Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 FEBRUARI 2014. - Programmadecreet 2014(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-04-2014 en tekstbijwerking tot 16-04-2024)
Titre
24 FEVRIER 2014. - Décret-programme 2014(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-04-2014 et mise à jour au 16-04-2024)
Documentinformatie
Numac: 2014202530
Datum: 2014-02-24
Info du document
Numac: 2014202530
Date: 2014-02-24
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Persoonsgebonden aangelegenheden
Afdeling 1. - Adoptie
Afdeling 2. - Thuishulpdiensten
Afdeling 3. - Jeugdbijstand
Afdeling 4. - Bejaarden
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
Afdeling 1. - Ondersteuning van musea
Afdeling 2. - Jeugd
Afdeling 3. - Volwassenenvorming
Afdeling 4. - Media
Afdeling 5. - Sport
HOOFDSTUK 3. - Monumentenzorg
HOOFDSTUK 4. - Infrastructuur
HOOFDSTUK 5. - Erediensten
HOOFDSTUK 6. - Financiën en begroting
HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Matières personnalisables
Section 1re. - Adoption
Section 2. - Services d'aide à domicile
Section 3. - Aide à la jeunesse
Section 4. - Personnes âgées
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Section 1re. - Soutien accordé aux musées
Section 2. - Jeunesse
Section 3. - Formation des adultes
Section 4. - Médias
Section 5. - Sport
CHAPITRE 3. - Protection des monuments et sites
CHAPITRE 4. - Infrastructure
CHAPITRE 5. - Cultes
CHAPITRE 6. - Finances et budget
CHAPITRE 7. - Dispositions diverses
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Tekst (62)
Texte (62)
HOOFDSTUK 1. - Persoonsgebonden aangelegenheden
CHAPITRE 1er. - Matières personnalisables
Afdeling 1. - Adoptie
Section 1re. - Adoption
Artikel 1. In artikel 4, eerste lid, 3°, van het decreet van 21 december 2005 betreffende de adoptie, gewijzigd bij het programmadecreet van 16 juni 2008, worden de woorden "van artikel 17" vervangen door de woorden "van artikel 17 en van de artikelen 21 tot 25".
Article 1er. Dans l'article 4, alinéa 1er, 3°, du décret du 21 décembre 2005 relatif à l'adoption, modifié par le décret du 16 juin 2008, les mots "à l'article 17" sont remplacés par les mots "aux articles 17 et 21 à 25".
Art.2. Artikel 19, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 16 juni 2008, wordt na de woorden "aan een erkende bemiddelingsdienst" aangevuld met de woorden "of met toepassing van de artikelen 21 tot 25 aan de centrale autoriteit".
Art.2. L'article 19, § 2, du même décret, modifié par le décret-programme du 16 juin 2008, est complété par les mots "ou à l'autorité centrale, en application des articles 21 à 25".
Art.3. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling II, van hetzelfde decreet, opgeheven bij het programmadecreet van 16 juni 2008, worden de artikelen 21 tot 25 hersteld als volgt :
" Afdeling II. - Bemiddeling door de centrale autoriteit
Art. 21. Een bemiddeling door de centrale autoriteit is slechts mogelijk als de kandidaat-adoptanten een kind afkomstig uit een staat of een staatgedeelte wensen te adopteren waarvoor geen erkende bemiddelingsdienst met toepassing van artikel 19, §§ 2 en 3, de machtiging heeft gekregen om met het oog op een adoptie werkzaam te zijn.
De centrale autoriteit kan bovendien een bemiddeling weigeren als :
1° de wetgeving van de staat van herkomst bepaalt dat de nazorg na de adoptie door een op dit gebied gespecialiseerde dienst moet worden waargenomen;
2° de staat van herkomst een staat in oproer of slachtoffer van een natuurramp is;
3° de staat van herkomst van het kind het Haagse verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie niet heeft ondertekend.
De Regering kan bijkomende redenen voor een bemiddelingsweigering bepalen.
Art. 22. De artikelen 18 en 19, § 1, zijn van toepassing op een bemiddeling door de centrale autoriteit.
Art. 23. § 1. De kandidaat-adoptanten vullen een vragenlijst in en zenden deze aan de centrale autoriteit over samen met de in de staat van herkomst vigerende en in het Duits vertaalde rechtsbepalingen inzake adoptie alsmede met alle andere documenten die inlichtingen over de adoptieplannen geven.
§ 2. Zo nodig doet de centrale autoriteit een beroep op de bijstand van elke bevoegde Belgische of buitenlandse overheid om vast te stellen of :
1° de kandidaat-adoptanten, in hun contacten met de staat van herkomst, de daar vigerende rechtsbepalingen naleven;
2° alle bij de adoptieprocedure optredende personen het belang van het te adopteren kind in acht nemen;
3° het subsidiariteitsbeginsel bepaald in artikel 21 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind in acht wordt genomen;
4° de adoptieplannen niet tot een ongeoorloofd geldelijk voordeel leiden voor personen overeenkomstig artikel 21, d), van het Verdrag vermeld in 3°;
§ 3. Na ontvangst van de in § 2 vermelde inlichtingen deelt de centrale autoriteit de kandidaat-adoptanten mede of de bemiddeling al dan niet kan worden voortgezet.
§ 4. Met de toestemming van de kandidaat-adoptanten kan de centrale autoriteit een erkende bemiddelingsdienst met de voortzetting van de bemiddeling belasten.
§ 5. Als de centrale autoriteit de bemiddeling voortzet, sluit ze met de kandidaat-adoptanten een overeenkomst af waarin de modaliteiten voor de verdere samenwerking worden vastgelegd.
Art. 24. Met toepassing van artikel 361.3, 1°, van het Burgerlijk Wetboek zendt de centrale autoriteit de in artikel 361.2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde documenten aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst over.
De toestemming van de kandidaten om het voorgestelde kind te adopteren en de toestemming van de centrale autoriteit daaromtrent worden eveneens aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst, door de bemiddeling van de centrale autoriteit, met toepassing van artikel 361.3, 3° en 5°, van het Burgerlijk Wetboek overgezonden.
Zijn vertalingen noodzakelijk, dan vallen de erdoor ontstane kosten ten laste van de kandidaat-adoptanten.
Art. 25. De Regering bepaalt de bijdrage van de kandidaat-adoptanten in de bemiddelingskosten en de nadere regels voor de storting ervan. "
" Afdeling II. - Bemiddeling door de centrale autoriteit
Art. 21. Een bemiddeling door de centrale autoriteit is slechts mogelijk als de kandidaat-adoptanten een kind afkomstig uit een staat of een staatgedeelte wensen te adopteren waarvoor geen erkende bemiddelingsdienst met toepassing van artikel 19, §§ 2 en 3, de machtiging heeft gekregen om met het oog op een adoptie werkzaam te zijn.
De centrale autoriteit kan bovendien een bemiddeling weigeren als :
1° de wetgeving van de staat van herkomst bepaalt dat de nazorg na de adoptie door een op dit gebied gespecialiseerde dienst moet worden waargenomen;
2° de staat van herkomst een staat in oproer of slachtoffer van een natuurramp is;
3° de staat van herkomst van het kind het Haagse verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie niet heeft ondertekend.
De Regering kan bijkomende redenen voor een bemiddelingsweigering bepalen.
Art. 22. De artikelen 18 en 19, § 1, zijn van toepassing op een bemiddeling door de centrale autoriteit.
Art. 23. § 1. De kandidaat-adoptanten vullen een vragenlijst in en zenden deze aan de centrale autoriteit over samen met de in de staat van herkomst vigerende en in het Duits vertaalde rechtsbepalingen inzake adoptie alsmede met alle andere documenten die inlichtingen over de adoptieplannen geven.
§ 2. Zo nodig doet de centrale autoriteit een beroep op de bijstand van elke bevoegde Belgische of buitenlandse overheid om vast te stellen of :
1° de kandidaat-adoptanten, in hun contacten met de staat van herkomst, de daar vigerende rechtsbepalingen naleven;
2° alle bij de adoptieprocedure optredende personen het belang van het te adopteren kind in acht nemen;
3° het subsidiariteitsbeginsel bepaald in artikel 21 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind in acht wordt genomen;
4° de adoptieplannen niet tot een ongeoorloofd geldelijk voordeel leiden voor personen overeenkomstig artikel 21, d), van het Verdrag vermeld in 3°;
§ 3. Na ontvangst van de in § 2 vermelde inlichtingen deelt de centrale autoriteit de kandidaat-adoptanten mede of de bemiddeling al dan niet kan worden voortgezet.
§ 4. Met de toestemming van de kandidaat-adoptanten kan de centrale autoriteit een erkende bemiddelingsdienst met de voortzetting van de bemiddeling belasten.
§ 5. Als de centrale autoriteit de bemiddeling voortzet, sluit ze met de kandidaat-adoptanten een overeenkomst af waarin de modaliteiten voor de verdere samenwerking worden vastgelegd.
Art. 24. Met toepassing van artikel 361.3, 1°, van het Burgerlijk Wetboek zendt de centrale autoriteit de in artikel 361.2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde documenten aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst over.
De toestemming van de kandidaten om het voorgestelde kind te adopteren en de toestemming van de centrale autoriteit daaromtrent worden eveneens aan de bevoegde overheid van de staat van herkomst, door de bemiddeling van de centrale autoriteit, met toepassing van artikel 361.3, 3° en 5°, van het Burgerlijk Wetboek overgezonden.
Zijn vertalingen noodzakelijk, dan vallen de erdoor ontstane kosten ten laste van de kandidaat-adoptanten.
Art. 25. De Regering bepaalt de bijdrage van de kandidaat-adoptanten in de bemiddelingskosten en de nadere regels voor de storting ervan. "
Art.3. Dans le titre VI, chapitre II, section 2, du même décret, les articles 21 à 25, abrogés par le décret-programme du 16 juin 2008, sont rétablis dans la rédaction suivante :
" Section 2. - Médiation par le biais de l'autorité centrale
Art. 21. Une médiation par le biais de l'autorité centrale n'est possible que lorsque les candidats adoptants souhaitent adopter un enfant originaire d'un état ou d'une partie d'état où aucun service de médiation reconnu n'a obtenu, en application de l'article 19, §§ 2 et 3, l'autorisation d'être actif en vue d'une adoption.
L'autorité centrale peut, en outre, refuser une médiation lorsque :
1° la législation de l'état d'origine prescrit que le suivi post-adoptif doit être assuré par un service spécialisé en la matière;
2° l'état d'origine est un état en insurrection ou un état victime d'une catastrophe naturelle;
3° l'état d'origine de l'enfant n'a pas signé la Convention de La Haye du 29 mai 1993 sur la protection des enfants et la coopération en matière d'adoption internationale.
Le Gouvernement peut fixer d'autres motifs de refus de la médiation.
Art. 22. Les articles 18 et 19, § 1er, sont applicables à la médiation assurée par l'autorité centrale.
Art. 23. § 1er. Les candidats adoptants remplissent un questionnaire et le transmettent à l'autorité centrale accompagné des dispositions juridiques en matière d'adoption applicables dans le pays d'origine et traduites en langue allemande ainsi que de tout autre document renseignant sur leur projet d'adoption.
§ 2. Si nécessaire, l'autorité centrale demande le soutien de toute autorité belge ou étrangère compétente pour constater si :
1° les candidats adoptants respectent, dans leurs contacts avec l'état d'origine, les dispositions juridiques qui y sont applicables;
2° tous les intervenants dans la procédure d'adoption respectent les intérêts de l'enfant à adopter;
3° le principe de subsidiarité fixé à l'article 21 de la Convention sur les droits de l'enfant du 20 novembre 1989 est respecté;
4° conformément à l'article 21, d), de la Convention mentionnée au 3°, le projet d'adoption n'entraîne pas de profit matériel indu pour des personnes.
§ 3. Après réception des informations mentionnées au § 2, l'autorité centrale communique aux candidats adoptants si la médiation peut ou non être poursuivie.
§ 4. Moyennant l'accord des candidats adoptants, l'autorité centrale peut confier le reste de la médiation à un service de médiation agréé.
§ 5. Lorsque l'autorité centrale poursuit la médiation, elle conclut avec les candidats adoptants une convention fixant les modalités selon lesquelles se poursuivra la coopération.
Art. 24. En application de l'article 361-3, 1°, du Code civil, l'autorité centrale transmet à l'autorité compétente de l'état d'origine les documents mentionnés à l'article 361-2 du Code civil.
Le consentement des candidats adoptants à adopter l'enfant proposé et l'accord de l'autorité centrale sont également transmis à l'autorité compétente de l'état d'origine via l'autorité centrale en application de l'article 361-3, 3° et 5°, du Code civil.
Si des traductions s'avèrent nécessaires, les frais y afférents seront supportés par les candidats adoptants.
Art. 25. Le Gouvernement détermine la participation des candidats adoptants aux coûts encourus pour la médiation ainsi que les modalités de versement. "
" Section 2. - Médiation par le biais de l'autorité centrale
Art. 21. Une médiation par le biais de l'autorité centrale n'est possible que lorsque les candidats adoptants souhaitent adopter un enfant originaire d'un état ou d'une partie d'état où aucun service de médiation reconnu n'a obtenu, en application de l'article 19, §§ 2 et 3, l'autorisation d'être actif en vue d'une adoption.
L'autorité centrale peut, en outre, refuser une médiation lorsque :
1° la législation de l'état d'origine prescrit que le suivi post-adoptif doit être assuré par un service spécialisé en la matière;
2° l'état d'origine est un état en insurrection ou un état victime d'une catastrophe naturelle;
3° l'état d'origine de l'enfant n'a pas signé la Convention de La Haye du 29 mai 1993 sur la protection des enfants et la coopération en matière d'adoption internationale.
Le Gouvernement peut fixer d'autres motifs de refus de la médiation.
Art. 22. Les articles 18 et 19, § 1er, sont applicables à la médiation assurée par l'autorité centrale.
Art. 23. § 1er. Les candidats adoptants remplissent un questionnaire et le transmettent à l'autorité centrale accompagné des dispositions juridiques en matière d'adoption applicables dans le pays d'origine et traduites en langue allemande ainsi que de tout autre document renseignant sur leur projet d'adoption.
