Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 JUNI 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 2 en van de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs
Titre
5 JUIN 2015. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'article 2 et l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1997 définissant les objectifs de développement et les objectifs finaux de l'enseignement fondamental ordinaire
Documentinformatie
Numac: 2015035832
Datum: 2015-06-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015035832
Date: 2015-06-05
Moniteur: Voir
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs wordt het tweede lid opgeheven.
Article 1er. Dans l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1997 définissant les objectifs de développement et les objectifs finaux de l'enseignement fondamental ordinaire, le second alinéa est abrogé.
Art. 2. In de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 15 juli 1997, 15 december 2006 en 13 februari 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de "ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie" worden vervangen door de ontwikkelingsdoelen, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
2° de "eindtermen wereldoriëntatie" worden vervangen door de eindtermen, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 2. A l'annexe du même arrêté, modifiée par les arrêtés des 15 juillet 1997, 15 décembre 2006 et 13 février 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° les " objectifs de développement ouverture sur le monde " sont remplacés par les objectifs de développement visés à l'annexe 1re jointe au présent arrêté ;
2° les " objectifs finaux ouverture sur le monde " sont remplacés par les objectifs finaux visés à l'annexe 2 jointe au présent arrêté.
Art. 3. Artikel 2 treedt in werking op 1 september 2015.
Art. 3. L'article 2 entre en vigueur le 1er septembre 2015.
Art. 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 4. La Ministre flamande ayant l'enseignement dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. BIJLAGE 1. - Ontwikkelingsdoelen als vermeld in artikel 2, 1°
Art. N1. ANNEXE 1re. - Objectifs de développement tels que visés à l'article 2, 1°
ONTWIKKELINGSDOELEN WETENSCHAPPEN EN TECHNIEK
1. Natuur
Algemene vaardigheden
De kleuters
1.1. kunnen verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen;
1.2. tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur;
1.3. kunnen met hulp van een volwassene, eenvoudige bronnen hanteren om meer te weten te komen over de natuur.
Levende en niet-levende natuur
De kleuters
1.4. kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria;
1.5. kunnen in verband met voortplanting van mensen en dieren, illustreren dat een levend wezen steeds voortkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort;
1.6. kunnen illustreren dat de geboorte van mens en dier wordt voorafgegaan door een periode van gedragen worden door de moeder of door de ontwikkeling in een ei;
1.7. kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen;
1.8. kunnen verschillende weersomstandigheden waarnemen, vergelijken en benoemen en voorbeelden geven van de gevolgen voor zichzelf.
Gezondheid
De kleuters
1.9. kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen;
1.10. kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid;
1.11. tonen goede gewoonten in hun dagelijkse hygiëne;
1.12. weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.
Milieu
De kleuters
1.13. tonen een houding van zorg en respect voor de natuur.
2. Techniek
Kerncomponenten van techniek
De kleuters
2.1. kunnen van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof;
2.2. kunnen van een eenvoudig technisch systeem uit hun omgeving aantonen dat verschillende onderdelen ervan in relatie staan tot elkaar in functie van een vooropgesteld doel.
Techniek als menselijke activiteit
De kleuters
2.3. kunnen in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte;
2.4. kunnen ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem;
2.5. kunnen geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem;
2.6. kunnen een eenvoudig technisch systeem maken, al dan niet aan de hand van een stappenplan;
2.7. kunnen nagaan of het doel werd bereikt met een zelfgemaakt technisch systeem.
2.8. zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken;
2.9. tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.
Techniek en samenleving
De kleuters
2.10. kunnen aangeven dat een technisch systeem dat ze gebruiken nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kan zijn.
Voor het realiseren van bovenstaande ontwikkelingsdoelen gelden volgende begripsomschrijvingen.
Kerncomponenten van techniek
De vier kerncomponenten van techniek zijn: technisch systeem, technisch proces, hulpmiddelen en keuzen.
- Technisch systeem
Een technisch systeem is een geheel van elkaar wederzijds beïnvloedende elementen en onderdelen die gericht zijn op het bereiken van (een) bepaald(e) doel(en).
In een technisch systeem kunnen zich natuurkundige, scheikundige of biologische fenomenen voordoen.
De term technisch systeem kan betrekking hebben op het systeemaspect alleen of op alle aspecten (de 4 kerncomponenten) van het technisch object. De gekozen toepassing van het ontwikkelingsdoel bepaalt welke van de twee benaderingen aangewezen is.
- Technisch proces
Een proces kent een geleidelijk verloop van een reeks acties om een technisch systeem in te zetten, te ontwikkelen of te verbeteren.
Kenmerkend voor techniek is het technisch proces.
Het technisch proces vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen:
- probleem stellen;
- ontwerpen;
- maken;
- in gebruik nemen;
- evalueren.
- Hulpmiddelen
De kerncomponent `hulpmiddelen' omvat alles wat nodig is om technische systemen efficiënter te laten functioneren, te verwezenlijken en hun werking te doorgronden. Daarmee worden onder andere bedoeld: materialen en grondstoffen, energie, machines en gereedschappen, meetinstrumenten, mensen, kapitaal, tijd, ...
- Keuzen
Keuzen zijn afhankelijk van criteria waaraan technische systemen moeten voldoen. Die criteria kunnen door de maatschappij of vanuit de techniek worden bepaald. Criteria kunnen norm worden en normen kunnen wet worden.
OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT SCIENCES ET TECHNIQUE
1. Nature
Aptitudes générales
Les jeunes enfants
1.1. sont capables de distinguer des différences de son, d'odeur, de couleur, de goût et de toucher ;
1.2. font preuve d'une approche exploratoire et expérimentale pour arriver à en savoir davantage sur la nature ;
1.3. aidés par un adulte, peuvent utiliser de simples sources d'information pour apprendre davantage sur la nature.
La nature vivante et non vivante
Les jeunes enfants
1.4. peuvent ordonner des organismes et des matériaux courants à partir de critères simples qu'ils ont trouvés eux-mêmes ;
1.5. sont en mesure d'illustrer, en ce qui concerne les mécanismes de la reproduction humaine et animale, qu'un être vivant provient toujours d'un autre être vivant de la même espèce ;
1.6. sont en mesure d'illustrer que la naissance de l'homme et de l'animal est précédée d'une période de gestation par la mère ou de développement d'un oeuf ;
1.7. peuvent identifier chez eux-mêmes les parties du corps en rapport avec l'ouïe, la vue, l'odorat, le goût et le toucher ;
1.8. peuvent observer, comparer et nommer différentes conditions atmosphériques et donner des exemples des conséquences pour eux-mêmes.
Santé
Les jeunes enfants
1.9. sont en mesure de discerner chez eux-mêmes et chez les autres la différence entre être malade, en bonne santé ou blessé ;
1.10. sont capables de reconnaître dans des situations concrètes des comportements qui sont favorables ou nuisibles à leur santé ;
1.11. font preuve de bonnes habitudes au niveau d'hygiène quotidienne ;
1.12. savent que la prise de certains produits et de certaines plantes peut les rendre malades.
Environnement
Les jeunes enfants
1.13. se montrent soucieux et respectueux de la nature.
2. Technique
Composantes clés de la technique
Les jeunes enfants
2.1. peuvent dire des systèmes techniques qu'ils utilisent souvent eux-mêmes s'ils sont fabriqués en métal, pierre, bois, verre, papier, textile ou plastique ;
2.2. peuvent démontrer d'un système technique simple de leur environnement que différentes parties de celui-ci sont interconnectées en fonction d'un objectif prévu.
La technique comme activité humaine
Les jeunes enfants
2.3. peuvent vérifier dans une situation simple quel système technique répond le mieux à un besoin ;
2.4. peuvent générer des idées pour un système technique simple ;
2.5. peuvent choisir des matériaux et des outils appropriés pour la réalisation d'un système technique simple ;
2.6. peuvent fabriquer un système technique simple, à l'aide d'une feuille de route ou non ;
2.7. peuvent vérifier si le but a été atteint avec un système technique créé par eux-mêmes.
2.8. sont disposés à travailler de manière hygiénique, avec précision et en toute sécurité ;
2.9. font preuve d'une approche expérimentale et exploratoire pour arriver à en savoir davantage sur la technique.
Technique et société
Les jeunes enfants
2.10. peuvent indiquer qu'un système technique qu'ils utilisent peut être utile, dangereux et /ou nuisible.
Pour la réalisation des objectifs de développement précités, les définitions suivantes sont applicables.
Composantes clés de la technique
Les quatre composantes clés de la technique sont le système technique, le processus technique, les ressources et les choix.
- Système technique
Un système technique est un ensemble d'éléments et de parties qui s'influencent mutuellement et qui visent à atteindre (un) certain(s) but(s).
Dans un système technique, des phénomènes physiques, chimiques ou biologiques peuvent se produire.
Le terme système technique peut porter sur un seul aspect du système ou sur tous les aspects (les 4 composantes clés) d'un objet technique. L'application choisie de l'objectif de développement définit quelle des deux approches est indiquée.
- Processus technique
Un processus est caractérisé par le déroulement progressif d'une série d'actions pour mettre en oeuvre, développer ou améliorer un système technique.
La technique est caractérisée par le processus technique.
Le processus technique part d'un besoin et se déroule en 5 étapes :
- poser le problème ;
- concevoir ;
- produire ;
- mettre en service ;
- évaluer.
- Ressources
La composante clé 'ressources' comprend tout ce qui est nécessaire pour améliorer l'efficacité des systèmes techniques, les mettre au point et comprendre leur fonctionnement. Sont entre autres visés : les matériaux et les matières premières, l'énergie, les machines et les outils, les instruments de mesure, les ressources humaines, le capital, le temps, ...
- Choix
Les choix dépendent des critères auxquels doivent satisfaire les systèmes techniques. Ces critères peuvent être déterminés par la société ou à partir de la technique. Des critères peuvent devenir des normes et des normes peuvent devenir des lois.
ONTWIKKELINGSDOELEN MENS EN MAATSCHAPPIJ
1. Mens
Ik en mezelf
De kleuters
1.1. kunnen bij zichzelf onderkennen wanneer zij bang, blij, boos of verdrietig zijn en kunnen dit op een eenvoudige wijze uitdrukken.
1.2. kunnen in een eenvoudige taal een recent gebeurde situatie waarbij zij betrokken waren in dialoog met een volwassene, beschrijven en vertellen hoe zij zich daarbij voelden.
1.3. tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.
Ik en de ander
De kleuters
1.4. kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen en erover praten.
