Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 MEI 2014. - Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van de bepalingen van het Waals Reglementair Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid betreffende de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst
Titre
15 MAI 2014. - Arrêté du Gouvernement wallon modifiant certaines dispositions du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé relatives à l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère
Documentinformatie
Info du document
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel 1. Dit besluit regelt krachtens artikel 138 van de Grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet.
Article 1er. Le présent arrêté règle, en vertu de l'article 138 de la Constitution, une matière visée à l'article 128, § 1er, de celle-ci.
Art. 2. In het tweede deel van het Waals reglementair wetboek van sociale actie en gezondheid wordt boek III, dat de artikelen 236 tot 255 inhoudt, vervangen als volgt:
" Boek III. - Integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst
Titel I. - Algemene bepalingen
Art. 236. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Minister : de Minister bevoegd voor het beleid tot integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° administratie : het Departement Sociale Actie van het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid;
3° opvangtraject : het opvangtraject bedoeld in artikel 152 van het Wetboek;
4° coördinatiecomité : het coördinatiecomité bedoeld in artikel 152/9 van het Wetboek.
Titel II. Opvangtraject
HOOFDSTUK I. - Organisatie
Art. 237. De centra sluiten met elke gemeente van hun territoriaal ambtsgebied een partnerschapsovereenkomst betreffende de modaliteiten voor hun samenwerking in het kader van de opvang van nieuwkomers.
De overeenkomst bevat op zijn minst :
1° de verbintenis van de gemeente waarbij ze belooft de nieuwkomer d.m.v. een informatiedocument in te lichten over het bestaan van het opvangtraject en hem naar de opvangdienst van het bevoegde centrum te richten;
2° de verbintenis van het centrum tot verstrekking aan de gemeente van het informatiedocument betreffende het opvangtraject dat aan de nieuwkomer afgegeven moet worden, alsook van elk gegeven of nuttig document in het kader van de opvang van nieuwkomers;
3° de verbintenis van de gemeente tot overlegging aan het centrum van een wekelijks overzicht van de nieuwkomers die onlangs in de gemeenteregisters werden ingeschreven;
4° de verbintenis van het centrum tot naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
5° de verbintenis van het centrum tot kennisgeving aan de nieuwkomer van het gebruik dat het maakt van de gegevens verzameld in het kader van het opvangtraject, van de middelen aangewend om de gegevens te verkrijgen en van de mogelijkheid om zijn persoonlijke gegevens in te kijken;
6° het overzicht van de menselijke of technische middelen die beschikbaar zijn in het kader van de opvang van de nieuwkomers.
Art. 237/1. De gegevens die ingezameld worden in het kader van de sociale balans worden bewaard gedurende drie jaar.
Het centrum is krachtens artikel 1, § 4, van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens van de nieuwkomers en is ertoe verplicht alle nodige technische en organisationele maatregelen te treffen om de veiligheid van de gegevens te garanderen.
Art. 237/2. § 1. Elk centrum richt één of meer opvangbureaus op, alleen of in partnerschap met een krachtens artikel 154/1 van het Wetboek erkende vereniging zonder winstoogmerk of met een overheid.
Tijdens hun eerste onderhoud met een maatschappelijk werker wordt met de begunstigden een afspraak gemaakt met het oog op hun deelname aan de opvangmodule.
Ze worden in kennis gesteld van de modaliteiten aan de hand waarvan ze geïnformeerd zullen worden over de rechten en plichten van elke persoon die in België verblijft.
Namens elke begunstigde wordt een vertrouwelijk individueel dossier aangelegd dat informatie kan bevatten over zijn familiale, professionele, sociaal-economische toestand, zijn opleiding, gezondheid, handicap en woonomstandigheden.
Het individuele dossier bevat het geheel van de informatie en documenten betreffende het verloop van het opvangtraject van de begunstigde.
Telkens als nodig doet het opvangbureau een beroep op tolken om de communicatie met de begunstigden mogelijk te maken of te vergemakkelijken.
§ 2. Binnen de opvangbureaus van de centra :
1° wordt voorzien in de opvangmodule bedoeld in artikel 152, tweede lid, van het Wetboek;
2° wordt alle nuttige informatie aan de nieuwkomers verstrekt, ongeacht het bedoelde activiteitendomein.
§ 3. Het opvangbureau verstrekt de in artikel 152/1, tweede lid, 1°, van het Wetboek bedoelde informatie over de rechten en plichten op gepersonaliseerde wijze, desgevallend d.m.v. een audiovisuele of elektronische drager als bijkomend hulpmiddel.
De informatie over de rechten en plichten betreft minstens de volgende thematieken : de rechten en plichten bekrachtigd bij de Grondwet, de Europese conventie van de mensenrechten alsook de rechten en plichten van de begunstigden inzake gezondheidszorg, huisvesting, mobiliteit, werk, vorming en onderwijs.
Het coördinatiecomité legt een geharmoniseerde inhoud voor elk van voornoemde thematieken over.
§ 4. De sociale balans bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 2°, wordt door een maatschappelijk werker opgemaakt tijdens een geïndividualiseerd en vertrouwelijk onderhoud.
Ze wordt opgemaakt op grond van de informatie die de begunstigde verstrekt, met name over zijn familiale, professionele, sociaal-economische, relationele toestand, zijn opleiding, gezondheid, handicap en woonomstandigheden.
Aan de hand van de sociale balans kan de maatschappelijk werker op gepaste wijze inspelen op de moeilijkheden die de begunstigde ondervindt, via een oriëntering naar een geschikt hulp- of steunverleningsstelsel, via een oriëntering naar het opleidingsstelsel van het opvangtraject of via een hulpverlening bij het ondernemen van de administratieve stappen.
Art. 237/3. De evaluatiegesprekken bedoeld in artikel 152/3, § 3, van het Wetboek hebben betrekking op;
1° de toegang van de nieuwkomer tot de opleidingen;
2° de opvolging van de opleidingen;
3° de rechtvaardiging van eventuele afwezigheden;
4° de wijziging, in onderlinge overeenstemming, van het overgelegde opleidingsprogramma;
5° de noodzaak tot verlenging van de overeenkomst.
Het centrum organiseert minstens één evaluatiegesprek per jaar met elke nieuwkomer die een opvangovereenkomst ondertekent.
Het centrum roept de nieuwkomer voor het evaluatiegesprek op bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
De opleidingsoperatoren van de nieuwkomer verstrekken het centrum de nodige informatie voor het evaluatiegesprek.
Art. 237/4. Het bezoekattest bedoeld in artikel 152/3, § 4, van het Wetboek wordt afgegeven aan de nieuwkomer die de opleidingen heeft gevolgd waarin de opvangovereenkomst voorziet en die het bewijs levert van een aanwezigheidspercentage van minstens tachtig percent, behoudens behoorlijk gerechtvaardigde afwezigheid.
De opleidingsoperatoren verstrekken het centrum de nodige gegevens voor het opmaken van het bezoekattest. Het attest wordt bewaard gedurende tien jaar.
Art. 237/5. De opvangovereenkomst slaat op de volgende elementen :
1° de verbintenissen van het Gewest;
2° de verbintenissen van de ondertekenaar van de samenwerkingsovereenkomst;
3° de duur van de overeenkomst;
4° de opvolging van de overeenkomst;
5° de naleving van de overeenkomst.
Een model van overeenkomst wordt ter beschikking gesteld door de Minister.
Art. 237/6. Bij hun indienstneming beschikken de in artikel 152/4, § 1, tweede lid, bedoelde opleiders Franse taal over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en een specialisatie in het aanleren van het Frans of van het Frans als vreemde taal;
2° hetzij minimum vijf jaar nuttige ervaring als opleider in het Frans als vreemde taal of over een bekrachtiging van de vaardigheden afgeleverd door een instelling die door het Gewest of de Franse Gemeenschap erkend is.
Art. 237/7. Bij hun indienstneming beschikken de opleiders inzake burgerschap bedoeld in artikel 152/5, § 1, tweede lid, van het Wetboek over een bekrachtiging van de vaardigheden afgeleverd door een instelling die door het Gewest of de Franse Gemeenschap erkend is en over drie jaar nuttige ervaring als opleider inzake burgerschap of over een opleiding bekrachtigd door het coördinatiecomité.
Art. 237/8. De operatoren die in het kader van de socio-professionele oriëntering werkzaam zijn, werken nauwkeurig samen met bestaande partnerschapstructuren of -platforms, zoals het Sociaal cohesieplan.
Art. 237/9. Het coördinatiecomité is samengesteld uit :
1° een vertegenwoordiger van de Minister;
2° een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling;
3° een vertegenwoordiger van de Minister van Vorming;
4° een vertegenwoordiger van de centra;
5° een vertegenwoordiger van de administratie;
6° een vertegenwoordiger van het "IWEPS".
Het secretariaat van het coördinatiecomité wordt door de administratie waargenomen.
Het Comité kan elke persoon uitnodigen die het nuttig acht om aan het onderzoek van een specifiek vraagstuk deel te nemen.
HOOFDSTUK II. - Verplichtingen
Art. 238. § 1. Wanneer de nieuwkomer bij de gemeente ingeschreven wordt, wordt hem kennis gegeven van :
1° de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, en § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° de toepasselijke sancties bij niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
3° het bevoegde centrum;
4° de zending van een afschrift van het bezoekattest aan de gemeente.
§ 2. Bij de inschrijving van de nieuwkomer geeft het gemeentebestuur hem een informatiedocument m.b.t. het opvangtraject af in de taal die hij verstaat en tegen ontvangbewijs.
Het ontvangbewijs bedoeld in het eerste lid vermeldt minimum :
1° de naam en de voornaam van de nieuwkomer;
2° zijn rijksregisternummer met inachtneming van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° zijn personalia;
4° de datum van zijn inschrijving bij de gemeente;
5° de bevestiging dat hij kennis genomen heeft van de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, en van de toepasselijke sancties in geval van niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
Een keer per week maakt het gemeentebestuur de lijst van de onlangs ingeschreven nieuwkomers samen met hun ontvangbewijzen aan het bevoegde centrum over.
§ 3. In uitvoering van artikel 152/7, § 3, tweede lid, van het Wetboek worden de onderdanen van de derde landen die op bijzondere voorwaarden aanspraak kunnen maken overeenkomstig een standstill-clausule vervat in een associatieovereenkomst zoals degene die de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije regelt, tussen dat land en België of de Europese Unie, vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § § 1 en 2, tweede lid.
Art. 238/1. § 1. De nieuwkomer meldt zich bij het opvangbureau van het bevoegde centrum binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de datum van zijn eerste inschrijving in het vreemdelingenregister van een gemeente van het Franse taalgebied, om zich in te schrijven voor de opvangmodule bedoeld in artikel 152, tweede lid, 1°, van het Wetboek.
Een maand voor de vervaldatum van de termijn van drie maanden bedoeld in het eerste lid richt het centrum aan de nieuwkomer een herinnering aan de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, en § 2, tweede lid, 152, 7, § 1, en aan de toepasselijke sancties in geval van niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
De bij aangetekend schrijven of elektronisch gestuurde rappelbrief bevat een herinnering aan de opgelopen sancties. Hij vermeldt de mogelijke beroepsrechten alsook de bepalingen van artikel 152/8, § 5, van het Wetboek.
Het attest bedoeld in artikel 152/7, § 2, eerste lid, van het Wetboek bevestigt dat de nieuwkomer:
1° deelgenomen heeft aan de sociale balans bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 2°, van het Wetboek;
2° de informatie over de rechten en plichten bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 1°, van het Wetboek.
Als de nieuwkomer niet voldoet aan de verplichtingen bedoeld in het tweede lid, mag het centrum hem niet het in artikel 152/7, § 2, eerste lid, van het Wetboek bedoeld attest afgeven.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring
Art. 239. § 1. Er wordt een globale jaarlijkse subsidie van 1.415.000 euro verleend, overeenkomstig artikel 152/10 van het Wetboek.
Dat bedrag wordt onder de centra verdeeld als volgt :
- 185.000 euro voor het centrum van La Louvière;
- 160.000 euro voor het centrum van Bergen;
- 200.000 euro voor het centrum van Charleroi;
- 170.000 euro voor het centrum van Namen;
- 160.000 euro voor het centrum van Verviers;
- 220.000 euro voor het centrum van Luik;
- 160.000 euro voor het centrum van Nijvel;
- 160.000 euro voor het centrum van Marche-en-Famenne.
Die bedragen worden jaarlijks herzien naar gelang van het aantal dossiers dat het jaar tevoren behandeld werd door de centra.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
§ 2. De centra ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Art. 239/1. Een subsidie van 250.000 euro wordt verleend aan het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek en overeenkomstig artikel 152/11 van het Wetboek.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
Het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
HOOFDSTUK IV. - Sancties
Art. 240. De centra leggen een dossier aan voor elke nieuwkomer die niet voldaan heeft aan de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
Het dossier bedoeld in het eerste lid bevat minimum :
1° een afschrift van het ontvangbewijs bedoeld in artikel 238, § 2;
2° een afschrift van de herinnering gericht aan de nieuwkomer ter uitvoering van artikel 238/1, § 1, tweede lid.
De centra maken het in het tweede lid bedoelde dossier aan de administratie over binnen de maand van de vervaldatum van de termijn bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, maakt de administratie het dossier aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand waarin zij het in ontvangst neemt.
De sanctionerend ambtenaar wordt door de Minister aangewezen.
Art. 240/1. Er kan een administratieve boete opgelegd worden aan de nieuwkomer die niet voldoet aan :
1° de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
De sanctionerend ambtenaar is bevoegd om overtredingen van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen vast te stellen en om een administratieve boete aan de overtredende nieuwkomer op te leggen.
Als de nieuwkomer de in het eerste lid, 1°, bedoelde verplichting overtreedt, past de sanctionerend ambtenaar de procedure toe waarin de artikelen 240 tot 240/4 voorzien.
Als de nieuwkomer de in het eerste lid, 2°, bedoelde verplichting overtreedt, past de sanctionerend ambtenaar de procedure toe waarin de artikelen 240/3 tot 240/4 voorzien.
De sanctionerend ambtenaar beslist dat de sanctie onmogelijk is als de voorwaarde bedoeld in artikel 152/8, § 5, van het Wetboek niet vervuld is, met name de organisatie van een opvangmodule overeenkomstig artikel 152/1 van het Wetboek of het gebrek aan voorstel van opvangovereenkomst zoals bedoeld in artikel 152/3, § 2.
