Artikel 1. 1. De diensten van de Belgische Partij bevoegd voor de uitvoering van deze Overeenkomst zijn :
- de Lokale politie;
- de Federale politie;
- de Administratie der Douane en Accijnzen.
2. De diensten van de Franse Partij bevoegd voor de uitvoering van deze Overeenkomst zijn :
- de " Police nationale ";
- de " Gendarmerie nationale ";
- de Douane.
3. Voor de uitvoering van deze Overeenkomst wordt de " gemeenschappelijke bevoegdheidszone " gedefinieerd als :
- voor de Belgische Partij, het gehele grondgebied;
- voor de Franse Partij, de departementen Aisne, Ardennes, Meurthe-et-Moselle, Marne, Meuse, Moselle, Nord, Pas-de-Calais en Somme.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 MAART 2013. - Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende de grensoverschrijdende samenwerking in politie- en douanezaken
Titre
18 MARS 2013. - Accord entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République française relatif à la coopération transfrontalière en matière policière et douanière
Documentinformatie
Numac: 2014A15175
Datum: 2013-03-18
Info du document
Numac: 2014A15175
Date: 2013-03-18
Inhoud
Tekst (35)
Texte (35)
Article 1er. 1. Les services compétents de la Partie belge pour la mise en oeuvre du présent Accord sont :
- la Police locale;
- la Police fédérale;
- l'Administration des douanes et accises.
2. Les services compétents de la Partie française pour la mise en oeuvre du présent Accord sont :
- la Police nationale;
- la Gendarmerie nationale;
- la Douane.
3. Aux fins du présent Accord est définie comme " zone de compétence commune " :
- pour la Partie belge, l'ensemble de son territoire;
- pour la Partie française, les départements de l'Aisne, des Ardennes, de la Meurthe-et-Moselle, de la Marne, de la Meuse, de la Moselle, du Nord, du Pas-de-Calais et de la Somme.
- la Police locale;
- la Police fédérale;
- l'Administration des douanes et accises.
2. Les services compétents de la Partie française pour la mise en oeuvre du présent Accord sont :
- la Police nationale;
- la Gendarmerie nationale;
- la Douane.
3. Aux fins du présent Accord est définie comme " zone de compétence commune " :
- pour la Partie belge, l'ensemble de son territoire;
- pour la Partie française, les départements de l'Aisne, des Ardennes, de la Meurthe-et-Moselle, de la Marne, de la Meuse, de la Moselle, du Nord, du Pas-de-Calais et de la Somme.
Art. 2. 1. De Partijen verbinden zich tot een grensoverschrijdende samenwerking tussen de diensten die belast zijn met politie- en douaneopdrachten, teneinde strafbare feiten in hun gemeenschappelijke bevoegdheidszone zoals gedefinieerd in artikel 1 te voorkomen en de bestrijding ervan te vergemakkelijken, met inachtneming van hun respectieve soevereiniteit en van de rol van de territoriaal bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden en onverminderd de samenwerking die op nationaal niveau georganiseerd wordt door de centrale organen. Op douanegebied heeft de samenwerking betrekking op de strikte naleving van alle verboden en beperkingen van het grensoverschrijdend verkeer.
2. De samenwerking tussen de Partijen bij deze Overeenkomst wordt uitgeoefend zonder afbreuk te doen aan de internationale akkoorden die de Partijen binden en aan het recht van de Europese Unie.
2. De samenwerking tussen de Partijen bij deze Overeenkomst wordt uitgeoefend zonder afbreuk te doen aan de internationale akkoorden die de Partijen binden en aan het recht van de Europese Unie.
Art. 2. 1. Les Parties engagent une coopération transfrontalière entre les services chargés de missions de police et de douane, pour prévenir et faciliter la lutte contre les faits punissables dans leur zone de compétence commune définie à l'article 1er, dans le respect de leur souveraineté respective et du rôle des autorités administratives et judiciaires territorialement compétentes et sans préjudice des coopérations organisées au niveau national par les organes centraux. Dans le domaine douanier, la coopération s'applique au strict contrôle du respect de toutes les prohibitions et restrictions du trafic transfrontalier.
2. La coopération établie entre les Parties par le présent Accord s'exerce sans préjudice des accords internationaux les liant et du droit de l'Union européenne.
2. La coopération établie entre les Parties par le présent Accord s'exerce sans préjudice des accords internationaux les liant et du droit de l'Union européenne.
TITEL I. - CENTRA VOOR POLITIE- EN DOUANESAMENWERKING
TITRE I. - CENTRES DE COOPERATION POLICIERE ET DOUANIERE
Art. 3. 1. De centra voor politie- en douanesamenwerking, hierna de "gemeenschappelijke centra" genoemd, zijn gevestigd in de buurt van de gemeenschappelijke grens tussen beide Partijen en worden bemand door personeel dat is samengesteld uit ambtenaren van beide Partijen.
2. De bevoegde diensten van beide Partijen bepalen in onderling akkoord de installaties die nodig zijn voor de werking van de gemeenschappelijke centra. Zij stellen er de ambtenaren aan die noodzakelijk zijn om de goede uitvoering van de opdrachten van de gemeenschappelijke centra en de continuïteit van hun acties te verzekeren.
3. De gemeenschappelijke centra houden documentatie bij om te kunnen voldoen aan de informatiebehoeften van alle eenheden en diensten belast met politie- en douaneopdrachten van beide Partijen, zoals de gegevens van de territoriaal bevoegde politie- en douanediensten en de topografie van het gebied waarvoor zij bevoegd zijn.
4. De verdeling van de eventuele bouw-, onderhouds- en werkingskosten van elk gemeenschappelijk centrum maakt, indien nodig, het voorwerp uit van een uitvoeringsovereenkomst tussen de Partijen of een afspraak tussen hun bevoegde Ministers.
5. De gemeenschappelijke centra worden aangeduid met officiële opschriften.
6. De ambtenaren van elke Partij zijn gemachtigd om, in de lokalen die binnen de gemeenschappelijke centra uitsluitend door hen worden gebruikt, de orde en de tucht te waarborgen. Zij kunnen, indien nodig, hiervoor de bijstand vragen van de ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied zij zich bevinden.
7. De Partijen zorgen, in het kader van hun wetten en voorschriften, ten behoeve van de dienst voor alle faciliteiten betreffende het gebruik van telecommunicatiemiddelen.
8. De dienstbrieven en -pakketten komende van of bestemd voor de gemeenschappelijke centra, kunnen worden vervoerd door de ambtenaren die hiervoor zijn aangesteld, zonder de tussenkomst van de post.
2. De bevoegde diensten van beide Partijen bepalen in onderling akkoord de installaties die nodig zijn voor de werking van de gemeenschappelijke centra. Zij stellen er de ambtenaren aan die noodzakelijk zijn om de goede uitvoering van de opdrachten van de gemeenschappelijke centra en de continuïteit van hun acties te verzekeren.
3. De gemeenschappelijke centra houden documentatie bij om te kunnen voldoen aan de informatiebehoeften van alle eenheden en diensten belast met politie- en douaneopdrachten van beide Partijen, zoals de gegevens van de territoriaal bevoegde politie- en douanediensten en de topografie van het gebied waarvoor zij bevoegd zijn.
4. De verdeling van de eventuele bouw-, onderhouds- en werkingskosten van elk gemeenschappelijk centrum maakt, indien nodig, het voorwerp uit van een uitvoeringsovereenkomst tussen de Partijen of een afspraak tussen hun bevoegde Ministers.
5. De gemeenschappelijke centra worden aangeduid met officiële opschriften.
6. De ambtenaren van elke Partij zijn gemachtigd om, in de lokalen die binnen de gemeenschappelijke centra uitsluitend door hen worden gebruikt, de orde en de tucht te waarborgen. Zij kunnen, indien nodig, hiervoor de bijstand vragen van de ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied zij zich bevinden.
7. De Partijen zorgen, in het kader van hun wetten en voorschriften, ten behoeve van de dienst voor alle faciliteiten betreffende het gebruik van telecommunicatiemiddelen.
8. De dienstbrieven en -pakketten komende van of bestemd voor de gemeenschappelijke centra, kunnen worden vervoerd door de ambtenaren die hiervoor zijn aangesteld, zonder de tussenkomst van de post.
Art. 3. 1. Des centres de coopération policière et douanière, dénommés ci-après les " centres communs ", sont installés à proximité de la frontière commune des deux Parties et destinés à accueillir un personnel composé d'agents des deux Parties.
2. Les services compétents des deux Parties déterminent d'un commun accord les installations nécessaires au fonctionnement des centres communs. Ils y affectent les agents nécessaires pour assurer la bonne exécution des missions des centres communs et la continuité de leur action.
3. Les centres communs tiennent à jour une documentation permettant de répondre aux besoins d'information de l'ensemble des unités et services chargés des missions de police et de douane des deux Parties, comme les coordonnées des services de police et de douane territorialement compétents et la topographie de la zone pour laquelle ils sont compétents.
4. La répartition des frais de construction éventuels, d'entretien et de fonctionnement de chaque centre commun fait, si nécessaire, l'objet d'un accord d'exécution entre les Parties ou d'un arrangement entre leurs Ministres compétents.
5. Les centres communs sont signalés par des inscriptions officielles.
6. A l'intérieur des locaux affectés à leur usage exclusif au sein des centres communs, les agents de chaque Partie sont habilités à assurer l'ordre et la discipline. Ils peuvent, si besoin, requérir à cet effet l'assistance des agents de la Partie sur le territoire de laquelle ils se trouvent.
7. Les Parties s'accordent aux fins du service toutes facilités dans le cadre de leurs lois et règlements en ce qui concerne l'utilisation des moyens de télécommunication.
8. Les lettres et paquets de service en provenance ou à destination des centres communs peuvent être transportés par les soins des agents qui y sont affectés sans l'intermédiaire du service postal.
2. Les services compétents des deux Parties déterminent d'un commun accord les installations nécessaires au fonctionnement des centres communs. Ils y affectent les agents nécessaires pour assurer la bonne exécution des missions des centres communs et la continuité de leur action.
3. Les centres communs tiennent à jour une documentation permettant de répondre aux besoins d'information de l'ensemble des unités et services chargés des missions de police et de douane des deux Parties, comme les coordonnées des services de police et de douane territorialement compétents et la topographie de la zone pour laquelle ils sont compétents.
4. La répartition des frais de construction éventuels, d'entretien et de fonctionnement de chaque centre commun fait, si nécessaire, l'objet d'un accord d'exécution entre les Parties ou d'un arrangement entre leurs Ministres compétents.
5. Les centres communs sont signalés par des inscriptions officielles.
6. A l'intérieur des locaux affectés à leur usage exclusif au sein des centres communs, les agents de chaque Partie sont habilités à assurer l'ordre et la discipline. Ils peuvent, si besoin, requérir à cet effet l'assistance des agents de la Partie sur le territoire de laquelle ils se trouvent.
7. Les Parties s'accordent aux fins du service toutes facilités dans le cadre de leurs lois et règlements en ce qui concerne l'utilisation des moyens de télécommunication.
8. Les lettres et paquets de service en provenance ou à destination des centres communs peuvent être transportés par les soins des agents qui y sont affectés sans l'intermédiaire du service postal.
Art. 4. 1. Een gemeenschappelijk centrum wordt gevestigd in Doornik. Het is bevoegd voor het deel van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone, hierna het "grensgebied" genoemd, samengesteld uit :
- voor de Belgische Partij, de provincies West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Luxemburg;
- voor de Franse Partij, alle departementen van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone.
2. In het kader van deze Overeenkomst kunnen de Partijen, door middel van uitvoeringsovereenkomsten of technische afspraken in de zin van artikel 29, het aantal en de vestigingsplaats van de gemeenschappelijke centra wijzigen.
3. De bepalingen van onderhavige titel worden uitgevoerd onverminderd de andere bilaterale of multilaterale verbintenissen die de Partijen binden en hebben geen gevolg voor de andere gemeenschappelijke centra waarin de Partijen vertegenwoordigd zijn.
- voor de Belgische Partij, de provincies West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Luxemburg;
- voor de Franse Partij, alle departementen van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone.
2. In het kader van deze Overeenkomst kunnen de Partijen, door middel van uitvoeringsovereenkomsten of technische afspraken in de zin van artikel 29, het aantal en de vestigingsplaats van de gemeenschappelijke centra wijzigen.
3. De bepalingen van onderhavige titel worden uitgevoerd onverminderd de andere bilaterale of multilaterale verbintenissen die de Partijen binden en hebben geen gevolg voor de andere gemeenschappelijke centra waarin de Partijen vertegenwoordigd zijn.
Art. 4. 1. Un centre commun est implanté à Tournai. Il est compétent pour la partie de la zone de compétence commune, ci-après définie comme la " zone frontalière ", qui est constituée :
- pour la Partie belge, des provinces de la Flandre occidentale, du Hainaut, de Namur et de Luxembourg;
- pour la Partie française, de l'ensemble des départements de la zone de compétence commune.
2. Dans le cadre du présent Accord, les Parties peuvent modifier le nombre et la localisation des centres communs par la voie d'accords d'exécution ou d'arrangements techniques, au sens de l'article 29.
3. Les dispositions du présent titre sont mises en oeuvre sans préjudice des autres engagements bilatéraux ou multilatéraux liant les Parties et n'affectent pas les autres centres communs dans lesquels les Parties sont représentées.
- pour la Partie belge, des provinces de la Flandre occidentale, du Hainaut, de Namur et de Luxembourg;
- pour la Partie française, de l'ensemble des départements de la zone de compétence commune.
2. Dans le cadre du présent Accord, les Parties peuvent modifier le nombre et la localisation des centres communs par la voie d'accords d'exécution ou d'arrangements techniques, au sens de l'article 29.
3. Les dispositions du présent titre sont mises en oeuvre sans préjudice des autres engagements bilatéraux ou multilatéraux liant les Parties et n'affectent pas les autres centres communs dans lesquels les Parties sont représentées.
Art. 5. 1. De gemeenschappelijke centra worden opgericht ter bevordering van het goede verloop van de grensoverschrijdende samenwerking inzake politie- en douanezaken, inzonderheid met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid alsook de bestrijding van de sluikhandel, de illegale immigratie en de grensoverschrijdende criminaliteit.
2. Onder voorbehoud van de bevoegdheden van de nationale centrale organen, staan de gemeenschappelijke centra, voor de uitwisseling van informatie die verband houdt met het grensgebied, ter beschikking van alle eenheden en diensten die belast zijn met politie- en douaneopdrachten van beide Partijen.
