° avant que la copropriété forcée ne soit conférée, un établissement à risque était établi sur le terrain sur lequel la copropriété forcée est conférée ;
  2° un établissement à risque destiné à la copropriété forcée était établi dans les parties communes.
  A dĂ©faut d'une association de copropriĂ©taires, la reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais des copropriĂ©taires.32 Une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais de l'exploitant Ă l'occasion de la fermeture d'un Ă©tablissement Ă risque.33, premiĂšre phrase Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter, par rĂšgle gĂ©nĂ©rale, que les exploitants de certaines catĂ©gories d'Ă©tablissements Ă risque doivent effectuer une reconnaissance d'orientation du sol Ă leur initiative et Ă leur frais, dans un dĂ©lai fixĂ© par lui et par la suite pĂ©riodiquement suivant la pĂ©riodicitĂ© imposĂ©e par lui.33bis, § 1er A l'occasion du dĂ©but de l'exploitation des Ă©tablissements Ă risque dĂ©signĂ©s par le Gouvernement flamand qui sont soumis Ă l'obligation d'autorisation conformĂ©ment Ă l'article 4, § 1er du dĂ©cret sur l'autorisation Ă©cologique, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e Ă l'initiative et aux frais de l'exploitant. La reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e et le rapport y affĂ©rent est soumis Ă l'OVAM avant le dĂ©pĂŽt de la demande d'autorisation Ă©cologique pour l'exploitation de l'Ă©tablissement Ă risque auprĂšs de l'autoritĂ© dĂ©livrante.33bis, § 2 Pour les Ă©tablissements Ă risque, visĂ©s Ă l'article 33bis, § 1er du dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006, pour lesquels au moment du dĂ©but de l'exploitation, l'obligation de reconnaissance, visĂ©e au § 1er, n'Ă©tait pas d'application, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e une seule fois Ă l'initiative et aux frais de l'exploitant.
  Le Gouvernement flamand détermine pour quels établissements à risque la reconnaissance d'orientation du sol est effectuée et le rapport y afférent est soumis à l'OVAM avant le 7 janvier 2014, et pour lesquels de ces établissements à risque, ces obligations sont effectuées avant le 7 juillet 2015.34 Si un commerçant ou une société qui est propriétaire d'un terrain à risque est déclaré en faillite, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuée sur le terrain à risque à l'initiative du curateur.35, alinéa premier Si l'OVAM estime qu'il y a des indications de la présence d'une pollution sérieuse du sol, elle peut obliger les personnes, visées à l'article 11 ou 22 du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, à effectuer une reconnaissance d'orientation du sol et de lui transmettre le rapport dans un délai déterminé.38, § 2 Une reconnaissance descriptive du sol est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance descriptive du sol est effectuée selon un code de bonne pratique.44, alinéa deux Une reconnaissance d'orientation et descriptive du sol est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, la reconnaissance d'orientation et descriptive du sol est effectuée selon un code de bonne pratique.47, § 2 Un projet d'assainissement du sol est établi sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, le projet d'assainissement du sol est établi selon un code de bonne pratique.67, § 3 Une évaluation finale est effectuée sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformément à la procédure standard, établie par le Gouvernement flamand sur la proposition de l'OVAM. A défaut d'une pareille procédure standard, l'évaluation finale est effectuée selon un code de bonne pratique.69, § 2 Un expert en assainissement du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu du titre III du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, estime que la pollution du sol constitue un danger immédiat et que des mesures de sécurité sont requises, en fait notification motivée à l'OVAM sans délai.70, § 2, premiÚre phrase Un expert en assainissement du sol qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission en vertu du titre III du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, estime que des mesures de précaution sont requises, en fait notification motivée à l'OVAM sans délai.78, deuxiÚme phrase Le rapport d'évaluation est transmis à l'autorité compétente et à l'OVAM.91, § 2, premiÚre phrase Le plan individuel de prévention et de gestion du sol qui est établi conformément à l'article 91, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, contient au moins un relevé des mesures que prendra celui qui exerce l'activité en vue de la prévention et de la gestion de la pollution du sol qui résulte de l'activité visée au § 1er.91, § 3, quatre premiÚres phrases L'organisation d'assainissement du sol agréée, mentionnée au titre III, chapitre VII, section II du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, doit établir un plan sectoriel de prévention et de gestion du sol pour ceux qui font appel à elle pour l'accomplissement de l'obligation mentionnée à l'article 91, § 1er du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006. Un tel plan sectoriel de prévention et de gestion du sol doit comporter un volet général et un volet individuel. Le volet général comporte au moins les mesures générales visant à prévenir et à gérer la pollution du sol qui résulte de l'activité visée au § 1er. Le volet individuel contient les mesures dérogatoires ou complémentaires pour tous ceux qui sont régis par le présent paragraphe.96 Une organisation d'assainissement du sol agréée a au moins les missions suivantes relatives à l'activité pour laquelle elle est créée :
  1° l'établissement d'un plan sectoriel de prévention et de gestion du sol, conformément à l'article 91, § 3 du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006 ;
  2° la stimulation et l'optimisation des concepts de recherche et d'assainissement ;
  3° l'Ă©mission d'avis sur la prĂ©vention, la gestion, la reconnaissance du sol et l'assainissement du sol polluĂ© ainsi que sur la prĂ©paration et le suivi des mesures de prĂ©caution Ă ceux qui font appel Ă l'organisation d'assainissement du sol agréée pour l'accomplissement de leur obligation mentionnĂ©e Ă l'article 91, § 1er du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006.97, § 2, deux premiĂšres phrases L'organisation d'assainissement du sol agréée procĂšde aux reconnaissances descriptives du sol (...) pour lesquelles elle a conclu une convention conformĂ©ment Ă l'article 97, § 1er du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006, dans les dĂ©lais repris dans le programme d'assainissement qui est transmis annuellement pour approbation Ă l'OVAM. Ce programme d'assainissement comprend au moins la liste et la prioritĂ© de tous les reconnaissances descriptives du sol et assainissements du sol auxquels l'organisation d'assainissement du sol agréée s'est engagĂ©e conformĂ©ment au § 1er.101, § 1er Pour la conclusion d'une convention relative Ă la cession de terrains, le cĂ©dant ou, le cas Ă©chĂ©ant, le mandataire, doit demander Ă l'OVAM une attestation du sol et communiquer son contenu Ă l'acquĂ©reur.101, § 2 L'acte sous seing privĂ© relatif Ă la cession des terrains, reprend le contenu de l'attestation du sol.101, § 3, premiĂšre phrase Dans tous les actes relatifs Ă la cession de terrains, le fonctionnaire instrumentant enregistre la dĂ©claration du cĂ©dant ou, le cas Ă©chĂ©ant, du mandataire que l'acquĂ©reur a Ă©tĂ© mis au courant du contenu de l'attestation du sol avant la conclusion de la convention.101, § 3, deuxiĂšme phrase Le fonctionnaire instrumentant consigne Ă©galement le contenu de l'attestation du sol dans l'acte.102, § 1er, premiĂšre phrase Les terrains Ă risque ne peuvent ĂȘtre cĂ©dĂ©s que si une reconnaissance d'orientation du sol a Ă©tĂ© effectuĂ©e et si le rapport Ă ce sujet a Ă©tĂ© transmis Ă l'OVAM.117 Dans l'acte portant cession des terrains, le fonctionnaire instrumentant mentionne que les dispositions du titre III, chapitre VIII, section II du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 ont Ă©tĂ© appliquĂ©es.122, § 1er Dans un dĂ©lai de nonante jours de la fermeture d'un Ă©tablissement Ă risque, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e sur le terrain oĂč l'Ă©tablissement est ou Ă©tait implantĂ©.122, § 3, premiĂšre phrase L'exploitant notifie la fermeture de l'Ă©tablissement Ă risque Ă l'OVAM dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'article 122, § 1er, du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006.123, § 1er Si un commerçant ou une sociĂ©tĂ© qui est propriĂ©taire d'un terrain Ă risque est dĂ©clarĂ© en faillite, une reconnaissance d'orientation du sol est effectuĂ©e sur le terrain Ă risque Ă l'initiative du curateur. Le curateur prend l'initiative de procĂ©der Ă la reconnaissance d'orientation du sol dans un dĂ©lai de soixante jours aprĂšs sa constatation que le failli est le propriĂ©taire d'un terrain Ă risque.124, § 1er Le Gouvernement flamand dĂ©signe les sols aquatiques oĂč le gestionnaire doit effectuer, dans un dĂ©lai fixĂ© par le Gouvernement flamand, Ă son initiative et Ă ses frais, une reconnaissance du sol aquatique.125, § 3 Une reconnaissance du sol aquatique est effectuĂ©e, sous la direction d'un expert en assainissement du sol, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure standard Ă©tablie par le Gouvernement flamand. A dĂ©faut d'une pareille procĂ©dure standard, la reconnaissance de sol aquatique est effectuĂ©e selon un code de bonne pratique.142, alinĂ©a deux Une reconnaissance de site est effectuĂ©e sous la direction d'un expert en assainissement du sol conformĂ©ment Ă la procĂ©dure standard, visĂ©e Ă l'article 44, deuxiĂšme alinĂ©a du DĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006, pour l'activitĂ© polluant le sol pour laquelle le site a Ă©tĂ© arrĂȘtĂ©. A dĂ©faut d'une pareille procĂ©dure standard, la reconnaissance descriptive du sol est effectuĂ©e selon un code de bonne pratique.
Art. N3. Bijlage VII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage VII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage VII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Artikel 1. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N3. Annexe VII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe VII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article 1er. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe VII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article 1er. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 1.2.4.1, tweede lid | Deze besluiten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouders. |
| 4.1.4.2 | De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de milieuvergunning opgelegde meet- en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar. |
| 4.1.5.2 | Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming. |
| 4.1.8.1, § 4 | Bij de opmaak van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de milieuvergunning en/of in het kader van de afvalwaterheffingen. |
| 4.1.8.1, § 5 | Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd:   1° inrichtingen als vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 5° : het deelformulier "Identificatiegegevens", het deelformulier "Luchtemissies", het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens", deelformulier "Wateremissies", deelformulier "Afvalstoffenmelding voor producenten" en deelformulier "Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval";   2° inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3° : het deelformulier "Identificatiegegevens" en het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens".   3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het deelformulier "Wateremissies"; |
| 4.1.8.2, § 1 | De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd. |
| 4.1.8.2, § 3 | Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid. |
| 4.1.8.3, § 1 | Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit: 1° het deelformulier "Identificatiegegevens"; 2° het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies": deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag; 3° het deelformulier "Energiegegevens": dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier "Energiegegevens" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. |
| 4.1.8.3, § 2 | Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten. |
| 4.1.8.3, § 4 | Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders. |
| 4.1.9.1.1, § 4 | Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.   Die instemming is echter niet vereist als:   1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;   2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. |
| 4.1.9.1.3, § 2 | De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieuoogpunt relevant kan zijn.   Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord. |
| 4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid | De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid. |
| 4.1.9.1.4, § 1 | De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. |
| 4.1.9.1.4, § 2 | De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.   Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt. |
| 4.1.9.2.6, § 1 | De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:   1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen:   de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2;   2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij:   de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2. |
| 4.1.9.2.6, § 2 | De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder. |
| 4.1.9.3.1, § 1, 1° en 2° | De exploitant moet inzonderheid:   1° aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen:   a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement; b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3 van dit reglement; c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5 van dit reglement;   2° ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk:   a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement;   b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid; inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden; |
| 4.1.9.3.1, § 2 | De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk: 1° voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3, § 3 van dit reglement; 2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3 van dit reglement. |
| 4.2.5.2.1, § 4, laatste zin | De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt. |
| 4.2.5.3.1, § 4, laatste zin | De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt. |
| 4.2.5.4.2, § 2 | De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt. |
| 4.3.2.2, § 3, derde lid, eerste zin | De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. |
| 4.3.2.2, § 3, derde lid, laatste zin | De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder. |
| 4.3.2.3, § 3 | In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders. |
| 4.4.2.4, eerste volzin | De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder. |
| 4.10.1.4, § 1 | De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan. |
| 4.10.1.4, § 2, eerste twee volzinnen | Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning. |
| 4.10.1.5, § 1 | Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie. |
| 4.10.1.5, § 2 | De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. |
| 5.4.1.4, § 1 | De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:   1° gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen producten:   per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;   2° gegevens omtrent de opslag:   per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze producten in de inrichting zijn opgeslagen;   3° gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting:   per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:   a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;   b) de naam van degene aan wie het product werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid. |
| 5.4.1.4, § 2 | Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar. |
| 5.4.3.2.3, § 4, eerste lid | Voor elke spuitcabine houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthoudende overheid (...). |
| 5.4.3.2.3, § 4, tweede lid | De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt. |
| 5.9.2.1.bis § 2, laatste zin | Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.9.2.3, § 6, laatste zin | Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.9.7.1, § 3 | De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid. |
| 5.9.11.1 | De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking. |
| 5.16.2.2.4, laatste zin | Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.16.3.3, § 2, 1° | De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, (...). |
| 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 2°, laatste zin | De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder. |
| 5.16.3.3, § 3, 4° | (...) De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. (...) |
| 5.16.3.3, § 7, 2° | Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. |
| 5.16.3.3, § 8, 2° | De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:   a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud;   b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;   c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;   d) de hoeveelheid en het soort (nieuw, hergebruikt, gerecycleerd of geregenereerd) koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd;   e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;   f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;   g) de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met f) en, indien van toepassing, de naam van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;   h) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder g) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen;   i) significante periodes van buitenbedrijfstelling. |
| 5.16.3.3, § 8, 3° | Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden:   a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;   b) het in sub 2° bedoelde logboek. |
| 5.16.4.1.3, § 3, 1°, laatste zin | De testresultaten worden genoteerd in een notitieboek dat ter beschikking wordt gehouden van de toezichthouder alsmede van de erkende milieudeskundige belast met de in sub 2° vermelde controles. |
| 5.16.4.1.3, § 3, 2°, derde lid | Het voormelde controleverslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.16.4.3.6, § 3, eerste zin | (...) verslagen (...) die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder. |
| 5.16.7.8, § 1 | De exploitant houdt de resultaten van de keuring bij ingebruikname ter inzage van de toezichthouder en dit tot na verwijdering van de aflevereenheid. De exploitant houdt de resultaten van de periodiek voorgeschreven metingen, keuringen en controles bij ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle van de aflevereenheid beschikbaar zijn. |
| 5.18.1.1, § 3 | De exploitant houdt een afschrift van de vergunningsbesluiten en de bijhorende plannen waarop de vergunde kadastrale percelen duidelijk zijn aangegeven, ter inzage van de toezichthouders. |
| 5.18.1.1, § 5, eerste lid | De naam van die verantwoordelijke persoon wordt door de exploitant aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen schriftelijk meegedeeld. |
| 5.18.1.2, § 4 | De exploitant stelt een voortgangsrapport op, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet. |
| 5.18.2.1, § 1 | (...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. |
| 5.19.2.3.3, 3° | de exploitant houdt ter beschikking van de toezichthouders, een attest (...) |
| 5.19.2.3.4, § 3, derde lid, eerste volzin | De exploitant houdt een controleprogramma ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar. |
| 5.19.2.3.4, § 4 | De data van de in § 3 bedoelde controles, de meetresultaten en andere vaststellingen alsmede de eventueel uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties, worden in een register ingeschreven dat, samen met de controleverslagen, ter beschikking gehouden wordt van de toezichthouder. |
| 5.20.2.8, § 3 | Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthouder. |
| 5.28.2.3, § 7, tweede lid, eerste volzin | De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning. |
| 5.28.3.2.1, § 1, laatste zin | De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid. |
| 5.28.3.2.3, § 1 | De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste:   1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest:   a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;   b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);   c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;   d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;   e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;   f) [...];   g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.   2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest:   a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;   b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte);   c) de bestemming van de dierlijke mest;   d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;   e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;   f) [...];   g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.   3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing):   a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;   b) de aard van de afgewerkte producten;   c) de bestemming van de afgewerkte producten;   d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;   e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten;   f) [...];   4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest:   a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;   b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);   c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;   d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;   e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;   f) [...];   g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;   5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting;   6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen:   a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;   b) de aard van de andere (grond)stoffen;   c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;   d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen;   e) [...]; |
| 5.28.3.2.3, § 3 | Het register, bedoeld in § 1, ligt ter inzage van de toezichthouders. |
| 5.28.3.2.4, § 1 | De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest en de hoeveelheid aangevoerde andere (grond)stoffen moeten in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor wat betreft de dierlijke mest per type. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De hoeveelheid aangevoerde dierlijke mest wordt eveneens getotaliseerd per Mestbanknummer per kalenderjaar. |
| 5.29.0.6, § 1, vijfde lid, laatste zin | Het tijdstip en de uitvoerder van de metingen worden uiterlijk 72 uur voor de aanvang van de metingen per faxbericht gemeld aan de toezichthouder. |
| 5.32.1.3, tweede lid | Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.2.2bis, § 1, 3°, eerste lid | Op initiatief en op kosten van de exploitant wordt ofwel LAeq,15min, ofwel LAmax,slow continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 3°, eerste lid | Op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,60 min continu gemeten en geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan LAeq,15min gemeten worden. (...) Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 3°, tweede lid | De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid gedurende een periode van ten minste een maand. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 4°, a) | De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:   a) het kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b) | De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:   b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:   1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid;   2) de meetplaats;   3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen;   4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt;   5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek.   Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid. |
| 5.32.2.3, § 1, derde lid | De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen. |
| 5.32.2.3, § 3 | De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.3.8, § 5, laatste twee volzinnen | Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier. |
| 5.32.4.2, § 6, laatste volzin | Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier. |
| 5.32.7.2.4, § 2, tweede lid, laatste zin | Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.2.4, § 5, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.2.5, § 1, laatste lid | Datum en aard van de onderhoudswerkzaamheden moeten genoteerd worden in een register dat deel uitmaakt van het door de exploitant bij te houden veiligheidsdossier dat ter inzage dient gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.2.6, § 1, eerste lid, laatste zin | De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthouder dient gehouden. |
| 5.32.7.2.9, § 9, eerste lid | Een intern ordereglement wordt ter kennis gebracht van de plaatselijke politie of rijkswacht. Dit intern ordereglement bevat: de richtlijnen en verplichtingen in verband met de registratie van de schutters, de modaliteiten aangaande het laden en het ontladen van wapens, de modaliteiten van het schieten o.a. de schietdisciplines en de standplaatsen en aangaande het betreden en evacueren van de schietzone. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat de schutters de bevelen in verband met de veiligheid van de verantwoordelijke persoon dienen na te leven. |
| 5.32.7.2.12, § 1 | De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:   1° een veiligheidsdossier dat bevat:   a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;   b) het attest van het bevoegd brandweerkorps betreffende de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen, evenals met betrekking tot het in de schietruimte toegelaten aantal personen;   c) de attesten met betrekking tot de brandweerstand of zelfdovendheid van gebruikte bouwmaterialen;   d) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;   e) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.   2° het interne ordereglement;   3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts-en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;   4° de naam van de exploitant en de ledenlijst. |
| 5.32.7.2.12, § 2 | Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.5.3, § 3, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.5.4, § 1, laatste zin | De attesten met de datum en de uitslag van deze controle worden bij het veiligheidsdossier gevoegd dat ter inzage van de toezichthouder wordt gehouden. |
| 5.32.7.5.7, § 1 | De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:   1° een veiligheidsdossier dat bevat:   a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;   b) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;   c) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.   2° het interne ordereglement;   3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken; |
| 5.32.7.5.7, § 2 | Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.6.4, § 1, tweede lid, laatste volzin | Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.7.6.4, § 3, laatste volzin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.8.2.1, § 1, laatste volzin | Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst dient ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.1.2, § 1, tweede lid | De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.1.3, § 1, laatste volzin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.1.4, § 1 | De exploitant meldt aan de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid:   1° de datum van de eerste ingebruikname;   2° de sluitingsperiode voor bv. onderhoud, aanpassingen, enz;   3° de wederingebruikname van het bad;   4° alle bouwtechnische veranderingen ook indien deze intern worden doorgevoerd. |
| 5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, eerste zin | De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. |
| 5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, laatste zin | Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.2.2, § 2, 2°, voorlaatste zin | (...) Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. (...) |
| 5.32.9.2.2, § 2, 7° | De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen. |
| 5.32.9.2.2, § 3, 5°, laatste zin | Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.2.2, § 3, 6°, voorlaatste zin | Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.2.2, § 3ter, tweede lid, laatste zin | Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders. |
| 5.32.9.2.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zin | Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. |
| 5.32.9.2.2, § 4, 4° | De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:   a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;   b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;   c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;   d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;   e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;   f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;   g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.   Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.9.2.2, § 7, 1° | De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt. |
| 5.32.9.2.2, § 7, 2° | Het sub 1° bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten:   a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);   b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;   c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de zwemhal te betreden;   d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene. |
| 5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, eerste zin | De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. |
| 5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, laatste zin | Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.3.2, § 2, 2°, voorlaatste zin | Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. |
| 5.32.9.3.2, § 2, 7° | De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen. |
| 5.32.9.3.2, § 3, 5°, laatste zin | Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.3.2, § 3, 6°, voorlaatste zin | Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.3.2, § 3bis, tweede lid, laatste zin | Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders. |
| 5.32.9.3.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zin | Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. |
| 5.32.9.3.2, § 4, 4° | De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:   a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;   b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;   c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;   d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;   e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;   f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;   g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.   Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.9.3.2, § 7, 1° | De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt. |
| 5.32.9.3.2, § 7, 2° | Het in § 1 bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten: a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);   b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;   c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de kaden en het zwembad te betreden;   d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene. |
| 5.32.9.4.2, § 3, derde lid, laatste volzin | Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. |
| 5.32.9.4.2, § 6 | De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:   1° de resultaten van de in § 2 bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;   2° de resultaten van de in § 3 bedoelde maandelijkse analyses;   3° de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;   4° de dagelijkse bezetting van het zwembad;   5° elke bijzonderheid, incident of ongeval;   6° de maandelijkse notering van het waterverbruik;   7° elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.   Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.9.5.1, § 3, derde lid, laatste volzin | Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. |
| 5.32.9.5.2, § 1, tweede lid | Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.9.7.2, § 1, eerste lid, eerste volzin | De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven. |
| 5.32.9.7.2, § 1, tweede lid | Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.32.9.7.2, § 2, 2°, voorlaatste zin | Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. |
| 5.32.9.7.2, § 2, 7° | De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen. |
| 5.32.9.7.2, § 3, 4°, laatste volzin | Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.7.2, § 4, 3°, derde lid, laatste volzin | Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. |
| 5.32.9.7.2, § 4, 4° | De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:   a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;   b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;   c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;   d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;   e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;   f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;   g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.   Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder. |
| 5.32.9.8.1, § 2, eerste lid | Door de exploitant wordt een reglement van inwendige orde vastgelegd dat tenminste de volgende bepalingen omvat:   1° de toegang tot de zwemgelegenheid wordt verboden voor dronken personen;   2° personen aangetast door of verdacht van besmettelijke ziekten worden niet tot het zwemwater toegelaten;   3° het is verboden zeep te gebruiken op andere plaatsen dan onder het stortbad;   4° met uitzondering van assistentiehonden op het strand worden honden of andere huisdieren niet toegelaten in het water of op het strand;   5° kinderen van minder dan 6 jaar staan steeds onder het toezicht van een volwassene;   6° assistentiehonden op het strand worden, als de persoon met een handicap of ziekte in het water gaat, aangelijnd aan de aanlijnplaats voorzien voor assistentiehonden. |
| 5.32.9.8.2, § 3, laatste zin | Een dubbel van deze analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks aan de afdeling van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid gezonden. |
| 5.32.9.8.5, § 6bis, tweede lid | Dit toezichtsplan wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders. |
| 5.32.9.8.5, § 7, laatste zin | Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.9.8.5, § 8, voorlaatste zin | Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie. |
| 5.32.10.1, § 3, tweede lid, tweede zin | Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld. |
| 5.33.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin | Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.33.0.2, § 2, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.33.0.3, § 4, laatste zin | De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder. |
| 5.36.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin | Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.36.0.2, § 2, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.36.0.3, § 4, laatste zin | De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.38.0.2, § 2, tweede lid, laatste zin | Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.38.0.2, § 4, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.38.0.3, § 5, laatste zin | De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.41.1.3, § 1, laatste zin | De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 5.41.1.3, § 4, laatste zin | De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder. |
| 5.41.2.2, § 4, eerste lid, eerste zin | Voor elke machine die gebruik maakt van tetrachlooretheen als reinigingsmiddel houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder, waarin aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 of 3, voldaan is. |
| 5.41.2.2, § 4, tweede lid | De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt. |
| 5.41.2.3, § 3, laatste zin | Dat logboek wordt voor een periode van minstens 5 jaar na de laatste registratie bewaard en ter inzage van de toezichthoudende overheid gehouden. |
| 5.43.4.2 | Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthoudende overheid. |
| 5.51.4.1 | De gebruiker houdt het verslag van de risicoanalyse en een register met GGO's en pathogene organismen, aangewend in het kader van ingeperkt gebruik, ter beschikking van de toezichthouders en de bevoegde instantie. |
| 5.51.4.2, § 2, tweede lid, laatste zin | Dat controleprogramma moet ter beschikking gehouden worden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.53.3.3, § 5 | (...) een attest (...) dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. (...) |
| 5.53.3.3, § 6 | (...) De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. (...) |
| 5.53.3.3, § 9 | De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt. |
| 5.53.4.6, § 2. | De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders. |
| 5.53.4.7 | De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. |
| 5.53.4.8 | Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater:   1° het doel van de boring;   2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;   3° de geologische beschrijving van de lagen, voor zover deze gekend zijn;   4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat, de uitvoering of wijziging van de put en/of andere inrichting;   5° de watervoerende laag waaruit grondwater wordt opgepompt;   6° het specifieke debiet van de put;   7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1;   8° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld;   9° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;   10° vanaf een vergund debiet van 1 000 000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef;   11° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties. |
| 5.53.6.3.1, § 4 | De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders. |
| 5.53.6.3.2 | De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud: 1° de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan;   2° de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;   3° bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand.   De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater. |
| 5.54.3, § 2 | De exploitant houdt met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin worden ingeschreven:   1° de resultaten van de peilmetingen, bedoeld in § 1, samen met het peil in het infiltratiepand;   2° gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen, de hoeveelheid water die tijdens de 24 uren voorafgaand aan de wekelijkse peilmetingen kunstmatig werd aangevuld;   3° de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig werd aangevuld.   Het register wordt door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.54.3, § 3 | Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 2, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater. |
| 5.54.4, § 2, derde lid | De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in het eerste lid, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.54.5, § 2 | De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in § 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. |
| 5.54.5, § 3 | Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 1, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater. |
| 5.55.1.2, vierde lid | Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater:   1° het doel van de boring;   2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;   3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;   4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;   5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;   6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;   7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties. |
| 5.55.1.3, § 1, tweede lid | Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater. |
| 5.57.2.2, § 2, tweede lid | De exploitant bezorgt een exemplaar van dit plan:   1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;   2° aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;   3° aan de afdeling, bevoegd voor geluidshinder;   4° aan de Bestendige Deputatie van de provincie(s) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken;   5° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(n) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken. |
| 5.57.2.2, § 3 | Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, worden het plan, bedoeld in § 2, en de gegevens, bedoeld in artikel 5.57.1.2, § 5, uiterlijk tegen 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarover de berekening gaat, bezorgd aan de in § 2 vermelde instanties. |
| 5.60.3, § 1, laatste zin | De exploitant deelt de naam van die bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid. |
| 5.60.3, § 4 | Tenzij het anders vermeld is in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin tenminste de volgende gegevens zijn genoteerd:   1° het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;   2° de herkomst en oorsprong van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;   3° de vervoerder van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;   4° de hoeveelheid aangevoerde niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;   5° opmerkingen over de uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en opmerkingen over de aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodems, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem. |
| 5.60.6 | De exploitant meldt elke dreigende instabiliteit die een gevaar voor de omgeving kan vormen, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.   De exploitant meldt elke effectieve instabiliteit die een volume van meer dan 250 mĂŒ heeft en waarbij een definitieve helling of de perceelgrens werd aangetast, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. |
| 5.61.2, § 4 | Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd:   1° voor wat betreft de aanvoer:   a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem;   b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem;   c) de vervoerder van de uitgegraven bodem;   d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;   e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem.   2° voor wat betreft de opslag: de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt.   3° voor wat betreft de afvoer:   a) de bestemming van de uitgegraven bodem;   b) de vervoerder van de uitgegraven bodem;   c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem; |
| 6.5.3.1, § 1, 5° | (...) dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder. |
| 6.5.4.4 | Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de gemachtigde installateur of de erkende technicus aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie. |
| 6.10.2.2, § 1, eerste volzin | De exploitatie van een vast opgestelde zendantenne of de verandering van een vast opgestelde zendantenne is verboden zonder conformiteitsattest. |
| 6.10.3.2 | Voor bestaande vast opgestelde zendantennes is uiterlijk op 31 december 2011 een attest afgeleverd dat de conformiteit met deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, bevestigt. |
  1° inrichtingen als vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 5° : het deelformulier "Identificatiegegevens", het deelformulier "Luchtemissies", het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens", deelformulier "Wateremissies", deelformulier "Afvalstoffenmelding voor producenten" en deelformulier "Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval";
  2° inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3° : het deelformulier "Identificatiegegevens" en het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens".
  3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het deelformulier "Wateremissies";4.1.8.2, § 1 De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd.4.1.8.2, § 3 Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.4.1.8.3, § 1 Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit: 1° het deelformulier "Identificatiegegevens"; 2° het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies": deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag; 3° het deelformulier "Energiegegevens": dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier "Energiegegevens" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.4.1.8.3, § 2 Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.4.1.8.3, § 4 Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders.4.1.9.1.1, § 4 Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
  Die instemming is echter niet vereist als:
  1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
  2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.4.1.9.1.3, § 2 De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieuoogpunt relevant kan zijn.
  Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.4.1.9.1.4, § 1 De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.4.1.9.1.4, § 2 De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.
  Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.4.1.9.2.6, § 1 De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:
  1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen:
  de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2;
  2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij:
  de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.4.1.9.2.6, § 2 De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.4.1.9.3.1, § 1, 1° en 2° De exploitant moet inzonderheid:
  1° aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen:
  a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement; b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3 van dit reglement; c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5 van dit reglement;
  2° ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk:
  a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement;
  b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid; inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden;4.1.9.3.1, § 2 De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk: 1° voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3, § 3 van dit reglement; 2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3 van dit reglement.4.2.5.2.1, § 4, laatste zin De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.4.2.5.3.1, § 4, laatste zin De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.4.2.5.4.2, § 2 De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.4.3.2.2, § 3, derde lid, eerste zin De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten.4.3.2.2, § 3, derde lid, laatste zin De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.4.3.2.3, § 3 In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders.4.4.2.4, eerste volzin De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder.4.10.1.4, § 1 De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.4.10.1.4, § 2, eerste twee volzinnen Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning.4.10.1.5, § 1 Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.4.10.1.5, § 2 De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.5.4.1.4, § 1 De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld:
  1° gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen producten:
  per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht;
  2° gegevens omtrent de opslag:
  per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze producten in de inrichting zijn opgeslagen;
  3° gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting:
  per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2:
  a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;
  b) de naam van degene aan wie het product werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid.5.4.1.4, § 2 Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.5.4.3.2.3, § 4, eerste lid Voor elke spuitcabine houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthoudende overheid (...).5.4.3.2.3, § 4, tweede lid De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.5.9.2.1.bis § 2, laatste zin Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.5.9.2.3, § 6, laatste zin Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.5.9.7.1, § 3 De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid.5.9.11.1 De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking.5.16.2.2.4, laatste zin Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.16.3.3, § 2, 1° De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, (...).5.16.3.3, § 3, eerste lid, 2°, laatste zin De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder.5.16.3.3, § 3, 4° (...) De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. (...)5.16.3.3, § 7, 2° Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd.5.16.3.3, § 8, 2° De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden:
  a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud;
  b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;
  c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;
  d) de hoeveelheid en het soort (nieuw, hergebruikt, gerecycleerd of geregenereerd) koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd;
  e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;
  f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;
  g) de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met f) en, indien van toepassing, de naam van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;
  h) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder g) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen;
  i) significante periodes van buitenbedrijfstelling.5.16.3.3, § 8, 3° Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden:
  a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;
  b) het in sub 2° bedoelde logboek.5.16.4.1.3, § 3, 1°, laatste zinDe testresultaten worden genoteerd in een notitieboek dat ter beschikking wordt gehouden van de toezichthouder alsmede van de erkende milieudeskundige belast met de in sub 2° vermelde controles.5.16.4.1.3, § 3, 2°, derde lidHet voormelde controleverslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.16.4.3.6, § 3, eerste zin(...) verslagen (...) die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.5.16.7.8, § 1De exploitant houdt de resultaten van de keuring bij ingebruikname ter inzage van de toezichthouder en dit tot na verwijdering van de aflevereenheid. De exploitant houdt de resultaten van de periodiek voorgeschreven metingen, keuringen en controles bij ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle van de aflevereenheid beschikbaar zijn.5.18.1.1, § 3De exploitant houdt een afschrift van de vergunningsbesluiten en de bijhorende plannen waarop de vergunde kadastrale percelen duidelijk zijn aangegeven, ter inzage van de toezichthouders.5.18.1.1, § 5, eerste lidDe naam van die verantwoordelijke persoon wordt door de exploitant aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen schriftelijk meegedeeld.5.18.1.2, § 4De exploitant stelt een voortgangsrapport op, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet.5.18.2.1, § 1(...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.5.19.2.3.3, 3° de exploitant houdt ter beschikking van de toezichthouders, een attest (...)5.19.2.3.4, § 3, derde lid, eerste volzinDe exploitant houdt een controleprogramma ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar.5.19.2.3.4, § 4De data van de in § 3 bedoelde controles, de meetresultaten en andere vaststellingen alsmede de eventueel uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties, worden in een register ingeschreven dat, samen met de controleverslagen, ter beschikking gehouden wordt van de toezichthouder.5.20.2.8, § 3Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthouder.5.28.2.3, § 7, tweede lid, eerste volzinDe exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning.5.28.3.2.1, § 1, laatste zinDe exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.5.28.3.2.3, § 1De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste:
  1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest:
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
  b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
  c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
  d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
  e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
  f) [...];
  g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.
  2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest:
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;
  b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte);
  c) de bestemming van de dierlijke mest;
  d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
  e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
  f) [...];
  g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.
  3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing):
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;
  b) de aard van de afgewerkte producten;
  c) de bestemming van de afgewerkte producten;
  d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;
  e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten;
  f) [...];
  4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest:
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
  b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
  c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
  d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
  e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
  f) [...];
  g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;
  5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting;
  6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen:
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;
  b) de aard van de andere (grond)stoffen;
  c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;
  d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen;
  e) [...];5.28.3.2.3, § 3Het register, bedoeld in § 1, ligt ter inzage van de toezichthouders.5.28.3.2.4, § 1De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest en de hoeveelheid aangevoerde andere (grond)stoffen moeten in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor wat betreft de dierlijke mest per type. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De hoeveelheid aangevoerde dierlijke mest wordt eveneens getotaliseerd per Mestbanknummer per kalenderjaar.5.29.0.6, § 1, vijfde lid, laatste zinHet tijdstip en de uitvoerder van de metingen worden uiterlijk 72 uur voor de aanvang van de metingen per faxbericht gemeld aan de toezichthouder.5.32.1.3, tweede lidHet veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder.5.32.2.2bis, § 1, 3°, eerste lidOp initiatief en op kosten van de exploitant wordt ofwel LAeq,15min, ofwel LAmax,slow continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.5.32.2.2bis, § 2, 3°, eerste lidOp initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,60 min continu gemeten en geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan LAeq,15min gemeten worden. (...) Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.5.32.2.2bis, § 2, 3°, tweede lidDe geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid gedurende een periode van ten minste een maand.5.32.2.2bis, § 2, 4°, a)De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:
  a) het kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik.5.32.2.2bis, § 2, 4°, b)De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:
  b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
  1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid;
  2) de meetplaats;
  3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen;
  4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt;
  5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek.
  Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.5.32.2.3, § 1, derde lidDe vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen.5.32.2.3, § 3De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.5.32.3.8, § 5, laatste twee volzinnenVan die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.5.32.4.2, § 6, laatste volzinHet inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.5.32.7.2.4, § 2, tweede lid, laatste zinEen attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.5.32.7.2.4, § 5, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.5.32.7.2.5, § 1, laatste lidDatum en aard van de onderhoudswerkzaamheden moeten genoteerd worden in een register dat deel uitmaakt van het door de exploitant bij te houden veiligheidsdossier dat ter inzage dient gehouden van de toezichthouder.5.32.7.2.6, § 1, eerste lid, laatste zinDe attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthouder dient gehouden.5.32.7.2.9, § 9, eerste lidEen intern ordereglement wordt ter kennis gebracht van de plaatselijke politie of rijkswacht. Dit intern ordereglement bevat: de richtlijnen en verplichtingen in verband met de registratie van de schutters, de modaliteiten aangaande het laden en het ontladen van wapens, de modaliteiten van het schieten o.a. de schietdisciplines en de standplaatsen en aangaande het betreden en evacueren van de schietzone. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat de schutters de bevelen in verband met de veiligheid van de verantwoordelijke persoon dienen na te leven.5.32.7.2.12, § 1De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:
  1° een veiligheidsdossier dat bevat:
  a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
  b) het attest van het bevoegd brandweerkorps betreffende de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen, evenals met betrekking tot het in de schietruimte toegelaten aantal personen;
  c) de attesten met betrekking tot de brandweerstand of zelfdovendheid van gebruikte bouwmaterialen;
  d) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
  e) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
  2° het interne ordereglement;
  3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts-en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;
  4° de naam van de exploitant en de ledenlijst.5.32.7.2.12, § 2Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.5.32.7.5.3, § 3, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.5.32.7.5.4, § 1, laatste zinDe attesten met de datum en de uitslag van deze controle worden bij het veiligheidsdossier gevoegd dat ter inzage van de toezichthouder wordt gehouden.5.32.7.5.7, § 1De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende:
  1° een veiligheidsdossier dat bevat:
  a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;
  b) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;
  c) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.
  2° het interne ordereglement;
  3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;5.32.7.5.7, § 2Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.5.32.7.6.4, § 1, tweede lid, laatste volzinEen attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.5.32.7.6.4, § 3, laatste volzinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.5.32.8.2.1, § 1, laatste volzinHet bewijs van de eventuele huurovereenkomst dient ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.1.2, § 1, tweede lidDe attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.1.3, § 1, laatste volzinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.1.4, § 1De exploitant meldt aan de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid:
  1° de datum van de eerste ingebruikname;
  2° de sluitingsperiode voor bv. onderhoud, aanpassingen, enz;
  3° de wederingebruikname van het bad;
  4° alle bouwtechnische veranderingen ook indien deze intern worden doorgevoerd.5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, eerste zinDe exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, laatste zinVoormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.2.2, § 2, 2°, voorlaatste zin(...) Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. (...)5.32.9.2.2, § 2, 7° De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.5.32.9.2.2, § 3, 5°, laatste zinHet afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.2.2, § 3, 6°, voorlaatste zinHet getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.2.2, § 3ter, tweede lid, laatste zinDit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.5.32.9.2.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zinEen kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.5.32.9.2.2, § 4, 4° De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
  a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
  b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
  c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
  d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
  e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
  f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
  g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.
  Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.5.32.9.2.2, § 7, 1° De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.5.32.9.2.2, § 7, 2° Het sub 1° bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten:
  a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);
  b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;
  c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de zwemhal te betreden;
  d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene.5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, eerste zinDe exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, laatste zinVoormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.3.2, § 2, 2°, voorlaatste zinEen attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.5.32.9.3.2, § 2, 7° De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.5.32.9.3.2, § 3, 5°, laatste zinHet afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.3.2, § 3, 6°, voorlaatste zinHet getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.3.2, § 3bis, tweede lid, laatste zinDit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.5.32.9.3.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zinEen kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.5.32.9.3.2, § 4, 4° De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
  a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
  b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
  c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
  d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
  e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
  f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
  g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.
  Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.5.32.9.3.2, § 7, 1° De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.5.32.9.3.2, § 7, 2° Het in § 1 bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten: a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.);
  b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;
  c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de kaden en het zwembad te betreden;
  d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene.5.32.9.4.2, § 3, derde lid, laatste volzinEen kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.5.32.9.4.2, § 6De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
  1° de resultaten van de in § 2 bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
  2° de resultaten van de in § 3 bedoelde maandelijkse analyses;
  3° de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
  4° de dagelijkse bezetting van het zwembad;
  5° elke bijzonderheid, incident of ongeval;
  6° de maandelijkse notering van het waterverbruik;
  7° elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.
  Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.5.32.9.5.1, § 3, derde lid, laatste volzinEen kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.5.32.9.5.2, § 1, tweede lidDit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.5.32.9.7.2, § 1, eerste lid, eerste volzinDe exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.5.32.9.7.2, § 1, tweede lidVoormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.32.9.7.2, § 2, 2°, voorlaatste zin Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.5.32.9.7.2, § 2, 7° De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.5.32.9.7.2, § 3, 4°, laatste volzinHet getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.7.2, § 4, 3°, derde lid, laatste volzinEen kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.5.32.9.7.2, § 4, 4° De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens:
  a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;
  b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;
  c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;
  d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;
  e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;
  f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;
  g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen.
  Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.5.32.9.8.1, § 2, eerste lidDoor de exploitant wordt een reglement van inwendige orde vastgelegd dat tenminste de volgende bepalingen omvat:
  1° de toegang tot de zwemgelegenheid wordt verboden voor dronken personen;
  2° personen aangetast door of verdacht van besmettelijke ziekten worden niet tot het zwemwater toegelaten;
  3° het is verboden zeep te gebruiken op andere plaatsen dan onder het stortbad;
  4° met uitzondering van assistentiehonden op het strand worden honden of andere huisdieren niet toegelaten in het water of op het strand;
  5° kinderen van minder dan 6 jaar staan steeds onder het toezicht van een volwassene;
  6° assistentiehonden op het strand worden, als de persoon met een handicap of ziekte in het water gaat, aangelijnd aan de aanlijnplaats voorzien voor assistentiehonden.5.32.9.8.2, § 3, laatste zinEen dubbel van deze analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks aan de afdeling van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid gezonden.5.32.9.8.5, § 6bis, tweede lidDit toezichtsplan wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.5.32.9.8.5, § 7, laatste zinHet afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.9.8.5, § 8, voorlaatste zinHet getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.5.32.10.1, § 3, tweede lid, tweede zinOok de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld.5.33.0.2, § 1, tweede lid, laatste zinEen attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.33.0.2, § 2, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.33.0.3, § 4, laatste zinDe attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.5.36.0.2, § 1, tweede lid, laatste zinEen attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.36.0.2, § 2, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.36.0.3, § 4, laatste zinDe attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.38.0.2, § 2, tweede lid, laatste zinEen attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.38.0.2, § 4, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.38.0.3, § 5, laatste zinDe attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.41.1.3, § 1, laatste zinDe desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.5.41.1.3, § 4, laatste zinDe attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.5.41.2.2, § 4, eerste lid, eerste zinVoor elke machine die gebruik maakt van tetrachlooretheen als reinigingsmiddel houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder, waarin aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 of 3, voldaan is.5.41.2.2, § 4, tweede lidDe exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.5.41.2.3, § 3, laatste zinDat logboek wordt voor een periode van minstens 5 jaar na de laatste registratie bewaard en ter inzage van de toezichthoudende overheid gehouden.5.43.4.2Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthoudende overheid.5.51.4.1De gebruiker houdt het verslag van de risicoanalyse en een register met GGO's en pathogene organismen, aangewend in het kader van ingeperkt gebruik, ter beschikking van de toezichthouders en de bevoegde instantie.5.51.4.2, § 2, tweede lid, laatste zinDat controleprogramma moet ter beschikking gehouden worden van de toezichthoudende overheid.5.53.3.3, § 5(...) een attest (...) dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. (...)5.53.3.3, § 6(...) De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. (...)5.53.3.3, § 9De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.5.53.4.6, § 2.De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.5.53.4.7De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.5.53.4.8Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater:
  1° het doel van de boring;
  2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
  3° de geologische beschrijving van de lagen, voor zover deze gekend zijn;
  4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat, de uitvoering of wijziging van de put en/of andere inrichting;
  5° de watervoerende laag waaruit grondwater wordt opgepompt;
  6° het specifieke debiet van de put;
  7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1;
  8° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld;
  9° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
  10° vanaf een vergund debiet van 1 000 000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef;
  11° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties.5.53.6.3.1, § 4De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.5.53.6.3.2De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud: 1° de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan;
  2° de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;
  3° bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand.
  De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.5.54.3, § 2De exploitant houdt met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin worden ingeschreven:
  1° de resultaten van de peilmetingen, bedoeld in § 1, samen met het peil in het infiltratiepand;
  2° gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen, de hoeveelheid water die tijdens de 24 uren voorafgaand aan de wekelijkse peilmetingen kunstmatig werd aangevuld;
  3° de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig werd aangevuld.
  Het register wordt door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.5.54.3, § 3Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 2, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.5.54.4, § 2, derde lidDe verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in het eerste lid, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.5.54.5, § 2De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in § 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.5.54.5, § 3Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 1, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.5.55.1.2, vierde lidAls het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater:
  1° het doel van de boring;
  2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
  3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
  4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
  5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
  6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
  7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties.5.55.1.3, § 1, tweede lidWanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.5.57.2.2, § 2, tweede lidDe exploitant bezorgt een exemplaar van dit plan:
  1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
  2° aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;
  3° aan de afdeling, bevoegd voor geluidshinder;
  4° aan de Bestendige Deputatie van de provincie(s) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken;
  5° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(n) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken.5.57.2.2, § 3Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, worden het plan, bedoeld in § 2, en de gegevens, bedoeld in artikel 5.57.1.2, § 5, uiterlijk tegen 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarover de berekening gaat, bezorgd aan de in § 2 vermelde instanties.5.60.3, § 1, laatste zinDe exploitant deelt de naam van die bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.5.60.3, § 4Tenzij het anders vermeld is in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin tenminste de volgende gegevens zijn genoteerd:
  1° het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
  2° de herkomst en oorsprong van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
  3° de vervoerder van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
  4° de hoeveelheid aangevoerde niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;
  5° opmerkingen over de uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en opmerkingen over de aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodems, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem.5.60.6De exploitant meldt elke dreigende instabiliteit die een gevaar voor de omgeving kan vormen, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.
