Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 MAART 2014. - Reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-05-2014 en tekstbijwerking tot 11-09-2024)
Titre
4 MARS 2014. - Règlement du 4 mars 2014 de la Banque nationale de Belgique relatif à la mise en oeuvre du Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-05-2014 et mise à jour au 11-09-2024)
Tekst (70)
Texte (71)
DEFINITIE
DEFINITION
Artikel 1. [1 Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
NBB, de Nationale Bank van België;
Verordening nr. 575/2013, Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 ;
GTM-verordening, Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, de gedelegeerde verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen ;
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1646 van de Commissie, de uitvoeringsverordening (EU) 2016/1646 van de Commissie van 13 september 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot hoofdindexen en erkende beurzen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ]1
.
Article 1er. [1 Aux fins du présent règlement, on entend par :
BNB, la Banque nationale de Belgique ;
Règlement n° 575/2013, le règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
Règlement MSU, le règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de contrôle prudentiel des établissements de crédit ;
Règlement délégué (UE) 2015/61, le règlement délégué (UE) 2015/61 de la Commission du 10 octobre 2014 complétant le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne l'exigence de couverture des besoins de liquidité pour les établissements de crédit ;
Règlement d'exécution (UE) 2016/1646 de la Commission, le règlement d'exécution (UE) 2016/1646 de la Commission du 13 septembre 2016 définissant des normes techniques d'exécution concernant les indices importants et les marchés reconnus, conformément au règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d'investissement ]1
.
TOEPASSINGSGEBIED
CHAMP D'APPLICATION
Art. 2. § 1.[1 § 1. De instellingen passen de in de punten 1° en 2° bedoelde criteria toe, wanneer zij de in artikel 16bis, tweede lid, van dit reglement bedoelde beoordeling uitvoeren, met betrekking tot de in artikel 16bis, eerste lid, onder d), van dit reglement vastgestelde voorwaarden.
Om de naleving te beoordelen van de voorwaarden overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder a), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of:
a) er sprake is van enige bestaande of verwachte materiële praktische of juridische belemmering die de tijdige terugbetaling van de blootstelling aan de instelling zou belemmeren, behoudens in een herstel- of afwikkelingssituatie, waarin de in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde beperkingen moeten worden toegepast;
b) de betrokken blootstellingen stroken met de normale bedrijfsvoering en het bedrijfsmodel van de instelling of gerechtvaardigd worden door de netwerkfinancieringsstructuur;
c) het besluitvormingsproces waarmee een blootstelling aan een intragroeptegenpartij wordt goedgekeurd, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op individueel niveau, en, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast op de kredietverstrekking aan derden;
d) de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportering van de instelling een doorgaande controle mogelijk maken en verzekeren dat de grote blootstellingen aan het centraal orgaan of de regionale entiteiten in overeenstemming zijn met de risicostrategie van de instelling.
Om de naleving te beoordelen van de voorwaarden overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder b), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of:
a) de instelling over robuuste processen, procedures en controles beschikt om te verzekeren dat gebruik van de vrijstelling niet zou resulteren in een concentratierisico dat haar risicostrategie te boven gaat;
b) de instelling formeel met het uit blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico rekening heeft gehouden als onderdeel van haar globale risicobeoordelingskader;
c) de instelling over een risicobeheersingskader beschikt dat de betrokken blootstellingen adequaat monitort;
d) het voorkomende concentratierisico duidelijk is of zal worden geïdentificeerd in de interne kapitaaltoereikenheid (Internal Capital Adequacy Assessment Process ICAAP) van de instelling en actief zal worden beheerd. De regelingen, processen en mechanismen voor het concentratierisicobeheer zullen in het toetsings- en evaluatieproces in het kader van toezicht (Supervisory Review and Evaluation Process - SREP) worden beoordeeld.
§ 2. Bovendien, om te beoordelen of het centrale orgaan of een regionale entiteit waarmee de instelling in het kader van een netwerk is verbonden, verantwoordelijk is voor de verevening van onderlinge geldposities, als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening nr. 575/2013, gaan de instellingen na of de statuten of oprichtingsakten van het centrale orgaan of de regionale entiteiten expliciet bepalen dat zij onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende verantwoordelijkheden hebben:
a) marktfinanciering voor het hele netwerk;
b) verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk, in het kader van de toepassing van artikel 10 van Verordening nr. 575/2013;
c) liquiditeitsverstrekking aan aangesloten instellingen;
d) afroming van het liquiditeitsoverschot van aangesloten instellingen.
§ 3. Om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van de paragrafen 1 en 2, stellen de instellingen de volgende documenten op het eerste verzoek ter beschikking van de NBB:
een door de wettelijke vertegenwoordiger van de instelling ondertekende en door het beheersorgaan goedgekeurde brief waarin verklaard wordt dat de instelling voldoet aan alle in artikel 400, lid 3 van verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden voor de verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van genoemde verordening;
een door het beheersorgaan goedgekeurd juridisch advies van hetzij een onafhankelijke externe jurist, hetzij de interne juridische dienst, waarin wordt aangetoond dat er geen belemmeringen zijn, hetzij in toepasselijke voorschriften, waaronder fiscale voorschriften, hetzij op grond van bindende overeenkomsten, voor een tijdige terugbetaling van de blootstellingen van de instelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten;
een door de wettelijke vertegenwoordiger van de instelling ondertekende en door haar beheersorgaan goedgekeurde verklaring waarin wordt bevestigd dat:
a) er geen praktische belemmeringen zijn voor de tijdige terugbetalingen van de blootstellingen van de instelling aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten;
b) de netwerkfinancieringsstructuur de blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten rechtvaardigt;
c) het besluitvormingsproces tot goedkeuring van een blootstelling aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op individueel niveau en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast op kredietverstrekking aan derden;
d) rekening is gehouden met het uit blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico als onderdeel van het globale risicobeoordelingskader van de instelling;
door de wettelijke vertegenwoordiger van in de instelling ondertekende en door haar beheersorgaan goedgekeurde documenten waarin verklaard wordt dat de risico-evaluatieprocedures, de waarderings- en controleprocedures van de instelling dezelfde zijn als die van het centrale orgaan en de regionale entiteiten, en dat de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de instelling mogelijk maken dat het leidinggevend orgaan het niveau van de grote blootstellingen voortdurend kan monitort, en dat het beheersorgaan voortdurend kan monitoren of het niveau van de grote blootstelling strookt met haar risicostrategie op individueel niveau en, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, en of het niveau van de grote blootstelling strookt met de beginselen van goed intern liquiditeitsbeheer binnen het netwerk;
documenten die aantonen dat de interne kapitaaltoereikenheid (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) het uit grote blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico duidelijk identificeert en dat dit risico actief wordt beheerd;
documenten die aantonen dat het beheer van het concentratierisico strookt met het herstelplan van het netwerk ]1
.
