Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
15 JUNI 2015. - Ministerieel besluit betreffende het autonome beheer van land- en tuinbouwbedrijven en het kunstmatig creëren van voorwaarden om voordeel te verkrijgen
Titre
15 JUIN 2015. - Arrêté ministériel concernant la gestion autonome des exploitations agricoles et horticoles et la création artificielle de conditions pour obtenir un avantage
Documentinformatie
Numac: 2015035906
Datum: 2015-06-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015035906
Date: 2015-06-15
Moniteur: Voir
Tekst (15)
Texte (15)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° bedrijf: een bedrijf als vermeld in artikel 4, lid 1, b), van verordening (EU) nr. 1307/2013;
  2° bevoegde instantie: de bevoegde instantie, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
  3° decreet van 22 december 2006: het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
  4° GBCS: het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, vermeld in titel V, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 1306/2013;
  5° gebruik perceel landbouwgrond: het gebruik van een perceel landbouwgrond conform artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
  6° landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 4, lid 1, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013;
  7° perceel landbouwgrond: een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 67, lid 4, a), van verordening (EU) nr. 1306/2013;
  8° productiemiddelen: de productiemiddelen van een landbouwer, zoals de percelen landbouwgrond, stallen, loodsen, andere gebouwen en opslagplaatsen, de dieren, voeders, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, melkinstallaties, machines, ander landbouwmateriaal en arbeid;
  9° verordening (EU) nr. 1306/2013: verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad;
  10° verordening (EU) nr. 1307/2013: verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° exploitation : une exploitation telle que visée à l'article 4, alinéa 1er, b), du Règlement (UE) n° 1307/2013 ;
  2° instance compétente : l'instance compétente, visée à l'article 2, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
  3° décret du 22 décembre 2006 : le décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
  4° SIGC : le système intégré de gestion et de contrôle, visé au titre V, chapitre II, du Règlement (UE) n° 1306/2013 ;
  5° utilisation parcelle terre agricole : l'utilisation d'une parcelle de terre agricole conformément à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
  6° agriculteur : un agriculteur tel que visé à l'article 4, alinéa 1er, a), du Règlement (UE) n° 1307/2013 ;
  7° parcelle terre agricole : une parcelle de terre agricole, telle que visée à l'article 67, alinéa 4, a), du Règlement (UE) n° 1306/2013 ;
  8° biens de production : les biens de production d'un agriculteur, comme les parcelles de terres agricoles, les étables, les hangars, d'autres bâtiments et entrepôts, les animaux, aliments, engrais, produits phytopharmaceutiques, installations laitières, machines, d'autres matériels agricoles et le travail ;
  9° Règlement (UE) n° 1306/2013 : le Règlement (UE) n° 1306/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune et abrogeant les Règlements (CEE) n° 352/78, (CE) n° 165/94, (CE) n° 2799/98, (CE) n° 814/2000, (CE) n° 1290/2005 et (CE) n° 485/2008 du Conseil ;
  10° Règlement (UE) n° 1307/2013 : le Règlement (UE) n° 1307/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune et abrogeant le Règlement (CE) n° 637/2008 du Conseil et le Règlement (CE) n° 73/2009 du Conseil.
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied
CHAPITRE 2. - Champ d'application
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op alle landbouwers die geregistreerd zijn in het GBCS of die een aanvraag tot registratie in het GBCS indienen.
Art. 2. Le présent arrêté s'applique à tous les agriculteurs enregistrés dans le SIGC ou ayant introduit une demande d'enregistrement dans le SIGC.
Art. 3. Elke landbouwer die een aanvraag tot registratie in het GBCS indient, ondertekent de verklaring van het autonome beheer en het niet-kunstmatig creëren van voorwaarden om voordeel te verkrijgen.
Art. 3. Chaque agriculteur introduisant une demande d'enregistrement dans le SIGC, signe la déclaration de gestion autonome et de création non artificielle de conditions pour obtenir un avantage.