  De exploitant meldt elke effectieve instabiliteit die een volume van meer dan 250 mĂŒ heeft en waarbij een definitieve helling of de perceelgrens werd aangetast, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.5.61.2, § 4Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd:
  1° voor wat betreft de aanvoer:
  a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem;
  b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem;
  c) de vervoerder van de uitgegraven bodem;
  d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;
  e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem.
  2° voor wat betreft de opslag: de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt.
  3° voor wat betreft de afvoer:
  a) de bestemming van de uitgegraven bodem;
  b) de vervoerder van de uitgegraven bodem;
  c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;6.5.3.1, § 1, 5° (...) dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.6.5.4.4Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de gemachtigde installateur of de erkende technicus aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.6.10.2.2, § 1, eerste volzinDe exploitatie van een vast opgestelde zendantenne of de verandering van een vast opgestelde zendantenne is verboden zonder conformiteitsattest.6.10.3.2Voor bestaande vast opgestelde zendantennes is uiterlijk op 31 december 2011 een attest afgeleverd dat de conformiteit met deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, bevestigt.
Art. 2. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
| Article | Obligation légale |
| 1.2.4.1, alinĂ©a deux | L'exploitant doit tenir lesdits arrĂȘtĂ©s Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 4.1.4.2. | L'exploitant tient les données relatives aux obligations de mesure et d'enregistrement, y compris les registres et bilans imposés par ce rÚglement ou l'autorisation écologique, à la disposition du fonctionnaire de surveillance et les conserve pendant au moins 5 ans. |
| 4.1.5.2. | Tous les documents et donnĂ©es qui doivent ĂȘtre fournis Ă l'autoritĂ© en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© doivent Ă©galement ĂȘtre mis Ă la disposition de la reprĂ©sentation syndicale au conseil d'entreprise ainsi qu'au comitĂ© de prĂ©vention et de protection au travail. A dĂ©faut de ces deux organes, les documents et donnĂ©es sont tenus Ă la disposition de la dĂ©lĂ©gation syndicale de l'entreprise. |
| 4.1.8.1, § 4 | Lors de la rédaction du formulaire partiel " Emissions dans l'air " et du formulaire partiel " Emissions dans l'eau " du rapport environnemental annuel, il faut utiliser de façon optimale les résultats des mesures d'émission qui sont imposées à l'exploitant par ce rÚglement, par l'autorisation écologique et/ou dans le cadre des taxes sur les eaux usées. |
| 4.1.8.1, § 5 | Le rapport environnemental annuel est introduit Ă l'aide des formulaires partiels suivants du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© dont le modĂšle est joint en tant qu'annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© :   1° Etablissements tels que mentionnĂ©s au § 1er, 1°, 2°, 4° et 5° : le formulaire partiel " DonnĂ©es d'identification ", le formulaire partiel " Emissions dans l'air ", la section pertinente du formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques ", le formulaire partiel " Emissions dans l'eau ", le formulaire partiel " DĂ©claration de dĂ©chets pour producteurs " et le formulaire partiel " Emissions dans le sol, polluants issus de dĂ©chets ";   2° Etablissements tels que mentionnĂ©s Ă l'article 4.1.8.1, § 1er, 3° : le formulaire partiel " DonnĂ©es d'identification " et la section pertinente du formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques ".   3° les eaux usĂ©es Ă©vacuĂ©es pour Ă©puration dans une installation externe d'Ă©puration des eaux usĂ©es : le formulaire partiel " DonnĂ©es d'identification " et le formulaire partiel " Emissions dans l'eau " ; |
| 4.1.8.2, § 1er | Les exploitants des catĂ©gories d'Ă©tablissements, visĂ©es Ă l'article 4.1.8.1 sont tenus de faire parvenir le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, chaque annĂ©e dans l'annĂ©e qui suit l'annĂ©e civile Ă laquelle le rapport annuel se rapporte, Ă l'administration, conformĂ©ment aux articles 2 et 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© et vers la date que ce dernier fixe. Les annexes du rapport annuel, visĂ©es au § 2 de l'article 4.1.8.3, ne doivent pas ĂȘtre jointes. |
| 4.1.8.2, § 3 | Les établissements nouvellement mis en service présentent leur premier rapport annuel au cours de l'année qui suit la premiÚre année civile d'activité. |
| 4.1.8.3, § 1er | Le rapport environnemental annuel visĂ© Ă l'article 4.1.8.2, § 1er, comprend les formulaires partiels suivants pour autant que l'Ă©tablissement y est obligĂ© suivant les dispositions concernĂ©es de l'arrĂȘtĂ© :   1° le formulaire partiel " DonnĂ©es d'identification " ;   2° le formulaire partiel " Emissions dans l'air " et le formulaire partiel " Emissions dans l'eau " : ces formulaires partiels comprennent les donnĂ©es reprises au modĂšle du formulaire partiel " Emissions dans l'air " et du formulaire partiel " Emissions dans l'eau " du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, dont le modĂšle est joint en annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© ;   3° le formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques " : ce formulaire partiel comprend des donnĂ©es mentionnĂ©es dans le formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques " du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© dont le modĂšle est joint en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©. |
| 4.1.8.3, § 2 | Pour autant qu'applicables Ă l'Ă©tablissement, les rapports imposĂ©s par les conditions particuliĂšres des arrĂȘtĂ©s d'autorisation ne sont pas joints en annexe au rapport environnemental intĂ©grĂ© mais sĂ©parĂ©ment envoyĂ©s Ă la division des Autorisations environnementales et aux autres services mentionnĂ©s dans les conditions particuliĂšres. |
| 4.1.8.3, § 4 | Le rapport environnemental annuel et les annexes sont conservés par l'exploitant au moins pendant 5 ans et tenus à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 4.1.9.1.1, § 4 | Un coordinateur environnemental peut ĂȘtre dĂ©signĂ© pour deux ou plusieurs Ă©tablissements Ă la fois. Avant de procĂ©der Ă la dĂ©signation commune, la division compĂ©tente pour les autorisations Ă©cologiques, doit y consentir et le communiquer Ă l'exploitant.   Ce consentement n'est toutefois pas exigĂ© lorsqu'il :   1° s'agit d'une dĂ©signation commune d'un coordinateur environnemental agréé. Dans ce cas, l'exploitant met la division compĂ©tente pour les autorisations Ă©cologiques immĂ©diatement au courant de la dĂ©signation du coordinateur environnemental agréé par lettre recommandĂ©e ;   2° s'agit d'une dĂ©signation commune pour diffĂ©rents Ă©tablissements, qui ensemble forment un lieu d'exploitation et sont sous le contrĂŽle d'une personne physique ou d'une personne morale. |
| 4.1.9.1.3, § 2 | Le coordinateur environnemental rend un avis sur tout investissement envisagĂ© qui peut ĂȘtre significatif sur le plan de l'environnement.   Son avis est recueilli Ă temps et il est soumis Ă l'organe dĂ©cideur. Il est entendu Ă sa demande. |
| 4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier | Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité de sécurité, hygiÚne et d`embellissement des lieux de travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à disposition de la division des Autorisations écologiques et de l'autorité de contrÎle. |
| 4.1.9.1.4, § 1 | Sans préjudice du § 2, l'exploitant désigne et remplace un coordinateur environnemental-employé, le destitue de sa fonction et désigne un remplaçant temporaire, aprÚs accord préalable du comité pour la prévention et la protection au travail ou à défaut, de la représentation syndicale. En cas de désaccord permanent au sein du comité ou avec la représentation syndicale, l'avis de la division, compétente pour les autorisations écologiques, est recueilli. |
| 4.1.9.1.4, § 2 | L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division, compétente pour les autorisations écologiques.   Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 4.1.9.1.2, la division compétente pour les autorisations écologiques peut exiger que l'exploitant désigne une autre personne dans un délai qu'elle fixe. |
| 4.1.9.2.6, § 1er | Les Ă©lĂ©ments suivants de l'audit environnemental, visĂ© Ă l'article 4.1.9.2.4, doivent, endĂ©ans un dĂ©lai de 30 jours calendrier aprĂšs la validation de l'audit environnemental, ĂȘtre communiquĂ©s :   1° Ă la division compĂ©tente pour les autorisations Ă©cologiques : les Ă©lĂ©ments visĂ©s aux 1° Ă 8° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2 ;   2° Ă la Vlaamse Milieumaatschappij : les Ă©lĂ©ments visĂ©s aux 1° Ă 4° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2. |
| 4.1.9.2.6, § 2 | L'audit environnemental validĂ© doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant pendant au moins 5 ans et tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 4.1.9.3.1, § 1er, 1° et 2° | L'exploitation doit notamment :   1° fournir aux membres du comité de prévention et de protection au travail :   a) avant le 1er avril de année suivant l'année calendaire à laquelle il se rapporte, une copie du rapport environnemental annuel visé à l'article 4.1.8.2 du présent rÚglement ;   b) le cas échéant, une copie de la déclaration environnementale validée telle que visée à l'article 4.1.9.2.3 du présent rÚglement ;   c) le cas échéant, une copie de l'audit environnemental validé tel que visé à l'article 4.1.9.2.5. du présent rÚglement ;   2° tenir à la disposition du comité de prévention et de protection au travail :   a) avant le 1er avril de l'année suivant l'année calendaire à laquelle il se rapporte, la copie des annexes au rapport environnemental annuel visé à l'article 4.1.8.2 du présent rÚglement ;   b) tous les renseignements, rapports, avis et documents concernant l'environnement et/ou la sécurité externe, imposés ou non par la réglementation environnementale ; ceci vaut en particulier pour les renseignements, rapports, avis et documents que sa propre entreprise doit fournir aux autorités ou tenir à leur disposition en application de la réglementation environnementale ; |
| 4.1.9.3.1, § 2 | Le coordinateur environnemental fournit au comité de prévention et de protection au travail : 1° avant le 1er avril de année suivant l'année calendaire à laquelle il se rapporte, le rapport annuel sur la façon dont il a rempli sa mission, ceci conformément a l'article 4.1.9.1.3., § 3 du présent rÚglement ; 2° une copie de ses avis visés au § 2 de l'article 4.1.9.1.3. du présent rÚglement. |
| 4.2.5.2.1, § 4, derniĂšre phrase | L'exploitant conserve cette approbation et les rĂ©sultats des Ă©chantillonnages, mesures ou analyses effectuĂ©s dans un dossier qui peut toujours ĂȘtre consultĂ© par le fonctionnaire chargĂ© de la surveillance. |
| 4.2.5.3.1, § 4, derniĂšre phrase | L'exploitant conserve cette approbation et les rĂ©sultats des Ă©chantillonnages, mesures et analyses effectuĂ©s dans un dossier qui peut toujours ĂȘtre consultĂ© par le fonctionnaire de surveillance. |
| 4.2.5.4.2, § 2 | L'exploitant doit conserver les rĂ©sultats des mesures effectuĂ©es dans un dossier de mesure qui doit toujours ĂȘtre tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 4.3.2.2, § 3, alinĂ©a trois, premiĂšre phrase | La division chargĂ©e du maintien de l'environnement doit ĂȘtre informĂ©e, au moins 10 jours avant le dĂ©but des travaux, de l'installation des puits de jaugeage visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier. |
| 4.3.2.2, § 3, alinéa trois, derniÚre phrase | L'exploitant doit tenir à la disposition du fonctionnaire de surveillance une fiche technique, établie ou attestée par l'entrepreneur qui a installé les puits de jaugeage, contenant toutes les données techniques relatives à la construction et au pompage d'essai. |
| 4.3.2.3, § 3 | Dans le cas visĂ© au § 1er, l'exploitant est tenu de conserver les rĂ©sultats des mesures exĂ©cutĂ©es dans un dossier de mesure qui doit toujours ĂȘtre tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 4.4.2.4, premiÚre phrase | L'exploitant tient le calcul de la hauteur de la cheminée visé à l'article 4.4.2.3 à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 4.10.1.4, § 1er | L'exploitant d'une installation BKG veille à la surveillance des émissions BKG de l'installation BKG en question. La surveillance des émissions BKG est menée conformément à un plan de monitoring vérifié par le bureau de vérification et approuvé par la division compétente pour la pollution atmosphérique. L'exploitant d'une installation BKG est en possession de ce plan de monitoring vérifié et approuvé. |
| 4.10.1.4, § 2, deux premiĂšres phrases | En 2013, le plan de monitoring est joint Ă l'autorisation Ă©cologique. Les installations BKG qui, en 2013, actualisent leur autorisation Ă©cologique en vue d'obtenir une rubrique Y joignent elles-mĂȘmes, conformĂ©ment Ă l'article 5, § 9, et l'article 6quater, § 3, du titre Ier du VLAREM, un plan de monitoring approuvĂ© Ă l'autorisation. |
| 4.10.1.5, § 1er | A dater du 1er janvier 2014, l'exploitant d'une installation BKG établit chaque année un rapport annuel d'émission sur les émissions BKG que l'installation BKG a générées au cours de l'année civile précédente. Le rapport annuel d'émission contient un rapport du total des émissions BKG générées par l'installation BKG. |
| 4.10.1.5, § 2 | L'exploitant de l'installation BKG introduit, au plus tard le 14 mars de chaque année calendaire, auprÚs de la division compétente pour la pollution atmosphérique, un rapport annuel des émissions vérifié, conformément au RÚglement (UE) n° 600/2012 de la Commission du 21 juin 2012 concernant la vérification des déclarations d'émissions de gaz à effet de serre et des déclarations relatives aux tonnes-kilomÚtres et l'accréditation des vérificateurs conformément à la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil. |
| 5.4.1.4, § 1er | L'exploitant d'un Ă©tablissement dans lequel des pigments, peintures ou autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l'article 5.4.1.3., § 2 sont fabriquĂ©s, utilisĂ©s et/ou entreposĂ©s, doit tenir un registre dans lequel au moins les donnĂ©es suivantes sont mentionnĂ©es :   1° les donnĂ©es sur les produits fabriquĂ©s, respectivement entrĂ©s dans l'Ă©tablissement :   par espĂšce de pigments, de peintures ou d'autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l`article 5.4.1.3., § 2, les quantitĂ©s, exprimĂ©es en kg ou tonne, qui sont fabriquĂ©es, respectivement entrĂ©es dans l`Ă©tablissement ;   2° les donnĂ©es concernant l'entreposage :   par espĂšce de pigments, de peintures ou d`autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l`article 5.4.1.3., § 2, la dĂ©signation de l'endroit oĂč ces produits, avec leur quantitĂ© exprimĂ©e en kg ou tonne, sont entreposĂ©s dans l'Ă©tablissement ;   3° les donnĂ©es relatives au rejet hors de l'Ă©tablissement :   par espĂšce de pigments, de peintures ou d`autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l'article 5.4.1.3., § 2 :   a) la quantitĂ© transformĂ©e Ă l'Ă©tablissement lui-mĂȘme ;   b) le nom de celui Ă qui les produits ont Ă©tĂ© livrĂ©s, la date de livraison, le numĂ©ro de la facture et la quantitĂ© livrĂ©e. |
| 5.4.1.4, § 2 | Le registre visé au § 1er est tenu sur place à la disposition du fonctionnaire de surveillance pendant une période d'au moins 3 années. |
| 5.4.3.2.3, § 4, alinéa premier | Pour chaque cabine de peinture, l'exploitant tient un rapport à la disposition de l'autorité de contrÎle (...). |
| 5.4.3.2.3, § 4, alinéa deux | L'exploitant transmet une copie de ce rapport à l'autorité de contrÎle, si celle-ci en formule la demande. |
| 5.9.2.1.bis, § 2, derniĂšre phrase | Cette attestation peut ĂȘtre consultĂ©e par l'autoritĂ© de contrĂŽle. |
| 5.9.2.3, § 6, derniÚre phrase | Cette étude est tenue à la disposition de l'autorité de contrÎle. |
| 5.9.7.1, § 3 | Les plans d'exécution et les rapports de forage des tuyaux d'observation ou les dispositifs de contrÎle, tels que visés aux §§ 1er et 2 précédents, sont tenus à la disposition de l'autorité de contrÎle. |
| 5.9.11.1. | L'exploitant tiendra un registre du traitement et/ou de la transformation d'engrais. |
| 5.16.2.2.4, derniĂšre phrase | Cette attestation est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.16.3.3, § 2, 1° | L'exploitant tient à la disposition du fonctionnaire de surveillance une attestation établie par le constructeur ou un expert en environnement agréé dans la discipline " appareils et installations sous pression " et/ou dans la discipline " conteneurs pour gaz ou substances dangereuses ", (...). |
| 5.16.3.3, § 3, premiĂšre phrase, 2°, derniĂšre phrase | Les rĂ©sultats de ces enquĂȘtes sont consignĂ©s dans un registre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.16.3.3, § 3, 4° | (...) L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrÎle au propriétaire du bùtiment. L'exploitant et le propriétaire du bùtiment tiennent le rapport de contrÎle à la disposition de l'autorité de contrÎle pendant au moins cinq ans. (...) |
| 5.16.3.3, § 7, 2° | Tant une description dĂ©taillĂ©e que les rĂ©sultats et constatations de ces contrĂŽles doivent ĂȘtre enregistrĂ©s dans le livre de bord avec mention de la date. |
| 5.16.3.3, § 8, 2° | Le gestionnaire d'une installation de rĂ©frigĂ©ration doit tenir un livret de bord de l'installation Ă proximitĂ© de l'installation de rĂ©frigĂ©ration. Ce livret peut ĂȘtre constituĂ© en tout ou en partie sous forme de fichier automatisĂ©. Dans ce livret sont au moins consignĂ©s avec mention de la date :   a) la date de mise en service de l'installation de rĂ©frigĂ©ration, avec indication du type d'agent rĂ©frigĂ©rant et de la capacitĂ© nominale d'agent rĂ©frigĂ©rant ;   b) la nature des travaux de contrĂŽle, d'entretien, de rĂ©paration et d'installation effectuĂ©s Ă une installation de rĂ©frigĂ©ration ;   c) toutes les pannes et alarmes relatives Ă l'installation de rĂ©frigĂ©ration pouvant donner lieu Ă des pertes par fuite ;   d) la nature et le type (nouveau, rĂ©utilisĂ©, recyclĂ© ou rĂ©gĂ©nĂ©rĂ©) d'agent rĂ©frigĂ©rant ajoutĂ© Ă une installation de rĂ©frigĂ©ration ;   e) la quantitĂ© d'agent rĂ©frigĂ©rant vidangĂ© et la quantitĂ© d'agent rĂ©frigĂ©rant Ă©liminĂ© avec indication de la date, du transporteur et de la destination   f) une description et les rĂ©sultats des contrĂŽles d'Ă©tanchĂ©itĂ© ;   g) le nom de la personne qui a effectuĂ© les opĂ©rations et les observations citĂ©es sous a) Ă f) inclus et, au besoin, le nom de l'entreprise qui occupe cette personne ;   h) au besoin, une attestation dĂ©livrĂ©e par la personne visĂ©e sous g) concernant les opĂ©rations qu'elle a effectuĂ©es ;   i) les pĂ©riodes importantes de mise hors service. |
| 5.16.3.3, § 8, 3° | Pour permettre le contrÎle des agents réfrigérants ajoutés ou enlevés, l'exploitant doit tenir à la disposition du fonctionnaire de surveillance les documents suivants :   a) les factures relatives aux quantités d'agent réfrigérant achetées ;   b) le livret visé sous 2°. |
| 5.16.4.1.3, § 3, 1°, derniÚre phrase | Les résultats des tests sont notés dans un carnet de notes tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance et de l'expert en environnement agréé chargé des contrÎles mentionnés au 2°. |
| 5.16.4.1.3, § 3, 2°, alinéa trois | Le rapport de contrÎle précité est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.16.4.3.6, § 3, premiÚre phrase | (...) rapports (...) qui sont tenus à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.16.7.8, § 1er | L'exploitant tient les rĂ©sultats de l'examen lors de la mise en service Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance et les conserve au minimum jusqu'au moment oĂč l'unitĂ© distributrice est Ă©vacuĂ©e. L'exploitant tient les rĂ©sultats de mesurages, inspections et contrĂŽles prescrits pĂ©riodiquement Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance, au minimum jusqu'au moment oĂč les rĂ©sultats des mesurages, inspection ou contrĂŽles suivants de l'unitĂ© distributrice sont disponibles. |
| 5.18.1.1, § 3 | L'exploitant tient Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance une copie des dĂ©cisions d'autorisation et des plans y affĂ©rents oĂč les parcelles cadastrales autorisĂ©es sont clairement indiquĂ©es. |
| 5.18.1.1, § 5, alinéa premier | Le nom de cette personne responsable est transmis par écrit à la division chargée du maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles par le détenteur de l'autorisation. |
| 5.18.1.2, § 4 | L'exploitant rĂ©dige un rapport d'avancement comme stipulĂ© dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exĂ©cution du dĂ©cret relatif aux minerais de surface. |
| 5.18.2.1, § 1er | (...) L'exploitant communique, au plus tard sept jours calendaires au préalable, la date et l'heure à laquelle il est procédé à cette délimitation à la division compétente pour le maintien de l'environnement ainsi qu'à la division chargée des ressources naturelles. |
| 5.19.2.3.3, 3° | l'exploitant tient une attestation à la disposition des fonctionnaires de surveillance (...) |
| 5.19.2.3.4, § 3, alinéa trois, premiÚre phrase | L'exploitant tient un programme de contrÎle à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.19.2.3.4, § 4 | Les données des contrÎles visés au § 3, les résultats des mesures et autres constatations ainsi que les réparations ou modifications exécutées aux installations, sont inscrites dans un registre qui, ensemble avec les rapports de contrÎle, sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.20.2.8, § 3 | Chaque changement de combustible, de la teneur en soufre du combustible liquide et des heures de mise hors service est inscrite dans un registre, que l'exploitant tient à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.28.2.3, § 7, alinéa deux, premiÚre phrase | L'exploitant adresse une copie des résultats d'analyse à la division chargée du maintien de l'environnement et le cas échéant à l'exploitant de la prise d'eau à protéger. |
| 5.28.3.2.1, § 1er, derniÚre phrase | L'exploitant communique le nom du délégué responsable par écrit à l'autorité de contrÎle. |
| 5.28.3.2.3, § 1er | L'exploitant tient un registre. Dans ce registre, l'exploitant note au moins :   1° les données relatives à l'engrais animal amené :   a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de l'engrais animal ;   b) la nature de l'engrais animal (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;   c) la provenance (producteur) de l'engrais animal ;   d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;   e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;   f) [...] ;   g) le cas échéant, les remarques concernant l'engrais animal et l'apport.   2° les données relatives à l'engrais animal non traité ou non transformé éventuellement évacué :   a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal ;   b) la nature de l'engrais animal non traité (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;   c) la destination de l'engrais animal ;   d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;   e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;   f) [...] ;   g) le cas échéant, les remarques concernant l'engrais animal et l'évacuation.   3° les données relatives à l'évacuation des produits finis (revalorisés ou non) :   a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal ;   b) la nature des produits finis ;   c) la destination des produits finis ;   d) les coordonnées du transporteur des produits finis et le mode de transport avec indication des références du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture ;   e) la quantité (masse et volume) des produits finis ;   f) [...] ;   4° les données relatives à l'engrais animal amené mais refusé :   a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de l'engrais animal ;   b) la nature de l'engrais animal (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;   c) la provenance (producteur) de l'engrais animal ;   d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;   e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;   f) [...] ;   g) le motif du refus et les remarques concernant l'engrais animal et l'apport ;   5° les difficultés et perturbations rencontrées, observations, mesures et autres renseignements concernant l'exploitation de l'établissement ;   6° les données relatives à l'apport d'autres matiÚres (premiÚres) :   a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport des autres matiÚres (premiÚres) ;   b) la nature des autres matiÚres (premiÚres) ;   c) la provenance des autres matiÚres (premiÚres) ;   d) la quantité (masse et volume) des autres matiÚres (premiÚres) ;   e) [...] ; |
| 5.28.3.2.3, § 3 | Le registre, visĂ© au § 1er, peut ĂȘtre consultĂ© par les fonctionnaires de surveillance. |
| 5.28.3.2.4, § 1er | Le registre visé à l'article 5.28.3.2.3 reprendra pour tout type d'engrais animal le volume total d'engrais animal acheminé, traité et évacué et le volume d'autres matiÚres (premiÚres) acheminées par jour, par mois et par année calendrier. Ces données seront communiquées à la division Mestbank de la Vlaamse Landmaatschappij sur simple demande. La quantité d'engrais animal acheminée est également totalisée par numéro de la Mestbank par année calendaire. |
| 5.29.0.6, § 1er, alinéa cinq, derniÚre phrase | Le moment et l'exécutant des mesures sont communiqués par fax au fonctionnaire chargé du contrÎle au plus tard 72 heures avant le début des mesures. |
| 5.32.1.3, alinéa deux | Le dossier de sécurité visé au premier alinéa est à la disposition du fonctionnaire chargé du contrÎle. |
| 5.32.2.2bis, § 1er, 3°, alinéa premier | A l'initiative et aux frais de l'exploitant, soit LAeq,15min, soit LAmax, slow est mesuré en continu au moyen d'appareils de mesurage répondant aux exigences visées à l'article 2 de l'annexe 5.32.2.2bis. Pendant l'activité musicale, le niveau acoustique est visible en continu pour l'exploitant ou une personne désignée par lui, et est contrÎlé en continu par l'exploitant ou la personne désignée par lui. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 3°, alinĂ©a premier | A l'initiative et aux frais de l'exploitant, LAeq,60min est mesurĂ© et enregistrĂ© en continu au moyen d'un Ă©quipement de mesure qui est conforme aux exigences, visĂ©es Ă l'article 2 de l'annexe 5.32.2.2bis, et LAeq,15 min peut ĂȘtre mesurĂ©. (...) Le niveau sonore est visible en continu pendant l'activitĂ© musicale et est contrĂŽlĂ© en continu par l'exploitant ou par une personne dĂ©signĂ©e par lui. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 3°, deuxiÚme alinéa | Les données enregistrées sont tenues à la disposition de l'autorité de tutelle pendant une période d'un mois au moins. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 4°, a) | L'exploitant prend les mesures suivantes afin de protéger les visiteurs contre les pertes auditives :   a) mise à disposition gratuite de protections auditives à usage unique à tous les visiteurs. |
| 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b) | L'exploitant prend les mesures suivantes afin de protĂ©ger les visiteurs contre les pertes auditives :   b) l'Ă©laboration d'un plan sonore afin d'optimiser le niveau acoustique dans l'Ă©tablissement en cas d'installations sonores permanentes appartenant Ă l'Ă©tablissement. Le plan sonore doit contenir au moins les donnĂ©es suivantes :   1) l'emplacement et le choix optimaux des haut-parleurs tout en tenant compte d'une rĂ©partition aussi efficace que possible du bruit ;   2) le point de mesurage ;   3) le niveau acoustique Ă la hauteur du point de mesurage et de quatre autres points d'Ă©valuation au moins ;   4) l'endroit oĂč le niveau acoustique est rĂ©glĂ© ;   5) le plan Ă l'Ă©chelle de tout l'espace accessible au public.   Le plan sonore est Ă©laborĂ© par un expert environnemental agréé dans la discipline son et vibrations. Le cas Ă©chĂ©ant, le plan fait partie de l'examen acoustique visĂ© Ă l'article 5.32.2.3, § 1er. Le plan acoustique se trouve dans l'Ă©tablissement et peut ĂȘtre consultĂ© par l'autoritĂ© de tutelle. |
| 5.32.2.3, § 1er, alinéa trois | L'autorité délivrante et le fonctionnaire de surveillance sont informés par écrit par l'exploitant des mesures d'assainissement prévues. |
| 5.32.2.3, § 3 | Les rapports d'enquĂȘte visĂ©s aux §§ 1er et 2 du prĂ©sent article sont prĂ©sents dans l'Ă©tablissement. Ils sont Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.3.8, § 5, deux derniÚres phrases | Un rapport de ces contrÎles et constatations est établi. Ce rapport est joint au dossier de sécurité. |
| 5.32.4.2, § 6, derniÚre phrase | Le rapport d'inspection est conservé dans le dossier de sécurité. |
| 5.32.7.2.4, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Un certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.2.4, § 5, derniÚre phrase | Ces certificats de contrÎle sont conservés par l'exploitant dans le dossier de sécurité qui sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.2.5, § 1er, alinĂ©a dernier | La date et la nature des travaux d'entretien doivent ĂȘtre notĂ©es dans un registre qui fait partie du dossier de sĂ©curitĂ© qui doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant et tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.2.6, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase | Les certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle seront ajoutés dans le dossier de sécurité qui sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.2.9, § 9, alinéa premier | Un rÚglement d'ordre intérieur est communiqué à la police ou gendarmerie locale. Ce rÚglement d'ordre intérieur contient : les directives et obligations relatives à l'enregistrement des tireurs, les modalités concernant le chargement et déchargement des armes, les modalités pour les tirs, entre autres les disciplines de tirs et les stands de tir ainsi que celles relatives à l'entrée et l'évacuation de la zone de tir. Le rÚglement mentionne expressément que les tireurs s'engagent à respecter les ordres relatifs à la sécurité de la personne responsable. |
| 5.32.7.2.12, § 1er | L'exploitant doit tenir un dossier d'exploitation, comprenant :   1° un dossier de sécurité qui comprend :   a) le plan de situation à une échelle minimale de 1/200 de tous les locaux avec indication de leurs communications, accÚs et sorties, ainsi que la nature et l'emplacement des extincteurs et l'emplacement du tableau électrique ;   b) le certificat du corps de pompiers compétent concernant la nature, le nombre et l'emplacement des extincteurs ainsi que concernant le nombre de personnes admises dans l'espace de tir ;   c) les certificats concernant la résistance au feu ou la capacité d'auto-extinction des matériaux de construction utilisés ;   d) les certificats concernant les contrÎles de l'installation électrique et des extincteurs ;   e) le nom de la personne responsable pour la sécurité.   2° le rÚglement d'ordre intérieur ;   3° un registre de travail avec la liste indiquant la nature et la date des travaux d'entretien, de contrÎle et de réparation effectués ;   4° le nom de l'exploitant et la liste des membres. |
| 5.32.7.2.12, § 2 | Le dossier d'exploitation est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance à tout temps. |
| 5.32.7.5.3, § 3, derniÚre phrase | Ces certificats de contrÎle sont conservés par l'exploitant dans le dossier de sécurité qui sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.5.4, § 1er, derniÚre phrase | Les certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle sont ajoutés dans le dossier de sécurité qui est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.5.7, § 1er | L'exploitant doit tenir un dossier d'exploitation, comprenant :   1° un dossier de sécurité, qui comprend :   a) le plan de situation à une échelle minimale de 1/200 de tous les locaux avec indication de leurs communications, accÚs et sorties, ainsi que la nature et l'emplacement des extincteurs et l'emplacement du tableau électrique ;   b) les certificats concernant les contrÎles de l'installation électrique et des extincteurs ;   c) le nom de la personne responsable pour la sécurité.   2° le rÚglement d'ordre intérieur ;   3° un registre de travail avec la liste indiquant la nature et la date des travaux d'entretien, de contrÎle et de réparation effectués ; |
| 5.32.7.5.7, § 2 | Le dossier d'exploitation est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance à tout temps. |
| 5.32.7.6.4, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Un certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.7.6.4, § 3, derniÚre phrase | Ces certificats de contrÎle sont conservés par l'exploitant dans le dossier de sécurité qui sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.8.2.1, § 1er, derniĂšre phrase | La preuve de l'Ă©ventuelle convention de location doit ĂȘtre tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.1.2, § 1er, alinéa deux | Les certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle sont tenus à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.1.3, § 1er, derniÚre phrase | Les certificats de contrÎle sont tenus par l'exploitant à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.1.4, § 1er | L'exploitant notifie au fonctionnaire de surveillance de l'Agence flamande des Soins et de la SantĂ© :   1° de la date de la premiĂšre mise en service ;   2° de la pĂ©riode de fermeture pour p. ex. l'entretien, des adaptations, etc. ;   3° de la remise en service de la piscine ;   4° de toutes les modifications d'un point de vue de la technique de construction, mĂȘme si celles-ci sont exĂ©cutĂ©es en interne. |
| 5.32.9.2.2, § 1er, premiÚre phrase | L'exploitant dispose de procédures écrites dans lesquelles le fonctionnement est décrit en conditions normales et en conditions d'urgence. |
| 5.32.9.2.2, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase | Les procédures précitées sont également tenues à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.2.2, § 2, 2°, avant-derniÚre phrase | (...) Un certificat de cet essai est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. (...) |
| 5.32.9.2.2, § 2, 7° | L'exploitant tient un registre avec les données relatives à la gestion des produits chimiques, à savoir leur dénomination, quantité, date de livraison, incidents éventuels, tous les travaux d'entretien, contrÎles, pannes, réparations et accidents. |
| 5.32.9.2.2, § 3, 5°, derniÚre phrase | La copie du brevet ou du certificat précité est tenue à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.2.2, § 3, 6°, avant-derniÚre phrase | Le certificat de la plus récente formation supplémentaire est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.2.2, § 3ter, alinéa deux, derniÚre phrase | Ce plan de surveillance est tenu à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 5.32.9.2.2, § 4, 3°, alinéa trois, derniÚre phrase | Une copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.2.2, § 4, 4° | L'exploitant tient un registre comprenant les données suivantes :   a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous 2° ;   b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;   c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;   d) le taux d'occupation journalier de la piscine ;   e) chaque particularité, incident ou accident ;   f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;   g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.   Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.2.2, § 7, 1° | L'exploitant instaure un rÚglement d'ordre intérieur afin d'assurer une bonne exploitation. Ce rÚglement est affiché à des endroits bien visibles dans l'établissement pour les visiteurs. |
| 5.32.9.2.2, § 7, 2° | Le rĂšglement visĂ© sous 1° contient au moins les points suivants :   a) la direction a le droit d'interdire l'entrĂ©e dans l'Ă©tablissement Ă toute personne qui apparaĂźt prĂ©senter un danger pour la sĂ©curitĂ© et la santĂ© des personnes prĂ©sentes (ivresse, perturbation de l'ordre, non-respect du prĂ©sent rĂšglement, etc.) ;   b) les animaux ne sont pas admis dans l'Ă©tablissement ;   c) chaque baigneur doit prendre une douche avant de pĂ©nĂ©trer dans le local de la piscine ;   d) les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille. |
| 5.32.9.2.2, § 1er, premiÚre phrase | L'exploitant dispose de procédures écrites dans lesquelles le fonctionnement est décrit en conditions normales et en conditions d'urgence. |
| 5.32.9.3.2, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase | Les procédures précitées sont également tenues à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.3.2, § 2, 2°, avant-derniÚre phrase | Un certificat de cet essai est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.3.2, § 2, 7° | L'exploitant tient un registre avec les données relatives à la gestion des produits chimiques, à savoir leur dénomination, quantité, date de livraison, incidents éventuels, tous les travaux d'entretien, contrÎles, pannes, réparations et accidents. |
| 5.32.9.3.2, § 3, 5°, derniÚre phrase | La copie du brevet ou du certificat précité est tenue à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.3.2, § 3, 6°, avant-derniÚre phrase | Le certificat de la plus récente formation supplémentaire est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.3.2, § 3bis, alinéa deux, derniÚre phrase | Ce plan de surveillance est tenu à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 5.32.9.3.2, § 4, 3°, alinéa trois, derniÚre phrase | Une copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.3.2, § 4, 4° | L'exploitant tient un registre comprenant les données suivantes :   a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous 2° ;   b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;   c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;   d) le taux d`occupation journalier de la piscine ;   e) chaque particularité, incident ou accident ;   f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;   g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.   Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.3.2, § 7, 1° | L'exploitant instaure un rÚglement d'ordre intérieur afin d'assurer une bonne exploitation. Ce rÚglement est affiché à des endroits bien visibles dans l'établissement pour les visiteurs. |
| 5.32.9.3.2, § 7, 2° | Le rĂšglement visĂ© au § 1er contient au moins les points suivants :   a) la direction a le droit d'interdire l'entrĂ©e dans l'Ă©tablissement Ă toute personne qui apparaĂźt prĂ©senter un danger pour la sĂ©curitĂ© et la santĂ© des personnes prĂ©sentes (ivresse, perturbation de l'ordre, non-respect du prĂ©sent rĂšglement, etc.) ;   b) les animaux, sauf les chiens d'assistance dans la zone " pieds chaussĂ©s ", ne sont pas autorisĂ©s dans l'Ă©tablissement ;   c) chaque baigneur doit prendre une douche avant de pĂ©nĂ©trer dans le local de la piscine ;   d) les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille. |
| 5.32.9.4.2, § 3, alinéa trois, derniÚre phrase | Une copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.4.2, § 6 | L`exploitant tient un registre comprenant les données suivantes :   1° les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous § 2 ;   2° les résultats des analyses mensuelles visées sous § 3 ;   3° les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;   4° le taux d'occupation journalier de la piscine ;   5° chaque particularité, incident ou accident ;   6° le relevé mensuel de la consommation d'eau ;   7° toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.   Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.5.1, § 3, alinéa trois, derniÚre phrase | Une copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.5.2, § 1er, alinéa deux | Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.7.2, § 1er, alinéa premier, premiÚre phrase | L'exploitant dispose de procédures écrites dans lesquelles le fonctionnement est décrit en conditions normales et en conditions d'urgence. |
| 5.32.9.7.2, § 1er, alinéa deux | Les procédures précitées sont également tenues à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.7.2, § 2, 2°, avant-derniÚre phrase | Un certificat de cet essai est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.7.2, § 2, 7° | L'exploitant tient un registre avec les données relatives à la gestion des produits chimiques, à savoir leur dénomination, quantité, date de livraison, incidents éventuels, tous les travaux d'entretien, contrÎles, pannes, réparations et accidents. |
| 5.32.9.7.2, § 3, 4°, derniÚre phrase | Le certificat de la plus récente formation supplémentaire est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.7.2, § 4, 3°, alinéa trois, derniÚre phrase | Une copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.7.2, § 4, 4° | L'exploitant tient un registre comprenant les données suivantes :   a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine, visées sous 2° ;   b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;   c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;   d) le taux d`occupation journalier de la piscine ;   e) chaque particularité, incident ou accident ;   f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;   g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.   Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.32.9.8.1, § 2, alinĂ©a premier | L'exploitant fixe un rĂšglement d'ordre intĂ©rieur qui contient au moins les dispositions suivantes :   1° l'accĂšs Ă la piscine est interdit aux personnes en Ă©tat d'Ă©briĂ©tĂ© ;   2° les personnes atteintes ou suspectes ĂȘtre atteintes d'une maladie contagieuse ne sont pas admises dans l'eau de la piscine ;   3° il est interdit d'utiliser du savon dans des endroits autres que dans les douches ;   4° Ă l'exception des chiens d'assistance sur la plage, les chiens ou d'autres animaux domestiques ne sont pas autorisĂ©s dans l'eau ou sur la plage ;   5° les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille ;   6° les chiens d'assistance sur la plage sont attachĂ©s Ă l'endroit prĂ©vu Ă cet effet pour les chiens d'assistance si la personne malade ou handicapĂ©e va dans l'eau. |
| 5.32.9.8.2, § 3, derniÚre phrase | Une copie de ces résultats d'analyse est directement envoyée par le laboratoire à la division de l'Agence flamande des Soins et de la Santé, compétente pour la surveillance de la santé publique. |
| 5.32.9.8.5, § 6bis, alinéa deux | Ce plan de surveillance est tenu à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 5.32.9.8.5, § 7, derniÚre phrase | La copie du brevet ou du certificat précité est tenue à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.9.8.5, § 8, avant-derniÚre phrase | Le certificat de la plus récente formation supplémentaire est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation. |
| 5.32.10.1, § 3, alinéa deux, deuxiÚme phrase | Le contrÎle des mesures et la façon dont celui-ci est effectué sont mentionnés dans le registre. |
| 5.33.0.2, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Un certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant. |
| 5.33.0.2, § 2, derniÚre phrase | Les certificats de contrÎle sont tenus par l'exploitant à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.33.0.3, § 4, derniĂšre phrase | Les certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle doivent ĂȘtre tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.36.0.2, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Un certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant. |
| 5.36.0.2, § 2, derniÚre phrase | Les certificats de contrÎle sont tenus par l'exploitant à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.36.0.3, § 4, derniÚre phrase | Les certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle sont tenus à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.38.0.2, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Un certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant. |
| 5.38.0.2, § 4, derniÚre phrase | Les certificats de contrÎle sont tenus par l'exploitant à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.38.0.3, § 5, derniÚre phrase | Les certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle sont tenus à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.41.1.3, § 1er, derniÚre phrase | Les certificats de contrÎle sont tenus par l'exploitant à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.41.1.3, § 4, derniĂšre phrase | Les certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle doivent ĂȘtre tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 5.41.2.2, § 4, alinéa premier, premiÚre phrase | L'exploitant conserve pour chaque machine qui utilise du tétrachloréthane comme nettoyant un rapport à la disposition du fonctionnaire de surveillance, dans lequel il est démontré que les conditions du § 2 et du § 3 sont satisfaites. |
| 5.41.2.2., § 4, alinéa deux | L'exploitant transmet une copie de ce rapport à l'autorité de contrÎle, si celle-ci en formule la demande. |
| 5.41.2.3, § 3, derniĂšre phrase | Ce livre de bord doit ĂȘtre conservĂ© au moins 5 ans aprĂšs le dernier enregistrement et doit ĂȘtre tenu Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle. |
| 5.43.4.2. | Chaque modification du combustible, de la teneur en soufre du combustible liquide et des heures de mise hors service est inscrite dans un registre, que l`exploitant tient à la disposition de l`autorité de contrÎle. |
| 5.51.4.1. | L'utilisateur tient le rapport de l'analyse des risques et un registre des OGM et organismes pathogÚnes, utilisés dans le cadre d'une utilisation confinée, à disposition des fonctionnaires de surveillance et de l'instance compétente. |
| 5.51.4.2, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase | Ce programme de contrĂŽle doit ĂȘtre tenu Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle. |
| 5.53.3.3, § 5 | (...) un certificat (...) qui est présenté sur simple demande aux fonctionnaires chargés du contrÎle. (...) |
| 5.53.3.3, § 6 | (...) Le relevé du compteur est noté dans un registre lors de l'enlÚvement et du replacement. (...) |
| 5.53.3.3, § 9 | Le relevĂ© du dĂ©bitmĂštre est notĂ© dans un registre le dernier jour calendaire de chaque annĂ©e au cours de laquelle les eaux souterraines sont pompĂ©es et Ă chaque fois que le dĂ©bitmĂštre doit ĂȘtre enlevĂ© ou repositionnĂ©, pour quelle raison que ce soit. |
| 5.53.4.6, § 2 | Les données, visées à l'article 5.53.4.5 et au § 1er, sont consignées par l'exploitant dans un registre qui reste sur place ou sont stockées dans une base de données centralisée de l'exploitation, tenue à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 5.53.4.7. | "L'exploitant d'un captage d'eaux souterraines autorisĂ© Ă pomper plus de 30 000 m3 par an communique chaque annĂ©e les rĂ©sultats de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente des volumes d'eaux souterraines captĂ©es par nappe phrĂ©atique, des analyses des eaux souterraines et des mesures de niveau effectuĂ©es. Cette communication est faite conformĂ©ment aux articles 2 et 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, et ce avant la date que ce dernier stipule, et Ă l'aide des parties IA et IV du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© dont le modĂšle est joint en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 janvier 2005 modifiant les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement, du 18 mars 1997 fixant les modalitĂ©s de dĂ©claration des quantitĂ©s d'eau souterraine pompĂ©es ou captĂ©es par les sociĂ©tĂ©s responsables de l'alimentation publique en eau potable en vue de la fixation de la taxe, du 28 juin 2002 portant exĂ©cution du Chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution et du chapitre IVbis du dĂ©cret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matiĂšre de gestion des eaux souterraines, du 5 dĂ©cembre 2003 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă la prĂ©vention et Ă la gestion des dĂ©chets et du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©. |
| 5.53.4.8. | Au plus tard, nonante jours aprĂšs le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d`un captage d`eaux souterraines ou d`une unitĂ© de captage d`eaux souterraines dont le volume autorisĂ© comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes Ă la division compĂ©tente pour les eaux souterraines :   1° le but du forage ;   2° le rapport de forage avec une description de la nature des aquifĂšres traversĂ©s ;   3° la description de la composition gĂ©ologique des couches, dans la mesure oĂč celles-ci sont connues ;   4° la description technique de l'Ă©quipement utilisĂ© dans le trou de forage, de l'exĂ©cution et de la transformation du puits et/ou de toute autre installation ;   5° l'aquifĂšre duquel proviennent les eaux souterraines ;   6° le dĂ©bit spĂ©cifique du puits ;   7° la qualitĂ© des eaux souterraines pompĂ©es sur la base des rĂ©sultats d'analyse visĂ©s Ă l'article 5.53.4.5. § 1er ;   8° la profondeur des eaux souterraines au repos aprĂšs dĂ©veloppement du puits par rapport Ă la surface du sol ;   9° les mesures prises en vue d'Ă©viter la pollution de l'environnement en gĂ©nĂ©ral et celle des eaux souterraines en particulier ;   10° Ă partir d'un volume autorisĂ© de 1 000 000 m3 par an, le rapport d'expertise Ă©tabli aprĂšs un essai de pompage ;   11° la reprĂ©sentation cartographique Ă Ă©chelle 1/250e avec indication de rĂ©fĂ©rences visibles sur le terrain. |
| 5.53.6.3.1, § 4 | Les données, visées aux §§ 1er et 2, sont notées dans un registre qui est conservé sur place ou dans une base de données centralisée de l'entreprise, tenue à la disposition des fonctionnaires de surveillance. |
| 5.53.6.3.2 | L`exploitant d'un captage d'eaux souterraines, visé à la sous-rubrique 53.7 de la liste de classification, établit, tous les cinq ans, un rapport contenant les données suivantes :   1° une description de l'évolution des débits pompés et des niveaux correspondants dans les puits de production et dans les puits de sonde au cours de la période écoulée (éventuellement reproduite en séquences), accompagnée d'une évaluation de cette période ;   2° une description des influences éventuelles potentiellement constatées à la surface des propriétés, tant en ce qui concerne la stabilité du sol qu'en ce qui concerne la végétation et le milieu naturel ;   3° dans le cas de captages d'eaux souterraines à cinq puits de sonde et plus, deux cartes représentant le niveau de hausse de l'eau dans l'aquifÚre alimenté par pompage et dans l'aquifÚre phréatique de la zone avoisinante, établies en se basant sur des mesures réelles; l'une des cartes montrera le niveau le plus élevé, l'autre, le niveau le plus bas des eaux souterraines. L'exploitant fournit une copie de ce rapport à l'autorité qui a délivré l'autorisation, ainsi qu'à la division compétente pour les eaux souterraines. |
| 5.54.3, § 2 | L'exploitant tiendra un registre concernant l'exploitation d'un établissement pour l'alimentation artificielle des eaux souterraines, dans lequel seront inscrits :   1° les résultats des mesurages visés au § 1er, ainsi que le niveau dans le tronçon d'infiltration ;   2° durant la premiÚre année de l'alimentation artificielle, la quantité d'eau ajoutée artificiellement au cours des 24 heures précédant les mesurages hebdomadaires du niveau ;   3° la quantité d'eau ajoutée artificiellement sur une base mensuelle.   L'exploitant tiendra le registre à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle. |
| 5.54.3, § 3 | Si le volume annuel d'eau ajoutée comprend plus de 30 000 m3, l'exploitant est tenu de communiquer les informations visées au § 2, par écrit, à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines, au plus tard le 15 mars de chaque année suivant celle à laquelle se rapportent les données. |
| 5.54.4, § 2, alinéa trois | L'exploitant tiendra les rapports d'échantillonnages et d'analyses visés au premier alinéa à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle. |
| 5.54.5, § 2 | L'exploitant tiendra les rapports des échantillonnages et analyses visés au § 1er à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle. |
| 5.54.5, § 3 | Si le volume annuel d'eau ajoutée comprend plus de 30 000 m3, l'exploitant est tenu de communiquer les informations visées au § 1er, par écrit, à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines, au plus tard le 15 mars de chaque année suivant celle à laquelle se rapportent les données. |
| 5.55.1.2, quatriÚme alinéa | Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours aprÚs le forage, les données suivantes à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines :   1° l'objectif du forage ;   2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré ;   3° la description géologique de ces couches, si elle est connue ;   4° la description technique de l'équipement du puits de forage ;   5° la profondeur de l'eau souterraine en repos aprÚs du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable ;   6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier ;   7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain. |
| 5.55.1.3, § 1er, alinéa deux | Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines. |
| 5.57.2.2, § 2, alinéa deux | L'exploitant transmet un exemplaire de ce plan :   1° à la division, compétente pour les autorisations écologiques ;   2° à la division compétente pour le maintien de l'environnement ;   3° à la division compétente pour les nuisances sonores ;   4° à la Députation permanente de la ou des province(s) faisant l'objet des courbes de bruit ;   5° au collÚge des bourgmestre et échevins de la ou des commune(s) faisant l'objet des courbes de bruit. |
| 5.57.2.2, § 3 | Sauf mention contraire dans l'autorisation écologique, le plan, visé au § 2, et les données, visées à l'article 5.57.1.2, § 5, sont transmis aux instances citées au § 2, au plus tard pour le 30 avril de l'année qui suit celle faisant l'objet du calcul. |
| 5.60.3, § 1er, derniÚre phrase | L'exploitant communique le nom du délégué responsable par écrit à l'autorité de contrÎle. |
| 5.60.3, § 4 | Sauf dispositions contraires stipulées par l'autorisation écologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignées au moins les données suivantes :   1° le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;   2° la provenance et l'origine de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;   3° le transporteur des terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;   4° la quantité de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;   5° les remarques concernant les terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol et les remarques relatives à l'apport, y compris les livraisons refusées de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol. |
| 5.60.6 | L'exploitant signale immĂ©diatement, par fax, courrier Ă©lectronique ou tĂ©lĂ©phone au bourgmestre et aux contrĂŽleurs de la division compĂ©tente pour le maintien de l'environnement et de la division compĂ©tente pour les ressources naturelles, toute instabilitĂ© menaçante susceptible de constituer un danger pour les alentours.   L'exploitant signale immĂ©diatement, par fax, courrier Ă©lectronique ou tĂ©lĂ©phone au bourgmestre et aux contrĂŽleurs de la division compĂ©tente pour le maintien de l'environnement et de la division compĂ©tente pour les ressources naturelles, toute instabilitĂ© effective qui a un volume de plus de 250 mĂŒ et a portĂ© atteinte Ă une pente dĂ©finitive ou aux limites de la parcelle. |
| 5.61.2, § 4 | Sauf dispositions contraires stipulĂ©es par l'autorisation Ă©cologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignĂ©es au moins les donnĂ©es suivantes : 1° en ce qui concerne l'apport :   a) le numĂ©ro d'ordre, la date et l'heure du transport des terres excavĂ©es ;   b) l'origine et la provenance des terres excavĂ©es ;   c) le transporteur des terres excavĂ©es ;   d) les quantitĂ©s de terres excavĂ©es apportĂ©es ;   e) des remarques sur les terres excavĂ©es apportĂ©es, y compris les terres excavĂ©es acheminĂ©es.   2° en ce qui concerne l'entreposage : le lieu oĂč les terres livrĂ©es sont entreposĂ©es. 3° en ce qui concerne l'Ă©vacuation :   a) la destination des terres excavĂ©es ;   b) le transporteur des terres excavĂ©es ;   c) les quantitĂ©s de terres excavĂ©es Ă©vacuĂ©es ; |
| 6.5.3.1, § 1er, 5° | (...) cette attestation est tenue à la disposition du fonctionnaire de surveillance. |
| 6.5.4.4. | Lors de la réception de l'installation de stockage, l'installateur habilité ou le technicien agréé remet au propriétaire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriétaire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation. |
| 6.10.2.2, § 1er, premiÚre phrase | L'exploitation des antennes émettrices fixes ou la modification d'une antenne émettrice fixe est interdite sans attestation de conformité. |
| 6.10.3.2. | Pour les antennes Ă©mettrices fixes existantes, une attestation confirmant la conformitĂ© Ă la partie 2, chapitre 2.14, section 2.14.2 doit ĂȘtre dĂ©livrĂ©e au plus tard le 31 dĂ©cembre 2011. |
  1° Etablissements tels que mentionnés au § 1er, 1°, 2°, 4° et 5° : le formulaire partiel " Données d'identification ", le formulaire partiel " Emissions dans l'air ", la section pertinente du formulaire partiel " Données énergétiques ", le formulaire partiel " Emissions dans l'eau ", le formulaire partiel " Déclaration de déchets pour producteurs " et le formulaire partiel " Emissions dans le sol, polluants issus de déchets ";
  2° Etablissements tels que mentionnés à l'article 4.1.8.1, § 1er, 3° : le formulaire partiel " Données d'identification " et la section pertinente du formulaire partiel " Données énergétiques ".
