Artikel 1. Artikel 1, 18°, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 november 2000, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"18° artistieke activiteit : de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie;".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 FEBRUARI 2014. - Ministerieel besluit tot wijziging van de artikelen 1, 10, 31 en 71 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering
Titre
7 FEVRIER 2014. - ArrĂȘtĂ© ministĂ©riel modifiant les articles 1er, 10, 31 et 71 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage
Documentinformatie
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Article 1er. L'article 1er, 18°, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 novembre 1991 portant les modalitĂ©s d'application de la rĂ©glementation du chĂŽmage, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 novembre 2000, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" 18° activité artistique : la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théùtre et de la chorégraphie; ".
" 18° activité artistique : la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théùtre et de la chorégraphie; ".
Art. 2. Artikel 10 van hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 20 juni 1997 en gewijzigd bij het ministérieel besluit van 30 november 2001, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"Art. 10. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht tijdens de referteperiode die van toepassing is en wanneer deze activiteiten vergoed werden met een taakloon, wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen door het voor deze tewerkstellingen ontvangen brutoloon te delen door 1/26 van het refertemaandloon bedoeld in artikel 5 van dit besluit.
Het overeenkomstig het eerste lid bekomen aantal arbeidsdagen wordt per kwartaal beperkt tot een aantal arbeidsdagen gelijk aan (n x 26) vermeerderd met 78.
Voor de toepassing van het vorige lid stemt n overeen met het aantal kalendermaanden gelegen in het kalenderkwartaal in de referteperiode, waarop de in het eerste lid bedoelde activiteiten die onderworpen werden aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, betrekking hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid dient te worden verstaan onder taakloon, het loon dat door een werkgever wordt betaald aan de werknemer die een artistieke activiteit heeft verricht wanneer er geen rechtstreeks verband is tussen dit loon en het aantal arbeidsuren waaruit deze activiteit bestaat.".
"Art. 10. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht tijdens de referteperiode die van toepassing is en wanneer deze activiteiten vergoed werden met een taakloon, wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen door het voor deze tewerkstellingen ontvangen brutoloon te delen door 1/26 van het refertemaandloon bedoeld in artikel 5 van dit besluit.
Het overeenkomstig het eerste lid bekomen aantal arbeidsdagen wordt per kwartaal beperkt tot een aantal arbeidsdagen gelijk aan (n x 26) vermeerderd met 78.
Voor de toepassing van het vorige lid stemt n overeen met het aantal kalendermaanden gelegen in het kalenderkwartaal in de referteperiode, waarop de in het eerste lid bedoelde activiteiten die onderworpen werden aan de sociale zekerheid van de loontrekkenden, betrekking hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid dient te worden verstaan onder taakloon, het loon dat door een werkgever wordt betaald aan de werknemer die een artistieke activiteit heeft verricht wanneer er geen rechtstreeks verband is tussen dit loon en het aantal arbeidsuren waaruit deze activiteit bestaat.".
Art. 2. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 20 juin 1997 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 30 novembre 2001, est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
"Art. 10. Pour le travailleur qui a effectuĂ© des activitĂ©s artistiques dans la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence qui est d'application et lorsque ces activitĂ©s ont Ă©tĂ© rĂ©munĂ©rĂ©es par une rĂ©munĂ©ration Ă la tĂąche, le nombre de journĂ©es de travail pris en compte est obtenu en divisant la rĂ©munĂ©ration brute perçue pour ces occupations par 1/26Ăšme du salaire mensuel de rĂ©fĂ©rence visĂ© Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Le nombre de journées de travail obtenu conformément à l'alinéa 1er est par trimestre limité à un nombre de journées de travail égal à (n x 26) majoré de 78.
Pour l'application de l'alinéa précédent, n correspond au nombre de mois calendriers situés dans le trimestre calendrier dans la période de référence auxquels les activités visées à l'alinéa 1er qui ont été assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés se rapportent.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par rémunération à la tùche, le salaire versé par un employeur au travailleur qui a effectué une activité artistique lorsqu'il n'y a pas de lien direct entre ce salaire et le nombre d'heures de travail comprises dans cette activité. ".