Art. 240/2. Als de sanctionerend ambtenaar op basis van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid, een overtreding van de in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek bedoelde verplichting vaststelt, richt hij aan de overtredende nieuwkomer een ingebrekestelling waarbij hij hem sommeert om de verplichting na te komen binnen zestig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving ervan.
De ingebrekestelling bedoeld in het eerste lid bevat :
1° een herinnering aan de verplichting die niet nagekomen werd door de nieuwkomer;
2° een herinnering aan de sancties die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de verplichting.
De sanctionnerend ambtenaar richt de in het eerste lid bedoelde ingebrekestelling aan de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid.
Een afschrift van de ingebrekestelling bedoeld in het eerste lid wordt aan het centrum gericht.
Eén keer per week zendt het centrum aan de administratie de lijst van de nieuwkomers die geen gevolg gegeven hebben aan de ingebrekestelling die hen overeenkomstig het eerste lid werd gericht.
De administratie maakt de lijst aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand na ontvangst ervan.
Art. 240/3. § 1. De sanctionnerend ambtenaar laat de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg weten dat hij van plan is hem een administratieve boete op te leggen als hij op basis van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid, en van de lijst bedoeld in artikel 240/2, vijfde lid, of van het dossier bedoeld in artikel 240/4, eerste lid, een overtreding vaststelt :
1° van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° van de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
De zending bedoeld in het eerste lid bevat minstens de volgende gegevens :
1° een herinnering aan de overtreden wettelijke verplichting;
2° een uiteenzetting van de feiten die een overtreding vormen en waarvoor een administratieve boete wordt opgelegd;
3° het bedrag van de overwogen administratieve boete;
4° de melding dat de betrokkene zijn verweermiddelen schriftelijk kan overleggen binnen vijftien dagen na ontvangst van de zending bedoeld in het eerste lid en schriftelijk kan vragen om gehoord te worden;
5° de melding dat betrokkene zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een raadsman van zijn keuze;
6° de melding van de mogelijkheid om zich door een tolk te laten bijstaan in verschillende talen, een overzicht van de talen waarin een vertaling mogelijk is en de melding dat betrokkene kan communiceren in de taal waarin hij wenst te worden bijgestaan.
7° een verzoek tot overlegging van elk element dat in aanmerking genomen moet worden om aan te tonen dat de voorwaarde bedoeld in artikel 152/8, § 7, van het Wetboek niet vervuld is, met name het gebrek aan oproeping of het gebrek aan organisatie van de opvangmodule bedoeld in artikel 152/1 van het Wetboek binnen de vereiste termijnen, het gebrek aan organisatie van de opvangmodule bedoeld in artikel 152/1 van het Wetboek in het territoriaal ambtsgebied van het regionaal integratiecentrum waaronder de nieuwkomer ressorteert, het gebrek aan tolkaanbod.
Desgevallend geeft de sanctionnerend ambtenaar de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg kennis van de datum van zijn verhoor. De datum van het verhoor wordt vastgelegd binnen dertig dagen na ontvangst van de schriftelijke aanvraag waarin de nieuwkomer vraagt om gehoord te worden.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar betekent zijn beslissing tot oplegging van een administratieve sanctie aan de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg :
1° binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum van het verhoor bedoeld in paragraaf 1, derde lid, of op de datum van ontvangst van zijn verweermiddelen bedoeld in paragraaf, tweede lid, 3°;
2° binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van kennisgeving van het schrijven bedoeld in het eerste lid als de nieuwkomer zijn verweermiddelen niet laat gelden of niet vraagt om gehoord te worden.
§ 3. De beslissing tot oplegging van de in het eerste lid bedoelde administratieve boete vermeldt minstens :
1° de wettelijke verplichting die betrokkene verzuimt na te komen;
2° de vaststelling van de feiten waarvoor de administratieve boete opgelegd wordt;
3° het bedrag van de opgelegde administratieve boete;
4° de motivering van de beslissing;
5° de termijn waarin de administratieve boete betaald moet worden;
6° de in artikel 152/8, § 6, van het Wetboek bedoelde middelen om in beroep te gaan tegen de beslissing;
7° de eventuele verwijzing naar het verhoorverslag of de verweermiddelen van de nieuwkomer;
8° de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
§ 4. Een afschrift van de beslissing bedoeld in paragraaf 2 wordt aan het centrum gericht.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, wordt een afschrift van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing aan de administratie gericht.
Art. 240/4. De centra leggen een dossier aan voor elke nieuwkomer die niet voldaan heeft aan de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, van het Wetboek.
Het dossier bedoeld in het eerste lid bevat minstens een afschrift van de laatste beslissing bedoeld in artikel 239/1 § 2, eerste lid, die aan de overtredende nieuwkomer wordt opgelegd.
De centra maken het in het eerste lid bedoelde dossier aan de administratie over binnen een termijn van een maand, die ingaat op de vervaldatum van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 152/7, 1, eerste lid, van het Wetboek.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, maakt de administratie het in het eerste lid bedoelde dossier aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand waarin zij het in ontvangst neemt.
De administratieve boetes bedoeld in de paragrafen 1 en 2 worden betaald binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 240/3, § 2, eerste lid.
Titel III. - Regionale centra voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst
HOOFDSTUK I. - Territoriale ambtsgebieden
Art. 241. De ambtsgebieden van de centra bedoeld in artikel 153 van het Wetboek zijn de volgende :
1° centrum van La Louvière : de gemeenten Anderlues, Binche, 's Gravenbrakel, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Edingen, Estinnes, La Louvière, Lessen, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Zinnik, Merbes-le-Château, Erquelinnes, Estaimpuis, Pecq, Celles, Vloesberg, Frasnes-lez-Anvaing, Komen-Waasten, Moeskroen, Mont-de-l'Enclus, Elzele;
2° centrum van Bergen : de gemeenten Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbeke, Lens, Bergen, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain;
3° centrum van Charleroi : de gemeenten van de provincie Henegouwen, behalve die bedoeld onder 1° en 2°;
4° centrum van Namen : de gemeenten van de provincie Namen;
5° centrum van Verviers : de gemeenten Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmedy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt;
6° centrum van Luik : de gemeente van de provincie Luik, behalve de gemeenten van het Duitstalige gebied en die bedoeld onder 5°;
7° centrum van Nijvel : de gemeenten van de provincie Waals Brabant;
8° centrum van Marche-en-Famenne : de gemeenten van de provincie Luxemburg.
HOOFDSTUK II. - Erkenning
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 242. De persoon belast met de directie en het dagelijks beheer, meer bepaald de supervisie van het administratief en financieel beheer, beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° een master of een gelijkwaardig diploma en minstens drie jaar nuttige ervaring in het administratief en financieel beheer van een vzw alsook een nuttige ervaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en minstens vijf jaar nuttige ervaring in het administratief en financieel beheer van een VZW alsook een nuttige ervaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst.
Bij gebrek aan kandidaten met de nuttige ervaring bedoeld onder 1° en 2°, kan de administratieve autoriteit een persoon aanwijzen die die voorwaarde niet vervult. In dat geval wordt de beslissing speciaal gemotiveerd door de omstandigheden.
De persoon belast met het administratief en financieel beheer beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma inzake boekhouding of directiesecretariaat;
2° hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring.
De persoon belast met de coördinatie van de projecten beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring.
De projectverantwoordelijke beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring;
Onderafdeling 2. - Erkennings- en intrekkingsprocedure
Art. 242/1. Naast de elementen bedoeld in artikel 153/5 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van het centrum;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van het centrum.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Art. 242/2. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 242/1.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het in ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 242/3. Bij de eerste erkenningsaanvraag beschikken de overeenkomstig artikel 153/1 van het Wetboek erkende centra over een termijn van 6 maanden, die ingaat op de datum van kennisgeving van de erkenning, om de in artikel 153/3 van het Wetboek bedoelde basisploeg samen te stellen en om te kunnen beschikken over de lokalen bedoeld in artikel 153/4 van het Wetboek.
Na afloop van die termijn wordt de erkenning overeenkomstig artikel 153/6 van het Wetboek ingetrokken.
Art. 243. Na advies van de "Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère" bedoeld in artikel 25 van het Wetboek beslist de Minister de erkenning in te trekken als hij vaststelt dat het centrum niet voldoet aan de bepalingen van het Wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen indien het centrum de hem toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De erkennningsaanvraag wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat het centrum een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring
Art. 244. § 1. Voor de berekening van de subsidie betreffende de bezoldiging van het personeel van de basisploeg bedoeld in artikel 153/3 van het Wetboek wordt de geldelijke anciënniteit in aanmerking genomen met inachtneming van de volgende regels :
1° voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen wordt rekening gehouden met de effectieve diensten die het personeel gepresteerd heeft bij de openbare diensten of bij diensten erkend of gesubsidieerd door het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de Federale Staat;
2° de subsidieerbare diensten die maandfracties dekken worden per jaar opgeteld. De maandfracties die periodes van dertig dagen totaliseren worden in de geldelijke anciënniteit gevaloriseerd naar rato van een maand per periode van dertig dagen;
3° de anciënniteiten worden in aanmerking genomen op basis van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van de werknemer, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren en het uurstelsel.
In het eerste lid, 1°, kan de administratie ook rekening houden met de effectieve diensten gepresteerd bij de diensten die door andere overheden erkend of gesubsidieerd worden.
De documenten worden door het centrum overgelegd uiterlijk binnen de maand na de indienstneming van de persoon.
De effectieve diensten bedoeld in het eerste lid, 1°, zijn degene die als dusdanig beschouwd worden voor de personeelsleden van het Gewest.
Als het personeelslid van het centrum ter beschikking gesteld wordt door een overheid, worden de subsidies gerechtvaardigd op basis van de vorderingsaangifte die van de betrokken overheid uitgaat, een afschrift van de loonfiches van het betrokken personeelslid en een afschrift van de tussen de overheid en het centrum gesloten terbeschikkingstellingsovereenkomst.
§ 2. De in aanmerking genomen weddeschalen zijn die van de paritaire commissie 329.02.
§ 3. De subsidie betreffende de medefinanciering van de bezoldiging van de projectverantwoordelijken bedoeld in artikel 153/7, 2°, van het Wetboek is gelijk aan het bedrag dat nodig is om bijkomende middelen te waarborgen voor posten die in aanmerking komen voor minstens zes punten "Aide à la Promotion de l'Emploi".
§ 4. De subsidie betreffende de bezoldiging van het personeel bedoeld in artikel 153/7 van het Wetboek wordt verhoogd met het nodige bedrag voor de toekenning van de voordelen die in het kader van de non-profit akkoorden verleend worden.
Art. 245. Er wordt een jaarlijkse vaste subsidie van 27.500 euro aan elk centrum toegekend om de werkings- en activiteitenkosten te dekken.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
In de werkingskosten kunnen de bankintresten gevaloriseerd worden die gedragen worden vanaf 1 januari van het gesubsidieerde jaar tot de effectieve betaling van het voorschot bedoeld in artikel 246 en betreffende de kredietopeningen aangegaan bij andere bankinstellingen voor de prefinanciering van de acties ondernomen en gesubsidieerd in afwachting van de toekenning van de subsidies.
Art. 246. § 1. De centra ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
§ 2. Tijdens zijn eerste subsidiejaar wordt een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het vaste bedrag van 27 500 euro aan het erkende centrum verleend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Art. 247. Het coördinatiecomité bedoeld in artikel 153/9 van het Wetboek is samengesteld uit :
1° een vertegenwoordiger van de Minister;
2° een vertegenwoordiger van elk centrum;
3° een vertegenwoordiger van de administratie.
Het secretariaat wordt door de administratie waargenomen.
Titel IV. - Plaatselijke initiatieven tot integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst
HOOFDSTUK I. - Erkenning
Onderafdeling 1. - Voorwaarden
Art. 248. Bij zijn indienstneming beschikt de persoon bedoeld in artikel 154/1, 3°, van het Wetboek minstens over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring;
Art. 249. Naast de elementen bedoeld in artikel 154/2 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van de vereniging;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van de vereniging.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Afdeling 2. - Procedure
Art. 242/2. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 249.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 250/1. De Minister beslist de erkenning in te trekken als vastgesteld wordt dat de erkende vereniging zonder winstoogmerk niet voldoet aan de bepalingen van het decreetgevend wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen of als ze de haar toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De intrekking van de erkennning wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat de erkende vereniging zonder winstoogmerk een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK II. - Subsidiëring
Art. 251. § 1. Een jaarlijkse subsidie kan overeenkomstig artikel 154/4 van het Wetboek toegekend worden als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitskosten.
Het bedrag van de subsidie wordt bepaald naar gelang van het type, het volume, het aantal begunstigden, de evaluatie van de ontwikkelde activiteit en de kwalificatie van het personeel.
§ 2. Voor de verenigingen erkend overeenkomstig de artikelen 154/1 en volgende van het Wetboek, bedraagt de in paragraaf 1 bedoelde subsidie 15.000, 20.000, 25.000 of 30.000 euro, geïndexeerd, naar gelang van de criteria waarin artikel 154/4, derde lid, van het Wetboek voorziet.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
§ 3. De gesubsidieerde verenigingen ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Titel V. - Tolken in sociaal milieu
HOOFDSTUK I. - Erkenning
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 252. Het personeel de instelling inzake tolken in sociaal milieu is samengesteld uit minimum :
1° een persoon die voltijds instaat voor de directie en het dagelijks beheer, meer bepaald de supervisie van het administratief en financieel beheer, en die bij zijn indienstneming beschikt over minstens :
a) hetzij een master of een gelijkwaardig diploma en minstens drie jaar nuttige beroepservaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
b) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en minstens vijf jaar nuttige beroepservaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° een voltijds equivalent belast met het administratief en financieel beheer die bij zijn indienstneming beschikt over minstens :
a) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma inzake boekhouding of directiesecretariaat;
b) hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° zestien (voltijds equivalent) tolken die bij hun indienstneming beschikken over minstens :
a) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
b) hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
c) hetzij een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring.