§ 2. Si nécessaire, l'autorité centrale demande le soutien de toute autorité belge ou étrangère compétente pour constater si :
1° les candidats adoptants respectent, dans leurs contacts avec l'état d'origine, les dispositions juridiques qui y sont applicables;
2° tous les intervenants dans la procédure d'adoption respectent les intérêts de l'enfant à adopter;
3° le principe de subsidiarité fixé à l'article 21 de la Convention sur les droits de l'enfant du 20 novembre 1989 est respecté;
4° conformément à l'article 21, d), de la Convention mentionnée au 3°, le projet d'adoption n'entraîne pas de profit matériel indu pour des personnes.
§ 3. Après réception des informations mentionnées au § 2, l'autorité centrale communique aux candidats adoptants si la médiation peut ou non être poursuivie.
§ 4. Moyennant l'accord des candidats adoptants, l'autorité centrale peut confier le reste de la médiation à un service de médiation agréé.
§ 5. Lorsque l'autorité centrale poursuit la médiation, elle conclut avec les candidats adoptants une convention fixant les modalités selon lesquelles se poursuivra la coopération.
Art. 24. En application de l'article 361-3, 1°, du Code civil, l'autorité centrale transmet à l'autorité compétente de l'état d'origine les documents mentionnés à l'article 361-2 du Code civil.
Le consentement des candidats adoptants à adopter l'enfant proposé et l'accord de l'autorité centrale sont également transmis à l'autorité compétente de l'état d'origine via l'autorité centrale en application de l'article 361-3, 3° et 5°, du Code civil.
Si des traductions s'avèrent nécessaires, les frais y afférents seront supportés par les candidats adoptants.
Art. 25. Le Gouvernement détermine la participation des candidats adoptants aux coûts encourus pour la médiation ainsi que les modalités de versement. "
Afdeling 2. - Thuishulpdiensten
Section 2. - Services d'aide à domicile
Art.4. In artikel 7 van het decreet van 16 februari 2009 betreffende de thuishulpdiensten en houdende oprichting van een consultatiebureau voor thuishulp, transmurale en stationaire hulp, gewijzigd bij de decreten van 13 februari 2012 en 25 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De persoon bedoeld in het eerste lid, 3°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen. "
2° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen. "
1° § 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De persoon bedoeld in het eerste lid, 3°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen. "
2° § 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, mag geen andere leidinggevende taken in hoofdberoep in de gezondheidssector, de sociale sector, de gezinssector of de seniorensector in de Duitstalige Gemeenschap uitoefenen. "
Art.4. A l'article 7, du décret du 16 février 2009 concernant les services d'aide à domicile et créant un bureau de consultation pour l'aide à domicile, semi-résidentielle et résidentielle, modifié par les décrets des 13 février 2012 et 25 février 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" La personne mentionnée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut exercer à titre principal, en Communauté germanophone, aucune autre fonction de direction dans les domaines de la santé, des affaires sociales, de la famille ou des personnes âgées. "
2° le § 2 est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" La personne mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut exercer à titre principal, en Communauté germanophone, aucune autre fonction de direction dans les domaines de la santé, des affaires sociales, de la famille ou des personnes âgées. "
1° le § 1er est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" La personne mentionnée à l'alinéa 1er, 3°, ne peut exercer à titre principal, en Communauté germanophone, aucune autre fonction de direction dans les domaines de la santé, des affaires sociales, de la famille ou des personnes âgées. "
2° le § 2 est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" La personne mentionnée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut exercer à titre principal, en Communauté germanophone, aucune autre fonction de direction dans les domaines de la santé, des affaires sociales, de la famille ou des personnes âgées. "
Art.5. In artikel 23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het opschrift wordt vervangen door het woord "Overgangsbepalingen".
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De onverenigbaarheden vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, en § 2, vierde lid, zijn niet van toepassing op de personen die op 1 januari 2014 al met de leiding van een dienst of van het consultatiebureau belast waren. "
1° het opschrift wordt vervangen door het woord "Overgangsbepalingen".
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
" De onverenigbaarheden vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, en § 2, vierde lid, zijn niet van toepassing op de personen die op 1 januari 2014 al met de leiding van een dienst of van het consultatiebureau belast waren. "
Art.5. A l'article 23 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'intitulé est remplacé par les mots "Dispositions transitoires";
2° L'article est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Les incompatibilités mentionnées à l'article 7, § 1er, alinéa 3, et § 2, alinéa 4, ne s'appliquent pas aux personnes qui, au 1er janvier 2014, étaient déjà chargées de la direction d'un service ou du bureau de consultation. "
1° l'intitulé est remplacé par les mots "Dispositions transitoires";
2° L'article est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Les incompatibilités mentionnées à l'article 7, § 1er, alinéa 3, et § 2, alinéa 4, ne s'appliquent pas aux personnes qui, au 1er janvier 2014, étaient déjà chargées de la direction d'un service ou du bureau de consultation. "
Afdeling 3. - Jeugdbijstand
Section 3. - Aide à la jeunesse
Art.6. In artikel 17, § 2, van het decreet van 19 mei 2008 over de jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de Duitse tekst worden de woorden "auf Ersuchen" vervangen door de woorden "oder auf Ersuchen";
b) na de woorden "de procureur des Konings" worden de woorden ", de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben," ingevoegd;
c) de woorden "of, via de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, van de betrokken ouders, van de betrokken jongere of van de betrokken begeleidingsdienst" worden vervangen door de woorden "de betrokken jongere of de betrokken begeleidingsdienst";
2° na het eerste lid wordt het volgende lid ingevoegd :
" Het in het eerste lid vermelde verzoek van de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben, of van de betrokken jongere kan ten vroegste bij de jeugdrechtbank ingediend worden een jaar na de dag waarop de beslissing om de in § 1 vermelde maatregel te bevelen, definitief is geworden. Indien een dergelijk verzoek wordt afgewezen, kan ten vroegste een jaar na de dag waarop de beslissing tot afwijzing van het vorige verzoek definitief is geworden, een nieuw verzoek worden ingediend. "
1° in het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de Duitse tekst worden de woorden "auf Ersuchen" vervangen door de woorden "oder auf Ersuchen";
b) na de woorden "de procureur des Konings" worden de woorden ", de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben," ingevoegd;
c) de woorden "of, via de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, van de betrokken ouders, van de betrokken jongere of van de betrokken begeleidingsdienst" worden vervangen door de woorden "de betrokken jongere of de betrokken begeleidingsdienst";
2° na het eerste lid wordt het volgende lid ingevoegd :
" Het in het eerste lid vermelde verzoek van de vader, de moeder, de voogden of de personen die het hoederecht over de betrokken jongere hebben, of van de betrokken jongere kan ten vroegste bij de jeugdrechtbank ingediend worden een jaar na de dag waarop de beslissing om de in § 1 vermelde maatregel te bevelen, definitief is geworden. Indien een dergelijk verzoek wordt afgewezen, kan ten vroegste een jaar na de dag waarop de beslissing tot afwijzing van het vorige verzoek definitief is geworden, een nieuw verzoek worden ingediend. "
Art.6. A l'article 17, § 2, du décret du 19 mai 2008 relatif à l'aide à la jeunesse et visant la mise en oeuvre de mesures de protection de la jeunesse les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase du premier alinéa est remplacée par la phrase suivante :
" Le tribunal de la jeunesse peut à tout moment lever les mesures fixées au § 1er du présent article, que ce soit d'office ou à la demande du service de l'aide judiciaire à la jeunesse, du procureur du Roi, du père, de la mère, des tuteurs ou des personnes qui exercent le droit de garde sur le jeune concerné, du jeune concerné ou du service d'accompagnement, ou les remplacer par une autre mesure prévue au § 1er. "
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" La demande du père, de la mère, des tuteurs ou des personnes qui exercent le droit de garde sur le jeune concerné, ou encore du jeune concerné, telle que mentionnée à l'alinéa 1er, peut être introduite auprès du tribunal de la jeunesse au plus tôt un an après le jour où la décision imposant la mesure mentionnée au § 1er est coulée en force de chose jugée. Si une telle demande est rejetée, une nouvelle demande peut être introduite au plus tôt un an après le jour où ladite décision de rejet est coulée en force de chose jugée. "
1° la première phrase du premier alinéa est remplacée par la phrase suivante :
" Le tribunal de la jeunesse peut à tout moment lever les mesures fixées au § 1er du présent article, que ce soit d'office ou à la demande du service de l'aide judiciaire à la jeunesse, du procureur du Roi, du père, de la mère, des tuteurs ou des personnes qui exercent le droit de garde sur le jeune concerné, du jeune concerné ou du service d'accompagnement, ou les remplacer par une autre mesure prévue au § 1er. "
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" La demande du père, de la mère, des tuteurs ou des personnes qui exercent le droit de garde sur le jeune concerné, ou encore du jeune concerné, telle que mentionnée à l'alinéa 1er, peut être introduite auprès du tribunal de la jeunesse au plus tôt un an après le jour où la décision imposant la mesure mentionnée au § 1er est coulée en force de chose jugée. Si une telle demande est rejetée, une nouvelle demande peut être introduite au plus tôt un an après le jour où ladite décision de rejet est coulée en force de chose jugée. "
Afdeling 4. - Bejaarden
Section 4. - Personnes âgées
Art.7. In artikel 10.1 van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden, de seniorenresidenties en de psychiatrische verzorgingstehuizen, ingevoegd bij het decreet van 15 maart 2010, wordt het woord "toelating," opgeheven.
Art.7. Dans l'article 10.1 du décret du 4 juin 2007 relatif aux structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées et aux maisons de soins psychiatriques, inséré par le décret du 15 mars 2010, les mots "d'autorisation," sont abrogés.
Art.8. In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 maart 2010 en 25 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste en het tweede lid worden § 1, eerste en tweede lid, en het derde lid wordt § 2;
2° in de eerste zin van § 1, eerste lid, worden de woorden "aangewezen ambtenaren" vervangen door de woorden "aangewezen inspecteurs" en in de tweede zin van § 1, eerste lid, wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs";
3° in § 1, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de eerste zin wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs" en in de tweede zin wordt het woord "inzonderheid" opgeheven;
b) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt :
" 5° de woningen met toestemming van alle meerderjarige inwonenden bezoeken; "
c) in de bepaling onder 7° worden vóór de woorden "de onderzoeken en controles" de woorden "met inachtneming van de voorwaarden gesteld in 4° en 5°," ingevoegd;
4° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Bovendien kan de Regering externe deskundigen onder toezicht van de inspecteurs ermee belasten een zorgaanbieding, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een seniorenresidentie te onderzoeken en een advies erover uit te brengen. In dat geval ondersteunen de met die taken belaste deskundigen de inspecteurs bij de uitoefening van hun bevoegdheden vermeld in § 1. ";
5° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De aanwending van de toegekende subsidies wordt gecontroleerd overeenkomstig de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. "
1° het eerste en het tweede lid worden § 1, eerste en tweede lid, en het derde lid wordt § 2;
2° in de eerste zin van § 1, eerste lid, worden de woorden "aangewezen ambtenaren" vervangen door de woorden "aangewezen inspecteurs" en in de tweede zin van § 1, eerste lid, wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs";
3° in § 1, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de eerste zin wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "inspecteurs" en in de tweede zin wordt het woord "inzonderheid" opgeheven;
b) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt :
" 5° de woningen met toestemming van alle meerderjarige inwonenden bezoeken; "
c) in de bepaling onder 7° worden vóór de woorden "de onderzoeken en controles" de woorden "met inachtneming van de voorwaarden gesteld in 4° en 5°," ingevoegd;
4° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Bovendien kan de Regering externe deskundigen onder toezicht van de inspecteurs ermee belasten een zorgaanbieding, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een seniorenresidentie te onderzoeken en een advies erover uit te brengen. In dat geval ondersteunen de met die taken belaste deskundigen de inspecteurs bij de uitoefening van hun bevoegdheden vermeld in § 1. ";
5° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De aanwending van de toegekende subsidies wordt gecontroleerd overeenkomstig de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. "
Art.8. A l'article 13 du même décret, modifié par les décrets des 15 mars 2010 et 25 février 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° les alinéas 1er et 2 deviennent les alinéas 1er et 2 du § 1er et l'alinéa 3 devient le § 2;
2° dans le § 1er, alinéa 1er, première et deuxième phrases, le mot "agents" est chaque foix remplacé par le mot "inspecteurs";
3° dans le § 1er, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans la première phrase, le mot "agents" est remplacé par le mot "inspecteurs" et dans la deuxième phrase, le mot "notamment" est abrogé;
b) le 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° visiter les habitations, moyennant l'accord de tous les résidents majeurs; "
c) dans le 7°, les mots ",moyennant le respect des conditions énoncées aux 4° et 5°," sont insérés entre les mots "procéder" et les mots "aux enquêtes";
4° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. En outre, le Gouvernement peut charger des experts externes de contrôler, sous la surveillance des inspecteurs, une offre de soins, une maison de soins psychiatrique ou une résidence pour seniors et d'émettre un avis à son sujet. Dans ce cas, les experts mandatés disposent des compétences mentionnées au § 1er ";
5° l'article est complété par un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le contrôle de l'utilisation des subsides accordés s'opère conformément à la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes. "
1° les alinéas 1er et 2 deviennent les alinéas 1er et 2 du § 1er et l'alinéa 3 devient le § 2;
2° dans le § 1er, alinéa 1er, première et deuxième phrases, le mot "agents" est chaque foix remplacé par le mot "inspecteurs";
3° dans le § 1er, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans la première phrase, le mot "agents" est remplacé par le mot "inspecteurs" et dans la deuxième phrase, le mot "notamment" est abrogé;
b) le 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° visiter les habitations, moyennant l'accord de tous les résidents majeurs; "
c) dans le 7°, les mots ",moyennant le respect des conditions énoncées aux 4° et 5°," sont insérés entre les mots "procéder" et les mots "aux enquêtes";
4° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. En outre, le Gouvernement peut charger des experts externes de contrôler, sous la surveillance des inspecteurs, une offre de soins, une maison de soins psychiatrique ou une résidence pour seniors et d'émettre un avis à son sujet. Dans ce cas, les experts mandatés disposent des compétences mentionnées au § 1er ";
5° l'article est complété par un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le contrôle de l'utilisation des subsides accordés s'opère conformément à la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes. "
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Afdeling 1. - Ondersteuning van musea
Section 1re. - Soutien accordé aux musées
Art.9. Artikel 9 van het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties wordt vervangen als volgt :
" Art. 9. Erkenningsperiode.