  3° les eaux usĂ©es Ă©vacuĂ©es pour Ă©puration dans une installation externe d'Ă©puration des eaux usĂ©es : le formulaire partiel " DonnĂ©es d'identification " et le formulaire partiel " Emissions dans l'eau " ;4.1.8.2, § 1er Les exploitants des catĂ©gories d'Ă©tablissements, visĂ©es Ă l'article 4.1.8.1 sont tenus de faire parvenir le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, chaque annĂ©e dans l'annĂ©e qui suit l'annĂ©e civile Ă laquelle le rapport annuel se rapporte, Ă l'administration, conformĂ©ment aux articles 2 et 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© et vers la date que ce dernier fixe. Les annexes du rapport annuel, visĂ©es au § 2 de l'article 4.1.8.3, ne doivent pas ĂȘtre jointes.4.1.8.2, § 3 Les Ă©tablissements nouvellement mis en service prĂ©sentent leur premier rapport annuel au cours de l'annĂ©e qui suit la premiĂšre annĂ©e civile d'activitĂ©.4.1.8.3, § 1er Le rapport environnemental annuel visĂ© Ă l'article 4.1.8.2, § 1er, comprend les formulaires partiels suivants pour autant que l'Ă©tablissement y est obligĂ© suivant les dispositions concernĂ©es de l'arrĂȘtĂ© :
  1° le formulaire partiel " Données d'identification " ;
  2° le formulaire partiel " Emissions dans l'air " et le formulaire partiel " Emissions dans l'eau " : ces formulaires partiels comprennent les donnĂ©es reprises au modĂšle du formulaire partiel " Emissions dans l'air " et du formulaire partiel " Emissions dans l'eau " du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, dont le modĂšle est joint en annexe Ire Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© ;
  3° le formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques " : ce formulaire partiel comprend des donnĂ©es mentionnĂ©es dans le formulaire partiel " DonnĂ©es Ă©nergĂ©tiques " du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© dont le modĂšle est joint en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©.4.1.8.3, § 2 Pour autant qu'applicables Ă l'Ă©tablissement, les rapports imposĂ©s par les conditions particuliĂšres des arrĂȘtĂ©s d'autorisation ne sont pas joints en annexe au rapport environnemental intĂ©grĂ© mais sĂ©parĂ©ment envoyĂ©s Ă la division des Autorisations environnementales et aux autres services mentionnĂ©s dans les conditions particuliĂšres.4.1.8.3, § 4 Le rapport environnemental annuel et les annexes sont conservĂ©s par l'exploitant au moins pendant 5 ans et tenus Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.4.1.9.1.1, § 4 Un coordinateur environnemental peut ĂȘtre dĂ©signĂ© pour deux ou plusieurs Ă©tablissements Ă la fois. Avant de procĂ©der Ă la dĂ©signation commune, la division compĂ©tente pour les autorisations Ă©cologiques, doit y consentir et le communiquer Ă l'exploitant.
  Ce consentement n'est toutefois pas exigé lorsqu'il :
  1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé. Dans ce cas, l'exploitant met la division compétente pour les autorisations écologiques immédiatement au courant de la désignation du coordinateur environnemental agréé par lettre recommandée ;
  2° s'agit d'une dĂ©signation commune pour diffĂ©rents Ă©tablissements, qui ensemble forment un lieu d'exploitation et sont sous le contrĂŽle d'une personne physique ou d'une personne morale.4.1.9.1.3, § 2 Le coordinateur environnemental rend un avis sur tout investissement envisagĂ© qui peut ĂȘtre significatif sur le plan de l'environnement.
  Son avis est recueilli à temps et il est soumis à l'organe décideur. Il est entendu à sa demande.4.1.9.1.3, § 3, alinéas premier et dernier Le coordinateur environnemental dresse un rapport annuel de la façon dont il s'est acquitté de sa mission à l'intention de la direction de l'entreprise et, le cas échéant, du conseil d'entreprise et du comité de sécurité, hygiÚne et d`embellissement des lieux de travail ou à défaut desdits organes, de la représentation syndicale. Ce rapport contient entre autres un aperçu des avis rendus par lui et les suites qui y ont été données. Le rapport est tenu pendant au moins cinq années civiles suivant l'année civile sur laquelle les données ont trait, à disposition de la division des Autorisations écologiques et de l'autorité de contrÎle.4.1.9.1.4, § 1 Sans préjudice du § 2, l'exploitant désigne et remplace un coordinateur environnemental-employé, le destitue de sa fonction et désigne un remplaçant temporaire, aprÚs accord préalable du comité pour la prévention et la protection au travail ou à défaut, de la représentation syndicale. En cas de désaccord permanent au sein du comité ou avec la représentation syndicale, l'avis de la division, compétente pour les autorisations écologiques, est recueilli.4.1.9.1.4, § 2 L'exploitant notifie la désignation du coordinateur environnemental à la division, compétente pour les autorisations écologiques.
  Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait pas aux conditions visĂ©es Ă l'article 4.1.9.1.2, la division compĂ©tente pour les autorisations Ă©cologiques peut exiger que l'exploitant dĂ©signe une autre personne dans un dĂ©lai qu'elle fixe.4.1.9.2.6, § 1er Les Ă©lĂ©ments suivants de l'audit environnemental, visĂ© Ă l'article 4.1.9.2.4, doivent, endĂ©ans un dĂ©lai de 30 jours calendrier aprĂšs la validation de l'audit environnemental, ĂȘtre communiquĂ©s :
  1° à la division compétente pour les autorisations écologiques : les éléments visés aux 1° à 8° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2 ;
  2° Ă la Vlaamse Milieumaatschappij : les Ă©lĂ©ments visĂ©s aux 1° Ă 4° inclus de l'article 4.1.9.2.5, § 2.4.1.9.2.6, § 2 L'audit environnemental validĂ© doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant pendant au moins 5 ans et tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.4.1.9.3.1, § 1er, 1° et 2° L'exploitation doit notamment :
  1° fournir aux membres du comité de prévention et de protection au travail :
  a) avant le 1er avril de année suivant l'année calendaire à laquelle il se rapporte, une copie du rapport environnemental annuel visé à l'article 4.1.8.2 du présent rÚglement ;
  b) le cas échéant, une copie de la déclaration environnementale validée telle que visée à l'article 4.1.9.2.3 du présent rÚglement ;
  c) le cas échéant, une copie de l'audit environnemental validé tel que visé à l'article 4.1.9.2.5. du présent rÚglement ;
  2° tenir à la disposition du comité de prévention et de protection au travail :
  a) avant le 1er avril de l'année suivant l'année calendaire à laquelle il se rapporte, la copie des annexes au rapport environnemental annuel visé à l'article 4.1.8.2 du présent rÚglement ;
  b) tous les renseignements, rapports, avis et documents concernant l'environnement et/ou la sĂ©curitĂ© externe, imposĂ©s ou non par la rĂ©glementation environnementale ; ceci vaut en particulier pour les renseignements, rapports, avis et documents que sa propre entreprise doit fournir aux autoritĂ©s ou tenir Ă leur disposition en application de la rĂ©glementation environnementale ;4.1.9.3.1, § 2 Le coordinateur environnemental fournit au comitĂ© de prĂ©vention et de protection au travail : 1° avant le 1er avril de annĂ©e suivant l'annĂ©e calendaire Ă laquelle il se rapporte, le rapport annuel sur la façon dont il a rempli sa mission, ceci conformĂ©ment a l'article 4.1.9.1.3., § 3 du prĂ©sent rĂšglement ; 2° une copie de ses avis visĂ©s au § 2 de l'article 4.1.9.1.3. du prĂ©sent rĂšglement.4.2.5.2.1, § 4, derniĂšre phrase L'exploitant conserve cette approbation et les rĂ©sultats des Ă©chantillonnages, mesures ou analyses effectuĂ©s dans un dossier qui peut toujours ĂȘtre consultĂ© par le fonctionnaire chargĂ© de la surveillance.4.2.5.3.1, § 4, derniĂšre phrase L'exploitant conserve cette approbation et les rĂ©sultats des Ă©chantillonnages, mesures et analyses effectuĂ©s dans un dossier qui peut toujours ĂȘtre consultĂ© par le fonctionnaire de surveillance.4.2.5.4.2, § 2 L'exploitant doit conserver les rĂ©sultats des mesures effectuĂ©es dans un dossier de mesure qui doit toujours ĂȘtre tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.4.3.2.2, § 3, alinĂ©a trois, premiĂšre phrase La division chargĂ©e du maintien de l'environnement doit ĂȘtre informĂ©e, au moins 10 jours avant le dĂ©but des travaux, de l'installation des puits de jaugeage visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier.4.3.2.2, § 3, alinĂ©a trois, derniĂšre phrase L'exploitant doit tenir Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance une fiche technique, Ă©tablie ou attestĂ©e par l'entrepreneur qui a installĂ© les puits de jaugeage, contenant toutes les donnĂ©es techniques relatives Ă la construction et au pompage d'essai.4.3.2.3, § 3 Dans le cas visĂ© au § 1er, l'exploitant est tenu de conserver les rĂ©sultats des mesures exĂ©cutĂ©es dans un dossier de mesure qui doit toujours ĂȘtre tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.4.4.2.4, premiĂšre phrase L'exploitant tient le calcul de la hauteur de la cheminĂ©e visĂ© Ă l'article 4.4.2.3 Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.4.10.1.4, § 1er L'exploitant d'une installation BKG veille Ă la surveillance des Ă©missions BKG de l'installation BKG en question. La surveillance des Ă©missions BKG est menĂ©e conformĂ©ment Ă un plan de monitoring vĂ©rifiĂ© par le bureau de vĂ©rification et approuvĂ© par la division compĂ©tente pour la pollution atmosphĂ©rique. L'exploitant d'une installation BKG est en possession de ce plan de monitoring vĂ©rifiĂ© et approuvĂ©.4.10.1.4, § 2, deux premiĂšres phrases En 2013, le plan de monitoring est joint Ă l'autorisation Ă©cologique. Les installations BKG qui, en 2013, actualisent leur autorisation Ă©cologique en vue d'obtenir une rubrique Y joignent elles-mĂȘmes, conformĂ©ment Ă l'article 5, § 9, et l'article 6quater, § 3, du titre Ier du VLAREM, un plan de monitoring approuvĂ© Ă l'autorisation.4.10.1.5, § 1er A dater du 1er janvier 2014, l'exploitant d'une installation BKG Ă©tablit chaque annĂ©e un rapport annuel d'Ă©mission sur les Ă©missions BKG que l'installation BKG a gĂ©nĂ©rĂ©es au cours de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente. Le rapport annuel d'Ă©mission contient un rapport du total des Ă©missions BKG gĂ©nĂ©rĂ©es par l'installation BKG.4.10.1.5, § 2 L'exploitant de l'installation BKG introduit, au plus tard le 14 mars de chaque annĂ©e calendaire, auprĂšs de la division compĂ©tente pour la pollution atmosphĂ©rique, un rapport annuel des Ă©missions vĂ©rifiĂ©, conformĂ©ment au RĂšglement (UE) n° 600/2012 de la Commission du 21 juin 2012 concernant la vĂ©rification des dĂ©clarations d'Ă©missions de gaz Ă effet de serre et des dĂ©clarations relatives aux tonnes-kilomĂštres et l'accrĂ©ditation des vĂ©rificateurs conformĂ©ment Ă la directive 2003/87/CE du Parlement europĂ©en et du Conseil.5.4.1.4, § 1er L'exploitant d'un Ă©tablissement dans lequel des pigments, peintures ou autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l'article 5.4.1.3., § 2 sont fabriquĂ©s, utilisĂ©s et/ou entreposĂ©s, doit tenir un registre dans lequel au moins les donnĂ©es suivantes sont mentionnĂ©es :
  1° les données sur les produits fabriqués, respectivement entrés dans l'établissement :
  par espĂšce de pigments, de peintures ou d'autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l`article 5.4.1.3., § 2, les quantitĂ©s, exprimĂ©es en kg ou tonne, qui sont fabriquĂ©es, respectivement entrĂ©es dans l`Ă©tablissement ;
  2° les données concernant l'entreposage :
  par espĂšce de pigments, de peintures ou d`autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l`article 5.4.1.3., § 2, la dĂ©signation de l'endroit oĂč ces produits, avec leur quantitĂ© exprimĂ©e en kg ou tonne, sont entreposĂ©s dans l'Ă©tablissement ;
  3° les données relatives au rejet hors de l'établissement :
  par espĂšce de pigments, de peintures ou d`autres revĂȘtements tels que visĂ©s Ă l'article 5.4.1.3., § 2 :
  a) la quantitĂ© transformĂ©e Ă l'Ă©tablissement lui-mĂȘme ;
  b) le nom de celui Ă qui les produits ont Ă©tĂ© livrĂ©s, la date de livraison, le numĂ©ro de la facture et la quantitĂ© livrĂ©e.5.4.1.4, § 2 Le registre visĂ© au § 1er est tenu sur place Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance pendant une pĂ©riode d'au moins 3 annĂ©es.5.4.3.2.3, § 4, alinĂ©a premier Pour chaque cabine de peinture, l'exploitant tient un rapport Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle (...).5.4.3.2.3, § 4, alinĂ©a deux L'exploitant transmet une copie de ce rapport Ă l'autoritĂ© de contrĂŽle, si celle-ci en formule la demande.5.9.2.1.bis, § 2, derniĂšre phrase Cette attestation peut ĂȘtre consultĂ©e par l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.9.2.3, § 6, derniĂšre phrase Cette Ă©tude est tenue Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.9.7.1, § 3 Les plans d'exĂ©cution et les rapports de forage des tuyaux d'observation ou les dispositifs de contrĂŽle, tels que visĂ©s aux §§ 1er et 2 prĂ©cĂ©dents, sont tenus Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.9.11.1. L'exploitant tiendra un registre du traitement et/ou de la transformation d'engrais.5.16.2.2.4, derniĂšre phrase Cette attestation est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.16.3.3, § 2, 1° L'exploitant tient Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance une attestation Ă©tablie par le constructeur ou un expert en environnement agréé dans la discipline " appareils et installations sous pression " et/ou dans la discipline " conteneurs pour gaz ou substances dangereuses ", (...).5.16.3.3, § 3, premiĂšre phrase, 2°, derniĂšre phrase Les rĂ©sultats de ces enquĂȘtes sont consignĂ©s dans un registre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.16.3.3, § 3, 4° (...) L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrĂŽle au propriĂ©taire du bĂątiment. L'exploitant et le propriĂ©taire du bĂątiment tiennent le rapport de contrĂŽle Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle pendant au moins cinq ans. (...)5.16.3.3, § 7, 2° Tant une description dĂ©taillĂ©e que les rĂ©sultats et constatations de ces contrĂŽles doivent ĂȘtre enregistrĂ©s dans le livre de bord avec mention de la date.5.16.3.3, § 8, 2° Le gestionnaire d'une installation de rĂ©frigĂ©ration doit tenir un livret de bord de l'installation Ă proximitĂ© de l'installation de rĂ©frigĂ©ration. Ce livret peut ĂȘtre constituĂ© en tout ou en partie sous forme de fichier automatisĂ©. Dans ce livret sont au moins consignĂ©s avec mention de la date :
  a) la date de mise en service de l'installation de réfrigération, avec indication du type d'agent réfrigérant et de la capacité nominale d'agent réfrigérant ;
  b) la nature des travaux de contrÎle, d'entretien, de réparation et d'installation effectués à une installation de réfrigération ;
  c) toutes les pannes et alarmes relatives à l'installation de réfrigération pouvant donner lieu à des pertes par fuite ;
  d) la nature et le type (nouveau, réutilisé, recyclé ou régénéré) d'agent réfrigérant ajouté à une installation de réfrigération ;
  e) la quantité d'agent réfrigérant vidangé et la quantité d'agent réfrigérant éliminé avec indication de la date, du transporteur et de la destination
  f) une description et les résultats des contrÎles d'étanchéité ;
  g) le nom de la personne qui a effectué les opérations et les observations citées sous a) à f) inclus et, au besoin, le nom de l'entreprise qui occupe cette personne ;
  h) au besoin, une attestation délivrée par la personne visée sous g) concernant les opérations qu'elle a effectuées ;
  i) les périodes importantes de mise hors service.5.16.3.3, § 8, 3° Pour permettre le contrÎle des agents réfrigérants ajoutés ou enlevés, l'exploitant doit tenir à la disposition du fonctionnaire de surveillance les documents suivants :
  a) les factures relatives aux quantités d'agent réfrigérant achetées ;
  b) le livret visĂ© sous 2°.5.16.4.1.3, § 3, 1°, derniĂšre phraseLes rĂ©sultats des tests sont notĂ©s dans un carnet de notes tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance et de l'expert en environnement agréé chargĂ© des contrĂŽles mentionnĂ©s au 2°.5.16.4.1.3, § 3, 2°, alinĂ©a troisLe rapport de contrĂŽle prĂ©citĂ© est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.16.4.3.6, § 3, premiĂšre phrase(...) rapports (...) qui sont tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.16.7.8, § 1erL'exploitant tient les rĂ©sultats de l'examen lors de la mise en service Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance et les conserve au minimum jusqu'au moment oĂč l'unitĂ© distributrice est Ă©vacuĂ©e. L'exploitant tient les rĂ©sultats de mesurages, inspections et contrĂŽles prescrits pĂ©riodiquement Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance, au minimum jusqu'au moment oĂč les rĂ©sultats des mesurages, inspection ou contrĂŽles suivants de l'unitĂ© distributrice sont disponibles.5.18.1.1, § 3L'exploitant tient Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance une copie des dĂ©cisions d'autorisation et des plans y affĂ©rents oĂč les parcelles cadastrales autorisĂ©es sont clairement indiquĂ©es.5.18.1.1, § 5, alinĂ©a premierLe nom de cette personne responsable est transmis par Ă©crit Ă la division chargĂ©e du maintien de l'environnement ainsi qu'Ă la division chargĂ©e des ressources naturelles par le dĂ©tenteur de l'autorisation.5.18.1.2, § 4L'exploitant rĂ©dige un rapport d'avancement comme stipulĂ© dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exĂ©cution du dĂ©cret relatif aux minerais de surface.5.18.2.1, § 1er(...) L'exploitant communique, au plus tard sept jours calendaires au prĂ©alable, la date et l'heure Ă laquelle il est procĂ©dĂ© Ă cette dĂ©limitation Ă la division compĂ©tente pour le maintien de l'environnement ainsi qu'Ă la division chargĂ©e des ressources naturelles.5.19.2.3.3, 3° l'exploitant tient une attestation Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance (...)5.19.2.3.4, § 3, alinĂ©a trois, premiĂšre phraseL'exploitant tient un programme de contrĂŽle Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.19.2.3.4, § 4Les donnĂ©es des contrĂŽles visĂ©s au § 3, les rĂ©sultats des mesures et autres constatations ainsi que les rĂ©parations ou modifications exĂ©cutĂ©es aux installations, sont inscrites dans un registre qui, ensemble avec les rapports de contrĂŽle, sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.20.2.8, § 3Chaque changement de combustible, de la teneur en soufre du combustible liquide et des heures de mise hors service est inscrite dans un registre, que l'exploitant tient Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.28.2.3, § 7, alinĂ©a deux, premiĂšre phraseL'exploitant adresse une copie des rĂ©sultats d'analyse Ă la division chargĂ©e du maintien de l'environnement et le cas Ă©chĂ©ant Ă l'exploitant de la prise d'eau Ă protĂ©ger.5.28.3.2.1, § 1er, derniĂšre phraseL'exploitant communique le nom du dĂ©lĂ©guĂ© responsable par Ă©crit Ă l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.28.3.2.3, § 1erL'exploitant tient un registre. Dans ce registre, l'exploitant note au moins :
  1° les données relatives à l'engrais animal amené :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de l'engrais animal ;
  b) la nature de l'engrais animal (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;
  c) la provenance (producteur) de l'engrais animal ;
  d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;
  e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;
  f) [...] ;
  g) le cas échéant, les remarques concernant l'engrais animal et l'apport.
  2° les données relatives à l'engrais animal non traité ou non transformé éventuellement évacué :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal ;
  b) la nature de l'engrais animal non traité (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;
  c) la destination de l'engrais animal ;
  d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;
  e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;
  f) [...] ;
  g) le cas échéant, les remarques concernant l'engrais animal et l'évacuation.
  3° les données relatives à l'évacuation des produits finis (revalorisés ou non) :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal ;
  b) la nature des produits finis ;
  c) la destination des produits finis ;
  d) les coordonnées du transporteur des produits finis et le mode de transport avec indication des références du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture ;
  e) la quantité (masse et volume) des produits finis ;
  f) [...] ;
  4° les données relatives à l'engrais animal amené mais refusé :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de l'engrais animal ;
  b) la nature de l'engrais animal (espÚce animale, type (engrais sec, lisier, fumier, ...), teneur en matiÚre sÚche) ;
  c) la provenance (producteur) de l'engrais animal ;
  d) les coordonnées du transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec indication du numéro du bordereau d'expédition ou de la lettre de voiture qui accompagne le transport ;
  e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal ;
  f) [...] ;
  g) le motif du refus et les remarques concernant l'engrais animal et l'apport ;
  5° les difficultés et perturbations rencontrées, observations, mesures et autres renseignements concernant l'exploitation de l'établissement ;
  6° les données relatives à l'apport d'autres matiÚres (premiÚres) :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport des autres matiÚres (premiÚres) ;
  b) la nature des autres matiÚres (premiÚres) ;
  c) la provenance des autres matiÚres (premiÚres) ;
  d) la quantité (masse et volume) des autres matiÚres (premiÚres) ;
  e) [...] ;5.28.3.2.3, § 3Le registre, visĂ© au § 1er, peut ĂȘtre consultĂ© par les fonctionnaires de surveillance.5.28.3.2.4, § 1erLe registre visĂ© Ă l'article 5.28.3.2.3 reprendra pour tout type d'engrais animal le volume total d'engrais animal acheminĂ©, traitĂ© et Ă©vacuĂ© et le volume d'autres matiĂšres (premiĂšres) acheminĂ©es par jour, par mois et par annĂ©e calendrier. Ces donnĂ©es seront communiquĂ©es Ă la division Mestbank de la Vlaamse Landmaatschappij sur simple demande. La quantitĂ© d'engrais animal acheminĂ©e est Ă©galement totalisĂ©e par numĂ©ro de la Mestbank par annĂ©e calendaire.5.29.0.6, § 1er, alinĂ©a cinq, derniĂšre phraseLe moment et l'exĂ©cutant des mesures sont communiquĂ©s par fax au fonctionnaire chargĂ© du contrĂŽle au plus tard 72 heures avant le dĂ©but des mesures.5.32.1.3, alinĂ©a deuxLe dossier de sĂ©curitĂ© visĂ© au premier alinĂ©a est Ă la disposition du fonctionnaire chargĂ© du contrĂŽle.5.32.2.2bis, § 1er, 3°, alinĂ©a premierA l'initiative et aux frais de l'exploitant, soit LAeq,15min, soit LAmax, slow est mesurĂ© en continu au moyen d'appareils de mesurage rĂ©pondant aux exigences visĂ©es Ă l'article 2 de l'annexe 5.32.2.2bis. Pendant l'activitĂ© musicale, le niveau acoustique est visible en continu pour l'exploitant ou une personne dĂ©signĂ©e par lui, et est contrĂŽlĂ© en continu par l'exploitant ou la personne dĂ©signĂ©e par lui.5.32.2.2bis, § 2, 3°, alinĂ©a premierA l'initiative et aux frais de l'exploitant, LAeq,60min est mesurĂ© et enregistrĂ© en continu au moyen d'un Ă©quipement de mesure qui est conforme aux exigences, visĂ©es Ă l'article 2 de l'annexe 5.32.2.2bis, et LAeq,15 min peut ĂȘtre mesurĂ©. (...) Le niveau sonore est visible en continu pendant l'activitĂ© musicale et est contrĂŽlĂ© en continu par l'exploitant ou par une personne dĂ©signĂ©e par lui.5.32.2.2bis, § 2, 3°, deuxiĂšme alinĂ©aLes donnĂ©es enregistrĂ©es sont tenues Ă la disposition de l'autoritĂ© de tutelle pendant une pĂ©riode d'un mois au moins.5.32.2.2bis, § 2, 4°, a)L'exploitant prend les mesures suivantes afin de protĂ©ger les visiteurs contre les pertes auditives :
  a) mise à disposition gratuite de protections auditives à usage unique à tous les visiteurs.5.32.2.2bis, § 2, 4°, b)L'exploitant prend les mesures suivantes afin de protéger les visiteurs contre les pertes auditives :
  b) l'élaboration d'un plan sonore afin d'optimiser le niveau acoustique dans l'établissement en cas d'installations sonores permanentes appartenant à l'établissement. Le plan sonore doit contenir au moins les données suivantes :
  1) l'emplacement et le choix optimaux des haut-parleurs tout en tenant compte d'une répartition aussi efficace que possible du bruit ;
  2) le point de mesurage ;
  3) le niveau acoustique à la hauteur du point de mesurage et de quatre autres points d'évaluation au moins ;
  4) l'endroit oĂč le niveau acoustique est rĂ©glĂ© ;
  5) le plan à l'échelle de tout l'espace accessible au public.
  Le plan sonore est Ă©laborĂ© par un expert environnemental agréé dans la discipline son et vibrations. Le cas Ă©chĂ©ant, le plan fait partie de l'examen acoustique visĂ© Ă l'article 5.32.2.3, § 1er. Le plan acoustique se trouve dans l'Ă©tablissement et peut ĂȘtre consultĂ© par l'autoritĂ© de tutelle.5.32.2.3, § 1er, alinĂ©a troisL'autoritĂ© dĂ©livrante et le fonctionnaire de surveillance sont informĂ©s par Ă©crit par l'exploitant des mesures d'assainissement prĂ©vues.5.32.2.3, § 3Les rapports d'enquĂȘte visĂ©s aux §§ 1er et 2 du prĂ©sent article sont prĂ©sents dans l'Ă©tablissement. Ils sont Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.3.8, § 5, deux derniĂšres phrasesUn rapport de ces contrĂŽles et constatations est Ă©tabli. Ce rapport est joint au dossier de sĂ©curitĂ©.5.32.4.2, § 6, derniĂšre phraseLe rapport d'inspection est conservĂ© dans le dossier de sĂ©curitĂ©.5.32.7.2.4, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseUn certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.2.4, § 5, derniĂšre phraseCes certificats de contrĂŽle sont conservĂ©s par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.2.5, § 1er, alinĂ©a dernierLa date et la nature des travaux d'entretien doivent ĂȘtre notĂ©es dans un registre qui fait partie du dossier de sĂ©curitĂ© qui doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant et tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.2.6, § 1er, alinĂ©a premier, derniĂšre phraseLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle seront ajoutĂ©s dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.2.9, § 9, alinĂ©a premierUn rĂšglement d'ordre intĂ©rieur est communiquĂ© Ă la police ou gendarmerie locale. Ce rĂšglement d'ordre intĂ©rieur contient : les directives et obligations relatives Ă l'enregistrement des tireurs, les modalitĂ©s concernant le chargement et dĂ©chargement des armes, les modalitĂ©s pour les tirs, entre autres les disciplines de tirs et les stands de tir ainsi que celles relatives Ă l'entrĂ©e et l'Ă©vacuation de la zone de tir. Le rĂšglement mentionne expressĂ©ment que les tireurs s'engagent Ă respecter les ordres relatifs Ă la sĂ©curitĂ© de la personne responsable.5.32.7.2.12, § 1erL'exploitant doit tenir un dossier d'exploitation, comprenant :
  1° un dossier de sécurité qui comprend :
  a) le plan de situation à une échelle minimale de 1/200 de tous les locaux avec indication de leurs communications, accÚs et sorties, ainsi que la nature et l'emplacement des extincteurs et l'emplacement du tableau électrique ;
  b) le certificat du corps de pompiers compétent concernant la nature, le nombre et l'emplacement des extincteurs ainsi que concernant le nombre de personnes admises dans l'espace de tir ;
  c) les certificats concernant la résistance au feu ou la capacité d'auto-extinction des matériaux de construction utilisés ;
  d) les certificats concernant les contrÎles de l'installation électrique et des extincteurs ;
  e) le nom de la personne responsable pour la sécurité.
  2° le rÚglement d'ordre intérieur ;
  3° un registre de travail avec la liste indiquant la nature et la date des travaux d'entretien, de contrÎle et de réparation effectués ;
  4° le nom de l'exploitant et la liste des membres.5.32.7.2.12, § 2Le dossier d'exploitation est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance à tout temps.5.32.7.5.3, § 3, derniÚre phraseCes certificats de contrÎle sont conservés par l'exploitant dans le dossier de sécurité qui sera tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.5.4, § 1er, derniÚre phraseLes certificats comportant la date et le résultat de ce contrÎle sont ajoutés dans le dossier de sécurité qui est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.5.7, § 1erL'exploitant doit tenir un dossier d'exploitation, comprenant :
  1° un dossier de sécurité, qui comprend :
  a) le plan de situation à une échelle minimale de 1/200 de tous les locaux avec indication de leurs communications, accÚs et sorties, ainsi que la nature et l'emplacement des extincteurs et l'emplacement du tableau électrique ;
  b) les certificats concernant les contrÎles de l'installation électrique et des extincteurs ;
  c) le nom de la personne responsable pour la sécurité.
  2° le rÚglement d'ordre intérieur ;
  3° un registre de travail avec la liste indiquant la nature et la date des travaux d'entretien, de contrĂŽle et de rĂ©paration effectuĂ©s ;5.32.7.5.7, § 2Le dossier d'exploitation est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance Ă tout temps.5.32.7.6.4, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseUn certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre conservĂ© par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.7.6.4, § 3, derniĂšre phraseCes certificats de contrĂŽle sont conservĂ©s par l'exploitant dans le dossier de sĂ©curitĂ© qui sera tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.8.2.1, § 1er, derniĂšre phraseLa preuve de l'Ă©ventuelle convention de location doit ĂȘtre tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.1.2, § 1er, alinĂ©a deuxLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle sont tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.1.3, § 1er, derniĂšre phraseLes certificats de contrĂŽle sont tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.1.4, § 1erL'exploitant notifie au fonctionnaire de surveillance de l'Agence flamande des Soins et de la SantĂ© :
  1° de la date de la premiÚre mise en service ;
  2° de la période de fermeture pour p. ex. l'entretien, des adaptations, etc. ;
  3° de la remise en service de la piscine ;
  4° de toutes les modifications d'un point de vue de la technique de construction, mĂȘme si celles-ci sont exĂ©cutĂ©es en interne.5.32.9.2.2, § 1er, premiĂšre phraseL'exploitant dispose de procĂ©dures Ă©crites dans lesquelles le fonctionnement est dĂ©crit en conditions normales et en conditions d'urgence.5.32.9.2.2, § 1er, alinĂ©a premier, derniĂšre phraseLes procĂ©dures prĂ©citĂ©es sont Ă©galement tenues Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.2.2, § 2, 2°, avant-derniĂšre phrase(...) Un certificat de cet essai est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance. (...)5.32.9.2.2, § 2, 7° L'exploitant tient un registre avec les donnĂ©es relatives Ă la gestion des produits chimiques, Ă savoir leur dĂ©nomination, quantitĂ©, date de livraison, incidents Ă©ventuels, tous les travaux d'entretien, contrĂŽles, pannes, rĂ©parations et accidents.5.32.9.2.2, § 3, 5°, derniĂšre phraseLa copie du brevet ou du certificat prĂ©citĂ© est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.2.2, § 3, 6°, avant-derniĂšre phraseLe certificat de la plus rĂ©cente formation supplĂ©mentaire est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.2.2, § 3ter, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseCe plan de surveillance est tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.5.32.9.2.2, § 4, 3°, alinĂ©a trois, derniĂšre phraseUne copie des rĂ©sultats de l'analyse est directement envoyĂ©e par le laboratoire au mĂ©decin environnemental ou Ă l'expert de santĂ© environnementale de la division compĂ©tente pour la surveillance de la santĂ© publique.5.32.9.2.2, § 4, 4° L'exploitant tient un registre comprenant les donnĂ©es suivantes :
  a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous 2° ;
  b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;
  c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;
  d) le taux d'occupation journalier de la piscine ;
  e) chaque particularité, incident ou accident ;
  f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;
  g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.
  Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.2.2, § 7, 1° L'exploitant instaure un rÚglement d'ordre intérieur afin d'assurer une bonne exploitation. Ce rÚglement est affiché à des endroits bien visibles dans l'établissement pour les visiteurs.5.32.9.2.2, § 7, 2° Le rÚglement visé sous 1° contient au moins les points suivants :
  a) la direction a le droit d'interdire l'entrée dans l'établissement à toute personne qui apparaßt présenter un danger pour la sécurité et la santé des personnes présentes (ivresse, perturbation de l'ordre, non-respect du présent rÚglement, etc.) ;
  b) les animaux ne sont pas admis dans l'établissement ;
  c) chaque baigneur doit prendre une douche avant de pénétrer dans le local de la piscine ;
  d) les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille.5.32.9.2.2, § 1er, premiĂšre phraseL'exploitant dispose de procĂ©dures Ă©crites dans lesquelles le fonctionnement est dĂ©crit en conditions normales et en conditions d'urgence.5.32.9.3.2, § 1er, alinĂ©a premier, derniĂšre phraseLes procĂ©dures prĂ©citĂ©es sont Ă©galement tenues Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.3.2, § 2, 2°, avant-derniĂšre phraseUn certificat de cet essai est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.3.2, § 2, 7° L'exploitant tient un registre avec les donnĂ©es relatives Ă la gestion des produits chimiques, Ă savoir leur dĂ©nomination, quantitĂ©, date de livraison, incidents Ă©ventuels, tous les travaux d'entretien, contrĂŽles, pannes, rĂ©parations et accidents.5.32.9.3.2, § 3, 5°, derniĂšre phraseLa copie du brevet ou du certificat prĂ©citĂ© est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.3.2, § 3, 6°, avant-derniĂšre phraseLe certificat de la plus rĂ©cente formation supplĂ©mentaire est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.3.2, § 3bis, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseCe plan de surveillance est tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.5.32.9.3.2, § 4, 3°, alinĂ©a trois, derniĂšre phraseUne copie des rĂ©sultats de l'analyse est directement envoyĂ©e par le laboratoire au mĂ©decin environnemental ou Ă l'expert de santĂ© environnementale de la division compĂ©tente pour la surveillance de la santĂ© publique.5.32.9.3.2, § 4, 4° L'exploitant tient un registre comprenant les donnĂ©es suivantes :
  a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous 2° ;
  b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;
  c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;
  d) le taux d`occupation journalier de la piscine ;
  e) chaque particularité, incident ou accident ;
  f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;
  g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.
  Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.3.2, § 7, 1° L'exploitant instaure un rÚglement d'ordre intérieur afin d'assurer une bonne exploitation. Ce rÚglement est affiché à des endroits bien visibles dans l'établissement pour les visiteurs.5.32.9.3.2, § 7, 2° Le rÚglement visé au § 1er contient au moins les points suivants :
  a) la direction a le droit d'interdire l'entrée dans l'établissement à toute personne qui apparaßt présenter un danger pour la sécurité et la santé des personnes présentes (ivresse, perturbation de l'ordre, non-respect du présent rÚglement, etc.) ;
  b) les animaux, sauf les chiens d'assistance dans la zone " pieds chaussés ", ne sont pas autorisés dans l'établissement ;
  c) chaque baigneur doit prendre une douche avant de pénétrer dans le local de la piscine ;
  d) les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille.5.32.9.4.2, § 3, alinĂ©a trois, derniĂšre phraseUne copie des rĂ©sultats de l'analyse est directement envoyĂ©e par le laboratoire au mĂ©decin environnemental ou Ă l'expert de santĂ© environnementale de la division compĂ©tente pour la surveillance de la santĂ© publique.5.32.9.4.2, § 6L`exploitant tient un registre comprenant les donnĂ©es suivantes :
  1° les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine visées sous § 2 ;
  2° les résultats des analyses mensuelles visées sous § 3 ;
  3° les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;
  4° le taux d'occupation journalier de la piscine ;
  5° chaque particularité, incident ou accident ;
  6° le relevé mensuel de la consommation d'eau ;
  7° toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.
  Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.5.1, § 3, alinéa trois, derniÚre phraseUne copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique.5.32.9.5.2, § 1er, alinéa deuxCe registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.7.2, § 1er, alinéa premier, premiÚre phraseL'exploitant dispose de procédures écrites dans lesquelles le fonctionnement est décrit en conditions normales et en conditions d'urgence.5.32.9.7.2, § 1er, alinéa deuxLes procédures précitées sont également tenues à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.7.2, § 2, 2°, avant-derniÚre phrase Un certificat de cet essai est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.7.2, § 2, 7° L'exploitant tient un registre avec les données relatives à la gestion des produits chimiques, à savoir leur dénomination, quantité, date de livraison, incidents éventuels, tous les travaux d'entretien, contrÎles, pannes, réparations et accidents.5.32.9.7.2, § 3, 4°, derniÚre phraseLe certificat de la plus récente formation supplémentaire est tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.7.2, § 4, 3°, alinéa trois, derniÚre phraseUne copie des résultats de l'analyse est directement envoyée par le laboratoire au médecin environnemental ou à l'expert de santé environnementale de la division compétente pour la surveillance de la santé publique.5.32.9.7.2, § 4, 4° L'exploitant tient un registre comprenant les données suivantes :
  a) les résultats des analyses quotidiennes de l'eau de la piscine, visées sous 2° ;
  b) les résultats des analyses mensuelles visées sous 3° ;
  c) les dates auxquelles les filtres sont rincés et/ou le matériel de filtrage est changé ;
  d) le taux d`occupation journalier de la piscine ;
  e) chaque particularité, incident ou accident ;
  f) le relevé mensuel de la consommation d'eau ;
  g) toute constatation concernant le contrÎle technique lors de la vidange de la piscine et lors du réapprovisionnement du stock de produits chimiques.