Art. 2. [1 Le présent règlement s'applique aux établissements de crédit de droit belge visés au livre II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi qu'aux sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse, ci-après " l'établissement " ou " les établissements.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 3, 4, 5, 9, 10, alinéa 1er, 11, 12, 13, 15, 16bis, 16ter, 16quater, 16quinquies, 16sexies, 16septies, 16octies et 35, et l'annexe au présent règlement ne sont applicables qu'aux établissements de crédit de droit belge qui ne relèvent pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4, du Règlement MSU, et aux sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse]1
.
NIVEAU VAN TOEPASSING VAN DE VEREISTEN
NIVEAU D'APPLICATION DES EXIGENCES
Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis
Application des exigences sur base consolidée
Art. 3. Voor de toepassing van artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 houdt de NBB bij haar beoordeling van de risico's die voor de consoliderende onderneming voortvloeien uit haar relatie met de betrokken onderneming en met name uit de aansprakelijkheid die voor de consoliderende onderneming voortvloeit uit haar deelneming, rekening met haar kapitaalbinding of met de aanzienlijke invloed die zij uitoefent.
Art. 3. Pour l'application de l'article 18 du Règlement n° 575/2013, la BNB tient compte dans son appréciation des risques découlant, pour l'entreprise consolidante, de sa relation avec l'entreprise concernée et notamment la responsabilité encourue par l'entreprise consolidante du fait de sa participation, de son lien en capital ou de l'influence notable qu'elle exerce.
[1 EIGENVERMOGENSBESTANDDELEN]1
[1 ELEMENTS DE FONDS PROPRES]1
Tier 1-kernkapitaalbestanddelen en -instrumenten
Eléments et instruments de fonds propres de base de catégorie 1
Vereisten voor aftrek indien er consolidatie van toepassing is>
Exigence de déduction en cas de consolidation
Art. 4. Voor de toepassing van artikel 49, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 verlangt de NBB dat het bezit van eigenvermogensinstrumenten die worden uitgegeven door entiteiten uit de financiële sector, voor het toezicht op individuele en gesubconsolideerde basis van de instelling, wordt afgetrokken in de volgende gevallen :
a) het bezit van deze instrumenten valt niet onder het geconsolideerde toezicht van de instelling;
b) de instelling heeft niet het recht om het merendeel van de leden van de raad van bestuur te benoemen of te ontslaan en bezit minder dan 50 % van de stemrechten op de algemene vergadering;
c) er zijn feitelijke of juridische praktische belemmeringen aanwezig of te voorzien, die een snelle overdracht van eigen vermogen of terugbetaling op de vervaldag van passiva door de dochteronderneming aan haar moederonderneming kunnen verhinderen.
Art. 4. Aux fins de l'application de l'article 49, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, la BNB requiert la déduction des participations dans des instruments de fonds propres émis par des entités du secteur financier, pour le contrôle sur base individuelle et sous-consolidée de l'établissement, dans les cas suivants :
a) les participations ne sont pas incluses dans le périmètre de la surveillance sur base consolidée de l'établissement;
b) l'établissement n'a pas le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres du conseil d'administration et détient moins de 50 % des droits de vote à l'assemblée générale;
c) il existe, en droit ou en fait, des obstacles pratiques, actuels ou prévus, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement, à l'échéance, de passifs par la filiale à son établissement mère.
[1 Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector.]1
[1 Pondération et interdiction de participations qualifiées hors du secteur financier]1
Art. 5. [1 Onverminderd artikel 90 van Verordening (EU) nr. 575/2013 passen de instellingen voor de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 1250 % toe op het hoogste van de volgende bedragen :
a) het bedrag van de in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling, en
b) het totale bedrag van de in artikel 89, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.]1

Art. 5. [1 Sans préjudice de l'article 90 du Règlement (UE) n° 575/2013, pour le calcul des exigences de fonds propres conformément à la troisième partie du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements appliquent une pondération de 1250 % au plus élevé des montants suivants :
a) le montant des participations qualifiées dans des entreprises visées à l'article 89, paragraphe 1er, du Règlement (UE) n° 575/2013, excédant 15 % des fonds propres éligibles de l'établissement ; et
b) le montant total des participations qualifiées dans des entreprises visées à l'article 89, paragraphe 2, du Règlement (UE) n° 575/2013, qui excède 60 % des fonds propres éligibles de l'établissement. ]1

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR KREDIETRISICO
EXIGENCES DE FONDS PROPRES POUR RISQUE DE CREDIT
Standaardbenadering - Risicoweging
Approche standard - Pondération des risques
Art. 6. Voor de toepassing van artikel 115, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 worden risicoposities op de Gemeenschappen en Gewesten in België behandeld als risicoposities op de Belgische centrale overheid.