3. Bij uitzondering, in situaties van operationele hoogdringendheid waarbij de uitwisseling via een ander kanaal aanleiding zou geven tot een vertraging die de uitvoering van de opdrachten van de dienst die de informatie aanvraagt in het gedrang brengt, kunnen de gemeenschappelijke centra, binnen hun bevoegdheidsdomein, eveneens ingeschakeld worden in gevallen die geen verband hebben met het grensgebied. De centrale organen van de Partijen worden betrokken bij deze uitwisselingen van gegevens, overeenkomstig de respectieve nationale organisatie van elke Partij.
4. De gemeenschappelijke centra verzamelen, verwerken, analyseren en dragen bij tot het samenbrengen van politie- en douanegegevens ten behoeve van de diensten die bevoegd zijn in het grensgebied. Voorts waken zij over en anticiperen zij op misdaadverschijnselen en bieden zij ondersteuning aan de operationele diensten van de Partijen.
5. De informatie die als dusdanig door de gemeenschappelijke centra wordt ontvangen, verwerkt en verstrekt, wordt behandeld met inachtneming van de relevante internationale, Europese en nationale bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
6. De gemeenschappelijke centra hebben niet als taak om autonoom optredens van operationele aard te verrichten.
2. Onder voorbehoud van de bevoegdheden van de nationale centrale organen, staan de gemeenschappelijke centra, voor de uitwisseling van informatie die verband houdt met het grensgebied, ter beschikking van alle eenheden en diensten die belast zijn met politie- en douaneopdrachten van beide Partijen.
3. Bij uitzondering, in situaties van operationele hoogdringendheid waarbij de uitwisseling via een ander kanaal aanleiding zou geven tot een vertraging die de uitvoering van de opdrachten van de dienst die de informatie aanvraagt in het gedrang brengt, kunnen de gemeenschappelijke centra, binnen hun bevoegdheidsdomein, eveneens ingeschakeld worden in gevallen die geen verband hebben met het grensgebied. De centrale organen van de Partijen worden betrokken bij deze uitwisselingen van gegevens, overeenkomstig de respectieve nationale organisatie van elke Partij.
4. De gemeenschappelijke centra verzamelen, verwerken, analyseren en dragen bij tot het samenbrengen van politie- en douanegegevens ten behoeve van de diensten die bevoegd zijn in het grensgebied. Voorts waken zij over en anticiperen zij op misdaadverschijnselen en bieden zij ondersteuning aan de operationele diensten van de Partijen.
5. De informatie die als dusdanig door de gemeenschappelijke centra wordt ontvangen, verwerkt en verstrekt, wordt behandeld met inachtneming van de relevante internationale, Europese en nationale bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
6. De gemeenschappelijke centra hebben niet als taak om autonoom optredens van operationele aard te verrichten.
Art. 5. 1. Les centres communs sont établis pour favoriser le bon déroulement de la coopération transfrontalière en matière policière et douanière, notamment pour sauvegarder la sécurité et l'ordre publics et lutter contre les trafics illicites, l'immigration irrégulière et la délinquance transfrontalière.
2. Sous réserve de la compétence des organes centraux nationaux, les centres communs sont, pour l'échange d'informations ayant un lien avec la zone frontalière, à la disposition de l'ensemble des unités et services chargés des missions de police et de douane des deux Parties.
3. Par exception, dans les situations d'urgence opérationnelle où l'échange par un autre canal impliquerait un retard qui entraverait l'exécution des missions du service demandeur, les centres communs peuvent également être sollicités, dans leurs domaines de compétence, pour des cas n'ayant pas de lien avec la zone frontalière. Les organes centraux des Parties sont associés à ces échanges d'informations, conformément à l'organisation nationale respective de chaque Partie.
4. Les centres communs recueillent, traitent, analysent et procèdent à des rapprochements des informations policières et douanières au profit des services compétents dans la zone frontalière. De même, ils procèdent à la veille et à l'anticipation des phénomènes criminels et apportent leur appui aux services opérationnels des Parties.
5. Les informations reçues, exploitées et transmises par les centres communs sont traitées dans le respect des dispositions internationales, européennes et nationales pertinentes en matière de protection des données à caractère personnel.
6. Les centres communs n'ont pas vocation à effectuer de façon autonome des interventions à caractère opérationnel.
2. Sous réserve de la compétence des organes centraux nationaux, les centres communs sont, pour l'échange d'informations ayant un lien avec la zone frontalière, à la disposition de l'ensemble des unités et services chargés des missions de police et de douane des deux Parties.
3. Par exception, dans les situations d'urgence opérationnelle où l'échange par un autre canal impliquerait un retard qui entraverait l'exécution des missions du service demandeur, les centres communs peuvent également être sollicités, dans leurs domaines de compétence, pour des cas n'ayant pas de lien avec la zone frontalière. Les organes centraux des Parties sont associés à ces échanges d'informations, conformément à l'organisation nationale respective de chaque Partie.
4. Les centres communs recueillent, traitent, analysent et procèdent à des rapprochements des informations policières et douanières au profit des services compétents dans la zone frontalière. De même, ils procèdent à la veille et à l'anticipation des phénomènes criminels et apportent leur appui aux services opérationnels des Parties.
5. Les informations reçues, exploitées et transmises par les centres communs sont traitées dans le respect des dispositions internationales, européennes et nationales pertinentes en matière de protection des données à caractère personnel.
6. Les centres communs n'ont pas vocation à effectuer de façon autonome des interventions à caractère opérationnel.
Art. 6. Binnen de gemeenschappelijke centra dragen de bevoegde diensten, wat de domeinen bedoeld in artikel 5 betreft, bij tot :
- de coördinatie van gezamenlijke punctuele surveillancemaatregelen en interventie-opdrachten in het grensgebied;
- de voorbereiding en uitvoering van overnames van onregelmatig verblijvende personen, in het bijzonder overeenkomstig de modaliteiten zoals voorzien in het Akkoord tussen de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Regering van de Franse Republiek, anderzijds, betreffende de overname van personen aan de gemeenschappelijke grenzen tussen Frankrijk en de landen van de Benelux;
- de hulp bij de voorbereiding en de ondersteuning van grensoverschrijdende observaties en grensoverschrijdende achtervolgingen, zoals gedefinieerd in de SUO en in de Napels II Overeenkomst.
- de coördinatie van gezamenlijke punctuele surveillancemaatregelen en interventie-opdrachten in het grensgebied;
- de voorbereiding en uitvoering van overnames van onregelmatig verblijvende personen, in het bijzonder overeenkomstig de modaliteiten zoals voorzien in het Akkoord tussen de Regeringen van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Regering van de Franse Republiek, anderzijds, betreffende de overname van personen aan de gemeenschappelijke grenzen tussen Frankrijk en de landen van de Benelux;
- de hulp bij de voorbereiding en de ondersteuning van grensoverschrijdende observaties en grensoverschrijdende achtervolgingen, zoals gedefinieerd in de SUO en in de Napels II Overeenkomst.
Art. 6. Au sein des centres communs, dans les domaines visés à l'article 5, les services compétents contribuent :
- à la coordination de mesures conjointes de surveillance et d'intervention ponctuelles dans la zone frontalière;
- à la préparation et à l'exécution des opérations de remise de personnes en situation irrégulière, notamment dans les conditions prévues par l'Arrangement entre les Gouvernements du Royaume de Belgique, du Grand-duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas, d'une part, et le Gouvernement de la République française d'autre part, concernant la prise en charge de personnes aux frontières communes entre la France et le territoire des Etats du Benelux et par la législation de l'Union européenne;
- à l'aide à la préparation et au soutien des observations transfrontalières et des poursuites transfrontalières, telles qu'elles sont définies dans la CAAS et dans la Convention Naples II notamment.
- à la coordination de mesures conjointes de surveillance et d'intervention ponctuelles dans la zone frontalière;
- à la préparation et à l'exécution des opérations de remise de personnes en situation irrégulière, notamment dans les conditions prévues par l'Arrangement entre les Gouvernements du Royaume de Belgique, du Grand-duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas, d'une part, et le Gouvernement de la République française d'autre part, concernant la prise en charge de personnes aux frontières communes entre la France et le territoire des Etats du Benelux et par la législation de l'Union européenne;
- à l'aide à la préparation et au soutien des observations transfrontalières et des poursuites transfrontalières, telles qu'elles sont définies dans la CAAS et dans la Convention Naples II notamment.
Art. 7. 1. Binnen de gemeenschappelijke centra wordt overgegaan tot een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, hierna het "gemeenschappelijk bestand" genoemd, met als oogmerk het verzamelen en voorleggen van verzoeken betreffende de opdrachten die in de artikelen 5 en 6 bedoeld worden. De gegevens die opgenomen zijn in de geautomatiseerde verwerking, voordien verricht door de gemeenschappelijke centra van de Partijen opgericht op grond van het Akkoord van Doornik, worden ingevoerd in dat gemeenschappelijk bestand.
2. De inschrijving van persoonsgegevens in het gemeenschappelijke bestand gebeurt enkel door de gemachtigde ambtenaren die de Partijen aangesteld hebben bij de gemeenschappelijke centra. Iedere gemachtigde ambtenaar kan de gegevens aanvullen die voorafgaandelijk zijn ingevoerd door een andere ambtenaar, ongeacht het nationale detachement waartoe zij behoren. De Partijen plegen overleg in geval van tegenstrijdigheid tussen gegevens opgenomen in het gemeenschappelijk bestand.
3. Bij de registratie van gegevens in het gemeenschappelijk bestand vergewist ieder detachement zich ervan dat deze gegevens :
a. eerlijk en rechtmatig zijn ingezameld en verwerkt;
b. ingezameld zijn voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden;
c. toereikend, terzake dienend en niet overmatig zijn, ten opzichte van de doeleinden waarvoor zij zijn ingezameld en verwerkt;
d. naderhand coherent verwerkt zijn volgens hun initiële finaliteit;
e. nauwkeurig, volledig en, zo nodig, bijgewerkt zijn.
4. Alleen de gemachtigde ambtenaren van de gemeenschappelijke centra hebben toegang tot de persoonsgegevens die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk bestand. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking neemt alle maatregelen die nodig zijn om de traceerbaarheid te verzekeren van de raadplegingen, wijzigingen en schrappingen van gegevens die opgenomen zijn in het gemeenschappelijk bestand.
5. Met inachtneming van hun nationale wetgeving en overeenkomstig de richtlijnen van de overheden die hen tewerk stellen kunnen de ambtenaren gegevens afkomstig van het gemeenschappelijk bestand overmaken aan de eenheden of diensten van hun Partij van oorsprong, als deze noodzakelijk blijken voor de uitvoering van hun opdrachten. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking werkt procedures en instrumenten uit die het mogelijk maken om de aldus gerealiseerde overdrachten van gegevens te inventariseren en op te volgen.
6. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking neemt alle maatregelen die nodig zijn om te verhinderen dat de gegevens uit het gemeenschappelijk bestand door een niet gemachtigde persoon kunnen geraadpleegd, gekopieerd, gewijzigd of geëxporteerd worden. Daarnaast waakt zij erover om de niet gemachtigde invoering van gegevens in het gemeenschappelijk bestand, alsook iedere - toevallige of bewuste - niet gemachtigde raadpleging, wijziging of verwijdering van reeds opgenomen gegevens, te voorkomen.
7. De in het gemeenschappelijk bestand geregistreerde persoonsgegevens worden gewist wanneer ze niet correct zijn ingevoerd of wanneer ze niet meer gekend moeten zijn voor het vervullen van de opdrachten van de gemeenschappelijke centra. Het schrappen van de gegevens gebeurt uiterlijk na afloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de laatste registratie ervan.
8. Het verwijderen van gegevens gebeurt door een ambtenaar van het detachement die deze gegevens aanvankelijk had geregistreerd. Als die gegevens door een ambtenaar van het andere detachement worden aangevuld, dan wordt deze laatste hiervan verwittigd en is het zijn taak om de laatst ingevoerde gegevens aan te passen of te verwijderen. Bovendien informeren de detachementen elkaar over ieder element dat laat vermoeden dat er in een gegeven dat in het gemeenschappelijk bestand opgeslagen is fouten staan en nemen zij alle maatregelen die nodig zijn om deze gegevens te verifiëren en, indien nodig, te corrigeren of te wissen. Zij brengen de bevoegde diensten aan wie deze gegevens overgemaakt zijn hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.
9. De rechten inzake toegang van personen tot persoonsgegevens die op hen betrekking hebben en die voorkomen in het gemeenschappelijk bestand worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen zoals voorzien in het recht van de Staat op wiens grondgebied het gemeenschappelijk bestand is ondergebracht.
10. De controle op de bescherming van de persoonsgegevens in het gemeenschappelijk bestand wordt verzekerd door de bevoegde overheden van de Partijen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de Europese wetgeving. Hiertoe worden controles uitgevoerd door de ambtenaren die bij de gemeenschappelijke centra aangesteld zijn, samen met de overheden die hen tewerk stellen, of door de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten van de Partijen.
2. De inschrijving van persoonsgegevens in het gemeenschappelijke bestand gebeurt enkel door de gemachtigde ambtenaren die de Partijen aangesteld hebben bij de gemeenschappelijke centra. Iedere gemachtigde ambtenaar kan de gegevens aanvullen die voorafgaandelijk zijn ingevoerd door een andere ambtenaar, ongeacht het nationale detachement waartoe zij behoren. De Partijen plegen overleg in geval van tegenstrijdigheid tussen gegevens opgenomen in het gemeenschappelijk bestand.
3. Bij de registratie van gegevens in het gemeenschappelijk bestand vergewist ieder detachement zich ervan dat deze gegevens :
a. eerlijk en rechtmatig zijn ingezameld en verwerkt;
b. ingezameld zijn voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden;
c. toereikend, terzake dienend en niet overmatig zijn, ten opzichte van de doeleinden waarvoor zij zijn ingezameld en verwerkt;
d. naderhand coherent verwerkt zijn volgens hun initiële finaliteit;
e. nauwkeurig, volledig en, zo nodig, bijgewerkt zijn.
4. Alleen de gemachtigde ambtenaren van de gemeenschappelijke centra hebben toegang tot de persoonsgegevens die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk bestand. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking neemt alle maatregelen die nodig zijn om de traceerbaarheid te verzekeren van de raadplegingen, wijzigingen en schrappingen van gegevens die opgenomen zijn in het gemeenschappelijk bestand.