"Art. 10. Pour le travailleur qui a effectuĂ© des activitĂ©s artistiques dans la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence qui est d'application et lorsque ces activitĂ©s ont Ă©tĂ© rĂ©munĂ©rĂ©es par une rĂ©munĂ©ration Ă la tĂąche, le nombre de journĂ©es de travail pris en compte est obtenu en divisant la rĂ©munĂ©ration brute perçue pour ces occupations par 1/26Ăšme du salaire mensuel de rĂ©fĂ©rence visĂ© Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Le nombre de journées de travail obtenu conformément à l'alinéa 1er est par trimestre limité à un nombre de journées de travail égal à (n x 26) majoré de 78.
Pour l'application de l'alinéa précédent, n correspond au nombre de mois calendriers situés dans le trimestre calendrier dans la période de référence auxquels les activités visées à l'alinéa 1er qui ont été assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés se rapportent.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par rémunération à la tùche, le salaire versé par un employeur au travailleur qui a effectué une activité artistique lorsqu'il n'y a pas de lien direct entre ce salaire et le nombre d'heures de travail comprises dans cette activité. ".
Art. 3. Artikel 31 van hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 23 november 2000, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"Art. 31. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht, wordt een betrekking aangeboden in een ander beroep dan dat van kunstenaar als niet passend beschouwd indien hij, in een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het aanbod, minstens 156 arbeidsdagen aantoont in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge artistieke activiteiten.
In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te bewijzen, evenwel rekening gehouden worden met arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge niet-artistieke activiteiten ten belope van maximum 52 dagen.
Voor de beoordeling van het passend karakter van een dienstbetrekking in een ander beroep dan dat van kunstenaar wordt rekening gehouden met de intellectuele ontwikkeling en met de lichaamsgeschiktheid van de kunstenaar, alsmede met het risico dat de vaardigheid vereist voor het uitoefenen van zijn beroep van kunstenaar, zou kunnen afnemen.".
"Art. 31. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht, wordt een betrekking aangeboden in een ander beroep dan dat van kunstenaar als niet passend beschouwd indien hij, in een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het aanbod, minstens 156 arbeidsdagen aantoont in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge artistieke activiteiten.
In afwijking van het vorige lid kan, om de 156 dagen bedoeld in het vorige lid te bewijzen, evenwel rekening gehouden worden met arbeidsdagen in de zin van artikel 37 van het koninklijk besluit, ingevolge niet-artistieke activiteiten ten belope van maximum 52 dagen.
Voor de beoordeling van het passend karakter van een dienstbetrekking in een ander beroep dan dat van kunstenaar wordt rekening gehouden met de intellectuele ontwikkeling en met de lichaamsgeschiktheid van de kunstenaar, alsmede met het risico dat de vaardigheid vereist voor het uitoefenen van zijn beroep van kunstenaar, zou kunnen afnemen.".
Art. 3. L'article 31 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 23 novembre 2000, est remplacĂ© par les dispostions suivantes :
"Art. 31. Pour le travailleur qui a effectuĂ© des activitĂ©s artistiques, un emploi offert dans une autre profession que celle d'artiste est rĂ©putĂ© non convenable s'il prouve dans une pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence de dix-huit mois qui prĂ©cĂ©dent l'offre, au moins 156 journĂ©es de travail au sens de l'article 37 de l'arrĂȘtĂ© royal suite Ă des activitĂ©s artistiques.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, il peut toutefois ĂȘtre tenu compte pour justifier des 156 journĂ©es visĂ©es Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, de journĂ©es de travail au sens de l'article 37 de l'arrĂȘtĂ© royal suite Ă des activitĂ©s non artistiques Ă concurrence d'un maximum de 52 journĂ©es.
Pour l'appréciation du caractÚre convenable d'un emploi dans une autre profession que celle d'artiste, il est tenu compte de la formation intellectuelle et de l'aptitude physique de l'artiste, ainsi que du risque de détérioration des aptitudes requises pour l'exercice de son art.".