Art. 6. Aux fins de l'application de l'article 115, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, les expositions sur les Communautés et Régions belges sont traitées comme des expositions sur l'administration centrale belge.
Art. 7.
Art. 7.
Art. 8.
Art. 8.
Art. 9. Voor de toepassing van artikel 129 van Verordening nr. 575/2013 wordt niet afgeweken van lid 1, punt c) van het genoemde artikel.
Art. 9. Aux fins de l'application de l'article 129 du Règlement n° 575/2013, il n'est pas dérogé au paragraphe premier, point c) de cet article.
Toestemming om gebruik te maken van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte interneratingbenadering
Autorisation d'utiliser l'approche fondée sur les notations internes délivrée par les autorités compétentes
Art. 10. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 150 van Verordening nr. 575/2013 moeten de instellingen een gemotiveerd verzoek indienen bij de NBB. De NBB zal dit verzoek beoordelen op grond van de volgende criteria :
a) de risico's verbonden aan de betrokken risicoposities zijn voldoende gedekt door de standaardbenadering;
b) het volume van de risicoposities blijft niet-materieel in termen van het aantal wederpartijen, het bedrag of het risicoprofiel van die risicoposities.
Gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 passen de instellingen die tot en met 31 december 2013 de standaardbenadering mochten toepassen voor risicoposities die voldoen aan de voorwaarden van artikel 150, lid 1, punt d), de volgende percentages toe op het bedrag van de eigenvermogensvereisten die op grond van de interneratingbenadering zijn berekend :
a) 20 % voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;
b) 40 % voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;
c) 60 % voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;
d) 80 % voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Art. 10. Pour l'application des dispositions de l'article 150 du Règlement n° 575/2013, les établissements doivent soumettre une demande motivée à la BNB. La BNB appréciera la demande sur base des critères suivants :
a) les risques liés aux expositions concernées sont suffisamment couverts par l'approche standard;
b) le volume d'exposition demeure immatériel en termes de nombre de contreparties, de montant ou du profil de risque de ces expositions.
Au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017, les établissements qui, jusqu'au 31 décembre 2013, étaient autorisés à appliquer l'approche standard aux expositions répondant aux conditions de l'article 150, paragraphe 1, point d), appliquent les pourcentages suivants au montant des exigences en fonds propres calculées sur base de l'approche notation interne :
a) 20 % pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014;
b) 40 % pour la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
c) 60 % pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
d) 80 % pour la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.
Kans op wanbetaling, verlies bij wanbetaling en looptijd
Probabilité de défaut, perte en cas de défaut et échéance
Art. 11. Voor de toepassing van artikel 162, lid 1, tweede alinea van Verordening nr. 575/2013 moeten de instellingen die geen toestemming hebben verkregen om hun eigen LGD's te gebruiken, de bepalingen van lid 2 van het genoemde artikel toepassen voor de berekening van de looptijden.
Art. 11. Aux fins de l'application de l'article 162, paragraphe 1er, alinéa 2 du Règlement n° 575/2013, les établissements qui n'ont pas été autorisés à utiliser leurs propres LGD sont tenus d'appliquer les dispositions du paragraphe 2 de cet article pour le calcul des échéances.
Voorwaarden voor het gebruik van de IRB-benadering - Wanbetaling door debiteuren
Conditions d'utilisation de l'approche NI - Défaut d'un débiteur
Art. 12. [1 De instellingen passen de "meer-dan-90-dagen-achterstallig"-regel toe voor de in artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde categorieën blootstellingen. ]1
Art. 12. [1 Les établissements appliquent la règle de l'" arriéré supérieur à 90 jours " pour les catégories d'expositions visées à l'article 178, paragraphe 1, point b), du Règlement (UE) n° 575/2013. ]1
Effectisering - Inaanmerkingneming van de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico
Titrisation - Prise en compte d'un transfert de risque significatif
Art. 13. Voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 243 en 244 van Verordening nr. 575/2013 moeten de instellingen vóór elke effectiseringsverrichting aan de NBB een informatiedossier bezorgen, op basis waarvan de NBB kan nagaan of voldaan is aan de voorwaarden om te besluiten dat sprake is van een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico. In dit dossier moet ook omschreven worden welk beleid de instelling zal voeren op het vlak van de effectisering (doelstelling van de verrichtingen, beleid inzake het behoud van het kredietrisico, verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de instelling, eventuele bevoegdheidsoverdracht). Wanneer de instelling ten behoeve van de NBB niet kan aantonen dat zij een aanzienlijk deel van de kredietrisico's van de geëffectiseerde portefeuille heeft overgedragen aan een derde partij, kan er voor die effectiseringsverrichting geen verlichting worden toegestaan van de eigenvermogensvereisten voor de geëffectiseerde risicoposities. De risicoposities worden dan behandeld alsof ze niet geëffectiseerd waren.
Art. 13. Pour l'application des dispositions des articles 243 et 244 du Règlement n° 575/2013, préalablement à toute opération de titrisation, les établissements doivent soumettre à la BNB un dossier d'information permettant de vérifier que les conditions permettant de conclure à un transfert significatif des risques sont remplies. Ce dossier décrira également la politique adoptée par l'établissement en matière de titrisation (objectif des opérations, politique en matière de rétention du risque de crédit, répartition des responsabilités au sein de l'établissement, délégation de pouvoir éventuelle). Lorsque l'établissement ne peut démontrer à la satisfaction de la BNB qu'il a bien transféré à un tiers une partie significative des risques de crédit du portefeuille titrisé, l'opération de titrisation ne permet pas de réduire les exigences en fonds propres relatives aux expositions titrisées. Les expositions sont dès lors traitées comme si elles n'avaient pas été titrisées.