De periode waarvoor een museum erkend wordt, begint op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Regering haar goedkeuring heeft gegeven. De erkenningsperiode bedraagt zes jaar en wordt eenvormig op alle erkende musea toegepast.
Nieuwe erkenningsaanvragen kunnen tot 31 maart van elk kalenderjaar tijdens een erkenningsperiode worden ingediend. De erkenning loopt op het einde van de eenvormige erkenningsperiode af.
De eerste eenvormige erkenningsperiode loopt van 1 januari 2015 tot 31 december 2020. "
" Art. 9. Erkenningsperiode.
De periode waarvoor een museum erkend wordt, begint op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Regering haar goedkeuring heeft gegeven. De erkenningsperiode bedraagt zes jaar en wordt eenvormig op alle erkende musea toegepast.
Nieuwe erkenningsaanvragen kunnen tot 31 maart van elk kalenderjaar tijdens een erkenningsperiode worden ingediend. De erkenning loopt op het einde van de eenvormige erkenningsperiode af.
De eerste eenvormige erkenningsperiode loopt van 1 januari 2015 tot 31 december 2020. "
Art.9. L'article 9 du décret du 7 mai 2007 relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9. Période d'agrément.
La période d'agrément d'un musée commence le 1er janvier de l'année suivant celle où le Gouvernement a octroyé son approbation. Elle couvre six années et s'applique de manière uniforme à tous les musées agréés.
Les nouvelles demandes d'agrément peuvent, pendant une période d'agrément, être introduites jusqu'au 31 mars de chaque année calendrier. L'éventuel agrément expire au terme de la période uniforme d'agrément.
La première période uniforme d'agrément débute le 1er janvier 2015 et expire le 31 décembre 2020. "
" Art. 9. Période d'agrément.
La période d'agrément d'un musée commence le 1er janvier de l'année suivant celle où le Gouvernement a octroyé son approbation. Elle couvre six années et s'applique de manière uniforme à tous les musées agréés.
Les nouvelles demandes d'agrément peuvent, pendant une période d'agrément, être introduites jusqu'au 31 mars de chaque année calendrier. L'éventuel agrément expire au terme de la période uniforme d'agrément.
La première période uniforme d'agrément débute le 1er janvier 2015 et expire le 31 décembre 2020. "
Art.10. In artikel 10 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het huidige eerste lid wordt § 1;
2° het huidige tweede en het huidige derde lid worden § 2, eerste en tweede lid;
3° de nieuwe § 1 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
" In afwijking van het eerste lid blijft de erkenning geldig wanneer de activiteiten van het museum wegens bouwwerkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk moeten worden stopgezet. De Regering bepaalt vooraf en per geval :
1° de geplande bouwwerkzaamheden op grond waarvan de tijdelijke afwijking wordt toegestaan;
2° van welke voorwaarden vermeld in artikel 4 tijdelijk kan worden afgeweken;
3° de duur van de afwijking. Die duur kan worden verlengd, maar mag de duur van de bouwwerkzaamheden niet overschrijden. "
1° het huidige eerste lid wordt § 1;
2° het huidige tweede en het huidige derde lid worden § 2, eerste en tweede lid;
3° de nieuwe § 1 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
" In afwijking van het eerste lid blijft de erkenning geldig wanneer de activiteiten van het museum wegens bouwwerkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk moeten worden stopgezet. De Regering bepaalt vooraf en per geval :
1° de geplande bouwwerkzaamheden op grond waarvan de tijdelijke afwijking wordt toegestaan;
2° van welke voorwaarden vermeld in artikel 4 tijdelijk kan worden afgeweken;
3° de duur van de afwijking. Die duur kan worden verlengd, maar mag de duur van de bouwwerkzaamheden niet overschrijden. "
Art.10. A l'article 10 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'actuel alinéa 1er devient le § 1er;
2° les alinéas 2 et 3 actuels deviennent les alinéas 1 et 2 du § 2;
3° le nouveau § 1er est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, l'agrément est conservé lorsque des travaux de construction rendent nécessaire une interruption temporaire, complète ou partielle, des activités muséales. Au préalable, le Gouvernement détermine au cas par cas :
1° les travaux projetés motivant la dérogation temporaire;
2° à quelles conditions, parmi celles énoncées à l'article 4, il peut être dérogé temporairement;
3° la durée de la dérogation. Celle-ci peut être prolongée mais ne peut dépasser la durée des travaux. "
1° l'actuel alinéa 1er devient le § 1er;
2° les alinéas 2 et 3 actuels deviennent les alinéas 1 et 2 du § 2;
3° le nouveau § 1er est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, l'agrément est conservé lorsque des travaux de construction rendent nécessaire une interruption temporaire, complète ou partielle, des activités muséales. Au préalable, le Gouvernement détermine au cas par cas :
1° les travaux projetés motivant la dérogation temporaire;
2° à quelles conditions, parmi celles énoncées à l'article 4, il peut être dérogé temporairement;
3° la durée de la dérogation. Celle-ci peut être prolongée mais ne peut dépasser la durée des travaux. "
Afdeling 2. - Jeugd
Section 2. - Jeunesse
Art.11. Artikel 29 van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
" De Regering kan het Jeugdbureau van de Duitstalige Gemeenschap, zo nodig in afwijking van het eerste lid, 10°, met het verlenen van andere diensten belasten. "
" De Regering kan het Jeugdbureau van de Duitstalige Gemeenschap, zo nodig in afwijking van het eerste lid, 10°, met het verlenen van andere diensten belasten. "
Art.11. L'article 29 du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement peut charger le Bureau de la Jeunesse de la Communauté germanophone, le cas échéant par dérogation à l'alinéa 1er, 10°, de fournir d'autres prestations. "
" Le Gouvernement peut charger le Bureau de la Jeunesse de la Communauté germanophone, le cas échéant par dérogation à l'alinéa 1er, 10°, de fournir d'autres prestations. "
Afdeling 3. - Volwassenenvorming
Section 3. - Formation des adultes
Art.12. In artikel 2 van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende creatieve ateliers, gewijzigd bij de programmadecreten van 7 januari 2002 en 25 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid worden de woorden "de weddeschaal voor sociale assistenten" vervangen door de woorden "de door de Regering vastgestelde weddeschaal";
2° in het vijfde lid worden de woorden "degene die in de weddeschalen vastgesteld zijn en die voor de berekening van de toelage dienen" vervangen door de woorden "de wedden die in de weddeschalen van de bevoegde paritaire commissie zijn vastgesteld".
1° in het derde lid worden de woorden "de weddeschaal voor sociale assistenten" vervangen door de woorden "de door de Regering vastgestelde weddeschaal";
2° in het vijfde lid worden de woorden "degene die in de weddeschalen vastgesteld zijn en die voor de berekening van de toelage dienen" vervangen door de woorden "de wedden die in de weddeschalen van de bevoegde paritaire commissie zijn vastgesteld".
Art.12. A l'article 2 du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les ateliers créatifs reconnus, modifié par les décrets-programmes des 7 janvier 2002 et 25 juin 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, les mots "de l'échelle de traitement des assistants sociaux" sont remplacés par les mots "de l'échelle de traitement fixée par le Gouvernement";
2° dans l'alinéa 5, les mots "dans les échelles de traitement qui servent au calcul des subventions" sont remplacés par les mots "dans les échelles de traitement de la commission paritaire compétente".
1° dans l'alinéa 3, les mots "de l'échelle de traitement des assistants sociaux" sont remplacés par les mots "de l'échelle de traitement fixée par le Gouvernement";
2° dans l'alinéa 5, les mots "dans les échelles de traitement qui servent au calcul des subventions" sont remplacés par les mots "dans les échelles de traitement de la commission paritaire compétente".
Afdeling 4. - Media
Section 4. - Médias
Art.13. Artikel 26, eerste lid, van het decreet van 27 juni 2005 over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen, gewijzigd bij de decreten van 3 december 2009 en 13 februari 2012, wordt na de bepaling onder 1° aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende :
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
Art.13. Dans l'article 26, alinéa 1er, du décret du 27 juin 2005 sur les services de médias audiovisuels et les représentations cinématographiques, modifié par les décrets des 3 décembre 2009 et 13 février 2012, il est inséré un point 1.1, rédigé comme suit :
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
Art.14. Artikel 36, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 december 2009 en 13 februari 2012, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende :
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
Art.14. Dans l'article 36, alinéa 1er, du même décret, modifié par les décrets des 3 décembre 2009 et 13 février 2012, il est inséré un point 1.1, rédigé comme suit :
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
Art.15. Artikel 41 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 december 2009, wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende :
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
" 1.1 gegevens over het tewerkgestelde en het meewerkende personeel; "
Art.15. Dans l'article 41 du même décret, modifié par le décret du 3 décembre 2009, il est inséré un point 1.1 rédigé comme suit :
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
" 1.1 des données relatives au personnel occupé ou collaborant; ".
Art.16. Artikel 111, § 1, vierde lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.16. L'article 111, § 1er, alinéa 4, du même décret est abrogé.
Art.17. In artikel 117, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2008, wordt het bedrag "euro 18.000" vervangen door het bedrag "30.000 euro".
Art.17. Dans l'article 117, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 16 juin 2008, les mots "18.000 euros" sont remplacés par les mots "30.000 euros".
Afdeling 5. - Sport
Section 5. - Sport
Art.18. In artikel 16, tweede lid, tweede streepje, van het sportdecreet van 19 april 2004 worden de woorden "tot 10" vervangen door de woorden "6 tot 14".
Art.18. Dans l'article 16, alinéa 2, deuxième tiret, du décret du 19 avril 2004 sur le sport, les mots "jusqu'à 10" sont remplacés par les mots "entre 6 et 14".
Art.19. Artikel 22 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 februari 2012, wordt vervangen als volgt :
" Art. 22. Individuele tegemoetkomingen.
§ 1. Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering sportbeoefenaars die aangesloten zijn bij een sportvereniging en één van de sporttakken beoefenen die de Regering vastlegt, voor een kalenderjaar resp. voor een schooljaar de status van sporter van het C-kader, B-kader of A-kader toekennen.
Die status omvat :
1° de toekenning van een jaarlijkse ondersteuning;
2° voor aanvragers die als leerling of als student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap ingeschreven zijn : de mogelijkheid om op school faciliteiten te krijgen die het eenvoudiger maken om aan de trainingen en wedstrijden deel te nemen, voor zover het hoofd van de school waar de leerling of student regelmatig ingeschreven is, daarmee heeft ingestemd.
De jaarlijkse ondersteuning vermeld in het tweede lid, 1°, betreft begeleiding op het gebied van sportgeneeskunde, prestatiediagnostiek, voeding en sportpsychologie, een tegemoetkoming van de Duitstalige Gemeenschap in de overnachtings- en maaltijdkosten van centra voor competitiesport die in België erkend zijn, alsook :
1° voor sporters van het B-kader een forfaitair bedrag van 1.200 euro waarover zij vrij kunnen beschikken;
2° voor sporters van het A-kader een forfaitair bedrag van 5.000 euro waarover zij vrij kunnen beschikken.
De Regering bepaalt de omvang en de hoogte van de tegemoetkoming in de overnachtings- en maaltijdkosten.
§ 2. Uiterlijk op volgende datum dient de sportbeoefenaar een ondertekende aanvraag in bij de minister die bevoegd is voor Sport :
1° uiterlijk op 31 januari, wanneer de aanvrager ingeschreven is als leerling of student van een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap;
2° uiterlijk op 31 mei, in alle andere gevallen.
De aanvraag omvat :
1° naam, voornamen en geboortedatum van de aanvrager;
2° sportloopbaan, schoolloopbaan of beroepsloopbaan van de aanvrager;
3° motivering voor de aanvraag;
4° de sportdoelen van de aanvrager op korte, middellange en lange termijn;
5° uitleg van de sportfederatie waarbij de aanvrager aangesloten is, waaruit blijkt :
a) dat de aanvrager een trainingsschema van de sportfederatie volgt en in voorkomend geval de voor de respectieve status geplande afwezigheid op school aanvraagt;
b) dat de aanvrager in voorkomend geval tijdens zijn afwezigheid op school verzekerd is;
6° een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager over de lichamelijke gesteldheid beschikt om het voorgestelde trainingsschema te kunnen volgen;
7° het trainingsschema voor het komende seizoen;
8° bij minderjarige aanvragers : de toestemming van de personen belast met de opvoeding;
9° bij aanvragers die ingeschreven zijn als leerling of student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap : een advies van het schoolhoofd over de afwezigheid op school.
De aanvraag van een sporter van het A-kader omvat bovendien alle psychologische, medische, sociale, biometrische en fysiologische gegevens. Alleen de Sportcommissie en de minister bevoegd voor Sport hebben inzage in die gegevens.
§ 3. De minister bevoegd voor Sport legt de volledig en tijdig ingediende aanvragen voor aan de Sportcommissie. De Sportcommissie onderzoekt die aanvragen en houdt daarbij rekening met :
1° de selectiecriteria die de internationale sportorganisaties, het Internationaal Olympisch Comité of het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité in voorkomend geval hebben vastgelegd;
2° de door de Regering vastgestelde significante waarde van de sportprestatie die de aanvrager heeft bereikt.
De Sportcommissie komt minstens om de zes maanden samen om de aanvragen te onderzoeken.
De Sportcommissie bezorgt de minister bevoegd voor Sport binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag een gemotiveerd voorstel tot toekenning van de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader.
§ 4. De Regering kan de lijst van de erkende sporters van een C-kader, B-kader of A-kader openbaar bekendmaken.
§ 5. Indien een erkende sporter van een C-kader, B-kader of A-kader de sportprestaties niet meer levert, kan de minister bevoegd voor Sport zijn erkenning intrekken.
De minister bevoegd voor Sport wint het advies van de Sportcommissie in voordat hij over de intrekking van de erkenning beslist. De Sportcommissie hoort de sporter en één of meer vertegenwoordigers van de betrokken sportfederatie.