"Art. 31. Pour le travailleur qui a effectuĂ© des activitĂ©s artistiques, un emploi offert dans une autre profession que celle d'artiste est rĂ©putĂ© non convenable s'il prouve dans une pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence de dix-huit mois qui prĂ©cĂ©dent l'offre, au moins 156 journĂ©es de travail au sens de l'article 37 de l'arrĂȘtĂ© royal suite Ă des activitĂ©s artistiques.
Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, il peut toutefois ĂȘtre tenu compte pour justifier des 156 journĂ©es visĂ©es Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, de journĂ©es de travail au sens de l'article 37 de l'arrĂȘtĂ© royal suite Ă des activitĂ©s non artistiques Ă concurrence d'un maximum de 52 journĂ©es.
Pour l'appréciation du caractÚre convenable d'un emploi dans une autre profession que celle d'artiste, il est tenu compte de la formation intellectuelle et de l'aptitude physique de l'artiste, ainsi que du risque de détérioration des aptitudes requises pour l'exercice de son art.".
Art. 4. In artikel 71 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°) in § 1, tweede lid, wordt de verwijzing "artikel 116, § 1" vervangen door de verwijzing "artikel 116, § 1, § 1bis en § 1ter";
2°) het wordt aangevuld met een § 5, luidende :
" § 5. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht die vergoed zijn met een taakloon, wordt :
1° het taakloon dat werd toegekend voor een artistieke activiteit, geacht op gelijke wijze elke kalenderdag van de periode van de arbeidsrelatie overeenkomstig de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, te dekken;
2° een berekening van het aantal dagen van werkhervatting op kwartaalbasis gemaakt in functie van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in elk kwartaal;
3° slechts rekening gehouden met het gedeelte van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in de referteperiode.".
1°) in § 1, tweede lid, wordt de verwijzing "artikel 116, § 1" vervangen door de verwijzing "artikel 116, § 1, § 1bis en § 1ter";
2°) het wordt aangevuld met een § 5, luidende :
" § 5. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht die vergoed zijn met een taakloon, wordt :
1° het taakloon dat werd toegekend voor een artistieke activiteit, geacht op gelijke wijze elke kalenderdag van de periode van de arbeidsrelatie overeenkomstig de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, te dekken;
2° een berekening van het aantal dagen van werkhervatting op kwartaalbasis gemaakt in functie van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in elk kwartaal;
3° slechts rekening gehouden met het gedeelte van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in de referteperiode.".
Art. 4. A l'article 71 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 23 juillet 2012, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1°) au § 1er, alinéa 2, la référence "de l'article 116, § 1er " est remplacée par la référence "de l'article 116, § 1er, § 1erbis et 1erter";
2°) il est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour le travailleur qui a effectué des activités artistiques rémunérées par une rémunération à la tùche :
1° la rémunération à la tùche qui rémunÚre l'activité artistique est considérée couvrir de maniÚre égale chaque jour calendrier de toute la période de la relation de travail qui correspond à la déclaration immédiate de l'emploi;
2° un calcul du nombre de jours de reprise de travail est effectué sur base trimestrielle en fonction de la rémunération à la tùche qui conformément au 1° est située dans chaque trimestre;
3° il est uniquement tenu compte de la partie de la rémunération à la tùche qui conformément au 1° est située dans la période de référence.".
1°) au § 1er, alinéa 2, la référence "de l'article 116, § 1er " est remplacée par la référence "de l'article 116, § 1er, § 1erbis et 1erter";
2°) il est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour le travailleur qui a effectué des activités artistiques rémunérées par une rémunération à la tùche :
1° la rémunération à la tùche qui rémunÚre l'activité artistique est considérée couvrir de maniÚre égale chaque jour calendrier de toute la période de la relation de travail qui correspond à la déclaration immédiate de l'emploi;
2° un calcul du nombre de jours de reprise de travail est effectué sur base trimestrielle en fonction de la rémunération à la tùche qui conformément au 1° est située dans chaque trimestre;
3° il est uniquement tenu compte de la partie de la rémunération à la tùche qui conformément au 1° est située dans la période de référence.".
Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2014.
Art. 5. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er avril 2014.