1.5. kunnen bij anderen gevoelens van bang, blij, boos en verdrietig zijn herkennen en kunnen meeleven in dit gevoel.
1.6. weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend kunnen op reageren.
1.7. kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen.
1.8. kunnen voor zichzelf opkomen door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn.
Ik en de anderen: in groep
De kleuters
1.9. kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep.
1.10. kunnen in concrete situaties met de hulp van een volwassene afspraken maken.
1.11. kunnen bij een activiteit of een spel in een kleine groep, controleren of de anderen zich aan de regels houden.
2. Maatschappij
Sociaal-economische verschijnselen
De kleuters
2.1. kunnen beroepen en bezigheden van volwassenen die ze kennen op een eenvoudige wijze beschrijven.
2.2. kunnen in een concrete situatie het onderscheid maken tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen.
Sociaal-culturele verschijnselen
De kleuters
2.3. kunnen verschillende gezinsvormen herkennen.
2.4. herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen.
2.5. beseffen dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur.
Politieke en juridische verschijnselen
De kleuters
2.6. kunnen met concrete voorbeelden illustreren dat mensen die samenleven, zich organiseren via regels waaraan iedereen zich moet houden.
2.7. weten dat er mensen zijn die waken over het naleven van regels in elke samenleving.
2.8. kunnen een onderscheid maken tussen geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten.
3. Tijd
De kleuters
3.1. - begrijpen dat "gisteren" voorbij is en dat "morgen" nog moet komen
- kunnen de begrippen vandaag, dag, nacht in hun juiste betekenis gebruiken
3.2. kunnen een beperkt aantal vaste gebeurtenissen in het verloop van hun dag in een juiste volgorde aangeven.
3.3. tonen tijdsbesef aan de hand van het functioneel gebruik van verschillende soorten kalenders.
3.4. kunnen een eenvoudig visueel voorgesteld plan zelfstandig uitvoeren.
3.5. kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.
3.6. kunnen in de tijd vooruitzien door minstens twee activiteiten na elkaar te plannen.
4. Ruimte
Ruimtelijke oriëntatie
De kleuters
4.1. kunnen een menselijke figuur tekenen met de belangrijkste lichaamsdelen (het hoofd, de romp, de benen, de armen, de oren, de ogen, de neus en de mond) op de juiste plaats.
4.2. kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt.
4.3. vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving.
4.4. kunnen aan een bekende volwassene hun naam en de gemeente waar ze wonen zeggen.
4.5. kennen de betekenis van volgende pictogrammen:
* de pijl
* de uitgang
* het toilet
4.6. kunnen voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen herkennen.
Ruimtebeleving
De kleuters
4.7. kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel.
4.8. kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte.
Ruimtelijke ordening
De kleuters
4.9. kunnen verschillen in landschappen en omgevingen, door mensen ingericht, verwoorden.
Verkeer - mobiliteit
De kleuters
4.10. herkennen in hun omgeving plaatsen waar ze veilig kunnen spelen en waar niet.
4.11. beseffen dat het verkeer risico's inhoudt.
4.12. kunnen onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen.
OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT L'HOMME ET LA SOCIETE
1. L'homme
Moi et moi-même
Les jeunes enfants
1.1. peuvent reconnaître chez eux-mêmes quand ils ont peur, sont joyeux, fâchés ou tristes et peuvent exprimer ces sentiments d'une manière simple.
1.2. peuvent décrire, dans un langage simple, une situation récente à laquelle ils étaient confrontés en dialogue avec un adulte et raconter comment ils se sentaient à cette occasion.
1.3. montrent dans des situations concrètes suffisamment de confiance en leurs propres possibilités.
Moi et l'autre
Les jeunes enfants
1.4. peuvent dans des situations concrètes reconnaître différentes manières d'interagir et d'en parler.
1.5. peuvent reconnaître chez les autres des sentiments de peur, de joie, de colère et de tristesse et peuvent partager ces sentiments.
1.6. savent que les gens peuvent éprouver une seule situation d'une manière différente et y réagir différemment.
1.7. sont capables de se montrer sensibles aux besoins des autres.
1.8. sont capables de s'affirmer dans les relations avec les autres en émettant des signaux qui sont compréhensibles et acceptables pour les autres.
Moi et les autres : en groupe
Les jeunes enfants
1.9. connaissent et comprennent les usages, les règles de vie et les conventions qui sont importants pour la coexistence en groupe.
1.10. peuvent prendre des engagements avec l'aide d'un adulte dans des situations concrètes.
1.11. peuvent vérifier, lors d'une activité ou d'un jeu au sein d'un petit groupe, si les autres respectent les règles.
2. Société
Phénomènes socioéconomiques
Les jeunes enfants
2.1. peuvent décrire d'une manière simple les professions et occupations d'adultes qu'ils connaissent.
2.2. peuvent, dans une situation concrète, faire la distinction entre donner, recevoir, échanger, prêter, acheter et vendre.
Phénomènes socioculturels
Les jeunes enfants
2.3. peuvent reconnaître différentes formes de famille.
2.4. peuvent reconnaître des formes de réaction de rejet ou d'appréciation à l'égard de l'altérité des gens.
2.5. se rendent compte que certaines personnes ont un autre mode de vie qu'eux-mêmes, s'ils sont confrontés aux images, à l'information ou aux personnes issues d'une culture différente.