HOOFDSTUK 3. - Voorwaarden voor het autonome beheer van een bedrijf en het vermijden van het kunstmatig creëren van omstandigheden om voordeel te verkrijgen
CHAPITRE 3. - Conditions pour la gestion autonome d'une exploitation et la prévention de la création artificielle de circonstances pour obtenir un avantage
Art. 4. § 1. De landbouwer heeft de productiemiddelen van zijn bedrijf in exclusief gebruik, beheert ze exclusief, en creëert geen kunstmatige voorwaarden om een voordeel te verkrijgen.
  De stallen die een landbouwer in gebruik heeft, zijn alleen bedoeld voor de dieren van het veebeslag van de landbouwer in kwestie.
  In het derde lid wordt verstaan onder veebeslag: een veebeslag als vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 22 december 2006.
  Dieren van verschillende landbouwers, ongeacht de diersoort, mogen niet aanwezig zijn op hetzelfde perceel.
  De stallen van een landbouwer zijn duidelijk gescheiden van de stallen van een andere landbouwer. Er is geen doorgang voor dieren, mensen, voeders en ander materiaal tussen de stallen onderling.
  § 2. De volgende situaties worden beschouwd als gevallen van exclusief gebruik en beheer van een productiemiddel:
  1° het delen van een productiemiddel met andere landbouwers, met uitzondering van stallen en percelen landbouwgrond, op voorwaarde dat een schriftelijke overeenkomst aangeeft wie het betreffende productiemiddel in gebruik heeft, het tijdstip of de duur, en de vergoeding. Delen om niet wordt niet gezien als autonoom beheer;
  2° loonwerk op voorwaarde dat een schriftelijke overeenkomst aangeeft wie het loonwerk uitoefent in opdracht van de landbouwer, het tijdstip van het loonwerk of de duur van het loonwerk, en de vergoeding. Loonwerk om niet wordt niet gezien als autonoom beheer;
  3° overdracht van een productiemiddel aan een andere landbouwer, op voorwaarde dat de overdracht schriftelijk bewezen kan worden met een overeenkomst of betalingsbewijs.
  § 3. Echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijke stelsel of die gehuwd zijn met algehele gemeenschap van goederen, kunnen afzonderlijk een bedrijf uitbaten als natuurlijk persoon op voorwaarde dat elk bedrijf afzonderlijk voldoet aan de voorwaarden van autonoom beheer en als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
  1° een van beide echtgenoten verricht geen arbeid die bijdraagt tot de werking van het bedrijf van de andere echtgenoot;
  2° de uitoefening van de afzonderlijke bedrijfsactiviteiten door de echtgenoten geeft geen aanleiding tot een overeenkomst van overdracht, verkoop of huur van goederen tussen de echtgenoten;
  3° de productiemiddelen van elk bedrijf, die eventueel onder de gemeenschap vallen, worden uitsluitend door de landbouwer van het bedrijf in kwestie gebruikt.
Art. 4. § 1er. L'agriculteur assure l'utilisation et la gestion exclusives des biens de production de son exploitation et ne crée aucune condition artificielle pour obtenir un avantage.
  Les étables utilisées par l'agriculteur sont uniquement destinées aux animaux du troupeau de l'agriculteur en question.
  A l'alinéa trois, on entend par troupeau : un troupeau tel que visé à l'article 2, 17°, du décret du 22 décembre 2006.
  Les animaux des différents agriculteurs, quelle que soit l'espèce animale, ne peuvent pas être présents sur la même parcelle.
  Les étables d'un agriculteur sont clairement séparées de celles d'un autre agriculteur. Le passage entre les étables est interdit aux animaux, hommes, aliments et autre matériels.
  § 2. Les situations suivantes sont considérées comme des cas d'utilisation et de gestion exclusives d'un bien de production :
  1° l'utilisation partagée d'un bien de production par d'autres agriculteurs, à l'exception d'étables et de parcelles de terre agricole, à condition qu'une convention écrite indique l'utilisateur du bien de production, la date ou la durée, et l'indemnité. L'utilisation partagée n'est pas considérée comme une gestion autonome ;
  2° le travail à façon à condition qu'une convention écrite indique la personne effectuant le travail à façon pour l'ordre de l'agriculteur, la date ou durée du travail à façon, et l'indemnité. Le travail à façon n'est pas considéré comme une gestion autonome ;
  3° le transfert d'un bien de production d'un agriculteur à un autre, à condition que le transfert peut être démontré par écrit à l'aide d'une convention ou d'une preuve de paiement.