Art. 253. Naast de elementen bedoeld in artikel 153/5 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van de vereniging;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van de vereniging.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Afdeling 2. - Procedure
Art. 254. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 253.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 254/1. De Minister beslist de erkenning in te trekken als vastgesteld wordt dat de instelling inzake tolken in sociaal milieu niet voldoet aan de bepalingen van het decreetgevend wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen of als ze de haar toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De intrekking van de erkennning wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat de instelling inzake tolken in sociaal milieu een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK II. - Subsidiëring
Art. 255. Overeenkomstig artikel 155/6 van het Wetboek wordt een geïndexeerde jaarlijkse subsidie toegekend als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitskosten.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
Het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven. ".
" Boek III. - Integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst
Titel I. - Algemene bepalingen
Art. 236. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Minister : de Minister bevoegd voor het beleid tot integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° administratie : het Departement Sociale Actie van het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid;
3° opvangtraject : het opvangtraject bedoeld in artikel 152 van het Wetboek;
4° coördinatiecomité : het coördinatiecomité bedoeld in artikel 152/9 van het Wetboek.
Titel II. Opvangtraject
HOOFDSTUK I. - Organisatie
Art. 237. De centra sluiten met elke gemeente van hun territoriaal ambtsgebied een partnerschapsovereenkomst betreffende de modaliteiten voor hun samenwerking in het kader van de opvang van nieuwkomers.
De overeenkomst bevat op zijn minst :
1° de verbintenis van de gemeente waarbij ze belooft de nieuwkomer d.m.v. een informatiedocument in te lichten over het bestaan van het opvangtraject en hem naar de opvangdienst van het bevoegde centrum te richten;
2° de verbintenis van het centrum tot verstrekking aan de gemeente van het informatiedocument betreffende het opvangtraject dat aan de nieuwkomer afgegeven moet worden, alsook van elk gegeven of nuttig document in het kader van de opvang van nieuwkomers;
3° de verbintenis van de gemeente tot overlegging aan het centrum van een wekelijks overzicht van de nieuwkomers die onlangs in de gemeenteregisters werden ingeschreven;
4° de verbintenis van het centrum tot naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
5° de verbintenis van het centrum tot kennisgeving aan de nieuwkomer van het gebruik dat het maakt van de gegevens verzameld in het kader van het opvangtraject, van de middelen aangewend om de gegevens te verkrijgen en van de mogelijkheid om zijn persoonlijke gegevens in te kijken;
6° het overzicht van de menselijke of technische middelen die beschikbaar zijn in het kader van de opvang van de nieuwkomers.
Art. 237/1. De gegevens die ingezameld worden in het kader van de sociale balans worden bewaard gedurende drie jaar.
Het centrum is krachtens artikel 1, § 4, van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens van de nieuwkomers en is ertoe verplicht alle nodige technische en organisationele maatregelen te treffen om de veiligheid van de gegevens te garanderen.
Art. 237/2. § 1. Elk centrum richt één of meer opvangbureaus op, alleen of in partnerschap met een krachtens artikel 154/1 van het Wetboek erkende vereniging zonder winstoogmerk of met een overheid.
Tijdens hun eerste onderhoud met een maatschappelijk werker wordt met de begunstigden een afspraak gemaakt met het oog op hun deelname aan de opvangmodule.
Ze worden in kennis gesteld van de modaliteiten aan de hand waarvan ze geïnformeerd zullen worden over de rechten en plichten van elke persoon die in België verblijft.
Namens elke begunstigde wordt een vertrouwelijk individueel dossier aangelegd dat informatie kan bevatten over zijn familiale, professionele, sociaal-economische toestand, zijn opleiding, gezondheid, handicap en woonomstandigheden.
Het individuele dossier bevat het geheel van de informatie en documenten betreffende het verloop van het opvangtraject van de begunstigde.
Telkens als nodig doet het opvangbureau een beroep op tolken om de communicatie met de begunstigden mogelijk te maken of te vergemakkelijken.
§ 2. Binnen de opvangbureaus van de centra :
1° wordt voorzien in de opvangmodule bedoeld in artikel 152, tweede lid, van het Wetboek;
2° wordt alle nuttige informatie aan de nieuwkomers verstrekt, ongeacht het bedoelde activiteitendomein.
§ 3. Het opvangbureau verstrekt de in artikel 152/1, tweede lid, 1°, van het Wetboek bedoelde informatie over de rechten en plichten op gepersonaliseerde wijze, desgevallend d.m.v. een audiovisuele of elektronische drager als bijkomend hulpmiddel.
De informatie over de rechten en plichten betreft minstens de volgende thematieken : de rechten en plichten bekrachtigd bij de Grondwet, de Europese conventie van de mensenrechten alsook de rechten en plichten van de begunstigden inzake gezondheidszorg, huisvesting, mobiliteit, werk, vorming en onderwijs.
Het coördinatiecomité legt een geharmoniseerde inhoud voor elk van voornoemde thematieken over.
§ 4. De sociale balans bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 2°, wordt door een maatschappelijk werker opgemaakt tijdens een geïndividualiseerd en vertrouwelijk onderhoud.
Ze wordt opgemaakt op grond van de informatie die de begunstigde verstrekt, met name over zijn familiale, professionele, sociaal-economische, relationele toestand, zijn opleiding, gezondheid, handicap en woonomstandigheden.
Aan de hand van de sociale balans kan de maatschappelijk werker op gepaste wijze inspelen op de moeilijkheden die de begunstigde ondervindt, via een oriëntering naar een geschikt hulp- of steunverleningsstelsel, via een oriëntering naar het opleidingsstelsel van het opvangtraject of via een hulpverlening bij het ondernemen van de administratieve stappen.
Art. 237/3. De evaluatiegesprekken bedoeld in artikel 152/3, § 3, van het Wetboek hebben betrekking op;
1° de toegang van de nieuwkomer tot de opleidingen;
2° de opvolging van de opleidingen;
3° de rechtvaardiging van eventuele afwezigheden;
4° de wijziging, in onderlinge overeenstemming, van het overgelegde opleidingsprogramma;
5° de noodzaak tot verlenging van de overeenkomst.
Het centrum organiseert minstens één evaluatiegesprek per jaar met elke nieuwkomer die een opvangovereenkomst ondertekent.
Het centrum roept de nieuwkomer voor het evaluatiegesprek op bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
De opleidingsoperatoren van de nieuwkomer verstrekken het centrum de nodige informatie voor het evaluatiegesprek.
Art. 237/4. Het bezoekattest bedoeld in artikel 152/3, § 4, van het Wetboek wordt afgegeven aan de nieuwkomer die de opleidingen heeft gevolgd waarin de opvangovereenkomst voorziet en die het bewijs levert van een aanwezigheidspercentage van minstens tachtig percent, behoudens behoorlijk gerechtvaardigde afwezigheid.
De opleidingsoperatoren verstrekken het centrum de nodige gegevens voor het opmaken van het bezoekattest. Het attest wordt bewaard gedurende tien jaar.
Art. 237/5. De opvangovereenkomst slaat op de volgende elementen :
1° de verbintenissen van het Gewest;
2° de verbintenissen van de ondertekenaar van de samenwerkingsovereenkomst;
3° de duur van de overeenkomst;
4° de opvolging van de overeenkomst;
5° de naleving van de overeenkomst.
Een model van overeenkomst wordt ter beschikking gesteld door de Minister.
Art. 237/6. Bij hun indienstneming beschikken de in artikel 152/4, § 1, tweede lid, bedoelde opleiders Franse taal over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en een specialisatie in het aanleren van het Frans of van het Frans als vreemde taal;
2° hetzij minimum vijf jaar nuttige ervaring als opleider in het Frans als vreemde taal of over een bekrachtiging van de vaardigheden afgeleverd door een instelling die door het Gewest of de Franse Gemeenschap erkend is.
Art. 237/7. Bij hun indienstneming beschikken de opleiders inzake burgerschap bedoeld in artikel 152/5, § 1, tweede lid, van het Wetboek over een bekrachtiging van de vaardigheden afgeleverd door een instelling die door het Gewest of de Franse Gemeenschap erkend is en over drie jaar nuttige ervaring als opleider inzake burgerschap of over een opleiding bekrachtigd door het coördinatiecomité.
Art. 237/8. De operatoren die in het kader van de socio-professionele oriëntering werkzaam zijn, werken nauwkeurig samen met bestaande partnerschapstructuren of -platforms, zoals het Sociaal cohesieplan.
Art. 237/9. Het coördinatiecomité is samengesteld uit :
1° een vertegenwoordiger van de Minister;
2° een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling;
3° een vertegenwoordiger van de Minister van Vorming;
4° een vertegenwoordiger van de centra;
5° een vertegenwoordiger van de administratie;
6° een vertegenwoordiger van het "IWEPS".
Het secretariaat van het coördinatiecomité wordt door de administratie waargenomen.
Het Comité kan elke persoon uitnodigen die het nuttig acht om aan het onderzoek van een specifiek vraagstuk deel te nemen.
HOOFDSTUK II. - Verplichtingen
Art. 238. § 1. Wanneer de nieuwkomer bij de gemeente ingeschreven wordt, wordt hem kennis gegeven van :
1° de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, en § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° de toepasselijke sancties bij niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
3° het bevoegde centrum;
4° de zending van een afschrift van het bezoekattest aan de gemeente.
§ 2. Bij de inschrijving van de nieuwkomer geeft het gemeentebestuur hem een informatiedocument m.b.t. het opvangtraject af in de taal die hij verstaat en tegen ontvangbewijs.
Het ontvangbewijs bedoeld in het eerste lid vermeldt minimum :
1° de naam en de voornaam van de nieuwkomer;
2° zijn rijksregisternummer met inachtneming van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° zijn personalia;
4° de datum van zijn inschrijving bij de gemeente;
5° de bevestiging dat hij kennis genomen heeft van de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, en van de toepasselijke sancties in geval van niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
Een keer per week maakt het gemeentebestuur de lijst van de onlangs ingeschreven nieuwkomers samen met hun ontvangbewijzen aan het bevoegde centrum over.
§ 3. In uitvoering van artikel 152/7, § 3, tweede lid, van het Wetboek worden de onderdanen van de derde landen die op bijzondere voorwaarden aanspraak kunnen maken overeenkomstig een standstill-clausule vervat in een associatieovereenkomst zoals degene die de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije regelt, tussen dat land en België of de Europese Unie, vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § § 1 en 2, tweede lid.
Art. 238/1. § 1. De nieuwkomer meldt zich bij het opvangbureau van het bevoegde centrum binnen een termijn van drie maanden, die ingaat op de datum van zijn eerste inschrijving in het vreemdelingenregister van een gemeente van het Franse taalgebied, om zich in te schrijven voor de opvangmodule bedoeld in artikel 152, tweede lid, 1°, van het Wetboek.
Een maand voor de vervaldatum van de termijn van drie maanden bedoeld in het eerste lid richt het centrum aan de nieuwkomer een herinnering aan de verplichtingen bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, en § 2, tweede lid, 152, 7, § 1, en aan de toepasselijke sancties in geval van niet-nakoming van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
De bij aangetekend schrijven of elektronisch gestuurde rappelbrief bevat een herinnering aan de opgelopen sancties. Hij vermeldt de mogelijke beroepsrechten alsook de bepalingen van artikel 152/8, § 5, van het Wetboek.
Het attest bedoeld in artikel 152/7, § 2, eerste lid, van het Wetboek bevestigt dat de nieuwkomer:
1° deelgenomen heeft aan de sociale balans bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 2°, van het Wetboek;
2° de informatie over de rechten en plichten bedoeld in artikel 152/1, tweede lid, 1°, van het Wetboek.
Als de nieuwkomer niet voldoet aan de verplichtingen bedoeld in het tweede lid, mag het centrum hem niet het in artikel 152/7, § 2, eerste lid, van het Wetboek bedoeld attest afgeven.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring
Art. 239. § 1. Er wordt een globale jaarlijkse subsidie van 1.415.000 euro verleend, overeenkomstig artikel 152/10 van het Wetboek.
Dat bedrag wordt onder de centra verdeeld als volgt :
- 185.000 euro voor het centrum van La Louvière;
- 160.000 euro voor het centrum van Bergen;
- 200.000 euro voor het centrum van Charleroi;
- 170.000 euro voor het centrum van Namen;
- 160.000 euro voor het centrum van Verviers;
- 220.000 euro voor het centrum van Luik;
- 160.000 euro voor het centrum van Nijvel;
- 160.000 euro voor het centrum van Marche-en-Famenne.
Die bedragen worden jaarlijks herzien naar gelang van het aantal dossiers dat het jaar tevoren behandeld werd door de centra.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
§ 2. De centra ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Art. 239/1. Een subsidie van 250.000 euro wordt verleend aan het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek en overeenkomstig artikel 152/11 van het Wetboek.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
Het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
HOOFDSTUK IV. - Sancties
Art. 240. De centra leggen een dossier aan voor elke nieuwkomer die niet voldaan heeft aan de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
Het dossier bedoeld in het eerste lid bevat minimum :
1° een afschrift van het ontvangbewijs bedoeld in artikel 238, § 2;
2° een afschrift van de herinnering gericht aan de nieuwkomer ter uitvoering van artikel 238/1, § 1, tweede lid.
De centra maken het in het tweede lid bedoelde dossier aan de administratie over binnen de maand van de vervaldatum van de termijn bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, maakt de administratie het dossier aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand waarin zij het in ontvangst neemt.
De sanctionerend ambtenaar wordt door de Minister aangewezen.
Art. 240/1. Er kan een administratieve boete opgelegd worden aan de nieuwkomer die niet voldoet aan :
1° de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
De sanctionerend ambtenaar is bevoegd om overtredingen van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen vast te stellen en om een administratieve boete aan de overtredende nieuwkomer op te leggen.
Als de nieuwkomer de in het eerste lid, 1°, bedoelde verplichting overtreedt, past de sanctionerend ambtenaar de procedure toe waarin de artikelen 240 tot 240/4 voorzien.
Als de nieuwkomer de in het eerste lid, 2°, bedoelde verplichting overtreedt, past de sanctionerend ambtenaar de procedure toe waarin de artikelen 240/3 tot 240/4 voorzien.
De sanctionerend ambtenaar beslist dat de sanctie onmogelijk is als de voorwaarde bedoeld in artikel 152/8, § 5, van het Wetboek niet vervuld is, met name de organisatie van een opvangmodule overeenkomstig artikel 152/1 van het Wetboek of het gebrek aan voorstel van opvangovereenkomst zoals bedoeld in artikel 152/3, § 2.
