Artikel 1. [1 In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 24 oktober 2014: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
2° daadwerkelijke en langdurige zeggenschap: beslissingen nemen op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico's, alleen of samen met andere landbouwers [2 ...]2;
3° GBCS: het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat de bevoegde entiteit beheert conform de regels, vermeld in titel V, hoofdstuk 2, van verordening (EU) nr. 1306/2013, titel II van verordening (EU) nr. 640/2014 en titel II van verordening (EU) nr. 809/2014;
4° jonge zaakvoerder: een natuurlijk persoon die binnen een rechtspersoon of groepering voldoet aan alle voorwaarden van jonge landbouwer, vermeld in artikel 50 van verordening (EU) nr. 1307/2013;
5° verklaring van daadwerkelijke en langdurige zeggenschap: een verklaring waarin namens de aanvrager wordt bevestigd dat de zaakvoerder die voldoet aan alle overige voorwaarden om een aanvraag te kunnen indienen om betalingsrechten te ontvangen uit de reserve of om de jonge landbouwerbetaling te krijgen, daadwerkelijke en langdurige zeggenschap over de rechtspersoon of groepering heeft.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 JANUARI 2015. - Ministerieel besluit houdende uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voor wat de rechtstreekse betalingen betreft (NOTA: Opgeheven voor het Vlaams Gewest bij <BVR2024-01-26/31, art. 139, 4°, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2024>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-02-2015 en tekstbijwerking tot 13-03-2024)
Titre
23 JANVIER 2015. - Arrêté ministériel portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, pour ce qui concerne les paiements directs (NOTE Abrogé pour la Région Flamande par <AGF2024-01-26/31, art. 139, 4°, 007; En vigueur : 01-01-2024>) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-02-2015 et mise à jour au 13-03-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Rechtstreekse betalingen en beta...
Afdeling 1. - Basisbetaling
Onderafdeling 1. - Subsidiabiliteit
Onderafdeling 2. - Teelttoestemming voor de tee...
Onderafdeling 3. - Activering, aangifte en over...
Afdeling 2. - Reserve
Afdeling 3. - Betaling voor jonge landbouwers
Afdeling 4. [1 - Vakbekwaamheid en eerste vesti...
HOOFDSTUK 3. - Randvoorwaarden: voorkomen van d...
HOOFDSTUK 4. - slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Paiements directs et système de d...
Section 1re. - Paiement de base
Sous-section 1re. - Subventionnalité
Sous-section 2. - Autorisation pour la culture ...
Sous-section 3. - Activation, déclaration et tr...
Section 2. - Réserve
Section 3. - Paiement pour jeunes agriculteurs
Section 4. [1 - Aptitude professionnelle et p...
CHAPITRE 3. - Conditionnalité : éviter l'expans...
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (43)
Texte (43)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. [1 Aux fins du présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du 24 octobre 2014 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune ;
2° contrôle effectif et à long terme : la prise de décisions, individuellement ou ensemble avec d'autres agriculteurs, dans le domaine de la gestion, des avantages et des risques financiers [2 ...]2 ;
3° SIGC : le système intégré de gestion et de contrôle géré par l'entité compétente conformément aux règles, visées au titre V, chapitre 2, du règlement (UE) n° 1306/2013, titre II du règlement (UE) n° 640/2014 et au titre II du règlement (UE) n° 809/2014 ;
4° jeune gérant : une personne physique au sein d'une personne morale ou d'un groupement qui remplit toutes les conditions de jeune agriculteur figurant à l'article 50 du règlement (UE) n° 1307/2013 ;
5° déclaration de contrôle effectif et à long terme : une déclaration par laquelle le demandeur atteste que le gérant, qui satisfait à toutes les autres conditions pour présenter une demande de droits au paiement à partir de la réserve ou pour percevoir le paiement de jeune agriculteur, a le contrôle effectif et à long terme sur la personne morale ou le groupement.]1
1° arrêté du 24 octobre 2014 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune ;
2° contrôle effectif et à long terme : la prise de décisions, individuellement ou ensemble avec d'autres agriculteurs, dans le domaine de la gestion, des avantages et des risques financiers [2 ...]2 ;
3° SIGC : le système intégré de gestion et de contrôle géré par l'entité compétente conformément aux règles, visées au titre V, chapitre 2, du règlement (UE) n° 1306/2013, titre II du règlement (UE) n° 640/2014 et au titre II du règlement (UE) n° 809/2014 ;
4° jeune gérant : une personne physique au sein d'une personne morale ou d'un groupement qui remplit toutes les conditions de jeune agriculteur figurant à l'article 50 du règlement (UE) n° 1307/2013 ;
5° déclaration de contrôle effectif et à long terme : une déclaration par laquelle le demandeur atteste que le gérant, qui satisfait à toutes les autres conditions pour présenter une demande de droits au paiement à partir de la réserve ou pour percevoir le paiement de jeune agriculteur, a le contrôle effectif et à long terme sur la personne morale ou le groupement.]1
Art. 2. Onder overmacht en uitzonderlijke omstandigheden vallen in elk geval alle situaties, vermeld in artikel 2, lid 2, van verordening (EU) nr. 1306/2013.
Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan ook worden toegestaan als uit de bewijsstukken blijkt dat de landbouwer onterecht een aanzienlijk verlies lijdt door een situatie die hij niet kon voorzien op het ogenblik van de aanvraag.
De bevoegde entiteit beslist over het aanvaarden van de overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan ook worden toegestaan als uit de bewijsstukken blijkt dat de landbouwer onterecht een aanzienlijk verlies lijdt door een situatie die hij niet kon voorzien op het ogenblik van de aanvraag.
De bevoegde entiteit beslist over het aanvaarden van de overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
Art. 2. Par force majeure et conditions exceptionnelles on entend en tout cas toutes les situations, visées à l'article 2, alinéa 2, du Règlement (CE) n° 1306/2013.
La force majeure et des conditions exceptionnelles peuvent également être accordées lorsqu'il ressort des pièces justificatives que l'agriculteur subit une perte importante par une situation qu'il ne pouvait pas prévenir au moment de la demande.
L'entité compétente statue sur l'acceptation de la force majeure ou des conditions exceptionnelles.
La force majeure et des conditions exceptionnelles peuvent également être accordées lorsqu'il ressort des pièces justificatives que l'agriculteur subit une perte importante par une situation qu'il ne pouvait pas prévenir au moment de la demande.
L'entité compétente statue sur l'acceptation de la force majeure ou des conditions exceptionnelles.
Art. 3. Bij een overdracht van een bedrijf als vermeld in artikel 30 van het besluit van 24 oktober 2014, wordt de steun uitbetaald aan de landbouwer, hetzij de overlatende landbouwer, hetzij de overnemende landbouwer, die uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag voor het campagnejaar in kwestie als actieve landbouwer geïdentificeerd is in de identificatiedatabank van het GBCS en op de percelen van het bedrijf landbouwactiviteiten uitoefent.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
Art. 3. Lors d'un transfert d'une entreprise telle que visée à l'article 30 de l'arrêté du 24 octobre 2014, l'aide est payée à l'agriculteur, soit à l'agriculteur reprenant, soit à l'agriculteur remettant, qui est identifié, au plus tard à la date limite d'introduction de la demande unique pour l'année de campagne concernée comme agriculteur actif dans la base de données d'identification du SIGC et qui exerce des activités agricoles sur les parcelles de l'exploitation.
[1 ...]1.
[1 ...]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Rechtstreekse betalingen en betalingsrechtensysteem
CHAPITRE 2. - Paiements directs et système de droits au paiement
Afdeling 1. - Basisbetaling
Section 1re. - Paiement de base
Onderafdeling 1. - Subsidiabiliteit
Sous-section 1re. - Subventionnalité
Art. 4. Ter uitvoering van artikel 18 van het besluit van 24 oktober 2014 is de maximale omlooptijd voor hakhout met korte omlooptijd acht jaar. De boomsoorten die in aanmerking komen voor hakhout met korte omlooptijd zijn:
1° zwarte els;
2° fladderolm;
3° gladde olm;
4° hazelaar;
5° gewone esdoorn;
6° gewone es;
7° alle populieren- en wilgensoorten;
[1 8° zomerlinde;
9° winterlinde;
10° Amerikaanse eik;
11° zomereik;
12° wintereik;
13° lijsterbes;
14° haagbeuk;
15° ruwe berk;
16° boskers;
17° tamme kastanje;
18° paulownia;
19° robinia pseudoacacia;
20° eucalyptus.]1
1° zwarte els;
2° fladderolm;
3° gladde olm;
4° hazelaar;
5° gewone esdoorn;
6° gewone es;
7° alle populieren- en wilgensoorten;
[1 8° zomerlinde;
9° winterlinde;
10° Amerikaanse eik;
11° zomereik;
12° wintereik;
13° lijsterbes;
14° haagbeuk;
15° ruwe berk;
16° boskers;
17° tamme kastanje;
18° paulownia;
19° robinia pseudoacacia;
20° eucalyptus.]1
Art. 4. En exécution de l'article 18 de l'arrêté du 24 octobre 2014, la rotation maximale pour les taillis à courte rotation est de huit ans. Les espèces d'arbre éligibles au boisement pour les taillis à courte rotation sont :
1° aulne glutineux ;
2° orme lisse ;
3° orme champêtre ;
4° noisetier ;
5° érable sycomore ;
6° frêne commun ;
7° toutes les espèces de peupliers et de saules;
[1 8° tilleul à grandes feuilles ;
9° tilleul à petites feuilles ;
10° chêne rouge d'Amérique ;
11° chêne d'Europe ;
12° chêne rouvre ;
13° sorbier ;
14° charme ;
15° bouleau commun ;
16° merisier ;
17° châtaignier ;
18° paulownia ;
19° robinier faux-acacia ;
20° eucalyptus.]1
1° aulne glutineux ;
2° orme lisse ;
3° orme champêtre ;
4° noisetier ;
5° érable sycomore ;
6° frêne commun ;
7° toutes les espèces de peupliers et de saules;
[1 8° tilleul à grandes feuilles ;
9° tilleul à petites feuilles ;
10° chêne rouge d'Amérique ;
11° chêne d'Europe ;
12° chêne rouvre ;
13° sorbier ;
14° charme ;
15° bouleau commun ;
16° merisier ;
17° châtaignier ;
18° paulownia ;
19° robinier faux-acacia ;
20° eucalyptus.]1
Wijzigingen
Art. 5. Ter uitvoering van artikel 19 van het besluit van 24 oktober 2014 is de minimumgrootte van een perceel landbouwgrond dat aangegeven mag worden en waarvoor betalingsrechten aangevraagd [1 en geactiveerd]1 kunnen worden, 0,01 hectare.
