Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 OKTOBER 2014. - Koninklijk besluit tot oprichting van het Centrum voor Cybersecurity België(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-11-2014 en tekstbijwerking tot 24-10-2022)
Titre
10 OCTOBRE 2014. - Arrêté royal portant création du Centre pour la Cybersécurité Belgique(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-11-2014 et mise à jour au 24-10-2022)
Documentinformatie
Numac: 2014207006
Datum: 2014-10-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014207006
Date: 2014-10-10
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
Artikel 1. Bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister wordt het Centrum voor Cybersecurity België, hierna "CCB" genoemd, opgericht.
  Het CCB staat onder het gezag van de Eerste Minister.
Article 1er. Auprès du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre est créé le Centre pour la Cybersécurité Belgique, ci-après dénommé " CCB ".
  Le CCB est placé sous l'autorité du Premier Ministre.
Art. 2. § 1er. Voor de uitvoering van zijn opdrachten, doet het CCB een beroep op de administratieve en logistieke ondersteuning van de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister.
  § 2. Voor de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst, wordt het CCB beschouwd als een operationele dienst.
Art. 2. § 1er. Pour l'exécution de ses missions, le CCB fait appel à l'appui administratif et logistique du Service public fédéral Chancellerie du Premier Ministre.
  § 2. Pour l'application de l'article 4 de l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, le CCB est considéré comme un service opérationnel.
Art. 3. Als nationale autoriteit heeft het CCB als opdracht :
  1° opvolgen en coördineren van en toezien op de uitvoering van het Belgisch beleid ter zake;
  2° vanuit een geïntegreerde en gecentraliseerde aanpak de verschillende projecten op het vlak van cyberveiligheid beheren;
  3° de coördinatie verzekeren tussen de betrokken diensten en overheden, en de publieke overheden en de private of wetenschappelijke sector;
  4° formuleren van voorstellen tot aanpassing van het regelgevend kader op het vlak van cyberveiligheid;
  5° in samenwerking met het Coördinatie- en Crisiscentrum van de regering, het crisisbeheer bij cyberincidenten verzekeren;
  6° opstellen, verspreiden en toezien op de uitvoering van standaarden, richtlijnen en veiligheidsnormen voor de verschillende informatiesystemen van de administraties en publieke instellingen;
  7° coördineren van de Belgische vertegenwoordiging in internationale fora voor cyberveiligheid, van de opvolging van internationale verplichtingen en van voorstellen van het nationale standpunt op dit vlak;
  8° coördineren van de evaluatie en certificatie van de veiligheid van informatie- en communicatiesystemen;
  9° informeren en sensibiliseren van gebruikers van informatie- en communicatiesystemen.
Art. 3. Le CCB, au titre d'autorité nationale, a pour mission de :
  1° superviser, coordonner et veiller à la mise en oeuvre de la stratégie belge en la matière;
  2° gérer par une approche intégrée et centralisée les différents projets relatif à la cybersécurité;
  3° assurer la coordination entre les services et autorités concernés mais aussi entre autorités publiques et le secteur privé ou le monde scientifique;
  4° formuler des propositions pour l'adaptation du cadre légal et réglementaire en matière de cybersécurité;
  5° assurer la gestion de crise en cas de cyberincidents, en coopération avec le Centre de coordination et de crise du gouvernement;
  6° élaborer, diffuser et veiller à la mise en oeuvre des standards, directives et normes de sécurité pour les différents types de système informatique des administrations et organismes publics;
  7° coordonner la représentation belge aux forums internationaux sur la cybersécurité, le suivi des obligations internationales et la présentation du point de vue national en la matière;
  8° coordonner l'évaluation et la certification de la sécurité des systèmes d'information et de communication;
  9° informer et sensibiliser les utilisateurs des systèmes d'information et de communication.
Art.3bis. [1 § 1. Het CCB wordt aangewezen als het nationale coördinatiecentrum als bedoeld in artikel 6 van de Europese Verordening (EU) 2021/887 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot oprichting van het Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra.
   § 2. Voor zover de taken die voortvloeien uit de verordening ook betrekking hebben op bevoegdheden van andere federale overheden of van gefedereerde entiteiten, ondersteunt het CCB de bevoegde administraties en werkt het nauw met ze samen, met inachtneming van de toepasselijke samenwerkingsakkoorden, overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
   § 3. Het CCB deelt alle nuttige informatie met de federale overheden en de gefedereerde entiteiten, voor zover dit nodig is voor en evenredig is met de uitvoering van de taken opgedragen in paragraaf 1.]1