5. Met inachtneming van hun nationale wetgeving en overeenkomstig de richtlijnen van de overheden die hen tewerk stellen kunnen de ambtenaren gegevens afkomstig van het gemeenschappelijk bestand overmaken aan de eenheden of diensten van hun Partij van oorsprong, als deze noodzakelijk blijken voor de uitvoering van hun opdrachten. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking werkt procedures en instrumenten uit die het mogelijk maken om de aldus gerealiseerde overdrachten van gegevens te inventariseren en op te volgen.
6. De overheid die verantwoordelijk is voor de verwerking neemt alle maatregelen die nodig zijn om te verhinderen dat de gegevens uit het gemeenschappelijk bestand door een niet gemachtigde persoon kunnen geraadpleegd, gekopieerd, gewijzigd of geëxporteerd worden. Daarnaast waakt zij erover om de niet gemachtigde invoering van gegevens in het gemeenschappelijk bestand, alsook iedere - toevallige of bewuste - niet gemachtigde raadpleging, wijziging of verwijdering van reeds opgenomen gegevens, te voorkomen.
7. De in het gemeenschappelijk bestand geregistreerde persoonsgegevens worden gewist wanneer ze niet correct zijn ingevoerd of wanneer ze niet meer gekend moeten zijn voor het vervullen van de opdrachten van de gemeenschappelijke centra. Het schrappen van de gegevens gebeurt uiterlijk na afloop van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de laatste registratie ervan.
8. Het verwijderen van gegevens gebeurt door een ambtenaar van het detachement die deze gegevens aanvankelijk had geregistreerd. Als die gegevens door een ambtenaar van het andere detachement worden aangevuld, dan wordt deze laatste hiervan verwittigd en is het zijn taak om de laatst ingevoerde gegevens aan te passen of te verwijderen. Bovendien informeren de detachementen elkaar over ieder element dat laat vermoeden dat er in een gegeven dat in het gemeenschappelijk bestand opgeslagen is fouten staan en nemen zij alle maatregelen die nodig zijn om deze gegevens te verifiëren en, indien nodig, te corrigeren of te wissen. Zij brengen de bevoegde diensten aan wie deze gegevens overgemaakt zijn hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte.
9. De rechten inzake toegang van personen tot persoonsgegevens die op hen betrekking hebben en die voorkomen in het gemeenschappelijk bestand worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen zoals voorzien in het recht van de Staat op wiens grondgebied het gemeenschappelijk bestand is ondergebracht.
10. De controle op de bescherming van de persoonsgegevens in het gemeenschappelijk bestand wordt verzekerd door de bevoegde overheden van de Partijen, overeenkomstig hun internationale verplichtingen en de Europese wetgeving. Hiertoe worden controles uitgevoerd door de ambtenaren die bij de gemeenschappelijke centra aangesteld zijn, samen met de overheden die hen tewerk stellen, of door de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten van de Partijen.
Art. 7. 1. Il est créé au sein des centres communs un traitement automatisé de données à caractère personnel, dénommé ci-après " le fichier commun ", dont la finalité est la collecte et la présentation de requêtes relatives aux missions visées aux articles 5 et 6. Les données contenues dans le traitement automatisé qui était précédemment mis en oeuvre par les centres communs établis entre les Parties sur le fondement de l'Accord de Tournai sont transférées dans ce fichier commun.
2. L'inscription des données à caractère personnel dans le fichier commun est effectuée par les seuls agents habilités des Parties affectés au sein des centres communs. Chaque agent habilité peut compléter les données préalablement enregistrées par un autre agent, quel que soit le détachement national d'appartenance de ces agents. Les Parties se concertent en cas de contradiction entre données contenues dans le fichier commun.
3. Chaque détachement s'assure, lors de l'enregistrement des données dans le fichier commun, qu'elles sont :
a. collectées et traitées de manière licite et loyale;
b. collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes;
c. adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées et traitées;
d. traitées ultérieurement d'une manière cohérente avec leur finalité initiale;
e. exactes, complètes et, si nécessaire, mises à jour.
4. Seuls les agents habilités des centres communs ont accès aux données à caractère personnel enregistrées dans le fichier commun. L'autorité responsable du traitement prend toutes dispositions utiles pour assurer la traçabilité des consultations, modifications et suppressions de données contenues dans le fichier commun.
5. Dans le respect de leur législation nationale et conformément aux directives de leurs autorités d'emploi, les agents des centres communs peuvent communiquer aux unités ou services destinataires de leur Partie d'origine des données issues du fichier commun, si elles s'avèrent nécessaires pour l'exécution de leurs missions. L'autorité responsable du traitement met en place les procédures et outils permettant le recensement et le suivi des transmissions de données ainsi réalisées.
6. L'autorité responsable du traitement prend toutes dispositions utiles pour empêcher que les données contenues dans le fichier commun ne puissent être consultées, copiées, modifiées ou exportées par une personne non autorisée. Elle veille en outre à prévenir l'introduction non autorisée de données dans le fichier commun ainsi que toute consultation, modification ou effacement non autorisé - délibéré comme fortuit - de données déjà intégrées.
7. Les données à caractère personnel enregistrées dans le fichier commun sont effacées lorsque leur intégration est incorrecte ou que leur connaissance n'est plus nécessaire pour l'accomplissement des missions des centres communs. La suppression intervient au plus tard à l'issue d'un délai de trois ans à compter de leur dernier enregistrement.
8. L'effacement des données est effectué par un agent du détachement ayant initialement enregistré ces données. Si ces données ont été complétées par un agent de l'autre détachement, ce dernier en est avisé et la mise à jour ou l'effacement des données ultérieures lui incombe. Les détachements s'informent en outre de tout élément faisant présumer qu'une donnée enregistrée dans le fichier commun est entachée d'erreur et prennent toutes mesures utiles aux fins de vérification et, si nécessaire, de correction ou d'effacement de ces données. Ils en informent dans les meilleurs délais les services compétents auxquels ces données ont été communiquées.
9. Les droits d'accès des personnes aux données à caractère personnel les concernant qui figurent dans le fichier commun s'exercent conformément aux dispositions prévues par le droit de l'Etat sur le territoire duquel le fichier commun est hébergé.
10. Le contrôle de la protection des données à caractère personnel contenues dans le fichier commun est assuré par les autorités compétentes des Parties, conformément aux engagements internationaux liant les Parties et à la législation européenne. Des contrôles sont pratiqués à cette fin par les agents affectés dans les centres communs, en liaison avec leurs autorités d'emploi, ou par les autorités nationales de protection des données des Parties.
2. L'inscription des données à caractère personnel dans le fichier commun est effectuée par les seuls agents habilités des Parties affectés au sein des centres communs. Chaque agent habilité peut compléter les données préalablement enregistrées par un autre agent, quel que soit le détachement national d'appartenance de ces agents. Les Parties se concertent en cas de contradiction entre données contenues dans le fichier commun.
3. Chaque détachement s'assure, lors de l'enregistrement des données dans le fichier commun, qu'elles sont :
a. collectées et traitées de manière licite et loyale;
b. collectées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes;
c. adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont collectées et traitées;
d. traitées ultérieurement d'une manière cohérente avec leur finalité initiale;
e. exactes, complètes et, si nécessaire, mises à jour.
4. Seuls les agents habilités des centres communs ont accès aux données à caractère personnel enregistrées dans le fichier commun. L'autorité responsable du traitement prend toutes dispositions utiles pour assurer la traçabilité des consultations, modifications et suppressions de données contenues dans le fichier commun.
5. Dans le respect de leur législation nationale et conformément aux directives de leurs autorités d'emploi, les agents des centres communs peuvent communiquer aux unités ou services destinataires de leur Partie d'origine des données issues du fichier commun, si elles s'avèrent nécessaires pour l'exécution de leurs missions. L'autorité responsable du traitement met en place les procédures et outils permettant le recensement et le suivi des transmissions de données ainsi réalisées.
6. L'autorité responsable du traitement prend toutes dispositions utiles pour empêcher que les données contenues dans le fichier commun ne puissent être consultées, copiées, modifiées ou exportées par une personne non autorisée. Elle veille en outre à prévenir l'introduction non autorisée de données dans le fichier commun ainsi que toute consultation, modification ou effacement non autorisé - délibéré comme fortuit - de données déjà intégrées.
7. Les données à caractère personnel enregistrées dans le fichier commun sont effacées lorsque leur intégration est incorrecte ou que leur connaissance n'est plus nécessaire pour l'accomplissement des missions des centres communs. La suppression intervient au plus tard à l'issue d'un délai de trois ans à compter de leur dernier enregistrement.
8. L'effacement des données est effectué par un agent du détachement ayant initialement enregistré ces données. Si ces données ont été complétées par un agent de l'autre détachement, ce dernier en est avisé et la mise à jour ou l'effacement des données ultérieures lui incombe. Les détachements s'informent en outre de tout élément faisant présumer qu'une donnée enregistrée dans le fichier commun est entachée d'erreur et prennent toutes mesures utiles aux fins de vérification et, si nécessaire, de correction ou d'effacement de ces données. Ils en informent dans les meilleurs délais les services compétents auxquels ces données ont été communiquées.
9. Les droits d'accès des personnes aux données à caractère personnel les concernant qui figurent dans le fichier commun s'exercent conformément aux dispositions prévues par le droit de l'Etat sur le territoire duquel le fichier commun est hébergé.
10. Le contrôle de la protection des données à caractère personnel contenues dans le fichier commun est assuré par les autorités compétentes des Parties, conformément aux engagements internationaux liant les Parties et à la législation européenne. Des contrôles sont pratiqués à cette fin par les agents affectés dans les centres communs, en liaison avec leurs autorités d'emploi, ou par les autorités nationales de protection des données des Parties.
Art. 8. 1. Ieder detachement neemt de nodige maatregelen om het hoogste veiligheidsniveau van de dienstlokalen, voertuigen en uitrusting van het gemeenschappelijk centrum te verzekeren en om de integriteit van de infrastructuur en systemen die bijdragen tot de werking ervan te waarborgen.
2. Ieder detachement vergewist zich van het respect voor de vertrouwelijkheid van de informatie en documenten die in het kader van de werking van het gemeenschappelijk centrum ontvangen worden, indien deze het voorwerp uitmaken van een bijzondere bescherming vanwege hun afzender of als de afzender de verspreiding ervan uitdrukkelijk heeft verboden.
3. De informatie en documenten, die door een detachement van het gemeenschappelijk centrum ontvangen worden en die door hun afzender als vertrouwelijk beschouwd worden of die het voorwerp uitmaken van een bijzondere bescherming, kunnen slechts overgemaakt worden na uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de oorspronkelijke zender.
2. Ieder detachement vergewist zich van het respect voor de vertrouwelijkheid van de informatie en documenten die in het kader van de werking van het gemeenschappelijk centrum ontvangen worden, indien deze het voorwerp uitmaken van een bijzondere bescherming vanwege hun afzender of als de afzender de verspreiding ervan uitdrukkelijk heeft verboden.
3. De informatie en documenten, die door een detachement van het gemeenschappelijk centrum ontvangen worden en die door hun afzender als vertrouwelijk beschouwd worden of die het voorwerp uitmaken van een bijzondere bescherming, kunnen slechts overgemaakt worden na uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de oorspronkelijke zender.
Art. 8. 1. Chaque détachement prend les dispositions permettant d'assurer le plus haut niveau de sécurité et de sûreté des locaux de service, véhicules et équipements du centre commun et de garantir l'intégrité des infrastructures et systèmes concourant à son fonctionnement.
2. Chaque détachement s'assure du respect de la confidentialité des informations et documents reçus au titre du fonctionnement du centre commun, si ceux-ci ont fait l'objet d'une protection particulière de la part de leur émetteur ou si celui-ci a explicitement proscrit leur diffusion.
3. Les informations et documents, reçus par un détachement du centre commun et considérés par leur émetteur comme confidentiels ou devant faire l'objet d'une protection particulière, ne peuvent faire l'objet d'une communication qu'après autorisation expresse par écrit de l'émetteur initial.
2. Chaque détachement s'assure du respect de la confidentialité des informations et documents reçus au titre du fonctionnement du centre commun, si ceux-ci ont fait l'objet d'une protection particulière de la part de leur émetteur ou si celui-ci a explicitement proscrit leur diffusion.
3. Les informations et documents, reçus par un détachement du centre commun et considérés par leur émetteur comme confidentiels ou devant faire l'objet d'une protection particulière, ne peuvent faire l'objet d'une communication qu'après autorisation expresse par écrit de l'émetteur initial.
Art. 9. De gemeenschappelijke centra nemen eveneens deel aan de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, met het oog op het efficiënter beteugelen van inbreuken inzake verkeersveiligheid gepleegd op het grondgebied van beide Partijen, en dragen in dat opzicht bij tot het vervullen van hun verplichtingen in dit domein.
Art. 9. Les centres communs participent également à l'échange transfrontalier d'informations, y compris de données à caractère personnel, en vue de permettre une répression plus efficace des infractions en matière de sécurité routière commises sur les territoires des deux Parties et contribuent à ce titre à l'accomplissement de leurs obligations dans ce domaine.
Art. 10. 1. De ambtenaren die in dienst zijn bij de gemeenschappelijke centra, en die uitsluitend tot de bevoegde diensten van de Partijen behoren, werken in team en wisselen met elkaar de informatie uit die zij inzamelen. Zij mogen antwoorden op de vragen naar informatie uitgaande van de bevoegde diensten van beide Partijen.
2. Elke Partij houdt een lijst bij met de ambtenaren die in de gemeenschappelijke centra zijn aangesteld, en verstrekt die aan de andere Partij.
3. De ambtenaren die in de gemeenschappelijke centra zijn aangesteld, vallen onder hun oorspronkelijke hiërarchie.
4. De bevoegde diensten van elke Partij wijzen iemand van hun ambtenaren aan die verantwoordelijk is voor de organisatie van het werk dat samen met zijn ambtgenoot wordt uitgevoerd. Deze ambtenaar dragen de titel van "coördinator van het gemeenschappelijk centrum". De Partijen vergewissen zich van het evenwicht van de graden van hun respectieve coördinator en informeren elkaar over de identiteit van hun toekomstige coördinator.