Art. 240/2. Als de sanctionerend ambtenaar op basis van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid, een overtreding van de in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek bedoelde verplichting vaststelt, richt hij aan de overtredende nieuwkomer een ingebrekestelling waarbij hij hem sommeert om de verplichting na te komen binnen zestig dagen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving ervan.
De ingebrekestelling bedoeld in het eerste lid bevat :
1° een herinnering aan de verplichting die niet nagekomen werd door de nieuwkomer;
2° een herinnering aan de sancties die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de verplichting.
De sanctionnerend ambtenaar richt de in het eerste lid bedoelde ingebrekestelling aan de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid.
Een afschrift van de ingebrekestelling bedoeld in het eerste lid wordt aan het centrum gericht.
Eén keer per week zendt het centrum aan de administratie de lijst van de nieuwkomers die geen gevolg gegeven hebben aan de ingebrekestelling die hen overeenkomstig het eerste lid werd gericht.
De administratie maakt de lijst aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand na ontvangst ervan.
Art. 240/3. § 1. De sanctionnerend ambtenaar laat de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg weten dat hij van plan is hem een administratieve boete op te leggen als hij op basis van het dossier bedoeld in artikel 240, eerste lid, en van de lijst bedoeld in artikel 240/2, vijfde lid, of van het dossier bedoeld in artikel 240/4, eerste lid, een overtreding vaststelt :
1° van de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 2, tweede lid, van het Wetboek;
2° van de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
De zending bedoeld in het eerste lid bevat minstens de volgende gegevens :
1° een herinnering aan de overtreden wettelijke verplichting;
2° een uiteenzetting van de feiten die een overtreding vormen en waarvoor een administratieve boete wordt opgelegd;
3° het bedrag van de overwogen administratieve boete;
4° de melding dat de betrokkene zijn verweermiddelen schriftelijk kan overleggen binnen vijftien dagen na ontvangst van de zending bedoeld in het eerste lid en schriftelijk kan vragen om gehoord te worden;
5° de melding dat betrokkene zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een raadsman van zijn keuze;
6° de melding van de mogelijkheid om zich door een tolk te laten bijstaan in verschillende talen, een overzicht van de talen waarin een vertaling mogelijk is en de melding dat betrokkene kan communiceren in de taal waarin hij wenst te worden bijgestaan.
7° een verzoek tot overlegging van elk element dat in aanmerking genomen moet worden om aan te tonen dat de voorwaarde bedoeld in artikel 152/8, § 7, van het Wetboek niet vervuld is, met name het gebrek aan oproeping of het gebrek aan organisatie van de opvangmodule bedoeld in artikel 152/1 van het Wetboek binnen de vereiste termijnen, het gebrek aan organisatie van de opvangmodule bedoeld in artikel 152/1 van het Wetboek in het territoriaal ambtsgebied van het regionaal integratiecentrum waaronder de nieuwkomer ressorteert, het gebrek aan tolkaanbod.
Desgevallend geeft de sanctionnerend ambtenaar de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg kennis van de datum van zijn verhoor. De datum van het verhoor wordt vastgelegd binnen dertig dagen na ontvangst van de schriftelijke aanvraag waarin de nieuwkomer vraagt om gehoord te worden.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar betekent zijn beslissing tot oplegging van een administratieve sanctie aan de nieuwkomer bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg :
1° binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum van het verhoor bedoeld in paragraaf 1, derde lid, of op de datum van ontvangst van zijn verweermiddelen bedoeld in paragraaf, tweede lid, 3°;
2° binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van kennisgeving van het schrijven bedoeld in het eerste lid als de nieuwkomer zijn verweermiddelen niet laat gelden of niet vraagt om gehoord te worden.
§ 3. De beslissing tot oplegging van de in het eerste lid bedoelde administratieve boete vermeldt minstens :
1° de wettelijke verplichting die betrokkene verzuimt na te komen;
2° de vaststelling van de feiten waarvoor de administratieve boete opgelegd wordt;
3° het bedrag van de opgelegde administratieve boete;
4° de motivering van de beslissing;
5° de termijn waarin de administratieve boete betaald moet worden;
6° de in artikel 152/8, § 6, van het Wetboek bedoelde middelen om in beroep te gaan tegen de beslissing;
7° de eventuele verwijzing naar het verhoorverslag of de verweermiddelen van de nieuwkomer;
8° de verplichting bedoeld in artikel 152/8, § 1, derde lid, van het Wetboek.
§ 4. Een afschrift van de beslissing bedoeld in paragraaf 2 wordt aan het centrum gericht.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, wordt een afschrift van de in paragraaf 2 bedoelde beslissing aan de administratie gericht.
Art. 240/4. De centra leggen een dossier aan voor elke nieuwkomer die niet voldaan heeft aan de verplichting bedoeld in artikel 152/7, § 1, eerste lid, van het Wetboek.
Het dossier bedoeld in het eerste lid bevat minstens een afschrift van de laatste beslissing bedoeld in artikel 239/1 § 2, eerste lid, die aan de overtredende nieuwkomer wordt opgelegd.
De centra maken het in het eerste lid bedoelde dossier aan de administratie over binnen een termijn van een maand, die ingaat op de vervaldatum van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 152/7, 1, eerste lid, van het Wetboek.
In geval van delegatie, overeenkomstig artikel 152/8, § 4, van het Wetboek, maakt de administratie het in het eerste lid bedoelde dossier aan de sanctionerend ambtenaar over binnen de maand waarin zij het in ontvangst neemt.
De administratieve boetes bedoeld in de paragrafen 1 en 2 worden betaald binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 240/3, § 2, eerste lid.
Titel III. - Regionale centra voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst
HOOFDSTUK I. - Territoriale ambtsgebieden
Art. 241. De ambtsgebieden van de centra bedoeld in artikel 153 van het Wetboek zijn de volgende :
1° centrum van La Louvière : de gemeenten Anderlues, Binche, 's Gravenbrakel, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Edingen, Estinnes, La Louvière, Lessen, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Zinnik, Merbes-le-Château, Erquelinnes, Estaimpuis, Pecq, Celles, Vloesberg, Frasnes-lez-Anvaing, Komen-Waasten, Moeskroen, Mont-de-l'Enclus, Elzele;
2° centrum van Bergen : de gemeenten Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbeke, Lens, Bergen, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain;
3° centrum van Charleroi : de gemeenten van de provincie Henegouwen, behalve die bedoeld onder 1° en 2°;
4° centrum van Namen : de gemeenten van de provincie Namen;
5° centrum van Verviers : de gemeenten Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmedy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt;
6° centrum van Luik : de gemeente van de provincie Luik, behalve de gemeenten van het Duitstalige gebied en die bedoeld onder 5°;
7° centrum van Nijvel : de gemeenten van de provincie Waals Brabant;
8° centrum van Marche-en-Famenne : de gemeenten van de provincie Luxemburg.
HOOFDSTUK II. - Erkenning
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 242. De persoon belast met de directie en het dagelijks beheer, meer bepaald de supervisie van het administratief en financieel beheer, beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° een master of een gelijkwaardig diploma en minstens drie jaar nuttige ervaring in het administratief en financieel beheer van een vzw alsook een nuttige ervaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en minstens vijf jaar nuttige ervaring in het administratief en financieel beheer van een VZW alsook een nuttige ervaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst.
Bij gebrek aan kandidaten met de nuttige ervaring bedoeld onder 1° en 2°, kan de administratieve autoriteit een persoon aanwijzen die die voorwaarde niet vervult. In dat geval wordt de beslissing speciaal gemotiveerd door de omstandigheden.
De persoon belast met het administratief en financieel beheer beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma inzake boekhouding of directiesecretariaat;
2° hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring.
De persoon belast met de coördinatie van de projecten beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring.
De projectverantwoordelijke beschikt bij zijn indienstneming minstens over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring;
Onderafdeling 2. - Erkennings- en intrekkingsprocedure
Art. 242/1. Naast de elementen bedoeld in artikel 153/5 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van het centrum;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van het centrum.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Art. 242/2. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 242/1.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het in ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 242/3. Bij de eerste erkenningsaanvraag beschikken de overeenkomstig artikel 153/1 van het Wetboek erkende centra over een termijn van 6 maanden, die ingaat op de datum van kennisgeving van de erkenning, om de in artikel 153/3 van het Wetboek bedoelde basisploeg samen te stellen en om te kunnen beschikken over de lokalen bedoeld in artikel 153/4 van het Wetboek.
Na afloop van die termijn wordt de erkenning overeenkomstig artikel 153/6 van het Wetboek ingetrokken.
Art. 243. Na advies van de "Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère" bedoeld in artikel 25 van het Wetboek beslist de Minister de erkenning in te trekken als hij vaststelt dat het centrum niet voldoet aan de bepalingen van het Wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen indien het centrum de hem toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De erkennningsaanvraag wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat het centrum een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring
Art. 244. § 1. Voor de berekening van de subsidie betreffende de bezoldiging van het personeel van de basisploeg bedoeld in artikel 153/3 van het Wetboek wordt de geldelijke anciënniteit in aanmerking genomen met inachtneming van de volgende regels :
1° voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen wordt rekening gehouden met de effectieve diensten die het personeel gepresteerd heeft bij de openbare diensten of bij diensten erkend of gesubsidieerd door het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de Federale Staat;
2° de subsidieerbare diensten die maandfracties dekken worden per jaar opgeteld. De maandfracties die periodes van dertig dagen totaliseren worden in de geldelijke anciënniteit gevaloriseerd naar rato van een maand per periode van dertig dagen;
3° de anciënniteiten worden in aanmerking genomen op basis van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van de werknemer, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren en het uurstelsel.
In het eerste lid, 1°, kan de administratie ook rekening houden met de effectieve diensten gepresteerd bij de diensten die door andere overheden erkend of gesubsidieerd worden.
De documenten worden door het centrum overgelegd uiterlijk binnen de maand na de indienstneming van de persoon.
De effectieve diensten bedoeld in het eerste lid, 1°, zijn degene die als dusdanig beschouwd worden voor de personeelsleden van het Gewest.
Als het personeelslid van het centrum ter beschikking gesteld wordt door een overheid, worden de subsidies gerechtvaardigd op basis van de vorderingsaangifte die van de betrokken overheid uitgaat, een afschrift van de loonfiches van het betrokken personeelslid en een afschrift van de tussen de overheid en het centrum gesloten terbeschikkingstellingsovereenkomst.
§ 2. De in aanmerking genomen weddeschalen zijn die van de paritaire commissie 329.02.
§ 3. De subsidie betreffende de medefinanciering van de bezoldiging van de projectverantwoordelijken bedoeld in artikel 153/7, 2°, van het Wetboek is gelijk aan het bedrag dat nodig is om bijkomende middelen te waarborgen voor posten die in aanmerking komen voor minstens zes punten "Aide à la Promotion de l'Emploi".
§ 4. De subsidie betreffende de bezoldiging van het personeel bedoeld in artikel 153/7 van het Wetboek wordt verhoogd met het nodige bedrag voor de toekenning van de voordelen die in het kader van de non-profit akkoorden verleend worden.
Art. 245. Er wordt een jaarlijkse vaste subsidie van 27.500 euro aan elk centrum toegekend om de werkings- en activiteitenkosten te dekken.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
In de werkingskosten kunnen de bankintresten gevaloriseerd worden die gedragen worden vanaf 1 januari van het gesubsidieerde jaar tot de effectieve betaling van het voorschot bedoeld in artikel 246 en betreffende de kredietopeningen aangegaan bij andere bankinstellingen voor de prefinanciering van de acties ondernomen en gesubsidieerd in afwachting van de toekenning van de subsidies.
Art. 246. § 1. De centra ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
§ 2. Tijdens zijn eerste subsidiejaar wordt een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het vaste bedrag van 27 500 euro aan het erkende centrum verleend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Art. 247. Het coördinatiecomité bedoeld in artikel 153/9 van het Wetboek is samengesteld uit :
1° een vertegenwoordiger van de Minister;
2° een vertegenwoordiger van elk centrum;
3° een vertegenwoordiger van de administratie.
Het secretariaat wordt door de administratie waargenomen.
Titel IV. - Plaatselijke initiatieven tot integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst
HOOFDSTUK I. - Erkenning
Onderafdeling 1. - Voorwaarden
Art. 248. Bij zijn indienstneming beschikt de persoon bedoeld in artikel 154/1, 3°, van het Wetboek minstens over :
1° een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
2° een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring;
Art. 249. Naast de elementen bedoeld in artikel 154/2 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van de vereniging;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van de vereniging.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Afdeling 2. - Procedure
Art. 242/2. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 249.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 250/1. De Minister beslist de erkenning in te trekken als vastgesteld wordt dat de erkende vereniging zonder winstoogmerk niet voldoet aan de bepalingen van het decreetgevend wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen of als ze de haar toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De intrekking van de erkennning wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat de erkende vereniging zonder winstoogmerk een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK II. - Subsidiëring
Art. 251. § 1. Een jaarlijkse subsidie kan overeenkomstig artikel 154/4 van het Wetboek toegekend worden als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitskosten.
Het bedrag van de subsidie wordt bepaald naar gelang van het type, het volume, het aantal begunstigden, de evaluatie van de ontwikkelde activiteit en de kwalificatie van het personeel.
§ 2. Voor de verenigingen erkend overeenkomstig de artikelen 154/1 en volgende van het Wetboek, bedraagt de in paragraaf 1 bedoelde subsidie 15.000, 20.000, 25.000 of 30.000 euro, geïndexeerd, naar gelang van de criteria waarin artikel 154/4, derde lid, van het Wetboek voorziet.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
§ 3. De gesubsidieerde verenigingen ontvangen in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven.
Titel V. - Tolken in sociaal milieu
HOOFDSTUK I. - Erkenning
Afdeling 1. - Voorwaarden
Art. 252. Het personeel de instelling inzake tolken in sociaal milieu is samengesteld uit minimum :
1° een persoon die voltijds instaat voor de directie en het dagelijks beheer, meer bepaald de supervisie van het administratief en financieel beheer, en die bij zijn indienstneming beschikt over minstens :
a) hetzij een master of een gelijkwaardig diploma en minstens drie jaar nuttige beroepservaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
b) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma en minstens vijf jaar nuttige beroepservaring in de sector van de integratie van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst;
2° een voltijds equivalent belast met het administratief en financieel beheer die bij zijn indienstneming beschikt over minstens :
a) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma inzake boekhouding of directiesecretariaat;
b) hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
3° zestien (voltijds equivalent) tolken die bij hun indienstneming beschikken over minstens :
a) hetzij een baccalaureaat of een gelijkwaardig diploma;
b) hetzij een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring;
c) hetzij een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring.