Art. 5. En exécution de l'article 19 de l'arrêté du 24 octobre 2014 la superficie minimale d'une parcelle de terre agricole qui peut être déclarée et pour laquelle des droits au paiement peuvent être demandés [1 et activés]1, s'élève à 0,01 ha.
Wijzigingen
Art. 6. In het kader van de minimumactiviteit, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1°, en artikel 23, eerste lid, 1°, van het besluit van 24 oktober 2014, moeten gronden jaarlijks gemaaid zijn vóór 1 oktober van het campagnejaar in kwestie.
In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op natuurlijke graslanden waarop een beheerovereenkomst van toepassing is.
[1 In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op braakliggend land waarop vrijwillige maatregelen worden genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels.]1
In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op natuurlijke graslanden waarop een beheerovereenkomst van toepassing is.
[1 In afwijking van het eerste lid geldt een tweejaarlijkse maaiverplichting op braakliggend land waarop vrijwillige maatregelen worden genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels.]1
Art. 6. Dans le cadre de l'activité minimale, visée à l'article 22, alinéa premier, 1°, et l'article 23, alinéa premier, 1°, de l'arrêté du 24 octobre 2014, les terres doivent être fauchées annuellement avant le 1er octobre de l'année de campagne concernée.
Par dérogation au premier alinéa, une obligation de fauchage biennale s'applique aux pâturages naturels auxquels s'applique un contrat de gestion.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, une obligation de fauchage bisannuel s'applique sur les terres mises en jachère sur lesquelles des mesures volontaires sont prises en vue d'améliorer les avantages de biodiversité, telles que l'ensemencement de mélanges de fleurs sauvages.]1
Par dérogation au premier alinéa, une obligation de fauchage biennale s'applique aux pâturages naturels auxquels s'applique un contrat de gestion.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, une obligation de fauchage bisannuel s'applique sur les terres mises en jachère sur lesquelles des mesures volontaires sont prises en vue d'améliorer les avantages de biodiversité, telles que l'ensemencement de mélanges de fleurs sauvages.]1
Wijzigingen
Art. 7. Ter uitvoering van artikel 22, tweede lid, van het besluit van 24 oktober 2014, moet verbossing door houtachtige gewassen die hoger zijn dan anderhalve meter voorkomen worden door te maaien of door een andere geschikte beheersmaatregel toe te passen.
Art. 7. En exécution de l'article 22, alinéa deux, de l'arrêté du 24 octobre 2014, le boisement par des ligneux de plus d'un mètre et demi doit être prévenu par un fauchage ou une autre mesure de gestion appropriée.
Art. 8. Ter uitvoering van artikel 23, tweede lid, van het besluit van 24 oktober 2014, mogen in het kader van de minimumactiviteit, vermeld in artikel 23, eerste lid, 2°, van het voormelde besluit, alleen runderen, schapen, geiten en hertachtigen de gronden begrazen.
Art. 8. En exécution de l'article 23, alinéa deux, de l'arrêté du 24 octobre 2014, le pâturage des terres ne peut être effectué que par des bovins, des ovins et des cervidés dans le cadre de l'activité minimale, visée à l'article 23, alinéa premier, 2°, de l'arrêté précité.
Art. 9. Ter uitvoering van artikel 26, 1°, van het besluit van 24 oktober 2014, zijn de volgende gronden niet subsidiabel:
1° de gronden waarop volkstuinparken gelegen zijn;
2° de gronden die dienst doen als veiligheidszones en landingsbanen op luchthavens;
3° de begraasde bermen;
4° de begraasde parken;
5° de begraasde openbare plaatsen;
6° de grondstroken die langs waterlopen, wegen, bossen, serres en gebouwen liggen en die niet geschikt zijn voor landbouwactiviteiten vanwege hun onverenigbaarheid met de gangbare landbouw op basis van de historische achtergrond, de ligging of het gebruik ervan.
1° de gronden waarop volkstuinparken gelegen zijn;
2° de gronden die dienst doen als veiligheidszones en landingsbanen op luchthavens;
3° de begraasde bermen;
4° de begraasde parken;
5° de begraasde openbare plaatsen;
6° de grondstroken die langs waterlopen, wegen, bossen, serres en gebouwen liggen en die niet geschikt zijn voor landbouwactiviteiten vanwege hun onverenigbaarheid met de gangbare landbouw op basis van de historische achtergrond, de ligging of het gebruik ervan.
Art. 9. En exécution de l'article 26, 1°, de l'arrêté du 24 octobre 2014, les terres suivantes ne sont pas subventionnables :
1° les terres auxquelles sont situées des parcs de jardins ouvriers ;
2° les terrains qui servent de zones de sécurité et de pistes d'atterrissage aux aéroports ;
3° les accotements pâturés ;
4° les parcs pâturés ;
5° les lieux publics pâturés ;
6° les bandes de terre situées le long de cours d'eau, de routes, de bois, de serres et de bâtiments et étant impropres aux activités agricoles, en raison de l'incompatibilité avec l'agriculture courante sur la base de leur contexte historique, de leur situation ou de leur utilisation.
1° les terres auxquelles sont situées des parcs de jardins ouvriers ;
2° les terrains qui servent de zones de sécurité et de pistes d'atterrissage aux aéroports ;
3° les accotements pâturés ;
4° les parcs pâturés ;
5° les lieux publics pâturés ;
6° les bandes de terre situées le long de cours d'eau, de routes, de bois, de serres et de bâtiments et étant impropres aux activités agricoles, en raison de l'incompatibilité avec l'agriculture courante sur la base de leur contexte historique, de leur situation ou de leur utilisation.
Art. 10. Ter uitvoering van artikel 26, 3°, van het besluit van 24 oktober 2014, maken de volgende landschapselementen deel uit van het subsidiabel areaal, op voorwaarde dat ze op gronden liggen die zelf subsidiabel zijn:
1° de poelen;
2° de houtkanten;
3° [1 ...]1;
4° de hagen of heggen;
5° de sloten met een breedte van minder of gelijk aan twee meter;
6° de geïsoleerde bomen;
7° de bomenrijen;
8° de groepen van bomen met een oppervlakte van minder of gelijk aan 0,01 hectare;
9° de hoogstamboomgaarden.
1° de poelen;
2° de houtkanten;
3° [1 ...]1;
4° de hagen of heggen;
5° de sloten met een breedte van minder of gelijk aan twee meter;
6° de geïsoleerde bomen;
7° de bomenrijen;
8° de groepen van bomen met een oppervlakte van minder of gelijk aan 0,01 hectare;
9° de hoogstamboomgaarden.
Art. 10. En exécution de l'article 26, 3°, de l'arrêté du 24 octobre, les éléments paysagers suivants font partie de la surface subventionnable à condition qu'ils se trouvent sur des terrains qui sont subventionnables eux-mêmes :
1° les mares ;
2° les bords boisés ;
3° [1 ...]1 ;
4° les haies ;
5° les fossés ayant une largeur inférieure ou égale à deux mètres ;
6° les arbres isolés ;
7° les rangées d'arbres ;
8° les groupes d'arbres ayant une superficie inférieure ou égale à 0,01 hectare ;
9° les vergers d'arbres à haute tige.
1° les mares ;
2° les bords boisés ;
3° [1 ...]1 ;
4° les haies ;
5° les fossés ayant une largeur inférieure ou égale à deux mètres ;
6° les arbres isolés ;
7° les rangées d'arbres ;
8° les groupes d'arbres ayant une superficie inférieure ou égale à 0,01 hectare ;
9° les vergers d'arbres à haute tige.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Teelttoestemming voor de teelt van hennep
Sous-section 2. - Autorisation pour la culture de chanvre
Art. 11. § 1. In deze onderafdeling wordt verstaan onder
1° hennep: vezelhennep of hennep [3 ...]3 met een THC-gehalte dat lager of gelijk is aan 0,2%;
2° THC-gehalte: gehalte aan delta-9-tetrahydrocannabinol (uitgedrukt in g/100 g analysemonster).
