Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 APRIL 2014. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden voor de biomethaniseringsinstallaties bedoeld in rubriek 90.23.15 en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-06-2014 en tekstbijwerking tot 27-09-2017)
Titre
24 AVRIL 2014. - Arrêté du Gouvernement wallon déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations de biométhanisation visées par la rubrique 90.23.15 et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-06-2014 et mise à jour au 27-09-2017)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld en begripsomschr...
HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw
Afdeling 1. - Ontwerp van de installatie en toe...
Afdeling 2. - Opslag
Afdeling 3. - Biogas
HOOFDSTUK III. - Exploitatie
Afdeling 1. - Algemeenheden
Afdeling 2. - Toegelaten biomaterie en stoffen
Afdeling 3. - Procedure tot eerste toelating va...
Afdeling 4. - Toelating tot de biomethanisering...
Afdeling 5. - Traceerbaarheid in de biomethanis...
Afdeling 6. - Opvolging van de biomethanisering
Afdeling 7. - Digestaat
Afdeling 8. - Afvoer
HOOFDSTUK IV. - Preventie van ongevallen en brand
HOOFDSTUK V. - Water
Afdeling 1. - Algemeenheden
Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Onderafdeling 1. - Voorwaarden om in gewoon opp...
Onderafdeling 2. - Voorwaarden om in openbare r...
HOOFDSTUK VI. - Lucht
Afdeling 1. - Algemeenheden
Afdeling 2. - Reukhinder
Afdeling 3. - Emissies van verbrandingsgassen
Afdeling 4. - Fijnstofemissies
HOOFDSTUK VII. - Autocontrole, controle, toezic...
Afdeling 1. - Algemeenheden
Afdeling 2. - Controle op reukhinder en andere ...
Afdeling 3. - Controle op waterlozingen
HOOFDSTUK VIII. - Zekerheid
HOOFDSTUK IX. - Herstel van de locatie na explo...
HOOFDSTUK X. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK XI. - Slot- en overgangsbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
CHAPITRE II. - Implantation et construction
Section 1re. - Conception de l'ouvrage et acces...
Section 2. - Stockage
Section 3. - Biogaz
CHAPITRE III. - Exploitation
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Biomatières et matières autorisées
Section 3. - Procédure relative à la première a...
Section 4. - Admission dans l'installation de b...
Section 5. - Traçabilité dans l'installation de...
Section 6. - Suivi de la biométhanisation
Section 7. - Digestat
Section 8. - Sortie
CHAPITRE IV. - Prévention des accidents et des ...
CHAPITRE V. - Eau
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Conditions de déversement
Sous-section 1re. - Conditions de déversement e...
Sous-section 2. - Conditions de déversement en ...
CHAPITRE VI. - Air
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Nuisances olfactives
Section 3. - Emissions de gaz de combustion
Section 4. - Emissions de poussières
CHAPITRE VII. - AutocontrĂ´le, contrĂ´le, surveil...
Section 1re. - Généralités
Section 2. - ContrĂ´le des nuisances olfactives ...
Section 3. - ContrĂ´le des rejets d'eaux
CHAPITRE VIII. - Sûreté
CHAPITRE IX. - Remise en état du site en fin d'...
CHAPITRE X. - Dispositions modificatives
CHAPITRE XI. - Dispositions transitoires et fin...
ANNEXES.
Tekst (118)
Texte (118)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld en begripsomschrijving
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de biomethaniseringsinstallaties bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
Article 1er. Les présentes conditions sectorielles s'appliquent aux installations de biométhanisation visées à la rubrique 90.23.15 de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° additief : elke niet afbreekbare stof die dient om de biomethanisering te verbeteren;
2° biogas : gas dat ontstaat uit het biologische rottingsproces van biomaterie door gebrek aan zuurstof in de gistingstank;
3° " CWEA " : het " Compendium wallon des méthodes d'échantillonnage et d'analyse " (Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes) opgemaakt door de Waalse Regering en bevattende het geheel van de methodes inzake afneming en monsterneming, bewaring, voorbehandeling en analyse van de monsters alsook de analytische procedures tot bepaling van de gehalten aan verontreinigende stoffen. Het " CWEA " heeft een indicatieve waarde;
4° digestaat : de stof die voortkomt uit een anaëroob biologisch transformatieproces van biomaterie in gecontroleerde omstandigheden in een gistingstank;
5° bruto digestaat : het digestaat aan de uitgang van de gistingstank;
6° behandeld digestaat : het digestaat dat één of meer nabehandelingen heeft ondergaan na de gistingstank te hebben verlaten;
7° bestaande inrichting : inrichting die behoorlijk is vergund vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De ombouw of uitbreiding van een biomethaniseringsinstallatie die de exploitant vóór de inwerkingtreding van dit besluit vermeld heeft in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt met een bestaande biomethaniseringsinstallatie gelijkgesteld. De inrichting waarvoor een vergunningsaanvraag vóór de inwerkingtreding van dit besluit is ingediend, wordt gelijkgesteld met een bestaande inrichting als de vergunning op basis van die aanvraag is verleend.
8° partij : een bepaalde hoeveelheid digestaat die in gelijksoortige omstandigheden en op dezelfde productieplaats voortgebracht wordt en die een eenheid vormt waarvan verondersteld wordt dat de kenmerken eenvormig zijn;
9° materie : elke stof die bij de nabehandeling gebruikt wordt;
10° vergunning : een milieuvergunning of eenmalige vergunning in de zin van van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
11° nabehandeling : de handeling betreffende de behandeling van het digestaat tot wijziging van de kenmerken van het bruto digestaat, met uitzondering van de compostering;
12° voorbehandeling van het biogas : de zuivering van het biogas vooraleer het als brandstof in de inrichting gebruikt wordt;
13° voorafgaande behandeling: het geheel van de handelingen die voorafgaan aan de biomethanisering met betrekking tot de ontvangst, de voorbereiding en de opslag van biomaterie;
14° zonering ATEX : de afbakening van de zones waar explosieve atmosferen in een locatie aanwezig zijn, op basis van de artikelen 105 tot 113 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard.
1° additief : elke niet afbreekbare stof die dient om de biomethanisering te verbeteren;
2° biogas : gas dat ontstaat uit het biologische rottingsproces van biomaterie door gebrek aan zuurstof in de gistingstank;
3° " CWEA " : het " Compendium wallon des méthodes d'échantillonnage et d'analyse " (Waalse compendium van de monsternemings- en analysemethodes) opgemaakt door de Waalse Regering en bevattende het geheel van de methodes inzake afneming en monsterneming, bewaring, voorbehandeling en analyse van de monsters alsook de analytische procedures tot bepaling van de gehalten aan verontreinigende stoffen. Het " CWEA " heeft een indicatieve waarde;
4° digestaat : de stof die voortkomt uit een anaëroob biologisch transformatieproces van biomaterie in gecontroleerde omstandigheden in een gistingstank;
5° bruto digestaat : het digestaat aan de uitgang van de gistingstank;
6° behandeld digestaat : het digestaat dat één of meer nabehandelingen heeft ondergaan na de gistingstank te hebben verlaten;
7° bestaande inrichting : inrichting die behoorlijk is vergund vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De ombouw of uitbreiding van een biomethaniseringsinstallatie die de exploitant vóór de inwerkingtreding van dit besluit vermeld heeft in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt met een bestaande biomethaniseringsinstallatie gelijkgesteld. De inrichting waarvoor een vergunningsaanvraag vóór de inwerkingtreding van dit besluit is ingediend, wordt gelijkgesteld met een bestaande inrichting als de vergunning op basis van die aanvraag is verleend.
8° partij : een bepaalde hoeveelheid digestaat die in gelijksoortige omstandigheden en op dezelfde productieplaats voortgebracht wordt en die een eenheid vormt waarvan verondersteld wordt dat de kenmerken eenvormig zijn;
9° materie : elke stof die bij de nabehandeling gebruikt wordt;
10° vergunning : een milieuvergunning of eenmalige vergunning in de zin van van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;
11° nabehandeling : de handeling betreffende de behandeling van het digestaat tot wijziging van de kenmerken van het bruto digestaat, met uitzondering van de compostering;
12° voorbehandeling van het biogas : de zuivering van het biogas vooraleer het als brandstof in de inrichting gebruikt wordt;
13° voorafgaande behandeling: het geheel van de handelingen die voorafgaan aan de biomethanisering met betrekking tot de ontvangst, de voorbereiding en de opslag van biomaterie;
14° zonering ATEX : de afbakening van de zones waar explosieve atmosferen in een locatie aanwezig zijn, op basis van de artikelen 105 tot 113 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° additif : toute substance non dégradable servant à améliorer la biométhanisation;
2° biogaz : le gaz issu du processus de décomposition biologique de biomatières en l'absence d'oxygène dans le digesteur;
3° CWEA : le Compendium wallon des méthodes d'Echantillonnage et d'Analyse établi par le Gouvernement constituant l'ensemble des méthodes de prélèvement et d'échantillonnage, de conservation, de prétraitement et d'analyse des échantillons ainsi que des procédures analytiques permettant de déterminer les teneurs en polluants. Le CWEA a une valeur indicative;
4° digestat : la substance résultant d'un processus de transformation biologique anaérobie de biomatières dans des conditions contrôlées dans un digesteur;
5° digestat brut : le digestat en sortie du digesteur;
6° digestat traité : le digestat ayant subi, après sa sortie du digesteur, un ou plusieurs post-traitements;
7° établissement existant : l'établissement dûment autorisé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. La transformation ou l'extension d'une installation de biométhanisation que l'exploitant a, avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, consignée dans le registre prévu par l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement est assimilée à une installation de biométhanisation existante. L'établissement pour lequel une demande de permis a été introduite avant l'entrée en vigueur du présent arrêté est, lorsque le permis a été octroyé sur la base de cette demande, assimilé à un établissement existant;
8° lot : une quantité déterminée de digestat produite dans des conditions similaires, sur un même lieu de fabrication et constituant une unité ayant des caractéristiques présumées uniformes;
9° matière : toute substance qui est utilisée dans le post-traitement;
10° permis : un permis d'environnement ou permis unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
11° post-traitement : l'opération de traitement du digestat visant à modifier les caractéristiques du digestat brut, à l'exception du compostage;
12° prétraitement du biogaz : l'épuration du biogaz en vue de son utilisation, dans l'établissement, comme combustible;
13° traitement préalable : l'ensemble des opérations relatives à la réception, à la préparation et au stockage des biomatières avant biométhanisation;
14° zonage ATEX : la délimitation des zones où des atmosphères explosives sont présentes sur un site, sur base des articles 105 à 113 de l'annexe de l'arrêté royal du 10 mars 1981 rendant obligatoire le Règlement général sur les installations électriques pour les installations domestiques et certaines lignes de transport et de distribution d'énergie électrique.
1° additif : toute substance non dégradable servant à améliorer la biométhanisation;
2° biogaz : le gaz issu du processus de décomposition biologique de biomatières en l'absence d'oxygène dans le digesteur;
3° CWEA : le Compendium wallon des méthodes d'Echantillonnage et d'Analyse établi par le Gouvernement constituant l'ensemble des méthodes de prélèvement et d'échantillonnage, de conservation, de prétraitement et d'analyse des échantillons ainsi que des procédures analytiques permettant de déterminer les teneurs en polluants. Le CWEA a une valeur indicative;
4° digestat : la substance résultant d'un processus de transformation biologique anaérobie de biomatières dans des conditions contrôlées dans un digesteur;
5° digestat brut : le digestat en sortie du digesteur;
6° digestat traité : le digestat ayant subi, après sa sortie du digesteur, un ou plusieurs post-traitements;
7° établissement existant : l'établissement dûment autorisé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. La transformation ou l'extension d'une installation de biométhanisation que l'exploitant a, avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, consignée dans le registre prévu par l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement est assimilée à une installation de biométhanisation existante. L'établissement pour lequel une demande de permis a été introduite avant l'entrée en vigueur du présent arrêté est, lorsque le permis a été octroyé sur la base de cette demande, assimilé à un établissement existant;
8° lot : une quantité déterminée de digestat produite dans des conditions similaires, sur un même lieu de fabrication et constituant une unité ayant des caractéristiques présumées uniformes;
9° matière : toute substance qui est utilisée dans le post-traitement;
10° permis : un permis d'environnement ou permis unique au sens du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement;
11° post-traitement : l'opération de traitement du digestat visant à modifier les caractéristiques du digestat brut, à l'exception du compostage;
12° prétraitement du biogaz : l'épuration du biogaz en vue de son utilisation, dans l'établissement, comme combustible;
13° traitement préalable : l'ensemble des opérations relatives à la réception, à la préparation et au stockage des biomatières avant biométhanisation;
14° zonage ATEX : la délimitation des zones où des atmosphères explosives sont présentes sur un site, sur base des articles 105 à 113 de l'annexe de l'arrêté royal du 10 mars 1981 rendant obligatoire le Règlement général sur les installations électriques pour les installations domestiques et certaines lignes de transport et de distribution d'énergie électrique.
HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw
CHAPITRE II. - Implantation et construction
Afdeling 1. - Ontwerp van de installatie en toegankelijkheid
Section 1re. - Conception de l'ouvrage et accessibilité
Art. 3. § 1. De afstand tussen elk deel van de biomethaniseringsinstallatie die minder dan 830 Nm[00b3] inhoudt, in het bijzonder de gistingstank, de nagistingstank, de infrastructuur voor de opslag van biogas, de biogasleidingen en de door derden bewoonde woningen bedraagt 50 meter of meer.
De woningen betrokken door de exploitant, het personeel van de installatie of de leveranciers van biomaterie bestemd voor biomethanisering worden niet beschouwd als door derden bewoonde woningen.
§ 2. De afstand tussen elk deel van de biomethaniseringsinstallatie dat 830 Nm3 biogas of meer inhoudt en de door derden bewoonde woningen wordt in de bijzondere vergunningsvoorwaarden bepaald op basis van de risico-analyse bedoeld in bijlage XXXI bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
De woningen betrokken door de exploitant, het personeel van de installatie of de leveranciers van biomaterie bestemd voor biomethanisering worden niet beschouwd als door derden bewoonde woningen.
§ 2. De afstand tussen elk deel van de biomethaniseringsinstallatie dat 830 Nm3 biogas of meer inhoudt en de door derden bewoonde woningen wordt in de bijzondere vergunningsvoorwaarden bepaald op basis van de risico-analyse bedoeld in bijlage XXXI bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen tot uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Art. 3. § 1er. La distance entre toute partie de l'installation de biométhanisation contenant moins de 830 Nm[00b3], en particulier le digesteur, le post-digesteur, l'infrastructure de stockage de biogaz, les canalisations de biogaz, et les habitations occupées par des tiers est supérieure ou égale à 50 mètres.
Les logements occupés par l'exploitant, le personnel de l'installation ou par les fournisseurs de biomatières destinées à la biométhanisation ne constituent pas des habitations occupées par des tiers
§ 2. La distance entre toute partie de l'installation de biométhanisation contenant 830 Nm3 ou plus de biogaz et les habitations occupées par les tiers est fixée par les conditions particulières du permis sur base de l'analyse de risques visée à l'annexe XXXI de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Les logements occupés par l'exploitant, le personnel de l'installation ou par les fournisseurs de biomatières destinées à la biométhanisation ne constituent pas des habitations occupées par des tiers
§ 2. La distance entre toute partie de l'installation de biométhanisation contenant 830 Nm3 ou plus de biogaz et les habitations occupées par les tiers est fixée par les conditions particulières du permis sur base de l'analyse de risques visée à l'annexe XXXI de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Art. 4. De toegang tot de biomethaniseringsinstallatie wordt beperkt tot de personen die toegelaten worden door de exploitant of diens aangestelde.
Art. 4. L'accès à l'installation de biométhanisation est limité aux personnes autorisées par l'exploitant ou son préposé.
Art. 5. De biomethaniseringsinstallatie wordt gescheiden van de andere installaties die door de exploitant op dezelfde site beheerd worden zodat de voor de andere installaties bestemde biomateriestromen niet transiteren langs de zone voorbehouden aan de biomethaniseringsinstallatie.
Art. 5. L'installation de biométhanisation est séparée des autres installations gérées par l'exploitant sur un même site de sorte que les flux de biomatières destinés aux autres installations du site ne transitent pas dans la zone réservée à l'installation de biométhanisation.
Art. 6. De biomethaniseringsinstallatie beschikt op zijn minst over :
1° een parkeerruimte voor de voertuigen die wachten om geleegd of gelost te worden;
2° een ruimte om de inkomende biomaterie op te vangen;
3° een ruimte voor de installatie tot bereiding van het mengsel van biomaterie, desgevallend met additieven, dat in de gistingstanks geïnjecteerd zal worden;
4° een ruimte voor de gistingstanks;
5° een infrastructuur voor de opslag van het biogas;
6° een infrastructuur voor de opslag van het bruto of behandelde digestaat;
7° een infrastructuur voor de opslag van de geweigerde biomaterie, duidelijk daartoe geïdentificeerd;
8° een infrastructuur voor de opslag van de inkomende biomaterie als de opslag ervan voorzien wordt;
9° een ruimte voor de nagistingstanks als nagistingshandelingen voorzien worden;
10° een infrastructuur voor de nabehandeling van het digestaat als die handeling voorzien wordt.
1° een parkeerruimte voor de voertuigen die wachten om geleegd of gelost te worden;
2° een ruimte om de inkomende biomaterie op te vangen;
3° een ruimte voor de installatie tot bereiding van het mengsel van biomaterie, desgevallend met additieven, dat in de gistingstanks geïnjecteerd zal worden;
4° een ruimte voor de gistingstanks;
5° een infrastructuur voor de opslag van het biogas;
6° een infrastructuur voor de opslag van het bruto of behandelde digestaat;
7° een infrastructuur voor de opslag van de geweigerde biomaterie, duidelijk daartoe geïdentificeerd;
8° een infrastructuur voor de opslag van de inkomende biomaterie als de opslag ervan voorzien wordt;
9° een ruimte voor de nagistingstanks als nagistingshandelingen voorzien worden;
10° een infrastructuur voor de nabehandeling van het digestaat als die handeling voorzien wordt.
Art. 6. L'installation de biométhanisation comporte au minimum :
1° une aire de stationnement pour les véhicules en attente d'être dépotés ou déchargés;
2° une aire de réception des biomatières entrantes;
3° une aire sur laquelle est située l'installation de préparation du mélange de biomatières avec le cas échéant des additifs qui sera injecté dans les digesteurs;
4° une aire sur laquelle sont situés les digesteurs;
5° une infrastructure de stockage du biogaz;
6° une infrastructure de stockage du digestat brut ou traité;
7° une infrastructure de stockage des biomatières refusées clairement identifiée à cet effet;
8° une infrastructure de stockage des biomatières entrantes lorsque le stockage de celles-ci est prévu;
9° une aire sur laquelle sont situés les post-digesteurs lorsque des opérations de post-digestion sont prévues;
10° une infrastructure destinée au post-traitement du digestat si cette opération est prévue.
1° une aire de stationnement pour les véhicules en attente d'être dépotés ou déchargés;
2° une aire de réception des biomatières entrantes;
3° une aire sur laquelle est située l'installation de préparation du mélange de biomatières avec le cas échéant des additifs qui sera injecté dans les digesteurs;
4° une aire sur laquelle sont situés les digesteurs;
5° une infrastructure de stockage du biogaz;
6° une infrastructure de stockage du digestat brut ou traité;
7° une infrastructure de stockage des biomatières refusées clairement identifiée à cet effet;
8° une infrastructure de stockage des biomatières entrantes lorsque le stockage de celles-ci est prévu;
9° une aire sur laquelle sont situés les post-digesteurs lorsque des opérations de post-digestion sont prévues;
10° une infrastructure destinée au post-traitement du digestat si cette opération est prévue.
Art. 7. Elke biomethaniseringsinstallatie met een dagelijkse behandelingscapaciteit boven 100 ton wordt uitgerust met een afzonderingsbassin of elke andere gelijksoortige voorziening voor de opvang van de wateren die mogelijk verontreinigd worden bij een ongeval of een brand, met inbegrip van de wateren gebruikt om te blussen of voor het digestaat of de biomaterie in behandeling in geval van overloop of van verlies van dichtheid van de gistingstank of van de kuip voor de opslag van het digestaat.
De voorziening bedoeld in het eerste lid kan bestaan in een aanberming voor zover ze uitgevoerd wordt om de retentie toe te laten van alle wateren die mogelijk verontreinigd worden bij een ongeval of een brand.
De verontreinigde wateren kunnen in het ontvangend milieu geloosd worden na een geschikte behandeling waarbij de naleving van de lozingsnormen bedoeld in de artikelen 45 en 46 van dit besluit gewaarborgd kan worden. Zo niet worden ze afgevoerd overeenkomstig de afvalwetgeving.
De voorziening bedoeld in het eerste lid kan bestaan in een aanberming voor zover ze uitgevoerd wordt om de retentie toe te laten van alle wateren die mogelijk verontreinigd worden bij een ongeval of een brand.
De verontreinigde wateren kunnen in het ontvangend milieu geloosd worden na een geschikte behandeling waarbij de naleving van de lozingsnormen bedoeld in de artikelen 45 en 46 van dit besluit gewaarborgd kan worden. Zo niet worden ze afgevoerd overeenkomstig de afvalwetgeving.
Art. 7. Dans toute installation de biométhanisation dont la capacité de traitement est supérieure à 100 tonnes par jour, un bassin de confinement ou tout autre dispositif équivalent est mis en place afin de collecter les eaux susceptibles d'être polluées lors d'un accident ou d'un incendie, y compris les eaux utilisées pour l'extinction ou le digestat ou les biomatières en cours de traitement en cas de débordement ou de perte d'étanchéité du digesteur ou de la cuve de stockage du digestat.
Le dispositif visé à l'alinéa 1er peut consister en un talutage pour autant qu'il soit réalisé de manière à permettre la rétention de l'ensemble des eaux susceptibles d'être polluées lors d'un accident ou d'un incendie.
Les eaux polluées peuvent être rejetées dans le milieu récepteur après un traitement approprié permettant d'assurer le respect des normes de rejet visées aux articles 45 et 46 du présent arrêté. A défaut, elles sont évacuées conformément à la législation relative aux déchets.
Le dispositif visé à l'alinéa 1er peut consister en un talutage pour autant qu'il soit réalisé de manière à permettre la rétention de l'ensemble des eaux susceptibles d'être polluées lors d'un accident ou d'un incendie.
Les eaux polluées peuvent être rejetées dans le milieu récepteur après un traitement approprié permettant d'assurer le respect des normes de rejet visées aux articles 45 et 46 du présent arrêté. A défaut, elles sont évacuées conformément à la législation relative aux déchets.
Art. 8. § 1. De bodem van de ruimtes en de infrastructuren bedoeld in artikel 6, 1° tot 4° en 6° tot 10° is bedekt met een dicht materiaal om insijpelingen in de grond te voorkomen en is hellend genoeg om de verontreinigende afvloeisels en afvloeiende wateren, de reinigingswateren, de toevallig verspreide materies en het eventuele brandbluswater gravitair op te vangen.
§ 2. De binnenwegen van de installation zijn van een bedekking voorzien.
§ 2. De binnenwegen van de installation zijn van een bedekking voorzien.
Art. 8. § 1er. Le sol des aires et des infrastructures visées à l'article 6, 1° à 4° et 6° à 10°, est recouvert d'un matériau étanche en vue d'empêcher toute infiltration dans le sol et est pourvu d'une pente suffisante afin de récolter gravitairement les jus et les eaux de ruissellement contaminées, les eaux de lavage, les matières répandues accidentellement et les eaux d'extinction d'incendie éventuelles.
§ 2. Les voiries internes de l'installation sont recouvertes avec un revêtement.
§ 2. Les voiries internes de l'installation sont recouvertes avec un revêtement.
Art. 9. De parkeerruimte, de binnenwegen alsook de in- en uitgang van de biomethaniseringsinstallatie worden ontworpen om belemmering en ongevalrisico's in de installatie en op de openbare weg te voorkomen.
Art. 9. L'aire de stationnement, les voiries intérieures ainsi que l'entrée et la sortie de l'installation de biométhanisation sont conçues de manière à prévenir l'encombrement et les risques d'accident dans l'installation et sur la voie publique.
Art. 10. De biomethaniseringsinstallatie waarvan het verwerkingsvermogen 100 ton per dag overschrijdt, beschikt over een geijkte weegbrug met automatische registratie of over elke ander hulpmiddel om de biomaterie, materies, additieven en digestaten die de installatie binnenkomen of verlaten precies te kwantificeren.
Art. 10. L'installation de biométhanisation d'une capacité de traitement supérieure à 100 tonnes par jour, est équipée d'un pont-bascule étalonné avec enregistrement automatique ou de tout autre moyen permettant de quantifier précisément les biomatières, matières, additifs et digestats entrant ou sortant de l'installation.
Afdeling 2. - Opslag
Section 2. - Stockage
Art. 11. De eventuele afvloeisels uit de opgeslagen biomaterie kunnen de rioleringen of de grond- of oppervlaktewateren niet bereiken en worden in een opslaginfrastructuur opgeslagen of door een absorberende materie opgevangen.
Art. 11. Les jus d'écoulement éventuels issus des biomatières stockées ne peuvent pas atteindre les égouts ou les eaux souterraines ou de surface et sont stockés dans une infrastructure de stockage ou recueillis par une matière absorbante.
Art. 12. De infrastructuren voor de opslag van teelteffluenten zoals omschreven in artikel R.188, 11°, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de ruimtes voor de opslag van digestaten zijn dicht en chemisch inert t.o.v. de opgeslagen effluenten.
Die infrastructuren worden beschouwd als dicht en chemisch inert t.o.v. de opgeslagen effluenten als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007.
Die infrastructuren worden beschouwd als dicht en chemisch inert t.o.v. de opgeslagen effluenten als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007.
Art. 12. Les infrastructures de stockages d'effluents d'élevage tels que définis à l'article R.188, 11° du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et les aires de stockage de digestats sont étanches et chimiquement inertes vis-à -vis des effluents stockés.
Ces infrastructures sont considérées comme étanches et chimiquement inertes vis-à -vis des effluents stockés, lorsqu'elles répondent aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
Ces infrastructures sont considérées comme étanches et chimiquement inertes vis-à -vis des effluents stockés, lorsqu'elles répondent aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
Art. 13. De opslaginfrastructuren worden duidelijk geĂŻdentificeerd volgens de inhoud en capaciteit ervan. De richting van de inkomende en uitgaande stromen is aangegeven.
Art. 13. Les infrastructures de stockage sont clairement identifiées selon leur contenu et leur capacité. La direction des flux entrants et sortants est indiquée.
Art. 14. § 1. Het digestaat en de biomaterie worden in opslaginfrastructuren opgeslagen.
De infrastructuren voor de opslag van de biomaterie en het digestaat worden gebruikt zodat elke lozing in het natuurlijke milieu voorkomen wordt.
§ 2. De capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van het digestaat volstaat om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is.
Het aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat volstaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt.
Als de capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van digestaat zoals bedoeld in het eerste lid of het aantal ervan overeenkomstig het tweede lid niet volstaat, sluit de exploitant een overeenkomst tot huur van een behoorlijk vergunde opslaginstallatie die uitsluitend voor de opslag van digestaat bestemd is, die dicht en chemisch inert is en die voldoet aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 december 2004.
De huurcontracten worden door de exploitant ter beschikking van de toezichthoudend ambtenaar gelegd om aan te tonen dat hij door het sluiten van de huurcontracten beschikt over een voldoende capaciteit om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is en over een voldoend aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt. De huurcontracten bevatten op zijn minst de volgende elementen :
1° de identificatie van de medecontractanten;
2° de handtekening van de partijen bij de overeenkomst;
3° de hoeveelheid digestaat die opgeslagen kan worden;
4° de verplichtingen van de partijen in geval van opslag van digestaat dat niet voldoet aan de toepasselijke wetgeving;
5° de lokalisering van de infrastructuur;
6° de duur van de overeenkomst.
§ 3. De kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat zijn dicht en chemisch inert.
Die kuipen worden beschouwd als dicht en chemisch inert als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007.
De dichtheid van de kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat kan makkelijk en voortdurend gecontroleerd worden.
§ 4. De digestaten bestemd om in of op de grond te worden gebruikt worden in partijen verdeeld met het oog op de analytische karakterisering ervan.
Wat de vaste digestaten betreft, staat elke partij gelijk met een hoeveelheid die niet groter mag zijn dan 1 000 ton of met één jaar productie indien de jaarlijkse productie lager is dan 1 000 ton. Wat de vloeibare digestaten betreft, staat een partij gelijk met de inhoud van een opslagkuip die niet meer bevoorraad kan worden.
De producent neemt maatregelen om de kwaliteit en de homogenëiteit van de partijen digestaat te waarborgen.
De infrastructuren voor de opslag van de biomaterie en het digestaat worden gebruikt zodat elke lozing in het natuurlijke milieu voorkomen wordt.
§ 2. De capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van het digestaat volstaat om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is.
Het aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat volstaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt.
Als de capaciteit van de infrastructuren voor de opslag van digestaat zoals bedoeld in het eerste lid of het aantal ervan overeenkomstig het tweede lid niet volstaat, sluit de exploitant een overeenkomst tot huur van een behoorlijk vergunde opslaginstallatie die uitsluitend voor de opslag van digestaat bestemd is, die dicht en chemisch inert is en die voldoet aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 december 2004.