De uitnodiging om gehoord te worden, wordt per aangetekende brief verzonden en bevat het onderwerp waarover betrokkene zal worden gehoord, met inbegrip van alle beschikbare informatie, datum, uur en plaats van de hoorzitting. De hoorzitting mag in geen geval minder dan vijftien dagen na verzending van de uitnodiging plaatsvinden.
De voor de hoorzitting uitgenodigde personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar keuze. Indien de voor de hoorzitting uitgenodigde personen na toezending van de uitnodiging niet op de afgesproken hoorzitting verschijnen, wordt een proces-verbaal van afwezigheid opgesteld.
Binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de Sportcommissie beslist de bevoegde minister of de erkenning al dan niet wordt ingetrokken. Binnen vijftien dagen wordt de beslissing per aangetekende brief aan de erkende sportfederatie en aan de betrokken sporter bezorgd. "
" Art. 22. Individuele tegemoetkomingen.
§ 1. Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering sportbeoefenaars die aangesloten zijn bij een sportvereniging en één van de sporttakken beoefenen die de Regering vastlegt, voor een kalenderjaar resp. voor een schooljaar de status van sporter van het C-kader, B-kader of A-kader toekennen.
Die status omvat :
1° de toekenning van een jaarlijkse ondersteuning;
2° voor aanvragers die als leerling of als student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap ingeschreven zijn : de mogelijkheid om op school faciliteiten te krijgen die het eenvoudiger maken om aan de trainingen en wedstrijden deel te nemen, voor zover het hoofd van de school waar de leerling of student regelmatig ingeschreven is, daarmee heeft ingestemd.
De jaarlijkse ondersteuning vermeld in het tweede lid, 1°, betreft begeleiding op het gebied van sportgeneeskunde, prestatiediagnostiek, voeding en sportpsychologie, een tegemoetkoming van de Duitstalige Gemeenschap in de overnachtings- en maaltijdkosten van centra voor competitiesport die in België erkend zijn, alsook :
1° voor sporters van het B-kader een forfaitair bedrag van 1.200 euro waarover zij vrij kunnen beschikken;
2° voor sporters van het A-kader een forfaitair bedrag van 5.000 euro waarover zij vrij kunnen beschikken.
De Regering bepaalt de omvang en de hoogte van de tegemoetkoming in de overnachtings- en maaltijdkosten.
§ 2. Uiterlijk op volgende datum dient de sportbeoefenaar een ondertekende aanvraag in bij de minister die bevoegd is voor Sport :
1° uiterlijk op 31 januari, wanneer de aanvrager ingeschreven is als leerling of student van een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap;
2° uiterlijk op 31 mei, in alle andere gevallen.
De aanvraag omvat :
1° naam, voornamen en geboortedatum van de aanvrager;
2° sportloopbaan, schoolloopbaan of beroepsloopbaan van de aanvrager;
3° motivering voor de aanvraag;
4° de sportdoelen van de aanvrager op korte, middellange en lange termijn;
5° uitleg van de sportfederatie waarbij de aanvrager aangesloten is, waaruit blijkt :
a) dat de aanvrager een trainingsschema van de sportfederatie volgt en in voorkomend geval de voor de respectieve status geplande afwezigheid op school aanvraagt;
b) dat de aanvrager in voorkomend geval tijdens zijn afwezigheid op school verzekerd is;
6° een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager over de lichamelijke gesteldheid beschikt om het voorgestelde trainingsschema te kunnen volgen;
7° het trainingsschema voor het komende seizoen;
8° bij minderjarige aanvragers : de toestemming van de personen belast met de opvoeding;
9° bij aanvragers die ingeschreven zijn als leerling of student in een onderwijsinstelling in de Duitstalige Gemeenschap : een advies van het schoolhoofd over de afwezigheid op school.
De aanvraag van een sporter van het A-kader omvat bovendien alle psychologische, medische, sociale, biometrische en fysiologische gegevens. Alleen de Sportcommissie en de minister bevoegd voor Sport hebben inzage in die gegevens.
§ 3. De minister bevoegd voor Sport legt de volledig en tijdig ingediende aanvragen voor aan de Sportcommissie. De Sportcommissie onderzoekt die aanvragen en houdt daarbij rekening met :
1° de selectiecriteria die de internationale sportorganisaties, het Internationaal Olympisch Comité of het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité in voorkomend geval hebben vastgelegd;
2° de door de Regering vastgestelde significante waarde van de sportprestatie die de aanvrager heeft bereikt.
De Sportcommissie komt minstens om de zes maanden samen om de aanvragen te onderzoeken.
De Sportcommissie bezorgt de minister bevoegd voor Sport binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag een gemotiveerd voorstel tot toekenning van de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader.
§ 4. De Regering kan de lijst van de erkende sporters van een C-kader, B-kader of A-kader openbaar bekendmaken.
§ 5. Indien een erkende sporter van een C-kader, B-kader of A-kader de sportprestaties niet meer levert, kan de minister bevoegd voor Sport zijn erkenning intrekken.
De minister bevoegd voor Sport wint het advies van de Sportcommissie in voordat hij over de intrekking van de erkenning beslist. De Sportcommissie hoort de sporter en één of meer vertegenwoordigers van de betrokken sportfederatie.
De uitnodiging om gehoord te worden, wordt per aangetekende brief verzonden en bevat het onderwerp waarover betrokkene zal worden gehoord, met inbegrip van alle beschikbare informatie, datum, uur en plaats van de hoorzitting. De hoorzitting mag in geen geval minder dan vijftien dagen na verzending van de uitnodiging plaatsvinden.
De voor de hoorzitting uitgenodigde personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar keuze. Indien de voor de hoorzitting uitgenodigde personen na toezending van de uitnodiging niet op de afgesproken hoorzitting verschijnen, wordt een proces-verbaal van afwezigheid opgesteld.
Binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de Sportcommissie beslist de bevoegde minister of de erkenning al dan niet wordt ingetrokken. Binnen vijftien dagen wordt de beslissing per aangetekende brief aan de erkende sportfederatie en aan de betrokken sporter bezorgd. "
Art.19. L'article 22 du même décret, modifié par le décret du 13 février 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 22. Aides individuelles
§ 1er. Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder pour une année calendrier ou scolaire, selon le cas, le statut d'athlète du cadre C, B ou A à des sportifs affiliés à un club sportif et pratiquant une des disciplines sportives déterminées par le Gouvernement.
Ce statut implique :
1° l'octroi d'un soutien annuel;
2° en ce qui concerne les demandeurs inscrits comme élève ou étudiant dans un établissement d'enseignement en Communauté germanophone, la possibilité d'obtenir des facilités scolaires quant aux heures d'entraînement et de compétition, dans la mesure où le chef d'établissement de l'établissement où l'élève ou étudiant est régulièrement inscrit a donné son autorisation.
Le soutien annuel mentionné à l'alinéa 2, 1°, concerne un suivi dans les domaines de la médecine sportive, de l'évaluation des performances, de l'alimentation et de la psychologie sportive, une participation de la Communauté germanophone aux frais d'hébergement et de soins engagés pour des centres de compétition reconnus en Belgique, ainsi que :
1° pour les athlètes du cadre B, un forfait de 1.200 euros qu'ils peuvent utiliser à leur guise;
2° pour les athlètes du cadre A, un forfait de 5.000 euros qu'ils peuvent utiliser à leur guise.
Le Gouvernement fixe le volume et le montant de la participation aux frais d'hébergement et de soins.
§ 2. Le sportif introduit auprès du Ministre compétent en matière de Sport une demande signée
1° pour le 31 janvier au plus tard s'il est inscrit comme élève ou étudiant auprès d'un établissement d'enseignement en Communauté germanophone;
2° pour le 31 mai au plus tard dans tous les autres cas.
La demande comprend :
1° les nom, prénom et date de naissance du demandeur;
2° un curriculum sportif, scolaire ou professionnel du demandeur;
3° une motivation de la demande;
4° des données relatives aux objectifs sportifs du demandeur à court, moyen et long terme;
5° des explications de la fédération sportive à laquelle le demandeur est affilié et dont il ressort :
a) que le demandeur suit un schéma d'entraînement de la fédération et, le cas échéant, les absences scolaires prévues pour le statut concerné;
b) que le demandeur est, le cas échéant, assuré pendant ses absences scolaires;
6° un certificat médical attestant que le demandeur dispose de la condition physique lui permettant de suivre le schéma d'entraînement proposé;
7° le schéma d'entraînement pour la saison à venir;
8° l'accord des personnes chargées de l'éducation si les demandeurs sont mineurs d'âge;
9° un avis du chef d'établissement quant aux absences scolaires si les demandeurs sont inscrits comme élève ou étudiant dans un établissement d'enseignement en Communauté germanophone.
La demande introduite par un athlète du cadre A contient par ailleurs toutes les données d'ordre psychologique, médical, social, biométrique et physiologique. Seuls la Commission sportive et le Ministre compétent en matière de Sport ont le droit de consulter ces données.
§ 3. Le Ministre compétent en matière de Sport soumet les demandes complètes, introduites dans les temps, à la Commission sportive. Celle-ci les examine en tenant compte :
1° des critères de sélection éventuellement fixés par les organisations sportives internationales, le Comité international olympique ou le comité olympique et interfédéral belge;
2° de la valeur significative de la performance sportive atteinte par le demandeur, fixée par le Gouvernement.
La Commission sportive se réunit au moins chaque semestre pour examiner les demandes.
Dans les soixante jours suivant la réception de la demande, la Commission sportive soumet au Ministre compétent en matière Sport une proposition motivée visant l'octroi du statut d'athlète du cadre C, B ou A.
§ 4. Le Gouvernement peut publier la liste des athlètes reconnus des cadres C, B et A.
§ 5. Si les performances sportives ne sont plus atteintes, le Ministre compétent en matière de Sport peut retirer la reconnaissance aux athlètes reconnus des cadres C, B ou A.
Avant de statuer, le Ministre compétent en matière de Sport demande l'avis de la Commission sportive. La Commission sportive entend le sportif et un ou plusieurs représentants de la fédération sportive concernée.
La convocation à cette audition est adressée par recommandé et indique le sujet de l'audition ainsi que toutes les informations disponibles, le jour, l'heure et le lieu. L'audition ne peut intervenir moins de quinze jours après l'envoi de la convocation.
Les personnes convoquées peuvent se faire assister par la personne de leur choix. Si les personnes convoquées ne sont pas présentes à l'audition, un procès-verbal d'absence est dressé.
Le Gouvernement statue sur le retrait de la reconnaissance dans les trente jours suivant la réception de l'avis émis par la Commission sportive. La décision est notifiée dans les quinze jours, par recommandé, à la fédération sportive reconnue et au sportif concerné. "
" Art. 22. Aides individuelles
§ 1er. Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder pour une année calendrier ou scolaire, selon le cas, le statut d'athlète du cadre C, B ou A à des sportifs affiliés à un club sportif et pratiquant une des disciplines sportives déterminées par le Gouvernement.
Ce statut implique :
1° l'octroi d'un soutien annuel;
2° en ce qui concerne les demandeurs inscrits comme élève ou étudiant dans un établissement d'enseignement en Communauté germanophone, la possibilité d'obtenir des facilités scolaires quant aux heures d'entraînement et de compétition, dans la mesure où le chef d'établissement de l'établissement où l'élève ou étudiant est régulièrement inscrit a donné son autorisation.
Le soutien annuel mentionné à l'alinéa 2, 1°, concerne un suivi dans les domaines de la médecine sportive, de l'évaluation des performances, de l'alimentation et de la psychologie sportive, une participation de la Communauté germanophone aux frais d'hébergement et de soins engagés pour des centres de compétition reconnus en Belgique, ainsi que :
1° pour les athlètes du cadre B, un forfait de 1.200 euros qu'ils peuvent utiliser à leur guise;
2° pour les athlètes du cadre A, un forfait de 5.000 euros qu'ils peuvent utiliser à leur guise.
Le Gouvernement fixe le volume et le montant de la participation aux frais d'hébergement et de soins.
§ 2. Le sportif introduit auprès du Ministre compétent en matière de Sport une demande signée
1° pour le 31 janvier au plus tard s'il est inscrit comme élève ou étudiant auprès d'un établissement d'enseignement en Communauté germanophone;
2° pour le 31 mai au plus tard dans tous les autres cas.
La demande comprend :
1° les nom, prénom et date de naissance du demandeur;
2° un curriculum sportif, scolaire ou professionnel du demandeur;
3° une motivation de la demande;
4° des données relatives aux objectifs sportifs du demandeur à court, moyen et long terme;
5° des explications de la fédération sportive à laquelle le demandeur est affilié et dont il ressort :
a) que le demandeur suit un schéma d'entraînement de la fédération et, le cas échéant, les absences scolaires prévues pour le statut concerné;
b) que le demandeur est, le cas échéant, assuré pendant ses absences scolaires;
6° un certificat médical attestant que le demandeur dispose de la condition physique lui permettant de suivre le schéma d'entraînement proposé;
7° le schéma d'entraînement pour la saison à venir;
8° l'accord des personnes chargées de l'éducation si les demandeurs sont mineurs d'âge;
9° un avis du chef d'établissement quant aux absences scolaires si les demandeurs sont inscrits comme élève ou étudiant dans un établissement d'enseignement en Communauté germanophone.
La demande introduite par un athlète du cadre A contient par ailleurs toutes les données d'ordre psychologique, médical, social, biométrique et physiologique. Seuls la Commission sportive et le Ministre compétent en matière de Sport ont le droit de consulter ces données.
§ 3. Le Ministre compétent en matière de Sport soumet les demandes complètes, introduites dans les temps, à la Commission sportive. Celle-ci les examine en tenant compte :
1° des critères de sélection éventuellement fixés par les organisations sportives internationales, le Comité international olympique ou le comité olympique et interfédéral belge;
2° de la valeur significative de la performance sportive atteinte par le demandeur, fixée par le Gouvernement.
La Commission sportive se réunit au moins chaque semestre pour examiner les demandes.
Dans les soixante jours suivant la réception de la demande, la Commission sportive soumet au Ministre compétent en matière Sport une proposition motivée visant l'octroi du statut d'athlète du cadre C, B ou A.
§ 4. Le Gouvernement peut publier la liste des athlètes reconnus des cadres C, B et A.