Art. 253. Naast de elementen bedoeld in artikel 153/5 van het Wetboek bevat het erkenningsaanvraagdossier :
1° het huishoudelijk reglement;
2° de begroting, de rekeningen en de balans;
3° de beraadslaging van de inrichtende macht waarbij besloten wordt tot de indiening van de erkenningsaanvraag;
4° de afschriften van de diploma's, de kwalificatie en het curriculum vitae van de personeelsleden, alsook de melding van hun statuut;
5° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de uitvoering van de opdrachten van de vereniging;
6° een beraadslaging van de raad van bestuur tot vastlegging van de modaliteiten voor de totstandbrenging van de beheers- en bestuursorganen van de vereniging.
De erkennningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg aan de administratie gericht.
Afdeling 2. - Procedure
Art. 254. De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bedoeld in artikel 253.
Als het dossier niet volledig is, verwittigt de administratie de aanvrager binnen de maand waarin ze het ontvangen heeft.
De Minister geeft de aanvrager kennis van zijn beslissing bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg.
Art. 254/1. De Minister beslist de erkenning in te trekken als vastgesteld wordt dat de instelling inzake tolken in sociaal milieu niet voldoet aan de bepalingen van het decreetgevend wetboek of aan de krachtens het Wetboek genomen bepalingen of als ze de haar toegewezen opdrachten niet voldoende vervult.
De intrekking van de erkennning wordt voorafgegaan door een waarschuwing die bij aangetekend schrijven of langs de elektronische weg gestuurd wordt door de administratie. De waarschuwing vermeldt de geformuleerde klachten en staat de instelling inzake tolken in sociaal milieu een termijn van vijftien dagen toe om een antwoordmemorie over te maken.
HOOFDSTUK II. - Subsidiëring
Art. 255. Overeenkomstig artikel 155/6 van het Wetboek wordt een geïndexeerde jaarlijkse subsidie toegekend als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitskosten.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
Het orgaan dat instaat voor tolken in sociaal milieu zoals bedoeld in artikel 155 van het Wetboek ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het jaar tevoren zijn toegekend.
Het saldo wordt uitbetaald na overlegging van de bewijsstukken betreffende de uitgaven. ".
Art. 2. Dans la deuxième partie du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé, le Livre III comportant les articles 236 à 255, est remplacé par ce qui suit :
" Livre III. - Intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère
Titre Ier. - Dispositions générales
Art. 236. Au sens du présent arrêté, il faut entendre par :
1° le ministre : le ministre ayant la politique de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère dans ses attributions;
2° l'administration : le Département de l'Action sociale de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé;
3° parcours d'accueil : le parcours d'accueil visé à l'article 152 du Code;
4° comité de coordination : le comité de coordination visé à l'article 152/9 du Code.
Titre II. - Le parcours d'accueil
CHAPITRE Ier. - Organisation
Art. 237. Les centres concluent avec chaque commune de leur ressort territorial une convention de partenariat portant sur les modalités de leur collaboration dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants.
La convention contient au minimum :
1° l'engagement de la commune d'informer le primo-arrivant sur l'existence du parcours d'accueil via la remise d'un document d'information et de l'orienter vers le bureau d'accueil du centre compétent;
2° l'engagement du centre de fournir à la commune le document d'information sur le parcours d'accueil à remettre au primo-arrivant, ainsi que toute information ou document utile dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants;
3° l'engagement de la commune de transmettre au centre un relevé hebdomadaire des primo-arrivants nouvellement inscrits dans les registres communaux;
4° l'engagement du centre de respecter les dispositions de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
5° l'engagement du centre d'informer le primo-arrivant de l'usage qu'il fait des données recueillies dans le cadre du parcours d'accueil, des moyens utilisés pour obtenir les données et de la possibilité d'accéder à ses données personnelles;
6° le relevé des moyens humains ou techniques disponibles dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants.
Art. 237/1. Les données récoltées dans le cadre du bilan social sont conservées pendant trois ans.
Le centre est responsable du traitement des données des primo-arrivants au regard de l'article 1er, § 4, de la loi sur la protection de la vie privée et a l'obligation de prendre toutes les mesures techniques et organisationnelles nécessaires pour assurer la sécurité des données.
Art. 237/2. § 1er. Chaque centre crée, seul ou en partenariat avec une association sans but lucratif agréée en vertu de l'article 154/1 du Code ou un pouvoir public, un ou plusieurs bureaux d'accueil.
Les bénéficiaires se voient, lors de leur premier entretien avec un travailleur social, fixer un rendez-vous en vue de leur participation au module d'accueil.
Ils sont informés des modalités selon lesquelles l'information sur les droits et les devoirs de chaque personne résidant en Belgique leur sera dispensée.
Un dossier individuel confidentiel est ouvert au nom de chaque bénéficiaire et peut reprendre des informations relatives à sa situation familiale, professionnelle, socio-économique, de formation, de santé, de handicap et de ses conditions de logement.
Le dossier individuel contient l'ensemble des informations et documents relatifs au déroulement du parcours d'accueil du bénéficiaire.
Chaque fois que cela s'avère nécessaire, le bureau d'accueil fait appel à des interprètes afin de permettre ou de faciliter la communication avec les bénéficiaires.
§ 2. Sont dispensés au sein des bureaux d'accueil des centres :
1° le module d'accueil visé à l'article 152, alinéa 2, 1°, du Code;
2° toute information utile aux primo-arrivants, quel que soit le domaine d'activité concerné.
§ 3. Le bureau d'accueil dispense l'information sur les droits et devoirs visée à l'article 152/1, alinéa 2, 1°, du Code, de manière personnalisée, le cas échéant en recourant à un support audiovisuel ou informatique à titre complémentaire.
L'information sur les droits et devoirs porte au moins sur les thématiques suivantes : les droits et devoirs consacrés par la Constitution et par la Convention européenne des droits de l'homme ainsi que les droits et devoirs des bénéficiaires en matière de santé, de logement, de mobilité, d'emploi, de formation et d'enseignement.
Le comité de coordination propose un contenu harmonisé de chacune des thématiques précitées.
§ 4. Le bilan social visé à l'article 152/1, alinéa 2, 2°, est réalisé par un travailleur social lors d'un entretien individualisé et confidentiel.
Il est réalisé à partir des informations communiquées par le bénéficiaire, notamment à propos de sa situation familiale, professionnelle, socio-économique, relationnelle, sa formation, santé, son handicap et de ses conditions de logement.
Le bilan social permet au travailleur social d'apporter des réponses appropriées aux difficultés rencontrées par le bénéficiaire, via une orientation vers un dispositif d'aide ou de soutien approprié, via une orientation vers le dispositif de formation du parcours d'accueil ou via une aide visant à réaliser les démarches administratives.
Art. 237/3. Les entretiens d'évaluation visés à l'article 152/3, § 3, du Code portent sur :
1° l'accès du primo-arrivant aux formations;
2° le suivi des formations;
3° la motivation des absences éventuelles;
4° la modification, de commun accord, du programme de formations proposé;
5° la nécessité de prolonger la convention.
Le centre organise au moins un entretien d'évaluation par an avec chaque primo-arrivant signataire d'une convention d'accueil.
Le centre convoque le primo-arrivant à l'entretien d'évaluation par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Les opérateurs de formation du primo-arrivant fournissent au centre les renseignements nécessaires au déroulement de l'entretien d'évaluation.
Art. 237/4. L'attestation de fréquentation visée à l'article 152/3, § 4, du Code est délivrée au primo-arrivant qui a fréquenté les formations prévues dans la convention d'accueil et qui justifie d'un taux de présence d'au moins quatre-vingts pour cent, sauf absence dûment justifiée.
Les opérateurs de formation fournissent au centre les données utiles à l'établissement de l'attestation de fréquentation. L'attestation est conservée pendant dix ans.
Art. 237/5. La convention d'accueil porte sur les éléments suivants :
1° les engagements de la Région;
2° les engagements du signataire de la convention;
3° la durée de la convention;
4° le suivi de la convention;
5° le respect de la convention.
Un modèle de convention est mis à disposition par le ministre.
Art. 237/6. Les formateurs à la langue française visés à l'article 152/4, § 1er,alinéa 2, du Code possèdent, lors de leur engagement, soit :
1° un baccalauréat ou un diplôme équivalent et une spécialisation dans l'apprentissage du français ou du français langue étrangère;
2° une expérience utile en qualité de formateur en français langue étrangère de cinq ans minimum ou une validation des compétences délivrée par un organisme reconnu par la Région ou la Communauté française.
Art. 237/7. Les formateurs à la citoyenneté visés à l'article 152/5, § 1er, alinéa 2, du Code possèdent, lors de leur engagement, une validation des compétences délivrée par un organisme reconnu par la Région ou la Communauté et une expérience utile de trois années en qualité de formateur à la citoyenneté ou une formation validée par le Comité de coordination.
Art. 237/8. Les opérateurs oeuvrant dans le cadre de l'orientation socio-professionnelle doivent collaborer étroitement avec des structures ou plateformes partenariales déjà existantes, notamment le Plan de Cohésion social.
Art. 237/9. Le Comité de coordination est composé :
1° d'un représentant du ministre;
2° d'un représentant du ministre qui a l'Emploi dans ses attributions;
3° d'un représentant du ministre qui a la Formation dans ses attributions;
4° d'un représentant des centres;
5° d'un représentant de l'administration;
6° d'un représentant de l'IWEPS.
Le secrétariat du Comité de coordination est assuré par l'administration.
Le Comité peut inviter toute personne qu'il juge utile à participer à l'examen d'une question spécifique.
CHAPITRE II. - Obligations
Art. 238. § 1er. Lors de son inscription à la commune, le primo-arrivant est informé :
1° des obligations visées à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 2, du Code;
2° des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
3° du centre compétent;
4° de l'envoi d'une copie de l'attestation de fréquentation à la commune.
§ 2. Lors de son inscription, l'administration communale remet au primo-arrivant un document informatif relatif au parcours d'accueil, dans la langue comprise par le primo-arrivant, contre accusé de réception.
L'accusé de réception visé à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° les nom et prénom du primo-arrivant;
2° son numéro de registre national dans le respect de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° ses coordonnées;
4° la date de son inscription à la commune;
5° la confirmation de ce qu'il est informé des obligations visées au paragraphe 1er, 1° et des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Une fois par semaine, l'administration communale transmet au centre compétent la liste des primo-arrivants nouvellement inscrits, accompagnée de leurs accusés de réception.
§ 3. En exécution de l'article 152/7, § 3, alinéa 2, du Code, sont dispensés des obligations visées à l'article 152/7, §§ 1er et 2, alinéa 2, les ressortissants des pays tiers qui peuvent prétendre à des conditions particulières en application d'une clause de standstill contenue dans un accord d'association identique à celle qui régit les rapports entre l'Union européenne et la Turquie, entre ce pays et la Belgique ou l'Union européenne.
Art. 238/1. § 1er. Le primo-arrivant se présente au bureau d'accueil du centre compétent dans un délai de trois mois à dater de sa première inscription au registre des étrangers dans une commune de la Région de langue française, afin de s'inscrire au module d'accueil visé à l'article 152, alinéa 2, 1°, du Code.
Un mois avant l'échéance du délai de trois mois visé à l'alinéa 1er, le centre adresse au primo-arrivant un rappel des obligations visées à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 2, du Code et des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Le rappel envoyé par courrier recommandé ou par envoi électronique contient un rappel des sanctions encourues. Il mentionne les droits de recours disponibles ainsi que les termes de l'article 152/8, § 5, du Code.
L'attestation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 1er, du Code prouve que le primo-arrivant :
1° a participé au bilan social visé à l'article 152/1, alinéa 2, 2°, du Code;
2° a reçu l'information sur les droits et devoirs visée à l'article 152/1, alinéa 2, 1°, du Code.
A défaut pour le primo-arrivant d'avoir rempli les obligations visées à l'alinéa 2, le centre ne peut lui délivrer l'attestation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 1er, du Code.
CHAPITRE III. - ,Subventionnement
Art. 239. § 1er. Une subvention annuelle d'un montant global de 1.415.000 euros est accordée, conformément à l'article 152/10 du Code.
Ce montant est réparti entre les centres de la manière suivante :
- 185.000 euros pour le centre de La Louvière;
- 160.000 euros pour le centre de Mons;
- 200.000 euros pour le centre de Charleroi;
- 170.000 euros pour le centre de Namur;
- 160.000 euros pour le centre de Verviers;
- 220.000 euros pour le centre de Liège;
- 160.000 euros pour le centre de Nivelles;
- 160.000 euros pour le centre de Marche-en-Famenne.
Ces montants seront revus chaque année en fonction du nombre de dossiers traités par les centres l'année précédente.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2. Il est accordé aux centres, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Art. 239/1. Une subvention d'un montant de 250.000 euros est accordée à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code et conformément à l'article 152/11 du Code.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Il est accordé à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
CHAPITRE IV. - Sanctions
Art. 240. Les centres établissent un dossier relatif à chaque primo-arrivant qui n'a pas respecté l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Le dossier visé à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° une copie de l'accusé de réception visé à l'article 238, § 2;
2° une copie du rappel adressé au primo-arrivant en exécution de l'article 238/1, § 1er, alinéa 2.
Les centres transmettent le dossier visé à l'alinéa 1er à l'administration dans le mois de l'échéance du délai visé à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8, § 4, du Code, l'administration transmet le dossier au fonctionnaire sanctionnateur délégué dans le mois de sa réception.
Le Ministre désigne le fonctionnaire sanctionnateur.
Art. 240/1. Une amende administrative peut être infligée au primo-arrivant qui ne respecte pas :
1° l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
2° l'obligation visée à l'article 152/8, § 1, alinéa 3, du Code.
Le fonctionnaire sanctionnateur est compétent pour constater les infractions aux obligations visées à l'alinéa 1er et infliger une amende administrative au primo-arrivant contrevenant.