§ 2. Een landbouwer die een teelttoestemming voor de teelt van [3 een hennepras]3 als vermeld in artikel 21 van het besluit van 24 oktober 2014 wil krijgen, dient bij de bevoegde entiteit een aanvraag in [1 met een bijlage bij de verzamelaanvraag]1.
De aanvraag [3 tot teelttoestemming]3 bevat ten minste de volgende gegevens :
1° landbouwernummer, voor- en achternaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de aanvrager;
2° het teeltjaar waarvoor de teelttoestemming wordt gevraagd;
3° [3 het hennepras dat wordt ingezaaid]3;
4° de oppervlakte die ingezaaid wordt en [3 ...]3 de hoeveelheid hennepzaaizaad, uitgedrukt in kg per hectare. [2 ...]2;
5° de naam van de gemeente waar het perceel ligt en een perceelsidentificatie die bestaat uit het identificatienummer. Als verschillende rassen per perceel worden ingezaaid, voegt de landbouwer een schets met de ligging van iedere ras bij de aanvraag;
6° [3 de vermelding dat de bevoegde entiteit de gegevens van de aanvraag doorgeeft aan de bevoegde politiediensten]3.
[1 De aanvraag voor teelttoestemming wordt op de uiterste [3 wijzigingsdatum]3 van de verzamelaanvraag van het jaar in kwestie ingediend. De bevoegde entiteit geeft de teelttoestemming.]1
De landbouwer mag pas starten met de inzaai nadat hij [3 de teelttoestemming]3 van de bevoegde entiteit heeft ontvangen. Ter uitvoering van artikel 17, lid 7, van uitvoeringsverordening (EG) nr. 809/2014, bezorgt de landbouwer onmiddellijk na de inzaai en uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. Die etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
[3 In afwijking van het vierde lid, bezorgt de landbouwer, als hij een hennepras inzaait als nateelt conform artikel 9, lid 6 en 7, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, onmiddellijk na inzaai en uiterlijk op 31 augustus van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. Die etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.]3
1° hennep: vezelhennep of hennep [3 ...]3 met een THC-gehalte dat lager of gelijk is aan 0,2%;
2° THC-gehalte: gehalte aan delta-9-tetrahydrocannabinol (uitgedrukt in g/100 g analysemonster).
§ 2. Een landbouwer die een teelttoestemming voor de teelt van [3 een hennepras]3 als vermeld in artikel 21 van het besluit van 24 oktober 2014 wil krijgen, dient bij de bevoegde entiteit een aanvraag in [1 met een bijlage bij de verzamelaanvraag]1.
De aanvraag [3 tot teelttoestemming]3 bevat ten minste de volgende gegevens :
1° landbouwernummer, voor- en achternaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de aanvrager;
2° het teeltjaar waarvoor de teelttoestemming wordt gevraagd;
3° [3 het hennepras dat wordt ingezaaid]3;
4° de oppervlakte die ingezaaid wordt en [3 ...]3 de hoeveelheid hennepzaaizaad, uitgedrukt in kg per hectare. [2 ...]2;
5° de naam van de gemeente waar het perceel ligt en een perceelsidentificatie die bestaat uit het identificatienummer. Als verschillende rassen per perceel worden ingezaaid, voegt de landbouwer een schets met de ligging van iedere ras bij de aanvraag;
6° [3 de vermelding dat de bevoegde entiteit de gegevens van de aanvraag doorgeeft aan de bevoegde politiediensten]3.
[1 De aanvraag voor teelttoestemming wordt op de uiterste [3 wijzigingsdatum]3 van de verzamelaanvraag van het jaar in kwestie ingediend. De bevoegde entiteit geeft de teelttoestemming.]1
De landbouwer mag pas starten met de inzaai nadat hij [3 de teelttoestemming]3 van de bevoegde entiteit heeft ontvangen. Ter uitvoering van artikel 17, lid 7, van uitvoeringsverordening (EG) nr. 809/2014, bezorgt de landbouwer onmiddellijk na de inzaai en uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. Die etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.
[3 In afwijking van het vierde lid, bezorgt de landbouwer, als hij een hennepras inzaait als nateelt conform artikel 9, lid 6 en 7, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, onmiddellijk na inzaai en uiterlijk op 31 augustus van het kalenderjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit de officiële etiketten van de zaaizaden die gebruikt zijn voor de uitgezaaide percelen. Die etiketten maken integraal deel uit van de verzamelaanvraag.]3
Art. 11. § 1er. Dans la présente sous-section, on entend par:
1° chanvre : chanvre textile ou chanvre [3 ...]3 ayant une teneur en THC inférieure ou égale à 0,2% ;
2° Teneur en THC : teneur en delta-9-tetrahydrocannabinol (exprimée en G:100 g prise d'essai).
§ 2. Un agriculteur voulant obtenir une autorisation pour la culture de [3 une variété de chanvre]3 telle que visée à l'article 21 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014, introduit une demande auprès de l'entité compétente [1 au moyen d'une annexe à la demande unique]1.
La demande [3 d'autorisation de cultiver]3 comporte au moins les données suivantes :
1° numéro d'agriculteur, prénom et nom, adresse, numéro de téléphone et adresse e-mail du demandeur ;
2° l'année de culture pour laquelle l'autorisation de culture est demandée ;
3° [3 la variété de chanvre ensemencée]3 ;
4° la superficie ensemencée et [3 ...]3, la quantité de semence de chanvre en kg par hectare. [2 ...]2 ;
5° le nom de la commune où se situe la parcelle, et une identification de parcelles consistant en un numéro d'identification. Lorsque différentes variétés par parcelle sont ensemencées, l'agriculteur joint à la demande une esquisse de la situation de chaque variété ;
6° [3 la mention que l'entité compétente transmet les données de la demande aux services de police compétents]3.
[1 La demande d'autorisation de culture est présentée à la [3 date limite de modification]3 de la demande unique de l'année concernée. L'entité compétente donne l'autorisation de culture.]1
L'agriculteur ne peut commencer l'ensemencement qu'après avoir reçu [3 l'autorisation de cultiver]3 de l'entité compétente. En exécution de l'article 17, alinéa 7, du règlement d'exécution (CE) n° 809/2014, l'agriculteur transmet les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées à l'entité compétente immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 30 juin de l'année calendaire en question. Ces étiquettes font partie intégrante de la demande unique.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'agriculteur, lorsqu'il sème une variété de chanvre comme culture successive conformément à l'article 9, alinéas 6 et 7 du Règlement délégué (UE) no. 639/2014, transmet à l'entité compétente immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 31 août de l'année civile en question les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Ces étiquettes font partie intégrante de la demande unique.]3
1° chanvre : chanvre textile ou chanvre [3 ...]3 ayant une teneur en THC inférieure ou égale à 0,2% ;
2° Teneur en THC : teneur en delta-9-tetrahydrocannabinol (exprimée en G:100 g prise d'essai).
§ 2. Un agriculteur voulant obtenir une autorisation pour la culture de [3 une variété de chanvre]3 telle que visée à l'article 21 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014, introduit une demande auprès de l'entité compétente [1 au moyen d'une annexe à la demande unique]1.
La demande [3 d'autorisation de cultiver]3 comporte au moins les données suivantes :
1° numéro d'agriculteur, prénom et nom, adresse, numéro de téléphone et adresse e-mail du demandeur ;
2° l'année de culture pour laquelle l'autorisation de culture est demandée ;
3° [3 la variété de chanvre ensemencée]3 ;
4° la superficie ensemencée et [3 ...]3, la quantité de semence de chanvre en kg par hectare. [2 ...]2 ;
5° le nom de la commune où se situe la parcelle, et une identification de parcelles consistant en un numéro d'identification. Lorsque différentes variétés par parcelle sont ensemencées, l'agriculteur joint à la demande une esquisse de la situation de chaque variété ;
6° [3 la mention que l'entité compétente transmet les données de la demande aux services de police compétents]3.
[1 La demande d'autorisation de culture est présentée à la [3 date limite de modification]3 de la demande unique de l'année concernée. L'entité compétente donne l'autorisation de culture.]1
L'agriculteur ne peut commencer l'ensemencement qu'après avoir reçu [3 l'autorisation de cultiver]3 de l'entité compétente. En exécution de l'article 17, alinéa 7, du règlement d'exécution (CE) n° 809/2014, l'agriculteur transmet les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées à l'entité compétente immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 30 juin de l'année calendaire en question. Ces étiquettes font partie intégrante de la demande unique.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'agriculteur, lorsqu'il sème une variété de chanvre comme culture successive conformément à l'article 9, alinéas 6 et 7 du Règlement délégué (UE) no. 639/2014, transmet à l'entité compétente immédiatement après l'ensemencement et au plus tard le 31 août de l'année civile en question les étiquettes officielles des semences utilisées pour les parcelles ensemencées. Ces étiquettes font partie intégrante de la demande unique.]3
Art. 12. De landbouwer die met toestemming hennep teelt, brengt de bevoegde entiteit onverwijld op de hoogte van het begin van de bloei.
Art. 12. L'agriculteur autorisé à cultiver du chanvre, notifie le début de la floraison sans délai à l'entité compétente.