§ 5. Si les performances sportives ne sont plus atteintes, le Ministre compétent en matière de Sport peut retirer la reconnaissance aux athlètes reconnus des cadres C, B ou A.
Avant de statuer, le Ministre compétent en matière de Sport demande l'avis de la Commission sportive. La Commission sportive entend le sportif et un ou plusieurs représentants de la fédération sportive concernée.
La convocation à cette audition est adressée par recommandé et indique le sujet de l'audition ainsi que toutes les informations disponibles, le jour, l'heure et le lieu. L'audition ne peut intervenir moins de quinze jours après l'envoi de la convocation.
Les personnes convoquées peuvent se faire assister par la personne de leur choix. Si les personnes convoquées ne sont pas présentes à l'audition, un procès-verbal d'absence est dressé.
Le Gouvernement statue sur le retrait de la reconnaissance dans les trente jours suivant la réception de l'avis émis par la Commission sportive. La décision est notifiée dans les quinze jours, par recommandé, à la fédération sportive reconnue et au sportif concerné. "
Art.20. In hetzelfde decreet wordt een artikel 22.1 ingevoegd, luidende :
" Art. 22.1. Ondersteuning van hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden.
Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering aan hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden een jaarlijkse tegemoetkoming van 250 euro toekennen waarover ze vrij kunnen beschikken, wanneer schriftelijk bevestigd wordt dat ze door de bevoegde nationale sportfederatie opgeroepen zijn om internationale opdrachten als scheidsrechter of jurylid te vervullen. "
" Art. 22.1. Ondersteuning van hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden.
Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering aan hooggekwalificeerde scheidsrechters of juryleden een jaarlijkse tegemoetkoming van 250 euro toekennen waarover ze vrij kunnen beschikken, wanneer schriftelijk bevestigd wordt dat ze door de bevoegde nationale sportfederatie opgeroepen zijn om internationale opdrachten als scheidsrechter of jurylid te vervullen. "
Art.20. Dans le même décret, il est inséré un article 22.1, rédigé comme suit :
" Art. 22.1. Aide accordée aux arbitres hautement qualifiés.
Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder une aide annuelle de 250 euros, dont l'usage est libre, aux arbitres hautement qualifiés lorsque la fédération sportive nationale compétente atteste qu'ils ont été appelés pour des missions internationales d'arbitrage. "
" Art. 22.1. Aide accordée aux arbitres hautement qualifiés.
Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder une aide annuelle de 250 euros, dont l'usage est libre, aux arbitres hautement qualifiés lorsque la fédération sportive nationale compétente atteste qu'ils ont été appelés pour des missions internationales d'arbitrage. "
Art.21. Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :
" Art. 23. Hooggekwalificeerde ploegen.
Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering een aanvullende financiële ondersteuning toekennen aan sportverenigingen die over minstens één ploeg in de hoogste klasse beschikken, die actief aan jeugdwerk doen en die geen sportfederatie hebben die een centrum voor competitiesport in de zin van artikel 17 heeft.
De ondersteuning van de verenigingen is afgestemd op het aantal jeugdploegen en de kwalificatie van de trainer die aangesteld is voor de jeugdploegen en voor de ploegen van de vereniging in de hoogste klasse over een periode van tien maanden.
De trainers worden, naargelang van hun sportkwalificatie, in één van de volgende categorieën ingedeeld :
1° categorie A : oefenmeester recreatiesport niveau III, master of bachelor in de lichamelijke opvoeding, trainer A, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
2° categorie B : oefenmeester recreatiesport niveau II, trainer B, bijzondere leermeester lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs, onderwijzer van het basisonderwijs, kleuteronderwijzer, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
3° categorie C : oefenmeester recreatiesport niveau I, houder van een oefenmeesterdiploma, houder van een certificaat jeugdanimator van de Duitstalige Gemeenschap, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
4° categorie D : oefenmeester zonder kwalificatie.
De ondersteuning van de verenigingen bedraagt :
1° voor begeleiders van categorie A : 13 euro/trainingseenheid;
2° voor begeleiders van categorie B : 11 euro/trainingseenheid;
3° voor begeleiders van categorie C : 9 euro/trainingseenheid;
4° voor begeleiders van categorie D : 6 euro/trainingseenheid.
Die ondersteuning wordt in elk geval beperkt tot 10.000 euro per sportvereniging en per jaar. "
" Art. 23. Hooggekwalificeerde ploegen.
Op het gunstig advies van de Sportcommissie kan de Regering een aanvullende financiële ondersteuning toekennen aan sportverenigingen die over minstens één ploeg in de hoogste klasse beschikken, die actief aan jeugdwerk doen en die geen sportfederatie hebben die een centrum voor competitiesport in de zin van artikel 17 heeft.
De ondersteuning van de verenigingen is afgestemd op het aantal jeugdploegen en de kwalificatie van de trainer die aangesteld is voor de jeugdploegen en voor de ploegen van de vereniging in de hoogste klasse over een periode van tien maanden.
De trainers worden, naargelang van hun sportkwalificatie, in één van de volgende categorieën ingedeeld :
1° categorie A : oefenmeester recreatiesport niveau III, master of bachelor in de lichamelijke opvoeding, trainer A, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
2° categorie B : oefenmeester recreatiesport niveau II, trainer B, bijzondere leermeester lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs, onderwijzer van het basisonderwijs, kleuteronderwijzer, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
3° categorie C : oefenmeester recreatiesport niveau I, houder van een oefenmeesterdiploma, houder van een certificaat jeugdanimator van de Duitstalige Gemeenschap, houder van een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma;
4° categorie D : oefenmeester zonder kwalificatie.
De ondersteuning van de verenigingen bedraagt :
1° voor begeleiders van categorie A : 13 euro/trainingseenheid;
2° voor begeleiders van categorie B : 11 euro/trainingseenheid;
3° voor begeleiders van categorie C : 9 euro/trainingseenheid;
4° voor begeleiders van categorie D : 6 euro/trainingseenheid.
Die ondersteuning wordt in elk geval beperkt tot 10.000 euro per sportvereniging en per jaar. "
Art.21. L'article 23 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 23. Equipes hautement qualifiées.
Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder un soutien financier supplémentaire aux clubs sportifs qui disposent au moins d'une équipe en classe supérieure, font activement de l'animation de jeunesse et dont la fédération sportive n'a pas de centre de compétition au sens de l'article 17.
L'aide accordée aux clubs dépend du nombre d'équipes de jeunes et de la qualification des entraîneurs occupés, tant auprès des équipes de jeunes que des équipes en classe supérieure, sur une période de dix mois.
Les entraîneurs sont classés, selon leur qualification sportive, dans l'une des catégories suivantes :
1° Catégorie A : moniteur de niveau III pour le sport de masse, master ou bachelor en éducation physique, entraîneur A, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
2° Catégorie B : moniteur de niveau II pour le sport de masse, entraîneur B, maître spécial d'éducation physique dans les écoles primaires, instituteur primaire, instituteur maternel, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
3° Catégorie C : moniteur de niveau I pour le sport de masse, porteur d'un diplôme de formateur de base, porteur d'un diplôme de moniteur en animation pour jeunes de la Communauté germanophone, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
4° Catégorie D : moniteur sans qualification.
L'aide accordée aux clubs s'élève à :
1° pour le personnel d'encadrement de la catégorie A : 13 euros/unité d'entraînement;
2° pour le personnel d'encadrement de la catégorie B : 11 euros/unité d'entraînement;
3° pour le personnel d'encadrement de la catégorie C : 9 euros/unité d'entraînement;
4° pour le personnel d'encadrement de la catégorie D : 9 euros/unité d'entraînement.
Cette aide est en tout cas limitée à 10.000 euros par an par club sportif. "
" Art. 23. Equipes hautement qualifiées.
Sur avis positif de la Commission sportive, le Gouvernement peut accorder un soutien financier supplémentaire aux clubs sportifs qui disposent au moins d'une équipe en classe supérieure, font activement de l'animation de jeunesse et dont la fédération sportive n'a pas de centre de compétition au sens de l'article 17.
L'aide accordée aux clubs dépend du nombre d'équipes de jeunes et de la qualification des entraîneurs occupés, tant auprès des équipes de jeunes que des équipes en classe supérieure, sur une période de dix mois.
Les entraîneurs sont classés, selon leur qualification sportive, dans l'une des catégories suivantes :
1° Catégorie A : moniteur de niveau III pour le sport de masse, master ou bachelor en éducation physique, entraîneur A, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
2° Catégorie B : moniteur de niveau II pour le sport de masse, entraîneur B, maître spécial d'éducation physique dans les écoles primaires, instituteur primaire, instituteur maternel, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
3° Catégorie C : moniteur de niveau I pour le sport de masse, porteur d'un diplôme de formateur de base, porteur d'un diplôme de moniteur en animation pour jeunes de la Communauté germanophone, porteur d'un diplôme reconnu comme équivalent par le Gouvernement;
4° Catégorie D : moniteur sans qualification.
L'aide accordée aux clubs s'élève à :
1° pour le personnel d'encadrement de la catégorie A : 13 euros/unité d'entraînement;
2° pour le personnel d'encadrement de la catégorie B : 11 euros/unité d'entraînement;
3° pour le personnel d'encadrement de la catégorie C : 9 euros/unité d'entraînement;
4° pour le personnel d'encadrement de la catégorie D : 9 euros/unité d'entraînement.
Cette aide est en tout cas limitée à 10.000 euros par an par club sportif. "
Art.22. In artikel 24, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "Sportbeoefenaars of ploegen" vervangen door de woorden "Geïdentificeerde sporters van het C-kader, B-kader of A-kader of hooggekwalificeerde ploegen".
Art.22. Dans l'article 24, alinéa 1er, du même décret, les mots "sportifs ou équipes" sont remplacés par les mots "sportifs identifiés des cadres C, B ou A ou les équipes hautement qualifiées".
Art.23. Hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een artikel 24.1, luidende :
" Art. 24.1. Deelneming aan internationale wedstrijden.
Sportbeoefenaars en ploegen die niet over de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader beschikken of niet als hooggekwalificeerde sportvereniging gerangschikt zijn en zich voor de deelneming aan internationale wedstrijden gekwalificeerd hebben, alsook hun begeleiders, kunnen een subsidie van hoogstens 50 % van de reis-, overnachtings- en maaltijdkosten krijgen, voor zover die kosten niet door andere instanties of organisaties betaald worden. "
" Art. 24.1. Deelneming aan internationale wedstrijden.
Sportbeoefenaars en ploegen die niet over de status van sporter van een C-kader, B-kader of A-kader beschikken of niet als hooggekwalificeerde sportvereniging gerangschikt zijn en zich voor de deelneming aan internationale wedstrijden gekwalificeerd hebben, alsook hun begeleiders, kunnen een subsidie van hoogstens 50 % van de reis-, overnachtings- en maaltijdkosten krijgen, voor zover die kosten niet door andere instanties of organisaties betaald worden. "
Art.23. Dans le chapitre III, section 3, sous-section 1re, du même décret, il est inséré un article 24.1, rédigé comme suit :
" Art. 24.1. Participation à des compétitions internationales.
Les sportifs ou équipes qui n'ont pas le statut d'athlète des cadres C, B ou A, ou ne sont pas classés comme clubs hautement qualifiés et se sont qualifiés pour participer à des compétitions internationales peuvent recevoir un subside représentant au plus 50 % des frais de déplacement, d'hébergement et de soins dans la mesure où ces frais ne sont pas supportés par d'autres instances ou organisations. "
" Art. 24.1. Participation à des compétitions internationales.
Les sportifs ou équipes qui n'ont pas le statut d'athlète des cadres C, B ou A, ou ne sont pas classés comme clubs hautement qualifiés et se sont qualifiés pour participer à des compétitions internationales peuvent recevoir un subside représentant au plus 50 % des frais de déplacement, d'hébergement et de soins dans la mesure où ces frais ne sont pas supportés par d'autres instances ou organisations. "
Art.24. Artikel 27, § 5, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 27 april 2009, wordt aangevuld als volgt :
" Dat geldt ook voor eventueel aangestelde eerste resp. tweede toegevoegde leiders van een sportkamp met meer dan 200 resp. 300 deelnemende kinderen, voor zover die toegevoegde leiders in het bezit zijn van het diploma oefenmeester recreatiesport niveau III of een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma. "
" Dat geldt ook voor eventueel aangestelde eerste resp. tweede toegevoegde leiders van een sportkamp met meer dan 200 resp. 300 deelnemende kinderen, voor zover die toegevoegde leiders in het bezit zijn van het diploma oefenmeester recreatiesport niveau III of een door de Regering als gelijkwaardig erkend diploma. "
Art.24. Dans l'article 27, § 5, même décret, modifié par le décret du 27 avril 2009, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
" Ceci s'applique également aux premiers ou, selon le cas, aux deuxièmes sous-directeurs de camps sportifs comptant plus de 200 respectivement 300 enfants participants, dans la mesure où ces sous-directeurs sont porteurs du diplôme de moniteur de niveau III pour le sport de masse ou d'un diplôme reconnu équivalent par le Gouvernement. "
" Ceci s'applique également aux premiers ou, selon le cas, aux deuxièmes sous-directeurs de camps sportifs comptant plus de 200 respectivement 300 enfants participants, dans la mesure où ces sous-directeurs sont porteurs du diplôme de moniteur de niveau III pour le sport de masse ou d'un diplôme reconnu équivalent par le Gouvernement. "
Art.25. In artikel 30 van hetzelfde decreet wordt het getal "23" vervangen door de getallen "24 en 24.1".
Art.25. Dans l'article 30 du même décret, le chiffre "23" est remplacé par les chiffres "24, 24.1".
Art.26. In artikel 31 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het getal "22" vervangen door het getal "22.1";
2° in het tweede lid wordt het getal "24" vervangen door de getallen "24, 24.1".
1° in het eerste lid wordt het getal "22" vervangen door het getal "22.1";
2° in het tweede lid wordt het getal "24" vervangen door de getallen "24, 24.1".
Art.26. A l'article 31 du même décret, modifié par le décret du 19 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le chiffre "22" est remplacé par le chiffre "22.1";
2° dans l'alinéa 2, le chiffre "24" est remplacé par les chiffres "24, 24.1".
1° dans l'alinéa 1er, le chiffre "22" est remplacé par le chiffre "22.1";
2° dans l'alinéa 2, le chiffre "24" est remplacé par les chiffres "24, 24.1".