Wederpartijkredietrisico
Risque de crédit de contrepartie<
Art. 14.
Art. 14.
EIGENVERMOGENSVEREISTEN VOOR HET MARKTRISICO
EXIGENCES DE FONDS PROPRES POUR RISQUE DE MARCHE
Eigenvermogensvereisten voor het positierisico - berekening van de nettopositie
Exigences de fonds propres pour risque de position - calcul de la position nette
Art. 15. Voor de toepassing van artikel 327, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 :
a) mogen effecten die converteerbaar zijn in aandelen of in andere effecten die met aandelen kunnen worden gelijkgesteld, worden behandeld alsof het posities zijn in aandelen of andere effecten die met aandelen kunnen worden gelijkgesteld, die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van het instrument waarin die effecten kunnen worden geconverteerd, vermenigvuldigd met de delta;
b) de aldus verkregen posities mogen worden gecompenseerd met tegengestelde posities in effecten of afgeleide instrumenten die een identieke onderliggende waarde hebben;
c) [1 om de risico's te dekken die verband houden met het feit dat rekening wordt gehouden met de kans dat een converteerbaar effect wordt geconverteerd, blijft 10 % van de posities die gecompenseerd zijn met posities op converteerbare effecten evenwel onderworpen aan de vereisten van Deel III, Titel IV, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van de genoemde verordenin]1.
Art. 15. Aux fins de l'application de l'article 327, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013 :
a) les titres convertibles en actions, ou autres valeurs assimilables à des actions, peuvent être traités comme s'il s'agissait de positions en actions, ou autres valeurs assimilables, de valeur égale au montant de l'instrument dans lequel les titres peuvent être convertis, multiplié par le delta;
b) les positions ainsi obtenues peuvent être compensées avec des positions de signe opposé dans des titres, ou instruments dérivés, qui ont un sous-jacent identique;
c) [1 afin de couvrir les risques liés à la prise en compte de la probabilité de conversion des titres convertibles, 10 % des positions compensées par des positions sur des titres convertibles resteront néanmoins soumises aux exigences de la Partie III, Titre IV, Chapitre1, Section 3 dudit règlement]1.
GROTE RISICO'S
GRANDS RISQUES
Art. 16. [1 § 1. Met toepassing van artikel 493, lid 3, c van Verordening nr. 575/2013 geldt tijdens de in dat lid bedoelde overgangsperiode het volgende :
Blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft op haar moederonderneming of op andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, waarbij deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis zoals bedoeld in artikel 493, lid 3, c) van de genoemde verordening, vallen ten belope van 25 % onder de toepassing van artikel 395, lid 1 van dezelfde verordening, onverminderd het bepaalde onder 2° en paragraaf 3 van het huidig artikel.
[2 Zonder dat de onder 1° bedoelde weging wordt toegepast, bedraagt de in artikel 395, lid 1, alinea 2 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde blootstellingswaarde in elk geval niet meer dan 100% van het in aanmerking komend kapitaal van de instellin]2.
Voor de toepassing van het bepaalde onder 1° en 2° wordt voor de onder 1° bedoelde blootstellingen enkel het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399, 400, leden 1 en 2, a) en i), 401, 402 en 403 van Verordening nr. 575/2013 in aanmerking genomen.
§ 2. Met toepassing van artikel 493, lid 3, c) van Verordening nr. 575/2013 zijn, tijdens de in dat lid bedoelde overgangsperiode, de blootstellingen, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft met betrekking tot haar eigen dochterondernemingen die opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis zoals bedoeld in artikel 493, lid 3, c) van de genoemde verordening, vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1 van dezelfde verordening.
§ 3. Met toepassing van artikel 493, lid 3, c) van Verordening nr. 575/2013, zijn, mits de bevoegde autoriteit hiervoor voorafgaandelijk de toestemming verleent, de in de eerste paragraaf bedoelde blootstellingen vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1 van Verordening nr. 575/2013, voor zover minstens voldaan is aan elk van de volgende voorwaarden :
- de instelling wordt bijna uitsluitend door professionele wederpartijen gefinancierd;
- de deposito's ontvangen van niet-professionele wederpartijen zijn beperkt in omvang binnen het volledige Belgische bankstelsel.
§ 4.[2 ...]2
Art. 16. [1 § 1er. En application de l'article 493, paragraphe 3, c) du règlement n° 575/2013, les dispositions qui suivent s'appliquent durant la période de transition visée audit article :
Les expositions, y compris tout type de participation, prises par un établissement sur son entreprise mère ou sur les autres filiales de cette entreprise mère, pour autant que ces entreprises soient incluses dans le contrôle sur base consolidée visé à l'article 493, paragraphe 3, c) dudit règlement, sont soumises à concurrence de 25 % à l'application de l'article 395, paragraphe 1 du même règlement, sans préjudice des prescriptions visées sous le 2° et au paragraphe 3 du présent article.
[2 Sans qu'il soit fait application de la pondération visée sous le 1°, la valeur de l'exposition visée à l'article 395, paragraphe 1, deuxième alinéa du Règlement n° 575/2013 n'excède en tout état de cause pas 100 % des fonds propres éligibles de l'établissement]2.
Pour l'application des dispositions visées sous les 1° et 2°, seul est pris en compte, pour les expositions visées sous le 1,° l'effet de l'atténuation des risques de crédit conformément aux articles 399, 400, paragraphes 1 et 2, a) et i), 401, 402 et 403, du règlement n° 575/2013.
§ 2. En application de l'article 493, paragraphe 3, c) du règlement n° 575/2013, durant la période transitoire visée audit paragraphe, les expositions, y compris tout type de participation, prises par un établissement sur ses propres filiales incluses dans le contrôle sur base consolidée visé à l'article 493, paragraphe 3, c) dudit règlement, sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1 du même règlement.