Art. 13. Ter uitvoering van artikel [2 9, lid 7, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014]2, moet de landbouwer die hennep teelt, het gewas tot tien dagen na het einde van de bloei in normale groeiomstandigheden onderhouden opdat de bevoegde entiteit de controles op het THC-gehalte kan uitvoeren. De bevoegde entiteit kan toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar voor het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, op voorwaarde dat de controleurs van de bevoegde entiteit aangeven op welke representatieve delen van elk perceel in kwestie het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld opdat het THC-gehalte gecontroleerd kan worden. [1 Die toestemming om hennep vroeger te oogsten kan alleen gegeven worden als hennep niet geteeld wordt als vanggewas conform artikel 9, lid 6 en 7, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.]1
Art. 13. En exécution de l'article [2 9, alinéa 7, du Règlement délégué (UE) No 639/2014]2, l'agriculteur cultivant du chanvre doit maintenir la culture dans des conditions de croissance normales jusqu'à dix jours après la fin de la floraison pour que l'entité compétente puisse effectuer les contrôles sur la teneur en THC. L'entité compétente peut accorder la permission de récolter le chanvre après le début de la floraison, mais avant la fin de la période de dix jours après la fin de la floraison, à condition que les contrôleurs de l'entité concernée indiquent les parties représentatives de chaque parcelle concernée sur lesquelles la culture doit être cultivée pendant au moins dix jours après la fin de la floraison pour que la teneur en THC puisse être contrôlée. [1 Cette permission de récolter le chanvre avant cette période ne peut être donnée que si le chanvre n'est pas cultivé comme culture piège conformément à l'article 9, alinéas 6 et 7 du règlement délégué (UE) no. 639/2014.]1
Onderafdeling 3. - Activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten
Sous-section 3. - Activation, déclaration et transfert de droits au paiement
Art. 14. De overdracht van betalingsrechten heeft uitwerking vanaf de melding van de overdracht aan de bevoegde entiteit [1 en mits goedkeuring van de bevoegde entiteit.]1 De overdrager doet dat conform artikel 8, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014, met een digitaal formulier dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt op het e-loket. Als de overdracht gemeld wordt uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag, dan kan de overnemer de betalingsrechten activeren in het campagnejaar in kwestie. Overdrachten van betalingsrechten die gemeld worden na de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag, hebben pas uitwerking in het campagnejaar dat volgt op het campagnejaar in kwestie.
Personen die niet beschikken over een e-ID of die niet de mogelijkheid hebben om te beschikken over een andere aanmeldings- en authenticatiemogelijkheid die ondersteund wordt door FedICT, mogen in afwijking van het eerste lid de aanvraag indienen door middel van het papieren formulier dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt. Dat formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend ingediend bij de bevoegde entiteit, uiterlijk op de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid.
Personen die niet beschikken over een e-ID of die niet de mogelijkheid hebben om te beschikken over een andere aanmeldings- en authenticatiemogelijkheid die ondersteund wordt door FedICT, mogen in afwijking van het eerste lid de aanvraag indienen door middel van het papieren formulier dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt. Dat formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend ingediend bij de bevoegde entiteit, uiterlijk op de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid.
Art. 14. Le transfert de droits au paiement produit ses effets dès la notification du transfert à l'entité compétente [1 et moyennant l'accord de l'entité compétente]1. Le cédant le fait conformément à l'article 8, alinéa 1er, du Règlement d'Exécution (UE) No 641/2014 à l'aide d'un formulaire numérique mis à disposition par l'entité compétente sur le guichet électronique. Lorsque le transfert est notifié au plus tard à la date limite d'introduction de la demande unique, le cédant peut activer les droits au paiement dans l'année de campagne concernée. Des transferts de droits au paiement qui sont notifiés après la date limite d'introduction de la demande unique, ne produisent leurs effets que dans l'année de campagne suivant l'année de campagne concernée.
Des personnes ne disposant pas d'une e-ID ou ne disposant pas d'une autre possibilité de présentation et d'authentification qui est supportée par FedICT, peuvent, en dérogation de l'alinéa premier, introduire la demande au moyen du formulaire papier mis à disposition par l'entité compétente. Ledit formulaire est introduit, dûment complété et signé, auprès de l'entité compétente, au plus tard à la date limite d'introduction visée à l'alinéa premier.
Des personnes ne disposant pas d'une e-ID ou ne disposant pas d'une autre possibilité de présentation et d'authentification qui est supportée par FedICT, peuvent, en dérogation de l'alinéa premier, introduire la demande au moyen du formulaire papier mis à disposition par l'entité compétente. Ledit formulaire est introduit, dûment complété et signé, auprès de l'entité compétente, au plus tard à la date limite d'introduction visée à l'alinéa premier.
Wijzigingen
Art. 15. [1 Onterecht toegekende betalingsrechten worden niet teruggevorderd als de totale onterecht toegekende waarde ervan niet meer bedraagt dan 50 euro in alle betrokken campagnejaren.]1
Art. 15. [1 Les droits au paiement injustement attribués ne sont pas recouvrés lorsque la valeur totale injustement attribuée pour l'ensemble des années de campagne ne dépasse pas 50 euros.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Reserve
Section 2. - Réserve
Art. 16. In 2015 wordt een lineaire procentuele verlaging van 3% toegepast op de enveloppe voor de basisbetaling in 2015, conform artikel 30, lid 1, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
Als er meer dan 0,5% van de enveloppe voor de basisbetaling onbenut blijft in de reserve in een bepaald campagnejaar, kunnen vanaf het volgende campagnejaar alle betalingsrechten lineair opgehoogd worden, als er voldoende middelen overblijven in de reserve, conform artikel 30, lid 7, e), van verordening (EU) nr. 1307/2013.
Als er meer dan 0,5% van de enveloppe voor de basisbetaling onbenut blijft in de reserve in een bepaald campagnejaar, kunnen vanaf het volgende campagnejaar alle betalingsrechten lineair opgehoogd worden, als er voldoende middelen overblijven in de reserve, conform artikel 30, lid 7, e), van verordening (EU) nr. 1307/2013.
Art. 16. En 2015, un pourcentage de réduction linéaire de 3% est appliqué à l'enveloppe pour le paiement de base en 2015, conformément à l'article 30, alinéa 1er, du Règlement (UE) n° 1307/2013.
Lorsqu'un pourcentage supérieur à 0,5% reste inutilisé dans la réserve d'une certaine année calendaire, tous les droits au paiement peuvent être augmentés, à condition que des montants suffisants restent disponibles dans la réserve, conformément à l'article 30, alinéa 7, e), du Règlement (CE) n° 1307/2013.
Lorsqu'un pourcentage supérieur à 0,5% reste inutilisé dans la réserve d'une certaine année calendaire, tous les droits au paiement peuvent être augmentés, à condition que des montants suffisants restent disponibles dans la réserve, conformément à l'article 30, alinéa 7, e), du Règlement (CE) n° 1307/2013.
Art. 17. De volgende categorieën van landbouwers komen in aanmerking voor de toekenning of de ophoging van betalingsrechten uit de reserve:
1° de jonge landbouwers;
2° de startende landbouwers;
3° de landbouwers die zich bevinden in een situatie van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;
4° de landbouwers die daar op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde entiteit recht op hebben.
1° de jonge landbouwers;
2° de startende landbouwers;
3° de landbouwers die zich bevinden in een situatie van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;
4° de landbouwers die daar op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde entiteit recht op hebben.
Art. 17. Les catégories suivantes d'agriculteurs sont éligibles à l'octroi ou l'augmentation de droits au paiement de la réserve :
1° les jeunes agriculteurs ;
2° les agriculteurs débutants ;
3° les agriculteurs étant dans un cas de force majeure ou dans des circonstances exceptionnelles ;
4° les agriculteurs ayant droit en vertu d'une décision judiciaire définitive ou un arrêté administratif définitif de l'entité compétente.
1° les jeunes agriculteurs ;
2° les agriculteurs débutants ;
3° les agriculteurs étant dans un cas de force majeure ou dans des circonstances exceptionnelles ;
4° les agriculteurs ayant droit en vertu d'une décision judiciaire définitive ou un arrêté administratif définitif de l'entité compétente.
Art. 18. § 1. Om in aanmerking te komen voor de toekenning of ophoging van betalingsrechten uit de reserve, dient de landbouwer een aanvraag in. De aanvraag wordt uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het desbetreffende campagnejaar ingediend [1 met de verzamelaanvraag]1.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 De bewijstukken worden conform artikel 18/1 en 18/2 bij de aanvraag gevoegd. De bevoegde entiteit kan aanvullende bewijsstukken opvragen bij de landbouwer.]1
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 De bewijstukken worden conform artikel 18/1 en 18/2 bij de aanvraag gevoegd. De bevoegde entiteit kan aanvullende bewijsstukken opvragen bij de landbouwer.]1
Art. 18. § 1er. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi ou l'augmentation des droits au paiement de la réserve, l'agriculteur introduit une demande. La demande est introduite au plus tard à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année de campagne concernée [1 au moyen de la demande unique]1.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 Les pièces justificatives sont jointes à la demande conformément aux articles 18/1 et 18/2. L'entité compétente peut demander des pièces supplémentaires auprès de l'agriculteur.]1
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 Les pièces justificatives sont jointes à la demande conformément aux articles 18/1 et 18/2. L'entité compétente peut demander des pièces supplémentaires auprès de l'agriculteur.]1
Wijzigingen
Art. 18/1. [1 Een jonge landbouwer als vermeld in artikel 17, 1°, die een aanvraag indient voor de ophoging van zijn betalingsrechten of voor het ontvangen van betalingsrechten uit de reserve, voegt de volgende bewijsstukken en verklaringen bij de aanvraag, tenzij de bevoegde entiteit daar al over beschikt:
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of een groepering:
a) een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1, met betrekking tot de jonge zaakvoerder van de rechtspersoon of de groepering;
b) een verklaring [2 en bewijsstukken]2 van daadwerkelijke en langdurige zeggenschap die betrekking heeft op de jonge zaakvoerder die moet voldoen aan de voorwaarden van jonge landbouwer voor de rechtspersoon.