Phénomènes politiques et juridiques
Les jeunes enfants
2.6. peuvent illustrer à l'aide d'exemples concrets que pour la vie en collectivité les gens s'organisent autour de règles que chacun est tenu de respecter.
2.7. savent qu'il y a des gens qui veillent au respect des règles dans chaque société.
2.8. peuvent faire la distinction entre des solutions non violentes et violentes pour régler des conflits.
3. Temps
Les jeunes enfants
3.1. - comprennent qu'" hier " se trouve dans le passé et que " demain " doit encore venir.
- peuvent utiliser dans leur signification exacte les concepts aujourd'hui, jour, nuit.
3.2. peuvent mentionner, dans l'ordre exact, un nombre limité d'événements fixes dans le courant de leur journée.
3.3. font preuve de notion de temps par l'utilisation fonctionnelle de différents types de calendriers.
3.4. peuvent exécuter de manière autonome un plan simple proposé visuellement.
3.5. peuvent regarder en arrière sur au moins deux activités passées en les reclassant et en les formulant en paroles dans leur ordre chronologique.
3.6. peuvent s'orienter vers l'avenir et planifier au moins deux activités successives.
4. Espace
Orientation dans l'espace
Les jeunes enfants
4.1. peuvent dessiner une figure humaine avec les parties du corps les plus importantes (la tête, le tronc, les jambes, les bras, les oreilles, les yeux, le nez et la bouche) à leur place exacte.
4.2. peuvent estimer combien d'espace leur propre corps occupe.
4.3. trouvent de manière autonome leur chemin dans un environnement familier.
4.4. peuvent dire à un adulte connu leur nom et la commune où ils habitent.
4.5. connaissent la signification des pictogrammes suivants :
* la flèche
* la sortie
* les toilettes
4.6. peuvent reconnaître des représentations de lieux et d'objets familiers.
Expérience de l'espace
Les jeunes enfants
4.7. peuvent aménager un espace en fonction de leur jeu.
4.8. peuvent, moyennant indications, mettre de l'ordre dans un espace limité.
Aménagement de l'espace
Les jeunes enfants
4.9. peuvent décrire des différences dans les paysages et les environnements aménagés par les hommes.
Circulation - mobilité
Les jeunes enfants
4.10. reconnaissent dans leur environnement les endroits où ils peuvent jouer en toute sécurité et les endroits où ce n'est pas le cas.
4.11. sont conscients que la circulation implique des risques.
4.12. peuvent, avec accompagnement, appliquer les règles élémentaires de la circulation.
Art. N2. BIJLAGE 2. - Eindtermen als vermeld in artikel 2, 2°
Art. N2. ANNEXE 2. - Objectifs finaux tels que visés à l'article 2, 2°
EINDTERMEN WETENSCHAPPEN EN TECHNIEK
1. Natuur
Algemene vaardigheden
De leerlingen
1.1. kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren;
1.2. kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.
Levende en niet-levende natuur
De leerlingen
1.3. kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden;
1.4. kennen in hun omgeving twee verschillende biotopen en kunnen er enkele veel voorkomende organismen in herkennen en benoemen;
1.5. kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving;
1.6. kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van organismen beïnvloedt;
1.7. kunnen de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van minstens twee met elkaar verbonden voedselketens;
1.8. kunnen de functie van belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering en bloedsomloop in het menselijk lichaam verwoorden op een eenvoudige wijze;
1.9. kunnen de functie van de zintuigen, het skelet en de spieren op een eenvoudige wijze verwoorden;
1.10. kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling;
1.11. kunnen de weerselementen op een bepaald moment en over een beperkte periode, meten, vergelijken en die weersituatie beschrijven;
1.12. kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven;
1.13. kunnen tonen hoe de aarde om de eigen as draait, welk gevolg dit heeft voor het dag- en nachtritme in de eigen omgeving en hoe de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen;
1.14. kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen;
1.15. kunnen illustreren dat een stof van toestand kan veranderen;
1.16. kunnen met enkele voorbeelden aantonen dat energie nodig is voor het functioneren van levende en niet-levende systemen en kunnen daarvan de energiebronnen benoemen.
Gezondheid
De leerlingen
1.17. kunnen gezonde en ongezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam;
1.18. weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden;
1.19. beseffen dat het nemen van voorzorgen de kans op ziekten en ongevallen vermindert;
1.20. kunnen de hulp inroepen van een volwassene in een noodsituatie;
1.21. kunnen elementaire hulp toedienen bij brandwonden.
Milieu
De leerlingen
1.22. kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren;
1.23.* tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water;
1.24. kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu;
1.25. kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen;
1.26.* tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.
2. Techniek
Kerncomponenten van techniek
De leerlingen
2.1. kunnen van technische systemen uit hun omgeving zeggen uit welke materialen of grondstoffen ze gemaakt zijn;
2.2. kunnen specifieke functies van onderdelen bij eenvoudige technische systemen onderzoeken door middel van hanteren, monteren of demonteren;
2.3. kunnen onderzoeken hoe het komt dat een zelf gebruikt technisch systeem niet of slecht functioneert;
2.4. kunnen illustreren dat sommige technische systemen moeten worden onderhouden;
2.5. kunnen illustreren dat technische systemen evolueren en verbeteren;
2.6. kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen;
2.7. kunnen in concrete ervaringen stappen van het technisch proces herkennen (het probleem stellen, oplossingen ontwikkelen, maken, in gebruik nemen, evalueren);
2.8. kunnen technische systemen, het technisch proces, hulpmiddelen en keuzen herkennen binnen verschillende toepassingsgebieden van techniek.