5. Elke partij kent aan de ambtenaren van de andere Partij, die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra, dezelfde bescherming en bijstand toe als aan haar eigen ambtenaren.
6. De strafbepalingen die in elke Staat gelden voor de bescherming van de ambtenaren bij de uitoefening van hun functies, zijn eveneens van toepassing op de inbreuken die worden gepleegd tegen de ambtenaren van de andere Staat, die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra.
7. De ambtenaren die aangesteld zijn in de gemeenschappelijke centra, zijn onderworpen aan de regels van burgerrechtelijke- en strafrechtelijke aansprakelijkheid in de artikelen 21, paragrafen 1 tot en met 3, en 22 van Besluit 2008/615/JBZ. Wanneer de ambtenaren die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra echter de diensten van de andere Partij op hun vraag bijstaan, is de gaststaat, overeenkomstig zijn nationaal recht, verantwoordelijk voor de schade die deze ambtenaren veroorzaken aan derden het kader van deze bijstand.
8. De ambtenaren van elke Partij die aangesteld zijn in de gemeenschappelijke centra, kunnen zich op het grondgebied van de andere Partij begeven en er hun dienst uitoefenen middels het dragen van hun nationale uniform of een duidelijk onderscheidend kenteken, alsook van hun individuele dienstwapens en elk ander toegelaten dwangmiddel, maar dit enkel en alleen om in voorkomend geval de wettige verdediging te verzekeren van zichzelf of van anderen, overeenkomstig de wetten en voorschriften van de Staat waar zij zich bevinden.
2. Elke Partij houdt een lijst bij met de ambtenaren die in de gemeenschappelijke centra zijn aangesteld, en verstrekt die aan de andere Partij.
3. De ambtenaren die in de gemeenschappelijke centra zijn aangesteld, vallen onder hun oorspronkelijke hiërarchie.
4. De bevoegde diensten van elke Partij wijzen iemand van hun ambtenaren aan die verantwoordelijk is voor de organisatie van het werk dat samen met zijn ambtgenoot wordt uitgevoerd. Deze ambtenaar dragen de titel van "coördinator van het gemeenschappelijk centrum". De Partijen vergewissen zich van het evenwicht van de graden van hun respectieve coördinator en informeren elkaar over de identiteit van hun toekomstige coördinator.
5. Elke partij kent aan de ambtenaren van de andere Partij, die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra, dezelfde bescherming en bijstand toe als aan haar eigen ambtenaren.
6. De strafbepalingen die in elke Staat gelden voor de bescherming van de ambtenaren bij de uitoefening van hun functies, zijn eveneens van toepassing op de inbreuken die worden gepleegd tegen de ambtenaren van de andere Staat, die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra.
7. De ambtenaren die aangesteld zijn in de gemeenschappelijke centra, zijn onderworpen aan de regels van burgerrechtelijke- en strafrechtelijke aansprakelijkheid in de artikelen 21, paragrafen 1 tot en met 3, en 22 van Besluit 2008/615/JBZ. Wanneer de ambtenaren die zijn aangesteld in de gemeenschappelijke centra echter de diensten van de andere Partij op hun vraag bijstaan, is de gaststaat, overeenkomstig zijn nationaal recht, verantwoordelijk voor de schade die deze ambtenaren veroorzaken aan derden het kader van deze bijstand.
8. De ambtenaren van elke Partij die aangesteld zijn in de gemeenschappelijke centra, kunnen zich op het grondgebied van de andere Partij begeven en er hun dienst uitoefenen middels het dragen van hun nationale uniform of een duidelijk onderscheidend kenteken, alsook van hun individuele dienstwapens en elk ander toegelaten dwangmiddel, maar dit enkel en alleen om in voorkomend geval de wettige verdediging te verzekeren van zichzelf of van anderen, overeenkomstig de wetten en voorschriften van de Staat waar zij zich bevinden.
Art. 10. 1. Les agents en fonction dans les centres communs, appartenant exclusivement aux services compétents des Parties, travaillent en équipe et s'échangent les informations qu'ils recueillent. Ils peuvent répondre aux demandes d'informations des services compétents des deux Parties.
2. Chaque Partie tient à jour la liste des agents affectés dans les centres communs et la transmet à l'autre Partie.
3. Les agents affectés dans les centres communs relèvent de leur hiérarchie d'origine.
4. Les services compétents de chaque Partie désignent celui de leurs agents qui est responsable de l'organisation du travail commun avec son homologue. Cet agent porte le titre de " coordinateur du centre commun ". Les Parties s'assurent de l'équilibre des grades de leur coordinateur respectif et s'informent de l'identité de leur futur coordinateur.
5. Chaque Partie accorde aux agents de l'autre Partie affectés dans les centres communs situés sur son territoire la même protection et assistance qu'à ses propres agents.
6. Les dispositions pénales en vigueur dans chaque Etat pour la protection des fonctionnaires dans l'exercice de leurs fonctions sont également applicables aux infractions commises contre les agents de l'autre Etat affectés dans les centres communs.
7. Les agents affectés dans les centres communs sont soumis aux règles de responsabilité civile et pénale des articles 21, paragraphes 1 à 3, et 22 de la décision 2008/615/JAI. Cependant, lorsque les agents affectés dans un centre commun assistent les services de l'autre Partie à leur demande, l'Etat d'accueil est responsable, conformément à son droit national, des dommages que ces agents causent aux tiers dans le cadre de cette assistance.
8. Les agents de chaque Partie affectés dans les centres communs peuvent se rendre sur le territoire de l'autre Partie et effectuer leur service en portant leur uniforme national ou un signe distinctif apparent, ainsi que leurs armes individuelles de service et tout autre moyen de contrainte autorisé à la seule fin d'assurer le cas échéant leur légitime défense ou celle d'autrui, conformément aux lois et règlements de l'Etat de séjour.
2. Chaque Partie tient à jour la liste des agents affectés dans les centres communs et la transmet à l'autre Partie.
3. Les agents affectés dans les centres communs relèvent de leur hiérarchie d'origine.
4. Les services compétents de chaque Partie désignent celui de leurs agents qui est responsable de l'organisation du travail commun avec son homologue. Cet agent porte le titre de " coordinateur du centre commun ". Les Parties s'assurent de l'équilibre des grades de leur coordinateur respectif et s'informent de l'identité de leur futur coordinateur.
5. Chaque Partie accorde aux agents de l'autre Partie affectés dans les centres communs situés sur son territoire la même protection et assistance qu'à ses propres agents.
6. Les dispositions pénales en vigueur dans chaque Etat pour la protection des fonctionnaires dans l'exercice de leurs fonctions sont également applicables aux infractions commises contre les agents de l'autre Etat affectés dans les centres communs.
7. Les agents affectés dans les centres communs sont soumis aux règles de responsabilité civile et pénale des articles 21, paragraphes 1 à 3, et 22 de la décision 2008/615/JAI. Cependant, lorsque les agents affectés dans un centre commun assistent les services de l'autre Partie à leur demande, l'Etat d'accueil est responsable, conformément à son droit national, des dommages que ces agents causent aux tiers dans le cadre de cette assistance.
8. Les agents de chaque Partie affectés dans les centres communs peuvent se rendre sur le territoire de l'autre Partie et effectuer leur service en portant leur uniforme national ou un signe distinctif apparent, ainsi que leurs armes individuelles de service et tout autre moyen de contrainte autorisé à la seule fin d'assurer le cas échéant leur légitime défense ou celle d'autrui, conformément aux lois et règlements de l'Etat de séjour.
TITEL II. - DIRECTE SAMENWERKING
TITRE II. - COOPERATION DIRECTE
Art. 11. 1. De bevoegde diensten van elke Partij en hun ondergeschikte eenheden gaan in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone een directe samenwerking aan met hun ambtgenoten van de andere Partij, met inachtneming van de organisatieregels die door hun respectieve nationale overheden vastgelegd zijn.
2. Naast periodieke contacten tussen homologe eenheden, kan deze samenwerking met name bestaan uit het wederzijds detacheren van verbindingsambtenaren en uit het organiseren van gemeenschappelijke patrouilles en andere vormen van gezamenlijke operaties.
3. De directe samenwerking wordt uitgeoefend zonder afbreuk te doen aan de samenwerking bedoeld in Titel I van deze Overeenkomst en is er een aanvulling op. Elke inlichting, die in het kader van deze samenwerking wordt verkregen, wordt overgemaakt aan de gemeenschappelijke centra, met het oog op uitwisseling en analyse.
2. Naast periodieke contacten tussen homologe eenheden, kan deze samenwerking met name bestaan uit het wederzijds detacheren van verbindingsambtenaren en uit het organiseren van gemeenschappelijke patrouilles en andere vormen van gezamenlijke operaties.
3. De directe samenwerking wordt uitgeoefend zonder afbreuk te doen aan de samenwerking bedoeld in Titel I van deze Overeenkomst en is er een aanvulling op. Elke inlichting, die in het kader van deze samenwerking wordt verkregen, wordt overgemaakt aan de gemeenschappelijke centra, met het oog op uitwisseling en analyse.
Art. 11. 1. Les services compétents de chaque Partie et leurs unités subordonnées mettent en place une coopération directe dans la zone de compétence commune avec leurs homologues de l'autre Partie, dans le respect des règles d'organisation fixées par leurs autorités nationales respectives.
2. Outre les contacts périodiques entre unités homologues, cette coopération peut consister notamment à détacher réciproquement des agents de liaison et à mettre en place des patrouilles communes et d'autres formes d'opérations conjointes.
3. La coopération directe ne s'exerce pas au préjudice de la coopération visée au Titre Ier du présent Accord, mais lui est complémentaire. Tout renseignement obtenu dans le cadre de cette coopération est communiqué aux centres communs, aux fins d'échange et d'analyse.
2. Outre les contacts périodiques entre unités homologues, cette coopération peut consister notamment à détacher réciproquement des agents de liaison et à mettre en place des patrouilles communes et d'autres formes d'opérations conjointes.
3. La coopération directe ne s'exerce pas au préjudice de la coopération visée au Titre Ier du présent Accord, mais lui est complémentaire. Tout renseignement obtenu dans le cadre de cette coopération est communiqué aux centres communs, aux fins d'échange et d'analyse.
Art. 12. 1. De verbindingsambtenaren die voor de uitvoering van deze Overeenkomst gedetacheerd worden, hebben als taak om de contacten tussen de bevoegde diensten van beide Partijen te vergemakkelijken, zonder bevoegdheden van openbaar gezag uit te oefenen, behalve in de voorwaarden voorzien in het nationaal recht van elke Partij, in de internationale verplichtingen die beide Partijen binden of in de relevante normatieve rechtshandelingen van de Europese Unie. Indien nodig kan door de betreffende diensten en hun respectieve overheden een detacheringsovereenkomst worden opgesteld.
2. Deze ambtenaren werken samen met de overeenkomstige afdelingen van de eenheid waarbij zij zijn aangesteld. Zij hebben in die hoedanigheid toegang tot alle informatie betreffende de gemeenschappelijke bevoegdheidszone, die nuttig is voor de uitvoering van hun opdracht. De keuze van die informatie wordt in onderlinge overeenstemming bepaald met de verantwoordelijken van de overeenkomstige eenheden. De bepalingen van de artikelen 7 en 8 zijn trouwens mutatis mutandis van toepassing.
3. Deze ambtenaren kunnen opgedragen worden om deel te nemen aan gezamenlijke operaties, in de zin van artikel 17 van Besluit 2008/615/JBZ, en aan het toezicht op openbare manifestaties die van belang zijn voor de diensten van de andere Partij.
2. Deze ambtenaren werken samen met de overeenkomstige afdelingen van de eenheid waarbij zij zijn aangesteld. Zij hebben in die hoedanigheid toegang tot alle informatie betreffende de gemeenschappelijke bevoegdheidszone, die nuttig is voor de uitvoering van hun opdracht. De keuze van die informatie wordt in onderlinge overeenstemming bepaald met de verantwoordelijken van de overeenkomstige eenheden. De bepalingen van de artikelen 7 en 8 zijn trouwens mutatis mutandis van toepassing.
3. Deze ambtenaren kunnen opgedragen worden om deel te nemen aan gezamenlijke operaties, in de zin van artikel 17 van Besluit 2008/615/JBZ, en aan het toezicht op openbare manifestaties die van belang zijn voor de diensten van de andere Partij.
Art. 12. 1. Les agents de liaison détachés pour la mise en oeuvre du présent Accord ont pour tâche de faciliter les contacts entre les services compétents des deux Parties sans exercer de prérogatives de puissance publique, sauf dans les conditions prévues par le droit national de chaque Partie, par les engagements internationaux liant les deux Parties ou par les actes normatifs pertinents de l'Union européenne. Un accord de détachement peut si nécessaire être établi par les services concernés et leurs autorités respectives.
2. Ces agents travaillent en relation avec les unités correspondantes de l'unité auprès de laquelle ils sont affectés. Ils ont à ce titre accès à toutes informations concernant la zone de compétence commune, utiles à l'accomplissement de leur mission. Le choix de ces informations est arrêté d'un commun accord entre les responsables des unités correspondantes. Les dispositions des articles 7 et 8 s'appliquent par analogie.
3. Ces agents peuvent être chargés de participer à des opérations conjointes, au sens de l'article 17 de la décision 2008/615/JAI, et à la surveillance de manifestations publiques intéressant les services de l'autre Partie.
2. Ces agents travaillent en relation avec les unités correspondantes de l'unité auprès de laquelle ils sont affectés. Ils ont à ce titre accès à toutes informations concernant la zone de compétence commune, utiles à l'accomplissement de leur mission. Le choix de ces informations est arrêté d'un commun accord entre les responsables des unités correspondantes. Les dispositions des articles 7 et 8 s'appliquent par analogie.
3. Ces agents peuvent être chargés de participer à des opérations conjointes, au sens de l'article 17 de la décision 2008/615/JAI, et à la surveillance de manifestations publiques intéressant les services de l'autre Partie.
Art. 13. 1. De ambtenaren van de bevoegde diensten kunnen deelnemen aan gemeenschappelijke patrouilles in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone. Deze worden uitgevoerd in of vanuit een dienstvoertuig met een onderscheidend en ondubbelzinnig herkenningsteken van één van de bevoegde diensten van de Partijen. De ambtenaren die deel uitmaken van de patrouille kunnen zich van dit voertuig verwijderen om hun opdrachten uit te voeren.