[2 De stukken, vermeld in het eerste lid, 2°, b), zijn verschillend naargelang de rechtsvorm van het bedrijf. Uit de stukken blijkt de werkelijke financiële inbreng of het werkelijke financiële risico van de jonge zaakvoerder in het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend alsook dat hij het dagdagelijks bestuur van het bedrijf werkelijk opneemt. De stukken kunnen vergunningen, jaarrekeningen, facturen, statuten, het aandelenregister, een samenuitbatingscontract, investeringen in roerende of onroerende goederen of contracten, met inbegrip van eigendomscontracten zijn.]2
Een jonge landbouwer kan met toepassing van artikel 17, 1°, van dit besluit alleen betalingsrechten uit de reserve ontvangen of een ophoging krijgen van zijn bestaande betalingsrechten uit de reserve op zijn eerste vestiging conform artikel 50, lid 2, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49, lid 3, b), van verordening (EU) nr. 639/2014, en artikel 22/2 van dit besluit.]1
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of een groepering:
a) een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1, met betrekking tot de jonge zaakvoerder van de rechtspersoon of de groepering;
b) een verklaring [2 en bewijsstukken]2 van daadwerkelijke en langdurige zeggenschap die betrekking heeft op de jonge zaakvoerder die moet voldoen aan de voorwaarden van jonge landbouwer voor de rechtspersoon.
[2 De stukken, vermeld in het eerste lid, 2°, b), zijn verschillend naargelang de rechtsvorm van het bedrijf. Uit de stukken blijkt de werkelijke financiële inbreng of het werkelijke financiële risico van de jonge zaakvoerder in het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend alsook dat hij het dagdagelijks bestuur van het bedrijf werkelijk opneemt. De stukken kunnen vergunningen, jaarrekeningen, facturen, statuten, het aandelenregister, een samenuitbatingscontract, investeringen in roerende of onroerende goederen of contracten, met inbegrip van eigendomscontracten zijn.]2
Een jonge landbouwer kan met toepassing van artikel 17, 1°, van dit besluit alleen betalingsrechten uit de reserve ontvangen of een ophoging krijgen van zijn bestaande betalingsrechten uit de reserve op zijn eerste vestiging conform artikel 50, lid 2, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49, lid 3, b), van verordening (EU) nr. 639/2014, en artikel 22/2 van dit besluit.]1
Art.18/1.[1 Un jeune agriculteur tel que visé à l'article 17, 1°, qui demande l'augmentation de ses droits au paiement ou qui demande de percevoir des droits au paiement à partir de la réserve, joint les déclarations et les pièces justificatives suivantes à sa demande, sauf si l'entité compétente en dispose déjà :
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement :
a) l'une des pièces justificatives de l'aptitude professionnelle, visée dans l'article 22/1, concernant le jeune gérant de la personne morale ou du groupement ;
b) une déclaration [2 et les pièces justificatives]2 de contrôle effectif et à long terme portant sur le jeune gérant qui doit remplir les conditions de jeune agriculteur pour la personne morale.
[2 Les pièces justificatives, mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, b) diffèrent en fonction de la forme juridique de l'entreprise. Ces pièces démontrent l'apport ou le risque financiers réels du jeune gérant dans l'entreprise faisant l'objet de la demande, ainsi que le fait qu'il s'occupe réellement de la gestion quotidienne de l'entreprise. Il peut s'agir d'autorisations, de comptes annuels, de factures, de statuts, du registre d'actions, d'un contrat de cogestion, d'investissements en biens mobiliers ou immobiliers ou de contrats, y compris de contrats de propriété.]2
Un jeune agriculteur ne peut, en application de l'article 17, 1°, du présent arrêté, recevoir des droits au paiement à partir de la réserve ou une augmentation de ses droits au paiement existants à partir de la réserve que sur sa première installation conformément à l'article 50, alinéa 2, a), du règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49, alinéa 3, b), du règlement (UE) n° 639/2014, et à l'article 22/2 du présent arrêté.]1
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement :
a) l'une des pièces justificatives de l'aptitude professionnelle, visée dans l'article 22/1, concernant le jeune gérant de la personne morale ou du groupement ;
b) une déclaration [2 et les pièces justificatives]2 de contrôle effectif et à long terme portant sur le jeune gérant qui doit remplir les conditions de jeune agriculteur pour la personne morale.
[2 Les pièces justificatives, mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, b) diffèrent en fonction de la forme juridique de l'entreprise. Ces pièces démontrent l'apport ou le risque financiers réels du jeune gérant dans l'entreprise faisant l'objet de la demande, ainsi que le fait qu'il s'occupe réellement de la gestion quotidienne de l'entreprise. Il peut s'agir d'autorisations, de comptes annuels, de factures, de statuts, du registre d'actions, d'un contrat de cogestion, d'investissements en biens mobiliers ou immobiliers ou de contrats, y compris de contrats de propriété.]2
Un jeune agriculteur ne peut, en application de l'article 17, 1°, du présent arrêté, recevoir des droits au paiement à partir de la réserve ou une augmentation de ses droits au paiement existants à partir de la réserve que sur sa première installation conformément à l'article 50, alinéa 2, a), du règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49, alinéa 3, b), du règlement (UE) n° 639/2014, et à l'article 22/2 du présent arrêté.]1
Art. 18/2. [1 Een startende landbouwer als vermeld in artikel 17, 2°, die een aanvraag indient voor de ophoging van zijn betalingsrechten of voor het ontvangen van betalingsrechten uit de reserve, voegt de volgende bewijsstukken en verklaringen bij de aanvraag, tenzij de bevoegde entiteit daar al over beschikt:
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of groepering: voor elk natuurlijk persoon die zaakvoerder is van de rechtspersoon of groepering: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1.
[2 Een rechtspersoon of een groepering kan met toepassing van artikel 17, 2° van dit besluit alleen betalingsrechten uit de reserve ontvangen of een ophoging krijgen van zijn bestaande betalingsrechten uit de reserve als alle zaakvoerders landbouwers zijn die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 30, lid 11, b) van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad.]2]1
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of groepering: voor elk natuurlijk persoon die zaakvoerder is van de rechtspersoon of groepering: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1.
[2 Een rechtspersoon of een groepering kan met toepassing van artikel 17, 2° van dit besluit alleen betalingsrechten uit de reserve ontvangen of een ophoging krijgen van zijn bestaande betalingsrechten uit de reserve als alle zaakvoerders landbouwers zijn die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 30, lid 11, b) van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad.]2]1
Art.18/2.[1 Un agriculteur débutant tel que visé à l'article 17, 2°, qui demande l'augmentation de ses droits au paiement ou qui demande de percevoir des droits au paiement à partir de la réserve, joint les déclarations et les pièces justificatives suivantes à sa demande, sauf si l'entité compétente en dispose déjà :
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement : pour chaque personne physique qui est gérant de la personne morale ou du groupement : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées dans le document article 22/1.
[2 Une personne morale ou un groupement ne peut, en application de l'article 17, 2°, du présent arrêté, recevoir des droits au paiement à partir de la réserve ou une augmentation de ses droits au paiement existants à partir de la réserve que si tous les gérants sont des agriculteurs conformément à l'article 30, alinéa 11, b), du règlement (UE) n° 1307/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (CE) n° 637/2008 du Conseil et le règlement (CE) n° 73/2009 du Conseil]2.]1
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement : pour chaque personne physique qui est gérant de la personne morale ou du groupement : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées dans le document article 22/1.
[2 Une personne morale ou un groupement ne peut, en application de l'article 17, 2°, du présent arrêté, recevoir des droits au paiement à partir de la réserve ou une augmentation de ses droits au paiement existants à partir de la réserve que si tous les gérants sont des agriculteurs conformément à l'article 30, alinéa 11, b), du règlement (UE) n° 1307/2013 du Parlement européen et du Conseil du 17 décembre 2013 établissant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune et abrogeant le règlement (CE) n° 637/2008 du Conseil et le règlement (CE) n° 73/2009 du Conseil]2.]1
Art. 19. § 1. Als de bevoegde entiteit de aanvraag aanvaardt, worden in de gevallen, vermeld in artikel 17, 1° en 2°, op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar waarin de landbouwer de aanvraag indient:
1° betalingsrechten met een regionaal gemiddelde waarde toegekend voor elke subsidiabele hectare die de landbouwer in gebruik heeft op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar waarin hij de aanvraag indient [1 waarvoor hij geen betalingsrechten, hetzij in eigendom hetzij in pacht, heeft]1;
2° alle betalingsrechten die de landbouwer in gebruik heeft op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar waarin hij de aanvraag indient, opgehoogd tot de regionaal gemiddelde waarde.