Techniek als menselijke activiteit
De leerlingen
2.9. kunnen een probleem, ontstaan vanuit een behoefte, technisch oplossen door verschillende stappen van het technisch proces te doorlopen;
2.10. kunnen bepalen aan welke vereisten het technisch systeem dat ze willen gebruiken of realiseren, moet voldoen;
2.11. kunnen ideeën genereren voor een ontwerp van een technisch systeem;
2.12. kunnen keuzen maken bij het gebruiken of realiseren van een technisch systeem, rekening houdend met de behoefte, met de vereisten en met de beschikbare hulpmiddelen;
2.13. kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren;
2.14. kunnen werkwijzen en technische systemen vergelijken en over beide een oordeel formuleren aan de hand van criteria;
2.15. kunnen technische systemen in verschillende toepassingsgebieden van techniek gebruiken en/of realiseren.
De leerlingen zijn bereid
2.16.* hygiënisch, nauwkeurig, veilig en zorgzaam te werken.
Techniek en samenleving
De leerlingen
2.17. kunnen illustreren dat techniek en samenleving elkaar beïnvloeden;
2.18. kunnen aan de hand van voorbeelden uit verschillende toepassingsgebieden van techniek illustreren dat technische systemen nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn voor henzelf, voor anderen of voor natuur en milieu.
Voor het realiseren van bovenstaande eindtermen gelden volgende begripsomschrijvingen.
Kerncomponenten van techniek
De vier kerncomponenten van techniek zijn: technisch systeem, technisch proces, hulpmiddelen en keuzen.
- Technisch systeem
Een technisch systeem is een geheel van elkaar wederzijds beïnvloedende elementen en onderdelen die gericht zijn op het bereiken van (een) bepaald(e) doel(en).
In een technisch systeem kunnen zich natuurkundige, scheikundige of biologische fenomenen voordoen.
De term technisch systeem kan betrekking hebben op het systeemaspect alleen of op alle aspecten (de 4 kerncomponenten) van het technisch object. De gekozen toepassing van de eindterm bepaalt welke van de twee benaderingen aangewezen is.
- Technisch proces
Een proces kent een geleidelijk verloop van een reeks acties om een technisch systeem in te zetten, te ontwikkelen of te verbeteren.
Kenmerkend voor techniek is het technisch proces.
Het technisch proces vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen:
- probleem stellen;
- ontwerpen;
- maken;
- in gebruik nemen;
- evalueren.
- Hulpmiddelen
De kerncomponent `hulpmiddelen' omvat alles wat nodig is om technische systemen efficiënter te laten functioneren, te verwezenlijken en hun werking te doorgronden. Daarmee worden onder andere bedoeld: materialen en grondstoffen, energie, machines en gereedschappen, meetinstrumenten, mensen, kapitaal, tijd, ...
- Keuzen
Keuzen zijn afhankelijk van criteria waaraan technische systemen moeten voldoen. Die criteria kunnen door de maatschappij of vanuit de techniek worden bepaald. Criteria kunnen norm worden en normen kunnen wet worden.
OBJECTIFS FINAUX SCIENCES ET TECHNIQUE
1. Nature
Aptitudes générales
Les élèves
1.1. sont en mesure d'observer, de façon ciblée, avec tous les sens et de noter des observations d'une manière systématique ;
1.2. peuvent confronter, avec accompagnement, au moins un phénomène naturel observé à une hypothèse par le biais d'une simple vérification expérimentale.
La nature vivante et non vivante
Les élèves
1.3. peuvent découvrir dans une collection limitée d'organismes et de matériaux courants, les ressemblances et les différences et, sur la base d'au moins un critère, apporter et justifier leur propre classification ;
1.4. connaissent dans leur environnement deux différents biotopes et peuvent reconnaître et nommer quelques organismes que l'on rencontre fréquemment ;
1.5. peuvent identifier des caractéristiques chez des organismes démontrant que ceux-ci sont adaptés à leur environnement ;
1.6. sont en mesure d'illustrer que l'homme influence la présence d'organismes ;
1.7. peuvent illustrer la loi " manger et être mangé " à l'aide d'au moins deux chaînes alimentaires interconnectées ;
1.8. sont en mesure d'expliquer de manière simple la fonction d'organes importants qui sont impliqués dans la respiration, la digestion et la circulation sanguine du corps humain ;
1.9. peuvent illustrer d'une manière simple la fonction des sens, du squelette et des muscles ;
1.10. peuvent reconnaître des changements physiques qu'ils perçoivent chez eux-mêmes et chez leurs compagnons d'âge comme des aspects normaux dans leur développement ;
1.11. peuvent mesurer et comparer les éléments atmosphériques à un moment déterminé et pendant une période limitée et décrire cette situation atmosphérique ;
1.12. sont capables d'illustrer le rapport entre les habitudes de vie des gens et le climat dans lequel ils vivent ;
1.13. peuvent montrer comment la terre tourne sur elle-même, quelle en est la conséquence pour le rythme jour/nuit dans le propre environnement et comment la terre, le soleil et la lune se meuvent l'un vis-à-vis de l'autre ;
1.14. peuvent démontrer quelques caractéristiques de matériaux courants de leur propre environnement ;
1.15. sont en mesure d'illustrer qu'une substance peut changer d'état ;
1.16. peuvent démontrer au moyen de quelques exemples qu'il faut de l'énergie pour faire fonctionner des systèmes vivants et non vivants et peuvent en nommer les sources d'énergie.