De huurcontracten worden door de exploitant ter beschikking van de toezichthoudend ambtenaar gelegd om aan te tonen dat hij door het sluiten van de huurcontracten beschikt over een voldoende capaciteit om de opslag toe te laten van het gezamenlijke digestaat dat voortgebracht wordt tijdens een periode die overeenstemt met de langste periode waarin de afvoer of behandeling ervan niet mogelijk is en over een voldoend aantal infrastructuren voor de opslag van bruto of behandeld digestaat om de karakterisering per partij te garanderen als het digestaat bestemd is om in of op de grond te worden gebruikt. De huurcontracten bevatten op zijn minst de volgende elementen :
1° de identificatie van de medecontractanten;
2° de handtekening van de partijen bij de overeenkomst;
3° de hoeveelheid digestaat die opgeslagen kan worden;
4° de verplichtingen van de partijen in geval van opslag van digestaat dat niet voldoet aan de toepasselijke wetgeving;
5° de lokalisering van de infrastructuur;
6° de duur van de overeenkomst.
§ 3. De kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat zijn dicht en chemisch inert.
Die kuipen worden beschouwd als dicht en chemisch inert als ze voldoen aan de bindende technische voorschriften voor de opslag van boerderijmest die vastliggen in bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 1 april 2004 betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 28 december 2007.
De dichtheid van de kuipen voor de opslag van de biomaterie en het digestaat kan makkelijk en voortdurend gecontroleerd worden.
§ 4. De digestaten bestemd om in of op de grond te worden gebruikt worden in partijen verdeeld met het oog op de analytische karakterisering ervan.
Wat de vaste digestaten betreft, staat elke partij gelijk met een hoeveelheid die niet groter mag zijn dan 1 000 ton of met één jaar productie indien de jaarlijkse productie lager is dan 1 000 ton. Wat de vloeibare digestaten betreft, staat een partij gelijk met de inhoud van een opslagkuip die niet meer bevoorraad kan worden.
De producent neemt maatregelen om de kwaliteit en de homogenëiteit van de partijen digestaat te waarborgen.
Art. 14. § 1er. Le digestat et les biomatières sont stockés dans des infrastructures de stockage.
Les infrastructures de stockage des biomatières et de digestat sont utilisées de manière à éviter tout déversement dans le milieu naturel.
§ 2. Les infrastructures de stockage du digestat ont une capacité suffisante pour permettre le stockage de l'ensemble du digestat produit pendant une période correspondant à la plus longue période pendant laquelle son évacuation ou son traitement n'est pas possible.
Le nombre d'infrastructures de stockage de digestat, brut ou traité, permet d'assurer la caractérisation par lot lorsque le digestat est destiné à être utilisé dans ou sur les sols.
A défaut d'une capacité suffisante des infrastructures de stockage de digestat telle que prévue à l'alinéa 1er ou d'un nombre suffisant d'infrastructure de stockage de digestat conformément à l'alinéa 2, l'exploitant conclut un contrat de location d'une infrastructure de stockage dûment autorisée, exclusivement destinée au stockage de digestat, étanche et chimiquement inerte répondant aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
Les contrats de location sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance par l'exploitant en vue de démontrer qu'il dispose suite aux contrats de location conclus d'une capacité suffisante pour permettre le stockage de l'ensemble du digestat produit pendant une période correspondant à la plus longue période pendant laquelle son évacuation ou son traitement n'est pas possible et d'un nombre d'infrastructures de stockage de digestat, brut ou traité, permettant d'assurer la caractérisation par lot lorsque le digestat est destiné à être utilisé dans ou sur les sols. Les contrats de location comprennent au minimum les éléments suivants :
1° l'identification des parties cocontractantes;
2° la signature des parties au contrat;
3° le volume de digestat pouvant être stocké;
4° les obligations des parties lorsqu'un digestat ne respectant pas la législation applicable est stocké;
5° la localisation de l'infrastructure;
6° la durée du contrat.
§ 3. Les cuves de stockage des biomatières et du digestat sont étanches et chimiquement inertes.
Ces cuves sont considérées comme étanches et chimiquement inertes lorsqu'elles répondent aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
L'étanchéité des cuves de stockage des biomatières et du digestat est aisément et constamment vérifiable.
§ 4. Les digestats destinés à être utilisés dans ou sur les sols sont répartis en lots en vue de leur caractérisation analytique.
Pour les digestats solides, un lot représente une quantité qui ne peut pas être supérieure à 1 000 tonnes, ou un an de production si la production annuelle est inférieure à 1000 tonnes. Pour les digestats liquides, un lot représente le contenu d'une cuve de stockage, qui ne peut plus être alimentée.
Le producteur prend des mesures pour garantir la qualité et l'homogénéité des lots de digestat.
Les infrastructures de stockage des biomatières et de digestat sont utilisées de manière à éviter tout déversement dans le milieu naturel.
§ 2. Les infrastructures de stockage du digestat ont une capacité suffisante pour permettre le stockage de l'ensemble du digestat produit pendant une période correspondant à la plus longue période pendant laquelle son évacuation ou son traitement n'est pas possible.
Le nombre d'infrastructures de stockage de digestat, brut ou traité, permet d'assurer la caractérisation par lot lorsque le digestat est destiné à être utilisé dans ou sur les sols.
A défaut d'une capacité suffisante des infrastructures de stockage de digestat telle que prévue à l'alinéa 1er ou d'un nombre suffisant d'infrastructure de stockage de digestat conformément à l'alinéa 2, l'exploitant conclut un contrat de location d'une infrastructure de stockage dûment autorisée, exclusivement destinée au stockage de digestat, étanche et chimiquement inerte répondant aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
Les contrats de location sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance par l'exploitant en vue de démontrer qu'il dispose suite aux contrats de location conclus d'une capacité suffisante pour permettre le stockage de l'ensemble du digestat produit pendant une période correspondant à la plus longue période pendant laquelle son évacuation ou son traitement n'est pas possible et d'un nombre d'infrastructures de stockage de digestat, brut ou traité, permettant d'assurer la caractérisation par lot lorsque le digestat est destiné à être utilisé dans ou sur les sols. Les contrats de location comprennent au minimum les éléments suivants :
1° l'identification des parties cocontractantes;
2° la signature des parties au contrat;
3° le volume de digestat pouvant être stocké;
4° les obligations des parties lorsqu'un digestat ne respectant pas la législation applicable est stocké;
5° la localisation de l'infrastructure;
6° la durée du contrat.
§ 3. Les cuves de stockage des biomatières et du digestat sont étanches et chimiquement inertes.
Ces cuves sont considérées comme étanches et chimiquement inertes lorsqu'elles répondent aux prescriptions techniques obligatoires pour le stockage des engrais de ferme fixées à l'annexe 2 de l'arrêté ministériel du 1er avril 2004 relatif à la mise en conformité des infrastructures de stockage des effluents d'élevage modifié par l'arrêté ministériel du 28 décembre 2007.
L'étanchéité des cuves de stockage des biomatières et du digestat est aisément et constamment vérifiable.
§ 4. Les digestats destinés à être utilisés dans ou sur les sols sont répartis en lots en vue de leur caractérisation analytique.
Pour les digestats solides, un lot représente une quantité qui ne peut pas être supérieure à 1 000 tonnes, ou un an de production si la production annuelle est inférieure à 1000 tonnes. Pour les digestats liquides, un lot représente le contenu d'une cuve de stockage, qui ne peut plus être alimentée.
Le producteur prend des mesures pour garantir la qualité et l'homogénéité des lots de digestat.
Art. 15. Een draineersysteem wordt aangelegd onder de infrastructuren voor de opslag van de vloeibare biomaterie of digestaten om waterverzading in de fundering te voorkomen en een eventuele gebrekkige dichtheid aan het licht te brengen.
Een periferische drain of ringdrain wordt aan de basis van de wand (buitenkant) geplaatst.
Het drainagenetwerk komt via een verzamelriool voor draineerwater in een waterdichte inspectieput terecht.
De inspectieput wordt ontworpen zodat het waterpeil minstens 10 cm hoog is.
Een periferische drain of ringdrain wordt aan de basis van de wand (buitenkant) geplaatst.
Het drainagenetwerk komt via een verzamelriool voor draineerwater in een waterdichte inspectieput terecht.
De inspectieput wordt ontworpen zodat het waterpeil minstens 10 cm hoog is.
Art. 15. Un système de drainage est mis en place sous les infrastructures destinées au stockage des biomatières liquides ou des digestats liquides afin d'éviter toute saturation en eau de la fondation et de mettre en évidence un éventuel défaut d'étanchéité.
Un drainage périphérique ou drain de ceinture est positionné du côté extérieur du pied de paroi.
Le réseau de drains aboutit, via un collecteur des eaux de drainage, dans un regard de visite étanche.
Le regard de visite est conçu de manière à conserver une hauteur d'eau d'au moins 10 cm.
Un drainage périphérique ou drain de ceinture est positionné du côté extérieur du pied de paroi.
Le réseau de drains aboutit, via un collecteur des eaux de drainage, dans un regard de visite étanche.
Le regard de visite est conçu de manière à conserver une hauteur d'eau d'au moins 10 cm.
Afdeling 3. - Biogas
Section 3. - Biogaz
Art. 16. § 1. Elke andere rechtstreekse lozing van biogas in de lucht dan de lozingen die zich in geval van toevallige overdruk kunnen voordoen, is verboden.
§ 2. De biomethaniseringsinstallatie beschikt over een uitrusting voor de vernietiging van niet gevaloriseerd biogas, zoals een torchère, of over elk ander systeem waarmee een gelijkwaardig veiligheidsniveau bereikt kan worden.
De uitrusting is meer dan 10 meter verwijderd van de biogasopslaginstallaties.
De uitrusting kan de totale nominale productie van de biomethaniseringsinstallatie opvangen.
§ 3. Wat betreft de installaties die minder dan 100 Nm3/u biogas produceren, kan de in paragraaf 2 bedoelde uitrusting, in geval van verlengde stopzetting van de uitrustingen voor biogasvalorisering, bestaan in een voorziening waarmee het mobiele en mobiliseerbare biogas binnen het uur vernietigd wordt.
§ 4. De leiding tot toelating van het biogas in de uitrusting waarmee het niet gevalorisserde biogas vernietigd kan worden, beschikt over een vlamterugslagklep, stop- en veiligheidskleppen waarmee de injectie van biogas onderbroken wordt bij gebrek aan vlam.
§ 5. Om het niet gevaloriseerde biogas te kunnen vernietigen plaatst de exploitant een omheining rondom de uitrusting op een afstand waarbuiten de thermische radiatie kleiner is dan 6,4 kW/m2 en op minimum 5 meter van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden.
In afwijking van het eerste lid wordt de omheining niet geëist als de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden zich niet op de grond bevindt, voor zover is aangetoond dat de op grondniveau gemeten thermische radiatie niet hoger is dan 6.4 kW/m2 op de plekken waar personen aanwezig kunnen zijn.
§ 2. De biomethaniseringsinstallatie beschikt over een uitrusting voor de vernietiging van niet gevaloriseerd biogas, zoals een torchère, of over elk ander systeem waarmee een gelijkwaardig veiligheidsniveau bereikt kan worden.
De uitrusting is meer dan 10 meter verwijderd van de biogasopslaginstallaties.
De uitrusting kan de totale nominale productie van de biomethaniseringsinstallatie opvangen.
§ 3. Wat betreft de installaties die minder dan 100 Nm3/u biogas produceren, kan de in paragraaf 2 bedoelde uitrusting, in geval van verlengde stopzetting van de uitrustingen voor biogasvalorisering, bestaan in een voorziening waarmee het mobiele en mobiliseerbare biogas binnen het uur vernietigd wordt.
§ 4. De leiding tot toelating van het biogas in de uitrusting waarmee het niet gevalorisserde biogas vernietigd kan worden, beschikt over een vlamterugslagklep, stop- en veiligheidskleppen waarmee de injectie van biogas onderbroken wordt bij gebrek aan vlam.
§ 5. Om het niet gevaloriseerde biogas te kunnen vernietigen plaatst de exploitant een omheining rondom de uitrusting op een afstand waarbuiten de thermische radiatie kleiner is dan 6,4 kW/m2 en op minimum 5 meter van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden.
In afwijking van het eerste lid wordt de omheining niet geëist als de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden zich niet op de grond bevindt, voor zover is aangetoond dat de op grondniveau gemeten thermische radiatie niet hoger is dan 6.4 kW/m2 op de plekken waar personen aanwezig kunnen zijn.
Art. 16. § 1er. Tout rejet direct de biogaz dans l'atmosphère, autre que des libérations pouvant survenir en cas de surpressions accidentelles, est interdit.
§ 2. L'installation de biométhanisation est pourvue d'un équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé tel qu'une torchère ou tout autre système permettant d'assurer un niveau de sécurité équivalent.
L'équipement est éloigné de plus de 10 mètres des installations de stockage de biogaz.
L'équipement est capable d'absorber la totalité de la production nominale de l'installation de biométhanisation.
§ 3. Pour les installations produisant moins de 100 Nm3/h de biogaz, en cas d'arrêt prolongé des équipements de valorisation du biogaz, l'équipement visé au paragraphe 2 peut consister en un dispositif de destruction du biogaz mobile et mobilisable dans l'heure.
§ 4. La tuyauterie d'admission du biogaz dans l'équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé est équipée d'un dispositif anti-retour de flamme, de vannes d'arrêt et de vannes de sécurité coupant l'injection de biogaz en cas d'absence de flamme.
§ 5. Une clôture est implantée par l'exploitant autour de l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé, à une distance au-delà de laquelle la radiation thermique est inférieure à 6,4 kW/m2 et au minimum à 5 mètres de l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé.
Par dérogation à l'alinéa premier, la clôture n'est pas exigée lorsque l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé n'est pas situé sur le sol pour autant qu'il soit démontré que la radiation thermique mesurée au niveau du sol ne dépasse pas 6.4 kW/m2 dans les endroits où des personnes sont susceptibles d'être présentes.
§ 2. L'installation de biométhanisation est pourvue d'un équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé tel qu'une torchère ou tout autre système permettant d'assurer un niveau de sécurité équivalent.
L'équipement est éloigné de plus de 10 mètres des installations de stockage de biogaz.
L'équipement est capable d'absorber la totalité de la production nominale de l'installation de biométhanisation.
§ 3. Pour les installations produisant moins de 100 Nm3/h de biogaz, en cas d'arrêt prolongé des équipements de valorisation du biogaz, l'équipement visé au paragraphe 2 peut consister en un dispositif de destruction du biogaz mobile et mobilisable dans l'heure.
§ 4. La tuyauterie d'admission du biogaz dans l'équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé est équipée d'un dispositif anti-retour de flamme, de vannes d'arrêt et de vannes de sécurité coupant l'injection de biogaz en cas d'absence de flamme.
§ 5. Une clôture est implantée par l'exploitant autour de l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé, à une distance au-delà de laquelle la radiation thermique est inférieure à 6,4 kW/m2 et au minimum à 5 mètres de l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé.
Par dérogation à l'alinéa premier, la clôture n'est pas exigée lorsque l'équipement permettant d'assurer la destruction du biogaz non valorisé n'est pas situé sur le sol pour autant qu'il soit démontré que la radiation thermique mesurée au niveau du sol ne dépasse pas 6.4 kW/m2 dans les endroits où des personnes sont susceptibles d'être présentes.
Art. 17. § 1. De veiligheidskleppen van de gistingstanks en van de infrastructuren voor de opslag van biogas worden gekalibreerd zodat het geproduceerde biogas in geval van overdruk eerst afgevoerd wordt naar een uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden.
§ 2. In geval van verzadiging van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden, worden de veiligheidskleppen geopend.
De veiligheidskleppen worden aangebracht zodat het biogas in de lucht gelost wordt op een plek waar geen brand- of ontploffingsrisico bestaat.
§ 3. De gistingstanks, de nagistingstanks en de infrastructuren voor de opslag van biogas beschikken over een onderdrukklep en een een meetvoorziening van hoog niveau met sturing van de bevoorrading in biomaterie of biogas.
In elke biomethaniseringsinstallatie waarvan de dagelijkse verwerkingscapaciteit 100 ton overschrijdt, wordt de bevoorrading automatisch afgesloten en de lediging van het digestaat onderbroken in geval van depressie van de gistingstanks.
§ 2. In geval van verzadiging van de uitrusting waarmee het niet gevaloriseerde biogas vernietigd kan worden, worden de veiligheidskleppen geopend.
De veiligheidskleppen worden aangebracht zodat het biogas in de lucht gelost wordt op een plek waar geen brand- of ontploffingsrisico bestaat.
§ 3. De gistingstanks, de nagistingstanks en de infrastructuren voor de opslag van biogas beschikken over een onderdrukklep en een een meetvoorziening van hoog niveau met sturing van de bevoorrading in biomaterie of biogas.
In elke biomethaniseringsinstallatie waarvan de dagelijkse verwerkingscapaciteit 100 ton overschrijdt, wordt de bevoorrading automatisch afgesloten en de lediging van het digestaat onderbroken in geval van depressie van de gistingstanks.
Art. 17. § 1er. Les soupapes de sécurité des digesteurs et des infrastructures de stockage de biogaz sont calibrées de façon à ce qu'en cas de surpression, le biogaz produit soit d'abord dirigé vers un équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé.
§ 2. En cas de saturation de l'équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé, les soupapes de sécurité sont ouvertes.
Les soupapes de sécurité sont implantées de manière à décharger le biogaz dans l'atmosphère dans un endroit où il n'y a aucun risque d'incendie ou d'explosion.
§ 3. Les digesteurs, les post-digesteurs et les infrastructures stockage de biogaz sont équipés d'une soupape de sous-pression et d'un dispositif de mesure de niveau haut avec asservissement de l'alimentation en biomatières ou en biogaz.
Dans toute installation de biométhanisation dont la capacité de traitement est supérieure à 100 tonnes par jour, en cas de mise en dépression des digesteurs, l'alimentation est coupée automatiquement et la vidange du digestat est interrompue.
§ 2. En cas de saturation de l'équipement permettant la destruction du biogaz non valorisé, les soupapes de sécurité sont ouvertes.
Les soupapes de sécurité sont implantées de manière à décharger le biogaz dans l'atmosphère dans un endroit où il n'y a aucun risque d'incendie ou d'explosion.
§ 3. Les digesteurs, les post-digesteurs et les infrastructures stockage de biogaz sont équipés d'une soupape de sous-pression et d'un dispositif de mesure de niveau haut avec asservissement de l'alimentation en biomatières ou en biogaz.
Dans toute installation de biométhanisation dont la capacité de traitement est supérieure à 100 tonnes par jour, en cas de mise en dépression des digesteurs, l'alimentation est coupée automatiquement et la vidange du digestat est interrompue.
Art. 18. Om de gevolgen van een plotse overdruk te beperken, worden de uitrustingen waarin de biomethanisering plaatsvindt voorzien van een toestel zoals een soepel membraan, een breukschijf, een ontploffingspijp of elke andere gelijkwaardige apparatuur.
Art. 18. En vue de limiter les conséquences liées à une surpression brutale, les équipements dans lesquels s'effectue la biométhanisation sont dotés d'un dispositif tel qu'une membrane souple, un disque de rupture, un évent d'explosion ou tout autre dispositif équivalent.
Art. 19. Als er een apparatuur bestaat voor de injectie van lucht in het biogas om er het H2S-gehalte per oxidatie te beperken, dan wordt ze ontworpen om gevaar voor vorming van een explosieve atmosfeer te voorkomen of is ze voorzien van veiligheidssystemen waarmee dat risico voorkomen kan worden.
Art. 19. Lorsqu'il existe un dispositif d'injection d'air dans le biogaz destiné à en limiter la teneur en H2S par oxydation, ce dispositif est conçu pour prévenir le risque de formation d'une atmosphère explosive ou doté des sécurités permettant de prévenir ce risque.
Art. 20. Als de biomethaniseringsinstallatie beschikt over een installatie voor de valorisatie van biogas die dient om te voldoen aan de interne behoeften van de inrichting, is ze uitgerust met de volgende veiligheidssystemen :
1° een voorziening voor de gedwongen verluchting van de verbrandingsinstallatie;
2° een vlamterugslagklep aangebracht tussen de installatie en de uitrustingen voor de productie van het biogas;
3° explosiemeters die in twee drempels voorzien :
a) een drempel van 20 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, een alarmsysteem in werking zet;
b) een drempel van 40 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, de installatie automatisch buiten werking zet en de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie automatisch afsluit;
4° gekalibreerde rook- en branddetectoren die het sein geven van de buitenbedrijfstelling van de installatie voor de valorisatie van biogas en tot de afsluiting van de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie.
1° een voorziening voor de gedwongen verluchting van de verbrandingsinstallatie;
2° een vlamterugslagklep aangebracht tussen de installatie en de uitrustingen voor de productie van het biogas;
3° explosiemeters die in twee drempels voorzien :
a) een drempel van 20 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, een alarmsysteem in werking zet;
b) een drempel van 40 % van de laagste explosiviteitsgrens die, als hij bereikt wordt, de installatie automatisch buiten werking zet en de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie automatisch afsluit;
4° gekalibreerde rook- en branddetectoren die het sein geven van de buitenbedrijfstelling van de installatie voor de valorisatie van biogas en tot de afsluiting van de klep voor de biogasbevoorrading van de installatie.
Art. 20. Lorsque l'installation de biométhanisation est équipée d'une installation de valorisation de biogaz ayant pour objet de satisfaire aux besoins internes de l'établissement, l'installation est pourvue des dispositifs de sécurité suivants :
1° un dispositif de ventilation forcée de l'installation de combustion;
2° un dispositif anti-retour de flammes disposé entre l'installation et les équipements de production du biogaz;
3° des explosimètres prévoyant deux seuils :
a) un seuil de 20 % de la limite inférieure d'explosivité dont l'atteinte génère le déclenchement d'une alarme;
b) un seuil de 40 % de la limite inférieure d'explosivité dont l'atteinte engendre la mise à l'arrêt automatique de l'installation et la fermeture automatique de la vanne d'alimentation de l'installation en biogaz;
4° des détecteurs de fumée et d'incendie calibrés commandant la mise à l'arrêt de l'installation de valorisation de biogaz et la fermeture de la vanne d'alimentation de l'installation en biogaz.
1° un dispositif de ventilation forcée de l'installation de combustion;
2° un dispositif anti-retour de flammes disposé entre l'installation et les équipements de production du biogaz;
3° des explosimètres prévoyant deux seuils :
a) un seuil de 20 % de la limite inférieure d'explosivité dont l'atteinte génère le déclenchement d'une alarme;
b) un seuil de 40 % de la limite inférieure d'explosivité dont l'atteinte engendre la mise à l'arrêt automatique de l'installation et la fermeture automatique de la vanne d'alimentation de l'installation en biogaz;
4° des détecteurs de fumée et d'incendie calibrés commandant la mise à l'arrêt de l'installation de valorisation de biogaz et la fermeture de la vanne d'alimentation de l'installation en biogaz.
HOOFDSTUK III. - Exploitatie
CHAPITRE III. - Exploitation
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 21. De exploitant neemt maatregelen tot beperking van ongedierte, insecten en knaagdieren door het gebruik van erkende bestrijdingsmiddelen, van strikken of toegelaten gifmiddelen voor knaagdieren, door voorzieningen zoals dun roosterwerk, muggennetten, elektrische insectenbestrijdingsmiddelen of elk ander gelijkwaardig systeem.
Art. 21. L'exploitant prend des mesures pour limiter l'apparition de vermine, la pullulation d'insectes et la prolifération de rongeurs par l'utilisation de produits de lutte agréés, de pièges ou poisons autorisés pour les rongeurs, par des dispositifs tels que de fins grillages, des moustiquaires, des dispositifs insecticides électriques ou de tout autre système équivalent.
Art. 22. De wielen van de voertuigen die de biomethaniseringsinstallatie verlaten worden gereinigd om de openbare wegen schoon te houden.
Art. 22. Les roues des véhicules sortant de l'installation de biométhanisation sont nettoyées en vue de maintenir la propreté des voies publiques.
Art. 23. De contracten of overeenkomsten gesloten tussen de exploitant en de firma's of instellingen belast met de afvoer, valorisatie of verwijdering van de afval, behalve de digestaten gedekt door een gebruikscertificaat, bevatten de gegevens van de installaties waar ze verwijderd of gevaloriseerd worden.
Art. 23. Les contrats ou accords passés entre l'exploitant et les firmes ou organismes chargés de l'évacuation, de la valorisation ou de l'élimination des déchets, hormis les digestats couverts par un certificat d'utilisation, mentionnent les coordonnées des installations où ils sont éliminés ou valorisés.
Art. 24. § 1. De volgende procedures, documenten en instructies worden door de exploitant opgemaakt en ter beschikking van zijn bedienden gelegd :
1° de lijst van de te voeren controles, bij een normale werking, bij het opstarten en na een stopzetting;
2° het programma en de tijdstippen van de controle op alle uitrustingen;
3° de lijsten met de veiligheidsgegevens betreffende de producten die zich in de installatie bevinden;
4° de plannen van de lokalen en van de plaats van de alarm- en hulpapparatuur alsook de netwerken tussen uitrustingen met de handkleppen en drukknoppen die gebruikt moeten worden in geval van stoornissen, ongeval of brand;
5° het plan met de lokalisatie van de risico's en alle nuttige elementen betreffende de risico's i.v.m. de exploitatie van de installatie;
6° de maatregelen tot voorkoming van incidenten, ongevallen of brand, ondermeer i.v.m. :
a) de vorming van explosieve atmosferen gedurende de overgangsfasen van de exploitatie, met name bij het opstarten of heropstarten, de stopzetting of lediging van een gedeelte of van het geheel van de installatie, alsook tijdens overdrachts- of onderhoudshandelingen;
b) het gebruik en de opslag van chemische producten;
c) de dichtheid van de gistingstank(s), de leidingen en de retentievoorzieningen;
7° de instructies voor het personeel in geval van ongeval of brand.
§ 2. De exploitant maakt voor het beheer van de biomaterie een werkplan op dat de nodige instructies en procedures bevat met het oog op :
1° de organisatie van de aanneming, toelating, opslag en voorafgaande behandeling van de biomaterie;
2° de traceerbaarheid van de stromen biomaterie, digestaat en afval binnen de biomethaniseringsinstallatie en stroomafwaarts;
3° de organisatie van de nabehandeling, karakterisering en opslag van het digestaat en van de verwijdering van biomaterie, digestaat en afval;
4° de afvoer van de opgeslagen biomaterie en digestaten als de installatie of een deel ervan niet meer operationeel is.
De exploitant kan [1 de Administratie]1 vragen stellen over de in dit plan te verstrekken informatie.
§ 3. De procedures, documenten en instructies alsook het werkplan bedoeld in de paragrafen 1 en 2 liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar.
1° de lijst van de te voeren controles, bij een normale werking, bij het opstarten en na een stopzetting;
2° het programma en de tijdstippen van de controle op alle uitrustingen;
3° de lijsten met de veiligheidsgegevens betreffende de producten die zich in de installatie bevinden;
4° de plannen van de lokalen en van de plaats van de alarm- en hulpapparatuur alsook de netwerken tussen uitrustingen met de handkleppen en drukknoppen die gebruikt moeten worden in geval van stoornissen, ongeval of brand;
5° het plan met de lokalisatie van de risico's en alle nuttige elementen betreffende de risico's i.v.m. de exploitatie van de installatie;
6° de maatregelen tot voorkoming van incidenten, ongevallen of brand, ondermeer i.v.m. :
a) de vorming van explosieve atmosferen gedurende de overgangsfasen van de exploitatie, met name bij het opstarten of heropstarten, de stopzetting of lediging van een gedeelte of van het geheel van de installatie, alsook tijdens overdrachts- of onderhoudshandelingen;
b) het gebruik en de opslag van chemische producten;
c) de dichtheid van de gistingstank(s), de leidingen en de retentievoorzieningen;
7° de instructies voor het personeel in geval van ongeval of brand.
§ 2. De exploitant maakt voor het beheer van de biomaterie een werkplan op dat de nodige instructies en procedures bevat met het oog op :
1° de organisatie van de aanneming, toelating, opslag en voorafgaande behandeling van de biomaterie;
2° de traceerbaarheid van de stromen biomaterie, digestaat en afval binnen de biomethaniseringsinstallatie en stroomafwaarts;
3° de organisatie van de nabehandeling, karakterisering en opslag van het digestaat en van de verwijdering van biomaterie, digestaat en afval;
4° de afvoer van de opgeslagen biomaterie en digestaten als de installatie of een deel ervan niet meer operationeel is.
De exploitant kan [1 de Administratie]1 vragen stellen over de in dit plan te verstrekken informatie.
§ 3. De procedures, documenten en instructies alsook het werkplan bedoeld in de paragrafen 1 en 2 liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar.
Wijzigingen
Art. 24. § 1er. L'exploitant établit et tient en permanence à la disposition de ses employés les procédures, documents et instructions suivantes :
1° la liste des contrôles à effectuer, en marche normale, lors des phases de démarrage et à la suite d'un arrêt;
2° le programme et la fréquence de contrôle de tous les équipements;
3° les fiches de données de sécurité des produits présents dans l'installation;
4° les plans des locaux et de positionnement des équipements d'alerte et de secours ainsi que le schéma des réseaux entre équipements avec les vannes manuelles et boutons poussoirs à utiliser en cas de dysfonctionnement ou en cas d'accident ou d'incendie;
5° le plan de localisation des risques, et tous éléments utiles relatifs aux risques induits par l'exploitation de l'installation;
6° les mesures destinées à prévenir les incidents, accidents ou les incendies liés notamment à :
a) la formation d'atmosphères explosives pendant les phases transitoires d'exploitation, c'est-à -dire lors du démarrage ou du redémarrage, de l'arrêt ou de la vidange de tout ou partie de l'installation ainsi que lors des opérations de transfert ou d'entretien;
b) l'utilisation et le stockage de produits chimiques;
c) l'étanchéité du ou des digesteurs, des canalisations et des dispositifs de rétention;
7° les instructions destinées au personnel en cas d'accident ou d'incendie.