2. De operationele leiding van de gemeenschappelijke patrouille wordt, op het grondgebied van elke Partij, waargenomen door de ambtenaar die hiertoe werd aangewezen door de bevoegde dienst van die Partij. De leiding wordt dus afwisselend waargenomen door een ambtenaar van elke Partij, in functie van het overschrijden van de gemeenschappelijke grens door de patrouille.
3. De ambtenaren die deel uitmaken van de patrouille werken in overleg en verlenen elkaar bijstand voor het uitvoeren van de opdrachten die hen ten deel vallen. Zij beheren ieder incident en behandelen iedere inbreuk die tijdens het verloop van de patrouille wordt vastgesteld, overeenkomstig het recht van de Partij op wiens grondgebied het incident heeft plaatsgevonden of de inbreuk is vastgesteld.
4. De ambtenaren die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden kunnen bevoegdheden van openbaar gezag uitoefenen onder de leiding van en, over het algemeen, in aanwezigheid van ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied de patrouille plaatsvindt. Die bevoegdheden van openbaar gezag worden uitgevoerd volgens de modaliteiten voorzien in de nationale wetgeving van de Partij op wiens grondgebied de interventie plaatsvindt, alsook met inachtneming van de internationale verbintenissen die de Partijen binden en de wetgeving van de Europese Unie. De territoriaal bevoegde ambtenaar die de leiding van de patrouille waarneemt, ziet erop toe dat de ambtenaren van de andere Partij op de hoogte zijn van de in zijn nationale wetgeving voorziene voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van openbaar gezag, en vergewist zich van de naleving hiervan tijdens de patrouille.
5. De Staat van inschrijving van het voertuig waarin een gemeenschappelijke patrouille wordt uitgevoerd, heeft geen invloed op de bestuurlijke en gerechtelijke bevoegdheden van de territoriaal bevoegde ambtenaren en ook niet op hun recht om af te wijken van de regels van het wegverkeer van hun Staat, binnen de grenzen en volgens de voorwaarden zoals voorzien in hun nationale wetgeving.
6. De bepalingen van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op andere vormen van gezamenlijke operaties, als de bevoegde diensten dit overeengekomen zijn.
2. De operationele leiding van de gemeenschappelijke patrouille wordt, op het grondgebied van elke Partij, waargenomen door de ambtenaar die hiertoe werd aangewezen door de bevoegde dienst van die Partij. De leiding wordt dus afwisselend waargenomen door een ambtenaar van elke Partij, in functie van het overschrijden van de gemeenschappelijke grens door de patrouille.
3. De ambtenaren die deel uitmaken van de patrouille werken in overleg en verlenen elkaar bijstand voor het uitvoeren van de opdrachten die hen ten deel vallen. Zij beheren ieder incident en behandelen iedere inbreuk die tijdens het verloop van de patrouille wordt vastgesteld, overeenkomstig het recht van de Partij op wiens grondgebied het incident heeft plaatsgevonden of de inbreuk is vastgesteld.
4. De ambtenaren die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden kunnen bevoegdheden van openbaar gezag uitoefenen onder de leiding van en, over het algemeen, in aanwezigheid van ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied de patrouille plaatsvindt. Die bevoegdheden van openbaar gezag worden uitgevoerd volgens de modaliteiten voorzien in de nationale wetgeving van de Partij op wiens grondgebied de interventie plaatsvindt, alsook met inachtneming van de internationale verbintenissen die de Partijen binden en de wetgeving van de Europese Unie. De territoriaal bevoegde ambtenaar die de leiding van de patrouille waarneemt, ziet erop toe dat de ambtenaren van de andere Partij op de hoogte zijn van de in zijn nationale wetgeving voorziene voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van openbaar gezag, en vergewist zich van de naleving hiervan tijdens de patrouille.
5. De Staat van inschrijving van het voertuig waarin een gemeenschappelijke patrouille wordt uitgevoerd, heeft geen invloed op de bestuurlijke en gerechtelijke bevoegdheden van de territoriaal bevoegde ambtenaren en ook niet op hun recht om af te wijken van de regels van het wegverkeer van hun Staat, binnen de grenzen en volgens de voorwaarden zoals voorzien in hun nationale wetgeving.
6. De bepalingen van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op andere vormen van gezamenlijke operaties, als de bevoegde diensten dit overeengekomen zijn.
Art. 13. 1. Les agents des services compétents peuvent participer à des patrouilles communes dans la zone de compétence commune. Elles sont accomplies dans un véhicule de service portant un marquage distinctif et non-équivoque de l'un des services compétents des Parties ou à partir de celui-ci, les agents composant la patrouille pouvant s'en éloigner pour accomplir leurs missions.
2. La direction opérationnelle de la patrouille commune est assumée, sur le territoire de chaque Partie, par l'agent désigné à cet effet par le service compétent de cette Partie. Cette direction est donc assumée alternativement par un agent de chaque Partie, en fonction des franchissements de la frontière commune effectués par la patrouille.
3. Les agents composant la patrouille oeuvrent de concert et se prêtent assistance pour la réalisation des missions qui leur échoient. Ils gèrent tout incident et traitent toute infraction constatée durant le déroulement de la patrouille conformément au droit de la Partie sur le territoire de laquelle l'incident a lieu ou l'infraction est constatée.
4. Les agents présents sur le territoire de l'autre Partie peuvent exercer des prérogatives de puissance publique sous la direction et, en règle générale, en présence d'agents de la Partie sur le territoire de laquelle la patrouille a lieu. L'exercice de ces prérogatives de puissance publique s'effectue selon les modalités prévues dans la législation nationale de la Partie sur le territoire de laquelle cette intervention a lieu, ainsi que dans le respect des engagements internationaux liant les Parties et de la législation de l'Union européenne. L'agent territorialement compétent assumant la direction de la patrouille veille à la connaissance par les agents de l'autre Partie des conditions prévues par son droit national pour l'exercice de prérogatives de puissance publique et s'assure de leur respect durant la patrouille.
5. L'Etat d'immatriculation du véhicule dans lequel une patrouille commune est effectuée n'affecte pas les prérogatives administratives et judiciaires des agents territorialement compétents, ni leur droit de déroger aux règles de circulation routière de leur Etat dans les limites et selon les conditions prévues par leur législation nationale.
6. Les dispositions du présent article s'appliquent par analogie à d'autres formes d'opérations conjointes, si les services compétents en sont convenus.
2. La direction opérationnelle de la patrouille commune est assumée, sur le territoire de chaque Partie, par l'agent désigné à cet effet par le service compétent de cette Partie. Cette direction est donc assumée alternativement par un agent de chaque Partie, en fonction des franchissements de la frontière commune effectués par la patrouille.
3. Les agents composant la patrouille oeuvrent de concert et se prêtent assistance pour la réalisation des missions qui leur échoient. Ils gèrent tout incident et traitent toute infraction constatée durant le déroulement de la patrouille conformément au droit de la Partie sur le territoire de laquelle l'incident a lieu ou l'infraction est constatée.
4. Les agents présents sur le territoire de l'autre Partie peuvent exercer des prérogatives de puissance publique sous la direction et, en règle générale, en présence d'agents de la Partie sur le territoire de laquelle la patrouille a lieu. L'exercice de ces prérogatives de puissance publique s'effectue selon les modalités prévues dans la législation nationale de la Partie sur le territoire de laquelle cette intervention a lieu, ainsi que dans le respect des engagements internationaux liant les Parties et de la législation de l'Union européenne. L'agent territorialement compétent assumant la direction de la patrouille veille à la connaissance par les agents de l'autre Partie des conditions prévues par son droit national pour l'exercice de prérogatives de puissance publique et s'assure de leur respect durant la patrouille.
5. L'Etat d'immatriculation du véhicule dans lequel une patrouille commune est effectuée n'affecte pas les prérogatives administratives et judiciaires des agents territorialement compétents, ni leur droit de déroger aux règles de circulation routière de leur Etat dans les limites et selon les conditions prévues par leur législation nationale.
6. Les dispositions du présent article s'appliquent par analogie à d'autres formes d'opérations conjointes, si les services compétents en sont convenus.
Art. 14. 1. In noodgevallen of bij ernstige ongevallen waarbij personen of goederen in gevaar zijn en die een snelle interventie vereisen van de politiediensten, mag de patrouille die zich het dichtstbij bevindt, ongeacht zijn Partij van herkomst, optreden om de eerste hulp te verlenen en de site te beveiligen in afwachting van de aankomst van de territoriaal bevoegde eenheid.
2. De optredende ambtenaren moeten de gaststaat onverwijld in kennis stellen. Deze laatste bevestigt deze kennisgeving en dient onverwijld de noodzakelijke maatregelen te treffen om het gevaar af te wenden en de regie over te nemen. De optredende ambtenaren mogen in de gaststaat slechts optreden totdat deze laatste de noodzakelijke maatregelen getroffen heeft. De optredende ambtenaren zijn verplicht om de aanwijzingen van de gaststaat op te volgen.
3. Wanneer zij zich in het kader van een dergelijk optreden op het grondgebied van de andere Partij bevinden, zijn deze ambtenaren en hun voertuigen onderworpen aan dezelfde regels betreffende het wegverkeer dan de ambtenaren en de voertuigen van de Partij op wiens grondgebied het optreden plaatsvindt, met inbegrip van de voorrangsregels en meer bepaald deze over het gebruik van optische en geluidssignalen.
2. De optredende ambtenaren moeten de gaststaat onverwijld in kennis stellen. Deze laatste bevestigt deze kennisgeving en dient onverwijld de noodzakelijke maatregelen te treffen om het gevaar af te wenden en de regie over te nemen. De optredende ambtenaren mogen in de gaststaat slechts optreden totdat deze laatste de noodzakelijke maatregelen getroffen heeft. De optredende ambtenaren zijn verplicht om de aanwijzingen van de gaststaat op te volgen.
3. Wanneer zij zich in het kader van een dergelijk optreden op het grondgebied van de andere Partij bevinden, zijn deze ambtenaren en hun voertuigen onderworpen aan dezelfde regels betreffende het wegverkeer dan de ambtenaren en de voertuigen van de Partij op wiens grondgebied het optreden plaatsvindt, met inbegrip van de voorrangsregels en meer bepaald deze over het gebruik van optische en geluidssignalen.
Art. 14. 1. En cas d'urgence ou lors d'accidents graves mettant en cause des personnes ou des biens et nécessitant une intervention rapide des forces de police, l'intervention de la patrouille la plus proche du lieu, quelle que soit sa Partie d'origine, est permise afin d'assurer les premiers secours et de sécuriser le site avant l'arrivée de l'unité territorialement compétente.
2. Les agents intervenants avisent sans délai l'Etat d'accueil. Ce dernier accuse réception de cette information et est tenu de prendre sans délai les mesures qui s'imposent afin d'écarter le danger et de reprendre la situation en main. Les agents intervenants ne peuvent agir sur le territoire de l'Etat d'accueil que jusqu'à ce que ce dernier ait pris les mesures nécessaires. Les agents intervenants sont tenus de respecter les instructions de l'Etat d'accueil.
3. Lorsqu'ils se trouvent sur le territoire de l'autre Partie dans le cadre d'une telle intervention, ces agents et leurs véhicules sont soumis aux mêmes règles de circulation routière que les agents et les véhicules de la Partie sur le territoire de laquelle l'intervention a lieu, y compris en ce qui concerne les règles de priorité et notamment l'utilisation de signaux optiques et sonores.
2. Les agents intervenants avisent sans délai l'Etat d'accueil. Ce dernier accuse réception de cette information et est tenu de prendre sans délai les mesures qui s'imposent afin d'écarter le danger et de reprendre la situation en main. Les agents intervenants ne peuvent agir sur le territoire de l'Etat d'accueil que jusqu'à ce que ce dernier ait pris les mesures nécessaires. Les agents intervenants sont tenus de respecter les instructions de l'Etat d'accueil.
3. Lorsqu'ils se trouvent sur le territoire de l'autre Partie dans le cadre d'une telle intervention, ces agents et leurs véhicules sont soumis aux mêmes règles de circulation routière que les agents et les véhicules de la Partie sur le territoire de laquelle l'intervention a lieu, y compris en ce qui concerne les règles de priorité et notamment l'utilisation de signaux optiques et sonores.
Art. 15. 1. Wanneer zij één van de vormen van directe samenwerking voorzien in de artikelen 12 tot en met 14 van deze Overeenkomst of iedere andere samenwerking waartoe de diensten van de Partijen op basis van artikel 11 zijn overeengekomen ten uitvoer brengen, genieten de ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, tijdens de uitoefening van hun functies, van dezelfde bescherming en bijstand als de ambtenaren van deze Partij. Zij zijn onderworpen aan het regime van strafrechtelijke aansprakelijkheid zoals voorzien in artikel 22 van Besluit 2008/615/JBZ.
2. Wat betreft de regeling van de schade veroorzaakt aan derden door de ambtenaren van een Partij, in geval zij optreden op basis van artikel 13 van deze Overeenkomst of, op grond van paragraaf 3 van artikel 12 van deze Overeenkomst, deelnemen aan een gezamenlijke operatie in de zin van artikel 17 van Besluit 2008/615/JBZ, is het aansprakelijkheidsregime voorzien in de paragrafen 1 tot en met 3 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ van toepassing. In geval de ambtenaren van een Partij optreden op basis van artikel 14 van deze Overeenkomst of, op grond van paragraaf 3 van artikel 12 van deze Overeenkomst, deelnemen aan het toezicht op openbare manifestaties, is het aansprakelijkheidsregime voorzien in paragraaf 4 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ van toepassing.
3. De voorwaarden voor de uitvoering van de opdrachten van deze ambtenaren, meer bepaald deze betreffende het dragen van het uniform en van de individuele bewapening waarmee ze uitgerust zijn, worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van Besluit 2008/615/JBZ.
4. De ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, in het kader van een operatie die onder de directe samenwerking in de zin van deze Titel valt, kunnen uitgerust worden met de collectieve bewapening die hun nationale wetgeving hen oplegt, als zij zich aan boord bevinden van een voertuig van hun dienst of eenheid van herkomst.
5. De ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, in het kader van een operatie die onder de directe samenwerking in de zin van deze Titel valt of in het kader van andere interventievormen, kunnen, onder de voorwaarden zoals bepaald door het nationale recht van de Staat op wiens grondgebied de opdracht wordt uitgevoerd, een persoon staande houden die op heterdaad betrapt wordt bij het plegen van of de deelneming aan het plegen van een misdrijf dat wordt bestraft met een vrijheidsbenemende straf, teneinde deze persoon over te dragen aan de territoriaal bevoegde overheden.