  Ce registre sera conservé pendant au moins 5 ans par l'exploitant et sera toujours tenu à la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.32.9.8.1, § 2, alinéa premierL'exploitant fixe un rÚglement d'ordre intérieur qui contient au moins les dispositions suivantes :
  1° l'accÚs à la piscine est interdit aux personnes en état d'ébriété ;
  2° les personnes atteintes ou suspectes ĂȘtre atteintes d'une maladie contagieuse ne sont pas admises dans l'eau de la piscine ;
  3° il est interdit d'utiliser du savon dans des endroits autres que dans les douches ;
  4° à l'exception des chiens d'assistance sur la plage, les chiens ou d'autres animaux domestiques ne sont pas autorisés dans l'eau ou sur la plage ;
  5° les enfants de moins de 6 ans doivent toujours ĂȘtre accompagnĂ©s par un adulte qui les surveille ;
  6° les chiens d'assistance sur la plage sont attachĂ©s Ă l'endroit prĂ©vu Ă cet effet pour les chiens d'assistance si la personne malade ou handicapĂ©e va dans l'eau.5.32.9.8.2, § 3, derniĂšre phraseUne copie de ces rĂ©sultats d'analyse est directement envoyĂ©e par le laboratoire Ă la division de l'Agence flamande des Soins et de la SantĂ©, compĂ©tente pour la surveillance de la santĂ© publique.5.32.9.8.5, § 6bis, alinĂ©a deuxCe plan de surveillance est tenu Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.5.32.9.8.5, § 7, derniĂšre phraseLa copie du brevet ou du certificat prĂ©citĂ© est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.9.8.5, § 8, avant-derniĂšre phraseLe certificat de la plus rĂ©cente formation supplĂ©mentaire est tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance sur les lieux de l'exploitation.5.32.10.1, § 3, alinĂ©a deux, deuxiĂšme phraseLe contrĂŽle des mesures et la façon dont celui-ci est effectuĂ© sont mentionnĂ©s dans le registre.5.33.0.2, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseUn certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant.5.33.0.2, § 2, derniĂšre phraseLes certificats de contrĂŽle sont tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.33.0.3, § 4, derniĂšre phraseLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle doivent ĂȘtre tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.36.0.2, § 1er, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseUn certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant.5.36.0.2, § 2, derniĂšre phraseLes certificats de contrĂŽle sont tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.36.0.3, § 4, derniĂšre phraseLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle sont tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.38.0.2, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseUn certificat, dĂ©livrĂ© par un expert, le fournisseur ou l'installateur, doit ĂȘtre tenu Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance par l'exploitant.5.38.0.2, § 4, derniĂšre phraseLes certificats de contrĂŽle sont tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.38.0.3, § 5, derniĂšre phraseLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle sont tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.41.1.3, § 1er, derniĂšre phraseLes certificats de contrĂŽle sont tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.41.1.3, § 4, derniĂšre phraseLes certificats comportant la date et le rĂ©sultat de ce contrĂŽle doivent ĂȘtre tenus Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.5.41.2.2, § 4, alinĂ©a premier, premiĂšre phraseL'exploitant conserve pour chaque machine qui utilise du tĂ©trachlorĂ©thane comme nettoyant un rapport Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance, dans lequel il est dĂ©montrĂ© que les conditions du § 2 et du § 3 sont satisfaites.5.41.2.2., § 4, alinĂ©a deuxL'exploitant transmet une copie de ce rapport Ă l'autoritĂ© de contrĂŽle, si celle-ci en formule la demande.5.41.2.3, § 3, derniĂšre phraseCe livre de bord doit ĂȘtre conservĂ© au moins 5 ans aprĂšs le dernier enregistrement et doit ĂȘtre tenu Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.43.4.2.Chaque modification du combustible, de la teneur en soufre du combustible liquide et des heures de mise hors service est inscrite dans un registre, que l`exploitant tient Ă la disposition de l`autoritĂ© de contrĂŽle.5.51.4.1.L'utilisateur tient le rapport de l'analyse des risques et un registre des OGM et organismes pathogĂšnes, utilisĂ©s dans le cadre d'une utilisation confinĂ©e, Ă disposition des fonctionnaires de surveillance et de l'instance compĂ©tente.5.51.4.2, § 2, alinĂ©a deux, derniĂšre phraseCe programme de contrĂŽle doit ĂȘtre tenu Ă la disposition de l'autoritĂ© de contrĂŽle.5.53.3.3, § 5(...) un certificat (...) qui est prĂ©sentĂ© sur simple demande aux fonctionnaires chargĂ©s du contrĂŽle. (...)5.53.3.3, § 6(...) Le relevĂ© du compteur est notĂ© dans un registre lors de l'enlĂšvement et du replacement. (...)5.53.3.3, § 9Le relevĂ© du dĂ©bitmĂštre est notĂ© dans un registre le dernier jour calendaire de chaque annĂ©e au cours de laquelle les eaux souterraines sont pompĂ©es et Ă chaque fois que le dĂ©bitmĂštre doit ĂȘtre enlevĂ© ou repositionnĂ©, pour quelle raison que ce soit.5.53.4.6, § 2Les donnĂ©es, visĂ©es Ă l'article 5.53.4.5 et au § 1er, sont consignĂ©es par l'exploitant dans un registre qui reste sur place ou sont stockĂ©es dans une base de donnĂ©es centralisĂ©e de l'exploitation, tenue Ă la disposition des fonctionnaires de surveillance.5.53.4.7."L'exploitant d'un captage d'eaux souterraines autorisĂ© Ă pomper plus de 30 000 m3 par an communique chaque annĂ©e les rĂ©sultats de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente des volumes d'eaux souterraines captĂ©es par nappe phrĂ©atique, des analyses des eaux souterraines et des mesures de niveau effectuĂ©es. Cette communication est faite conformĂ©ment aux articles 2 et 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©, et ce avant la date que ce dernier stipule, et Ă l'aide des parties IA et IV du rapport environnemental annuel intĂ©grĂ© dont le modĂšle est joint en annexe Ire de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 janvier 2005 modifiant les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement, du 18 mars 1997 fixant les modalitĂ©s de dĂ©claration des quantitĂ©s d'eau souterraine pompĂ©es ou captĂ©es par les sociĂ©tĂ©s responsables de l'alimentation publique en eau potable en vue de la fixation de la taxe, du 28 juin 2002 portant exĂ©cution du Chapitre IIIbis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution et du chapitre IVbis du dĂ©cret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matiĂšre de gestion des eaux souterraines, du 5 dĂ©cembre 2003 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă la prĂ©vention et Ă la gestion des dĂ©chets et du 2 avril 2004 instaurant le rapport environnemental annuel intĂ©grĂ©.5.53.4.8.Au plus tard, nonante jours aprĂšs le forage, le reforage, la pose, la modification ou la transformation d`un captage d`eaux souterraines ou d`une unitĂ© de captage d`eaux souterraines dont le volume autorisĂ© comporte plus de 30 000 m3 par an, l'exploitant communique les informations suivantes Ă la division compĂ©tente pour les eaux souterraines :
  1° le but du forage ;
  2° le rapport de forage avec une description de la nature des aquifÚres traversés ;
  3° la description de la composition gĂ©ologique des couches, dans la mesure oĂč celles-ci sont connues ;
  4° la description technique de l'équipement utilisé dans le trou de forage, de l'exécution et de la transformation du puits et/ou de toute autre installation ;
  5° l'aquifÚre duquel proviennent les eaux souterraines ;
  6° le débit spécifique du puits ;
  7° la qualité des eaux souterraines pompées sur la base des résultats d'analyse visés à l'article 5.53.4.5. § 1er ;
  8° la profondeur des eaux souterraines au repos aprÚs développement du puits par rapport à la surface du sol ;
  9° les mesures prises en vue d'éviter la pollution de l'environnement en général et celle des eaux souterraines en particulier ;
  10° à partir d'un volume autorisé de 1 000 000 m3 par an, le rapport d'expertise établi aprÚs un essai de pompage ;
  11° la représentation cartographique à échelle 1/250e avec indication de références visibles sur le terrain.5.53.6.3.1, § 4Les données, visées aux §§ 1er et 2, sont notées dans un registre qui est conservé sur place ou dans une base de données centralisée de l'entreprise, tenue à la disposition des fonctionnaires de surveillance.5.53.6.3.2L`exploitant d'un captage d'eaux souterraines, visé à la sous-rubrique 53.7 de la liste de classification, établit, tous les cinq ans, un rapport contenant les données suivantes :
  1° une description de l'évolution des débits pompés et des niveaux correspondants dans les puits de production et dans les puits de sonde au cours de la période écoulée (éventuellement reproduite en séquences), accompagnée d'une évaluation de cette période ;
  2° une description des influences éventuelles potentiellement constatées à la surface des propriétés, tant en ce qui concerne la stabilité du sol qu'en ce qui concerne la végétation et le milieu naturel ;
  3° dans le cas de captages d'eaux souterraines à cinq puits de sonde et plus, deux cartes représentant le niveau de hausse de l'eau dans l'aquifÚre alimenté par pompage et dans l'aquifÚre phréatique de la zone avoisinante, établies en se basant sur des mesures réelles; l'une des cartes montrera le niveau le plus élevé, l'autre, le niveau le plus bas des eaux souterraines. L'exploitant fournit une copie de ce rapport à l'autorité qui a délivré l'autorisation, ainsi qu'à la division compétente pour les eaux souterraines.5.54.3, § 2L'exploitant tiendra un registre concernant l'exploitation d'un établissement pour l'alimentation artificielle des eaux souterraines, dans lequel seront inscrits :
  1° les résultats des mesurages visés au § 1er, ainsi que le niveau dans le tronçon d'infiltration ;
  2° durant la premiÚre année de l'alimentation artificielle, la quantité d'eau ajoutée artificiellement au cours des 24 heures précédant les mesurages hebdomadaires du niveau ;
  3° la quantité d'eau ajoutée artificiellement sur une base mensuelle.
  L'exploitant tiendra le registre à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle.5.54.3, § 3Si le volume annuel d'eau ajoutée comprend plus de 30 000 m3, l'exploitant est tenu de communiquer les informations visées au § 2, par écrit, à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines, au plus tard le 15 mars de chaque année suivant celle à laquelle se rapportent les données.5.54.4, § 2, alinéa troisL'exploitant tiendra les rapports d'échantillonnages et d'analyses visés au premier alinéa à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle.5.54.5, § 2L'exploitant tiendra les rapports des échantillonnages et analyses visés au § 1er à la disposition de l'autorité chargée du contrÎle.5.54.5, § 3Si le volume annuel d'eau ajoutée comprend plus de 30 000 m3, l'exploitant est tenu de communiquer les informations visées au § 1er, par écrit, à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines, au plus tard le 15 mars de chaque année suivant celle à laquelle se rapportent les données.5.55.1.2, quatriÚme alinéaLorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours aprÚs le forage, les données suivantes à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines :
  1° l'objectif du forage ;
  2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré ;
  3° la description géologique de ces couches, si elle est connue ;
  4° la description technique de l'équipement du puits de forage ;
  5° la profondeur de l'eau souterraine en repos aprÚs du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable ;
  6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier ;
  7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.5.55.1.3, § 1er, alinéa deuxLorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", compétente pour les eaux souterraines.5.57.2.2, § 2, alinéa deuxL'exploitant transmet un exemplaire de ce plan :
  1° à la division, compétente pour les autorisations écologiques ;
  2° à la division compétente pour le maintien de l'environnement ;
  3° à la division compétente pour les nuisances sonores ;
  4° à la Députation permanente de la ou des province(s) faisant l'objet des courbes de bruit ;
  5° au collÚge des bourgmestre et échevins de la ou des commune(s) faisant l'objet des courbes de bruit.5.57.2.2, § 3Sauf mention contraire dans l'autorisation écologique, le plan, visé au § 2, et les données, visées à l'article 5.57.1.2, § 5, sont transmis aux instances citées au § 2, au plus tard pour le 30 avril de l'année qui suit celle faisant l'objet du calcul.5.60.3, § 1er, derniÚre phraseL'exploitant communique le nom du délégué responsable par écrit à l'autorité de contrÎle.5.60.3, § 4Sauf dispositions contraires stipulées par l'autorisation écologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignées au moins les données suivantes :
  1° le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'apport de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;
  2° la provenance et l'origine de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;
  3° le transporteur des terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;
  4° la quantité de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol ;
  5° les remarques concernant les terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol et les remarques relatives à l'apport, y compris les livraisons refusées de terres excavées non polluées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol.5.60.6L'exploitant signale immédiatement, par fax, courrier électronique ou téléphone au bourgmestre et aux contrÎleurs de la division compétente pour le maintien de l'environnement et de la division compétente pour les ressources naturelles, toute instabilité menaçante susceptible de constituer un danger pour les alentours.
  L'exploitant signale immĂ©diatement, par fax, courrier Ă©lectronique ou tĂ©lĂ©phone au bourgmestre et aux contrĂŽleurs de la division compĂ©tente pour le maintien de l'environnement et de la division compĂ©tente pour les ressources naturelles, toute instabilitĂ© effective qui a un volume de plus de 250 mĂŒ et a portĂ© atteinte Ă une pente dĂ©finitive ou aux limites de la parcelle.5.61.2, § 4Sauf dispositions contraires stipulĂ©es par l'autorisation Ă©cologique, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignĂ©es au moins les donnĂ©es suivantes : 1° en ce qui concerne l'apport :
  a) le numéro d'ordre, la date et l'heure du transport des terres excavées ;
  b) l'origine et la provenance des terres excavées ;
  c) le transporteur des terres excavées ;
  d) les quantités de terres excavées apportées ;
  e) des remarques sur les terres excavées apportées, y compris les terres excavées acheminées.
  2° en ce qui concerne l'entreposage : le lieu oĂč les terres livrĂ©es sont entreposĂ©es. 3° en ce qui concerne l'Ă©vacuation :
  a) la destination des terres excavées ;
  b) le transporteur des terres excavées ;
  c) les quantitĂ©s de terres excavĂ©es Ă©vacuĂ©es ;6.5.3.1, § 1er, 5° (...) cette attestation est tenue Ă la disposition du fonctionnaire de surveillance.6.5.4.4.Lors de la rĂ©ception de l'installation de stockage, l'installateur habilitĂ© ou le technicien agréé remet au propriĂ©taire le certificat de l'installation ensemble avec les certificats ou les rapports d'essais des composants. Le propriĂ©taire de l'installation de stockage prend soin que le ou les exploitant(s) est (sont) en possession d'une copie du certificat de l'installation.6.10.2.2, § 1er, premiĂšre phraseL'exploitation des antennes Ă©mettrices fixes ou la modification d'une antenne Ă©mettrice fixe est interdite sans attestation de conformitĂ©.6.10.3.2.Pour les antennes Ă©mettrices fixes existantes, une attestation confirmant la conformitĂ© Ă la partie 2, chapitre 2.14, section 2.14.2 doit ĂȘtre dĂ©livrĂ©e au plus tard le 31 dĂ©cembre 2011.
Art. 2. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement, modifiĂ© pour la derniĂšre fois par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Bijlage | Wettelijke verplichting | |||||
| 4.2.5.1, C) CONTROLE-INRICHTING BIJ GESLOTEN AFVOER, 1. Debietmeetsysteem, a) | de desbetreffende ijkingsattesten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar | |||||
| 4.5.2, artikel 2. Uitvoering, tweede lid | Het volledige akoestische onderzoek wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...) | |||||
| 4.5.3, artikel 2. Redactie, tweede lid | Het saneringsplan wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...) | |||||
| 5.30.1, § 5, laatste zin | De resultaten van de emissiemetingen worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. | |||||
| 5.51.4, 4. Algemene maatregelen, 10° | Bijhouden van adequate registers | |||||
| 5.51.4, 4. Algemene maatregelen, 13° | Voorzien in schriftelijke gestandaardiseerde werkprocedures om de veiligheid te waarborgen | |||||
| 5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.1: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in laboratoria, 4.1.3 Werkpraktijken en afvalbeheer | Maatregelen | |||||
| Â | L1 | L2 Â Â | ||||
|  | 44 | beschikken over geschikte registers   | ||||
|  | 46 | nota voor gebruiksaanwijzing van doeltreffende ontsmettingsmiddelen   | ||||
| Â | 49 | schriftelijke instructies inzake procedures met betrekking tot bioveiligheid | ||||
44 beschikken over geschikte registers
46 nota voor gebruiksaanwijzing van doeltreffende ontsmettingsmiddelen
49 schriftelijke instructies inzake procedures met betrekking tot bioveiligheid
| Annexe | Obligation légale | |||||
| 4.2.5.1, C) DISPOSITIF DE CONTROLE AVEC EVACUATION FERMEE, 1. SystĂšme de contrĂŽle de mesure de dĂ©bit, a) | Ces certificats d'Ă©talonnage doivent ĂȘtre tenus par l'exploitant Ă la disposition du fonctionnaire chargĂ© du contrĂŽle | |||||
| 4.5.2, article 2. ExĂ©cution, alinĂ©a deux | L'enquĂȘte acoustique complĂšte est transmise en trois exemplaires par l'exploitant Ă l'autoritĂ© dĂ©livrant la licence, (...) | |||||
| 4.5.3, article 2. Rédaction, alinéa deux | Le plan d'assainissement est transmis en trois exemplaires par l'exploitant à l'autorité délivrant la licence, (...) | |||||
| 5.30.1, § 5, derniÚre phrase | Les résultats des mesures d'émissions sont tenus à la disposition de autorité de contrÎle. | |||||
| 5.51.4, 4. Mesures générales, 10° | Tenir des registres appropriés | |||||
| 5.51.4, 4. Mesures générales, 13° | Elaborer des procédures types d'exploitation écrites, afin de garantir la sécurité | |||||
| 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.1 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les laboratoires, 4.1.3 Pratiques de travail et gestion des déchets | Mesures | |||||
| Â | L1 | L2 Â Â | ||||
|  | 44 | disposer de registres appropriés   | ||||
|  | 46 | notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces   | ||||
|  | 49 | instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité | ||||
44 disposer de registres appropriés
46 notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces
49 instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité
| 5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.2: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in animalaria, 4.2.3 Werkpraktijken en afvalbeheer | Maatregelen | Inperkingsniveau | ||||
| Â | Â | Â | A1 | A2 | A3 | A4 Â Â |
|  | 46 | register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van proefdieren, inoculatie van GGM's enz.) | vereist | vereist | vereist | vereist   |
|  | 48 | nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen | vereist | vereist | vereist | vereist   |
| Â | 51 | schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid | vereist | vereist | vereist | vereist |
| 5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.3: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in serres en kweekkamers, 4.3.3 Werkpraktijken en afvalbeheer | Maatregelen | Inperkingsniveau | ||||
| Â | Â | Â | G1 | G2 | G2-q | G3 Â Â |
|  | 39 | register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van planten, inoculatie van GGM's enz.) | vereist | vereist | vereist | vereist   |
|  | 41 | nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen | vereist | vereist | vereist | vereist   |
| Â | 43 | schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid | vereist | vereist | vereist | vereist |
| 5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.5: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in inrichtingen voor grootschalige activiteiten, 4.5.3 Werkpraktijken en afvalbeheer | Maatregelen | Inperkingsniveau | ||||
| Â | Â | Â | LS1 | LS2 | LS3 | LS4 Â Â |
|  | 57 | beschikken over geschikte registers | vereist | vereist | vereist | vereist   |
|  | 59 | nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen | vereist | vereist | vereist | vereist   |
| Â | 62 | schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid | vereist | vereist | vereist | vereist |
46 register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van proefdieren, inoculatie van GGM's enz.) vereist vereist vereist vereist
48 nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen vereist vereist vereist vereist
51 schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid vereist vereist vereist vereist 5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.3: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in serres en kweekkamers, 4.3.3 Werkpraktijken en afvalbeheer Maatregelen InperkingsniveauG1 G2 G2-q G3
39 register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van planten, inoculatie van GGM's enz.) vereist vereist vereist vereist
41 nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen vereist vereist vereist vereist
43 schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid vereist vereist vereist vereist 5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.5: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in inrichtingen voor grootschalige activiteiten, 4.5.3 Werkpraktijken en afvalbeheer Maatregelen InperkingsniveauLS1 LS2 LS3 LS4
57 beschikken over geschikte registers vereist vereist vereist vereist
59 nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen vereist vereist vereist vereist
62 schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid vereist vereist vereist vereist
| 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.2 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les animaleries, 4.2.3 Pratiques de travail et gestion des déchets | Mesures | Niveau de confinement | ||||
| Â | Â | Â | A1 | A2 | A3 | A4 Â Â |
|  | 46 | registre(s) consignant toutes les opérations effectuées (entrées et sorties d'animaux, inoculations de MGM, etc.) | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 48 | notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 51 | instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité | exigé | exigé | exigé | exigé |
| 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.3 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les serres et les locaux de culture, 4.3.3 Pratiques de travail et gestion des déchets | Mesures | Niveau de confinement | ||||
| Â | Â | Â | G1 | G2 | G2-q | G3 Â Â |
|  | 39 | registre(s) consignant toutes les opérations effectuées (entrées et sorties de plantes, inoculations de MGM, etc.) | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 41 | notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 43 | instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité | exigé | exigé | exigé | exigé |
| 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.5 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les installations de procédés à grande échelle, 4.5.3 Pratiques de travail et gestion des déchets | Mesures | Niveau de confinement | ||||
| Â | Â | Â | LS1 | LS2 | LS3 | LS4 Â Â |
|  | 57 | disposer de registres appropriés | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 59 | notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces | exigé | exigé | exigé | exigé   |
|  | 62 | instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité | exigé | exigé | exigé | exigé |
46 registre(s) consignant toutes les opérations effectuées (entrées et sorties d'animaux, inoculations de MGM, etc.) exigé exigé exigé exigé
48 notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces exigé exigé exigé exigé
51 instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité exigé exigé exigé exigé 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.3 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les serres et les locaux de culture, 4.3.3 Pratiques de travail et gestion des déchets Mesures Niveau de confinementG1 G2 G2-q G3
39 registre(s) consignant toutes les opérations effectuées (entrées et sorties de plantes, inoculations de MGM, etc.) exigé exigé exigé exigé
41 notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces exigé exigé exigé exigé
43 instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité exigé exigé exigé exigé 5.51.4, 4 Mesures générales, Tableau 4.5 : Caractéristiques techniques, équipement de sécurité et pratiques de travail dans les installations de procédés à grande échelle, 4.5.3 Pratiques de travail et gestion des déchets Mesures Niveau de confinementLS1 LS2 LS3 LS4
57 disposer de registres appropriés exigé exigé exigé exigé
59 notice indiquant le mode d'emploi de désinfectants efficaces exigé exigé exigé exigé
62 instructions écrites sur les procédures relatives à la biosécurité exigé exigé exigé exigé
Art. N4. Bijlage X bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage X. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage X. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N4. Annexe X Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe X. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matiĂšre de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe X. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matiĂšre de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| Art. 4, § 3 | De personen of bedrijven die in een andere EU-lidstaat een certificaat hebben verkregen om werkzaamheden aan koelinstallaties uit te voeren, beschikken over een vertaling van dit certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels, als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven. |
Verplichtingen voor koeltechnische bedrijven
| Article | Obligation légale |
| Art. 4, § 3 | Les personnes ou entreprises qui ont obtenu dans un autre Etat membre de l'UE un certificat pour effectuer des travaux à des installations de réfrigération, disposent d'une traduction de ce certificat en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais, si le certificat a été délivré en une langue autre que les langues précitées. |
Obligations pour les entreprises frigorifiques
| Art. 6, § 1, eerste lid, tweede zin | In geval van certificering kent de keuringsinstelling een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt ze het certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het bedrijf. |
| Art. 6, § 1, eerste lid, derde zin | In geval van niet-certificering deelt ze binnen twee maanden na de keuring de redenen daarvoor mee aan het bedrijf. |
| Art. 6, § 1, tweede lid, eerste zin | Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage II. |
| Art. 6, § 1, tweede lid, tweede zin | Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling. |
| Art. 6, § 1, tweede lid, derde zin | Het model van keuringscertificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd. |
| Art. 7, § 2, eerste zin | In geval van verlenging van de geldigheid van het certificaat bezorgt de keuringsinstelling het nieuwe certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het bedrijf. |
| Art. 7, § 2, tweede zin | Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1, tweede lid. |
| Art. 7, § 2, derde zin | In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling de redenen daarvoor binnen twee maanden na de keuring mee aan het bedrijf. |
| Art. 9, eerste zin | Bij de keuring van het koelinstallatiebeheersysteem van een koeltechnisch bedrijf moet worden nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1, en aan de verplichtingen, vermeld in artikel 10 en 11, is voldaan. |
| Art. 9, tweede zin | Bij de uitvoering van de keuring volgt de keuringstelling de instructies van de afdeling. |
| Art. 10, 2°, eerste zin, eerste 11 woorden | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   2° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt...; |
| Art. 10, 2°, eerste zin, laatste 10 woorden | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   2° ... het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij werkzaamheden aan koelinstallaties; |
| Art. 10, 4° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering; |
| Art. 10, 5° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   5° zich richten naar de instructies van de afdeling. |
| Art. 11, § 1, eerste 22 woorden | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf voert alle werkzaamheden aan koelinstallaties uit conform de norm NBN-EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk... |
| Art. 11, § 2, eerste 4 woorden en laatste 16 woorden | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ... licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuregelgeving met betrekking tot koeltechniek. |
| Art. 11, § 3 | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf zorgt ervoor dat bevoegde koeltechnici gedurende werkzaamheden aan koelinstallaties beschikken over de nodige en in goede staat verkerende apparatuur. Die apparatuur omvat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage IV. |
| Art. 11, § 4, eerste lid | Bij werkzaamheden aan een koelinstallatie noteert het gecertificeerde koeltechnische bedrijf de volgende zaken:   1° als lekdichtheidscontroles als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 7, artikel 5bis.15.5.4.5.6 en 5bis.19.8.4.8.6 van titel II van het VLAREM worden uitgevoerd: een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;   2° als koelmiddel werd verbruikt of bijgevuld aan een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van bijvulling (nieuwbouw, uitbreiding, retrofit of lekkage), de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie;   3° als koelmiddel werd afgetapt van een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van aftapping, de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie. |
| Art. 11, § 4, tweede lid | Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat met betrekking tot het relatieve lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van titel II van het VLAREM maatregelen moeten worden getroffen, moet het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ten minste de eigenaar van de installatie schriftelijk op de hoogte brengen van de vastgestelde lekkage, en moet het een voorstel van te nemen maatregelen formuleren. |
| Art. 11, § 4, derde lid | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet minstens één afschrift van de registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelinstallatie bezorgen en, indien van toepassing, in het installatiegebonden logboek of register noteren. |
| Art. 11, § 4, vierde lid | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt de gegevens, vermeld in deze paragraaf, gecentraliseerd bij, met vermelding van de plaats en de datum van de uitgevoerde werkzaamheden. |
| Art. 11, § 5 | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt bovendien de volgende zaken gecentraliseerd bij:   1° de hoeveelheid koelmiddel die werd bijgevuld in elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;   2° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgetapt van elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;   3° de hoeveelheid koelmiddel die werd aangekocht, met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;   4° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgevoerd, met vermelding van de datum van afvoer en de naam van de ophaler van de koelmiddelen. |
| Art. 11, § 6 | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf bewaart de geregistreerde gegevens van de activiteiten, vermeld in dit artikel, minstens vijf jaar. |
| Art. 12, 1° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   1° de keuringsinstelling toegang verlenen tot de bedrijfszetel; |
| Art. 12, 2° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   2° aan de keuringsinstelling alle documenten en nuttige gegevens ter beschikking stellen waaruit blijkt dat de uitrustings- en werkingsvoorwaarden, vermeld in dit besluit, nageleefd worden; |
| Art. 12, 3° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   3° indien nodig, de documenten die de controle mogelijk moeten maken, of een afschrift ervan, aan de keuringsinstelling bezorgen; |
| Art. 12, 4° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   4° het de keuringsinstelling mogelijk maken om de opdrachten te verifiëren die aan de keuringsinstelling ter uitvoering van dit besluit zijn toevertrouwd; |
| Art. 12, 5° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   5° de keuringsinstelling alle inlichtingen meedelen over de technieken en uitslagen van de toegepaste werkmethoden en conclusies van de verrichte analysen en controles; |
| Art. 12, 6° | Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:   6° de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de keuringsinstelling werkzaamheden kan bijwonen die het gecertificeerde koeltechnische bedrijf aan koelinstallaties uitvoert. |
  2° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt...;Art. 10, 2°, eerste zin, laatste 10 woorden Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  2° ... het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij werkzaamheden aan koelinstallaties;Art. 10, 4° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering;Art. 10, 5° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  5° zich richten naar de instructies van de afdeling.Art. 11, § 1, eerste 22 woorden Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf voert alle werkzaamheden aan koelinstallaties uit conform de norm NBN-EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk...Art. 11, § 2, eerste 4 woorden en laatste 16 woorden Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ... licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuregelgeving met betrekking tot koeltechniek.Art. 11, § 3 Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf zorgt ervoor dat bevoegde koeltechnici gedurende werkzaamheden aan koelinstallaties beschikken over de nodige en in goede staat verkerende apparatuur. Die apparatuur omvat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage IV.Art. 11, § 4, eerste lid Bij werkzaamheden aan een koelinstallatie noteert het gecertificeerde koeltechnische bedrijf de volgende zaken:
  1° als lekdichtheidscontroles als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 7, artikel 5bis.15.5.4.5.6 en 5bis.19.8.4.8.6 van titel II van het VLAREM worden uitgevoerd: een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
  2° als koelmiddel werd verbruikt of bijgevuld aan een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van bijvulling (nieuwbouw, uitbreiding, retrofit of lekkage), de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie;
  3° als koelmiddel werd afgetapt van een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van aftapping, de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie.Art. 11, § 4, tweede lid Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat met betrekking tot het relatieve lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van titel II van het VLAREM maatregelen moeten worden getroffen, moet het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ten minste de eigenaar van de installatie schriftelijk op de hoogte brengen van de vastgestelde lekkage, en moet het een voorstel van te nemen maatregelen formuleren.Art. 11, § 4, derde lid Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet minstens één afschrift van de registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelinstallatie bezorgen en, indien van toepassing, in het installatiegebonden logboek of register noteren.Art. 11, § 4, vierde lid Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt de gegevens, vermeld in deze paragraaf, gecentraliseerd bij, met vermelding van de plaats en de datum van de uitgevoerde werkzaamheden.Art. 11, § 5 Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt bovendien de volgende zaken gecentraliseerd bij:
  1° de hoeveelheid koelmiddel die werd bijgevuld in elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;
  2° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgetapt van elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;
  3° de hoeveelheid koelmiddel die werd aangekocht, met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  4° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgevoerd, met vermelding van de datum van afvoer en de naam van de ophaler van de koelmiddelen.Art. 11, § 6 Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf bewaart de geregistreerde gegevens van de activiteiten, vermeld in dit artikel, minstens vijf jaar.Art. 12, 1° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  1° de keuringsinstelling toegang verlenen tot de bedrijfszetel;Art. 12, 2° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  2° aan de keuringsinstelling alle documenten en nuttige gegevens ter beschikking stellen waaruit blijkt dat de uitrustings- en werkingsvoorwaarden, vermeld in dit besluit, nageleefd worden;Art. 12, 3° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  3° indien nodig, de documenten die de controle mogelijk moeten maken, of een afschrift ervan, aan de keuringsinstelling bezorgen;Art. 12, 4° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  4° het de keuringsinstelling mogelijk maken om de opdrachten te verifiëren die aan de keuringsinstelling ter uitvoering van dit besluit zijn toevertrouwd;Art. 12, 5° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  5° de keuringsinstelling alle inlichtingen meedelen over de technieken en uitslagen van de toegepaste werkmethoden en conclusies van de verrichte analysen en controles;Art. 12, 6° Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet:
  6° de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de keuringsinstelling werkzaamheden kan bijwonen die het gecertificeerde koeltechnische bedrijf aan koelinstallaties uitvoert.
Verplichtingen voor erkende examencentra
| Art. 6, § 1er, alinéa premier, deuxiÚme phrase | En cas de certification, l'organisme de contrÎle accorde un certificat au nom de la division, et il transmet le certificat à l'entreprise dans les deux mois suivant le contrÎle. |
| Art. 6, § 1er, alinéa premier, troisiÚme phrase | En cas de non certification, il en communique les motifs à l'entreprise dans les deux mois suivant le contrÎle. |
| Art. 6, § 1er, alinéa deux, premiÚre phrase | Le certificat reprend au moins les données énumérées à l'annexe II. |
| Art. 6, § 1er, alinéa deux, deuxiÚme phrase | Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrÎle suit les instructions de la division. |
| Art. 6, § 1er, alinéa deux, troisiÚme phrase | Le modÚle du certificat de contrÎle est soumis à l'approbation de la division. |
| Art. 7, § 2, premiÚre phrase | En cas de prolongation de la validité du certificat, l'organisme de contrÎle transmet le nouveau certificat à l'entreprise dans les deux mois suivant le contrÎle. |
| Art. 7, § 2, deuxiÚme phrase | Le certificat est établi selon les conditions, visées à l'article 6, § 1er, alinéa deux. |
| Art. 7, § 2, troisiÚme phrase | En cas de non certification, l'organisme de contrÎle en communique les motifs à l'entreprise dans les deux mois suivant le contrÎle. |
| Art. 9, premiÚre phrase | Lors du contrÎle du systÚme de gestion de l'installation de réfrigération d'une entreprise frigorifique, il faut vérifier si les conditions, visées à l'article 4, § 1er, et les obligations, visées aux articles 10 et 11, sont remplies. |
| Art. 9, deuxiĂšme phrase | En effectuant le contrĂŽle, l'organisme de contrĂŽle suit les instructions de la division. |
| Art. 10, 2°, premiÚre phrase, 11 premiers mots | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   2° fournir à la division tout renseignement et document qu'elle lui demande ... ; |
| Art. 10, 2°, premiÚre phrase, 10 derniers mots | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   2° ... montrer le matériel utilisé lors des travaux à des installations de réfrigération ; |
| Art. 10, 4° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   4° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à la certification ; |
| Art. 10, 5° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   5° observer les instructions de la division. |
| Art. 11, § 1er, 22 premiers mots | L'entreprise frigorifique certifiée exécute tous les travaux aux installations de réfrigération conformément à la norme NBN-EN 378 ou à un code équivalent de bonne pratique... |
| Art. 11, § 2, 4 premiers mots et 16 derniers mots | L'entreprise frigorifique certifiée ... informe le personnel concerné des nouvelles technologies et de la nouvelle réglementation environnementale pertinente concernant la technique frigorifique. |
| Art. 11, § 3 | L'entreprise frigorifique certifiée veille à ce que les frigoristes compétents puissent disposer des appareils nécessaires en bon état pendant les travaux aux installations de réfrigération. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel mentionné à l'annexe IV. |
| Art. 11, § 4, alinéa premier | Lors de travaux à une installation de réfrigération, l'entreprise frigorifique certifiée doit noter les éléments suivants :   1° si des contrÎles d'étanchéité, tels que visés à l'article 5.16.3.3., § 7, article 5bis.15.5.4.5.6 et 5bis.19.8.4.8.6 du titre II du VLAREM sont exécutés : une description et les résultats des contrÎles exécutés ;   2° si un agent réfrigérant a été utilisé ou ajouté à une installation de réfrigération : le type, la quantité et la raison de l'ajout (nouvelle construction, agrandissement, rétro-adaptation ou fuite), la date, le nom du client et le lieu de l'installation de réfrigération ;   3° si un agent réfrigérant a été vidangé de l'installation de réfrigération : le type, la quantité et la raison de la vidange, la date, le nom du client et le lieu de l'installation de réfrigération. |
| Art. 11, § 4, alinĂ©a deux | S'il apparaĂźt de l'enregistrement des agents rĂ©frigĂ©rants que des mesures doivent ĂȘtre prises en ce qui concerne la fuite relative, visĂ©e Ă l'article 5.16.3.3, § 6, article 5bis.15.5.4.5.5 et article 5bis.19.8.4.8.5 du titre II du VLAREM, l'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit au moins informer le propriĂ©taire de l'installation par Ă©crit de la fuite constatĂ©e, et elle doit formuler une proposition de mesures Ă prendre. |
| Art. 11, § 4, alinéa trois | L'entreprise frigorifique certifiée doit au moins transmettre une copie des enregistrements au propriétaire ou gestionnaire des installations de réfrigération et, si possible, l'inscrire dans le livre de bord ou le registre propre à l'installation. |
| Art. 11, § 4, alinéa quatre | L'entreprise frigorifique certifiée doit conserver de maniÚre centralisée les données visées au présent paragraphe, avec mention du lieu et de la date des travaux exécutés. |
| Art. 11, § 5 | L'entreprise frigorifique certifiée doit en outre conserver de maniÚre centralisée les éléments suivants :   1° la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à chaque installation de réfrigération sur la base des enregistrements, visés au § 4 ;   2° la quantité d'agent réfrigérant vidangée de chaque installation de réfrigération sur la base des enregistrements, visés au § 4 ;   3° la quantité d'agent réfrigérant achetée, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;   4° la quantité d'agent réfrigérant évacuée, avec mention de la date d'évacuation et du nom du collecteur des agents réfrigérants ; |
| Art. 11, § 6 | L'entreprise frigorifique certifiée doit conserver les données enregistrées des activités visées au présent article pendant au moins cinq ans. |
| Art. 12, 1° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   1° autoriser l'accÚs au siÚge de l'entreprise à l'organisme de contrÎle ; |
| Art. 12, 2° | L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit :   2° mettre tous les documents et donnĂ©es utiles Ă la disposition de l'organisme de contrĂŽle, dont il ressort que les conditions d'Ă©quipement et de fonctionnement, visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont respectĂ©es ; |
| Art. 12, 3° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   3° si nécessaire, fournir les documents ou une copie permettant le contrÎle, à l'organisme de contrÎle ; |
| Art. 12, 4° | L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit :   4° permettre Ă l'organisme de contrĂŽle de vĂ©rifier les missions confiĂ©es Ă l'organisme de contrĂŽle en exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ; |
| Art. 12, 5° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   5° communiquer toutes les informations à l'organisme de contrÎle relatives aux techniques et résultats des méthodes de travail et conclusions des analyses et contrÎles effectués ; |
| Art. 12, 6° | L'entreprise frigorifique certifiée doit :   6° prendre les mesures nécessaires afin d'assurer la possibilité de présence de l'organisme de contrÎle aux travaux que l'entreprise frigorifique certifiée exécute à l'installation frigorifique. |
  2° fournir à la division tout renseignement et document qu'elle lui demande ... ;Art. 10, 2°, premiÚre phrase, 10 derniers mots L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  2° ... montrer le matériel utilisé lors des travaux à des installations de réfrigération ;Art. 10, 4° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  4° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à la certification ;Art. 10, 5° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  5° observer les instructions de la division.Art. 11, § 1er, 22 premiers mots L'entreprise frigorifique certifiée exécute tous les travaux aux installations de réfrigération conformément à la norme NBN-EN 378 ou à un code équivalent de bonne pratique...Art. 11, § 2, 4 premiers mots et 16 derniers mots L'entreprise frigorifique certifiée ... informe le personnel concerné des nouvelles technologies et de la nouvelle réglementation environnementale pertinente concernant la technique frigorifique.Art. 11, § 3 L'entreprise frigorifique certifiée veille à ce que les frigoristes compétents puissent disposer des appareils nécessaires en bon état pendant les travaux aux installations de réfrigération. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel mentionné à l'annexe IV.Art. 11, § 4, alinéa premier Lors de travaux à une installation de réfrigération, l'entreprise frigorifique certifiée doit noter les éléments suivants :
  1° si des contrÎles d'étanchéité, tels que visés à l'article 5.16.3.3., § 7, article 5bis.15.5.4.5.6 et 5bis.19.8.4.8.6 du titre II du VLAREM sont exécutés : une description et les résultats des contrÎles exécutés ;
  2° si un agent réfrigérant a été utilisé ou ajouté à une installation de réfrigération : le type, la quantité et la raison de l'ajout (nouvelle construction, agrandissement, rétro-adaptation ou fuite), la date, le nom du client et le lieu de l'installation de réfrigération ;
  3° si un agent rĂ©frigĂ©rant a Ă©tĂ© vidangĂ© de l'installation de rĂ©frigĂ©ration : le type, la quantitĂ© et la raison de la vidange, la date, le nom du client et le lieu de l'installation de rĂ©frigĂ©ration.Art. 11, § 4, alinĂ©a deux S'il apparaĂźt de l'enregistrement des agents rĂ©frigĂ©rants que des mesures doivent ĂȘtre prises en ce qui concerne la fuite relative, visĂ©e Ă l'article 5.16.3.3, § 6, article 5bis.15.5.4.5.5 et article 5bis.19.8.4.8.5 du titre II du VLAREM, l'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit au moins informer le propriĂ©taire de l'installation par Ă©crit de la fuite constatĂ©e, et elle doit formuler une proposition de mesures Ă prendre.Art. 11, § 4, alinĂ©a trois L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit au moins transmettre une copie des enregistrements au propriĂ©taire ou gestionnaire des installations de rĂ©frigĂ©ration et, si possible, l'inscrire dans le livre de bord ou le registre propre Ă l'installation.Art. 11, § 4, alinĂ©a quatre L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit conserver de maniĂšre centralisĂ©e les donnĂ©es visĂ©es au prĂ©sent paragraphe, avec mention du lieu et de la date des travaux exĂ©cutĂ©s.Art. 11, § 5 L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit en outre conserver de maniĂšre centralisĂ©e les Ă©lĂ©ments suivants :
  1° la quantité d'agent réfrigérant ajoutée à chaque installation de réfrigération sur la base des enregistrements, visés au § 4 ;
  2° la quantité d'agent réfrigérant vidangée de chaque installation de réfrigération sur la base des enregistrements, visés au § 4 ;
  3° la quantité d'agent réfrigérant achetée, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
  4° la quantité d'agent réfrigérant évacuée, avec mention de la date d'évacuation et du nom du collecteur des agents réfrigérants ;Art. 11, § 6 L'entreprise frigorifique certifiée doit conserver les données enregistrées des activités visées au présent article pendant au moins cinq ans.Art. 12, 1° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  1° autoriser l'accÚs au siÚge de l'entreprise à l'organisme de contrÎle ;Art. 12, 2° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  2° mettre tous les documents et donnĂ©es utiles Ă la disposition de l'organisme de contrĂŽle, dont il ressort que les conditions d'Ă©quipement et de fonctionnement, visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont respectĂ©es ;Art. 12, 3° L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit :
  3° si nécessaire, fournir les documents ou une copie permettant le contrÎle, à l'organisme de contrÎle ;Art. 12, 4° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  4° permettre Ă l'organisme de contrĂŽle de vĂ©rifier les missions confiĂ©es Ă l'organisme de contrĂŽle en exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;Art. 12, 5° L'entreprise frigorifique certifiĂ©e doit :
  5° communiquer toutes les informations à l'organisme de contrÎle relatives aux techniques et résultats des méthodes de travail et conclusions des analyses et contrÎles effectués ;Art. 12, 6° L'entreprise frigorifique certifiée doit :
  6° prendre les mesures nécessaires afin d'assurer la possibilité de présence de l'organisme de contrÎle aux travaux que l'entreprise frigorifique certifiée exécute à l'installation frigorifique.
Obligations des centres d'examen agréés
| Art. 14, § 2, eerste zin | Een persoon kan het certificaat behalen door te slagen voor het examen als vermeld in artikel 23, § 1. |
| Art. 14, § 3, eerste lid, tweede zin | In geval van certificering kent het gecertificeerde examencentrum een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt het examencentrum het certificaat binnen een maand na de dag van het examen aan de technicus. |
| Art. 14, § 3, tweede lid, eerste zin | Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage V. |
| Art. 14, § 3, tweede lid, tweede zin | Voor de opmaak van het certificaat volgt het examencentrum de instructies van de afdeling. |
| Art. 14, § 3, tweede lid, derde zin | Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd. |
| Art. 15, § 2, eerste zin | Het gecertificeerde examencentrum bezorgt het certificaat binnen een maand na de dag van het examen aan elke geslaagde persoon. |
| Art. 15, § 2, tweede zin | Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 3, tweede lid. |
Verplichtingen voor gecertificeerde technici
| Art. 14, § 2, premiÚre phrase | Une personne peut obtenir le certificat en réussissant l'examen tel que visé à l'article 23, § 1er. |
| Art. 14, § 3, alinéa premier, deuxiÚme phrase | En cas de certification, le centre d'examen certifié octroie un certificat au nom de la division et transmet le certificat dans le mois de la date de l'examen au technicien. |
| Art. 14, § 3, alinéa deux, premiÚre phrase | Le certificat reprend au moins les données énumérées à l'annexe V. |
| Art. 14, § 3, alinéa deux, deuxiÚme phrase | Pour l'établissement du certificat, le centre d'examen suit les instructions de la division. |
| Art. 14, § 3, alinéa deux, troisiÚme phrase | Le modÚle du certificat est soumis à l'approbation de la division. |
| Art. 15, § 2, premiÚre phrase | Le centre d'examen certifié transmet le certificat dans le mois de la date de l'examen à chaque personne ayant réussi l'examen. |
| Art. 15, § 2, deuxiÚme phrase | Le certificat est établi selon les conditions, visées à l'article 14, § 3, alinéa deux. |
Obligations pour le technicien certifié
| Art. 16, 3° | De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet:   3° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt en het materiaal tonen dat hij gebruikt bij werkzaamheden aan koelinstallaties; |
| Art. 16, 4° | De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet:   4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn certificering; |
| Art. 16, 5° | De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet:   5° zich richten naar de instructies van de afdeling. |
  3° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt en het materiaal tonen dat hij gebruikt bij werkzaamheden aan koelinstallaties;Art. 16, 4° De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet:
  4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn certificering;Art. 16, 5° De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet:
  5° zich richten naar de instructies van de afdeling.
Verplichtingen voor keuringsinstellingen
| Art. 16, 3° | Le technicien certifié en technique frigorifique doit :   3° fournir à la division tout renseignement ou document qu'elle lui demande, et lui montrer le matériel utilisé lors des travaux aux installations de réfrigération ; |
| Art. 16, 4° | Le technicien certifié en technique frigorifique doit :   4° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à sa certification ; |
| Art. 16, 5° | Le technicien certifié en technique frigorifique doit :   5° observer les instructions de la division. |
  3° fournir à la division tout renseignement ou document qu'elle lui demande, et lui montrer le matériel utilisé lors des travaux aux installations de réfrigération ;Art. 16, 4° Le technicien certifié en technique frigorifique doit :
  4° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à sa certification ;Art. 16, 5° Le technicien certifié en technique frigorifique doit :
  5° observer les instructions de la division.