§ 2. L'exploitant établit un plan de travail pour la gestion des biomatières reprenant les instructions et les procédures nécessaires en vue :
1° d'organiser l'acceptation, l'admission, le stockage et le traitement préalable des biomatières;
2° d'assurer la traçabilité des flux de biomatières, de digestat et de déchets au sein de l'installation de biométhanisation et en aval de celle-ci;
3° d'organiser le post-traitement, la caractérisation et le stockage du digestat et l'enlèvement de biomatières, de digestat et des déchets;
4° d'assurer l'évacuation des biomatières et des digestats entreposés dans le cas où l'installation ou une partie de celle-ci n'est plus opérationnelle.
L'exploitant peut interroger [1 l'Administration]1 sur les informations Ă fournir dans ce plan.
§ 3. Les procédures, documents et instructions ainsi que le plan de travail visés aux paragraphes 1er et 2 sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance.
1° la liste des contrôles à effectuer, en marche normale, lors des phases de démarrage et à la suite d'un arrêt;
2° le programme et la fréquence de contrôle de tous les équipements;
3° les fiches de données de sécurité des produits présents dans l'installation;
4° les plans des locaux et de positionnement des équipements d'alerte et de secours ainsi que le schéma des réseaux entre équipements avec les vannes manuelles et boutons poussoirs à utiliser en cas de dysfonctionnement ou en cas d'accident ou d'incendie;
5° le plan de localisation des risques, et tous éléments utiles relatifs aux risques induits par l'exploitation de l'installation;
6° les mesures destinées à prévenir les incidents, accidents ou les incendies liés notamment à :
a) la formation d'atmosphères explosives pendant les phases transitoires d'exploitation, c'est-à -dire lors du démarrage ou du redémarrage, de l'arrêt ou de la vidange de tout ou partie de l'installation ainsi que lors des opérations de transfert ou d'entretien;
b) l'utilisation et le stockage de produits chimiques;
c) l'étanchéité du ou des digesteurs, des canalisations et des dispositifs de rétention;
7° les instructions destinées au personnel en cas d'accident ou d'incendie.
§ 2. L'exploitant établit un plan de travail pour la gestion des biomatières reprenant les instructions et les procédures nécessaires en vue :
1° d'organiser l'acceptation, l'admission, le stockage et le traitement préalable des biomatières;
2° d'assurer la traçabilité des flux de biomatières, de digestat et de déchets au sein de l'installation de biométhanisation et en aval de celle-ci;
3° d'organiser le post-traitement, la caractérisation et le stockage du digestat et l'enlèvement de biomatières, de digestat et des déchets;
4° d'assurer l'évacuation des biomatières et des digestats entreposés dans le cas où l'installation ou une partie de celle-ci n'est plus opérationnelle.
L'exploitant peut interroger [1 l'Administration]1 sur les informations Ă fournir dans ce plan.
§ 3. Les procédures, documents et instructions ainsi que le plan de travail visés aux paragraphes 1er et 2 sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Toegelaten biomaterie en stoffen
Section 2. - Biomatières et matières autorisées
Art. 25. Als het digestaat dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de biomethanisering alleen de additieven en de biomaterie toegelaten voor zover :
1° ze opgenomen zijn in de vergunning voor de biomethaniseringsinstallatie;
2° ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27;
3° ze op de in bijlage 1 opgenomen lijst vermeld worden, wat betreft de additieven en de biomaterie die afval vormen.
Als het digestaat dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de nabehandeling alleen de in de vergunning van de biomethaniseringsinstallatie vermelde materies toegelaten voor zover ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27.
1° ze opgenomen zijn in de vergunning voor de biomethaniseringsinstallatie;
2° ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27;
3° ze op de in bijlage 1 opgenomen lijst vermeld worden, wat betreft de additieven en de biomaterie die afval vormen.
Als het digestaat dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de nabehandeling alleen de in de vergunning van de biomethaniseringsinstallatie vermelde materies toegelaten voor zover ze voldoen aan de voorschriften van artikel 27.
Art. 25. Lorsque le digestat est destiné à être utilisé sur ou dans les sols, seuls sont autorisés dans la biométhanisation, les additifs et les biomatières dans la mesure où :
1° elles sont reprises dans le permis relatif à l'installation de biométhanisation;
2° elles respectent le prescrit de l'article 27;
3° pour celles constituant des déchets, elles sont visées dans la liste reprise à l'annexe 1re.
Lorsque le digestat est destiné à être utilisé sur ou dans les sols, seuls sont autorisées dans le post-traitement les matières énumérées dans le permis relatif à l'installation de biométhanisation dans la mesure où elles respectent le prescrit de l'article 27.
1° elles sont reprises dans le permis relatif à l'installation de biométhanisation;
2° elles respectent le prescrit de l'article 27;
3° pour celles constituant des déchets, elles sont visées dans la liste reprise à l'annexe 1re.
Lorsque le digestat est destiné à être utilisé sur ou dans les sols, seuls sont autorisées dans le post-traitement les matières énumérées dans le permis relatif à l'installation de biométhanisation dans la mesure où elles respectent le prescrit de l'article 27.
Art. 26. Als het digestaat niet dient om op of in de grond te worden gebruikt, dan worden in de biomethanisering en de nabehandeling alleen de in de vergunning van de biomethaniseringsinstallatie vermelde biomaterie en materies toegelaten die voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 1, 4 en 9 van artikel 27 van dit besluit.
Art. 26. Lorsque le digestat n'est pas destiné à être utilisé sur ou dans les sols, seules sont admises dans la biométhanisatisation et le post-traitement, les biomatières et matières énumérées dans le permis relatif à l'installation de biométhanisation respectant le prescrit des paragraphes 1er, 4 et 9 de l'article 27 du présent arrêté.
Art. 27. § 1. Alleen de biomaterie die ongevaarlijk geacht wordt overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus en de desbetreffende wijzigingen wordt in de biomethanisering toegelaten. Alleen de materies die ongevaarlijk geacht worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus en de desbetreffende wijzigingen worden tot de nabehandeling toegelaten.
§ 2. De biomatierie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling vertonen concentraties van metaalspoorelementen, " ETM " genoemd, die lager zijn dan de volgende grenswaarden :
Element grenswaarde in mg/kg M.S.
§ 2. De biomatierie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling vertonen concentraties van metaalspoorelementen, " ETM " genoemd, die lager zijn dan de volgende grenswaarden :
Element grenswaarde in mg/kg M.S.
Art. 27. § 1er. Seules les biomatières considérées comme non dangereuses conformément à l'arrêté du 10 juillet 1997 établissant un catalogue de déchets et de ses modifications sont admises dans la biométhanisation. Seules les matières considérées comme non dangereuses conformément à l'arrêté du 10 juillet 1997 établissant un catalogue de déchets et de ses modifications sont admises dans le post-traitement.
§ 2. Les biomatières entrant dans la biométhanisation et les matières utilisées dans le post-traitement présentent des concentrations en éléments traces métalliques, dénommé " ETM ", inférieures aux valeurs limites suivantes :
Elément Valeur limite en mg/kg M.S.
§ 2. Les biomatières entrant dans la biométhanisation et les matières utilisées dans le post-traitement présentent des concentrations en éléments traces métalliques, dénommé " ETM ", inférieures aux valeurs limites suivantes :
Elément Valeur limite en mg/kg M.S.
| Cd | 5 |
| Cu | 600 |
| Ni | 100 |
| Pb | 500 |
| Zn | 2 000 |
| Hg | 5 |
| Cr | 500 |
§ 3. Het slib uit zuiveringsstations dat tot de biomethanisering toegelaten wordt beschikt over een gebruikscertificaat afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 12 januari 1995 houdende reglementering van het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib of slib afkomsting van behandelingscentra voor slijk uit septische putten.
§ 4. De teelteffluenten die tot de biomethanisering toegelaten worden zijn het voorwerp van een strooicontract, zoals omschreven in hoofdstuk IV van Boek van het Milieuwetboek, dat het Waterboek inhoudt, tussen het landbouwbedrijf dat ze voortbrengt en de exploitant van de biomethaniseringsinstallatie.
§ 5. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling bevatten minder dan 0,2 percent gewicht aan vuildeeltjes zoals glas, kunststof, metaal. In geval van onmogelijkheid van technische aard wordt de biomethaniseringsinstallatie uitgerust met een zuiveringsinstallatie waarmee die norm betreffende het eindproduct nageleefd kan worden.
§ 6. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling bevatten minder dan 2 percent gewicht aan stenen. In geval van onmogelijkheid van technische aard wordt de biomethaniseringsinstallatie uitgerust met een zuiveringsinstallatie waarmee die norm betreffende het eindproduct nageleefd kan worden.
§ 7. Het hout dat bij de biomethanisering gebruikt wordt is niet behandeld.
§ 8. De additieven verbeteren de biomethanisering zonder de kwaliteit van het digestaat aan te tasten.
§ 9. De biomaterie gebruikt bij de biomethanisering en de materies gebruikt bij de nabehandeling mogen geen contaminanten bevatten in een dergelijke hoeveelheid dat ze de biomethanisering, de keten van de valorisatie of verwijdering van het digestaat op het spel zou kunnen zetten.
§ 10. Enkel de bepalingen van de paragrafen 1, 4 en 9 zijn van toepassing op de biomethaniseringsinstallaties die een digestaat voortbrengen dat niet voor valorisatie op of in de grond bestemd is.
| Cd | 5 |
| Cu | 600 |
| Ni | 100 |
| Pb | 500 |
| Zn | 2 000 |
| Hg | 5 |
| Cr | 500 |
§ 3. Les boues de station d'épuration admises dans la biométhanisation disposent d'un certificat d'utilisation délivré sur base de l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 janvier 1995 portant réglementation de l'utilisation sur ou dans les sols de boues d'épuration ou de boues issues de centres de traitement de gadoues de fosses septiques.
§ 4. Les effluents d'élevage admis dans la biométhanisation font l'objet d'un contrat d'épandage, tel que défini par le chapitre IV du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, entre l'exploitation agricole qui les génère et l'exploitant de l'installation de biométhanisation.
§ 5. Les biomatières entrant dans la biométhanisation et les matières utilisées dans le post-traitement contiennent moins de 0,2 pour cent en poids d'impuretés telles que le verre, le plastic, le métal. En cas d'impossibilité d'ordre technique, l'installation de biométhanisation sera équipée d'une installation d'affinage permettant de respecter cette norme sur le produit fini.
§ 6. Les biomatières entrant dans la biométhanisation et les matières utilisées dans le post-traitement contiennent moins de 2 pour cent en poids de pierres. En cas d'impossibilité d'ordre technique, l'installation de biométhanisation sera équipée d'une installation d'affinage permettant de respecter cette norme sur le produit fini.
§ 7. Les bois entrant dans la biométhanisation sont non traités.
§ 8. Les additifs améliorent la biométhanisation sans détériorer la qualité du digestat.
§ 9. Les biomatières entrant dans la biométhanisation et les matières utilisées dans le post-traitement ne peuvent pas contenir de contaminants en quantité telle qu'elle risque de compromettre la biométhanisation, la filière de valorisation ou d'élimination du digestat.
§ 10. Seules les dispositions des paragraphes 1er, 4 et 9 sont d'application pour les installations de biométhanisation générant un digestat non destiné à une valorisation sur ou dans les sols.
Afdeling 3. - Procedure tot eerste toelating van een biomaterie of materie
Section 3. - Procédure relative à la première admission d'une biomatière ou d'une matière
Art. 28. § 1. Vooraleer een biomaterie of een materie van een bepaalde producent of houder de eerste keer in de biomethaniseringsinstallatie wordt toegelaten, gaat de exploitant, op grond van de gegevens verstrekt door de producent of de houder van de biomaterie of materie, na of de materie of de biomaterie voldoet aan de voorschriften van de artikelen 25, 26 en 27, paragrafen 1 tot 4 en 7 tot 9 van dit besluit. Het betreft minimum de volgende gegevens :
1° de personalia van de producent;
2° de personalia van de ophaler;
3° de bestemmingslokatie;
4° de jaarlijkse hoeveelheden, de frequentie van de aankomsten, het geschatte aantal ton in kubiekmeter;
5° de aard en de benaming van de biomaterie of de materie en de referentiecode ervan op de in bijlage 1 opgenomen lijst van de afvalvormende biomaterie of, bij gebreke daarvan, de code zoals bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
6° de omschrijving van het productieproces;
7° de kenmerken van de biomaterie of van de materie, alsook de lijst van de potentiële vervuilingselementen die niet bedoeld worden in artikel 27, § 2;
8° de resultaten van analyses verricht door een laboratorium erkend krachtens het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en betreffende op zijn minst de metaalspoorelementen bedoeld in artikel 27 en, desgevallend, bovenbedoelde potentiële vervuilingselementen;
9° een rapport van het referentielaboratorium van het Waalse Gewest waaruit blijkt dat elke besmette biomaterie of materie ongevaarlijk is voor de gebruiks- of valorisatieketen.
In geval van twijfel over de kenmerken van de biomaterie of de materie of de toe te passen code, verzoekt de exploitant de " Office wallon des Déchets " om advies.
De exploitant mag de biomaterie of de materies van de producent of houder ervan niet aannemen als uit de in paragraaf 1 bedoelde gegevens blijkt dat ze niet voldoen aan de bepalingen van de artikelen 25, 26 en 27 van dit besluit. De exploitant geeft de producent of de houder van de biomaterie of materies schriftelijk kennis van zijn beslissing. Die kennisgeving kan beperkt worden tot de aangenomen biomaterie en materies.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de procedure tot voorafgaande aanneming niet van toepassing op :
1° groenafval;
2° onbehandeld boshout en houtafval van eerste verwerking;
3° gewassen en resten van gewassen;
4° huisafval uit selectief sorteren, noch op elke bereiding die eruit voortvloeit;
5° slib uit zuiveringsstations waarvoor een gebruiksattest wordt afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 12 januari 1995 houdende reglementering van het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib of slib afkomsting van behandelingscentra voor slijk uit septische putten;
6° afval gedekt door een gebruiksattest tot landbouwkundige valorisatie afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 14 juni 2001 waarbij de nuttige toepassing van sommige afvalstoffen bevorderd wordt;
7° teelteffluenten.
1° de personalia van de producent;
2° de personalia van de ophaler;
3° de bestemmingslokatie;
4° de jaarlijkse hoeveelheden, de frequentie van de aankomsten, het geschatte aantal ton in kubiekmeter;
5° de aard en de benaming van de biomaterie of de materie en de referentiecode ervan op de in bijlage 1 opgenomen lijst van de afvalvormende biomaterie of, bij gebreke daarvan, de code zoals bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;
6° de omschrijving van het productieproces;
7° de kenmerken van de biomaterie of van de materie, alsook de lijst van de potentiële vervuilingselementen die niet bedoeld worden in artikel 27, § 2;
8° de resultaten van analyses verricht door een laboratorium erkend krachtens het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en betreffende op zijn minst de metaalspoorelementen bedoeld in artikel 27 en, desgevallend, bovenbedoelde potentiële vervuilingselementen;
9° een rapport van het referentielaboratorium van het Waalse Gewest waaruit blijkt dat elke besmette biomaterie of materie ongevaarlijk is voor de gebruiks- of valorisatieketen.
In geval van twijfel over de kenmerken van de biomaterie of de materie of de toe te passen code, verzoekt de exploitant de " Office wallon des Déchets " om advies.
De exploitant mag de biomaterie of de materies van de producent of houder ervan niet aannemen als uit de in paragraaf 1 bedoelde gegevens blijkt dat ze niet voldoen aan de bepalingen van de artikelen 25, 26 en 27 van dit besluit. De exploitant geeft de producent of de houder van de biomaterie of materies schriftelijk kennis van zijn beslissing. Die kennisgeving kan beperkt worden tot de aangenomen biomaterie en materies.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de procedure tot voorafgaande aanneming niet van toepassing op :
1° groenafval;
2° onbehandeld boshout en houtafval van eerste verwerking;
3° gewassen en resten van gewassen;
4° huisafval uit selectief sorteren, noch op elke bereiding die eruit voortvloeit;
5° slib uit zuiveringsstations waarvoor een gebruiksattest wordt afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 12 januari 1995 houdende reglementering van het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib of slib afkomsting van behandelingscentra voor slijk uit septische putten;
6° afval gedekt door een gebruiksattest tot landbouwkundige valorisatie afgeleverd op basis van het besluit van de Waalse Regering van 14 juni 2001 waarbij de nuttige toepassing van sommige afvalstoffen bevorderd wordt;
7° teelteffluenten.
Art. 28. § 1er. Préalablement à la première admission, dans l'installation de biométhanisation, d'une biomatière ou d'une matière provenant d'un producteur ou d'un détenteur déterminé, l'exploitant examine si la matière ou biomatière respecte le prescrit des articles 25, 26 et 27, paragraphes 1er à 4 et 7 à 9 du présent arrêté en se fondant sur les données transmises par le producteur ou le détenteur de la biomatière ou matière. Les données sont au minimum les suivantes :
1° les coordonnées du producteur;
2° les coordonnées du collecteur;
3° le site d'expédition;
4° les quantités annuelles, la fréquence des arrivages, le tonnage et le cubage estimés;
5° la nature ou la dénomination de la biomatière ou de la matière et son code en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re ou, à défaut, le code tel que prévu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets;
6° le descriptif du processus de production;
7° les caractéristiques de la biomatière ou de la matière ainsi que la liste des éléments contaminants potentiels, autres que ceux listés à l'article 27, § 2;
8° des résultats d'analyses réalisées par un laboratoire agréé en vertu du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets portant au minimum sur les éléments traces métalliques définis à l'article 27 et, s'il échet, sur les éléments contaminants potentiels susvisés;
9° un rapport du laboratoire de référence de la Région wallonne prouvant l'innocuité, pour la filière d'utilisation, de valorisation, de toute biomatière ou matière contaminée.
En cas de doute sur les caractéristiques de la biomatière ou de la matière ou le code à appliquer, l'exploitant sollicite l'avis de l'Office wallon des déchets.
L'exploitant ne peut pas accepter la biomatière ou la matière provenant du producteur ou du détenteur de celle-ci dans le cas où il résulterait des données visées au paragraphe 1er qu'elle ne respecterait pas le prescrit des articles 25, 26 et 27 du présent arrêté. L'exploitant notifie par écrit sa décision au producteur ou au détenteur de la biomatière ou de la matière. Cette notification peut être limitée aux biomatières et matières acceptées.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la procédure d'acceptation préalable ne s'applique pas pour :
1° les déchets verts;
2° le bois forestier et les déchets de bois non traités de première transformation;
3° les cultures et les résidus de culture;
4° les déchets ménagers issus du tri sélectif ainsi que toute préparation qui en résulte;
5° les boues de station d'épuration bénéficiant d'un certificat d'utilisation délivré sur base de l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 janvier 1995 portant réglementation de l'utilisation sur ou dans les sols de boues d'épuration ou de boues issues de centres de traitement de gadoues de fosses septiques;
6° les déchets couverts par un certificat d'utilisation visant la valorisation agricole délivré sur base de l'arrêté du Gouvernement wallon du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets;
7° les effluents d'élevage.
1° les coordonnées du producteur;
2° les coordonnées du collecteur;
3° le site d'expédition;
4° les quantités annuelles, la fréquence des arrivages, le tonnage et le cubage estimés;
5° la nature ou la dénomination de la biomatière ou de la matière et son code en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re ou, à défaut, le code tel que prévu par l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets;
6° le descriptif du processus de production;
7° les caractéristiques de la biomatière ou de la matière ainsi que la liste des éléments contaminants potentiels, autres que ceux listés à l'article 27, § 2;
8° des résultats d'analyses réalisées par un laboratoire agréé en vertu du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets portant au minimum sur les éléments traces métalliques définis à l'article 27 et, s'il échet, sur les éléments contaminants potentiels susvisés;
9° un rapport du laboratoire de référence de la Région wallonne prouvant l'innocuité, pour la filière d'utilisation, de valorisation, de toute biomatière ou matière contaminée.
En cas de doute sur les caractéristiques de la biomatière ou de la matière ou le code à appliquer, l'exploitant sollicite l'avis de l'Office wallon des déchets.
L'exploitant ne peut pas accepter la biomatière ou la matière provenant du producteur ou du détenteur de celle-ci dans le cas où il résulterait des données visées au paragraphe 1er qu'elle ne respecterait pas le prescrit des articles 25, 26 et 27 du présent arrêté. L'exploitant notifie par écrit sa décision au producteur ou au détenteur de la biomatière ou de la matière. Cette notification peut être limitée aux biomatières et matières acceptées.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la procédure d'acceptation préalable ne s'applique pas pour :
1° les déchets verts;
2° le bois forestier et les déchets de bois non traités de première transformation;
3° les cultures et les résidus de culture;
4° les déchets ménagers issus du tri sélectif ainsi que toute préparation qui en résulte;
5° les boues de station d'épuration bénéficiant d'un certificat d'utilisation délivré sur base de l'arrêté du Gouvernement wallon du 12 janvier 1995 portant réglementation de l'utilisation sur ou dans les sols de boues d'épuration ou de boues issues de centres de traitement de gadoues de fosses septiques;
6° les déchets couverts par un certificat d'utilisation visant la valorisation agricole délivré sur base de l'arrêté du Gouvernement wallon du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets;
7° les effluents d'élevage.
Afdeling 4. - Toelating tot de biomethaniseringsinstallatie
Section 4. - Admission dans l'installation de biométhanisation
Art. 29. Met uitzondering van de biomaterie die als gevolg van een noodinterventie toegelaten wordt, mogen de opname van de biomaterie, materies of additieven in de biomethaniseringsinstallatie, de afvoer van de afval en de levering van het digestaat niet plaatsvinden buiten de openingstijden waarin de bijzondere voorwaarden voorzien.
Art. 29. A l'exception des biomatières qui sont admises suite à une intervention d'urgence, l'admission dans l'installation de biométhanisation des biomatières, matières ou additifs, l'évacuation des déchets et la fourniture de digestat ne peuvent pas avoir lieu en dehors des heures d'ouverture fixées par les conditions particulières.
Art. 30. Als een weegbrug vereist wordt krachtens artikel 10, worden de voertuigen die de biomethaniseringsinstallatie binnnenrijden of verlaten op de weegbrug gewogen. Een afschrift van de weegstaat wordt aan de bestuurder van het voertuig afgegeven.
Art. 30. Lorsqu'un pont-bascule est exigé en vertu de l'article 10, les véhicules entrant et sortant de l'installation de biométhanisation passent obligatoirement par le pont-bascule afin de se faire peser. Une copie du bordereau de pesée est délivrée au conducteur du véhicule.
Art. 31. Bij hun opname in de biomethaniseringsinstallatie worden de krachtens de artikelen 25 tot 27 toegelaten en krachtens artikel 28 vooraf aangenomen biomaterie of materies gecontroleerd door de exploitant of door zijn aangestelde.
De controle slaat op :
1° de door de registratie van de afvalvervoerders opgelegde documenten vereist krachtens artikel 10 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
2° de documenten vereist krachtens Verordening EG nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
3° de inhoud van het aankomende voertuig om de aard en de herkomst van de biomaterie of materies te controleren.
De exploitant of zijn aangestelde kan die biomaterie of materies desnoods aan analyses onderwerpen.
De controle slaat op :
1° de door de registratie van de afvalvervoerders opgelegde documenten vereist krachtens artikel 10 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
2° de documenten vereist krachtens Verordening EG nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
3° de inhoud van het aankomende voertuig om de aard en de herkomst van de biomaterie of materies te controleren.
De exploitant of zijn aangestelde kan die biomaterie of materies desnoods aan analyses onderwerpen.
Art. 31. Lors de leur admission dans l'installation de biométhanisation, les biomatières ou matières autorisées en vertu des articles 25 à 27 et acceptées préalablement en vertu de l'article 28 sont contrôlées par l'exploitant ou son préposé.
Le contrĂ´le porte sur :
1° les documents imposés par l'enregistrement des transporteurs de déchets requis en vertu de l'article 10 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
2° les documents exigés en vertu du Règlement CE n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets;
3° le contenu du véhicule entrant afin de vérifier la nature et l'origine des biomatières ou matières.
Si nécessaire, l'exploitant ou son préposé peut effectuer des analyses sur ses biomatières ou matières.
Le contrĂ´le porte sur :
1° les documents imposés par l'enregistrement des transporteurs de déchets requis en vertu de l'article 10 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
2° les documents exigés en vertu du Règlement CE n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets;
3° le contenu du véhicule entrant afin de vérifier la nature et l'origine des biomatières ou matières.
Si nécessaire, l'exploitant ou son préposé peut effectuer des analyses sur ses biomatières ou matières.
Art. 32. § 1. Als de biomaterie of de materies niet toegelaten worden in de biomethaniseringsinstallatie, verwittigt de exploitant zo spoedig mogelijk [1 het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 per fax of e-mail, overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
De exploitant verstrekt de volgende informatie :
1° de aard, hoeveelheid en herkomst van de geweigerde biomaterie of materies en de code ervan;
2° de reden voor de weigering;
3° de naam en het adres van de vervoerder, de producent en, desgevallend, de houder van de biomaterie of materies;
4° her inschrijvingsnummer van het voertuig of elk middel tot identificering ervan;
5° desgevallend, een afschrift van het document "commission marchandise par route" (" CMR " genoemd) of elk ander document opgemaakt door de exploitant van de biomethaniseringsinstallatie waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie of materies gegarandeerd wordt;
6° de overwogen bestemming van de geweigerde biomaterie of materies.
De geweigerde biomaterie of materies blijven drie uur lang staan in een daartoe bestemde dichte ruimte bedoeld in artikel 6, te rekenen vanaf de verzending van de fax of de e-mail [1 naar het Departement Bodem en Afvalstoffen]1, of worden onmiddellijk afgevoerd naar een vergund sorteer-, hergroeperings-, valorisatie- of verwijderingscentrum.
§ 2. Bij gebrek aan reactie van [1 het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 binnen drie uur na de verzending van de fax of de e-mail, wordt de afvoer van de afval toegelaten.
De exploitant verstrekt de volgende informatie :
1° de aard, hoeveelheid en herkomst van de geweigerde biomaterie of materies en de code ervan;
2° de reden voor de weigering;
3° de naam en het adres van de vervoerder, de producent en, desgevallend, de houder van de biomaterie of materies;
4° her inschrijvingsnummer van het voertuig of elk middel tot identificering ervan;
5° desgevallend, een afschrift van het document "commission marchandise par route" (" CMR " genoemd) of elk ander document opgemaakt door de exploitant van de biomethaniseringsinstallatie waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie of materies gegarandeerd wordt;
6° de overwogen bestemming van de geweigerde biomaterie of materies.
De geweigerde biomaterie of materies blijven drie uur lang staan in een daartoe bestemde dichte ruimte bedoeld in artikel 6, te rekenen vanaf de verzending van de fax of de e-mail [1 naar het Departement Bodem en Afvalstoffen]1, of worden onmiddellijk afgevoerd naar een vergund sorteer-, hergroeperings-, valorisatie- of verwijderingscentrum.
§ 2. Bij gebrek aan reactie van [1 het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 binnen drie uur na de verzending van de fax of de e-mail, wordt de afvoer van de afval toegelaten.
Wijzigingen
Art. 32. § 1er. Lorsque des biomatières ou des matières ne sont pas admises dans l'installation de biométhanisation, l'exploitant en avise dans les plus brefs délais [1 le Département du Sol et des Déchets]1, par télécopie ou messagerie électronique conformément à l'alinéa 2 du présent article.
L'exploitant transmet les informations suivantes :
1° la nature, la quantité et l'origine des biomatières ou des matières refusées et leur code;
2° le motif du refus;
3° les noms et adresses du transporteur, du producteur et, le cas échéant, du détenteur des biomatières ou des matières;
4° le numéro d'immatriculation ou tout mode d'identification du véhicule;
5° s'il échet, une copie du document "commission marchandise par route" dénommé " CMR " ou tout autre document rédigé par l'exploitant de l'installation de biométhanisation garantissant la traçabilité des biomatières ou des matières;
6° la destination envisagée pour les biomatières ou les matières refusées.
Les biomatières ou les matières refusées demeurent soit immobilisés sur une aire étanche destinée à cet effet et visée à l'article 6 pendant un délai de trois heures à compter de l'envoi de la télécopie ou du message électronique [1 au Département du Sol et des Déchets]1, soit sont évacuées directement vers un centre de tri ou de regroupement, de valorisation ou d'élimination autorisé.
§ 2. En l'absence de réaction [1 du Département du Sol et des Déchets]1 dans un délai de trois heures suivant l'envoi de la télécopie ou du message électronique, l'évacuation de ces déchets est autorisée.
L'exploitant transmet les informations suivantes :
1° la nature, la quantité et l'origine des biomatières ou des matières refusées et leur code;
2° le motif du refus;
3° les noms et adresses du transporteur, du producteur et, le cas échéant, du détenteur des biomatières ou des matières;
4° le numéro d'immatriculation ou tout mode d'identification du véhicule;
5° s'il échet, une copie du document "commission marchandise par route" dénommé " CMR " ou tout autre document rédigé par l'exploitant de l'installation de biométhanisation garantissant la traçabilité des biomatières ou des matières;
6° la destination envisagée pour les biomatières ou les matières refusées.
Les biomatières ou les matières refusées demeurent soit immobilisés sur une aire étanche destinée à cet effet et visée à l'article 6 pendant un délai de trois heures à compter de l'envoi de la télécopie ou du message électronique [1 au Département du Sol et des Déchets]1, soit sont évacuées directement vers un centre de tri ou de regroupement, de valorisation ou d'élimination autorisé.
§ 2. En l'absence de réaction [1 du Département du Sol et des Déchets]1 dans un délai de trois heures suivant l'envoi de la télécopie ou du message électronique, l'évacuation de ces déchets est autorisée.