§ 3. En application de l'article 493, paragraphe 3, c) du règlement n° 575/2013, à condition que l'autorité de contrôle ait préalablement marqué son accord en ce sens, les expositions visées au paragraphe 1er sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1 du règlement n° 575/2013, pour autant qu'il soit au moins satisfait à chacune des conditions suivantes :
- l'établissement est financé quasi exclusivement par des contreparties professionnelles;
- les dépôts reçus de contreparties non professionnelles sont limités en volume au sein de l'ensemble du système bancaire belge.
§ 4. [2 ...]2
Art. 16bis. [1 Overeenkomstig artikel 400, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijn de volgende vrijstellingen van toepassing :
a) De in artikel 400, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn ten belope van 80 % van de nominale waarde van de gedekte obligaties vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde v, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
b) De in artikel 400, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn ten belope van 80 % van hun waarde vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde Verordening, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
c) De in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn volledig vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde Verordening, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden, zoals nader bepaald in de bijlage bij dit reglement;
d) De in artikel 400, lid 2, onder e) tot h), j) en k), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn volledig vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde verordening, en de blootstellingen bedoeld in artikel 400, lid 2, onder i), zijn vrijgesteld tot het door die bepaling toegestane maximumbedrag, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
e) De instellingen beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader bepaald in de bijlage bij dit reglement.
De instellingen stellen de in de bijlage bij dit reglement bedoelde documenten op het eerste verzoek ter beschikking van de NBB. ]1

Art. 16bis. [1 Conformément à l'article 400, paragraphe 2, du Règlement (UE) n° 575/2013, les exemptions suivantes sont applicables :
a) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point a), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement à concurrence de 80 % de la valeur nominale des obligations garanties, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3 de ce même règlement soient remplies ;
b) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point b), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement à concurrence de 80 % de leur valeur, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, de ce même règlement soient remplies ;
c) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont totalement exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement, pour autant que les conditions énoncées à l'article 400, paragraphe 3 de ce même règlement, telles qu'elles sont précisées à l'annexe du présent règlement, soient remplies ;
d) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, points e) à h), j) et k), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont totalement exemptées et celles visées à l'article 400, paragraphe 2, point i), sont exemptées à hauteur du montant maximal autorisé par ladite disposition, de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, de ce même règlement soient remplies ;
e) Les établissements évaluent si les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, du Règlement (UE) n° 575/2013, telles que précisées à l'annexe du présent règlement, sont remplies.
Les établissements mettent les documents visés à l'annexe du présent règlement à la disposition de la BNB à la première demande. ]1

[-1 LIQUIDITEIT ]-1 [1 ]1
[1 LIQUIDITE1
Art. 16ter. [1 Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, punt c), (i) van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, worden de volgende indexen beschouwd als belangrijke aandelenindexen voor het bepalen van de omvang van aandelen die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 als activa van niveau 2B kunnen worden aangemerkt:
Art. 16ter. [1 Pour l'application de l'article 12, paragraphe 1, point c), (i) du Règlement délégué (UE) 2015/61, les indices suivants constituent des indices boursiers importants aux fins de déterminer l'étendue des actions qui pourraient être considérées comme des actifs de niveau 2B en vertu de l'article 12, paragraphe 1, point c), du Règlement délégué (UE) 2015/61 :
Art. 16quater. [1 Voor de toepassing van artikel 12, lid 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, worden instellingen die krachtens hun statuten om redenen van godsdienstige overtuiging niet in staat zijn om rentedragende activa aan te houden, toegestaan bedrijfsschuldpapieren op te nemen als activa van niveau 2B overeenkomstig alle in artikel 12, lid 1, punt b), van die Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 vastgelegde voorwaarden.
Art. 16quater. [1 . Pour l'application de l'article 12, paragraphe 3 du Règlement délégué (UE) 2015/61, les établissements qui, selon leurs statuts, ne sont pas en mesure, pour des raisons religieuses, de détenir des actifs porteurs d'intérêts, sont autorisés à inclure des titres de dette d'entreprises dans les actifs liquides de niveau 2B conformément aux conditions énoncées à l'article 12, dudit Règlement délégué (UE) 2015/61.
Art. 16quinquies.[1 Voor de toepassing van artikel 428septedecies, lid 10, van Verordening nr. 575/2013, voor blootstellingen buiten de balanstelling die binnen het toepassingsgebied van genoemd artikel vallen, passen de instellingen op blootstellingen buiten de balanstelling die niet in deel zes, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening nr. 575/2013 worden genoemd, factoren voor vereiste stabiele financiering toe, die overeenstemmen met de uitstroompercentages die zij in het kader van artikel 23 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 toepassen op gerelateerde producten en diensten in het liquiditeitsdekkingsvereiste. ]1
Art. 16quinquies. [1 Pour l'application de l'article 428septedecies, paragraphe 10 du Règlement n° 575/2013, pour les expositions de hors bilan entrant dans le champ d'application dudit article, les établissements appliquent, aux expositions de hors bilan non visées à la sixième partie, titre IV, chapitre 4, du Règlement n° 575/2013, des facteurs de financement stable requis correspondant aux taux de sortie de trésorerie qu'ils appliquent aux produits et services liés dans le contexte de l'article 23 du Règlement délégué (UE) 2015/61 pour ce qui concerne l'exigence de couverture des besoins de liquidité. ]1
Art. 16sexies.[1 Voor de toepassing van artikel 428octodecies, lid 2, van Verordening nr. 575/2013, indien activa overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn gescheiden en instellingen niet vrijelijk over dergelijke activa kunnen beschikken, beschouwen de instellingen deze activa als bezwaard voor een periode die overeenkomt met de termijn van de verplichtingen jegens de cliënten van de instellingen waarop dat scheidingsvereiste betrekking heeft.]1
Art. 16sexies. [1 Pour l'application de l'article 428octodecies, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, lorsque des actifs ont fait l'objet d'une ségrégation conformément à l'article 11, paragraphe 3, du Règlement (UE) n° 648/2012 et que les établissements ne sont pas en mesure de céder ces actifs librement, les établissements considèrent lesdits actifs comme grevés pour une période correspondant au terme des engagements envers leurs clients sur lesquels porte cette obligation de ségrégation. ]1
Art. 16septies.[1 Voor de toepassing van artikel 428quaterquadragies, lid 10, van Verordening nr. 575/2013, volgen de instellingen waarvoor toestemming is verleend om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de genoemde Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, de in artikel 16quinquies van hetzelfde reglement gespecificeerde benadering. ]1
Art. 16septies. [1 Pour l'application de l'article 428quaterquadragies, paragraphe 10, du Règlement n° 575/2013, les établissements auxquels a été accordée l'autorisation d'appliquer l'exigence de financement stable net simplifiée visée à la sixième partie, titre IV, chapitre 5, dudit Règlement n° 575/2013, suivent l'approche décrite à l'article 16quinquies du présent règlement ]1.