  § 3. Les époux mariés sous le régime légal ou sous le régime de communauté universelle de biens, peuvent exploiter séparément une exploitation en tant que personne physique, à condition que chacune des exploitations remplit les conditions de gestion autonome et s'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° l'un des deux époux n'effectue aucun travail contribuant au fonctionnement de l'exploitation de l'autre époux ;
  2° l'exercice des activités d'entreprise distinctes par les époux ne donne pas lieu à une convention de transfert, de vente ou de location de biens entre eux ;
  3° les biens de production de chaque exploitation tombant éventuellement dans la communauté, sont utilisés exclusivement par l'agriculteur de l'exploitation concernée.
Art. 5. Een landbouwer kan zijn productiemiddelen alleen op autonome wijze beheren als de volgende zaken administratief aangetoond kunnen worden:
  1° de identificatie van de landbouwer op basis van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen en de identificatie op basis van het landbouwernummer uit de databank van de bevoegde instantie stemmen overeen;
  2° de activiteit die aan het ondernemingsnummer, vermeld in het eerste lid, gekoppeld is, heeft betrekking op een landbouwactiviteit die overeenstemt met de werkelijke bedrijfsvoering;
  3° het bankrekeningnummer van de landbouwer in kwestie staat alleen op naam van die landbouwer;
  4° de inkomsten van de landbouwactiviteiten van de landbouwer zijn opgenomen in de belastingaangifte van de landbouwer in kwestie;
  5° de facturen hebben betrekking op de landbouwer in kwestie;
  6° de land- of tuinbouwactiviteit is in de statuten vermeld als statutair doel, voor zover de ondernemingsvorm de opmaak van statuten verplicht.
  In het eerste lid, 1°, wordt verstaan onder landbouwernummer: het unieke nummer dat de bevoegde instantie gebruikt om een landbouwer te identificeren.
Art. 5. Un agriculteur ne peut gérer ses biens de production de façon autonome que lorsque les choses suivantes peuvent être démontrées administrativement :
  1° l'identification de l'agriculteur sur la base du numéro d'entreprise dans la Banque-Carrefour des Entreprises et l'identification sur la base du numéro d'agriculteur dans la base de données de l'instance compétente, concordent ;
  2° l'activité liée au numéro d'entreprise visé à l'alinéa premier, porte sur une activité agricole correspondant à la gestion réelle de l'exploitation ;
  3° le numéro de compte bancaire de l'agriculteur en question est uniquement écrit au nom de cet agriculteur ;
  4° les revenus des activités agricoles de l'agriculteur sont admis dans la déclaration d'impôt de l'agriculteur en question ;
  5° les factures portent sur l'agriculteur en question ;
  6° l'activité agricole ou horticole est mentionnée dans les statuts comme but statutaire, dans la mesure où la forme juridique de l'exploitation oblige l'établissement de statuts.
  A l'alinéa premier, 1°, on entend par numéro d'agriculteur : le numéro unique utilisé par l'instance compétente pour l'identification d'un agriculteur.
Art. 6. Als de landbouwactiviteiten van een landbouwer betrekking hebben op pluimvee, konijnen, varkens of kalveren, en de landbouwer in kwestie beschikt over een integratieovereenkomst met een andere landbouwer die voldoet aan de bepalingen, vermeld in de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie, dan kunnen die landbouwers afwijken van het autonoom beheer van productiemiddelen binnen de grenzen van de integratieovereenkomst. De voorwaarde van het autonoom beheer van de productiemiddelen, en de voorwaarde, vermeld in artikel 5, eerste lid, 5°, van dit besluit, zijn niet van toepassing op die landbouwers, op voorwaarde dat de boekhouding van beide landbouwers de uitvoering van de integratieovereenkomst aantoont.