Lorsque le primo-arrivant contrevient à l'obligation visée à l'alinéa 1er, 1°, le fonctionnaire sanctionnateur respecte la procédure fixée par les articles 240 à 240/4.
Lorsque le primo-arrivant contrevient à l'obligation visée à l'alinéa 1er, 2°, le fonctionnaire sanctionnateur respecte la procédure fixée par les articles 240/3 et 240/4.
Le fonctionnaire sanctionnateur décide que la sanction est impossible s'il constate que la condition de l'article 152/8, § 5, du Code n'est pas rencontrée notamment l'organisation d'un module d'accueil conformément à l'article 152/1 du Code ou l'absence de proposition de convention d'accueil telle que visée à l'article 152/3, § 2.
Art. 240/2. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate, sur la base du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er, une infraction à l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code, il adresse au primo-arrivant contrevenant une mise en demeure par laquelle il le somme de se conformer à l'obligation dans les soixante jours à dater de sa notification.
La mise en demeure visée à l'alinéa 1er contient :
1° un rappel de l'obligation méconnue par le primo-arrivant;
2° un rappel des sanctions applicables en cas d'infraction à l'obligation.
Le fonctionnaire sanctionnateur adresse la mise en demeure visée à l'alinéa 1er au primo-arrivant, par courrier recommandé ou par envoi électronique, dans les trente jours de la réception du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er.
Copie de la mise en demeure visée à l'alinéa 1er est adressée au centre.
Une fois par semaine, le centre adresse à l'administration la liste des primo-arrivants n'ayant pas fait droit à la mise en demeure qui leur a été adressée en application de l'alinéa 1er.
L'administration transmet la liste au fonctionnaire sanctionnateur dans le mois de sa réception.
Art. 240/3. § 1er. Le fonctionnaire sanctionnateur informe le primo-arrivant contrevenant de son intention de lui infliger une amende administrative, par courrier recommandé ou par envoi électronique, lorsqu'il constate, sur la base du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er, et de la liste visée à l'article 240/2, alinéa 5, ou sur la base du dossier visé à l'article 240/4, alinéa 1er :
1° une infraction à l'obligation visée l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
2° une infraction à l'obligation visée à l'article 152/8, § 1er, alinéa 3, du Code.
L'envoi visé à l'alinéa 1er comprend, au moins, les mentions suivantes :
1° un rappel de l'obligation légale violée;
2° un exposé des faits constituant une infraction et donnant lieu à l'imposition d'une amende administrative;
3° le montant de l'amende administrative envisagée;
4° l'indication que l'intéressé peut, dans les quinze jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, exposer, par écrit, ses moyens de défense et demander, par écrit, à être entendu;
5° l'indication que l'intéressé peut se faire assister ou représenter par un avocat ou un défenseur de son choix;
6° l'indication de la possibilité de se faire assister par un interprète en plusieurs langues, un aperçu des langues dans lesquelles une traduction est possible et l'indication que l'intéressé peut communiquer la langue dans laquelle il souhaite être assisté.
7° une invitation à fournir tout élément à prendre en compte pour démontrer que la condition visée à l'article 152/8, § 7, du Code n'est pas remplie, notamment l'absence de convocation ou le défaut d'organisation du module d'accueil visé à l'article 152/1 du Code dans les délais requis, le défaut d'organisation du module d'accueil visé à l'article 152/1 du Code dans le ressort territorial du centre régional d'intégration duquel dépend le primo-arrivant, le défaut d'offre d'interprétariat.
Le cas échéant, le fonctionnaire sanctionnateur informe le primo-arrivant de la date de son audition, par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'audition est fixée dans les trente jours de la réception de la demande écrite d'audition du primo-arrivant.
§ 2. Le fonctionnaire sanctionnateur notifie sa décision d'infliger une sanction administrative au primo-arrivant par courrier recommandé ou par envoi électronique :
1° dans un délai de quinze jours à compter de l'audition visée au paragraphe 1er, alinéa 3, ou de la réception de ses moyens de défense visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°;
2° dans un délai de trente jours à compter de la notification du courrier visé à l'alinéa 1er, si le primo-arrivant ne fait pas valoir de moyens de défense ou ne demande pas à être auditionné.
§ 3. La décision d'imposer une amende administrative visée à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° l'obligation légale que l'intéressé omet de respecter;
2° la constatation des faits menant à l'imposition de l'amende administrative;
3° le montant de l'amende administrative imposée;
4° la motivation de la décision;
5° le délai dans lequel l'amende administrative est acquittée;
6° les voies de recours ouvertes à l'encontre de la décision, visées à l'article 152/8, § 6, du Code;
7° l'éventuelle référence au rapport d'audition ou aux moyens de défense du primo-arrivant;
8° l'indication de l'obligation visée à l'article 152/8, § 1er, alinéa3, du Code.
§ 4. Une copie de la décision visée au paragraphe 2 est adressée au centre.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8 § 4du Code, une copie de la décision visée au paragraphe 2 est adressée à l'administration.
Art. 240/4. Les centres établissent un dossier relatif à chaque primo-arrivant qui n'a pas respecté l'obligation visée à l'article 152/7, § 1er, alinéa1er, du Code.
Le dossier visé à l'alinéa 1er contient, au minimum, une copie de la dernière décision visée à article 239/1, § 2, alinéa 1er, infligée au primo-arrivant contrevenant.
Les centres transmettent le dossier visé à l'alinéa 1er à l'administration dans un délai d'un mois à dater de l'échéance du délai de trois mois visé à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, du Code.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8, § 4, du Code, l'administration transmet le dossier visé à l'alinéa 1er au fonctionnaire sanctionnateur dans le mois de sa réception.
Les amendes administratives visées aux paragraphes 1er et 2 sont payées dans les trente jours de la notification de la décision visée à l'article 240/3, § 2, alinéa 1er.
Titre III. - Les centres régionaux pour l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère
CHAPITRE Ier. - Ressorts territoriaux
Art. 241. Le ressort des centres visés à l'article 153 du Code est le suivant :
1° centre de La Louvière : les communes d'Anderlues, Binche, Braine-le-Comte, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Enghien, Estinnes, La Louvière, Lessines, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Soignies, Merbes-le-Château, Erquelinnes, Estaimpuis, Pecq, Celles, Flobecq, Frasnes-lez-Anvaing, Comines-Warneton, Mouscron, Mont-de-l'Enclus, Elezelles;
2° centre de Mons : les communes de Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbise, Lens, Mons, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain, Tournai, Ath, Brugelette, Bernissart, Beloeil, Chièvres, Leuze-en-Hainaut, Péruwelz, Antoing, Brunehaut, Rumes;
3° centre de Charleroi : les communes de la province du Hainaut, à l'exception de celles visées au 1° et 2°;
4° centre de Namur : les communes de la province de Namur;
5° centre de Verviers : les communes d'Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmedy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt;
6° centre de Liège : les communes de la province de Liège, à l'exception des communes de la région de langue allemande et de celles visées au 5°;
7° centre de Nivelles : les communes de la province du Brabant wallon;
8° centre de Marche-en-Famenne : les communes de la province du Luxembourg.
CHAPITRE II. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 242. La personne chargée de la direction et de la gestion journalière, notamment de la supervision de la gestion administrative et financière, possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de master ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins trois ans dans la gestion administrative et financière d'une asbl ainsi qu'une expérience utile dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
2° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans la gestion administrative et financière d'une ASBL ainsi qu'une expérience utile dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère.
A défaut de candidatures rencontrant l'expérience utile reprise aux 1° et 2°, l'autorité administrative peut désigner une personne ne remplissant cette condition. Dans ce cas, la décision sera spécialement motivée par les circonstances.
La personne chargée de la gestion administrative et financière possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent en comptabilité ou en secrétariat de direction;
2° soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile.
La personne chargée de la coordination des projets possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent;
2° soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile.
Le responsable du projet possède, au moins, lors de son engagement :
1° un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent;
2° un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Section 2. : Procédure d'octroi et de retrait
Art. 242/1. Outre les éléments visés à l'article 153/5 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions du centre;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration du centre.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 242/2. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 242/1.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 242/3. Lors d'une première demande d'agrément, les centres agréés conformément à l'article 153/1 du Code,
disposent d'un délai de 6 mois, à dater de la notification de l'agrément, pour constituer l'équipe de base visée à l'article 153/3 du Code et pour disposer des locaux visés à l'article 153/4 du Code.
Passé ce délai, l'agrément est retiré conformément à l'article 153/6 du Code.
Art. 243. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, après avis de la Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère visée à l'article 25 du Code, lorsqu'il est constaté que le centre ne respecte pas les dispositions du Code ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsque le centre ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'avertissement mentionne les griefs formulés et donne au centre un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE III. - Subventionnement
Art. 244. § 1er. Pour le calcul de la subvention relative à la rétribution du personnel de l'équipe de base visée à l'article 153/3 du Code, l'ancienneté pécuniaire est prise en compte selon les règles suivantes :
1° sont admissibles pour l'octroi des augmentations intercalaires, les services effectifs considérés comme expérience professionnelle utile que le personnel a accomplis auprès des services publics ou des services agréés ou subventionnés par la Région wallonne, la Communauté française ou l'Etat fédéral;
2° les services admissibles qui couvrent des fractions de mois sont totalisés en année. Les fractions de mois totalisant des périodes de trente jours sont valorisées dans l'ancienneté pécuniaire, à concurrence d'un mois par période de trente jours;
3° les anciennetés sont prises en considération sur la base de documents certifiés exacts reprenant notamment le nom et la date de naissance de l'employé, le nom des employeurs, l'objet du service et la nature de l'emploi, le statut, le nombre d'heures de prestations et le régime horaire.
A l'alinéa 1er, 1°, l'administration peut également admettre les services effectifs accomplis auprès des services agréés ou subventionnés par d'autres autorités publiques.
Les documents sont produits par le centre au plus tard dans le mois qui suit l'engagement de la personne.
Les services effectifs visés à l'alinéa 1er, 1°, sont ceux qui sont considérés comme tels pour les agents de la Région.
Lorsque le personnel du centre est mis à sa disposition par un pouvoir public, la pièce justifiant les subventions est constituée de la déclaration de créance émanant du pouvoir public concerné, de la copie des fiches de salaire de l'agent concerné et de la copie de la convention de mise à disposition passée entre le pouvoir public et le centre.
§ 2. Les échelles de traitement prises en compte sont celles de la commission paritaire 329.02.
§ 3. La subvention relative au cofinancement de la rémunération des responsables de projets visés à l'article 153/7, 2° du Code, correspond au montant nécessaire pour assurer le complément de moyens pour des postes bénéficiant d'au moins six points Aide à la Promotion de l'Emploi.
§ 4. La subvention relative à la rétribution du personnel visée à l'article 153/7 du Code est majorée du montant nécessaire à l'octroi des avantages accordés dans le cade des accords du non-marchand.
Art. 245. Une subvention forfaitaire annuelle de 27.500 euros est allouée à chaque centre pour couvrir les frais de fonctionnement et d'activités.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Dans les frais de fonctionnement peuvent être valorisés les intérêts bancaires supportés à partir du 1er janvier de l'année subventionnée jusqu'au paiement effectif de l'avance visée à l'article 246 et relatifs aux ouvertures de crédit contractées auprès d'organismes bancaires pour préfinancer les actions entreprises et subventionnées dans l'attente de l'octroi des subsides.
Art. 246. § 1er. Il est accordé aux centres, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
§ 2. Durant sa première année de subvention, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt cinq pour cent du montant forfaitaire de 27.500 euros est accordée au centre agréé.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Art. 247. Le Comité d'accompagnement visé à l'article 153/9 du Code est composé de :
1° un représentant du ministre;
2° un représentant de chaque centre;
3° un représentant de l'administration.
Le secrétariat est assuré par l'administration.
Titre IV. - Les initiatives locales d'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère
CHAPITRE Ier. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 248. La personne visée à l'article 154/1, 3° du Code possède au moins, lors de son engagement, un des diplômes et l'expérience suivants :
1° un baccalauréat ou l'équivalent;
2° un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Art. 249. Outre les éléments visés à l'article 154/2 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions de l'association;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration de l'association.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Section 2. - Procédure
Art. 250. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 249.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 250/1. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, lorsqu'il est constaté que l'association sans but lucratif agréée ne respecte pas les dispositions du Code décrétal ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsqu'elle ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. Cet avertissement mentionne les griefs formulés et donne à l'association sans but lucratif agréée un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE II. - Subventionnement
Art. 251. § 1er. Une subvention annuelle peut être accordée, conformément à l'article 154/4 du Code, à titre d'intervention dans les frais de personnel, de gestion et d'activités.
Le montant de la subvention est notamment déterminé en fonction du type, du volume, du nombre de bénéficiaires, de l'évaluation de l'activité développée et de la qualification du personnel.
§ 2. Pour les associations agréées conformément aux articles 154/1 et suivants du Code, le montant de la subvention visée au paragraphe 1er est de 15.000, 20.000, 25.000 ou 30.000 euros, indexé, en fonction des critères fixés à l'article 154/4, alinéa 3 du Code.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 3. Il est accordé aux associations subventionnées, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Titre V. - L'interprétariat en milieu social
CHAPITRE Ier. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 252. Le personnel de l'organisme d'interprétariat en milieu social est composé au minimum de :
1° une personne à temps plein chargée de la direction et de la gestion journalière, notamment de la supervision de la gestion administrative et financière, qui possède au moins, lors de son engagement :
a) soit un diplôme de master ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins trois ans dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
b) soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
2° un équivalent temps plein chargé de la gestion administrative et financière qui possède au moins, lors de son engagement :
a) soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent en comptabilité ou en secrétariat de direction;
b) soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° seize interprètes équivalents temps plein qui possèdent au moins, lors de leur engagement :
a) soit un baccalauréat ou l'équivalent;
b) soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
c) soit un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Art. 253. Outre les éléments visés à l'article 155/3 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions de l'association;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration de l'association.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Section 2. - Procédure
Art. 254. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 253.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 254/1. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, lorsqu'il est constaté que l'organisme d'interprétariat en milieu social ne respecte pas les dispositions du Code décrétal ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsqu'il ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'avertissement mentionne les griefs formulés et donne à l'organisme d'interprétariat en milieu social un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE II. - Subventionnement
Art. 255. Une subvention annuelle indexée de 300.000 euros est accordée, conformément à l'article 155/6 du Code, à titre d'intervention dans les frais de personnel, de gestion et d'activités.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Il est accordé à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses. "
" Livre III. - Intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère
Titre Ier. - Dispositions générales
Art. 236. Au sens du présent arrêté, il faut entendre par :
1° le ministre : le ministre ayant la politique de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère dans ses attributions;
2° l'administration : le Département de l'Action sociale de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé;
3° parcours d'accueil : le parcours d'accueil visé à l'article 152 du Code;
4° comité de coordination : le comité de coordination visé à l'article 152/9 du Code.
