Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 JANUARI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat de witloofteelt betreft
Titre
20 JANVIER 2014. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant l'article 8bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, en ce qui concerne le secteur des chicons
Documentinformatie
Numac: 2014200718
Datum: 2014-01-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014200718
Date: 2014-01-20
Moniteur: Voir
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. Artikel 8bis, § 1, tweede lid, 4° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1994, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 april 2007 en dat buiten werking was getreden overeenkomstig artikel 6, tweede lid van laatstgenoemd koninklijk besluit, wordt hersteld als volgt :
  " 4° wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 dagen per kalenderjaar, met uitzondering van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, wat de 35 laatste dagen van de 100 dagen betreft.".
Article 1er. L'article 8bis, § 1er, alinĂ©a 2, 4° de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 juin 1994, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 avril 2007 et ayant cessĂ© d'ĂȘtre en vigueur conformĂ©ment Ă  l'article 6, alinĂ©a 2 de ce dernier arrĂȘtĂ© royal, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " 4° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés dans le travail de la culture du chicon : le travailleur manuel occupé durant un maximum de 100 jours par année civile, à l'exclusion des travailleurs relevant de la Commission paritaire pour le travail intérimaire en ce qui concerne les 35 derniers jours des 100 jours. ".
Art. 2. Artikel 8bis, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1994, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 april 2007, dat buiten werking was getreden overeenkomstig artikel 6, 2e lid van laatstgenoemd koninklijk besluit, en artikel 8bis, § 2, derde lid geworden ten gevolge van het koninklijk besluit van 30 november 2011, wordt hersteld als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid kan, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn aan werken in de witloofteelt, de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd worden met 35 extra dagen per handarbeider die geen uitzendarbeider is en per kalenderjaar, voorzover gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) de betrokken werkgever moet ten minste 3/4 van de omzet van het voorgaande kalenderjaar gerealiseerd hebben met de witloofteelt; dit moet op de volgende manier bewezen worden :
  - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de door het Nationaal Instituut voor de Statistiek bepaalde datum voor het versturen van de vragenlijsten ingevuld in het kader van de landbouwtelling bedoeld bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, stuurt de werkgever een kopie van de ingevulde vragenlijst naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf;
  - ten laatste op de veertiende dag die volgt op de ontvangst van het aanslagbiljet voor het lopende aanslagjaar (inkomsten van het vorige jaar), stuurt de werkgever een kopie van dit aanslagbiljet naar de voorzitter van het voornoemde Paritair Comité, met dien verstande dat wanneer het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2008 (inkomsten 2007) wordt opgestuurd na 2008, de mededelingsplicht van de kopie van dit aanslagbiljet blijft bestaan in hoofde van de werkgever;
  b) in afwachting dat dit dubbele bewijs geleverd wordt, stuurt de betrokken werkgever naar de identificatiedienst van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een verklaring op eer die bevestigt dat er aan de voorwaarde onder a) voldaan is, met in bijlage de volgende documenten :
  - een kopie van de vragenlijst ingevuld in het kader van de landbouwtelling van het vorige jaar;
  - een kopie van het laatste ontvangen aanslagbiljet;
  Een kopie van deze verklaring op eer en de bijlagen wordt naar de voorzitter van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf gestuurd.
  c) de betrokken werkgever kan deze 35 extra dagen enkel gebruiken voor de witloofteelt, zelfs indien deze werkgever andere activiteiten heeft;
  d) de betrokken werkgever mag zich niet in één van de situaties bevinden bedoeld in artikel 38, § 3octies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. In dit laatste geval is de beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, niet meer van toepassing. ".