Obligations pour les organismes de contrĂŽle
| Art. 19, § 1, eerste lid, tweede zin | In geval van certificering kent de keuringsinstelling een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt ze het certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het examencentrum. |
| Art. 19, § 1, eerste lid, derde zin | In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling binnen twee maanden na de keuring de redenen daarvoor mee aan het examencentrum. |
| Art. 19, § 1, tweede lid, eerste zin | Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage VI. |
| Art. 19, § 1, tweede lid, tweede zin | Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling. |
| Art. 19, § 1, tweede lid, derde zin | Het model van keuringscertificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd. |
| Art. 20, § 2, eerste zin | In geval van verlenging van de geldigheid van het certificaat bezorgt de keuringsinstelling het nieuwe certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het examencentrum. |
| Art. 20, § 2, tweede zin | Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 19, § 1, tweede lid. |
| Art. 20, § 2, derde zin | In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling de redenen daarvoor binnen twee maanden na de keuring mee aan het examencentrum. |
Verplichtingen voor erkende examencentra
| Art. 19, § 1er, alinéa premier, deuxiÚme phrase | En cas de certification, l'organisme de contrÎle octroie un certificat au nom de la division et transmet le certificat dans les deux mois du contrÎle au centre d'examen. |
| Art. 19, § 1er, alinéa premier, troisiÚme phrase | En cas de non certification, il en communique les motifs au centre d'examen dans les deux mois du contrÎle. |
| Art. 19, § 1er, alinéa deux, premiÚre phrase | Le certificat reprend au moins les données énumérées à l'annexe VI. |
| Art. 19, § 1er, alinéa deux, deuxiÚme phrase | Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrÎle suit les instructions de la division. |
| Art. 19, § 1er, alinéa deux, troisiÚme phrase | Le modÚle du certificat de contrÎle est soumis à l'approbation de la division. |
| Art. 20, § 2, premiÚre phrase | En cas de prolongation de la validité du certificat, l'organisme de contrÎle transmet le nouveau certificat au centre d'examen dans les deux mois du contrÎle. |
| Art. 20, § 2, deuxiÚme phrase | Le certificat est établi selon les conditions, visées à l'article 19, § 1er, alinéa deux. |
| Art. 20, § 2, troisiÚme phrase | En cas de non certification, l'organisme de contrÎle en communique les motifs au centre d'examen dans les deux mois du contrÎle. |
Obligations des centres d'examen agréés
| Art. 23, § 1, eerste lid, eerste zin | Het gecertificeerde examencentrum organiseert specifieke examens voor personen die een certificaat willen behalen van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 14, § 1. |
| Art. 23, § 1, eerste lid, tweede zin | Het examen bestaat uit vier onderdelen:   1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;   2° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonafbrekende stoffen;   3° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef;   4° een onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving en Nederlandstalige terminologie inzake koeltechniek. |
| Art. 23, § 1, derde lid | Het gecertificeerde examencentrum bepaalt de inhoud van het examen aan de hand van de bepalingen in de bijlage bij de Commissieverordening en in bijlage I bij dit besluit. |
| Art. 23, § 2 | Het actualisatie-examen omvat een theorieonderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie. |
| Art. 24, 1° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   1° beschikken over degelijke examenprocedures die de praktische voorwaarden voor de inschrijving voor en de organisatie van de examens, vermeld in artikel 23, § 1 en § 2, bevatten; |
| Art. 24, 2°, eerste zin | Het gecertificeerde examencentrum moet:   2° beschikken over de nodige en in goede staat verkerende infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens te organiseren... |
| Art. 24, 2°, tweede zin | 2° ... Voor het praktische gedeelte zijn de nodige apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage VIII, aanwezig; |
| Art. 24, 3°, eerste lid, a) | Het gecertificeerde examencentrum moet:   3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:   a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek; |
| Art. 24, 3°, eerste lid, b) | Het gecertificeerde examencentrum moet:   3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:   b) minstens drie leden van de examenjury bezitten een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15. In afwijking daarvan bezitten minstens twee leden van de examenjury een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, als een examen georganiseerd wordt om een certificaat van categorie IV te behalen; |
| Art. 24, 3°, eerste lid, c) | Het gecertificeerde examencentrum moet:   3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:   c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het examencentrum en actief in de koelsector. |
| Art. 24, 3°, tweede lid | Die samenstelling van de examenjury is niet van toepassing bij het plaatsvinden van een actualisatie-examen, op voorwaarde dat er minstens één persoon aanwezig is die in het bezit is van een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, en dat die persoon optreedt als examenjurylid. Die persoon garandeert onafhankelijkheid en onpartijdigheid bij de uitvoering van zijn taken; |
| Art. 24, 4° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   4° ervoor zorgen dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten; |
| Art. 24, 5° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   5° een register bijhouden waarin de individuele en algemene resultaten van de examinering worden gedocumenteerd; |
| Art. 24, 6°, eerste zin | Het gecertificeerde examencentrum moet:   6° binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting bezorgen aan de afdeling... |
| Art. 24, 6°, tweede zin, eerste 8 woorden | Het gecertificeerde examencentrum moet:   6° ... Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige juryleden... |
| Art. 24, 6°, tweede zin, laatste 9 woorden | Het gecertificeerde examencentrum moet:   6° ... bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage IX; |
| Art. 24, 7°, eerste zin | Het gecertificeerde examencentrum moet:   7° de afdeling minstens een maand voor het examen plaatsvindt, op de hoogte brengen van de plaats en het tijdstip van het examen. ... |
| Art. 24, 7°, tweede zin | Het gecertificeerde examencentrum moet:   7° ... Het gecertificeerde examencentrum moet, als hierom wordt gevraagd door ambtenaren van de afdeling, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen; |
| Art. 24, 8° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   8° zijn activiteiten op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitvoeren; |
| Art. 24, 9° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   9° gemotiveerde klachten van ambtenaren van de afdeling behandelen en onderzoeken; |
| Art. 24, 10°, eerste 11 woorden | Het gecertificeerde examencentrum moet:   10° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt... |
| Art. 24, 10°, laatste 12 woorden | Het gecertificeerde examencentrum moet:   10°. .. het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij het afnemen van de examens; |
| Art. 24, 11° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   11° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering; |
| Art. 24, 12° | Het gecertificeerde examencentrum moet:   12° zich richten naar de instructies van de afdeling |
  1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
  2° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonafbrekende stoffen;
  3° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef;
  4° een onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving en Nederlandstalige terminologie inzake koeltechniek.Art. 23, § 1, derde lid Het gecertificeerde examencentrum bepaalt de inhoud van het examen aan de hand van de bepalingen in de bijlage bij de Commissieverordening en in bijlage I bij dit besluit.Art. 23, § 2 Het actualisatie-examen omvat een theorieonderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie.Art. 24, 1° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  1° beschikken over degelijke examenprocedures die de praktische voorwaarden voor de inschrijving voor en de organisatie van de examens, vermeld in artikel 23, § 1 en § 2, bevatten;Art. 24, 2°, eerste zin Het gecertificeerde examencentrum moet:
  2° beschikken over de nodige en in goede staat verkerende infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens te organiseren...Art. 24, 2°, tweede zin 2° ... Voor het praktische gedeelte zijn de nodige apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage VIII, aanwezig;Art. 24, 3°, eerste lid, a) Het gecertificeerde examencentrum moet:
  3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
  a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek;Art. 24, 3°, eerste lid, b) Het gecertificeerde examencentrum moet:
  3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
  b) minstens drie leden van de examenjury bezitten een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15. In afwijking daarvan bezitten minstens twee leden van de examenjury een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, als een examen georganiseerd wordt om een certificaat van categorie IV te behalen;Art. 24, 3°, eerste lid, c) Het gecertificeerde examencentrum moet:
  3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
  c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het examencentrum en actief in de koelsector.Art. 24, 3°, tweede lid Die samenstelling van de examenjury is niet van toepassing bij het plaatsvinden van een actualisatie-examen, op voorwaarde dat er minstens één persoon aanwezig is die in het bezit is van een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, en dat die persoon optreedt als examenjurylid. Die persoon garandeert onafhankelijkheid en onpartijdigheid bij de uitvoering van zijn taken;Art. 24, 4° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  4° ervoor zorgen dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten;Art. 24, 5° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  5° een register bijhouden waarin de individuele en algemene resultaten van de examinering worden gedocumenteerd;Art. 24, 6°, eerste zin Het gecertificeerde examencentrum moet:
  6° binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting bezorgen aan de afdeling...Art. 24, 6°, tweede zin, eerste 8 woorden Het gecertificeerde examencentrum moet:
  6° ... Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige juryleden...Art. 24, 6°, tweede zin, laatste 9 woorden Het gecertificeerde examencentrum moet:
  6° ... bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage IX;Art. 24, 7°, eerste zin Het gecertificeerde examencentrum moet:
  7° de afdeling minstens een maand voor het examen plaatsvindt, op de hoogte brengen van de plaats en het tijdstip van het examen. ...Art. 24, 7°, tweede zin Het gecertificeerde examencentrum moet:
  7° ... Het gecertificeerde examencentrum moet, als hierom wordt gevraagd door ambtenaren van de afdeling, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen;Art. 24, 8° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  8° zijn activiteiten op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitvoeren;Art. 24, 9° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  9° gemotiveerde klachten van ambtenaren van de afdeling behandelen en onderzoeken;Art. 24, 10°, eerste 11 woorden Het gecertificeerde examencentrum moet:
  10° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt...Art. 24, 10°, laatste 12 woorden Het gecertificeerde examencentrum moet:
  10°. .. het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij het afnemen van de examens;Art. 24, 11° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  11° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering;Art. 24, 12° Het gecertificeerde examencentrum moet:
  12° zich richten naar de instructies van de afdeling
Verplichtingen voor keuringsinstellingen
| Art. 23, § 1er, alinéa premier, premiÚre phrase | Le centre d'examen certifié organise des examens spécifiques pour les personnes qui souhaitent obtenir un certificat de la catégorie I, II, III ou IV tel que visé à l'article 14, § 1er. |
| Art. 23, § 1er, alinéa premier, deuxiÚme phrase | L'examen consiste en quatre parties :   1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;   2° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;   3° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort ;   4° une partie ayant trait à la connaissance de la législation et de la terminologie néerlandophone en matiÚre de technique frigorifique. |
| Art. 23, § 1er, alinĂ©a trois | Le centre d'examen certifiĂ© dĂ©termine le contenu de l'examen Ă l'aide des dispositions reprises dans l'annexe au RĂšglement de la Commission et dans l'annexe Ire au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. |
| Art. 23, § 2 | L'examen d'actualisation comprend une partie théorique relative à la législation environnementale pertinente et la technologie. |
| Art. 24, 1° | Le centre d'examen certifié doit :   1° disposer de procédures d'examen adéquats contenant les modalités pratiques d'inscription aux, et d'organisation des examens, visés à l'article 23, §§ 1er et 2 ; |
| Art. 24, 2°, premiÚre phrase | Le centre d'examen certifié doit :   2° disposer de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires et en bon état pour organiser les examens... |
| Art. 24, 2°, phrase deux | 2° ... Pour la partie pratique, l'appareillage, les instruments et le matériel, visés à l'annexe VIII, sont présents ; |
| Art. 24, 3°, alinéa premier, a) | Le centre d'examen certifié doit :   3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :   a) le président du jury d'examen est diplÎmé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', 'bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering' ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matiÚre d'organisation d'examens sur la technique frigorifique ; |
| Art. 24, 3°, alinéa premier, b) | Le centre d'examen certifié doit :   3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :   b) au moins trois membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15. Par dérogation à ce qui précÚde, au moins deux membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15 lorsqu'il est organisé un examen pour obtenir un certificat de la catégorie IV ; |
| Art. 24, 3°, alinéa premier, c) | Le centre d'examen certifié doit :   3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :   c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique. |
| Art. 24, 3°, alinéa deux | Cette composition du jury d'examen ne s'applique pas en cas d'un examen d'actualisation, à condition qu'il y a au moins une personne qui dispose d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15, et que cette personne agit comme membre du jury d'examen. Cette personne garantit l'indépendance et l'impartialité lors de l'exécution de ses tùches ; |
| Art. 24, 4° | Le centre d'examen certifié doit :   4° faire en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents ; |
| Art. 24, 5° | Le centre d'examen certifié doit :   5° tenir un registre documentant les résultats individuels et généraux des examens ; |
| Art. 24, 6°, premiÚre phrase | Le centre d'examen certifié doit :   6° transmettre un rapport de la session d'examen à la division dans un mois aprÚs chaque examen... |
| Art. 24, 6°, deuxiÚme phrase, 8 premiers mots | Le centre d'examen certifié doit :   6° ... Ce rapport est signé par les membres du jury présents... |
| Art. 24, 6°, deuxiÚme phrase, 9 derniers mots | Le centre d'examen certifié doit :   6°. .. et reprend au moins les données énumérées à l'annexe IX ; |
| Art. 24, 7°, premiÚre phrase | Le centre d'examen certifié doit :   7° communiquer à la division les date, heure et lieu de l'examen au moins un mois avant la date de l'examen. ... |
| Art. 24, 7°, phrase deux | Le centre d'examen certifié doit :   7° ... à la demande des fonctionnaires de la division, offrir à ces derniers la possibilité d'assister aux examens ; |
| Art. 24, 8° | Le centre d'examen certifié doit :   8° exécuter ses activités de maniÚre indépendante et impartiale ; |
| Art. 24, 9° | Le centre d'examen certifié doit :   9° traiter et examiner des plaintes motivées des fonctionnaires de la division ; |
| Art. 24, 10°, 11 premiers mots | Le centre d'examen certifié doit :   10° fournir à la division tout renseignement ou document qu'elle lui demande ... |
| Art. 24, 10°, 12 derniers mots | Le centre d'examen certifié doit :   10° ... lui montrer le matériel utilisé lors des examens ; |
| Art. 24, 11° | Le centre d'examen certifié doit :   11° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à la certification ; |
| Art. 24, 12° | Le centre d'examen certifié doit :   12° se soumettre aux instructions de la division |
  1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;
  2° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;
  3° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort ;
  4° une partie ayant trait Ă la connaissance de la lĂ©gislation et de la terminologie nĂ©erlandophone en matiĂšre de technique frigorifique.Art. 23, § 1er, alinĂ©a trois Le centre d'examen certifiĂ© dĂ©termine le contenu de l'examen Ă l'aide des dispositions reprises dans l'annexe au RĂšglement de la Commission et dans l'annexe Ire au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.Art. 23, § 2 L'examen d'actualisation comprend une partie thĂ©orique relative Ă la lĂ©gislation environnementale pertinente et la technologie.Art. 24, 1° Le centre d'examen certifiĂ© doit :
  1° disposer de procédures d'examen adéquats contenant les modalités pratiques d'inscription aux, et d'organisation des examens, visés à l'article 23, §§ 1er et 2 ;Art. 24, 2°, premiÚre phrase Le centre d'examen certifié doit :
  2° disposer de l'infrastructure, de l'appareillage, des instruments et du matériel nécessaires et en bon état pour organiser les examens...Art. 24, 2°, phrase deux 2° ... Pour la partie pratique, l'appareillage, les instruments et le matériel, visés à l'annexe VIII, sont présents ;Art. 24, 3°, alinéa premier, a) Le centre d'examen certifié doit :
  3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :
  a) le président du jury d'examen est diplÎmé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', 'bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering' ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matiÚre d'organisation d'examens sur la technique frigorifique ;Art. 24, 3°, alinéa premier, b) Le centre d'examen certifié doit :
  3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :
  b) au moins trois membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15. Par dérogation à ce qui précÚde, au moins deux membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15 lorsqu'il est organisé un examen pour obtenir un certificat de la catégorie IV ;Art. 24, 3°, alinéa premier, c) Le centre d'examen certifié doit :
  3° lorsqu'un examen est organisé, composer un jury d'examen réunissant au moins les conditions suivantes :
  c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique.Art. 24, 3°, alinéa deux Cette composition du jury d'examen ne s'applique pas en cas d'un examen d'actualisation, à condition qu'il y a au moins une personne qui dispose d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15, et que cette personne agit comme membre du jury d'examen. Cette personne garantit l'indépendance et l'impartialité lors de l'exécution de ses tùches ;Art. 24, 4° Le centre d'examen certifié doit :
  4° faire en sorte que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents ;Art. 24, 5° Le centre d'examen certifié doit :
  5° tenir un registre documentant les résultats individuels et généraux des examens ;Art. 24, 6°, premiÚre phrase Le centre d'examen certifié doit :
  6° transmettre un rapport de la session d'examen à la division dans un mois aprÚs chaque examen...Art. 24, 6°, deuxiÚme phrase, 8 premiers mots Le centre d'examen certifié doit :
  6° ... Ce rapport est signé par les membres du jury présents...Art. 24, 6°, deuxiÚme phrase, 9 derniers mots Le centre d'examen certifié doit :
  6°. .. et reprend au moins les données énumérées à l'annexe IX ;Art. 24, 7°, premiÚre phrase Le centre d'examen certifié doit :
  7° communiquer à la division les date, heure et lieu de l'examen au moins un mois avant la date de l'examen. ...Art. 24, 7°, phrase deux Le centre d'examen certifié doit :
  7° ... à la demande des fonctionnaires de la division, offrir à ces derniers la possibilité d'assister aux examens ;Art. 24, 8° Le centre d'examen certifié doit :
  8° exécuter ses activités de maniÚre indépendante et impartiale ;Art. 24, 9° Le centre d'examen certifié doit :
  9° traiter et examiner des plaintes motivées des fonctionnaires de la division ;Art. 24, 10°, 11 premiers mots Le centre d'examen certifié doit :
  10° fournir à la division tout renseignement ou document qu'elle lui demande ...Art. 24, 10°, 12 derniers mots Le centre d'examen certifié doit :
  10° ... lui montrer le matériel utilisé lors des examens ;Art. 24, 11° Le centre d'examen certifié doit :
  11° notifier dans le mois à la division toute modification des données ayant trait à la certification ;Art. 24, 12° Le centre d'examen certifié doit :
  12° se soumettre aux instructions de la division
Obligations pour les organismes de contrĂŽle
| Art. 28/1 | De keuringsinstelling richt zich naar de instructies die door de afdeling worden gegeven. |
| Art. 29 | De keuringsinstelling is ertoe verplicht om op verzoek van ambtenaren van de afdeling een onderzoek in te stellen. |
| Art. 30, eerste zin | De keuringsinstelling bezorgt maandelijks aan de afdeling een overzicht van de gecertificeerde koeltechnische bedrijven. |
| Art. 30, tweede zin | Dat overzicht bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage XI. |
| Art. 31, eerste zin | De keuringsinstelling bezorgt maandelijks aan de afdeling een overzicht van de gecertificeerde examencentra. |
| Art. 31, tweede zin | Dat overzicht bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage XII. |
| Art. 32, eerste zin | De keuringsinstelling bewaart de keuringsrapporten minstens zes jaar. |
| Art. 32, tweede zin | Op verzoek van de afdeling legt de keuringsinstelling het keuringsrapport voor. |
| Art. 28/1 | L'organisme de contrÎle se conforme aux instructions données par la division. |
| Art. 29. | L'organisme de contrĂŽle est obligĂ© d'ouvrir une enquĂȘte Ă la demande de fonctionnaires de la division. |
| Art. 30, premiÚre phrase | L'organisme de contrÎle transmet mensuellement un aperçu des entreprises frigorifiques certifiées à la division. |
| Art. 30, deuxiÚme phrase | Cet aperçu comprend au moins les données visées à l'annexe XI. |
| Art. 31, premiÚre phrase | L'organisme de contrÎle transmet mensuellement un aperçu des centres d'examen certifiés à la division. |
| Art. 31, deuxiÚme phrase | Cet aperçu comprend au moins les données visées à l'annexe XII. |
| Art. 32, premiÚre phrase | L'organisme de contrÎle conserve les rapports de contrÎle pendant au moins six années. |
| Art. 32, deuxiÚme phrase | A la demande de la division, l'organisme de contrÎle présente le rapport de contrÎle. |
Art. N5. Bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N5. Annexe XII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2007 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă l'assainissement du sol et Ă la protection du sol, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2007 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă l'assainissement du sol et Ă la protection du sol, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 5 | De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet en het VLAREBO van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld. |
| 6, eerste lid | De analyses in het kader van het Bodemdecreet en het VLAREBO van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard. |
| 55, tweede lid | Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend. |
| 81, derde lid, tweede volzin | De vereniging van mede-eigenaars brengt de eigenaars en gebruikers van die mede-eigendom op de hoogte van de kennisgeving van de OVAM binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan. |
| 86, tweede lid | Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan maakt de burgemeester het bodemsaneringsproject gedurende dertig dagen bekend door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiële berichten van bekendmaking. Gedurende diezelfde periode van dertig dagen legt hij het bodemsaneringsproject ter inzage bij de diensten van het gemeentebestuur. Tijdens die periode van bekendmaking kan iedereen schriftelijk bezwaren en opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen. Na afloop van de periode van bekendmaking maakt de burgemeester een proces-verbaal op over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject wordt het proces-verbaal aan de OVAM bezorgd. |
| 89, § 1, tweede lid, eerste zin | Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het aangepaste bodemsaneringsproject aan de OVAM moet worden bezorgd. |
| 103, eerste lid | De opdrachtgever van de bodemsaneringswerken stelt tijdig de volgende personen in kennis van de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken:   1° de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;   2° de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben. |
| 104, eerste zin | Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beëdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken. |
| 121 | Voor de volgende activiteiten moet de persoon die de activiteit verricht een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen en voorleggen aan de OVAM:   1° het chemisch reinigen van textiel, alsook alle industriële of commerciële activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie;   Overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, kan de persoon die een activiteit, vermeld in het eerst lid, verricht, voor die verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie. |
| 189 | Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie. |
| 200, eerste lid | Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 mĂŒ uitgegraven bodem of van meer dan 50 mĂŒuitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie. |
  1° de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;
  2° de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben.104, eerste zin Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beëdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken.121 Voor de volgende activiteiten moet de persoon die de activiteit verricht een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen en voorleggen aan de OVAM:
  1° het chemisch reinigen van textiel, alsook alle industriële of commerciële activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie;
  Overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, kan de persoon die een activiteit, vermeld in het eerst lid, verricht, voor die verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie.189 Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.200, eerste lid Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 mĂŒ uitgegraven bodem of van meer dan 50 mĂŒuitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.
| Article | Obligation légale |
| 5 | Les échantillonnages dans le cadre du Décret relatif au sol et du VLAREBO du 14 décembre 2007 sont effectués selon les méthodes fixées dans le CEA. |
| 6, alinĂ©a premier | Les analyses dans le cadre du DĂ©cret relatif au sol et du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont effectuĂ©es selon les mĂ©thodes fixĂ©es dans le CEA ou selon une mĂ©thode dĂ©clarĂ©e Ă©quivalente par l'OVAM. |
| 55, alinĂ©a deux | Lorsque l'OVAM impose une reconnaissance complĂ©mentaire, elle peut fixer un dĂ©lai dans lequel la reconnaissance complĂ©mentaire doit ĂȘtre effectuĂ©e et le rapport y affĂ©rent introduit auprĂšs de l'OVAM. |
| 81, troisiÚme alinéa, deuxiÚme phrase | L'association des copropriétaires informe les propriétaires et utilisateurs de cette copropriété de la notification de l'OVAM dans un délai de dix jours suivant sa réception. |
| 86, alinĂ©a deux | Dans un dĂ©lai de dix jours suivant sa rĂ©ception, le bourgmestre rend public le projet d'assainissement du sol pendant trente jours par affichage d'un avis sur le lieu oĂč sont projetĂ©s les travaux d'assainissement du sol et sur les lieux rĂ©servĂ©s aux avis officiels de publication. Durant la mĂȘme pĂ©riode de trente jours, il rend le projet d'assainissement du sol consultable auprĂšs des services de l'administration communale. Pendant cette pĂ©riode de publication, toute personne peut adresser par Ă©crit ses rĂ©clamations et remarques au collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins. A l'issue de la pĂ©riode de publication, le bourgmestre dresse un procĂšs-verbal des rĂ©clamations et remarques introduites. Au plus tard cinquante jours aprĂšs la rĂ©ception du projet d'assainissement du sol, le procĂšs-verbal est transmis Ă l'OVAM. |
| 89, § 1er, deuxiĂšme alinĂ©a, premiĂšre phrase | Lorsque l'OVAM impose des complĂ©ments ou des modifications, elle peut fixer un dĂ©lai dans lequel le projet d'assainissement du sol adaptĂ© doit ĂȘtre transmis Ă l'OVAM. |
| 103, alinéa premier | Le donneur d'ordre des travaux d'assainissement du sol informe à temps les personnes suivantes du début d'exécution des travaux d'assainissement du sol :   1° les propriétaires et utilisateurs des terrains sur lesquels auront lieu des travaux nécessaires à l'exécution de l'assainissement du sol ;   2° les propriétaires et utilisateurs des terrains sur lesquels l'exécution des travaux d'assainissement du sol pourraient avoir un impact négatif. |
| 104, premiĂšre phrase | Au moins huit jours avant le dĂ©but d'exĂ©cution des travaux d'assainissement du sol, un gĂ©omĂštre assermentĂ© dresse, sur demande du donneur d'ordre des travaux d'assainissement du sol, un Ă©tat des lieux des terrains oĂč auront lieu des travaux nĂ©cessaires Ă l'exĂ©cution de l'assainissement du sol ainsi que des lieux sur lesquels un possible impact nĂ©gatif peut ĂȘtre attendu Ă la suite de l'exĂ©cution des travaux d'assainissement du sol. |
| 121 | Pour les activitĂ©s suivantes, la personne exerçant l'activitĂ© doit Ă©tablir un plan individuel de prĂ©vention et de gestion du sol et le soumettre Ă l'OVAM :   1° le nettoyage chimique du textile, ainsi que toute activitĂ© industrielle ou commerciale utilisant des COV dans une installation de nettoyage des vĂȘtements, de tissus d'ameublement et de produits de consommation similaires, Ă l'exception de l'Ă©limination manuelle des taches dans l'industrie textile et des vĂȘtements ;   Pour l'accomplissement de cette obligation, la personne exerçant une activitĂ©, mentionnĂ©e Ă l'alinĂ©a premier, peut faire appel Ă une organisation d'assainissement du sol agréée, conformĂ©ment Ă l'article 91, § 1er, du DĂ©cret relatif au sol. |
| 189 | Avant de commencer les travaux de terrassement, le réalisateur des travaux de terrassement notifie la date de commencement à une organisation de gestion du sol agréée. |
| 200, alinéa premier | Pour le transport vers un dépÎt provisoire ou un centre de nettoyage des terres de plus de 250 m3 de terre excavée ou de plus de 50 m3 de terre excavée pour lequel l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le réalisateur des travaux de terrassement notifie ce transport à une organisation de gestion du sol agréée. |
  1° les propriétaires et utilisateurs des terrains sur lesquels auront lieu des travaux nécessaires à l'exécution de l'assainissement du sol ;
  2° les propriĂ©taires et utilisateurs des terrains sur lesquels l'exĂ©cution des travaux d'assainissement du sol pourraient avoir un impact nĂ©gatif.104, premiĂšre phrase Au moins huit jours avant le dĂ©but d'exĂ©cution des travaux d'assainissement du sol, un gĂ©omĂštre assermentĂ© dresse, sur demande du donneur d'ordre des travaux d'assainissement du sol, un Ă©tat des lieux des terrains oĂč auront lieu des travaux nĂ©cessaires Ă l'exĂ©cution de l'assainissement du sol ainsi que des lieux sur lesquels un possible impact nĂ©gatif peut ĂȘtre attendu Ă la suite de l'exĂ©cution des travaux d'assainissement du sol.121 Pour les activitĂ©s suivantes, la personne exerçant l'activitĂ© doit Ă©tablir un plan individuel de prĂ©vention et de gestion du sol et le soumettre Ă l'OVAM :
  1° le nettoyage chimique du textile, ainsi que toute activitĂ© industrielle ou commerciale utilisant des COV dans une installation de nettoyage des vĂȘtements, de tissus d'ameublement et de produits de consommation similaires, Ă l'exception de l'Ă©limination manuelle des taches dans l'industrie textile et des vĂȘtements ;
  Pour l'accomplissement de cette obligation, la personne exerçant une activité, mentionnée à l'alinéa premier, peut faire appel à une organisation d'assainissement du sol agréée, conformément à l'article 91, § 1er, du Décret relatif au sol.189 Avant de commencer les travaux de terrassement, le réalisateur des travaux de terrassement notifie la date de commencement à une organisation de gestion du sol agréée.200, alinéa premier Pour le transport vers un dépÎt provisoire ou un centre de nettoyage des terres de plus de 250 m3 de terre excavée ou de plus de 50 m3 de terre excavée pour lequel l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le réalisateur des travaux de terrassement notifie ce transport à une organisation de gestion du sol agréée.
Art. N6. Bijlage XIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XIII. - Lijst van milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het Bosdecreet van 13 juni 1990, met uitzondering van het niet voldoen aan die verplichtingen door gebruik van motorvoertuigen voor wat betreft de artikelen 10 en 12, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XIII. - Lijst van milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het Bosdecreet van 13 juni 1990, met uitzondering van het niet voldoen aan die verplichtingen door gebruik van motorvoertuigen voor wat betreft de artikelen 10 en 12, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N6. Annexe XIII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XIII. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le Décret forestier du 13 juin 1990, à l'exception du non-respect de ces obligations par l'utilisation de véhicules automoteurs en ce qui concerne les articles 10 et 12, est considéré comme une infraction environnementale :
  Annexe XIII. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le Décret forestier du 13 juin 1990, à l'exception du non-respect de ces obligations par l'utilisation de véhicules automoteurs en ce qui concerne les articles 10 et 12, est considéré comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 10, § 2 en § 3 | § 2. Behoudens in de gevallen vermeld in het volgende lid, zijn alle bossen voor het publiek, aangeduid in § 3 van dit artikel, steeds toegankelijk. Zij zijn evenwel enkel toegankelijk op de boswegen. De Vlaamse regering kan echter, voor zover dit het voortbestaan van het bos niet bedreigt en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhindert, bij besluit toestaan dat voor bepaalde activiteiten de boswegen worden verlaten. De Vlaamse Regering kan de uitoefening van deze activiteiten afhankelijk stellen van het verkrijgen van een machtiging van het Agentschap.   Bossen kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur, geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden. Het ontoegankelijk stellen van openbare bossen is slechts toegestaan na een machtiging van het Agentschap.   De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos dient langs de boswegen te worden aangeduid op een duidelijk zichtbare wijze. De Vlaamse Regering legt de vorm en de wijze vast waarop die aanduiding moet gebeuren. De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos kan niet wettig in een andere vorm of op een andere wijze worden aangeduid. § 3. De voetgangers hebben steeds toegang tot alle bossen die voor het publiek toegankelijk zijn overeenkomstig § 2 van dit artikel.   De Vlaamse Regering kan bij besluit, zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 14, op de boswegen andere categorieën van weggebruikers toelaten voor zover die het voortbestaan van het bos niet bedreigen en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhinderen.   De Vlaamse Regering regelt bij besluit de toegang tot de boswegen van alle in beide voorgaande leden bedoelde categorieën van weggebruikers. De toegang tot de boswegen kan slechts wettig worden aangeduid in de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 12 | § 4. De toegankelijkheid van een bos wordt geregeld door een toegankelijkheidsregeling die niet strijdig is met de inhoud van het beheersplan of met de bepalingen van dit decreet. Als de toegankelijkheid beperkt blijft tot het verlenen van toegang voor voetgangers op de boswegen overeenkomstig artikel 10, § 2 en § 3, vervalt de verplichting tot opmaak van een toegankelijkheidsregeling. De Vlaamse Regering bepaalt door wie een toegankelijkheidsregeling kan worden opgesteld, evenals de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van deze toegankelijkheidsregeling. |
| 30 | Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten, reglementen en de ontheffingen opgenomen in het beheersplan, is het in de bosreservaten verboden: Â Â (...) Â Â 8. sport te beoefenen. Â Â (...) |
| 62, eerste zin | De koper mag het kappen niet beginnen zonder een voorafgaandelijke schriftelijke kapvergunning van de aangewezen ambtenaar. |
| 63 | De koper moet alle te sparen bomen kunnen aanwijzen en is verplicht alle voorbehouden bomen, op welke manier ook aangewezen, onaangeroerd te laten. Â Â Onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek mogen de kopers geen merken aanbrengen op voorbehouden bomen. Â Â Wederrechtelijk gekapte bomen kunnen door de koper niet gecompenseerd worden door voor kapping gemerkte bomen te laten staan. Â Â De waarde van de wederrechtelijke gekapte bomen dient vergoed te worden, alsmede de eventuele schade die hierdoor is ontstaan. Â Â Wanneer te sparen bomen gebroken of omgeworpen zijn, moet de koper ze ter plaatse laten liggen en onmiddellijk de aangestelde waarschuwen. Â Â Het merkteken van de hamer op de stam of op de stronk aangebracht is het enige middel waarmee de koper de exploitatie van de bomen kan rechtvaardigen. |
| 64 | De koper dient de nodige voorzorgen te nemen om de te sparen bomen en het bosbestand niet te beschadigen. Â Â Wanneer een gevelde boom is blijven hangen op een voorbehouden of te sparen boom, mag de koper de voorbehouden of te sparen boom alleen kappen mits machtiging van de aangewezen ambtenaar en na vaststelling op tegenspraak van de schade die voortspruit uit de noodzakelijkheid om de voorbehouden of te sparen boom te vellen. Â Â Indien de schadeloosstelling in natura mogelijk is, kan men ter vervanging van de beschadigde bomen, gemerkte bomen van minstens gelijke waarde aanduiden, rekening houdend met de toekomstwaarde, of bomen van mindere waarde mits betaling van het verschil. Â Â Indien de koper niet akkoord gaat met deze vervanging schat men de waarde van de beschadigde bomen; daaraan wordt de schade aan het bestand toegevoegd. Â Â Indien de koper niet bewijst dat hij alle voorzorgen heeft genomen om beschadiging van de te sparen bomen te voorkomen, worden deze als delicthout beschouwd en overeenkomstig artikel 55 verkocht onverminderd de door de koper te betalen schadeloosstelling en in voorkomend geval, de krachtens de verkoopsvoorwaarden verschuldigde boeten. |
| 65 | De koper mag geen hout hakken of weghalen op zon- en feestdagen, noch voor de officiële zonsopgang of na de officiële zonsondergang.   Alleen in bijzondere gevallen kan hem door de aangewezen ambtenaar machtiging gegeven worden om hiervan af te wijken. |
| 66 | Het is de koper verboden hout van zijn koop op stam te schillen of te ontschorsen, tenzij de verkoopsvoorwaarden dit uitdrukkelijk toestaan. |
| 67 | Elke overtreding van de verkoopsvoorwaarden is verboden. |
| 68 | Ten behoeve van de exploitatie mag geen put of oven voor houtskool worden gemaakt; geen werkplaats of keet, woonwagen, caravan of tent worden geplaatst, behalve op de plaatsen aangewezen door de aangewezen ambtenaar of zijn afgevaardigde. |
| 69 | Het is de koper en zijn arbeiders verboden elders vuur te maken dan op de in verkoopsvoorwaarden of door de aangestelde toegelaten plaatsen. |
| 70 | Het hout wordt vervoerd langs de wegen, die daarvoor gewoonlijk gebruikt worden of op de wijze, die door de aangewezen ambtenaar of zijn gemachtigde wordt aangewezen. Â Â In geen geval mag de koper nieuwe doorgangen of wegen aanleggen. |
| 71 | Alle voor kapping gemerkte bomen dienen gekapt en opgeruimd te worden binnen de door de verkoopsvoorwaarden gestelde termijn. Â Â Voor zover in de verkoopsvoorwaarden een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien, kan alleen om gemotiveerde redenen aan de kopers een verlenging van deze termijn worden toegestaan. Â Â Indien de kopers de door de verkoopsvoorwaarden opgelegde werkzaamheden niet verrichten binnen de gestelde termijn, komen de niet-gekapte en de niet-opgeruimde bomen, onverminderd de schadevergoeding opnieuw toe aan de eigenaar. |
| 72 | De kopers mogen in hun kavels alleen hout leggen dat daarvan afkomstig is. |
| 81 | Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig.   Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het Agentschap. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het Agentschap schriftelijk worden meegedeeld.   Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het Agentschap voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het Agentschap de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder.   Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden. (...)   Het Agentschap beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. (...) |
| 90, eerste lid | Openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse Regering. |
| 91, § 2, eerste lid | Bij een overdracht of een verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. |
| 91, § 2, tweede lid | Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos gedeeltelijke of geheel overdraagt voor meer dan negen jaar. |
| 91, § 3, eerste lid | De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen. |
| 91, § 3, tweede lid | Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld. |
| 91, § 4 | Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het Agentschap met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen. |
| 97, § 1 | § 1. Onverminderd de verbodsbepalingen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het Agentschap of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan, in alle openbare bossen en voor wat de bosreservaten betreft, de commissie gehoord, verboden:   (...)   2. het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;   3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;   4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan;   (...)   6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;   7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;   (...)   10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden;   (...)   12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan. |
| 97, § 2 | § 2. Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan, in alle privé-bossen verboden:   (...)   2. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;   3. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;   (...)   5. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;   6. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;   7. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan;   (...) |
  Bossen kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur, geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden. Het ontoegankelijk stellen van openbare bossen is slechts toegestaan na een machtiging van het Agentschap.
  De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos dient langs de boswegen te worden aangeduid op een duidelijk zichtbare wijze. De Vlaamse Regering legt de vorm en de wijze vast waarop die aanduiding moet gebeuren. De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos kan niet wettig in een andere vorm of op een andere wijze worden aangeduid. § 3. De voetgangers hebben steeds toegang tot alle bossen die voor het publiek toegankelijk zijn overeenkomstig § 2 van dit artikel.
  De Vlaamse Regering kan bij besluit, zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 14, op de boswegen andere categorieën van weggebruikers toelaten voor zover die het voortbestaan van het bos niet bedreigen en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhinderen.
  De Vlaamse Regering regelt bij besluit de toegang tot de boswegen van alle in beide voorgaande leden bedoelde categorieën van weggebruikers. De toegang tot de boswegen kan slechts wettig worden aangeduid in de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse Regering.12 § 4. De toegankelijkheid van een bos wordt geregeld door een toegankelijkheidsregeling die niet strijdig is met de inhoud van het beheersplan of met de bepalingen van dit decreet. Als de toegankelijkheid beperkt blijft tot het verlenen van toegang voor voetgangers op de boswegen overeenkomstig artikel 10, § 2 en § 3, vervalt de verplichting tot opmaak van een toegankelijkheidsregeling. De Vlaamse Regering bepaalt door wie een toegankelijkheidsregeling kan worden opgesteld, evenals de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van deze toegankelijkheidsregeling.30 Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten, reglementen en de ontheffingen opgenomen in het beheersplan, is het in de bosreservaten verboden:
  (...)
  8. sport te beoefenen.
  (...)62, eerste zin De koper mag het kappen niet beginnen zonder een voorafgaandelijke schriftelijke kapvergunning van de aangewezen ambtenaar.63 De koper moet alle te sparen bomen kunnen aanwijzen en is verplicht alle voorbehouden bomen, op welke manier ook aangewezen, onaangeroerd te laten.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek mogen de kopers geen merken aanbrengen op voorbehouden bomen.
  Wederrechtelijk gekapte bomen kunnen door de koper niet gecompenseerd worden door voor kapping gemerkte bomen te laten staan.
  De waarde van de wederrechtelijke gekapte bomen dient vergoed te worden, alsmede de eventuele schade die hierdoor is ontstaan.
  Wanneer te sparen bomen gebroken of omgeworpen zijn, moet de koper ze ter plaatse laten liggen en onmiddellijk de aangestelde waarschuwen.
  Het merkteken van de hamer op de stam of op de stronk aangebracht is het enige middel waarmee de koper de exploitatie van de bomen kan rechtvaardigen.64 De koper dient de nodige voorzorgen te nemen om de te sparen bomen en het bosbestand niet te beschadigen.
  Wanneer een gevelde boom is blijven hangen op een voorbehouden of te sparen boom, mag de koper de voorbehouden of te sparen boom alleen kappen mits machtiging van de aangewezen ambtenaar en na vaststelling op tegenspraak van de schade die voortspruit uit de noodzakelijkheid om de voorbehouden of te sparen boom te vellen.
  Indien de schadeloosstelling in natura mogelijk is, kan men ter vervanging van de beschadigde bomen, gemerkte bomen van minstens gelijke waarde aanduiden, rekening houdend met de toekomstwaarde, of bomen van mindere waarde mits betaling van het verschil.
  Indien de koper niet akkoord gaat met deze vervanging schat men de waarde van de beschadigde bomen; daaraan wordt de schade aan het bestand toegevoegd.
  Indien de koper niet bewijst dat hij alle voorzorgen heeft genomen om beschadiging van de te sparen bomen te voorkomen, worden deze als delicthout beschouwd en overeenkomstig artikel 55 verkocht onverminderd de door de koper te betalen schadeloosstelling en in voorkomend geval, de krachtens de verkoopsvoorwaarden verschuldigde boeten.65 De koper mag geen hout hakken of weghalen op zon- en feestdagen, noch voor de officiële zonsopgang of na de officiële zonsondergang.
  Alleen in bijzondere gevallen kan hem door de aangewezen ambtenaar machtiging gegeven worden om hiervan af te wijken.66 Het is de koper verboden hout van zijn koop op stam te schillen of te ontschorsen, tenzij de verkoopsvoorwaarden dit uitdrukkelijk toestaan.67 Elke overtreding van de verkoopsvoorwaarden is verboden.68 Ten behoeve van de exploitatie mag geen put of oven voor houtskool worden gemaakt; geen werkplaats of keet, woonwagen, caravan of tent worden geplaatst, behalve op de plaatsen aangewezen door de aangewezen ambtenaar of zijn afgevaardigde.69 Het is de koper en zijn arbeiders verboden elders vuur te maken dan op de in verkoopsvoorwaarden of door de aangestelde toegelaten plaatsen.70 Het hout wordt vervoerd langs de wegen, die daarvoor gewoonlijk gebruikt worden of op de wijze, die door de aangewezen ambtenaar of zijn gemachtigde wordt aangewezen.
  In geen geval mag de koper nieuwe doorgangen of wegen aanleggen.71 Alle voor kapping gemerkte bomen dienen gekapt en opgeruimd te worden binnen de door de verkoopsvoorwaarden gestelde termijn.
  Voor zover in de verkoopsvoorwaarden een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien, kan alleen om gemotiveerde redenen aan de kopers een verlenging van deze termijn worden toegestaan.
  Indien de kopers de door de verkoopsvoorwaarden opgelegde werkzaamheden niet verrichten binnen de gestelde termijn, komen de niet-gekapte en de niet-opgeruimde bomen, onverminderd de schadevergoeding opnieuw toe aan de eigenaar.72 De kopers mogen in hun kavels alleen hout leggen dat daarvan afkomstig is.81 Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig.
  Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het Agentschap. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het Agentschap schriftelijk worden meegedeeld.
  Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het Agentschap voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het Agentschap de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder.
  Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden. (...)
  Het Agentschap beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. (...)90, eerste lid Openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse Regering.91, § 2, eerste lid Bij een overdracht of een verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.91, § 2, tweede lid Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos gedeeltelijke of geheel overdraagt voor meer dan negen jaar.91, § 3, eerste lid De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.91, § 3, tweede lid Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.91, § 4 Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het Agentschap met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.97, § 1 § 1. Onverminderd de verbodsbepalingen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het Agentschap of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan, in alle openbare bossen en voor wat de bosreservaten betreft, de commissie gehoord, verboden:
  (...)
  2. het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;
  3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;
  4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan;
  (...)
  6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
  7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
  (...)
  10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden;
  (...)
  12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.97, § 2 § 2. Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan, in alle privé-bossen verboden:
  (...)
  2. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
  3. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
  (...)