Art.27. In artikel 32 van hetzelfde decreet wordt het getal "23" vervangen door het getal "24".
Art.27. Dans l'article 32 du même décret, le chiffre "23" est remplacé par le chiffre "24".
Art.28. In artikel 42 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "opleidingsleergangen" vervangen door de woorden "opleidingsleergangen en voortgezette opleidingsleergangen";
2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
" 6° advies te geven over aanvragen in het kader van de topsport. ";
3° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" In het kader van de opdrachten vermeld in het eerste lid kan de Sportcommissie deskundigen uitnodigen om haar beraadslagingen bij te wonen en werkgroepen oprichten. "
1° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "opleidingsleergangen" vervangen door de woorden "opleidingsleergangen en voortgezette opleidingsleergangen";
2° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
" 6° advies te geven over aanvragen in het kader van de topsport. ";
3° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
" In het kader van de opdrachten vermeld in het eerste lid kan de Sportcommissie deskundigen uitnodigen om haar beraadslagingen bij te wonen en werkgroepen oprichten. "
Art.28. A l'article 42 du même décret, modifié par le décret du 14 février 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots "cours pour la formation" sont remplacés par les mots "cours pour la formation et la formation continue";
2° l'alinéa 1er est complété par un 6°, rédigé comme suit :
" 6° examiner des demandes dans le cadre du sport d'élite. ";
3° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans le cadre des missions mentionnées au premier alinéa, la Commission sportive peut demander à des spécialistes de participer à ses délibérations et constituer des groupes de travail. "
1° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots "cours pour la formation" sont remplacés par les mots "cours pour la formation et la formation continue";
2° l'alinéa 1er est complété par un 6°, rédigé comme suit :
" 6° examiner des demandes dans le cadre du sport d'élite. ";
3° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Dans le cadre des missions mentionnées au premier alinéa, la Commission sportive peut demander à des spécialistes de participer à ses délibérations et constituer des groupes de travail. "
HOOFDSTUK 3. - Monumentenzorg
CHAPITRE 3. - Protection des monuments et sites
Art.29. In artikel 20, § 1, van het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en landschappen en betreffende de opgravingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, bepaling onder 3°, wordt de punt vervangen door een kommapunt en het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende :
" 4° de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap. "
2° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de eerste zin worden na de woorden "De in lid 1" de woorden "1° tot 3°," ingevoegd;
b) in de tweede zin worden de woorden "2° en 3°" vervangen door de woorden "2° tot 4°,".
1° in het eerste lid, bepaling onder 3°, wordt de punt vervangen door een kommapunt en het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende :
" 4° de bevoegde dienst van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap. "
2° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de eerste zin worden na de woorden "De in lid 1" de woorden "1° tot 3°," ingevoegd;
b) in de tweede zin worden de woorden "2° en 3°" vervangen door de woorden "2° tot 4°,".
Art.29. Dans l'article 20, § 1er, du décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et sites, ainsi qu'aux fouilles, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par un 4°, rédigé comme suit :
" 4° le service compétent du Ministère de la Communauté germanophone. ";
2° à l'alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans la première phrase, les mots "au § 1er" sont remplacés par les mots "à l'alinéa 1er, 1° à 3°,";
b) dans la deuxième phrase, les mots "2° et 3°" sont remplacés par les mots "2° à 4°".
1° l'alinéa 1er est complété par un 4°, rédigé comme suit :
" 4° le service compétent du Ministère de la Communauté germanophone. ";
2° à l'alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans la première phrase, les mots "au § 1er" sont remplacés par les mots "à l'alinéa 1er, 1° à 3°,";
b) dans la deuxième phrase, les mots "2° et 3°" sont remplacés par les mots "2° à 4°".
HOOFDSTUK 4. - Infrastructuur
CHAPITRE 4. - Infrastructure
Art.30. Artikel 7 van het decreet van 18 maart 2002 betreffende de Infrastructuur wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
" 7° de bijzondere voorwaarden vastleggen waaraan een projectmanager moet voldoen. "
" 7° de bijzondere voorwaarden vastleggen waaraan een projectmanager moet voldoen. "
Art.30. L'article 7 du décret du 18 mars 2002 relatif à l'infrastructure est complété par un 7°, rédigé comme suit :
" 7° des conditions particulières auxquelles doit satisfaire un gestionnaire de projet. "
" 7° des conditions particulières auxquelles doit satisfaire un gestionnaire de projet. "
Art.31. In hetzelfde decreet wordt een artikel 14bis ingevoegd, luidende :
" Art. 14bis. Projectverantwoordelijke.
§ 1. De aanvrager wijst een projectverantwoordelijke aan. De projectverantwoordelijke begeleidt het infrastructuurproject, in het bijzonder wat de naleving van de specifieke voorschriften vermeld in artikel 7, 5° en 6°, betreft.
§ 2. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen, wijst de aanvrager een projectontwikkelaar als projectverantwoordelijke aan.
Deze zorgt voor de algemene planning, de sturing, het toezicht op en het afsluiten van het infrastructuurproject.
§ 3. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen en waarvan de totale kosten bovendien minstens 500.000 euro bedragen, wijst de aanvrager een projectmanager als bedoeld in artikel 7, 7°, en artikel 18bis, §§ 2 tot 3, als projectverantwoordelijke aan.
Bij die infrastructuurprojecten neemt de projectmanager de taken vermeld in § 2, tweede lid, en de begeleiding van de aanvrager op zich, terwijl de projectontwikkelaar zorgt voor de praktische uitvoering van het project, volgens de aanwijzingen van de projectmanager.
De aanwijzing van de projectmanager geschiedt voor de aanwijzing van de projectontwikkelaar. Beide functies zijn niet met elkaar te verenigen.
Geen enkel infrastructuurproject mag opgesplitst worden met de bedoeling om het aan de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf te onttrekken.
In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de Regering van het bedrag vermeld in het eerste lid afwijken.
§ 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 hoeft bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 22 dringend moeten worden uitgevoerd, geen projectverantwoordelijke in de zin van dit artikel te worden aangewezen. "
" Art. 14bis. Projectverantwoordelijke.
§ 1. De aanvrager wijst een projectverantwoordelijke aan. De projectverantwoordelijke begeleidt het infrastructuurproject, in het bijzonder wat de naleving van de specifieke voorschriften vermeld in artikel 7, 5° en 6°, betreft.
§ 2. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen, wijst de aanvrager een projectontwikkelaar als projectverantwoordelijke aan.
Deze zorgt voor de algemene planning, de sturing, het toezicht op en het afsluiten van het infrastructuurproject.
§ 3. Bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 84 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie de medewerking van een architect vereisen en waarvan de totale kosten bovendien minstens 500.000 euro bedragen, wijst de aanvrager een projectmanager als bedoeld in artikel 7, 7°, en artikel 18bis, §§ 2 tot 3, als projectverantwoordelijke aan.
Bij die infrastructuurprojecten neemt de projectmanager de taken vermeld in § 2, tweede lid, en de begeleiding van de aanvrager op zich, terwijl de projectontwikkelaar zorgt voor de praktische uitvoering van het project, volgens de aanwijzingen van de projectmanager.
De aanwijzing van de projectmanager geschiedt voor de aanwijzing van de projectontwikkelaar. Beide functies zijn niet met elkaar te verenigen.
Geen enkel infrastructuurproject mag opgesplitst worden met de bedoeling om het aan de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf te onttrekken.
In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de Regering van het bedrag vermeld in het eerste lid afwijken.
§ 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 hoeft bij infrastructuurprojecten die overeenkomstig artikel 22 dringend moeten worden uitgevoerd, geen projectverantwoordelijke in de zin van dit artikel te worden aangewezen. "
Art.31. Dans le même décret, il est inséré un article 14bis, rédigé comme suit :
" Art. 14bis. Responsable de projet.
§ 1er. Le demandeur mandate un responsable de projet. Celui-ci encadre le projet d'infrastructure, notamment en ce qui concerne le respect des prescriptions spécifiques énoncées à l'article 7, 5° et 6°.
§ 2. En ce qui concerne les projets d'infrastructure requérant l'intervention d'un architecte conformément à l'article 84 du Code wallon d'aménagement du territoire, de l'urbanisme, du patrimoine et de l'énergie, le demandeur mandate un auteur de projet en tant que responsable de projet.
Celui-ci assure la planification générale, le pilotage, la surveillance ainsi que la clôture du projet d'infrastructure.
§ 3. En ce qui concerne les projets d'infrastructure requérant l'intervention d'un architecte conformément à l'article 84 du Code wallon d'Aménagement du territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie, et dont le coût général s'élève au moins à 500.000 euros, le demandeur mandate un gestionnaire de projet conformément à l'article 7, 7°, et à l'article 18bis, §§ 2 et 3, en tant que responsable de projet.
Pour ces projets d'infrastructure, le gestionnaire de projet assure les missions mentionnées au § 2, alinéa 2, ainsi que l'encadrement du demandeur, alors que l'auteur de projet assure la mise en oeuvre pratique du projet en suivant les prescriptions du gestionnaire de projet.
Le gestionnaire de projet est mandaté avant l'auteur de projet. Les deux fonctions sont incompatibles.
Aucun projet d'infrastructure ne peut être scindé en vu d'échapper à l'application des dispositions du présent paragraphe.
Dans des cas particulièrement motivés, le Gouvernement peut octroyer des dérogations au montant repris au premier alinéa.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, aucun responsable de projet au sens du présent article ne doit être mandaté lorsqu'il s'agit de projets d'infrastructure à réaliser d'urgence conformément à l'article 22. "
" Art. 14bis. Responsable de projet.
§ 1er. Le demandeur mandate un responsable de projet. Celui-ci encadre le projet d'infrastructure, notamment en ce qui concerne le respect des prescriptions spécifiques énoncées à l'article 7, 5° et 6°.
§ 2. En ce qui concerne les projets d'infrastructure requérant l'intervention d'un architecte conformément à l'article 84 du Code wallon d'aménagement du territoire, de l'urbanisme, du patrimoine et de l'énergie, le demandeur mandate un auteur de projet en tant que responsable de projet.
Celui-ci assure la planification générale, le pilotage, la surveillance ainsi que la clôture du projet d'infrastructure.
§ 3. En ce qui concerne les projets d'infrastructure requérant l'intervention d'un architecte conformément à l'article 84 du Code wallon d'Aménagement du territoire, de l'Urbanisme, du Patrimoine et de l'Energie, et dont le coût général s'élève au moins à 500.000 euros, le demandeur mandate un gestionnaire de projet conformément à l'article 7, 7°, et à l'article 18bis, §§ 2 et 3, en tant que responsable de projet.
Pour ces projets d'infrastructure, le gestionnaire de projet assure les missions mentionnées au § 2, alinéa 2, ainsi que l'encadrement du demandeur, alors que l'auteur de projet assure la mise en oeuvre pratique du projet en suivant les prescriptions du gestionnaire de projet.
Le gestionnaire de projet est mandaté avant l'auteur de projet. Les deux fonctions sont incompatibles.
Aucun projet d'infrastructure ne peut être scindé en vu d'échapper à l'application des dispositions du présent paragraphe.
Dans des cas particulièrement motivés, le Gouvernement peut octroyer des dérogations au montant repris au premier alinéa.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, aucun responsable de projet au sens du présent article ne doit être mandaté lorsqu'il s'agit de projets d'infrastructure à réaliser d'urgence conformément à l'article 22. "
Art.32. In artikel 16, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "7° tot 9°" vervangen door de woorden "7° tot 10°".
Art.32. Dans l'article 16, alinéa 1er, du même décret, les chiffres "7° à 9°" sont remplacés par la chiffres "7° à 10°".
Art.33. In artikel 17, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 juni 2007, worden tussen de woorden "alsmede het ereloon van de" en het woord "architecten" de woorden "projectmanagers," ingevoegd.
Art.33. Dans l'article 17, § 1er, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 25 juin 2007, les mots "gestionnaires de projet," sont insérés entre les mots "honoraires des" et le mot "architectes".
Art.34. In hoofdstuk I, afdeling 5, onderafdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende :
" Art. 18bis. Intentieverklaring en indeling.
§ 1. Voordat een aanvrager overeenkomstig artikel 19 een infrastructuurproject aanmeldt, deelt hij de Regering een intentieverklaring betreffende het infrastructuurproject mee. De intentieverklaring bevat de volgende gegevens :
1° gegevens over de identiteit van de aanvrager;
2° een korte beschrijving van het geplande infrastructuurproject;
3° een ruwe schatting van de kosten.
§ 2. Na ontvangst van de intentieverklaring deelt de Regering het infrastructuurproject in en bepaalt ze of de aanvrager overeenkomstig artikel 14bis een projectmanager moet aanwijzen.
De Regering beslist over de indeling binnen 15 dagen na ontvangst van het complete dossier over de intentieverklaring. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het infrastructuurproject uitsluitend op grond van de ruwe schatting van de kosten ingedeeld.
§ 3. Indien de aanvrager een projectmanager moet aanwijzen, dient hij het bestek van de aanbesteding ter voorafgaande goedkeuring bij de Regering in.
De Regering beslist over het bestek binnen vijftien dagen na ontvangst van het complete aanbestedingsdossier. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het bestek geacht goedgekeurd te zijn.
§ 4. Indien belangrijke onderdelen van de planning in het kader van de planning gewijzigd worden, moet een geactualiseerde intentieverklaring worden ingediend.
In dat geval kan de Regering, na ontvangst van de geactualiseerde intentieverklaring, het infrastructuurproject overeenkomstig § 2 nieuw indelen. "
" Art. 18bis. Intentieverklaring en indeling.
§ 1. Voordat een aanvrager overeenkomstig artikel 19 een infrastructuurproject aanmeldt, deelt hij de Regering een intentieverklaring betreffende het infrastructuurproject mee. De intentieverklaring bevat de volgende gegevens :
1° gegevens over de identiteit van de aanvrager;
2° een korte beschrijving van het geplande infrastructuurproject;
3° een ruwe schatting van de kosten.
§ 2. Na ontvangst van de intentieverklaring deelt de Regering het infrastructuurproject in en bepaalt ze of de aanvrager overeenkomstig artikel 14bis een projectmanager moet aanwijzen.