Art. 2. L'article 8bis, § 2, alinĂ©a 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 juin 1994, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 avril 2007, ayant cessĂ© d'ĂȘtre en vigueur conformĂ©ment Ă  l'article 6, alinĂ©a 2 de ce dernier arrĂȘtĂ© royal, et devenu article 8bis, § 2, alinĂ©a 3 Ă  la suite de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 novembre 2011, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a 1er, en ce qui concerne les travailleurs manuels occupĂ©s dans le travail de la culture du chicon, la limitation Ă  l'assujettissement visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 1er, peut ĂȘtre prolongĂ©e de 35 jours supplĂ©mentaires par travailleur manuel non intĂ©rimaire et par annĂ©e civile, pour autant que les conditions suivantes soient rĂ©unies :
  a) l'employeur concerné doit voir au moins les 3/4 du chiffre d'affaires de l'année civile précédente constitués par la culture du chicon; cette preuve sera fournie de la maniÚre indiquée ci-aprÚs :
  - au plus tard le quatorziĂšme jour qui suit la date fixĂ©e par l'Institut national de Statistique pour l'envoi des questionnaires remplis dans le cadre du recensement agricole visĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 2 avril 2001 relatif Ă  l'organisation d'un recensement agricole annuel au mois de mai effectuĂ© par l'Institut national de Statistique, l'employeur envoie une copie du questionnaire rempli au prĂ©sident de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles;
  - au plus tard, le quatorziÚme jour qui suit la réception de l'avertissement-extrait de rÎle relatif à l'exercice fiscal en cours (revenus de l'année précédente), l'employeur envoie copie de cette avertissement-extrait de rÎle au président de la Commission paritaire précitée, étant entendu que si l'avertissement-extrait de rÎle relatif à l'exercice fiscal 2008 (revenus 2007) est envoyé aprÚs 2008, l'obligation de communication de la copie de cet avertissement-extrait de rÎle demeure dans le chef de l'employeur;
  b) en attendant de fournir cette double preuve, l'employeur concerné adresse au service d'identification de l'Office national de Sécurité sociale une déclaration sur l'honneur attestant que la condition sous a) est satisfaite, et joint en annexes les documents suivants :
  - copie du questionnaire rempli dans le cadre du recensement agricole de l'année précédente;
  - copie du dernier avertissement-extrait de rÎle reçu.
  La copie de cette déclaration sur l'honneur et de ses annexes est envoyée au président de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles.
  c) l'employeur concernĂ© ne peut utiliser ce quota supplĂ©mentaire de 35 jours que pour la culture du chicon, mĂȘme si cet employeur a d'autres activitĂ©s;
  d) l'employeur concerné ne peut pas se trouver dans une des situations visées à l'article 38, § 3octies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. Dans ce dernier cas, l'assujettissement limité visé au § 1er, alinéa 1er, n'est plus d'application. ".
Art. 3. Artikel 8bis, § 3, 2e lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 juni 1994, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 april 2007 en dat buiten werking was getreden overeenkomstig artikel 6, 2e lid van laatstgenoemd koninklijk besluit, wordt hersteld als volgt :
  " In afwijking van het vorige lid, wordt de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten gebracht op 100 dagen per kalenderjaar wanneer de gelegenheidsactiviteiten vanaf de 66e dag uitsluitend uitgeoefend worden in de witloofteelt. ".
Art. 3. L'article 8bis, § 3, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 juin 1994, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 21 avril 2007 et ayant cessĂ© d'ĂȘtre en vigueur conformĂ©ment Ă  l'article 6, alinĂ©a 2 de ce dernier arrĂȘtĂ© royal, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Par dérogation à l'alinéa précédent, le cumul des différentes activités occasionnelles est porté à 100 jours par année civile, lorsque les activités occasionnelles à partir du 66e jour sont exercées exclusivement dans la culture du chicon. ".
Art. 4. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2012 en treedt buiten werking op 1 januari 2014.
Art. 4. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er janvier 2012 et cesse d'ĂȘtre en vigueur le 1er janvier 2014.
Art. 5. De minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Gegeven te Brussel, 20 januari 2014
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen,
  Mevr. L. ONKELINX
  De Minister van Werk,
  Mevr. M. DE CONINCK
  Donné à Bruxelles, le 20 janvier 2014
  PHILIPPE
  Par le Roi :
  La Vice-PremiÚre Ministre et Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de Beliris et des Institutions culturelles fédérales
  Mme L. ONKELINX
  La Ministre de l'Emploi,
  Mme. M. DE CONINCK