Santé
Les élèves
1.17. peuvent mettre les saines et malsaines habitudes en rapport avec ce qu'ils savent du fonctionnement du propre corps ;
1.18. savent que certains symptômes de maladie ou handicaps ne peuvent pas toujours être évités ;
1.19. se rendent compte que la prise de précautions réduit les risques de maladies et d'accidents ;
1.20. peuvent demander l'aide d'un adulte dans une situation d'urgence ;
1.21. peuvent administrer les premiers secours en cas de brûlures.
Environnement
Les élèves
1.22. sont en mesure de donner de manière autonome les soins de base aux animaux et plantes de leur environnement ;
1.23.* se montrent, dans leur comportement, disposés à utiliser rationnellement les déchets, l'énergie, le papier, les aliments et l'eau en classe et à l'école ;
1.24. peuvent illustrer par des exemples concrets provenant de leur propre environnement comment les gens se comportent de manière négative mais également positive vis-à-vis de l'environnement ;
1.25. peuvent illustrer par des exemples de leur environnement que bien souvent, des intérêts contradictoires se trouvent à la base de problèmes environnementaux ;
1.26.* se montrent respectueux de la nature, parce qu'ils se rendent compte que l'homme dépend des ressources naturelles pour combler ses besoins.
2. Technique
Composantes clés de la technique
Les élèves
2.1. peuvent dire de systèmes techniques de leur environnement à partir de quels matériaux et matières premières ceux-ci sont fabriqués ;
2.2. peuvent examiner des fonctions spécifiques de pièces de simples systèmes techniques par la manipulation, le montage ou le démontage ;
2.3. sont capables d'examiner la raison pour laquelle un système technique qu'ils utilisent fonctionne mal ou ne fonctionne pas du tout ;
2.4. peuvent illustrer que certains systèmes techniques doivent être entretenus ;
2.5. peuvent illustrer que les systèmes techniques évoluent et s'améliorent ;
2.6. peuvent illustrer comment les systèmes techniques sont entre autres basés sur les connaissances des caractéristiques de matériaux ou de phénomènes naturels ;
2.7. peuvent reconnaître par des expériences concrètes les étapes du processus technique (poser le problème, concevoir, produire, mettre en service et évaluer des solutions) ;
2.8. peuvent reconnaître des systèmes techniques, le processus technique, des ressources et des choix dans différents champs d'application de la technique.
La technique comme activité humaine
Les élèves
2.9. peuvent résoudre d'une manière technique un problème né d'un besoin en parcourant différentes étapes du processus technique ;
2.10. peuvent définir les conditions auxquelles doit répondre le système technique qu'ils entendent utiliser ou réaliser ;
2.11. peuvent générer des idées pour la conception d'un système technique ;
2.12. peuvent opérer des choix lors de l'utilisation ou la réalisation d'un système technique, compte tenu du besoin, des exigences et des ressources disponibles ;
2.13. peuvent exécuter progressivement une épure ou une note explicative simple ;
2.14. peuvent comparer des procédés et des systèmes techniques et formuler un jugement sur les deux au moyen de critères ;
2.15. peuvent utiliser et/ou réaliser des systèmes techniques dans différents champs d'application de la technique.
Les élèves sont disposés
2.16.* à travailler de manière hygiénique, avec précision et en toute sécurité.
Technique et société
Les élèves
2.17. peuvent illustrer que la technique et la société s'influencent réciproquement ;
2.18. peuvent illustrer, à l'aide d'exemples de différents champs d'application de la technique, que des systèmes techniques peuvent être utiles, dangereux et/ou nuisibles pour eux-mêmes, les autres ou pour la nature et l'environnement.
Pour la réalisation des objectifs finaux précités, les définitions suivantes sont applicables.
Composantes clés de la technique
Les quatre composantes clés de la technique sont le système technique, le processus technique, les ressources et les choix.
- Système technique
Un système technique est un ensemble d'éléments et de parties qui s'influencent mutuellement et qui visent à atteindre (un) certain(s) but(s).
Dans un système technique, des phénomènes physiques, chimiques ou biologiques peuvent se produire.
Le terme système technique peut porter sur un seul aspect du système ou sur tous les aspects (les 4 composantes clés) d'un objet technique. L'application choisie de l'objectif final définit quelle des deux approches est indiquée.
- Processus technique
Un processus est caractérisé par le déroulement progressif d'une série d'actions pour mettre en oeuvre, développer ou améliorer un système technique.
La technique est caractérisée par le processus technique.
Le processus technique part d'un besoin et se déroule en 5 étapes :
- poser le problème ;
- concevoir ;
- produire ;
- mettre en service ;
- évaluer.
- Ressources
La composante clé 'ressources' comprend tout ce qui est nécessaire pour améliorer l'efficacité des systèmes techniques, les mettre au point et comprendre leur fonctionnement. Sont entre autres visés : les matériaux et les matières premières, l'énergie, les machines et les outils, les instruments de mesure, les ressources humaines, le capital, le temps, ...