  
Art.3bis. [1 § 1er. Le CCB est désigné comme centre de coordination national au sens de l'article 6 du règlement européen (UE) 2021/887 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2021 établissant le Centre de compétences européen pour l'industrie, les technologies et la recherche en matière de cybersécurité et le Réseau de centres nationaux de coordination.
   § 2. Dans la mesure où les tâches découlant du règlement portent également sur des domaines de compétence d'autres entités fédérales ou d'entités fédérées, le CCB soutient et coopère étroitement avec les administrations compétentes, dans le respect des accords de coopération applicables, conformément à l'article 92bis de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
   § 3. Le CCB échange avec les entités fédérales et fédérées toutes les informations utiles, dans la mesure où cela est nécessaire et proportionné à l'accomplissement des tâches assignées au paragraphe 1.]1

  
Art.3ter. [1 § 1. Het CCB beschikt over een inspectiedienst die belast is met de opdrachten en de bevoegdheden uitoefent zoals vermeld in hoofdstuk 5, 6 en 7 van de wet van 20 juli 2022 inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot aanwijzing van een nationale cyberbeveiligingscertificeringsautoriteit.
   § 2. De inspectiedienst vervult zijn opdrachten volledig onafhankelijk van de overige diensten van het CCB en van andere publieke of private entiteiten.
   § 3. Deze dienst wordt geleid door een directeur.
   § 4. De directeur bedoeld in paragraaf 3 is belast met het opleggen van de eventuele sancties bepaald in de wet van 20 juli 2022 inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot aanwijzing van een nationale cyberbeveiligingscertificeringsautoriteit.]1

  
Art.3ter. [1 § 1er. Le CCB dispose d'un service d'inspection chargé des missions et investi des pouvoirs prévus aux chapitres 5, 6 et 7 de la loi du 20 juillet 2022 relative à la certification de cybersécurité des technologies de l'information et des communications et portant désignation d'une autorité nationale de certification de cybersécurité.
   § 2. Le service d'inspection accomplit ses missions en toute indépendance vis-à-vis des autres services du CCB et d'autres entités publiques ou privées.
   § 3. Ce service est dirigé par un directeur.
   § 4. Le directeur visé au paragraphe 3 est chargé d'infliger les éventuelles sanctions prévues par la loi du 20 juillet 2022 relative à la certification de cybersécurité des technologies de l'information et des communications et portant désignation d'une autorité nationale de certification de cybersécurité.]1

  
Art. 4. Het CCB beschikt voor de vervulling van zijn opdrachten over een eigen personeelsenveloppe en -plan.
Art. 4. Pour l'exécution de ses missions, le CCB dispose d'une enveloppe et d'un plan de personnel propre.
Art. 5. Het CCB wordt geleid door een [1 directeur-generaal]1. Hij wordt bijgestaan door een [2 adjunct-directeur-generaal]2. Zij behoren tot een verschillende taalrol.
  Zij staan onder het rechtstreeks gezag van de Eerste Minister.
  In het kader van de opdrachten van het CCB informeert de directeur de Eerste Minister over elk gegeven dat belang vertoont voor de cyberveiligheid en doet hij hem alle voorstellen die hij nuttig acht.
  