Art. 16octies. [1 Voor de toepassing van artikel 428quinquesquadragies, lid 2, van Verordening nr. 575/2013, volgen de instellingen waaraan toestemming is verleend om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de genoemde Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, de in artikel 16sexies van huidige reglement gespecificeerde benadering. ]1
Art. 16octies. [1 Pour l'application de l'article 428quinquesquadragies, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, les établissements auxquels a été accordée l'autorisation de calculer le ratio de financement stable net simplifié, visé à la sixième partie, titre IV, chapitre 5, dudit Règlement n° 575/2013, suivent l'approche décrite à l'article 16sexies du présent règlement. ]1
OVERGANGSBEPALINGEN
DISPOSITIONS TRANSITOIRES
Art. 17. Voor de toepassing van artikel 465, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 zijn gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 de volgende eigenvermogensvereisten van toepassing :
a) een tier 1-kernkapitaalratio van 4 %;
b) een tier 1-kapitaalratio van 5,5 %.
Art. 17. Pour l'application de l'article 465, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, entre le 1er janvier 2014 et le 31 décembre 2014, les exigences de fonds propres suivantes s'appliquent :
a) un ratio de fonds propres de base de catégorie 1 de 4 %;
b) un ratio de fonds propres de catégorie 1 de 5,5 %.
Art. 18.
Art. 18.
Art. 19.
Art. 19.
Art. 20.
Art. 20.
Art. 21.
Art. 21.
Art. 22. Voor de toepassing van artikel 469, lid 1, punt a) van Verordening nr. 575/2013, wordt gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 niet afgeweken van artikel 36, lid 1 van de Verordening.
In afwijking van het eerste lid zijn de volgende percentages van toepassing op uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen :
a) 20 % voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;
b) 40 % voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;
c) 60 % voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;
d) 80 % voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Art. 22. Pour l'application de l'article 469, paragraphe 1er, point a) du Règlement n° 575/2013, pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017, il n'est pas dérogé à l'article 36, paragraphe 1 du Règlement.
Par dérogation à l'alinéa premier, les pourcentages suivants s'appliquent aux actifs d'impôt différé dépendant de bénéfices futurs et ne résultant pas de différences temporelles :
a) 20 % pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014;
b) 40 % pour la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
c) 60 % pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
d) 80 % pour la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.
Art. 23.
Art. 23.
Art. 24.
Art. 24.
Art. 25. Voor de toepassing van artikel 473, lid 1 van Verordening nr. 575/2013 wordt niet afgeweken van artikel 481 van de Verordening.
Art. 25. Pour l'application de l'article 473, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013, il n'est pas dérogé à l'article 481 du Règlement.
Art. 26. Voor de toepassing van artikel 474, punt a) van Verordening nr. 575/2013 wordt gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 niet afgeweken van artikel 56 van de Verordening.
Art. 26. Pour l'application de l'article 474, point a) du Règlement n° 575/2013, au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017, il n'est pas dérogé à l'article 56 du Règlement.
Art. 27. Voor de toepassing van artikel 476, punt a) van Verordening nr. 575/2013 wordt gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 niet afgeweken van artikel 66 van de Verordening.
Art. 27. Pour l'application de l'article 476, point a) du Règlement n° 575/2013, au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017, il n'est pas dérogé à l'article 66 du Règlement.
Art. 28. Voor de toepassing van artikel 478, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 wordt niet afgeweken van lid 1 van het genoemde artikel.
Art. 28. Pour l'application de l'article 478, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, il n'est pas dérogé au paragraphe 1er du même article.
Art. 29. Voor de toepassing van artikel 479, lid 1, punten a), b) en d) van Verordening nr. 575/2013 wordt gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 niet afgeweken van deel 2, titel II van de Verordening.
Art. 29. Pour l'application de l'article 479, paragraphe 1, points a), b) et d) du Règlement n° 575/2013, au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017, il n'est pas dérogé à la deuxième partie, titre II du Règlement.
Art. 30. Voor de toepassing van artikel 479, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 zijn de volgende percentages van toepassing :
a) 80 % voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;
b) 60 % voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;
c) 40 % voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;
d) 20 % voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Art. 30. Pour l'application de l'article 479, paragraphe 1er, point c) du Règlement n° 575/2013, les pourcentages suivants s'appliquent :
a) 80 % pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014;
b) 60 % pour la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
c) 40 % pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
d) 20 % pour la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.