Wijzigingen
Art. 33. De exploitant houdt een register van de biomaterie en materies die in de biomethaniseringsinstallatie aankomen, waarin dagelijks de volgende gegevens opgenomen worden :
1° het volgordenummer van elke aanvoer;
2° de aanvoerdatum;
3° de aard/benaming en de code, met verwijzing naar de in bijlage opgenomen lijst van de biomaterie die afval vormt;
4° de personalia van de producent, ophaler en vervoerder;
5° het registratienummer van de ophaler en de vervoerder;
6° desgevallend de gegevens van de installatie waar de biomaterie tijdelijk opgeslagen of behandeld wordt en het soort behandeling;
7° het nettogewicht als het berekend werd, de weegstaat of het volume van elke aanvoer;
8° desgevallend, de melding en de reden voor de weigering alsook elk evenement i.v.m. de milieubescherming en de veiligheid van de buurt, samen met de overwogen bestemming;
9° desgevallend, het nummer van het vervoersdocument "CMR" of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie gegarandeerd wordt.
1° het volgordenummer van elke aanvoer;
2° de aanvoerdatum;
3° de aard/benaming en de code, met verwijzing naar de in bijlage opgenomen lijst van de biomaterie die afval vormt;
4° de personalia van de producent, ophaler en vervoerder;
5° het registratienummer van de ophaler en de vervoerder;
6° desgevallend de gegevens van de installatie waar de biomaterie tijdelijk opgeslagen of behandeld wordt en het soort behandeling;
7° het nettogewicht als het berekend werd, de weegstaat of het volume van elke aanvoer;
8° desgevallend, de melding en de reden voor de weigering alsook elk evenement i.v.m. de milieubescherming en de veiligheid van de buurt, samen met de overwogen bestemming;
9° desgevallend, het nummer van het vervoersdocument "CMR" of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid van de biomaterie gegarandeerd wordt.
Art. 33. L'exploitant tient un registre des entrées des biomatières et des matières dans l'installation de biométhanisation, où sont consignées, quotidiennement, les informations suivantes :
1° le numéro d'ordre de chaque arrivage;
2° la date de l'arrivage;
3° la nature/dénomination et le code, en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re;
4° les coordonnées du producteur, du collecteur et du transporteur;
5° le numéro d'enregistrement du collecteur et du transporteur;
6° le cas échéant les coordonnées de l'installation dans laquelle les biomatières ont été entreposées temporairement ou traitées, et la nature du traitement opéré;
7° le poids net, s'il a été déterminé, le bon de pesage ou le volume de chaque arrivage;
8° s'il échet, la mention et le motif du refus ainsi que tout événement en relation avec la protection de l'environnement et la sécurité du voisinage, complétés de la destination envisagée;
9° s'il échet, le numéro du document de transport CMR ou tout autre document rédigé par l'exploitant garantissant la traçabilité des biomatières.
1° le numéro d'ordre de chaque arrivage;
2° la date de l'arrivage;
3° la nature/dénomination et le code, en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re;
4° les coordonnées du producteur, du collecteur et du transporteur;
5° le numéro d'enregistrement du collecteur et du transporteur;
6° le cas échéant les coordonnées de l'installation dans laquelle les biomatières ont été entreposées temporairement ou traitées, et la nature du traitement opéré;
7° le poids net, s'il a été déterminé, le bon de pesage ou le volume de chaque arrivage;
8° s'il échet, la mention et le motif du refus ainsi que tout événement en relation avec la protection de l'environnement et la sécurité du voisinage, complétés de la destination envisagée;
9° s'il échet, le numéro du document de transport CMR ou tout autre document rédigé par l'exploitant garantissant la traçabilité des biomatières.
Afdeling 5. - Traceerbaarheid in de biomethaniseringsinstallatie
Section 5. - Traçabilité dans l'installation de biométhanisation
Art. 34. § 1. De exploitant voert een systeem in voor de opvolging van de bewegingen van de biomaterie, materies en digestaten binnen de biomethaniseringsinstallatie. Het systeem zogt ervoor dat de verschillende exploitatiefasen binnen de installatie gescheiden worden en garandeert de traceerbaarheid wat betreft de herkomst en de bestemming van de biomaterie, materies en digestaten.
§ 2. De exploitant is elk ogenblijk in staat :
1° om de samenstelling te bepalen inzake biomaterie en materies van de gistingstanks, de opslagkuipen en de partijen digestaat in afwachting van afvoer;
2° om de kwalitatieve en kwantitatieve kenmerken van de partijen digestaat te bepalen.
§ 2. De exploitant is elk ogenblijk in staat :
1° om de samenstelling te bepalen inzake biomaterie en materies van de gistingstanks, de opslagkuipen en de partijen digestaat in afwachting van afvoer;
2° om de kwalitatieve en kwantitatieve kenmerken van de partijen digestaat te bepalen.
Art. 34. § 1er. L'exploitant met en place un système de suivi des mouvements des biomatières, des matières et des digestats au sein de l'installation de biométhanisation. Le système assure le cloisonnement des différentes phases d'exploitation au sein de l'installation et garantit la traçabilité concernant l'origine et la destination des biomatières, des matières et des digestats.
§ 2. A tout moment, l'exploitant est en mesure de déterminer :
1° la composition en termes de biomatières et de matières des digesteurs, des cuves de stockage et des lots digestats en attente d'évacuation;
2° les caractéristiques qualitatives et quantitatives des lots de digestat.
§ 2. A tout moment, l'exploitant est en mesure de déterminer :
1° la composition en termes de biomatières et de matières des digesteurs, des cuves de stockage et des lots digestats en attente d'évacuation;
2° les caractéristiques qualitatives et quantitatives des lots de digestat.
Afdeling 6. - Opvolging van de biomethanisering
Section 6. - Suivi de la biométhanisation
Art. 35. § 1. Voor de fasen van voorafgaande behandeling, biomethanisering en nabehandeling wordt voorzien in een technologische opvolging die minimum de volgende parameters betreft :
1° de temperatuur gemeten in C° en continu, behalve gedurende de preliminaire vermalingsfase;
2° de verblijfstijd;
3° de biogasstroom, continu gemeten;
4° de biogasdruk, continu gemeten.
§ 2. De bijzondere voorwaarden kunnen opleggen dat de resultaten van de monitoring geregistreerd, verwerkt en voorgesteld worden zodat de toezichthoudend ambtenaar kan nagaan of de exploitatievoorwaarden en de in de vergunning voorgeschreven emissiegrenswaarden nageleefd worden.
1° de temperatuur gemeten in C° en continu, behalve gedurende de preliminaire vermalingsfase;
2° de verblijfstijd;
3° de biogasstroom, continu gemeten;
4° de biogasdruk, continu gemeten.
§ 2. De bijzondere voorwaarden kunnen opleggen dat de resultaten van de monitoring geregistreerd, verwerkt en voorgesteld worden zodat de toezichthoudend ambtenaar kan nagaan of de exploitatievoorwaarden en de in de vergunning voorgeschreven emissiegrenswaarden nageleefd worden.
Art. 35. § 1er. Un suivi technologique des phases de traitement préalable, de biométhanisation et de post-traitement est mis en place et porte au minimum sur les paramètres suivants :
1° la température mesurée en °C et en continu hormis durant la phase de broyage préliminaire;
2° le temps de séjour;
3° le flux de biogaz, mesuré en continu;
4° la pression du biogaz, mesurée en continu.
§ 2. Les conditions particulières peuvent imposer que les résultats de la surveillance soient enregistrés, traités et présentés de manière à permettre au fonctionnaire chargé de la surveillance de vérifier que les conditions d'exploitation et les valeurs limites d'émission prescrites dans le permis sont respectées.
1° la température mesurée en °C et en continu hormis durant la phase de broyage préliminaire;
2° le temps de séjour;
3° le flux de biogaz, mesuré en continu;
4° la pression du biogaz, mesurée en continu.
§ 2. Les conditions particulières peuvent imposer que les résultats de la surveillance soient enregistrés, traités et présentés de manière à permettre au fonctionnaire chargé de la surveillance de vérifier que les conditions d'exploitation et les valeurs limites d'émission prescrites dans le permis sont respectées.
Afdeling 7. - Digestaat
Section 7. - Digestat
Art. 36. § 1. Elke partij digestaat bestemd om in of op de grond te worden gebruikt wordt door een analyse gekarakteriseerd.
Als de digestaten opgeslagen worden in een opslagkuip met een inhoud van meer dan 3 000 m3, wordt de partij gekarakteriseerd door het gemiddelde van twee analyses.
§ 2. De afnemingen en monsternemingen worden uitgevoerd overeenkomstig de modaliteiten omschreven in het " CWEA ". De methodes inzake de afneming, monsterneming, bewaring, voorbereiding en analyse van de monsters worden door het " CWEA " bepaald.
De analyses worden verricht door een laboratorium dat voor afvalanalyse in het Waalse Gewest erkend is overeenkomstig de artikelen R.95 en volgende van Boek I van het Milieuwetboek, met inachtneming van de modaliteiten omschreven in het " CWEA ".
§ 3. De analyses betreffen op zijn minst de parameters omschreven in bijlage 2. De analyseverslagen waarvan de minimuminhoud in bijlage 2 omschreven wordt, worden door de exploitant op de bedrijfszetel bewaard.
Als de digestaten opgeslagen worden in een opslagkuip met een inhoud van meer dan 3 000 m3, wordt de partij gekarakteriseerd door het gemiddelde van twee analyses.
§ 2. De afnemingen en monsternemingen worden uitgevoerd overeenkomstig de modaliteiten omschreven in het " CWEA ". De methodes inzake de afneming, monsterneming, bewaring, voorbereiding en analyse van de monsters worden door het " CWEA " bepaald.
De analyses worden verricht door een laboratorium dat voor afvalanalyse in het Waalse Gewest erkend is overeenkomstig de artikelen R.95 en volgende van Boek I van het Milieuwetboek, met inachtneming van de modaliteiten omschreven in het " CWEA ".
§ 3. De analyses betreffen op zijn minst de parameters omschreven in bijlage 2. De analyseverslagen waarvan de minimuminhoud in bijlage 2 omschreven wordt, worden door de exploitant op de bedrijfszetel bewaard.
Art. 36. § 1er. Chaque lot de digestat destiné à être utilisé dans ou sur les sols est caractérisé par une analyse.
Lorsque les digestats sont entreposés dans une cuve de stockage d'un volume supérieur à 3 000 m3, le lot est caractérisé par la moyenne de deux analyses.
§ 2. Les prélèvements et l'échantillonnage sont réalisés conformément aux modalités définies dans le CWEA. Les méthodes de prélèvement, d'échantillonnage, de conservation, de préparation et d'analyse des échantillons sont établies par le CWEA.
Les analyses sont réalisées par un laboratoire agréé pour l'analyse des déchets en Région wallonne conformément aux articles R.95 et suivants du Livre Ier du Code de l'Environnement, conformément aux modalités définies dans le CWEA.
§ 3. Les analyses portent au minimum sur les paramètres définis à l'annexe 2. Les bulletins d'analyses dont le contenu minimum est défini à l'annexe 2 sont conservés par l'exploitant au siège d'exploitation.
Lorsque les digestats sont entreposés dans une cuve de stockage d'un volume supérieur à 3 000 m3, le lot est caractérisé par la moyenne de deux analyses.
§ 2. Les prélèvements et l'échantillonnage sont réalisés conformément aux modalités définies dans le CWEA. Les méthodes de prélèvement, d'échantillonnage, de conservation, de préparation et d'analyse des échantillons sont établies par le CWEA.
Les analyses sont réalisées par un laboratoire agréé pour l'analyse des déchets en Région wallonne conformément aux articles R.95 et suivants du Livre Ier du Code de l'Environnement, conformément aux modalités définies dans le CWEA.
§ 3. Les analyses portent au minimum sur les paramètres définis à l'annexe 2. Les bulletins d'analyses dont le contenu minimum est défini à l'annexe 2 sont conservés par l'exploitant au siège d'exploitation.
Afdeling 8. - Afvoer
Section 8. - Sortie
Art. 37. De exploitant houdt een register van de partijen digestaat en van de afval die afgevoerd worden, met dagelijks, per afvoer en per datum, de volgende gegevens :
1° de aard, de benaming, de code van de afval zoals vastgelegd bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
2° het afvoernummer van de partij digestaat;
3° het gewicht of volume en, desgevallend, het nummer van de weegbon;
4° de personalia van de vervoerder;
5° de volledige personalia van de bestemmeling(en) met gewichtsverdeling;
6° desgevallend, het nummer van het "CMR"-vervoer of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid gegarandeerd wordt;
7° de bestemming.
De analyseverslagen betreffende de partijen digestaat worden door de exploitant opgenomen in het afvoerregister bedoeld in het eerste lid zodra ze in ontvangst genomen worden.
1° de aard, de benaming, de code van de afval zoals vastgelegd bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
2° het afvoernummer van de partij digestaat;
3° het gewicht of volume en, desgevallend, het nummer van de weegbon;
4° de personalia van de vervoerder;
5° de volledige personalia van de bestemmeling(en) met gewichtsverdeling;
6° desgevallend, het nummer van het "CMR"-vervoer of elk ander door de exploitant opgemaakt document waarbij de traceerbaarheid gegarandeerd wordt;
7° de bestemming.
De analyseverslagen betreffende de partijen digestaat worden door de exploitant opgenomen in het afvoerregister bedoeld in het eerste lid zodra ze in ontvangst genomen worden.
Art. 37. L'exploitant tient un registre des sorties des lots de digestat et des déchets où sont consignées, quotidiennement, pour chaque sortie et par date, les informations suivantes :
1° la nature, la dénomination, le code des déchets tels que fixés par arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue de déchets;
2° le numéro de sortie du lot de digestat;
3° le poids ou le volume, et, le cas échéant, le numéro du bon de pesage;
4° les coordonnées du transporteur;
5° les coordonnées complètes du ou des destinataires avec répartition pondérale;
6° s'il échet, le numéro du transport CMR ou tout autre document rédigé par l'exploitant garantissant la traçabilité;
7° la destination.
Les bulletins d'analyse des lots de digestat sont intégrés par l'exploitant dans le registre de sortie visé à l'alinéa 1er dès leur réception.
1° la nature, la dénomination, le code des déchets tels que fixés par arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue de déchets;
2° le numéro de sortie du lot de digestat;
3° le poids ou le volume, et, le cas échéant, le numéro du bon de pesage;
4° les coordonnées du transporteur;
5° les coordonnées complètes du ou des destinataires avec répartition pondérale;
6° s'il échet, le numéro du transport CMR ou tout autre document rédigé par l'exploitant garantissant la traçabilité;
7° la destination.
Les bulletins d'analyse des lots de digestat sont intégrés par l'exploitant dans le registre de sortie visé à l'alinéa 1er dès leur réception.
HOOFDSTUK IV. - Preventie van ongevallen en brand
CHAPITRE IV. - Prévention des accidents et des incendies
Art. 38. Voor de tenuitvoerlegging van het project en voor elke wijziging van de plaats en de omstandigheden raadpleegt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst over de te treffen maatregelen en tot stand te brengen uitrustingen inzake brandpreventie en -bestrijding en ontploffingen, met inachtneming van de bescherming van het publiek en het leefmilieu. De exploitant richt zich naar de aanbevelingen van de territoriaal bevoegde brandweerdienst.
De door de territoriaal bevoegde brandweerdienst opgemaakte rapporten worden door de exploitant ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar gelegd.
De door de territoriaal bevoegde brandweerdienst opgemaakte rapporten worden door de exploitant ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar gelegd.
Art. 38. Avant la mise en oeuvre du projet et avant chaque modification des lieux et des circonstances, l'exploitant consulte le service d'incendie territorialement compétent sur les mesures à prendre et les équipements à mettre en oeuvre en matière de prévention et de lutte contre les incendies et les explosions, dans le respect de la protection du public et de l'environnement. L'exploitant se conforme aux recommandations du service d'incendie territorialement compétent.
Les rapports rédigés par le service d'incendie territorialement compétent sont mis à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance par l'exploitant.
Les rapports rédigés par le service d'incendie territorialement compétent sont mis à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance par l'exploitant.
Art. 39. De exploitant vergewist zich van de dichtheid van de gistingstank(s), van de leidingen van de gistingstank(s) waar biogas langs komt en van de beschermingsuitrustingen tegen over- en onderdruk voor of bij het opstarten alsook bij elk heropstarten na een interventie die de dichtheid ervan kan aantasten.
De uitvoering van de controle en de resultaten ervan worden op schrift gesteld.
De uitvoering van de controle en de resultaten ervan worden op schrift gesteld.
Art. 39. L'exploitant s'assure de l'étanchéité du ou des digesteurs, des canalisations du ou des digesteurs par lesquelles transite du biogaz et des équipements de protection contre les surpressions et les sous-pressions avant le ou lors du démarrage ainsi qu'à chaque redémarrage consécutif à une intervention susceptible de porter atteinte à leur étanchéité.
L'exécution du contrôle et ses résultats sont consignés.
L'exécution du contrôle et ses résultats sont consignés.
Art. 40. Bij het opstarten of heropstarten alsook bij de stillegging of de lediging van het geheel of van een gedeelte van de installatie neemt de exploitant de nodige maatregelen om gevaar voor vorming van explosieve atmosferen te beperken.
Gedurende die fasen is elke handeling of interventie verboden die het ontploffingsrisico kan verhogen.
Alle toevallige uitstoten in de lucht van ontvlambare gassen zoals de uitgangen van veiligheidsorganen worden overeenkomstig artikel 24 opgespoord.
Om de risico's i.v.m. het toevallig vrijmaken van ontvlambare gassen te voorkomen, vergewist de exploitant zich ervan dat de uitstroomopening ontworpen en uitgevoerd is om een snelle dilutie mogelijk te maken bij een concentratie lager dan de ontvlambaarheidsgrens.
Gedurende die fasen is elke handeling of interventie verboden die het ontploffingsrisico kan verhogen.
Alle toevallige uitstoten in de lucht van ontvlambare gassen zoals de uitgangen van veiligheidsorganen worden overeenkomstig artikel 24 opgespoord.
Om de risico's i.v.m. het toevallig vrijmaken van ontvlambare gassen te voorkomen, vergewist de exploitant zich ervan dat de uitstroomopening ontworpen en uitgevoerd is om een snelle dilutie mogelijk te maken bij een concentratie lager dan de ontvlambaarheidsgrens.
Art. 40. Lors du démarrage ou du redémarrage ainsi que lors de l'arrêt ou de la vidange de tout ou partie de l'installation, l'exploitant prend les dispositions nécessaires pour limiter les risques de formation d'atmosphères explosives.
Pendant ces phases, toute opération ou intervention de nature à accentuer le risque d'explosion est interdite.
Toutes les mises à l'air accidentelles de gaz inflammables telles que les sorties d'organes de sécurité sont identifiées conformément à l'article 24.
Afin d'éviter les risques liés à la libération accidentelle de gaz inflammables, l'exploitant s'assure que l'orifice de fuite est conçu et réalisé pour garantir une dilution rapide à une concentration inférieure à la limite d'inflammabilité.
Pendant ces phases, toute opération ou intervention de nature à accentuer le risque d'explosion est interdite.
Toutes les mises à l'air accidentelles de gaz inflammables telles que les sorties d'organes de sécurité sont identifiées conformément à l'article 24.
Afin d'éviter les risques liés à la libération accidentelle de gaz inflammables, l'exploitant s'assure que l'orifice de fuite est conçu et réalisé pour garantir une dilution rapide à une concentration inférieure à la limite d'inflammabilité.
Art. 41. De gesloten lokalen waarin biogas aangetroffen kan worden zijn het voorwerp van een luchtkwaliteitscontrole die minstens op de opsporing van CH4 betrekking kan hebben.
Art. 41. Les locaux fermés dans lesquels du biogaz est susceptible d'être présent font l'objet d'un contrôle de la qualité de l'air portant au minimum sur la détection CH4.
HOOFDSTUK V. - Water
CHAPITRE V. - Eau
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 42. De exploitant treft de nodige maatregelen om zijn waterverbruik te beperken. Hij hergebruikt zoveel mogelijk behandeld afvalwater en gebruikt regenwater.
Art. 42. L'exploitant prend des mesures nécessaires afin de réduire sa consommation d'eau. Il réutilise autant que possible les eaux résiduaires traitées et utilise les eaux pluviales.
Art. 43. Het systeem voor de opvang van de digestaten en het systeem voor de opvang van de wateren uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren die verontreinigd zijn of zouden kunnen worden zijn strikt gescheiden van het systeem voor de opvang van de wateren die niet verontreinigd zijn of het niet zouden kunnen worden, zoals dakwater, afvloeiend water van waterafstotend gemaakte oppervlaktes die niet door materies vervuild zijn.
De wateren uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, die verontreinigd zijn of zouden kunnen worden, worden bij voorkeur opnieuw geïnjecteerd in het biomethaniseringsproces. Bij gebreke daarvan voldoen de geloosde wateren aan de grenswaarden bepaald bij de artikelen 45 en 46.
De industriële afvalwateren die al dan niet behandelde digestaten of verontreinigde wateren bevatten uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, mogen niet in de grondwateren geloosd worden.
De wateren uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, die verontreinigd zijn of zouden kunnen worden, worden bij voorkeur opnieuw geïnjecteerd in het biomethaniseringsproces. Bij gebreke daarvan voldoen de geloosde wateren aan de grenswaarden bepaald bij de artikelen 45 en 46.
De industriële afvalwateren die al dan niet behandelde digestaten of verontreinigde wateren bevatten uit de in artikel 6 bedoelde ruimtes of infrastructuren, met uitsluiting van die bedoeld onder 1° en 5°, mogen niet in de grondwateren geloosd worden.
Art. 43. Le système de récolte des digestats et le système de récolte des eaux souillées ou susceptibles de l'être issues des aires ou infrastructures visées à l'article 6 sont strictement séparés du système de récolte des eaux non polluées et non susceptibles de l'être telles que les eaux de toiture, les eaux de ruissellement issues de surfaces imperméabilisées non polluées par les matières.
Les eaux souillées ou susceptibles de l'être issues des aires ou infrastructures visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées au 1° et au 5° sont de préférence réinjectées dans le processus de biométhanisation. A défaut, les eaux rejetées respectent les valeurs limites prévues par les articles 45 et 46.
Les eaux usées industrielles contenant des digestats traités ou non traités ou des eaux polluées issues des aires ou infrastructures visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées au 1° et 5°, ne peuvent pas être déversées dans les eaux souterraines.
Les eaux souillées ou susceptibles de l'être issues des aires ou infrastructures visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées au 1° et au 5° sont de préférence réinjectées dans le processus de biométhanisation. A défaut, les eaux rejetées respectent les valeurs limites prévues par les articles 45 et 46.
Les eaux usées industrielles contenant des digestats traités ou non traités ou des eaux polluées issues des aires ou infrastructures visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées au 1° et 5°, ne peuvent pas être déversées dans les eaux souterraines.
Art. 44. Een schema van alle netten voor de verzamling van de effluenten en een plan van de rioleringen worden door de exploitant opgemaakt, regelmatig bijgewerkt na elke noemenswaardige wijziging ervan en gedateerd. Het plan van de netten voor de inzameling van effluenten vermeldt de sectoren waar ingezameld wordt, de aansluitingspunten, de kijkgaten, de rioleringen, de pompposten, de meetposten, de handbediende en automatische afsluiters.
De plannen liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar alsook van de brandweer- en hulpdiensten.
De plannen liggen ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar alsook van de brandweer- en hulpdiensten.
Art. 44. Un schéma de tous les réseaux de collecte des effluents et un plan des égouts sont établis par l'exploitant, régulièrement mis à jour et datés, après chaque modification notable de ceux-ci. Le plan des réseaux de collecte des effluents mentionne les secteurs collectés, les points de branchement, les regards, les avaloirs, les postes de relevage, les postes de mesure, les vannes manuelles et automatiques.
Les plans sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance ainsi que des services d'incendie et de secours.
Les plans sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance ainsi que des services d'incendie et de secours.
Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden
Section 2. - Conditions de déversement
Onderafdeling 1. - Voorwaarden om in gewoon oppervlaktewater en in kunstmatige afwateringswegen te lozen
Sous-section 1re. - Conditions de déversement en eau de surface ordinaire et voies artificielles d'écoulement
Art. 45. Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater of in een kunstmatige afvloeiingsweg wordt geloosd voldoet aan de volgende voorwaarden, uitgedrukt in maximale ogenblikkelijke concentratie:
1° de pH ligt tussen 6,5 en 9;
2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 20 mg zuurstof per liter;
4° de chemische behoefte aan oplosbare zuurstof bij de lozing is niet hoger dan 1,2 maal de chemische zuurstofbehoefte, " DCO " genoemd, oplosbaar niet afbreekbaar;
5° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
6° de diameter van de zwevende stoffen bedraagt niet meer dan 2 mm;
7° het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 0,5 ml per liter tijdens een statische bezinking van 2 uren;
8° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
9° het gehalte aan totale metalen is niet hoger dan 3 mg per liter.
10° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 5 mg N per liter;
11° het gehalte aan nitrieten is niet hoger dan 1 mg N per liter;
12° het gehalte aan nitraten is niet hoger dan 15 mg N per liter;
13° het gehalte aan totaal fosfor is niet hoger dan 5 mg P per liter;
14° een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere drijvende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een drijflaag vormen
15° het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter;
17° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter;
9° het gehalte aan totaal chroom is niet hoger dan 1 mg/l;
19° het te lozen water wordt ontsmet als het zulke hoeveelheden pathogene organismen bevat dat het ontvangende water ernstig besmet dreigt te worden. De grenswaarden voor de pathogene kiemen die in het geloosde water toegelaten worden liggen vast in de bijzondere voorwaarden;
20° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden.
1° de pH ligt tussen 6,5 en 9;
2° de temperatuur bedraagt hoogstens 30 °C;
3° de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 20 mg zuurstof per liter;
4° de chemische behoefte aan oplosbare zuurstof bij de lozing is niet hoger dan 1,2 maal de chemische zuurstofbehoefte, " DCO " genoemd, oplosbaar niet afbreekbaar;
5° het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter;
6° de diameter van de zwevende stoffen bedraagt niet meer dan 2 mm;
7° het gehalte aan bezinkbare stoffen bedraagt hoogstens 0,5 ml per liter tijdens een statische bezinking van 2 uren;
8° het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter;
9° het gehalte aan totale metalen is niet hoger dan 3 mg per liter.
10° het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 5 mg N per liter;
11° het gehalte aan nitrieten is niet hoger dan 1 mg N per liter;
12° het gehalte aan nitraten is niet hoger dan 15 mg N per liter;
13° het gehalte aan totaal fosfor is niet hoger dan 5 mg P per liter;
14° een representatief monster van het geloosde water is vrij van oliën, vetten of andere drijvende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een drijflaag vormen
15° het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water te lozen dat zulke stoffen bevat;
9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter;
17° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter;
9° het gehalte aan totaal chroom is niet hoger dan 1 mg/l;
19° het te lozen water wordt ontsmet als het zulke hoeveelheden pathogene organismen bevat dat het ontvangende water ernstig besmet dreigt te worden. De grenswaarden voor de pathogene kiemen die in het geloosde water toegelaten worden liggen vast in de bijzondere voorwaarden;
20° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden.
Art. 45. Les eaux usées industrielles rejetées en eaux de surface ordinaires ou dans une voie artificielle d'écoulement respectent les conditions suivantes, exprimées en concentration maximale instantanée :
1° le pH des eaux déversées est compris entre 6,5 et 9;
2° la température des eaux déversées ne peut pas dépasser 30 oC;
3° la demande biochimique en oxygène en cinq jours à 20 C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut pas dépasser 20 mg d'oxygène par litre;
4° la demande chimique en oxygène soluble au rejet ne peut pas dépasser 1,2 fois la demande chimique en oxygène, dénommé " DCO ", soluble non dégradable;
5° la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut pas dépasser 60 mg par litre;
6° la dimension des matières en suspension ne peut pas dépasser 2 mm;
7° la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut pas dépasser 0,5 ml par litre au cours d'une sédimentation statique de 2 heures;
8° la teneur en hydrocarbures non polaires des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg par litre;
9° la teneur en détergents totaux des eaux déversées ne peut pas dépasser 3 mg par litre;
10° la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg N par litre;
11° la teneur en nitrites des eaux déversées ne peut pas dépasser 1 mg N par litre;
12° la teneur en nitrates des eaux déversées ne peut pas dépasser 15 mg N par litre;
13° la teneur en phosphore total des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg P par litre;
14° un échantillon représentatif des eaux déversées ne peut pas contenir des huiles, des graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque;
15° il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières;
16° la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg S par litre;
17° la teneur en pesticides des eaux déversées ne peut pas dépasser 0.005 mg par litre;
18° la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut pas dépasser 1 mg/l;
19° les eaux à déverser qui contiennent des organismes pathogènes dans des proportions telles qu'ils risquent de contaminer dangereusement l'eau réceptrice sont désinfectées. Les valeurs limites des germes pathogènes tolérés dans les eaux déversées sont fixées dans les conditions particulières;
20° les eaux déversées ne peuvent pas contenir les substances dangereuses et les polluants spécifiques visés à l'annexe VII de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, non visées dans les présentes conditions.