Titre II. - Le parcours d'accueil
CHAPITRE Ier. - Organisation
Art. 237. Les centres concluent avec chaque commune de leur ressort territorial une convention de partenariat portant sur les modalités de leur collaboration dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants.
La convention contient au minimum :
1° l'engagement de la commune d'informer le primo-arrivant sur l'existence du parcours d'accueil via la remise d'un document d'information et de l'orienter vers le bureau d'accueil du centre compétent;
2° l'engagement du centre de fournir à la commune le document d'information sur le parcours d'accueil à remettre au primo-arrivant, ainsi que toute information ou document utile dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants;
3° l'engagement de la commune de transmettre au centre un relevé hebdomadaire des primo-arrivants nouvellement inscrits dans les registres communaux;
4° l'engagement du centre de respecter les dispositions de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
5° l'engagement du centre d'informer le primo-arrivant de l'usage qu'il fait des données recueillies dans le cadre du parcours d'accueil, des moyens utilisés pour obtenir les données et de la possibilité d'accéder à ses données personnelles;
6° le relevé des moyens humains ou techniques disponibles dans le cadre de l'accueil des primo-arrivants.
Art. 237/1. Les données récoltées dans le cadre du bilan social sont conservées pendant trois ans.
Le centre est responsable du traitement des données des primo-arrivants au regard de l'article 1er, § 4, de la loi sur la protection de la vie privée et a l'obligation de prendre toutes les mesures techniques et organisationnelles nécessaires pour assurer la sécurité des données.
Art. 237/2. § 1er. Chaque centre crée, seul ou en partenariat avec une association sans but lucratif agréée en vertu de l'article 154/1 du Code ou un pouvoir public, un ou plusieurs bureaux d'accueil.
Les bénéficiaires se voient, lors de leur premier entretien avec un travailleur social, fixer un rendez-vous en vue de leur participation au module d'accueil.
Ils sont informés des modalités selon lesquelles l'information sur les droits et les devoirs de chaque personne résidant en Belgique leur sera dispensée.
Un dossier individuel confidentiel est ouvert au nom de chaque bénéficiaire et peut reprendre des informations relatives à sa situation familiale, professionnelle, socio-économique, de formation, de santé, de handicap et de ses conditions de logement.
Le dossier individuel contient l'ensemble des informations et documents relatifs au déroulement du parcours d'accueil du bénéficiaire.
Chaque fois que cela s'avère nécessaire, le bureau d'accueil fait appel à des interprètes afin de permettre ou de faciliter la communication avec les bénéficiaires.
§ 2. Sont dispensés au sein des bureaux d'accueil des centres :
1° le module d'accueil visé à l'article 152, alinéa 2, 1°, du Code;
2° toute information utile aux primo-arrivants, quel que soit le domaine d'activité concerné.
§ 3. Le bureau d'accueil dispense l'information sur les droits et devoirs visée à l'article 152/1, alinéa 2, 1°, du Code, de manière personnalisée, le cas échéant en recourant à un support audiovisuel ou informatique à titre complémentaire.
L'information sur les droits et devoirs porte au moins sur les thématiques suivantes : les droits et devoirs consacrés par la Constitution et par la Convention européenne des droits de l'homme ainsi que les droits et devoirs des bénéficiaires en matière de santé, de logement, de mobilité, d'emploi, de formation et d'enseignement.
Le comité de coordination propose un contenu harmonisé de chacune des thématiques précitées.
§ 4. Le bilan social visé à l'article 152/1, alinéa 2, 2°, est réalisé par un travailleur social lors d'un entretien individualisé et confidentiel.
Il est réalisé à partir des informations communiquées par le bénéficiaire, notamment à propos de sa situation familiale, professionnelle, socio-économique, relationnelle, sa formation, santé, son handicap et de ses conditions de logement.
Le bilan social permet au travailleur social d'apporter des réponses appropriées aux difficultés rencontrées par le bénéficiaire, via une orientation vers un dispositif d'aide ou de soutien approprié, via une orientation vers le dispositif de formation du parcours d'accueil ou via une aide visant à réaliser les démarches administratives.
Art. 237/3. Les entretiens d'évaluation visés à l'article 152/3, § 3, du Code portent sur :
1° l'accès du primo-arrivant aux formations;
2° le suivi des formations;
3° la motivation des absences éventuelles;
4° la modification, de commun accord, du programme de formations proposé;
5° la nécessité de prolonger la convention.
Le centre organise au moins un entretien d'évaluation par an avec chaque primo-arrivant signataire d'une convention d'accueil.
Le centre convoque le primo-arrivant à l'entretien d'évaluation par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Les opérateurs de formation du primo-arrivant fournissent au centre les renseignements nécessaires au déroulement de l'entretien d'évaluation.
Art. 237/4. L'attestation de fréquentation visée à l'article 152/3, § 4, du Code est délivrée au primo-arrivant qui a fréquenté les formations prévues dans la convention d'accueil et qui justifie d'un taux de présence d'au moins quatre-vingts pour cent, sauf absence dûment justifiée.
Les opérateurs de formation fournissent au centre les données utiles à l'établissement de l'attestation de fréquentation. L'attestation est conservée pendant dix ans.
Art. 237/5. La convention d'accueil porte sur les éléments suivants :
1° les engagements de la Région;
2° les engagements du signataire de la convention;
3° la durée de la convention;
4° le suivi de la convention;
5° le respect de la convention.
Un modèle de convention est mis à disposition par le ministre.
Art. 237/6. Les formateurs à la langue française visés à l'article 152/4, § 1er,alinéa 2, du Code possèdent, lors de leur engagement, soit :
1° un baccalauréat ou un diplôme équivalent et une spécialisation dans l'apprentissage du français ou du français langue étrangère;
2° une expérience utile en qualité de formateur en français langue étrangère de cinq ans minimum ou une validation des compétences délivrée par un organisme reconnu par la Région ou la Communauté française.
Art. 237/7. Les formateurs à la citoyenneté visés à l'article 152/5, § 1er, alinéa 2, du Code possèdent, lors de leur engagement, une validation des compétences délivrée par un organisme reconnu par la Région ou la Communauté et une expérience utile de trois années en qualité de formateur à la citoyenneté ou une formation validée par le Comité de coordination.
Art. 237/8. Les opérateurs oeuvrant dans le cadre de l'orientation socio-professionnelle doivent collaborer étroitement avec des structures ou plateformes partenariales déjà existantes, notamment le Plan de Cohésion social.
Art. 237/9. Le Comité de coordination est composé :
1° d'un représentant du ministre;
2° d'un représentant du ministre qui a l'Emploi dans ses attributions;
3° d'un représentant du ministre qui a la Formation dans ses attributions;
4° d'un représentant des centres;
5° d'un représentant de l'administration;
6° d'un représentant de l'IWEPS.
Le secrétariat du Comité de coordination est assuré par l'administration.
Le Comité peut inviter toute personne qu'il juge utile à participer à l'examen d'une question spécifique.
CHAPITRE II. - Obligations
Art. 238. § 1er. Lors de son inscription à la commune, le primo-arrivant est informé :
1° des obligations visées à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 2, du Code;
2° des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
3° du centre compétent;
4° de l'envoi d'une copie de l'attestation de fréquentation à la commune.
§ 2. Lors de son inscription, l'administration communale remet au primo-arrivant un document informatif relatif au parcours d'accueil, dans la langue comprise par le primo-arrivant, contre accusé de réception.
L'accusé de réception visé à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° les nom et prénom du primo-arrivant;
2° son numéro de registre national dans le respect de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° ses coordonnées;
4° la date de son inscription à la commune;
5° la confirmation de ce qu'il est informé des obligations visées au paragraphe 1er, 1° et des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Une fois par semaine, l'administration communale transmet au centre compétent la liste des primo-arrivants nouvellement inscrits, accompagnée de leurs accusés de réception.
§ 3. En exécution de l'article 152/7, § 3, alinéa 2, du Code, sont dispensés des obligations visées à l'article 152/7, §§ 1er et 2, alinéa 2, les ressortissants des pays tiers qui peuvent prétendre à des conditions particulières en application d'une clause de standstill contenue dans un accord d'association identique à celle qui régit les rapports entre l'Union européenne et la Turquie, entre ce pays et la Belgique ou l'Union européenne.
Art. 238/1. § 1er. Le primo-arrivant se présente au bureau d'accueil du centre compétent dans un délai de trois mois à dater de sa première inscription au registre des étrangers dans une commune de la Région de langue française, afin de s'inscrire au module d'accueil visé à l'article 152, alinéa 2, 1°, du Code.
Un mois avant l'échéance du délai de trois mois visé à l'alinéa 1er, le centre adresse au primo-arrivant un rappel des obligations visées à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 2, du Code et des sanctions applicables en cas de méconnaissance de l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Le rappel envoyé par courrier recommandé ou par envoi électronique contient un rappel des sanctions encourues. Il mentionne les droits de recours disponibles ainsi que les termes de l'article 152/8, § 5, du Code.
L'attestation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 1er, du Code prouve que le primo-arrivant :
1° a participé au bilan social visé à l'article 152/1, alinéa 2, 2°, du Code;
2° a reçu l'information sur les droits et devoirs visée à l'article 152/1, alinéa 2, 1°, du Code.
A défaut pour le primo-arrivant d'avoir rempli les obligations visées à l'alinéa 2, le centre ne peut lui délivrer l'attestation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 1er, du Code.
CHAPITRE III. - ,Subventionnement
Art. 239. § 1er. Une subvention annuelle d'un montant global de 1.415.000 euros est accordée, conformément à l'article 152/10 du Code.
Ce montant est réparti entre les centres de la manière suivante :
- 185.000 euros pour le centre de La Louvière;
- 160.000 euros pour le centre de Mons;
- 200.000 euros pour le centre de Charleroi;
- 170.000 euros pour le centre de Namur;
- 160.000 euros pour le centre de Verviers;
- 220.000 euros pour le centre de Liège;
- 160.000 euros pour le centre de Nivelles;
- 160.000 euros pour le centre de Marche-en-Famenne.
Ces montants seront revus chaque année en fonction du nombre de dossiers traités par les centres l'année précédente.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2. Il est accordé aux centres, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Art. 239/1. Une subvention d'un montant de 250.000 euros est accordée à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code et conformément à l'article 152/11 du Code.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Il est accordé à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
CHAPITRE IV. - Sanctions
Art. 240. Les centres établissent un dossier relatif à chaque primo-arrivant qui n'a pas respecté l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
Le dossier visé à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° une copie de l'accusé de réception visé à l'article 238, § 2;
2° une copie du rappel adressé au primo-arrivant en exécution de l'article 238/1, § 1er, alinéa 2.
Les centres transmettent le dossier visé à l'alinéa 1er à l'administration dans le mois de l'échéance du délai visé à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8, § 4, du Code, l'administration transmet le dossier au fonctionnaire sanctionnateur délégué dans le mois de sa réception.
Le Ministre désigne le fonctionnaire sanctionnateur.
Art. 240/1. Une amende administrative peut être infligée au primo-arrivant qui ne respecte pas :
1° l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
2° l'obligation visée à l'article 152/8, § 1, alinéa 3, du Code.
Le fonctionnaire sanctionnateur est compétent pour constater les infractions aux obligations visées à l'alinéa 1er et infliger une amende administrative au primo-arrivant contrevenant.
Lorsque le primo-arrivant contrevient à l'obligation visée à l'alinéa 1er, 1°, le fonctionnaire sanctionnateur respecte la procédure fixée par les articles 240 à 240/4.
Lorsque le primo-arrivant contrevient à l'obligation visée à l'alinéa 1er, 2°, le fonctionnaire sanctionnateur respecte la procédure fixée par les articles 240/3 et 240/4.
Le fonctionnaire sanctionnateur décide que la sanction est impossible s'il constate que la condition de l'article 152/8, § 5, du Code n'est pas rencontrée notamment l'organisation d'un module d'accueil conformément à l'article 152/1 du Code ou l'absence de proposition de convention d'accueil telle que visée à l'article 152/3, § 2.
Art. 240/2. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate, sur la base du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er, une infraction à l'obligation visée à l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code, il adresse au primo-arrivant contrevenant une mise en demeure par laquelle il le somme de se conformer à l'obligation dans les soixante jours à dater de sa notification.
La mise en demeure visée à l'alinéa 1er contient :
1° un rappel de l'obligation méconnue par le primo-arrivant;
2° un rappel des sanctions applicables en cas d'infraction à l'obligation.
Le fonctionnaire sanctionnateur adresse la mise en demeure visée à l'alinéa 1er au primo-arrivant, par courrier recommandé ou par envoi électronique, dans les trente jours de la réception du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er.
Copie de la mise en demeure visée à l'alinéa 1er est adressée au centre.
Une fois par semaine, le centre adresse à l'administration la liste des primo-arrivants n'ayant pas fait droit à la mise en demeure qui leur a été adressée en application de l'alinéa 1er.
L'administration transmet la liste au fonctionnaire sanctionnateur dans le mois de sa réception.
Art. 240/3. § 1er. Le fonctionnaire sanctionnateur informe le primo-arrivant contrevenant de son intention de lui infliger une amende administrative, par courrier recommandé ou par envoi électronique, lorsqu'il constate, sur la base du dossier visé à l'article 240, alinéa 1er, et de la liste visée à l'article 240/2, alinéa 5, ou sur la base du dossier visé à l'article 240/4, alinéa 1er :
1° une infraction à l'obligation visée l'article 152/7, § 2, alinéa 2, du Code;
2° une infraction à l'obligation visée à l'article 152/8, § 1er, alinéa 3, du Code.