- Choix
Les choix dépendent des critères auxquels doivent satisfaire les systèmes techniques. Ces critères peuvent être déterminés par la société ou à partir de la technique. Des critères peuvent devenir normes et des normes peuvent devenir lois.
EINDTERMEN MENS EN MAATSCHAPPIJ
1. Mens
Ik en mezelf
De leerlingen
1.1.* drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit.
1.2. kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn.
1.3.* tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen.
Ik en de ander
De leerlingen
1.4. kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen.
1.5.* tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn.
1.6.* tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing.
Ik en de anderen: in groep
De leerlingen
1.7.* hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.
2. Maatschappij
Sociaal-economische verschijnselen
De leerlingen
2.1. kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.
2.2. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.
2.3. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.
2.4. kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.
2.5.* beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.
2.6.* tonen zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren.
Sociaal-culturele verschijnselen
De leerlingen
2.7.* kunnen er in hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf.
2.8. kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.
2.9. kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.
2.10. weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.
2.11. kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.
2.12. zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.
Politieke en juridische verschijnselen
De leerlingen
2.13. kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn.
2.14. kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.
2.15. kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.
2.16. weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.
2.17. kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).
3. Tijd
Dagelijkse tijd
De leerlingen
3.1. kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten.
3.2. kunnen een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
3.3. kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
3.4. kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
Historische tijd
De leerlingen
3.5. kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden.
3.6. kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug.
3.7. kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdsband.
3.8. kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
3.9.* tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.
Algemene vaardigheden tijd
De leerlingen
3.10.* beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.
4. Ruimte
Oriëntatie- en kaartvaardigheid
De leerlingen
4.1. kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
4.2. kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.
4.3. kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen, de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.
4.4. kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.
4.5. kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken.
4.6. hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen.
Ruimtebeleving
De leerlingen
4.7. kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde en absolute afstand illustreren.
4.8. kunnen suggesties geven voor het inrichten van hun eigen omgeving.
Ruimtelijke ordening/bepaaldheid
De leerlingen
4.9. kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden.
4.10. kunnen hun eigen streek en twee andere streken in België situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen.
4.11. kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven.
Algemene vaardigheden ruimte
De leerlingen
4.12. kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet.
4.13. kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.
Verkeer en mobiliteit
De leerlingen
4.14. kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren.
4.15. beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.
4.16.* tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.
4.17. kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en
4.18. kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.
5. Brongebruik
5.1. De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.
OBJECTIFS FINAUX L'HOMME ET LA SOCIETE
1. L'homme
Moi et moi-même
Les élèves
1.1.* expriment de façon spontanée dans une situation non conflictuelle, leurs propres impressions, sentiments, désirs, pensées et appréciations.
1.2. peuvent décrire ce qu'ils ressentent et font dans une situation concrète et peuvent illustrer que tant leur comportement que leurs sentiments sont liés au contexte.
1.3.* montrent dans des situations concrètes une confiance en soi suffisante, basée sur la connaissance de leurs propres possibilités.
Moi et l'autre
Les élèves
1.4. peuvent dans des situations concrètes reconnaître différentes manières d'interagir, d'en parler et d'indiquer que celles-ci s'influencent.
1.5.* se montrent prêts à s'exercer dans les modes de fréquentation avec d'autres où ils sont moins forts.
1.6.* montrent qu'ils sont disposés à rechercher une solution non violente lors d'une situation conflictuelle simple dans leurs relations avec leurs compagnons d'âge.
Moi et les autres : en groupe
Les élèves
1.7.* sont attentifs aux règles implicites qui caractérisent les interactions à l'intérieur d'un groupe et sont disposés à en tenir compte.
2. Société
Phénomènes socioéconomiques
Les élèves
2.1. peuvent illustrer que différentes formes de travail sont différemment accessibles aux hommes et aux femmes et que ces formes sont appréciées différemment.
2.2. peuvent illustrer à l'aide d'un exemple choisi par eux-mêmes comment le prix d'un produit est calculé.
2.3. peuvent indiquer à l'aide d'un exemple choisi par eux-mêmes l'utilité et l'importance d'un équipement collectif fourni par les autorités.
2.4. peuvent illustrer que la prospérité est inéquitablement répartie dans les différents pays étrangers ainsi qu'en Belgique.
2.5.* se rendent compte que leur comportement est influencé par la publicité et les médias.
2.6.* se montrent prêts à examiner et évaluer des formes actives et passives de loisirs.
Phénomènes socioculturels
Les élèves
2.7.* peuvent, lors de la fréquentation de leurs compagnons d'âge, tenir compte, de manière discrète, du fait que tous les enfants ne vivent pas dans le même type de famille qu'eux-mêmes.
2.8. peuvent illustrer que différents groupes sociaux et culturels ne partagent pas les mêmes valeurs et normes.
2.9. peuvent donner des exemples des possibilités de soins et d'accueil que notre société offre aux personnes âgées et personnes handicapées.
2.10. savent qu'ils doivent être attentifs aux besoins et aux attentes des personnes handicapées dans leurs contacts avec ces personnes.
2.11. peuvent illustrer que la migration de travailleurs et le problème des réfugiés ont joué un rôle dans le développement de notre société multiculturelle.
2.12. se rendent compte que le racisme est souvent basé sur l'ignorance et la crainte de l'inconnu.