1° le pH des eaux déversées est compris entre 6,5 et 9;
2° la température des eaux déversées ne peut pas dépasser 30 oC;
3° la demande biochimique en oxygène en cinq jours à 20 C et en présence d'allyle thio-urée des eaux déversées ne peut pas dépasser 20 mg d'oxygène par litre;
4° la demande chimique en oxygène soluble au rejet ne peut pas dépasser 1,2 fois la demande chimique en oxygène, dénommé " DCO ", soluble non dégradable;
5° la teneur en matières en suspension des eaux déversées ne peut pas dépasser 60 mg par litre;
6° la dimension des matières en suspension ne peut pas dépasser 2 mm;
7° la teneur en matières sédimentables des eaux déversées ne peut pas dépasser 0,5 ml par litre au cours d'une sédimentation statique de 2 heures;
8° la teneur en hydrocarbures non polaires des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg par litre;
9° la teneur en détergents totaux des eaux déversées ne peut pas dépasser 3 mg par litre;
10° la teneur en azote ammoniacal des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg N par litre;
11° la teneur en nitrites des eaux déversées ne peut pas dépasser 1 mg N par litre;
12° la teneur en nitrates des eaux déversées ne peut pas dépasser 15 mg N par litre;
13° la teneur en phosphore total des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg P par litre;
14° un échantillon représentatif des eaux déversées ne peut pas contenir des huiles, des graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque;
15° il est interdit de jeter ou déverser des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières;
16° la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg S par litre;
17° la teneur en pesticides des eaux déversées ne peut pas dépasser 0.005 mg par litre;
18° la teneur en chrome total des eaux déversées ne peut pas dépasser 1 mg/l;
19° les eaux à déverser qui contiennent des organismes pathogènes dans des proportions telles qu'ils risquent de contaminer dangereusement l'eau réceptrice sont désinfectées. Les valeurs limites des germes pathogènes tolérés dans les eaux déversées sont fixées dans les conditions particulières;
20° les eaux déversées ne peuvent pas contenir les substances dangereuses et les polluants spécifiques visés à l'annexe VII de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, non visées dans les présentes conditions.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden om in openbare rioleringen te lozen
Sous-section 2. - Conditions de déversement en égouts publics
Art. 46. De inrichtingen die industrieel afvalwater in openbare rioleringen lozen voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° de pH ligt tussen 6 en 9,5;
2° de temperatuur bedraagt hoogstens 45 °C;
3° het gehalte aan zwevende stoffen, " MES " genoemd, is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4° de diameter van de " MES " bedraagt hoogstens 10 mm;
5° de zwevende stoffen mogen vanwege hun structuur de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
6° het gehalte aan totale detergenten is niet hoger dan 15 mg per liter;
6° het gehalte aan chloriden is niet hoger dan 2 000 mg per liter;
7° het gehalte aan sulfaten bedraagt hoogstens 1 500 mg per liter;
9° het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
10° het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
11° het geloosde water mag geen wasem uitstoten die het leefmilieu beschadigt;
12° het afvalwater bevat geen stoffen die:
a) gevaar kunnen inhouden voor het personeel dat de rioleringen en installaties onderhoudt;
b) de leidingen zouden kunnen beschadigen of verstoppen;
c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties zouden kunnen hinderen;
d) een ernstige vervuiling van het ontvangende oppervlaktewater waarin de openbare riolering loost zou kunnen veroorzaken;
9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter;
14° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter voor de installaties bedoeld in rubriek 93.23.15.02, die betrekking heeft op biomethaniseringsinstallaties voor biomaterie die afval vormt;
15° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in Bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden.
1° de pH ligt tussen 6 en 9,5;
2° de temperatuur bedraagt hoogstens 45 °C;
3° het gehalte aan zwevende stoffen, " MES " genoemd, is niet hoger dan 1 000 mg per liter;
4° de diameter van de " MES " bedraagt hoogstens 10 mm;
5° de zwevende stoffen mogen vanwege hun structuur de werking van de opvang- en zuiveringsstations niet schaden;
6° het gehalte aan totale detergenten is niet hoger dan 15 mg per liter;
6° het gehalte aan chloriden is niet hoger dan 2 000 mg per liter;
7° het gehalte aan sulfaten bedraagt hoogstens 1 500 mg per liter;
9° het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 500 mg per liter;
10° het geloosde water bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
11° het geloosde water mag geen wasem uitstoten die het leefmilieu beschadigt;
12° het afvalwater bevat geen stoffen die:
a) gevaar kunnen inhouden voor het personeel dat de rioleringen en installaties onderhoudt;
b) de leidingen zouden kunnen beschadigen of verstoppen;
c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties zouden kunnen hinderen;
d) een ernstige vervuiling van het ontvangende oppervlaktewater waarin de openbare riolering loost zou kunnen veroorzaken;
9° het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter;
14° het gehalte aan pesticiden is niet hoger dan 0.005 mg per liter voor de installaties bedoeld in rubriek 93.23.15.02, die betrekking heeft op biomethaniseringsinstallaties voor biomaterie die afval vormt;
15° het geloosde water bevat geen andere specifieke gevaarlijke of verontreinigende stoffen bedoeld in Bijlage VII bij het regelgevend gedeelte van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, dan degene die hierboven vermeld worden.
Art. 46. Les établissements déversant des eaux usées industrielles dans les égouts publics respectent les conditions suivantes, exprimées en concentration maximale instantanée :
1° le pH est compris entre 6 et 9,5;
2° la température ne peut pas dépasser 45 °C;
3° la teneur en matières en suspension, dénommé " MES ", ne peut pas dépasser 1 000 mg par litre;
4° la dimension des " MES " ne peut pas dépasser 10 mm de diamètre;
5° les matières en suspension ne peuvent pas, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relèvement et d'épuration;
6° la teneur en détergents totaux ne peut pas dépasser 15 mg par litre;
7° la teneur en chlorures ne peut pas dépasser 2 000 mg par litre;
8° la teneur en sulfates ne peut pas dépasser 1 500 mg par litre;
9° la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole ne peut pas dépasser 500 mg par litre;
10° les eaux déversées ne peuvent pas contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
11° les eaux déversées ne peuvent pas dégager des émanations qui dégradent le milieu;
12° les eaux usées ne peuvent pas contenir des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de refoulement et d'épuration;
d) une pollution grave de l'eau de surface réceptrice dans laquelle l'égout public se déverse;
13° la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg S par litre;
14° pour les installations visées par la rubrique 93.23.15.02, qui concerne les installations de biométhanisation de biomatière constituant un déchet, la teneur en pesticides des eaux déversées ne peut pas dépasser 0,005 mg par litre;
15° les eaux déversées ne peuvent pas contenir les substances dangereuses et les polluants spécifiques visés à l'annexe VII de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, non visées dans les présentes conditions.
1° le pH est compris entre 6 et 9,5;
2° la température ne peut pas dépasser 45 °C;
3° la teneur en matières en suspension, dénommé " MES ", ne peut pas dépasser 1 000 mg par litre;
4° la dimension des " MES " ne peut pas dépasser 10 mm de diamètre;
5° les matières en suspension ne peuvent pas, de par leur structure, nuire au fonctionnement des stations de relèvement et d'épuration;
6° la teneur en détergents totaux ne peut pas dépasser 15 mg par litre;
7° la teneur en chlorures ne peut pas dépasser 2 000 mg par litre;
8° la teneur en sulfates ne peut pas dépasser 1 500 mg par litre;
9° la teneur en matières extractibles à l'éther de pétrole ne peut pas dépasser 500 mg par litre;
10° les eaux déversées ne peuvent pas contenir des gaz dissous inflammables ou explosifs ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
11° les eaux déversées ne peuvent pas dégager des émanations qui dégradent le milieu;
12° les eaux usées ne peuvent pas contenir des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de refoulement et d'épuration;
d) une pollution grave de l'eau de surface réceptrice dans laquelle l'égout public se déverse;
13° la teneur en sulfures et mercaptans des eaux déversées ne peut pas dépasser 5 mg S par litre;
14° pour les installations visées par la rubrique 93.23.15.02, qui concerne les installations de biométhanisation de biomatière constituant un déchet, la teneur en pesticides des eaux déversées ne peut pas dépasser 0,005 mg par litre;
15° les eaux déversées ne peuvent pas contenir les substances dangereuses et les polluants spécifiques visés à l'annexe VII de la partie réglementaire du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, non visées dans les présentes conditions.
HOOFDSTUK VI. - Lucht
CHAPITRE VI. - Air
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 47. Er is voldoende voorraad aan producten en materialen die gebruikt worden voor de bescherming van de omgevingslucht, zoals filtermouwen, neutralisatieproducten, remvloeistoffen, absorberende middelen.
Art. 47. Des réserves suffisantes de produits et matériaux utilisés en vue d'assurer la protection de la qualité de l'air ambiant tels que manches de filtres, produits de neutralisation, liquides inhibiteurs, absorbants sont disponibles.
Art. 48. De exploitant brengt openingen in de afvoerbuizen aan om controlemetingen te kunnen doorvoeren.
De openingen bevinden zich in een ongestoorde zone van de schoorstenen of buizen, op een afstand van de laatste storing - uitgang van de stookplaats, bocht - die minstens gelijk is aan viermaal de diameter van bedoelde schoorsteen of buis.
De openingen en de omgeving ervan zijn vlot toegankelijk zodat de metingen in alle veiligheid en elk ogenblik uitgevoerd kunnen worden.
De openingen bevinden zich in een ongestoorde zone van de schoorstenen of buizen, op een afstand van de laatste storing - uitgang van de stookplaats, bocht - die minstens gelijk is aan viermaal de diameter van bedoelde schoorsteen of buis.
De openingen en de omgeving ervan zijn vlot toegankelijk zodat de metingen in alle veiligheid en elk ogenblik uitgevoerd kunnen worden.
Art. 48. L'exploitant aménage des ouvertures dans les conduits d'évacuation en vue de permettre la réalisation de mesures de contrôles.
Les ouvertures sont situées dans une zone non perturbée des cheminées ou des conduits, à une distance de la dernière perturbation, telle que sortie du foyer, coude et au moins égale à quatre fois le diamètre de la cheminée ou du conduit considéré.
Les ouvertures, ainsi que leurs abords sont aisément accessibles de façon à effectuer les mesures en toute sécurité et à tout moment.
Les ouvertures sont situées dans une zone non perturbée des cheminées ou des conduits, à une distance de la dernière perturbation, telle que sortie du foyer, coude et au moins égale à quatre fois le diamètre de la cheminée ou du conduit considéré.
Les ouvertures, ainsi que leurs abords sont aisément accessibles de façon à effectuer les mesures en toute sécurité et à tout moment.
Afdeling 2. - Reukhinder
Section 2. - Nuisances olfactives
Art. 49. § 1. De installatie voor de bereiding van de vermenging van biomaterie en, desgevallend, additieven, voor de injectie in de gistingtanks en de gistingtanks worden gedurende een minimumtijd of volgens een gesloten proces bevoorraad om reukhinder te beperken.
§ 2. De inkomende stromen van vloeibare biomaterie worden langs een gesloten systeem in de opslagkuip gelost.
§ 2. De inkomende stromen van vloeibare biomaterie worden langs een gesloten systeem in de opslagkuip gelost.
Art. 49. § 1er. L'alimentation de l'installation de préparation du mélange de biomatières et, le cas échéant d'additifs, avant injection dans les digesteurs et des digesteurs s'effectue durant un temps minimum ou suivant un processus fermé de façon à limiter les nuisances olfactives.
§ 2. Les flux entrants de biomatières liquides sont déchargés dans la cuve de stockage par un système fermé.
§ 2. Les flux entrants de biomatières liquides sont déchargés dans la cuve de stockage par un système fermé.
Art. 50. Een reuknorm en de modaliteiten voor de controle op de naleving ervan liggen vast in de bijzondere voorwaarden.
Art. 50. Une norme olfactive et les modalités de son contrôle sont fixées dans les conditions particulières.
Afdeling 3. - Emissies van verbrandingsgassen
Section 3. - Emissions de gaz de combustion
Art. 51. Als het biogas als brandstof gevaloriseerd wordt, worden de emissiewaarden van de installaties vastgelegd als volgt :
Art. 51. Lorsque le biogaz est valorisé en tant que combustible, les valeurs d'émission des installations sont fixées comme suit :
| Parameters | Emissiewaarden |
| Niet methanische VOS | <150 mg C/Nm3 |
De gemeten waarden worden in verband gebracht met de volgende voorwaarden :
1° drooggas;
2° druk : 1.013 hPa;
3° temperatuur : 273 °K;
4° zuurstofgehalte van 5 percent.
De modaliteiten voor de controle op de verbrandingsgassen liggen vast in de bijzondere voorwaarden.
De NOx- en CO-grenswaarden liggen vast in de bijzondere voorwaarden.
| Paramètres | Valeurs d'émission |
| COV non méthanique | < 150 mg C/Nm3 |
Les valeurs mesurées sont rapportées aux conditions suivantes :
1° gaz sec;
2° pression : 1.013 hPa;
3° température : 273° K;
4° teneur en oxygène de 5 pour cent.
Les modalités de contrôle des gaz de combustion sont fixées dans les conditions particulières.
Des valeurs limites en NOx et en CO sont fixées dans les conditions particulières.
Afdeling 4. - Fijnstofemissies
Section 4. - Emissions de poussières
Art. 52. De concentratie aan totale fijnstof in de gekanaliseerde gasvormige effluenten die in de lucht uitgestoten worden overschrijdt de volgende grenzen niet :
Art. 52. La concentration en poussières totales dans les effluents gazeux canalisés rejetés à l'atmosphère ne dépasse pas les limites suivantes :
| Gemiddeld reël massadebiet in kg/u | Grenzen in mg/Nm3 |
| <0,5 | 50 |
| >0,5 | 20 |
| Débit massique réel moyen en kg/h | Limites en mg/Nm3 |
| < 0,5 | 50 |
| > 0,5 | 20 |
Art. 53. Het gehalte aan droge stof op de toegangswegen tot de locatie, de binnenwegen en de werkruimtes voor de toestellen bedraagt niet meer dan 100 gram per m2.
Art. 53. La teneur en poussières sèches, sur les voies d'accès au site, les voies internes et les aires de travail des engins, ne dépasse pas 100 grammes de matière sèche par m2.
Art. 54. Desgevallend worden de ruimtes tijdens de activiteitsperiode gereinigd.
Art. 54. Le cas échéant, les aires sont nettoyées en période d'activité.
Art. 55. De snelheid van de voertuigen binnen de locatie wordt tot 20 km/u beperkt door elk geschikt middel zoals wegmarkeringen, verkeersdrempels, enz.
Art. 55. La vitesse des véhicules circulant sur le site est limitée à 20 km/h par tout moyen adapté tel que signalisations, ralentisseurs, etc.
HOOFDSTUK VII. - Autocontrole, controle, toezicht, bijhouden van registers en informatie
CHAPITRE VII. - AutocontrĂ´le, contrĂ´le, surveillance, tenue des registres et informations
Afdeling 1. - Algemeenheden
Section 1re. - Généralités
Art. 56. Het bewijs dat de ruimtes en installaties bedoeld in artikel 6 conform artikel 8 zijn wordt door de exploitant ter inzage van de toezichthoudend ambtenaar gelegd.
Art. 56. L'exploitant garde à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance la preuve que les aires et installations visées à l'article 6 sont conformes à l'article 8.
Art. 57. § 1. De volgende documenten worden minstens vijf jaar op de bedrijfszetel bewaard en ter inzage gelegd van de toezichthoudend ambtenaar en [1 van het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 :
1° het aanvoerregister, bedoeld in artikel 33;
2° het afvoerregister, bedoeld in artikel 37;
3° de afschriften van de in artikel 23 bedoelde contracten of overeenkomsten die met andere vennootschappen zijn gesloten;
4° de rapporten betreffende de controles die door de bevoegde organen op de uitrustingen gevoerd worden.
§ 2. De aannemingsdossiers bedoeld in artikel 28 worden na de laatste levering van betrokken afval minstens vijf jaar op de bedrijfszetel bewaard en ter inzage gelegd van de toezichthoudend ambtenaar en [1 van het Departement Bodem en Afvalstoffen]1.
1° het aanvoerregister, bedoeld in artikel 33;
2° het afvoerregister, bedoeld in artikel 37;
3° de afschriften van de in artikel 23 bedoelde contracten of overeenkomsten die met andere vennootschappen zijn gesloten;
4° de rapporten betreffende de controles die door de bevoegde organen op de uitrustingen gevoerd worden.
§ 2. De aannemingsdossiers bedoeld in artikel 28 worden na de laatste levering van betrokken afval minstens vijf jaar op de bedrijfszetel bewaard en ter inzage gelegd van de toezichthoudend ambtenaar en [1 van het Departement Bodem en Afvalstoffen]1.
Wijzigingen
Art. 57. § 1er. Les documents suivants sont conservés au siège d'exploitation pendant une durée minimale de cinq ans et tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance et [1 du Département du Sol et des Déchets]1 :
1° le registre des entrées, visé à l'article 33;
2° le registre des sorties, visé à l'article 37;
3° les copies des contrats ou accords conclus avec d'autres sociétés visés à l'article 23;
4° les rapports de contrôle des équipements opérés par les organismes qualifiés.
§ 2. Les dossiers d'acceptation, visés à l'article 28 sont conservés au siège d'exploitation pendant une durée minimale de cinq ans suivant la dernière livraison du déchet concerné et tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance et [1 du Département du Sol et des Déchets]1.
1° le registre des entrées, visé à l'article 33;
2° le registre des sorties, visé à l'article 37;
3° les copies des contrats ou accords conclus avec d'autres sociétés visés à l'article 23;
4° les rapports de contrôle des équipements opérés par les organismes qualifiés.
§ 2. Les dossiers d'acceptation, visés à l'article 28 sont conservés au siège d'exploitation pendant une durée minimale de cinq ans suivant la dernière livraison du déchet concerné et tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance et [1 du Département du Sol et des Déchets]1.
Wijzigingen
Art. 58. § 1. De exploitant richt uiterlijk 31 maart van het jaar na het referentiejaar [1 aan het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 een jaarrapport dat voor het referentiejaar minimum volgende informatie bevat:
1° de lijst van de producenten van biomaterie of materies die in de installatie toegelaten worden overeenkomstig de artikelen 28 en volgende;
2° per producent, de hoeveelheden toegelaten biomaterie of stoffen, in nettogewicht indien bepaald en in volume, desgevallend verdeeld op basis van de code ervan;
3° de opgeslagen hoeveelheden biomaterie of stoffen, naar gewicht en volume, in afwachting van biomethanisering, in biomethanisering, alsook de hoeveelheden digestaat binnen de infrastructuur voor de opslag van digestaat in afwachting van afvoer, op 31 december van het referentiejaar;
4° per type bestemming, met name gebruik, valorisatie of verwijdering, de afgevoerde hoeveelheid digestaat;
5° de hoeveelheden digestaat opgeslagen krachtens de huurcontracten;
6° per partij digestaat :
a) de resultaten van de analyses;
b) het gewicht;
c) de bestemming;
d) de exacte benaming van de bestemmelingen - naam, adres, btw-nummer en hoeveelheden overgedragen aan elk van hen;
7° een overzichtstabel van de analyses;
8° voor andere afvoer die van digestaten :
a) de aard;
b) het gewicht;
c) de bestemming;
d) de exacte benaming van de bestemmelingen;
9° een omschrijving van de incidenten, ongevallen die zich hebben voorgedaan, alsook van de problemen tegengekomen tijdens bedoelde periode en de gevolgen die daaraan gegeven werden.
§ 2. Het rapport wordt overgemaakt volgens de modaliteiten die door [1 het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 bepaald worden.
1° de lijst van de producenten van biomaterie of materies die in de installatie toegelaten worden overeenkomstig de artikelen 28 en volgende;
2° per producent, de hoeveelheden toegelaten biomaterie of stoffen, in nettogewicht indien bepaald en in volume, desgevallend verdeeld op basis van de code ervan;
3° de opgeslagen hoeveelheden biomaterie of stoffen, naar gewicht en volume, in afwachting van biomethanisering, in biomethanisering, alsook de hoeveelheden digestaat binnen de infrastructuur voor de opslag van digestaat in afwachting van afvoer, op 31 december van het referentiejaar;
4° per type bestemming, met name gebruik, valorisatie of verwijdering, de afgevoerde hoeveelheid digestaat;
5° de hoeveelheden digestaat opgeslagen krachtens de huurcontracten;
6° per partij digestaat :
a) de resultaten van de analyses;
b) het gewicht;
c) de bestemming;
d) de exacte benaming van de bestemmelingen - naam, adres, btw-nummer en hoeveelheden overgedragen aan elk van hen;
7° een overzichtstabel van de analyses;
8° voor andere afvoer die van digestaten :
a) de aard;
b) het gewicht;
c) de bestemming;
d) de exacte benaming van de bestemmelingen;
9° een omschrijving van de incidenten, ongevallen die zich hebben voorgedaan, alsook van de problemen tegengekomen tijdens bedoelde periode en de gevolgen die daaraan gegeven werden.
§ 2. Het rapport wordt overgemaakt volgens de modaliteiten die door [1 het Departement Bodem en Afvalstoffen]1 bepaald worden.
Wijzigingen
Art. 58. § 1er. L'exploitant transmet [1 au Département du Sol et des Déchets]1 au plus tard le 31 mars de l'année suivant l'année de référence un rapport annuel qui contient, au minimum, pour l'année de référence, les informations suivantes :
1° la liste des producteurs de biomatières ou matières, admises dans l'installation conformément aux articles 28 et suivants;
2° par producteur, les quantités, en poids net s'il a été déterminé et en volume, de biomatières ou matières, admises, réparties le cas échéant, sur base de leur code;
3° les quantités stockées, en poids et en volume, de biomatières ou matières en attente de biométhanisation, en cours de biométhanisation ainsi que de digestat présent dans l'infrastructure de stockage des digestats en attente d'évacuation en date du 31 décembre de l'année de référence;
4° par type de destination, c'est-à -dire utilisation, valorisation ou élimination, la quantité de digestat sortie;
5° les quantités de digestat stockées en vertu des contrats de location;
6° par lot de digestat :
a) les résultats des analyses;
b) le poids;
c) la destination;
d) la dénomination exacte des destinataires - le nom, l'adresse, le numéro de T.V.A. et les quantités transmises à chacun d'eux;
7°un tableau récapitulatif des analyses;
8° pour les sorties autres que les digestats :
a) la nature;
b) le poids;
c) la destination;
d) la dénomination exacte des destinataires;
9° une description des incidents, accidents survenus ainsi que des problèmes rencontrés durant la période concernée et les suites qui y ont été données.
§ 2. Le rapport est transmis selon les modalités déterminées par [1 le Département du Sol et des Déchets]1.
1° la liste des producteurs de biomatières ou matières, admises dans l'installation conformément aux articles 28 et suivants;
2° par producteur, les quantités, en poids net s'il a été déterminé et en volume, de biomatières ou matières, admises, réparties le cas échéant, sur base de leur code;
3° les quantités stockées, en poids et en volume, de biomatières ou matières en attente de biométhanisation, en cours de biométhanisation ainsi que de digestat présent dans l'infrastructure de stockage des digestats en attente d'évacuation en date du 31 décembre de l'année de référence;
4° par type de destination, c'est-à -dire utilisation, valorisation ou élimination, la quantité de digestat sortie;
5° les quantités de digestat stockées en vertu des contrats de location;
6° par lot de digestat :
a) les résultats des analyses;
b) le poids;
c) la destination;
d) la dénomination exacte des destinataires - le nom, l'adresse, le numéro de T.V.A. et les quantités transmises à chacun d'eux;
7°un tableau récapitulatif des analyses;
8° pour les sorties autres que les digestats :
a) la nature;
b) le poids;
c) la destination;
d) la dénomination exacte des destinataires;
9° une description des incidents, accidents survenus ainsi que des problèmes rencontrés durant la période concernée et les suites qui y ont été données.
§ 2. Le rapport est transmis selon les modalités déterminées par [1 le Département du Sol et des Déchets]1.
Wijzigingen
Art. 59. Voor de installaties met een verwerkingscapaciteit boven 100 ton per dag, bij elk incident of ongeval waarvoor een interventie nodig is om aantastingen van het leefmilieu of van de veilighied van de buurt te voorkomen of te verhelpen, legt de exploitant zo spoedig mogelijk een rapport met de volgende informatie over aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudend ambtenaar :
1° de datum en het uur van het incident of ongeval;
2° de installaties waarin het incident of ongeval zich heeft voorgedaan;
3° de activiteiten die doorgaans uitgeoefend worden op die plek;
4° de omstandigheden van het ongeval;
5° de analyse van de oorzaken van het ongeval;
6° de maatregelen genomen om eventuele aantastingen van het leefmilieu te verhelpen;
7° de preventieve maatregelen aanbevolen om te voorkomen dat een soortgelijk incident of ongeval zich opnieuw voordoet.
1° de datum en het uur van het incident of ongeval;
2° de installaties waarin het incident of ongeval zich heeft voorgedaan;
3° de activiteiten die doorgaans uitgeoefend worden op die plek;
4° de omstandigheden van het ongeval;
5° de analyse van de oorzaken van het ongeval;
6° de maatregelen genomen om eventuele aantastingen van het leefmilieu te verhelpen;
7° de preventieve maatregelen aanbevolen om te voorkomen dat een soortgelijk incident of ongeval zich opnieuw voordoet.
Art. 59. Pour les installations ayant une capacité de traitement supérieure à 100 tonnes par jour, lors de tout incident ou accident nécessitant une intervention en vue de prévenir ou de réparer les atteintes à l'environnement ou la sécurité du voisinage, l'exploitant transmet dans les meilleurs délais au fonctionnaire technique et au fonctionnaire chargé de la surveillance un rapport comportant les informations suivantes :
1° la date et l'heure de l'incident ou de l'accident;
2° les installations dans lesquelles est survenu l'incident ou l'accident;
3° les activités habituellement exercées à cet endroit;
4° les circonstances de l'accident;
5° l'analyse des causes de l'accident;
6° les mesures prises pour réparer les atteintes éventuelles à l'environnement;
7° les mesures préventives préconisées en vue de prévenir le renouvellement d'un incident ou d'un accident similaire.
1° la date et l'heure de l'incident ou de l'accident;
2° les installations dans lesquelles est survenu l'incident ou l'accident;
3° les activités habituellement exercées à cet endroit;
4° les circonstances de l'accident;
5° l'analyse des causes de l'accident;
6° les mesures prises pour réparer les atteintes éventuelles à l'environnement;
7° les mesures préventives préconisées en vue de prévenir le renouvellement d'un incident ou d'un accident similaire.
Afdeling 2. - Controle op reukhinder en andere luchtemissies
Section 2. - Contrôle des nuisances olfactives et autres émissions dans l'atmosphère
Art. 60. De handelingen inzake de controle op reukemissies of andere luchtemissies worden voor rekening van de exploitant door een in het kader van de luchtverontreinigingsbestrijding erkend laboratorium of orgaan uitgevoerd volgens referentiemethodes vastgelegd overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 1999 waarbij het "Institut scientifique de service public" (Openbaar wetenschappelijk instituut) belast wordt met de opdracht van referentielaboratorium voor water, lucht en afval, of via elke andere methode waarvan de gelijkwaardigheid aan een referentiemethode is aangetoond en met meettoestellen die voldoen aan de beste technieken die beschikbaar zijn op het vlak van de instrumentering.
De frequentie van de controles ligt vast in de bijzondere voorwaarden.
De emissies van alle polluenten en reukhinder waarvoor emissiegrenzen voorgeschreven worden krachtens de artikelen 51 en 52 en, desgevallend, door de vergunning, worden minstens één keer gemeten na wijziging van minstens 25 percent van de capaciteit van de biomethaniseringsinstallatie of na elke wijziging aan het zuiveringsstation.
De frequentie van de controles ligt vast in de bijzondere voorwaarden.
De emissies van alle polluenten en reukhinder waarvoor emissiegrenzen voorgeschreven worden krachtens de artikelen 51 en 52 en, desgevallend, door de vergunning, worden minstens één keer gemeten na wijziging van minstens 25 percent van de capaciteit van de biomethaniseringsinstallatie of na elke wijziging aan het zuiveringsstation.
Art. 60. Les opérations de contrôles des émissions olfactives et autres émissions dans l'atmosphère sont effectuées par un laboratoire ou un organisme agréé dans le cadre de la lutte contre la pollution atmosphérique, aux frais de l'exploitant suivant des méthodes de référence établies conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 mai 1999 relatif à la mission de laboratoire de référence en matière d'eau, d'air et de déchets de l'Institut scientifique de Service public ou toute autre méthode dont l'équivalence à une méthode de référence a été prouvée et avec des appareils de mesures correspondant aux meilleures techniques disponibles dans le domaine de l'instrumentation.
La fréquence des opérations de contrôles est fixée dans les conditions particulières.
Les émissions de tous les polluants et des nuisances olfactives pour lesquels des limites à l'émission sont prescrites par les articles 51 et 52 et, le cas échéant, par le permis, sont mesurées au moins une fois après modification d'au moins 25 pour cent de la capacité de l'installation de biométhanisation ou après toute modification du système d'épuration.
La fréquence des opérations de contrôles est fixée dans les conditions particulières.
Les émissions de tous les polluants et des nuisances olfactives pour lesquels des limites à l'émission sont prescrites par les articles 51 et 52 et, le cas échéant, par le permis, sont mesurées au moins une fois après modification d'au moins 25 pour cent de la capacité de l'installation de biométhanisation ou après toute modification du système d'épuration.
Art. 61. De detectiegrens, de sensibiliteit, de precisie en de betrouwbaarheid van de methode worden aangepast aan de emissiegrenswaarde, aan het geurniveau of aan het geurdebiet dat overeenstemt met de te meten stof. De meetmarge ligt minstens tussen 0,1 keer en 2 keer de emissiegrenswaarde, het geurniveau of het geurdebiet waarin de bijzondere voorwaarden voorzien.
Art. 61. La limite de détection, la sensibilité, la précision et la fiabilité de la méthode sont adaptées à la valeur limite d'émission, au niveau d'odeur ou au débit d'odeur correspondant à la substance à mesurer. La plage de mesure se situe au moins entre 0,1 fois et 2 fois la valeur limite d'émission, le niveau d'odeur ou le débit d'odeur fixé dans les conditions particulières.
Art. 62. De metingen voor de controle op de emissies worden uitgevoerd en de resultaten uitgedrukt zodat ze representatief zijn voor de emissies van de installatie bij een normale werkingstoestand, buiten opstart- of stillegginsgperiode.