  5. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;
  6. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
  7. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan;
  (...)
| Article | Obligation légale |
| 10, § 2 et § 3 | § 2. Sauf dans les cas Ă©numĂ©rĂ©s Ă l'alinĂ©a suivant, tous les bois sont toujours accessibles au public visĂ© au § 3 du prĂ©sent article. Seul l'accĂšs par les chemins forestiers est autorisĂ©. Le Gouvernement flamand peut toutefois, dans la mesure oĂč cela ne compromet pas la pĂ©rennitĂ© du bois et l'accomplissement des autres fonctions forestiĂšres, permettre par arrĂȘtĂ© que les chemins forestiers soient quittĂ©s pour certaines activitĂ©s. Le Gouvernement flamand peut subordonner l'exercice de ces activitĂ©s Ă l'obtention d'une autorisation de l'Agence.   L'accĂšs, en tout ou en partie, aux bois peut ĂȘtre interdit pour une durĂ©e dĂ©terminĂ©e ou indĂ©terminĂ©e. L'interdiction d'accĂšs aux bois publics requiert l'autorisation de l'Agence.   L'interdiction Ă©ventuelle d'accĂšs Ă un bois ou une partie d'un bois doit ĂȘtre indiquĂ©e de maniĂšre clairement visible le long des chemins forestiers. Le Gouvernement flamand fixe la forme et les modalitĂ©s de cette indication. L'interdiction d'accĂšs Ă©ventuelle Ă un bois ou Ă une partie d'un bois ne peut lĂ©galement ĂȘtre indiquĂ©e dans une autre forme ou d'une autre façon. § 3. Les piĂ©tons ont toujours accĂšs aux bois accessibles au public conformĂ©ment au § 2 du prĂ©sent article.   Le Gouvernement flamand peut autoriser, par arrĂȘtĂ© et sans porter atteinte Ă l'article 14, l'accĂšs aux chemins forestiers Ă d'autres catĂ©gories d'usagers de la route, pour autant que ces derniĂšres ne compromettent pas la pĂ©rennitĂ© du bois et l'accomplissement des autres fonctions forestiĂšres.   Le Gouvernement flamand rĂšgle par arrĂȘtĂ© l'accĂšs aux chemins forestiers de toutes les catĂ©gories d'usagers de la route visĂ©es aux deux alinĂ©as prĂ©cĂ©dents. L'accĂšs aux chemins forestiers ne peut ĂȘtre lĂ©galement indiquĂ© que suivant la forme et les modalitĂ©s fixĂ©es par le Gouvernement flamand. |
| 12 | § 4. L'accÚs à un bois est régi par un rÚglement d'accessibilité qui n'est pas contraire aux termes du plan de gestion ou aux dispositions du présent décret. L'obligation d'établir un rÚglement d'accessibilité ne s'applique pas lorsque l'accessibilité demeure limitée à donner accÚs aux piétons sur les chemins forestriers conformément à l'article 10, §§ 2 et 3. Le Gouvernement flamand désigne la personne qui peut rédiger le rÚglement d'accessibilité, ainsi que le contenu et la procédure d'approbation de ce rÚglement d'accessibilité. |
| 30 | Sans préjudice des prohibitions reprises dans les lois, décrets, rÚglements et les dispenses figurant dans le plan de gestion, il est interdit dans les réserves forestiÚres :   (...)   8. de pratiquer des sports.   (...) |
| 62, premiÚre phrase | L'adjudicataire ne peut commencer l'exploitation de leurs coupes sans un permis d'exploiter délivré par le fonctionnaire désigné. |
| 63 | L'adjudicataire doit pouvoir dĂ©signer tous les arbres rĂ©servĂ©s et il est tenu de les respecter, quelle que soit leur qualification.   Sans prĂ©judice des dispositions de l'article 184 du Code pĂ©nal, les adjudicataires ne peuvent marquer les arbres rĂ©servĂ©s.   Les arbres coupĂ©s illĂ©galement par l'adjudicataire ne pourront ĂȘtre compensĂ©s par des arbres marquĂ©s pour la dĂ©livrance.   La valeur des arbres coupĂ©s en dĂ©lit doit ĂȘtre indemnisĂ©e ainsi que les dommages Ă©ventuels qui en dĂ©coulent.   Lorsque des arbres rĂ©servĂ©s sont cassĂ©s ou renversĂ©s, l'adjudicataire doit les laisser sur place et avertir sans dĂ©lai le prĂ©posĂ©.   L'empreinte du marteau apposĂ©e sur le fĂ»t ou sur la souche est le seul moyen dont dispose l'adjudicataire pour justifier l'exploitation des arbres. |
| 64 | L'adjudicataire fait en sorte que les arbres de réserve et le peuplement ne soient point endommagés.   Lorsqu'un arbre abattu demeure encroué sur un arbre de réserve ou non marqué, l'adjudicataire ne peut abattre l'arbre de réserve ou non marqué qu'avec l'autorisation du fonctionnaire désigné et aprÚs constatation contradictoire des dommages résultant de la nécessité d'abattre l'arbre de réserve ou non marqué.   Si un dédommagement en nature s'avÚre possible, l'on peut désigner en remplacement des arbres endommagés, des arbres marqués d'une valeur au moins équivalente, compte tenu de leur valeur d'avenir, ou des arbres de moindre valeur moyennant le paiement de la différence.   Si l'adjudicataire ne peut acquiescer à ce remplacement, on estime la valeur des arbres endommagés, majorée par les dégùts causés au peuplement.   Si l'adjudicataire ne peut fournir la preuve qu'il a pris toutes les dispositions pour éviter l'endommagement des arbres de réserve, ces derniers sont considérés comme bois de délit et vendus conformément à l'article 55, sans préjudice du dédommagement à payer par l'adjudicataire et, le cas échéant, des amendes prévues par le cahier des charges. |
| 65 | L'adjudicataire ne peut effectuer aucun travail de coupe ou d'enlÚvement de bois les dimanches et les jours fériés ni avant le lever ni aprÚs le coucher du soleil.   Dans des cas particuliers, le fonctionnaire désigné peut lui accorder une dérogation. |
| 66 | Il est interdit à l'adjudicataire, à moins que le cahier des charges n'en contienne l'autorisation expresse, de peler ou d'écorcer sur pied aucun des bois de sa vente. |
| 67 | Toute contravention aux conditions du cahier des charges est interdite. |
| 68 | Il ne peut ĂȘtre Ă©tabli, Ă l'usage de l'exploitation, aucune fosse ou fourneau pour le charbon, atelier ou loge, roulotte, caravane ou tente, si ce n'est aux endroits indiquĂ©s par le fonctionnaire dĂ©signĂ© ou son dĂ©lĂ©guĂ©. |
| 69 | Il est défendu à l'adjudicataire et ses ouvriers, d'allumer du feu ailleurs qu'aux endroits autorisés par le cahier des charges ou par le préposé. |
| 70 | Le transport du bois se fait par les chemins ordinaires ou de la façon indiquée par le fonctionnaire désigné ou son délégué.   En aucun cas l'adjudicataire ne peut aménager de nouveaux passages ou chemins. |
| 71 | Tous les arbres marquĂ©s pour la coupe doivent ĂȘtre abattus et dĂ©bardĂ©s dans le dĂ©lai fixĂ© dans le cahier des charges.   Une prolongation de ce dĂ©lai ne peut ĂȘtre accordĂ©e aux adjudicataires que pour des raisons motivĂ©es et dans la mesure oĂč il est prĂ©vu par le cahier des charges.   Si les adjudicataires ne terminent pas, dans le dĂ©lai fixĂ©, les travaux que le cahier des charges leur impose, les arbres non abattus et non dĂ©bardĂ©s reviennent au propriĂ©taire, sans prĂ©judice des dommages. |
| 72 | Les adjudicataires ne peuvent déposer dans leurs ventes d'autres bois que ceux qui en proviennent. |
| 81 | Les coupes prĂ©vues dans un plan de gestion approuvĂ© peuvent ĂȘtre exĂ©cutĂ©es immĂ©diatement et ne sont pas soumises Ă dĂ©claration.   S'il y a lieu de procĂ©der sans tarder Ă des coupes pour des raisons de sĂ©curitĂ©, la coupe et sa motivation doivent ĂȘtre notifiĂ©es Ă l'Agence au plus tard 24 heures aprĂšs le dĂ©but de la coupe. Si la coupe s'avĂšre nĂ©cessaire d'urgence pour des raisons sanitaires, la coupe et sa motivation doivent ĂȘtre notifiĂ©es Ă l'Agence au moins quatorze jours avant le dĂ©but de la coupe.   Dans un dĂ©lai de six mois suivant l'exĂ©cution des coupes prĂ©citĂ©es, le gestionnaire forestier doit soumettre Ă l'approbation de l'Agence une proposition de mesures de remise en Ă©tat consistant en un reboisement des parcelles coupĂ©es et endommagĂ©es Ă concurrence d'une superficie Ă©quivalente, y compris une rĂ©gĂ©nĂ©ration spontanĂ©e. Lorsque le gestionnaire forestier ne propose pas de mesures de remise en Ă©tat dans le dĂ©lai prĂ©citĂ© ou lorsqu'il omet d'exĂ©cuter les mesures de remise en Ă©tat approuvĂ©es dans un dĂ©lai d'un an suivant l'approbation de la proposition, modifiĂ©e ou non, ou lorsque, dans ce dĂ©lai, la rĂ©gĂ©nĂ©ration spontanĂ©e n'a eu aucun ou peu de rĂ©sultat, l'Agence peut faire exĂ©cuter les travaux aux frais des gestionnaires forestiers. Les frais sont rĂ©cupĂ©rĂ©s par l'envoi, par lettre recommandĂ©e, de l'Ă©tat des charges au gestionnaire forestier.   Pour toutes les autres coupes, une autorisation doit ĂȘtre demandĂ©e Ă l'Agence. Les coupes autres que celles visĂ©es au premier jusqu'au troisiĂšme alinĂ©a inclus qui n'ont pas Ă©tĂ© autorisĂ©es, ainsi que le non-respect des conditions d'autorisation, sont interdits. (...)   L'Agence dĂ©cide dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'exĂ©cution de la coupe; cette dĂ©cision est notifiĂ©e sans tarder aux administrations communales concernĂ©es. A l'expiration de ce dĂ©lai, la demande est rĂ©putĂ©e recueillie. (...) |
| 90, alinĂ©a premier | Les biens immobiliers publics auxquels le dĂ©cret est applicable ne peuvent ĂȘtre aliĂ©nĂ©s qu'avec l'autorisation du Gouvernement flamand. |
| 91, § 2, alinĂ©a premier | Lors d'une cession ou d'un partage de biens immobiliers auxquels s'applique le prĂ©sent dĂ©cret, le cĂ©dant ou le partageur informe l'acquĂ©reur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du prĂ©sent dĂ©cret et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. |
| 91, § 2, deuxiĂšme alinĂ©a | Cette obligation incombe Ă©galement Ă la personne grevant le droit de propriĂ©tĂ© de tels biens immobiliers de droits rĂ©els dans la mesure oĂč cela implique la cession de la gestion de la forĂȘt, et Ă la personne qui cĂšde entiĂšrement ou partiellement la gestion de la forĂȘt d'une autre façon pour une pĂ©riode de plus de neuf ans. |
| 91, § 3, alinéa premier | Le fonctionnaire instrumentant passant un acte de cession ou de partage visé au § 1er reprend dans une rubrique séparée 'Décret forestier' de l'acte la déclaration du cédant ou du partageur que ce dernier a respecté son obligation d'information, visée au § 2, et, le cas échéant, a transmis les documents nécessaires. |
| 91, § 3, alinéa deux | La disponibilité d'un plan de gestion forestiÚre et de données de référence est mentionnée dans l'acte. |
| 91, § 4 | Le fonctionnaire instrumentaire prĂ©citĂ© communique, dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forĂȘt Ă l'Agence conjointement avec une attestation mentionnant l'identitĂ© du gestionnaire de la forĂȘt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question. |
| 97, § 1er | § 1er. Sans préjudice des interdictions prévues par les lois, décrets et rÚglements, il est interdit dans tous les bois publics et pour ce qui concerne les réserves forestiÚres, sans l'autorisation du propriétaire et de l'Agence ou sans que tel a été fixé dans le plan de gestion approuvé, aprÚs avoir entendu la commission :   (...)   2. d'enlever le bois mort, gisant par terre ou attaché au fût, à moins qu'il ne fait partie d'un lot de bois vendu ;   3. d'enlever les bourgeons, pousses, rameaux, inflorescences, cÎnes, fruits et graines ;   4. d'élaguer les arbres sauf lorsque cette mesure figure dans le plan de gestion approuvé ;   (...)   6. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale ;   7. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui rÚgne dans le bois et la tranquillité des visiteurs ;   (...)   10. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes ;   (...)   12. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion. |
| 97, § 2 | § 2. Sans préjudice des interdictions prévues par les lois, décrets et rÚglements, il est interdit dans tous les bois privés, sans l'autorisation du propriétaire et de l'Agence ou sans que tel a été fixé dans le plan de gestion approuvé :   (...)   2. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale ;   3. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui rÚgne dans le bois et la tranquillité des visiteurs ;   (...)   5. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes, sauf en tant que mesure de gestion ;   6. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser ;   7. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion ;   (...) |
  L'accĂšs, en tout ou en partie, aux bois peut ĂȘtre interdit pour une durĂ©e dĂ©terminĂ©e ou indĂ©terminĂ©e. L'interdiction d'accĂšs aux bois publics requiert l'autorisation de l'Agence.
  L'interdiction Ă©ventuelle d'accĂšs Ă un bois ou une partie d'un bois doit ĂȘtre indiquĂ©e de maniĂšre clairement visible le long des chemins forestiers. Le Gouvernement flamand fixe la forme et les modalitĂ©s de cette indication. L'interdiction d'accĂšs Ă©ventuelle Ă un bois ou Ă une partie d'un bois ne peut lĂ©galement ĂȘtre indiquĂ©e dans une autre forme ou d'une autre façon. § 3. Les piĂ©tons ont toujours accĂšs aux bois accessibles au public conformĂ©ment au § 2 du prĂ©sent article.
  Le Gouvernement flamand peut autoriser, par arrĂȘtĂ© et sans porter atteinte Ă l'article 14, l'accĂšs aux chemins forestiers Ă d'autres catĂ©gories d'usagers de la route, pour autant que ces derniĂšres ne compromettent pas la pĂ©rennitĂ© du bois et l'accomplissement des autres fonctions forestiĂšres.
  Le Gouvernement flamand rĂšgle par arrĂȘtĂ© l'accĂšs aux chemins forestiers de toutes les catĂ©gories d'usagers de la route visĂ©es aux deux alinĂ©as prĂ©cĂ©dents. L'accĂšs aux chemins forestiers ne peut ĂȘtre lĂ©galement indiquĂ© que suivant la forme et les modalitĂ©s fixĂ©es par le Gouvernement flamand.12 § 4. L'accĂšs Ă un bois est rĂ©gi par un rĂšglement d'accessibilitĂ© qui n'est pas contraire aux termes du plan de gestion ou aux dispositions du prĂ©sent dĂ©cret. L'obligation d'Ă©tablir un rĂšglement d'accessibilitĂ© ne s'applique pas lorsque l'accessibilitĂ© demeure limitĂ©e Ă donner accĂšs aux piĂ©tons sur les chemins forestriers conformĂ©ment Ă l'article 10, §§ 2 et 3. Le Gouvernement flamand dĂ©signe la personne qui peut rĂ©diger le rĂšglement d'accessibilitĂ©, ainsi que le contenu et la procĂ©dure d'approbation de ce rĂšglement d'accessibilitĂ©.30 Sans prĂ©judice des prohibitions reprises dans les lois, dĂ©crets, rĂšglements et les dispenses figurant dans le plan de gestion, il est interdit dans les rĂ©serves forestiĂšres :
  (...)
  8. de pratiquer des sports.
  (...)62, premiÚre phrase L'adjudicataire ne peut commencer l'exploitation de leurs coupes sans un permis d'exploiter délivré par le fonctionnaire désigné.63 L'adjudicataire doit pouvoir désigner tous les arbres réservés et il est tenu de les respecter, quelle que soit leur qualification.
  Sans préjudice des dispositions de l'article 184 du Code pénal, les adjudicataires ne peuvent marquer les arbres réservés.
  Les arbres coupĂ©s illĂ©galement par l'adjudicataire ne pourront ĂȘtre compensĂ©s par des arbres marquĂ©s pour la dĂ©livrance.
  La valeur des arbres coupĂ©s en dĂ©lit doit ĂȘtre indemnisĂ©e ainsi que les dommages Ă©ventuels qui en dĂ©coulent.
  Lorsque des arbres réservés sont cassés ou renversés, l'adjudicataire doit les laisser sur place et avertir sans délai le préposé.
  L'empreinte du marteau apposée sur le fût ou sur la souche est le seul moyen dont dispose l'adjudicataire pour justifier l'exploitation des arbres.64 L'adjudicataire fait en sorte que les arbres de réserve et le peuplement ne soient point endommagés.
  Lorsqu'un arbre abattu demeure encroué sur un arbre de réserve ou non marqué, l'adjudicataire ne peut abattre l'arbre de réserve ou non marqué qu'avec l'autorisation du fonctionnaire désigné et aprÚs constatation contradictoire des dommages résultant de la nécessité d'abattre l'arbre de réserve ou non marqué.
  Si un dédommagement en nature s'avÚre possible, l'on peut désigner en remplacement des arbres endommagés, des arbres marqués d'une valeur au moins équivalente, compte tenu de leur valeur d'avenir, ou des arbres de moindre valeur moyennant le paiement de la différence.
  Si l'adjudicataire ne peut acquiescer à ce remplacement, on estime la valeur des arbres endommagés, majorée par les dégùts causés au peuplement.
  Si l'adjudicataire ne peut fournir la preuve qu'il a pris toutes les dispositions pour éviter l'endommagement des arbres de réserve, ces derniers sont considérés comme bois de délit et vendus conformément à l'article 55, sans préjudice du dédommagement à payer par l'adjudicataire et, le cas échéant, des amendes prévues par le cahier des charges.65 L'adjudicataire ne peut effectuer aucun travail de coupe ou d'enlÚvement de bois les dimanches et les jours fériés ni avant le lever ni aprÚs le coucher du soleil.
  Dans des cas particuliers, le fonctionnaire dĂ©signĂ© peut lui accorder une dĂ©rogation.66 Il est interdit Ă l'adjudicataire, Ă moins que le cahier des charges n'en contienne l'autorisation expresse, de peler ou d'Ă©corcer sur pied aucun des bois de sa vente.67 Toute contravention aux conditions du cahier des charges est interdite.68 Il ne peut ĂȘtre Ă©tabli, Ă l'usage de l'exploitation, aucune fosse ou fourneau pour le charbon, atelier ou loge, roulotte, caravane ou tente, si ce n'est aux endroits indiquĂ©s par le fonctionnaire dĂ©signĂ© ou son dĂ©lĂ©guĂ©.69 Il est dĂ©fendu Ă l'adjudicataire et ses ouvriers, d'allumer du feu ailleurs qu'aux endroits autorisĂ©s par le cahier des charges ou par le prĂ©posĂ©.70 Le transport du bois se fait par les chemins ordinaires ou de la façon indiquĂ©e par le fonctionnaire dĂ©signĂ© ou son dĂ©lĂ©guĂ©.
  En aucun cas l'adjudicataire ne peut amĂ©nager de nouveaux passages ou chemins.71 Tous les arbres marquĂ©s pour la coupe doivent ĂȘtre abattus et dĂ©bardĂ©s dans le dĂ©lai fixĂ© dans le cahier des charges.
  Une prolongation de ce dĂ©lai ne peut ĂȘtre accordĂ©e aux adjudicataires que pour des raisons motivĂ©es et dans la mesure oĂč il est prĂ©vu par le cahier des charges.
  Si les adjudicataires ne terminent pas, dans le dĂ©lai fixĂ©, les travaux que le cahier des charges leur impose, les arbres non abattus et non dĂ©bardĂ©s reviennent au propriĂ©taire, sans prĂ©judice des dommages.72 Les adjudicataires ne peuvent dĂ©poser dans leurs ventes d'autres bois que ceux qui en proviennent.81 Les coupes prĂ©vues dans un plan de gestion approuvĂ© peuvent ĂȘtre exĂ©cutĂ©es immĂ©diatement et ne sont pas soumises Ă dĂ©claration.
  S'il y a lieu de procĂ©der sans tarder Ă des coupes pour des raisons de sĂ©curitĂ©, la coupe et sa motivation doivent ĂȘtre notifiĂ©es Ă l'Agence au plus tard 24 heures aprĂšs le dĂ©but de la coupe. Si la coupe s'avĂšre nĂ©cessaire d'urgence pour des raisons sanitaires, la coupe et sa motivation doivent ĂȘtre notifiĂ©es Ă l'Agence au moins quatorze jours avant le dĂ©but de la coupe.
  Dans un délai de six mois suivant l'exécution des coupes précitées, le gestionnaire forestier doit soumettre à l'approbation de l'Agence une proposition de mesures de remise en état consistant en un reboisement des parcelles coupées et endommagées à concurrence d'une superficie équivalente, y compris une régénération spontanée. Lorsque le gestionnaire forestier ne propose pas de mesures de remise en état dans le délai précité ou lorsqu'il omet d'exécuter les mesures de remise en état approuvées dans un délai d'un an suivant l'approbation de la proposition, modifiée ou non, ou lorsque, dans ce délai, la régénération spontanée n'a eu aucun ou peu de résultat, l'Agence peut faire exécuter les travaux aux frais des gestionnaires forestiers. Les frais sont récupérés par l'envoi, par lettre recommandée, de l'état des charges au gestionnaire forestier.
  Pour toutes les autres coupes, une autorisation doit ĂȘtre demandĂ©e Ă l'Agence. Les coupes autres que celles visĂ©es au premier jusqu'au troisiĂšme alinĂ©a inclus qui n'ont pas Ă©tĂ© autorisĂ©es, ainsi que le non-respect des conditions d'autorisation, sont interdits. (...)
  L'Agence dĂ©cide dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'exĂ©cution de la coupe; cette dĂ©cision est notifiĂ©e sans tarder aux administrations communales concernĂ©es. A l'expiration de ce dĂ©lai, la demande est rĂ©putĂ©e recueillie. (...)90, alinĂ©a premier Les biens immobiliers publics auxquels le dĂ©cret est applicable ne peuvent ĂȘtre aliĂ©nĂ©s qu'avec l'autorisation du Gouvernement flamand.91, § 2, alinĂ©a premier Lors d'une cession ou d'un partage de biens immobiliers auxquels s'applique le prĂ©sent dĂ©cret, le cĂ©dant ou le partageur informe l'acquĂ©reur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du prĂ©sent dĂ©cret et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.91, § 2, deuxiĂšme alinĂ©a Cette obligation incombe Ă©galement Ă la personne grevant le droit de propriĂ©tĂ© de tels biens immobiliers de droits rĂ©els dans la mesure oĂč cela implique la cession de la gestion de la forĂȘt, et Ă la personne qui cĂšde entiĂšrement ou partiellement la gestion de la forĂȘt d'une autre façon pour une pĂ©riode de plus de neuf ans.91, § 3, alinĂ©a premier Le fonctionnaire instrumentant passant un acte de cession ou de partage visĂ© au § 1er reprend dans une rubrique sĂ©parĂ©e 'DĂ©cret forestier' de l'acte la dĂ©claration du cĂ©dant ou du partageur que ce dernier a respectĂ© son obligation d'information, visĂ©e au § 2, et, le cas Ă©chĂ©ant, a transmis les documents nĂ©cessaires.91, § 3, alinĂ©a deux La disponibilitĂ© d'un plan de gestion forestiĂšre et de donnĂ©es de rĂ©fĂ©rence est mentionnĂ©e dans l'acte.91, § 4 Le fonctionnaire instrumentaire prĂ©citĂ© communique, dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forĂȘt Ă l'Agence conjointement avec une attestation mentionnant l'identitĂ© du gestionnaire de la forĂȘt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.97, § 1er § 1er. Sans prĂ©judice des interdictions prĂ©vues par les lois, dĂ©crets et rĂšglements, il est interdit dans tous les bois publics et pour ce qui concerne les rĂ©serves forestiĂšres, sans l'autorisation du propriĂ©taire et de l'Agence ou sans que tel a Ă©tĂ© fixĂ© dans le plan de gestion approuvĂ©, aprĂšs avoir entendu la commission :
  (...)
  2. d'enlever le bois mort, gisant par terre ou attaché au fût, à moins qu'il ne fait partie d'un lot de bois vendu ;
  3. d'enlever les bourgeons, pousses, rameaux, inflorescences, cÎnes, fruits et graines ;
  4. d'élaguer les arbres sauf lorsque cette mesure figure dans le plan de gestion approuvé ;
  (...)
  6. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale ;
  7. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui rÚgne dans le bois et la tranquillité des visiteurs ;
  (...)
  10. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes ;
  (...)
  12. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion.97, § 2 § 2. Sans préjudice des interdictions prévues par les lois, décrets et rÚglements, il est interdit dans tous les bois privés, sans l'autorisation du propriétaire et de l'Agence ou sans que tel a été fixé dans le plan de gestion approuvé :
  (...)
  2. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale ;
  3. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui rÚgne dans le bois et la tranquillité des visiteurs ;
  (...)
  5. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes, sauf en tant que mesure de gestion ;
  6. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser ;
  7. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion ;
  (...)
Art. N7. Bijlage XV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
  Bijlage XV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
Art. N7. Annexe XV Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XV. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
  Annexe XV. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 27, lid 1 | Elke onderneming verstrekt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat voor elke gereguleerde stof en elke in bijlage II genoemde nieuwe stof jaarlijks uiterlijk op 31 maart de in de leden 2 tot en met 6 vermelde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar. |
| 27, lid 2 | Iedere producent verstrekt de volgende gegevens:   a) zijn totale productie voor elke in lid 1 bedoelde stof;   b) de in de Gemeenschap op de markt gebrachte of voor eigen rekening van de producent gebruikte geproduceerde hoeveelheden, gesplitst naar productie voor gebruik als grondstof, gebruik als technische hulpstof, of andere toepassingen;   c) de productie om te voorzien in de behoeften voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen in de Gemeenschap waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend;   d) de productie om in de essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen van de partijen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 8, toestemming is verleend, te voorzien;   e) in voorkomende geval, de toename van de productie waarvoor in verband met industriële rationalisering krachtens artikel 14, leden 2, 3 en 4, toestemming is verleend;   f) de gerecycleerde, geregenereerde of vernietigde hoeveelheden onder vermelding van de bij de vernietiging gebruikte techniek, met inbegrip van de in artikel 3, punt 14, bedoelde als bijproduct geproduceerde en vernietigde hoeveelheden;   g) de voorraden;   h) de van en aan andere producenten in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden. |
| 27, lid 3 | Iedere importeur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:   a) de in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden, uitgesplitst naar invoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend, voor gebruik voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer en voor vernietiging; Importeurs die gereguleerde stoffen voor vernietiging hebben ingevoerd, vermelden tevens voor elke stof de eindbestemming of eindbestemmingen, onder vermelding, voor elke eindbestemming, van de hoeveelheden van elke stof die daar afgeleverd zijn en van de naam en het adres van de vernietigingsinstallatie;   b) de hoeveelheden die volgens andere douaneprocedures zijn ingevoerd, onder aparte vermelding van de soort douaneprocedure en het aangegeven gebruik;   c) de hoeveelheden gebruikte in lid 1 bedoelde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn ingevoerd;   d) de voorraden;   e) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;   f) het land van uitvoer. |
| 27, lid 4 | Iedere exporteur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:   a) de hoeveelheden uitgevoerde stoffen, uitgesplitst naar uitvoer naar de verschillende landen van bestemming, en naar uitvoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen, voor kritische toepassingen en voor toepassingen voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer;   b) de voorraden;   c) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;   d) het land van bestemming. |
| 27, lid 5 | Elke onderneming die gereguleerde stoffen vernietigt als bedoeld in lid 1 en niet onder lid 2 valt, verstrekt de volgende gegevens: Â Â a) de hoeveelheden van die stoffen die werden vernietigd, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevonden; Â Â b) de voorraden van die stoffen die wachten op vernietiging, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevinden; Â Â c) de bij de vernietiging gebruikte techniek. |
| 27, lid 6 | Elke onderneming die gereguleerde stoffen als grondstof of als technische hulpstof gebruikt, verstrekt de volgende gegevens: Â Â a) de hoeveelheden van die stoffen die als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt; Â Â b) de voorraden van die stoffen; Â Â c) de betrokken methoden en emissies. |
| 27, lid 7 | Elke producent of importeur die overeenkomstig artikel 10, lid 6, een vergunning heeft verkregen, deelt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat jaarlijks vóór 31 maart voor alle stoffen waarvoor hij toestemming heeft verkregen mee waarvoor die zijn gebruikt, welke hoeveelheden hij het voorgaande jaar heeft gebruikt, welke hoeveelheden hij in voorraad heeft, gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd heeft en welke hoeveelheden producten en apparaten die deze stoffen bevatten of nodig hebben hij op de communautaire markt gebracht en/of uitgevoerd heeft. |
  a) zijn totale productie voor elke in lid 1 bedoelde stof;
  b) de in de Gemeenschap op de markt gebrachte of voor eigen rekening van de producent gebruikte geproduceerde hoeveelheden, gesplitst naar productie voor gebruik als grondstof, gebruik als technische hulpstof, of andere toepassingen;
  c) de productie om te voorzien in de behoeften voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen in de Gemeenschap waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend;
  d) de productie om in de essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen van de partijen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 8, toestemming is verleend, te voorzien;
  e) in voorkomende geval, de toename van de productie waarvoor in verband met industriële rationalisering krachtens artikel 14, leden 2, 3 en 4, toestemming is verleend;
  f) de gerecycleerde, geregenereerde of vernietigde hoeveelheden onder vermelding van de bij de vernietiging gebruikte techniek, met inbegrip van de in artikel 3, punt 14, bedoelde als bijproduct geproduceerde en vernietigde hoeveelheden;
  g) de voorraden;
  h) de van en aan andere producenten in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden.27, lid 3 Iedere importeur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:
  a) de in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden, uitgesplitst naar invoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend, voor gebruik voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer en voor vernietiging; Importeurs die gereguleerde stoffen voor vernietiging hebben ingevoerd, vermelden tevens voor elke stof de eindbestemming of eindbestemmingen, onder vermelding, voor elke eindbestemming, van de hoeveelheden van elke stof die daar afgeleverd zijn en van de naam en het adres van de vernietigingsinstallatie;
  b) de hoeveelheden die volgens andere douaneprocedures zijn ingevoerd, onder aparte vermelding van de soort douaneprocedure en het aangegeven gebruik;
  c) de hoeveelheden gebruikte in lid 1 bedoelde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn ingevoerd;
  d) de voorraden;
  e) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;
  f) het land van uitvoer.27, lid 4 Iedere exporteur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens:
  a) de hoeveelheden uitgevoerde stoffen, uitgesplitst naar uitvoer naar de verschillende landen van bestemming, en naar uitvoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen, voor kritische toepassingen en voor toepassingen voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer;
  b) de voorraden;
  c) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;
  d) het land van bestemming.27, lid 5 Elke onderneming die gereguleerde stoffen vernietigt als bedoeld in lid 1 en niet onder lid 2 valt, verstrekt de volgende gegevens:
  a) de hoeveelheden van die stoffen die werden vernietigd, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevonden;
  b) de voorraden van die stoffen die wachten op vernietiging, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevinden;
  c) de bij de vernietiging gebruikte techniek.27, lid 6 Elke onderneming die gereguleerde stoffen als grondstof of als technische hulpstof gebruikt, verstrekt de volgende gegevens:
  a) de hoeveelheden van die stoffen die als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt;
  b) de voorraden van die stoffen;
  c) de betrokken methoden en emissies.27, lid 7 Elke producent of importeur die overeenkomstig artikel 10, lid 6, een vergunning heeft verkregen, deelt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat jaarlijks vóór 31 maart voor alle stoffen waarvoor hij toestemming heeft verkregen mee waarvoor die zijn gebruikt, welke hoeveelheden hij het voorgaande jaar heeft gebruikt, welke hoeveelheden hij in voorraad heeft, gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd heeft en welke hoeveelheden producten en apparaten die deze stoffen bevatten of nodig hebben hij op de communautaire markt gebracht en/of uitgevoerd heeft.
| Article | Obligation légale |
| 27, alinéa premier | Au plus tard le 31 mars de chaque année, chaque entreprise communique à la Commission, avec copie à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné, les données spécifiées aux paragraphes 2 à 6 pour chaque substance réglementée et chaque nouvelle substance figurant à l'annexe II, pour l'année civile précédente. |
| 27, alinéa deux | Chaque producteur communique les informations suivantes :   a) sa production totale de chaque substance visée au paragraphe 1 ;   b) toute production mise sur le marché ou utilisée pour son propre compte par le producteur à l'intérieur de la Communauté, en indiquant séparément la production destinée à servir d'intermédiaire de synthÚse, d'agent de fabrication et à d'autres fins ;   c) toute production destinée à satisfaire les besoins d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse dans la Communauté, autorisée conformément à l'article 10, paragraphe 6 ;   d) toute production autorisée en application de l'article 10, paragraphe 8, de maniÚre à satisfaire les besoins d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse des parties ;   e) toute augmentation de production autorisée en application de l'article 14, paragraphes 2, 3 et 4, dans le cadre d'une rationalisation industrielle ;   f) toutes quantités recyclées, régénérées ou détruites, et la technique utilisée pour la destruction, y compris les quantités produites et détruites en tant que sous-produits visées à l'article 3, point 14) ;   g) tout stock ;   h) tout achat ou toute vente à d'autres producteurs dans la Communauté. |
| 27, alinéa trois | Chaque importateur communique, pour chaque substance visée au paragraphe 1, les informations suivantes :   a) toutes quantités mises en libre pratique dans la Communauté, en indiquant séparément les importations destinées à servir d'intermédiaires de synthÚse ou d'agents de fabrication, destinées à des utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse autorisées conformément à l'article 10, paragraphe 6, à des applications de quarantaine et des applications préalables à l'expédition, et à la destruction. Les importateurs qui ont importé des substances réglementées à des fins de destruction indiquent également la ou les destinations finales réelles de chacune des substances, en précisant séparément pour chaque destination la quantité de chacune des substances et le nom et l'adresse de l'installation chargée de la destruction à laquelle la substance a été livrée ;   b) toutes quantités importées au titre d'autres procédures douaniÚres, en indiquant séparément la procédure douaniÚre et les utilisations définies ;   c) toutes quantités de substances utilisées visées au paragraphe 1, importées en vue de leur recyclage ou leur régénération ;   d) tout stock ;   e) tout achat et toute vente à d'autres entreprises dans la Communauté ;   f) le pays exportateur. |
| 27, alinéa quatre | Chaque exportateur communique, pour chaque substance visée au paragraphe 1, les informations suivantes :   a) toutes quantités de telles substances exportées, en indiquant séparément les quantités exportées vers chaque pays de destination et les quantités exportées en vue de leur utilisation comme intermédiaires de synthÚse et agents de fabrication, en vue d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse, d'utilisations critiques, et pour des applications de quarantaine et des applications préalables à l'expédition ;   b) tout stock ;   c) tout achat et toute vente à d'autres entreprises dans la Communauté ;   d) le pays de destination. |
| 27, alinéa cinq | Chaque entreprise qui détruit des substances réglementées visées au paragraphe 1 et qui ne sont pas couvertes par le paragraphe 2, communique les informations suivantes :   a) les quantités de ces substances qui sont détruites, y compris les quantités contenues dans des produits ou équipements ;   b) les stocks de telles substances qui sont en attente de destruction, y compris les quantités contenues dans des produits ou équipements ;   c) les techniques de destruction utilisées. |
| 27, alinéa six | Chaque entreprise qui utilise des substances réglementées comme intermédiaires de synthÚse ou agents de fabrication communique les informations suivantes :   a) les quantités de ces substances utilisées comme intermédiaires de synthÚse ou agents de fabrication ;   b) les stocks de telles substances ;   c) les procédés et émissions concernés. |
| 27, alinéa sept | Avant le 31 mars de chaque année, chaque producteur ou importateur titulaire d'une licence en application de l'article 10, paragraphe 6, communique à la Commission, avec copie à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné, pour chaque substance ayant fait l'objet d'une autorisation, la nature de l'utilisation, les quantités utilisées au cours de l'année écoulée, les quantités en stock, toutes quantités recyclées, régénérées ou détruites, ainsi que la quantité des produits et équipements contenant ces substances ou tributaires de celles-ci mis sur le marché communautaire et/ou exportés. |
  a) sa production totale de chaque substance visée au paragraphe 1 ;
  b) toute production mise sur le marché ou utilisée pour son propre compte par le producteur à l'intérieur de la Communauté, en indiquant séparément la production destinée à servir d'intermédiaire de synthÚse, d'agent de fabrication et à d'autres fins ;
  c) toute production destinée à satisfaire les besoins d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse dans la Communauté, autorisée conformément à l'article 10, paragraphe 6 ;
  d) toute production autorisée en application de l'article 10, paragraphe 8, de maniÚre à satisfaire les besoins d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse des parties ;
  e) toute augmentation de production autorisée en application de l'article 14, paragraphes 2, 3 et 4, dans le cadre d'une rationalisation industrielle ;
  f) toutes quantités recyclées, régénérées ou détruites, et la technique utilisée pour la destruction, y compris les quantités produites et détruites en tant que sous-produits visées à l'article 3, point 14) ;
  g) tout stock ;
  h) tout achat ou toute vente à d'autres producteurs dans la Communauté.27, alinéa trois Chaque importateur communique, pour chaque substance visée au paragraphe 1, les informations suivantes :
  a) toutes quantités mises en libre pratique dans la Communauté, en indiquant séparément les importations destinées à servir d'intermédiaires de synthÚse ou d'agents de fabrication, destinées à des utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse autorisées conformément à l'article 10, paragraphe 6, à des applications de quarantaine et des applications préalables à l'expédition, et à la destruction. Les importateurs qui ont importé des substances réglementées à des fins de destruction indiquent également la ou les destinations finales réelles de chacune des substances, en précisant séparément pour chaque destination la quantité de chacune des substances et le nom et l'adresse de l'installation chargée de la destruction à laquelle la substance a été livrée ;
  b) toutes quantités importées au titre d'autres procédures douaniÚres, en indiquant séparément la procédure douaniÚre et les utilisations définies ;
  c) toutes quantités de substances utilisées visées au paragraphe 1, importées en vue de leur recyclage ou leur régénération ;
  d) tout stock ;
  e) tout achat et toute vente à d'autres entreprises dans la Communauté ;
  f) le pays exportateur.27, alinéa quatre Chaque exportateur communique, pour chaque substance visée au paragraphe 1, les informations suivantes :
  a) toutes quantités de telles substances exportées, en indiquant séparément les quantités exportées vers chaque pays de destination et les quantités exportées en vue de leur utilisation comme intermédiaires de synthÚse et agents de fabrication, en vue d'utilisations essentielles en laboratoire et à des fins d'analyse, d'utilisations critiques, et pour des applications de quarantaine et des applications préalables à l'expédition ;
  b) tout stock ;
  c) tout achat et toute vente à d'autres entreprises dans la Communauté ;
  d) le pays de destination.27, alinéa cinq Chaque entreprise qui détruit des substances réglementées visées au paragraphe 1 et qui ne sont pas couvertes par le paragraphe 2, communique les informations suivantes :
  a) les quantités de ces substances qui sont détruites, y compris les quantités contenues dans des produits ou équipements ;
  b) les stocks de telles substances qui sont en attente de destruction, y compris les quantités contenues dans des produits ou équipements ;
  c) les techniques de destruction utilisées.27, alinéa six Chaque entreprise qui utilise des substances réglementées comme intermédiaires de synthÚse ou agents de fabrication communique les informations suivantes :
  a) les quantités de ces substances utilisées comme intermédiaires de synthÚse ou agents de fabrication ;
  b) les stocks de telles substances ;
  c) les procédés et émissions concernés.27, alinéa sept Avant le 31 mars de chaque année, chaque producteur ou importateur titulaire d'une licence en application de l'article 10, paragraphe 6, communique à la Commission, avec copie à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné, pour chaque substance ayant fait l'objet d'une autorisation, la nature de l'utilisation, les quantités utilisées au cours de l'année écoulée, les quantités en stock, toutes quantités recyclées, régénérées ou détruites, ainsi que la quantité des produits et équipements contenant ces substances ou tributaires de celles-ci mis sur le marché communautaire et/ou exportés.
Art. N8. Bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het Oppervlaktedelfstoffendecreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het Oppervlaktedelfstoffendecreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N8. Annexe XVI Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XVI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exĂ©cution du dĂ©cret relatif aux minerais de surface, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XVI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exĂ©cution du dĂ©cret relatif aux minerais de surface, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 14, § 2, tweede zin | De nieuwe vergunninghouder stelt de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen hiervan per aangetekende brief in kennis. |
| 15, § 3, eerste lid | Indien de vergunninghouder een tijdelijke opslag van de uit zijn onderzoeksareaal gewonnen oppervlaktedelfstoffen voorziet op een perceel dat geen deel uitmaakt van de aanvraag, dient hij de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, daarvan schriftelijk en voorafgaandelijk op de hoogte te brengen, met opgave van de referenties van dit perceel. Dit geldt zowel voor percelen gelegen binnen als buiten het ontginningsgebied. |
| 24 | Uiterlijk op 31 maart volgend op elk volledig kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt, bezorgt de vergunninghouder aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen een voortgangsrapport betreffende de exploitatie in het voorbije kalenderjaar. Â Â Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen bezorgd. Â Â Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens: Â Â 1. de stand van zaken betreffende de ontginning bestaande uit een situeringsplan en opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst naar de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes; |
|  | 2. een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Volgende gegevens worden vermeld:   a. kadastrale gegevens;   b. grens vergunning;   c. situering van alle gebouwen;   d. situering van toegangswegen en uitbatingswegen;   e. aanduiden van grachten, beken,...;   f. aanduiden van de ontginningsfronten;   g. voldoende hoogtepeilen vermelden langs taluds en ontginningsfronten;   h. aanduiden van waterplassen, slibbekkens,..;   i. aanduiden met behulp van inkleuring of arcering hetgeen afgedekt is, hetgeen opgevuld is, en hetgeen zijn eindafwerking heeft verkregen;   j. aanduiden van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen:   3. een digitaal bestand voor de beschrijving van gematerialiseerde verdichtingspunten, opgemeten met behulp van FLEPOS (Flemish Positioning Service). Deze bestanden worden opgemaakt met behulp van de steekkaart-applicatie, beschikbaar op www.gisvlaanderen.be;   4. een tabel met een bondige beschrijving (piket, grenspaal, merkteken, hoek gebouw,...) van de referentiepunten, samen met de respectievelijke coördinaten in Lambert BD72/TAW;   5. de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden; werkelijk gerealiseerde depots; hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;   6. een plan met de zonering en fasering van de ontginning en vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones. |
  Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen bezorgd.
  Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens:
  1. de stand van zaken betreffende de ontginning bestaande uit een situeringsplan en opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst naar de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes;2. een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Volgende gegevens worden vermeld:
  a. kadastrale gegevens;
  b. grens vergunning;
  c. situering van alle gebouwen;
  d. situering van toegangswegen en uitbatingswegen;
  e. aanduiden van grachten, beken,...;
  f. aanduiden van de ontginningsfronten;
  g. voldoende hoogtepeilen vermelden langs taluds en ontginningsfronten;
  h. aanduiden van waterplassen, slibbekkens,..;
  i. aanduiden met behulp van inkleuring of arcering hetgeen afgedekt is, hetgeen opgevuld is, en hetgeen zijn eindafwerking heeft verkregen;
  j. aanduiden van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen:
  3. een digitaal bestand voor de beschrijving van gematerialiseerde verdichtingspunten, opgemeten met behulp van FLEPOS (Flemish Positioning Service). Deze bestanden worden opgemaakt met behulp van de steekkaart-applicatie, beschikbaar op www.gisvlaanderen.be;
  4. een tabel met een bondige beschrijving (piket, grenspaal, merkteken, hoek gebouw,...) van de referentiepunten, samen met de respectievelijke coördinaten in Lambert BD72/TAW;
  5. de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden; werkelijk gerealiseerde depots; hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;
  6. een plan met de zonering en fasering van de ontginning en vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones.
| Article | Obligation légale |
| 14, § 2, deuxiÚme phrase | Le nouveau détenteur de l'autorisation met la division compétente pour les ressources naturelles au courant de ce fait par lettre recommandée. |
| 15, § 3, alinéa premier | Si le détenteur de l'autorisation prévoit un stockage temporaire des minerais de surface extrait sur sa zone d'étude sur une parcelle qui ne fait pas partie de la demande, il doit le communiquer à la division compétente pour les ressources naturelles par écrit et à l'avance, en indiquant les références de cette parcelle. Cela vaut pour les parcelles situées tant à l'intérieur qu'à l'extérieur de la zone d'exploitation. |
| 24 | Au plus tard le 31 mars suivant chaque annĂ©e calendaire qui tombe dans le dĂ©lai d'autorisation, le dĂ©tenteur de l'autorisation fournit Ă la division compĂ©tente pour les ressources naturelles un rapport de progression concernant l'exploitation au cours de l'annĂ©e calendaire prĂ©cĂ©dente.   AprĂšs le premier rapport de progression de base, les rapports de progression annuels suivants peuvent se limiter Ă la fourniture de donnĂ©es comportant des modifications par rapport aux rapports de progression antĂ©rieurs. MĂȘme si aucune modification n'est intervenue au cours de l'annĂ©e calendaire Ă©coulĂ©e, la division compĂ©tente pour les ressources naturelles en est avertie. Un rapport de progression de base actualisĂ© est en tout cas transmis tous les cinq ans Ă la division compĂ©tente pour les ressources naturelles.   Ce rapport de progression de base contient au moins les donnĂ©es suivantes :   1. l'Ă©tat de la situation concernant l'exploitation, composĂ© d'un plan de situation et de l'indication des quantitĂ©s exploitĂ©es, Ă©ventuellement subdivisĂ© en fonction des diffĂ©rentes sortes de minerais, et les profondeurs rĂ©alisĂ©es ;   2. une mesure graphique numĂ©rique, Ă laquelle il est fait rĂ©fĂ©rence dans le systĂšme DB72 Lambert et le " Tweede Algemene Waterpassing " (TAW). Les donnĂ©es suivantes sont mentionnĂ©es :   a. les donnĂ©es cadastrales ;   b. la limite de l'autorisation ;   c. la situation de tous les bĂątiments ;   d. l'emplacement des voies d'accĂšs et des routes d'exploitation ;   e. l'indication des fossĂ©s, des ruisseaux, ... ;   f. l'indication des fronts d'exploitation ;   g. des niveaux de hauteur suffisants mentionnĂ©s le long des talus et des fronts d'exploitation ;   h. l'indication des plans d'eau, des bassins Ă boues, ... ;   i. l'indication Ă l'aide d'une coloration ou d'une partie hachurĂ©e des parties recouvertes, remplies, et parachevĂ©es ;   j. l'indication des points de rĂ©fĂ©rence pour les mesures successives :   3. un fichier numĂ©rique pour la description des points de colmatage matĂ©rialisĂ©s, mesurĂ©s Ă l'aide de FLEPOS (Flemish Positioning Service). Ces fichiers sont Ă©tablis Ă l'aide de l'application de fiches, disponibles sur www.gisvlaanderen.be ; |
|  | 4. un tableau avec une description concise (piquet, pilier, repĂšres, coin du bĂątiment, ...) des points de rĂ©fĂ©rence, ainsi que les coordonnĂ©es respectives Ă Lambert BD72/TAW ;   5. le bilan du sol avec les quantitĂ©s Ă©valuĂ©es de terre franche et d'autres terres de recouvrement; les dĂ©pĂŽts rĂ©ellement rĂ©alisĂ©s, la terre franche rĂ©utilisĂ©e, les terres de recouvrement et les couches intermĂ©diaires dans le cadre du parachĂšvement ou de la destination finale, et la terre franche, les terres de recouvrement et les couches intermĂ©diaires qui doivent encore ĂȘtre rĂ©servĂ©es ;   6. un plan avec les zones et les phases de l'exploitation et la mention des surfaces des diffĂ©rentes zones. |
  AprĂšs le premier rapport de progression de base, les rapports de progression annuels suivants peuvent se limiter Ă la fourniture de donnĂ©es comportant des modifications par rapport aux rapports de progression antĂ©rieurs. MĂȘme si aucune modification n'est intervenue au cours de l'annĂ©e calendaire Ă©coulĂ©e, la division compĂ©tente pour les ressources naturelles en est avertie. Un rapport de progression de base actualisĂ© est en tout cas transmis tous les cinq ans Ă la division compĂ©tente pour les ressources naturelles.