[1 In het eerste lid, 1° en 2°]1, wordt verstaan onder regionaal gemiddelde waarde: de waarde, berekend met toepassing van artikel 30, lid 8, van verordening (EU) nr. 1307/2013, in het jaar waarin de landbouwer een aanvraag voor de reserve indient. Voor het jaar na het jaar van de aanvraag tot en met het jaar 2019 is er elk jaar een geleidelijke wijziging van de regionaal gemiddelde waarde als gevolg van de wijziging van de enveloppe voor de basisbetaling.
§ 2. Als de bevoegde entiteit de aanvraag aanvaardt, worden in de gevallen, vermeld in artikel 17, 3°, van dit besluit, betalingsrechten toegekend met een waarde berekend conform artikel 11 van het besluit van 24 oktober 2014.
§ 3. Als in de gevallen, vermeld in artikel 17, 4°, de bevoegde entiteit de aanvraag aanvaardt, worden op de eerstvolgende uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag die volgt op de definitieve gerechtelijke uitspraak of het definitief bestuursrechtelijk besluit, betalingsrechten toegekend waarvan de waarde berekend wordt conform de bepalingen van de voormelde uitspraak of het voormelde besluit.
1° betalingsrechten met een regionaal gemiddelde waarde toegekend voor elke subsidiabele hectare die de landbouwer in gebruik heeft op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar waarin hij de aanvraag indient [1 waarvoor hij geen betalingsrechten, hetzij in eigendom hetzij in pacht, heeft]1;
2° alle betalingsrechten die de landbouwer in gebruik heeft op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar waarin hij de aanvraag indient, opgehoogd tot de regionaal gemiddelde waarde.
[1 In het eerste lid, 1° en 2°]1, wordt verstaan onder regionaal gemiddelde waarde: de waarde, berekend met toepassing van artikel 30, lid 8, van verordening (EU) nr. 1307/2013, in het jaar waarin de landbouwer een aanvraag voor de reserve indient. Voor het jaar na het jaar van de aanvraag tot en met het jaar 2019 is er elk jaar een geleidelijke wijziging van de regionaal gemiddelde waarde als gevolg van de wijziging van de enveloppe voor de basisbetaling.
§ 2. Als de bevoegde entiteit de aanvraag aanvaardt, worden in de gevallen, vermeld in artikel 17, 3°, van dit besluit, betalingsrechten toegekend met een waarde berekend conform artikel 11 van het besluit van 24 oktober 2014.
§ 3. Als in de gevallen, vermeld in artikel 17, 4°, de bevoegde entiteit de aanvraag aanvaardt, worden op de eerstvolgende uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag die volgt op de definitieve gerechtelijke uitspraak of het definitief bestuursrechtelijk besluit, betalingsrechten toegekend waarvan de waarde berekend wordt conform de bepalingen van de voormelde uitspraak of het voormelde besluit.
Art. 19. § 1er. Lorsque l'entité compétente accepte la demande, des droits au paiement sont octroyés dans les cas visés à l'article 17, 1° et 2°, à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année dans laquelle l'agriculteur introduit la demande,
1° ayant une valeur moyenne régionale pour chaque hectare subventionnable utilisé par l'agriculteur à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année pendant laquelle il introduit la demande [1 pour lesquels il n'a pas de droits au paiement, soit en propriété ou en fermage]1 ;
2° tous les droits au paiement utilisés par l'agriculteur à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année pendant laquelle il introduit la demande, sont augmentés jusqu'à la valeur moyenne régionale.
[1 Dans l'alinéa 1er, 1° et 2°]1, on entend par valeur moyenne régionale : la valeur, calculée en application de l'article 30, alinéa 8, du Règlement (UE) n° 1307/2013, dans l'année dans laquelle l'agriculteur introduit une demande pour la réserve. Pour l'année suivant l'année de la demande et jusqu'à l'année 2019 incluse, une modification progressive de la valeur moyenne régionale est effectuée chaque année, suite à la modification de l'enveloppe pour le paiement de base.
§ 2. Lorsque l'entité compétente accepte la demande, des droits de paiement sont octroyés dans les cas visés à l'article 17, 3°, du présent arrêté, ayant une valeur calculée conformément à l'article 11 de l'arrêté du 24 octobre 2014.
§ 3. Lorsque, dans les cas visés à l'article 17, 4°, l'entité compétente accepte la demande, des droits au paiement sont octroyés à la date limite d'introduction suivante de la demande unique qui suit la décision judiciaire définitive, dont la valeur est calculée conformément aux dispositions de la décision précitée ou de l'arrêté précité.
1° ayant une valeur moyenne régionale pour chaque hectare subventionnable utilisé par l'agriculteur à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année pendant laquelle il introduit la demande [1 pour lesquels il n'a pas de droits au paiement, soit en propriété ou en fermage]1 ;
2° tous les droits au paiement utilisés par l'agriculteur à la date limite d'introduction de la demande unique de l'année pendant laquelle il introduit la demande, sont augmentés jusqu'à la valeur moyenne régionale.
[1 Dans l'alinéa 1er, 1° et 2°]1, on entend par valeur moyenne régionale : la valeur, calculée en application de l'article 30, alinéa 8, du Règlement (UE) n° 1307/2013, dans l'année dans laquelle l'agriculteur introduit une demande pour la réserve. Pour l'année suivant l'année de la demande et jusqu'à l'année 2019 incluse, une modification progressive de la valeur moyenne régionale est effectuée chaque année, suite à la modification de l'enveloppe pour le paiement de base.
§ 2. Lorsque l'entité compétente accepte la demande, des droits de paiement sont octroyés dans les cas visés à l'article 17, 3°, du présent arrêté, ayant une valeur calculée conformément à l'article 11 de l'arrêté du 24 octobre 2014.
§ 3. Lorsque, dans les cas visés à l'article 17, 4°, l'entité compétente accepte la demande, des droits au paiement sont octroyés à la date limite d'introduction suivante de la demande unique qui suit la décision judiciaire définitive, dont la valeur est calculée conformément aux dispositions de la décision précitée ou de l'arrêté précité.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Betaling voor jonge landbouwers
Section 3. - Paiement pour jeunes agriculteurs
Art. 20. [1 § 1. Om in aanmerking te komen voor de betaling voor jonge landbouwers, dient de landbouwer jaarlijks een aanvraag in met de verzamelaanvraag.
De bevoegde entiteit controleert op basis van de gegevens in het GBCS en de bewijsstukken die conform paragraaf 2 bij de verzamelaanvraag zijn gevoegd, of aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 50, lid 2, van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 1, 17°, van het besluit van 24 oktober 2014, voldaan is.
§ 2. Een landbouwer die een aanvraag indient om de betaling voor jonge landbouwers te ontvangen, voegt de volgende bewijsstukken en verklaringen bij de aanvraag, tenzij de bevoegde entiteit daar al over beschikt:
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of een groepering:
a) een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1, met betrekking tot de jonge zaakvoerder van de rechtspersoon of de groepering;
b) een verklaring [2 en bewijsstukken]2 van daadwerkelijke en langdurige zeggenschap die betrekking heeft op de jonge zaakvoerder die moet voldoen aan de voorwaarden van jonge landbouwer voor de rechtspersoon.
[2 De stukken, vermeld in het eerste lid, 2°, b) zijn verschillend naargelang de rechtsvorm van het bedrijf. Uit de stukken blijkt de werkelijke financiële inbreng of het werkelijke financiële risico van de jonge zaakvoerder in het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend alsook dat hij het dagdagelijks bestuur van het bedrijf werkelijk opneemt. De stukken kunnen vergunningen, jaarrekeningen, facturen, statuten, het aandelenregister, een samenuitbatingscontract, investeringen in roerende of onroerende goederen of contracten, met inbegrip van eigendomscontracten zijn.]2
§ 3. Een jonge landbouwer kan alleen de betaling voor jonge landbouwers ontvangen op zijn eerste vestiging conform artikel 50, lid 2, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49, lid 3, b), van verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 22/2 van dit besluit.]1
De bevoegde entiteit controleert op basis van de gegevens in het GBCS en de bewijsstukken die conform paragraaf 2 bij de verzamelaanvraag zijn gevoegd, of aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 50, lid 2, van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 1, 17°, van het besluit van 24 oktober 2014, voldaan is.
§ 2. Een landbouwer die een aanvraag indient om de betaling voor jonge landbouwers te ontvangen, voegt de volgende bewijsstukken en verklaringen bij de aanvraag, tenzij de bevoegde entiteit daar al over beschikt:
1° voor een natuurlijk persoon: een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1;
2° voor een rechtspersoon of een groepering:
a) een van de bewijsstukken van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 22/1, met betrekking tot de jonge zaakvoerder van de rechtspersoon of de groepering;
b) een verklaring [2 en bewijsstukken]2 van daadwerkelijke en langdurige zeggenschap die betrekking heeft op de jonge zaakvoerder die moet voldoen aan de voorwaarden van jonge landbouwer voor de rechtspersoon.
[2 De stukken, vermeld in het eerste lid, 2°, b) zijn verschillend naargelang de rechtsvorm van het bedrijf. Uit de stukken blijkt de werkelijke financiële inbreng of het werkelijke financiële risico van de jonge zaakvoerder in het bedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend alsook dat hij het dagdagelijks bestuur van het bedrijf werkelijk opneemt. De stukken kunnen vergunningen, jaarrekeningen, facturen, statuten, het aandelenregister, een samenuitbatingscontract, investeringen in roerende of onroerende goederen of contracten, met inbegrip van eigendomscontracten zijn.]2
§ 3. Een jonge landbouwer kan alleen de betaling voor jonge landbouwers ontvangen op zijn eerste vestiging conform artikel 50, lid 2, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 49, lid 3, b), van verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 22/2 van dit besluit.]1
Art. 20. [1 § 1er. Pour être éligible au paiement pour les jeunes agriculteurs, l'agriculteur introduit annuellement une demande au moyen de la demande unique.