Phénomènes politiques et juridiques
Les élèves
2.13. peuvent illustrer l'importance des Droits fondamentaux de l'Homme et des Droits de l'Enfant. Ils se rendent compte que droits et devoirs sont complémentaires.
2.14. peuvent expliquer d'une manière simple que les élections sont un élément de base du fonctionnement démocratique de nos institutions.
2.15. peuvent illustrer de quelle manière les organisations internationales aspirent à promouvoir le bien-être et/ou la paix dans le monde.
2.16. savent que la Flandre est une des communautés de la Belgique fédérale et que la Belgique fait partie de l'Union européenne. Ils savent en outre que chaque entité a sa propre administration où des décisions sont prises.
2.17. connaissent les symboles reconnus de la Communauté flamande (notamment jour de fête, armoiries, drapeau, hymne et mémorial).
3. Temps
Temps quotidien
Les élèves
3.1. peuvent estimer de manière réaliste combien de temps il leur faut pour accomplir une activité connue.
3.2. peuvent utiliser un calendrier pour situer dans le temps des événements particuliers de leur propre vie et pour déterminer correctement le temps écoulé entre ces événements.
3.3. peuvent préparer, en groupe restreint, une répartition des tâches et une planification dans le temps d'une tâche bien définie.
3.4. peuvent interpréter correctement des indications de temps sur des invitations, ainsi que des horaires d'ouverture et de fermeture.
Temps historique
Les élèves
3.5. peuvent classer de manière chronologique d'importants événements ou d'importantes expériences de leur propre vie et les répartir en périodes. Ils peuvent établir, à cet effet, leurs propres critères de classification.
3.6. peuvent faire état de leur descendance en remontant jusqu'à deux générations.
3.7. connaissent les grandes époques de l'histoire et peuvent situer des éléments historiques clairs dans leur environnement et des figures et événements historiques importants dont ils prennent connaissance dans l'époque correcte, à l'aide d'une ligne du temps.
3.8. peuvent illustrer, à l'aide d'un exemple, qu'une situation actuelle qui est reconnaissable pour enfants et qui a été influencée par l'histoire, était différente auparavant et évolue au fil du temps.
3.9.* montrent de l'intérêt pour le passé, le présent et l'avenir, ici et ailleurs.
Aptitudes générales : temps
Les élèves
3.10.* sont conscients qu'il y a une distinction entre une opinion sur un fait historique et le fait lui-même.
4. Espace
Aptitude à l'orientation et à lire une carte
Les élèves
4.1. peuvent décrire l'un à l'autre un chemin à suivre entre deux endroits dans la propre commune ou ville. Ils peuvent également indiquer ce trajet sur un plan.
4.2. peuvent calculer et décrire la distance entre deux endroits en Flandre, à l'aide d'une carte routière.
4.3. peuvent chercher et indiquer dans une situation d'application pratique sur une carte appropriée et sur le globe l'équateur, les pôles, les océans, les pays de l'Union européenne et les continents.
4.4. peuvent déterminer, lors d'une orientation dans la réalité, les points cardinaux (directions principales et intermédiaires) grâce à la position du soleil ou grâce à une boussole.
4.5. peuvent utiliser dans le contexte exact des notions telles que quartier, hameau, village, ancienne commune, commune fusionnée, ville, province, communauté, pays et continent.
4.6. peuvent se représenter la carte de la Flandre et de Belgique, de manière qu'ils puissent indiquer dans une situation d'application pratique les communautés, les provinces et les chefs-lieux des provinces.
Expérience de l'espace
Les élèves
4.7. peuvent illustrer, à l'aide d'un exemple concret, la différence entre distance vécue et distance absolue.
4.8. peuvent faire des suggestions pour aménager leur propre environnement.
Aménagement de l'espace/Précision
Les élèves
4.9. peuvent reconnaître et distinguer dans la réalité sur une carte appropriée des environnements rural, urbain, touristique et industriel.
4.10. peuvent situer leur propre région et deux autres régions de Belgique sur une carte et décrire la relation entre l'environnement et les aspects de la vie quotidienne des gens.
4.11. peuvent comparer à leur propre vie des aspects de la vie quotidienne dans un pays d'une autre culture.
Aptitudes générales : espace
Les élèves
4.12. peuvent observer, de façon ciblée, un paysage et ils peuvent examiner de manière simple pourquoi il a cet aspect.
4.13. peuvent consulter un atlas et utiliser quelques types de cartes en ayant recours à la légende, à la direction des vents et à l'échelle.
Circulation et mobilité
Les élèves
4.14. peuvent localiser les situations de trafic dangereuses dans les environs de l'école (au sens large).
4.15. disposent d'une rapidité de réaction suffisante, d'un maintien de leur équilibre et d'un sens de la coordination, et connaissent les règles de circulation applicables aux cyclistes et aux piétons, afin de pouvoir se déplacer de manière autonome et en sécurité le long d'une route qui leur est familière.
4.16.* se montrent dans leur comportement prêts à tenir compte d'autres usagers de la route.
4.17. connaissent les conséquences principales de l'utilisation croissante de voitures et peuvent comparer les avantages et désavantages d'alternatives possibles.
4.18. peuvent planifier un itinéraire simple en transports en commun.
5. Utilisation des sources d'information
5.1. Les élèves peuvent consulter à leur niveau différentes sources d'information.