Art. 5. Le CCB est dirigé par un [1 directeur général]1. Il est assisté par un [2 directeur général adjoint]2. Ils sont de rôle linguistique différent.
  Ils sont soumis à l'autorité directe du Premier Ministre.
  Dans le cadre des missions du CCB, le [1 directeur général]1 informe le Premier Ministre de tous les éléments susceptibles de présenter un intérêt pour la cybersécurité et lui fait toute proposition qui lui paraît utile.
  
Art. 6. § 1. Om als [2 directeur-generaal]2 te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat toelating geeft tot een functie van niveau A binnen de federale overheidsdiensten;
  2° beschikken over minstens zes jaar managementervaring in de overheids- en/of privésector of negen jaar nuttige beroepservaring;
  3° beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel, in het bijzonder wat de kennis van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën betreft;
  4° een goede kennis hebben van de werking van de overheidsdiensten.
  § 2. Om als [3 adjunct-directeur-generaal]3 te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° beschikken over minstens zes jaar nuttige beroepservaring;
  2° beschikken over de competenties, relationele vaardigheden, alsook de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer en voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel.
  § 3. Vanaf hun aanstelling moeten de kandidaten voor de functie van [2 directeur-generaal]2 en adjunct-directeur bovendien :
  1° Belg zijn;
  2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  3° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  4° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau "zeer geheim" krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  § 4. De anciënniteit in de klassen A3, A4 en A5 van het federaal administratief openbaar ambt of van een gelijkwaardige graad van rang of klasse binnen de diensten van de Gewest- en Gemeenschapsregeringen of van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie of van de Franse Gemeenschapscommissie of van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de managementervaring en de nuttige beroepservaring, bedoeld in § 1, 2° of § 2, 1°.
  § 5. De functiebeschrijving en het competentieprofiel voor de functie van [2 directeur-generaal]2 en [3 adjunct-directeur-generaal]3, worden bepaald door de Eerste Minister, na advies van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1.
  
Art. 6. § 1er. Pour pouvoir être nommé [2 directeur général]2, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou d'un certificat permettant l'admission à une fonction de niveau A dans les services publics fédéraux;
  2° disposer d'une expérience de management d'au moins six ans dans le secteur public et/ou privé ou de neuf ans d'expérience professionnelle utile;
  3° disposer des compétences et des aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion et répondre aux conditions de connaissance et d'expérience spécifiques pour la fonction, fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétence, notamment en termes de connaissance des nouvelles technologies de l'information et de la communication;
  4° avoir une bonne connaissance du fonctionnement des services publics.
  § 2. Pour pouvoir être nommé [3 directeur général adjoint]3, le candidat doit :
  1° disposer d'au moins six ans d'expérience professionnelle utile;
  2° disposer des compétences et des aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion et répondre aux conditions de connaissance et d'expérience spécifiques pour la fonction, fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétence.
  § 3. Dès leur désignation, les candidats pour la fonction de [2 directeur général]2 ou de [3 directeur général adjoint]3 doivent en outre :
  1° être Belge;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
  3° jouir des droits civils et politiques;
  4° détenir une habilitation de sécurité du niveau "très secret" en vertu de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
  § 4. L'ancienneté dans les classes A3, A4 et A5 de la fonction publique fédérale ou d'un grade de rang ou d'une classe équivalent dans les services des gouvernements de Communautés et des Régions ou de la Commission communautaire commune ou de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire française ou des personnes morales de droit public qui en dépendent, est prise en considération pour le calcul de l'expérience de management et de l'expérience professionnelle, visées au § 1er, 2° ou au § 2, 1°.
  § 5. La description de fonction et le profil de compétences pour la fonction de [2 directeur général]2 ou de [3 directeur général adjoint]3 sont déterminés par le Premier Ministre, après l'avis du [1 Conseil national de sécurité]1.
  
Art. 7. De [2 directeur-generaal]2 en de [3 adjunct-directeur-generaal]3 worden door Ons benoemd, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, voor een mandaat van vijf jaar.
  Hun mandaat kan hoogstens twee maal verlengd worden.
  