Art. 6. Si les activités agricoles d'un agriculteur ont trait aux volaille, lapins, porcs ou veaux, et si l'agriculteur en question dispose d'une convention d'intégration avec un autre agriculteur remplissant les dispositions visées à la loi du 1er avril 1976 relative à l'intégration verticale dans le secteur de la production animale, ces agriculteurs peuvent déroger de la gestion autonome de biens de production dans les limites de la convention d'intégration. La condition de la gestion autonome des biens de production et la condition visée à l'article 5, alinéa premier, 5°, du présent arrêté, ne s'appliquent pas à ces agriculteurs, à condition que la comptabilité des deux agriculteurs démontre l'exécution de la convention d'intégration.
HOOFDSTUK 4. - Controle op het autonome beheer en het niet-kunstmatig creëren van voorwaarden om voordeel te verkrijgen
CHAPITRE 4. - Contrôle de la gestion autonome et de la création non artificielle de conditions pour obtenir un avantage
Art. 7. De bevoegde instantie is belast met de controle op het naleven van de voorwaarden van het autonome beheer en het niet kunstmatig creëren van de voorwaarden om voordeel te verkrijgen, vermeld in artikel 4, 5 en 6.
Art. 7. L'instance compétente est chargée du contrôle du respect des conditions de la gestion autonome et de la création non artificielle de conditions pour obtenir un avantage, visées aux articles 4, 5 et 6.
Art. 8. Als bij de controle ter plaatse wordt vastgesteld dat het autonome beheer niet gerespecteerd wordt of dat er kunstmatig voorwaarden zijn gecreëerd om voordeel te verkrijgen, wordt de registratie van de landbouwer in het GBCS geweigerd of ingetrokken, en worden betalingen geweigerd of teruggevorderd en geen andere voordelen toegekend, conform artikel 60 van verordening (EU) nr. 1306/2013 en artikel 11, lid 4, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
  Een nieuwe aanvraag tot registratie in het GBCS van de landbouwer in kwestie wordt pas goedgekeurd als de landbouwer in kwestie de nodige maatregelen heeft genomen om de productiemiddelen op autonome wijze te beheren en als hij heeft aangetoond dat hij niet kunstmatig voorwaarden heeft gecreëerd om voordeel te verkrijgen.
Art. 8. S'il est constaté lors du contrôle sur place que la gestion autonome n'est pas respectée ou que des conditions artificielles ont été créées pour obtenir un avantage, l'enregistrement de l'agriculteur dans le SIGC est refusé ou retiré, les paiements sont refusés ou recouvrés et aucun autre avantage n'est accordé, conformément à l'article 60 du Règlement (UE) n° 1306/2013 et à l'article 11, alinéa 4, du Règlement (UE) n° 1307/2013.
  Une nouvelle demande d'enregistrement dans le SIGC par l'agriculteur en question n'est approuvée que lorsque celui-ci a pris les mesures nécessaires pour gérer les biens de production de façon autonome et qu'il a démontré de ne pas avoir créer des conditions artificielles pour obtenir un avantage.
HOOFDSTUK 5. - Overgangs- en opheffingsbepaling
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires et abrogatoires
Art. 9. Het ministerieel besluit van 15 maart 2006 betreffende het autonome beheer van land- en tuinbouwbedrijven en het kunstmatig creëren van betalingsvoorwaarden, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 7 maart 2008 en 17 november 2008, wordt opgeheven.
Art. 9. L'arrêté ministériel du 15 mars 2006 concernant la gestion autonome des exploitations agricoles et horticoles et la création artificielle de conditions de paiement, modifié par les arrêtés ministériels des 7 mars 2008 et 17 novembre 2008, est abrogé.
Art. 10. In afwijking van artikel 9 blijft het ministerieel besluit van 15 maart 2006 betreffende het autonome beheer van land- en tuinbouwbedrijven en het kunstmatig creëren van betalingsvoorwaarden van toepassing op vaststellingen die gedaan zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 10. Par dérogation à l'article 9, l'arrêté ministériel du 15 mars 2006 concernant la gestion autonome des exploitations agricoles et horticoles et la création artificielle de conditions de paiement, continue à s'appliquer aux constatations faites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.