Art. 62. Les mesures destinées à contrôler les émissions sont effectuées et les résultats sont exprimés de sorte qu'ils soient représentatifs des émissions de l'installation en régime de travail habituel, hors période de démarrage ou d'arrêt.
Art. 63. De resultaten van het toezicht op de emissies worden minstens vijf jaar door de exploitant bewaard en op gewoon verzoek van de toezichthoudend ambtenaar ter inzage gelegd.
Art. 63. Les résultats de la surveillance des émissions sont conservés par l'exploitant pendant au moins cinq ans et sont disponibles sur simple demande du fonctionnaire chargé de la surveillance.
Art. 64. Als het resultaat van de metingen wijst op een overschrijding van de uitstootnormen, wordt een nieuwe meting uitgevoerd :
1° binnen drie maanden bij een overschrijding tussen 10 en 100 percent;
2° binnen een maand als de overschrijding hoger is dan 100 percent.
De exploitant maakt een rapport op waarin hij gewag maakt van de oorzaken van de overschrijdingen en van de maatregelen genomen om aan de opgelegde normen te voldoen. Het rapport wordt binnen dertig dagen na de tweede meting aan de toezichthoudend ambtenaar en aan de technisch ambtenaar gestuurd.
1° binnen drie maanden bij een overschrijding tussen 10 en 100 percent;
2° binnen een maand als de overschrijding hoger is dan 100 percent.
De exploitant maakt een rapport op waarin hij gewag maakt van de oorzaken van de overschrijdingen en van de maatregelen genomen om aan de opgelegde normen te voldoen. Het rapport wordt binnen dertig dagen na de tweede meting aan de toezichthoudend ambtenaar en aan de technisch ambtenaar gestuurd.
Art. 64. Lorsque le résultat des mesures indique un dépassement des normes de rejet, une nouvelle mesure est réalisée :
1° dans les trois mois si le dépassement est compris entre 10 pour cent et 100 pour cent;
2° dans le mois si le dépassement est supérieur à 100 pour cent.
L'exploitant rédige un rapport mentionnant les causes des dépassements et les mesures prises pour se conformer aux normes imposées. Le rapport est envoyé dans les trente jours qui suivent la deuxième mesure au fonctionnaire chargé de la surveillance et au fonctionnaire technique.
1° dans les trois mois si le dépassement est compris entre 10 pour cent et 100 pour cent;
2° dans le mois si le dépassement est supérieur à 100 pour cent.
L'exploitant rédige un rapport mentionnant les causes des dépassements et les mesures prises pour se conformer aux normes imposées. Le rapport est envoyé dans les trente jours qui suivent la deuxième mesure au fonctionnaire chargé de la surveillance et au fonctionnaire technique.
Art. 65. De torchère is uitgerust met een centrale voorziening voor autocontrole op de werking zodat men op de plaats van de exploitatie steeds geïnformeerd blijft over de staat van werking ervan.
Art. 65. La torchère est munie d'un dispositif central d'autocontrôle de fonctionnement permettant de connaître à tout moment, sur le lieu d'exploitation, son état de fonctionnement.
Afdeling 3. - Controle op waterlozingen
Section 3. - ContrĂ´le des rejets d'eaux
Art. 66. § 1. Het geloosde afvalwater wordt afgevoerd via een controlevoorziening die aan de volgende vereisten voldoet:
1° een vlotte monsterneming van het geloosde water mogelijk maken;
2° op verzoek of op initiatief van de toezichthoudend ambtenaar het nemen van monsters toelaten;
3° voortdurend vlot toegankelijk zijn;
4° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake de representativiteit van de waterkwantiteit en -kwaliteit.
§ 2. Naast de criteria opgesomd in paragraaf 1, voldoet de controlevoorziening, wat betreft de inrichtingen die afvalwater uit de behandeling van digestaten lozen, aan de volgende bijkomende voorwaarden :
1° bij de controle op de geloosde wateren de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in liter/seconde of m3/uur, de waarde van de pH, en de temperatuur onmiddellijk aangeven;
2° de waarde van de pH, van de temperatuur voortdurend registreren, minstens om het uur;
3° voor elke biomethaniseringsinstallatie die meer dan 100 m3/dag uitstoot, voortdurend de waarde van het dagelijkse volume, uitgedrukt in m3/dag, registreren.
1° een vlotte monsterneming van het geloosde water mogelijk maken;
2° op verzoek of op initiatief van de toezichthoudend ambtenaar het nemen van monsters toelaten;
3° voortdurend vlot toegankelijk zijn;
4° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake de representativiteit van de waterkwantiteit en -kwaliteit.
§ 2. Naast de criteria opgesomd in paragraaf 1, voldoet de controlevoorziening, wat betreft de inrichtingen die afvalwater uit de behandeling van digestaten lozen, aan de volgende bijkomende voorwaarden :
1° bij de controle op de geloosde wateren de waarde van de afvoerstroom, uitgedrukt in liter/seconde of m3/uur, de waarde van de pH, en de temperatuur onmiddellijk aangeven;
2° de waarde van de pH, van de temperatuur voortdurend registreren, minstens om het uur;
3° voor elke biomethaniseringsinstallatie die meer dan 100 m3/dag uitstoot, voortdurend de waarde van het dagelijkse volume, uitgedrukt in m3/dag, registreren.
Art. 66. § 1er. Les eaux usées déversées sont évacuées par le biais d'un dispositif de contrôle répondant aux conditions suivantes :
1° permettre le prélèvement aisé d'échantillons des eaux déversées;
2° permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3° être facilement accessible en permanence;
4° être placé à un endroit offrant toute garantie de la représentativité de la quantité et la qualité des eaux.
§ 2. Outre les critères précisés au paragraphe 1er, pour les établissements déversant des eaux usées issues du traitement des digestats, le dispositif de contrôle répond aux conditions supplémentaires suivantes :
1° indiquer en lecture directe, lors du contrôle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en litre/seconde ou m3/heure, la valeur du pH et de la température;
2° enregistrer de façon permanente la valeur du pH, de la température, à un pas de temps minimum d'heure par heure;
3° pour toute installation de biométhanisation déversant plus de 100 m3/jour, enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/jour.
1° permettre le prélèvement aisé d'échantillons des eaux déversées;
2° permettre, à la demande ou à l'initiative du fonctionnaire chargé de la surveillance, le prélèvement d'échantillons des eaux déversées;
3° être facilement accessible en permanence;
4° être placé à un endroit offrant toute garantie de la représentativité de la quantité et la qualité des eaux.
§ 2. Outre les critères précisés au paragraphe 1er, pour les établissements déversant des eaux usées issues du traitement des digestats, le dispositif de contrôle répond aux conditions supplémentaires suivantes :
1° indiquer en lecture directe, lors du contrôle des eaux déversées, la valeur du débit instantané exprimé en litre/seconde ou m3/heure, la valeur du pH et de la température;
2° enregistrer de façon permanente la valeur du pH, de la température, à un pas de temps minimum d'heure par heure;
3° pour toute installation de biométhanisation déversant plus de 100 m3/jour, enregistrer de façon permanente la valeur du volume journalier exprimée en m3/jour.
Art. 67. De aan te wenden methodes voor de monsterneming en de analyse voor de controle op de conformiteit van de fysische, chemische en biologische kwaliteit van de wateren geloosd onder de voorwaarden waarin de vergunning voorziet zijn die welke door het referentielaboratorium gebruikt of goedgekeurd worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 1999 waarbij het "Institut scientifique de service public" (Openbaar wetenschappelijk instituut) belast wordt met de opdracht van referentielaboratorium voor water, lucht en afval of alternatieve analysemethodes waarmee resultaten verkregen kunnen worden die gelijkwaardig zijn aan die verkregen via methodes aangewend of goedgekeurd door het referentielaboratorium.
Art. 67. Les méthodes à suivre pour l'échantillonnage et l'analyse pour le contrôle de la conformité de la qualité physique, chimique et biologique des eaux déversées aux conditions émises dans le permis sont celles utilisées ou approuvées par le laboratoire de référence conformément à l'arrêté du Gouvernement wallon du 27 mai 1999 relatif à la mission de laboratoire de référence en matière d'eau, d'air et de déchets de l'Institut scientifique de Service public ou des méthodes d'analyse alternatives permettant d'obtenir des résultats équivalents à ceux obtenus par le biais des méthodes utilisées ou approuvées par le laboratoire de référence.
Art. 68. § 1. Voor de inrichtingen die water uit de behandeling van digestaten lozen, onderwerpt de exploitant de parameters aan een autocontrole op de volgende tijdstippen :
1° wekelijks voor de parameters van de " MES " en de oplosbare " DCO ";
2° maandelijks voor de parameters van totaal fosfor, ammoniumstikstof en nitraten.
§ 2. Voor de inrichtingen die water uit de behandeling van digestaten lozen, laat de exploitant toezicht voeren door een laboratorium erkend overeenkomstig artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek om voor de parameters officiële analyses uit te voeren inzake de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, alsook inzake de bescherming en de exploitatie van de grondwateren en de voor drinkwater bestemde wateren op de volgende tijdstippen :
1° om de zes maanden voor de parameters van de " MES ", sedimenteerbare stoffen, DBO5, DCO, ammoniumstikstof, nitraten en totaal fosfor;
2° jaarlijks voor de overige parameters bedoeld in de artikelen 45 en 46.
§ 3. Accidentele lozingen in oppervlaktewater worden meegedeeld aan de toezichthoudend ambtenaar.
Accidentele lozingen in openbare rioleringen worden meegedeeld aan de toezichthoudend ambtenaar en aan de erkende zuiveringsinstelling.
1° wekelijks voor de parameters van de " MES " en de oplosbare " DCO ";
2° maandelijks voor de parameters van totaal fosfor, ammoniumstikstof en nitraten.
§ 2. Voor de inrichtingen die water uit de behandeling van digestaten lozen, laat de exploitant toezicht voeren door een laboratorium erkend overeenkomstig artikel D.147 van Boek I van het Milieuwetboek om voor de parameters officiële analyses uit te voeren inzake de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, alsook inzake de bescherming en de exploitatie van de grondwateren en de voor drinkwater bestemde wateren op de volgende tijdstippen :
1° om de zes maanden voor de parameters van de " MES ", sedimenteerbare stoffen, DBO5, DCO, ammoniumstikstof, nitraten en totaal fosfor;
2° jaarlijks voor de overige parameters bedoeld in de artikelen 45 en 46.
§ 3. Accidentele lozingen in oppervlaktewater worden meegedeeld aan de toezichthoudend ambtenaar.
Accidentele lozingen in openbare rioleringen worden meegedeeld aan de toezichthoudend ambtenaar en aan de erkende zuiveringsinstelling.
Art. 68. § 1er. Pour les établissements qui déversent des eaux issues du traitement des digestats, l'exploitant réalise une auto-surveillance des paramètres aux fréquences suivantes :
1° hebdomadairement pour les paramètres des MES et de la DCO soluble;
2° mensuellement pour les paramètres du phosphore total, de l'azote ammoniacal et des nitrates.
§ 2. Pour les établissements qui déversent des eaux issues du traitement des digestats, l'exploitant réalise une surveillance par un laboratoire agréé en application de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement en vue de réaliser des analyses officielles dans le domaine de la protection des eaux de surface contre la pollution, ainsi que dans celui de la protection et de l'exploitation des eaux souterraines et des eaux potabilisables pour les paramètres aux fréquences suivantes :
1° semestriellement pour les paramètres des MES, matières sédimentables, DBO5, DCO, azote amoniacal, nitrates et phosphore total;
2° annuellement pour les autres paramètres visés aux articles 45 et 46.
§ 3. Tout déversement accidentel en eau de surface est signalé au fonctionnaire chargé de la surveillance.
Tout déversement accidentel dans les égouts publics est signalé au fonctionnaire chargé de la surveillance et à l'organisme d'assainissement agréé.
1° hebdomadairement pour les paramètres des MES et de la DCO soluble;
2° mensuellement pour les paramètres du phosphore total, de l'azote ammoniacal et des nitrates.
§ 2. Pour les établissements qui déversent des eaux issues du traitement des digestats, l'exploitant réalise une surveillance par un laboratoire agréé en application de l'article D.147 du Livre Ier du Code de l'Environnement en vue de réaliser des analyses officielles dans le domaine de la protection des eaux de surface contre la pollution, ainsi que dans celui de la protection et de l'exploitation des eaux souterraines et des eaux potabilisables pour les paramètres aux fréquences suivantes :
1° semestriellement pour les paramètres des MES, matières sédimentables, DBO5, DCO, azote amoniacal, nitrates et phosphore total;
2° annuellement pour les autres paramètres visés aux articles 45 et 46.
§ 3. Tout déversement accidentel en eau de surface est signalé au fonctionnaire chargé de la surveillance.
Tout déversement accidentel dans les égouts publics est signalé au fonctionnaire chargé de la surveillance et à l'organisme d'assainissement agréé.
HOOFDSTUK VIII. - Zekerheid
CHAPITRE VIII. - Sûreté
Art. 69. De zekerheid bedoeld in artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt steeds geëist en het bedrag ervan ligt in de bijzondere voorwaarden vast.
Art. 69. La sûreté visée à l'article 55 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement est toujours exigée et le montant de celle-ci est fixé par les conditions particulières.
HOOFDSTUK IX. - Herstel van de locatie na exploitatie
CHAPITRE IX. - Remise en état du site en fin d'exploitation
Art. 70. In geval van stopzetting van de activiteiten worden alle producten die gevaarlijk zijn voor de mens of het leefmilieu, alsook alle afvalstoffen i.v.m. die activiteiten, gevaloriseerd of naar behoorlijk vergunde installaties afgevoerd.
Art. 70. En cas de cessation d'activités, tous les produits dangereux pour l'homme ou l'environnement, ainsi que tous les déchets qui se rapportent à ces activités, sont valorisés ou évacués vers des installations dûment autorisées.
Art. 71. In geval van definitieve stopzetting van alle activiteiten stuurt de exploitant aan de bevoegde autoriteit, aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudend ambtenaar een plan tot herstel van de locatie met, ondermeer, de maatregelen die hij getroffen heeft of overweegt te treffen om de veiligheid van alle installaties te waarborgen.
Art. 71. En cas de cessation définitive de toutes les activités, l'exploitant envoie à l'autorité compétente, au fonctionnaire technique et au fonctionnaire chargé de la surveillance, un plan de remise en état du site comprenant notamment les mesures qu'il a prises ou entend prendre afin d'assurer la mise en sécurité de toutes les installations.
Art. 72. De kuipen en leidingen die producten bevat hebben die water en bodem kunnen verontreinigen worden geledigd, gereinigd, ontgast en desgevallend ontsmet. Als de kuipen niet voor een ander gebruik bestemd zijn, worden ze verwijderd. De ingegraven kuipen die niet verwijderd kunnen worden, worden onbruikbaar gemaakt door opvulling met een inert vast materiaal.
Art. 72. Les cuves et les tuyauteries ayant contenu des produits susceptibles de polluer les eaux et le sol sont vidées, nettoyées, dégazées et le cas échéant décontaminées. Si les cuves ne sont pas affectées à un autre usage, elles sont enlevées. Les cuves enterrées qui ne peuvent pas être enlevées sont rendues inutilisables par remplissage avec un matériau solide inerte.
Art. 73. Het water dat voor de reiniging van de tanks dient, mag niet in de grondwateren geloosd worden. Het mag pas na een controle op de naleving van de voorwaarden tot lozing van afvalwater geloosd worden in een openbare riolering of in oppervlaktewateren. Bij gebreke daarvan wordt het verontreinigde water naar een erkend behandelingscentrum afgevoerd.
Art. 73. L'eau servant au nettoyage des réservoirs ne peut pas être déversée dans les eaux souterraines. Elle peut être déversée dans un égout public ou une eau de surface uniquement après un contrôle du respect des conditions de déversement des eaux usées. A défaut, l'eau polluée est envoyée vers un centre de traitement agréé.
HOOFDSTUK X. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE X. - Dispositions modificatives
Art. 74. Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt gewijzigd als volgt :
1° in lid 19 worden de woorden " bijlage XXV " vervangen door de woorden " bijlage XXVI ";
2° in lid 22 worden de woorden " bijlage XXIX " vervangen door de woorden " bijlage XXX ";
4° hetzelfde artikel wordt aangevuld met volgend lid :
" Indien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een biomethaniseringsinstallatie bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, naast de gegevens van het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXI bij dit besluit. ".
1° in lid 19 worden de woorden " bijlage XXV " vervangen door de woorden " bijlage XXVI ";
2° in lid 22 worden de woorden " bijlage XXIX " vervangen door de woorden " bijlage XXX ";
4° hetzelfde artikel wordt aangevuld met volgend lid :
" Indien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een biomethaniseringsinstallatie bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, naast de gegevens van het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXI bij dit besluit. ".
Art. 74. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, est modifié comme suit :
1° à l'alinéa 19 les mots " l'annexe XXV " sont remplacés par les mots " l'annexe XXVI ";
2° à l'alinéa 22, les mots " l'annexe XXIX " sont remplacés par les mots " l'annexe XXX ";
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis d'environnement est relative à une installation de biométhanisation visée par la rubrique 90.23.15. de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à études d'incidences et des installations et activités classées, elle comprend outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations reprises à l'annexe XXXI du présent arrêté. "
1° à l'alinéa 19 les mots " l'annexe XXV " sont remplacés par les mots " l'annexe XXVI ";
2° à l'alinéa 22, les mots " l'annexe XXIX " sont remplacés par les mots " l'annexe XXX ";
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis d'environnement est relative à une installation de biométhanisation visée par la rubrique 90.23.15. de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à études d'incidences et des installations et activités classées, elle comprend outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations reprises à l'annexe XXXI du présent arrêté. "
Art. 75. Artikel 30 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt:
1° in lid 19 worden de woorden " bijlage XXV " vervangen door de woorden " bijlage XXVI ";
2° in lid 22 worden de woorden " bijlage XXIX " vervangen door de woorden " bijlage XXX ";
4° hetzelfde artikel wordt aangevuld met volgend lid :
" Indien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een biomethaniseringsinstallatie bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, naast de gegevens van het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXI bij dit besluit. ".
1° in lid 19 worden de woorden " bijlage XXV " vervangen door de woorden " bijlage XXVI ";
2° in lid 22 worden de woorden " bijlage XXIX " vervangen door de woorden " bijlage XXX ";
4° hetzelfde artikel wordt aangevuld met volgend lid :
" Indien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een biomethaniseringsinstallatie bedoeld in rubriek 90.23.15 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, bevat ze, naast de gegevens van het formulier bedoeld in het eerste lid, de gegevens opgenomen in bijlage XXXI bij dit besluit. ".
Art. 75. L'article 30 du même arrêté est modifié comme suit :
1° à l'alinéa 19, les mots " l'annexe XXV " sont remplacés par les mots " l'annexe XXVI ";
2° à l'alinéa 22, les mots " l'annexe XXIX " sont remplacés par les mots " l'annexe XXX ";
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis unique est relative à une installation de biométhanisation visée par la rubrique 90.23.15. de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à études d'incidences et des installations et activités classées, elle comprend outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations reprises à l'annexe XXXI du présent arrêté. "
1° à l'alinéa 19, les mots " l'annexe XXV " sont remplacés par les mots " l'annexe XXVI ";
2° à l'alinéa 22, les mots " l'annexe XXIX " sont remplacés par les mots " l'annexe XXX ";
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Si la demande de permis unique est relative à une installation de biométhanisation visée par la rubrique 90.23.15. de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à études d'incidences et des installations et activités classées, elle comprend outre les renseignements demandés dans le formulaire visé à l'alinéa 1er, les informations reprises à l'annexe XXXI du présent arrêté. "
Art. 76. Hetzelfde besluit wordt aangevuld met een bijlage XXXI die als bijlage 3 bij dit besluit gaat.
Art. 76. Dans le même arrêté, il est inséré une annexe XXXI qui est jointe en annexe 3 au présent arrêté.
Art. 77. In hetzelfde besluit wordt bijlage XXV, ingevoegd bij het besluit van 13 juni 2013, bijlage XXVI.
Art. 77. Dans le même arrêté, l'annexe XXV insérée par l'arrêté du 13 juin 2013 est renumérotée XXVI.
Art. 78. In hetzelfde besluit wordt bijlage XXIX, ingevoegd bij het besluit van 23 februari 2014, bijlage XXX.
Art. 78. Dans le même arrêté, l'annexe XXIX insérée par l'arrêté du 23 février 2014 est renumérotée XXX.
HOOFDSTUK XI. - Slot- en overgangsbepalingen
CHAPITRE XI. - Dispositions transitoires et finales
Art. 79. Dit besluit is van toepassing op de bestaande inrichtingen zodra het in werking treedt.
In afwijking van het eerste lid :
1° zijn de artikelen 3, 5, 6, 7, 15 en 49, § 2, niet van toepassing op de bestaande inrichtingen;
2° zijn de artikelen 8, 10, 14, § 2 en § 4, 17, 18, 20, 24 § 2, en 36 van toepassing op de bestaande inrichtingen op 1 juni 2017.
In afwijking van het eerste lid :
1° zijn de artikelen 3, 5, 6, 7, 15 en 49, § 2, niet van toepassing op de bestaande inrichtingen;
2° zijn de artikelen 8, 10, 14, § 2 en § 4, 17, 18, 20, 24 § 2, en 36 van toepassing op de bestaande inrichtingen op 1 juni 2017.
Art. 79. Le présent arrêté s'applique aux établissements existants dès l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Par dérogation à l'alinéa 1er :
1° les articles 3, 5, 6, 7, 15 et 49, § 2, ne s'appliquent pas aux établissements existants;
2° les articles 8, 10, 14, § 2 et § 4, 17, 18, 20, 24 § 2 et 36 s'appliquent aux établissements existants le 1er juin 2017.
Par dérogation à l'alinéa 1er :
1° les articles 3, 5, 6, 7, 15 et 49, § 2, ne s'appliquent pas aux établissements existants;
2° les articles 8, 10, 14, § 2 et § 4, 17, 18, 20, 24 § 2 et 36 s'appliquent aux établissements existants le 1er juin 2017.
Art. 80. Het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater is niet meer toepasselijk op de inrichtingen bedoeld in dit besluit
Art. 80. L'arrêté royal du 3 août 1976 portant le règlement général relatif aux déversements des eaux usées dans les eaux de surface ordinaires, dans les égouts publics et dans les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales n'est plus applicable aux établissements visés par le présent arrêté.
Art. 81. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 81. Le Ministre de l'Environnement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
Art. N1. Annexe 1.