Art. 7. Le [2 directeur général]2 et le [3 directeur général adjoint]3 sont nommés par Nous, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après l'avis du [1 Conseil national de sécurité]1, pour un mandat de cinq ans.
  Leur mandat peut être renouvelé au maximum deux fois.
  
Art. 8. Indien de [1 directeur-generaal]1 of de [2 adjunct-directeur-generaal]2 reeds de hoedanigheid van Rijksambtenaar in een andere federale overheidsdienst bezitten, worden zij er ambtshalve in verlof geplaatst met een opdracht van algemeen belang voor de duur van hun mandaat. In afwijking van artikel 109 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, kunnen hun betrekkingen niet vacant worden verklaard en kunnen enkel worden ingevuld door toedoen van hogere functies.
  
Art. 8. Si le [1 directeur général]1 ou le [2 directeur général adjoint]2 ont déjà la qualité d'agent de l'Etat dans un autre service public fédéral, ils y sont placés d'office en mission d'intérêt général pour la durée de leur mandat. Par dérogation à l'article 109 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, leurs emplois ne peuvent être déclarés vacants et il ne peut y être pourvu que par l'octroi de fonctions supérieures.
  
Art. 9. Indien de [1 directeur-generaal]1 of de [2 adjunct-directeur-generaal]2 niet de hoedanigheid van Rijksambtenaar hebben, worden zij, onverminderd de bepalingen van onderhavig besluit, voor de duur van hun mandaat onderworpen aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de bepalingen inzake werving, evaluatie en loopbaan. Zij zijn echter onderworpen aan het sociaal zekerheidsstelsel van de contractuele personeelsleden van de Staat.
  
Art. 9. Si le [1 directeur général]1 ou le [2 directeur général adjoint]2 n'ont pas la qualité d'agent de l'Etat, ils sont soumis, sans préjudice des dispositions du présent arrêté, pendant la durée de leur mandat, aux dispositions du statut des agents de l'Etat, à l'exception des dispositions en matière de recrutement, d'évaluation et de carrière. Ils sont toutefois soumis au régime de sécurité sociale des membres du personnel contractuel de l'Etat.
  
Art. 10. § 1. De [1 directeur-generaal]1 en [2 adjunct-directeur-generaal]2 oefenen hun taak voltijds uit. Tijdens hun mandaat kunnen zij :
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de gewest- en gemeenschapsparlementen of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een beleidsorgaan of het kabinet van een minister of een Staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  4° geen verlof krijgen voor onthaal en opleiding;
  5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
  6° geen verlof krijgen om mindervaliden en zieken te vergezellen en bij te staan;
  7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  8° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;
  9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
  10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten.
  § 2. Zij mogen geen openbare of particuliere betrekking of activiteit uitoefenen die de onafhankelijkheid of de waardigheid van het ambt in gevaar zou kunnen brengen.
  
Art. 10. § 1er. Le [1 directeur général]1 ou le [2 directeur général adjoint]2 exercent leur tâche à temps plein. Pendant leur mandat, ils ne peuvent obtenir :
  1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave;
  2° un congé pour poser sa candidature aux élections de la Chambre des représentants, des parlements de communauté ou de région ou des conseils provinciaux ou pour exercer une fonction dans une organe stratégique ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
  3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public;
  4° un congé pour accueil et formation;
  5° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps;
  6° un congé pour accompagner et assister des personnes handicapées et des malades;
  7° un congé pour mission d'intérêt général;
  8° l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;
  9° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
  10° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
  § 2. Ils ne peuvent exercer d'emploi ou d'activité public ou privé qui pourrait mettre en péril l'indépendance ou la dignité de la fonction.
  
Art. 11. De [1 directeur-generaal]1 wordt gelijkgesteld met een Rijksambtenaar van de klasse A5.
  Zijn weddeschaal is de weddeschaal NA54, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  De [2 adjunct-directeur-generaal]2 wordt gelijkgesteld met een Rijksambtenaar van de klasse A4.
  Zijn weddeschaal is de weddeschaal NA44, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  De prestaties die erkend worden om te voldoen aan de in artikel 6, § 1, 2° of § 2, 1°, vermelde vereisten, worden in aanmerking genomen bij het vaststellen van hun geldelijke anciënniteit.
  