Art. 31. Voor de toepassing van artikel 480, lid 1 van Verordening nr. 575/2013 zijn de volgende factoren van toepassing :
a) 0,2 voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;
b) 0,4 voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;
c) 0,6 voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;
d) 0,8 voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Art. 31. Pour l'application de l'article 480, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013, les facteurs suivants s'appliquent :
a) 0,2 pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014;
b) 0,4 pour la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
c) 0,6 pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
d) 0,8 pour la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017.
Art. 32. Voor de toepassing van artikel 481, lid 1 van Verordening nr. 575/2013 wordt onverminderd de bepalingen die met toepassing van de artikelen 467 tot 470, 472 en 474 tot 477 worden vastgesteld in dit reglement, niet afgeweken van de artikelen 32 tot 36, 56 en 66 van Verordening nr. 575/2013 gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017.
Art. 32. Aux fins de l'article 481, paragraphe 1 du Règlement n° 575/2013, sans préjudice des dispositions prises par le présent règlement en application des articles 467 à 470, 472, 474 à 477, il n'est pas dérogé aux articles 32 à 36, 56 et 66 du Règlement n° 575/2013 pour la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2017.
Art. 33. Voor de toepassing van artikel 481, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 wordt onverminderd de bepalingen die met toepassing van artikel 469 worden vastgesteld in dit reglement, niet afgeweken van artikel 36, lid 1, punt i. en artikel 49, lid 1.
Art. 33. Aux fins de l'article 481, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, sans préjudice des dispositions prises par le présent règlement en application de l'article 469, il n'est pas dérogé aux articles 36, paragraphe 1er, point i. et 49, paragraphe 1er.
Art. 34. Voor de toepassing van artikel 486 van Verordening nr. 575/2013 worden de bedragen van de bestanddelen en de instrumenten bedoeld in de leden 2 tot 4 van het genoemde artikel als eigen vermogen aangemerkt ten belope van de volgende percentages :
a) 80 % gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;
b) 70 % gedurende de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015;
c) 60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;
d) 50 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;
e) 40 % gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;
f) 30 % gedurende de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019;
g) 20 % gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020;
h) 10 % gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.
Art. 34. Aux fins de l'article 486 du Règlement n° 575/2013, les montants des éléments et des instruments visés aux paragraphes 2 à 4 sont éligibles en tant que fonds propres selon les pourcentages suivants :
a) 80 % au cours de la période allant du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014;
b) 70 % au cours de la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015;
c) 60 % au cours de la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2016;
d) 50 % au cours de la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2017;
e) 40 % au cours de la période allant du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2018;
f) 30 % au cours de la période allant du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2019;
g) 20 % au cours de la période allant du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2020;
h) 10 % au cours de la période allant du 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021.
Art. 35. Voor de toepassing van artikel 495, lid 1 van Verordening nr. 575/2013 kunnen de risicoposities op aandelen die op 31 december 2007 door een instelling worden aangehouden, tot en met 31 december 2017 worden vrijgesteld van de IRB-behandeling.
Art. 35. Pour l'application de l'article 495, paragraphe 1 du Règlement n° 575/2013, les expositions sur actions détenues par un établissement en date du 31 décembre 2007 peuvent être exemptées du traitement NI jusqu'au 31 décembre 2017.
Art. 36.
Art. 36.
Art. 37.
Art. 37.
Art. 38.
Art. 38.
OVERIGE BEPALINGEN
AUTRES DISPOSITIONS
Art. 39. § 1. In het Reglement van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen van 15 november 2011 wordt de volgende wijziging aangebracht.
Artikel I.1 wordt vervangen als volgt :
" Tenzij anders is aangegeven, zijn de bepalingen van dit reglement van toepassing op :
de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, tweede lid, 1°, en bedoeld in titel IV van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
de beleggingsondernemingen in de zin van artikel 44, eerste lid, en bedoeld in titel II van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, voor zover zij een vergunning hebben verkregen als beursvennootschap of vennootschap voor vermogensbeheer en zij niet vallen onder artikel 4, lid 1, punt 2) van Verordening nr. 575/2013;
de bijkantoren in België van beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Unie, als bedoeld in boek II, titel IV van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en die van de NBB of de FSMA een vergunning hebben verkregen als beursvennootschap of vennootschap voor vermogensbeheer. "
§ 2. Het Reglement van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen van 15 november 2011 blijft van toepassing rekening houdend met paragraaf 1.
Art. 39. § 1er La modification suivante est apportée au Règlement de la Banque Nationale de Belgique du 15 novembre 2011 relatif aux fonds propres des établissements de crédit et des entreprises d'investissement.
L'article I.1 est remplacé par ce qui suit :
" Sauf indications contraires, les dispositions du présent règlement s'appliquent :
aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, alinéa 2, 1° et visés au titre IV de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit;
aux entreprises d'investissement au sens de l'article 44, alinéa 1 et visés au titre II de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, pour autant qu'elles disposent d'un agrément en tant que société de bourse ou société de gestion de fortune et qu'elles ne soient pas visées à l'article 4, paragraphe 1er, point 2) du Règlement n° 575/2013;
aux succursales en Belgique d'entreprises d'investissement relevant du droit d'Etats qui ne sont pas membres de l'Union européenne, visées au livre II, titre IV de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement et qui ont obtenu auprès de la BNB ou la FSMA, l'agrément de société de bourse ou de gestion de fortune. "
§ 2. Le Règlement de la Banque nationale de Belgique du 15 novembre 2011 relatif aux fonds propres des établissements de crédit et des entreprises d'investissement reste d'application tenant compte du paragraphe 1.
Art. 40. Dit reglement treedt in werking op de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit tot goedkeuring ervan.