  Ce rapport de progression de base contient au moins les données suivantes :
  1. l'état de la situation concernant l'exploitation, composé d'un plan de situation et de l'indication des quantités exploitées, éventuellement subdivisé en fonction des différentes sortes de minerais, et les profondeurs réalisées ;
  2. une mesure graphique numérique, à laquelle il est fait référence dans le systÚme DB72 Lambert et le " Tweede Algemene Waterpassing " (TAW). Les données suivantes sont mentionnées :
  a. les données cadastrales ;
  b. la limite de l'autorisation ;
  c. la situation de tous les bùtiments ;
  d. l'emplacement des voies d'accÚs et des routes d'exploitation ;
  e. l'indication des fossés, des ruisseaux, ... ;
  f. l'indication des fronts d'exploitation ;
  g. des niveaux de hauteur suffisants mentionnés le long des talus et des fronts d'exploitation ;
  h. l'indication des plans d'eau, des bassins à boues, ... ;
  i. l'indication à l'aide d'une coloration ou d'une partie hachurée des parties recouvertes, remplies, et parachevées ;
  j. l'indication des points de référence pour les mesures successives :
  3. un fichier numérique pour la description des points de colmatage matérialisés, mesurés à l'aide de FLEPOS (Flemish Positioning Service). Ces fichiers sont établis à l'aide de l'application de fiches, disponibles sur www.gisvlaanderen.be ;4. un tableau avec une description concise (piquet, pilier, repÚres, coin du bùtiment, ...) des points de référence, ainsi que les coordonnées respectives à Lambert BD72/TAW ;
  5. le bilan du sol avec les quantitĂ©s Ă©valuĂ©es de terre franche et d'autres terres de recouvrement; les dĂ©pĂŽts rĂ©ellement rĂ©alisĂ©s, la terre franche rĂ©utilisĂ©e, les terres de recouvrement et les couches intermĂ©diaires dans le cadre du parachĂšvement ou de la destination finale, et la terre franche, les terres de recouvrement et les couches intermĂ©diaires qui doivent encore ĂȘtre rĂ©servĂ©es ;
  6. un plan avec les zones et les phases de l'exploitation et la mention des surfaces des différentes zones.
Art. N9. Bijlage XVII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XVII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
  Bijlage XVII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
Art. N9. Annexe XVII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XVII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006, et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
  Annexe XVII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le RÚglement (CE) n° 842/2006, et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 19, lid 1 | Uiterlijk op 31 maart 2015 en vervolgens elk jaar rapporteert iedere producent, invoerder en uitvoerder die tijdens het voorgaande kalenderjaar een metrische ton of 100 ton CO2 -equivalent of meer gefluoreerde broeikasgassen en in bijlage II vermelde gassen heeft geproduceerd, ingevoerd of uitgevoerd, aan de Commissie de in bijlage VII beschreven gegevens over elk van deze stoffen voor het betrokken kalenderjaar. Deze bepaling is ook van toepassing op ondernemingen die een quotum ontvangen ingevolge artikel 18, lid 1. |
| Bijlage VII | KRACHTENS ARTIKEL 19 MEE TE DELEN GEGEVENS   1. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde producent brengt verslag uit over:   a) de totale hoeveelheid van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij in de Unie heeft geproduceerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan;   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie op de markt heeft gebracht, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;   c) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycleerd, geregenereerd en vernietigd;   d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden;   e) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden.   2. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde invoerder brengt verslag uit over:   a) de hoeveelheid van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie heeft ingevoerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor vernietiging, gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, herverpakking, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycled, geregenereerd en vernietigd;   c) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden;   d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden.   3. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde uitvoerder brengt verslag uit over:   a) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij uit de Unie heeft uitgevoerd voor andere doeleinden dan recycling, regeneratie of vernietiging;   b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij heeft uitgevoerd uit de Unie om respectievelijk te worden gerecycled, geregenereerd en vernietigd. |
  1. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde producent brengt verslag uit over:
  a) de totale hoeveelheid van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij in de Unie heeft geproduceerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan;
  b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie op de markt heeft gebracht, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;
  c) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycleerd, geregenereerd en vernietigd;
  d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden;
  e) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden.
  2. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde invoerder brengt verslag uit over:
  a) de hoeveelheid van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie heeft ingevoerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor vernietiging, gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, herverpakking, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;
  b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycled, geregenereerd en vernietigd;
  c) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden;
  d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden.
  3. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde uitvoerder brengt verslag uit over:
  a) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij uit de Unie heeft uitgevoerd voor andere doeleinden dan recycling, regeneratie of vernietiging;
  b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij heeft uitgevoerd uit de Unie om respectievelijk te worden gerecycled, geregenereerd en vernietigd.
| Article | Obligation légale |
| 19, alinéa premier | Le 31 mars 2015 au plus tard et chaque année par la suite, chaque producteur, importateur et exportateur ayant produit, importé ou exporté une tonne métrique ou 100 tonnes équivalent CO2 ou plus de gaz à effet de serre fluorés et de gaz fluorés énumérés à l'annexe II au cours de l'année civile précédente communique à la Commission les informations spécifiées à l'annexe VII, pour chacune de ces substances et pour l'année civile concernée. Le présent paragraphe s'applique également aux entreprises auxquelles des quotas ont été alloués en vertu de l'article 18, paragraphe 1. |
| Annexe VII. | DONNEES A COMMUNIQUER EN VERTU DE L'ARTICLE 19   1. Chaque producteur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :   a) la quantité totale de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a produite dans l'Union, en indiquant les principales catégories d'applications dans lesquelles la substance est utilisée ;   b) les quantités de chaque substance énumérée à l'annexe I et, le cas échéant, à l'annexe II, qu'il a mises sur le marché dans l'Union, en indiquant séparément les quantités mises sur le marché pour utilisation comme intermédiaire de synthÚse, exportation directe, production d'inhalateurs doseurs destinés à l'administration de produits pharmaceutiques, utilisation dans des équipements militaires et utilisation pour la gravure de matériaux semi-conducteurs ou le nettoyage de chambres de dépÎt en phase de vapeur par procédé chimique dans l'industrie des semi-conducteurs ;   c) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qui ont été respectivement recyclées, régénérées ou détruites ; |
|  | d) tout stock détenu au début et à la fin de la période de déclaration ;   e) toute autorisation d'utiliser des quotas aux fins visées à l'article 14, en indiquant les quantités concernées.   2. Chaque importateur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :   a) les quantités de chaque substance énumérée à l'annexe I et, le cas échéant, à l'annexe II, qu'il a importée dans l'Union, en indiquant les principales catégories d'applications dans lesquelles la substance est utilisée, en indiquant séparément les quantités mises sur le marché pour destruction, utilisation comme intermédiaire de synthÚse, exportation directe, production d'inhalateurs doseurs destinés à l'administration de produits pharmaceutiques, utilisation dans des équipements militaires et utilisation pour la gravure de matériaux semi-conducteurs ou le nettoyage de chambres de dépÎt en phase de vapeur par procédé chimique dans l'industrie des semi-conducteurs ;   b) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qui ont été respectivement recyclées, régénérées et détruites ;   c) toute autorisation d'utiliser des quotas aux fins visées à l'article 14, en indiquant les quantités concernées ;   d) tout stock détenu au début et à la fin de la période de déclaration.   3. Chaque exportateur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :   a) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a exportées hors de l'Union à d'autres fins que le recyclage, la régénération ou la destruction ;   b) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a éventuellement exportées hors de l'Union en vue respectivement du recyclage, de la régénération et de la destruction. |
  1. Chaque producteur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :
  a) la quantité totale de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a produite dans l'Union, en indiquant les principales catégories d'applications dans lesquelles la substance est utilisée ;
  b) les quantités de chaque substance énumérée à l'annexe I et, le cas échéant, à l'annexe II, qu'il a mises sur le marché dans l'Union, en indiquant séparément les quantités mises sur le marché pour utilisation comme intermédiaire de synthÚse, exportation directe, production d'inhalateurs doseurs destinés à l'administration de produits pharmaceutiques, utilisation dans des équipements militaires et utilisation pour la gravure de matériaux semi-conducteurs ou le nettoyage de chambres de dépÎt en phase de vapeur par procédé chimique dans l'industrie des semi-conducteurs ;
  c) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qui ont été respectivement recyclées, régénérées ou détruites ;d) tout stock détenu au début et à la fin de la période de déclaration ;
  e) toute autorisation d'utiliser des quotas aux fins visées à l'article 14, en indiquant les quantités concernées.
  2. Chaque importateur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :
  a) les quantités de chaque substance énumérée à l'annexe I et, le cas échéant, à l'annexe II, qu'il a importée dans l'Union, en indiquant les principales catégories d'applications dans lesquelles la substance est utilisée, en indiquant séparément les quantités mises sur le marché pour destruction, utilisation comme intermédiaire de synthÚse, exportation directe, production d'inhalateurs doseurs destinés à l'administration de produits pharmaceutiques, utilisation dans des équipements militaires et utilisation pour la gravure de matériaux semi-conducteurs ou le nettoyage de chambres de dépÎt en phase de vapeur par procédé chimique dans l'industrie des semi-conducteurs ;
  b) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qui ont été respectivement recyclées, régénérées et détruites ;
  c) toute autorisation d'utiliser des quotas aux fins visées à l'article 14, en indiquant les quantités concernées ;
  d) tout stock détenu au début et à la fin de la période de déclaration.
  3. Chaque exportateur visé à l'article 19, paragraphe 1, communique des informations concernant :
  a) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a exportées hors de l'Union à d'autres fins que le recyclage, la régénération ou la destruction ;
  b) les quantités de chaque substance énumérée aux annexes I et II qu'il a éventuellement exportées hors de l'Union en vue respectivement du recyclage, de la régénération et de la destruction.
Art. N10. Bijlage XVIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XVIII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) Nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
  Bijlage XVIII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) Nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:
Art. N10. Annexe XVIII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XVIII. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la directive 1999/45/CE et abrogeant le rÚglement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le rÚglement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la directive 76/769/CEE du Conseil et les directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission,et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement, telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
  Annexe XVIII. Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes telles qu'elles figurent dans le RÚglement (CE) 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la directive 1999/45/CE et abrogeant le rÚglement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le rÚglement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la directive 76/769/CEE du Conseil et les directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission,et ce à la lumiÚre des compétences flamandes visant à protéger l'environnement, telles que fixées à l'article 6, § 1er, II, alinéa premier, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 36, lid 1 | Elke fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur verzamelt alle informatie die hij nodig heeft om zijn verplichtingen krachtens deze verordening te vervullen en houdt die informatie beschikbaar gedurende ten minste tien jaar nadat hij de stof of het mengsel voor het laatst heeft vervaardigd, ingevoerd, geleverd of gebruikt. Deze |
| Â | informatie wordt, onverminderd de titels II en VI, door de bedoelde fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur op verzoek onverwijld verstrekt of beschikbaar gesteld aan een bevoegde instantie van de lidstaat waar hij is gevestigd of aan het Agentschap. |
| 36, lid 2 | Indien een registrant, downstreamgebruiker of distributeur zijn activiteiten beëindigt, of zijn activiteiten geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een derde, is degene die verantwoordelijk is voor de liquidatie van de onderneming van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur of die de verantwoordelijkheid op zich neemt om de stof of het mengsel in kwestie in de handel te brengen, gehouden aan de verplichting van lid 1 in plaats van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur. |
| 41, lid 4 | De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap. |
| 46, lid 2 | De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap. |
| 63, lid 3 | Alvorens te verwijzen naar een eerdere aanvraag overeenkomstig de leden 1 en 2 actualiseert de latere aanvrager zo nodig de informatie van de oorspronkelijke aanvraag. |
| Article | Obligation légale |
| 36, alinĂ©a premier | Chaque fabricant, importateur, utilisateur en aval, distributeur rassemble toutes les informations dont il a besoin pour s'acquitter des obligations que lui impose le prĂ©sent rĂšglement et en assure la disponibilitĂ© pendant une pĂ©riode d'au moins dix ans aprĂšs la date Ă laquelle il a fabriquĂ©, importĂ©, fourni ou utilisĂ© pour la derniĂšre fois la substance, telle quelle ou contenue dans une prĂ©paration. Sur demande, ce fabricant, importateur, utilisateur en aval ou distributeur transmet ou met Ă disposition cette information sans tarder Ă toute autoritĂ© compĂ©tente de l'Etat membre oĂč il est Ă©tabli ou Ă l'Agence, sans prĂ©judice des dispositions des titres II et VI. |
| 36, alinĂ©a deux | Au cas oĂč un dĂ©clarant, un utilisateur en aval ou un distributeur cesse son activitĂ© ou transfĂšre tout ou partie de ses opĂ©rations Ă une tierce partie, la partie chargĂ©e de la liquidation de l'entreprise du dĂ©clarant, de l'utilisateur en aval ou du distributeur ou assumant la responsabilitĂ© de la mise sur le marchĂ© de la substance ou prĂ©paration   concernĂ©e est liĂ©e par l'obligation prĂ©vue au paragraphe 1, Ă la place du dĂ©clarant, de l'utilisateur en aval ou du distributeur. |
| 41, alinéa quatre | Le déclarant communique les informations exigées à l'Agence dans le délai fixé. |
| 46, alinéa deux | Le déclarant communique les informations exigées à l'Agence dans le délai fixé. |
| 63, alinéa trois | Avant de faire référence à une demande antérieure en application des paragraphes 1er et 2, le demandeur ultérieur met à jour, au besoin, les informations de la premiÚre demande. |
  concernée est liée par l'obligation prévue au paragraphe 1, à la place du déclarant, de l'utilisateur en aval ou du distributeur.41, alinéa quatre Le déclarant communique les informations exigées à l'Agence dans le délai fixé.46, alinéa deux Le déclarant communique les informations exigées à l'Agence dans le délai fixé.63, alinéa trois Avant de faire référence à une demande antérieure en application des paragraphes 1er et 2, le demandeur ultérieur met à jour, au besoin, les informations de la premiÚre demande.
Art. N11. Bijlage XXII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan onderstaande wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan onderstaande wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N11. Annexe XXII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 Ă©tablissant les conditions d'exercice de la chasse, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XXII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 Ă©tablissant les conditions d'exercice de la chasse, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 5 | Het is verboden zich met een jachtwapen te bevinden op jachtkansels die op minder dan 150 meter liggen van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder. Â Â In het eerste lid wordt verstaan onder jachtkansel: iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al dan niet ingerichte bomen, die het mogelijk maakt wild te schieten vanaf een punt dat ligt boven het normale niveau van de grond. |
| 8 | Een organisator van jacht of bestrijding besteedt bij het uitoefenen van de activiteit bijzondere aandacht aan de veiligheid van de activiteit en aan de verenigbaarheid ervan met activiteiten van andere gebruikers van het buitengebied.   De organisator van een drukjacht of een drijfjacht op grof wild of zijn aangestelde neemt de volgende maatregelen:   1° met het oog op de verenigbaarheid met andere activiteiten worden waarschuwingsborden voor de activiteit geplaatst aan de toegangen van het gebied waarin de actie plaatsvindt. De borden worden uiterlijk op de dag die voorafgaat aan de dag waarop de activiteit plaatsvindt, geplaatst en ze worden uiterlijk een uur na het einde van de activiteit verwijderd. Het model van het aankondigingsbord wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap; |
|  | 2° met het oog op een betere gebiedsgerichte samenwerking om de efficiëntie van een drukjacht of drijfjacht op grof wild te verhogen, nodigt de organisator van de drukjacht of drijfjacht minstens vijf dagen voor de actie de jachtrechthouders of WBE's die een jachtterrein hebben dat paalt aan het jachtterrein van de organisator, uit voor een overleg. De schriftelijke neerslag van dat overleg wordt gevoegd bij de melding van de actie aan de provinciale dienst van het agentschap en aan de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt;   3° met het oog op de verenigbaarheid van drukjacht en drijfjacht op grof wild met andere activiteiten brengt de organisator minstens drie werkdagen voor de aanvang van de activiteit de provinciale dienst van het agentschap en de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt, op de hoogte van de activiteit. |
| 10, derde lid, 5°, 6° | Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid is het voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding verboden om de volgende soorten munitie te gebruiken:   5° loodhagel;   6° zinkhagel. |
| 13, vierde lid | De kastvallen of kooivallen worden geĂŻdentificeerd met een weersbestendig plaatje waarop het jachtverlofnummer van de plaatser van de val en het telefoonnummer van de provinciale dienst van het agentschap leesbaar vermeld staan. |
| 19 | Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap. Â Â Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering. Â Â Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE; Â Â Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding. Â Â Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap. |
| 20 | Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linker onderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt. |
| 25, § 1, eerste lid, 5°, eerste zin | § 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:   5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal. |
| 25, § 1, eerste lid, 6°, eerste zin | § 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:   6° kooivallen, waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal. |
| 29 | Bijzondere jacht wordt door een jachtrechthouder bij het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.   Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:   1° met een aangetekende brief;   2° per e-mail;   3° via elektronische indiening.   De melding bevat de volgende informatie:   1° informatie over de locatie waarvoor bijzondere jacht wordt gemeld;   2° een motivering van het type en de vermoedelijke omvang van de schade die de jachtrechthouder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren;   3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn. |
| 30 | De bijzondere jacht mag op zijn vroegst een aanvang nemen 24 uur na de melding. Â Â Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bijzondere jacht. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bijzondere jacht beperken of verbieden. Â Â Als bijzondere jacht beoogd wordt met betrekking tot soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling. |
| 34 | Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap. Â Â Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering. Â Â Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE. Â Â Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding. Â Â Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap. |
| 42 | Bestrijding wordt door een eigenaar of grondgebruiker aan het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.   Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:   1° met een aangetekende brief;   2° per e-mail;   3 via elektronische indiening.   De melding bevat de volgende informatie:   1° informatie over de locatie waarvoor bestrijding wordt gemeld;   2° een motivering van het type en de omvang van de schade die de eigenaar of de grondgebruiker heeft geleden;   3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn.   De melding kan betrekking hebben op afzonderlijke activiteiten of op een activiteitenkalender. |
| 43 | De bestrijding mag op zijn vroegst een aanvang nemen op een van volgende tijdstippen:   1° 24 uur na het verrichten van de melding. In de 24 uur tussen melding en aanvang van de bestrijding zit een halve werkdag vervat.   2° zodra het agentschap een ontvangstbevestiging bezorgt waarbij wordt meegedeeld dat de bestrijding wordt toegestaan.   Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bestrijding beperken of verbieden.   Ingeval de bestrijding van grof wild door het agentschap niet verboden wordt, voorziet het agentschap voor elk specimen een uniek label.   Als bestrijding beoogd wordt van soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling. |
| 47 | Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap. Â Â Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering. Â Â Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE. Â Â Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding. Â Â Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap. |
| 57 | De jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters mogen, voor het natuurbeheer en na melding aan het agentschap, eieren van Canadese ganzen en de grauwe ganzen schudden, rapen of vernielen.   De personen, vermeld in het eerste lid, mogen, na melding aan het agentschap, de grauwe gans en de Canadese gans voor het natuurbeheer doden of laten doden:   1° met vuurwapens; |
|  | 2° door afvangen met behulp van netten tijdens de periode van 1 juni tot en met 14 juli.   In het geval, vermeld in het tweede lid, 1°, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de door de jachtrechthouder aangestelde bijzondere veldwachters, in het bezit van een geldig jachtverlof.   De acties, vermeld in het eerste en tweede lid, worden gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.   Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:   1° met een aangetekende brief;   2° per e-mail;   3° via elektronische indiening. |
| 58 | Uiterlijk op 1 april van elk jaar wordt aan het agentschap gerapporteerd over de dieren die in het afgelopen kalenderjaar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk werden gedood. Die rapportage heeft betrekking op de aantallen van de dieren die gedood werden, alsook op het tijdstip en de locatie ervan.   De rapportering wordt gedaan met een papieren of elektronisch rapporteringsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.   Het rapporteringsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:   1° met een aangetekende brief;   2° per e-mail;   3° via elektronische indiening. |
| 65, tweede en derde lid | Degene die belast is met het uitbroeden van de eieren en het opkweken van de jongen, meldt het aantal nesten, het aantal eieren en het aantal opgekweekte jongen aan het agentschap met behulp van een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.   Het meldingsformulier wordt uiterlijk op 1 juli naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:   1° met een aangetekende brief;   2° per e-mail;   3° via elektronische indiening. |
  In het eerste lid wordt verstaan onder jachtkansel: iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al dan niet ingerichte bomen, die het mogelijk maakt wild te schieten vanaf een punt dat ligt boven het normale niveau van de grond.8 Een organisator van jacht of bestrijding besteedt bij het uitoefenen van de activiteit bijzondere aandacht aan de veiligheid van de activiteit en aan de verenigbaarheid ervan met activiteiten van andere gebruikers van het buitengebied.
  De organisator van een drukjacht of een drijfjacht op grof wild of zijn aangestelde neemt de volgende maatregelen:
  1° met het oog op de verenigbaarheid met andere activiteiten worden waarschuwingsborden voor de activiteit geplaatst aan de toegangen van het gebied waarin de actie plaatsvindt. De borden worden uiterlijk op de dag die voorafgaat aan de dag waarop de activiteit plaatsvindt, geplaatst en ze worden uiterlijk een uur na het einde van de activiteit verwijderd. Het model van het aankondigingsbord wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap;2° met het oog op een betere gebiedsgerichte samenwerking om de efficiëntie van een drukjacht of drijfjacht op grof wild te verhogen, nodigt de organisator van de drukjacht of drijfjacht minstens vijf dagen voor de actie de jachtrechthouders of WBE's die een jachtterrein hebben dat paalt aan het jachtterrein van de organisator, uit voor een overleg. De schriftelijke neerslag van dat overleg wordt gevoegd bij de melding van de actie aan de provinciale dienst van het agentschap en aan de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt;
  3° met het oog op de verenigbaarheid van drukjacht en drijfjacht op grof wild met andere activiteiten brengt de organisator minstens drie werkdagen voor de aanvang van de activiteit de provinciale dienst van het agentschap en de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt, op de hoogte van de activiteit.10, derde lid, 5°, 6° Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid is het voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding verboden om de volgende soorten munitie te gebruiken:
  5° loodhagel;
  6° zinkhagel.13, vierde lid De kastvallen of kooivallen worden geïdentificeerd met een weersbestendig plaatje waarop het jachtverlofnummer van de plaatser van de val en het telefoonnummer van de provinciale dienst van het agentschap leesbaar vermeld staan.19 Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.
  Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.
  Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE;
  Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.
  Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.20 Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linker onderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt.25, § 1, eerste lid, 5°, eerste zin § 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:
  5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.25, § 1, eerste lid, 6°, eerste zin § 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen:
  6° kooivallen, waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal.29 Bijzondere jacht wordt door een jachtrechthouder bij het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
  Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
  1° met een aangetekende brief;
  2° per e-mail;
  3° via elektronische indiening.
  De melding bevat de volgende informatie:
  1° informatie over de locatie waarvoor bijzondere jacht wordt gemeld;
  2° een motivering van het type en de vermoedelijke omvang van de schade die de jachtrechthouder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren;
  3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn.30 De bijzondere jacht mag op zijn vroegst een aanvang nemen 24 uur na de melding.
  Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bijzondere jacht. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bijzondere jacht beperken of verbieden.
  Als bijzondere jacht beoogd wordt met betrekking tot soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.34 Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.
  Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.
  Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE.
  Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.
  Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.42 Bestrijding wordt door een eigenaar of grondgebruiker aan het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
  Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
  1° met een aangetekende brief;
  2° per e-mail;
  3 via elektronische indiening.
  De melding bevat de volgende informatie:
  1° informatie over de locatie waarvoor bestrijding wordt gemeld;
  2° een motivering van het type en de omvang van de schade die de eigenaar of de grondgebruiker heeft geleden;
  3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn.
  De melding kan betrekking hebben op afzonderlijke activiteiten of op een activiteitenkalender.43 De bestrijding mag op zijn vroegst een aanvang nemen op een van volgende tijdstippen:
  1° 24 uur na het verrichten van de melding. In de 24 uur tussen melding en aanvang van de bestrijding zit een halve werkdag vervat.
  2° zodra het agentschap een ontvangstbevestiging bezorgt waarbij wordt meegedeeld dat de bestrijding wordt toegestaan.
  Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bestrijding beperken of verbieden.
  Ingeval de bestrijding van grof wild door het agentschap niet verboden wordt, voorziet het agentschap voor elk specimen een uniek label.
  Als bestrijding beoogd wordt van soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.47 Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.
  Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.
  Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE.
  Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.
  Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.57 De jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters mogen, voor het natuurbeheer en na melding aan het agentschap, eieren van Canadese ganzen en de grauwe ganzen schudden, rapen of vernielen.
  De personen, vermeld in het eerste lid, mogen, na melding aan het agentschap, de grauwe gans en de Canadese gans voor het natuurbeheer doden of laten doden:
  1° met vuurwapens;2° door afvangen met behulp van netten tijdens de periode van 1 juni tot en met 14 juli.
  In het geval, vermeld in het tweede lid, 1°, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de door de jachtrechthouder aangestelde bijzondere veldwachters, in het bezit van een geldig jachtverlof.
  De acties, vermeld in het eerste en tweede lid, worden gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
  Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
  1° met een aangetekende brief;
  2° per e-mail;
  3° via elektronische indiening.58 Uiterlijk op 1 april van elk jaar wordt aan het agentschap gerapporteerd over de dieren die in het afgelopen kalenderjaar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk werden gedood. Die rapportage heeft betrekking op de aantallen van de dieren die gedood werden, alsook op het tijdstip en de locatie ervan.
  De rapportering wordt gedaan met een papieren of elektronisch rapporteringsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
  Het rapporteringsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
  1° met een aangetekende brief;
  2° per e-mail;
  3° via elektronische indiening.65, tweede en derde lid Degene die belast is met het uitbroeden van de eieren en het opkweken van de jongen, meldt het aantal nesten, het aantal eieren en het aantal opgekweekte jongen aan het agentschap met behulp van een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
  Het meldingsformulier wordt uiterlijk op 1 juli naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen:
  1° met een aangetekende brief;
  2° per e-mail;
  3° via elektronische indiening.
| Article | Obligation légale |
| 5 | Il est interdit d'occuper, avec une arme de chasse, des miradors situés à moins de 150 mÚtres de la limite d'un terrain dont le droit de chasse est exercé par un autre titulaire du droit de chasse, hormis aprÚs l'accord écrit du titulaire du droit de chasse concerné.   Dans l'alinéa premier, on entend par mirador : toute construction ou aménagement quelconque, y compris les arbres aménagés ou non, permettant le tir du gibier d'un point situé au-dessus du niveau normal du sol. |
| 8 | Un organisateur d'une chasse ou d'une lutte fait, lors de la pratique de l'activitĂ©, particuliĂšrement attention Ă la sĂ©curitĂ© de l'activitĂ© et Ă sa compatibilitĂ© avec des activitĂ©s d'autres utilisateurs d'une zone extĂ©rieure.   L'organisateur d'une battue ou d'une chasse Ă courre au gros gibier ou son prĂ©posĂ© prend les mesures suivantes :   1° en vue de la compatibilitĂ© avec d'autres activitĂ©s, des panneaux d'avertissement pour l'activitĂ© sont placĂ©s aux accĂšs Ă la zone oĂč se dĂ©roule l'activitĂ©. Les panneaux sont placĂ©s au plus tard la veille du jour oĂč a lieu l'activitĂ© et ils sont retirĂ©s au plus tard une heure aprĂšs la fin de l'activitĂ©. Le modĂšle de panneau d'avertissement est arrĂȘtĂ© par l'agence et est mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence ;   2° en vue d'une meilleure collaboration axĂ©e sur la zone afin de renforcer l'efficacitĂ© d'une battue ou d'une chasse Ă courre au gros gibier, l'organisateur de la battue ou de la chasse Ă courre convie, cinq jours au moins avant l'action, les titulaires de droits de chasse ou UGG qui possĂšde un terrain de chasse qui jouxte le terrain de chasse Ă une concertation. Les rĂ©sultats Ă©crits de cette concertation sont joints Ă la notification de l'action adressĂ©e au service provincial de l'agence et au bourgmestre du territoire oĂč a lieu l'activitĂ©   3° en vue de la compatibilitĂ© de la battue et de la chasse Ă courre au gros gibier avec d'autres activitĂ©s, l'organisateur informe, trois jours ouvrables au moins avant le dĂ©but de l'activitĂ©, le service provincial de l'agence et le bourgmestre du territoire sur laquelle se dĂ©roule l'activitĂ©. |
| 10, troisiÚme alinéa, 5°, 6° | Sans préjudice de l'application des alinéas premier et deux, pour l'exercice de toute forme de chasse ou de lutte, l'utilisation des types de munitions suivants est interdite :   5° les grenailles de plomb ;   6° les grenailles de zinc. |
| 13, quatriÚme alinéa | Les boßtes à fauves ou piÚges-cages sont identifiés à l'aide d'une plaquette résistant aux intempéries mentionnant de maniÚre lisible le numéro de permis de chasse du poseur du piÚge et le numéro de téléphone du service provincial de l'agence. |
| 19 | Pour chaque animal tiré, le titulaire du droit de chasse ou le responsable désigné à cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a été exécuté, un formulaire de notification complété, sur papier ou électronique, à l'agence.   L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.   Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet ;   La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.   Le modÚle du formulaire de notification sur papier ou électronique est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence. |
| 20 | Pour le contrÎle et l'examen du tir, le maxillaire inférieur gauche de chaque spécimen est conservé et mis à disposition de l'agence ou de l'institut jusqu'à deux mois aprÚs l'expiration du trimestre durant lequel le tir a été exécuté. Le maxillaire inférieur est immédiatement marqué aprÚs le tir à l'aide de l'étiquette remise à cet effet par l'agence. |
| 25, § 1er, premier alinĂ©a, 5°, premiĂšre phrase | § 1er. La chasse ordinaire aux autres types de gibier peut uniquement ĂȘtre pratiquĂ©e Ă l'aide des moyens suivants :   5° boĂźtes Ă fauves dont la partie supĂ©rieure se compose de matiĂšre opaque. |
| 25, § 1er, premier alinĂ©a, 6°, premiĂšre phrase | § 1er. La chasse ordinaire aux autres types de gibier peut uniquement ĂȘtre pratiquĂ©e Ă l'aide des moyens suivants :   6° cages-piĂšges dont la partie supĂ©rieure se compose de matiĂšre opaque. |
| 29 | La chasse particuliĂšre est notifiĂ©e par un titulaire du droit de chasse auprĂšs de l'agence, Ă l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou Ă©lectronique dont le modĂšle est Ă©tabli par l'agence et mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.   Le formulaire de notification est envoyĂ© Ă l'agence d'une des façons suivantes :   1° par lettre recommandĂ©e ; 2° par e-mail ; 3° par dĂ©pĂŽt Ă©lectronique.   La notification comprend au moins les donnĂ©es suivantes :   1° des informations concernant le lieu oĂč la chasse particuliĂšre est notifiĂ©e ; 2° une motivation concernant le type et l'ampleur prĂ©sumĂ©e des dommages que le titulaire du droit de chasse veut prĂ©venir ou limiter ou les valeurs naturelles et processus Ă©cologiques qu'il dĂ©sire sauvegarder ; 3° des informations concernant les mesures prĂ©ventives ou limitatrices de dommages ayant Ă©tĂ© prises avant la notification. |
| 30 | La chasse particuliĂšre peut dĂ©buter au plus tĂŽt 24 heures aprĂšs la notification.   L'agence est autorisĂ©e Ă surveiller la chasse particuliĂšre notifiĂ©e. L'agence peut, moyennant une dĂ©cision motivĂ©e, limiter ou interdire Ă tout moment la chasse particuliĂšre.   Au cas oĂč est envisagĂ©e une chasse particuliĂšre d'espĂšces qui sont reprises dans un programme de protection des espĂšces en exĂ©cution de l'article 26 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009 ou dans un rĂšglement de gestion en exĂ©cution de l'article 28 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009, la notification doit dĂ©montrer qu'il a Ă©tĂ© tenu compte de ce programme de protection des espĂšces ou de ce rĂšglement de gestion. |
| 34 | Pour chaque animal tiré, le titulaire du droit de chasse ou le responsable désigné à cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a été exécuté, un formulaire de notification complété, sur papier ou électronique, à l'agence.   L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.   Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet.   La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.   Le modÚle du formulaire de notification sur papier ou électronique est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence. |
| 42 | La lutte est notifiée par un propriétaire ou un occupant d'un terrain auprÚs de l'agence, à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.   Le formulaire de notification est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :   1° par lettre recommandée ; 2° par e-mail ; 3° par dépÎt électronique.   La notification comprend au moins les données suivantes :   1° des informations concernant le lieu pour lequel la lutte est notifiée ; 2° une motivation du type et de l'ampleur des dommages que le propriétaire ou l'occupant du terrain a subis ; 3° des informations concernant les mesures préventives ou limitatrices des dommages ayant été prises avant la notification.   La notification peut avoir trait à des activités distinctes ou à un calendrier d'activités. |
| 43 | La lutte peut dĂ©buter au plus tĂŽt Ă un des moments suivants :   1° 24 heures aprĂšs Ă©tablissement de la notification. Un demi-jour ouvrable est inclus dans les 24 heures entre la notification et le dĂ©but de la lutte.   2° dĂšs que l'agence remet un accusĂ© de rĂ©ception indiquant que la lutte est autorisĂ©e.   L'agence est autorisĂ©e Ă surveiller la lutte annoncĂ©e. L'agence peut, moyennant une dĂ©cision motivĂ©e, limiter ou interdire Ă tout moment la lutte.   Au cas oĂč la lutte contre le gros gibier n'a pas Ă©tĂ© interdite par l'agence, l'agence prĂ©voit une Ă©tiquette unique pour chaque spĂ©cimen.   Au cas oĂč la lutte est envisagĂ©e contre des espĂšces qui sont reprises dans un programme de protection des espĂšces en exĂ©cution de l'article 26 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009 ou dans un rĂšglement de gestion en exĂ©cution de l'article 28 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009, la notification doit dĂ©montrer qu'il a Ă©tĂ© tenu compte de ce programme de protection des espĂšces ou de ce rĂšglement de gestion. |
| 47 | Pour chaque animal tiré, le titulaire du droit de chasse ou le responsable désigné à cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a été exécuté, un formulaire de notification complété, sur papier ou électronique, à l'agence.   L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.   Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet.   La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.   Le modÚle du formulaire de notification sur papier ou électronique est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence. |
| 57 | Les titulaires ou les co-titulaires du droit de chasse, les propriĂ©taires de terrains, les occupants de terrains et les gardes champĂȘtres particuliers spĂ©ciaux dĂ©signĂ©s par les titulaires du droit de chasse peuvent, au profit de la gestion de la nature et aprĂšs notification Ă l'agence, secouer, ramasser ou dĂ©truire les oeufs de bernaches du Canada et d'oies cendrĂ©es.   Les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a premier peuvent, aprĂšs notification Ă l'agence, tuer ou faire tuer l'oie cendrĂ©e et la bernache du Canada au profit de la gestion de la nature :   1° Ă l'aide d'armes Ă feu ; 2° par la capture Ă l'aide de filets au cours de la pĂ©riode du 1er juin au 14 juillet inclus. Dans le cas visĂ© Ă l'alinĂ©a deux, 1°, les personnes mentionnĂ©es Ă l'alinĂ©a premier sont, Ă l'exception des gardes champĂȘtre particuliers dĂ©signĂ©s par le titulaire du droit de chasse, en possession d'un permis de chasse valable.   Les actions, visĂ©es aux alinĂ©as premier et deux, sont notifiĂ©es Ă l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou Ă©lectronique dont le modĂšle est Ă©tabli par l'agence et mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.   Le formulaire de notification est envoyĂ© Ă l'agence d'une des façons suivantes :   1° par lettre recommandĂ©e ;   2° par e-mail ;   3° par dĂ©pĂŽt Ă©lectronique. |
| 58 | Les animaux qui ont Ă©tĂ© tuĂ©s au cours de l'annĂ©e calendaire Ă©coulĂ©e sur la base des dispositions du prĂ©sent chapitre doivent ĂȘtre signalĂ©s Ă l'agence au plus tard le 1er avril de chaque annĂ©e. Ce rapport a trait aux nombre d'animaux ayant Ă©tĂ© tuĂ©s ainsi qu'Ă la date et au lieu de l'abattage. |
|  | Le rapport est établi à l'aide d'un formulaire sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.   Le formulaire de rapport est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :   1° par lettre recommandée ;   2° par e-mail ;   3° par dépÎt électronique. |
| 65, deuxiÚme et troisiÚme alinéas | La personne qui est chargée de l'éclosion des oeufs et de l'élevage du jeune renseigne le nombre de nids, le nombre d'oeufs et le nombre de faisandeaux élevés à l'agence, à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.   Le formulaire de notification est envoyé à l'agence le 1er juillet au plus tard d'une des façons suivantes :   1° par lettre recommandée ; 2° par e-mail ; 3° par dépÎt électronique. |
  Dans l'alinéa premier, on entend par mirador : toute construction ou aménagement quelconque, y compris les arbres aménagés ou non, permettant le tir du gibier d'un point situé au-dessus du niveau normal du sol.8 Un organisateur d'une chasse ou d'une lutte fait, lors de la pratique de l'activité, particuliÚrement attention à la sécurité de l'activité et à sa compatibilité avec des activités d'autres utilisateurs d'une zone extérieure.
  L'organisateur d'une battue ou d'une chasse à courre au gros gibier ou son préposé prend les mesures suivantes :
  1° en vue de la compatibilitĂ© avec d'autres activitĂ©s, des panneaux d'avertissement pour l'activitĂ© sont placĂ©s aux accĂšs Ă la zone oĂč se dĂ©roule l'activitĂ©. Les panneaux sont placĂ©s au plus tard la veille du jour oĂč a lieu l'activitĂ© et ils sont retirĂ©s au plus tard une heure aprĂšs la fin de l'activitĂ©. Le modĂšle de panneau d'avertissement est arrĂȘtĂ© par l'agence et est mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence ;
  2° en vue d'une meilleure collaboration axĂ©e sur la zone afin de renforcer l'efficacitĂ© d'une battue ou d'une chasse Ă courre au gros gibier, l'organisateur de la battue ou de la chasse Ă courre convie, cinq jours au moins avant l'action, les titulaires de droits de chasse ou UGG qui possĂšde un terrain de chasse qui jouxte le terrain de chasse Ă une concertation. Les rĂ©sultats Ă©crits de cette concertation sont joints Ă la notification de l'action adressĂ©e au service provincial de l'agence et au bourgmestre du territoire oĂč a lieu l'activitĂ©
  3° en vue de la compatibilité de la battue et de la chasse à courre au gros gibier avec d'autres activités, l'organisateur informe, trois jours ouvrables au moins avant le début de l'activité, le service provincial de l'agence et le bourgmestre du territoire sur laquelle se déroule l'activité.10, troisiÚme alinéa, 5°, 6° Sans préjudice de l'application des alinéas premier et deux, pour l'exercice de toute forme de chasse ou de lutte, l'utilisation des types de munitions suivants est interdite :
  5° les grenailles de plomb ;
  6° les grenailles de zinc.13, quatriÚme alinéa Les boßtes à fauves ou piÚges-cages sont identifiés à l'aide d'une plaquette résistant aux intempéries mentionnant de maniÚre lisible le numéro de permis de chasse du poseur du piÚge et le numéro de téléphone du service provincial de l'agence.19 Pour chaque animal tiré, le titulaire du droit de chasse ou le responsable désigné à cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a été exécuté, un formulaire de notification complété, sur papier ou électronique, à l'agence.
  L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.
  Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet ;
  La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.
  Le modĂšle du formulaire de notification sur papier ou Ă©lectronique est Ă©tabli par l'agence et mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.20 Pour le contrĂŽle et l'examen du tir, le maxillaire infĂ©rieur gauche de chaque spĂ©cimen est conservĂ© et mis Ă disposition de l'agence ou de l'institut jusqu'Ă deux mois aprĂšs l'expiration du trimestre durant lequel le tir a Ă©tĂ© exĂ©cutĂ©. Le maxillaire infĂ©rieur est immĂ©diatement marquĂ© aprĂšs le tir Ă l'aide de l'Ă©tiquette remise Ă cet effet par l'agence.25, § 1er, premier alinĂ©a, 5°, premiĂšre phrase § 1er. La chasse ordinaire aux autres types de gibier peut uniquement ĂȘtre pratiquĂ©e Ă l'aide des moyens suivants :
  5° boĂźtes Ă fauves dont la partie supĂ©rieure se compose de matiĂšre opaque.25, § 1er, premier alinĂ©a, 6°, premiĂšre phrase § 1er. La chasse ordinaire aux autres types de gibier peut uniquement ĂȘtre pratiquĂ©e Ă l'aide des moyens suivants :
  6° cages-piÚges dont la partie supérieure se compose de matiÚre opaque.29 La chasse particuliÚre est notifiée par un titulaire du droit de chasse auprÚs de l'agence, à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
  Le formulaire de notification est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :
  1° par lettre recommandée ; 2° par e-mail ; 3° par dépÎt électronique.
  La notification comprend au moins les données suivantes :
  1° des informations concernant le lieu oĂč la chasse particuliĂšre est notifiĂ©e ; 2° une motivation concernant le type et l'ampleur prĂ©sumĂ©e des dommages que le titulaire du droit de chasse veut prĂ©venir ou limiter ou les valeurs naturelles et processus Ă©cologiques qu'il dĂ©sire sauvegarder ; 3° des informations concernant les mesures prĂ©ventives ou limitatrices de dommages ayant Ă©tĂ© prises avant la notification.30 La chasse particuliĂšre peut dĂ©buter au plus tĂŽt 24 heures aprĂšs la notification.
  L'agence est autorisée à surveiller la chasse particuliÚre notifiée. L'agence peut, moyennant une décision motivée, limiter ou interdire à tout moment la chasse particuliÚre.
  Au cas oĂč est envisagĂ©e une chasse particuliĂšre d'espĂšces qui sont reprises dans un programme de protection des espĂšces en exĂ©cution de l'article 26 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009 ou dans un rĂšglement de gestion en exĂ©cution de l'article 28 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009, la notification doit dĂ©montrer qu'il a Ă©tĂ© tenu compte de ce programme de protection des espĂšces ou de ce rĂšglement de gestion.34 Pour chaque animal tirĂ©, le titulaire du droit de chasse ou le responsable dĂ©signĂ© Ă cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a Ă©tĂ© exĂ©cutĂ©, un formulaire de notification complĂ©tĂ©, sur papier ou Ă©lectronique, Ă l'agence.
  L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.
  Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet.
  La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.
  Le modÚle du formulaire de notification sur papier ou électronique est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.42 La lutte est notifiée par un propriétaire ou un occupant d'un terrain auprÚs de l'agence, à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
  Le formulaire de notification est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :
  1° par lettre recommandée ; 2° par e-mail ; 3° par dépÎt électronique.
  La notification comprend au moins les données suivantes :
  1° des informations concernant le lieu pour lequel la lutte est notifiée ; 2° une motivation du type et de l'ampleur des dommages que le propriétaire ou l'occupant du terrain a subis ; 3° des informations concernant les mesures préventives ou limitatrices des dommages ayant été prises avant la notification.
  La notification peut avoir trait à des activités distinctes ou à un calendrier d'activités.43 La lutte peut débuter au plus tÎt à un des moments suivants :
  1° 24 heures aprÚs établissement de la notification. Un demi-jour ouvrable est inclus dans les 24 heures entre la notification et le début de la lutte.
  2° dÚs que l'agence remet un accusé de réception indiquant que la lutte est autorisée.
  L'agence est autorisée à surveiller la lutte annoncée. L'agence peut, moyennant une décision motivée, limiter ou interdire à tout moment la lutte.
  Au cas oĂč la lutte contre le gros gibier n'a pas Ă©tĂ© interdite par l'agence, l'agence prĂ©voit une Ă©tiquette unique pour chaque spĂ©cimen.
  Au cas oĂč la lutte est envisagĂ©e contre des espĂšces qui sont reprises dans un programme de protection des espĂšces en exĂ©cution de l'article 26 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009 ou dans un rĂšglement de gestion en exĂ©cution de l'article 28 de l'arrĂȘtĂ© des EspĂšces du 15 mai 2009, la notification doit dĂ©montrer qu'il a Ă©tĂ© tenu compte de ce programme de protection des espĂšces ou de ce rĂšglement de gestion.47 Pour chaque animal tirĂ©, le titulaire du droit de chasse ou le responsable dĂ©signĂ© Ă cet effet de l'UGG remet, dans le mois suivant l'expiration du trimestre durant lequel le tir a Ă©tĂ© exĂ©cutĂ©, un formulaire de notification complĂ©tĂ©, sur papier ou Ă©lectronique, Ă l'agence.
  L'agence remet les données dans le mois à l'institut en vue de leur traitement et de l'élaboration d'un rapport.
  Le formulaire de notification sur papier est complété en deux exemplaires. Le premier exemplaire est envoyé à l'agence et un deuxiÚme exemplaire est conservé par le titulaire du droit de chasse ou le responsable de l'UGG désigné à cet effet.
  La personne qui complÚte et envoie le formulaire électronique reçoit automatiquement un accusé de réception.
  Le modĂšle du formulaire de notification sur papier ou Ă©lectronique est Ă©tabli par l'agence et mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.57 Les titulaires ou les co-titulaires du droit de chasse, les propriĂ©taires de terrains, les occupants de terrains et les gardes champĂȘtres particuliers spĂ©ciaux dĂ©signĂ©s par les titulaires du droit de chasse peuvent, au profit de la gestion de la nature et aprĂšs notification Ă l'agence, secouer, ramasser ou dĂ©truire les oeufs de bernaches du Canada et d'oies cendrĂ©es.
  Les personnes visées à l'alinéa premier peuvent, aprÚs notification à l'agence, tuer ou faire tuer l'oie cendrée et la bernache du Canada au profit de la gestion de la nature :
  1° Ă l'aide d'armes Ă feu ; 2° par la capture Ă l'aide de filets au cours de la pĂ©riode du 1er juin au 14 juillet inclus. Dans le cas visĂ© Ă l'alinĂ©a deux, 1°, les personnes mentionnĂ©es Ă l'alinĂ©a premier sont, Ă l'exception des gardes champĂȘtre particuliers dĂ©signĂ©s par le titulaire du droit de chasse, en possession d'un permis de chasse valable.