Art. 11. Le [1 directeur général]1 est assimilé à un agent de l'Etat de la classe A5.
  Son échelle de traitement est l'échelle de traitement NA54, visée à l'article 8, alinéa 4, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Le [2 directeur général adjoint]2 est assimilé à un agent de l'Etat de la classe A4.
  Son échelle de traitement est l'échelle de traitement NA44, visée à l'article 8, alinéa 4, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Les prestations admises pour satisfaire aux conditions reprises à l'article 6, § 1er, 2°, ou § 2, 1°, sont prises en considération pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire.
  
Art. 12. § 1. De functie van [2 directeur-generaal]2 of [3 adjunct-directeur-generaal]3 eindigt van rechtswege en zonder dat het aan hen moet worden betekend :
  1° op het einde van de periode bedoeld in artikel 7, tweede lid;
  2° wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereiken;
  3° als zij in een andere functie worden aangesteld, vanaf de eerste dag dat zij de nieuwe functie uitoefenen;
  4° als zij effectief één van de verloven genieten bedoeld in artikel 10, § 1.
  § 2. Op voorstel van de Eerste Minister en na advies van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1, kunnen de [2 directeur-generaal]2 en de [3 adjunct-directeur-generaal]3 door Ons, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden ontslagen wegens tekortkoming aan hun verplichtingen.
  § 3. De Eerste Minister kan het mandaat van [2 directeur-generaal]2 of [3 adjunct-directeur-generaal]3 verlengen als de procedure om hen te vervangen werd ingezet, op een regelmatige wijze vervolgd wordt, maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar.
  
Art. 12. § 1er. La fonction de [2 directeur général]2 ou de [3 directeur général adjoint]3 prend fin de plein droit et sans qu'il soit nécessaire de le leur notifier :
  1° au terme de la période visée à l'article 7, alinéa 2;
  2° lorsqu'ils atteignent l'âge de 65 ans;
  3° lorsqu'ils sont désignés dans une autre fonction dès le premier jour où ils exercent effectivement cette nouvelle fonction;
  4° lorsqu'ils bénéficient de fait d'un des congés visés à l'article 10, § 1er.
  § 2. En cas de manquement à leurs obligations, le [2 directeur général]2 et le [3 directeur général adjoint]3 peuvent être révoqués par Nous, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition du Premier Ministre et après avis du [1 Conseil national de sécurité]1.
  § 3. Le Premier Ministre peut prolonger le mandat du [2 directeur général]2 ou du [3 directeur général adjoint]3 si la procédure pour pourvoir à leur remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. La prolongation est limitée à six mois et est renouvelable.
  
Art. 13. Op het einde van hun mandaat ontvangen de [2 directeur-generaal]2 en de [3 adjunct-directeur-generaal]3 een evaluatie door de Eerste Minister, na advies van [1 de Nationale Veiligheidsraad]1.
  
Art. 13. A la fin de leur mandat, le [2 directeur général]2 et le [3 directeur général adjoint]3 reçoivent une évaluation par le Premier Ministre, après avis du [1 Conseil national de sécurité]1.
  
Art. 14. Wanneer de functie van [1 directeur-generaal]1 of [2 adjunct-directeur-generaal]2 door de Eerste Minister vacant wordt verklaard en de houder ervan zijn kandidatuur stelt, krijgt hij een nieuw mandaat, voor zover hij minimaal de eindvermelding "voldoet aan de verwachtingen" ontvangt.
  Wanneer de evaluatie leidt tot de vermelding "te ontwikkelen", mag de uittredende titularis opnieuw zijn kandidatuur stellen.
  Wanneer de evaluatie leidt tot de vermelding "onvoldoende" eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de vermelding werd toegekend en mag de titularis van de functie niet opnieuw zijn kandidatuur stellen.
  