L'envoi visé à l'alinéa 1er comprend, au moins, les mentions suivantes :
1° un rappel de l'obligation légale violée;
2° un exposé des faits constituant une infraction et donnant lieu à l'imposition d'une amende administrative;
3° le montant de l'amende administrative envisagée;
4° l'indication que l'intéressé peut, dans les quinze jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, exposer, par écrit, ses moyens de défense et demander, par écrit, à être entendu;
5° l'indication que l'intéressé peut se faire assister ou représenter par un avocat ou un défenseur de son choix;
6° l'indication de la possibilité de se faire assister par un interprète en plusieurs langues, un aperçu des langues dans lesquelles une traduction est possible et l'indication que l'intéressé peut communiquer la langue dans laquelle il souhaite être assisté.
7° une invitation à fournir tout élément à prendre en compte pour démontrer que la condition visée à l'article 152/8, § 7, du Code n'est pas remplie, notamment l'absence de convocation ou le défaut d'organisation du module d'accueil visé à l'article 152/1 du Code dans les délais requis, le défaut d'organisation du module d'accueil visé à l'article 152/1 du Code dans le ressort territorial du centre régional d'intégration duquel dépend le primo-arrivant, le défaut d'offre d'interprétariat.
Le cas échéant, le fonctionnaire sanctionnateur informe le primo-arrivant de la date de son audition, par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'audition est fixée dans les trente jours de la réception de la demande écrite d'audition du primo-arrivant.
§ 2. Le fonctionnaire sanctionnateur notifie sa décision d'infliger une sanction administrative au primo-arrivant par courrier recommandé ou par envoi électronique :
1° dans un délai de quinze jours à compter de l'audition visée au paragraphe 1er, alinéa 3, ou de la réception de ses moyens de défense visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°;
2° dans un délai de trente jours à compter de la notification du courrier visé à l'alinéa 1er, si le primo-arrivant ne fait pas valoir de moyens de défense ou ne demande pas à être auditionné.
§ 3. La décision d'imposer une amende administrative visée à l'alinéa 1er contient, au minimum :
1° l'obligation légale que l'intéressé omet de respecter;
2° la constatation des faits menant à l'imposition de l'amende administrative;
3° le montant de l'amende administrative imposée;
4° la motivation de la décision;
5° le délai dans lequel l'amende administrative est acquittée;
6° les voies de recours ouvertes à l'encontre de la décision, visées à l'article 152/8, § 6, du Code;
7° l'éventuelle référence au rapport d'audition ou aux moyens de défense du primo-arrivant;
8° l'indication de l'obligation visée à l'article 152/8, § 1er, alinéa3, du Code.
§ 4. Une copie de la décision visée au paragraphe 2 est adressée au centre.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8 § 4du Code, une copie de la décision visée au paragraphe 2 est adressée à l'administration.
Art. 240/4. Les centres établissent un dossier relatif à chaque primo-arrivant qui n'a pas respecté l'obligation visée à l'article 152/7, § 1er, alinéa1er, du Code.
Le dossier visé à l'alinéa 1er contient, au minimum, une copie de la dernière décision visée à article 239/1, § 2, alinéa 1er, infligée au primo-arrivant contrevenant.
Les centres transmettent le dossier visé à l'alinéa 1er à l'administration dans un délai d'un mois à dater de l'échéance du délai de trois mois visé à l'article 152/7, § 1er, alinéa 1er, du Code.
En cas de délégation, conformément à l'article 152/8, § 4, du Code, l'administration transmet le dossier visé à l'alinéa 1er au fonctionnaire sanctionnateur dans le mois de sa réception.
Les amendes administratives visées aux paragraphes 1er et 2 sont payées dans les trente jours de la notification de la décision visée à l'article 240/3, § 2, alinéa 1er.
Titre III. - Les centres régionaux pour l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère
CHAPITRE Ier. - Ressorts territoriaux
Art. 241. Le ressort des centres visés à l'article 153 du Code est le suivant :
1° centre de La Louvière : les communes d'Anderlues, Binche, Braine-le-Comte, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Enghien, Estinnes, La Louvière, Lessines, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Soignies, Merbes-le-Château, Erquelinnes, Estaimpuis, Pecq, Celles, Flobecq, Frasnes-lez-Anvaing, Comines-Warneton, Mouscron, Mont-de-l'Enclus, Elezelles;
2° centre de Mons : les communes de Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbise, Lens, Mons, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain, Tournai, Ath, Brugelette, Bernissart, Beloeil, Chièvres, Leuze-en-Hainaut, Péruwelz, Antoing, Brunehaut, Rumes;
3° centre de Charleroi : les communes de la province du Hainaut, à l'exception de celles visées au 1° et 2°;
4° centre de Namur : les communes de la province de Namur;
5° centre de Verviers : les communes d'Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmedy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt;
6° centre de Liège : les communes de la province de Liège, à l'exception des communes de la région de langue allemande et de celles visées au 5°;
7° centre de Nivelles : les communes de la province du Brabant wallon;
8° centre de Marche-en-Famenne : les communes de la province du Luxembourg.
CHAPITRE II. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 242. La personne chargée de la direction et de la gestion journalière, notamment de la supervision de la gestion administrative et financière, possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de master ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins trois ans dans la gestion administrative et financière d'une asbl ainsi qu'une expérience utile dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
2° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans la gestion administrative et financière d'une ASBL ainsi qu'une expérience utile dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère.
A défaut de candidatures rencontrant l'expérience utile reprise aux 1° et 2°, l'autorité administrative peut désigner une personne ne remplissant cette condition. Dans ce cas, la décision sera spécialement motivée par les circonstances.
La personne chargée de la gestion administrative et financière possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent en comptabilité ou en secrétariat de direction;
2° soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile.
La personne chargée de la coordination des projets possède, au moins, lors de son engagement :
1° soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent;
2° soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile.
Le responsable du projet possède, au moins, lors de son engagement :
1° un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent;
2° un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Section 2. : Procédure d'octroi et de retrait
Art. 242/1. Outre les éléments visés à l'article 153/5 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions du centre;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration du centre.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 242/2. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 242/1.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 242/3. Lors d'une première demande d'agrément, les centres agréés conformément à l'article 153/1 du Code,
disposent d'un délai de 6 mois, à dater de la notification de l'agrément, pour constituer l'équipe de base visée à l'article 153/3 du Code et pour disposer des locaux visés à l'article 153/4 du Code.
Passé ce délai, l'agrément est retiré conformément à l'article 153/6 du Code.
Art. 243. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, après avis de la Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère visée à l'article 25 du Code, lorsqu'il est constaté que le centre ne respecte pas les dispositions du Code ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsque le centre ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'avertissement mentionne les griefs formulés et donne au centre un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE III. - Subventionnement
Art. 244. § 1er. Pour le calcul de la subvention relative à la rétribution du personnel de l'équipe de base visée à l'article 153/3 du Code, l'ancienneté pécuniaire est prise en compte selon les règles suivantes :
1° sont admissibles pour l'octroi des augmentations intercalaires, les services effectifs considérés comme expérience professionnelle utile que le personnel a accomplis auprès des services publics ou des services agréés ou subventionnés par la Région wallonne, la Communauté française ou l'Etat fédéral;
2° les services admissibles qui couvrent des fractions de mois sont totalisés en année. Les fractions de mois totalisant des périodes de trente jours sont valorisées dans l'ancienneté pécuniaire, à concurrence d'un mois par période de trente jours;
3° les anciennetés sont prises en considération sur la base de documents certifiés exacts reprenant notamment le nom et la date de naissance de l'employé, le nom des employeurs, l'objet du service et la nature de l'emploi, le statut, le nombre d'heures de prestations et le régime horaire.
A l'alinéa 1er, 1°, l'administration peut également admettre les services effectifs accomplis auprès des services agréés ou subventionnés par d'autres autorités publiques.
Les documents sont produits par le centre au plus tard dans le mois qui suit l'engagement de la personne.
Les services effectifs visés à l'alinéa 1er, 1°, sont ceux qui sont considérés comme tels pour les agents de la Région.
Lorsque le personnel du centre est mis à sa disposition par un pouvoir public, la pièce justifiant les subventions est constituée de la déclaration de créance émanant du pouvoir public concerné, de la copie des fiches de salaire de l'agent concerné et de la copie de la convention de mise à disposition passée entre le pouvoir public et le centre.
§ 2. Les échelles de traitement prises en compte sont celles de la commission paritaire 329.02.
§ 3. La subvention relative au cofinancement de la rémunération des responsables de projets visés à l'article 153/7, 2° du Code, correspond au montant nécessaire pour assurer le complément de moyens pour des postes bénéficiant d'au moins six points Aide à la Promotion de l'Emploi.
§ 4. La subvention relative à la rétribution du personnel visée à l'article 153/7 du Code est majorée du montant nécessaire à l'octroi des avantages accordés dans le cade des accords du non-marchand.
Art. 245. Une subvention forfaitaire annuelle de 27.500 euros est allouée à chaque centre pour couvrir les frais de fonctionnement et d'activités.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Dans les frais de fonctionnement peuvent être valorisés les intérêts bancaires supportés à partir du 1er janvier de l'année subventionnée jusqu'au paiement effectif de l'avance visée à l'article 246 et relatifs aux ouvertures de crédit contractées auprès d'organismes bancaires pour préfinancer les actions entreprises et subventionnées dans l'attente de l'octroi des subsides.
Art. 246. § 1er. Il est accordé aux centres, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
§ 2. Durant sa première année de subvention, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt cinq pour cent du montant forfaitaire de 27.500 euros est accordée au centre agréé.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Art. 247. Le Comité d'accompagnement visé à l'article 153/9 du Code est composé de :
1° un représentant du ministre;
2° un représentant de chaque centre;
3° un représentant de l'administration.
Le secrétariat est assuré par l'administration.
Titre IV. - Les initiatives locales d'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère
CHAPITRE Ier. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 248. La personne visée à l'article 154/1, 3° du Code possède au moins, lors de son engagement, un des diplômes et l'expérience suivants :
1° un baccalauréat ou l'équivalent;
2° un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Art. 249. Outre les éléments visés à l'article 154/2 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions de l'association;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration de l'association.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Section 2. - Procédure
Art. 250. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 249.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 250/1. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, lorsqu'il est constaté que l'association sans but lucratif agréée ne respecte pas les dispositions du Code décrétal ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsqu'elle ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. Cet avertissement mentionne les griefs formulés et donne à l'association sans but lucratif agréée un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE II. - Subventionnement
Art. 251. § 1er. Une subvention annuelle peut être accordée, conformément à l'article 154/4 du Code, à titre d'intervention dans les frais de personnel, de gestion et d'activités.
Le montant de la subvention est notamment déterminé en fonction du type, du volume, du nombre de bénéficiaires, de l'évaluation de l'activité développée et de la qualification du personnel.
§ 2. Pour les associations agréées conformément aux articles 154/1 et suivants du Code, le montant de la subvention visée au paragraphe 1er est de 15.000, 20.000, 25.000 ou 30.000 euros, indexé, en fonction des critères fixés à l'article 154/4, alinéa 3 du Code.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 3. Il est accordé aux associations subventionnées, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses.
Titre V. - L'interprétariat en milieu social
CHAPITRE Ier. - Agrément
Section 1re. - Conditions
Art. 252. Le personnel de l'organisme d'interprétariat en milieu social est composé au minimum de :
1° une personne à temps plein chargée de la direction et de la gestion journalière, notamment de la supervision de la gestion administrative et financière, qui possède au moins, lors de son engagement :
a) soit un diplôme de master ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins trois ans dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
b) soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent et une expérience professionnelle utile d'au moins cinq ans dans le secteur de l'intégration des personnes étrangères et d'origine étrangère;
2° un équivalent temps plein chargé de la gestion administrative et financière qui possède au moins, lors de son engagement :
a) soit un diplôme de baccalauréat ou l'équivalent en comptabilité ou en secrétariat de direction;
b) soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
3° seize interprètes équivalents temps plein qui possèdent au moins, lors de leur engagement :
a) soit un baccalauréat ou l'équivalent;
b) soit un certificat d'études secondaires supérieures ou l'équivalent et trois ans d'expérience professionnelle utile;
c) soit un certificat d'études secondaires inférieures et six ans d'expérience professionnelle utile.
Art. 253. Outre les éléments visés à l'article 155/3 du Code, le dossier de demande d'agrément comprend :
1° le règlement d'ordre intérieur;
2° le budget, les comptes et le bilan;
3° la délibération du pouvoir organisateur décidant d'introduire la demande d'agrément;
4° les copies des diplômes, la qualification et le curriculum vitae des membres du personnel, ainsi que la mention de leur statut;
5° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en oeuvre des missions de l'association;
6° une délibération du conseil d'administration établissant les modalités de mise en place des organes de gestion et d'administration de l'association.
La demande d'agrément est adressée à l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Section 2. - Procédure
Art. 254. Le ministre statue sur la demande d'agrément dans les trois mois de la réception du dossier complet, tel que défini à l'article 253.
Si le dossier n'est pas complet, l'administration en avise le demandeur dans le mois de sa réception.
Le Ministre notifie sa décision au demandeur par courrier recommandé ou par envoi électronique.
Art. 254/1. Le retrait d'agrément est décidé par le ministre, lorsqu'il est constaté que l'organisme d'interprétariat en milieu social ne respecte pas les dispositions du Code décrétal ou celles prises en vertu de celui-ci ou lorsqu'il ne remplit pas de manière suffisante les missions qui lui sont dévolues.
Le retrait d'agrément est précédé d'un avertissement envoyé par l'administration par courrier recommandé ou par envoi électronique. L'avertissement mentionne les griefs formulés et donne à l'organisme d'interprétariat en milieu social un délai de quinze jours pour transmettre un mémoire en réponse.
CHAPITRE II. - Subventionnement
Art. 255. Une subvention annuelle indexée de 300.000 euros est accordée, conformément à l'article 155/6 du Code, à titre d'intervention dans les frais de personnel, de gestion et d'activités.
Pour l'indexation du montant visé à l'alinéa 1er, il est fait application de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison de l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions, à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Il est accordé à l'organisme d'interprétariat en milieu social visé à l'article 155 du Code, dans le courant du premier trimestre de l'année civile, une avance annuelle correspondant à quatre-vingt-cinq pourcents du montant des subventions accordées l'année précédente.
Le solde est liquidé sur présentation des justificatifs des dépenses. "
Art. 3. De Minister van Sociale Actie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. La Ministre de l'Action sociale est chargée de l'exécution du présent arrêté.