  Les actions, visées aux alinéas premier et deux, sont notifiées à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
  Le formulaire de notification est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :
  1° par lettre recommandée ;
  2° par e-mail ;
  3° par dĂ©pĂŽt Ă©lectronique.58 Les animaux qui ont Ă©tĂ© tuĂ©s au cours de l'annĂ©e calendaire Ă©coulĂ©e sur la base des dispositions du prĂ©sent chapitre doivent ĂȘtre signalĂ©s Ă l'agence au plus tard le 1er avril de chaque annĂ©e. Ce rapport a trait aux nombre d'animaux ayant Ă©tĂ© tuĂ©s ainsi qu'Ă la date et au lieu de l'abattage.Le rapport est Ă©tabli Ă l'aide d'un formulaire sur papier ou Ă©lectronique dont le modĂšle est Ă©tabli par l'agence et mis Ă disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
  Le formulaire de rapport est envoyé à l'agence d'une des façons suivantes :
  1° par lettre recommandée ;
  2° par e-mail ;
  3° par dépÎt électronique.65, deuxiÚme et troisiÚme alinéas La personne qui est chargée de l'éclosion des oeufs et de l'élevage du jeune renseigne le nombre de nids, le nombre d'oeufs et le nombre de faisandeaux élevés à l'agence, à l'aide d'un formulaire de notification sur papier ou électronique dont le modÚle est établi par l'agence et est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
  Le formulaire de notification est envoyé à l'agence le 1er juillet au plus tard d'une des façons suivantes :
  1° par lettre recommandée ; 2° par e-mail ; 3° par dépÎt électronique.
Art. N12. Bijlage XXIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXIV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XXIV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N12. Annexe XXIV Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXIV. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales ci-aprÚs, visées au décret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond, est considéré comme une infraction environnementale :
  Annexe XXIV. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations légales ci-aprÚs, visées au décret du 8 mai 2009 concernant le sous-sol profond, est considéré comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 14 | De houder van een vergunning deelt elke substantiële wijziging in een vergunnings-criterium, vermeld in artikelen 9 en 10, onmiddellijk met een aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering. |
| 16 | De houder van een vergunning dient jaarlijks met een aangetekende brief een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is. |
| 20, eerste lid, eerste volzin | Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering. |
| 45, eerste lid, eerste volzin | De exploitant informeert de Vlaamse Regering over alle geplande wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant. |
| 47, § 2, tweede lid | De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling. |
| 49 | Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister: 1° alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie; 2° de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig artikel 47, § 2, tweede lid; 3° het bewijs dat een financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en artikel 43, 9° ; 4° alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te beoordelen en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie. |
| 51, § 1, eerste lid, eerste deel van de eerste volzin | Bij lekkages of significante onregelmatigheden stelt [...] de exploitant de minister onmiddellijk met een aangetekende brief in kennis (...) |
| 51, § 1, eerste lid, laatste volzin | In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook de afdeling van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor luchtverontreiniging, daarvan in kennis. |
| Article | Obligation légale |
| 14 | Le titulaire d'une autorisation notifie sans délai tout changement substantiel dans un critÚre d'autorisation, visé aux articles 9 et 10, au Gouvernement flamand au moyen d'une lettre recommandée. |
| 16 | Chaque annĂ©e, le titulaire d'une autorisation envoie un rapport en recommandĂ© au Gouvernement flamand, donnant un aperçu des activitĂ©s effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e et un aperçu des activitĂ©s planifiĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante. Lorsque d'aucunes activitĂ©s n'ont Ă©tĂ© effectuĂ©es dans l'annĂ©e Ă©coulĂ©e ou que d'aucunes activitĂ©s ne sont envisagĂ©es dans la premiĂšre annĂ©e suivante, le titulaire d'autorisation n'est pas exemptĂ© de son obligation de le notifier au Gouvernement flamand dans un rapport annuel. Le rapport annuel est remis au plus tard avant la fin du troisiĂšme mois aprĂšs qu'une pĂ©riode annuelle est Ă©chue Ă compter de la date de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand, en vertu duquel l'autorisation a Ă©tĂ© accordĂ©e. |
| 20, alinĂ©a premier, premiĂšre phrase | Une autorisation ne peut ĂȘtre transfĂ©rĂ©e, y compris le transfert par suite de modifications dans la structure de la sociĂ©tĂ©, qu'aprĂšs l'accord Ă©crit du Gouvernement flamand. |
| 45, alinéa premier, premiÚre phrase | L'exploitant notifie toutes les modifications envisagées dans l'exploitation d'un site de stockage, y compris les modifications afférentes à l'exploitant, au Gouvernement flamand. |
| 47, § 2, deuxiÚme alinéa | L'exploitant tient un registre des quantités et des caractéristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectés, avec inclusion de leur composition. |
| 49 | Chaque année, ou plus fréquemment si le Gouvernement flamand le juge nécessaire dans le cadre d'une autorisation de stockage définie, l'exploitant remet les données suivantes au Ministre :   1° tous les résultats du monitoring pendant la période couverte par le rapport, conformément à l'article 48, y compris l'information sur la technologie de monitoring adoptée ;   2° les quantités et caractéristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectés pendant la période couverte par le rapport, y compris la composition de ces flux, tel que enregistrée conformément à l'article 47, § 2, alinéa deux ;   3° la preuve qu'une sécurité financiÚre ou une garantie équivalente a été établie et est maintenue conformément aux article 57 et 43, 9° ; 4° toute autre information que le Ministre juge pertinente pour évaluer le respect des conditions d'autorisation de stockage et pour accroßtre la connaissance relative au comportement du dioxyde de carbone dans le site de stockage. |
| 51, § 1er, alinéa premier, premiÚre partie de la premiÚre phrase | L'exploitant notifie [...] sans délai d'éventuelles fuites ou irrégularités significatives au Ministre par lettre recommandée, (...) |
| 51, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase | En cas de fuites et d'irrégularités significatives qui renferment un risque potentiel de survenance de fuite, l'exploitant en informe aussi la division au sein du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour la pollution atmosphérique. |
  1° tous les résultats du monitoring pendant la période couverte par le rapport, conformément à l'article 48, y compris l'information sur la technologie de monitoring adoptée ;
  2° les quantités et caractéristiques des flux de dioxyde de carbone fournis et injectés pendant la période couverte par le rapport, y compris la composition de ces flux, tel que enregistrée conformément à l'article 47, § 2, alinéa deux ;
  3° la preuve qu'une sécurité financiÚre ou une garantie équivalente a été établie et est maintenue conformément aux article 57 et 43, 9° ; 4° toute autre information que le Ministre juge pertinente pour évaluer le respect des conditions d'autorisation de stockage et pour accroßtre la connaissance relative au comportement du dioxyde de carbone dans le site de stockage.51, § 1er, alinéa premier, premiÚre partie de la premiÚre phrase L'exploitant notifie [...] sans délai d'éventuelles fuites ou irrégularités significatives au Ministre par lettre recommandée, (...)51, § 1er, alinéa premier, derniÚre phrase En cas de fuites et d'irrégularités significatives qui renferment un risque potentiel de survenance de fuite, l'exploitant en informe aussi la division au sein du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie, compétente pour la pollution atmosphérique.
Art. N13. Bijlage XXIX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXIX. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XXIX. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N13. Annexe XXIX Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXIX. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 juin 2002 fixant les modalitĂ©s et les conditions en matiĂšre de ventes publiques de bois et d'autres produits forestiers provenant des bois publics, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XXIX. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 7 juin 2002 fixant les modalitĂ©s et les conditions en matiĂšre de ventes publiques de bois et d'autres produits forestiers provenant des bois publics, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 19 | § 1. De koper zal de naam en het adres van de exploitant(en) aan de aangestelde meedelen voordat die aanvangen met werken. § 2. Als de exploitant de velling of ruiming aanvangt of hervat, verwittigt hij de aangestelde daarvan minstens twee werkdagen op voorhand. § 3. De exploitanten of hun aangestelden moeten, voor ze aanvangen met werken, het lot bezichtigen samen met de aangestelde. |
| 20 | Iedereen die hout velt, bewerkt, ruimt of vervoert, moet in het bezit zijn van een kapvergunning of een afschrift ervan. Die vergunning moet steeds voorgelegd kunnen worden aan de aangestelde als die laatste daar om vraagt. |
| 21 | § 1. De exploitant is verplicht tijdens de exploitatie de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat geen vermijdbare schade aan de voorbehouden bomen, de aanplantingen en natuurlijke zaailingen, de vegetatie, de bodem, de uitrusting en alle andere aanhorigheden van het bos kan ontstaan. § 2. De exploitant is verplicht de exploitatie te verrichten in overleg met de aangestelde. Die kan aanvullende richtlijnen geven en uitzonderingen toestaan op de artikelen 22, 23, § 1, 29, 32, 34 en 35. Telkens als de exploitatie niet zonder schade kan gebeuren, zal de aangestelde geraadpleegd worden. De aangestelde moet zo spoedig mogelijk verwittigd worden bij schade ingevolge exploitatie. |
| 22 | § 1. De exploitatie moet zo gebeuren dat de wegen en parkeerplaatsen vrij blijven. § 2. Slagbomen moeten na elke doorgang worden gesloten. De wegversperringen, slagbomen of palen moeten na verwijdering worden teruggeplaatst. Het is verboden met voertuigen naast de wegversperringen, slagbomen of palen te rijden. § 3. Afrasteringen moeten zo spoedig mogelijk gesloten en, indien nodig, hersteld worden. § 4. Alleen voertuigen die nodig zijn voor het vellen of ruimen, mogen de boswegen verlaten. |
| 23 | § 1. De koper is op basis van artikel 71 van het Bosdecreet verplicht alle gemerkte bomen te vellen en te ruimen. § 2. Voor zover in de bijzondere verkoopvoorwaarden een afwijking is bepaald op de exploitatietermijn kan een gemotiveerde schriftelijke aanvraag tot uitstel, ten minste 14 dagen op voorhand, gericht worden aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos of zijn gedelegeerde, die aanvullende voorwaarden kan opleggen. Louter door zijn aanvraag verplicht de koper zich tot het betalen van de door het Agentschap voor Natuur en Bos vastgestelde vergoeding, overeenkomstig artikel 45. Als de exploitant door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte is de exploitatie binnen de vooropgestelde termijn uit te voeren, kan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos of zijn gedelegeerde beslissen de in artikel 45 vastgestelde vergoeding niet aan te rekenen. |
| 25 | Als de exploitant bomen wil laten vallen op of ruimen over aangrenzende terreinen, moet hij zelf daarover een overeenkomst sluiten met de eigenaar van deze terreinen. |
| 26 | § 1. Bomen die met een pijl zijn gemerkt, moeten geveld worden in de richting van de pijl. De aangestelde moet vooraf verwittigd worden van de velling. § 2. Bomen of kruinen, gemerkt met de letter "V", moeten gespaard worden, zelfs indien ze met de hamer gemerkt zijn. Ze moeten onaangeroerd blijven. Bij twijfel zal de aangestelde geraadpleegd worden. § 3. Bomen die met de letter "K" zijn gemerkt moeten voor de velling onttakt worden. Ze zullen in de catalogus worden vermeld. |
| 27 | Als geen afwijkingen vermeld zijn in de bijzondere voorwaarden, moeten bij andere kappingen dan die van hakhout, de bomen op maximaal 10 cm boven het maaiveld afgezaagd worden. De stronken moeten goed zichtbaar zijn en blijven eigendom van de verkoper. |
| 28 | Een boom die aan de stamvoet werd ingezaagd, moet zonder enig uitstel worden geveld. Afgezaagde bomen die blijven hangen moeten zo spoedig mogelijk tegen de grond worden getrokken. De verantwoordelijkheid voor dergelijke bomen berust bij de exploitant. |
| 29 | § 1. Het is verboden bomen met hun kruin in verjongingsgroepen te doen vallen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de kruinen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden. § 2. Het is verboden bomen te doen vallen op de voet-, fiets- en ruiterpaden of in vijvers of waterlopen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de bomen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden, om de paden, de wegen, de grachten en de vijvers vrij te maken. |
| 32 | Na de velling moeten de takken worden gespreid zodat ze de groei van de verjonging niet hinderen. Takken en twijgen mogen niet in waterlopen, vijvers of weiden en andere boomvrije plaatsen blijven liggen. Ze moeten minstens twee meter van wegen, parkings en andere boomvrije plaatsen en brandsingels verwijderd worden. |
| 33 | Bij de ruiming moeten die tractoren of tuigen gebruikt worden die door hun gewicht, hun afmetingen of hun werkwijze de minste schade aan het bosbestand, de flora, de fauna of de bodem veroorzaken. Daartoe moet de koper of exploitant voor de aanvang van de exploitatie zijn tuigen of tractoren laten goedkeuren door de aangewezen ambtenaar. |
| 34 | § 1. Het ruimen naar de wegen moet langs het minst schadelijke tracé gebeuren. De aangestelde kan een verplicht te volgen tracé opleggen. Het opgelegde tracé kan ook in de catalogus vermeld staan. § 2. De lading en/of de lengte van de getrokken stamstukken moeten aangepast zijn aan het gebruikte ruimingsmiddel en aan de terreinomstandigheden. § 3. Het is verboden diepe rij- of sleepsporen te maken. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moet de beschadigde bodem hersteld worden volgens de aanwijzingen van de aangestelde. |
| 35 | § 1. Het is verboden te rijden of te ruimen door andere kavels dan die waarvoor men een kapvergunning heeft, door bestanden die niet in exploitatie zijn, door verjongingsgroepen, beken en afvoergeulen, of weiden. § 2. Kruinen of samenhangende delen ervan, mogen niet als geheel worden geruimd. |
| 36 | Het laten slippen van de wielen tijdens het ruimen is verboden. |
| 37 | De aangestelde wijst de stapelplaatsen aan. Het is verboden stammen of hout op andere plaatsen te stapelen. De stapelplaatsen kunnen eveneens in de catalogus vermeld worden. |
| 38 | Het transport van het hout zal gebeuren langs de wegen en plaatsen, aangegeven door de aangestelde, zoals bepaald in artikel 70 van het Bosdecreet. |
| 39 | De snelheid van gemotoriseerde voertuigen en werktuigen is in het bos en op de boswegen beperkt tot 30 km/uur. |
| Article | Obligation légale |
| 19 | § 1er. L'adjudicataire communiquera au préposé le nom et l'adresse du ou des exploitants avant que ceux-ci ne commencent les travaux. § 2. Si l'exploitant commence l'abattage ou le débardage, ou s'il les reprend, il en avertit le préposé deux jours ouvrables à l'avance au moins. § 3. Avant de commencer les travaux, les exploitants ou leurs préposés doivent examiner le lot en compagnie du préposé. |
| 20 | Quiconque abat, travaille, dĂ©barde ou transporte du bois doit ĂȘtre en possession d'un permis d'exploiter ou d'une copie de celui-ci. Ce permis doit toujours pouvoir ĂȘtre prĂ©sentĂ© au prĂ©posĂ© s'il en fait la demande. |
| 21 | § 1er. Dans le cours de l'exploitation, l'exploitant est obligĂ© de prendre les mesures de prĂ©caution nĂ©cessaires pour qu'aucun dommage Ă©vitable ne puisse apparaĂźtre aux arbres rĂ©servĂ©s, aux plantations et aux semis naturels, Ă la vĂ©gĂ©tation, au sol, Ă l'Ă©quipement et Ă toutes les autres dĂ©pendances du bois. § 2. L'exploitant est obligĂ© d'effectuer l'exploitation en concertation avec le prĂ©posĂ©. Celui-ci peut donner des directives supplĂ©mentaires et accorder des exceptions aux articles 22, 23, § 1er, 29, 32, 34 et 35. Le prĂ©posĂ© sera consultĂ© chaque fois que l'exploitation ne pourra se faire sans dommage. Le prĂ©posĂ© doit ĂȘtre averti dans les meilleurs dĂ©lais en cas de dommages causĂ©s par l'exploitation. |
| 22 | § 1er. L'exploitation doit ĂȘtre faite de maniĂšre telle que les chemins et parkings demeurent libres. § 2. Les barriĂšres devront ĂȘtre fermĂ©es aprĂšs chaque passage. Les dispositifs de restriction d'accĂšs aux chemins, les barriĂšres ou les piquets devront ĂȘtre replacĂ©s aprĂšs enlĂšvement. Il est interdit de circuler avec des vĂ©hicules prĂšs des dispositifs de restriction d'accĂšs aux chemins, des barriĂšres ou des piquets. § 3. Les grillages devront ĂȘtre fermĂ©s aussi rapidement que possible et rĂ©parĂ©s si nĂ©cessaire. § 4. Seuls les vĂ©hicules qui sont nĂ©cessaires Ă l'abattage ou au dĂ©bardage peuvent quitter les chemins forestiers. |
| 23 | § 1er. Sur la base de l'article 71 du dĂ©cret forestier, l'adjudicataire est obligĂ© d'abattre et de dĂ©barder tous les arbres marquĂ©s. § 2. Dans la mesure oĂč les conditions particuliĂšres de vente prĂ©cisent une dĂ©rogation au dĂ©lai d'exploitation, une demande Ă©crite et motivĂ©e de report peut ĂȘtre adressĂ©e, 15 jours Ă l'avance au moins, au chef de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " ou Ă son dĂ©lĂ©guĂ© qui peut imposer des conditions supplĂ©mentaires. Par sa seule demande l'adjudicataire s'oblige Ă payer l'indemnitĂ© fixĂ©e par l'" Agentschap voor Natuur en Bos ", conformĂ©ment Ă l'article 45. Si l'exploitant, du fait de la force majeure ou de circonstances exceptionnelles, n'est pas en Ă©tat de procĂ©der Ă l'exploitation dans le dĂ©lai fixĂ©, le chef de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " ou son dĂ©lĂ©guĂ© peut dĂ©cider de ne pas porter en compte l'indemnitĂ© fixĂ©e Ă l'article 45. |
| 25 | Si l'exploitant veut faire tomber ou dĂ©barder des arbres sur des terrains attenants, il doit lui-mĂȘme conclure un accord avec le propriĂ©taire de ces terrains. |
| 26 | § 1er. Les arbres qui sont marquĂ©s d'une flĂšche doivent ĂȘtre abattus dans la direction de la flĂšche. Le prĂ©posĂ© doit ĂȘtre prĂ©alablement averti de l'abattage. § 2. Les arbres ou les cimes marquĂ©s de la lettre "V" doivent ĂȘtre Ă©pargnĂ©s, mĂȘme s'ils sont marquĂ©s au marteau. Ils doivent rester intacts. Le prĂ©posĂ© sera consultĂ© en cas de doute. § 3. Les arbres qui sont marquĂ©s de la lettre "K" doivent ĂȘtre Ă©branchĂ©s. Ils seront indiquĂ©s dans le catalogue. |
| 27 | Si les conditions particuliĂšres ne mentionnent aucune dĂ©rogation, lors des coupes autres que de taillis, les arbres doivent ĂȘtre sciĂ©s Ă 10 cm maximum au dessus du sol. Les souches doivent ĂȘtre bien visibles et restent la propriĂ©tĂ© du vendeur. |
| 28 | Un arbre qui a Ă©tĂ© sciĂ© Ă la racine doit ĂȘtre abattu sans dĂ©lai. Les arbres sciĂ©s qui restent debout doivent ĂȘtre descendus au sol aussi rapidement que possible. La responsabilitĂ© de tels arbres incombe Ă l'exploitant. |
| 29 | § 1er. Il est interdit de faire tomber des arbres avec leur cime dans des groupes de rajeunissement. Si cela se produit tout de mĂȘme en dĂ©pit des mesures de prĂ©caution prises, les cimes doivent ĂȘtre immĂ©diatement travaillĂ©es et Ă©vacuĂ©es. § 2. Il est interdit de faire tomber des arbres sur les sentiers piĂ©tonniers, cyclistes ou cavaliers ou dans des Ă©tangs ou cours d'eau. Si cela se produit tout de mĂȘme en dĂ©pit des mesures de prĂ©caution prises, les arbres doivent ĂȘtre immĂ©diatement entiĂšrement travaillĂ©s et Ă©vacuĂ©s afin de libĂ©rer les sentiers, chemins, fossĂ©s et Ă©tangs. |
| 32 | AprĂšs l'abattage, les branches doivent ĂȘtre dispersĂ©es afin qu'elles n'empĂȘchent pas la progression du rajeunissement. Les branches et scions ne peuvent ĂȘtre abandonnĂ©s dans les cours d'eau, Ă©tangs ou clairiĂšres et autres endroits libres d'arbres. Ils doivent ĂȘtre Ă©cartĂ©s d'au moins deux mĂštres des chemins, parkings et autres endroits libres d'arbres ainsi que des coupe-feu. |
| 33 | Lors du dĂ©bardage doivent ĂȘtre utilisĂ©s des tracteurs ou outils qui, par leur poids, leurs dimensions ou leur action, causent le moindre dommage aux bois, Ă la flore, Ă la faune ou au sol. A cet effet, l'adjudicataire ou l'exploitant doit faire approuver les outils ou tracteurs par le fonctionnaire dĂ©signĂ© avant le dĂ©but de l'exploitation. |
| 34 | § 1er. Le dĂ©bardage par les chemins doit se faire le long du tracĂ© le moins dommageable. Le prĂ©posĂ© peut imposer un tracĂ© Ă suivre obligatoirement. Le tracĂ© imposĂ© peut Ă©galement ĂȘtre indiquĂ© dans le catalogue. § 2. La charge et/ou la longueur des troncs dĂ©bardĂ©s doivent ĂȘtre adaptĂ©es au moyen de dĂ©bardage utilisĂ© et aux circonstances de terrain. § 3. Il est interdit de faire des traces profondes de ripage ou de roulage. Si cela doit tout de mĂȘme se produire en dĂ©pit des mesures de prĂ©caution prises, le sol endommagĂ© doit ĂȘtre rĂ©parĂ© selon les indications du prĂ©posĂ©. |
| 35 | § 1er. Il est interdit de rouler ou de dĂ©barder au travers d'autres parcelles que celles pour lesquelles on dispose d'un permis d'exploiter, au travers de peuplements qui ne sont pas en exploitation, au travers de groupes de rajeunissement, des ruisseaux ou des chenaux d'Ă©vacuation ou des prĂ©s. § 2. Les cimes ou les parties en dĂ©pendant ne peuvent ĂȘtre dĂ©bardĂ©es comme un tout. |
| 36 | Il est interdit de faire patiner les roues pendant le débardage. |
| 37 | Le prĂ©posĂ© dĂ©signe les aires d'entreposage. Il est interdit d'entreposer des troncs ou du bois Ă d'autres endroits. Les aires d'entreposage peuvent Ă©galement ĂȘtre indiquĂ©es dans le catalogue. |
| 38 | Le transport du bois se fera par les chemins et endroits désignés par le préposé, tel que stipulé à l'article 70 du décret forestier. |
| 39 | La vitesse des véhicules et engins motorisés est limitée à 30 km/heure dans le bois et sur les chemins forestiers. |
Art. N14. Bijlage XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXXI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
  Bijlage XXXI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Art. N14. Annexe XXXI Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXXI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mai 2009 relatif Ă la protection et Ă la gestion des espĂšces, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XXXI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mai 2009 relatif Ă la protection et Ă la gestion des espĂšces, est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 47 | Ten aanzien van erkende vogelhoudersverenigingen gelden de volgende administratieve verplichtingen:   1° ze houden een gegevensbestand bij van de door hen verstrekte gesloten pootringen. Daarin is ten minste de volgende informatie opgenomen: het aantal afgeleverde ringen per verschillend ringtype, de datum van afgifte, de namen en adressen van de personen aan wie de ringen zijn afgeleverd;   2° ze sturen elk jaar, uiterlijk op 30 april, per provincie, de volgende gegevens naar de provinciale hoofden van het agentschap:   a) een lijst met vermelding van het aantal verstrekte gesloten pootringen, evenals de namen en adressen van de vogelhouders die bij de vereniging gesloten pootringen hebben besteld. Die lijst heeft betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorafgaande kalenderjaar;   b) een overzicht met vermelding van naam, adres en lidnummer van hun leden die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een daartoe door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1. |
| 48 | Ten aanzien van individuele vogelhouders en vogelhandelaars die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1, gelden de volgende administratieve verplichtingen:   1° ze houden een overzichtslijst bij voor elk kalenderjaar waarin ze specimens van die soorten onder zich hebben, met de volgende gegevens:   a) een overzicht van de specimens van die soorten die ze onder zich hebben;   b) als specimens werden aangekocht of op een andere wijze werden verworven: de datum van verwerving en bij wie die specimens werden verworven;   c) als specimens werden verkocht of op een andere wijze werden afgestaan: de datum van afstand en aan wie die specimens zijn afgestaan;   2° ze sluiten die overzichtslijst jaarlijks af op 31 december van het kalenderjaar waarop de lijst betrekking heeft, en vervolgens delen ze mee dat ze voor dat jaar een dergelijke lijst afgesloten hebben aan:   a) de erkende vogelhoudersvereniging waarvan ze lid zijn, uiterlijk op 28 februari.   b) het provinciale hoofd van het agentschap voor Natuur en Bos, uiterlijk op 30 april, als ze geen lid zijn van een erkende vogelhoudersvereniging.   3° ze houden die overzichtslijsten tot vijf jaar na het afsluiten ervan in hun bezit, met het oog op controle door de personen die belast zijn met het toezicht op dit besluit. |
| 51, eerste lid | Zangwedstrijden, tentoonstellingen of andere openbare activiteiten met specimens van soorten, als vermeld in artikel 41 of 49, moeten minstens één week op voorhand worden gemeld aan het provinciale hoofd van het agentschap van de provincie waar de zangwedstrijd, tentoonstelling of activiteit plaatsvindt. |
| Bijlage 3 | (...) De bestrijding mag tevens worden uitgevoerd door de volgende personen, op voorwaarde van een schriftelijke toestemming van de eigenaar, de verhuurder of de exploitant of grondgebruiker:   1° de houders van het jachtrecht van het terrein waar de bestrijding plaatsvindt;   2° de bijzondere veldwachters zoals bedoeld in het Veldwetboek van 7 oktober 1886;   3° de houders van een geldig jachtverlof.   De bestrijding mag worden uitgevoerd na melding van de intentie tot bestrijding aan de burgemeester van de gemeente waar de bestrijding zal plaatsvinden en aan het provinciale hoofd van het agentschap. Deze melding moet voldoen aan de volgende modaliteiten:   1° de melding moet gebeuren per brief of per fax;   2° uit de melding moet duidelijk blijken dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bijlage, inzonderheid inzake het zonder bevredigend resultaat toegepast hebben van andere mogelijke oplossingen en inzake de voorgenomen bestrijdingsmiddelen en -wijzen;   3° indien men niet de eigenaar of de grondgebruiker is van het terrein waar men wil bestrijden moet een schriftelijke toestemming van de eigenaar aan de aanvraag worden toegevoegd;   4° de melding moet plaatsvinden minstens 24 uur vooraleer de bestrijding zal aanvangen;   5° de melding kan betrekking hebben op afzonderlijke bestrijdingsactiviteiten of op een bestrijdingskalender. De duur van de gemelde bestrijding kan echter maximaal een jaar bedragen;   6° de melding moet vergezeld zijn van een kaart op een schaal van 1: 10.000, waarop de locatie waar de bestrijding zal plaatsvinden precies moet worden aangeduid. De bestrijding moet plaatsvinden op een locatie die voor de ambtenaren bevoegd met het toezicht op het besluit betreedbaar is zonder toestemming tot huiszoeking of huiszoekingsbevel;   7° zij moet gebeuren door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap;   8° het agentschap zal nagaan of de voorwaarden om tot bestrijding te mogen overgaan vervuld zijn.   (...)   Na afloop van een afzonderlijke bestrijdingsactiviteit, ofwel na afloop van de uitvoering van een aangemelde bestrijdingskalender, moet aan het provinciale hoofd van het agentschap worden gemeld hoeveel exemplaren werden gedood, door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap. (...) |
  1° ze houden een gegevensbestand bij van de door hen verstrekte gesloten pootringen. Daarin is ten minste de volgende informatie opgenomen: het aantal afgeleverde ringen per verschillend ringtype, de datum van afgifte, de namen en adressen van de personen aan wie de ringen zijn afgeleverd;
  2° ze sturen elk jaar, uiterlijk op 30 april, per provincie, de volgende gegevens naar de provinciale hoofden van het agentschap:
  a) een lijst met vermelding van het aantal verstrekte gesloten pootringen, evenals de namen en adressen van de vogelhouders die bij de vereniging gesloten pootringen hebben besteld. Die lijst heeft betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorafgaande kalenderjaar;
  b) een overzicht met vermelding van naam, adres en lidnummer van hun leden die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een daartoe door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1.48 Ten aanzien van individuele vogelhouders en vogelhandelaars die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1, gelden de volgende administratieve verplichtingen:
  1° ze houden een overzichtslijst bij voor elk kalenderjaar waarin ze specimens van die soorten onder zich hebben, met de volgende gegevens:
  a) een overzicht van de specimens van die soorten die ze onder zich hebben;
  b) als specimens werden aangekocht of op een andere wijze werden verworven: de datum van verwerving en bij wie die specimens werden verworven;
  c) als specimens werden verkocht of op een andere wijze werden afgestaan: de datum van afstand en aan wie die specimens zijn afgestaan;
  2° ze sluiten die overzichtslijst jaarlijks af op 31 december van het kalenderjaar waarop de lijst betrekking heeft, en vervolgens delen ze mee dat ze voor dat jaar een dergelijke lijst afgesloten hebben aan:
  a) de erkende vogelhoudersvereniging waarvan ze lid zijn, uiterlijk op 28 februari.
  b) het provinciale hoofd van het agentschap voor Natuur en Bos, uiterlijk op 30 april, als ze geen lid zijn van een erkende vogelhoudersvereniging.
  3° ze houden die overzichtslijsten tot vijf jaar na het afsluiten ervan in hun bezit, met het oog op controle door de personen die belast zijn met het toezicht op dit besluit.51, eerste lid Zangwedstrijden, tentoonstellingen of andere openbare activiteiten met specimens van soorten, als vermeld in artikel 41 of 49, moeten minstens één week op voorhand worden gemeld aan het provinciale hoofd van het agentschap van de provincie waar de zangwedstrijd, tentoonstelling of activiteit plaatsvindt.Bijlage 3 (...) De bestrijding mag tevens worden uitgevoerd door de volgende personen, op voorwaarde van een schriftelijke toestemming van de eigenaar, de verhuurder of de exploitant of grondgebruiker:
  1° de houders van het jachtrecht van het terrein waar de bestrijding plaatsvindt;
  2° de bijzondere veldwachters zoals bedoeld in het Veldwetboek van 7 oktober 1886;
  3° de houders van een geldig jachtverlof.
  De bestrijding mag worden uitgevoerd na melding van de intentie tot bestrijding aan de burgemeester van de gemeente waar de bestrijding zal plaatsvinden en aan het provinciale hoofd van het agentschap. Deze melding moet voldoen aan de volgende modaliteiten:
  1° de melding moet gebeuren per brief of per fax;
  2° uit de melding moet duidelijk blijken dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bijlage, inzonderheid inzake het zonder bevredigend resultaat toegepast hebben van andere mogelijke oplossingen en inzake de voorgenomen bestrijdingsmiddelen en -wijzen;
  3° indien men niet de eigenaar of de grondgebruiker is van het terrein waar men wil bestrijden moet een schriftelijke toestemming van de eigenaar aan de aanvraag worden toegevoegd;
  4° de melding moet plaatsvinden minstens 24 uur vooraleer de bestrijding zal aanvangen;
  5° de melding kan betrekking hebben op afzonderlijke bestrijdingsactiviteiten of op een bestrijdingskalender. De duur van de gemelde bestrijding kan echter maximaal een jaar bedragen;
  6° de melding moet vergezeld zijn van een kaart op een schaal van 1: 10.000, waarop de locatie waar de bestrijding zal plaatsvinden precies moet worden aangeduid. De bestrijding moet plaatsvinden op een locatie die voor de ambtenaren bevoegd met het toezicht op het besluit betreedbaar is zonder toestemming tot huiszoeking of huiszoekingsbevel;
  7° zij moet gebeuren door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap;
  8° het agentschap zal nagaan of de voorwaarden om tot bestrijding te mogen overgaan vervuld zijn.
  (...)
  Na afloop van een afzonderlijke bestrijdingsactiviteit, ofwel na afloop van de uitvoering van een aangemelde bestrijdingskalender, moet aan het provinciale hoofd van het agentschap worden gemeld hoeveel exemplaren werden gedood, door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap. (...)
| Article | Obligation légale |
| 47 | Les obligations suivantes s'appliquent vis-à -vis des associations de détenteurs d'oiseaux agréées :   1° elles tiennent un fichier des données relatives aux bagues fermées qu'elles ont délivrées. Ces données reprennent au moins les informations suivantes : le nombre de bagues délivrées par type de bague, la date de la délivrance, les noms et adresses des personnes auxquelles les bagues ont été délivrées ;   2° elles envoient annuellement, au plus tard le 30 avril, par province, les données suivantes aux chefs provinciaux de l'agence :   a) une liste mentionnant le nombre de bagues fermées, ainsi que les noms et adresses des détenteurs d'oiseaux ayant commandé des bagues fermées auprÚs de cette association. Cette liste a trait à la période du 1er janvier au 31 décembre compris de l'année calendaire précédente ;   b) un aperçu avec mention du nom, de l'adresse et du numéro d'affiliation des membres qui détiennent des spécimens d'espÚces d'oiseaux reprise dans une liste fixée à cet effet par le Ministre, telle que visée à l'article 46, § 1er. |
| 48 | Les obligations suivantes s'appliquent vis-Ă -vis des dĂ©tenteurs et marchands d'oiseaux individuels qui dĂ©tiennent des spĂ©cimens d'espĂšces d'oiseaux reprise dans une liste fixĂ©e Ă cet effet par le Ministre, telle que visĂ©e Ă l'article 46, § 1er :   1° ils tiennent un aperçu pour chaque annĂ©e calendaire pendant laquelle ils dĂ©tiennent des spĂ©cimens de ces espĂšces, comprenant les donnĂ©es suivantes :   a) un aperçu des spĂ©cimens des espĂšces qu'ils dĂ©tiennent ;   b) si des spĂ©cimens ont Ă©tĂ© achetĂ©s ou acquis d'une autre maniĂšre : la date d'acquisition et la personne auprĂšs de laquelle ces spĂ©cimens ont Ă©tĂ© acquis ;   c) si des spĂ©cimens ont Ă©tĂ© vendus ou cĂ©dĂ©s d'une autre maniĂšre : la date Ă laquelle ils ont Ă©tĂ© cĂ©dĂ©s et la personne Ă laquelle ils ont Ă©tĂ© cĂ©dĂ©s ;   2° ils clĂŽturent annuellement cet aperçu au 31 dĂ©cembre de l'annĂ©e calendaire Ă laquelle l'aperçu a trait et en suite ils communiquent qu'ils ont clĂŽturĂ© un tel aperçu pour l'annĂ©e en question :   a) Ă l'association de dĂ©tenteurs d'oiseaux dont ils sont membre, au plus tard le 28 fĂ©vrier ;   b) au chef provinciale l'agence de la Nature et des ForĂȘts, au plus tard le 30 avril, s'ils ne sont pas membres d'une association de dĂ©tenteurs d'oiseaux agréée.   3° ils gardent ces aperçus pendant cinq aprĂšs leur clĂŽture en leur possession en vue du contrĂŽle par les personnes chargĂ©es du contrĂŽle sur les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. |
| 51, alinĂ©a premier | Les concours de chant, expositions ou autres activitĂ©s publiques impliquant des spĂ©cimens des espĂšces visĂ©es Ă l'article 41 ou 49, doivent ĂȘtre communiquĂ©es au moins une semaine Ă l'avance au chef provincial de l'agence de la province ou le concours de chant, l'exposition ou les activitĂ©s ont lieu. |
| Annexe 3 | (...) La destruction peut Ă©galement ĂȘtre effectuĂ©e par les personnes suivantes Ă condition d'une autorisation Ă©crite du propriĂ©taire, du locataire ou de l'exploitant ou l'utilisateur du terrain :   1° les dĂ©tenteurs du droit de chasse du terrain oĂč la destruction a lieu ;   2° les gardes-champĂȘtres particuliers tels que visĂ©s au Code rural du 7 octobre 1886 ;   3° les dĂ©tenteurs d'un permis de chasse valable.   La destruction peut ĂȘtre effectuĂ©e aprĂšs mention de l'intention de destruction au bourgmestre de la commune oĂč la destruction aura lieu et au chef provincial de l'agence.Cette mention doit rĂ©pondre aux modalitĂ©s suivantes :   1° la mention doit se faire par lettre ou par fax ;   2° il doit clairement ressortir de la mention qu'il a Ă©tĂ© rĂ©pondu aux conditions de la prĂ©sente annexe, notamment la possibilitĂ© d'avoir appliquĂ© d'autres solutions sans rĂ©sultats satisfaisants et en matiĂšre des moyens et mĂ©thodes de destruction envisagĂ©s ;   3° si l'on n'est pas le propriĂ©taire ou l'utilisateur du terrain oĂč la destruction est envisagĂ©e, une autorisation Ă©crite du propriĂ©taire doit ĂȘtre jointe Ă la demande ;   4° la mention doit avoir lieu au moins 24 heures avant le dĂ©but de la destruction ;   5° cette notification peut avoir trait aux activitĂ©s de destruction distinctes ou Ă un calendrier de destruction. La durĂ©e de la destruction notifiĂ©e ne peut cependant ĂȘtre que d'un an au maximum ;   6° la notification doit ĂȘtre accompagnĂ©e d'une carte Ă l'Ă©chelle 1 : 10.000 sur laquelle l'endroit de la destruction est prĂ©cisĂ©ment indiquĂ©. La destruction doit avoir lieu Ă un endroit accessible sans autorisation ou ordre de perquisition aux fonctionnaires chargĂ©s du contrĂŽle ;   7° elle doit se faire Ă l'aide d'un formulaire de notification standard, mis Ă disposition par l'agence ;   8° l'agence vĂ©rifiera si les conditions pour pouvoir procĂ©der Ă la destruction ont Ă©tĂ© remplies.   (...)   A la fin d'une activitĂ© de destruction sĂ©parĂ©e, ou Ă la fin de l'exĂ©cution d'un calendrier de destruction notifiĂ©, le chef provincial de l'agence doit ĂȘtre notifiĂ© du nombre d'exemplaires mis Ă mort, Ă l'aide du formulaire de notification standard, mis Ă disposition par l'agence. (...) |
  1° elles tiennent un fichier des données relatives aux bagues fermées qu'elles ont délivrées. Ces données reprennent au moins les informations suivantes : le nombre de bagues délivrées par type de bague, la date de la délivrance, les noms et adresses des personnes auxquelles les bagues ont été délivrées ;
  2° elles envoient annuellement, au plus tard le 30 avril, par province, les données suivantes aux chefs provinciaux de l'agence :
  a) une liste mentionnant le nombre de bagues fermées, ainsi que les noms et adresses des détenteurs d'oiseaux ayant commandé des bagues fermées auprÚs de cette association. Cette liste a trait à la période du 1er janvier au 31 décembre compris de l'année calendaire précédente ;
  b) un aperçu avec mention du nom, de l'adresse et du numéro d'affiliation des membres qui détiennent des spécimens d'espÚces d'oiseaux reprise dans une liste fixée à cet effet par le Ministre, telle que visée à l'article 46, § 1er.48 Les obligations suivantes s'appliquent vis-à -vis des détenteurs et marchands d'oiseaux individuels qui détiennent des spécimens d'espÚces d'oiseaux reprise dans une liste fixée à cet effet par le Ministre, telle que visée à l'article 46, § 1er :
  1° ils tiennent un aperçu pour chaque année calendaire pendant laquelle ils détiennent des spécimens de ces espÚces, comprenant les données suivantes :
  a) un aperçu des spécimens des espÚces qu'ils détiennent ;
  b) si des spécimens ont été achetés ou acquis d'une autre maniÚre : la date d'acquisition et la personne auprÚs de laquelle ces spécimens ont été acquis ;
  c) si des spécimens ont été vendus ou cédés d'une autre maniÚre : la date à laquelle ils ont été cédés et la personne à laquelle ils ont été cédés ;
  2° ils clÎturent annuellement cet aperçu au 31 décembre de l'année calendaire à laquelle l'aperçu a trait et en suite ils communiquent qu'ils ont clÎturé un tel aperçu pour l'année en question :
  a) à l'association de détenteurs d'oiseaux dont ils sont membre, au plus tard le 28 février ;
  b) au chef provinciale l'agence de la Nature et des ForĂȘts, au plus tard le 30 avril, s'ils ne sont pas membres d'une association de dĂ©tenteurs d'oiseaux agréée.
  3° ils gardent ces aperçus pendant cinq aprĂšs leur clĂŽture en leur possession en vue du contrĂŽle par les personnes chargĂ©es du contrĂŽle sur les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.51, alinĂ©a premier Les concours de chant, expositions ou autres activitĂ©s publiques impliquant des spĂ©cimens des espĂšces visĂ©es Ă l'article 41 ou 49, doivent ĂȘtre communiquĂ©es au moins une semaine Ă l'avance au chef provincial de l'agence de la province ou le concours de chant, l'exposition ou les activitĂ©s ont lieu.Annexe 3 (...) La destruction peut Ă©galement ĂȘtre effectuĂ©e par les personnes suivantes Ă condition d'une autorisation Ă©crite du propriĂ©taire, du locataire ou de l'exploitant ou l'utilisateur du terrain :
  1° les dĂ©tenteurs du droit de chasse du terrain oĂč la destruction a lieu ;
  2° les gardes-champĂȘtres particuliers tels que visĂ©s au Code rural du 7 octobre 1886 ;
  3° les détenteurs d'un permis de chasse valable.
  La destruction peut ĂȘtre effectuĂ©e aprĂšs mention de l'intention de destruction au bourgmestre de la commune oĂč la destruction aura lieu et au chef provincial de l'agence.Cette mention doit rĂ©pondre aux modalitĂ©s suivantes :
  1° la mention doit se faire par lettre ou par fax ;
  2° il doit clairement ressortir de la mention qu'il a été répondu aux conditions de la présente annexe, notamment la possibilité d'avoir appliqué d'autres solutions sans résultats satisfaisants et en matiÚre des moyens et méthodes de destruction envisagés ;
  3° si l'on n'est pas le propriĂ©taire ou l'utilisateur du terrain oĂč la destruction est envisagĂ©e, une autorisation Ă©crite du propriĂ©taire doit ĂȘtre jointe Ă la demande ;
  4° la mention doit avoir lieu au moins 24 heures avant le début de la destruction ;
  5° cette notification peut avoir trait aux activitĂ©s de destruction distinctes ou Ă un calendrier de destruction. La durĂ©e de la destruction notifiĂ©e ne peut cependant ĂȘtre que d'un an au maximum ;
  6° la notification doit ĂȘtre accompagnĂ©e d'une carte Ă l'Ă©chelle 1 : 10.000 sur laquelle l'endroit de la destruction est prĂ©cisĂ©ment indiquĂ©. La destruction doit avoir lieu Ă un endroit accessible sans autorisation ou ordre de perquisition aux fonctionnaires chargĂ©s du contrĂŽle ;
  7° elle doit se faire à l'aide d'un formulaire de notification standard, mis à disposition par l'agence ;
  8° l'agence vérifiera si les conditions pour pouvoir procéder à la destruction ont été remplies.
  (...)
  A la fin d'une activitĂ© de destruction sĂ©parĂ©e, ou Ă la fin de l'exĂ©cution d'un calendrier de destruction notifiĂ©, le chef provincial de l'agence doit ĂȘtre notifiĂ© du nombre d'exemplaires mis Ă mort, Ă l'aide du formulaire de notification standard, mis Ă disposition par l'agence. (...)
Art. N15. Bijlage XXXII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Bijlage XXXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties, wordt beschouwd als milieu-inbreuk:
  Bijlage XXXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties, wordt beschouwd als milieu-inbreuk:
Art. N15. Annexe XXXII Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
  Annexe XXXII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes visĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 fixant des conditions environnementales gĂ©nĂ©rales et sectorielles supplĂ©mentaires pour les installations IPPC est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
  Annexe XXXII. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
  Article unique. Le non-respect des obligations lĂ©gales suivantes visĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 fixant des conditions environnementales gĂ©nĂ©rales et sectorielles supplĂ©mentaires pour les installations IPPC est considĂ©rĂ© comme une infraction environnementale :
| Artikel | Wettelijke verplichting |
| 2.3.2 | Als artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM wordt toegepast, bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks en uiterlijk voor 15 maart van elk kalenderjaar, een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies, met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden, zoals bepaald is voor de BBT-GEN, zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN. |
| 2.3.3 | Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.4.2 van titel II van het VLAREM, brengt de exploitant de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies die dit besluit of de milieuvergunning heeft opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen. |
| 2.3.4, eerste volzin | De exploitant bezorgt op verzoek van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, alle gegevens die voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, noodzakelijk zijn, waaronder met name de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN. |
| Article | Obligation légale |
| 2.3.2 | Lorsque l'article 30bis, § 10, 2°, du titre Ier du VLAREM s'applique, l'exploitant fournit Ă l'autoritĂ© qui dĂ©livre l'autorisation, compĂ©tente en premiĂšre instance, au moins une fois par an et au plus tard pour le 15 mars de chaque annĂ©e, un aperçu des rĂ©sultats du monitoring des Ă©missions pour la mĂȘme pĂ©riode et sous les mĂȘmes conditions de rĂ©fĂ©rence que celles fixĂ©es pour les niveaux d'Ă©mission associĂ©s aux meilleures techniques disponibles, en vue de permettre la comparaison avec ces NEA-MTD. |
| 2.3.3 | Sans prĂ©judice de l'application de l'article 4.1.4.2 du titre II du VLAREM, l'exploitant communique rĂ©guliĂšrement, et au moins une fois par an, au contrĂŽleur les informations qui sont obtenues sur la base des rĂ©sultats du monitoring des Ă©missions, qui a Ă©tĂ© imposĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou par l'autorisation Ă©cologique, et les autres donnĂ©es requises sur la base desquelles le contrĂŽleur peut contrĂŽler le respect des conditions d'autorisation. |
| 2.3.4, premiÚre phrase | L'exploitant fournit, à la demande de la division compétente pour les autorisations écologiques, toutes les données qui sont nécessaires au contrÎle des conditions d'autorisation visées à l'article 41bis du titre Ier du VLAREM, dont notamment les résultats du monitoring des émissions et les autres données permettant de comparer le fonctionnement de l'installation aux MTD telles que décrites dans les conclusions sur les MTD applicables et aux NEA-MTD. |