Art. 14. Lorsque la fonction de [1 directeur général]1 ou de [2 directeur général adjoint]2 sont déclarés vacantes par le Premier Ministre et le titulaire de la fonction pose sa candidature, il reçoit un nouveau mandat pour autant qu'il ait reçu au minimum la mention finale " répond aux attentes ".
  Lorsque l'évaluation se termine par la mention "à développer", le titulaire sortant de fonction peut à nouveau poser sa candidature.
  Lorsque l'évaluation se termine par la mention "insuffisant", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention et le titulaire sortant ne peut à nouveau poser sa candidature.
  
Art. 15. Indien het mandaat van de [1 directeur-generaal]1 of de [2 adjunct-directeur-generaal]2 niet wordt hernieuwd met toepassing van artikel 14, tweede en derde lid, of indien de functie niet meer vacant wordt verklaard, ontvangt de [1 directeur-generaal]1 of de [2 adjunct-directeur-generaal]2 een beëindigingsvergoeding.
  De beëindigingsvergoeding is gelijk aan een twaalfde van hun jaarlijkse wedde.
  De vergoeding bedraagt 9 maal de beëindigingsvergoeding, tenzij de evaluatie wordt afgesloten met de eindvermelding "onvoldoende". In dat geval bedraagt de vergoeding 3 maal de beëindigingsvergoeding.
  De beëindigingsvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen of pensioen heeft genoten. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt voorgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingsvergoeding.
  
Art. 15. Dans le cas où le mandat du [1 directeur général]1 ou du [2 directeur général adjoint]2 n'est pas renouvelé en application de l'article 14, alinéas 2 et 3, ou la fonction n'est plus déclaré vacante, le [1 directeur général]1 ou le [2 directeur général adjoint]2 reçoit une indemnité de départ.
  L'indemnité de départ est égale à un douzième de leur traitement annuel.
  L'indemnité s'élève à 9 fois l'indemnité de départ, à moins que l'évaluation soit clôturée de la mention finale " insuffisant ". Dans ce cas, l'indemnité s'élève à 3 fois l'indemnité de départ.
  L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ indûment liquidée.
  
Art. 16. Indien de [1 directeur-generaal]1 of [2 adjunct-directeur-generaal]2 de leeftijd van 65 jaar bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De beslissing behoort tot de Eerste Minister. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum van de 65e verjaardag of van het einde van de verlenging.
  
Art. 16. Lorsque le [1 directeur général]1 ou le [2 directeur général adjoint]2 atteignent l'âge de 65 ans en cours de mandat, ils peuvent solliciter la prolongation de leur mandat jusqu'au terme de celui-ci, par période maximale d'un an. La décision appartient au Premier Ministre. La demande de prolongation est introduite au moins 6 mois avant la date du 65e anniversaire ou de la fin de la prolongation.
  
Art. 17. Het CCB neemt van de Federale Overheidsdienst Informatie- en Communicatietechnologie het beheer over van de dienst Computer Emergency Response Team (CERT) voor het opsporen, het observeren en het analyseren van online veiligheidsproblemen alsook het permanent informeren daarover van de gebruikers.
Art. 17. Le CCB reprend du Service public fédéral Technologie de l'Information et de Communication la gestion du service Computer Emergency Response Team (CERT) chargé de détecter, observer et analyser les problèmes de sécurité en ligne ainsi que d'informer en permanence les utilisateurs à ce sujet.
Art. 18. Artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 11 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Informatie- en communicatietechnologie, ingevoegd bij koninklijk besluit van 9 mei 2012, wordt opgeheven.
Art. 18. L'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 11 mai 2001 portant création du Service public fédéral Technologie de l'Information et de la Communication, inséré par l'arrêté royal du 9 mai 2012, est abrogé.
Art. 19. De Eerste Minister, de minister bevoegd voor begroting en de minister bevoegd voor modernisering van de openbare diensten zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 19. Le Premier Ministre, le ministre ayant le budget dans ses attributions et le ministre ayant la modernisation des services publics dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.