De Regering beslist over de indeling binnen 15 dagen na ontvangst van het complete dossier over de intentieverklaring. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het infrastructuurproject uitsluitend op grond van de ruwe schatting van de kosten ingedeeld.
§ 3. Indien de aanvrager een projectmanager moet aanwijzen, dient hij het bestek van de aanbesteding ter voorafgaande goedkeuring bij de Regering in.
De Regering beslist over het bestek binnen vijftien dagen na ontvangst van het complete aanbestedingsdossier. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing is genomen, wordt het bestek geacht goedgekeurd te zijn.
§ 4. Indien belangrijke onderdelen van de planning in het kader van de planning gewijzigd worden, moet een geactualiseerde intentieverklaring worden ingediend.
In dat geval kan de Regering, na ontvangst van de geactualiseerde intentieverklaring, het infrastructuurproject overeenkomstig § 2 nieuw indelen. "
Art.34. Dans le chapitre Ier, section 5, sous-section 1re, du même décret, il est inséré un article 18bis, rédigé comme suit :
" Art. 18bis. Déclaration d'intention et classement.
§ 1er. Avant d'annoncer un projet d'infrastructure conformément à l'article 19, un demandeur communique au Gouvernement une déclaration d'intention. Cette déclaration d'intention reprend les informations suivantes :
1° des données relatives à l'identité du demandeur;
2° une brève description du projet d'infrastructure envisagé;
3° un devis approximatif.
§ 2. Après réception de la déclaration d'intention, le Gouvernement procède au classement du projet d'infrastructure et détermine si le demandeur doit mandater un gestionnaire de projet conformément à l'article 14bis.
Le Gouvernement statue sur le classement dans un délai de 15 jours suivant la notification du dossier complet de déclaration d'intention. A défaut de décision dans le délai imparti, le projet d'infrastructure est uniquement classé sur la base du devis approximatif.
§ 3. Si le demandeur doit mandater un gestionnaire de projet, il introduit auprès du Gouvernement, pour approbation préalable, un cahier des charges relatif à l'attribution du marché.
Le Gouvernement statue sur le cahier des charges dans un délai de quinze jours suivant la notification du dossier complet relatif à l'attribution du marché. A défaut de décision dans le délai imparti, le cahier des charges est censé être approuvé.
§ 4. Si, dans le cadre de la planification, des éléments essentiels de planification sont modifiés, il y a lieu d'introduire une déclaration d'intention actualisée.
Dans ce cas, le Gouvernement peut procéder, après réception de la déclaration d'intention actualisée, à un nouveau classement du projet d'infrastructure conformément au § 2. "
" Art. 18bis. Déclaration d'intention et classement.
§ 1er. Avant d'annoncer un projet d'infrastructure conformément à l'article 19, un demandeur communique au Gouvernement une déclaration d'intention. Cette déclaration d'intention reprend les informations suivantes :
1° des données relatives à l'identité du demandeur;
2° une brève description du projet d'infrastructure envisagé;
3° un devis approximatif.
§ 2. Après réception de la déclaration d'intention, le Gouvernement procède au classement du projet d'infrastructure et détermine si le demandeur doit mandater un gestionnaire de projet conformément à l'article 14bis.
Le Gouvernement statue sur le classement dans un délai de 15 jours suivant la notification du dossier complet de déclaration d'intention. A défaut de décision dans le délai imparti, le projet d'infrastructure est uniquement classé sur la base du devis approximatif.
§ 3. Si le demandeur doit mandater un gestionnaire de projet, il introduit auprès du Gouvernement, pour approbation préalable, un cahier des charges relatif à l'attribution du marché.
Le Gouvernement statue sur le cahier des charges dans un délai de quinze jours suivant la notification du dossier complet relatif à l'attribution du marché. A défaut de décision dans le délai imparti, le cahier des charges est censé être approuvé.
§ 4. Si, dans le cadre de la planification, des éléments essentiels de planification sont modifiés, il y a lieu d'introduire une déclaration d'intention actualisée.
Dans ce cas, le Gouvernement peut procéder, après réception de la déclaration d'intention actualisée, à un nouveau classement du projet d'infrastructure conformément au § 2. "
Art.35. In artikel 19 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden :
"De aanvrager meldt een" vervangen door de woorden "Na succesvolle indeling en zo nodig na aanwijzing van de projectmanager meldt de aanvrager het";
2° in § 1, eerste lid, wordt na de bepaling onder 1° een bepaling onder 1bis ingevoegd, luidende :
" 1bis. gegevens over de identiteit van de projectmanager, alsook de bewijzen dat hij overeenkomstig artikel 7, 7°, aan de bijzondere voorwaarden voldoet;
3° de volgende § 1bis wordt ingevoegd :
" § 1bis. Indien de Regering vaststelt dat overeenkomstig artikel 18bis een nieuwe indeling van het infrastructuurproject noodzakelijk is, kan ze bepalen dat het aangepaste infrastructuurproject nieuw aangemeld moet worden. "
1° in § 1, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden :
"De aanvrager meldt een" vervangen door de woorden "Na succesvolle indeling en zo nodig na aanwijzing van de projectmanager meldt de aanvrager het";
2° in § 1, eerste lid, wordt na de bepaling onder 1° een bepaling onder 1bis ingevoegd, luidende :
" 1bis. gegevens over de identiteit van de projectmanager, alsook de bewijzen dat hij overeenkomstig artikel 7, 7°, aan de bijzondere voorwaarden voldoet;
3° de volgende § 1bis wordt ingevoegd :
" § 1bis. Indien de Regering vaststelt dat overeenkomstig artikel 18bis een nieuwe indeling van het infrastructuurproject noodzakelijk is, kan ze bepalen dat het aangepaste infrastructuurproject nieuw aangemeld moet worden. "
Art.35. A l'article 19 du même décret, modifié par le décret du 1er mars 2004, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par la phrase suivante :
" Après que le classement a eu lieu et après avoir mandaté un gestionnaire de projet, le cas échéant, le demandeur annonce le projet d'infrastructure au Gouvernement. ";
2° dans le § 1er, alinéa 1er, il est inséré un point 1erbis, rédigé comme suit :
" 1erbis des données relatives à l'identité du gestionnaire de projet, ainsi que la preuve qu'il satisfait aux conditions particulières énoncées à l'article 7, 7°; "
3° le § 1erbis, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1erbis. Si le Gouvernement constate qu'il faut procéder à un nouveau classement du projet d'infrastructure conformément à l'article 18bis, il peut ordonner une nouvelle annonce du projet d'infrastructure adapté en conséquence. "
1° dans le § 1er, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par la phrase suivante :
" Après que le classement a eu lieu et après avoir mandaté un gestionnaire de projet, le cas échéant, le demandeur annonce le projet d'infrastructure au Gouvernement. ";
2° dans le § 1er, alinéa 1er, il est inséré un point 1erbis, rédigé comme suit :
" 1erbis des données relatives à l'identité du gestionnaire de projet, ainsi que la preuve qu'il satisfait aux conditions particulières énoncées à l'article 7, 7°; "
3° le § 1erbis, rédigé comme suit, est inséré :
" § 1erbis. Si le Gouvernement constate qu'il faut procéder à un nouveau classement du projet d'infrastructure conformément à l'article 18bis, il peut ordonner une nouvelle annonce du projet d'infrastructure adapté en conséquence. "
Art.36. Artikel 21, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 maart 2004 en 20 februari 2006, wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende :
" 12° een geactualiseerde versie van de notities vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 10° en 11°. "
" 12° een geactualiseerde versie van de notities vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 10° en 11°. "
Art.36. L'article 21, § 1er, alinéa 1er, du même décret, modifié par les décrets des 1er mars 2004 et 20 février 2006, est complété par un 12°, rédigé comme suit :
" 12° une version actualisée des notices mentionnées à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, 10° et 11°. "
" 12° une version actualisée des notices mentionnées à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, 10° et 11°. "
Art.37. In artikel 24, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikelen 19 tot 23" vervangen door de woorden "artikelen 18bis tot 23".
Art.37. Dans l'article 24, § 1er, alinéa 1er, du même décret, les mots "articles 19 à 23" sont remplacés par les mots "articles 18bis à 23".
Art.38. In artikel 24bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 23 juni 2008, worden de woorden "artikelen 19 tot 23" vervangen door de woorden "artikelen 18bis tot 23".
Art.38. Dans l'article 24bis, § 1er, alinéa 1er, du même décret, inséré par le décret du 25 juin 2007 et modifié par le décret du 23 juin 2008, les mots "articles 19 à 23" sont remplacés par les mots "articles 18bis à 23".
HOOFDSTUK 5. - Erediensten
CHAPITRE 5. - Cultes
Art.39. In artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870 "op het tijdelijke der eerediensten", ingevoegd bij de wet van 19 juli 1974, vervangen bij de wet van 10 maart 1999 en gewijzigd bij het decreet van 20 december 2004, wordt na het zevende lid het volgende lid ingevoegd :
" Het toezicht op de begrotingen, de wijzigingen van de begrotingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken wordt uitgeoefend door de Regering overeenkomstig artikel 41.1 van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten. "
" Het toezicht op de begrotingen, de wijzigingen van de begrotingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken wordt uitgeoefend door de Regering overeenkomstig artikel 41.1 van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten. "
Art.39. Dans l'article 19bis de la loi du 4 mars 1870 sur le temporel des cultes, inséré par la loi du 19 juillet 1974, remplacé par la loi du 10 mars 1999 et modifié par le décret du 20 décembre 2004, un alinéa rédigé comme suit est inséré après l'alinéa 7 :
" La tutelle sur les budgets, leurs modifications et les comptes annuels des fabriques d'églises orthodoxes est exercée par le Gouvernement conformément à l'article 41.1 du décret du 19 mai 2008 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus. "
" La tutelle sur les budgets, leurs modifications et les comptes annuels des fabriques d'églises orthodoxes est exercée par le Gouvernement conformément à l'article 41.1 du décret du 19 mai 2008 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus. "
Art.40. In artikel 1 van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten wordt na het tweede streepje het volgende streepje ingevoegd :
" - metropoliet : de als vertegenwoordiger van de volledige orthodoxe kerk erkende metropoliet, aartsbisschop van het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel; "
" - metropoliet : de als vertegenwoordiger van de volledige orthodoxe kerk erkende metropoliet, aartsbisschop van het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel; "
Art.40. Dans l'article 1er du décret du 19 mai 2008 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus, il est inséré après le deuxième tiret un tiret rédigé comme suit :
" - Métropolite : le Métropolite-Archevêque du Patriarcat oecuménique de Constantinople, reconnu comme représentant de l'ensemble de l'Eglise orthodoxe; "
" - Métropolite : le Métropolite-Archevêque du Patriarcat oecuménique de Constantinople, reconnu comme représentant de l'ensemble de l'Eglise orthodoxe; "
Art.41. Hoofdstuk III van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 maart 2010, wordt aangevuld met een afdeling 3.1, die artikel 41.1 omvat, luidende :
" Afdeling 3.1. - Op de orthodoxe kerkfabrieken toepasselijke bepalingen
Art. 41.1. Begrotingen en jaarrekening.
§ 1. De begrotingen, de begrotingswijzigingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Regering.
Vóór 15 augustus van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat, worden de begrotingen in vier exemplaren, samen met alle nuttige inlichtingen, aan de Regering toegezonden.
Vóór 10 april van het jaar dat op het begrotingsjaar volgt, worden de jaarrekeningen in vier exemplaren, samen met alle bewijsstukken, aan de Regering toegezonden.
De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet.
§ 2. De metropoliet stelt de uitgaven betreffende de uitoefening van de eredienst definitief vast, brengt een advies uit over de overige punten van de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier, binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.
De provinciegouverneur brengt advies uit over de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.
Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn mag er aan het beslissingsvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. Met uitzondering van de begrotingsartikelen van de uitgaven m.b.t. de uitoefening van de eredienst kan de Regering ontvangstramingen en artikelen van de uitgaven inschrijven, verminderen, verhogen of schrappen en materiële vergissingen corrigeren.
De Regering beslist binnen honderd dagen na de in § 1, vierde lid, vermelde toezending van het dossier. Zij mag de termijn waarover zij beschikt om haar bevoegdheid uit te oefenen, ten hoogste één keer met dertig dagen verlengen.
Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn wordt de goedkeuring geacht verleend te zijn.
§ 4. Een kopie van elke beslissing van de Regering wordt onmiddellijk aan de metropoliet, de kerkfabriek en de provinciegouverneur toegezonden. Een kopie van elke beslissing wordt in het archief van de Regering bewaard.
§ 5. Indien de begroting of de jaarrekening niet op de overeenkomstig § 1 bepaalde tijdstippen ingediend is of indien de kerkfabriek de bewijsstukken of inlichtingen weigert te geven, maant de Regering de kerkfabriek daartoe per aangetekende brief aan en informeert ze de metropoliet.
Indien de kerkfabriek binnen twintig dagen na ontvangst van de aanmaning de begroting of de jaarrekening niet ingediend heeft, dan kan de Regering de begroting of de jaarrekening in haar plaats vastleggen. De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet; daarna worden de §§ 2 tot 4 toegepast. "
" Afdeling 3.1. - Op de orthodoxe kerkfabrieken toepasselijke bepalingen
Art. 41.1. Begrotingen en jaarrekening.
§ 1. De begrotingen, de begrotingswijzigingen en de jaarrekeningen van de orthodoxe kerkfabrieken zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Regering.
Vóór 15 augustus van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat, worden de begrotingen in vier exemplaren, samen met alle nuttige inlichtingen, aan de Regering toegezonden.
Vóór 10 april van het jaar dat op het begrotingsjaar volgt, worden de jaarrekeningen in vier exemplaren, samen met alle bewijsstukken, aan de Regering toegezonden.
De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet.
§ 2. De metropoliet stelt de uitgaven betreffende de uitoefening van de eredienst definitief vast, brengt een advies uit over de overige punten van de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier, binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.
De provinciegouverneur brengt advies uit over de begroting, de begrotingswijziging of de jaarrekening en zendt het volledige dossier binnen zestig dagen na ontvangst ervan, aan de Regering toe.
Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn mag er aan het beslissingsvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. Met uitzondering van de begrotingsartikelen van de uitgaven m.b.t. de uitoefening van de eredienst kan de Regering ontvangstramingen en artikelen van de uitgaven inschrijven, verminderen, verhogen of schrappen en materiële vergissingen corrigeren.