L'entité compétente vérifie sur la base des données dans le SIGC et les pièces justificatives jointes à la demande unique conformément au paragraphe 2, si les conditions de subventionnalité, visées à l'article 50, alinéa 2, du Règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49 du règlement délégué (UE) n° 639/2014 et à l'article 1er, 17°, de l'arrêté du 24 octobre 2014, sont remplies.
§ 2. Un agriculteur qui présente une demande de paiement pour jeunes agriculteurs, joint les pièces justificatives et déclarations suivantes à la demande, sauf si l'entité compétente en dispose déjà :
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement :
a) l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées dans l'article 22/1, concernant le jeune gérant de la personne morale ou du groupement ;
b) une déclaration [2 et les pièces justificatives]2 de contrôle effectif et à long terme portant sur le jeune gérant qui doit remplir les conditions de jeune agriculteur pour la personne morale.
[2 Les pièces justificatives, mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, b) diffèrent en fonction de la forme juridique de l'entreprise. Ces pièces démontrent l'apport ou le risque financiers réels du jeune gérant dans l'entreprise faisant l'objet de la demande, ainsi que le fait qu'il s'occupe réellement de la gestion quotidienne de l'entreprise. Il peut s'agir d'autorisations, de comptes annuels, de factures, de statuts, du registre d'actions, d'un contrat de cogestion, d'investissements en biens mobiliers ou immobiliers ou de contrats, y compris de contrats de propriété.]2
§ 3. Un jeune agriculteur ne peut recevoir le paiement pour jeunes agriculteurs que sur sa première installation conformément à l'article 50, alinéa 2, a), du règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49, alinéa 3, b), du règlement (UE) n° 639/2014, et à l'article 22/2 du présent arrêté.]1
L'entité compétente vérifie sur la base des données dans le SIGC et les pièces justificatives jointes à la demande unique conformément au paragraphe 2, si les conditions de subventionnalité, visées à l'article 50, alinéa 2, du Règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49 du règlement délégué (UE) n° 639/2014 et à l'article 1er, 17°, de l'arrêté du 24 octobre 2014, sont remplies.
§ 2. Un agriculteur qui présente une demande de paiement pour jeunes agriculteurs, joint les pièces justificatives et déclarations suivantes à la demande, sauf si l'entité compétente en dispose déjà :
1° pour une personne physique : l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées à l'article 22/1 ;
2° pour une personne morale ou un groupement :
a) l'une des pièces justificatives d'aptitude professionnelle, visées dans l'article 22/1, concernant le jeune gérant de la personne morale ou du groupement ;
b) une déclaration [2 et les pièces justificatives]2 de contrôle effectif et à long terme portant sur le jeune gérant qui doit remplir les conditions de jeune agriculteur pour la personne morale.
[2 Les pièces justificatives, mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, b) diffèrent en fonction de la forme juridique de l'entreprise. Ces pièces démontrent l'apport ou le risque financiers réels du jeune gérant dans l'entreprise faisant l'objet de la demande, ainsi que le fait qu'il s'occupe réellement de la gestion quotidienne de l'entreprise. Il peut s'agir d'autorisations, de comptes annuels, de factures, de statuts, du registre d'actions, d'un contrat de cogestion, d'investissements en biens mobiliers ou immobiliers ou de contrats, y compris de contrats de propriété.]2
§ 3. Un jeune agriculteur ne peut recevoir le paiement pour jeunes agriculteurs que sur sa première installation conformément à l'article 50, alinéa 2, a), du règlement (UE) n° 1307/2013, à l'article 49, alinéa 3, b), du règlement (UE) n° 639/2014, et à l'article 22/2 du présent arrêté.]1
Art. 22. De enveloppe voor de betaling voor jonge landbouwers bedraagt jaarlijks 2% van de enveloppe voor rechtstreekse betalingen.
Art. 22. L'enveloppe pour le paiement de jeunes agriculteurs s'élève annuellement à 2% de l'enveloppe pour les paiements directs.
Afdeling 4. [1 - Vakbekwaamheid en eerste vestiging]1
Section 4. [1 - Aptitude professionnelle et première installation]1
Art. 22/1. [1 Een jonge landbouwer kan zijn vakbekwaamheid aantonen met:
1° een diploma of getuigschrift van een basisopleiding met betrekking tot landbouw, tuinbouw of een aanverwant onderwerp op het niveau van hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs;
2° een installatieattest van een startersopleiding land- en tuinbouw. Als de natuurlijke persoon in kwestie de startersopleiding land- en tuinbouw volgt, maar het installatieattest nog niet behaald heeft, controleert de bevoegde entiteit of hij daadwerkelijk is ingeschreven voor de startersopleiding op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag. De bevoegde entiteit controleert uiterlijk op 1 september van het jaar in kwestie of de landbouwer het installatieattest behaald heeft. [2 Voor het kalenderjaar 2020 vindt die controle uiterlijk op 1 december plaats]2;
3° een diploma of getuigschrift van een basisopleiding, waarvan aangetoond wordt dat ze minstens gelijkwaardig is aan een startersopleiding land- en tuinbouw.]1
1° een diploma of getuigschrift van een basisopleiding met betrekking tot landbouw, tuinbouw of een aanverwant onderwerp op het niveau van hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs;
2° een installatieattest van een startersopleiding land- en tuinbouw. Als de natuurlijke persoon in kwestie de startersopleiding land- en tuinbouw volgt, maar het installatieattest nog niet behaald heeft, controleert de bevoegde entiteit of hij daadwerkelijk is ingeschreven voor de startersopleiding op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag. De bevoegde entiteit controleert uiterlijk op 1 september van het jaar in kwestie of de landbouwer het installatieattest behaald heeft. [2 Voor het kalenderjaar 2020 vindt die controle uiterlijk op 1 december plaats]2;
3° een diploma of getuigschrift van een basisopleiding, waarvan aangetoond wordt dat ze minstens gelijkwaardig is aan een startersopleiding land- en tuinbouw.]1
Art.22/1.[1 Un jeune agriculteur peut justifier son aptitude professionnelle avec les pièces suivantes :
1° un diplôme ou certificat d'une formation de base en agriculture, en horticulture ou dans un sujet analogue au niveau de l'enseignement secondaire supérieur, supérieur non universitaire ou universitaire ;
2° une attestation d'installation d'une formation débutant en agriculture et horticulture. Si la personne physique en question suit la formation débutant en agriculture et horticulture, mais n'a pas encore obtenu l'attestation d'installation, l'entité compétente vérifie s'il a bien été enregistré pour la formation débutant à la date limite d'introduction de la demande unique. L'entité compétente vérifie au plus tard le 1er septembre de l'année concernée si l'agriculteur a obtenu l'attestation d'installation. [2 Pour l'année civile 2020, cette vérification doit avoir lieu au plus tard le 1er décembre]2 ;
3° un diplôme ou certificat de formation de base, dont il est démontré qu'elle est au moins équivalente à une formation débutant en agriculture et horticulture.]1
1° un diplôme ou certificat d'une formation de base en agriculture, en horticulture ou dans un sujet analogue au niveau de l'enseignement secondaire supérieur, supérieur non universitaire ou universitaire ;
2° une attestation d'installation d'une formation débutant en agriculture et horticulture. Si la personne physique en question suit la formation débutant en agriculture et horticulture, mais n'a pas encore obtenu l'attestation d'installation, l'entité compétente vérifie s'il a bien été enregistré pour la formation débutant à la date limite d'introduction de la demande unique. L'entité compétente vérifie au plus tard le 1er septembre de l'année concernée si l'agriculteur a obtenu l'attestation d'installation. [2 Pour l'année civile 2020, cette vérification doit avoir lieu au plus tard le 1er décembre]2 ;
3° un diplôme ou certificat de formation de base, dont il est démontré qu'elle est au moins équivalente à une formation débutant en agriculture et horticulture.]1
Art. 22/2. [1 De vestiging van een natuurlijk persoon als bedrijfshoofd van een landbouwbedrijf wordt beschouwd als een eerste vestiging als vermeld in artikel 18/1, tweede lid, en artikel 20, § 3, als die natuurlijke persoon zich in een van de volgende gevallen bevindt:
1° de natuurlijke persoon baat voor de eerste keer een landbouwbedrijf uit in eigen naam;
2° de natuurlijke persoon is voor de eerste keer bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder van een rechtspersoon;
3° de natuurlijke persoon is voor de eerste keer lid van een groepering.
Als er verschillende jonge zaakvoerders zijn binnen een rechtspersoon of een groepering, wordt het moment van de eerste vestiging in rekening gebracht van de jonge zaakvoerder die als eerste als zaakvoerder binnen de rechtspersoon of groepering is aangewezen [2 ...]2.]1
1° de natuurlijke persoon baat voor de eerste keer een landbouwbedrijf uit in eigen naam;
2° de natuurlijke persoon is voor de eerste keer bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder van een rechtspersoon;
3° de natuurlijke persoon is voor de eerste keer lid van een groepering.