2. Wat betreft de regeling van de schade veroorzaakt aan derden door de ambtenaren van een Partij, in geval zij optreden op basis van artikel 13 van deze Overeenkomst of, op grond van paragraaf 3 van artikel 12 van deze Overeenkomst, deelnemen aan een gezamenlijke operatie in de zin van artikel 17 van Besluit 2008/615/JBZ, is het aansprakelijkheidsregime voorzien in de paragrafen 1 tot en met 3 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ van toepassing. In geval de ambtenaren van een Partij optreden op basis van artikel 14 van deze Overeenkomst of, op grond van paragraaf 3 van artikel 12 van deze Overeenkomst, deelnemen aan het toezicht op openbare manifestaties, is het aansprakelijkheidsregime voorzien in paragraaf 4 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ van toepassing.
3. De voorwaarden voor de uitvoering van de opdrachten van deze ambtenaren, meer bepaald deze betreffende het dragen van het uniform en van de individuele bewapening waarmee ze uitgerust zijn, worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van Besluit 2008/615/JBZ.
4. De ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, in het kader van een operatie die onder de directe samenwerking in de zin van deze Titel valt, kunnen uitgerust worden met de collectieve bewapening die hun nationale wetgeving hen oplegt, als zij zich aan boord bevinden van een voertuig van hun dienst of eenheid van herkomst.
5. De ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, in het kader van een operatie die onder de directe samenwerking in de zin van deze Titel valt of in het kader van andere interventievormen, kunnen, onder de voorwaarden zoals bepaald door het nationale recht van de Staat op wiens grondgebied de opdracht wordt uitgevoerd, een persoon staande houden die op heterdaad betrapt wordt bij het plegen van of de deelneming aan het plegen van een misdrijf dat wordt bestraft met een vrijheidsbenemende straf, teneinde deze persoon over te dragen aan de territoriaal bevoegde overheden.
Art. 15. 1. Lorsqu'ils mettent en oeuvre l'une des formes de coopération directe prévues aux articles 12 à 14 du présent Accord ou toute autre modalité de coopération dont sont convenus les services des Parties sur la base de son article 11, les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie bénéficient de la même protection et assistance dans l'exercice de leurs fonctions que les agents de cette Partie. Ils sont soumis au régime de responsabilité pénale prévu à l'article 22 de la décision 2008/615/JAI.
2. S'agissant du règlement des dommages causés aux tiers par les agents d'une Partie, dans le cas où ils interviennent sur la base de l'article 13 du présent Accord ou participent, en vertu du paragraphe 3 de l'article 12 du présent Accord, à une opération conjointe au sens de l'article 17 de la décision 2008/615/JAI, le régime de responsabilité prévu aux paragraphes 1 à 3 de l'article 21 de la décision 2008/615/JAI s'applique. Dans les cas où les agents d'une Partie interviennent sur base de l'article 14 du présent Accord ou participent, en vertu du paragraphe 3 de l'article 12 du présent Accord, à la surveillance de manifestations publiques, le régime de responsabilité prévu au paragraphe 4 de l'article 21 de la décision 2008/615/JAI s'applique.
3. Les conditions d'exécution des missions de ces agents, notamment celles relatives au port de l'uniforme et de l'armement individuel de dotation, sont définies conformément aux dispositions de l'article 19 de la décision 2008/615/JAI.
4. Les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie dans le cadre d'une opération relevant du champ de la coopération directe au sens du présent Titre peuvent être munis de l'armement collectif que leur impose leur législation nationale, s'ils se trouvent à bord d'un véhicule de leur service ou unité d'origine.
5. Les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie, dans le cadre d'une opération relevant du champ de la coopération directe au sens du présent Titre ou d'autres formes d'intervention, peuvent, dans les conditions prévues par le droit national de l'Etat sur le territoire duquel se déroule la mission, appréhender une personne surprise en flagrant délit de commission ou de participation à la commission d'une infraction flagrante punie d'une peine d'emprisonnement, pour la remettre aux autorités territorialement compétentes.
2. S'agissant du règlement des dommages causés aux tiers par les agents d'une Partie, dans le cas où ils interviennent sur la base de l'article 13 du présent Accord ou participent, en vertu du paragraphe 3 de l'article 12 du présent Accord, à une opération conjointe au sens de l'article 17 de la décision 2008/615/JAI, le régime de responsabilité prévu aux paragraphes 1 à 3 de l'article 21 de la décision 2008/615/JAI s'applique. Dans les cas où les agents d'une Partie interviennent sur base de l'article 14 du présent Accord ou participent, en vertu du paragraphe 3 de l'article 12 du présent Accord, à la surveillance de manifestations publiques, le régime de responsabilité prévu au paragraphe 4 de l'article 21 de la décision 2008/615/JAI s'applique.
3. Les conditions d'exécution des missions de ces agents, notamment celles relatives au port de l'uniforme et de l'armement individuel de dotation, sont définies conformément aux dispositions de l'article 19 de la décision 2008/615/JAI.
4. Les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie dans le cadre d'une opération relevant du champ de la coopération directe au sens du présent Titre peuvent être munis de l'armement collectif que leur impose leur législation nationale, s'ils se trouvent à bord d'un véhicule de leur service ou unité d'origine.
5. Les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie, dans le cadre d'une opération relevant du champ de la coopération directe au sens du présent Titre ou d'autres formes d'intervention, peuvent, dans les conditions prévues par le droit national de l'Etat sur le territoire duquel se déroule la mission, appréhender une personne surprise en flagrant délit de commission ou de participation à la commission d'une infraction flagrante punie d'une peine d'emprisonnement, pour la remettre aux autorités territorialement compétentes.
Art. 16. 1. De verantwoordelijken van de overeenkomstige eenheden komen regelmatig en in functie van de operationele noden eigen aan de betrokken eenheden samen.
2. Naar aanleiding daarvan :
- maken zij de balans op van de samenwerking tussen de eenheden die onder hun bevoegdheid vallen;
- houden zij zich bezig met het opstellen en bijwerken van gemeenschappelijke interventieplannen voor de situaties die een coördinatie van hun eenheden aan weerskanten van de gemeenschappelijke grens vereisen;
- stellen zij gezamenlijk onderzoeksplannen op ten behoeve van hun respectieve eenheden;
- evalueren zij de doeltreffendheid van de gemeenschappelijke patrouilles en van andere soorten van gezamenlijke operaties, uitgevoerd door hun eenheden in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone, en vergewissen zij zich van de afstemming hiervan in het licht van criminele bewegingen en van verstoringen van de openbare orde en veiligheid die vastgesteld worden in hun respectievelijke territoriale bevoegdheidszones;
- plannen zij gemeenschappelijke grensoefeningen;
- stemmen zij af over voorzienbare samenwerkingsbehoeften, in functie van de voorziene manifestaties of van de evolutie van de verschillende vormen van criminaliteit;
- wisselen zij hun statistische gegevens over de verschillende vormen van criminaliteit uit.
3. Van elke vergadering wordt er een verslag opgesteld.
2. Naar aanleiding daarvan :
- maken zij de balans op van de samenwerking tussen de eenheden die onder hun bevoegdheid vallen;
- houden zij zich bezig met het opstellen en bijwerken van gemeenschappelijke interventieplannen voor de situaties die een coördinatie van hun eenheden aan weerskanten van de gemeenschappelijke grens vereisen;
- stellen zij gezamenlijk onderzoeksplannen op ten behoeve van hun respectieve eenheden;
- evalueren zij de doeltreffendheid van de gemeenschappelijke patrouilles en van andere soorten van gezamenlijke operaties, uitgevoerd door hun eenheden in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone, en vergewissen zij zich van de afstemming hiervan in het licht van criminele bewegingen en van verstoringen van de openbare orde en veiligheid die vastgesteld worden in hun respectievelijke territoriale bevoegdheidszones;
- plannen zij gemeenschappelijke grensoefeningen;
- stemmen zij af over voorzienbare samenwerkingsbehoeften, in functie van de voorziene manifestaties of van de evolutie van de verschillende vormen van criminaliteit;
- wisselen zij hun statistische gegevens over de verschillende vormen van criminaliteit uit.
3. Van elke vergadering wordt er een verslag opgesteld.
Art. 16. 1. Les responsables des unités correspondantes se réunissent régulièrement et en fonction des besoins opérationnels propres au niveau de responsabilité des unités concernées.
2. A cette occasion :
- ils procèdent au bilan de la coopération des unités relevant de leur compétence;
- ils élaborent et mettent à jour des schémas d'intervention commune pour les situations nécessitant une coordination de leurs unités de part et d'autre de la frontière commune;
- ils élaborent en commun des plans de recherche au profit de leurs unités respectives;
- ils évaluent l'efficacité des patrouilles communes et d'autres types d'opérations conjointes réalisées par leurs unités dans la zone de compétence commune et s'assurent de leur adéquation au regard des flux criminels et des troubles à la sécurité et à l'ordre public constatés dans leurs zones de compétence territoriale respectives;
- ils programment des exercices frontaliers communs;
- ils s'accordent sur les besoins de coopération prévisibles en fonction des manifestations prévues ou de l'évolution des diverses formes de délinquance;
- ils échangent leurs données statistiques sur les différentes formes de criminalité.
3. Un procès-verbal est dressé à l'issue de chaque réunion.
2. A cette occasion :
- ils procèdent au bilan de la coopération des unités relevant de leur compétence;
- ils élaborent et mettent à jour des schémas d'intervention commune pour les situations nécessitant une coordination de leurs unités de part et d'autre de la frontière commune;
- ils élaborent en commun des plans de recherche au profit de leurs unités respectives;
- ils évaluent l'efficacité des patrouilles communes et d'autres types d'opérations conjointes réalisées par leurs unités dans la zone de compétence commune et s'assurent de leur adéquation au regard des flux criminels et des troubles à la sécurité et à l'ordre public constatés dans leurs zones de compétence territoriale respectives;
- ils programment des exercices frontaliers communs;
- ils s'accordent sur les besoins de coopération prévisibles en fonction des manifestations prévues ou de l'évolution des diverses formes de délinquance;
- ils échangent leurs données statistiques sur les différentes formes de criminalité.
3. Un procès-verbal est dressé à l'issue de chaque réunion.
TITEL III. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
TITRE III. - DISPOSITIONS COMMUNES
Art. 17. 1. Een strategische stuurgroep, samengesteld uit vertegenwoordigers aangewezen door de bevoegde Ministers van de Partijen, superviseert de uitvoering van deze Overeenkomst en verzekert in het bijzonder de regelmatige opvolging van de juridische werkzaamheden die hiermee verband houden.
2. Een operationele werkgroep, samengesteld uit verantwoordelijken van de bevoegde diensten en vertegenwoordigers van de overeenkomstige bestuurlijke en gerechtelijke overheden, komt samen telkens wanneer dit nodig is. Deze controleert de kwaliteit van de samenwerking, bespreekt nieuwe strategieën, stemt de interventie-, onderzoeks- en patrouilleplannen op elkaar af, wisselt statistieken uit en coördineert de werkprogramma's.
2. Een operationele werkgroep, samengesteld uit verantwoordelijken van de bevoegde diensten en vertegenwoordigers van de overeenkomstige bestuurlijke en gerechtelijke overheden, komt samen telkens wanneer dit nodig is. Deze controleert de kwaliteit van de samenwerking, bespreekt nieuwe strategieën, stemt de interventie-, onderzoeks- en patrouilleplannen op elkaar af, wisselt statistieken uit en coördineert de werkprogramma's.
Art. 17. 1. Un groupe de pilotage stratégique, composé des représentants désignés par les Ministres compétents des Parties, supervise la mise en oeuvre du présent Accord et assure en particulier le suivi régulier des travaux juridiques qui s'y attachent.
2. Un groupe de travail opérationnel, composé des responsables des services compétents et des représentants des autorités administratives et judiciaires correspondantes, se réunit en tant que de besoin. Il vérifie la qualité de la coopération, discute de stratégies nouvelles, harmonise les plans d'intervention, de recherche et de patrouille, échange des statistiques et coordonne des programmes de travail.
2. Un groupe de travail opérationnel, composé des responsables des services compétents et des représentants des autorités administratives et judiciaires correspondantes, se réunit en tant que de besoin. Il vérifie la qualité de la coopération, discute de stratégies nouvelles, harmonise les plans d'intervention, de recherche et de patrouille, échange des statistiques et coordonne des programmes de travail.
Art. 18. 1. De bevoegde diensten van elke Partij :
- wisselen de organogrammen en telefoongidsen van de operationele eenheden van hun gemeenschappelijke bevoegdheidszone uit;
- stellen een vereenvoudigde code op om de plaatsen aan te wijzen waar inbreuken worden gepleegd;
- wisselen hun relevante professionele publicaties uit en organiseren een regelmatige wederzijdse samenwerking voor de opstelling hiervan.
2. Zij verspreiden de uitgewisselde informatie bij de gemeenschappelijke centra en bij de overeenkomstige eenheden.
- wisselen de organogrammen en telefoongidsen van de operationele eenheden van hun gemeenschappelijke bevoegdheidszone uit;
- stellen een vereenvoudigde code op om de plaatsen aan te wijzen waar inbreuken worden gepleegd;
- wisselen hun relevante professionele publicaties uit en organiseren een regelmatige wederzijdse samenwerking voor de opstelling hiervan.
2. Zij verspreiden de uitgewisselde informatie bij de gemeenschappelijke centra en bij de overeenkomstige eenheden.
Art. 18. 1. Les services compétents de chaque Partie :
- se communiquent les organigrammes et les annuaires téléphoniques des unités opérationnelles de leur zone de compétence commune;
- élaborent un code simplifié pour désigner les lieux de commission des infractions;
- échangent leurs publications professionnelles pertinentes et organisent une collaboration réciproque régulière à la rédaction de ces dernières.
2. Ils diffusent les informations échangées auprès des centres communs et des unités correspondantes.
- se communiquent les organigrammes et les annuaires téléphoniques des unités opérationnelles de leur zone de compétence commune;
- élaborent un code simplifié pour désigner les lieux de commission des infractions;
- échangent leurs publications professionnelles pertinentes et organisent une collaboration réciproque régulière à la rédaction de ces dernières.