De Regering beslist binnen honderd dagen na de in § 1, vierde lid, vermelde toezending van het dossier. Zij mag de termijn waarover zij beschikt om haar bevoegdheid uit te oefenen, ten hoogste één keer met dertig dagen verlengen.
Bij het uitblijven van een beslissing binnen de gestelde termijn wordt de goedkeuring geacht verleend te zijn.
§ 4. Een kopie van elke beslissing van de Regering wordt onmiddellijk aan de metropoliet, de kerkfabriek en de provinciegouverneur toegezonden. Een kopie van elke beslissing wordt in het archief van de Regering bewaard.
§ 5. Indien de begroting of de jaarrekening niet op de overeenkomstig § 1 bepaalde tijdstippen ingediend is of indien de kerkfabriek de bewijsstukken of inlichtingen weigert te geven, maant de Regering de kerkfabriek daartoe per aangetekende brief aan en informeert ze de metropoliet.
Indien de kerkfabriek binnen twintig dagen na ontvangst van de aanmaning de begroting of de jaarrekening niet ingediend heeft, dan kan de Regering de begroting of de jaarrekening in haar plaats vastleggen. De Regering zendt de dossiers door aan de provinciegouverneur en aan de metropoliet; daarna worden de §§ 2 tot 4 toegepast. "
Art.41. Dans le chapitre III du même décret, modifié par le décret du 15 mars 2010, il est inséré une section 3.1, comprenant l'article 41.1, rédigée comme suit :
" Section 3.1. - Dispositions applicables aux fabriques d'église orthodoxes
Art. 41.1. Budget et compte annuel.
§ 1er. Les budgets, leurs modifications ainsi que les comptes annuels des fabriques d'églises orthodoxes sont soumis à l'approbation du Gouvernement.
Les budgets seront transmis au Gouvernement avant le 15 août de l'année précédant l'exercice budgétaire, en quatre exemplaires et accompagnés de toutes les explications utiles.
Les comptes annuels seront transmis au Gouvernement avant le 10 avril de l'année suivant l'exercice budgétaire, en quatre exemplaires et accompagnés de toutes les pièces justificatives.
Le Gouvernement transmet les dossiers au Gouverneur de province et au Métropolite.
§ 2. Le Métropolite arrête définitivement les dépenses relatives à l'exercice du culte, rend un avis sur les autres points du budget, la modification budgétaire ou le compte annuel et transmet le dossier complet au Gouvernement dans les soixante jours de sa notification.
Le Gouverneur rend un avis sur le budget, la modification budgétaire ou le compte annuel et transmet le dossier complet au Gouvernement dans les soixante jours de sa notification.
A défaut d'une décision dans le délai imparti, il est passé outre l'absence de décision.
§ 3. A l'exception des articles budgétaires de dépenses relatifs à l'exercice du culte, le Gouvernement peut inscrire, diminuer, augmenter ou rayer des prévisions de recettes ainsi que des articles de dépenses et corriger des erreurs matérielles.
Le Gouvernement statue dans un délai de 100 jours à dater de la notification du dossier mentionnée au § 1er, alinéa 4. Il peut une fois au plus prolonger de 30 jours le délai dont il dispose pour exercer sa compétence.
A défaut d'une décision dans le délai imparti, l'approbation est censée avoir été donnée.
§ 4. Toute expédition mentionnant la décision du Gouvernement est immédiatement envoyée au Métropolite ainsi qu'à la fabrique d'église et au Gouverneur. Une autre expédition est conservée dans les archives du Gouvernement.
§ 5. Si le budget ou le compte annuel n'est pas remis aux époques fixées conformément au § 1er ou si la fabrique d'église refuse de fournir les pièces ou informations justificatives, le Gouvernement lui adresse une lettre recommandée l'invitant à le faire et en informe le Métropolite.
Si la fabrique d'église n'a pas introduit le budget ou le compte annuel dans les vingt jours suivant cette mise en demeure, le Gouvernement peut arrêter le budget ou le compte annuel à sa place. Le Gouvernement transmet les dossiers au Gouverneur et au Métropolite. Ensuite, ce sont les §§ 2 à 4 qui sont d'application. "
" Section 3.1. - Dispositions applicables aux fabriques d'église orthodoxes
Art. 41.1. Budget et compte annuel.
§ 1er. Les budgets, leurs modifications ainsi que les comptes annuels des fabriques d'églises orthodoxes sont soumis à l'approbation du Gouvernement.
Les budgets seront transmis au Gouvernement avant le 15 août de l'année précédant l'exercice budgétaire, en quatre exemplaires et accompagnés de toutes les explications utiles.
Les comptes annuels seront transmis au Gouvernement avant le 10 avril de l'année suivant l'exercice budgétaire, en quatre exemplaires et accompagnés de toutes les pièces justificatives.
Le Gouvernement transmet les dossiers au Gouverneur de province et au Métropolite.
§ 2. Le Métropolite arrête définitivement les dépenses relatives à l'exercice du culte, rend un avis sur les autres points du budget, la modification budgétaire ou le compte annuel et transmet le dossier complet au Gouvernement dans les soixante jours de sa notification.
Le Gouverneur rend un avis sur le budget, la modification budgétaire ou le compte annuel et transmet le dossier complet au Gouvernement dans les soixante jours de sa notification.
A défaut d'une décision dans le délai imparti, il est passé outre l'absence de décision.
§ 3. A l'exception des articles budgétaires de dépenses relatifs à l'exercice du culte, le Gouvernement peut inscrire, diminuer, augmenter ou rayer des prévisions de recettes ainsi que des articles de dépenses et corriger des erreurs matérielles.
Le Gouvernement statue dans un délai de 100 jours à dater de la notification du dossier mentionnée au § 1er, alinéa 4. Il peut une fois au plus prolonger de 30 jours le délai dont il dispose pour exercer sa compétence.
A défaut d'une décision dans le délai imparti, l'approbation est censée avoir été donnée.
§ 4. Toute expédition mentionnant la décision du Gouvernement est immédiatement envoyée au Métropolite ainsi qu'à la fabrique d'église et au Gouverneur. Une autre expédition est conservée dans les archives du Gouvernement.
§ 5. Si le budget ou le compte annuel n'est pas remis aux époques fixées conformément au § 1er ou si la fabrique d'église refuse de fournir les pièces ou informations justificatives, le Gouvernement lui adresse une lettre recommandée l'invitant à le faire et en informe le Métropolite.
Si la fabrique d'église n'a pas introduit le budget ou le compte annuel dans les vingt jours suivant cette mise en demeure, le Gouvernement peut arrêter le budget ou le compte annuel à sa place. Le Gouvernement transmet les dossiers au Gouverneur et au Métropolite. Ensuite, ce sont les §§ 2 à 4 qui sont d'application. "
Art.42. De artikelen 17 tot 25 van het koninklijk besluit van 15 maart 1988 tot organisatie van de raden van de kerkfabrieken van de orthodoxe eredienst worden opgeheven.
Art.42. Les articles 17 à 25 de l'arrêté royal du 15 mars 1988 portant organisation des conseils de fabriques d'église du culte orthodoxe sont abrogés.
HOOFDSTUK 6. - Financiën en begroting
CHAPITRE 6. - Finances et budget
Art.43. In artikel 104 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 19 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "voorschotten op toelagen en subsidies voor werkings- en personeelskosten" vervangen door de woorden "toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt";
2° § 1, tweede lid, wordt opgeheven;
3° in § 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" In afwijking van alle andersluidende voorschriften, met uitzondering van hogere normen, worden alle uit te betalen toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten, alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt, binnen de perken van de daarvoor beschikbare begrotingsmiddelen volledig als eenmalig bedrag uitbetaald in het eerste kwartaal van het activiteitenjaar in kwestie. "
4° in § 2 worden het tweede en het derde lid opgeheven;
5° § 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Indien het uitbetaalde bedrag hoger is dan de toelage die krachtens de eindafrekening had moeten worden betaald, kan het te veel betaalde bedrag afgehouden worden van de toelage van het volgende jaar. "
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "voorschotten op toelagen en subsidies voor werkings- en personeelskosten" vervangen door de woorden "toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt";
2° § 1, tweede lid, wordt opgeheven;
3° in § 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" In afwijking van alle andersluidende voorschriften, met uitzondering van hogere normen, worden alle uit te betalen toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten, alsook voorschotten op toelagen en dotaties voor werkings- en personeelskosten waarvan het jaarlijkse bedrag in voorkomend geval vermoedelijk meer dan 6.000 euro bedraagt, binnen de perken van de daarvoor beschikbare begrotingsmiddelen volledig als eenmalig bedrag uitbetaald in het eerste kwartaal van het activiteitenjaar in kwestie. "
4° in § 2 worden het tweede en het derde lid opgeheven;
5° § 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
" Indien het uitbetaalde bedrag hoger is dan de toelage die krachtens de eindafrekening had moeten worden betaald, kan het te veel betaalde bedrag afgehouden worden van de toelage van het volgende jaar. "
Art.43. A l'article 104 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone, modifié par le décret du 19 avril 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "toutes les avances de subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel à liquider le seront" sont remplacés par les mots "toutes les subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel, ainsi que les avances sur subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel dont le montant annuel éventuellement escompté dépasse 6.000 euros, seront liquidées";
2° le § 1er, alinéa 2, est abrogé;
3° dans le § 2, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à toute disposition contraire, exception faite de normes supérieures, toutes les subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel, ainsi que les avances sur subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel dont le montant annuel éventuellement escompté s'élève à 6.000 euros au plus, seront - dans les limites des crédits budgétaires disponibles à cette fin - liquidées entièrement sous forme d'un montant unique, et ce, dans le courant du premier trimestre de l'année d'activités concernée. ";
4° au § 2, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
5° le § 3 est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Si le montant liquidé est supérieur au montant de subventions dû, déterminé au terme du décompte final, la somme concernée peut être déduite des montants de l'année suivante. "
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "toutes les avances de subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel à liquider le seront" sont remplacés par les mots "toutes les subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel, ainsi que les avances sur subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel dont le montant annuel éventuellement escompté dépasse 6.000 euros, seront liquidées";
2° le § 1er, alinéa 2, est abrogé;
3° dans le § 2, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à toute disposition contraire, exception faite de normes supérieures, toutes les subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel, ainsi que les avances sur subventions et dotations pour frais de fonctionnement et de personnel dont le montant annuel éventuellement escompté s'élève à 6.000 euros au plus, seront - dans les limites des crédits budgétaires disponibles à cette fin - liquidées entièrement sous forme d'un montant unique, et ce, dans le courant du premier trimestre de l'année d'activités concernée. ";
4° au § 2, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
5° le § 3 est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Si le montant liquidé est supérieur au montant de subventions dû, déterminé au terme du décompte final, la somme concernée peut être déduite des montants de l'année suivante. "
HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions diverses
Art.44. Artikel 3 van het decreet van 10 mei 1999 betreffende de benaming van de openbare wegen wordt vervangen als volgt :
" Art. 3. De commissie bestaat uit drie leden die door de Regering worden aangewezen voor de duur van vijf jaar. Het mandaat kan worden verlengd.
De leden van de commissie hebben recht op presentiegeld en op een kilometervergoeding overeenkomstig de desbetreffende harmonisatiebepalingen vastgelegd door de Regering voor organen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap.
De commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat door de Regering moet worden goedgekeurd. "
" Art. 3. De commissie bestaat uit drie leden die door de Regering worden aangewezen voor de duur van vijf jaar. Het mandaat kan worden verlengd.
De leden van de commissie hebben recht op presentiegeld en op een kilometervergoeding overeenkomstig de desbetreffende harmonisatiebepalingen vastgelegd door de Regering voor organen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap.
De commissie stelt een huishoudelijk reglement op dat door de Regering moet worden goedgekeurd. "
Art.44. L'article 3 du décret du 10 mai 1999 relatif à la dénomination des voies publiques est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. La commission se compose de trois membres, désignés pour cinq ans par le Gouvernement. Le mandat est renouvelable.
Les membres de la commission ont droit à des jetons de présence et à une indemnité de déplacement conformément aux dispositions d'harmonisation déterminées en la matière par le Gouvernement pour les organismes et conseils d'administration de la Communauté germanophone.
La commission se dote d'un règlement d'ordre intérieur qu'elle soumet à l'approbation du Gouvernement. "
" Art. 3. La commission se compose de trois membres, désignés pour cinq ans par le Gouvernement. Le mandat est renouvelable.
Les membres de la commission ont droit à des jetons de présence et à une indemnité de déplacement conformément aux dispositions d'harmonisation déterminées en la matière par le Gouvernement pour les organismes et conseils d'administration de la Communauté germanophone.
La commission se dote d'un règlement d'ordre intérieur qu'elle soumet à l'approbation du Gouvernement. "
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 45. Dit decreet treedt in werking de dag waarop het wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :
1° artikel 7, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2013;
2° artikel 11, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2013;
3° de artikelen 12 en 17, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2013;
4° de artikelen 8, 9, 18 tot 28, 39 tot 42 en 43, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014;
5° [4 de artikelen 30 tot 38, die in werking treden op 1 januari 2026.]4
1° artikel 7, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2013;
2° artikel 11, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2013;
3° de artikelen 12 en 17, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2013;
4° de artikelen 8, 9, 18 tot 28, 39 tot 42 en 43, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014;
5° [4 de artikelen 30 tot 38, die in werking treden op 1 januari 2026.]4
Art. 45. Le présent décret entre en vigueur le jour suivant sa publication, à l'exception :
1° de l'article 7, qui produit ses effets le 1er juillet 2013;
2° de l'article 11, qui produit ses effets le 1er novembre 2013;
3° des articles 12 et 17, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2013;
4° des articles 8, 9, 18 à 28, 39 à 42 et 43, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2014;
5° [4 des articles 30 à 38, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2026.]4
1° de l'article 7, qui produit ses effets le 1er juillet 2013;
2° de l'article 11, qui produit ses effets le 1er novembre 2013;
3° des articles 12 et 17, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2013;
4° des articles 8, 9, 18 à 28, 39 à 42 et 43, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2014;
5° [4 des articles 30 à 38, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2026.]4