| Biomaterie die afval vormt die in aanmerking zou kunnen komen voor biomethanisering met het oog op de productie van een digestaat bestemd voor een gebruik op of binnen de bodem. | |
| Afvalcode | Omschrijving |
| 2 | Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij en de voedingsbereiding en -verwerking |
| 02 01 | Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij |
| 02 01 01 | Slib van wassen en schoonmaken |
| Slib van wassen en schoonmaken van een silo | |
| Slib van wassen en schoonmaken van landbouwmachines zonder sproeier van fytosanitaire producten | |
| 02 01 02 | Afval van dierlijke weefsels |
| Afval van weefsels van fokdieren | |
| 02 01 03 | Afval van plantaardige weefsels |
| Schors, zaagsel, houtachtige vezels uit de schredding | |
| Afval van het kappen van bomen, struiken of van wijnstokken die vrij van ziekten zijn (virussen, bacteriën, zwammen of parasieten) | |
| Afgeriste druiven | |
| Granen | |
| Kaf van graangewassen (na het dorsen) en stof van graangewassen | |
| Stro van graangewassen | |
| Bietenbladeren | |
| Loof (aardappelen, wortels, peulgewassen, enz.) | |
| Restafval van koolzaad (stammen, wortels, enz.) | |
| Restafval van maĂŻs (granen, afgeriste maĂŻs, stro, wortels, enz.) | |
| Hennep | |
| Lijn | |
| Productieafval (met inbegrip van rotte vruchten en groenten, afval van sortering, getrokken witloofwortelen, aardappelknollen, enz.) | |
| Bladeren uit boomgaarden | |
| Bloemen | |
| Gras, hooi en nagras (behalve aan de rand van de wegen) | |
| Adventitia | |
| Onbehandelde planten en zaaizaad | |
| Biomassa uit tussenteelten (groenbemester, tussengewas, enz..) | |
| Energieplanten (maĂŻs, gerst, graangewassen, bieten, aardappelen, miscanthus, enz.) | |
| Restafval van voeder voor fokdieren (krachtvoeder, soja, enz.) | |
| Snoeiafval van hagen en struiken | |
| Waterplanten, onderwaterplanten, rieten, algen | |
| 02 01 04 | Kunststofafval (exclusief verpakkingen) |
| Biologisch afbreekbare kunststoffen | |
| 02 01 06 | Dierlijke feces, urine en mest (inclusief gebruikt stro), afvalwater, gescheiden ingezameld en elders verwerkt. |
| Mest van varkens, runderen, pluimvee, haasachtigen | |
| Mest van varkens, runderen, pluimvee, geitachtigen, schapen, geiten, haasachtigen, paardachtigen | |
| Mest van dierentuindieren | |
| Mest van circusdieren | |
| Pluimveemest (vers of gedroogd) | |
| Gier van boerderijmest of van het wassen van een stal | |
| Guano | |
| 02 01 07 | Afval van de bosbouw |
| Boomstronken, wortels, bast, zaagsel en spaanders | |
| Resten van snoeiing | |
| Dorre bladeren | |
| Naalden van naldbomen | |
| 02 01 99 | Niet elders genoemd afval |
| Rauwe melk | |
| Honing | |
| Eieren | |
| Slibsedimenten van open aquacultuur (vijverteelt) | |
| Slibsedimenten van gesloten aquacultuur (teelt in bakken) | |
| Stoffen verstopt in de roosters van rivieren, drijvend plantaardig afval | |
| Afvloeisel van silo's (plantaardige stoffen) | |
| Teeltsubstraat van Parijse champignons en andere eetbare champignons | |
| 02 02 | Afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong. |
| 02 02 01 | Slib van wassen en schoonmaken |
| Slib van wassen en schoonmaken van vrachtwagens die de dieren naar het slachthuis brengen | |
| Slib van wassen en schoonmaken van de stalzone | |
| 02 02 02 | Afval van dierlijke weefsels |
| Bloed | |
| Horens | |
| Hoeven | |
| Huiden | |
| Bont | |
| Haar | |
| Pluimen | |
| Haar | |
| Beenderen | |
| Slachtafval (slappe lichamen) | |
| 02 02 03 | Stoffen ongeschikt voor consumptie of verwerking |
| Stoffen, die in de zin van Verordening 852/2004 zijn verwerkt - zie opmerking aan het einde van het document - ongeschikt voor een latere verwerking of voor menselijke consumptie (gekookt vlees, vleeswaren, pekelvlees, vissen, zeevruchten, slakken, bereide gerechten, eieren, honing, enz...) | |
| Stoffen, die in de zin van Verordening 852/2004 - niet zijn verwerkt - zie opmerking aan het einde van het document - ongeschikt voor een latere verwerking of voor menselijke consumptie (rauw vlees, vissen, zeevruchten, slakken, eieren, honing, enz...) | |
| Dierlijke vetten | |
| 02 02 04 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib afkomstig van de behandeling van afvalwater van slachthuizen en van uitsnijderijen | |
| 02 02 99 | Niet elders genoemd afval |
| Voeder voor gezelschapsdieren, die dierlijke bijproducten bevatten, die niet meer bestemd zijn voor dierlijke voeding wegens commerciële redenen | |
| Gelatineafval | |
| Wolresten en -afval (onbehandeld) | |
| Eierschalen | |
| Schalen van mosselen en andere weekdieren | |
| Schalen van schaaldieren | |
| Slakkenhuizen | |
| Fecale stoffen uit de stalruimte voor dieren voor het bereiken van het slachthuis | |
| Stercoraire stoffen (urine, inhoud van de pensen, magen en darmen) | |
| Afval van roostergoed | |
| Drijvend slib van slachthuizen | |
| 02 03 | Afval van de bereiding en verwerking van vruchten, groenten, graangewassen, spijsolie, cacao en koffie, productie van conserven en tabak |
| 02 03 01 | Slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden |
| Slib afkomstig van voedingsproductie (plantaardige oorsprong) | |
| Plantaardige stoffen uit het proces met betrekking tot wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren, scheiden en filtratie | |
| Substraat van filtratie van natuurlijke oorsprong (diatomeeënarde, actieve kool, klei ...) | |
| 02 03 03 | Afval van oplosmiddelenextractie |
| Van olie ontdane koeken uit de extractie van voedingsolie (soja, koolzaad, lijn, enz.) | |
| Koeken van noten van Galla chinensis (na uitschakeling van oplosmiddelen) | |
| Koeken van tarapoeder (na uitschakeling van oplosmiddelen) | |
| Opgebruikt olijvenafval (na uitschakeling van oplosmiddelen) | |
| 02 03 04 | Stoffen ongeschikt voor consumptie of verwerking |
| Grondstoffen ongeschikt voor verwerking | |
| Levensmiddelen ongeschikt voor consumptie | |
| Beschadigde partijen sigaretten | |
| Hulpmiddelen (antioxidanten, kleurstoffen, enz.), bewaarmiddelen uitgezonderd | |
| Gist | |
| 02 03 05 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib afkomstig van de behandeling van afvalwater van de verwerking en de bereiding van vruchten, groenten en graangewassen, spijsolie, cacao en koffie, productie van conserven en tabak | |
| 02 03 99 | Niet elders genoemd afval |
| Vruchten en groenten : afval van bereiding | |
| Pitten | |
| Steenvruchten | |
| Glucose, vruchtenwater, suikerwater, vruchtensap | |
| Koffiemoer uit de productie en de bereiding van koffie | |
| Cichorei-, graangewassenmoer | |
| Theemoer, theeblad, afval uit de productie en de bereiding van thee | |
| Expellerkoeken (koolzaad, soja, enz.) | |
| Onverwerkt olijvenafval | |
| Olijfwater | |
| Afval uit graangewassen | |
| Schalen van vruchten (cacao, note, enz.) | |
| Tabak : stof, afval uit het zeven, bladeren | |
| Cichoreidroesem | |
| Afval van melasse | |
| Rest van specerijen (kruiden, bouillon, saus, enz.) | |
| Afval van de productie van aardappel-, mais-, rijstzetmeel | |
| Bakolie en bakvet, afval van vetgangers van plantaardige aard | |
| Glycerine (uit plantaardige stoffen) | |
| 02 04 | Afval van de suikerverwerking |
| 02 04 02 | Afgekeurd calciumcarbonaat |
| Afval van carbonatie | |
| 02 04 03 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater van de verwerkende industrie | |
| 02 04 99 | Niet elders genoemd afval |
| Suiker | |
| Suikerwater | |
| Melasse | |
| Droesem van suikerproducten | |
| Skimmings van suikerproducten | |
| Organische afvalstoffen uit het versnipperen van snijdsels (bladeren, halzen, wortelvezels, enz.) | |
| Gras uit het wassen van bieten | |
| Pulp | |
| Bagasse | |
| 02 05 | Afval van de zuivelindustrie |
| 02 05 01 | Stoffen ongeschikt voor consumptie of verwerking |
| Melk, melkproducten, van mel afgeleide producten ongeschikt voor verwerking of voor menselijke consumptie, melkserum inbegrepen | |
| 02 05 02 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater van de zuivelindustrie | |
| 02 06 | Afval van bakkerijen en de suikerwarenfabrieken |
| 02 06 01 | Stoffen ongeschikt voor consumptie of verwerking |
| Grondstoffen van dierlijke oorsprong ongeschikt voor verwerking (melk, boter, eieren, honing, enz. ...) | |
| Grondstoffen van niet-dierlijke oorsprong ongeschikt voor verwerking | |
| Levensmiddelen ongeschikt voor menselijke consumptie | |
| 02 06 03 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater van bakkerijen en suikerwarenfabrieken | |
| 02 06 99 | Niet elders genoemd afval |
| Afval, van dierlijke oorsprong, uit de bereiding (rest van beslag, van boter, ...) | |
| Afval, van niet-dierlijke oorsprong, uit de bereiding (rest van meel, van suiker, ...) | |
| 02 07 | Afval van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao) |
| 02 07 01 | Afval van wassen, schoonmaken en mechanische bewerking van de grondstoffen |
| Organische afvalstoffen van plantaardige oorsprong uit het wassen, het schoonmaken en de mechanische bewerking van de grondstoffen | |
| Substraat van filtratie van natuurlijke oorsprong (diatomeeënarde, actieve kool, klei ...) | |
| 02 07 02 | Afval van de destillatie van alcoholische dranken |
| Afval van vruchten: pulp, most | |
| Afval van vruchten: afgeriste trossen, pitten en stenen | |
| Afval van graangewassen | |
| Afval van aardappelen | |
| Droesem | |
| 02 07 04 | Stoffen ongeschikt voor consumptie of verwerking |
| Grondstoffen ongeschikt voor verwerking | |
| Dranken ongeschikt voor consumptie | |
| 02 07 05 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater uit de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (koffie, thee en cacao uitgezonderd) | |
| 02 07 99 | Niet elders genoemd afval |
| Vruchten- en grasmoer | |
| Moutmoer, - kiemen en -stof | |
| Hopbostel | |
| Slib van brouwerij | |
| Slib van wijnbereiding | |
| Wijndroesem en -moer | |
| Gist en daarmee gelijkgesteld | |
| Suikerwater | |
| 3 | Afval van de houtverwerking en de productie van papier, karton, pulp, panelen en meubelen |
| 03 01 | Afval van de houtverwerking en de productie van panelen en meubelen |
| 03 01 01 | Schors- en kurkafval |
| Schors | |
| 03 01 05 | Niet onder rubriek 03 01 04 vallend zaagsel, schaafsel, spaanders, houtafval, afval van spaanplaten en fineerhout |
| Houtachtige vezels uit het ontschorsen of het verscheuren, resten van hout, zaagsel, niet-verontreinigd schaafsel, houtwol, schors | |
| 03 03 | Afval van de productie en verwerking van papier, karton en pulp |
| 03 03 01 | Schors- en houtafval |
| Schors | |
| 03 03 05 | Ontinktingsslib van papierrecycling |
| Ontinktingsslib van papierrecycling | |
| 03 03 08 | Afval van het scheiden van voor recycling bestemd papier en karton |
| Papier en karton bevuild door voedsel (bv.: pizzakarton) | |
| 03 03 09 | Kalkneerslagafval |
| Ontharingsslib | |
| 03 03 10 | Onbruikbare vezels, door mechanische afscheiding verkregen vezel-, vulstof- en coatingslib |
| Slib dat wegens te korte vezels niet gerecycleerd kan worden | |
| 03 03 11 | Niet onder rubriek 03 03 10 vallend slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater van de productie en de verwerking van papier | |
| 03 03 99 | Niet elders genoemd afval |
| Pulp | |
| 4 | Afval van de leer-, bont- en textielindustrie |
| 04 01 | Afval van de leer- en bontindustrie |
| 04 01 01 | Schraapafval |
| Schraapafval (bindweefsel, vethoop, enz.) | |
| Snijafval van ongelooide huiden | |
| 04 01 02 | Loogafval |
| Haar | |
| Wol | |
| 04 01 07 | Chroomvrij slib, met name van de behandeling in situ van afvalwater |
| Chroomvrij zuiveringsslib uit de behandeling van afvalwater | |
| 04 01 08 | Chroomhoudend gelooid leerafval (snijafval, polijststof) |
| Snijafval van gelooide huiden | |
| 04 01 99 | Niet elders genoemd afval |
| Snijafval van ruwe huiden | |
| Leder-afsnijdels | |
| Vetten | |
| Doorsijpeling en olie | |
| 04 02 | Afval van de textielindustrie |
| 04 02 10 | Organisch afval van natuurlijke producten (bv. vet, was) |
| Vetten, was | |
| 04 02 20 | Niet onder 04 02 19 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling in situ van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 04 02 21 | Afval van onverwerkte textielvezels |
| Wolresten en -afval (onbehandeld) | |
| Afval van cellulosevezels en van plantaardige weefsels (onverwerkt en onbehandeld) | |
| 6 | Afval van anorganische chemische processen |
| 06 03 | Afval van BFLG van zouten en hun oplossingen en metaaloxiden |
| 06 03 14 | Niet onder 06 03 11 en 06 03 13 vallende vaste zouten en oplossingen |
| Fysiologische oplossing (0,9 % NaCl) | |
| 06 05 | Slib afkomstig van de behandeling in situ van afvalwater |
| 06 05 03 | Niet onder 06 05 02 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling in situ van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 7 | Afval van organische chemische processen |
| 07 01 | Afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van organische basischemicalien |
| 07 01 01 | Waterige wasvloeistoffen en moederlogen |
| Water uit ijsazijn | |
| 07 01 12 | Niet onder 07 01 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling in situ van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 01 99 | Niet elders genoemd afval |
| MONG bio | |
| Glycerine van de biodieselindustrie | |
| Glycerine uit de productie van biobrandstoffen van dierlijke oorsprong | |
| Natriumacetaat | |
| Dimeerafval | |
| 07 02 | Afval van BFLG van kunststoffen, synthetische rubber en kunstvezels |
| 07 02 12 | Niet onder 07 03 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van water dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 02 13 | Kunststofafval |
| Biologisch afbreekbare kunststoffen | |
| 07 03 | Afval van BFLG van organische kleurstoffen en pigmenten (exclusief 06 11) |
| 07 03 12 | Niet onder 07 03 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van water dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 04 | Afval van BFLG van organische gewasbeschermingsmiddelen (exclusief 02 01 08 en 02 01 09), houtverduurzamingsmiddelen (exclusief 03 02) en andere biociden |
| 07 04 12 | Niet onder 07 04 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 05 | Afval van BFLG van farmaceutische producten |
| 07 05 12 | Niet onder 07 05 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 05 14 | Niet onder 07 05 13 vallende vaste afvalstoffen |
| Droesem van geneeskundige planten | |
| Resten van schimmelsubstraat | |
| Mycelium | |
| Afval van eiwitten | |
| Gelatineblokken | |
| 07 06 | Afval van BFLG van vetten, smeermiddelen, zepen, detergenten, desinfecterende middelen en cosmetische producten |
| 07 06 12 | Niet onder 07 06 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 06 99 | Niet elders genoemd afval |
| Planten en extracten van planten | |
| 07 07 | Afval van BFLG van fijnchemicalien en niet elders genoemde chemische producten |
| 07 07 12 | Niet onder 07 07 11 vallend slib van de behandeling in situ van afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 07 07 99 | Niet elders genoemd afval |
| Perfusieoplossingen (bv.: oplossing met glucose) | |
| 15 | Verpakkingsafval, absorbentia, poetsdoeken, filtermateriaal en beschermende kleding (niet elders genoemd) |
| 15 01 | Verpakking en verpakkingsafval (inclusief gescheiden ingezameld stedelijk verpakkingsafval) |
| 15 01 01 | Papieren en kartonnen verpakking |
| Biologisch afbreekbare papieren en kartonnen verpakking | |
| 15 01 02 | Kunststofverpakking |
| Biologisch afbreekbare kunststofverpakking | |
| 15 01 03 | Houten verpakking |
| Onbehandeld houten verpakking | |
| 15 01 05 | Composietverpakking |
| Biologisch afbreekbaar afval van composietverpakking | |
| 15 01 09 | Textielen verpakking |
| Biologisch afbreekbaar afval van textielverpakking | |
| 16 | Niet elders in de lijst genoemd afval |
| 16 03 | Afgekeurde charges en ongebruikte producten |
| 16 03 06 | Niet onder 16 03 05 vallend anorganisch afval |
| Beschadigde biologisch afbreekbare hydrofilm die aan de norm EN 13432 voldoet | |
| 19 | Afval van installaties voor afvalbeheer, off-site waterzuiverings-installaties en water voor industrieel gebruik |
| 19 05 | Afval van het composteren |
| 19 05 01 | Niet-gecomposteerde fractie van soortgelijk afval |
| Niet gecomposteerd binnenkomend afval | |
| 19 05 02 | Niet-gecomposteerde fractie van dierlijk en plantaardig afval |
| Niet gecomposteerd binnenkomend afval | |
| Houtafval uit het zeven | |
| 19 05 03 | Afgekeurde compost |
| Afgekeurde compost wegens commerciële redenen (bv. onvoldoende landbouwkundige parameters) | |
| 19 06 | Afval van de anaerobe behandeling van afval |
| 19 06 03 | Vloeistof verkregen bij de anaerobe behandeling van stedelijk afval |
| Vloeistof verkregen bij de anaerobe behandeling van selectief ingezamelde organische afvalstoffen | |
| 19 06 04 | Digestaat van de anaerobe behandeling van stedelijk afval |
| Digestaat van de anaerobe behandeling van selectief ingezamelde organische afvalstoffen | |
| 19 06 05 | Vloeistof verkregen bij de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval |
| Vloeistof verkregen bij de anaërobe vergisting van plantaardig afval | |
| Vloeistof verkregen bij de anaërobe vergisting van dierlijk en plantaardig afval | |
| 19 06 06 | Digestaat uit de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval |
| Digestaat uit de anaërobe behandeling van plantaardig afval | |
| Digestaat uit de anaërobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval | |
| 19 08 | Niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering |
| 19 08 05 | Slib van de behandeling van stedelijk afvalwater |
| Stedelijk zuiveringsslib | |
| 19 08 09 | Vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die enkel spijsolie en -vetten bevatten |
| Vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die enkel spijsolie en -vetten bevatten, met uitzondering van vet- en oliemengsels uit stedelijke waterzuiverings-installaties | |
| 19 08 12 | Niet onder 19 08 11 vallend slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater |
| Slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 19 08 14 | Niet onder 19 08 13 vallend slib van andere behandelingen van industrieel afvalwater |
| Slib van de behandeling van afvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat | |
| 19 09 | Afval van de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en water voor industrieel gebruik |
| 19 09 02 | Waterzuiveringsslib |
| Ijzerhoudend slib uit de behandeling van water voor menselijke consumptie of voor industrieel gebruik | |
| 19 09 03 | Ontharingsslib |
| Ontharingsslib uit de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water | |
| Ontharingsslib uit de bereiding van voor industrieel gebruik bestemd water | |
| 19 12 | Afval van niet elders genoemde mechanische afvalverwerking (bv.: sorteren, breken, verdichten, palletiseren) |
| 19 12 12 | Overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking. |
| Organische mengsel: mengsel van afval uit de mechanische behandeling van voormalige voedingsmiddelen van plantaardige oorsprong, opgehaald in kleine of grote supermarkten | |
| Organische mengsel: mengsel van afval uit de mechanische behandeling van voormalige voedingsmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong, opgehaald in kleine of grote supermarkten | |
| Organische mengsel: mengsel van afval uit de mechanische behandeling van het voor vergisting vatbare deel van de huisafval, in geval van selectieve inzameling | |
| 20 | Stedelijk afval (huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, industrieel afval en afval van instellingen) inclusief gescheiden ingezamelde fracties |
| 20 01 | Gescheiden ingezamelde fracties (exclusief 15 01) |
| 20 01 08 | Biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval |
| Voedingsresten | |
| 20 01 25 | Voedingsoliën en -vetten |
| Selectief opgehaalde voedingsoliën en -vetten | |
| 20 01 38 | Niet onder 20 01 37 vallend hout |
| Boomstronken, wortels, bast, zaagsel en spaanders | |
| Afgezaagde takken (verhakseld) | |
| 20 01 39 | Kunststoffen |
| Biologisch afbreekbare kunststoffen | |
| 20 01 99 | Niet elders genoemde fracties |
| Voor vergisting vatbare deel van huisafval dat selectief wordt opgehaald (voedingsresten, klein tuinafval,...) | |
| Levensmiddelen, van plantaardige oorsprong, opgehaald in kleine of grote supermarkten | |
| Levensmiddelen, van plantaardige en dierlijke oorsprong, opgehaald in kleine of grote supermarkten | |
| 20 02 | Tuin- en plantsoenafval (inclusief afval van begraafplaatsen) |
| 20 02 01 | Biologisch afbreekbaar afval |
| Plantaardig tuin- en plantsoenafval | |
| 20 03 | Overig stedelijk afval |
| 20 03 02 | Marktafval |
| Niet meer voor verbruik bestemde voedingsmiddelen van plantaardige oorsprong (vruchten, groenten, enz.) | |
| Niet meer voor verbruik bestemd voedingsmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong | |
| Biologisch afbreekbare verpakkingen (papier, karton, biologisch afbreekbaar kunststof, ...) | |
| 20 03 04 | Slib van septische putten |
| Slib/ slijk uit septische putten | |
| 20 98 | Afval van ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen (exclusief 18 01) |
| 20 98 97 | Keukenafval, afval van administratieve lokalen, hotel- of huisvestingsafval geproduceerd buiten de ziekenhuis- en verzorgingszones, afgedankte apparaten en meubilair |
| Selectief opgehaald keukenafval | |
| Biomatières constituant des déchets susceptibles d'être admises dans la biométhanisation en vue de générer un digestat destiné à une utilisation sur ou dans les sols | |
| Code des déchets | Description |
| 2 | Déchets provenant de l'agriculture, de l'horticulture, de l'aquaculture, de l'exploitation des ressources forestières, de la chasse et de la pêche, ainsi que de la préparation et de la transformation des aliments |
| 02 01 | Déchets provenant de l'agriculture, de l'horticulture, de l'aquaculture, de l'exploitation des ressources forestières, de la chasse et de la pêche |
| 02 01 01 | Boues provenant du lavage et du nettoyage |
| Boues du lavage et du nettoyage d'un silo | |
| Boues du lavage et du nettoyage de machines agricoles hors pulvérisateur de produits phytosanitaires | |
| 02 01 02 | Déchets de tissus animaux |
| Déchets de tissus animaux d'élevage | |
| 02 01 03 | Déchets de tissus végétaux |
| Ecorces, sciures, matières ligneuses résultant du broyage | |
| Déchets de la coupe des arbres, des arbustes ou des vignes exempts de maladies (virus, bactéries, champignons ou parasites) | |
| Rafles de raisin | |
| Grains de céréales | |
| Balles de céréales (obtenues par le battage) et poussières de céréales | |
| Pailles de céréales | |
| Feuilles de betteraves | |
| Fanes (pommes de terre, carottes, légumineuses, etc.) | |
| Résidus de colza (tiges, racines, etc.) | |
| Résidus de maïs (grains, rafles, pailles, racines, etc.) | |
| Chanvre | |
| Lin | |
| Rebuts de production (inclus fruits et légumes gâtés, déchets de tri, racine forcée d'endive, tubercules de pomme de terre, etc.) | |
| Feuilles provenant de vergers | |
| Fleurs | |
| Herbe, foin et regain (hors bordure des voiries) | |
| Adventices | |
| Semences et plants non traités | |
| Biomasse issue de cultures intercalaires (engrais vert, culture dérobée, etc..) | |
| Plantes énergétiques (maïs, orge, céréales, betteraves, pomme de terre, miscanthus, etc.) | |
| Résidus d'aliments pour animaux d'élevage (fourrage, soja, etc.) | |
| Tailles de haies et d'arbustes | |
| Plantes aquatiques, subaquatiques, roseaux, algues | |
| 02 01 04 | Déchets de matières plastiques (à l'exclusion des emballages) |
| Plastiques biodégradables | |
| 02 01 06 | Fèces, urine et fumier (y compris paille souillée), effluents collectés séparément et traités hors site. |
| Lisier de porcs, de bovins, de volailles, de léporidés | |
| Fumier de porcins, de bovins, de volailles, d'ovins, de caprins, de léporidés, d'équidés | |
| Fumier d'animaux de zoo | |
| Fumier d'animaux de cirque | |
| Fientes de volailles (fraîches ou séchées) | |
| Purin issu du fumier d'engrais de ferme ou du lavage d'une étable | |
| Guano | |
| 02 01 07 | Déchets provenant de la sylviculture |
| Souches, racines, écorces, sciure et copeaux de bois | |
| Résidus d'élagage | |
| Feuilles mortes | |
| Aiguilles de conifères | |
| 02 01 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Lait cru | |
| Miel | |
| Oeufs | |
| Sédiments boueux d'aquaculture en système ouvert (élevage en étang) | |
| Sédiments boueux d'aquaculture en système fermé (élevage en bassin) | |
| Matières retenues dans les grilles de rivières, débris végétaux flottants | |
| Jus d'écoulement de silo (matières végétales) | |
| Substrat de culture de champignons de Paris et d'autres champignons comestibles | |
| 02 02 | Déchets provenant de la préparation et de la transformation de la viande, des poissons et d'autres aliments d'origine animale |
| 02 02 01 | Boues provenant du lavage et du nettoyage |
| Boues provenant du lavage et du nettoyage des camions amenant les animaux Ă l'abattoir | |
| Boues provenant du lavage et du nettoyage de la zone de stabulation | |
| 02 02 02 | Déchets de tissus animaux |
| Sang | |
| Cornes | |
| Sabots | |
| Peaux | |
| Fourrures | |
| Soies | |
| Plumes | |
| Poils | |
| Os | |
| Abats (corps mous) | |
| 02 02 03 | Matières impropres à la consommation ou à la transformation |
| Matières, qui ont subi une transformation au sens du règlement 852/2004 - voir annotation fin de document - impropres à une transformation ultérieure ou à la consommation humaine (viandes cuites, charcuterie, salaisons, poissons, fruits de mer, escargots, plats préparés, oeufs, miel, etc...) | |
| Matières, qui n'ont pas subi une transformation au sens du Règlement 852/2004- voir annotation fin de document - impropres à la transformation ou à la consommation humaine (viande crue, poissons, fruits de mer, escargots, oeufs, miel, etc...) | |
| Graisses animales | |
| 02 02 04 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues issues du traitement des eaux usées des abattoirs et des ateliers de découpe | |
| 02 02 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Aliments pour animaux familiers, contenant des sous-produits animaux, qui ne sont plus destinés à l'alimentation animale pour des raisons commerciales | |
| Déchets de gélatine | |
| Restes et déchets de laine (non traités) | |
| Coquilles d'oeufs | |
| Coquilles de moules et autres mollusques | |
| Carapace de crustacé | |
| Coquilles d'escargot | |
| Matières fécales issues de l'aire de stabulation des animaux en amont de l'abattoir | |
| Matières stercoraires (urine, contenu des panses, des estomacs et des intestins) | |
| Déchets de dégrillage | |
| Boues flottantes d'abattoir | |
| 02 03 | Déchets provenant de la préparation et de la transformation des fruits, des légumes, des céréales, des huiles alimentaires, du cacao et du café, de la production de conserves et du tabac |
| 02 03 01 | Boues provenant du lavage, du nettoyage, de l'épluchage, de la centrifugation et de la séparation |
| Boues issues de la production alimentaire (d'origine végétale) | |
| Matières végétales issues du processus de lavage, nettoyage, épluchage, centrifugation, séparation et filtration | |
| Substrat de filtration d'origine naturelle (terre de diatomée, charbon actif, argile...) | |
| 02 03 03 | Déchets de l'extraction aux solvants |
| Tourteaux déshuilés issus de l'extraction d'huile alimentaire (soja, colza, lin, etc.) | |
| Tourteaux de noix de galle chinoise (après élimination des solvants) | |
| Tourteaux de poudre de tara (après élimination des solvants) | |
| Grignon épuisé (après élimination des solvants) | |
| 02 03 04 | Matières impropres à la consommation ou à la transformation |
| Matières premières impropres à la transformation | |
| Produits alimentaires impropres Ă la consommation | |
| Lot défectueux de cigarettes | |
| Adjuvants (antioxydants, colorants, etc.) hors conservateurs | |
| Levure | |
| 02 03 05 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues issues du traitement des eaux usées de la transformation et la préparation des fruits, des légumes et des céréales, des huiles alimentaires, du caco et du café, de la production de conserves et du tabac | |
| 02 03 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Fruits et légumes : déchets de préparation | |
| Pépins | |
| Noyaux de fruits | |
| Glucose, eau de fruits, eau sucrée, jus de fruits | |
| Marc de café, résultant de la production et de la préparation du café | |
| Marc de chicorée, de céréale | |
| Marc de thé, feuille de thé, résidus de la production et de la préparation du thé | |
| Tourteaux expeller (colza, soja, etc.) | |
| Grignon brut d'olive | |
| Margine d'olive | |
| Issues de céréales | |
| Coques de fruits (cacao, noix, etc.) | |
| Tabac : poussière, résidus du criblage, feuilles | |
| Vinasse de chicorée | |
| Résidus de mélasse | |
| Reste de condiments (épices, bouillon, sauce, etc.) | |
| Résidus de la production d'amidon de pomme de terre, de maïs ou de riz | |
| Huile de cuisson et graisse, résidus de collecteur de graisse d'origine végétale | |
| Glycérine (produite à partie de matières végétales) | |
| 02 04 | Déchets de la transformation du sucre |
| 02 04 02 | Carbonate de calcium déclassé |
| Résidus de carbonatation | |
| 02 04 03 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues provenant du traitement des eaux usées de l'industrie de transformation du sucre | |
| 02 04 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Sucre | |
| Eau sucrée | |
| Mélasse | |
| Vinasse de sucrerie | |
| Ecumes de sucrerie | |
| Déchets organiques issus du découpage des cossettes (feuilles, collets, radicelles, etc.) | |
| Herbes issues du lavage des betteraves | |
| Pulpes | |
| Bagasse | |
| 02 05 | Déchets provenant de l'industrie des produits laitiers |
| 02 05 01 | Matières impropres à la consommation ou à la transformation |
| Lait, produits à base de lait, produits dérivés du lait impropres à la transformation ou à la consommation humaine, y compris lactosérum | |
| 02 05 02 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues provenant du traitement des eaux usées de l'industrie laitière | |
| 02 06 | Déchets de boulangerie, pâtisserie, confiserie |
| 02 06 01 | Matières impropres à la consommation ou à la transformation |
| Matières premières d'origine animale impropres à la transformation (lait, beurre, oeufs, miel, etc...) | |
| Matières premières d'origine non animale impropres à la transformation | |
| Produits alimentaires impropres Ă la consommation humaine | |
| 02 06 03 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues provenant du traitement des eaux usées de boulangerie et de confiserie | |
| 02 06 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Déchets, d'origine animale, résultant de la préparation (reste de pâte, de beurre...) | |
| Déchets, d'origine non animale, résultant de la préparation (reste de farine, de sucre...) | |
| 02 07 | Déchets provenant de la production de boissons alcooliques et non alcooliques (sauf café, thé et cacao) |
| 02 07 01 | Déchets provenant du lavage, du nettoyage et de la réduction mécanique des matières premières |
| Déchets organiques d'origine végétale provenant du lavage, du nettoyage et de la réduction mécanique des matières premières | |
| Substrat de filtration d'origine naturelle (terre de diatomée, charbon actif, argile...) | |
| 02 07 02 | Déchets de la distillation de l'alcool |
| Résidus de fruits : pulpes, moults | |
| Résidus de fruits: rafles, pépins et noyaux | |
| Résidus de céréales | |
| Résidus de pommes de terre | |
| Vinasse | |
| 02 07 04 | Matières impropres à la consommation ou à la transformation |
| Matières premières impropres à la transformation | |
| Boissons impropres Ă la consommation | |
| 02 07 05 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| Boues provenant du traitement des eaux usées issues de la production de boissons alcooliques et non alcooliques (à l'exception du café, du thé et du cacao) | |
| 02 07 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Marc de fruits et d'herbes | |
| Marc, germes et poussières de malt | |
| Drèches de houblon | |
| Boues de brasserie | |
| Boues de viniculture | |
| Lie et marc de vin | |
| Levures et assimilés | |
| Eau sucrée | |
| 3 | Déchets provenant de la transformation du bois et de la production de papier, de carton, de pâte à papier, de panneaux et de meubles |
| 03 01 | Déchets provenant de la transformation du bois et de la fabrication de panneaux et de meubles |