2. Ils diffusent les informations échangées auprès des centres communs et des unités correspondantes.
Art. 19. De bevoegde diensten werken samen inzake opleiding en bijscholing, meer bepaald :
- door gezamenlijk lesprogramma's voor opleiding en bijscholing uit te wisselen, te ontwikkelen en te implementeren;
- door gezamenlijk opleidings- en bijscholingsseminaries, alsook grensoverschrijdende oefeningen, te organiseren;
- door de vertegenwoordigers van de bevoegde diensten van de andere Partij uit te nodigen om, als observator, specifieke oefeningen en operaties bij te wonen;
- door wederzijdse bezoeken tussen de overeenkomstige eenheden van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone te organiseren;
- door de vertegenwoordigers van de diensten van de andere Partij in staat te stellen om deel te nemen aan opleidingen, seminaries en bijscholingscursussen;
- door stagiairs uit te wisselen teneinde het personeel vertrouwd te maken met de structuren en praktijken van de diensten van de andere Partij;
- door elkaar wederzijds te informeren over het intern recht dat van kracht is op hun nationaal grondgebied, in het bijzonder over de regels voor het gebruik van wapens en inzake het wegverkeer;
- door een aangepaste taalopleiding aan te moedigen voor het personeel dat geacht wordt te werken in de gemeenschappelijke centra en de eenheden van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone.
- door gezamenlijk lesprogramma's voor opleiding en bijscholing uit te wisselen, te ontwikkelen en te implementeren;
- door gezamenlijk opleidings- en bijscholingsseminaries, alsook grensoverschrijdende oefeningen, te organiseren;
- door de vertegenwoordigers van de bevoegde diensten van de andere Partij uit te nodigen om, als observator, specifieke oefeningen en operaties bij te wonen;
- door wederzijdse bezoeken tussen de overeenkomstige eenheden van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone te organiseren;
- door de vertegenwoordigers van de diensten van de andere Partij in staat te stellen om deel te nemen aan opleidingen, seminaries en bijscholingscursussen;
- door stagiairs uit te wisselen teneinde het personeel vertrouwd te maken met de structuren en praktijken van de diensten van de andere Partij;
- door elkaar wederzijds te informeren over het intern recht dat van kracht is op hun nationaal grondgebied, in het bijzonder over de regels voor het gebruik van wapens en inzake het wegverkeer;
- door een aangepaste taalopleiding aan te moedigen voor het personeel dat geacht wordt te werken in de gemeenschappelijke centra en de eenheden van de gemeenschappelijke bevoegdheidszone.
Art. 19. Les services compétents collaborent en matière de formation et de perfectionnement, notamment :
- en échangeant, en concevant et en réalisant en commun des programmes d'enseignement pour la formation et le perfectionnement;
- en organisant en commun des séminaires de formation et de perfectionnement ainsi que des exercices transfrontaliers;
- en invitant des représentants des services compétents de l'autre Partie à assister, à titre d'observateurs, à des exercices et opérations particuliers;
- en effectuant des visites réciproques entre les unités correspondantes de la zone de compétence commune;
- en permettant à des représentants des services de l'autre Partie de participer à des formations, séminaires et cours de perfectionnement;
- en procédant à des échanges de stagiaires afin de familiariser le personnel avec les structures et les pratiques des services de l'autre Partie;
- en s'informant mutuellement sur le droit interne en vigueur sur leur territoire national, en particulier sur les règles d'usage des armes et de circulation routière;
- en favorisant une formation linguistique appropriée pour le personnel susceptible de servir dans les centres communs et les unités de la zone de compétence commune.
- en échangeant, en concevant et en réalisant en commun des programmes d'enseignement pour la formation et le perfectionnement;
- en organisant en commun des séminaires de formation et de perfectionnement ainsi que des exercices transfrontaliers;
- en invitant des représentants des services compétents de l'autre Partie à assister, à titre d'observateurs, à des exercices et opérations particuliers;
- en effectuant des visites réciproques entre les unités correspondantes de la zone de compétence commune;
- en permettant à des représentants des services de l'autre Partie de participer à des formations, séminaires et cours de perfectionnement;
- en procédant à des échanges de stagiaires afin de familiariser le personnel avec les structures et les pratiques des services de l'autre Partie;
- en s'informant mutuellement sur le droit interne en vigueur sur leur territoire national, en particulier sur les règles d'usage des armes et de circulation routière;
- en favorisant une formation linguistique appropriée pour le personnel susceptible de servir dans les centres communs et les unités de la zone de compétence commune.
Art. 20. 1. In het kader van de opdrachten die voorzien zijn in deze Overeenkomst, alsook in het kader van grensoverschrijdende observaties en achtervolgingen, kunnen de Partijen op het grondgebied van de andere Partij middelen voor transport over zee en over binnenwateren en transport via de lucht inzetten.
2. Tijdens grensoverschrijdende opdrachten zijn de ambtenaren onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake verplaatsingen door de lucht of over zee of binnenwateren dan de ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied de opdracht wordt voortgezet.
3. De modaliteiten voor de uitvoering van wederzijdse steun en gemeenschappelijke operaties door de lucht of over zee of binnenwateren maken, indien nodig, het voorwerp uit van uitvoeringsovereenkomsten.
2. Tijdens grensoverschrijdende opdrachten zijn de ambtenaren onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake verplaatsingen door de lucht of over zee of binnenwateren dan de ambtenaren van de Partij op wiens grondgebied de opdracht wordt voortgezet.
3. De modaliteiten voor de uitvoering van wederzijdse steun en gemeenschappelijke operaties door de lucht of over zee of binnenwateren maken, indien nodig, het voorwerp uit van uitvoeringsovereenkomsten.
Art. 20. 1. Dans le cadre des missions prévues par le présent Accord ainsi que dans le cadre de l'observation transfrontalière et de la poursuite transfrontalière, des moyens maritimes et fluviaux et des moyens aériens peuvent être engagés par une Partie sur le territoire de l'autre Partie.
2. Lors de missions transfrontalières, les agents sont assujettis aux mêmes prescriptions en matière de transport aérien, maritime ou fluvial que les agents de la Partie sur le territoire de laquelle la mission est continuée.
3. Les modalités de mise en oeuvre du soutien mutuel et des opérations communes par voie aérienne, maritime ou fluviale font si nécessaire l'objet d'accords d'exécution.
2. Lors de missions transfrontalières, les agents sont assujettis aux mêmes prescriptions en matière de transport aérien, maritime ou fluvial que les agents de la Partie sur le territoire de laquelle la mission est continuée.
3. Les modalités de mise en oeuvre du soutien mutuel et des opérations communes par voie aérienne, maritime ou fluviale font si nécessaire l'objet d'accords d'exécution.
Art. 21. 1. De Partijen nemen alle gepaste politionele coördinatiemaatregelen in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone teneinde de uitvoering van administratieve maatregelen tot verwijdering van personen mogelijk te maken.
2. De ambtenaren van een Partij kunnen zich op het grondgebied van de andere Partij begeven, volgens de modaliteiten bepaald tussen de bevoegde bestuurlijke overheden, om er de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde opdrachten te verzekeren. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten dragen de ambtenaren hun dienstuniform en dragen en gebruiken zij hun reglementaire wapens en uitrusting, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van het Besluit 2008/615/JBZ.
4. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten kunnen de ambtenaren op het grondgebied van de andere Partij dwang uitoefenen op de personen die aan hun bewaking toevertrouwd zijn, voor de duur die nodig is voor de overdracht van die personen aan de bevoegde overheden van de andere Partij.
5. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten genieten de ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden van dezelfde bescherming en bijstand als de ambtenaren van deze Partij. Zij zijn onderworpen aan de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid voorzien in artikel 22 van Besluit 2008/615/JBZ. Paragraaf 4 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ is van toepassing voor de schade die zij aan derden veroorzaken.
6. De bepalingen die voorafgaan zijn mutatis mutandis eveneens van toepassing op de coördinatiemaatregelen die noodzakelijk zijn om de veiligheid te waarborgen van operaties waarbij personen overgebracht worden en die nodig zijn voor de werking van de gerechtelijke overheden van hun Staten.
2. De ambtenaren van een Partij kunnen zich op het grondgebied van de andere Partij begeven, volgens de modaliteiten bepaald tussen de bevoegde bestuurlijke overheden, om er de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde opdrachten te verzekeren. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten dragen de ambtenaren hun dienstuniform en dragen en gebruiken zij hun reglementaire wapens en uitrusting, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van het Besluit 2008/615/JBZ.
4. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten kunnen de ambtenaren op het grondgebied van de andere Partij dwang uitoefenen op de personen die aan hun bewaking toevertrouwd zijn, voor de duur die nodig is voor de overdracht van die personen aan de bevoegde overheden van de andere Partij.
5. Tijdens de uitvoering van deze opdrachten genieten de ambtenaren van een Partij die zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden van dezelfde bescherming en bijstand als de ambtenaren van deze Partij. Zij zijn onderworpen aan de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid voorzien in artikel 22 van Besluit 2008/615/JBZ. Paragraaf 4 van artikel 21 van Besluit 2008/615/JBZ is van toepassing voor de schade die zij aan derden veroorzaken.
6. De bepalingen die voorafgaan zijn mutatis mutandis eveneens van toepassing op de coördinatiemaatregelen die noodzakelijk zijn om de veiligheid te waarborgen van operaties waarbij personen overgebracht worden en die nodig zijn voor de werking van de gerechtelijke overheden van hun Staten.
Art. 21. 1. Les Parties prennent toutes mesures policières de coordination opportunes dans la zone de compétence commune afin de permettre la réalisation des mesures administratives d'éloignement de personnes.
2. Les agents d'une Partie peuvent se rendre sur le territoire de l'autre Partie, selon les modalités arrêtées entre les autorités administratives compétentes, pour y assurer les missions visées au paragraphe 1 du présent article. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Pour la réalisation de ces missions, les agents sont revêtus de leur uniforme de service et portent et utilisent leurs armes et équipements réglementaires, conformément aux dispositions de l'article 19 de la décision 2008/615/JAI.
4. Pour la réalisation de ces missions, les agents peuvent exercer, sur le territoire de l'autre Partie, une contrainte à l'égard des personnes dont la garde leur est confiée, pour la durée nécessaire à la remise de ces personnes aux autorités compétentes de l'autre Partie.
5. Pour la réalisation de ces missions, les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie bénéficient de la même protection et assistance dans l'exercice de leurs fonctions que les agents de cette Partie. Ils sont soumis aux règles de responsabilité pénale prévues à l'article 22 de la décision 2008/615/JAI; le paragraphe 4 de son article 21 s'applique pour les dommages qu'ils causent à des tiers.
6. Les dispositions qui précèdent sont également applicables mutatis mutandis aux mesures de coordination nécessaires en vue d'assurer la sécurité des opérations de translation de personnes nécessaires au fonctionnement des autorités judiciaires de leurs Etats.
2. Les agents d'une Partie peuvent se rendre sur le territoire de l'autre Partie, selon les modalités arrêtées entre les autorités administratives compétentes, pour y assurer les missions visées au paragraphe 1 du présent article. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Pour la réalisation de ces missions, les agents sont revêtus de leur uniforme de service et portent et utilisent leurs armes et équipements réglementaires, conformément aux dispositions de l'article 19 de la décision 2008/615/JAI.
4. Pour la réalisation de ces missions, les agents peuvent exercer, sur le territoire de l'autre Partie, une contrainte à l'égard des personnes dont la garde leur est confiée, pour la durée nécessaire à la remise de ces personnes aux autorités compétentes de l'autre Partie.
5. Pour la réalisation de ces missions, les agents d'une Partie présents sur le territoire de l'autre Partie bénéficient de la même protection et assistance dans l'exercice de leurs fonctions que les agents de cette Partie. Ils sont soumis aux règles de responsabilité pénale prévues à l'article 22 de la décision 2008/615/JAI; le paragraphe 4 de son article 21 s'applique pour les dommages qu'ils causent à des tiers.
6. Les dispositions qui précèdent sont également applicables mutatis mutandis aux mesures de coordination nécessaires en vue d'assurer la sécurité des opérations de translation de personnes nécessaires au fonctionnement des autorités judiciaires de leurs Etats.
Art. 22. 1. Tijdens de uitoefening van hun politie- en douaneopdrachten kunnen de ambtenaren van de bevoegde diensten, voor de uitvoering van hun bestuurlijke en gerechtelijke bevoegdheden en als de inrichting van de verkeerswegen dit noodzakelijk maakt, op het grondgebied van de andere Partij rijden, tot de volgende mogelijkheid zich aandient om rechtsomkeer te maken om naar hun eigen grondgebied terug te keren.
2. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Tijdens verplaatsingen op het grondgebied van de andere Partij op basis van dit artikel, kunnen de ambtenaren, voor de duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering hiervan, dwang gebruiken of de personen en goederen weerhouden die onder hun autoriteit geplaatst zijn. Er wordt bijstand gevraagd aan een patrouille van de Partij op wiens grondgebied de verplaatsing plaatsvindt, indien het recht van deze Partij dit oplegt.
2. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Tijdens verplaatsingen op het grondgebied van de andere Partij op basis van dit artikel, kunnen de ambtenaren, voor de duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering hiervan, dwang gebruiken of de personen en goederen weerhouden die onder hun autoriteit geplaatst zijn. Er wordt bijstand gevraagd aan een patrouille van de Partij op wiens grondgebied de verplaatsing plaatsvindt, indien het recht van deze Partij dit oplegt.
Art. 22. 1. Dans l'exercice de leurs missions policières et douanières, pour la mise en oeuvre de leurs compétences administratives comme judiciaires, les agents des services compétents peuvent, si l'agencement des voies de circulation l'impose, circuler sur le territoire de l'autre Partie, jusqu'à la prochaine possibilité de faire demi-tour pour retourner sur leur propre territoire.
2. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Lors des liaisons réalisées sur le territoire de l'autre Partie sur la base du présent article, les agents d'une Partie peuvent exercer une coercition ou une rétention à l'égard des personnes et des biens placés sous leur autorité, pour la durée strictement nécessaire à leur réalisation. L'assistance d'une patrouille de la Partie sur le territoire de laquelle le transit a lieu est requise si le droit de cette Partie l'impose.
2. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Lors des liaisons réalisées sur le territoire de l'autre Partie sur la base du présent article, les agents d'une Partie peuvent exercer une coercition ou une rétention à l'égard des personnes et des biens placés sous leur autorité, pour la durée strictement nécessaire à leur réalisation. L'assistance d'une patrouille de la Partie sur le territoire de laquelle le transit a lieu est requise si le droit de cette Partie l'impose.