Als er verschillende jonge zaakvoerders zijn binnen een rechtspersoon of een groepering, wordt het moment van de eerste vestiging in rekening gebracht van de jonge zaakvoerder die als eerste als zaakvoerder binnen de rechtspersoon of groepering is aangewezen [2 ...]2.]1
Art.22/2.[1 L'installation d'une personne physique en tant que chef d'exploitation agricole est considérée comme une première installation, telle que visée à l'article 18/1, alinéa 2, et à l'article 20, § 3, si cette personne physique se trouve dans l'une des situations suivantes :
1° la personne physique exploite pour la première fois une exploitation agricole en son propre nom ;
2° la personne physique est pour la première fois administrateur, associé commandité ou gérant d'une personne morale ;
3° la personne physique est pour la première fois membre d'un groupement.
Si une personne morale ou un groupement compte plusieurs jeunes gérants, la date de première installation du jeune gérant qui a été désigné le premier en qualité de gérant au sein de la personne morale ou du groupement est prise en compte [2 ...]2.]1
1° la personne physique exploite pour la première fois une exploitation agricole en son propre nom ;
2° la personne physique est pour la première fois administrateur, associé commandité ou gérant d'une personne morale ;
3° la personne physique est pour la première fois membre d'un groupement.
Si une personne morale ou un groupement compte plusieurs jeunes gérants, la date de première installation du jeune gérant qui a été désigné le premier en qualité de gérant au sein de la personne morale ou du groupement est prise en compte [2 ...]2.]1
HOOFDSTUK 3. - Randvoorwaarden: voorkomen van de uitbreiding van plantensoorten die door hun overwoekerend karakter een bedreiging vormen voor de goede landbouw- en milieuconditie van grond
CHAPITRE 3. - Conditionnalité : éviter l'expansion des espèces végétales qui, de par leur caractère embroussaillant, menacent les bonnes conditions agronomiques et environnementales des terres agricoles.
Art. 23. § 1. Om de overwoekering van grasland met akkerdistel te voorkomen, moet de landbouwer de bloei, de zaadvorming en de uitzaaiing van akkerdistel voorkomen.
Op graslanden gelegen in speciale beschermingszones als vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is dat alleen mogelijk door pleksgewijs te maaien of door een andere geschikte beheerwijze toe te passen. Op historisch permanent grasland als vermeld in artikel 2, 5°, van het voormelde decreet, die buiten de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het voormelde decreet, liggen, is dat alleen mogelijk door een pleksgewijze bestrijding toe te passen, door te maaien of een andere beheerwijze toe te passen.
§ 2. Aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, is niet voldaan als op grasland akkerdistelhaarden vastgesteld worden.
In het eerste lid wordt verstaan onder akkerdistelhaard: een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 10 m2 met akkerdistels in bloei, in zaad of uitgezaaid.
Op graslanden gelegen in speciale beschermingszones als vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is dat alleen mogelijk door pleksgewijs te maaien of door een andere geschikte beheerwijze toe te passen. Op historisch permanent grasland als vermeld in artikel 2, 5°, van het voormelde decreet, die buiten de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het voormelde decreet, liggen, is dat alleen mogelijk door een pleksgewijze bestrijding toe te passen, door te maaien of een andere beheerwijze toe te passen.
§ 2. Aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, is niet voldaan als op grasland akkerdistelhaarden vastgesteld worden.
In het eerste lid wordt verstaan onder akkerdistelhaard: een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 10 m2 met akkerdistels in bloei, in zaad of uitgezaaid.
Art. 23. § 1er. Afin d'empêcher l'embroussaillement de prairies par le chardon des champs, l'agriculteur doit éviter la floraison, la formation de semences et l'ensemencement du chardon des champs.
Sur les prairies situées dans les zones de protection spéciale telles que visées à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ceci peut être réalisé uniquement par le fauchage ponctuel ou une autre modalité de gestion. Sur les prairies permanentes historiques telles que visées à l'article 2, 5°, du décret précité, situées en dehors des zones spéciales de conservation visées à l'article 2, 43° du décret précité, ceci peut être réalisé uniquement par la lutte ponctuelle, le fauchage ou une autre modalité de gestion.
§ 2. Il n'a pas été satisfait à l'obligation visée au paragraphe 1er, si des broussailles de chardons des champs sont constatées sur les pâturages.
A l'alinéa premier, on entend par broussaille de chardons des champs : une superficie ininterrompue d'au moins 10 m2, couverte de chardons des champs en floraison, en semence ou autoensemencés.
Sur les prairies situées dans les zones de protection spéciale telles que visées à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ceci peut être réalisé uniquement par le fauchage ponctuel ou une autre modalité de gestion. Sur les prairies permanentes historiques telles que visées à l'article 2, 5°, du décret précité, situées en dehors des zones spéciales de conservation visées à l'article 2, 43° du décret précité, ceci peut être réalisé uniquement par la lutte ponctuelle, le fauchage ou une autre modalité de gestion.
§ 2. Il n'a pas été satisfait à l'obligation visée au paragraphe 1er, si des broussailles de chardons des champs sont constatées sur les pâturages.
A l'alinéa premier, on entend par broussaille de chardons des champs : une superficie ininterrompue d'au moins 10 m2, couverte de chardons des champs en floraison, en semence ou autoensemencés.
HOOFDSTUK 4. - slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 24. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het ministerieel besluit van 22 november 2005 betreffende de berekening en herziening van de voorlopige toeslagrechten ter uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 mei 2006;
2° het ministerieel besluit van 13 januari 2006 betreffende de overdracht van toeslagrechten, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 10 juli 2008;
3° het ministerieel besluit van 8 maart 2007 betreffende de herverdeling van de steunbedragen via de reserve, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 mei 2014;
4° het ministerieel besluit van 13 augustus 2009 betreffende de vaststelling van de modaliteiten tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 maart 2014;
5° het ministerieel besluit van 27 juli 2011 betreffende de teelt van hennep;
6° het ministerieel besluit van 25 juni 2012 tot vaststelling van nadere regels ter voorkoming van verstruiking van grasland met ongewenste vegetatie, ter uitvoering van artikel 11, 4°, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden.
1° het ministerieel besluit van 22 november 2005 betreffende de berekening en herziening van de voorlopige toeslagrechten ter uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 mei 2006;
2° het ministerieel besluit van 13 januari 2006 betreffende de overdracht van toeslagrechten, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 10 juli 2008;
3° het ministerieel besluit van 8 maart 2007 betreffende de herverdeling van de steunbedragen via de reserve, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 mei 2014;
4° het ministerieel besluit van 13 augustus 2009 betreffende de vaststelling van de modaliteiten tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 maart 2014;
5° het ministerieel besluit van 27 juli 2011 betreffende de teelt van hennep;
6° het ministerieel besluit van 25 juni 2012 tot vaststelling van nadere regels ter voorkoming van verstruiking van grasland met ongewenste vegetatie, ter uitvoering van artikel 11, 4°, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden.
Art. 24. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'arrêté ministériel du 22 novembre 2005 concernant le calcul et la révision des droits au paiement provisoires en exécution du régime de paiement unique, modifié par l'arrêté ministériel du 19 mai 2006 ;
2° l'arrêté ministériel du 13 janvier 2006 relatif au transfert de droits au paiement, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 10 juillet 2008 ;
3° l'arrêté ministériel du 8 mars 2007 relatif à la redistribution des montants d'aide par la voie de la réserve, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 20 mai 2014 ;
4° l'arrêté ministériel du 13 août 2009 établissant les modalités de l'arrêté du Gouvernement flamand instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 19 mars 2014 ;
5° l'arrêté ministériel du 27 juillet 2011 relatif à la culture de chanvre ;
6° l'arrêté ministériel du 25 juin 2012 établissant les règles en prévention de l'embroussaillement de pâturages par des végétations indésirables, en exécution de l'article 11, 4°, premier alinéa de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité.
1° l'arrêté ministériel du 22 novembre 2005 concernant le calcul et la révision des droits au paiement provisoires en exécution du régime de paiement unique, modifié par l'arrêté ministériel du 19 mai 2006 ;
2° l'arrêté ministériel du 13 janvier 2006 relatif au transfert de droits au paiement, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 10 juillet 2008 ;
3° l'arrêté ministériel du 8 mars 2007 relatif à la redistribution des montants d'aide par la voie de la réserve, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 20 mai 2014 ;
4° l'arrêté ministériel du 13 août 2009 établissant les modalités de l'arrêté du Gouvernement flamand instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, modifié en dernier lieu par l'arrêté ministériel du 19 mars 2014 ;
5° l'arrêté ministériel du 27 juillet 2011 relatif à la culture de chanvre ;
6° l'arrêté ministériel du 25 juin 2012 établissant les règles en prévention de l'embroussaillement de pâturages par des végétations indésirables, en exécution de l'article 11, 4°, premier alinéa de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité.
Art. 25. De besluiten, vermeld in artikel 24, blijven van toepassing op steunaanvragen en betalingsaanvragen die betrekking hebben op de campagnes die voorafgaan aan 1 januari 2015.
Art. 25. Les arrêtés visés à l'article 24, restent applicables aux demandes de subvention et de paiement relatives aux campagnes précédant le 1er janvier 2015.
Art. 26. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Art. 26. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2015.
BIJLAGE.
ANNEXE.