Art. 40. Le présent règlement entre en vigueur à la date de publication de l'arrêté royal qui l'approuve.
Bijlage. Voorwaarden voor de beoordeling van de vrijstelling bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 16bis, punt c) van dit reglement..
ANNEXE. Conditions d'évaluation de l'exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013 et à l'article 16bis, point c), du présent règlement.
Artikel 1. [1 . Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder "instelling", de kredietinstelling bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d) van Verordening nr. 575/2013, voor zover die kredietinstelling krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening niet onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat, alsook de grote beursvennootschappen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 3, 5° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen ]1.
Article 1er. [1 Pour l'application de la présente annexe, on entend par " établissement ", un établissement de crédit visé à l'article 400, paragraphe 2, point d) du Règlement n° 575/2013, pour autant que ledit établissements de crédit ne relève pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4 du Règlement MSU, ainsi que les sociétés de bourse de taille importante de droit belge au sens de l'article 3, 5° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse ]1.
-
Article 2. [1 . § 1er. Les établissements appliquent les critères énoncés sous les points 1° et 2° lorsqu'ils procèdent à l'évaluation visée à l'article 16bis, alinéa 2 du présent règlement, s'agissant des conditions prévues à l'article 16bis, alinéa 1er, point d) du même règlement.
afin d'évaluer le respect des conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, point a), du Règlement n° 575/2013, les établissements examinent :
a) s'il existe, en droit ou en fait, des obstacles significatifs, actuels ou prévisibles, susceptibles d'empêcher le remboursement à l'échéance de l'exposition par la contrepartie de l'établissement, autres que dans une situation de redressement ou de résolution dans laquelle les restrictions énoncées dans la Directive 2014/59/UE doivent être mises en oeuvre ;
b) si les expositions concernées sont conformes à la conduite normale des affaires de l'établissement et à son modèle économique ou sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
c) si le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau individuel et, le cas échéant, au niveau consolidé, sont semblables à ceux appliqués aux prêts à des tiers ;
d) si les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent de vérifier et de garantir en permanence que les grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales sont compatibles avec la stratégie de l'établissement en matière de risques.
Afin d'évaluer le respect des conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, point b), du Règlement n° 575/2013, les établissements examinent si :
a) l'établissement dispose de processus, de procédures et de contrôles solides pour garantir que l'utilisation de l'exemption n'entraîne pas un risque de concentration dépassant le cadre de sa stratégie en matière de risques ;
b) l'établissement a de manière formelle pris en compte le risque de concentration découlant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales en tant qu'élément de son dispositif global d'évaluation des risques ;
c) l'établissement dispose d'un dispositif de contrôle des risques qui suit de manière adéquate les expositions concernées ;
d) le risque de concentration survenu a été ou sera clairement identifié dans le cadre du processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) de l'établissement et s'il sera géré activement. Les dispositifs, processus et mécanismes de gestion du risque de concentration seront évalués lors du processus de surveillance et d'évaluation prudentielle (Supervisory Review and Evaluation Process - SREP).
§ 2. En outre, pour évaluer si l'organisme central ou une entité régionale auquel ou à laquelle l'établissement est associé au sein d'un réseau, est responsable d'opérer la compensation des liquidités comme mentionné à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement n° 575/2013, les établissements vérifient si les statuts ou actes constitutifs de l'organisme central ou des entités régionales prévoient explicitement, mais pas uniquement, que ceux-ci sont en charge des responsabilités suivantes :
a) le financement sur les marchés pour l'ensemble du réseau ;
b) la compensation des liquidités au sein du réseau, dans le contexte de l'application de l'article 10 du Règlement n° 575/2013 ;
c) la fourniture de liquidités aux établissements affiliés ;
d) l'absorption de l'excédent de liquidité des établissements affiliés.
§ 3. Afin de vérifier si les conditions visées aux paragraphes 1er et 2 sont remplies, les établissements mettent à la disposition de la BNB, à la première demande, les documents suivants :
une lettre signée par le représentant légal de l'établissement, approuvée par l'organe de direction, attestant que l'établissement remplit toutes les conditions visées à l'article 400, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013, nécessaires à l'octroi d'une exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d) dudit règlement ;
un avis juridique, émis par un juriste externe indépendant ou par le service juridique interne, et approuvé par l'organe de direction, démontrant qu'il n'existe aucun obstacle résultant soit de règlementations applicables, y compris de nature fiscale, soit d'accords contractuels contraignants, aux remboursements, à l'échéance, des expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales ;
une déclaration signée par le représentant légal de l'établissement et approuvée par son organe de direction confirmant que :
a) qu'il n'existe aucun obstacle en fait empêchant les remboursements à l'échéance d'expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales ;
ib) que les expositions sur l'organisme central ou les entités régionales sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
c) que le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau individuel et au niveau consolidé, sont similaires à ceux appliqués aux prêts à des tiers ;
d) que le risque de concentration résultant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales a été pris en compte en tant qu'élément du dispositif global d'évaluation des risques de l'établissement ;
les documents signés par le représentant légal de l'établissement et approuvés par son organe de directioni, attestant que les procédures de l'établissement en matière d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques sont les mêmes que celles de l'organisme central et des entités régionales et que les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent à l'organe de direction de suivre en permanence le niveau des grands risques et sa compatibilité avec sa stratégie en matière de risques de l'établissement au niveau individuel et, le cas échéant, au niveau consolidé, ainsi qu'avec les principes d'une gestion interne saine de la liquidité au sein du réseau ;
les documents démontrant que le processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (Internal Capital Adequacy Assessment Process - ICAAP) identifie clairement le risque de concentration découlant des grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales et que ce risque est géré activement ;
les documents démontrant que la gestion du risque de conce.ntration est cohérente avec le plan de redressement du réseau ]1