Art. 23. 1. Om de verplaatsingen die strikt noodzakelijk zijn voor de operationele opdrachten in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone te vergemakkelijken, kunnen de bevoegde diensten en eenheden van de Partijen, indien nodig, zich over het grondgebied van de andere Partij verplaatsen.
2. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Wanneer zij zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, oefenen de betreffende ambtenaren hun politie- of douanebevoegdheden niet uit en respecteren zij de geldende regels betreffende het wegverkeer die er van toepassing zijn.
2. Voorafgaand aan het overschrijden van de grens worden de gemeenschappelijke centra van deze overschrijding op de hoogte gebracht.
3. Wanneer zij zich op het grondgebied van de andere Partij bevinden, oefenen de betreffende ambtenaren hun politie- of douanebevoegdheden niet uit en respecteren zij de geldende regels betreffende het wegverkeer die er van toepassing zijn.
Art. 23. 1. Afin de faciliter les déplacements strictement nécessaires aux missions opérationnelles dans la zone de compétence commune, les services et unités compétents des Parties peuvent, en cas de besoin, transiter par le territoire de l'autre Partie.
2. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Lorsqu'ils se trouvent sur le territoire de l'autre Partie, les agents concernés n'exercent pas leurs pouvoirs de police ou de douane et respectent les règles relatives à la circulation routière qui y sont en vigueur.
2. Des avis de transit sont adressés, préalablement au passage de la frontière, aux centres communs.
3. Lorsqu'ils se trouvent sur le territoire de l'autre Partie, les agents concernés n'exercent pas leurs pouvoirs de police ou de douane et respectent les règles relatives à la circulation routière qui y sont en vigueur.
Art. 24. 1. De bevoegde diensten en eenheden van de Partijen kunnen goede praktijken uitwisselen inzake het gebruik van apparatuur voor automatische nummerplaatherkenning en de exploitatie van gegevens afkomstig van dergelijke geautomatiseerde verwerkingen.
2. De bevoegde diensten van de Partijen plegen, samen met hun andere nationale of lokale overheden, overleg teneinde de ontplooiing van dergelijke systemen in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone te coördineren.
2. De bevoegde diensten van de Partijen plegen, samen met hun andere nationale of lokale overheden, overleg teneinde de ontplooiing van dergelijke systemen in de gemeenschappelijke bevoegdheidszone te coördineren.
Art. 24. 1. Les services et unités compétents des Parties peuvent échanger des bonnes pratiques en matière d'utilisation des dispositifs de lecture automatisée des plaques d'immatriculation et d'exploitation des données issues de tels traitements automatisés.
2. Les services compétents des Parties, en liaison avec leurs autres autorités nationales ou locales, se concertent afin de coordonner le déploiement de tels systèmes dans la zone de compétence commune.
2. Les services compétents des Parties, en liaison avec leurs autres autorités nationales ou locales, se concertent afin de coordonner le déploiement de tels systèmes dans la zone de compétence commune.
Art. 25. 1. De diensten en eenheden van de Partijen kunnen elkaar wederzijds voertuigen of uitrusting ter beschikking stellen, om elkaar te steunen in het kader van al dan niet gezamenlijke operaties, en wisselen goede praktijken uit over het gebruik hiervan.
2. De diensten en eenheden van de Partijen kunnen elkaar, voor het beheer van specifieke operationele opdrachten, wederzijds voertuigen of uitrusting die specifiek zijn voor één van hen, alsook de deskundigen die nodig zijn voor het gebruik hiervan, ter beschikking stellen.
3. De diensten en eenheden van de Partijen kunnen gezamenlijk voertuigen of uitrusting verwerven en bestuderen met dit oogmerk alle nuttige mogelijkheden.
4. De modaliteiten voor het ter beschikking stellen of verwerven (al naargelang het geval) van deze voertuigen, materialen of uitrustingen en van eventuele overeenkomstige deskundigen maken, in voorkomend geval, het voorwerp uit van een uitvoeringsovereenkomst of een technische afspraak in de zin van artikel 29 van deze Overeenkomst.
2. De diensten en eenheden van de Partijen kunnen elkaar, voor het beheer van specifieke operationele opdrachten, wederzijds voertuigen of uitrusting die specifiek zijn voor één van hen, alsook de deskundigen die nodig zijn voor het gebruik hiervan, ter beschikking stellen.
3. De diensten en eenheden van de Partijen kunnen gezamenlijk voertuigen of uitrusting verwerven en bestuderen met dit oogmerk alle nuttige mogelijkheden.
4. De modaliteiten voor het ter beschikking stellen of verwerven (al naargelang het geval) van deze voertuigen, materialen of uitrustingen en van eventuele overeenkomstige deskundigen maken, in voorkomend geval, het voorwerp uit van een uitvoeringsovereenkomst of een technische afspraak in de zin van artikel 29 van deze Overeenkomst.
Art. 25. 1. Les services et unités des Parties peuvent se mettre réciproquement à disposition des véhicules ou équipements afin d'assurer leur soutien mutuel, dans le cadre d'opérations conjointes ou non, et procèdent à des échanges de bonnes pratiques sur leur utilisation.
2. Les services et unités des Parties peuvent se mettre réciproquement à disposition des véhicules ou équipements spécifiques à l'une d'elle, ainsi que les spécialistes nécessaires à leur emploi, pour la gestion d'engagements opérationnels spécifiques.
3. Les services et unités des Parties peuvent acquérir conjointement des véhicules ou équipements et étudient toutes opportunités utiles à cette fin.
4. Les modalités de mise à disposition ou d'acquisition (selon le cas) de ces véhicules ou équipements et des éventuels spécialistes correspondants font le cas échéant l'objet d'un accord d'exécution ou d'un arrangement technique au sens de l'article 29 du présent Accord.
2. Les services et unités des Parties peuvent se mettre réciproquement à disposition des véhicules ou équipements spécifiques à l'une d'elle, ainsi que les spécialistes nécessaires à leur emploi, pour la gestion d'engagements opérationnels spécifiques.
3. Les services et unités des Parties peuvent acquérir conjointement des véhicules ou équipements et étudient toutes opportunités utiles à cette fin.
4. Les modalités de mise à disposition ou d'acquisition (selon le cas) de ces véhicules ou équipements et des éventuels spécialistes correspondants font le cas échéant l'objet d'un accord d'exécution ou d'un arrangement technique au sens de l'article 29 du présent Accord.
TITEL IV. - SLOTBEPALINGEN
TITRE IV. - DISPOSITIONS FINALES
Art. 26. 1. De Partijen dragen gezamenlijk en op een billijke manier bij tot de financiering van de door deze Overeenkomst tot stand gekomen samenwerking, die in principe wordt uitgevoerd binnen de grenzen van de lopende werkingsuitgaven van de betrokken diensten.
2. De Partijen plegen zoveel als nodig is overleg over de financiële modaliteiten die van toepassing zijn op de gemeenschappelijke centra en op het ter beschikking stellen en verwerven van materieel, overeenkomstig de artikelen 3 en 25 van deze Overeenkomst. Zij maken eveneens afspraken over de verdeling van de financiële lasten die voortvloeien uit alle andere projecten die zij besloten zouden hebben om gezamenlijk te ontwikkelen.
2. De Partijen plegen zoveel als nodig is overleg over de financiële modaliteiten die van toepassing zijn op de gemeenschappelijke centra en op het ter beschikking stellen en verwerven van materieel, overeenkomstig de artikelen 3 en 25 van deze Overeenkomst. Zij maken eveneens afspraken over de verdeling van de financiële lasten die voortvloeien uit alle andere projecten die zij besloten zouden hebben om gezamenlijk te ontwikkelen.
Art. 26. 1. Les Parties contribuent conjointement et de manière équitable au financement de la coopération établie par le présent Accord, qui est en principe mise en oeuvre dans la limite des dépenses de fonctionnement courant des services concernés.
2. Les Parties se concertent en tant que de besoin sur les modalités financières applicables aux centres communs et aux mises à disposition et acquisitions de matériel conformément aux articles 3 et 25 du présent Accord. Elles conviennent également de la répartition des charges financières résultant de tous autres projets qu'elles décideraient de développer en commun.
2. Les Parties se concertent en tant que de besoin sur les modalités financières applicables aux centres communs et aux mises à disposition et acquisitions de matériel conformément aux articles 3 et 25 du présent Accord. Elles conviennent également de la répartition des charges financières résultant de tous autres projets qu'elles décideraient de développer en commun.
Art. 27. Bij een verzoek tot samenwerking, geformuleerd in het kader van deze Overeenkomst, kan elk van de Partijen deze volledig of gedeeltelijk afwijzen indien zij van mening is dat de aanvaarding ervan, naast het niet naleven van de voorwaarden zoals bepaald in deze Overeenkomst, indruist tegen haar internationale verbintenissen of de Europese wetgeving of dat de aanvaarding ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de persoon, de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde, de organisatie- of werkingsregels van de gerechtelijke overheden of aan andere wezenlijke belangen van zijn Staat. In dat geval wordt de andere Partij hier langs officiële weg van op de hoogte gebracht.
Art. 27. Saisie d'une demande de coopération formulée dans le cadre du présent Accord, chacune des Parties peut la rejeter totalement ou partiellement si elle estime que son acceptation, outre le non-respect des conditions prévues par le présent Accord, serait contraire à ses engagements internationaux ou à la législation européenne ou que son acceptation porterait atteinte aux droits fondamentaux de la personne, à la souveraineté, à la sécurité, à l'ordre public, aux règles d'organisation ou de fonctionnement de l'autorité judiciaire ou à d'autres intérêts essentiels de son Etat. Elle en informe dans ce cas l'autre Partie par voie officielle.
Art. 28. Ieder geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van deze Overeenkomst wordt geregeld via raadpleging of overleg tussen de Partijen.
Art. 28. Tout différend relatif à l'interprétation ou à l'application du présent Accord est réglé par voie de consultation ou de négociation entre les Parties.
Art. 29. 1. De Partijen geven elkaar kennis van de afhandeling van de grondwettelijke procedures vereist voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, die in werking treedt de eerste dag van de maand die volgt op de datum van ontvangst van de tweede kennisgeving.
2. Deze Overeenkomst wordt gesloten voor onbeperkte duur.
3. Vanaf haar inwerkingtreding heft deze Overeenkomst de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de grensoverschrijdende samenwerking in politie- en douanezaken, ondertekend te Doornik op 5 maart 2001, alsook de uitwisseling van brieven ondertekend te Parijs en Brussel op 10 juni 2002, op.
4. Deze Overeenkomst kan in onderlinge overeenstemming tussen de Partijen gewijzigd worden. Deze wijzigingen treden in werking volgens de in de eerste paragraaf voorziene voorwaarden.
5. De Overeenkomst kan eveneens het voorwerp uitmaken van uitvoeringsovereenkomsten of technische afspraken die de tenuitvoerlegging van de bepalingen ervan preciseren of aanvullen.
6. Elke Partij kan te allen tijde de Overeenkomst opzeggen mits een opzegtermijn van zes maanden. Deze opzegging ontslaat de Partijen niet van de rechten en verplichtingen verbonden aan de projecten die in het kader van deze Overeenkomst werden aangegaan.
2. Deze Overeenkomst wordt gesloten voor onbeperkte duur.
3. Vanaf haar inwerkingtreding heft deze Overeenkomst de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de grensoverschrijdende samenwerking in politie- en douanezaken, ondertekend te Doornik op 5 maart 2001, alsook de uitwisseling van brieven ondertekend te Parijs en Brussel op 10 juni 2002, op.
4. Deze Overeenkomst kan in onderlinge overeenstemming tussen de Partijen gewijzigd worden. Deze wijzigingen treden in werking volgens de in de eerste paragraaf voorziene voorwaarden.
5. De Overeenkomst kan eveneens het voorwerp uitmaken van uitvoeringsovereenkomsten of technische afspraken die de tenuitvoerlegging van de bepalingen ervan preciseren of aanvullen.
6. Elke Partij kan te allen tijde de Overeenkomst opzeggen mits een opzegtermijn van zes maanden. Deze opzegging ontslaat de Partijen niet van de rechten en verplichtingen verbonden aan de projecten die in het kader van deze Overeenkomst werden aangegaan.
Art. 29. 1. Chacune des Parties notifie à l'autre l'accomplissement des procédures constitutionnelles requises en ce qui la concerne pour l'entrée en vigueur du présent Accord, qui prend effet le premier jour du mois suivant le jour de réception de la seconde notification.
2. Le présent Accord est conclu pour une durée illimitée.
3. A sa date d'entrée en vigueur, le présent Accord abroge l'Accord entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République française relatif à la coopération transfrontalière en matière policière et douanière, signé à Tournai le 5 mars 2001, ainsi que l'échange de lettres signées à Paris et Bruxelles le 10 juin 2002.
4. Le présent Accord peut être amendé d'un commun accord entre les Parties; ces amendements entrent en vigueur dans les conditions prévues au premier paragraphe.
5. Le présent Accord peut également faire l'objet d'accords d'exécution ou d'arrangements techniques, précisant ou complétant la mise en oeuvre de ses dispositions.
6. Chacune des Parties peut dénoncer le présent Accord à tout moment avec un préavis de six mois. Cette dénonciation ne remet pas en cause les droits et obligations des Parties liés aux projets engagés dans le cadre de celui-ci.
2. Le présent Accord est conclu pour une durée illimitée.
3. A sa date d'entrée en vigueur, le présent Accord abroge l'Accord entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République française relatif à la coopération transfrontalière en matière policière et douanière, signé à Tournai le 5 mars 2001, ainsi que l'échange de lettres signées à Paris et Bruxelles le 10 juin 2002.
4. Le présent Accord peut être amendé d'un commun accord entre les Parties; ces amendements entrent en vigueur dans les conditions prévues au premier paragraphe.
5. Le présent Accord peut également faire l'objet d'accords d'exécution ou d'arrangements techniques, précisant ou complétant la mise en oeuvre de ses dispositions.
6. Chacune des Parties peut dénoncer le présent Accord à tout moment avec un préavis de six mois. Cette dénonciation ne remet pas en cause les droits et obligations des Parties liés aux projets engagés dans le cadre de celui-ci.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Inwerkingtreding : 01/10/2015
Art. N. Entrée en vigueur : 01/10/2015