| 03 01 01 | Déchets d'écorce et de liège |
| Ecorce | |
| 03 01 05 | Sciure, copeaux, chutes, déchets de bois, de panneaux de particules et de placages de bois autres que ceux mentionnés à la rubrique 03 01 04 |
| Matières ligneuses résultant de l'écorçage ou du déchiquetage, restes de bois, sciure, copeaux non pollués, laine de bois, écorce | |
| 03 03 | Déchets provenant de la production et de la transformation de papier, de carton et de pâte à papier |
| 03 03 01 | Déchets d'écorce et de bois |
| Ecorce | |
| 03 03 05 | Boues de désencrage provenant du recyclage du papier |
| Boues de désencrage provenant du recyclage du papier | |
| 03 03 08 | Déchets provenant du tri de papier et de carton destinés au recyclage |
| Papiers et cartons souillés par de la nourriture (ex : carton à pizza) | |
| 03 03 09 | Déchets de boues résiduaires de chaux |
| Boues de décarbonatation | |
| 03 03 10 | Résidus fibreux, boues de fibres, de charge et de couchage provenant d'une séparation mécanique |
| Boues contenant des fibres trop courtes pour être recyclées | |
| 03 03 11 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles mentionnées à la rubrique 03 03 10 |
| Boues provenant du traitement des eaux usées de la production et de la transformation du papier | |
| 03 03 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Pâte à papier | |
| 4 | Déchets provenant des industries du cuir, de la fourrure et du textile |
| 04 01 | Déchets de l'industrie du cuir et de la fourrure |
| 04 01 01 | Déchets d'écharnage et refentes |
| Déchets d'écharnage (tissus conjonctif, amas de graisse, etc.) | |
| Refentes de peaux non tannées | |
| 04 01 02 | Résidus de pelanage |
| Poils | |
| Laine | |
| 04 01 07 | Boues, notamment provenant du traitement in situ des effluents, sans chrome |
| Boues d'épuration issues du traitement des eaux usées (sans chrome) | |
| 04 01 08 | Déchets de cuirs tannés (refentes sur bleu, dérayures, échantillonnages, poussières de ponçage contenant du chrome) |
| Refentes et dérayures de cuir tanné | |
| 04 01 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Déchets d'échantillonnage de peaux brutes | |
| Rognures (déchets de débordage) | |
| Graisses | |
| Suint et huile | |
| 04 02 | Déchets de l'industrie textile |
| 04 02 10 | Matières organiques issues de produits naturels (par exemple : graisse, cire) |
| Graisses, cires | |
| 04 02 20 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 04 02 19 |
| Boues provenant du traitement in situ des effluents ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 04 02 21 | Déchets de fibres textiles non ouvrées |
| Restes et déchets de laine (non traitée) | |
| Déchets de fibre de cellulose et de tissus végétaux (non ouvrés et non traités) | |
| 6 | Déchets des procédés de la chimie minérale |
| 06 03 | Déchets provenant de la FFDU de sels et leurs solutions et d'oxydes métalliques |
| 06 03 14 | Sels solides et solutions autres que ceux visés aux rubriques 06 03 11 et 06 03 13 |
| Solution physiologique (0,9 % de NaCl) | |
| 06 05 | Boues provenant du traitement in situ des effluents |
| 06 05 03 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 06 05 02 |
| Boues provenant du traitement in situ des effluents ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 7 | Déchets des procédés de la chimie organique |
| 07 01 | Déchets provenant de la fabrication, formulation, distribution et utilisation (FFDU) de produits organiques de base |
| 07 01 01 | Eaux de lavage et liqueurs mères aqueuses |
| Eau de l'acide acétique | |
| 07 01 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 01 11 |
| Boues provenant du traitement des eaux usées ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 01 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| MONG bio | |
| Glycérine de l'industrie du biodiesel | |
| Glycérine provenant de la production de biocarburant d'origine animale | |
| Acétate de sodium | |
| Déchets de dimère | |
| 07 02 | Déchets provenant de la FFDU de matières plastiques, caoutchouc et fibres synthétiques |
| 07 02 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 03 11 |
| Boues du traitement des eaux ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 02 13 | Déchets plastiques |
| Plastiques biodégradables | |
| 07 03 | Déchets provenant de la FFDU de la teinture et des pigments organiques (sauf rubrique 06 11) |
| 07 03 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 03 11 |
| Boues du traitement des eaux ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 04 | Déchets provenant de la FFDU des produits phytosanitaires organiques (sauf rubriques 02 01 08 et 02 01 09), d'agents de protection du bois (sauf section 03 02) et d'autres biocides |
| 07 04 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 04 11 |
| Boues du traitement des eaux usées ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 05 | Déchets provenant de la FFDU des produits pharmaceutiques |
| 07 05 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 05 11 |
| Boues du traitement des eaux usées ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 05 14 | Déchets solides autres que ceux visés à la rubrique 07 05 13 |
| Marc de plantes médicinales | |
| Résidus de substrat de fermentation | |
| Mycélium | |
| Déchets de protéines | |
| Blocs de gélatine | |
| 07 06 | Déchets provenant de la FFDU des corps gras, savons, détergents, désinfectants et cosmétiques |
| 07 06 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 06 11 |
| Boues du traitement des eaux usées ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 06 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Plantes et extraits de plantes | |
| 07 07 | Déchets provenant de la FFDU de produits chimiques issus de la chimie fine et de produits chimiques non spécifiés ailleurs |
| 07 07 12 | Boues provenant du traitement in situ des effluents autres que celles visées à la rubrique 07 07 11 |
| Boues du traitement des eaux usées ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 07 07 99 | Déchets non spécifiés ailleurs |
| Solutés de perfusion (ex : sérum glucosé) | |
| 15 | Emballages et déchets d'emballages, absorbants, chiffons d'essuyage, matériaux filtrants et vêtements de protection (non spécifiés ailleurs) |
| 15 01 | Emballage et déchets d'emballage (y compris déchets municipaux d'emballages collectés séparément) |
| 15 01 01 | Emballage en papier/carton |
| Déchets d'emballage biodégradable en papier/carton | |
| 15 01 02 | Emballage en plastique |
| Emballage biodégradable en plastique | |
| 15 01 03 | Emballage en bois |
| Emballage en bois non traité | |
| 15 01 05 | Emballage composite |
| Déchets d'emballage composite biodégradable | |
| 15 01 09 | Emballage textile |
| Déchets d'emballage biodégradable en textile | |
| 16 | Déchets non décrits ailleurs dans la liste |
| 16 03 | Loupés de fabrication et produits non utilisés |
| 16 03 06 | Déchets d'origine organique autres que ceux visés à la rubrique 16 03 05 |
| Hydrofilm biodégradable défectueux répondant à la norme EN 13432 | |
| 19 | Déchets provenant des installations de traitement des déchets, des stations d'épuration des eaux usées hors site et de l'industrie de l'eau |
| 19 05 | Déchets de compostage |
| 19 05 01 | Fraction non compostée des déchets ménagers et assimilés |
| Déchets entrants non compostés | |
| 19 05 02 | Fraction non compostée des déchets animaux et végétaux |
| Déchets entrants non compostés | |
| Déchets ligneux issus du criblage | |
| 19 05 03 | Compost déclassé |
| Compost déclassé pour des raisons commerciales (ex. paramètres agronomiques insatisfaisants) | |
| 19 06 | Déchets provenant du traitement anaérobie des déchets |
| 19 06 03 | Liqueurs provenant du traitement anaérobie des déchets municipaux |
| Liqueurs provenant du traitement anaérobie de déchets organiques collectés sélectivement | |
| 19 06 04 | Digestat résultant du traitement anaérobie des déchets municipaux |
| Digestat résultant du traitement anaérobie des déchets organiques collectés sélectivement | |
| 19 06 05 | Liqueurs provenant du traitement anaérobie des déchets animaux et végétaux |
| Liqueurs issues de la digestion anaérobie des déchets végétaux | |
| Liqueurs issues de la digestion anaérobie des déchets animaux et végétaux | |
| 19 06 06 | Digestat résultant du traitement anaérobie des déchets animaux et végétaux |
| Digestat résultant du traitement anaérobie de déchets végétaux | |
| Digestat résultant du traitement anaérobie des déchets animaux et végétaux | |
| 19 08 | Déchets provenant d'installations de traitement des eaux usées non spécifiés ailleurs |
| 19 08 05 | Boues provenant du traitement des eaux usées urbaines |
| Boues d'épuration urbaines | |
| 19 08 09 | Mélanges de graisse et d'huile provenant de la séparation huile/eaux usées contenant uniquement des huiles et graisses alimentaires |
| Mélange d'huiles et de graisses contenant uniquement des huiles et graisses alimentaires, à l'exclusion des mélanges d'huile et de graisses issus des stations d'épuration urbaines | |
| 19 08 12 | Boues provenant du traitement biologique des eaux usées industrielles autres que celles visées à la rubrique 19 08 11 |
| Boues provenant du traitement biologique des eaux usées industrielles ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 19 08 14 | Boues provenant d'autres traitements des eaux usées industrielles autres que celles visées à la rubrique 19 08 13 |
| Boues provenant de traitements des eaux usées industrielles ne contenant pas de substances dangereuses | |
| 19 09 | Déchets provenant de la préparation d'eau potable ou d'eau à usage industriel |
| 19 09 02 | Boues de clarification d'eau |
| Boues ferreuses provenant du traitement des eaux pour la consommation humaine ou pour l'utilisation industrielle | |
| 19 09 03 | Boues de décarbonatation |
| Boues de décarbonatation provenant de la préparation d'eau pour la consommation humaine | |
| Boues de décarbonatation provenant de la préparation d'eau à usage industriel | |
| 19 12 | Déchets provenant du traitement mécanique des déchets (par exemple : tri, broyage, compactage, granulation) non spécifiés ailleurs |
| 19 12 12 | Autres déchets (y compris mélanges) provenant du traitement mécanique des déchets autres que ceux visés à la rubrique 19 12 11 |
| Mix organique : mélange de déchets provenant du traitement mécanique d'anciennes denrées alimentaires, d'origine végétale, collectées dans les petites et grandes surfaces | |
| Mix organique : mélange de déchets provenant du traitement mécanique d'anciennes denrées alimentaires, d'origine végétale et animale, collectées dans les petites et grandes surfaces | |
| Mix organique : mélange de déchets provenant du traitement mécanique de la fraction fermentescible des ordures ménagères collectées sélectivement | |
| 20 | Déchets municipaux et déchets assimilés provenant des commerces, des industries et des administrations, y compris les fractions collectées séparément |
| 20 01 | Fractions collectées séparément (sauf 15 01) |
| 20 01 08 | Déchets de cuisine et de cantine biodégradables |
| Résidus alimentaires | |
| 20 01 25 | Huiles et matières grasses alimentaires |
| Huiles et matières grasses alimentaires collectées sélectivement | |
| 20 01 38 | Bois autres que ceux visés à la rubrique 20 01 37 |
| Souches, racines, écorces, sciure et copeaux de bois | |
| Branches coupées (broyées) | |
| 20 01 39 | Matières plastiques |
| Plastiques biodégradables | |
| 20 01 99 | Autres fractions non spécifiées ailleurs |
| Fraction fermentescible des ordures ménagères collectée sélectivement (résidus alimentaires, petits déchets de jardin...) | |
| Produits alimentaires, d'origine végétale, collectés dans les petites et grandes surfaces | |
| Produits alimentaires, d'origine végétale et animale, collectés dans les petites et grandes surfaces | |
| 20 02 | Déchets de jardins et de parcs (y compris les déchets de cimetière) |
| 20 02 01 | Déchets biodégradables |
| Déchets végétaux de jardins et de parcs | |
| 20 03 | Autres déchets municipaux |
| 20 03 02 | Déchets de marchés |
| Anciennes denrées alimentaires d'origine végétale (fruits, légumes, etc.) | |
| Anciennes denrées alimentaires, d'origine végétale et animale | |
| Emballages biodégradables (papier, carton, plastique biodégradable,...) | |
| 20 03 04 | Boues de fosses septiques |
| Boues/gadoues de fosses septiques | |
| 20 98 | Déchets provenant des centres hospitaliers et maisons de soins de santé (sauf 18 01) |
| 20 98 97 | Déchets de cuisines, des locaux administratifs, déchets hôteliers ou d'hébergement produits en dehors des zones d'hospitalisation et de soins, les appareils et mobilier mis au rebut |
| Déchets de cuisine collectés sélectivement | |
Art. N2. Bijlage 2. - Analysebulletin van het digestaat
Benaming van de stof :
Productiesite :
Producent :
Nr. van het gebruikscertificaat, in voorkomend geval :
Benaming van de stof :
Productiesite :
Producent :
Nr. van het gebruikscertificaat, in voorkomend geval :
Art. N2. Annexe 2. - Bulletin d'analyse des digestats
Dénomination de la matière :
Site de production :
Producteur :
N° certificat d'utilisation, le cas échéant :
Dénomination de la matière :
Site de production :
Producteur :
N° certificat d'utilisation, le cas échéant :
| Jaar: | Producent : Referentienummer van de partij : | Tel.: |
| Année : | Producteur : | Tél. : |
| N° de référence lot : |
| Nr. van het analysebulletin | |
| Datum van de monsterneming | |
| Auteur van de monsterneming |
| N° du bulletin d'analyse | |
| Date de prélèvement de l'échantillon | |
| Auteur du prélèvement de l'échantillon |
| Analysedatum : | Erkend labo : | Tel. : |
| Date d'analyse : | Labo. agréé : | Tél. : |
| Parameters | Eenheid | Resultaat | Norm |
| Landbouwkundige parameters | |||
| pH water | |||
| Neutraliserende waarde | |||
| Droge stoffen | % RS | ||
| Organische stoffen | % RS | ||
| Totale stikstof | % RS | ||
| Organische stikstof | % RS | ||
| Nitraatstikstof | % RS | ||
| Ammoniakale stikstof | % RS | ||
| P en P2O5 oplosbaar in minerale zuren | % RS | ||
| K en K2O oplosbaar in water | % RS | ||
| Mg en MgO oplosbaar in minerale zuren | % RS | ||
| Ca en CaO oplosbaar in minerale zuren | % RS | ||
| C/N | |||
| Elektrische geleidbaarheid | mS/m | ||
| Kiemkracht | |||
| Granulometrie - Onzuiverheden - Steentjes | |||
| Granulometrie van het compost - zeven met een zeef van 40 mm | |||
| onzuiverheden (glas, kunststof, metaal) - de zeefrest met een zeef van 2 mm | |||
| Stenen - de zeefrest met een zeef van 5 mm | |||
| Elementen metalen sporen | |||
| Cd | mg/kg D.S. | ||
| Cr | mg/kg D.S. | ||
| Cu | mg/kg D.S. | ||
| Hg | mg/kg D.S. | ||
| Ni | mg/kg D.S. | ||
| Pb | mg/kg D.S. | ||
| Zn | mg/kg D.S. | ||
| Sporen organische stoffen | |||
| BTEX (Benzeen, Tolueen, Ethylbenzeen, Xyleen) en Styreen | mg/kg D.S. | ||
| PAH (6 van Borneff) Fluorantheen, Benzo (b) fluorantheen, Benzo (k) fluorantheen, Benzo (a) pyreen, Indeno (1, 2, 3 -c, d) pyreen, Benzo (g,h,i) peryleen | mg/kg D.S. | ||
| PAH totalen (16) Fluorantheen, Benzo (b) fluorantheen, Benzo (k) fluorantheen, Benzo (a) pyreen, Indeno (1, 2, 3 -c, d) pyreen, Benzo (g,h,i) peryleen, Naftaleen, Acenaftyleen, Fluoreen, fenanthreen, antraceen, Pyreen, Benzo (a) anthraceen, Chryseen, Dibenz (a, h) anthraceen | mg/kg D.S. | ||
| PCB (7 soortgenoten van Ballschmieter) PCB nr.28, PCB nr. 52, PCB nr. 101, PCB nr. 118, PCB nr. 138, PCB nr. 153, PCB nr. 180 | mg/kg D.S. | ||
| Aardolie koolwaterstoffen verdeeld in fracties (C9 -> C40) | mg/kg D.S. |
- zeven met een zeef van 40 mm onzuiverheden (glas, kunststof, metaal)
- de zeefrest met een zeef van 2 mm Stenen - de zeefrest met een zeef van 5 mm Elementen metalen sporen Cd mg/kg D.S. Cr mg/kg D.S. Cu mg/kg D.S. Hg mg/kg D.S. Ni mg/kg D.S. Pb mg/kg D.S. Zn mg/kg D.S. Sporen organische stoffen BTEX (Benzeen, Tolueen, Ethylbenzeen, Xyleen) en Styreen mg/kg D.S. PAH (6 van Borneff) Fluorantheen, Benzo (b) fluorantheen, Benzo (k) fluorantheen, Benzo (a) pyreen, Indeno (1, 2, 3 -c, d) pyreen, Benzo (g,h,i) peryleen mg/kg D.S. PAH totalen (16) Fluorantheen, Benzo (b) fluorantheen, Benzo (k) fluorantheen, Benzo (a) pyreen, Indeno (1, 2, 3 -c, d) pyreen, Benzo (g,h,i) peryleen, Naftaleen, Acenaftyleen, Fluoreen, fenanthreen, antraceen, Pyreen, Benzo (a) anthraceen, Chryseen, Dibenz (a, h) anthraceen mg/kg D.S. PCB (7 soortgenoten van Ballschmieter) PCB nr.28, PCB nr. 52, PCB nr. 101, PCB nr. 118, PCB nr. 138, PCB nr. 153, PCB nr. 180 mg/kg D.S. Aardolie koolwaterstoffen verdeeld in fracties (C9 -> C40) mg/kg D.S.
| Paramètres | Unité | Résultat | Norme |
| Paramètres agronomiques | |||
| pH eau | |||
| Valeur neutralisante | |||
| M.S. | % MB | ||
| M.O. | % MB | ||
| N total | % MB | ||
| N organique | % MB | ||
| N nitrique | % MB | ||
| N ammoniacal | % MB | ||
| P en P2O5 soluble dans les acides minéraux | % MB | ||
| K en K2O soluble dans l'eau | % MB | ||
| Mg en MgO soluble dans les acides minéraux | % MB | ||
| Ca en CaO soluble dans les acides minéraux | % MB | ||
| C/N | |||
| Conductivité électrique | en mS/m | ||
| Pouvoir germinatif | |||
| Granulométrie - Impuretés - Pierres | |||
| Granulométrie du compost - passage au tamis de 40 mm | |||
| Impuretés (verre, plastique, métal) - refus au tamis de 2 mm | |||
| Pierres - refus au tamis de 5 mm | |||
| Eléments traces métalliques | |||
| Cd | mg/kg M.S. | ||
| Cr | mg/kg M.S. | ||
| Cu | mg/kg M.S. | ||
| Hg | mg/kg M.S. | ||
| Ni | mg/kg M.S. | ||
| Pb | mg/kg M.S. | ||
| Zn | mg/kg M.S. | ||
| Composés trace organiques | |||
| BTEX (Benzène, Toluène, Ethylbenzène, Xylène) et Styrène | mg/kg M.S. | ||
| PAH (6 de Borneff) Fluoranthène, Benzo (b) fluoranthène, Benzo (k) fluoranthène, Benzo (a) pyrène, Indéno (1,2,3 -c,d) pyrène, Benzo (g,h,i) pérylène | mg/kg M.S. | ||
| PAH totaux (16) Fluoranthène, Benzo (b) fluoranthène, Benzo (k) fluoranthène, Benzo (a) pyrène, Indéno (1,2,3 -c,d) pyrène, Benzo (g,h,i) pérylène, Naphtalène, Acénaphtylène, Acénaphtène, Fluorène, Phénanthrène, Anthracène, Pyrène, Benzo (a) anthracène, Chrysène, Dibenz (a, h) anthracène | mg/kg M.S. | ||
| PCB (7 congénères de Ballschmieter) PCB n° 28, PCB n° 52, PCB n° 101, PCB n°118, PCB n° 138, PCB n° 153, PCB n° 180 | mg/kg M.S. | ||
| Hydrocarbures pétroliers répartis en fractions (C9 -> C40) | mg/kg M.S. |
| Interpretatief verslag | |
| Onderzocht op Handtekening van de exploitant : | Opgemaakt op te Handtekening van de verantwoordelijke van het erkend laboratorium : |
Handtekening van de exploitant : Opgemaakt op te Handtekening van de verantwoordelijke van het erkend laboratorium :
| Rapport interprétatif | |
| Vu le Signature de l'exploitant | Fait le A Signature du responsable du laboratoire agréé : |
Signature de l'exploitant Fait le A Signature du responsable du laboratoire agréé :
Art. N3. Bijlage XXXI. - Informatie betreffende de installaties voor biomethanisatie bedoeld bij rubriek 90.23.15.
I. Identificatie van de gebieden die een risico vertonen op aanwezigheid van explosieve atmosferen tijdens de verwezenlijking van een ATEX-zonering met inachtneming van het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard (plan dat als bijlage bij de aanvraag moet worden gevoegd)
II. Beschrijving van de verschillende wijzen van bevordering van biogas, van het digestaat, de mogelijkheden van de installatie en de rechtvaardiging van de weerhouden keuze.
III. Technische beschrijving :
- de dagelijkse verwerkingscapaciteit uitgedrukt in ton per dag en de jaarlijkse verwerkingscapaciteit van de installatie;
- de hoeveelheid biomaterie die kan worden opgeslagen;
- de lijst van de biomaterie en materie die in aanmerking zouden kunnen komen bij de exploitant, de aard of de benaming van de biomaterie of van de materie en de code ervan overeenkomstig de lijst van de biomaterie die afval vormt bedoeld in bijlage 1 van het besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor biomethanisatie bedoeld bij rubriek 90.23.15 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of, bij gebreke daarvan, de code zoals bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
- de modaliteiten voor de opslag voorzien voor de aangevoerde biomaterie en kenmerken van de infrastructuren (volume);
- de type en de technische kenmerken van de voorafgaande behandeling uitgevoerd op de aangevoerde biomaterie;
- de technische kenmerken van de biomethanisatie (aantal en volume van de digestoren, verblijftijd, type mesofiel, thermofiel ... proces);
- de type(s) en de technische kenmerken na de behandeling uitgevoerd op het bruto-digestaat;
- de modaliteiten voor de opslag bedoeld voor het bruto-digestaat en/of het behandeld digestaat, met inbegrip van het aantal en de volume van de opslagkuipen;
- de uren voor het af- en aanrijden van het vrachtverkeer voor het vervoer van de afvalstoffen en van het digestaat;
- de beschrijving en de afmetingen van de verschillende oppervlakten bedoeld in onderstaande tabel :
I. Identificatie van de gebieden die een risico vertonen op aanwezigheid van explosieve atmosferen tijdens de verwezenlijking van een ATEX-zonering met inachtneming van het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard (plan dat als bijlage bij de aanvraag moet worden gevoegd)
II. Beschrijving van de verschillende wijzen van bevordering van biogas, van het digestaat, de mogelijkheden van de installatie en de rechtvaardiging van de weerhouden keuze.
III. Technische beschrijving :
- de dagelijkse verwerkingscapaciteit uitgedrukt in ton per dag en de jaarlijkse verwerkingscapaciteit van de installatie;
- de hoeveelheid biomaterie die kan worden opgeslagen;
- de lijst van de biomaterie en materie die in aanmerking zouden kunnen komen bij de exploitant, de aard of de benaming van de biomaterie of van de materie en de code ervan overeenkomstig de lijst van de biomaterie die afval vormt bedoeld in bijlage 1 van het besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de installaties voor biomethanisatie bedoeld bij rubriek 90.23.15 tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of, bij gebreke daarvan, de code zoals bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot opstelling van een afvalcatalogus;
- de modaliteiten voor de opslag voorzien voor de aangevoerde biomaterie en kenmerken van de infrastructuren (volume);
- de type en de technische kenmerken van de voorafgaande behandeling uitgevoerd op de aangevoerde biomaterie;
- de technische kenmerken van de biomethanisatie (aantal en volume van de digestoren, verblijftijd, type mesofiel, thermofiel ... proces);
- de type(s) en de technische kenmerken na de behandeling uitgevoerd op het bruto-digestaat;
- de modaliteiten voor de opslag bedoeld voor het bruto-digestaat en/of het behandeld digestaat, met inbegrip van het aantal en de volume van de opslagkuipen;
- de uren voor het af- en aanrijden van het vrachtverkeer voor het vervoer van de afvalstoffen en van het digestaat;
- de beschrijving en de afmetingen van de verschillende oppervlakten bedoeld in onderstaande tabel :
Art. N3. Annexe XXXI. - Informations relatives aux installations de biométhanisation visées par la rubrique 90.23.15.
I. Identification des zones présentant un risque de présence d'atmosphère explosive en réalisant un zonage ATEX dans le respect de l'annexe de l'arrêté royal du 10 mars 1981 rendant obligatoire le Règlement général sur les installations électriques pour les installations domestiques et certaines lignes de transport et de distribution d'énergie électrique (plan à joindre en annexe de la demande).
II. Description des principaux modes de valorisation du biogaz, du digestat, les potentialités de l'installation et justification du choix retenu.
III. Description technique :
- la capacité de traitement journalière exprimée en tonne par jour et la capacité annuelle de traitement de l'installation;
- la quantité de biomatière entreposable;
- la liste des biomatières et matières que l'exploitant envisage d'accepter, la nature ou la dénomination de la biomatière ou de la matière et son code en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement wallon déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations de biométhanisation visées par la rubrique 90.23.15. et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou, à défaut, le code tel que prévu l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets;
- les modalités de stockage prévues pour les biomatières entrantes et caractéristiques des infrastructures (volume);
- le type et les caractéristiques techniques du traitement préalable opéré sur les biomatières entrantes;
- les caractéristiques techniques de la biométhanisation (nombre et volume des digesteurs, temps de séjour, type de processus mésophile, thermophile...);
- le(s) type(s) et les caractéristiques techniques du post-traitement opéré sur le digestat brut;
- les modalités de stockage prévues pour le digestat brut et/ou traité, en ce compris le nombre et le volume des cuves de stockage;
- les heures d'accès et de sortie du charroi destiné au transport des déchets et du digestat;
- la description et les dimensions des différentes aires visées dans le tableau ci-dessous :
I. Identification des zones présentant un risque de présence d'atmosphère explosive en réalisant un zonage ATEX dans le respect de l'annexe de l'arrêté royal du 10 mars 1981 rendant obligatoire le Règlement général sur les installations électriques pour les installations domestiques et certaines lignes de transport et de distribution d'énergie électrique (plan à joindre en annexe de la demande).
II. Description des principaux modes de valorisation du biogaz, du digestat, les potentialités de l'installation et justification du choix retenu.
III. Description technique :
- la capacité de traitement journalière exprimée en tonne par jour et la capacité annuelle de traitement de l'installation;
- la quantité de biomatière entreposable;
- la liste des biomatières et matières que l'exploitant envisage d'accepter, la nature ou la dénomination de la biomatière ou de la matière et son code en référence à la liste des biomatières constituant des déchets visée à l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement wallon déterminant les conditions sectorielles relatives aux installations de biométhanisation visées par la rubrique 90.23.15. et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou, à défaut, le code tel que prévu l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets;
- les modalités de stockage prévues pour les biomatières entrantes et caractéristiques des infrastructures (volume);
- le type et les caractéristiques techniques du traitement préalable opéré sur les biomatières entrantes;
- les caractéristiques techniques de la biométhanisation (nombre et volume des digesteurs, temps de séjour, type de processus mésophile, thermophile...);
- le(s) type(s) et les caractéristiques techniques du post-traitement opéré sur le digestat brut;
- les modalités de stockage prévues pour le digestat brut et/ou traité, en ce compris le nombre et le volume des cuves de stockage;
- les heures d'accès et de sortie du charroi destiné au transport des déchets et du digestat;
- la description et les dimensions des différentes aires visées dans le tableau ci-dessous :
| Volume (m3)* | Gebruikte oppervlakte (m2)* | |
| Ontvangstruimte | ||
| Opslaginfrastructuren | ||
| Installatie voor de bereiding van de mengsel | ||
| Ruimte voor biomethanisatie | ||
| Ruimte voor postbehandeling | ||
| Opslaginstallaties voor het bruto-digestaat of het behandeld digestaat in afwachting van hun verwijdering |
* : Maximumvolumes en -oppervlaktes
IV. Stuivende biomaterie
Als de biomethaniseringsinstallatie meer dan 10 000 ton stuivende biomaterie per jaar verwerkt waarvan de diversiviteit van S1 tot S4 wordt ingedeeld, voegt dan de exploitant een "Plan voor de Beperking van de Diffuse Emissies van deeltjes" (PBDE).
Het PBDE bevat minstens de volgende elementen:
- een identificatie van de diffuse emissiebronnen van deeltjes op het geheel van het gebied (plaats, soort verrichting, soort materiaal...);
- een karakterisering van de installaties en van de activiteiten die diffuse emissies veroorzaken (jaarlijks verwerkte en/of behandelde hoeveelheden, oppervlakte van de opslagen, andere oppervlakten die blootgesteld zijn aan winderosie, omvang van het vrachtverkeer ...);
- de reeds uitgevoerd of uit te voeren acties ter voorkoming en/of ter verwijdering van de diffuse emissies van deeltjes binnen een bepaalde termijn.
De dispersiviteit van de materialen, die overeenstemt met de indeling van bijlage 8.4 van het document "Bref" met als opschrift "Emissies door het opslaan van gevaarlijke stoffen of door het los opslaan van stoffen" wordt ingedeeld als volgt :
| Volume (m3)* | Surface occupée (m2) * | |
| Aire de réception | ||
| Infrastructures de stockage | ||
| Installation destinée à la préparation du mélange | ||
| Aire de biométhanisation | ||
| Aire de post-traitement | ||
| Installations de stockage du digestat brut ou traité en attente d'évacuation |
* : Volumes et surfaces maxima.
IV. Biomatières pulvérulentes
Si l'installation de biométhanisation traite plus de 10.000 tonnes par an de biomatières pulvérulentes dont la dispersivité est classée de S1 à S4, l'exploitant joint un Plan de Réduction des Emissions diffuses de particules (PRED).
Le PRED comprend au minimum les éléments suivants :
- une identification des sources d'émission diffuse de particules sur l'entièreté du site (localisation, type d'opération, type de matériau,...);
- une caractérisation des installations et des activités générant les émissions diffuses (quantités manutentionnées et/ou traitées annuellement, superficie des stockages, autres surperficie exposées à l'érosion éolienne, importance du charroi...);
- les actions de prévention et/ou d'abattement des émissions diffuses de particules déjà mises en oeuvre ou à mettre en oeuvre dans un délai déterminé.
La classification de dispersivité des matériaux, correspondant à la classification de l'annexe 8.4 du Bref intitulé " Emissions dues au stockage de matières dangereuses ou en vrac " est la suivante :
| Niet-bevloeibaar | Bevloeibaar | |
| Zeer gevoelig voor wegvliegen | S1 | S2 |
| Matig gevoelig voor verwaaiing | S3 | S4 |
| Bijna of helemaal niet gevoelig voor verwaaiing | S5 | S5 |
Het AWAC blijft ter beschikking van de exploitant voor de uitwerking van het PBDE.
V. Biogas :
1. Theoretische maximale hoeveelheid, uitgedrukt in ton, biogas in de biomethaniseringsinstallatie
2. Dienstdruk
3. Als de hoeveelheid biogas in de biomethaniseringsinstallatie hoger dan 830 Nm3 is, dan bevat een analyse van de risico's minstens de volgende elementen:
- een identificatie en een karakterisering van de mogelijke gevaren, met name:
o de aanwezigheid van stoffen die een ontploffing zouden kunnen veroorzaken;
o de werking van de mogelijk gevaarlijke installaties;
o de identificatie van de natuurlijke of elektrische risico's;
- een grondig onderzoek van de risico's met vermelding, voor elk verschijnsel, van informatie betreffende de waarschijnlijkheid, de ernst, de kinetica alsook de verbonden gevolgen (thermische overdruk en straling);
- een kaart van de aan de gevolgen blootgestelde zones;
- een beschrijving van de preventie- en beschermingsmaatregelen van de risico's.
| Non mouillable | Mouillable | |
| Très sensible à l'envol | S1 | S2 |
| Modérément sensible à la dérive | S3 | S4 |
| Très peu ou pas du tout sensible à la dérive | S5 | S5 |
L'AWAC se tient à la disposition à la disposition de l'exploitant pour l'élaboration du PRED.
V. Biogaz :
1. Quantité théorique maximale, exprimée en tonne, de biogaz contenue dans l'installation de biométhanisation
2. Pression de service
3. Lorsque la quantité de biogaz présente dans l'installation de biométhanisation est supérieure à 830 Nm3, une analyse de risques, comprenant au minimum les éléments suivants :
- une identification et une caractérisation des potentiels de dangers, à savoir :
o la présence de matières susceptibles d'être à l'origine d'une explosion;
o le fonctionnement des installations potentiellement dangereuses;
o l'identification de risques naturels ou électriques;
- une étude détaillée des risques en présentant, pour chaque phénomène, les informations relatives à la probabilité d'occurrence, la gravité, la cinétique ainsi que les distances d'effets associés (surpression et radiation thermique);
- une cartographie des zones d'effets;
- une description des mesures de prévention et de protection des risques.